WPL 09 ACS classic - Warmtepomp STIEBEL ELTRON - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis WPL 09 ACS classic STIEBEL ELTRON in PDF-formaat.
| Producttype | Lucht-water warmtepomp |
| Model | WPL 09 ACS classic |
| Merk | Stiebel Eltron |
| Afmetingen (H x B x D) | 740 x 1022 x 524 mm |
| Gewicht | 62 kg |
| Voedingsspanning | 230 V / 1/N/PE |
| Maximaal stroomverbruik (zonder nood-/bijverwarming) | 2,20 kW |
| Beveiliging compressor | 1 x B 16 A |
| Beveiliging sturing | 1 x B 16 A |
| Koudemiddel | R410A, 1,1 kg |
| CO2-equivalent | 2,30 t |
| Geluidsniveau (EN 12102) | 52 dB(A) |
| Energierendementsklasse (gemiddeld klimaat, W55/W35) | A+/A++ |
| Werkingsgebied verwarming | 15 °C tot 60 °C aanvoertemperatuur |
| Werkingsgebied warmtebron (buitenlucht) | -20 °C tot 40 °C |
| Functies | Verwarmen en koelen, geschikt voor vloerverwarming, lage temperatuurverwarming |
| Onderhoud | Houd luchtroosters vrij van sneeuw en bladeren; periodieke inspectie door installateur |
| Veiligheid | Alleen gebruiken met gesloten behuizing; elektrische aansluiting alleen door installateur; na uitschakelen 2 minuten wachten |
| Reparatie en reserveonderdelen | Alleen origineel toebehoren en vervangingsonderdelen gebruiken; reparatie door gekwalificeerde installateur |
| Beschermingsgraad | IP14B |
Veelgestelde vragen - WPL 09 ACS classic STIEBEL ELTRON
Gebruikersvragen over WPL 09 ACS classic STIEBEL ELTRON
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Warmtepomp in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding WPL 09 ACS classic - STIEBEL ELTRON en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. WPL 09 ACS classic van het merk STIEBEL ELTRON.
GEBRUIKSAANWIJZING WPL 09 ACS classic STIEBEL ELTRON
- Algemene aanwijzingen ____ 3
1.1 Geldende documenten 3
1.2 Veiligheidsaanwijzingen 3
1.3 Andere aandachtspunten in deze documentatie ____ 4
1.4 Meeteenheden 4
1.5 Prestatiegegevens conform norm ____ 4
- Veiligheid 4
2.2 Veiligheidsaanwijzingen ____ 4
- Toestelbeschrijving 5
3.1 Minimale softwarestanden 5
3.2 Gebruikseigenschappen 5
3.3 Werkwijze 5
-
Instellingen 6
-
Onderhoud en verzorging 6
-
Problemen verhelpen 6
INSTALLATIE
- Veiligheid 7
7.1 Algemene veiligheidsaanwijzingen ____ 7
7.2 Voorschriften, normen en bepalingen ____ 7
- Toestelbeschrijving ____ 7
9.1 Geluidsemissie 7
9.2 Minimumafstanden 8
9.3 Voorbereiden van de montageplaats 8
9.4 Voedingsleidingen installeren 11
9.5 Warmtepompmanager WPM 11
9.6 Buffervaten 11
9.7 Voorbereiden van de elektrische installatie ____ 11
- Montage 12
10.1 Transport 12
10.2 Opstelling 12
10.3 Aanvoer- en retouraansluiting 12
10.4 Koppelingen monteren 12
10.5 Aansluiting van het verwarmingswater ____ 13
10.6 Zuurstofdiffusie 13
10.7 Verwarmingsinstallatie vullen 14
10.8 Externe tweede warmteopwekker ____ 14
10.9 Veiligheidstemperatuurbegrenzer voor oppervlakteverwarming 14
- Elektrische aansluiting 15
11.1 Aansluitgedeelte 15
- Ingebruikname 16
12.1 Controle voor ingebruikname 16
12.2 Minimale volumestroom verzekeren 16
- Instellingen 18
13.1 De stooklijn instellen 18
13.2 Gereduceerd nachtbedrijf (Stille modus) ____ 19
13.3 Overige instellingen 19
-
Overdracht van het toestel 19
-
Buitendienststelling 19
15.1 Stand-bybedrijf 19
15.2 Spanningsonderbreking 20
-
Onderhoud 20
-
Storingen verhelpen 20
17.1 Controle van de schuifschakelaar op de IWS 20
17.2 Lichtdiodes (IWS) 22
17.3 Toets Reset 22
17.4 Ventilatorlawaai 22
18.1 Afmetingen en aansluitingen 23
18.3 Toepassingsbeperking 26
18.4 Vermogensdiagrammen WPL 07 ACS classic ____ 27
18.5 Vermogensdiagrammen WPL 09 ACS classic 28
18.6 Vermogensdiagrammen WPL 13 ACS classic ____ 29
18.7 Vermogensdiagrammen WPL 17 ACS classic ____ 31
18.8 Gegevenstabel 32
GARANTIE
MILIEU EN RECYCLING
BIJZONDERE INFO
- Het toestel kan door kinderen vanaf 8 jaar, alsmede door personen met fysieke, zintuiglijke of geestelijke beperkingen of met een gebrek aan ervaring en kennis gebruikt worden, wanneer er toezicht op hen gehouden wordt, of wanneer ze met betrekking tot het veilige gebruik van het toestel getraind zijn en de gevaren die daaruit ontstaan, begrepen hebben. Kinderen mogen niet met het toestel spelen. Kinderen mogen zonder toezicht het toestel niet reinigen noch gebruikersonderhoudstaken uitvoeren.
- Aansluiting op het stroomnet is alleen als vaste aansluiting toegestaan. Het toestel moet op alle polen met een afstand van minstens 3 mm van de aansluiting van het net kunnen worden losgekoppeld.
- Houd de minimale afstanden aan om een storingsvrije werking van het toestel te waarborgen en onderhoudswerkzaamheden aan het toestel mogelijk te maken.
- Onderhoudswerkzaamheden, zoals het controle- ren van de elektrische veiligheid, mogen alleen uitgevoerd worden door een installateur.
- Wij adviseren om periodiek een inspectie (actuele toestand vaststellen) en desgewenst een onderhoudsbeurt (gewenste toestand herstellen) door een installateur te laten uitvoeren.
- Nadat het toestel spanningsvrij is geschakeld, kan het toestel nog gedurende 2 minuten onder spanning staan, omdat de condensatoren op de inverter nog moeten ontladen.
- De voeding van de warmtepomp mag ook buiten de verwarmingsperiode niet onderbroken worden. Wordt deze wel onderbroken, dan is de vorstbescherming van het warmtepompsysteem niet langer gewaarborgd.
- Maak de installatie aan de waterzijde leeg, terwijl de warmtepomp volledig uitgeschakeld is en wanneer er vorstgevaar bestaat.
BEDIENING
1. Algemene aanwijzingen
De hoofdstukken "Bijzondere info" en "Bediening" zijn bedoeld voor de gebruiker van het toestel en voor de installateur.
Het hoofdstuk "Installatie" is bedoeld voor de installateur.

Info
Lees deze handleiding voor gebruik zorgvuldig door en bewaar deze.
Overhandig de handleiding eventueel aan een volgende gebruiker.
1.1 Geldende documenten
Handleidingen van de warmtepompmanager WPM
Bedienings- en installatiehandleiding van de aangesloten binneneenheid
Bedienings- en installatiehandleiding van de gebruikte console
Bedienings- en installatiehandleiding van de componenten die bij de installatie horen
Checklist ingebruikname warmtepomp
1.2 Veiligheidsaanwijzingen
1.2.1 Opbouw van veiligheidsaanwijzingen

TREFWOORD Soort gevaar
Hier worden de mogelijke gevolgen vermeld, wanneer de veiligheidsaanwijzingen worden genegeerd.
Hier staan maatregelen om gevaren te voorkomen.
1.2.2 Symbolen, soort gevaar
| Symbool | Soort gevaar | |
![]() | Letsel | |
![]() | Elektrische schok | |
1.2.3 Trefwoorden
| TREFWORD | Betekenis |
| GEVAAR | Aanwijzingen die leiden tot zwaar letsel of overlijden, wanneer deze niet in acht worden genomen. |
| WAARSCHUWING | Aanwijzingen die kunnen leiden tot zwaar letsel of overlijden, wanneer deze niet in acht worden genomen. |
| VOORZICHTIG | Aanwijzingen die kunnen leiden tot middelmatig zwaar of licht letsel, wanneer deze niet in acht worden genomen. |
1.3 Andere aandachtspunten in deze documentatie

Info
Algemene aanwijzingen worden aangeduid met het hiernaast afgebeelde symbool.
Lees de aanwijzingsteksten grondig door.
Symbool Betekenis

Materièle schade
(toestel-, gevolg-, milieuschade)

Het toestel afdanken
- Dit symbool geeft aan dat u iets moet doen. De vereiste han delingen worden stap voor stap beschreven.
1.4 Meeteenheden

Info
Tenzij anders vermeld, worden alle afmetingen in millimeter aangegeven.
1.5 Prestatiegegevens conform norm
Toelichting voor de bepaling en interpretatie van de aangegeven prestatiegegevens conform de norm.
1.5.1 EN 14511
De met name in tekst, grafieken en op het technische gegevensblad vermelde prestatiegegevens zijn berekend conform de meetomstandigheden van de in de titel van deze paragraaf aangeduide norm. Daarbij gaat het afwijkend van deze norm bij de prestatiegegevens voor lucht-water inverter warmtepompen bij brontemperaturen > -7 °C om waarden van gedeeltelijke belasting. De betreffende procentuele weging kan aan het bereik van de gedeeltelijke belasting van de EN 14825 en aan vaste activiteiten volgens het EHPA-kwaliteitszegel ontleend worden.
De bovengenoemde meetomstandigheden komen doorgaans niet volledig overeen met de bestaande omstandigheden bij de gebruiker.
Afhankelijk van de geselecteerde meetmethode en de mate waarin de geselecteerde methode afwijkt van de in de eerste alinea van deze paragraaf gedefinieerde meetomstandigheden, kunnen de afwijkingen aanzienlijk zijn.
Andere factoren die de meetwaarden beïnvloeden, zijn de meetmiddelen, de systeemopbouw en ouderdom van de installatie en de debieten.
Bevestiging van de aangegeven prestatiegegevens is slechts mogelijk, wanneer ook de meting die in dit kader is uitgevoerd, de in de eerste alinea van deze paragraaf aangegeven meetomstandigheden respecteert.
2. Veiligheid
Het toestel dient om ruimten te koelen en te verwarmen binnen het werkingsgebied dat in de technische gegevens is opgegeven.
Het toestel is bestemd voor gebruik in een huishoudelijke omgeving. Het kan op een veilige manier worden bediend door ongeschoolde personen. Het toestel kan ook buiten het huishouden worden gebruikt, bijv. in een klein bedrijf, voor zover het op dezelfde wijze wordt gebruikt.
Elk ander gebruik dat verder gaat dan wat hier wordt omschreven, geldt als niet reglementair. Bij reglementair gebruik hoort ook het in acht nemen van deze handleiding evenals de handleidingen voor het gebruikte toebehoren.
2.2 Veiligheidsaanwijzingen
Neem de hierna vermelde veiligheidsaanwijzingen en voorschriften in acht.
- De elektrische installatie en de installatie van het toestel mogen alleen uitgevoerd worden door een installateur.
- De installateur is tijdens de installatie en de eerste ingebruikname verantwoordelijk voor het naleven van de geldende voorschriften.
- Gebruik het toestel alleen als het volledig geïnstalleerd is en als alle veiligheidsvoorzieningen aangebracht zijn.
- Bescherm het toestel tegen stof en vuil tijdens de bouwfase.

WAARSCHUWING letsel
Het toestel kan door kinderen vanaf 8 jaar, alsook door personen met fysieke, zintuiglijke of geestelijke beperkingen of met een gebrek aan ervaring en kennis gebruikt worden op voorwaarde dat er iemand toezicht houdt, of dat ze onderricht zijn hoe ze het toestel veilig moeten gebruiken en begrijpen welke gevaren hiermee gepaard gaan. Kinderen mogen niet met het toestel spelen. Kinderen mogen zonder toezicht het toestel niet reinigen noch gebruikersonderhoudstaken uitvoeren.

WAARSCHUWING letsel
- Gebruik het toestel om veiligheidsredenen alleen met een gesloten behuizing.
3. Toestelbeschrijving
3.1 Minimale softwarestanden
Voor de werking van de warmtepomp zijn minstens de volgende softwarestanden vereist:
WPL 07 ACS classic | WPL 09 ACS classic | WPL 17 ACS classic
- WPM: 390.09
- MFG: V.14
- FES: 417.05
WPL 13 ACS classic
- WPM: 390.12
- MFG: V.14
- FES: 417.07
3.2 Gebruikseigenschappen
Het toestel is een lucht-water-warmtepomp bedoeld voor opstelling buiten. Er wordt op een laag temperatuurniveau warmte aan de buitenlucht onttrokken, die dan op een hoger temperatuurniveau wordt afgegeven aan het verwarmingswater. Het cv-water kan tot een aanvoertemperatuur van 60 °C worden opgewarmd.
Dit toestel heeft nog andere gebruikseigenschappen:
- Geschikt voor vloerverwarming.
- Bij voorkeur voor lage temperatuurverwarming.
- Haalt uit de buitenlucht zelfs nog warmte bij een buitentemperatuur van -20 °C.
- Tegen corrosie beschermd, buitenste bekledingsdelen van verzinkte staalplaat, bovendien gemoffeld.
- Bevat niet-brandbaar veiligheidskoelmiddel.

Info
Het toestel kan nu in combinatie met de volgende producten worden gebruikt:
- hydraulische module HM(S) (Trend)
- hydraulische module HMH
- boiler- en hydraulische module HSBB 200 (S)
- combiboiler HSBC 200 (S)
3.3 Werkwijze
3.3.1 Verwarmen
Met de warmtewisselaar aan de luchtzijde (verdamper) wordt warmte onttrokken aan de buitenlucht. Het verdampte koudemiddel wordt met een compressor gecomprimeerd. Daarvoor is elektrische energie vereist. Het koudemiddel heeft nu een hogere temperatuur. Een tweede warmtewisselaar (condensor) geeft de warmte af aan het verwarmingscircuit. Daarna wordt de druk van het koudemiddel lager en begint het proces van voren af aan.
Bij lagere luchttemperaturen dan ca. +7 °C slaat de luchtvochtigheid als rijp op de verdamperlamellen neer. Deze rijpaanslag wordt automatisch ontdooid. Het water dat hierbij ontstaat, stroomt via de vrije condensaatafvoer uit het toestel en sijpelt in het grindbed weg.

Materièle schade
Tijdens de ontdooifase schakelt de ventilator uit en wordt de warmtepompkring omgekeerd. De voor het ontdooien benodigde warmte wordt uit het buffervat gehaald. Bij werking zonder buffervat moet u rekening houden met het hoofdstuk "Menu/menubeschrijving/INSTELLINGEN/VERWARMEN/BASISINSTELLING/BUFFERWERKING" in de ingebruiknamehandleiding van de WPM. Anders kan de warmtepomp onder ongunstige omstandigheden beschadigd raken.

Info
In de winter kunnen zich onderaan aan de condensaatafvoer ijspegels vormen. Dit heeft geen negatieve invloed op de werking van het toestel, zolang het condensaat maar ongehinderd kan worden afgevoerd.
Aan het einde van de ontdooifase schakelt de warmtepomp automatisch terug naar de verwarmingsmodus.

Materièle schade
Bij bivalente werking kan de warmtepomp worden doorstroomd door het retourwater van de tweede warmteopwekker. Houd er rekening mee dat de retourtemperatuur maximaal 60 °C mag zijn.
3.3.2 Koelen

Materièle schade
De warmtepomp is niet geschikt voor continue koelwerking het hele jaar door.
▶ Houd rekening met het werkingsgebied (zie hoofdstuk "Technische gegevens/gegevenstabel").

Materièle schade
Als de dauwpunttemperatuur niet bereikt wordt, kan in het koelbedrijf condensaat gevormd worden.
▶ Voorkom condensaatvorming door geschikte maatregelen.

Info
Met de HM(S) (Trend) is een oppervlakte- en ventilatorkoeling mogelijk.
Met de HSBB 200 (S) en HSBC 200 (S) is een oppervlaktekoeling mogelijk.
De ruimten worden gekoeld door omkering van het warmtepomp-circuit. Aan het cv-water wordt warmte onttrokken. De verdamper geeft deze warmte af aan de buitenlucht.
Bij oppervlaktekoeling is de installatie van afstandsbediening FET voor de meting van de relatieve vochtigheid en de kamertemperatuur voor de dauwpuntbewaking in een referentieruimte noodzakelijk.
Bij de ventilatorkoeling is het noodzakelijk om de afstandsbediening FE 7 / FET te installeren om de kamertemperatuur in een referentieruimte te meten. Bovendien is de installatie van een buffervat vereist.
Werkingsgebied voor de warmtepomp
Bij een buitentemperatuur onder de ingestelde onderste werkingsgrens voor de koeling (parameter GRENS KOELEN) wordt de warmtepomp uitgeschakeld.
4. Instellingen
De bediening gebeurt uitsluitend met de warmtepompmanager WPM. De warmtepompmanager is in de als noodzakelijk toebehoren producten geïntegreerd (zie hoofdstuk "Installatie/toestelbeschrijving/toebehoren").
▶ Houd rekening met de handleiding van de warmtepompma nager.
5. Onderhoud en verzorging

Materièle schade
Onderhoudswerkzaamheden, zoals het controleren van de elektrische veiligheid, mogen alleen door een installateur worden uitgevoerd.
Een vochtige doek volstaat om de kunststoffen en metalen onderdelen te verzorgen en te reinigen. Gebruik geen schurende reinigingsmiddelen of reinigingsmiddelen met oplosmiddelen.
▶ Bescherm het toestel tegen stof en vuil tijdens de bouwfase.

Materièle schade
Houd de luchtafvoer- en luchttoevoeropeningen vrij van sneeuw en bladeren.
Wij adviseren om periodiek een inspectie (actuele toestand vaststellen) en desgewenst een onderhoudsbeurt (gewenste toestand herstellen) door een installateur te laten uitvoeren.
6. Problemen verhelpen
| Storing Oorzaak Oplossing | ||
| Geen warm water beschikbaar of de verwarming blijft koud. | Het toestel heeft geen spanning. | Controleer de zekeringen van de huisinstallatie. Schakel de zeker-ingen evt. opnieuw in. Wanneer de zekeringen na inschakeling opnieuw uitschakelen, waar-schuw dan uw installateur. |
| De verwarming wordt warm, maar de ruimten worden niet tot de gewenste temperatuur op-gewarmd. | De bivalentietemperatuur is te laag ingesteld. | Verhoog de bivalentietempera-tuur tot bijv. 0 °C. |
| Het gebouw is nieuw-bouw en bevindt zich in de droogfase (droog wonen). | Verhoog de bivalentietempera-tuur tot +5 °C.Na 1 tot 2 jaar kan de bivalen-tietemperatuur worden gereset naar bijv. -3 °C. | |
| Storing Oorzaak Oplossing | ||
| Aan de buitenzijde van het toestel en aan het lucht-rooster ontstaat condensaat. | De warmtepomp onttrekt warmte aan de buiten-lucht om het gebouw te verwarmen. Daardoor kan er dauw of rijp ont-staan op de afgekoelde behuizing van de warm-tepomp ten gevolge van het condenserende vocht in de buitenlucht. Dit is geen defect. | |
| De ventilator draait bij uitge-schakelde compressor. | Bij buitentemperaturen onder 10 °C wordt de ventilator bij stilstand van de compressor regelmatig met een heel laag toerental gestart. Hiermee wordt vermeden dat de verdamper en de ventilator door afgevoerd water bevriezen of vast-vriezen. Bij temperaturen boven het vriespunt wordt de tijd tussen twee ontdooicycli vergroot en zodoende de totale effici-entie verbeterd. | |
| Het toestel genereert ritmisch krassende, malende geluiden. | Aan het luchtrooster, aan de ventilatorschoepen of de luchtgeleiding heeft zich ijs afgezet. | Bel uw installateur (zie hoofdstuk "Installatie/probleemoplossing/ventilatorgeluiden"). |
Waarschuw de installateur, wanneer u de oorzaak niet zelf kunt verhelpen. Om u nog beter en sneller te kunnen helpen, deelt u hem het nummer op het typeplaatje mee. Het typeplaatje zit vanaf de voorkant gezien aan de rechter- of linkerzijde van de toestelbehuizing.
Voorbeeld van het typeplaatje

1 Nummer op het typeplaatje
INSTALLATIE
7. Veiligheid
Installatie, ingebruikname, onderhoud en reparatie van het toestel mogen alleen worden uitgevoerd door een gekwalificeerde installateur.
7.1 Algemene veiligheidsaanwijzingen
Wij waarborgen de goede werking en de bedrijfszekerheid uitsluitend bij gebruik van origineel toebehoren en originele vervangingsonderdelen voor het toestel.
7.2 Voorschriften, normen en bepalingen

Info
Neem alle nationale en regionale voorschriften en be- palingen in acht.
WPL 07 ACS classic | WPL 09 ACS classic
Het geteste toestel voldoet aan IEC 61000-3-3.
WPL 13 ACS classic | WPL 17 ACS classic
Het geteste toestel voldoet aan IEC 61000-3-12.
8. Toestelbeschrijving
Het toestel beschikt over een vorstbescherming van de verbindingsleidingen. De geïntegreerde vorstbeschermingschakeling schakelt bij 8 °C condensortemperatuur de circulatiepomp in de warmtepompkring automatisch in en verzekert daardoor de circulatie in alle water geleidende delen. Als de temperatuur in het buffervat tot onder +5 °C daalt, wordt afhankelijk van de buitentemperatuur automatisch de warmtepomp ingeschakeld.
8.1 Leveringsomvang
Bij het toestel wordt het volgende geleverd:
- Schakelschema
8.2 Toebehoren
8.2.1 Noodzakelijk toebehoren

Info
Wanneer het toestel met de hydraulische module HMH gebruikt wordt, moet voor een aantal functies geen elektrische nood-/bijverwarming aangesloten worden, omdat de 2de warmteopwekker deze functie op zich neemt.
▶ Houd rekening met de bedienings- en installatiehandleiding van de hydraulische module HMH.
- Staande console SK 2 of wandconsole WK 1
- Hydraulische module HM(S) (Trend), hydraulische module HMH, boiler- en hydraulische module HSBB 200 (S) of combi-boiler HSBC 200 (S)
8.2.2 Overig toebehoren
- Verwarmings-afstandsbediening FET
- Verwarmings-afstandsbediening FE7
- Veiligheidstemperatuurbegrenzer voor oppervlakteverwarming STB-FB
- Afdekkap CH 1
9. Voorbereidingen

![graph TD A["Input"] --> B["Process Box"] B --> C["Output"]](/content/2026/06/1164960/images/b6cb477f691c73eeb990699d2a1aae031652b7f8272c6a8d6d2d0d708b15c780.jpg)
D0000060163
Het toestel is ontworpen voor installatie op een staande console of wandconsole. Let op de minimumafstanden. Als het toestel vrij wordt opgesteld, moet aan de aanzuigzijde de luchttoevoer worden beschermd. Voorzie in dit geval een beschermwand tegen de wind. Bij beide opstellingen is een grindbed onder het toestel verplicht noodzakelijk.
9.1 Geluidsemissie
Het toestel is aan de luchttoevoerzijde en aan de luchtafvoerzijde luider dan aan de twee gesloten zijden. Neem bij de keuze van de montageplaats de volgende aanwijzingen in acht.

Info
Meer gegevens over het geluidsniveau vindt u in het hoofdstuk "Technische gegevens/gegevenstabel".
- Gazons en beplantingen helpen om de verspreiding van het geluid te verminderen.
- De geluidsuitbreiding kan gereduceerd worden door dichte afsluiting rondom het toestel op te stellen.
Zorg ervoor dat de richting van de luchttoevoer overeenkomt met de hoofdwindrichting. De lucht mag niet tegen de wind in worden uitgeblazen.
Zorg ervoor dat de luchttoevoer of -afvoer niet is gericht op de geluidsgevoelige ruimtes van de woning of van de aan-grenzende woningen, bijv. slaapkamers.
▶ Vermijd opstelling tussen reflecterende muren van het gebouw. Reflecterende muren kunnen het geluidsniveau verhogen.
9.2 Minimumafstanden


- Plaats het toestel niet in een nis. Twee zijden van het toestel moeten vrij blijven.
Houd de minimale afstanden aan om een storingsvrije werking van het toestel te waarborgen en onderhoudswerkzaamheden aan het toestel mogelijk te maken.
Materièle schade
Let erop dat de buitenlucht ongehinderd het toestel kan binnentreden en de uitlaatlucht ongehinderd het toestel moet kunnen verlaten.
Wanneer de luchttoevoer en -uitlaat van het toestel door nabijgelegen objecten worden gehinderd, kan dit leiden tot thermische kortsluiting.
9.2.1 Opstelling in de buurt van de kust

1 Hoofdwindrichting
2 Gebouw, wand of windbescherming
3 Toestel
4 Luchtafvoer
Zorg ervoor dat de richting van de luchttoevoer overeenkomt met de hoofdwindrichting. Als de hoofdwindrichting vanuit de zee komt (zoutgehalte > 2%), houd dan een minimale afstand van 500 m tot de zee aan.
9.3 Voorbereiden van de montageplaats
▶ Neem het hoofdstuk "Geluidsemissie" in acht.
Zorg ervoor dat het toestel aan alle zijden toegankelijk is.
9.3.1 Condensaatafvoer
WAARSCHUWING letsel Bij temperaturen onder het vriespunt kan ijsvorming optreden. ► Voorkom een helling van het kiezelbed of van het omringende terrein in de richting van loopwegen.
Materièle schade
Op de fundering van het gebouw moet een vochtscherm zijn gelegd.

▶ Gebruik geen fijne steenslag als grindbed.
Voorbeeld: Grindbed onder staande console SK 2

1 Drainagebuis
| Warmtepomp a | |
| WPL 07 ACS classic 700 | |
| WPL 09 ACS classic 700 | |
| WPL 13 ACS classic 830 | |
| WPL 17 ACS classic 830 |
▶ Plaats een drainagebuis onder het toestel om het vocht van het huis weg te leiden.
Leg onder de condensaatafvoer van het toestel een grindbed aan.
Voorbeeld: Grindbed onder wandconsole WK 1

1 Drainagebuis
| Warmtepomp a b | ||
| WPL 07 ACS classic 900 865 | ||
| WPL 09 ACS classic 900 865 | ||
| WPL 13 ACS classic 1000 | 995 | |
| WPL 17 ACS classic 1000 | 995 |
▶ Plaats een drainagebuis onder het toestel om het vocht van het huis weg te leiden.
Leg onder de condensaatafvoer van het toestel een grindbed aan.
9.3.2 Opstelling
Voorbeeld: Staande console SK 2

1 Luchttoevoerzijde
2 Luchtafvoerzijde
3 Hoofdwindrichting
| Warmtepomp A B C | |||
| WPL 07 ACS classic | 850 | 500 | 408 |
| WPL 09 ACS classic | 850 | 500 | 408 |
| WPL 13 ACS classic | 980 | 500 | 408 |
| WPL 17 ACS classic | 980 | 500 | 408 |

Materièle schade
Bij zijdelingse belasting van de warmtepomp kan de staande console verbuigen.
▶ Oefen geen druk uit op de zijden van de warmte-pomp.
▶ Neem de statische grenzen in acht van de gebruikte, staande console.
Om de toevoerleidingen af te dekken, kunt u een afdekkap monteren.

Info
U kunt de afdekkap zowel verticaal als horizontaal monteren.
▶ Neem de installatiehandleiding van de afdekkap in acht.


Voorbeeld: Wandconsole WK 1

Info
Om storingen door geluidsoverdracht te vermijden, installeert u de wandconsole niet op de buitenmuren van woon- of slaapkamers.
▶ Monteer de wandconsole bijvoorbeeld op een garagemuur.

Info
Condensaat druipt uit het toestel op de vloer.
▶ Neem de minimale afstand tot de vloer in acht (zie hoofdstuk "Voorbereidingen/minimumafstanden").

1 Verwarming aanvoer
2 Verwarming retour
3 Wandconsole
▶ Neem de statische grenzen in acht van de gebruikte wand-console.
Om de toevoerleidingen af te dekken, kunt u een afdekkap monteren.
▶ Neem de installatiehandleiding van de afdekkap in acht.

9.4 Voedingsleidingen installeren

Info
Leg de verwarmingsaanvoer- en -retourleidingen niet in het kiezelbed onder het toestel.
Voedingsleidingen zijn alle Elektrische leidingen en verwarmingsaanvoer- en retourleidingen.
- Om de aansluiting van het apparaat te vergemakkelijken, adviseren wij om voor de buitenopstelling flexibele voedingsleidingen te gebruiken.
- Gebruik alleen weerbestendige elektriciteitskabels, bijv. NYY.
▶ Bescherm de aanvoer- en retourleiding tegen vorst door ze voldoende te isoleren. Voer de isolatie uit overeenkomstig de geldende voorschriften.
▶ Bescherm alle voedingsleidingen door een mantelbuis tegen vocht, schade en UV-straling.
▶ Voer de buisbevestigingen en buitenwanddoorvoeren geluid-dempend uit.
9.5 Warmtepompmanager WPM
Voor de werking van het toestel is de warmtepompmanager WPM noodzakelijk. Deze regelt de volledige verwarmingsinstallatie. De warmtepompmanager is in de als noodzakelijk toebehoren beschreven producten geïntegreerd (zie hoofdstuk "Installatie/toestelbeschrijving/toebehoren").
9.6 Buffervaten

Materièle schade
Voor de koelwerking via ventilatorconvectoren is een diffusiedicht, geïsoleerd buffervat absoluut noodzakelijk.

Info
Bij de koelwerking via een oppervlakteverwarming is het buffervat niet noodzakelijk.
Om een storingsvrije werking van het toestel te waarborgen, is het aan te bevelen een buffervat te gebruiken.
Het buffervat is bestemd voor de hydraulische ontkoppeling van debieten in het warmtepomp- en verwarmingscircuit, en als energiebron voor ontdooiing.
▶ Neem voor de werking zonder buffervat de gegevens in het hoofdstuk "Ingebruikname / Minimale volumestroom verzekeren" in acht.

Info
Voor de werking zonder buffervat adviseren wij de aansluiting van een elektrische nood-/bijverwarming (NHZ). Een nood-/bijverwarming bevindt zich in de als toebehoren vereiste producten (zie hoofdstuk "Installatie / Toestelbeschrijving / Toebehoren").
▶ Wanneer u geen nood-/bijverwarming aansluit, activeer dan parameter WW ZELFLEERFUNCTIE in de warmtepompmanager WPM voor een storingsvrije werking.
9.7 Voorbereiden van de elektrische installatie

WAARSCHUWING elektrische schok
Voer alle aansluitingen en montagewerken betreffende het stroomnet uit conform de nationale en regionale voorschriften.

WAARSCHUWING elektrische schok
Aansluiting op het stroomnet is alleen als vaste aan-sluiting toegestaan. Het toestel moet op alle polen met een afstand van minstens 3 mm van de aansluiting van het net kunnen worden losgekoppeld. Aan deze vereiste wordt voldaan door magneetschakelaars, vermogens-schakelaars, zekeringen, enz.

Materièle schade
De aangegeven spanning moet overeenkomen met de netspanning.
▶ Let op het typeplaatje.

Materièle schade
▶ Beveilig de twee stroomcircuits (voor het toestel en de sturing) afzonderlijk.

Info
Het toestel omvat een frequentieomvormer voor de toerentalgeregelde compressor. Wanneer er zich een storing voordoet, kunnen frequentieomvormers gelijkstroomfouten veroorzaken. Als er aardlekschakelaars zijn, moeten deze aardlekschakelaars (RCD) van het type B zijn. Een lekstroom kan aardlekschakelaars van het type A blokkeren.
▶ Zorg ervoor dat de stroomvoorziening voor het toestel gescheiden is van de huisinstallatie.
De elektrische gegevens vindt u in het hoofdstuk "Technische gegevens". Voor de BUS-kabel hebt u een elektriciteitskabel J-Y (St) 2 x 2 x 0,8 mm² nodig.
Leg de leidingen met de overeenkomstige kabeldiameters.
Neem de nationale en regionale voorschriften in acht.
WPL 07 ACS classic | WPL 09 ACS classic
| Beveiliging | Toewijzing | Kabeldiameter |
| 1x B 16 A | Compressor(1-fasig) | 2,5 mm2 bij plaatsing in een wand 1,5 mm2 bij plaatsing op een muur of in een elektriciteitsbuis op een muur |
| 1x B 16 A | Sturing | 1,5 mm2 |
WPL 13 ACS classic | WPL 17 ACS classic
| Beveiliging | Toewijzing | Kabeldiameter |
| 1x B 25 A | Compressor (1-fasig) | ≥ 2,5 mm2 |
| Alternatief: | ||
| 1x B 16 A | Compressor (1-fasig) | ≥ 2,5 mm2 |
| 1x B 16 A | Sturing | 1,5 mm2 |
U kunt de compressor met de alternatieve kleine zekering beveiligen.
▶ Wanneer u voor de compressor de kleinere beveiliging dient u het maximale stroomverbruik te begrenzen. Stel de parameter MAXIMALE STROOM in het menu INGEBRUIKNAME / COMPRESSOR in. Houd rekening met de gegevens in de ingebruiknamehandleiding van de warmtepompmanager.
10. Montage
10.1 Transport

Materièle schade
Bescherm het toestel tijdens het transport tegen zware stoten.
U kunt het toestel op verschillende manieren vervoeren:
▶ Grijp onder de bodemplaat om aan de smalle zijden (dwarszijden) te dragen.
▶ Schuif een stevige stang als draaggreep door de gaten onder aan het toestelframe.

Als u het toestel tijdens het transport kantelt, mag dit slechts kortstondig gebeuren op één van de lange zijden. Hoe langer het toestel gekanteld blijft, hoe meer de koudemiddelolie zich in het systeem verspreidt.
▶ Wacht daarom ca. 30 minuten voordat u het toestel na het te hebben gekanteld, in gebruik neemt.
10.2 Opstelling
▶ Let bij het opstellen van het toestel op de luchtafvoerrichting (zie hoofdstuk "Voorbereidingen/geluidsemissie").
▶ Monteer het toestel op de staande console of wandconsole. Neem de montagehandleiding van de gebruikte console in acht.
10.3 Aanvoer- en retouraansluiting
Materièle schade
Als de dauwpunttemperatuur niet bereikt wordt, kan in het koelbedrijf condensaat gevormd worden.
▶ U moet de verwarmingsaanvoer- en -retourleidingen bij het koelen met ventilatorconvectoren dampdiffusiedicht isoleren.
▶ Neem de positie van de CV-aanvoer en CV-retour over van de volgende afbeelding:

1 Verwarming aanvoer
2 Verwarming retour
▶ Sluit de warmtepomp aan op het verwarmingscircuit. Let op de dichtheid.
Koelen met buffervat
- Installeer een dompel-/aanlegsensor in de cv-aanvoer achter het buffervat.
10.4 Koppelingen monteren

Info
De kunststofkoppelingen zijn niet geschikt voor installatie in de drinkwaterleiding of het zonnecircuit.
- Installeer de stekkerverbindingen uitsluitend in het verwarmingscircuit.
Materièle schade
Haal de wartel van de koppeling handmatig aan. Gebruik geen gereedschap.
Materièle schade
Om de degelijke bevestiging van de koppeling te verzekeren, moeten buizen met een oppervlaktehardheid > 225 HV (bijv. roestvrij staal) worden voorzien van een groef.
▶ Snijd met een pijpsnijder een groef van circa 0,1 mm diepte op een gedefinieerde afstand van het uiteinde van de buis.
- Buisdiameter 22 mm: 17 ± 0,5 mm
- Buisdiameter 28 mm: 21 ± 0,5 mm
Werkingsprincipe van koppelingen
De koppelingen zijn uitgerust met een klemelement met roestvrijstalen tanden en een O-ring voor de afdichting. Daarnaast beschikken de koppelingen over de functie "Draaien en borgen". Door de schroefdop simpelweg handmatig te draaien, wordt de buis in de koppeling gefixeerd en wordt de O-ring voor het afdichten op de buis geperst.
De koppeling tot stand brengen
Voordat deze erin gestoken wordt, moet de koppeling in de ontgrendelde stand staan. In deze stand is er een smalle sleuf aanwezig tussen de wartel en de basisbehuizing.

1 Klemelement
2 Wartel
3 Sleuf tussen wartel en basisbehuizing
4 Basisbehuizing

Buis-∅ 22 mm
Insteekdiepte A max. 38 mm

Materièle schade
De buisuiteinden moeten vrij zijn van bramen.
Kort de buizen alleen in met een pijpsnijder.
▶ Steek de buis voorbij de O-ring in de koppeling tot de inge-Bij vloerverwarmingen met niet-zuurstofdiffusiedichte kunststofstelde insteekdiepte is bereikt.
Draai de wartel tot aan de aanslag handvast op de basisbe- sie corrosie optreden aan de stalen delen van de verwarmingsin- huizing. Hierdoor wordt de koppeling beveiligd. stallatie (bijv. aan de warmtewisselaar van de warmwaterboiler, aan buffervaten, stalen verwarmingselementen of stalen buizen).
-Bij vloerverwarmingen met niet-zuurstofdiffusiedichte kunststofleidingen of open verwarmingsinstallaties kan door zuurstofdiffusie corrosie optreden aan de stalen delen van de verwarmingsinstallatie (bijv. aan de warmtewisselaar van de warmwaterboiler, aan buffervaten, stalen verwarmingselementen of stalen buizen).
De koppeling losmaken
Als de koppeling later losgemaakt moet worden, gaat u als volgt te werk:
▶ Draai de wartel tegen de wijzers van de klok in los totdat er een kleine gleuf met een breedte van ca. 2 mm ontstaat. Duw het klemelement met de vingers terug en houd het vast.
▶ Trek de ingestoken leiding uit de koppeling.

10.5 Aansluiting van het verwarmingswater

Materièle schade
De verwarmingsinstallatie waarop de warmtepomp aangesloten wordt, moet door een installateur uitgevoerd worden in overeenstemming met de waterinstallatieschema's in de planningsdocumenten.
▶ Spoel het leidingsysteem grondig door met geschikt water, voordat de warmtepomp wordt aangesloten. Vreemde voorwerpen (zoals laskorrels, roest, zand, afdichtingsmateriaal) belemmeren de goede werking van de warmtepomp.
▶ Sluit de warmtepomp aan de verwarmingswaterzijde aan. Let op de dichtheid.

▶ Let op de juiste aansluiting van de cv-aanvoer en -retour. Verdraai tijdens het aansluiten de buizen in het toestel niet.
▶ Voer de isolatie uit overeenkomstig de geldende voorschriften.
▶ Let bij het dimensioneren van het verwarmingscircuit op het interne drukverschil (zie hoofdstuk "Technische gegevens / Gegevenstabel").
10.6 Zuurstofdiffusie

Materièle schade
Vermijd open verwarmingsinstallaties. Gebruik bij vloerverwarmingen met kunststof leidingen zuurstofdiffusiedichte leidingen.
▶ Koppel bij zuurstoftoevoer het verwarmingssysteem tussen verwarmingscircuit en buffervat los.

Materièle schade
De corrosieproducten (bijv. roestslib) kunnen neerslaan in de componenten van de verwarmingsinstallatie en door vernauwing van de doorsnede de capaciteit van de installatie beïnvloeden of storingen veroorzaken die leiden tot het uitvallen van de installatie.
10.7 Verwarmingsinstallatie vullen
10.7.1 Watereigenschappen
Voordat de installatie gevuld wordt, moet een analyse van het vul- water voorhanden zijn. Deze analyse kan bijvoorbeeld opgevraagd worden bij de bevoegde watermaatschappij.

Materièle schade
Om schade door steenvorming te voorkomen, moet het vulwater eventueel voorbehandeld worden door ontharden of ontzouten. De in het hoofdstuk "Technische gegevens/gegevenstabel" vermelde grenswaarden voor het vulwater moeten absoluut nageleefd worden.
- Controleer deze grenswaarden 8 - 12 weken na de ingebruikname, telkens na het bijvullen evenals tijdens het jaarlijkse onderhoud van de installatie.

Info
Om corrosie te vermijden bij een geleidbaarheid van >1000 μS/cm is waterbehandeling door ontzouting beter geschikt.

Info
Geschikte toestellen voor ontharden en voor het vullen en spoelen van verwarmingsinstallaties zijn in de handel verkrijgbaar.

Info
▶ Leng het vulwater niet aan met inhibitoren of addieven.

Info
Het toestel beschikt tijdens normale werking over een vorstbescherming van de verbindingsleidingen.
Bij een langdurige stroomonderbreking of buitendienststelling moet het toestel aan de waterzijde worden afgetapt.
Wanneer bij installaties een stroomonderbreking niet kan worden herkend (bijv. bij langere afwezigheid in een vakantiewoning), kunt u de volgende veiligheidsmaatregel nemen.
▶ Leng het vulwater aan met ethyleenglycol in geschikte concentratie.
▶ Let erop dat antivriesmiddelen de densiteit en de viscositeit van het vulwater wijzigen.
| Artikelnummer | ||
| MEG 10 | Brine als concentraat op basis van ethy-leenglycol | 231109 |
| MEG 30 | Brine als concentraat op basis van ethy-leenglycol | 161696 |
10.7.2 Verwarmingsinstallatie vullen
▶ Vul de verwarmingsinstallatie aan verwarmingszijde.
10.7.3 Verwarmingsinstallatie ontluchten
Het toestel is uitgerust met een automatische ontluchter.

▶ Verwijder de kap en de EPS-afdekking (zie hoofdstuk "Storingen verhelpen/controle van de schuifschakelaar op de IWS").
▶ Ontlucht het buizenstelsel door aan de grijze kap op de automatische ontluchter te draaien.
▶ Sluit de automatische ontluchter na het ontluchten.
Monteer de EPS-afdekking en de kap weer op het toestel.
10.8 Externe tweede warmteopwekker
Bij bivalente systemen moet de warmtepomp op de retour van de tweede warmtegenerator worden aangesloten.
10.9 Veiligheidstemperatuurbegrenzer voor oppervlakteverwarming

Materièle schade
Om in geval van een defect eventuele schade door een verhoogde aanvoertemperatuur in de oppervlakteverwarming te vermijden, installeert u een veiligheidstemperatuurbegrenzer om de systeemtemperatuur te begrenzen.
11. Elektrische aansluiting

WAARSCHUWING elektrische schok
Schakel het toestel voor werkzaamheden aan de aan-sluitingen spanningsvrij.

Info
Houd rekening met de handleiding van de warmtepomp-manager.
Aansluitwerken mogen enkel uitgevoerd worden door een erken-de installateur overeenkomstig deze handleiding.
De verklaring van goedkeuring van de bevoegde energiemaatschappij moet beschikbaar zijn om het toestel te kunnen aansluiten.
11.1 Aansluitgedeelte
De aansluitklemmen zitten op het aansluitpaneel van het toestel. Houd rekening met het hoofdstuk "Voorbereiden van de elektrische installatie".
▶ Voor de aansluitingen dient u elektriciteitskabels te gebruiken conform de voorschriften.
Toegang tot het aansluitgedeelte

▶ Draai de twee schroeven los en verwijder ze.
▶ Schuif de afdekking omlaag.
▶ Verwijder de afdekking door ze naar rechts open te klappen

1 Aansluitgedeelte
2 Trekontlasting
▶ Leid alle elektriciteitskabels door de trekontlastingen.
▶ Scherm de BUS-leiding aan beide zijden af.
▶ Wanneer u de volgende werkwijzen van het toestel gebruiken wilt, sluit dan een elektrische nood-/bijverwarming aan. Een nood-/bijverwarming bevindt zich in de als toebehoren vereiste producten (zie hoofdstuk "Installatie / Toestelbeschrijving / Toebehoren").
| Toestelfunctie | Werking van de elektrische nood-/bijverwarming |
| Mono-energetisch bedrijf | De elektrische nood-/bijverwarming waarborgt de verwarmingsmodus en genereert hogere warmwatertemperaturen, wanneer het bivalentiepunt te laag is. |
| Noodwerking | Indien de warmtepomp bij een storing uitvalt, wordt het verwarmingsvermogen overgenomen door de elektrische nood-/bijverwarming. |
| Opwarmprogramma (alleen bij vloerverwarmingen) | Bij retourtemperaturen van < 25 °C moet de vloerdroogfunctie uitgevoerd worden door de elektrische nood-/bijverwarming.De vloerdroogfunctie mag bij deze lage systeemtemperaturen niet door de warmtepomp uitgevoerd worden, omdat tijdens de ontdooicyclus de vorstbeveiliging van het toestel dan niet meer kan worden gegarandeerd. |
| Antilegionellaschakeling | Om het water als bescherming tegen legionella regelmatig tot een temperatuur van 60 °C te verwarmen, wordt bij een geactiveerd antilegionellaschakeling de elektrische nood-/bijverwarming automatisch gestart. |
▶ Sluit de elektrische leidingen volgens de onderstaande afbeelding aan.
▶ Aard de laagspanningskabel door de afscherming over de buitenmantel te stulpen en vervolgens vast te zetten onder de aardingsklem.

Info
▶ Sluit de laagspanningsleiding voor aarding ofwel aan op het buitentoestel of op een van de als nodig toebehoren beschreven producten (zie hoofdstuk "Installatie/toestelbeschrijving/toebehoren").
▶ Controleer vervolgens de goede werking van de trekontlas-12. Ingebruikname tingen.

Materièle schade
Te vast aangehaalde trekontlastingen kunnen een kort-sluiting veroorzaken.
▶ Draai de trekontlasting niet volledig aan.
Aansluiting

1 X3 Compressor (inverter)
L1, N,
2 X4 Stuurspanning
Netaansluiting: L N,
3 X2 Beveiligingslaagspanning (BUS)
nc (niet gebruikt)
High H
Low L
⊥
Voor de werking van het toestel is de warmtepompmanager WPM noodzakelijk. Hiermee worden alle vereiste instellingen voor en tijdens de werking uitgevoerd.
Alle instellingen in de ingebruiknamelijst van de warmtepomp-manager, de ingebruikname van het toestel en de opleiding van de gebruiker moeten uitgevoerd worden door een installateur.
De ingebruikname moet overeenkomstig deze bedienings- en installatiehandleiding en de handleidingen van de warmtepomp-manager plaatsvinden. Voor de ingebruikname kunt u een beroep doen op onze klantenservice (tegen betaling).
Als u dit toestel commercieel gebruikt, dient u voor de ingebruikname rekening te houden met de voorschriften inzake industriële veiligheid en gezondheid. Meer informatie hieromtrent vindt u bij de bevoegde toezichthoudende instantie (bijv. TÜV).
12.1 Controle voor ingebruikname
Controleer voor de ingebruikname de volgende punten (neem de checklist voor ingebruikname in acht):
12.1.1 Verwarmingssysteem
- Hebt u de verwarmingsinstallatie met de correcte druk gevuld en de automatische ontluchter gesloten?
12.1.2 Temperatuursensor
- Hebt u de buitensensor en de retoursensor (in combinatie met een buffervat) correct aangesloten en geplaatst?
12.1.3 netaansluiting
- Heeft u de netaansluiting vakkundig uitgevoerd?
12.2 Minimale volumestroom verzekeren

Info
Het minimale debiet en de ontdooi-energie moeten altijd gewaarborgd worden (zie hoofdstuk "Technische gegevens/gevenstabel").
Bij zeer geringe verwarmingscircuittemperaturen kan het in uitzonderlijke gevallen voorkomen dat de elektrische nood-/bijverwarming tijdens het ontdooien wordt geactiveerd om de benodigde ontdooi-energie te leveren.
Het toestel is zo ontworpen dat in combinatie met overeenkomstig gedimensioneerde, vlakke verwarmingssystemen geen buffervat noodzakelijk is.
Voor een installatie met meerdere verwarmingscircuits is het gebruik van een buffervat vereist.
12.2.1 Dimensionering van de verwarmingscircuits
Bij installaties met buffervat adviseren we dimensionering van de verwarmingscircuits te controleren om een efficiënte werking van de installatie te waarborgen.
Bij installatie zonders buffervat dient u de dimensionering van de verwarmingscircuits te controleren om een voldoende hoge volumestroom bij ontdooien te verzekeren en uitval door ontdooistoringen te vermijden.
Uit de dimensionering van de vloerverwarming resulteert het mogelijke debiet door de permanent geopende verwarmingscircuits.
Wanneer het debiet van de permanent geopende verwarmingscircuits minder is dan het minimumdebiet van de warmtepomp, moet worden gecontroleerd of de beschikbare externe opvoerhoogte van de verwarmingscirculatiepomp voldoende is.
Controle opvoerhoogte
Δp _ UP* ≥ (V _ / V _ HKo) ^ 2 × (Δp _ HK + Δp _ V) + Δp _ WP
ΔpUP Externe opvoerhoogte van de circulatiepomp bij Vmin
* Wanneer de circulatiepomp in een binnenmodule geïntegreerd is, vindt u de beschikbare externe opvoerhoogte in de technische gegevens van de binnenmodule.
Vmin Minimaal debiet van de warmtepomp
VHKo Dimensioneringsdebiet van de permanent geopende verwarmingscircuits
ΔpHK Dimensioneringsdrukverlies van de permanent geopende verwarmingscircuits
Δpv Ontwerpdrukverlies vanaf en naar de vloerverdelers
ΔpWP Drukverlies van de warmtepomp bij Vmin
Bij warmtepompen met geïntegreerde circulatiepomp wordt geen rekening gehouden met het drukverlies van de warmtepomp (Δpw).
Wanneer de externe opvoerhoogte voor het minimumdebiet onvoldoende is, moeten dientengevolge andere verwarmingscircuits van de vloerverwarming permanent geopend worden.
Minimale volumestroom controleren
Het instellen gebeurt in de warmtepompwerking. Daarvoor moeten eerst de volgende instellingen uitgevoerd worden:
▶ Schakel de zekering van de elektrische nood-/bijverwarming tijdelijk uit om de nood-/bijverwarming spanningsvrij te schakelen. Als alternatief kunt u ook de tweede warmtegenerator uitschakelen.
▶ Verzeker u ervan, dat er een hydraulische afstemming werd uitgevoerd.
- Controleer de aangesloten pompen volgens het hydraulische schakelschema.
12.2.2 Installaties zonder buffervat

Info
Wanneer het toestel alleen met de warmtepompmanager WPM wordt bedreven en als verwarmingscircuitpomp een externe, niet door WPM aangestuurde pomp wordt gebruikt, moet u de verwarmingscircuitpomp met de hand instellen.
Bij installaties zonder buffervat moeten één of meer verwarmings-circuits in de verwarmingsinstallatie open blijven. Het of de ge-opende verwarmingscircuit(s) moet(en) in de referentieruimte (ruimte waar het externe bedieningspaneel geïnstalleerd is, bijv. de woonkamer of badkamer) geïnstalleerd zijn. De kamerregeling van de referentieruimte kan dan met het externe bedieningspaneel of indirect door aanpassing van de verwarmingscurve of activering van de kamerinvloed worden uitgevoerd.
▶ Gebruik het toestel in de verwarmingswerking.
▶ Neem onze aanbevelingen voor het ontwerp van de vloerverwarming in de referentieruimte in acht. De tabel is van toe-passing, wanneer er een kamerregeling geïnstalleerd wordt.
| WPL07 ACSclassic | WPL09 ACSclassic | WPL13 ACSclassic | WPL17 ACSclassic |
| Minimaal debiet van de warmtepomp | ||||
| l/h | 400 | 400 | 600 | 600 |
| Minimale waterinhoud van de geopende verwarmingscircuits bij werking zonder buffervat | ||||
| l | 16 | 16 | 19 | 19 |
| Composiet buizensysteem 16 x 2 mm/legafstand 10 cm | ||||
| Oppervlakte referentieruimte m2 | 21 | 21 | 21 | 21 |
| Aantal circuitsn x m | 3x70 | 3x70 | 3x70 | 3x70 |
| Composiet buizensysteem 20 x 2,25 mm/legafstand 15 cm | ||||
| Oppervlakte referentieruimte m2 | 21 | 21 | 21 | 21 |
| Aantal circuitsn x m | 2x70 | 2x70 | 2x70 | 2x70 |
| Buffervat verplicht | ||||
| Nee | Nee | Nee | Nee | |
| Buffervatvolume t.o.v. productpallet | ||||
| l | 80-200 | 80-200 | 80-200 | 80-400 |
| Geïntegreerde nood-/bijverwarming activeren | ||||
| ja | ja | ja | ja | |
▶ Open het verwarmingscircuit of de verwarmingscircuits in de referentieruimte volledig.
▶ Sluit alle andere verwarmingscircuits.
▶ Als er een overstortventiel in de verwarmingsinstallatie is geïnstalleerd, sluit u het overstortventiel.
▶ Stel de parameters in.
| Parameters | Instelling |
| MINIMAAL POMPVERMOGEN (INBEDRI)FSTELLING / LAADPOMPREGELING / STANDBY / AANSTURINGSWIJZE) | UIT |
| MAXIMALAL POMPVERMOGEN (INBEDRI)FSTELLING / LAADPOMPREGELING / STANDBY / AANSTURINGSWIJZE) | AAN |
▶ Lees het huidige debiet af.
Parameters WP WATERDEBIET (INFO / WARMTEPOMP / PROCESGEGEVENS)
▶ Vergelijk de waarde met de minimumvolumestroom (zie hoofdstuk "Technische gegevens / Gegevenstabel).
Minimumvolumestroom wordt bereikt
Geen verdere maatregelen vereist.
▶ Reset de parameters naar de oorspronkelijke waarden.
| Parameters | Instelling |
| MINIMAAL POMPVERMOGEN (INBEDRIJFSTELLING / LAADPOMPREGELING / STANDBY / AANSTURINGSWIJZE) | AAN |
| MAXIMALAL POMPVERMOGEN (INBEDRIJFSTELLING / LAADPOMPREGELING / STANDBY / AANSTURINGSWIJZE) | UIT |
Minimumvolumestroom wordt niet bereikt
Wanneer het debiet niet nageleefd wordt, moet u geschikte maatregelen treffen om het voorgeschreven debiet te bereiken.
▶ Open het verwarmingscircuit in een andere ruimte permanent.
▶ Lees het huidige debiet af.
▶ Wanneer de minimumvolumestroom niet wordt bereikt, he haalt u de handelingsstappen.
▶ Stel het overstortventiel correct in.
12.2.3 Installaties met buffervat
- Gebruik het toestel in de verwarmingswerking.
▶ Stel de parameters in.
| Parameters Instelling | |
| MINIMAAL POMPVERMOGEN (INBEDRIJFSTELLING / LAADPOMPREGELING / STANDBY / AANSTURINGSWIJZE) | UIT |
| MAXIMALAL POMPVERMOGEN (INBEDRIJFSTELLING / LAADPOMPREGELING / STANDBY / AANSTURINGSWIJZE) | AAN |
▶ Lees het huidige debiet af.
| Parameters |
| WP WATERDEBIET (INFO / WARMTEPOMP / PROCESGEGEVENS) |
▶ Vergelijk de waarde met de minimumvolumestroom (zie hoofdstuk "Technische gegevens / Gegevenstabel).
Minimumvolumestroom wordt bereikt
Geen verdere maatregelen vereist.
▶ Reset de parameters naar de oorspronkelijke waarden.
| Parameters Instelling | |
| MINIMAAL POMPVERMOGEN (INBEDRIJFSTELLING / LAADPOMPREGELING / STANDBY / AANSTURINGSWIJZE) | AAN |
| MAXIMALAL POMPVERMOGEN (INBEDRIJFSTELLING / LAADPOMPREGELING / STANDBY / AANSTURINGSWIJZE) | UIT |
Minimumvolumestroom wordt niet bereikt
- Controleer de planningsdocumenten van de verwarmingsinstallatie.
12.2.4 In koelwerking
Wanneer het buffervat in koelwerking wordt omzeild, moet de controle van de volumestroom voor de koelwerking analoog met de verwarmingsmodus gebeuren.
Neem het hoofdstuk "Installaties zonder buffervat" in acht.
13. Instellingen
13.1 De stooklijn instellen
Het rendement van een warmtepomp neemt af naarmate de aanvoertemperatuur stijgt. Stel de stooklijn zorgvuldig in. Te hoog ingestelde stooklijnen doen de zone- en thermostaatkleppen slui- ten, zodat het vereiste minimumdebiet in het verwarmingscircuit mogelijk te laag is.
▶ Houd rekening met de handleiding van de warmtepompmanager.
Aan de hand van de volgende procedure kunt u de stooklijn correct instellen:
- Thermostaatklep(pen) of zoneklep(pen) in een referentieruimte (bv. woon- en badkamer) volledig openen. Het is aan te bevelen geen thermostatische kranen of zonekranen te monteren in de referentieruimte. Regel voor deze ruimten de temperatuur met behulp van een afstandsbediening.
- Pas bij verschillende buitentemperaturen (bv. -10 °C en +10 °C) de stooklijn zo aan dat in de referentieruimte de gewenste temperatuur wordt ingesteld.
Richtwaarden voor het begin:
| Parameters | Vloerverwarming | Radiatorverwarming |
| Stooklijn | 0,4 | 0,8 |
| Regeldynamiek | 25 | 50 |
| Comfort-temperatuur | 20 °C | 20 °C |
Als de kamertemperatuur te laag is in de overgangstijd (ca. 10 °C buitentemperatuur), dan moet u in het menu van de warmtepomp-manager onder "INSTELLINGEN/VERWARMEN/VERWARMINGSCIRCUIT" de parameter "COMFORT TEMPERATUUR" verhogen.

Info
Wanneer er geen afstandsbediening is geïnstalleerd, leidt een verhoging van de parameter "COMFORT TEMPERA-TUUR" tot een parallelle verschuiving van de stooklijn.
Als de kamertemperatuur bij lage buitentemperaturen te laag is, moet de parameter "STIJGING VERWARMINGSCURVE" worden verhoogd.
Als u de parameter "STIJGING VERWARMINGSCURVE" hebt verhoogd, moet u bij hogere buitentemperaturen de zoneklep of de thermostaatklep in de referentieruimte op de gewenste temperatuur instellen.

Materièle schade
Verlaag de temperatuur in het volledige gebouw niet door alle zone- en thermostaatkleppen dicht te draaien, maar maak gebruik van de verlagingsprogramma's.
Als alles correct uitgevoerd is, kunt u het systeem op maximale bedrijfstemperatuur verwarmen en nogmaals ontluchten.

Materièle schade
Let bij vloerverwarmingen op de maximaal toegelaten temperatuur voor deze vloerverwarming.
13.2 Gereduceerd nachtbedrijf (Stille modus)
In de gegevenstabel (zie hoofdstuk "Technische gegevens/gegevenstabel") treft u het geluidsniveaus aan.
Om het geluidsniveau van het toestel voor een bepaalde periode te verlagen, kunt u het toestel indien nodig in de nachtmodus zetten.
U kunt in de tijdprogramma's de tijden vastleggen waarop het toestel op nachtbedrijf wordt ingesteld.
Parameters Betekenis
PROGRAMMA'S (STIL PROGRAMMA 1) Gereduceerd nachtbedrijf
PROGRAMMA'S (STIL PROGRAMMA 2) Toestel is uitgeschakeld
Er zijn twee varianten beschikbaar voor nachtbedrijf.
Variant 1: Gereduceerd nachtbedrijf
U kunt het geluidsvermogensniveau van het apparaat via het vermogen of de ventilator verlagen. Als de nood-/bijverwarming wordt ingeschakeld, ontstaan er hogere bedrijfskosten.
Variant 2: Uitgeschakeld toestel
U kunt het toestel uitschakelen. Bii een uitgeschakeld toestel vinden verwarmen en warmwaterbereiding uitsluitend via de nood-/bijverwarming plaats. Als de nood-/bijverwarming wordt ingeschakeld, ontstaan er hogere bedrijfskosten.
13.2.1 Gereduceerd nachtbedrijf

Info
Als het gereduceerde nachtbedrijf actief is, kunnen er hogere bedrijfskosten ontstaan.
U kunt het vermogen en de ventilatorregeling continu reduceren.
In de tabel treft u de maximale geluidsvolumes aan, afhankelijk van de instellingen die in menu "INGEBRUIKNAME/STILLE MODUS/REDUCTIE VERMOGEN/VERMOGEN" vastgelegd zijn.
| Instelling in de WPM Vermogensbegrenzing tot [%] | Geluidsniveau Warmtevermogen Maximumwaarde door vermogensbegrenzing [dB(A)] | Maximaal bij A-7/W35 [kw] | ||
| WPL 07 ACS classic | 70 | 54 | 2,23 | |
| 43 | 52 | 1,38 | ||
| WPL 09 ACS classic | 70 | 56 | 2,65 | |
| 35 | 52 | 1,38 | ||
| WPL 13 ACS classic | 70 | 58 | 4,96 | |
| 35 | 57 | 2,76 | ||
| WPL 17 ACS classic | 70 | 61 | 4,96 | |
| 35 | 57 | 2,76 | ||
▶ Stel de ventilatorregeling en het compressorvermogen in de warmtepompmanager in.
Parameters
VERMOGEN (INBEDRI)FSTELLING / STILLE MODUS / REDUCTIE VERMOGEN)
VENTILATOR (INBEDRIJFSTELLING / STILLE MODUS / REDUCTIE VERMOGEN)
13.2.2 Uitgeschakeld toestel

Info
Bii een uitgeschakeld toestel vinden verwarmen en warmwaterbereiding uitsluitend via de nood-/bijverwarming plaats. Er ontstaan hogere bedrijfskosten.
▶ Schakel het apparaat in de warmtepompmanager uit.
Parameters
WÄRMTEPOMP UIT (INBEDRIJFSTELLING / STILLE MODUS)
13.3 Overige instellingen
▶ Neem voor de werking met en zonder buffervat de info in de handleiding van de WPM en de parameter BUFFERWERKING in het menu INSTELLINGEN / BASISINSTELLING in acht.
Bij gebruik van het opwarmprogramma
Wanneer u het opwarmprogramma gebruikt, houd dan rekening met de gegevens in de ingebruiknamehandleiding van de warmtepompmanager (hoofdstuk "PROGRAMMA'S / OPWARMPROGRAMMA").
14. Overdracht van het toestel
Leg aan de gebruiker de werking van het toestel uit en leer hem het gebruik ervan kennen.

Info
Overhandig deze bedienings- en installatiehandleiding aan de gebruiker om deze zorgvuldig te bewaren.
Alle informatie in deze aanwijzing moet zeer nauwkeurig opgevolgd worden. Hier vindt u instructies voor de veiligheid, de bediening, de installatie en het onderhoud van het toestel.
De voeding van de warmtepomp mag ook buiten de verwarmingsperiode niet onderbroken worden. Wordt deze wel onderbroken, dan is de vorstbescherming van het warmtepompsysteem niet langer gewaarborgd.
De warmtepomp wordt door de warmtepompmanager automatisch naar het zomer- of winterbedrijf geschakeld.
15.1 Stand-bybedrijf
Om de installatie buiten dienst te stellen, is het voldoende de warmtepompmanager op "Stand-bywerking" in te stellen. De veiligheidsfuncties ter bescherming van de installatie, alsmede ten behoeve van de vorstbescherming blijven zoals deze zijn.
15.2 Spanningsonderbreking
Als de installatie permanent van de netvoeding dient te worden ontkoppeld, neem dan de volgende info in acht:

Materièle schade
▶ Maak de installatie aan de waterzijde leeg, terwijl de warmtepomp volledig uitgeschakeld is en wanneer er vorstgevaar bestaat.
16. Onderhoud

WAARSCHUWING elektrische schok
Maak het toestel spanningsvrij, voordat u start met onderhouds- en reinigingswerkzaamheden door alle polen van de stroomnet los te maken.
Nadat het toestel spanningsvrij is geschakeld, kan het toestel nog gedurende 2 minuten onder spanning staan, omdat de condensatoren op de inverter nog moeten ont- laden.

Materièle schade
Houd de luchtafvoer- en -toevoeropeningen vrij van sneeuw en ijs.
▶ Verwijder van tijd tot tijd bladeren en ander vuil van de ver damperlamellen.
Wij adviseren om periodiek een inspectie (controlleren van de actuele toestand) en, indien nodig, een onderhoudsbeurt (herstellen van de gewenste toestand) uit te voeren.
17. Storingen verhelpen

WAARSCHUWING elektrische schok
▶ Schakel het toestel voor aanvang van de werkzaamheden spanningsvrij in de schakelkast.
Nadat het toestel spanningsvrij is geschakeld, kan het toestel nog gedurende 2 minuten onder spanning staan, omdat de condensatoren op de inverter nog moeten ont- laden.

Info
Houd rekening met de handleiding van de warmtepomp-manager.
Wanneer u met behulp van de warmtepompmanager de fout niet kunt vinden, controleer dan de elementen op de IWS.
Lees de volgende paragrafen voor het oplossen van storingen en volg de aanwijzingen.
17.1 Controle van de schuifschakelaar op de IWS
▶ Voer de volgende stappen uit om de IWS bereikbaar te maken.

▶ Draai de vier schroeven aan de zijkant van de kap los en verwijder ze.
▶ Verwijder de kap.

▶ Draai de vier schroeven aan de bovenzijde van de afdekplaat los en verwijder ze.
▶ Verwijder de afdekplaat.

1 los te draaien schroeven
2 te verwijderen schroeven
▶ Draai de schroeven los en verwijder ze.

▶ Verwijder de volledige zijwand langs boven.
▶ U vindt de IWS boven de aansluitingen.

1 Resetknop
2 Schuifschakelaar (WP-type)
3 Schuifschakelaar (BA)
4 Led's
17.1.1 Schuifschakelaar (WP-type)
Met de schuifschakelaar (WP-type) kunt u op de IWS de verschillende warmtepomptypes instellen.
Fabrieksinstelling
Compressorwerking met elektrische nood-/bijverwarming

Info
Een nood-/bijverwarming bevindt zich in de als toebehoren vereiste producten (zie hoofdstuk "Installatie / Toestelbeschrijving / Toebehoren").
WP - Typ

D0000057054
▶ Controleer of de schuifschakelaar correct ingesteld is.
Compressorwerking met een externe tweede warmteopwekker

Materièle schade
Het is in dit geval niet toegestaan de elektrische nood-/bijverwarming aan te sluiten.
Als het toestel bivalent met een externe, tweede warmteopwekker gebruikt wordt, moet de schuifschakelaar in de volgende stand gezet worden.

D0000057055
17.1.2 Schuifschakelaar (BA)
Fabrieksinstelling

D0000051579
17.2 Lichtdiodes (IWS)

1 Resetknop
2 Led's
De betekenis van de lichtdiodes op de IWS wordt in de volgende tabel aangegeven.
LED-indicator Betekenis
| Rode LED-indicator knippert | Eenmalige storing. Toestel wordt uitgeschakeld. Het toestel herstart na 10 minuten. De led dooft. |
| Rode LED-indicator is verlicht | Er zijn meerdere fouten opgetreden. Het toestel wordt uitgeschakeld. Het toestel herstart pas nadat het op de IWS werd gereset. De interne storing-steller wordt daarbij gereset. Het toestel kan na 10 minuten weer in bedrijf worden genomen. De led dooft. |
| Groene led in het midden knippert | De warmtepomp wordt geïntialiseerd. |
| Groene led in het midden brandt | De warmtepomp is geïntialiseerd en er is een actieve verbinding met de WPM. |
Storingen die door de rode led gemeld worden:
- Hogedrukstoring
- Lagedrukstoring
- Groepsstoring
- Hardwarefout op de IWS (zie foutenlijst)
17.3 Toets Reset
Als de IWS foutief werd geïntitialiseerd, kunt u met deze toets de instellingen resetten.
▶ Houd hiervoor ook rekening met het hoofdstuk "IWS opnieuw initialiseren" in de handleiding van de warmtepompmanager.
17.4 Ventilatorlawaai
De warmtepomp onttrekt warmte aan de buitenlucht. Daardoor wordt de buitenlucht afgekoeld. Bij buitentemperaturen van 0 °C tot 8 °C kan de lucht tot onder het vriespunt afgekoeld worden. Als er in deze toestand neerslag optreedt in de vorm van regen of mist, kan er op het luchtrooster, de ventilatorschoepen of de luchtgeleiding ijsvorming ontstaan. Als de ventilator met dit ijs in contact komt, ontstaat er lawaai.
Oplossing bij ritmisch krassende, malende geluiden:
▶ Controleer of het condensaat ongehinderd uit het toestel kan worden afgevoerd.
▶ Controleer of het dimensioneringsvermogen en de temperatuur correct ingesteld zijn. IJsvorming treedt met name op, wanneer er bij matige buitentemperaturen hoge verwarmingsprestaties worden verlangd.
▶ Voer een handmatige ontdooiing uit, eventueel meerdere keren, totdat de ventilator weer ijsvrij is. Neem hiervoor de info in de handleiding van de warmtepompmanager en de parameter "ONTDOOIEN BEGINNEN" in het menu "INGE-BRUIKNAME/COMPRESSOR" in acht.
▶ Bij buitentemperaturen boven +1 °C schakelt u het toestel gedurende 1 uur uit of naar het noodbedrijf. Daarna moet het ijs gesmolten zijn.
- Controleer of het toestel geïnstalleerd is overeenkomstig de opstelvoorwaarden.
▶ Als het lawaai zich vaker voordoet, meldt u dit aan de servicedienst.
18.1 Afmetingen en aansluitingen




| WPL 07 ACS classic WPL 09 ACS classic WPL 13 | ACS classic | WPL 17 ACS classic | |||||
| a10 | Toestel | Hoogte | mm | 740 | 740 | 812 | 812 |
| a20 | Toestel | Breedte | mm | 1022 | 1022 | 1152 | 1152 |
| b01 | Doorvoer elektr.kabels | ||||||
| d45 | Condensaatafvoer | ||||||
| e01 | Verwarming aanvoer | Diameter | mm | 22 | 22 | 22 | 22 |
| e02 | Verwarming retour | Diameter | mm | 22 | 22 | 22 | 22 |
| g01 | Luchttoevoer | ||||||
| g02 | Luchtafvoer | ||||||
A2 Geintegreerde warmtepompsturing (IWS)
A3 Inverter compressor/ventilator
B1 Temperatuursensor cv-aanvoer - PT1000
B2 Temperatuursensor CV-retour - PT1000
B5 Temperatuursensor heet gas - PT1000
B6 Temperatuursensor buitenlucht - PT1000
B7 Temperatuursensor compressoringang PT1000
B8 Temperatuursensor verdamperuitgang - PT1000
B9 Temperatuursensor vorstbescherming - PT1000
B13 Temperatuursensor ontdooi-einde - PT1000
B16 Temperatuursensor oliecarter - PT1000
E2 Oliecarterverwarming
F3 Hogedrukbeveiligingsschakelaar 45 bar
X2 Aansluitklem externe bus
X3 Aansluitklem extern netvoeding
X4 Aansluitklem externe besturing
X11.1 IWS-stekker 3-polig - voeding
X11.3 IWS-stekker 2-polig - ontdooisignaal
X11.4 IWS-stekker 2-polig - oliecarter
X11.5 IWS-stekker 3-polig - injectorverwarming
X11.8 IWS-stekker netvoeding inverter
X12.2 IWS-stekker 12-polig - temperatuursensoren
X12.3 IWS-stekker CAN-bus
X12.4 IWS stekker 7-polig - sensoren
X12.5 IWS-stekker 5-polig - el. Expansieventiel
X12.6 IWS-stekker 5-polig - bypassklep
X12.7 IWS stekker 6-polig - temperatuursensoren
X12.11 IWS-stekker 5-polig - Modbus
X27 Steunpunt aarding, inverter net
X28 Steunpunt aarding, schakelkast
X29 Steunpunt aarding, achterzijde schakelkast
X30 Steunpunt aarding, inverterkoeling
Y1 Omschakelklep ontdooien
Z3 Ontstoringsfilter
Z12 Ontstoringselement, inverter net/compressor
Z13 Ontstoringselement, ventilator
Z14 Ontstoringselement, SafetySwitch/Modbus (alleen WPL 13 ACS classic, WPL 17 ACS classic)
Z15 Ontstoringselement, aansluitkabel (alleen WPL 13 ACS classic, WPL 17 ACS classic)
18.3 Toepassingsbeperking
18.3.1 Verwarmen

X Buitentemperatuur [°C]
Y Aanvoertemperatuur [°C]
18.3.2 Koelen

X Buitentemperatuur [°C]
Y Aanvoertemperatuur [°C]
18.4 Vermogensdiagrammen WPL 07 ACS classic
Verwarmingsvermogen
![| Buitentemperatuur [°C] | Max. W55 | Max. W35 | min. W45 | | ---------------------- | -------- | -------- | -------- | | -20 | 1 | 3 | 5 | | -15 | 2 | 3 | 5 | | -10 | 2 | 3 | 5 | | -5 | 2 | 3 | 5 | | 0 | 2 | 3 | 5 | | 5 | 2 | 3 | 5 | | 10 | 2 | 3 | 5 | | 15 | 2 | 3 | 5 | | 20 | 2 | 3 | 5 |](/content/2026/06/1164960/images/4ec0039eb268c5439d31dcdcf2a85c554f1dcff4c90e461d720dc3138808ae6b.jpg)
Koelvermogen

X Aanvoertemperatuur [°C] 1 max. A35
Y Koelvermogen [kW] 2 min. A35
18.5 Vermogensdiagrammen WPL 09 ACS classic
Verwarmingsvermogen

X Aanvoertemperatuur [°C]
1 max. A35
Y Koelvermogen [kW]
2 min. A35
18.6 Vermogensdiagrammen WPL 13 ACS classic
Verwarmingsvermogen

X Buitentemperatuur [°C]
1 Max. W55
3 Max. W35
5 min. W45
Y Verwarmingsvermogen [kW]
2 max. W45
4 Min. W55
6 Min. W35
Koelvermogen

X Aanvoertemperatuur [°C] 1 max. A35 Y Koelvermogen [kW] 2 min. A35
18.7 Vermogensdiagrammen WPL 17 ACS classic
Verwarmingsvermogen

X Buitentemperatuur [°C] 1 Max. W55 3 Max. W35 5 min. W45 Y Verwarmingsvermogen [kW] 2 max. W45 4 Min. W55 6 Min. W35
Koelvermogen

X Aanvoertemperatuur [°C] 1 max. A35 Y Koelvermogen [kW] 2 min. A35
18.8 Gegevenstabel
Prestatiegegevens gelden voor nieuwe toestellen met schone warmtewisselaars.
Het vermogensverbruik van de geïntegreerde hulpaandrijvingen is aangegeven als maximumwaarde en kan variëren afhankelijk van het bedrijfspunt.
Het vermogensverbruik van de geïntegreerde hulpaandrijvingen is al aangegeven in de vermogensgegevens van de warmtepomp in overeenstemming met EN 14511.
| WPL 07 ACS clas- | sic | WPL 09 ACS clas-sic | WPL 13 ACS classic | WPL 17 ACS classic | |
| 235920 235921 239044 235922 | |||||
| Warmtevermogens | |||||
| Warmtevermogen bij A7/W35 (min./max.) | kW | 1,30/3,50 | 1,30/4,50 | 2,60/6,50 | 2,60/8,50 |
| Warmtevermogen bij A2/W35 (min./max.) | kW | 1,00/3,50 | 1,00/4,50 | 2,00/6,50 | 2,00/8,50 |
| Warmtevermogen bij A-7/W35 (min./max.) | kW | 1,00/3,20 | 1,00/4,06 | 3,00/6,00 | 3,00/7,80 |
| Warmtevermogen bij A15/W55 (EN 14511) | kW | 2,48 | 2,48 | 5,32 | 5,32 |
| Warmtevermogen bij A15/W35 (EN 14511) | kW | 2,90 | 2,90 | 5,90 | 5,90 |
| Warmtevermogen bij A7/W55 (EN 14511) | kW | 1,92 | 1,92 | 4,31 | 4,31 |
| Warmtevermogen bij A7/W45 (EN 14511) | kW | 4,16 | 4,16 | 5,28 | 5,28 |
| Warmtevermogen bij A7/W35 (EN 14511) | kW | 2,27 | 2,27 | 4,86 | 4,86 |
| Warmtevermogen bij A2/W45 (EN 14511) | kW | 3,22 | 3,22 | 5,02 | 6,01 |
| Warmtevermogen bij A2/W35 (EN 14511) | kW | 2,08 | 2,59 | 4,30 | 5,73 |
| Warmtevermogen bij A-7/W35 (EN 14511) | kW | 3,20 | 4,06 | 6,00 | 7,80 |
| Warmtevermogen bij A-7/W45 (EN 14511) | kW | 2,92 | 3,82 | 5,70 | 7,70 |
| Warmtevermogen bij A-15/W35 (EN 14511) | kW | 2,90 | 3,43 | 5,98 | 7,07 |
| Warmtevermogen in het max. gereduceerde nachtbedrijf A-7/W35 | kW | 1,38 | 1,38 | 2,76 | 2,76 |
| Warmtevermogen in gereduceerd nachtbedrijf A-7/W35 | kW | 2,23 | 2,65 | 4,96 | 4,96 |
| Max. koelvermogen bij A35/W7 | kW | 2,00 | 3,00 | 5,00 | 6,00 |
| Koelvermogen bij A35/W7 gedeeltelijke belasting | kW | 1,00 | 1,50 | 2,50 | 3,00 |
| Max. koelvermogen bij A35/W18 | kW | 2,00 | 3,00 | 5,00 | 6,00 |
| Koelvermogen bij A35/W18 gedeeltelijke belasting | kW | 1,50 | 1,50 | 2,50 | 3,00 |
| Verbruik | |||||
| Max. verbruik ventilator verwarmen | kW | 0,03 | 0,03 | 0,10 | 0,10 |
| Verbruik bij A15/W55 (EN 14511) | kW | 0,75 | 0,75 | 1,68 | 1,68 |
| Verbruik bij A15/W35 (EN 14511) | kW | 0,49 | 0,49 | 1,05 | 1,05 |
| Verbruik bij A7/W55 (EN 14511) | kW | 0,74 | 0,74 | 1,58 | 1,58 |
| Verbruik bij A7/W45 (EN 14511) | kW | 1,23 | 1,23 | 1,52 | 1,52 |
| Verbruik bij A7/W35 (EN 14511) | kW | 0,50 | 0,50 | 1,02 | 1,02 |
| Verbruik bij A2/W45 (EN 14511) | kW | 1,14 | 1,14 | 1,71 | 2,06 |
| Verbruik bij A2/W35 (EN 14511) | kW | 0,55 | 0,70 | 1,08 | 1,44 |
| Verbruik bij A-7/W35 (EN 14511) | kW | 1,14 | 1,49 | 2,05 | 2,68 |
| Verbruik bij A-7/W45 (EN 14511) | kW | 1,22 | 1,64 | 2,32 | 2,93 |
| Verbruik bij A-15/W35 (EN 14511) | kW | 1,18 | 1,42 | 2,26 | 2,84 |
| COP's | |||||
| COP bij A15/W55 (EN 14511) | 3,31 | 3,31 | 3,17 | 3,17 | |
| COP bij A15/W35 (EN 14511) | 5,92 | 5,92 | 5,62 | 5,62 | |
| COP bij A7/W55 (EN 14511) | 2,59 | 2,59 | 2,73 | 2,73 | |
| COP bij A7/W45 (EN 14511) | 3,37 | 3,37 | 3,47 | 3,47 | |
| COP bij A7/W35 (EN 14511) | 4,54 | 4,54 | 4,76 | 4,76 | |
| COP bij A2/W45 (EN 14511) | 2,82 | 2,82 | 2,94 | 2,92 | |
| COP bij A2/W35 (EN 14511) | 3,75 | 3,72 | 3,97 | 3,97 | |
| COP bij A-7/W35 (EN 14511) | 2,81 | 2,72 | 2,92 | 2,92 | |
| COP bij A-7/W45 (EN 14511) | 2,39 | 2,33 | 2,45 | 2,63 | |
| COP bij A-15/W35 (EN 14511) | 2,46 | 2,41 | 2,65 | 2,49 | |
| SCOP (EN 14825) | 4,23 | 4,15 | 4,50 | 4,50 | |
| Max. koelrendement bij A35/W7. | 2,15 | 1,62 | 1,73 | 1,73 | |
| Koelrendement bij A35/W7 gedeeltelijke belasting | 2,38 | 2,38 | 2,40 | 2,40 | |
| Max. koelrendement bij A35/W18. | 3,12 | 3,12 | 2,88 | 2,88 | |
| Koelrendement bij A35/W18 gedeeltelijke belasting | 3,56 | 3,56 | 3,28 | 3,28 | |
| Geluidsgegevens | |||||
| Geluidsniveau (EN 12102) | dB(A) | 52 | 52 | 57 | 57 |
| Geluidsdrukniveau op 5 m afstand in de vrije ruimte | dB(A) | 30 | 30 | 35 | 35 |
| Max. geluidsniveau | dB(A) | 58 | 60 | 63 | 66 |
| Max. gereduceerd geluidsniveau in de nachtwerking | dB(A) | 52 | 52 | 57 | 57 |
| Werkingsgebied | |||||
| Min. werkingsgebied verwarmingszijde °C 15 15 15 15 | |||||
| Max. werkingsgebied verwarmingszijde °C 60 60 60 60 | |||||
| Min. werkingsgebied warmtebron | °C | -20 | -20 | -20 | -20 |
| Max. werkingsgebied warmtebron | °C | 40 | 40 | 40 | 40 |
| Energiegegevens | |||||
| Energierendementsklasse, gemiddeld klimaat, W55/W35 | A+/A++ | A+/A++ | A++/A+++ | A++/A+++ | |
| Elektrische gegevens | |||||
| Max. verbruik zonder nood-/bijverwarming | kW | 2,20 | 2,20 | 4,60 | 4,60 |
| Nominale spanning compressor | V | 230 | 230 | 230 | 230 |
| Nominale spanning sturing | V | 230 | 230 | 230 | 230 |
| Fasen compressor | 1/N/PE | 1/N/PE | 1/N/PE | 1/N/PE | |
| Fasen sturing | 1/N/PE | 1/N/PE | 1/N/PE | 1/N/PE | |
| Beveiliging compressor | A | 1 x B 16 | 1 x B 16 | 1 x B 25 | 1 x B 25 |
| Beveiliging sturing | A | 1 x B 16 | 1 x B 16 | 1 x B 16 | 1 x B 16 |
| Aanloopstroom | A | 5 | 5 | 7 | 7 |
| Max. bedrijfsstroom | A | 9,60 | 9,60 | 20,00 | 20,00 |
| Uitvoeringen | |||||
| Koudemiddel | R410A | R410A | R410A | R410A | |
| Inhoud koudemiddel | kg | 1,1 | 1,1 | 2 | 2 |
| CO2-equivalent (CO2e) | t | 2,30 | 2,30 | 4,18 | 4,18 |
| Broeikaspotentieel van het koudemiddel (GWP100) | 2088 | 2088 | 2088 | 2088 | |
| Beschermingsgraad (IP) | IP14B | IP14B | IP14B | IP14B | |
| Condensormateriaal | 1.4401/Cu | 1.4401/Cu | 1.4401/Cu | 1.4401/Cu | |
| Afmetingen | |||||
| Hoogte | mm | 740 | 740 | 812 | 812 |
| Breedte | mm | 1022 | 1022 | 1152 | 1152 |
| Diepte | mm | 524 | 524 | 524 | 524 |
| Gewichten | |||||
| Gewicht | kg 62 62 91 91 | ||||
| Aansluitingen | |||||
| Aansluiting verwarmingsaanvoer/-retour | 22 mm | 22 mm | 22 mm | 22 mm | |
| Vereiste cv-waterkwaliteit | |||||
| Waterhardheid | °dH ≤3 ≤3 ≤3 ≤3 | ||||
| pH-waarde (met aluminium verbindingen) | 8,0-8,5 | 8,0-8,5 | 8,0-8,5 | 8,0-8,5 | |
| pH-waarde (zonder aluminium verbindingen) | 8,0-10,0 | 8,0-10,0 | 8,0-10,0 | 8,0-10,0 | |
| Geleidbaarheid (ontharden) | μS/cm | <1000 | <1000 | <1000 | <1000 |
| Geleidbaarheid (ontzouten) | μS/cm | 20-100 | 20-100 | 20-100 | 20-100 |
| Chloride | mg/l | <30 | <30 | <30 | <30 |
| Zuurstof 8 - 12 weken na vulling (ontharden) | mg/l | < 0,02 | < 0,02 | < 0,02 | < 0,02 |
| Zuurstof 8 - 12 weken na vulling (ontzouten) | mg/l | < 0,1 | < 0,1 | < 0,1 | < 0,1 |
| Waarden | |||||
| Debiet verwarming (EN 14511) bij A7/W35, B0/W35 en 5 K | m3/u | 0,40 | 0,40 | 0,80 | 0,80 |
| Nom. debiet verwarming bij A-7/W35 en 5 K | m3/u | 0,55 | 0,70 | 1,34 | 1,34 |
| Min. debiet verwarming | m3/u | 0,40 | 0,40 | 0,60 | 0,60 |
| Intern drukverlies verwarming nom. | hPa | 75 | 122 | 149 | 149 |
| Debiet warmtebronzijde | m3/u | 1300 | 1300 | 2200 | 2200 |
| Toegelaten bedrijfsoverdruk verwarmingscircuit | MPa | 0,30 | 0,30 | 0,30 | 0,30 |
Overige gegevens
| WPL 07 ACS classic | WPL 09 ACS classic | WPL 13 ACS classic | WPL 17 ACS classic | ||
| 235920 | 235921 | 239044 | 235922 | ||
| Maximale opstelhoogte | m | 2000 | 2000 | 2000 | 2000 |
Garantie
Voor toestellen die buiten Duitsland zijn gekocht, gelden de garantievoorwaarden van onze Duitse ondernemingen niet. Bovendien kan in landen waar één van onze dochtermaatschappijen verantwoordelijk is voor de verkoop van onze producten, alleen garantie worden verleend door deze dochtermaatschappij. Een dergelijk garantie wordt alleen verstrekt, wanneer de dochtermaatschappij eigen garantievoorwaarden heeft gepubliceerd. In andere situaties wordt er geen garantie verleend.
Voor toestellen die in landen worden gekocht waar wij geen dochtermaatschappijen hebben die onze producten verkopen, verlenen wij geen garantie. Een eventueel door de importeur verzekerde garantie blijft onverminderd van kracht.
Milieu en recycling
Wij verzoeken u ons te helpen ons milieu te beschermen. Doe de materialen na het gebruik weg overeenkomstig de nationale voorschriften.

