WPL-A 07.2 Plus HK 230 - Warmtepomp STIEBEL ELTRON - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis WPL-A 07.2 Plus HK 230 STIEBEL ELTRON in PDF-formaat.
| Producttype | Lucht-water warmtepomp voor buitenopstelling |
| Model | WPL-A 07.2 Plus HK 230 |
| Merk | Stiebel Eltron |
| Hoogte | 960 mm |
| Breedte | 1170 mm |
| Diepte | 727 mm |
| Gewicht | 145 kg |
| Voedingsspanning compressor | 230 V / 1/N/PE |
| Voedingsspanning sturing | 230 V / 1/N/PE |
| Max. opgenomen vermogen warmtepomp | 3,68 kW |
| Max. bedrijfsstroom | 15,5 A |
| Beveiliging compressor | 1 x B 16 A |
| Beveiliging sturing | 1 x B 16 A |
| COP bij A7/W35 (EN 14511) | 5,50 |
| Verwarmingsvermogen bij A7/W35 (min./max.) | 2,76 / 8,47 kW |
| Koudemiddel | R290 (propaan), 1,4 kg |
| Max. aanvoertemperatuur | 75 °C |
| Werkingsgebied buitentemperatuur (verwarmen) | -25 tot 40 °C |
| Werkingsgebied buitentemperatuur (koelen) | 15 tot 45 °C |
| Geluidsniveau (EN 12102) | 43 dB(A) |
| Max. geluidsvermogen | 57 dB(A) |
| Beschermingsgraad | IP14B |
| Aansluiting verwarming | G 1 1/4 A |
| Vorstbeveiliging | Ja, geïntegreerd |
| Ontdooiingsmethode | Omkering van de kringloop |
| Garantie | Zie handleiding; garantievoorwaarden per land |
Veelgestelde vragen - WPL-A 07.2 Plus HK 230 STIEBEL ELTRON
Gebruikersvragen over WPL-A 07.2 Plus HK 230 STIEBEL ELTRON
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Warmtepomp in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding WPL-A 07.2 Plus HK 230 - STIEBEL ELTRON en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. WPL-A 07.2 Plus HK 230 van het merk STIEBEL ELTRON.
GEBRUIKSAANWIJZING WPL-A 07.2 Plus HK 230 STIEBEL ELTRON
1 Bijzondere info.... 3
2 Algemene aanwijzingen.... 3
2.1 Symbolen in dit document.... 3
2.2 Symbolen op het toestel 3
2.3 Doelgroepen 3
2.4 Meeteenheden 3
2.5 Bijbehorende documenten .... 3
2.6 Prestatiegegevens conform norm .... 3
3 Veiligheid....4
3.1 Structuur van de waarschuwingen .... 4
3.2 Reglementair gebruik.... 4
3.3 Voorzienbaar verkeerd gebruik .... 4
3.4 Veiligheidsinstructies .... 4
4 Toestelbeschrijving 5
4.1 Werkwijze 5
7.4 Optioneel: hydraulische aansluiting (naar onderen).... 17
7.5 Verwarmingscircuit installeren.... 17
7.6 Filtermodule installeren 18
7.7 Magnetiet- en slibafscheider installeren...... 18
7.8 Externe tweede warmteopwekker.... 18
7.9 Veiligheidstemperatuurbegrenzer voor oppervlakteverwarming 18
7.10 Elektrische aansluiting 18
7.11 Verwarmingssysteem 21
8 Ingebruikname (installateur).... 25
8.1 Controle voor ingebruikname 25
8.2 Gebruik met een externe tweede warmteop-wekker.... 25
8.3 Minimale volumestroom verzekeren.... 25
9 Instellingen.... 26
9.1 Gereduceerd nachtbedrijf (Stille modus) ...... 26
9.2 Buffervat instellen 27
9.3 Opwarmprogramma gebruiken 27
10 Reiniging 27
14.1 Stand-bybedrijf.... 31
14.2 Spanningsonderbreking 31
15.1 Afmetingen en aansluitingen.... 32
15.3 Toepassingsbeperking 44
15.4 Vermogensdiagrammen 45
15.5 Vermogensreductie bij verminderde beveili- ging van de compressor.... 55
15.6 Geluidsreductie 57
15.7 Gegevenstabel 62
16 Garantie 64
17 Milieu en recycling 64
1 Bijzondere info
- Het toestel kan door kinderen vanaf 8 jaar, alsook door personen met fysieke, zintuiglijke of geestelijke beperkingen of met een gebrek aan ervaring en kennis gebruikt worden op voorwaarde dat er iemand toezicht houdt, of dat ze onderricht zijn hoe ze het toestel veilig moeten gebruiken en begrijpen welke gevaren hiermee gepaard gaan. Kinderen mogen niet met het toestel spelen. Kinderen mogen zonder toezicht het toestel niet reinigen noch gebruikersonderhoudstaken uitvoeren.
- Neem bij de installatie alle nationale en regionale voorschriften en bepalingen in acht.
- Aansluiting op het elektriciteitsnet is alleen als vaste aansluiting toegestaan. Installeer een veiligheidsvoorziening, waarmee het toestel via een scheidingstraject van 3 mm van het stroomnet kan worden gescheiden. Veiligheidsvoorzieningen zijn bijv. schakelaars, stroomonderbrekers, zekeringen.
- Houd de minimumafstanden aan om een storingsvrije werking van het toestel te waarborgen en onderhoudswerkzaamheden aan het toestel mogelijk te maken.
- Nadat het toestel spanningsvrij is geschakeld, kan het toestel nog gedurende 5 minuten onder spanning staan, omdat de condensatoren op de inverter nog moeten ontladen.
2 Algemene aanwijzingen

Lees deze handleiding voor gebruik zorgvuldig door en bewaar deze.
2.1 Symbolen in dit document
| Symbool | Betekenis |
| Dit symbool geeft mogelijke materiële schade, toestelschade, gevolgschade of milieuschade weer. | |
| Algemene aanwijzingen worden aangeduid met het hiernaast afgebeelde symbool. | |
| Dit symbool geeft aan dat u iets moet doen. | |
| Dit symbool toont de voorwaarden waaraan moeten worden voldaan voordat u de volgende stappen kunt uitvoeren. | |
| Dit symbool toont een resultaat of tussenresultaat. | |
| Deze symbolen tonen het niveau van het software-menu (in dit voorbeeld niveau 3). | |
| Dit symbool toont een verwijzing naar het bijbehorende paginanummer (in dit voorbeeld pagina 11). |
2.2 Symbolen op het toestel
Symbool Betekenis

Ontvlambaar koudemiddel
2.3 Doelgroepen
Gebruiker
Persoon zonder speciale vakkennis
Persoon met speciale vakkennis op de volgende terreinen: verwarmingstechniek, verwarmingsmedia, gebouwentechniek, ventilatie- en klimaattechniek, meettechniek, warmtepomptechniek, milieutechniek, arbeidsveiligheid, brandpreventie
Persoon met speciale vakkennis op de volgende terreinen: elektrotechniek, meettechniek, arbeidsveiligheid, brandpreventie
Stagiairs
Stagiairs mogen de aan hen opgedragen taken alleen uitvoeren onder deskundig toezicht en begeleiding.
Beroepskwalificatie
Afhankelijk van de lokale wetten is een training, studie of bij- scholing vereist.
Gendergevoelige documentatie
Wij streven ernaar om de taalevolutie te volgen en een genderbewust taalgebruik te hanteren zonder de leesbaarheid te beïnvloeden. Wij willen in onze documentatie alle geslachten aanspreken, betrekken en zichtbaar maken.
2.4 Meeteenheden
Tenzij anders vermeld, worden alle afmetingen in millimeter aangegeven.
2.5 Bijbehorende documenten
- Handleidingen van de warmtepompmanager
- Bedienings- en installatiehandleidingen van alle componenten die tot de installatie behoren
2.6 Prestatiegegevens conform norm
Toelichting voor de bepaling en interpretatie van de aangegeven prestatiegegevens conform de norm.
EN 14511
De met name in tekst, grafieken en het technisch blad vermelde prestatiegegevens zijn berekend conform de meetomstandigheden van de in de titel van deze paragraaf aangeduide norm. Daarbij gaat het afwijkend van deze norm bij de prestatiegegevens voor lucht-water inverter warmtepompen bij brontemperaturen > -7 °C om gedeeltelijke belastingwaarden. De betreffende procentuele wegging kan aan het gedeeltelijke belastinggebied van de EN 14825 en aan vaste activiteiten volgens het EHPA-kwaliteitszegel ontleend worden.
De bovengenoemde meetomstandigheden komen doorgaans niet volledig overeen met de bestaande omstandigheden bij de gebruiker.
Afhankelijk van de geselecteerde meetmethode en de mate waarin de geselecteerde methode afwijkt van de in de eerste alinea van deze paragraaf gedefinieerde meetomstandigheden, kunnen de afwijkingen aanzienlijk zijn.
Andere factoren die de meetwaarden beïnvloeden, zijn de meetorganen, de installatie-opbouw, de leeftijd van de installatie en de debieten.
Bevestiging van de aangegeven prestatiegegevens is slechts mogelijk, wanneer ook de meting die in dit kader is uitgevoerd, de in de eerste alinea van deze paragraaf aangegeven meetomstandigheden respecteert.
3 Veiligheid
3.1 Structuur van de waarschuwingen
3.1.1 Waarschuwingen per paragraaf
Waarschuwingen per paragraaf gelden voor alle handelingsstappen van de paragraaf.
Lichamelijk letsel
VOORZICHTIG

Soort en bron van het gevaar
Gevolg(en) wanneer de waarschuwing wordt genegeerd
▶ Maatregel(en) voor het afwenden van het gevaar
Materièle schade, gevolgschade, milieuschade
LET OP

Soort en bron van het gevaar
Gevolg(en) wanneer de waarschuwing wordt genegeerd
▶ Maatregel(en) voor het afwenden van het gevaar
3.1.2 Ingebedde waarschuwingen
Ingebedde waarschuwingen gelden alleen voor de daarop volgende handelingsstap.
TREFWOORD: gevolg(en) wanneer de waarschuwing wordt genegeerd. Maatregel(en) voor het afwenden van het gevaar. Handelingsstap waarop de waarschuwing betrekking heeft
3.1.3 Verklaring van de symbolen
Symbool Soort gevaar

Letsel

Elektrische schok

Verbranding, verschroeiing
3.1.4 Trefwoorden
Trefwoord Betekenis
GEVAAR Aanwijzingen die leiden tot overlijden of zware letsels, wanneer deze niet in acht worden genomen.
WAARSCHU-WING Aanwijzingen die kunnen leiden tot overlijden of zware letsels, wanneer deze niet in acht worden genomen.
VOORZICHTIG Aanwijzingen die kunnen leiden tot middelmatig zwaar of licht letsel, wanneer deze niet in acht worden genomen.
Trefwoord Betekenis
LET OP Aanwijzingen die kunnen leiden tot materiële schade, gevolgschade of milieuschade, wanneer deze niet in acht worden genomen.
Het toestel mag alleen met buitenlucht worden gebruikt.
Het toestel is bestemd om ruimten te verwarmen en te koelen binnen en voor de warmwaterbereiding binnen het werkingsgebied.
Het product is bestemd voor gebruik in een huishoudelijke omgeving. Het kan op een veilige manier worden bediend door niet-geïnstrueerde personen. In een niet-huishoudelijke omgeving, bijv. in een kleine onderneming, kan het product ook worden gebruikt, mits het gebruik op dezelfde wijze gebeurt.
Bij reglementair gebruik hoort ook het in acht nemen van deze handleiding evenals de handleidingen voor het gebruikte toebehoren.
3.3 Voorzienbaar verkeerd gebruik
Het toestel is niet geschikt voor continu koelen het hele jaar door.
3.4 Veiligheidsinstructies
Lichamelijk letsel
- Wanneer u het toestel niet correct installeert en elektrisch aansluit, kunnen personen gekwetst raken. Alleen een elektricien mag de elektrische installatie en de installatie van het toestel uitvoeren.
- Wanneer u het toestel onvolledig installeert, is het veilige gebruik niet gewaarborgd. Gebruik het toestel alleen als het volledig geïnstalleerd is en als alle veiligheidsvoorzieningen aangebracht zijn.
- Het toestel bevat het brandbare koudemiddel R290 (pro-paan). Bij een lek kan ontsnappend koudemiddel een ont-vlambare atmosfeer creëren. Neem de speciale vereisten voor de veiligheidszone rond het toestel in acht en leef ze na.
- Indien mogelijk mogen er geen automatische ontluchtingskleppen in het verwarmingssysteem worden geïnstalleerd. Als automatische ontluchtingskleppen nodig zijn om het verwarmingssysteem te ontluchten, moeten de automatische ventilatieopeningen worden gesloten en beveiligd tegen openen. Het toestel wordt geleverd met instructies dat de automatische ontluchtingskleppen altijd gesloten moeten zijn. Bevestig de bijgevoegde waarschuwingsborden op de automatische ontluchtingskleppen.
- In het toestel is een blokkeringsvoorziening geïnstalleerd. Deze blokkeringsvoorziening voorkomt dat er koudemiddel via de verwarmingshydrauliek het gebouw binnenkomt in geval van een lek. De voeding van de besturing mag alleen in uitzonderlijke gevallen worden losgekoppeld (bijv. bij servicewerkzaamheden). Zorg voor een permanente voeding naar de besturing.
- In zeldzame gevallen kan koudemiddel in het verwarmings-circuit terechtkomen en zich verzamelen in de radiatoren. Raadpleeg voor het ontluchten van radiatoren in het ver-warmingssysteem hoofdstuk Storingen verhelpen [▶ 27].
- Wanneer de behuizing tijdens de werking is geopend of het deksel niet is bevestigd, bestaat er letselgevaar. Gebruik het toestel alleen met gesloten behuizing en deksel.
- Ongeschikte vervangingsonderdelen en ongeschikt toebehoren kunnen de veiligheid van de gebruiker en het toestel in gevaar brengen. Gebruik alleen originele reserveonderdelen en originele accessoires.
Materièle schade, gevolgschade, milieuschade
- Vervuilde omgevingslucht kan het toestel beschadigen. Bescherm het toestel tegen stof en vuil tijdens de bouwfase.
- Een slechte luchtkwaliteit kan het toestel beschadigen. Zorg ervoor dat er op de opstellocatie van het toestel geen olieachtige en zouthoudende (chloorhoudende) lucht aanwezig is (zie hoofdstuk Opstelling in de buurt van de kust [▶ 11]). Houd de opstellocatie vrij van agressieve of explosieve stoffen. Houd de opstellocatie vrij van stof, chloor- en ammoniakhoudende stoffen.
- Een overspanning (bijvoorbeeld door een blikseminslag) kan het toestel beschadigen. Installeer een overspanningsbeveiliging. Neem de geldende normen en richtlijnen in uw regio en land in acht.
4 Toestelbeschrijving
Het toestel is een lucht-water-warmtepomp bedoeld voor opstelling buiten. Er wordt op een laag temperatuurniveau warmte aan de buitenlucht onttrokken, die dan op een hoger temperatuurniveau wordt afgegeven aan het verwarmingswater. Het verwarmingswater kan tot 75 °C aanvoertemperatuur worden opgewarmd.
Het toestel beschikt over een vorstbescherming van de verbindingsleidingen. De geïntegreerde vorstbeveiligingsschakeling activeert bij een lagere condensortemperatuur dan 8 °C automatisch de circulatiepomp in het warmtepompcircuit voor circulatie in de watervoerende leidingen. Wanneer in het verwarmingssysteem een buffervat is geïnstalleerd en de temperatuur in het buffervat daalt, wordt uiterlijk bij onderschrijden van 5 °C automatisch de warmtepomp ingeschakeld.
Het apparaat kan ook samen met een tweede warmtegenerator worden gebruikt. Bij bivalente werking kan de warmtepomp worden doorgestroomd met het retourwater van de tweede warmtegenerator. Zorg ervoor dat de temperatuur van het retourwater niet hoger is dan de temperatuur die is ingesteld in de warmtepompmanager.
Dit apparaat heeft tevens de volgende eigenschappen:
- Geschikt voor oppervlakte- en radiatorverwarming.
- In combinatie met een oppervlakteverwarmingssysteem of extra ventilatieconvectoren kan met het toestel worden gekoeld.
- Haalt zelfs bij een -25 °C buitentemperatuur nog warmte uit de buitenlucht.
- Tegen corrosie beschermd, buitenste bekledingsdelen van verzinkte staalplaat, bovendien gemoffeld.
- Bevat alle componenten die voor de werking nodig zijn, alsmede veiligheidstechnische inrichtingen.
- Het veiligheidsconcept in het toestel voorkomt dat bij een lek in de condensor grote hoeveelheden koudemiddel in het distributiesysteem van de waterverwarming terechtkomen.
WPL-A 05.2 Plus HK 230, WPL-A 05.2 W Plus HK 230, WPL-A 07.2 Plus HK 230, WPL-A 07.2 W Plus HK 230, WPL-A 10.2 Plus HK 400, WPL-A 10.2 W Plus HK 400, WPL-A 13.2 Plus HK 400, WPL-A 13.2 W Plus HK 400
- Het toestel voldoet aan de vereisten van EN IEC 61000-3-2.
- Het toestel voldoet aan de vereisten van EN 61000-3-3.
- Het toestel voldoet aan EN 61000-3-11.
- Het toestel voldoet aan EN 61000-3-12.
Bediening
De bediening gebeurt uitsluitend met de warmtepompmanager WPM.
Houd rekening met de handleiding van de warmtepomp-manager.
4.1 Werkwijze
4.1.1 Verwarmen
![graph LR A["1 2 3"] --> B["4"] B --> C["5"] C --> D["6"] D --> E["7"] E --> F["8"] F --> G["9"] G --> H["10"] H --> I["11"] I --> J["Output"] style A fill:#f9f,stroke:#333 style B fill:#ccf,stroke:#333 style C fill:#cfc,stroke:#333 style D fill:#fcc,stroke:#333 style E fill:#cff,stroke:#333 style F…](/content/2026/06/1165212/images/084cf6e740831db00cd07ff7c9cc11821f418d240edf7910651044f7b401da75.jpg)
1 Warmteopwekker
2 Warmtepomp (koude-kring)
3 Afgiftesysteem (verwarmingscircuit)
4 Lucht
5 Bodem
6 Water
7 Omgevingsenergie
8 Verdamper
9 Compressor
10 Condensor
11 Expansieventiel
Met de warmtewisselaar aan de luchtzijde (verdamper) wordt warmte ontrokken aan de buitenlucht. Het verdampte koudemiddel wordt met een compressor gecomprimeerd. Daarvoor is elektrische energie vereist. Het koudemiddel heeft nu een hogere temperatuur. Een tweede warmtewisselaar (condensor) geeft de warmte af aan het verwarmingscircuit. Daarna wordt de druk van het koudemiddel lager en begint het proces van voren af aan.
Bij luchttemperaturen onder ca. 7 °C ontstaat rijp op de ver-damperlamellen. Deze ijsvorming wordt automatisch ontdooid.
Ontdooien
Tijdens de ontdooifase schakelt de ventilator uit en wordt de warmtepompcircuit omgekeerd. De voor de ontdooicyclus benodigde warmte wordt uit het buffervat of het verwarmingssysteem onttrokken.
Wanneer er onvoldoende energie beschikbaar is, ondersteunt de nood-/bijverwarming de ontdooicyclus.
De elektrische nood-/bijverwarming bevindt zich in de binnen-module. Als er geen binnenmodule in het verwarmingssysteem is geïnstalleerd, raden we het gebruik van een hulpverwarming in de buffer en/of warmwaterboiler aan.
Wanneer het minimale debiet niet wordt bereikt, wordt de ont-dooicyclus afgebroken en verschijnt er een melding in de warm-tepompmanager WPM.
√ De installatie is voorzien van een buffervat.
▶ Let erop dat de bufferwerking in de warmtepompmanager WPM is geactiveerd.
√ De installatie is niet voorzien van een buffervat.
▶ Controleer of er vloerverwarming is toegepast en of het minimale debiet van de warmtepomp over enkel de permanent geopende verwarmingsgroepen wordt gehaald (zie hoofdstuk Minimale volumestroom verzekeren [▶ 25]).
Aan het einde van de ontdooifase schakelt het toestel automatisch terug naar de verwarmingsmodus.
Met condensaatbak:
Het verzamelde water wordt opgevangen in de condensaatbak en afgevoerd (zie hoofdstuk Condenswaterafvoer [▶ 11]).
Zonder condensaatbak:
Het water dat hierbij ontstaat, stroomt via de vrije condensaatafvoer uit het toestel en sijpelt in het grindbed weg (zie hoofdstuk Condenswaterafvoer [▶ 11]).
4.1.2 Koelen
LET OP

Materièle schade
Als de dauwpunttemperatuur niet bereikt wordt, kan in het koelbedrijf condensaat gevormd worden.
Gebruik voor dauwpuntbewaking de afstandsbediening FET in de referentieruimte.
▶ Voorzie alle verdeelleidingen in het gebouw van dampdiffusiedichte isolatie.
Het toestel is niet geschikt voor continu koelen het hele jaar door.
Let op het werkingsgebied van het toestel (zie hoofdstuk Gegevenstabel [▶ 62]).
De ruimten worden gekoeld door omkering van het warmte-pompcircuit. Er wordt warmte onttrokken aan het verwarmings-water en de verdamper geeft deze warmte af aan de buiten-lucht.
Bij vlakken- en ventilatorkoeling is het noodzakelijk om een afstandsbediening (FET) te installeren, zodat de meting van de relatieve vochtigheid en van de kamertemperatuur om het dauwpunt te bewaken, mogelijk is.
Bij de ventilatorkoeling is bovendien de installatie van een buffervat vereist.
Werkingsgebied voor de warmtepomp
Bij een buitentemperatuur onder de ingestelde grenswaarde voor koeling, wordt de warmtepomp uitgeschakeld.
4.2 Leveringsomvang
- Warmtepomp
- Documentatie
- 4× onderlegring met sleuf
4.3 Toebehoren
4.3.1 Noodzakelijk toebehoren
- Filtermodule FS-WP 22 (voor 22 mm buisdiameter)
- Filtermodule FS-WP 28 (voor 28 mm buisdiameter)
Meer mogelijke filtervarianten zijn te vinden in hoofdstuk Optioneel toebehoren [▶ 6].
Wanneer u een filter of magnetiet- en slibafscheider hebt geïnstalleerd, hoeft u verder niets te doen.
Warmtepompmanager (WPM)
Voor de werking van het toestel is de warmtepompmanager WPM noodzakelijk. De warmtepompmanager regelt het volledige verwarmingssysteem en is de interface naar de elektronica van de warmtepomp.
De WPM warmtepompmanager bevindt zich in sommige van onze binnenmodules en is beschikbaar als wandmontageversie als er geen binnenmodule met geïntegreerde warmtepompmanager wordt gebruikt (bv. voor cascades).
Binnenmodules met geïntegreerde warmtepompmanager WPM
- Combiboiler HSBB 180 Plus
- Combiboiler HSBB 180 S Plus
- Combiboiler HSBC 180 Plus
- Combiboiler HSBC 180 S Plus
- Combiboiler HSBC 200
- Combiboiler HSBC 200 S
- Combiboiler HSBC 300 cool
- Hydraulische module HM
- Hydraulische module HMS
- Hydraulische module HM Trend
- Hydraulische module HMS Trend
Installatie zonder binnenmodule met geïntegreerde warmtepompmanager WPM
- Warmtepompmanager WPM
- Elektrische opwarmmodule AHP-BH 8.8
4.3.2 Optioneel toebehoren
- Gekruiste draagriemen AHP-CS.1
- Filtermodule MFS-WP 22
- Filtermodule MFS-WP 28
- Condensbak AHP-DT.1
- Kogelsifon AHP-BS.1
- Verwarmingslint HZB 1
- Verwarmingslint HZB 2
- Vloerconsole AHP-GC.1
- Bekledingsset vloerconsole AGC-CB.1
- Bekledingsset vloerconsole AGC-CW.1
- Bekledingsset voeten warmtepomp AHP-CB.1
- Bekledingsset voeten warmtepomp AHP-CW.1
- Staande console AHP-SC.1
- Dempingssokkel AHP-DS 0.8
- Hydraulische aansluiting naar beneden AHP-FH 25-0.4
- Hydraulische aansluiting naar beneden AHP-FW 25-0.4
- Telescoopkanaal AHP-TB 420
- Telescoopkanaal AHP-TB 710
- Telescoopkanaal AHP-TW 420
- Telescoopkanaal AHP-TW 710
- Afdekkap hydraulische aansluiting achter AHP-SB.1
- Afdekkap hydraulische aansluiting achter AHP-SW.1
- Wandconsole AHP-WM.1
- Bekledingsset wandconsole AWM-CD.1
- Wandconsole WK 3
- Wanddoorvoer boven de grond AHP-W0.1
- Wandoorvoer onder maaveld met folieflens AHP-WU.1
- Wanddoorvoer onder maaveld voor betonnen wanden AHP-WU.2
- Slangenpakket 2,5 m AWU-HS 2.5
- Slangenpakket 5 m AWU-HS 5
-
Slangenpakket 10 m AWU-HS 10
-
Afdichtingspakket voor slangenpakket in DN 200 pijp AHS-SI 200
- Tochtscherm voor vrijstaande installatie AHP-WB.1
- Tochtscherm voor vrijstaande installatie AHP-WB.2
- Tochtscherm voor vrijstaande installatie AHP-WB.3
- Tochtscherm voor vrijstaande installatie AHP-WW.1
- Tochtscherm voor vrijstaande installatie AHP-WW.2
- Tochtscherm voor vrijstaande installatie AHP-WW.3
5 Opslag
▶ Bewaar het toestel buiten gebouwen en kamers.
▶ Sla het toestel niet op in schachtachtige locaties.
▶ Bewaar het toestel niet op openbare plaatsen.
▶ Vermijd ontstekingsbronnen zoals rondvliegende vonken, roken, hete oppervlakken enz.
6 Transport (vakman)
▶ Raadpleeg de tabel voor het minimum aantal personen dat nodig is om het toestel te vervoeren.
| 2 personen 3 personen(2 personenaan de kantvan decompres-sor) | |
| WPL-A 05.2 Plus HK 230 x | |
| WPL-A 05.2 W Plus HK 230 x | |
| WPL-A 07.2 Plus HK 230 x | |
| WPL-A 07.2 W Plus HK 230 x | |
| WPL-A 10.2 Plus HK 230 x | |
| WPL-A 10.2 W Plus HK 230 x | |
| WPL-A 10.2 Plus HK 400 x | |
| WPL-A 10.2 W Plus HK 400 x | |
| WPL-A 13.2 Plus HK 400 x | |
| WPL-A 13.2 W Plus HK 400 x |
Let bij het transport op het zwaartepunt van het toestel. Het zwaartepunt ligt in de zone van de compressor.
▶ Bescherm het toestel tijdens het transport tegen zware stoten.

▶ Draag het toestel aan de draaglussen.
Als u het toestel over een langere afstand moet vervoeren, raden we aan om het op een pallet te vervoeren met behulp van geschikte transportmiddelen.

Wanneer u het apparaat tijdens het transport kantelt (tot 45°), mag dit slechts kortstondig gebeuren via één van de lange zijden. Transporteer het toestel daarbij zo dat de compressor zich aan de hoger gelegen zijde van het toestel bevindt.
Hoe langer het toestel gekanteld blijft, hoe meer de koudemiddelolie zich in het systeem verspreidt.
Wacht ca. 30 minuten, voordat u het apparaat na het kante- len weer in gebruik neemt.
Het toestel is zo ontworpen dat opstelling en aansluiting kunnen worden uitgevoerd zonder demontage van de deksel en de zijpanelen.
7.1 Montageplaats
De montagelocatie moet voldoen aan de volgende vereisten:
- horizontaal
- Vlak
- vast
- permanent
Zorg ervoor dat het toestel aan alle zijden toegankelijk is. Houd rekening met de minimumafstanden (zie hoofdstuk Minimumafstanden [▶ 10]).

Zorg ervoor dat de richting van de luchttoevoer overeenkomt met de hoofdwindrichting. De lucht mag niet tegen de wind in worden aangezogen.
Zorg ervoor dat het toestel niet aan de wind wordt blootgesteld.
▶ Bescherm de achterkant van het toestel met een gebouw, muur of windscherm.
Als er geen gebouw, muur of windscherm aan de achterkant van het toestel staat of als er geen windscherm kan worden geplaatst (bv. bij installatie op een plat dak), kunt u ons windscherm installeren (zie hoofdstuk Optioneel toebehoren [▶ 6]).
De naar buiten stromende koude lucht kan in de omgeving van de luchtafvoer tot condensaatvorming leiden.
▶ Voorkom bij lage temperaturen dat er slipgevaar ontstaat door natheid of ijsvorming op aangrenzende voetpaden en rijbanen.
Plaats of plant geen koudegevoelige planten voor de luchtafvoer.
Wanneer de luchttoevoer en -uitlaat van het toestel door nabijgelegen objecten worden gehinderd, kan dit leiden tot thermische kortsluiting.
▶ Controleer of de buitenlucht ongehinderd het apparaat kan binnenstromen en de uitlaatlucht ongehinderd het apparaat kan verlaten.
Als er zich insecten of andere kleine dieren in het toestel nestelen, kan het toestel beschadigd raken.
▶ Selecteer de montagelocatie zo dat er zich geen insecten of andere kleine dieren (bij, muizen) zich in het toestel kunnen nestelen.
7.1.1 Veiligheidszone
Het toestel bevat ontvlambaar koudemiddel. Het koudemiddel heeft een hogere dichtheid dan lucht. Bij lekkage kan zich koudemiddel ophopen in de buurt van de vloer. Ophopingen van koudemiddel (bijvoorbeeld in holtes) kunnen leiden tot een gevaarlijke, explosieve, verstikkende of giftige atmosfeer.
- Het koudemiddel mag niet via openingen in de binnenkant van het gebouw komen.
- Het koudemiddel mag niet in het rioleringssysteem terecht- komen.
- Vermijd holtes > 0,5 m³ waarin het koudemiddel zich kan ophopen.
Voor de installatielocatie geldt een speciale veiligheidszone. De veiligheidszone moet aan bepaalde eisen voldoen.
- Ramen, deuren, lichtkokers, keldertoegangen, vluchtluiken, dakafvoeren (aansluiting op huishoudelijk afvalwater), ramen in platte daken of ventilatieopeningen (openingen naar de binnenkant van het gebouw) mogen niet aanwezig zijn.
- Ontstekingsbronnen zoals open vuur, elektrische installaties, stopcontacten, lichtschakelaars, lampen, elektrische huisaansluitingen, elektrische schakelaars, vonken genererend gereedschap, voorwerpen met een hoge oppervlaktetemperatuur (>360 °C) of andere permanente of kortdurende ontstekingsbronnen mogen niet aanwezig zijn.
- De veiligheidszone mag zich niet uitstrekken tot naburige eigendommen of de openbare weg.
- Structurele veranderingen die in strijd zijn met de bovengenoemde regels voor de veiligheidszone mogen niet worden uitgevoerd.
- Muurdoorvoeren moeten worden beveiligd tegen het binnendringen van gas. Bovengrondse of ondergrondse muurdoorvoeren zijn verkrijgbaar als optionele accessoires (zie hoofdstuk Optioneel toebehoren [▶ 6]).
- Regenpijpen mogen niet open zijn in de veiligheidszone.
7.1.1.1 Installatie in een open ruimte

▶ Blijf binnen de veiligheidszone.
7.1.1.2 Installatie voor een muur

▶ Blijf binnen de veiligheidszone.
7.1.1.3 Installatie op een vloer, muur- of standconsole

▶ Blijf binnen de veiligheidszone.
7.1.1.4 Installatie in een hoek van een gebouw


Blijf binnen de veiligheidszone.
7.1.1.5 Installatie op een plat dak

▶ Blijf binnen de veiligheidszone.
Zorg voor valbeveiliging in overeenstemming met de wettelijke vereisten.
7.1.1.6 Opties voor het verkleinen van de veiligheidszone
Als de veiligheidszone niet kan worden gehandhaafd vanwege bouwkundige omstandigheden op de installatielocatie, kunt u de volgende maatregelen treffen.
Bouwkundige omstandigheden
Maatregelen
Openingen (bijv. deuren, ramen, licht-schachten)
Optie 1:
Sluit de openingen permanent.
Verwijder hiervoor bijvoorbeeld de raamhendel en beveilig de opening tegen opnieuw openen.
Optie 2:
Bouw een gesloten beschermwand. De beschermwand moet ondoordringbaar zijn voor gas en minstens even hoog en diep zijn als het toestel. Houd rekening met de afmetingen van de veiligheidszone en de minimumafstanden om een probleemloze werking van het toestel te waarborgen (zie hoofdstuk Minimumafstanden [▶ 10]).
Optie 1: openingen permanent sluiten

Optie 2: installatie met beschermwand

▶ Neem de minimumafstanden in acht (zie hoofdstu Minimumafstanden [▶ 10]).
7.1.2 Minimumafstanden

Om een storingsvrije werking van het toestel te waarborgen en onderhoudswerkzaamheden aan het toestel mogelijk te maken, dient u de minimale afstanden aan te houden.
Als u het toestel op onze wandconsole monteert (zie hoofdstuk Optioneel toebehoren [▶ 6]), kunt u de afstand tot de achterkant verkleinen tot 200 mm.

Plaats het toestel niet in een nis. Twee zijden van het toestel moeten vrij blijven.
▶ Blijf binnen de veiligheidszone.
7.1.3 Minimale afstanden bij cascades
Voorbeeld: 2 toestellen naast elkaar
![graph LR A[" "] <--> B[" "] B --> C[" "] C --> D[" "] D --> E[" "] style A fill:#f9f,stroke:#333 style B fill:#ccf,stroke:#333 style C fill:#cfc,stroke:#333 style D fill:#fcc,stroke:#333 note right of A: D0000115504 note right of B: ≥500 note right of C: ≥100≥500](/content/2026/06/1165212/images/bd6f5e688f7e72b5ce15a74a138dffa1f90e79773ca781ab07ec72fec0734941.jpg)
▶ Neem de minimale afstanden in acht.
▶ Blijf binnen de veiligheidszone.
Voorbeeld: 2 toestellen in een hoek

▶ Neem de minimale afstanden in acht.
▶ Blijf binnen de veiligheidszone.
Voorbeeld: 2 toestellen rug aan rug

▶ Neem de minimale afstanden in acht.
▶ Blijf binnen de veiligheidszone.
Voorbeeld: 6 toestellen naast elkaar en rug aan rug
![graph TD A["≥100"] --> B["≥500"] B --> C["≥500"] C --> D["↑"] D --> E["≥500"] E --> F["↑"] F --> G["..."] G --> H["≥100"] I["≥500"] --> J["↓"] J --> K["≥500"] K --> L["↓"] L --> M["≥500"] M --> N["↓"] N --> O["≥100"] style A fill:#f9f,stroke:#333 style I fill:#f9f,stroke:#333 style J fill:#ccf,strok…](/content/2026/06/1165212/images/fbac17b50d5fece31fc3b58664cf1c326912f1f391a030ee2c17d5eefc7f09a4.jpg)
▶ Neem de minimale afstanden in acht.
▶ Blijf binnen de veiligheidszone.
7.1.4 Opstelling in de buurt van de kust

1 Hoofdwindrichting 2 Gebouw, wand of windbescherming
3 Toestel 4 Luchtafvoer
Zorg ervoor dat de richting van de luchttoevoer overeenkomt met de hoofdwindrichting. Als de hoofdwindrichting vanuit de zee komt (zoutgehalte > 2%), houd dan een minimale afstand van 500 m tot de zee aan.
7.1.5 Geluidsemissie
Het toestel is aan de luchttoevoerzijde en aan de luchtafvoerzijde luider dan aan de twee gesloten zijden. Meer gegevens over het geluidsniveau vindt u in hoofdstuk Gegevenstabel [▶ 62].
- Gazons en beplantingen helpen om de verspreiding van het geluid te verminderen. - De geluidsuitbreiding kan door dichte palissaden worden gereduceerd.
Zorg ervoor dat de luchttoevoer of -afvoer niet is gericht op de geluidsgevoelige ruimtes van de woning of van de aan-grenzende woningen, bijv. slaapkamers.
Laat het frame van het toestel gelijkmatig steunen. Een oneffen ondergrond kan het geluidsgedrag beïnvloeden.
▶ Vermijd opstelling op grote weerkaatsende vloeren, bijv. plaatbekleding.
Vermijd opstelling tussen reflecterende muren van het gebouw. Reflecterende muren kunnen het geluidsniveau verhogen.
Als het toestel op een dak gemonteerd wordt en direct contact met de gebouwstructuur heeft, installeert u daarnaast een trillingsontkoppeling.
7.1.6 Voedingsleidingen installeren
Voedingsleidingen zijn alle elektrische, aanvoer- en retourleidingen.
Als condensaat vrij druppelt, mogen de aanvoer- en retourleidingen van de verwarming niet in het grindbed onder het toestel worden gelegd.
Als de toevoerleidingen achter het toestel door de gebouwmuur moeten worden geleid, kunt u de afmetingen van de boorgaten overnemen van de illustratie of de boormal op de verpakking van het toestel gebruiken.

Isoleer de wanddoorvoeren tegen een dauwpuntonderschrijding bij het koelen.
Dicht de wanddoorvoeren voor alle voedingsleidingen in het gebouw waterdicht af.
Dicht de muurdoorvoeren af tegen het binnendringen van gas.
Gebruik flexibele voedingsleidingen om de aansluiting van het toestel te vergemakkelijken.
▶ Bescherm alle voedingsleidingen door een mantelbuis tegen vocht, schade en UV-straling.
Gebruik alleen weerbestendige elektriciteitskabels, bijv. NYY.
▶ Bescherm de aanvoer- en retourleiding tegen vorst door ze voldoende te isoleren. De isolatie moet ten minste dubbel zo dik zijn als de leidingdoorsnede. Voer de isolatie uit overeenkomstig de geldende voorschriften.
▶ Voer de buisbevestigingen en buitenwanddoorvoeren geluiddempend uit.
7.1.7 Condenswaterafvoer
Het geproduceerde condensaat kan in een condensaatbak druppelen of vrij in een grindbed.
Als het condensaat wordt opgevangen in een condensaatbak en via een condensaatafvoerleiding wordt afgevoerd naar de af- voerleiding voor huishoudelijk afvalwater, moet ervoor worden gezorgd dat er geen koudemiddel het gebouw kan binnendringen in geval van een lek in het koelcircuit. Een kogelsifon biedt deze bescherming (zie hoofdstuk Optioneel toebehoren [▶ 6]). Als de sifon droog is, kan er koudemiddel het gebouw binnen- komen via normale sifons.
U kunt de diameter van de condensaatafvoerleiding vóór de kogelsifon verkleinen.
Om de aansluiting op de condensaatafvoerleiding te vergemakkelijken, kan de condensaatafvoerleiding die van onderaf komt, dienovereenkomstig worden geplaatst en groter worden ge-
maakt in het bovenste gedeelte. Hierdoor kan het uitlaatmondstuk van de condensaatbak er vrij boven geplaatst worden bij het installeren van het toestel.
| Inbouwsituatie Kogelsifon | vereist | Kogelsifon niet vereist |
| Condensafvoer in grindbed x | ||
| Condensafvoer in regenwater-leiding, zonder aansluiting op huishoudelijke afvalwaterlei-ding | x | |
| Condensafvoer via dakopper-vlak | x | |
| Condensafvoer in regenwater-leiding die is aangesloten op de leiding voor huishoudelijk afvalwater (gecombineerd sys-teem). | x | |
| Condensafvoer naar leiding voor huishoudelijk afvalwater | x | |
| Condensafvoer naar het interi-eur van het gebouw | x |
Infiltratie zonder condensaatbak

1 Steenslag 2 Drainagebuis
Leg een vochtscherm aan bij de fundering van het gebouw.
Plaats een drainagebuis in het vorstvrije gebied onder het toestel om het vocht van het huis weg te leiden.
Zorg ervoor dat de grindlaag tot in het vorstvrije gebied reikt.
Infiltratie met condensaatbak

1 Verwarming aanvoer 2 Verwarming retour
3 Strokenfundering (boord-4 Steenslag steen)
5 Condensaatafvoerbuis 6 Kiezelbed
A 300
Zorg ervoor dat de grindlaag in een vorstvrije ruimte ligt.
Afvoersysteem met condensaatbak, ondergrondse sifon

1 Condensaatafvoerbuis 2 Kogelsifon
3 Afvalwaterleiding in rio-
lering
Installeer de kogelsifon in een vorstvrije ruimte.
Als de kogelsifon niet boven de vorstgrens kan worden geïnstalleerd, kunt u een vorstbestendig ontwerp garanderen door gebruik te maken van een verwarmingslint (zie hoofdstukOptioneel toebehoren [▶ 6]). Zorg ervoor dat het verwarmingslint niet door de kogelsifon heen wordt geleid. Anders wordt de functionaliteit van de kogelsifon uitgeschakeld.
U kunt de kogelsifon zowel in het gebouw direct achter de muur als in de grond installeren.
Indien u de kogelsifon in de grond plaatst, moet de kogelsifon wel vrij toegankelijk zijn voor onderhoudswerkzaamheden. U kunt bijvoorbeeld toegang verschaffen via een schacht of een ingebrachte KG-buis met deksel.
▶ Neem de installatiehandleiding van de kogelsifon in acht.
7.2 Opstelling
▶ Neem de informatie over de luchtuitlaatrichting in hoofdstuk Montageplaats [▶ 7] in acht.
Als u een condensaatbak in het toestel wilt installeren, raden wij u aan de condensaatbak te installeren voordat u het toestel op de installatieplaats bevestigt en de hydraulische en elektrische aansluitingen maakt.
Als het toestel zonder condensaatbak wordt gebruikt, moet onder het toestel een vrije ruimte van 300 mm vanaf de onderkant van het toestel worden aangehouden. Dit is de enige manier om het hele jaar door een probleemloze werking te garanderen.
▶ Gebruik een console of een verhoogde strokenfundering.
Als u de hydraulische aansluiting niet aan de achterkant maar aan de onderkant wilt maken, raadpleeg dan hoofdstuk Optioneel: hydraulische aansluiting (naar onderen) [▶ 17].
Raadpleeg de volgende tabel om te zien welke installatievariant geschikt is voor welk toepassingsgebied.
| Installatievariant Mogelijke toepassingsgebieden | |
| Strokenfundering of randstenen | - Standaard opstelling |
| Strokenfundering of randstenen met vloerconsole | - Condensaat druppelt vrij weg.- Hydraulica wordt door de grond naar beneden geleid.- De positie van de condensaatafvoer van de vorige warmtepomp komt niet overeen. |
| Dempingssokkel | - Geasfalteerde oprit kan worden gebruikt.- Betonwerk in de vloer niet mogelijk |
| Dempingssokkel (dakopstelling) | - Dakopstelling met lage windbelasting |
| Dempingssokkel op ballastering (dakopstelling) | - Dakopstelling met hogere windbelasting |
| Wandconsole | - De vloer is niet recht.- Tuin nog niet ontworpen- Betonwerk is niet gewenst.- Geen ruimte beschikbaar voor vloeropstelling |
| Staande console | - De vloer is niet recht.- Minder werk dan een strokenfundering- Hoogte van het terrein nog niet duidelijk |
7.2.1 Strokenfundering of randstenen
Het toestel kan rechtstreeks op een strokenfundering of randstenen worden gemonteerd of aanvullend op een vloerconsole.
▶ Neem bij installatie met een vloerconsole ook het hoofdstuk Vloerconsole AHP-GC.1 [▶ 16] in acht.
Als de hydraulische toevoerleidingen direct onder het toestel uit de grond komen, moet u letten op de plaatsing van de toevoerleidingen zodat de aansluiting mogelijk is. Als er geen condensaatbak wordt gebruikt, raden we de positionering B aan zodat het condensaat niet op de aansluitkabel druppelt.
▶ Raadpleeg voor de hydraulische aansluiting naar onderen ook het hoofdstuk Optioneel: hydraulische aansluiting (naar onderen) [▶ 17].

A Hydraulische aansluitingen met condensaatbak
B Hydraulische aansluitingen zonder condensaatbak
Strokenfundering of randstenen met condensaatbak

1 Verwarming aanvoer 2 Verwarming retour
3 Strokenfundering (boordsteen) 4 Steenslag
5 Condensaatafvoerbuis 6 Kiezelbed
A 300
Plaats de strokenfundering of de randstenen op gelijke hoogte met de grond of iets hoger.
▶ Plaats de condensaatafvoerbuis.
▶ Vul het gebied onder het toestel met grind en steenslag.
▶ Optioneel kunt u de poten met de afdekking AHP-CB.1 / AHP-CW.1 bekleden (zie hoofdstuk Optioneel toebehoren [▶ 6]).
Strokenfundering of randstenen zonder condensaatbak

1 Steenslag 2 Drainagebuis
Onder het toestel moet een vrije ruimte (300 mm) worden aangehouden, zodat het condensaat ongehinderd kan wegdruppelen en bevriezend condensaat geen schade aan het toestel kan veroorzaken.
Plaats de strokenfunderingen of randstenen op de aangegeven hoogte.
▶ Vul het gebied onder het toestel met grind en steenslag.
▶ Optioneel kunt u de poten met de afdekking AHP-CB.1 / AHP-CW.1 bekleden (zie hoofdstuk Optioneel toebehoren [▶ 6]).
Beveilig het toestel tegen omvallen
Om het toestel extra te beveiligen tegen omkantelen, kan het op de fundering worden geschroefd.

Plaats de meegeleverde boorsjabloon op de fundering. De boorsjabloon maakt deel uit van de verpakking en beschermt het deksel van het toestel tijdens transport.
▶ Markeer de boorgaten op de fundering.
▶ Boor de gaten.
Met draadeinde

Lijm draadeinden in de gaten zodat ze 25-30 mm uitsteken.

Plaats het toestel op de fundering met de voeten voor de draadeinden.

▶ Schuif het toestel naar achteren zodat de uitsparingen in de poten om het draadeinde grijpen.

Plaats een onderlegring en een moer op het draadeinde.
Draai de moeren vast.
Met schroef

▶ Steek passende pluggen in de boorgaten.
▶ Schroef geschikte schroeven in de pluggen zodat ze >15 mm uitsteken.

Plaats het toestel op de fundering met de poten voor de schroeven.

▶ Schuif het toestel naar achteren zodat de uitsparingen in de poten rond de schroeven grijpen.

Plaats de onderlegringen met gleuf over de poten op de schroeven.
▶ Haal de schroeven aan.
7.2.2 Vloerconsole AHP-GC.1

▶ Neem de installatiehandleiding van de console in acht.
▶ Optioneel kunt u de console afdekken met een bekledingsset (zie hoofdstuk Optioneel toebehoren [▶ 6]).
7.2.3 Dempingssokkel AHP-DS 0.8

VOORZICHTIG: Vrij druppelend condenswater kan op een verhard oppervlak bij temperaturen onder het vriespunt bevriezen en een valgevaar vormen. Installeer een condensbak.
Als u het toestel op een vaste ondergrond monteert, raden we aan om het op onze dempingssokkels te monteren (zie hoofdstuk Optioneel toebehoren [▶ 6]). De dempingssokkels verminderen de overdracht van trillingen naar de ondergrond.
▶ Neem de installatiehandleiding van de dempingssokkel in acht.
7.2.4 Montage op platdak
Let vooral bij installatie op een plat dak op de informatie over de keuze van de montageplaats met betrekking tot de hoofdwindrichting en de bescherming van de achterkant van het toestel (zie hoofdstuk Montageplaats [▶ 7]).
Installatievariant Aanvraag
| Hydraulische aansluiting naar achteren | Geen speciale vereisten |
| Hydraulische aansluiting naar onderen | - Minstens 200 mm onder het toestel moet vrij zijn (kan bijv. worden gerealiseerd met AHP-GC.1 (zie hoofdstuk Optioneel toebehoren [▶ 6]) of door middel van een ter plaatse aange-brachte verhoging) |
Installatievariant Aanvraag
| - Accessoires voor de aan-sluiting naar onderen AHP-FH 25-0.4 / AHP-FW 25-0.4 (zie hoofdstuk Opti-oneel toebehoren [▶ 6]) |
Als u het toestel op een plat dak monteert, raden we aan om het op onze dempingssokkels te monteren (zie hoofdstuk Optioneel toebehoren [▶ 6]). De dempingssokkels verminderen de geluidsoverdracht naar het gebouw.
Om de trillingsoverdracht naar het gebouw verder te verminderen, kunt u indien nodig extra betonplaten onder het toestel plaatsen. Betonnen platen zijn vereist voor windsnelheden > 25 m/s.
| Windsnel-heid [m/s] | Mogelijke montagevarianten |
| < 25 | - Toestel op dempingssokkels- Toestel op dempingssokkels en betonplaten |
| < 30 | - Toestel op dempingssokkels en betonplaten |
▶ Neem de installatiehandleiding van de dempingssokkel in acht.
7.2.5 Wandconsole AHP-WM.1
Als u het toestel op onze wandconsole monteert, kunt u de afstand tot de achterkant verkleinen tot 200 mm.
Om storingen door geluidsoverdracht te vermijden, installeert u de wandconsole niet op de buitenwanden van woon- of slaapkamers.
Monteer de wandconsole bijvoorbeeld op een garagemuur.

Houd rekening met de maximale belasting van de gebruikte console.
▶ Neem de installatiehandleiding van de console in acht.
▶ Optioneel kunt u ook de hydraulische aansluitingen afdekken (zie hoofdstuk Optioneel toebehoren [▶ 6]).
▶ Optioneel kunt u de console afdekken met een bekledingsset (zie hoofdstuk Optioneel toebehoren [▶ 6]).
7.2.6 Staande console AHP-SC.1

Houd rekening met de maximale belasting van de gebruikte console.
▶ Neem de installatiehandleiding van de console in acht.
7.3 Buffervaten
| Voorwaarde Maatregelen | |
| - Oppervlakteverwarming beschikbaar | Als de minimale volumestroom (zie hoofdstuk Minimale volumestroom verzekeren [▶ 25]) kan worden aangehouden, hoeft u niets te doen. |
| - Radiatoren beschikbaar | Installeer een buffervat in het verwarmingssysteem. Het buffervat is bestemd voor de hydraulische ontkoppeling van debieten in het warmtepompen verwarmingscircuit, en als energiebron voor ontdooiing. |
| - Geen buffervat nodig. | Neem voor de werking zonder buffervat de gegevens in hoofdstuk Minimale volumestroom verzekeren [▶ 25] in acht. |
Koelwerking
| Voorwaarde Maatregelen | |
| - Koelmodus via oppervlakteverwarming | Verhoog het vermogen van de circulatiepomp. |
| - Koeling via ventilatorconvectoren | Installeer een diffusiedicht geïsoleerde buffervat. |
| - Binnenmodule zie hoofdstuk (Noodzakelijk toebehoren [▶ 6]) geïnstalleerd in het verwarmingssysteem. |
7.4 Optioneel: hydraulische aansluiting (naar onderen)
Het toestel wordt af fabriek geleverd met een hydraulische aansluiting naar achteren. De hydraulische aansluiting kan echter ook worden omgebouwd zodat deze naar onderen uit het toestel loopt.
Gebruik de ombouwset die verkrijgbaar is als accessoire voor de hydraulische aansluiting naar onderen (zie hoofdstuk Optioneel toebehoren [▶ 6]).
Als de hydraulische aansluiting naar onderen wordt geleid, moet er minstens 200 mm vrije ruimte onder het toestel zijn voor de installatie.
▶ Creëer de vereiste vrije ruimte onder het toestel met behulp van een console die verkrijgbaar is als accessoire (bijv. AHP-GC.1 (zie hoofdstuk Optioneel toebehoren [▶ 6])) of door het toestel ter plaatse verhogen.
▶ Volg de montagevoorschriften voor de hydraulische aan-sluiting naar onderen.
7.5 Verwarmingscircuit installeren
Zuurstofdiffusie verwarmingscircuit
Wanneer er zuurstof in het verwarmingssysteem terechtkomt, kunnen de stalen delen corroderen, bijv. de warmtewisselaar van de warmwaterboiler of het buffervat. Corrosieproducten (bijv. roestslib) kunnen neerslaan in de componenten van het verwarmingssysteem. Hierdoor kan de kabeldiameter smaller worden, wat kan leiden tot vermogensverlies of uitschakelingen door storingen.
Gebruik zuurstofdiffusiedichte leidingen en slangen (bijv. meerlagenleidingen).
Wanneer u een open verwarmingssysteem hebt, scheidt u het verwarmingssysteem tussen het verwarmingscircuit en het buffervat. Gebruik daarvoor bijv. een plaatwarmtewisselaar.
Als de druk onvoldoende is, kan er zuurstof in het verwarmingssysteem komen. Zorg ervoor dat het verwarmingssysteem op druk wordt gebracht met behulp van een geschikt ontworpen membraanexpansievat (MAG). Zorg ervoor dat de voordruk van het membraanexpansievat en de vuldruk van het verwarmingssysteem op elkaar zijn afgestemd.
Verwarmingscircuit installeren
LET OP

Materièle schade
Als de dauwpunttemperatuur niet bereikt wordt, kan in het koelbedrijf condensaat gevormd worden.
Gebruik voor dauwpuntbewaking de afstandsbediening FET in de referentieruimte.
▶ Voorzie alle verdeelleidingen in het gebouw van dampdiffusiedichte isolatie.
√ Het verwarmingssysteem waarop het toestel wordt aangesloten, is door een installateur geïnstalleerd in overeenstemming met de installatieschema's in de planningsdocumenten.
Let bij het dimensioneren van het verwarmingscircuit op het interne drukverschil (zie hoofdstuk Gegevenstabel [▶ 62]).
Plaats de leidingen voor het verwarmingscircuit.
LET OP: Vreemde voorwerpen, zoals laskorrels, roest of dichtingsmateriaal belemmeren de goede werking van het toestel. Spoel het leidingsysteem grondig.
▶ Sluit de warmtepomp aan op de verwarmingszijde (zie hoofdstuk Afmetingen en aansluitingen [▶ 32]). Let op de dichtheid.
De dichtheidscontrole van de verwarmingsinstallatie met gas is niet mogelijk vanwege de geïntegreerde automatische ontluchter in het toestel.
▶ Gebruik water voor de dichtheidscontrole.
Let op de juiste aansluiting van de cv-aanvoer en -retour.
▶ Bescherm de aanvoer- en retourleiding tegen vorst door ze voldoende te isoleren. De isolatie moet ten minste dubbel zo dik zijn als de leidingdoorsnede. Voer de isolatie uit overeenkomstig de geldende voorschriften.
7.5.1 Veiligheidsconcept
Veiligheidsventiel
WAARSCHUWING

Lekkage van brandbaar koudemiddel
In het toestel is een veiligheidsventiel ingebouwd. Bij een storing kan koudemiddel via het veiligheidsventiel ontsnappen. Een defect veiligheidsventiel leidt tot drukverlies in het verwarmingssysteem.
Als het veiligheidsventiel defect is, laat het dan vervangen door onze klantenservice.

In het toestel is een veiligheidsventiel ingebouwd. Als de openingsdruk wordt overschreden, opent het veiligheidsventiel. Het uittredende medium loopt via een gemonteerde slang in de condensbak.
Installeer in de rest van het verwarmingssysteem alleen veiligheidsventielen met een openingsdruk van 3 bar.
Cycloonafscheider

Bij een storing in de condensor scheidt de cycloonafscheider het koudemiddel van het cv-water, zodat er geen koudemiddel het gebouw binnenkomt. Het gasvormige koudemiddel ontsnapt via de ontluchter en het veiligheidsventiel.
7.6 Filtermodule installeren
▶ Installeer een filter in de retour van de warmtepomp (zie hoofdstuk Noodzakelijk toebehoren [▶ 6]).
7.7 Magnetiet- en slibafscheider installeren
Voor bestaande gebouwen raden we aan om een magnetiet- en slibafscheider in te bouwen in de retour van de warmtepomp in een bestaand verwarmingssysteem.
Onder de volgende omstandigheden kunt u afzien van de in-bouw van een magnetiet- en slibafscheider:
- Het verwarmingssysteem werd doorgespoeld
- Het verwarmingswater voldoet aan de specificaties
- Zuurstof komt niet in het verdeelsysteem (bijv. door diffusieopen leidingen of onvoldoende druk)
Wanneer u een filter of magnetiet- en slibafscheider hebt geïnstalleerd, hoeft u verder niets te doen.
7.8 Externe tweede warmteopwekker
Bij bivalente systemen moet de tweede warmteopwekker (bijv. gasketel) worden ingekoppeld in de retour van de warmtepomp.
7.9 Veiligheidstemperatuurbegrenzer voor oppervlakteverwarming
LET OP: Wanneer de aanvoertemperatuur in de vloerverwarming bij een storing te hoog wordt, kan de vloerafwerking beschadigd raken. Installeer een veiligheidstemperatuurbegrenzer (STB) voor de begrenzing van de systeemtemperatuur.
7.10 Elektrische aansluiting
De verklaring van goedkeuring van de bevoegde energiemaatschappij moet beschikbaar zijn om het toestel te kunnen aansluiten.
Houd rekening met de handleiding van de warmtepomp-manager.
Lekstroom
De lekstroom van dit toestel kan > 3,5 mA zijn.
Aangezien het toestel op de huisinstallatie is aangesloten, worden bij een verschilstroommeting de lekstroom van het toestel en de foutstromen van de installatie samen geregistreerd.
Bereken het aandeel van de lekstroom van het toestel en de foutstromen aan de hand van het meetresultaat.
Let daarbij op de plaatselijke en toestelspecifieke omstandigheden die op de meetlocatie aanwezig zijn, alsmede eventuele isolatiefouten of andere invloedsfactoren.
7.10.1 Voorbereiden van de elektrische installatie
WAARSCHUWING

Elektrische schok
Het toestel bevat een frequentieomvormer (omvormer) die in het geval van een storing een lekstroom kan veroorzaken. Een lekstroom kan aardlekschakelaars van het type A blokkeren.
▶ Beveilig het toestel niet via de aardlekschakelaar van de huisinstallatie.
Dankzij het aardings- en omvormerconcept kunt u het toestel gebruiken zonder aardlekschakelaar (RCD).
In de volgende gevallen is het vereist om een aardlekschakelaar te gebruiken (type B (gevoelig voor alle stromen) of type F (gevoelig voor gemengde frequenties)). Raadpleeg indien nodig de netwerkbeheerder.
- afhankelijk van het type netwerk (bijv. TT-netwerken)
- door lokale technische voorwaarden voor netaansluiting
- om andere redenen
Raadpleeg de tabel om erachter te komen welke aardlekschakelaar (RCD) nodig is voor welk toestel.
| Type aardlek-schakelaar | Trekkergevoelig-heid[mA] | |
| WPL-A 05.2 Plus HK 230 | F 300 | |
| WPL-A 05.2 W Plus HK 230 | F 300 | |
| WPL-A 07.2 Plus HK 230 | F 300 | |
| WPL-A 07.2 W Plus HK 230 | F 300 | |
| WPL-A 10.2 Plus HK 230 | F 300 | |
| WPL-A 10.2 W Plus HK 230 | F 300 | |
| WPL-A 10.2 Plus HK 400 | B 300 | |
| WPL-A 10.2 W Plus HK 400 | B 300 | |
| WPL-A 13.2 Plus HK 400 | B 300 | |
| WPL-A 13.2 W Plus HK 400 | B 300 |
De elektrische gegevens vindt u in hoofdstuk Gegevenstabel [▶ 62].
Voor de BUS-kabel hebt u een starre elektriciteitskabel J-Y (St) 2x2x0,8 mm² nodig.
Aansluiting op het elektriciteitsnet is alleen als vaste aansluiting toegestaan.
Installeer een veiligheidsvoorziening, waarmee het toestel via een scheidingstraject van 3 mm van het stroomnet kan worden gescheiden. Veiligheidsvoorzieningen zijn bijv. schakelaars, stroomonderbrekers, zekeringen.
▶ Beveilig afzonderlijk de twee stroomkringen voor het toestel en de sturing.
▶ Neem de vereiste zekering over uit de gegevenstabel (zie hoofdstuk Gegevenstabel [▶ 62]).
Gebruik starre elektriciteitskabels met een doorsnede die geschikt is voor de zekering.
Vermogensreductie bij verminderde beveiliging van de compressor
U kunt sommige toestellen beschermen met een kleinere zekering.
Wanneer u voor de compressor de kleinere beveiliging kiest, dient u het maximale stroomverbruik te begrenzen.
Stel de parameter MAXIMALE STROOM in het menu INGE-BRUIKNAME / COMPRESSOR in. Houd rekening met de gegevens in de handleiding van de warmtepompmanager.
Toestel Mogelijk kleinere zekering
| WPL-A 05.2 Plus HK 230 10 A |
| WPL-A 05.2 W Plus HK 230 10 A |
| WPL-A 07.2 Plus HK 230 10 A |
| WPL-A 07.2 W Plus HK 230 10 A |
| WPL-A 10.2 Plus HK 230 16 A / 20 A |
| WPL-A 10.2 W Plus HK 230 16 A / 20 A |
Wanneer u een kleinere zekering kiest, wordt het vermogen bij de aangegeven omgevingsvoorwaarden gereduceerd. De vermogensreductie heeft vooral betrekking op de warmwaterbereiding.
▶ Raadpleeg de tabellen met de vermogensgegevens in hoofdstuk Vermogensreductie bij verminderde beveiliging van de compressor [▶ 55].
7.10.2 Aansluitgedeelte
WAARSCHUWING

Elektrische schok
Wanneer u werkzaamheden verricht aan het apparaat terwijl het nog onder spanning staat, kunt u een elektrische schok krijgen.
Nadat het toestel spanningsvrij is geschakeld, kan het toestel nog gedurende 5 minuten onder spanning staan, omdat de condensatoren op de inverter nog moeten ontladen.
Ontkoppel het apparaat van de spanningsvoorziening, voordat u eraan gaat werken.
▶ Schakel het toestel spanningsvrij door de zekeringen uit te schakelen.
De aansluitklemmen zitten op het aansluitpaneel in het toestel.
▶ Let op het hoofdstukoorbereiden van de elektrische installatie [▶ 19].
Gebruik voor de aansluitingen elektriciteitskabels die voldoen aan de voorschriften.
Toegang tot het aansluitgedeelte

Draai de twee schroeven los en verwijder ze.

▶ Trek de afdekking naar achteren af.
7.10.3 Aansluitbezetting
▶ Isoleer de draden van de elektriciteitskabels 10-11 mm.
U kunt het toestel aansluiten met één elektrische kabel (voor de compressor) of met twee elektrische kabels (voor de compressor en de besturing).
Het toestel is in de fabriek geconfigureerd voor aansluiting met slechts één elektrische kabel. Als de aansluiting met een aparte voeding voor de geïntegreerde warmtepompregeling (IWS) vereist is, moeten de twee vooraf geïnstalleerde bruggen verwijderd worden. Dit is nodig als de stroomtoevoer naar de omvormer regelmatig wordt onderbroken (bijvoorbeeld door specificaties van de energieleverancier). De interne regeling van de warmtepomp moet permanent bekrachtigd zijn.
Gebruik voor een elektrische aansluiting met twee elektrische kabels de meegeleverde plug met een gat voor de kabeldoorvoer.
▶ Verwijder de bruggen als u het toestel aansluit met twee elektrische kabels.
De volgende aansluitopties zijn beschikbaar in combinatie met relais van de energiemaatschappij en signalen van de energie-maatschappij.
Situatie Aansluitmogelijkheid
- Het toestel wordt aange- stuurd via een signaal van de energiemaatschappij.
Een elektrische kabel
- Het toestel wordt aangestuurd via een signaal van de energiemaatschappij.
Twee elektrische kabels
- Het toestel is aangesloten op een relais van de energiemaatschappij.
XD01 Compressor (WP)
L, N, PE
XD01 Compressor (WP)
L1, L2, L3, N, PE
XD03 Stuurspanning (best.)
L, N, PE Netaansluiting
XD05 Beveiligingslaagspanning (BUS)
BUS High H
BUS Low L
BUS Massa ⊥
BUS + wordt niet aangesloten
XD06 Verwarmingslint (verw.Lint)
L, N, PE Uitgang
XD16 Ontdooibak-verwarming
L, N, PE Uitgang
Aansluiting 1-fasige toestellen

D0000115460
B

B
Aansluiting met twee elektrische kabels
A Aansluiting met een elektrische kabel
▶ Sluit het toestel aan op het stroomnet.
Aard de buskabel door de afscherming over de buitenmantel te stulpen en vervolgens vast te zetten onder de aardingsklem.
Aard de buskabel bij het toestel of bij een van onze binnen-modules.
WAARSCHUWING: Te vast aangehaalde trekontlastingen kunnen kortsluiting veroorzaken. Draai de trekontlasting niet volledig aan. Controleer de goede werking van de trekontlastingen.
Aansluiting 3-fasige toestellen

A Aansluiting met een elektrische kabel
B Aansluiting met twee elektrische kabels
▶ Sluit het toestel aan op het stroomnet.
Aard de buskabel door de afscherming over de buitenmantel te stulpen en vervolgens vast te zetten onder de aardingsklem.
Aard de buskabel bij het toestel of bij een van onze binnen-modules.
WAARSCHUWING: Te vast aangehaalde trekontlastingen kunnen kortsluiting veroorzaken. Draai de trekontlasting niet volledig aan. Controleer de goede werking van de trekontlastingen.
7.10.4 Aansluitpaneel sluiten


▶ Bevestig de afdekking met de beide schroeven.
Sluit de volgende componenten in overeenstemming met de planningsdocumenten aan op de warmtepompmanager:
- Circulatiepomp voor de warmteafgiftezijde
- Buitentemperatuursensor
- Retoursensor (alleen in combinatie met buffervat)
√ In het toestel is een condensaatbak geïnstalleerd.
√ Het condensaat wordt uit de condensaatbak afgevoerd via een geïnstalleerde leiding (bijv. DN 50).
Als de leiding sterk is blootgesteld aan weersinvloeden of niet vorstvrij is geplaatst, installeer dan een verwarmingslint.
▶ Neem de installatiehandleiding van het verwarmingslint in acht.
7.11 Verwarmingssysteem
Het verwarmingssysteem wordt gevuld met drinkwater. Neem de volgende grenswaarden in acht, zodat het verwarmingssysteem niet beschadigd raakt.
| Eenheid Waarde | ||
| Waterhardheid ° dH ≤ 3 | ||
| pH-waarde 6,5-8,5 | ||
| Chloride* mg/l < 50 | ||
* Als u kunt garanderen dat er geen zuurstof in het verwarmingsverdeelsysteem wordt gebracht, hoeft de voorgeschreven chloridewaarde niet aangehouden te worden.
De waarden (waterhardheid, pH- en chloridewaarde) kunt u met in de handel verkrijgbare meetmiddelen meten of bij de verantwoordelijke watermaatschappij opvragen.
▶ Let op de lokale vereisten (bijv. VDI 2035 in Duitsland).
Wij adviseren om het vulwater niet te ontzouten, omdat hierdoor de pH-waarde kan worden aangetast.
Wanneer u het vulwater ontzout, of de pH-waarde ligt onder 8,2, controleer dan de pH-waarde 8-12 weken na de installatie, na elke bijvulling en bij het volgende onderhoud.
Leng het vulwater niet aan met inhibitoren en additieven.
Toebehoren voor de waterontharding
Wanneer u het vulwater moet ontharden, kunt u het volgende product gebruiken:
- Onthardingsarmatuur HZEA
- Reservepatroon HZEN
Controleer deze grenswaarden 8 - 12 weken na de ingebruikname, telkens na het bijvullen evenals tijdens het jaarlijkse onderhoud van de installatie.
Toestel in gebouwen die weinig worden bewoond
In de normale werking zijn de aansluitleidingen en de installatie beschermd door de bevriezingsbescherming van het toestel.
Wanneer het toestel gedurende een langere periode van de stroomvoorziening is ontkoppeld (buitendienststelling, langdurige stroomuitval), moet u het toestel aan de waterzijde aftappen. Anders is het toestel niet beschermd tegen vorst.
Wanneer bij installaties een stroomonderbreking niet kan worden herkend (bijv. bij langere afwezigheid in een vakantiewoning), kunt u de volgende veiligheidsmaatregel nemen:
Leng het vulwater aan met ethyleenglycol in de geschikte concentratie(20-40-vol.%). Let op de gegevens op het antivriesmiddel. Gebruik uitsluitend door ons toegelaten antivriesmiddelen.
Houd er rekening mee dat antivriesmiddelen de densiteit en de viscositeit van het vulwater wijzigen en de volumestroom verminderen.
▶ Verhoog het pompvermogen.
Vrijgegeven antivriesmiddelen:
Productbena- ming
| MEG 10 Warmtedragervloeistof als concentraat op basis van ethyleenglycol |
| MEG 30 Warmtedragervloeistof als concentraat op basis van ethyleenglycol |
7.11.1 Verwarmingsinstallatie vullen
LET OP: Restanten glycol in de slangen kunnen het verwarmingswater verzuren. Dit kan leiden tot corrosie en storingen. Gebruik aparte slangen voor glycol en verwarmingswater.
Het verwarmingssysteem is op verschillende manieren te vullen. Na de elektrische aansluiting:

Is het verwarmingssysteem voorzien van een binnenmodule met multifunctionele groep (MFG)? Zet dan, nadat de stroomvoorziening tot stand is gebracht, de 3-weg-omschakelklep op de middelste stand.
▶ Raadpleeg de handleiding van de binnenmodule.
- Vullen na succesvolle stroomvoorziening (zie hoofdstuk Vul- len na succesvolle stroomvoorziening [▶ 22])
- Cascade vullen na de elektrische aansluiting (zie hoofdstuk Cascade vullen na elektrische aansluiting [▶ 24])
Voor de elektrische aansluiting:
- Vullen met tijdelijk aangesloten stuurspanning (zie hoofdstuk Vullen met tijdelijk aangesloten stuurspanning [▶ 23])
-
Vullen vóór de elektrische aansluiting (zie hoofdstuk Vullen vóór de elektrische aansluiting [▶ 23])
-
Cascade vullen met tijdelijk aangesloten stuurspanning (zie hoofdstuk Cascade vullen met tijdelijk aangesloten stuurspanning [▶ 24])
- Cascade vullen vóór de elektrische aansluiting (zie hoofdstuk Cascade vullen vóór de elektrische aansluiting [▶ 24])
Het water stroomt altijd in de doorlaatrichting. Dus het systeem kan dus alleen in deze richting worden gevuld.
We raden aan eerst de elektrische aansluiting te voltooien en daarna het verwarmingssysteem te vullen (zie hoofdstuk Elektrische aansluiting [▶ 18]). Als u het verwarmingssysteem na de elektrische aansluiting vult, dan kan de interne afsluitklep geopend worden via de warmtepompmanager WPM.
Als u het verwarmingssysteem vóór de elektrische aansluiting vult, dan kan het toestel niet doorstromen. De lucht in het toestel ontsnapt via de automatische ontluchter, maar alleen in de retourleiding en tot aan de interne afsluitklep. De aanvoerleiding kan niet worden gevuld. Er is een elektrische aansluiting nodig om het vulproces te voltooien. Als alternatief kunt u een handontluchter rechtstreeks op het toestel in de aanvoer van de warmtepomp installeren.

7.11.1.1 Vullen na succesvolle stroomvoorziening
Wanneer het toestel wordt aangesloten op het elektriciteitsnet en dus van stroom wordt voorzien, dan wordt de interne afsluit-klep geopend.
Start de vulmodus via de warmtepompmanager (INGE-BRUIKNAME / RESTTIJD). Anders sluit de interne afsluitklep weer zodra er gasbellen in het verwarmingssysteem worden gedetecteerd.
⇒ Als u de vulmodus niet handmatig beeindigt, blijft de warmtepompmanager 60 minuten lang in de vulmodus.
Beëindig de vulmodus via de warmtepompmanager wanneer het verwarmingssysteem gevuld en ontlucht is.
▶ Controleer na het vullen van de verwarmingsinstallatie de aansluitingen op dichtheid.
Als het vulproces langer dan 60 minuten in beslag neemt, schakel het toestel dan na afloop van de tijd kort uit. Wanneer het toestel weer van stroom wordt voorzien, kunt u de vulmodus opnieuw opstarten en doorgaan met het vullen van het verwarmingssysteem.
7.11.1.2 Vullen met tijdelijk aangesloten stuurspanning
WAARSCHUWING

Elektrische schok
De startknop van de vulmodus bevindt zich op een printplaat. De printplaat staat bij aangesloten stuurspanning onder spanning. Er is geen adequate bescherming tegen elektrische schokken op de printplaat.
▶ Gebruik geïsoleerd gereedschap.
Draag beschermende kleding (bijv. geïsoleerde beschermende handschoenen).
De in dit hoofdstuk beschreven werkzaamheden mogen alleen worden uitgevoerd door gekwalificeerde elektriciens.
Het systeem kan ook worden gevuld als de stuurspanning kortstondig alleen op het toestel wordt gezet.

Sluit 230 V aan op de klem voor de stuurspanning (zie hoofdstuk Aansluitbezetting [▶ 20]). Leg hiervoor bijvoorbeeld tijdelijk een aparte kabel aan naar een geaard stopcontact.
▶ Open het toestel (zie hoofdstuftoringen verhelpen (installateur) [▶ 28]).
⇒ Als de groene led permanent blijft branden, is het veiligheidsbord (EBPE) bedrijfsklaar.

Druk ca. 5-10 seconden op de knop. Houd de knop niet langer dan 10 seconden ingedrukt, omdat anders de instellingen gewist kunnen worden, wat de latere ingebruikname bemoeilijkt.
▶ Laat de knop los.
⇒ De gele led blijf permanent branden.
⇒ De interne afsluitklep staat 60 minuten open.
▶ Vul en spoel het verwarmingssysteem.
Als het vulproces langer dan 60 minuten in beslag neemt, schakel het toestel dan kort uit. Wanneer het toestel weer van stroom wordt voorzien en de groene led blijft permanent branden, dan kunt u door op de knop te drukken (5-10 sec.) de vulmodus opnieuw starten (zie hierboven) en doorgaan met het vullen van het verwarmingssysteem.
De gele led knippert 5× kort
▶ Onderbreek de stroomvoorziening.
Herstel de stroomvoorziening weer.
Wacht even tot de groene led continu brandt. Houd de knop opnieuw 5-10 seconden ingedrukt. Houd de knop niet langer dan 10 seconden ingedrukt, omdat anders de instellingen gewist kunnen worden, wat de latere ingebruikname bemoeilijkt.
▶ Laat de knop los.
⇒ De gele led blijf permanent branden.
⇒ De interne afsluitklep staat 60 minuten open.
▶ Vul en spoel het verwarmingssysteem.
Als het vulproces langer dan 60 minuten in beslag neemt, schakel het toestel dan kort uit. Wanneer het toestel weer van stroom wordt voorzien en de groene led blijft permanent branden, dan kunt u door op de knop te drukken (5-10 sec.) de vulmodus opnieuw starten (zie hierboven) en doorgaan met het vullen van het verwarmingssysteem.
7.11.1.3 Vullen vóór de elektrische aansluiting
Er is een elektrische aansluiting nodig om het vulproces te vol- tooien.
Het toestel heeft een interne afsluitklep die in spanningsloze toestand gesloten wordt. Als de interne afsluiter gesloten is, wordt alleen de CV-retour gevuld, zodat de lucht in het toestel kan ontsnappen. Wanneer er in een gebouw gevuld wordt, kan de lucht in de CV-aanvoer niet ontsnappen. Wij raden aan een automatische ontluchter of aftapkraan te installeren in de aan-voerbuis van het toestel, bij voorkeur zo dicht mogelijk bij het toestel.
Verwarmingssysteem met binnenmodule
▶ Installeer een handontluchter op een geschikte locatie.
▶ Vul het verwarmingssysteem via de binnenmodule tot de gewenste systeemdruk wordt bereikt.
Ontlucht het verwarmingsdistributiesysteem via de ontluchtingskleppen in de leidingen en via de binnenmodule.
▶ Vul de pijpleiding tussen de binnenmodule en het toestel.
Als u een ontluchtingsventiel in de aanvoerleiding van de warmtepomp hebt geïnstalleerd, moet u deze leiding ontluchten.
→ De aanwezige lucht kan via de afscheider ontsnappen.
▶ Sluit de ontluchtingskleppen.
Het vul- en spoelproces kan niet volledig worden voltooid omdat de interne afsluitklep gesloten is. De definitieve vulling is pas mogelijk nadat de elektrische aansluiting tot stand is gebracht.
▶ Sluit het toestel elektrisch aan (zie hoofdstuElektrische aansluiting [▶ 18]).
▶ Voer de stappen uit zoals beschreven in hoofdstukullen na succesvolle stroomvoorziening [▶ 22].
Verwarmingssysteem zonder binnenmodule
▶ Controleer na het vullen van de verwarmingsinstallatie de aansluitingen op dichtheid.
7.11.1.4 Cascade vullen na elektrische aansluiting
Wilt u een warmtepompcascade in gebruik nemen? Raadpleeg dan het document "Installatiehandleiding warmtepompcascade met WPM". Het document vindt u in de downloadzone van de WPM op onze internetpagina.
▶ Vul het verwarmingssysteem via de aanvoerleiding (e01) of vanuit de buffervat.
7.11.1.5 Cascade vullen met tijdelijk aangesloten stuurspanning
De warmtepompcascade kan met een tijdelijk aangesloten stuurspanning worden gevuld.
Na het vullen moeten de interne warmtepompregeling (IWS) en het veiligheidsbord (EBPE) worden gereset en opnieuw worden geïntitialiseerd. Alle apparaten in de cascade moeten van het lichtnet worden losgekoppeld en vervolgens weer worden aangesloten. Anders werkt de communicatie tussen de warmtepompmanager en de warmtepompen in de cascade niet correct.
▶ Raadpleeg de handleiding van de warmtepompmanager voor instructies over het resetten en initialiseren.
Wilt u een warmtepompcascade in gebruik nemen? Raadpleeg dan het document "Installatiehandleiding warmtepompcascade met WPM". Het document vindt u in de downloadzone van de WPM op onze internetpagina.
7.11.1.6 Cascade vullen vóór de elektrische aansluiting
Wilt u een warmtepompcascade in gebruik nemen? Raadpleeg dan het document "Installatiehandleiding warmtepompcascade met WPM". Het document vindt u in de downloadzone van de WPM op onze internetpagina.
Het verwarmingssysteem vullen vanuit het buffervat
Installeer een handontluchter of een aftapping in de aanvoerleiding van de warmtepomp (e01). Zorg ervoor dat de aftapping beveiligd is tegen vorst.
▶ Vul het verwarmingssysteem.
Ontlucht het verwarmingsdistributiesysteem via de handontluchters in het leidingwerk of via de aftapping.
▶ Sluit de handluchter of de aftapping.
Het vul- en spoelproces kan niet volledig worden voltooid omdat de interne afsluitklep gesloten is. De definitieve vulling is pas mogelijk nadat de elektrische aansluiting tot stand is gebracht.
▶ Sluit het toestel elektrisch aan (zie hoofdstukElektrische aansluiting [▶ 18]).
▶ Voer de stappen uit zoals beschreven in hoofdstukkullen na succesvolle stroomvoorziening [▶ 22].
Vul het verwarmingssysteem afzonderlijk via elke warmtepomp
Als de circulatiepomp zich in de aanvoerleiding van de warmtepompen (d01) bevindt, installeer dan een ontluchtingsventiel op een geschikte locatie. Dit zorgt ervoor dat de circulatiepomp een watervoorraad heeft en niet droogloopt.
7.11.2 Verwarmingsinstallatie ontluchten
WAARSCHUWING: Als er koudemiddel via een lek in het verwarmingscircuit terecht is gekomen, kan er een ontvlambare atmosfeer ontstaan bij ontluchting via een automatische ontluchter. Gebruik indien mogelijk geen automatische luchtroosters in het verwarmingssysteem.
Als automatische ontluchtingskleppen nodig zijn om het verwarmingssysteem te ontluchten, moeten de automatische ventilatieopeningen worden gesloten en beveiligd tegen openen. Het toestel wordt geleverd met instructies dat de automatische ontluchtingskleppen altijd gesloten moeten zijn.
Bevestig de bijgevoegde waarschuwingsborden op de automatische ontluchtingskleppen.
Het automatische ontluchtingsventiel is af fabriek geopend. De verwarmingsinstallatie wordt automatisch ontlucht. Het ontluchtingsventiel mag en kan niet worden gesloten.
7.11.3 Kwaliteitscontrole verwarmingswater
▶ Controleer het verwarmingswater.
▶ Verwijder een beetje verwarmingswater.
Bezinksel
▶ Controleer de kleur van het verwarmingswater.
▶ Reinig het verwarmingssysteem als het verwarmingswater bezinkbare stoffen bevat.
Magnetiet
▶ Controleer het verwarmingswater met behulp van een magneetstaafje op magnetiet (ijzeroxide).
▶ Reinig het verwarmingssysteem als het magnetiet bevat. Installeer een magnetiet- en slibafscheider.
pH-waarde
▶ Controleer de pH-waarde van het verwarmingswater.
Reinig het verwarmingssysteem bij een pH-waarde < 6,5 of > 8,5. Bereid het verwarmingswater voor. Zorg ervoor dat het verwarmingswater vrij is van zuurstof.
8 Ingebruikname (installateur)
Voor de werking van het toestel is de warmtepompmanager WPM noodzakelijk. Alle vereiste instellingen voor en tijdens de werking worden uitgevoerd aan de warmtepompmanager.
De ingebruikname moet overeenkomstig deze handleiding en de handleidingen van alle bij de warmtepompinstallatie behorende componenten plaatsvinden.
Voor de ingebruikname kunt u een beroep doen op onze klantenservice (tegen betaling).
Als u dit toestel commercieel gebruikt, dient u voor de ingebruikname rekening te houden met de voorschriften van de bedrijfsveiligheidsverordening. Meer informatie hieromtrent vindt u bij de bevoegde toezichthoudende instantie (bijv. TÜV).
8.1 Controle voor ingebruikname
▶ Controleer de volgende punten voor de ingebruikname.
8.1.1 Veiligheidszone
- Hebt u de veiligheidszone in acht genomen bij het installeren van het toestel?
8.1.2 condensaatafvoerleiding
Let op of het condensaat wordt afgevoerd naar de binnenkant van het gebouw of naar het huishoudelijk afvalwater.
- Hebt u een kogelsifon geïnstalleerd?
8.1.3 Verwarmingssysteem
- Heeft u de verwarmingsinstallatie met de juiste druk gevuld?
8.1.4 Ontluchter
- Hebt u eventuele automatische ontluchters gesloten?
8.1.5 Temperatuursensor
- Heeft u de voelers correct aangesloten en geplaatst?
8.1.6 Netaansluiting
- Heeft u de netaansluiting vakkundig uitgevoerd?
8.2 Gebruik met een externe tweede warmteopwekker
Het toestel kan ook samen met een tweede warmtegenerator worden gebruikt.
Maak de juiste instellingen in de warmtepompmanager. Houd rekening met de handleiding van de warmtepompmanager.
8.3 Minimale volumestroom verzekeren
Voor een probleemloze werking van de warmtepomp is het belangrijk dat de benodigde volumestroom voor het ontdooien altijd beschikbaar is. Afhankelijk van het verwarmingsdistributiesysteem moet de bedrijfsvolumestroom worden bepaald en moeten de componenten dienovereenkomstig worden geselecteerd.
Ontwerp het leidingsysteem niet voor de minimale volumestroom, maar voor de systeemspecifieke bedrijfsvolume-stroom van elke bedrijfsmodus. Als de bedrijfsvolume-stroom niet beschikbaar is, gebruik dan de ontwerpvolume-stroom (zie hoofdstuk Gegevenstabel [▶ 62]).
Ontwerp het leidingsysteem zo dat de "Min. debiet ontdooing" altijd gegarandeerd is bij de warmtepomp (zie hoofdstuk Gegevenstabel [▶ 62]).
Bij zeer geringe verwarmingscircuittemperaturen kan het in uitzonderlijke gevallen voorkomen dat de elektrische nood-/bijverwarming tijdens het ontdooien wordt geactiveerd om de benodigde ontdooi-energie te leveren. Een elektrische nood-/bijverwarming bevindt zich in de binnenmodules of kan met de naverwarmingsmodule (zie hoofdstuk Noodzakelijk toebehoren [▶ 6]) in de warmtepompaanvoer worden geïnstalleerd. Om een storingvrije werking van de warmtepomp te garanderen, mag de elektrische nood-/bijverwarming niet worden losgekoppeld van de voeding.
8.3.1 Dimensionering van de verwarmingscircuits
Bij installaties met buffervat adviseren we dimensionering van de verwarmingscircuits te controleren om een efficiënte werking van de installatie te waarborgen.
Bij installatie zonders buffervat dient u de dimensionering van de verwarmingscircuits te controleren om een voldoende hoge volumestroom bij ontdooien te verzekeren en uitval door ontdooistoringen te vermijden.
Uit de dimensionering van de vloerverwarming resulteert het mogelijke debiet door de permanent geopende verwarmingscircuits.
Wanneer het debiet van de permanent geopende verwarmings-circuits lager is dan de "Min. debiet ontdooiing" van de warmtepomp, moet worden gecontroleerd of de beschikbare externe opvoerhoogte van de circulatiepomp voldoende is.
Controle opvoerhoogte
Δp _ UP* ≥ (V _ / V _ HKo) ^ 2 × (Δp _ VC + Δp _ V) + Δp _ WP
ΔpUP Externe transporthoogte van de circulatiepomp bij Vmin * Wanneer de circulatiepomp in een binnenmodule geïntegreerd is, vindt u de beschikbare externe opvoerhoogte in de technische gegevens van de binnenmodule.
Vmin Min. debiet ontdooiing
VHKo Dimensioneringsdebiet van de permanent geopende verwarmingscircuits
Δpvc Dimensioneringsdrukverlies van de permanent geopende verwarmingscircuits
Δpv Ontwerpdrukverlies vanaf en naar de vloerverdelers
ΔpWP Drukverlies van de warmtepomp bij Vmin
Bij warmtepompen met een geïntegreerde circulatiepomp wordt er geen rekening gehouden met het drukverlies van de warmtepomp ( ΔpWP ).
Wanneer de externe opvoerhoogte voor het "Min. debiet ont-dooiing" onvoldoende is, moeten dientengevolge andere verwarmingscircuits van de vloerverwarming permanent geopend worden.
8.3.2 Installatie met buffervat
Het systeemafhankelijke bedrijfsdebiet of tenminste het "Min. debiet ontdooiing" moet tussen de warmtepomp en het buffervat gewaarborgd zijn (zie hoofdstuk Gegevenstabel [▶ 62]). Het buffervat zorgt voor de hydraulische ontkoppeling van het verwarmingsverdeelsysteem van het warmtepompcircuit.
Geen verdere maatregelen vereist.
8.3.3 Installatie zonder buffervat
√ Het toestel werkt alleen met de warmtepompmanager WPM. Bij circulatiepompen wordt een pomp gebruikt die door een WPM wordt aangestuurd.
√ Het toestel wordt bediend met hydraulische module HM(S) (Trend) of combiboiler HSBB 180 (S) Plus zonder extra buffervat.
▶ Stel de circulatiepomp handmatig in.
Bij installaties zonder buffervat moeten één of meer verwarmingscircuits in de verwarmingsinstallatie open blijven. Het of de geopende verwarmingscircuit(s) moet(en) in de referentieruimte (ruimte waar het externe bedieningspaneel geïnstalleerd is, bijv. de woonkamer of badkamer) geïnstalleerd zijn. De kamerregeling van de referentieruimte kan dan met het externe bedieningspaneel of indirect door aanpassing van de verwarmingscurve of activering van de kamerinvloed worden uitgevoerd.
▶ Gebruik het toestel in de verwarmingswerking.
Neem onze aanbevelingen voor het ontwerp van de vloerverwarming in de referentieruimte in acht. De tabel is van toepassing, wanneer er een kamerregeling geïnstalleerd wordt.
| WPL-A 05.2Plus HK 230 | WPL-A 10.2Plus HK 230 | WPL-A 13.2Plus HK 400 | |
| WPL-A 05.2 WPlus HK 230 | WPL-A 10.2 WPlus HK 230 | WPL-A 13.2 WPlus HK 400 | |
| WPL-A 07.2Plus HK 230 | WPL-A 10.2Plus HK 400 | ||
| WPL-A 07.2 WPlus HK 230 | WPL-A 10.2 WPlus HK 400 |
Min. debiet ontdooiing van de warmtepomp
l/h 530 720 900
Minimale waterinhoud van de geopende verwarmingscircuits bij werking zonder buffervat
| 24 27 39
Composiet buizensysteem 16x2 mm / legafstand 10 cm
Oppervlakte referentieruimte [m²] 28 28 -
Aantal circuits 4 x 70 4 x 70 - [n × m]
Composiet buizensysteem 20x2,25 mm / legafstand 15 cm
Oppervlakte referentieruimte [m²] 21 32 32
Aantal circuits 2 x 70 3 x 70 3 x 70 [n × m]
Buffervat vereist
nee nee nee
Buffervatvolume m.b.t. productpallet
Geïntegreerde nood-/bijverwarming activeren
8.3.4 Minimumdebiet in koelmodus
Voor een storingvrije werking zonder buffervat moet het "Min. debiet koeling" worden aangehouden.
Wanneer het buffervat in koelwerking wordt omzeild, moet de controle van het "Min. debiet koeling" voor de koelmodus analog met de verwarmingsmodus gebeuren.
▶ Let op het hoofdstukstallatie zonder buffervat [▶ 25].
9 Instellingen
9.1 Gereduceerd nachtbedrijf (Stille modus)
Om het geluidsniveau van het toestel voor een bepaalde periode te verlagen, kunt u het toestel indien nodig in de nachtmodus zetten.
U kunt in de tijdprogramma's de tijden vastleggen waarop het toestel op nachtbedrijf wordt ingesteld.
| Programma | Betekenis |
| Silent-programma 1 | Gereduceerd nachtbedrijf |
| Silent-programma 2 | Toestel is uitgeschakeld |
Er zijn twee varianten beschikbaar voor nachtbedrijf.
| Variant | Betekenis |
| Variant 1: Gereduceerde nacht-werking | U kunt het maximale geluids-vermogensniveau (zie hoofdstuk Gegevenstabel [▶ 62]) van het toestel verlagen. |
| Variant 2: Uitgeschakeld appa-raat | U kunt het toestel uitschakelen. Als het toestel uitgeschakeld is, gebeuren het verwarmen en de warmwaterbereiding uitsluitend via de nood-/bijverwarming in de binnenmodule of via de apart verkrijgbare na-verwarmingsmodule (zie hoofdstuk Noodzakelijk toebehoren [▶ 6]). Als de nood-/bij-verwarming wordt ingeschakeld, ontstaan er hogere bedrijfskosten. |
Variant 1: Gereduceerde nachtwerking
▶ Open het menu in de warmtepompmanager.
- WPMsystem: INGEBRUIKNAME / STILLE MODUS / VERWAR-MEN + WARMWATER
Raadpleeg de tabellen om te zien welke invloed de vermindering heeft op het maximaal beschikbare vermogen (zie hoofdstuk Geluidsreductie [▶ 57]).
Verlaag het maximale geluidsvermogensniveau met de gewenste waarde.
▶ Open het menu in de warmtepompmanager.
- WPMsystem: PROGRAMMA'S / STIL PROGRAMMA 1
▶ Definieer in het tijdprogramma de tijd waarop het verkorte nachtprogramma actief is.
Variant 2: Uitgeschakeld apparaat
Als het toestel uitgeschakeld is, gebeuren het verwarmen en de warmwaterbereiding uitsluitend via de nood-/bijverwarming in de binnenmodule of via de apart verkrijgbare naverwarmings-module (zie hoofdstuk Noodzakelijk toebehoren [▶ 6]). Er ontstaan hogere bedrijfskosten.
▶ Open het menu in de warmtepompmanager.
- WPMsystem: INGEBRUIKNAME / STILLE MODUS / WARMTE-POMP UIT
Activeer de functie als het toestel moet worden uitgeschakeld en de nood-/bijverwarming of de naverwarmingsmodule het verwarmen, koelen en de warmwaterbereiding overneemt.
▶ Open het menu in de warmtepompmanager.
- WPMsystem: PROGRAMMA'S / STIL PROGRAMMA 2
Bepaal in het tijdprogramma wanneer het toestel is uitgeschakeld.
9.2 Buffervat instellen
Stel op de warmtepompmanager WPM in of het verwarmingssysteem wel of niet voorzien is van een buffervat.
Houd rekening met de ingebruiknamehandleiding van warmtepompmanager WPM.
9.3 Opwarmprogramma gebruiken
De warmtepompmanager WPM biedt u een opwarmprogramma waarmee u de dekvloer kunt verwarmen/drogen met een gedefinieerd temperatuurprofiel.
Houd rekening met de gegevens in de handleiding van de warmtepompmanager WPM.
10 Reiniging
Om te voorkomen dat insecten of kleine dieren zich in het toestel nestelen, moet u het bereik rond en onder het toestel schoonhouden.
Behuizing reinigen
LET OP: Om de componenten niet te beschadigen, mag u geen schurende reinigingsmiddelen of reinigingsmiddelen met oplosmiddelen gebruiken. Reinig de bekledingsonderdelen elke 2-3 maanden met een pH-neutral reinigingsmiddel en een zachte doek.
LET OP: Gebruik geen hogedrukreiniger om het toestel niet te beschadigen. Reinig de onderdelen van kunststof of plaatmateriaal met een vochtige doek.
Condensaatbak reinigen
√ In het toestel is een condensaatbak geïnstalleerd.
▶ Controleer de condensaatbak regelmatig (visuele inspectie).
▶ VOORZICHTIG: U kunt zich aan de scherpe lamellen van de verdamper verwonden. Draag veiligheidshandschoenen. Los vervuiling en verstoppingen onmiddellijk op.
Verdamperlamellen reinigen
LET OP: Wanneer de luchttoevoer en -afvoer van het toestel door nabijgelegen objecten worden gehinderd, kan dit leiden tot thermische kortsluiting. Houd de luchttoevoer- en -afvoeropeningen vrij van sneeuw en bladeren.
▶ Verwijder van tijd tot tijd bladeren en ander vuil van de ver-damperlamellen.
▶ VOORZICHTIG: U kunt zich aan de scherpe lamellen van de verdamper verwonden. Draag veiligheidshandschoenen. Reinig de verdamperlamellen met water en een zachte borstel.
Voor de retourleiding wordt een filterkogelkraan meegeleverd.
- Filtermodule FS-WP 22 (voor 22 mm buisdiameter)
- Filtermodule FS-WP 28 (voor 28 mm buisdiameter)


D0000124047
▶ Sluit de filterkogelkraan door deze 90° naar rechts te draaien.
▶ Schroef de sluitkap eraf.
Als het filterelement vuil is, moet er voor het terugspoelen een korte slang aangesloten worden.
Houd het vrije uiteinde van de slang in een emmer.
▶ Draai de filterkogelkraan 15° verder naar rechts.
▶ Draai de filterkogelkraan weer 15° terug.
▶ Controleer of de reiniging gelukt is. Herhaal eventueel het terugspoelen.
▶ Schroef de sluitkap er weer op.
▶ Open de filterkogelkraan door deze 90° naar links te draaien.
▶ Controleer de vuldruk van de installatie en corrigeer deze eventueel.
12 Storingen verhelpen
| Storing Mogelijke | oor-zaak | Oplossing |
| Geen warm water beschikbaar of de verwarming blijft koud. | Het toestel heeft geen spanning. | Controleer de zekeringen van de huis-installatie. Schakel de zekeringen evt. opnieuw in. Wanneer de zekeringen na het inschakelen opnieuw uitschakelen, informeer dan een installateur. |
| Eén of meer radiatoren blijven koud. | Er heeft zich lucht verzameld in de radiator. | De radiator moet ontlucht worden. Let op de gegevens in hoofdstuk Radiatoren ontluchten [▶ 28]. |
| Er komt water uit het toestel. | De condensaatbak kan verstopt zijn. | Reinig de condensaatbak zoals beschreven in hoofdstuk Reiniging [▶ 27]. |
| De verwarming wordt warm, maar de ruimten worden niet tot de gewenste temperatuur opgewarmd. | De energie-input in het verwarmings-systeem is te laag. | Verhoog de gevraagde waarden (bijv. gewenste kamertemperatuur, verwarmingscur-ve, ...). |
| Het gebouw is nieuwbouw en bevindt zich in de droogfase (droog wonen). | Verhoog de bivalentietemperatuur tot +5 °C.Na 1 tot 2 jaar kan de bivalentietemperatuur worden gere-set naar bijv. -3 °C. | |
| De druk in de verwarmingsinstallatie daalt. | Er druppelt water na uit het veiligheids-ventiel. | Controleer of er wa-ter uit de slang van het veiligheidsven-tiel loopt. Neem contact op met uw installateur. |
| Er verzamelt zich condensaat aan de buitenkant van het toestel. | Om het gebouw te verwarmen onttrekt de warmtepomp warmte aan de bui-tenlucht. Daardoor kan er dauw of rijp ontstaan op de afge-koelde behuizing van de warmtepompten gevolge van het condenserende vocht in de buiten-lucht. Dit is geen defect. | |
| De ventilator draait bij uitgeschakelde compressor. | Bij buitentempera-turen onder 5 °C wordt de ventilator bij stilstand van de compressor regel-matig met een heel laag toerental ge-start. Hiermee wordt vermeden dat de verdamper en de ventilator door afge-voerd water bevriezen of vastvriezen. Bij temperaturen boven het vriespunt wordt de tijd tussen twee ontdooicycli vergroot en zodoen-de de totale efficiën-tie verbeterd. | |
| Het toestel gene-reert ritmisch krassende, malende ge-luiden. | Aan het luchtroos-ter, aan de ventilatorschoepen of de luchtgeleiding heeft zich ijs afgezet. | Neem contact op met uw installateur (zie hoofdstuk Venti-latorlawaai [▶ 31]). |
Ook bij correct geïnstalleerde condensaatafvoer kan water van het toestel op de vloer druppelen.
Roep de hulp in van een installateur wanneer u de oorzaak zelf niet kunt verhelpen.
▶ Deel de installateur het nummer op het typeplaatje mee om beter en sneller te worden geholpen.
Het typeplaatje bevindt zich boven de hydraulische aansluiting aan de achterkant van het toestel.
Voorbeeld van het typeplaatje

1 Nummer op het type- plaatje
12.1 Radiatoren ontluchten
Als radiatoren of andere punten in het verwarmingssysteem ontlucht moeten worden, ga dan als volgt te werk.
▶ Open de meldingenlijst in de warmtepompmanager.
- WPMsystem: DIAGNOSE / ONDERHOUD
▶ Controleer of een van de volgende meldingen wordt weergegeven.
Meldingscode Oorzaak fout
| 10047 | Storing lage druk (LD) |
| 10048 | |
| 50047 | |
| 50048 | |
| 20100 | |
| 10029 | Tekort aan koudemiddel |
| 50029 |
-- Aanspreken gasbeldetectie
Geen melding beschikbaar
Open minstens één raam in de kamer waar de radiator wordt ontlucht. De kiepstand van het raam is niet voldoende. We raden tocht met twee ramen aan.
▶ Ontlucht de radiator.
▶ Sluit het raam pas 30 minuten na het ontluchten.
Melding beschikbaar
▶ Informeer de serviceafdeling.
13 Storingen verhelpen (installateur)
WAARSCHUWING

Elektrische schok
Wanneer u werkzaamheden verricht aan het apparaat terwijl het nog onder spanning staat, kunt u een elektrische schok krijgen.
Nadat het toestel spanningsvrij is geschakeld, kan het toestel nog gedurende 5 minuten onder spanning staan, omdat de condensatoren op de inverter nog moeten ontladen.
Ontkoppel het apparaat van de spanningsvoorziening, voordat u eraan gaat werken.
| Storing Mogelijke oor-zaak | Oplossing |
| De druk in de ver-warmingsinstallatie daalt. | Het interne veilig-heidsventiel of de interne automati-sche ontluchter is defect. |
Houd rekening met de handleiding van de warmtepomp-manager.
Wanneer u de fout met behulp van de warmtepompmanager niet kan vinden, open dan de schakelkast en controleer de instellingen op de IWS (geïntegreerde warmtepompregeling).

▶ Verwijder het deksel van het toestel.

Draai de schroeven voor het afdekking los.

▶ Verwijder de afdekking boven het koelcircuit.

Draai de schroeven voor het afdekking los.

▶ Verwijder de afdekking boven de geïntegreerde warmte-pompsturing (IWS).
13.1 Lichtdioden (led)

1 Led's
De betekenis van de lichtdioden op de geïntegreerde warmte-pompsturing (IWS) wordt in de volgende tabel aangegeven.
| Led-indicator Betekenis | |
| Rode led knippert Eenmalige storing. Het toestel wordt uitgeschakeld en her-start na 10 minuten. De led dooft. | |
| Rode led is verlicht Meer dan 5 storingen binnen 2 bedrijfsuren. Het toestel is permanent uitgeschakeld en start alleen opnieuw op na een reset van de warmtepomp via de warmtepompmanager.Houd rekening met de gegevens in de handleiding van de warmtepompmanager WPM.De interne storingsteller wordt daarbij gereset. Het toestel kan na 10 minuten weer in bedrijf worden genomen. De led dooft. | |
| Groene led in het midden knip-pert | De warmtepomp wordt geïnitialiseerd. |
| Groene led in het midden brandt | De warmtepomp is geïnitialiseerd. De verbinding met de warmtepompmanager WPM is actief. |
Storingen die door de rode led gemeld worden:
- Hogedrukstoring
- Lagedrukstoring
- Groepsstoring
- Hardwarestoring op de IWS (zie de meldingslijst van de WPM-warmtepompmanager)
13.2 Resetknop

1 Resetknop
Als de geïntegreerde warmtepompsturing (IWS) verkeerd is geïnitialiseerd, kunt u de instellingen met de resettoets op de IWS terugzetten.
Zie hoofdstuk "IWS opnieuw initialiseren" in de handleiding van de warmtepompmanager.
13.3 Toestelafdekking monteren

Plaats de afdekking boven de geïntegreerde warmtepompsturing (IWS).

▶ Monteer de afdekking boven het koelcircuit.

Plaats de afdekking op het toestel.
▶ Schroef de afdekking van het toestel vast.
13.4 Ventilatorlawaai
De warmtepomp onttrekt warmte aan de buitenlucht. Daardoor wordt de buitenlucht afgekoeld. Bij buitentemperaturen van 0 °C tot 8 °C kan de lucht tot onder het vriespunt afgekoeld worden. Als er in deze toestand neerslag optreedt in de vorm van regen of mist, kan er op het luchtrooster, de ventilatorschoepen of de luchtgeleiding ijsvorming ontstaan. Als de ventilator met dit ijs in contact komt, ontstaat er lawaai.
Als de ontdooiing handmatig wordt gestart, wordt er intensief ontdooid. Bij de intensieve ontdooiing ontstaan hogere exploitatiekosten.
Voer de volgende stappen uit als u vaker handmatig moet ont-dooien:
▶ Controleer of het toestel geïnstalleerd is overeenkomstig de opstelvoorwaarden.
Pas de instelling voor intensief ontdooien aan in de warmtepompmanager. Houd rekening met de gegevens in de handleiding van de warmtepompmanager WPM.
Als het lawaai zich verder vaker voordoet, meldt u dit aan de servicedienst.
Oplossing bij ritmisch krassende, malende geluiden:
Controleer of het dimensioneringsvermogen en de temperatuur correct ingesteld zijn. Ijsvorming treedt met name op, wanneer er bij matige buitentemperaturen hoge verwarmingsprestaties worden verlangd.
▶ Voer een handmatige ontdooiing uit, eventueel meerdere keren, totdat de ventilator weer ijsvrij is. Neem hiervoor de info in de handleiding van de WPM en de parameters "ONT-DOOIEN BEGINNEN" in menu "INGEBRUIKNAME/COMPRESSOR" in acht.
Bij buitentemperaturen boven +1 °C schakelt u het toestel gedurende 1 uur uit of in noodwerking. Daarna moet het ijs gesmolten zijn.
14 Buitendienststelling
De warmtepomp wordt door de warmtepompmanager automatisch naar het zomer- of winterbedrijf geschakeld. De vorstbeveiliging van de installatie is gewaarborgd.
Onderbreek de spanningsvoorziening van de warmtepomp niet, ook niet buiten het stookseizoen.
14.1 Stand-bybedrijf
Zet de warmtepompmanager in de STAND-BYWERKING om het toestel buiten werking te stellen.
De veiligheidsfuncties ter bescherming van de installatie, evenals de vorstbeveiliging, blijven ingeschakeld.
14.2 Spanningsonderbreking
√ Het apparaat wordt permanent van het elektriciteitsnet losgekoppeld.
LET OP: Wanneer het toestel van het elektriciteitsnet is losgekoppeld, kan het water in het toestel en in de leidingen bevriezen. Het toestel en de leidingen kunnen beschadigd raken. Maak de installatie aan de waterzijde leeg, terwijl de warmtepomp volledig uitgeschakeld is en wanneer er vorstgevaar bestaat.
15.1 Afmetingen en aansluitingen
WPL-A 05.2 Plus HK 230, WPL-A 05.2 W Plus HK 230, WPL-A 07.2 Plus HK 230, WPL-A 07.2 W Plus HK 230




D0000120542
WPL-A 05.2 Plus HK 230
WPL-A 05.2 W Plus HK 230
WPL-A 07.2 Plus HK 230
WPL-A 07.2 W Plus HK 230
b01 Doorvoer elektr.kabels
d45 Condensaatafvoer
e01 Verwarming aanvoer Buitendraad G 1 1/4
e02 Verwarming retour Buitendraad G 1 1/4
g01 Luchttoevoer
g02 Luchtafvoer
b01 Doorvoer elektr.kabels
d45 Condensaatafvoer
e01 Verwarming aanvoer Buitendraad G 1 1/4
e02 Verwarming retour Buitendraad G 1 1/4
g01 Luchttoevoer
g02 Luchtafvoer
WPL-A 13.2 Plus HK 400, WPL-A 13.2 W Plus HK 400

D0000120902
WPL-A 13.2 Plus HK 400
WPL-A 13.2 W Plus HK 400
b01 Doorvoer elektr.kabels
d45 Condensaatafvoer
e01 Verwarming aanvoer Buitendraad G 1 1/4
e02 Verwarming retour Buitendraad G 1 1/4
g01 Luchttoevoer
g02 Luchtafvoer
15.1.1 Overige aansluitingen
Condensaatbak AHP-DT.1

D0000121326
| AA02 Geïntegreerde warmtepompsturing (IWS) |
| AA04 Inverter compressor |
| AA14 Elektronische module propaanherkenning (EBPE) |
| BF01 Debietsensor verwarming |
| BP01 Druksensor hoge druk (34 bar) |
| BP03 Druksensor lagedruk (16 bar) |
| BP05 Drukbewaking hogedruk (34 bar) |
| BT01 Temperatuursensor cv-aanvoer - PT1000 |
| BT02 Temperatuursensor cv-retour - PT1000 |
| BT30 Temperatuursensor buitenlucht - PT1000 |
| BT40 Temperatuursensor heet gas - PT1000 |
| BT42 Temperatuursensor vorstbescherming - PT1000 |
| BT43 Temperatuursensor condensoruitgang - PT1000 |
| BT44 Temperatuursensor ingangstemperatuur ver-damper - PT1000 |
| BT45 Temperatuursensor verdamperuitgang - PT1000 |
| BT46 Temperatuursensor compressoringang - PT1000 |
| BT48 Temperatuursensor oliecarter - PT1000 |
| EB03 Oliecarterverwarming |
| MA01 Motor compressor |
| MA04 Motorexpansieventiel (oververhitting) |
| MA05 Motorexpansieventiel (onderkoeling) |
| MA07 Motor omschakelventiel ontdooien |
| MA09 Motorafsluitklep |
| MA20 Motor warmtepomp ventilator 1 |
| MA23 Motor warmtepomp ventilator 2 |
| RF09 Smoring |
| XD01 Aansluitklem warmtepomp |
| XD03 Aansluitklemmen geïntegreerde warmtepomp-sturing (IWS) |
| XD05 BUS |
| XD06 Aansluitklem extra verwarming |
| XD16 Ontdooibak verwarming |
| XD28 Klem ventilator 1 |
| XE19 Steunpunt 1 schakelkast |






15.3 Toepassingsbeperking
15.3.1 Verwarmen

15.3.2 Koelen

15.4 Vermogensdiagrammen
15.4.1 WPL-A 05.2 Plus HK 230, WPL-A 05.2 W Plus HK 230
Verwarmingsvermogen

D0000125674
X Buitentemperatuur [°C]
Y Verwarmingsvermogen [kW]
35 °C aanvoertemperatuur Buitentemperatuur [°C]
| -25 | -20 | -15 | -7 | 2 | 7 | 15 | 20 | 30 | 40 | |||||||
| Verwarmingsvermogen max. | kW | 2,89 | 3,67 | 4,32 | 5,22 | 5,31 | 6,63 | 7,98 | 8,00 | 8,00 | 8,00 | |||||
| Warmtevermogen nom. | kW | 2,89 | 3,67 | 4,32 | 5,22 | 3,14 | 3,05 | 3,27 | 3,69 | 4,65 | 5,00 | |||||
| Opgenomen vermogen nom. | kW | 1,25 | 1,38 | 1,44 | 1,50 | 0,67 | 0,56 | 0,49 | 0,46 | 0,39 | 0,35 | |||||
| Vermogenswaarde nom. | 2,31 | 2,66 | 3,00 | 3,47 | 4,72 | 5,50 | 6,75 | 7,99 | 11,99 | 14,19 | ||||||
| Verwarmingsvermogen min. | kW | 2,18 | 1,95 | 1,73 | 1,71 | 2,36 | 2,77 | 3,27 | 3,69 | 4,65 | 5,00 | |||||
45 °C aanvoertemperatuur
Buitentemperatuur [°C]
| -25 | -20 | -15 | -7 | 2 | 7 | 15 | 20 | 30 | 40 | |||||||
| Verwarmingsvermogen max. | kW | 2,68 | 3,43 | 4,06 | 4,95 | 5,23 | 6,57 | 7,79 | 7,93 | 8,00 | 8,00 | |||||
| Warmtevermogen nom. | kW | 2,68 | 3,43 | 4,06 | 4,95 | 3,38 | 3,38 | 4,04 | 3,51 | 4,46 | 4,80 | |||||
| Opgenomen vermogen nom. | kW | 1,39 | 1,53 | 1,62 | 1,72 | 0,94 | 0,82 | 0,83 | 0,63 | 0,58 | 0,55 | |||||
| Vermogenswaarde nom. | 1,93 | 2,24 | 2,51 | 2,88 | 3,61 | 4,11 | 4,90 | 5,60 | 7,73 | 8,74 | ||||||
| Verwarmingsvermogen min. | kW | 2,21 | 1,93 | 1,68 | 1,55 | 2,18 | 2,57 | 3,10 | 3,51 | 4,46 | 4,80 | |||||
55 °C aanvoertemperatuur Buitentemperatuur [°C]
| -25 | -20 | -15 | -7 | 2 | 7 | 15 | 20 | 30 | 40 | |||||||
| Verwarmingsvermogen max. | kW | 2,50 | 3,25 | 3,92 | 5,09 | 5,26 | 6,59 | 7,74 | 7,86 | 8,00 | 8,00 | |||||
| Warmtevermogen nom. | kW | 2,50 | 3,25 | 3,92 | 5,09 | 3,15 | 3,70 | 4,81 | 3,40 | 4,36 | 4,59 | |||||
| Opgenomen vermogen nom. | kW | 1,51 | 1,67 | 1,78 | 1,95 | 1,05 | 1,11 | 1,24 | 0,80 | 0,78 | 0,76 | |||||
| Vermogenswaarde nom. | 1,66 | 1,94 | 2,20 | 2,62 | 3,00 | 3,33 | 3,89 | 4,26 | 5,59 | 6,07 | ||||||
| Verwarmingsvermogen min. | kW | 2,32 | 1,95 | 1,66 | 1,39 | 2,02 | 2,43 | 3,00 | 3,40 | 4,36 | 4,59 | |||||
65 °C aanvoertemperatuur Buitentemperatuur [°C]
| -25 | -20 | -15 | -7 | 2 | 7 | 15 | 20 | 30 | 40 | |||||||
| Verwarmingsvermogen max. | kW | - | 3,25 | 3,62 | 4,63 | 5,24 | 6,71 | 7,72 | 7,82 | 8,00 | 8,00 | |||||
| Warmtevermogen nom. | kW | - | 3,25 | 3,62 | 4,63 | 3,46 | 4,43 | 4,89 | 4,00 | 5,10 | 5,42 | |||||
| Opgenomen vermogen nom. | kW | - | 1,88 | 1,97 | 2,19 | 1,40 | 1,63 | 1,56 | 1,18 | 1,22 | 1,20 | |||||
| Vermogenswaarde nom. | - | 1,72 | 1,84 | 2,11 | 2,47 | 2,72 | 3,12 | 3,38 | 4,19 | 4,51 | ||||||
| Verwarmingsvermogen min. | kW | - | 1,95 | 1,65 | 1,64 | 2,38 | 2,83 | 3,51 | 4,00 | 5,10 | 5,42 | |||||
75 °C aanvoertemperatuur Buitentemperatuur [°C]
-25 -20 -15 -7 2 7 15 20 30 40
| Verwarmingsvermogen max. kW --- 4,62 5,38 6,79 7,51 7,57 7,76 7,94 |
| Warmtevermogen nom. kW --- 5,38 6,79 7,51 4,13 5,71 5,99 |
| Opgenomen vermogen nom. kW --- 2,92 3,32 3,39 1,64 2,12 2,15 |
| Vermogenswaarde nom. --- 1,84 2,04 2,22 2,52 2,70 2,78 |
| Verwarmingsvermogen min. kW --- 2,21 2,55 3,05 3,71 4,13 5,71 5,99 |
Koelvermogen

D0000125675
X Buitentemperatuur [°C]
Y Koelvermogen [kW]
| 7 °C aanvoertemperatuur | Buitentemperatuur [°C] | |||||||
| 15 | 20 | 25 | 30 | 35 | 40 | 45 | ||
| Koelvermogen max. | kW | 5,35 | 5,18 | 4,99 | 4,77 | 4,50 | 4,21 | 3,94 |
| Koelvermogen min. | kW | 2,78 | 2,70 | 2,66 | 2,54 | 2,32 | 2,09 | 1,86 |
18 °C aanvoertemperatuur Buitentemperatuur [°C]
| 15 | 20 | 25 | 30 | 35 | 40 | 45 | ||
| Koelvermogen max. | kW | 5,83 | 5,63 | 5,42 | 5,19 | 4,96 | 4,71 | 4,43 |
| Koelvermogen min. | kW | 3,60 | 3,52 | 3,42 | 3,31 | 3,15 | 3,11 | 2,89 |
15.4.2 WPL-A 07.2 Plus HK 230, WPL-A 07.2 W Plus HK 230
Verwarmingsvermogen

D0000120919
X Buitentemperatuur [°C]
Y Verwarmingsvermogen [kW]
35 °C aanvoertemperatuur Buitentemperatuur [°C]
| -25 | -20 | -15 | -7 | 2 | 7 | 15 | 20 | 30 | 40 | ||||||
| Verwarmingsvermogen max. | kW | 4,12 | 5,44 | 6,29 | 7,09 | 6,96 | 8,47 | 10,00 | 10,00 | 9,96 | 9,50 | ||||
| Warmtevermogen nom. | kW | 4,12 | 5,44 | 6,29 | 7,09 | 3,29 | 3,05 | 3,27 | 3,69 | 4,65 | 5,00 | ||||
| Opgenomen vermogen nom. | kW | 1,75 | 2,09 | 2,19 | 2,18 | 0,72 | 0,56 | 0,49 | 0,46 | 0,39 | 0,35 | ||||
| Vermogenswaarde nom. | 2,35 | 2,61 | 2,87 | 3,25 | 4,57 | 5,50 | 6,75 | 7,99 | 11,99 | 14,19 | |||||
| Verwarmingsvermogen min. | kW | 2,18 | 1,95 | 1,73 | 1,71 | 2,36 | 2,76 | 3,27 | 3,69 | 4,65 | 5,00 | ||||
45 °C aanvoertemperatuur
Buitentemperatuur [°C]
| -25 | -20 | -15 | -7 | 2 | 7 | 15 | 20 | 30 | 40 | ||||||
| Verwarmingsvermogen max. | kW | 4,00 | 5,21 | 6,07 | 6,99 | 6,96 | 8,35 | 10,00 | 10,00 | 10,00 | 10,00 | ||||
| Warmtevermogen nom. | kW | 4,00 | 5,21 | 6,07 | 6,99 | 3,38 | 3,38 | 4,04 | 3,51 | 4,46 | 4,80 | ||||
| Opgenomen vermogen nom. | kW | 1,97 | 2,30 | 2,45 | 2,52 | 0,94 | 0,82 | 0,83 | 0,63 | 0,58 | 0,55 | ||||
| Vermogenswaarde nom. | 2,03 | 2,26 | 2,47 | 2,77 | 3,61 | 4,11 | 4,90 | 5,60 | 7,73 | 8,74 | |||||
| Verwarmingsvermogen min. | kW | 2,21 | 1,93 | 1,68 | 1,55 | 2,18 | 2,57 | 3,10 | 3,51 | 4,46 | 4,80 | ||||
55 °C aanvoertemperatuur Buitentemperatuur [°C]
| -25 | -20 | -15 | -7 | 2 | 7 | 15 | 20 | 30 | 40 | ||||||
| Verwarmingsvermogen max. | kW | 3,96 | 5,17 | 6,10 | 7,09 | 7,08 | 8,16 | 10,00 | 10,00 | 10,00 | 10,00 | ||||
| Warmtevermogen nom. | kW | 3,96 | 5,17 | 6,10 | 7,09 | 3,45 | 3,70 | 4,81 | 3,40 | 4,36 | 4,59 | ||||
| Opgenomen vermogen nom. | kW | 2,15 | 2,49 | 2,71 | 2,74 | 1,16 | 1,11 | 1,24 | 0,80 | 0,78 | 0,76 | ||||
| Vermogenswaarde nom. | 1,84 | 2,08 | 2,25 | 2,58 | 2,98 | 3,33 | 3,89 | 4,26 | 5,59 | 6,07 | |||||
| Verwarmingsvermogen min. | kW | 2,32 | 1,95 | 1,66 | 1,39 | 2,02 | 2,43 | 3,00 | 3,40 | 4,36 | 4,59 | ||||
65 °C aanvoertemperatuur Buitentemperatuur [°C]
| -25 | -20 | -15 | -7 | 2 | 7 | 15 | 20 | 30 | 40 | ||||||
| Verwarmingsvermogen max. | kW | - | 5,03 | 5,50 | 6,71 | 7,19 | 7,83 | 10,00 | 10,00 | 10,00 | 10,00 | ||||
| Warmtevermogen nom. | kW | - | 5,03 | 5,50 | 6,71 | 3,46 | 4,43 | 4,89 | 4,00 | 5,10 | 5,42 | ||||
| Opgenomen vermogen nom. | kW | - | 2,80 | 2,92 | 3,37 | 1,40 | 1,63 | 1,56 | 1,18 | 1,22 | 1,20 | ||||
| Vermogenswaarde nom. | - | 1,80 | 1,88 | 1,99 | 2,47 | 2,72 | 3,12 | 3,38 | 4,19 | 4,51 | |||||
| Verwarmingsvermogen min. | kW | - | 1,95 | 1,65 | 1,64 | 2,38 | 2,83 | 3,51 | 4,00 | 5,10 | 5,42 | ||||
75 °C aanvoertemperatuur Buitentemperatuur [°C]
-25 -20 -15 -7 2 7 15 20 30 40
| Verwarmingsvermogen max. kW --- 5,64 6,42 7,34 7,95 8,38 9,84 10,00 | |
| Warmtevermogen nom. kW --- 5,64 6,42 7,34 7,95 4,13 5,71 5,99 | |
| Opgenomen vermogen nom. | kW --- 3,57 3,47 3,58 3,58 1,64 2,12 2,15 |
| Vermogenswaarde nom. | --- 1,58 1,85 2,05 2,22 2,52 2,70 2,78 |
| Verwarmingsvermogen min. | kW --- 2,21 2,55 3,05 3,71 4,13 5,71 5,99 |
Koelvermogen

D0000120924
X Buitentemperatuur [°C]
Y Koelvermogen [kW]
| 7 °C aanvoertemperatuur | Buitentemperatuur [°C] | |||||||
| 15 | 20 | 25 | 30 | 35 | 40 | 45 | ||
| Koelvermogen max. | kW | 7,69 | 7,44 | 7,17 | 6,88 | 6,51 | 6,22 | 5,75 |
| Koelvermogen min. | kW | 2,78 | 2,70 | 2,66 | 2,54 | 2,32 | 2,09 | 1,86 |
18 °C aanvoertemperatuur Buitentemperatuur [°C]
| 15 | 20 | 25 | 30 | 35 | 40 | 45 | ||
| Koelvermogen max. | kW | 8,43 | 8,18 | 7,88 | 7,54 | 6,98 | 6,82 | 6,44 |
| Koelvermogen min. | kW | 3,60 | 3,52 | 3,42 | 3,31 | 3,15 | 3,11 | 2,89 |
15.4.3 WPL-A 10.2 Plus HK 230, WPL-A 10.2 W Plus HK 230
Verwarmingsvermogen
三

D0000125137
X Buitentemperatuur [°C]
Y Verwarmingsvermogen [kW]
35 °C aanvoertemperatuur Buitentemperatuur [°C]
| -25 | -20 | -15 | -7 | 2 | 7 | 15 | 20 | 30 | 40 | |||||||
| Verwarmingsvermogen max. | kW | 5,36 | 7,78 | 8,98 | 10,07 | 9,84 | 11,97 | 14,00 | 14,00 | 13,80 | 13,00 | |||||
| Warmtevermogen nom. | kW | 5,36 | 7,78 | 8,98 | 10,07 | 4,09 | 4,32 | 4,47 | 5,07 | 6,36 | 6,47 | |||||
| Opgenomen vermogen nom. | kW | 2,30 | 3,10 | 3,23 | 3,20 | 0,90 | 0,80 | 0,67 | 0,63 | 0,54 | 0,53 | |||||
| Vermogenswaarde nom. | 2,33 | 2,51 | 2,78 | 3,15 | 4,54 | 5,40 | 6,73 | 8,01 | 11,80 | 12,31 | ||||||
| Verwarmingsvermogen min. | kW | 4,11 | 3,53 | 2,94 | 2,67 | 3,05 | 3,69 | 4,47 | 5,07 | 6,36 | 6,47 | |||||
45 °C aanvoertemperatuur
Buitentemperatuur [°C]
| -25 | -20 | -15 | -7 | 2 | 7 | 15 | 20 | 30 | 40 | ||||||
| Verwarmingsvermogen max. | kW | 5,10 | 7,44 | 8,74 | 9,95 | 9,82 | 11,85 | 14,00 | 14,00 | 14,00 | 14,00 | ||||
| Warmtevermogen nom. | kW | 5,10 | 7,44 | 8,74 | 9,95 | 4,54 | 4,89 | 5,09 | 4,82 | 5,98 | 6,22 | ||||
| Opgenomen vermogen nom. | kW | 2,52 | 3,38 | 3,59 | 3,70 | 1,27 | 1,20 | 1,04 | 0,86 | 0,80 | 0,78 | ||||
| Vermogenswaarde nom. | 2,02 | 2,20 | 2,43 | 2,69 | 3,58 | 4,08 | 4,91 | 5,64 | 7,51 | 7,99 | |||||
| Verwarmingsvermogen min. | kW | 3,86 | 3,34 | 2,79 | 2,52 | 2,92 | 3,44 | 4,24 | 4,82 | 5,98 | 6,22 | ||||
55 °C aanvoertemperatuur Buitentemperatuur [°C]
| -25 | -20 | -15 | -7 | 2 | 7 | 15 | 20 | 30 | 40 | |||||||
| Verwarmingsvermogen max. | kW | 4,97 | 7,39 | 8,72 | 10,02 | 9,92 | 11,63 | 14,00 | 14,00 | 14,00 | 14,00 | |||||
| Warmtevermogen nom. | kW | 4,97 | 7,39 | 8,72 | 10,02 | 4,62 | 5,63 | 6,11 | 4,68 | 5,78 | 5,98 | |||||
| Opgenomen vermogen nom. | kW | 2,72 | 3,61 | 3,90 | 4,04 | 1,55 | 1,69 | 1,56 | 1,08 | 1,06 | 1,04 | |||||
| Vermogenswaarde nom. | 1,83 | 2,05 | 2,23 | 2,48 | 2,98 | 3,33 | 3,91 | 4,31 | 5,44 | 5,74 | ||||||
| Verwarmingsvermogen min. | kW | 3,66 | 3,39 | 3,13 | 2,76 | 2,70 | 3,26 | 4,11 | 4,68 | 5,78 | 5,98 | |||||
65 °C aanvoertemperatuur Buitentemperatuur [°C]
| -25 | -20 | -15 | -7 | 2 | 7 | 15 | 20 | 30 | 40 | ||||||
| Verwarmingsvermogen max. | kW | - | 7,39 | 8,25 | 9,65 | 10,07 | 11,40 | 14,00 | 14,00 | 14,00 | 14,00 | ||||
| Warmtevermogen nom. | kW | - | 7,39 | 8,25 | 9,65 | 4,65 | 6,24 | 6,94 | 5,45 | 6,97 | 7,12 | ||||
| Opgenomen vermogen nom. | kW | - | 4,07 | 4,28 | 4,79 | 1,86 | 2,26 | 2,19 | 1,59 | 1,64 | 1,62 | ||||
| Vermogenswaarde nom. | - | 1,82 | 1,93 | 2,02 | 2,50 | 2,77 | 3,17 | 3,43 | 4,25 | 4,41 | |||||
| Verwarmingsvermogen min. | kW | - | 3,23 | 3,16 | 2,98 | 3,18 | 3,83 | 4,78 | 5,45 | 6,97 | 7,12 | ||||
75 °C aanvoertemperatuur Buitentemperatuur [°C]
-25 -20 -15 -7 2 7 15 20 30 40
| Verwarmingsvermogen max. kW --- 8,33 9,68 11,30 11,44 11,47 11,52 12,66 | |||||||||||
| Warmtevermogen nom. kW --- 8,33 8,00 11,30 11,44 5,78 7,19 7,43 | |||||||||||
| Opgenomen vermogen nom. | kW | - | - | - | 5,44 | 4,23 | 5,37 | 4,80 | 2,18 | 2,50 | 2,53 |
| Vermogenswaarde nom. | - | - | - | 1,53 | 1,89 | 2,10 | 2,39 | 2,65 | 2,87 | 2,94 | |
| Verwarmingsvermogen min. kW --- 2,85 3,63 4,22 | 5,18 | 5,78 | 7,19 | 7,43 | |||||||
Koelvermogen

D0000125138
X Buitentemperatuur [°C]
Y Koelvermogen [kW]
| 7 °C aanvoertemperatuur | Buitentemperatuur [°C] | |||||||
| 15 | 20 | 25 | 30 | 35 | 40 | 45 | ||
| Koelvermogen max. | kW | 10,89 | 10,71 | 10,52 | 9,87 | 9,33 | 8,37 | 7,39 |
| Koelvermogen min. | kW | 3,68 | 3,65 | 3,64 | 3,58 | 3,53 | 3,36 | 3,25 |
18 °C aanvoertemperatuur Buitentemperatuur [°C]
| 15 | 20 | 25 | 30 | 35 | 40 | 45 | ||
| Koelvermogen max. | kW | 11,37 | 11,16 | 10,98 | 10,74 | 10,51 | 10,28 | 10,04 |
| Koelvermogen min. | kW | 4,79 | 4,69 | 4,58 | 4,43 | 4,29 | 4,15 | 4,00 |
15.4.4 WPL-A 10.2 Plus HK 400, WPL-A 10.2 W Plus HK 400
Verwarmingsvermogen
三

D0000120920
X Buitentemperatuur [°C]
Y Verwarmingsvermogen [kW]
35 °C aanvoertemperatuur Buitentemperatuur [°C]
| -25 | -20 | -15 | -7 | 2 | 7 | 15 | 20 | 30 | 40 | ||||||
| Verwarmingsvermogen max. | kW | 5,36 | 7,78 | 8,98 | 10,07 | 9,84 | 11,97 | 14,00 | 14,00 | 13,80 | 13,00 | ||||
| Warmtevermogen nom. | kW | 5,36 | 7,78 | 8,98 | 10,07 | 4,09 | 4,32 | 4,47 | 5,07 | 6,36 | 6,47 | ||||
| Opgenomen vermogen nom. | kW | 2,30 | 3,10 | 3,23 | 3,20 | 0,90 | 0,80 | 0,67 | 0,63 | 0,54 | 0,53 | ||||
| Vermogenswaarde nom. | 2,33 | 2,51 | 2,78 | 3,15 | 4,54 | 5,40 | 6,73 | 8,01 | 11,80 | 12,31 | |||||
| Verwarmingsvermogen min. | kW | 4,11 | 3,53 | 2,94 | 2,67 | 3,05 | 3,69 | 4,47 | 5,07 | 6,36 | 6,47 | ||||
45 °C aanvoertemperatuur
Buitentemperatuur [°C]
| -25 | -20 | -15 | -7 | 2 | 7 | 15 | 20 | 30 | 40 | ||||||
| Verwarmingsvermogen max. | kW | 5,10 | 7,44 | 8,74 | 9,95 | 9,82 | 11,85 | 14,00 | 14,00 | 14,00 | 14,00 | ||||
| Warmtevermogen nom. | kW | 5,10 | 7,44 | 8,74 | 9,95 | 4,54 | 4,89 | 5,09 | 4,82 | 5,98 | 6,22 | ||||
| Opgenomen vermogen nom. | kW | 2,52 | 3,38 | 3,59 | 3,70 | 1,27 | 1,20 | 1,04 | 0,86 | 0,80 | 0,78 | ||||
| Vermogenswaarde nom. | 2,02 | 2,20 | 2,43 | 2,69 | 3,58 | 4,08 | 4,91 | 5,64 | 7,51 | 7,99 | |||||
| Verwarmingsvermogen min. | kW | 3,86 | 3,34 | 2,79 | 2,52 | 2,92 | 3,44 | 4,24 | 4,82 | 5,98 | 6,22 | ||||
55 °C aanvoertemperatuur Buitentemperatuur [°C]
| -25 | -20 | -15 | -7 | 2 | 7 | 15 | 20 | 30 | 40 | ||||||
| Verwarmingsvermogen max. | kW | 4,97 | 7,39 | 8,72 | 10,02 | 9,92 | 11,63 | 14,00 | 14,00 | 14,00 | 14,00 | ||||
| Warmtevermogen nom. | kW | 4,97 | 7,39 | 8,72 | 10,02 | 4,62 | 5,63 | 6,11 | 4,68 | 5,78 | 5,98 | ||||
| Opgenomen vermogen nom. | kW | 2,72 | 3,61 | 3,90 | 4,04 | 1,55 | 1,69 | 1,56 | 1,08 | 1,06 | 1,04 | ||||
| Vermogenswaarde nom. | 1,83 | 2,05 | 2,23 | 2,48 | 2,98 | 3,33 | 3,91 | 4,31 | 5,44 | 5,74 | |||||
| Verwarmingsvermogen min. | kW | 3,66 | 3,39 | 3,13 | 2,76 | 2,70 | 3,26 | 4,11 | 4,68 | 5,78 | 5,98 | ||||
65 °C aanvoertemperatuur Buitentemperatuur [°C]
| -25 | -20 | -15 | -7 | 2 | 7 | 15 | 20 | 30 | 40 | ||||||
| Verwarmingsvermogen max. | kW | - | 7,39 | 8,25 | 9,65 | 10,07 | 11,40 | 14,00 | 14,00 | 14,00 | 14,00 | ||||
| Warmtevermogen nom. | kW | - | 7,39 | 8,25 | 9,65 | 4,65 | 6,24 | 6,94 | 5,45 | 6,97 | 7,12 | ||||
| Opgenomen vermogen nom. | kW | - | 4,07 | 4,28 | 4,79 | 1,86 | 2,26 | 2,19 | 1,59 | 1,64 | 1,62 | ||||
| Vermogenswaarde nom. | - | 1,82 | 1,93 | 2,02 | 2,50 | 2,77 | 3,17 | 3,43 | 4,25 | 4,41 | |||||
| Verwarmingsvermogen min. | kW | - | 3,23 | 3,16 | 2,98 | 3,18 | 3,83 | 4,78 | 5,45 | 6,97 | 7,12 | ||||
75 °C aanvoertemperatuur Buitentemperatuur [°C]
-25 -20 -15 -7 2 7 15 20 30 40
| Verwarmingsvermogen max. kW --- 9,00 9,68 11,82 13,00 13,74 14,00 14,00 | |||||||||||
| Warmtevermogen nom. | kW --- 9,00 8,00 10,93 11,74 5,78 7,19 7,43 | ||||||||||
| Opgenomen vermogen nom. | kW | - | - | - | 5,88 | 4,23 | 5,36 | 4,97 | 2,18 | 2,50 | 2,53 |
| Vermogenswaarde nom. | - | - | - | 1,53 | 1,89 | 2,04 | 2,36 | 2,65 | 2,87 | 2,94 | |
| Verwarmingsvermogen min. | kW | - | - | - | 2,85 | 3,63 | 4,22 | 5,18 | 5,78 | 7,19 | 7,43 |
Koelvermogen

D0000120925
X Buitentemperatuur [°C]
Y Koelvermogen [kW]
| 7 °C aanvoertemperatuur | Buitentemperatuur [°C] | |||||||
| 15 | 20 | 25 | 30 | 35 | 40 | 45 | ||
| Koelvermogen max. | kW | 10,89 | 10,71 | 10,52 | 9,87 | 9,33 | 8,37 | 7,39 |
| Koelvermogen min. | kW | 3,68 | 3,65 | 3,64 | 3,58 | 3,53 | 3,36 | 3,25 |
18 °C aanvoertemperatuur Buitentemperatuur [°C]
| 15 | 20 | 25 | 30 | 35 | 40 | 45 | ||
| Koelvermogen max. | kW | 11,37 | 11,16 | 10,98 | 10,74 | 10,51 | 10,28 | 10,04 |
| Koelvermogen min. | kW | 4,79 | 4,69 | 4,58 | 4,43 | 4,29 | 4,15 | 4,00 |
15.4.5 WPL-A 13.2 Plus HK 400, WPL-A 13.2 W Plus HK 400
Verwarmingsvermogen
三

D0000120922
X Buitentemperatuur [°C]
Y Verwarmingsvermogen [kW]
35 °C aanvoertemperatuur Buitentemperatuur [°C]
| -25 | -20 | -15 | -7 | 2 | 7 | 15 | 20 | 30 | 40 | ||||||
| Verwarmingsvermogen max. | kW | 7,34 | 10,10 | 11,64 | 13,15 | 13,04 | 15,31 | 18,20 | 18,20 | 18,20 | 17,68 | ||||
| Warmtevermogen nom. | kW | 7,34 | 10,10 | 11,64 | 13,15 | 4,82 | 5,79 | 6,08 | 6,82 | 8,46 | 8,85 | ||||
| Opgenomen vermogen nom. | kW | 3,31 | 4,10 | 4,25 | 4,23 | 1,09 | 1,07 | 0,92 | 0,87 | 0,73 | 0,70 | ||||
| Vermogenswaarde nom. | 2,22 | 2,46 | 2,74 | 3,11 | 4,41 | 5,41 | 6,63 | 7,84 | 11,55 | 12,71 | |||||
| Verwarmingsvermogen min. | kW | 4,86 | 4,18 | 3,58 | 3,21 | 4,36 | 5,11 | 6,08 | 6,82 | 8,46 | 8,85 | ||||
45 °C aanvoertemperatuur
Buitentemperatuur [°C]
| -25 | -20 | -15 | -7 | 2 | 7 | 15 | 20 | 30 | 40 | ||||||
| Verwarmingsvermogen max. | kW | 6,94 | 9,62 | 11,13 | 12,77 | 13,00 | 15,24 | 18,20 | 18,20 | 18,20 | 18,20 | ||||
| Warmtevermogen nom. | kW | 6,94 | 9,62 | 11,13 | 12,77 | 4,99 | 6,30 | 6,90 | 6,53 | 8,18 | 8,38 | ||||
| Opgenomen vermogen nom. | kW | 3,56 | 4,41 | 4,64 | 4,85 | 1,43 | 1,55 | 1,44 | 1,19 | 1,10 | 1,08 | ||||
| Vermogenswaarde nom. | 1,95 | 2,18 | 2,40 | 2,63 | 3,50 | 4,07 | 4,80 | 5,49 | 7,43 | 7,75 | |||||
| Verwarmingsvermogen min. | kW | 4,83 | 4,09 | 3,47 | 2,95 | 4,08 | 4,80 | 5,80 | 6,53 | 8,18 | 8,38 | ||||
55 °C aanvoertemperatuur Buitentemperatuur [°C]
| -25 | -20 | -15 | -7 | 2 | 7 | 15 | 20 | 30 | 40 | ||||||
| Verwarmingsvermogen max. | kW | 7,11 | 9,59 | 11,22 | 13,11 | 13,34 | 14,99 | 18,20 | 18,20 | 18,20 | 18,20 | ||||
| Warmtevermogen nom. | kW | 7,11 | 9,59 | 11,22 | 13,11 | 5,20 | 6,95 | 8,36 | 6,36 | 8,05 | 8,07 | ||||
| Opgenomen vermogen nom. | kW | 3,88 | 4,71 | 5,00 | 5,24 | 1,78 | 2,09 | 2,15 | 1,48 | 1,46 | 1,43 | ||||
| Vermogenswaarde nom. | 1,83 | 2,04 | 2,24 | 2,50 | 2,92 | 3,33 | 3,88 | 4,29 | 5,51 | 5,62 | |||||
| Verwarmingsvermogen min. | kW | 4,95 | 4,12 | 3,40 | 3,07 | 3,83 | 4,56 | 5,62 | 6,36 | 8,05 | 8,07 | ||||
65 °C aanvoertemperatuur Buitentemperatuur [°C]
| -25 | -20 | -15 | -7 | 2 | 7 | 15 | 20 | 30 | 40 | ||||||
| Verwarmingsvermogen max. | kW | - | 9,81 | 11,09 | 12,89 | 13,09 | 14,76 | 18,20 | 18,20 | 18,20 | 18,20 | ||||
| Warmtevermogen nom. | kW | - | 9,81 | 11,09 | 12,89 | 5,27 | 7,86 | 9,06 | 7,38 | 9,41 | 9,54 | ||||
| Opgenomen vermogen nom. | kW | - | 5,43 | 5,76 | 6,41 | 2,15 | 2,82 | 2,81 | 2,10 | 2,17 | 2,14 | ||||
| Vermogenswaarde nom. | - | 1,81 | 1,92 | 2,01 | 2,45 | 2,79 | 3,22 | 3,51 | 4,35 | 4,47 | |||||
| Verwarmingsvermogen min. | kW | - | 4,08 | 3,33 | 3,17 | 4,49 | 5,30 | 6,50 | 7,38 | 9,41 | 9,54 | ||||
75 °C aanvoertemperatuur Buitentemperatuur [°C]
| -25 | -20 | -15 | -7 | 2 | 7 | 15 | 20 | 30 | 40 | |||||||
| Verwarmingsvermogen max. kW --- 12,32 13,61 18,20 18,09 17,98 17,89 18,00 | ||||||||||||||||
| Warmtevermogen nom. | kW | - | - | - | 12,32 | 10,00 | 14,18 | 15,00 | 8,12 | 9,79 | 10,14 | |||||
| Opgenomen vermogen nom. | kW | - | - | - | 7,63 | 5,21 | 6,48 | 6,10 | 3,08 | 3,37 | 3,38 | |||||
| Vermogenswaarde nom. | - | - | - | 1,62 | 1,92 | 2,19 | 2,46 | 2,64 | 2,90 | 3,00 | ||||||
| Verwarmingsvermogen min. | kW | - | - | - | 4,20 | 5,31 | 6,14 | 7,36 | 8,12 | 9,79 | 10,14 | |||||
Koelvermogen

D0000120927
X Buitentemperatuur [°C]
Y Koelvermogen [kW]
| 7 °C aanvoertemperatuur | Buitentemperatuur [°C] | |||||||
| 15 | 20 | 25 | 30 | 35 | 40 | 45 | ||
| Koelvermogen max. | kW | 8,67 | 9,37 | 9,79 | 10,10 | 10,09 | 9,82 | 9,40 |
| Koelvermogen min. | kW | 4,97 | 4,84 | 4,71 | 4,48 | 4,29 | 3,99 | 3,74 |
18 °C aanvoertemperatuur Buitentemperatuur [°C]
| 15 | 20 | 25 | 30 | 35 | 40 | 45 | ||
| Koelvermogen max. | kW | 15,58 | 15,04 | 14,44 | 13,84 | 12,95 | 12,53 | 11,87 |
| Koelvermogen min. | kW | 6,46 | 6,30 | 6,18 | 5,98 | 5,81 | 5,52 | 5,22 |
15.5 Vermogensreductie bij verminderde beveiliging van de compressor
15.5.1 WPL-A 05.2 Plus HK 230, WPL-A 05.2 W Plus HK 230
| 35 °C aanvoertemperatuur | Buitentemperatuur [°C] | |||||||||
| -25 -20 | -7 2 7 12 20 | 40 | ||||||||
| Maximaal stroomverbruik [A] | 16 2,89 3,67 5,22 5,31 6,63 7,88 8,00 8,00 | |||||||||
| 10 2,89 3,67 5,22 5,31 6,63 7,88 8,00 8,00 | ||||||||||
| 45 °C aanvoertemperatuur | Buitentemperatuur [°C] | |||||||||
| -25 -20 | -7 2 7 12 20 | 40 | ||||||||
| Maximaal stroomverbruik [A] | 16 2,68 3,43 4,95 5,23 6,57 7,70 7,93 8,00 | |||||||||
| 10 2,68 3,43 4,95 5,23 6,57 7,70 7,93 8,00 | ||||||||||
| 55 °C aanvoertemperatuur | Buitentemperatuur [°C] | |||||||||
| -25 -20 | -7 2 7 12 20 | 40 | ||||||||
| Maximaal stroomverbruik [A] | 16 2,50 3,25 5,09 5,26 6,59 7,68 7,86 8,00 | |||||||||
| 10 2,50 3,25 5,09 5,26 6,59 7,68 7,86 8,00 | ||||||||||
| 65 °C aanvoertemperatuur | Buitentemperatuur [°C] | |||||||||
| -25 -20 | -7 2 7 12 20 | 40 | ||||||||
| Maximaal stroomverbruik [A] | 16 - 3,25 4,63 5,24 6,71 7,55 7,82 8,00 | |||||||||
| 10 - 3,25 4,63 4,95 6,01 6,52 7,42 8,00 | ||||||||||
| 75 °C aanvoertemperatuur | Buitentemperatuur [°C] | |||||||||
| -25 -20 | -7 2 7 12 20 | 40 | ||||||||
| Maximaal stroomverbruik [A] | 16 - - 4,62 5,38 6,79 7,46 7,57 7,94 | |||||||||
| 10 - - 3,35 3,81 4,36 4,59 4,98 6,31 | ||||||||||
15.5.2 WPL-A 07.2 Plus HK 230, WPL-A 07.2 W Plus HK 230
| 35 °C aanvoertemperatuur | Buitentemperatuur [°C] | ||||||||
| -25 -20 | -7 2 7 12 20 | 40 | |||||||
| Maximaal stroomverbruik [A] | 16 4,12 5,44 7,09 6,96 8,47 | 10,00 | 10,00 9,50 | ||||||
| 10 4,12 5,44 6,96 6,96 8,03 | 10,00 | 10,00 9,50 | |||||||
| 45 °C aanvoertemperatuur | Buitentemperatuur [°C] | ||||||||
| -25 -20 | -7 2 7 12 20 | 40 | |||||||
| Maximaal stroomverbruik [A] | 16 4,00 5,21 6,99 6,96 8,35 | 10,00 | 10,00 | 10,00 | |||||
| 10 4,00 5,08 6,17 6,39 6,95 | 9,10 10,00 | 10,00 | |||||||
| 55 °C aanvoertemperatuur | Buitentemperatuur [°C] | ||||||||
| -25 -20 | -7 2 7 12 20 | 40 | |||||||
| Maximaal stroomverbruik [A] | 16 3,96 5,17 7,09 7,08 8,16 | 10,00 | 10,00 | 10,00 | |||||
| 10 3,96 4,61 5,63 5,64 6,61 | 7,68 8,94 10,00 | ||||||||
| 65 °C aanvoertemperatuur | Buitentemperatuur [°C] | ||||||||
| -25 -20 | -7 2 7 12 20 | 40 | |||||||
| Maximaal stroomverbruik [A] | 16 - 5,03 6,71 7,19 7,83 9,95 | 10,00 | 10,00 | ||||||
| 10 - 3,94 4,85 4,95 6,01 6,52 | 7,42 10,00 | ||||||||
| 75 °C aanvoertemperatuur | Buitentemperatuur [°C] | ||||||||
| -25 -20 | -7 2 7 12 20 | 40 | |||||||
| Maximaal stroomverbruik [A] | 16 - - | 5,64 6,42 7,34 | 7,72 8,38 | 10,00 | |||||
| 10 - - 3,35 3,81 | 4,36 4,59 4,98 | 6,31 | |||||||
15.5.3 WPL-A 10.2 Plus HK 230, WPL-A 10.2 W Plus HK 230
| 35 °C aanvoertemperatuur | Buitentemperatuur [°C] | |||||||||
| -25 -20 | -7 2 7 12 20 | 40 | ||||||||
| Maximaal stroomverbruik [A] | 25 5,36 7,78 | 10,07 9,84 | 11,97 | 14,00 | 14,00 | 13,00 | ||||
| 20 5,36 7,78 | 10,07 9,84 | 11,97 | 14,00 | 14,00 | 13,00 | |||||
| 16 5,36 7,78 | 10,07 9,84 | 11,85 | 14,00 | 14,00 | 13,00 | |||||
| 45 °C aanvoertemperatuur | Buitentemperatuur [°C] | |||||||||
| -25 -20 | -7 2 7 12 20 | 40 | ||||||||
| Maximaal stroomverbruik [A] | 25 5,10 7,44 | 9,95 | 9,82 | 11,85 | 14,00 | 14,00 | 14,00 | |||
| 20 5,10 7,44 | 9,95 | 9,82 | 11,85 | 14,00 | 14,00 | 14,00 | ||||
| 16 5,10 7,44 | 9,48 | 9,71 | 10,63 | 14,00 | 14,00 | 14,00 | ||||
| 55 °C aanvoertemperatuur | Buitentemperatuur [°C] | |||||||||
| -25 -20 | -7 2 7 12 20 | 40 | ||||||||
| Maximaal stroomverbruik [A] | 25 4,97 7,39 | 10,02 | 9,92 | 11,63 | 14,00 | 14,00 | 14,00 | |||
| 20 4,97 7,39 | 10,02 | 9,91 | 11,09 | 14,00 | 14,00 | 14,00 | ||||
| 16 4,97 7,33 | 8,92 | 8,80 | 9,64 | 11,94 | 13,94 | 14,00 | ||||
| 65 °C aanvoertemperatuur | Buitentemperatuur [°C] | |||||||||
| -25 -20 | -7 2 7 12 20 | 40 | ||||||||
| Maximaal stroomverbruik [A] | 25 - 7,39 | 9,65 | 10,07 | 11,40 | 14,00 | 14,00 | 14,00 | |||
| 20 - 7,39 | 8,93 | 9,46 | 10,15 | 12,60 | 14,00 | 14,00 | ||||
| 16 - 6,54 | 7,35 | 7,90 | 9,60 | 10,39 | 11,76 | 14,00 | ||||
| 75 °C aanvoertemperatuur | Buitentemperatuur [°C] | |||||||||
| -25 -20 | -7 2 7 12 20 | 40 | ||||||||
| Maximaal stroomverbruik [A] | 25 - - 9,00 | 9,68 | 11,82 | 12,56 | 13,74 | 14,00 | ||||
| 20 - - 7,45 | 8,18 | 8,55 | 10,92 | 11,20 | 12,66 | |||||
| 16 - - 5,94 | 6,51 | 7,66 | 8,88 | 9,59 | 12,24 | |||||
15.6 Geluidsreductie
15.6.1 WPL-A 05.2 Plus HK 230, WPL-A 05.2 W Plus HK 230
| Max. verwarmingsvermo-gen [kw] 35°C | A-15/W35 A-7/W35 A2/W35 A7/W35 A15/W35 A20/W35 A40/W35 | |||||
| 0 dB 4,32 5,22 5,31 6,63 7,98 8,00 7,71 | ||||||
| 1 dB 3,89 4,70 5,28 6,18 7,98 7,98 7,71 | ||||||
| 2 dB 3,74 4,52 5,22 6,02 7,98 7,97 7,71 | ||||||
| 3 dB 3,59 4,34 5,06 5,85 7,84 7,96 7,71 | ||||||
| 4 dB 3,43 4,27 4,89 5,70 7,57 7,95 7,71 | ||||||
| 5 dB - 4,19 4,73 5,67 7,31 7,72 7,71 | ||||||
| 6 dB - 4,02 4,56 5,53 7,05 7,40 7,71 | ||||||
| 7 dB - 3,85 4,40 5,35 6,79 7,10 7,71 | ||||||
| 8 dB - 3,69 4,24 5,15 6,54 6,81 7,71 | ||||||
| 9 dB - 3,53 4,08 5,12 6,30 6,54 7,71 | ||||||
| 10 dB - 3,40 3,94 5,09 6,08 6,31 7,71 | ||||||
| Max. verwarmingsvermo-gen [kw]55 °C | A-15/W55 A-7/W55 A2/W55 A7/W55 A15/W55 A20/W55 A40/W55 | |||||
| 0 dB 3,92 5,09 5,26 6,59 7,74 7,86 8,00 | ||||||
| 1 dB 3,50 4,58 5,03 6,08 7,70 7,86 8,00 | ||||||
| 2 dB 3,35 4,39 4,87 6,03 7,45 7,85 8,00 | ||||||
| 3 dB 3,21 4,21 4,72 5,98 7,21 7,85 8,00 | ||||||
| 4 dB 3,06 4,04 4,56 5,78 6,97 7,63 8,00 | ||||||
| 5 dB - 3,87 4,41 5,58 6,74 7,34 8,00 | ||||||
| 6 dB - 3,71 4,25 5,38 6,51 7,05 8,00 | ||||||
| 7 dB - 3,55 4,10 5,19 6,28 6,78 8,00 | ||||||
| 8 dB - 3,39 3,96 5,01 6,06 6,50 8,00 | ||||||
| 9 dB - 3,24 3,81 4,83 5,84 6,23 8,00 | ||||||
| 10 dB - 3,11 3,68 4,66 5,63 6,00 8,00 | ||||||
| Max. koelver-mogen [kw] | A35/W7 | A35/W18 | ||||
| 0 dB | 4,50 | 4,96 | ||||
| 1 dB | 4,39 | 4,83 | ||||
| 2 dB | 4,35 | 4,77 | ||||
| 3 dB | 4,30 | 4,70 | ||||
| 4 dB | 4,25 | 4,63 | ||||
| 5 dB | 4,20 | 4,56 | ||||
| 6 dB | 4,15 | 4,48 | ||||
| 7 dB | 4,09 | 4,40 | ||||
| 8 dB | 4,04 | 4,32 | ||||
| 9 dB | 3,85 | 4,24 | ||||
| 10 dB | 3,69 | 4,22 | ||||
三
15.6.2 WPL-A 07.2 Plus HK 230, WPL-A 07.2 W Plus HK 230
| Max. verwarmingsvermo-gen [kw] 35°C | A-15/W35 A-7/W35 A2/W35 A7/W35 A15/W35 A20/W35 A40/W35 | |||||
| 0 dB 6,29 7,09 6,96 | 8,47 | 10,00 | 10,00 | 9,50 | ||
| 1 dB 6,27 7,04 6,96 | 8,47 | 10,00 | 10,00 | 9,50 | ||
| 2 dB 6,10 6,87 6,96 | 8,43 | 10,00 | 10,00 | 9,50 | ||
| 3 dB 5,57 6,34 6,93 | 7,89 | 10,00 | 10,00 | 9,50 | ||
| 4 dB 5,08 5,84 6,65 | 7,41 | 10,00 | 10,00 | 9,50 | ||
| 5 dB 4,63 5,37 6,20 | 6,94 | 9,87 | 10,00 | 9,50 | ||
| 6 dB 4,22 4,94 5,77 | 6,48 | 9,00 | 9,62 | 9,50 | ||
| 7 dB 3,86 4,56 5,38 | 6,11 | 8,36 | 8,89 | 9,50 | ||
| 8 dB 3,53 4,20 5,02 | 5,82 | 7,75 | 8,23 | 9,50 | ||
| 9 dB - 3,87 4,68 | 5,65 | 7,18 | 7,61 | 9,50 | ||
| 10 dB - 3,56 4,35 | 5,58 | 6,63 | 7,06 | 9,50 | ||
| Max. verwarmingsvermo-gen [kw]55 °C | A-15/W55 A-7/W55 A2/W55 A7/W55 A15/W55 A20/W55 | A40/W55 | |||||
| 0 dB 6,10 7,09 7,08 | 8,16 | 10,00 | 10,00 | 10,00 | |||
| 1 dB 6,09 7,06 7,08 | 8,16 | 10,00 | 10,00 | 10,00 | |||
| 2 dB 5,91 6,88 7,07 | 7,99 | 10,00 | 10,00 | 10,00 | |||
| 3 dB 5,33 6,29 6,76 | 7,44 | 10,00 | 10,00 | 10,00 | |||
| 4 dB 4,80 5,74 6,29 | 6,96 | 9,92 | 10,00 | 10,00 | |||
| 5 dB 4,32 5,22 5,83 | 6,50 | 9,04 | 9,92 | 10,00 | |||
| 6 dB 3,89 4,76 5,41 | 6,21 | 8,29 | 9,11 | 10,00 | |||
| 7 dB 3,53 4,36 5,04 | 5,91 | 7,71 | 8,41 | 10,00 | |||
| 8 dB 3,21 4,00 4,69 | 5,71 | 7,16 | 7,80 | 10,00 | |||
| 9 dB - 3,66 4,36 | 5,51 | 6,64 | 7,23 | 10,00 | |||
| 10 dB - 3,47 4,04 | 5,09 | 6,14 | 6,68 | 9,68 | |||
| Max. koelver-mogen [kw] | A35/W7 | A35/W18 |
| 0 dB | 6,51 | 6,98 |
| 1 dB | 6,44 | 6,87 |
| 2 dB | 6,43 | 6,85 |
| 3 dB | 6,39 | 6,80 |
| 4 dB | 6,34 | 6,77 |
| 5 dB | 6,30 | 6,72 |
| 6 dB | 6,14 | 6,66 |
| 7 dB | 5,69 | 6,64 |
| 8 dB | 5,31 | 6,55 |
| 9 dB | 4,91 | 6,39 |
| 10 dB | 4,50 | 5,88 |
15.6.3 WPL-A 10.2 Plus HK 230, WPL-A 10.2 W Plus HK 230
| Max.verwar-mingsvermo-gen [kw] 35°C | A-15/W35 A-7/W35 A2/W35 A7/W35 A15/W35 A20/W35 A40/W35 | |||||
| 0 dB 8,98 10,07 9,84 11,97 14,00 14,00 13,00 | ||||||
| 1 dB 6,66 7,73 8,90 9,96 14,00 14,00 13,00 | ||||||
| 2 dB 6,33 7,37 8,54 9,64 13,38 14,00 13,00 | ||||||
| 3 dB 6,01 7,03 8,19 9,30 12,82 13,58 13,00 | ||||||
| 4 dB 5,71 6,70 7,85 8,97 12,29 12,89 13,00 | ||||||
| 5 dB 5,43 6,39 7,54 8,68 11,77 12,26 13,00 | ||||||
| 6 dB 5,17 6,09 7,23 8,64 11,26 11,69 13,00 | ||||||
| 7 dB - 5,80 6,93 8,61 10,75 11,10 13,00 | ||||||
| 8 dB - 5,51 6,64 8,57 10,26 10,56 13,00 | ||||||
| 9 dB - 5,24 6,35 8,20 9,79 10,03 13,00 | ||||||
| 10 dB - 4,98 6,08 7,85 9,30 9,52 13,00 | ||||||
| Max.verwar-mingsvermo-gen [kw]55 °C | A-15/W55 A-7/W55 A2/W55 A7/W55 A15/W55 A20/W55 A40/W55 | |||||
| 0 dB 8,72 10,02 9,92 11,63 14,00 14,00 14,00 | ||||||
| 1 dB 6,25 7,47 8,27 9,73 12,76 14,00 14,00 | ||||||
| 2 dB 5,91 7,09 7,95 9,45 12,17 13,74 14,00 | ||||||
| 3 dB 5,58 6,73 7,63 9,09 11,68 13,07 14,00 | ||||||
| 4 dB 5,27 6,39 7,32 8,73 11,20 12,42 14,00 | ||||||
| 5 dB 5,00 6,08 7,03 8,39 10,75 11,88 14,00 | ||||||
| 6 dB 4,74 5,78 6,75 8,29 10,31 11,37 14,00 | ||||||
| 7 dB - 5,50 6,47 8,19 9,89 10,85 14,00 | ||||||
| 8 dB - 5,22 6,20 7,84 9,47 10,36 14,00 | ||||||
| 9 dB - 4,96 5,94 7,50 9,06 9,86 14,00 | ||||||
| 10 dB - 4,71 5,68 7,17 8,65 9,39 13,41 | ||||||
| Max. koelver-mogen [kw] | A35/W7 | A35/W18 |
| 0 dB | 9,33 | 10,51 |
| 1 dB | 9,33 | 10,47 |
| 2 dB | 8,65 | 10,42 |
| 3 dB | 8,29 | 10,40 |
| 4 dB | 8,01 | 10,36 |
| 5 dB | 7,71 | 9,87 |
| 6 dB | 7,44 | 9,50 |
| 7 dB | 7,13 | 9,14 |
| 8 dB | 6,96 | 8,89 |
| 9 dB | 6,51 | 8,54 |
| 10 dB | 6,23 | 8,21 |
三
15.6.4 WPL-A 10.2 Plus HK 400, WPL-A 10.2 W Plus HK 400
| Max. verwarmingsvermo-gen [kw] 35°C | A-15/W35 A-7/W35 A2/W35 A7/W35 A15/W35 A20/W35 A40/W35 | ||||||
| 0 dB 8,98 10,07 9,84 11,97 14,00 14,00 13,00 | |||||||
| 1 dB 6,66 7,73 8,90 9,96 14,00 14,00 13,00 | |||||||
| 2 dB 6,33 7,37 8,54 9,64 13,38 14,00 13,00 | |||||||
| 3 dB 6,01 7,03 8,19 9,30 12,82 13,58 13,00 | |||||||
| 4 dB 5,71 6,70 7,85 8,97 12,29 12,89 13,00 | |||||||
| 5 dB 5,43 6,39 7,54 8,68 11,77 12,26 13,00 | |||||||
| 6 dB 5,17 6,09 7,23 8,64 11,26 11,69 13,00 | |||||||
| 7 dB - 5,80 6,93 8,61 10,75 11,10 13,00 | |||||||
| 8 dB - 5,51 6,64 8,57 10,26 10,56 13,00 | |||||||
| 9 dB - 5,24 6,35 8,20 9,79 10,03 13,00 | |||||||
| 10 dB - 4,98 6,08 7,85 9,30 9,52 13,00 | |||||||
| Max. verwarmingsvermo-gen [kw]55 °C | A-15/W55 A-7/W55 A2/W55 A7/W55 A15/W55 A20/W55 A40/W55 | ||||||
| 0 dB 8,72 10,02 9,92 11,63 14,00 14,00 14,00 | |||||||
| 1 dB 6,25 7,47 8,27 9,73 12,76 14,00 14,00 | |||||||
| 2 dB 5,91 7,09 7,95 9,45 12,17 13,74 14,00 | |||||||
| 3 dB 5,58 6,73 7,63 9,09 11,68 13,07 14,00 | |||||||
| 4 dB 5,27 6,39 7,32 8,73 11,20 12,42 14,00 | |||||||
| 5 dB 5,00 6,08 7,03 8,39 10,75 11,88 14,00 | |||||||
| 6 dB 4,74 5,78 6,75 8,29 10,31 11,37 14,00 | |||||||
| 7 dB - 5,50 6,47 8,19 9,89 10,85 14,00 | |||||||
| 8 dB - 5,22 6,20 7,84 9,47 10,36 14,00 | |||||||
| 9 dB - 4,96 5,94 7,50 9,06 9,86 14,00 | |||||||
| 10 dB - 4,71 5,68 7,17 8,65 9,39 13,41 | |||||||
| Max. koelver-mogen [kw] | A35/W7 | A35/W18 |
| 0 dB | 9,33 | 10,51 |
| 1 dB | 9,33 | 10,47 |
| 2 dB | 8,65 | 10,42 |
| 3 dB | 8,29 | 10,40 |
| 4 dB | 8,01 | 10,36 |
| 5 dB | 7,71 | 9,87 |
| 6 dB | 7,44 | 9,50 |
| 7 dB | 7,13 | 9,14 |
| 8 dB | 6,96 | 8,89 |
| 9 dB | 6,51 | 8,54 |
| 10 dB | 6,23 | 8,21 |
15.6.5 WPL-A 13.2 Plus HK 400, WPL-A 13.2 W Plus HK 400
| Max. verwarmingsvermo-gen [kw] 35°C | A-15/W35 A-7/W35 A2/W35 A7/W35 A15/W35 A20/W35 A40/W35 | ||||||
| 0 dB 11,64 13,15 | 13,04 15,31 18,20 18,20 17,68 | ||||||
| 1 dB 11,63 13,14 | 13,04 15,31 18,20 18,20 17,68 | ||||||
| 2 dB 11,37 12,85 | 13,04 15,26 18,20 18,20 17,68 | ||||||
| 3 dB 10,65 12,12 | 13,03 14,85 18,20 18,20 17,68 | ||||||
| 4 dB 9,96 11,41 | 12,81 14,19 18,20 18,20 17,68 | ||||||
| 5 dB 9,31 10,74 | 12,23 13,53 18,20 18,20 17,68 | ||||||
| 6 dB 8,70 10,09 | 11,58 12,79 18,20 18,20 17,68 | ||||||
| 7 dB 8,12 9,48 | 10,95 12,23 17,38 18,20 17,68 | ||||||
| 8 dB 7,61 8,91 | 10,37 11,70 16,42 17,30 17,68 | ||||||
| 9 dB 7,11 8,37 9,81 | 11,22 15,47 16,25 17,67 | ||||||
| 10 dB - 7,86 9,27 | 10,74 14,55 15,31 17,65 | ||||||
| Max. verwarmingsvermo-gen [kw]55 °C | A-15/W55 A-7/W55 A2/W55 A7/W55 A15/W55 A20/W55 | A40/W55 | |||||
| 0 dB 11,22 13,11 | 13,34 14,99 18,20 18,20 18,20 | ||||||
| 1 dB 11,22 13,10 | 13,34 14,99 18,20 18,20 18,20 | ||||||
| 2 dB 10,94 12,83 | 13,30 14,80 18,20 18,20 18,20 | ||||||
| 3 dB 10,16 12,07 | 13,01 13,93 18,20 18,20 18,20 | ||||||
| 4 dB 9,43 11,30 | 12,34 13,23 18,20 18,20 18,20 | ||||||
| 5 dB 8,75 10,56 | 11,70 12,56 18,20 18,20 18,20 | ||||||
| 6 dB 8,11 9,87 11,09 12,02 16,97 18,20 18,20 | |||||||
| 7 dB 7,52 9,21 10,50 11,70 15,88 17,47 18,20 | |||||||
| 8 dB 7,01 8,63 9,96 11,17 15,01 16,35 18,20 | |||||||
| 9 dB 6,53 8,09 9,44 10,66 14,17 15,41 18,20 | |||||||
| 10 dB - 7,57 8,93 | 10,15 13,40 14,45 18,20 | ||||||
| Max. koelver-mogen [kW] | A35/w7 | A35/w18 |
| 0 dB | 10,09 | 12,95 |
| 1 dB | 10,04 | 12,92 |
| 2 dB | 10,01 | 12,83 |
| 3 dB | 9,93 | 12,79 |
| 4 dB | 9,88 | 12,67 |
| 5 dB | 9,88 | 12,61 |
| 6 dB | 9,88 | 12,52 |
| 7 dB | 9,81 | 12,44 |
| 8 dB | 9,73 | 12,30 |
| 9 dB | 9,60 | 12,13 |
| 10 dB | 9,12 | 11,91 |
三
15.7 Gegevenstabel
| WPL-A 05.2Plus HK 230 | WPL-A 07.2Plus HK 230 | WPL-A 10.2Plus HK 230 | WPL-A 10.2Plus HK 400 | WPL-A 13.2Plus HK 400 | ||
| WPL-A 05.2 WPlus HK 230 | WPL-A 07.2 WPlus HK 230 | WPL-A 10.2 WPlus HK 230 | WPL-A 10.2 WPlus HK 400 | WPL-A 13.2 WPlus HK 400 | ||
| Productnummer 206121 206122 206124 206125 206127 | ||||||
| Productnummer 208357 208427 208428 208429 208430 | ||||||
| Energiegegevens | ||||||
| Energierendementsklasse warmtepomp W35 | A+++ A+++ A+++ A+++ A+++ | |||||
| Energierendementsklasse warmtepomp W55 | A+++ A+++ A+++ A+++ A+++ | |||||
| Energieklasse gecombineerde installatie (warmtepomp + regelaar) W35 | A+++ A+++ A+++ A+++ A+++ | |||||
| Energieklasse gecombineerde installatie (warmtepomp + regelaar) W55 | A+++ A+++ A+++ A+++ A+++ | |||||
| Warmtevermogens | ||||||
| Verwarmingsvermogen bij A7/W35 (min./max.) | kW 2,77/6,63 2,76/8,47 3,69/11,97 3,69/11,97 5,11/15,31 | |||||
| Verwarmingsvermogen bij A2/W35 (min./max.) | kW 2,36/5,31 2,36/6,96 3,05/9,84 3,05/9,84 4,36/13,04 | |||||
| Verwarmingsvermogen bij A-7/W35 (min./max.) | kW 1,71/5,22 1,71/7,09 2,67/10,07 2,67/10,07 3,21 /13,15 | |||||
| Verwarmingsvermogen bij A7/W35 (EN 14511) | kW 2,77 3,05 4,32 4,32 5,79 | |||||
| Verwarmingsvermogen bij A7/W55 (EN 14511) | kW 2,84 2,65 4,05 4,05 5,10 | |||||
| Verwarmingsvermogen bij A2/W35 (EN 14511) | kW 3,14 3,29 4,09 4,09 4,82 | |||||
| Verwarmingsvermogen bij A2/W35 (EN 14511) met ontdooiing | kW 3,14 4,30 5,92 5,92 8,10 | |||||
| Verwarmingsvermogen bij A2/W55 (EN 14511) | kW 3,15 4,43 6,14 6,14 8,14 | |||||
| Verwarmingsvermogen bij A-7/W35 (EN 14511) | kW 5,22 7,09 10,07 10,07 13,15 | |||||
| Verwarmingsvermogen bij A-7/W55 (EN 14511) | kW 5,09 7,09 10,02 10,02 13,11 | |||||
| Verwarmingsvermogen bij A-7/W65 (EN 14511) | kW 4,63 6,71 9,65 9,65 12,89 | |||||
| Verwarmingsvermogen bij A-7/W75 (EN 14511) | kW 4,62 5,64 8,33 9,00 12,32 | |||||
| Koelvermogen bij A35/W7 gedeeltelijke be-lasting | kW 2,32 2,32 3,53 3,53 4,29 | |||||
| Max. koelvermogen bij A35/W7 kW 4,50 6,51 9,33 9,33 10,09 | ||||||
| Koelvermogen bij A35/W18 gedeeltelijke be-lasting | kW 3,15 3,15 4,29 4,29 5,81 | |||||
| Max. koelvermogen bij A35/W18 kW 4,96 6,98 10,51 10,51 12,95 | ||||||
| Verbruik | ||||||
| Verbruik bij A7/W35 (EN 14511) kW 0,50 0,56 0,80 0,80 1,07 | ||||||
| Verbruik bij A7/W55 (EN 14511) kW 0,87 0,83 1,27 1,27 1,56 | ||||||
| Verbruik bij A2/W35 (EN 14511) kW 0,67 0,72 0,90 0,90 1,09 | ||||||
| Opgenomen vermogen bij A2/W35 (EN 14511) met ontdooiing | kW 0,67 1,01 1,41 1,41 1,97 | |||||
| Verbruik bij A2/W55 (EN 14511) kW 1,05 1,56 2,12 2,12 2,82 | ||||||
| Verbruik bij A-7/W35 (EN 14511) kW 1,50 2,18 3,20 3,20 4,23 | ||||||
| Verbruik bij A-7/W55 (EN 14511) kW 1,95 2,74 4,04 4,04 5,24 | ||||||
| Verbruik bij A-7/W65 (EN 14511) kW 2,19 3,37 4,79 4,79 6,41 | ||||||
| Verbruik bij A-7/W75 (EN 14511) kW 2,78 3,57 5,44 5,88 7,63 | ||||||
| COPs | ||||||
| COP bij A7/W35 (EN 14511) 5,48 5,50 5,40 5,40 5,41 | ||||||
| COP bij A7/W55 (EN 14511) 3,26 3,19 3,18 3,18 3,26 | ||||||
| COP bij A2/W35 (EN 14511) 4,72 4,57 4,54 4,54 4,41 | ||||||
| COP bij A2/W35 (EN 14511) met ontdooiing 4,72 4,26 4,21 4,21 4,10 | ||||||
| COP bij A2/W55 (EN 14511) 3,00 2,84 2,90 2,90 2,89 | ||||||
| COP bij A-7/W35 (EN 14511) | 3,47 3,25 3,15 3,15 3,11 | |||||
| COP bij A-7/W55 (EN 14511) | 2,62 2,58 2,48 2,48 2,50 | |||||
| WPL-A 05.2 W Plus HK 230 | WPL-A 07.2 W Plus HK 230 | WPL-A 10.2 W Plus HK 230 | WPL-A 10.2 W Plus HK 400 | WPL-A 13.2 W Plus HK 400 | ||
| COP bij A-7/W65 (EN 14511) 2,11 1,99 2,02 2,02 2,01 | ||||||
| COP bij A-7/W75 (EN 14511) 1,66 1,58 1,53 1,53 1,62 | ||||||
| Koelrendement bij A35/W7 gedeeltelijke be-lasting | 3,83 3,83 3,87 3,87 3,95 | |||||
| Max. koelrendement bij A35/W7. 3,29 2,97 2,76 2,76 3,14 | ||||||
| Koelrendement bij A35/W18 gedeeltelijke belasting | 5,29 5,29 5,46 5,46 5,41 | |||||
| Max. koelrendement bij A35/W18. 4,87 4,28 4,01 4,01 4,11 | ||||||
| SCOP 35 °C (EN 14825) gemiddelde klimaat-omstandigheden | 5,35 5,09 4,96 4,96 4,89 | |||||
| SCOP 55 °C (EN 14825) gemiddelde klimaat-omstandigheden | 4,07 4,02 3,99 3,99 4,01 | |||||
| Geluidsgegevens | ||||||
| Geluidsniveau (EN 12102) dB(A) 43 43 46 46 45 | ||||||
| Max. geluidsvermogen dB(A) 54 57 59 59 60 | ||||||
| Max. gereduceerd geluidsniveau in de nachtwerking | dB(A) 44 47 49 49 50 | |||||
| Werkingsgebied | ||||||
| Min. werkingsgebied warmtebron °C -25 -25 -25 -25 -25 | ||||||
| Max. werkingsgebied warmtebron °C 40 40 40 40 40 | ||||||
| Min. werkingsgebied verwarmingszijde °C 15 15 15 15 15 | ||||||
| Max. werkingsgebied verwarmingszijde °C 75 75 75 75 75 | ||||||
| Min. werkingsgebied buitentemperatuur koelwerking | °C 15 15 15 15 15 | |||||
| Max. werkingsgebied buitentemperatuur koelwerking | °C 45 45 45 45 45 | |||||
| Toegelaten bedrijfsoverdruk verwarmings-circuit | MPa 0,25 0,25 0,25 0,25 0,25 | |||||
| Werkingsgebied verwarmen min./max. buitentemperatuur | °C -25/40 -25 / 40 °C -25/40 -25 / 40 °C -25 / 40 °C | |||||
| Werkingsgebied verwarmen min./max. aan-voertemperatuur | °C 15/75 | 15 / 75 °C | 15/75 | 15 / 75 °C | 15 / 75 °C | |
| Werkingsgebied koelen min./max. buiten-temperatuur | °C 15/45 | 15 / 45 °C | 15/45 | 15 / 45 °C | 15 / 45 °C | |
| Afmetingen | ||||||
| Hoogte | mm 960 | 960 | 1144 | 1144 | 1365 | |
| Breedte | mm 1170 | 1170 | 1170 | 1170 | 1170 | |
| Diepte | mm 727 | 727 | 727 | 727 | 727 | |
| Gewichten | ||||||
| Gewicht | kg 144 | 145 | 166 | 166 | 205 | |
| Elektrische gegevens | ||||||
| Nominale spanning compressor | V 230 | 230 | 230 | 400 | 400 | |
| Nominale spanning sturing | V 230 | 230 | 230 | 230 | 230 | |
| Fasen compressor | 1/N/PE | 1/N/PE | 1/N/PE | 3/N/PE | 3/N/PE | |
| Fasen sturing | 1/N/PE | 1/N/PE | 1/N/PE | 1/N/PE | 1/N/PE | |
| Beveiliging compressor | A 1 x B 16 | 1 x B 16 | 1 x B 25 | 3 x B 10 | 3 x B 16 | |
| Beveiliging sturing | A 1 x B 16 | 1 x B 16 | 1 x B 16 | 1 x B 16 | 1 x B 16 | |
| Max. opgenomen vermogen warmtepomp | kW 3,24 3,68 6,83 6,83 8,61 | |||||
| Aanloopstroom | A 8,4 | 8,4 | 8,0 | 5,2 | 4,8 | |
| Max. bedrijfsstroom | A 15,5 | 15,5 | 24,9 | 9,7 | 13 | |
| Frequentie | Hz 50 50 50 50 50 | |||||
| Waarden | ||||||
| Ontwerpdebiet bij A-7/W35 7K | m3/u 0,67 0,92 1,31 1,31 1,74 | |||||
| Min. debiet verwarming | m3/u 0,30 0,30 0,42 0,42 0,54 | |||||
| Min. debiet ontdooiling m3/u 0,53 0,53 0,72 0,72 0,90 | ||||||
| Min. debiet koeling | m3/u 0,66 0,53 0,72 0,72 0,90 | |||||
| Genormeerd debiet volgens EN 14511 toe-passing bij lage temperaturen | m3/u 0,48 0,53 0,75 0,75 0,98 | |||||
| Genormeerd debiet volgens EN 14511 toe-passing bij gemiddelde temperaturen | m3/u 0,31 0,31 0,44 0,44 0,55 | |||||
| Intern drukverlies bij nominaal debiet | hPa 53 | 102 | 137 | 137 | 207 | |
| KVS-waarde m3/u 2,87 2,87 3,53 3,53 3,83 | ||||||
| Debiet warmtebronzijde m3/u 2740 2990 4600 4600 5780 | ||||||
| Uitvoeringen | ||||||
| Koudemiddel R290 R290 R290 R290 | ||||||
| Inhoud koudemiddel kg 1,4 1,4 1,6 1,6 2,15 | ||||||
| Broeikaspotentieel van het koudemiddel (GWP100) | 3 3 3 3 3 | |||||
| CO2-equivalent (CO2e) t 0,0042 0,0042 0,0048 0,0048 0,00645 | ||||||
| Beschermingsgraad (IP) | IP14B | IP14B | IP14B | IP14B | IP14B | IP14B |
| Soort ontdooiing | Omkering van de kringloop | Omkering van de kringloop | Omkering van de kringloop | Omkering van de kringloop | Omkering van de kringloop | Omkering van de kringloop |
| Vorstbeveiliging | • | • | • | • | • | • |
| Condensormateriaal | 1.4401/Cu | 1.4401/Cu | 1.4401/Cu | 1.4401/Cu | 1.4401/Cu | 1.4401/Cu |
| Aansluiting verwarmingsaanvoer/-retour | G 1 1/4 A | G 1 1/4 A | G 1 1/4 A | G 1 1/4 A | G 1 1/4 A | G 1 1/4 A |
| Kleur bekleding | Zwartgrijs RAL 7021 | Zwartgrijs RAL 7021 | Zwartgrijs RAL 7021 | Zwartgrijs RAL 7021 | Zwartgrijs RAL 7021 | Zwartgrijs RAL 7021 |
| Kleur bekleding | Signaalwit RAL 9003 | Signaalwit RAL 9003 | Signaalwit RAL 9003 | Signaalwit RAL 9003 | Signaalwit RAL 9003 | Signaalwit RAL 9003 |
| Overige gegevens | ||||||
| Maximale opstelhoogte | m 2000 2000 2000 2000 2000 | |||||
16 Garantie
Voor toestellen die buiten Duitsland zijn gekocht, gelden de garantievoorwaarden van onze Duitse ondernemingen niet. Bovendien kan in landen waar één van onze dochtermaatschappijen verantwoordelijk is voor de verkoop van onze producten, alleen garantie worden verleend door deze dochtermaatschappij. Een dergelijk garantie wordt alleen verstrekt, wanneer de dochtermaatschappij eigen garantievoorwaarden heeft gepubliceerd. In andere situaties wordt er geen garantie verleend.
Voor toestellen die in landen worden gekocht waar wij geen dochtermaatschappijen hebben die onze producten verkopen, verlenen wij geen garantie. Een eventueel door de importeur verzekerde garantie blijft onverminderd van kracht.
17 Milieu en recycling
▶ Gooi het toestel en de materialen na gebruik weg conform de nationale voorschriften.

▶ Wanneer op het toestel een doorgestreepte vuil-container is afgebeeld, brengt u het toestel voor hergebruik en recycling naar de gemeentelijke inzamelpunten of terugnamepunten in de handel.

Dit document bestaat uit recyclebaar papier.
▶ Gooi het document na de levenscyclus van het toestel overeenkomstig de nationale voorschriften weg.