R300 - Ketel Rendamax - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis R300 Rendamax in PDF-formaat.
| Type product | CV-ketel (gasgestookte verwarmingsketel) |
| Merk | Rendamax |
| Model | R300 |
| Categorie | HR107 (Gaskeur), condensatieketel |
| Vermogensbereik | 65 - 274 kW (afhankelijk van type R301 t/m R307) |
| Brandertype | Premix brander, water- en luchtgekoeld |
| Regeling | Modulerend (20-100%), temperatuurregeling met KM628 display |
| Toepassingen | Verwarming en tapwater (met externe boiler) |
| Rendement | Hoog rendement, condensatie (stookrendement >100% op onderwaarde) |
| Max. aanvoertemperatuur | 90°C (instelbaar) |
| Minimale retourwatertemperatuur | Geen beperking |
| Waterinhoud | Klein (snelle temperatuur aanpassing) |
| Gascategorie | NL: G20, G25, G30, G31 (2L3B/P, I2E(R)B, I3P) |
| Elektrische voeding | 230V / 50Hz, enkelfase; stroomopname max. 10A |
| Beveiligingen | Temperatuurbewaking, STW, STB, vorstbeveiliging, stromingsbeveiliging, vlambewaking, luchtdrukbewaking, etc. |
| Afmetingen (H x B x D) | Zie maatschets: typisch 943 x 500 x 760 mm (varieert per type) |
| Condensafvoer | Ja, via sifon naar riool |
| Type opstelling | Open (B23) of gesloten (C53, C33, C63) |
| Onderhoudsinterval | Minimaal jaarlijks |
Veelgestelde vragen - R300 Rendamax
Gebruikersvragen over R300 Rendamax
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Ketel in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding R300 - Rendamax en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. R300 van het merk Rendamax.
GEBRUIKSAANWIJZING R300 Rendamax
Technische documentatie
R300 R500
Editie 500nl, 01-10-2005
Alle rechten voorbehouden.
Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt d.m.v. druk, foto-kopie, microfilm, elektronisch op geluidsband of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Rendamax B.V.
Wij streven voortdurend naar verbetering van onze producten. Hieruit voortvloeiende veranderingen kunnen derhalve afwijken van dit document. Rendamax B.V. wijst iedere aansprakelijkheid ten gevolge van verschillen tussen gegevens in dit document en de geleverde apparatuur af.
Inhoudsopgave
1.3 Deze documentatie
1.4 Service 8
1.5 Algemeen voorbehoud
2 Beschrijving
2.1 Algemeen
2.2 Hoofdonderdelen 10
2.2.1 Beschrijving hoofdonderdelen 11
2.3 Regeling 12
2.4 Beveiliging
3 Veiligheid
4 Levering en transport 14
4.1 Levering
4.2 Verpakking
4.3 Transport
5 Installatie 15
5.1 Voorschriften
5.2 Stookruimte
5.2.1 Algemeen
5.2.2 Opstelling
5.2.3 Ventilatie
5.3 Aansluitingen 16
5.3.1 Gasaansluiting
5.3.2 Elektrische aansluiting
5.3.3 Wateraansluitingen 19
5.3.4 Verbrandingsluchttoevoer 20
5.3.4.1 Algemeen
5.3.4.2 Luchttoevoerkanaal
5.3.5 Rookgasafvoer 22
5.3.5.1 Algemeen
5.3.5.2 Schoorsteen 23
5.3.6 Condensafvoer 25
5.4 Hydraulisch systeem 26
5.4.1 Algemeen
5.4.2 Waterstroming
5.4.2.1 Stroming en weerstand
5.4.2.2 Pompkarakteristieken 27
5.4.2.3 Afsluiters 28
5.4.2.4 Kleppen 29
5.4.2.5 Waterstromingsbeveiliging 29
5.4.3 Waterdruk
5.4.3.1 Bedrijfsdruk
5.4.3.2 Ketelexpansievat
5.4.3.3 Systeemexpansievat
5.4.3.4 Waterdrukbeveiliging
5.4.4 Watertemperatuur
5.4.5 Waterkwaliteit
5.4.6 Voorbeelden hydraulisch systeem 31
6 Bedieningsinstructies 33
6.1 Werking
6.2 Regeling
6.3 Ketelmodule 34
6.4 Storingsmeldingen 35
6.5 Inbedrijfstellen 37
6.6 Uitschakelen
6.7 Waarschuwingen
7 Inbedrijfstelling 38
7.1 Algemeen
7.2 Inbedrijfstelling
8 Onderhoud 40
8.1 Veiligheid
8.2 Algemeen
8.3 Procedure 41
8.4 Reinigen brander, warmtewisselaar
8.5 Reinigen zeef gascombinatieblok
8.6 Ionisatiemeting
8.7 Service
9 Omrekenformules en -factoren 42
R300 R500 Bypass 45
1.2.1 Beschrijving hoofdonderdelen 54
2 Installatie
2.1 Aansluitingen
2.1.1 Elektrische aansluiting
2.1.2 Wateraansluitingen
2.1.3 Condensafvoer
2.2 Hydraulisch systeem 56
2.2.1 Algemeen
2.2.2 Waterstroming
2.2.2.1 Stroming en weerstand
2.2.2.2 Pompkarakteristieken
2.3 Voorbeelden hydraulische systeem 59
De serie R500 heeft voor Nederland een Gaskeur label SV/HR107. In België voldoet de R500 serie aan de VLAREM-eisen.
Afmetingen R500




Tabel 2 Afmetingen R500
(Wijzigingen voorbehouden)
Ten gevolge van fabricage-tolerantie kunnen bovenstaande gegevens iets afwijken.
Condities tabel 1:
- Nominaal vermogen gemeten bij: 60 - 80°C.
- Gasverbruik bij: 1013 mbar, 15°C, droog.
- Gas-categorie NL: B: 2L3B/P I2E(R)B, I3P
- Toestelcategorie: B23, C53, C33 of C63
- Beschermingsgraad: IP20
De serie R300 heeft voor Nederland een Gaskeur label SV/HR107. In België voldoet de R300 serie aan de VLAREM-eisen.
Afmetingen R300


Fig. 2 Maatschets R300


Tabel 4 Afmetingen R300
(Wijzigingen voorbehouden)
Ten gevolge van fabricage-tolerantie kunnen bovenstaande gegevens iets afwijken.
Condities tabel 3:
- Nominaal vermogen gemeten bij: 60 - 80°C.
- Gasverbruik bij: 1013 mbar, 15°C, droog.
- Gas-categorie NL: B: 2L3B/P I2E(R)B, I3P
- Toestelcategorie: B23, C53, C33 of C63
- Beschermingsgraad: IP20
1 Inleiding
1.1 Rendamax

1968, heeft Rendamax B.V. vanuit haar Nederlandse basis een wereldwijde reputatie opgebouwd in ontwikkeling, productie en marketing van gasgestookte 'high performance' verwarmingsketels voor professionele toepassingen in het vermogensgebied van 40 tot 1200 kW. Deze positie is sinds de samengang met de Italiaanse MTS-groep, een wereldleider op het gebied van verwarming, verder versterkt.
Door de unieke opbouw onderscheiden deze verwarmingsketels zich door hun:
- hoog thermisch rendement
- milieuvriendelijkheid (ze voldoen aan strengste milieueisen)
- gering gewicht en kleine afmetingen
- duurzaamheid
- laag geluidsniveau
- groot regelbereik
- leverbaarheid in velerlei uitvoeringen.
Actieve en marktgerichte research stelt Rendamax in staat oplossingen te bieden voor de meest uitdagende verwarmingseisen.
1.2 Leverancier
Rendamax producten worden in de meeste Europese landen verkocht door geselecteerde leveranciers. Voor adviezen of meer informatie met betrekking tot onze producten is uw Rendamax leverancier u gaarne van dienst. Vanzelfsprekend kunt u ook informatie inwinnen via www.rendamax.com
1.3 Deze documentatie*
Deze documentatie is samengesteld ten behoeve van de volgende doelgroepen:
- de technisch adviseur
- de installateur
- de onderhoudsmonteur
- de gebruiker.
Om deze doelgroepen van de benodigde informaties te voorzien heeft Rendamax ervoor gekozen een zo compleet mogelijke technische documentatie samen te stellen in de vorm van dit boek. Mocht u als lezer van dit document op- of aanmerkingen hebben, aarzel dan niet om ons dit mee te delen.
Uw leverancier zal u graag behulpzaam zijn indien u aanvullende gegevens wenst.
De volgende aspecten van de ketels worden behandeld:
- algemene beschrijving
- technische specificaties
- noodzakelijke voorzieningen voor het ontwerpen en installeren
- installatie voorbeelden
- onderhoudsinstructies.
De bedieningsinstructies voor de gebruiker zijn bij de unit geleverd (grijze envelop). Tevens vindt u deze in hoofdstuk 6.
Voor het inbedrijfstellen en het verlenen van service voor onderhoud staat de servicedienst van uw Rendamax leverancier steeds tot uw beschikking.
1.5 Algemeen voorbehoud
Toepassing, installatie en onderhoud van Rendamax producten dient altijd te geschieden met inachtneming van de voor deze installaties geldende (wettelijke) eisen, voorschriften en normen.
Alle door Rendamax B.V. verstrekte gegevens, informatie en suggesties met betrekking tot haar producten zijn op zorgvuldig onderzoek gebaseerd. Daar echter toepassing, installatie en exploitatie ervan geschieden buiten invloed van Rendamax B.V., aanvaardt deze, noch enige andere met Rendamax B.V. verbonden organisatie, hiervoor geen enkele aansprakelijkheid.
Wijzigingen kunnen zonder voorafgaande kennisgeving worden doorgevoerd. Rendamax B.V. verplicht zich daarmee niet om eerder geleverde producten dienovereenkomstig aan te passen.
2 Beschrijving
2.1 Algemeen
De Rendamax R500 en R300 ketels zijn milieuvriendelijke gasgestookte verwarmingsketels, die moduleren van 20% tot 100% van hun maximale belasting. De serie R500 bestaat uit 7 typen in het vermogensgebied van 62 tot 247 kW. De serie R300 bestaat uit 7 typen in het vermogensgebied van 65 tot 274 kW. De units hebben een extreem lage NO x en CO uitstoot waardoor deze ketels aan de strengste Europese milieueisen voldoen.

o serie is voor alle betreffende Europese landen CE gekeurd en staat geregistreerd onder het product identificatienummer oo63BL3354.
De ketels kunnen zowel als open (categorie B23) en als gesloten (categorie C53, C33 of C63) uitvoering toegepast worden.
Standaard wordt de ketel elektrisch bedraad, volledig samengebouwd en afgetest geleverd.
Werkingsprincipe en opbouw
Door een toerengeregelde toevoerventilator wordt lucht naar behoefte ingeblazen en intensief gemengd met gas in de juiste verhouding.
Een temperatuurregelaar vergelijkt de gewenste watertemperatuur met de aanvoerwatertemperatuur. De regelaar zorgt ervoor dat zo nodig de belasting aangepast wordt. De ventilator geeft een toerental-terugmelding, indien nodig past de regelaar het toerental aan.
Het gevormde mengsel wordt door de gekoelde premix brander gevoerd en verbrand. De premix brander is opgebouwd uit bimetalen vinpijpen (inwendig RVS en uitwendig aluminium) en gietijzeren waterverdeelstukken.
De warmte-uitwisseling vindt plaats in een drietal warmtewisselaars. De 1 ste warmtewisselaar is opgebouwd uit gladde RVS buizen. De 2 de warmtewisselaar is voorzien van gelaserlaste RVS vinpijpen. De 3 de warmtewisselaar is voorzien van gelaserlaste RVS vinpijpen (R500) of gladde RVS buizen (R300). De warmtewisselaars zijn voorzien van geprofileerde gietijzeren waterverdeelstukken die een optimale doorstroming garanderen. De brander en de warmtewisselaars zijn in serie geschakeld.
De R500/R300 ketel heeft een kleine waterinhoud waardoor hij in staat is de watertemperatuur snel aan veranderende omstandigheden aan te passen. Hij kan zonder enige beperking van de retourwatertemperatuur toegepast worden. Een optioneel los meegeleverde pomp zorgt voor het benodigde waterdebiet.
Toepassingsmogelijkheden
De R500/R300 ketel is door zijn samenstelling geschikt voor gebruik in verwarmingssystemen:
- met constante aanvoertemperatuur
- weersafhankelijk gestookt
- laag temperatuur condenssysteem
- condenserend geoptimaliseerd
- besturing m.b.v. gebouwenoptimalisatiesysteem
(2 - 10 Vdc = +10°C - +90 °C, zie 5.3.2 aansluitklemmen).

Fig. 4 Algemeen overzicht
2.2 Hoofdonderdelen
1 beplating 17 frame
2 luchtdrukschakelaar 18 vul-/aftapkraan
3 bedieningspaneel 19 retouraansluiting
4 brander 20 stromingsschakelaar
5 verbrandingskamer 21 waterverdeelstukken
6 1 ste warmtewisselaar 22 ontsteektrafo
7 2de warmtewisselaar 23 aansluitklemmen
8 3 de warmtewisselaar 24 verdeelplaat
9 condensopvangbak 25 gasklep
10 schoorsteenlengtecompensator 26 ventilator
11 condensafvoer 27 gasfilter (optie)
12 rookgasafvoeraansluiting 28 luchttoevoeraansluiting
13 aanvoeraansluiting A lucht
14 veiligheidsventiel (optie) B gas
15 gasaansluiting C rookgassen
16 stelvoeten D condensaat
2.2.1 Beschrijving hoofdonderdelen
De ketel is opgebouwd uit de volgende hoofdonderdelen:
Ventilator [26]
Met behulp van de ventilator wordt verbrandingslucht aangezogen en in druk verhoogd. De ventilator is een gelijkstroomventilator, welke voorzien is van toerental-terugmelding. Deze toerental-terugmelding wordt aan de regelaar doorgegeven, welke indien nodig corrigeert.
Gasstraat
Het hoofdonderdeel van de gasstraat is de gasklep [25]. De gashoeveelheid wordt afhankelijk van de luchthoeveelheid geregeld. De luchthoeveelheid varieert met het toerental van de ventilator. Optioneel kan de ketel voorzien worden van een gasfilter [27].
Brander [4]
Nadat het gas/lucht-mengsel met behulp van een verdeelplaat over de brander is verdeeld, wordt het mengsel aan het branderoppervlak verbrand, waarbij de vlam naar beneden is gericht. De brander is water- en luchtgekoeld. De waterverdeelstukken zijn uitgevoerd in gietijzer, en zorgen voor een 2-pass stroming door de brander.
De 1 ste warmtewisselaar is opgebouwd uit gladde RVS buizen. Deze draagt een groot deel van de verbrandingsenergie over aan het systeemwater. De 2 de warmtewisselaar is voorzien van gelaserlaste RVS vinpijpen. De 3 de warmtewisselaar is voorzien van gelaserlaste RVS vinpijpen (R500) of gladde RVS buizen (R300). De tweede en derde warmtewisselaar dragen de warmte uit de rookgassen over aan het systeemwater. Alle waterverdeelstukken zijn uitgevoerd in gietijzer en zorgen voor een 5-pass of 3-pass stroming door de warmtewisselaars (type-afhankelijk). De ruimte tussen de brander en de eerste warmtewisselaar vormt de verbrandingskamer.
Waterverdeelstukken [21]
De waterverdeelstukken vormen een deel van de brander en de warmtewisselaars.
Wateraansluitingen
Deze bestaan uit een aanvoer- [13] en retouraansluiting [19]. Beide aansluitingen zijn voorzien van een vul/aftapkraan [18]. In de aanvoerleiding is de stromingsschakelaar [20] aangebracht.
Ketelpomp (optioneel)
De ketelpomp wordt op de retouraansluiting van de ketel gemonteerd en elektrisch direct op de overeenkomstige klemmen in de aansluitkast aangesloten. De capaciteit en de opvoerhoogte van de pomp is voldoende om behalve de ketelweerstand ook enige systeemweerstand te overwinnen. De pomp wordt optioneel los bij de ketel meegeleverd.
Condensopvangbak [9]
Onder de laatste warmtewisselaar bevindt zich een condensopvangbak. Deze is voorzien van een condensaat- en rookgasafvoer.
Frame [17]
Het frame is een constructie van stalen gezette platen voorzien van trillingsdempende stelvoeten [16].
Beplating [1]
De beplating bestaat uit makkelijk te verwijderen panelen. Wanneer de deksel geopend is (met gereedschap), kunnen alle andere panelen zonder verder benodigd gereedschap verwijderd worden.
Elektrogroep
Hiertoe behoort de regeling en de beveiliging van de ketel.
Aansluitklemmen [23]
Elektrische ketelvoeding, aansluitklemmen, pompaansluiting en pomprelais zijn ondergebracht boven op de ketel. De klemmenstrook bevindt zich onder de deksel aan de rechterzijde.
2.3 Regeling
Bij warmtevraag zal de stand-alone ketel, indien aan alle voorwaardes is voldaan en er geen beveiligingen zijn aangesproken, in bedrijf komen. Deze warmtevraag ontstaat indien:
- De gemeten aanvoertemperatuur van de ketel lager is dan de gewenste aanvoertemperatuur
- Door verdraaien van de bedrijfskeuzeschakelaar is gekozen voor servicebedrijf I of II
- Onafhankelijk van de bedrijfsstand (∅, Ⓤ, ⚡, ⚡ I of ⚡ II) de vorstbeveiliging is aangesproken.
De geïntegreerde temperatuurregelaar zal door verandering van het ventilatortoerental de belasting in de ketel zodanig aanpassen dat de gewenste temperatuur wordt bereikt en deze constant gehouden wordt. Afhankelijk van de door de ventilator verplaatste hoeveelheid lucht zal een bepaalde hoeveelheid gas worden bijgevoegd. Hierdoor kan het ketelvermogen traploos worden gemoduleerd en kan de warmtevraag nauwkeurig worden gevolgd. Indien de aanvoertemperatuur stijgt boven de gewenste aanvoertemperatuur vermeerderd met de in te stellen hysterese zal de ketel uit bedrijf gaan. Zodra de aanvoertemperatuur weer onder de gewenste aanvoertemperatuur daalt, zal de ketel weer in bedrijf komen.
2.4 Beveiliging
De volgende beveiligingen zijn op de ketel aangebracht:
- temperatuurbewaking
- maximaal temperatuurbewaking (STW)
- maximaal temperatuurbegrenzing (STB) (beiden zijn instelbaar)
- vorstbeveiliging
- d.m.v. een buitenvoeler, indien de buitentemperatuur tot onder de o°C is gedaald
- op basis van aanvoertemperatuur, indien deze zich onder 5°C bevindt en/of de tapwatertemperatuur zich onder de 10°C bevindt
- waterstromingsbeveiliging (SW)
- gaskleppentest (alleen voor de types 3 t/m 7)
- gaskleppenlektest (optioneel)
- vlambewaking d.m.v. ionisatiestroommeting
- minimale luchtdrukbewaking (LDW)
- ventilator toerentalbewaking
- clixon-beveiliging ketel voedingspomp tegen oververhitting (types 5 - 7).
Indien een van deze beveiligingen actief wordt, zal de ketel in een vergrendelende of blokkerende storing gaan en uitgeschakeld worden. Vergrendelende storingen kunnen slechts na het opheffen van de oorzaak d.m.v. het indrukken van de reset toets worden gereset.
3 Veiligheid
Installatie voorschriften
Lees deze voorschriften door voordat met de installatie wordt begonnen.
Het toestel dient door een erkende installateur volgens de geldende nationale en lokale normen en voorschriften geïnstalleerd te worden.
De installatie is uitsluitend te gebruiken voor verwarmingssystemen tot een maximum watertemperatuur van 90°C.
Uitdrukkelijk wordt gesteld dat deze installatievoorschriften als aanvulling op de bovenbedoelde normen en voorschriften moet worden gezien en dat bovenbedoelde normen en voorschriften voorrang hebben op de informatie in deze technische documentatie.
Toegepaste pictogrammen

Instructie die van essentieel belang is voor het correct functioneren van de installatie.

Het niet nauwkeurig opvolgen van handelingen, bedieningsprocedures, etc. kan resulteren in ernstige beschadiging van de installatie, persoonlijk letsel of schade voor het milieu.

Gevaar voor elektrische schokken.

Nuttige informatie.
Onderhoud
Werkzaamheden aan de elektrische installatie mogen uitsluitend door een erkende installateur worden uitgevoerd conform de elektrotechnische regels.
Werkzaamheden aan de gasttechnische en hydraulische installatie mogen uitsluitend door hiervoor opgeleid personeel uitgevoerd worden volgens de veiligheidsvoorschriften voor gasinstallaties.

Houd onbevoegde personen weg van de installatie.
Plaats geen voorwerpen op de ketel. Blijf uit de buurt van de warmwateraansluiting en schoorsteen i.v.m. verbrandingsgevaar.
Verbreek voor aanvang van onderhouds- en servicewerkzaamheden de voedingsspanning en sluit de gaskraan in de gastoevoerleiding.
Controleer de gehele installatie na onderhouds- en servicewerkzaamheden op lekkages.

Als aanvulling op de informatie, verstrekt in deze technische documentatie, dienen ook de algemeen geldende veiligheidsvoorschriften ter voorkoming van ongelukken geraadpleegd te worden. Alle plaatdelen van de mantel dienen gemonteerd te zijn. Plaatdelen mogen alleen verwijderd worden voor onderhouds- en servicedoeleinden. Plaats na het plegen van onderhouds- en servicewerkzaamheden alle panelen terug.

Veiligheidsvoorzieningen
De installatie mag nooit ingeschakeld worden met verwijderde plaatdelen of buiten werking zijnde veiligheidsvoorzieningen.

Instructie- en waarschuwingsstickers
Instructie- en waarschuwingsstickers aangebracht op de installatie mogen nooit verwijderd dan wel afgedekt worden en dienen gedurende de gehele levensduur van de installatie leesbaar te zijn. Vervang beschadigde of onleesbare instructie- en waarschuwingsstickers onmiddellijk.
Modificatie
Modificatie van de installatie mag alleen uitgevoerd worden met schriftelijke goedkeuring van de fabrikant.
Ontploffingsgevaar
Volg bij werkzaamheden in de ketelruimte de daarvoor geldende voorschriften 'werken in een ruimte met ontploffingsgevaar' op.
Installatie
Het toestel dient door een erkende installateur volgens de geldende nationale en lokale normen en voorschriften geïnstalleerd te worden.
Volg alle veiligheidsinstructies nauwkeurig op.
Bediening
In het geval van een gaslekkage: schakel de ketel uit en draai de gaskraan dicht.
Open deuren en ramen en waarschuw de betrokken instanties.
Bij hernieuwde ingebruikstelling uitsluitend conform de gebruiksaanwijzing te werk gaan.
Technische specificaties
De in deze technische documentatie vermelde specificaties mogen niet overschreden worden.
4 Levering en transport
4.1 Levering
Standaard wordt de ketel compleet samengebouwd, getest en verpakt afgeleverd.
Controleer bij levering de ketel op beschadigingen.
Controleer of het geleverde in overeenstemming is met het gevraagde.
Controleer bij levering of het elektrisch- en gasstraatschemanummer (met eventuele wijzigings-letter) overeenkomt met het nummer in de offerte, de opdrachtbevestiging en de gegevens op het typeplaatje.
4.2 Verpakking
De ketel wordt in kartonnen verpakking op een pallet geleverd.
4.3 Transport

Raadpleeg bij transport de technische gegevens voor afmetingen en gewichten.

Verwijder de verpakking bij voorkeur pas ná transport en plaatsing in het ketelhuis of verwijder de beplating vóór transport. Dit om beschadiging van het plaatwerk te voorkomen.
Verplaatsing
De palletwagen/vorkheftruck kan aan de zijkant of aan de voorkant van de pallet worden geplaatst.
Standaard deuropening
De afmetingen van de ketel zijn zodanig dat alle typen, na verwijdering van de pallet, door een standaard deuropening van 80 cm te transporteren zijn (typen R507 en R307 met verwijderde buitenbeplating).
Plaatsing
Nadat de ketel op zijn plaats gezet is, kan de ketel d.m.v. stelvoeten waterpas worden gezet. Daarna kunnen de water-, gas-, schoorsteen-, condens- en elektrische aansluitingen worden aangebracht.
Bescherming tegen vorst
Bij een buiten bedrijf zijnde ketel bestaat in de winter gevaar voor bevriezing. Tap het water af m.b.v. de vul- en aftapkranen.
5 Installatie
5.1 Voorschriften
Het toestel dient door een erkende installateur volgens de geldende nationale en lokale normen en voorschriften geïnstalleerd te worden. Voor Nederland gelden tevens de normen NEN 3028 (2004) en NEN 1010.
Het inbedrijfstellen dient bij voorkeur te geschieden door de servicedienst van uw Rendamax leverancier.
5.2 Stookruimte
5.2.1 Algemeen
- Door de constructie van de ketel zijn de stralingsverliezen te verwaarlozen
- Door het lage geluidsniveau is verdere geluidsisolatie van de ruimte overbodig
- Door de hoge opstelling van de elektrische componenten is een sokkel overbodig
- Door zijn constructie is de benodigde opstellingsruimte zeer gering
- De inzetbaarheid van de ketel wordt vergroot doordat deze standaard als gesloten toestel wordt geleverd (zie hoofdstuk 5.3.4).
5.2.2 Opstelling
Voor een optimale opstelling van de ketels gelden voor de stookruimte de volgende richtlijnen:
a Stel het toestel op in een vorstvrije ruimte
b Let op de plaatsing en temperatuurgevoeligheid van de apparatuur
c Maak de stookruimte voldoende groot zodat er voldoende ruimte rondom het toestel aanwezig is voor onderhoud en eventuele vervanging van onderdelen.
De geadviseerde minimaal vrije ruimte is:
- 250 mm aan de zijkanten
- 1000 mm aan de voorzijde (vrije loopstrook).
Indien de geadviseerde ruimte niet wordt aangehouden, kan dit mogelijk de onderhoudswerkzaamheden beïnvloeden.
Dakopstelling
Bij dakopstelling of installaties waarbij het ketelhuis het hoogste punt van het systeem is, is de volgende beveiliging van belang.

De ketel mag NOOIT het hoogste punt van de installatie zijn; met andere woorden de aanvoer- en retourleidingen van de ketel (vanuit de ketel gezien) moeten eerst omhoog lopen en daarna naar beneden.
Hoewel elke ketel standaard is uitgevoerd met een waterstromingsbeveiliging, eisen plaatselijke instanties dikwijls een centrale laagwaterstandbeveiliging. Bij meerdere ketels is hiervoor slechts één extra beveiliging nodig.
5.2.3 Ventilatie
De ventilatie van de stookruimte dient te voldoen aan de geldende nationale en lokale normen en voorschriften.
Let m.b.t. het ventileren op de volgende punten:
a Handhaaf de geldende nationale en lokale normen en voorschriften voor de afmetingen van de doorlaten en de beveiliging van een eventuele mechanische ventilatie
b Maak de luchttoevoeropeningen transversaal in twee tegenover elkaar staande wanden
c Gebruik toevoerroosters met een grote breedte en een kleine hoogte
d Maak de ventilatie-afvoer verticaal door het plafond
e Bij onvoldoende luchttoevoer kan mechanische toevoer van ventilatielucht noodzakelijk zijn.
5.3 Aansluitingen
5.3.1 Gasaansluiting
De gasaansluiting dient door een erkende installateur volgens de geldende nationale en lokale normen en voorschriften geïnstalleerd te worden.
De gasaansluiting bevindt zich aan de achterzijde van de ketel.
De druk voor het toestel dient gereduceerd te worden m.b.v. een gasdrukregelaar tot 50 mbar.
Het drukverlies in de aansluitleidingen moet zodanig zijn, dat bij maximale belasting van het toestel, de druk nooit beneden de 20 mbar daalt voor L-gas en 17 mbar voor H-gas.
Om de werking van de gasklep blijvend te garanderen, wordt het monteren van een gasfilter in de gasleiding aanbevolen. Dit gasfilter kan als optie bij de ketel worden besteld.
5.3.2 Elektrische aansluiting
De elektrische aansluitingen en voorzieningen dienen volgens de geldende nationale en lokale normen en voorschriften te worden uitgevoerd.
Het toestel is geheel voorbedraad volgens de met het toestel meegeleverde elektrische schema's. Alle elektrische aansluitingen, manipuleerklemmen bevinden zich onder de deksel rechts aan de voorzijde van de ketel. De deksel kan worden ontgrendeld d.m.v. een 4mm inbussleutel. De aan te sluiten kabels (voeding, besturing) worden aan de achterzijde van de ketel binnengevoerd via kabelwartels.
Met de aan- uitschakelaar op het bedieningspaneel kan de ketel in- of uit bedrijf geschakeld worden.

Fig. 5 Aansluitkast bovenaanzicht
Let op! Het ketelvoedingspomprelais kan hiermee niet spanningsloos gemaakt worden.
De installateur dient binnen een stookruimte een all-polige hoofdwerkschakelaar met een contactopening van minimaal 3mm in het voedingscircuit naar de ketel op te nemen. Hiermee kan de gehele ketel (incl. ketel voedingspomp relais) t.b.v. onderhoud of bij calamiteiten spanningsloos gemaakt worden.
Overeenkomstig de geldende normen en voorschriften dient buiten een stookruimte een zogenaamde brandschakelaar gemonteerd te worden. In geval van een calamiteit kan hiermee de netvoeding naar de ketel worden onderbroken.
Om storingen ten gevolge van elektromagnetische velden te voorkomen dient gebruik te worden gemaakt van afgeschermde kabel voor de busverbinding en alle sensor- en regelsignalen tussen de ketel en alle externe aansluiteenheden. De afscherming dient aan beide zijden volgens EMC-richtlijnen te worden aangesloten en afgemonteerd.
Tabel 5 Elektrotechnische gegevens
* tolerantie spanning 230V +10% / -15%
tolerantie frequentie 50Hz ±5%
** het opgegeven pompvermogen is gebaseerd op het maximaal opgenomen vermogen in pompstand 3
*** optioneel 3-fasen pomp leverbaar
Voor verdere energiebesparing is optioneel een toerengeregelde pomp verkrijgbaar. Raadpleeg hiervoor uw Rendamax leverancier.
Regeling en opties
De ketels zijn standaard uitgerust met een modulerende regeling. Deze kan via een o-10 Vdc sig-naal temperatuurafhankelijk worden gestuurd. Ook een boiler voorrangschakeling behoort tot de standaarduitrusting. Optioneel kan de ketel worden uitgebreid met een van de drie onderstaande opties:
BME
Een weersafhankelijke temperatuurregelaar met de volgende mogelijkheden:
- programmering van 3 verwarmingsperiodes met bijbehorende temperaturen
- instelbare nachtverlaging
- keuze uit 2 weekprogramma's
- tapwaterbereiding met voorrangsschakeling en 2 verwarmingsperiodes
- éénmalige tapwaterbereiding tijdens nachtverlaging
- adaptieve stooklijn
- ruimtetemperatuurregeling met of zonder invloed van de buitentemperatuur
- mogelijkheid van interne of externe ruimtevoeler
-
instelbare invloed ruimtevoeler
-
justeren van ruimtevoeler
- vertraging invloed buitentemperatuur tot max. 3 uur
- vakantieprogramma
- vorstbeveiliging op basis van buitentemperatuur of ruimtetemperatuur
- activatie via telefoon
- opwarmoptimalisatie op basis van ruimtetemperatuur of buitentemperatuur met maximale starttijd vervroeging
- anti-legionella functie (65°C)
- 2 draadsverbinding (scom-bus)
- display in 6 verschillende talen
- externe bediening t.b.v. KM628 met weergave van status, bedrijfsuren, aantal starts, modulatiegraad en temperaturen.
E6.1111
Dit is een regeling waarmee twee secundaire groepen weersafhankelijk kunnen worden geregeld. Daarnaast kan ook een tapwatergroep worden geregeld. Per secundaire groep zijn alle instellingen separaat instelbaar. Deze E6 regelaar kan verder worden uitgebreid met een optimalisatie-regeling per secundaire groep (BM). De ketel wordt indirect weersafhankelijk geregeld.
Verder zijn de mogelijkheden:
- maximale aanvoertemperatuur is per verwarmingsgroep instelbaar
- de stooklijn kan met een parallelverschuiving verhoogd worden t.b.v. gewenste aanvoertemperatuur ketel
- tijdgestuurde tapwatercirculatiepomp
- pompkick functie
- DCF ontvanger t.b.v. interne klok (optioneel)
- communiceert d.m.v. CAN-bus
- geïntegreerd relais en voeler test
- toepasbaar als stand alone bedrijf.
KKM
Dit is een ketel cascademanager waarmee tot 8 ketels in cascade kunnen worden geschakeld en een extra schakelende ketel kan worden aangestuurd. Tevens heeft de KKM dezelfde mogelijkheden als de E6.1111.
Aansluitklemmen
Klem: Omschrijving:
L1-N-PE Voedingsspanning t.b.v. ketel die resp. met 10A dient te worden afgezekerd. Indien er installatieautomaten worden gebruikt dienen deze aan een C uitschakelkarakteristiek te voldoen.
8-9 Aansturingt.b.v. boilerpomp (230 Vac, 1 A), waarvan klem 8 de fase (L) geleider is en klem 9 de nul (N) geleider.
10 – 11 Vrijgave regeling. Door beide klemmen met elkaar te verbinden wordt de ketel van de modus stand-by in de modus bedrijf gezet, en kan bij warmtevraag starten. Deze klemmen kunnen als thermostaatfunctie t.b.v. de ketel worden gebruikt. Indien beide klemmen worden verbroken gaat de ketel in de modus stand-by, met behoud van tapwaterbereiding.
12 – 13 Aan deze klemmen kan een bedrijfsmelding worden afgenomen (230 Vac, 1 A, NO). Deze melding valt af indien meer dan 2 dezelfde storingen binnen 6 min. optreden (in het display verschijnt een storingscode met daarboven een “3”) dan wel indien een storing langer dan 6 min. aan blijft. Voor Nederland is de OK-/alarmmelding reeds verder voorbedraad volgens meegeleverd schema 730.
14 – 15 Externe aansturing (230 Vac, 1 A) waarvan klem 15 fase voerend is en 14 de nulgeleider. T.b.v. het aansturen van b.v. hydraulische kleppen, het starten van de stookruimteventilatie of het openen van een hoofdgasklep. Deze functie is actief zolang de ketel in bedrijf is.
| 16 – 17 | Indien de klemmen 34 en 35 met elkaar verbonden zijn, kunnen deze klemmen (230 V, 1 A) gebruikt worden om een tapwaterthermostaat op aan te sluiten. Hiermee kan de ketel in tapwaterbereiding worden gezet. |
| 18 – 19 | Blokkerende ingang (230 Vac, 1 A). Indien de verbinding tussen beide klemmen wordt onderbroken zal de ketel in een blokkerende storing gaan en uit bedrijf blijven totdat deze verbinding weer hersteld is.Let op! Indien deze situatie langer dan 6 min. aanhoudt dan wel vaker als 2 maal binnen 6 min. is opgetreden zal de ketel in een vergrendelende storing gaan en uit bedrijf blijven totdat deze verbinding weer hersteld is en d.m.v. de ontgren-delknop gereset is. |
| 20 – 21 | Vergrendelende ingang (230 Vac, 1 A). Indien de verbinding tussen beide klemmen onderbroken wordt zal de ketel meteen in een vergrendelende storing gaan en uit bedrijf blijven totdat deze verbinding weer hersteld is en d.m.v. de ontgren-delknop gereset is. |
| 30 – 31 | Op deze klemmen kan een buitentemperatuurvoeler (1kΩo1 PTC) worden aangesloten die automatisch bij het inschakelen van de voedingsspanning op de ketel wordt herkend. De waarde van deze sensor doet dienst bij vorstbeveiliging en weersafhankelijk regelen van de aanvoertemperatuur van de ketel. |
| 32 – 33 | Op deze klemmen kan een verdelertemperatuurvoeler (1kΩo1 PTC) worden aangesloten die automatisch bij het inschakelen van de voedingsspanning op de ketel wordt herkend. De waarde van deze sensor wordt toegepast voor het regelen van een toerengeregelde ketelvoedingspomp. |
| 35 – 36 | Op deze klemmen kan een tapwatertemperatuurvoeler (1kΩo1 PTC) worden aangesloten die automatisch bij het inschakelen van de voedingsspanning op de ketel wordt herkend. De waarde van deze sensor wordt gebruikt voor het regelen van de tapwatertemperatuur. Let op! De klemmen 34 en 35 mogen dan niet zijn doorverbonden. |
| 37 – 38 | Externe gewenste aanvoertemperatuur. Aan deze klemmen kan een 2 – 10 Vdc (10 - 90 °C) analoog signaal worden aangeboden. Indien de spanning lager is dan 2 Vdc wordt overgeschakeld op interne gewenste aanvoertemperatuur (in te stellen bij P1). |
| 41 – 42 | Aansluitklemmen t.b.v. het 2-draads bussignaal (scom-bus). Let op de polariteit, klem 41 is de plus en 42 is de massa. |
| 43 – 44 | Aan deze klemmen kan een o – 10 Vdc analoog signaal worden afgenomen dat recht evenredig varieert met de actuele belasting van de ketel en dat t.b.v. het sturen van een toerengeregelde ketelvoedingspomp kan worden toegepast. D.m.v. 2 parameters, een voor begrenzing van het min. pomp- toerental en een voor de ketelbelasting bij max. pomptoerental kan de instelcurve worden ingesteld. Hierboven kan het toerental van de pomp nog eens moduleren tussen deze curve en max. pomptoerental t.b.v. de temperatuurverschilregelaar. |
5.3.3 Wateraansluitingen
Ondersteuning wateraansluitingen
Het wordt aanbevolen om de aanvoer- en retourleiding goed te beugelen. Dit voorkomt beschadiging door overbelasting en vereenvoudigt het onderhoud.
De ketel behoort tot de categorie doorstroomtoestellen en is niet geschikt voor toepassing in open of drukloze systemen. In dat geval dient een (platen) warmtewisselaar te worden geïnstalleerd waardoor systeemscheiding wordt gerealiseerd.
De ketel kan optioneel worden uitgevoerd met een ketelpomp die de minimaal vereiste watercirculatie door de ketel garandeert.

De ketelpomp dient op de retourzijde te worden aangesloten.
De capaciteit en opvoerhoogte van de pomp is voldoende om behalve de ketelweerstand ook enige systeemweerstand te overwinnen.

De ketelpomp is echter géén systeempomp.
Indien de systeemweerstand meer bedraagt dan de beschikbare opvoerhoogte, zal de ketel door de stromingsschakelaar worden uitgeschakeld.
Om dit te voorkomen moet men de lengte en de diameter van de primaire leidingen tot de aansluiting op de drukloze verdeler dusdanig kiezen, dat de resterende opvoerhoogte van de pomp (zie tabel 10) niet wordt overschreden.
Aanbevolen wordt om handafsluiters tussen de wateraansluitingen en de installatie te monteren.
Om de stilstandsverliezen te beperken wordt soms een gemotoriseerde keerklep in de aanvoer- of retourleiding geplaatst, ofwel gebruikt men hiervoor een mechanische terugslagklep of de speciale drukloze verdeler welke optioneel door Rendamax geleverd kan worden. Stilstandsverliezen zijn verder te beperken door de ketel uit te schakelen via de manipuleerklemmen "vrijgave ketel". Bij een goed gedimensioneerde drukloze verdeler zal de natuurlijke stroming door de ketel te verwaarlozen zijn.
5.3.4 Verbrandingsluchttoevoer
5.3.4.1 Algemeen
De ketel wordt standaard als gesloten toestel geleverd.
Dit vereenvoudigt de plaatsingsmogelijkheden binnen het gebouw.
Richtlijnen en installatievoorschriften
Het rookgasafvoer- en luchtaanzuigsysteem dient door een erkende installateur volgens de geldende nationale en lokale normen en voorschriften geïnstalleerd te worden. Indien aansluitingen door de gevel worden toegepast, dient rekening gehouden te worden dat de luchtaanzuig op gelijke hoogte, of lager plaatsvindt. Een en ander volgens de geldende normen. De totale weerstand van het luchtaanzuig- en het rookgasafvoerkanaal mag een drukval van 1,8 mbar voor de types 1 en 2, en 1,0 mbar voor de types 3 tot en met 7 niet overschrijden. Indien de ketel als gesloten toestel wordt toegepast, zijn open T-stukken of draft-o-staten niet toegestaan.
5.3.4.2 Luchttoevoerkanaal
Het luchttoevoerkanaal mag enkelwandig zijn uitgevoerd in:
- kunststof
- dunwandig aluminium
- flexibel aluminium (let op weerstand).

Fig. 6 Horizontale aansluiting
| Type Diameter luchttoevoer D1 (mm) | ||
| R501 | R301 | 100 |
| R502 | R302 | 100 |
| R503 | R303 | 125 |
| R504 | R304 | 125 |
| R505 | R305 | 150 |
| R506 | R306 | 180 |
| R507 | R307 | 180 |
Tabel 6 Luchttoevoeraansluiting
De aansluiting van het luchttoevoerkanaal is altijd aan de achterzijde van de ketel.
Meerdere ketels mogen niet zonder meer samen worden aangesloten op hetzelfde luchttoevoer- of rookgasafvoerkanaal. Neem hiervoor contact op met uw Rendamax leverancier.
In verband met sneeuw moet de luchttoevoer minimaal 30 cm bovendaks uitsteken en voorzien zijn van een kruiskap.
De uitmondingsopening dient minimaal 100 cm bovendaks te eindigen, uitgaande van een plat dak. Het is aan te bevelen de rookgasafvoer te voorzien van een conische uitmonding.
Om vorming van hinderlijk condenswater te voorkomen wordt geadviseerd het luchttoevoerkanaal aan de buitenzijde dampdicht te isoleren.

Fig. 7 Hoogte luchttoevoer en rookgasafvoer
De onderlinge maaiveld-afstand tussen uitmonding rookgasafvoer en opening luchttoevoer moet ten minste de breedte van de ketel bedragen.

Fig. 8 Afstand luchttoevoer en rookgasafvoer
De vorming van hinderlijk condenswater moet worden voorkomen. Wanneer gedurende het aanwarmen condensatie optreedt, moet dit condensaat terug naar de ketel kunnen stromen. Inspectie van het luchtaanzuig- en rookgasafvoerkanaal moet mogelijk zijn.
5.3.5 Rookgasafvoer
5.3.5.1 Algemeen
De rookgasafvoer dient volgens de geldende nationale en lokale normen en voorschriften uitgevoerd te worden.
De rookgasafvoeraansluiting bevindt zich aan de achterzijde van de ketel en is ontworpen voor directe aansluiting op een corrosiebestendig afvoerkanaal.
Door het hoge rendement kan ook bij hoge watertemperaturen condensvorming optreden in de schoorsteen.

De condensafvoer mag nooit worden geblokkeerd!
Het direct aansluiten op gemetselde kanalen is niet toegestaan omdat de schoorsteenverliezen kleiner dan 17% zullen zijn.
In de volgende tabel zijn de rookgasgegevens van alle typen vermeld.
| Type Maximate | rookgas-temperatuur bij vollast | Rookgashoeveelheid bij vollast | Maximaal toelaatbare schoorsteen-weerstand | |
| °C | m3/h | kg/s mbar | ||
| R501 | ≈ 80 | 100 | 0,030 | 1,8 |
| R502 | ≈ 80 | 131 | 0,038 | 1,8 |
| R503 | ≈ 80 | 168 | 0,049 | 1,0 |
| R504 | ≈ 80 | 200 | 0,059 | 1,0 |
| R505 | ≈ 80 | 267 | 0,078 | 1,0 |
| R506 | ≈ 80 | 334 | 0,096 | 1,0 |
| R507 | ≈ 80 | 400 | 0,118 | 1,0 |
| R301 | ≈ 135 | 130 | 0,033 | 1,8 |
| R302 | ≈ 135 | 161 | 0,040 | 1,8 |
| R303 | ≈ 135 | 214 | 0,053 | 1,0 |
| R304 | ≈ 135 | 261 | 0,065 | 1,0 |
| R305 | ≈ 135 | 345 | 0,086 | 1,0 |
| R306 | ≈ 135 | 430 | 0,106 | 1,0 |
| R307 | ≈ 135 | 513 | 0,127 | 1,0 |
Tabel 7 Rookgasgegevens
Belasting 100%
Aanvoertemperatuur 80°C
Retourtemperatuur 60°C
De R500 mag worden aangesloten op rookgasafvoerkanalen met kunststof voering of kunststof rookgasafvoeren (raadpleeg de geldende normen), de R300 niet.
De maximale rookgastemperatuur zal, bij een wateraanvoertemperatuur van 80°C, de 150°C voor de R300 en de 85°C voor de R500 niet overschrijden.
5.3.5.2 Schoorsteen
Schoorsteenlengte
Omdat de ketel is uitgerust met een "premix brander" met ventilator wordt er in de ketel een overdruk opgebouwd. Deze overdruk is voldoende om de weerstand van de gekoelde brander, ketelwarmtewisselaars en schoorsteen te overwinnen.
De tegendruk buiten de ketel is afhankelijk van:
a de weerstand van de rookgasafvoerleiding
b de mate van afkoeling van de verbrandingsgassen
c de weerstand van het uitmondingssysteem.
De mate van afkoeling van de verbrandingsgassen is afhankelijk van:
a de isolatiewaarde van de schoorsteen
b de omgevingstemperatuur
c het uitmondingssysteem.
De uitmondingsdiameters van de ketels zijn zodanig gekozen dat men een maximale rookgas-snelheid verkrijgt van ca. 5 m/s. Bij de ketel heeft men een maximale overdrukbesteding van ca. 1,8 mbar (180 Pa) voor de types 1 en 2, en 1,0 mbar (100 Pa) voor de types 3 tot en met 7 voor het rookgasafvoersysteem ter beschikking.

Door hun hoge weerstand dienen in het algemeen bochten met een R/D verhouding kleiner dan 1 te worden vermeden.
Berekening diameter en lengte
Voor berekening en controle van de inwendige diameter van een afvoersysteem met mechanische afvoer wordt verwezen naar de geldende nationale en lokale voorschriften en normen.
| Type Lengte rookgasafvoer in m | |||||||
| Diameter 80 mm | Diameter 100 mm | Diameter 130 mm | Diameter 150 mm | Diameter 180 mm | Diameter 200 mm | Diameter 250 mm | |
| R301 17 52* | 197 | ||||||
| R302 34* | 129 | ||||||
| R303 10 40* | 71 | ||||||
| R304 27 48* | |||||||
| R305 28 57* | |||||||
| R306 37 67* | |||||||
| R307 | 47* | ||||||
| R501 | 28 87* | ||||||
| R502 | 51* | 194 | |||||
| R503 17 65* | |||||||
| R504 46 | 82* | ||||||
| R505 26 | 46 | 95* | |||||
| R506 | 61 | 111* | 273 | ||||
| R507 42 78* | 190 | ||||||
Tabel 8 Lengte rookgasafvoerkanaal
Voorgaande rookgasafvoerkanaallengten zijn naar beneden afgerond.
*Schoorsteendiameter op ketel
Deze lengten zijn geldig voor toestellen in open uitvoering.
Bij toestellen in gesloten uitvoering gelden deze lengten voor de aanvoer en afvoer tezamen.
Schoorsteenverliezen van diverse schoorsteenstukken uitgedrukt in meters rechte pijp. Het totale verlies dient in mindering te worden gebracht bij de maximale toegestane schoorsteenlengte uit de vorige tabel.
Tabel 9 Schoorsteenverliezen in meters rechte pijp
* Aansluiting op unit
5.3.6

Condensafvoer
Het in de ketel gevormde condensaat dient te worden afgevoerd naar het riool.
Indien er geen directe aansluiting op het riool aanwezig is, kan men gebruik maken van een water-verzamelbak met pomp en niveauschakelaar die het condenswater naar de riolering pompt. Het lozen van condens in dakgoten is niet toegestaan.
De ketel is uitgevoerd met een sifon, welke voorkomt dat er rookgassen in de stookruimte terecht komen.
De aansluiting op de riolering dient zodanig plaats te vinden, dat er een open verbinding onder de condensafvoer van de ketel ontstaat (zie fig. 9). Daarnaast moet de afvoerleiding overeenkomstig de geldende voorschriften worden voorzien van een sifon/stankafsluiter.
Tevens dient de afvoerleiding onder afschot te verlopen.
Zorg ervoor, dat de afstand tussen de condensuitlaat van de ketelsifon en de afvoerleiding minimaal 5 mm is. Hierdoor ontstaat de vereiste open verbinding en worden voorkomende onderhoudswerkzaamheden en inspecties vereenvoudigd.

Fig. 9 Condensafvoer
Hoewel het niet de bedoeling is een compleet handboek voor het ontwerpen van de meest uiteenlopende hydraulische systemen te maken zijn de gegevens toch omvangrijker dan de gegevens welke in het algemeen worden verstrekt bij conventionele verwarmingsketels.
De R500/R300 ketel is een doorstroomketel waardoor de watersnelheden aan een bepaald minimum en maximum gebonden zijn ( Δt 15-25 K).
In tabel 10 is het vereiste verband tussen de drie grootheden Q-P-t aangegeven en wel bij vollast. Door de hoge doorstroomsnelheid is de ketel minder gevoelig voor waterhardheid. Hierdoor mag, bij een aanvoertemperatuur van 80°C, de waterhardheid maximaal 14°dH bedragen (zie 5.4.5 waterkwaliteit).
5.4.2 Waterstroming
5.4.2.1 Stroming en weerstand
Aan de minimaal vereiste watercirculatie over de ketel moet te allen tijde zijn voldaan (anders spreekt de stromingsbeveiliging aan en valt de ketel in storing). Toepassing van afsluiters, terugslagkleppen, systemen waarbij meerdere ketels aan een gezamenlijke transportleiding zijn gekoppeld, etc. mogen de minimaal vereiste watercirculatie niet beletten.
| Type Δt 20 K Pompegevens | |||||||
| Nominale volume stroom | Ketel-weer-stand | Pomptype Grundfos | Pomp-stand | Opvoer-hoogte bij Qnom. | Beschikbare opvoerhoogte bij Qnom. | Maximaal* opgenomen vermogen | |
| m3/h kPa | kPa UPS | kPa kPa | W | ||||
| R501 | 2,72 | 17,0 | 25-80 | 3 | 66 | 49,0 | 245 |
| R502 | 3,51 | 23,5 | 25-80 | 3 | 58 | 34,5 | 245 |
| R503 | 4,52 | 30,0 | 32-80 | 3 | 52 | 22,0 | 245 |
| R504 | 5,48 | 30,0 | 32-80 | 3 | 45 | 15,0 | 245 |
| R505** | 7,25 | 20,0 | 32-120F | 3 | 75 | 55,0 | 380 |
| R506** | 9,05 | 23,0 | 32-120F | 3 | 65 | 42,0 | 380 |
| R507** | 10,85 | 32,0 | 32-120F | 3 | 52 | 20,0 | 380 |
Tabel 10a Waterdoorstroomhoeveelheid en pompgegevens R500
* Maximaal opgenomen pompvermogen is opgegeven in pompstand 3.
** Optioneel 3-fase pomp leverbaar
| Type | Δt\ 22\ K Pompgegevens | ||||||
| Nominale volume stroom | Ketel-weer-stand | Pomptype Grundfos | Pomp-stand | Opvoer-hoogte bij Qnom. | Beschikbare opvoerhoogte bij Qnom. | Maximaal* opgenomen vermogen | |
| m3/h kPa UPS | kPa kPa | W | |||||
| R301 | 2,72 | 17,0 | 25-80 | 3 | 66 | 49,0 | 245 |
| R302 | 3,51 | 23,5 | 25-80 | 3 | 58 | 34,5 | 245 |
| R303 | 4,52 | 30,0 | 32-80 | 3 | 52 | 22,0 | 245 |
| R304 | 5,48 | 30,0 | 32-80 | 3 | 45 | 15,0 | 245 |
| R305** | 7,25 | 20,0 | 32-120F | 3 | 75 | 55,0 | 380 |
| R306** | 9,05 | 23,0 | 32-120F | 3 | 65 | 42,0 | 380 |
| R307** | 10,85 | 32,0 | 32-120F | 3 | 52 | 20,0 | 380 |
Tabel 10b Waterdoorstroomhoeveelheid en pompgegevens R300
* Maximaal opgenomen pompvermogen is opgegeven in pompstand 3.
** Optioneel 3-fase pomp leverbaar
De waterhoeveelheid is instelbaar met behulp van de 3-standen pompschakelaar. De waterhoeveelheid kan door een Δp -meting via de vul- en aftapkraan in de aanvoer- en retourleiding van de ketel gemeten worden. De afgelezen opvoerhoogte kan men dan vergelijken met de daarbij behorende pompkarakteristiek. Bij vollast kan men de waterdoorstroomhoeveelheid zeer nauwkeurig vergelijken met de daarbij verkregen Δt , gemeten over de aanvoer en retour van de ketel.
De ketel heeft standaard een pompschakeling. Bij vrijgave ketel wordt de pomp ingeschakeld. Bij het verwijderen van de vrijgave zal de pomp nog enkele minuten nadraaien. Deze nadraaitijd is instelbaar. De standaardtijd bedraagt 2 minuten.
Wanneer in het systeem luchtverhitters (ventilatie, luchtbehandeling) of platenwarmtewisselaars (tapwater) opgenomen worden, is er doorgaans een kleine Δt gewenst over deze luchtverhitters en/of warmtewisselaars. De waterhoeveelheid over het totale secundaire circuit is hierdoor meestal groter dan over de ketels.

De drukloze verdeler dient zodanig gedimensioneerd te zijn dat de watersnelheid het maximum van 0,5 m/s niet overschrijdt.
In dit geval wordt de diameter van de drukloze verdeler berekend door het watervolume over het secundair circuit. Als het watervolume van het secundaire systeem groter is dan het primaire circuit ontstaat er een mengtemperatuur die lager is dan de gewenste aanvoertemperatuur uit de ketel. De regeling reageert hierop en stuurt de regelfuncties (kleppen e.d.) in het systeem open.
Doorgaans moet men dan de aanvoertemperatuur vanuit de ketel(s) corrigeren voor de in de aangesloten groepen gewenste temperatuur. Voor verdere energiebesparing is optioneel een toerengeregelde pomp verkrijgbaar. Raadpleeg hiervoor uw Rendamax leverancier.
5.4.2.2 Pompkarakteristieken

Tabel 11 Elektrische pompgegevens
5.4.2.3 Afsluiters
Aanbevolen wordt om handafsluiters tussen de aanvoer- en retouraansluitingen van de installatie te monteren.
5.4.2.4 Kleppen
Het toepassen van mechanische terugslagkleppen is mogelijk. Deze kleppen dienen ervoor om waterzijdige kortsluiting over de uitgeschakelde ketel te vermijden.
5.4.2.5 Waterstromingsbeveiliging
De ketel is met een waterstromingsbeveiliging uitgerust.
Deze stelt de ketel buiten werking zodra de waterstroming door de unit beneden de minimum vereiste waarde komt.
5.4.3 Waterdruk
5.4.3.1 Bedrijfsdruk
Bij een maximale aanvoertemperatuur van 90°C en een nominale waterstroming zoals die optreedt bij een Δt van 20 K, moet de minimale bedrijfsdruk groter zijn dan 1,5 bar. De bedrijfsdruk dient te worden gemeten terwijl de pomp uitstaat. Wordt een lagere bedrijfsdruk gewenst, dan moet men de maximale aanvoertemperatuur aanpassen.
| Minimale bedrijfsdruk bar | Aanvoertemperatuur °C |
| >1,5 | 90 |
| >1 | 80 |
Tabel 12 Minimale bedrijfsdrukken bij nominale volumestroom Q.
5.4.3.2 Ketelexpansievat
Geadviseerd wordt een ketelexpansievat in de retourleiding tussen de pomp en ketelafsluiters te plaatsen.
5.4.3.3 Systeemexpansievat
De grootte van het expansievat wordt bepaald door het watervolume van het systeem. Wij advise- ren om het systeemexpansievat in het nulpunt (midden) van de drukloze verdeler te plaatsen.
5.4.3.4 Waterdrukbeveiliging
Optioneel kan een overstortventiel van 3 bar (los) worden meegeleverd. Eventueel kunnen overstortventielen worden geleverd welke afgesteld zijn tussen 3 en 6 bar.
5.4.4 Watertemperatuur
De maximaal instelbare temperatuur van het aanvoerwater is ingesteld op 90°C. De begrenzings-thermostaat is ingesteld op 97°C en werkt blokkerend. Indien de maximaalthermostaat bij 100°C aanspreekt, valt de ketel uit en komt niet automatisch terug in bedrijf wanneer de watertemperatuur beneden de ingestelde maximaaltemperatuur is gedaald.
5.4.5 Waterkwaliteit

De samenstelling en kwaliteit van het systeemwater is direct van invloed op de prestaties van het totale systeem en de levensduur van de ketel. Ondeskundig toevoegen en gebruik van chemicaliën, waterontharders, zuurstofbinders, ontluchters, beluchters en waterfilters vergroot de kans op storingen.
Corrosieve elementen in bepaalde toevoegingen kunnen het systeem aantasten waardoor lekkages ontstaan; afzetting van ongewenste aanslag leidt doorgaans tot beschadiging van de ketelwarmtewisselaar.
Bij de waterhardheid dient onderscheid gemaakt te worden tussen:
a Tijdelijke hardheid:
Dit wordt ook wel carbonaathardheid genoemd. Vorming van aanslag geschiedt bij hogere temperaturen en laat zich gemakkelijk verwijderen.
b Blijvende hardheid:
Mineralen (bijvoorbeeld calciumsulfaat) uit het water die zich afzetten als functie van zeer hoge oppervlaktetemperaturen.
De waterhardheid als waarde wordt in het algemeen uitgedrukt in "graden Duitse hardheid" (°dH) en kent de volgende indeling:
zeer zacht ca. o - 3°dH
zacht ca. 3 - 9°dH
matig hard ca. 9 - 14°dH
hard en zeer hard meer dan 14°dH

Het systeem dient zacht tot matig hard water te bevatten met een waterhardheid niet groter dan 14°dH bij een aanvoertemperatuur van 80°C en Δt 20 K.
Alvorens water te suppleren, dient steeds de hardheid en chloridewaarde van het systeemwater te worden vastgesteld.
Bij grotere installaties zal tijdens de bouw vaak één ketel moeten werken. Regelmatig zullen nieuwe groepen worden bijgeschakeld hetgeen gepaard gaat met toevoeging van vers water. Daarnaast komt het voor dat ten gevolge van lekkages groepen worden afgekoppeld, gerepareerd en opnieuw gevuld. In deze omstandigheden werkt de enige in bedrijf zijnde ketel vaak op volle belasting en is de kans op ketelsteenvorming aanwezig. Daarom dient het suppletiewater te zijn onthard.
Voor een goede werking van de ketel en het systeem wordt toepassing van waterontharders aanbevolen. Op "dode punten" in het systeem kunnen zich grotere stationaire bellen vormen waarvan de samenstelling sterk kan variëren (naast zuurstof en stikstof zijn bijv. waterstof en methaan aangetoond). Zuurstof bevordert corrosie. Corrosiedeeltjes vormen met overige verontreinigingen een slibafzetting (magnetiet) die onder invloed van zuurstof weer putcorrosie veroorzaakt.
Het toepassen van een luchtafscheider met een automatische ontluchter wordt sterk aanbevolen. Indien een ontluchter wordt toegepast, dient deze bovenop de verdeler te worden geplaatst.

De chloridewaarde mag de 200 mg/l nooit overschrijden.
Indien dit wel het geval is, moet de oorzaak achterhaald worden. Vergelijk de chloridewaarde van het suppletiewater en het CV-water. Zou dit gehalte veel hoger zijn, dan duidt dat op indikking, indien geen stoffen zijn toegevoegd die chloriden bevatten. Indien chloride in een zeer hoog gehalte aanwezig is, wordt het water agressiever door de completerende werking (o.a. foutief geregeneerde waterontharder). Het systeem moet gespoeld en opnieuw gevuld worden met chloride-arm water.
Om onnodige slijtage en verstopping als gevolg van in het systeem aanwezige verontreinigingen tegen te gaan adviseren wij toepassingen van een filtersysteem met een maaswijdte van 100 micron. Plaats deze altijd in de retour van het secundaire gedeelte van het systeem.
Om een goed werkend systeem en de levensduur te kunnen garanderen moet men gesuspendeerde en corrosie producerende deeltjes verwijderen met behulp van een goed gekozen en geplaatst filtersysteem.
Het analyseren van het systeemwater en het reinigen van de filters behoort tot de periodieke inspectie.
Indien er voornemens zijn chemicaliën (zoals inhibitors) aan het water toe te voegen dient men vooraf contact op te nemen met uw Rendamax leverancier. Zij kunnen tevens advies geven over
filtersystemen en andere benodigdheden. (Wateranalyseformulieren zijn verkrijgbaar bij uw Rendamax leverancier).
5.4.6 Voorbeelden hydraulisch systeem
De getoonde hydraulische systemen zijn slechts voorbeelden. Zij kunnen niet zonder vakkundige analyse in de praktijk worden toegepast.
Drukloze verdeler
De drukloze verdeler moet zodanig worden gedimensioneerd, dat bij volle belasting een drukverschil optreedt tussen aanvoerverdeler en retourverzamelaar van maximaal 50 mmwk (ca. 0,5 m/sec).
= √ Q/3 6 0 0 × 1 2 8 ,/v
De diameter van de drukloze verdeler kan worden bepaald met de formule:
∅ = diameter van de verdeler in m
Q = waterhoeveelheid in m3/h
Voorbeeld van een drukloze verdeler met afsluiters en expansievat.
![graph TD A["Feed Inlet"] --> B["Reactor Unit"] B --> C{Valve} C --> D["Actuator"] D --> E["Pressure Gauge"] E --> F["Flow Control Valve"] F --> G["Outlet"] style A fill:#f9f,stroke:#333 style G fill:#bbf,stroke:#333](/content/2026/06/1161011/images/0888f5aedefaf84d8083c42aaaf8f354926c39fc3e6836c4c90d49b0dea3e94a.jpg)
Fig. 13 Installatie met drukloze verdeler, afsluiters en expansievat
Het verticaal plaatsen van een drukloze verdeler heeft bijkomende voordelen, zoals het boven-gedeelte dat fungeert als luchtafscheider en ontluchter en het ondergedeelte dat dienst doet als vuilvanger.
Wanneer in het systeem luchtverhitters (ventilatie, luchtbehandeling) of platenwarmtewisselaars (tapwater) opgenomen worden, is er doorgaans een kleine Δt gewenst over deze luchtverhitters en/of warmtewisselaars. De waterhoeveelheid over het totale secundaire circuit is hierdoor meestal groter dan over de ketels. De drukloze verdeler dient zodanig gedimensioneerd te zijn dat de watersnelheid het maximum van 0,5 m/sec niet overschrijdt. In dit geval wordt de diameter van de drukloze verdeler berekend door het watervolume over het secundaire circuit. Omdat het watervolume van het secundaire systeem groter is dan het primaire circuit (ketel) treedt er een watercirculatie op in tegenovergestelde richting van de primaire circulatie in de drukloze verdeler. Er ontstaat een mengtemperatuur die lager is dan de gewenste aanvoertemperatuur uit de ketel. De regeling reageert hierop en stuurt de regelfuncties (kleppen e.d.) in het systeem open. Doorgaans moet men dan de aanvoertemperatuur vanuit de ketel(s) corrigeren voor de in de aangesloten groepen gewenste temperatuur.
Systemen met aanvoerverdeler en retourverzamelaar
Aanvoerverdelers in combinatie met retourverzamelaars komen veelvuldig voor in renovatieprojecten. Meerdere verzamelgroepen werken met een mengregeling of een menginjectieregeling. In beide gevallen is hier een drukloze verdeler of kortsluitleiding noodzakelijk.
![graph TD A["Inlet Valve"] --> B["Valve"] B --> C["Pressure Control Valve"] C --> D["Control Valve"] D --> E["Return Line"] E --> F["Outlet"] style A fill:#f9f,stroke:#333 style F fill:#bbf,stroke:#333](/content/2026/06/1161011/images/be46f90ccbb6cfb5fa7bc1a7901d759d37594e8225e5d1c26c5c14327d279f47.jpg)
Fig. 14 Verdeler met meerdere verwarmingsgroepen in mengregeling zonder hoofdpomp
Installaties met weersafhankelijke regeling en boilervoorrangschakeling
Door de kleine waterinhoud van de ketel en de snelle, nauwkeurige keteltemperatuurregeling is de ketel ideaal inzetbaar als ketel met boilervoorrangschakeling.
Het in- en uitschakelen van de pomp zonder gebruik van een gebouwoptimalisatiesysteem, geeft te grote temperatuursafwijkingen en een ketel en pomp die te vaak schakelt. Hierdoor ontstaat een grotere kans op slijtage en de kans op storingen wordt groter. Bovendien is er sprake van een verlaging van het gebruiksrendement.
Gewoonlijk wordt de boilerinhoud bepaald door piekverbruik en gebruikscyclus. Om het pendelen tussen CV en boilerregeling te vermijden en de ketel zo kort mogelijk hoog gestookt te houden, adviseren wij het volgende:
- boilerinhoud minimaal 300 l/100 kW
- boilerschakeldifferentie +6 -3 K
- boileroplaadtijd maximaal 20 minuten.
Installaties met meerdere ketels
Bij installaties waarbij elke ketel voorzien is van een pomp, wordt na het uitschakelen van de ketel ook de pomp uitgeschakeld.
![graph TD A["Top Tank"] --> B["Valve 1"] A --> C["Valve 2"] B --> D["Control Valve"] C --> E["Control Valve"] D --> F["Return Line"] E --> F F --> G["Return Line"] H["Bottom Tank"] --> I["Valve 1"] H --> J["Valve 2"] I --> K["Control Valve"] J --> L["Control Valve"] K --> M["Return Line"] L --> M M -…](/content/2026/06/1161011/images/7ca01ce9f417a4447205403fa550f21694d13a55aa9369d00376bf7967de0eaa.jpg)
Fig. 15 Installatie met meerdere units
Hydraulische kortsluiting
Om een waterzijdige kortsluiting over de uitgeschakelde ketel te vermijden adviseren wij om terugslagkleppen toe te passen. Dit kunnen zowel mechanisch als elektrisch bediende terugslakleppen zijn.
Voor twee in cascade geschakelde ketels wordt dit systeem geadviseerd. Wanneer de ketels weersafhankelijk worden voorgeregeld met behulp van een systeem voor gebouwoptimalisatie of een compensatie-eenheid, moet de gezamenlijke aanvoervoeler worden geplaatst bij de gezamenlijke aanvoerleiding zoals aangegeven in de tekening.
![graph TD A["Valve 1"] --> B["Valve 2"] B --> C["Valve 3"] C --> D["Valve 4"] D --> E["Valve 5"] E --> F["Valve 6"] F --> G["Valve 7"] G --> H["Valve 8"] H --> I["Valve 9"] I --> J["Valve 10"] J --> K["Valve 11"] K --> L["Valve 12"] L --> M["Valve 13"] M --> N["Valve 14"] N --> O["Valve 15"] O --> P[…](/content/2026/06/1161011/images/53ce47dd66f1595e6d2d3bdc4ebb8d0d44595c40efffdd0698bbab51d456f5e1.jpg)
Fig. 16 Installatie met meerdere units gebruikmakend van de Rendamax Duo-verdeler
6 Bedieningsinstructies
6.1 Werking
De ventilator, welke modulerend wordt aangestuurd, voert de verbrandingslucht toe. Als gevolg van de hierbij ontstane onderdruk in de venturi, wordt door de nulregelaar in de gasklep de benodigde hoeveelheid gas bijgemengd. Gas en lucht worden in de venturi optimaal gemengd. Hierna wordt het gas-luchtmengsel direct op de brander ontstoken. De ventilator zorgt tevens voor de afvoer van de verbrandingsgassen. De ketel heeft geen beperking van de retourwatertemperatuur. Indien deze temperatuur laag is, zal er condensaat worden gevormd dat via het afvoersysteem wordt afgevoerd.
6.2 Regeling
Afhankelijk van de warmtevraag kan de ketel tussen 20 en 100% belasting moduleren. Bij warmtevraag kleiner dan de minimale belasting van de ketel werkt deze op minimale belasting en wordt alleen op basis van temperatuur geschakeld.
6.3 Ketelmodule
Klepje dicht Klepje open

Fig. 17 Ketelmodule

1 bedrijfsmodus
stand-by
⑨ automatisch bedrijf (winterbestand)
tapwaterbedrijf (zomerstand)
servicebedrijf (constante belasting)
2 draaikeuzeschakelaar bedrijfsmodus
3 storingsindicator
4 actuele aanvoertemperatuur
5 storingscode (knipperend)
6 bedrijfsstatus
) nachtverlaging (geen warmtevraag)
dagbedrijf (warmtevraag)
* (knipperend) brander in bedrijf
7 service stand
I servicebedrijf bij minimale branderbelasting
II servicebedrijf bij maximale branderbelasting (P9)
1 parameter aanduiding
P1 actuele/gewenste aanvoertemperatuur
P2 actuele/gewenste tapwatertemperatuur
P3 gewenste aanvoertemperatuur*
P5 actuele buitentemperatuur
P8 actuele verdelertemperatuur
P9 actuele/maximale ketelbelasting
P10 wachtwoord
2 optische busverbinding t.b.v. ketelsoftware
3 reset/programmeertoets
4 alarmering/programmeer LED
5 draaikeuzeschakelaar t.b.v. parameter nr. keuze en gewenste waarde-instelling
6 status uitgangen
7 actuele waarde/gewenste waarde
8 storingscode/parameternr.
9 status ingangen
* gewenste belasting i.g.v. KKM
Bedieningsfuncties bij gesloten klepje
Bij gesloten klepje en door bediening van de draaikeuzeschakelaar kan de bedrijfsmodus worden veranderd in:
stand-by (ketel is uit bedrijf en de vorstbeveiliging is actief)
① automatisch bedrijf (ketel is in bedrijf t.b.v. CV en tapwaterproductie)
tapwaterbedrijf (ketel is alleen t.b.v. tapwaterproductie in bedrijf)
I servicebedrijf (ketel werkt op constante minimale belasting)
II servicebedrijf (ketel werkt op constante maximale belasting ingesteld bij P9)
Informatie en instellingen indien klepje geopend
Bij geopend klepje en d.m.v. bediening van de draaikeuzeschakelaar zijn de volgende parameters beschikbaar, waarbij een pijltje onder aan het display de gekozen parameter aanwijst en tegelijkertijd de actuele waarde hiervan in het display weergegeven wordt.
P1. actuele/gewenste aanvoertemperatuur
P2. actuele/gewenste tapwatertemperatuur
P3. gewenste aanvoertemperatuur
P5. actuele buitentemperatuur
P8. actuele verdelertemperatuur
P9. actuele/maximale ketelbelasting
P10. invoeren wachtwoord (alleen voor opgeleide technici).
In- en uitgangssymbolen (klepje geopend)
Ingangssymbolen:
ionisatiestroommeting t.b.v. vlamdetectie
SW signaal van stromingsbewaking
DW signaal van luchtdrukbewaking
RT signaal van externe vrijgave
Bus signaal van busverbinding
Uitgangssymbolen:
aanstuursignaal naar hoofdgaskleppen
4 aanstuursignaal naar ontstekingstrafo
aanstuursignaal naar ventilator
◦ aanstuursignaal naar ketelvoedingspomp
aanstuursignaal naar tapwaterpomp
Het instellen van de gewenste aanvoertemperatuur voor CV bedrijf
Let op! deze instelling is alleen actief indien geen KKM, E6.1111 of BME dan wel een extern 0 – 10 V signaal aangesloten is.
- open het klepje van de KM628, dan verschijnt er boven P1 een zwart pijltje
- druk op de reset/programmeertoets (pos. 3), rode LED gaat branden, draai vervolgens de draaikeuzeschakelaar totdat de gewenste temperatuur in het display verschijnt
- druk weer op de reset/programmeertoets, rode LED gaat uit
- de nieuwe ingestelde aanvoertemperatuur wordt actief
- sluit het klepje.
Het instellen van de gewenste tapwatertemperatuur voor tapwaterbedrijf.
Alleen van toepassing als de tapwatermodus is ingesteld
- open het klepje
- draai de draaischakelaar tot de pijl aan de onderzijde van het LCD display parameter op P2 staat
- druk op de reset/programmeertoets (pos. 3), LED gaat branden, draai daarna de draaischakelaar (pos. 5) totdat de gewenste tapwatertemperatuur in het display verschijnt
- druk nogmaals op de reset/programmeertoets, LED gaat uit
- de nieuwe ingestelde waarde wordt actief
- sluit het klepje.
6.4 Storingsmeldingen
Bij een storing is altijd een knipperende △ en een storingscode zichtbaar in het display. Bij een storingsmelding dient altijd eerst de oorzaak verholpen te worden, voordat de ontgrendeling van de betreffende beveiliging mag plaatsvinden. Het bedrijfssignaal valt af indien een storing vaker dan twee keer in 6 minuten optreedt (storingscode wordt afgebeeld in het display met daarboven een "3") of bij een storing die langer dan 6 min. actief is.
1. maximaal thermostaat (STB) heeft aangesproken
De aanvoertemperatuur is boven de hiervoor ingestelde waarde gekomen.
Wacht totdat de aanvoertemperatuur tenminste 1 minuut onder de ingestelde waarde is en ont-grendel dan deze veiligheidsfunctie door op de reset toets te drukken.
2. blokkerende ingang werd buiten branderbedrijf onderbroken
Een externe veiligheid aangesloten op de klemmen (18 - 19) heeft aangesproken. Controleer en herstel deze veiligheid.
3. blokkerende ingang werd tijdens branderbedrijf onderbroken
Een externe veiligheid aangesloten op de klemmen (18 - 19) heeft aangesproken. Controleer en herstel deze veiligheid.
4. er ontstaat geen vlamsignaal tijdens branderstart
Tijdens branderstart werd binnen de ingestelde veiligheidstijd geen vlam gedetecteerd. Indien geprogrammeerd is een herstart mogelijk.
5. vlamsignaal valt tijdens bedrijf weg
Tijdens brander in bedrijf is de gemeten ionisatiestroom onder de 1 μA geweest. Controleer en ontgrendel deze veiligheidsfunctie door het indrukken van de reset toets.
6. maximaal temperatuurbewaking (STW) heeft aangesproken
De aanvoertemperatuur is boven de hiervoor ingestelde waarde gekomen.
7. vergrendelende ingang werd onderbroken
Een externe veiligheid aangesloten op de klemmen (20 - 21) heeft aangesproken. Controleer en herstel deze veiligheid.
11. foutief vlamsignaal
Er werd een ionisatiestroom hoger dan 1 μA gemeten terwijl de brander uit bedrijf stond. Herstel deze fout en druk op reset.
12. defecte aanvoertemperatuurvoeler
De gemeten weerstandswaarde van de aanvoertemperatuurvoeler ligt buiten het bereik van -10 en +126°C. Herstel deze fout en druk op reset.
14. defecte tapwatervoeler
De gemeten weerstandswaarde van de tapwatervoeler ligt buiten het bereik van -39 en +110°C. Herstel deze fout en druk op reset.
15. defecte buitenvoeler
De gemeten weerstandswaarde van de buitenvoeler ligt buiten het bereik van -39 en +110°C. Herstel deze fout en druk op reset.
18. defecte verdelervoeler
De gemeten weerstandswaarde van de verdelervoeler ligt buiten het bereik van -39 en +110°C. Herstel deze fout en druk op reset.
20. fout in gasklepaansturing V1
Nadat de brander werd uitgeschakeld werd gedurende 5 sec. nog een ionisatiestroom gemeten die groter dan 1 μA was. Herstel deze fout en druk op reset.
21. fout in gasklepaansturing V2
Nadat de brander werd uitgeschakeld werd gedurende 5 sec. nog een ionisatiestroom gemeten die groter dan 1 μA was. Herstel deze fout en druk op reset.
22. te lage luchtdruk
De luchtdrukschakelaar die is ingesteld op 80% van de luchtdruk tijdens voorspoelen, schakelt niet. Herstel deze fout en druk op reset.
23. luchtdrukschakelaar valt niet af
Luchtdrukschakelaar valt niet af terwijl de ventilator uitgeschakeld is. Herstel deze fout en druk op reset.
24. foutief minimaal ventilatortoerental
Tijdens het voorspoelen wordt een bepaald minimaal ventilatortoerental niet gehaald. Herstel deze fout en druk op reset.
25. foutief maximaal ventilatortoerental
Voor het ontsteken is een bepaald maximaal ventilatortoerental niet onderschreden. Herstel deze fout en druk op reset.
26. foutief stilstandsventilatortoerental
Bij uitgeschakelde ventilator blijft het ventilatortoerental te groot (>300 omw/min). Herstel deze fout en druk op reset.
27. foutief uitgeschakelde luchtdrukschakelaar
Terwijl de brander in bedrijf is valt de luchtdrukschakelaar af. Herstel deze fout en druk op reset.
Er is een EEprom fout opgetreden in de opgeslagen regeltechnische parameters. Controleer en wijzig deze parameterset.
31. CRC-fout in veiligheidsrelevante parameters
Er is een EEprom fout opgetreden in de opgeslagen veiligheidsrelevante parameters. Controleer en wijzig deze parameterset.
32. fout in laagspanningsvoeding
De laagspanningsvoeding is te laag of de zekering is defect. Herstel deze fout en druk op reset.
40. stromingsbewaking is geactiveerd
Bij ingeschakelde brander en ketelvoedingspomp is de stromingsschakelaar niet ingeschakeld.
x.y. interne fout
Er is een interne fout in de elektronica geconstateerd. Controleer en herstel deze veiligheid.
6.5 Inbedrijfstellen
1 Open de gaskraan.
2 Schakel de ketel in met behulp van de aan/uit-schakelaar op het bedieningspaneel.
3 Stel de bedrijfssoort in op "automatisch bedrijf ⭕" m.b.v. de "bedrijfssoortkiezer". Zie ook de bedieningsinstructie op de ketel.
6.6 Uitschakelen
Men kan op 3 manieren uitschakelen:
A De ketel blijft beschikbaar voor tapwaterbedrijf. Stel met behulp van de "bedrijfssoort-kiezer" de bedrijfssoort in op".
B De ketel is buiten bedrijf en komt alleen in bedrijf door de automatische vorstbeveiliging. Stel met behulp van de "bedrijfssoortkiezer" de bedrijfssoort in op ⏻
C Ketel uit bedrijf nemen
1 Schakel de ketel uit met behulp van de aan-uit schakelaar
2 Sluit de gaskraan.
6.7 Waarschuwingen
Het toestel dient te worden geïnstalleerd door een erkende installateur.
Men dient zich strikt aan deze bedieningsinstructie te houden.
Indien de oorzaak van de storing niet kan worden achterhaald, neem dan contact op met de servicedienst. Repareer nooit zelf.
De condensaatafvoer mag niet gewijzigd of afgedicht worden. Bij een buiten bedrijf zijnde ketel bestaat in de winter gevaar voor bevriezing. Tap het water af met behulp van de vul- en aftapkranen. De gebruiker mag niets veranderen aan het toestel of het afvoersysteem. Jaarlijkse controle en goed onderhoud zijn noodzakelijk om een optimale werking te garanderen.
7 Inbedrijfstelling
7.1 Algemeen
Het inbedrijfstellen dient door deskundig personeel te worden uitgevoerd. Afwijking hiervan doet de garantie vervallen.
7.2 Inbedrijfstelling
Water en het hydraulisch systeem
Neem een watermonster van het systeemwater bij de vul/aftap-kraan van de ketel en een monster van het suppletiewater. Bepaal de waterhardheid met behulp van de titreermethode.
De waterhardheid dient kleiner dan 14°dH te zijn. Indien de gemeten hardheid te hoog is, dient het water onthard te worden.

Bepaal de hoeveelheid chloride in het systeemwater. Deze mag de 200 mg/l nooit overschrijden.
Indien dit wel het geval is dient het systeem gespoeld en opnieuw gevuld te worden met chloride-arm water. Controleer de systeemwaterdruk. Deze dient minimaal te voldoen aan tabel 12 (bedrijfsdrukken). Controleer of er een bypass of drukloze verdeler in het hydraulisch systeem is opgenomen. Dit is een vereiste.
De pomp (optie) controleren en ontluchten
Zet spanning op ketel met behulp van de aan/uit schakelaar en controleer de draairichting van de ketelpomp door de dop op het pompmotorhuis te verwijderen. Indien de draairichting anders is dan de pijl naast de dop, dienen twee van de drie fases te worden verwisseld (400 Volt). Voordat de ketel in bedrijf gesteld wordt is het noodzakelijk de pomp te ontluchten door de dop van het pompmotorhuis te verwijderen. Deze procedure herhalen nadat de ketel enige tijd in bedrijf is geweest.
Controleer de schoorsteen
Controleer de schoorsteen. Zorg dat de verbinding tussen ketel en schoorsteen rookgasdicht is, anders alsnog afplakken.
Ontlucht de gasleiding
Draai de hoofdgaskraan open. Controleer of de gasleiding gasdicht is. Ontlucht de gasleiding tot aan de ketel(s).
Controleer de ketel op vollast
Start de ketel. Laat de ketel op vollast branden en stabiliseren (ca. 3 minuten). Bij vollast moeten de volgende instellingen worden gecontroleerd en eventueel gecorrigeerd.
Richtwaarde vollast
Richtwaarde CO 2 9,8 - 10,2% bij aardgas G20, G25
11,6 - 12,0% bij propaan G31
13,6 - 14,0% bij butaan G30
Richtwaarde CO ≤ 30 ppm bij aardgas G20, G25
≤ 25 ppm bij propaan G31
≤ 200 ppm bij butaan G30
Branderdruk = druk boven brander - ventilatordruk
P(bb) - P(vent) type R301 - R302 1,5 ± 0,5 mbar
P(bb) - P(vent) type R501 - R502 1,5 ± 0,5 mbar
P(bb) - P(vent) type R303 - R307 2,0 ± 0,5 mbar
P(bb) - P(vent) type R503 - R507 2,0 ± 0,5 mbar
![graph TD A["ΔP"] --> B["P_vordruk"] C["P_bb"] --> D["druk boven brander"] E["P_vent"] --> F["ventilatordruk"] G["P_vh"] --> H["vuurhaarddruk"] I["P_vh"] --> J["P_vent"] K["ΔP"] --> L["min"] M["P"] --> N["ΔP"] O["P"] --> P["ΔP"] Q["P"] --> R["ΔP"]](/content/2026/06/1161011/images/032fa1720f4edf571638fb728bcfb9f9dfdbb16e922a7adad3d94e312b14165f.jpg)
Fig. 18 Meten branderdruk
Meet de gasdruk voor de gasklep. Deze dient minimaal 20 mbar te zijn voor aardgas L en 17 mbar voor aardgas H bij vollast. Voor propaan en butaan geldt een minimum voordruk van 30 mbar bij vollast. Bij meerdere ketels per ketelhuis moet deze druk gemeten worden met alle ketels in vollast.
Bij gebruik van butaan zal de belasting van de ketel 10% hoger zijn.
Controleer het waterzijdig temperatuurverschil (ΔT) tussen de aanvoer en retour van de ketel. De ΔT dient bij vollast tussen 15 en 25 K te liggen.
Controleer de ketel op minimumlast
Regel de ketel terug naar minimumlast. Bij minimumlast moeten de volgende instellingen worden gecontroleerd en eventueel gecorrigeerd:
Richtwaarde minimumlast
Richtwaarde CO 2 9,0–9,4% bij aardgas G20, G25
10,8 - 11,2% bij propaan G31
12,8 - 13,2% bij butaan G30
Richtwaarde CO ≤ 30 ppm bij aardgas G20, G25
≤ 25 ppm bij propaan G31
≤ 180 ppm bij butaan G30
Branderdruk = druk boven brander - ventilatordruk
P(bb) - P(vent) type R301 - R302 0,1 ± 0,05 mbar
type R501 - R502 0,1 ± 0,05 mbar
type R303 - R307 0,15 ± 0,05 mbar
type R503 - R507 0,15 ± 0,05 mbar
Instellen gasklep R301 - R307 en R501 - R507
Op de gasklep bevinden zich twee stelschroeven waarmee de CO 2 -waardes op vollast en deellast ingesteld kunnen worden. Stel de ketel in op vollast en controleer de CO 2 -waarde. Indien nodig bijstellen met de platte stelschroef op de venturi (types 1 en 2) of met de inbusstelschroef op de gasklep (types 3 - 7). Stel de ketel in op minimum last en controleer de CO 2 -waarde. Indien nodig bijstellen met de torcx-stelschroef op de gasklep.
Instellen luchtdrukschakelaar R301 - R307 en R501 - R507
Controle van de luchtdrukschakelaar vindt tijdens voorspoelen plaats. Hierbij wordt de drukschakelaar ingesteld op 80% van het drukverschil tijdens voorspoelen.
Bijvoorbeeld:
Tijdens voorventilatie wordt een luchtdrukverschil van 1,2 mbar gemeten over de luchtdrukschakelaar.
De luchtdrukschakelaar wordt ingesteld op 0,8 x 1,2 = 0,96 mbar. Op het display is het schakelmoment af te lezen.
Ombouwen van aardgas naar propaan
Bij de types 1 en 2 is een smoorring t.b.v. propaan noodzakelijk. Deze dient tussen de gasklep en de venturi gemonteerd te worden. Na het ombouwen dienen de CO 2 -waardes op vollast en mini- umlast ingesteld te worden. Bij de types 3 tot en met 7 is geen smoorring noodzakelijk, hier kan de gasklep direct op de juiste CO 2 -waardes ingesteld worden.
Indien de ketel op vermelde wijze is gecontroleerd en eventueel gecorrigeerd, dienen als referen-tie de volgende waarden bij vollast en minimumlast te worden genoteerd op het inbedrijfstellings-formulier:
pventilator
p boven brander
pboven brander - pventilator (apart meten!)
pvuurhaard
ΔT.
8 Onderhoud
8.1 Veiligheid
Draag bij onderhoudswerkzaamheden daarvoor geschikte kleding en schoeisel. Denk aan uw veiligheid, vooral bij het dragen van sieraden en losse kleding.
8.2 Algemeen
Om een blijvend goede en veilige werking van de ketel te waarborgen, dient deze tenminste eenmaal per jaar geïnspecteerd te worden.
De volgende werkzaamheden dienen te worden verricht (voor uitgebreidere beschrijving van deze werkzaamheden zie 8.3):
- Vervang de ontstekings- en ionisatie-elektrodes
- Reinig het ventilatorwiel
- Reinig de condensopvangbak
- Reinig de sifon van de ketel en de afvoerleiding
- Reinig het gasfilter (optie)
- Inspecteer alle drukmeetleidingen en meetnippels
- Na verwijdering van het plaatwerk aan de linkerzijde kan via een kijkglas worden gekeken naar de ontsteking en de verbranding (vlambeeld)
- Test de ketel rookgaszijdig op CO 2 en CO en corrigeer deze zo nodig bij minimumlast en vollast
- Controleer alle veiligheidsfuncties en stel deze zo nodig bij
- Meet het watertemperatuurverschil ΔT als maat voor de doorstroming
- Controleer de waterdruk
- Inspecteer waterkwaliteit: hardheid - chloride getal
- Noteer alle gegevens
- Reinig de beplating aan de buitenzijde en zorg dat deze er weer netjes uitziet.
8.3 Procedure
a) Maak de ketel spanningsloos
b) Draai de gaskraan dicht
Om de volgende werkzaamheden te kunnen uitvoeren moet de buitenbeplating eerst verwijderd worden.
- De ontstekings- en ionisatie-elektrode zijn aan de rechterzijde van de ketel gemonteerd.
Verwijder de bougiedoppen van de ontsteek- en ionisatie-elektrode en inspecteer deze op mogelijke beschadigingen zoals inbrand- en vervuilingsverschijnselen (vervang eventueel de bougiedoppen). - Bij ketels in een stoffige omgeving kan het ventilatorwiel vervuilen. De luchtopbrengst loopt hierdoor terug en het wiel kan in onbalans raken. Het wiel met een borsteltje reinigen.
- Voor het inspecteren en reinigen van de condensopvangbak kan de condensplaat aan de onderzijde van de ketel verwijderd worden. Alle losse aanwezige vervuiling kan verwijderd worden.
- Onder de condensplaat bevindt zich een sifon. Draai de sifon los en reinig deze.
- Alle aansluitingen van de drukmeetleidingen moeten geïnspecteerd worden.
Zorg dat deze goed bevestigd zijn; zo nodig de koppelingen aandraaien. - Inspecteer de schroefjes in de meetnippels; vervang de meetnippels wanneer deze beschadigd zijn.
- Om gas-, lucht- en rookgaszijdige metingen uit te voeren moet men gebruik maken van gekalibreerde testapparatuur.
- Alle testgegevens moeten genoteerd worden op de desbetreffende testformulieren.
8.4 Reinigen brander, warmtewisselaar
De brander en warmtewisselaars kunnen waterzijdig worden gereinigd met de daarvoor geschikte middelen. Voor advies met betrekking tot geschikte middelen dient de servicedienst van uw Rendamax leverancier geraadpleegd te worden.
8.5 Reinigen zeef gascombinatieblok
Het zeef in het gasregelcombinatieblok kan gereinigd worden. Demonteer eerst de gasklep.
8.6 Ionisatiemeting
Voor het uitvoeren van een ionisatiemeting dient een micro-ampèremeter, met een meetbereik van 0 - 200 μA DC, in het ionisatiecircuit te worden opgenomen. Op deze wijze kan de ionisatiebeveiliging worden gecontroleerd. De nominale ionisatiestroom bedraagt 6 tot 25 μA. De minimale ionisatiestroom bedraagt 2,8 μA.
8.7 Service
Voor het verlenen van service en onderhoud is de servicedienst van uw Rendamax leverancier steeds beschikbaar.
9 Omrekenformules en -factoren
Omrekenformules
CO _ 2 2 0 , 9 - gemeten O _ 22 0 , 9 × 1 1, 7
O _ 2 = 2 0, 9 - gemeten CO _ 2 × 2 0 , 91 1 , 7
11,7% CO 2 is het maximale CO 2 -percentage dat ontstaat bij het stoichiometrisch verbranden van Gronings aardgas.
Luchtovermaat N:
N = 2 0 , 92 0 , gemeten O _ 2 × 0, 9 1 4
N = 1 + ( 1 1 , 7CO _ 2 gemeten - 1) × 0, 9 1 4
Omrekeningsfactoren
Voor NO x (N=1):
1 ppm = 2, 0 5 mg / m ^ 3 = 1, 7 9 7 mg / kWh = 0, 4 9 8 mg / MJ
Voor CO (N=1):
1 ppm = 1, 2 4 mg / m ^ 3 = 1, 0 6 4 mg / kWh = 0, 2 9 8 mg / MJ
Voorbeeld
Meetwaarden van een milieuvriendelijke ketel:
NO _ x = 1 5 ppm
CO _ 2 = 10 %
Wat is de NO x -waarde volgens de meest gebruikte norm in mg/kWh bij N=1?
0 _ 2 = 2 θ , 9 10 × 20.9/11,7 = 3 %
N = 2 0 , 9/2 0 , 9 - 3 = 1, 1 7
NO _ x ( bij N = 1) =
1 5, 0 × 1, 1 7 = 1 7, 6 ppm
1 7, 6 × 1, 7 9 7 = 3 1, 6 mg / kWh
| W | kcal/h | Btu/h |
| 1 | 0,86 | 3,41 |
| 1,163 | 1 | 3,97 |
| 0,293 | 0,252 | 1 |
Tabel 13 Herleidingswaarden
1 kcal = 4, 1 8 7 kJ
1 kWh = 3, 6 MJ
Het verschil tussen de calorische bovenwaarde en de calorische onderwaarde is de verdampingswarmte van het chemisch gevormde water. Bij 298,15 K (25°C) bedraagt deze 2442,5 kJ/kg (583,38 kcal/kg).
Voor niet-condenserende ketels:
η_ b ( 0 , 3 3 9CO _ 2 0, ab 8) × 9 dT =
η_ 0 ( 0 , 3 7 7CO _ 2 0, 0 0 9) × 1 ΔD =
Voor condenserende ketels:
Ten gevolge van condensvorming neemt het rendement op onderwaarde toe.
η_ b = 9 θ ( 0 , 3 3 9CO _ 2 + 0, 0 0 8) × ΔT + A (7, 5 + 0, 0 0 6 ΔT)
η_ o / η_ b = 1, 1 1
Δt = temperatuurverschil tussen verbrandingsgassen en omgevingstemperatuur (K)
ηb = stookrendement op de calorische bovenwaarde (%)
η0 = stookrendement op de calorische onderwaarde (%)
CO2 = volume CO2 in droog verbrandingsgas (%)
O2 = volume O2 in droog verbrandingsgas (%)
A = hoeveelheid gecondenseerd water in het toestel per m3 gas (kg/m3gas).
| meg/l | °dH | °f | °e | mg CaCO3/l | |
| meg/l | 1 | 2,8 | 5 | 3,51 | 50 |
| °dH | 0,37 | 1 | 1,78 | 1,25 | 17,8 |
| °f | 0,2 | 0,56 | 1 | 0,7 | 10 |
| °e | 0,285 | 0,8 | 1,43 | 1 | 14,3 |
| mg CaCO3/l 0,02 | 0,05 | 6 0,1 | 1,54 | 1 |
Tabel 14 Herleiding hardheidsgraden
| 1 graad engelse hardheid (°e) | = 65 mg CaCO3 /imp. gallon |
| 1 Grain/US gallon | = 0.958 °dH |
| 1 milligram equivalent per 1 (mval/l) | = 2,8°dH |
| 1 ppm (parts per million) CaCO3 | = 1 mg CaCO3 /l |
Ter oriëntatie:
Leidingwater heeft in het algemeen een pH-getal van ca. 7 - 8.
De tijdelijke hardheid zal 60 tot 80% bedragen van de totale hardheid die van plaats tot plaats zeer sterk kan variëren.
Technische documentatie
R300 R500 Bypass
De R500 serie heeft voor Nederland het Gaskeur label SV/HR107. In België voldoet de R500 bypass serie aan de VLAREM-eisen.
Afmetingen R500 bypass

Fig. 1 Maastschets R500 bypass
| Type R501 R502 R503 | R504 R505 R506 | R507 | ||||||
| B mm | 500 600 | 700 800 | 600 700 800 | |||||
| B1 mm | 360 420 | 490 560 | 470 550 600 | |||||
| D mm | 100 100 | 130 150 180 | 200 200 | |||||
| D1 mm | 100 100 | 125 125 150 | 180 180 | |||||
| G | R3/4" R | 3/4" R | 3/4" R | 3/4" | R1" | R11/2" | R11/2" | |
| H1 mm | 160 160 | 170 176 197 | 197 197 197 | |||||
| H2 mm | 497 488 | 501 986 | 556 549 537 | |||||
| H3 mm | 943 943 | 921 921 | 921 921 921 | |||||
| L mm | 760 760 | 760 760 | 975 975 975 | |||||
| L1 mm | 50 50 | 50 50 85 | 85 | 85 | ||||
| L2 mm | 235 235 | 235 235 | 240 240 240 | |||||
| L3 mm | 80 | 80 | 90 | 90 | 100 | 100 | 100 | |
| L4 mm | 445 445 | 445 445 | 655 655 655 | |||||
| L5 mm | 525 525 | 525 525 | 735 735 735 | |||||
| L6 mm | 95 95 | 125 | 130 130 | 120 | 120 | |||
| W | R11/2" | R11/2" | R11/2" | R11/2" | R2" R2" R2" | |||
Tabel 2 Afmetingen R500 bypass
(Wijzigingen voorbehouden)
Ten gevolge van fabricage-tolerantie kunnen bovenstaande gegevens iets afwijken.
Condities tabel 1:
- Nominaal vermogen gemeten bij: 60 - 80°C.
- Gasverbruik bij: 1013 mbar, 15°C, droog.
- Gas-categorie NL: B: 2L3P I2E(R)B, I3P
- Toestelcategorie: B23, C53, C33 of C63
- Beschermingsgraad: IP20
De R300 serie heeft voor Nederland het Gaskeur label SV/HR107. In België voldoet de R300 bypass serie aan de VLAREM-eisen.
Afmetingen R300 bypass

Fig. 2 Maatschets R300 bypass
| Type R301 R302 R303 | R304 R305 R306 | R307 | ||||||
| B mm | 500 600 | 700 800 | 600 700 800 | |||||
| B1 mm | 360 420 | 490 560 | 470 550 600 | |||||
| D mm | 100 100 | 130 | 150 180 200 200 | |||||
| D1 mm | 100 100 | 125 | 125 | 150 | 180 180 | |||
| G | R3/4" | R3/4" | R3/4" | R3/4" | R1" | R11/2" | R11/2" | |
| H1 mm | 160 | 160 | 170 | 176 | 197 | 197 | 197 | |
| H2 mm | 497 488 | 501 486 | 556 549 537 | |||||
| H3 mm | 943 943 | 921 921 | 921 | 921 | 921 | |||
| L mm | 760 760 | 760 760 | 975 975 975 | |||||
| L1 mm | 50 | 50 | 50 | 50 | 85 | 85 | 85 | |
| L2 mm | 235 235 | 235 235 | 240 240 240 | |||||
| L3 mm | 80 | 80 | 90 | 90 | 100 | 100 | 100 | |
| L4 mm | 445 445 | 445 655 | 655 655 655 | |||||
| L5 mm | 525 525 | 525 525 | 735 735 735 | |||||
| L6 mm | 95 | 95 | 135 | 120 | 130 | 120 | 130 | |
| W | R11/2" | R11/2" | R11/2" | R11/2" | R2" R2" | R2" | ||
Tabel 4 Afmetingen R300 bypass
(Wijzigingen voorbehouden)
Ten gevolge van fabricage-tolerantie kunnen bovenstaande gegevens iets afwijken.
Condities tabel 3:
- Nominaal vermogen gemeten bij: 60 - 80°C.
- Gasverbruik bij: 1013 mbar, 15°C, droog.
- Gas-categorie NL: 2L3P
B: I2E(R)B, I3P - Toestelcategorie: B23, C53, C33 of C63
- Beschermingsgraad: IP20
1 Beschrijving
1.1 Algemeen
De bypass zorgt ervoor, dat indien de volumestroom over de ketel te laag wordt (hoge ΔT ), aan-voerwater wordt teruggeleid naar de tweede warmtewisselaar van de ketel, zodat de minimaal vereiste stroming in het warme gedeelte van de ketel gegarandeerd wordt.
De pomp welke in de bypass leiding geplaatst wordt, is zo gedefinieerd dat hij de benodigde opvoerhoogte van de brander, eerste en tweede warmtewisselaar kan leveren in combinatie met de benodigde minimale volumestroom.
Bij een hoge volumestroom (lage ΔT ) over de ketel, zal de pomp weinig capaciteit leveren, omdat aan de minimaal vereiste stroming voldaan wordt.
Bij een lage volumestroom (hoge ΔT ) over de ketel, zal de pomp een zodanige capaciteit leveren zodat de minimale volumestroom over de ketel gegarandeerd wordt.
Een ketel met bypass heeft geen restopvoerhoogte ter beschikking. Drukverschil dient dus altijd vanuit het systeem te komen.

1 beplating 18 vul-/aftapkraan
2 luchtdrukschakelaar 19 retouraansluiting
3 bedieningspaneel 20 stromingsschakelaar
4 brander 21 waterverdeelstukken
5 verbrandingskamer 22 ontstekingstrafo
6 1ste warmtewisselaar 23 aansluitklemmen
7 2de warmtewisselaar 24 verdeelplaat
8 3de warmtewisselaar 25 gasklep
9 condensopvangbak 26 ventilator
10 schoorsteenlengtecompensator 27 gasfilter (optie)
11 condensafvoer 28 pomp
12 rookgasafvoeraansluiting 29 bypass leiding
13 aanvoeraansluiting 30 luchttoevoerkanaal
14 overstortventiel A lucht
15 gasaansluiting B gas
16 stelvoeten C rookgassen
17 frame D condensaat


Fig. 4 Algemeen overzicht
1.2.1 Beschrijving hoofdonderdelen
De ketel is opgebouwd uit de volgende hoofdonderdelen:
Ventilator [26]
Met behulp van de ventilator wordt verbrandingslucht aangezogen en in druk verhoogd. De ventilator is een gelijkstroomventilator, welke voorzien is van toerentalterugmelding. Deze toerentalterugmelding wordt aan de regelaar doorgegeven welke indien nodig corrigeert.
Gasstraat
Het hoofdonderdeel van de gasstraat is de gasklep [25]. De gashoeveelheid wordt afhankelijk van de luchthoeveelheid geregeld. De luchthoeveelheid varieert met het toerental van de ventilator. Als optie is een gasfilter [27] leverbaar.
Brander [4]
Nadat het gas/lucht-mengsel met behulp van een verdeelplaat over de brander is verdeeld, wordt het mengsel aan het branderoppervlak verbrand, waarbij de vlam naar beneden is gericht. De brander is water- en luchtgekoeld. De waterverdeelstukken zijn uitgevoerd in gietijzer, en zorgen voor een 2-pass doorstroming van de brander.
De 1 ste warmtewisselaar is opgebouwd uit gladde RVS buizen. Deze draagt een groot deel van de verbrandingsenergie over aan het systeemwater. De 2 de warmtewisselaar is voorzien van gela serlaste RVS vinpijpen. De 3 de warmtewisselaar is voorzien van gelaserlaste vinpijpen (R500) of gladde RVS buizen (R300). De warmtewisselaars dragen de warmte uit de rook-gassen over aan het systeemwater. Alle waterverdeelstukken zijn uitgevoerd in gietijzer en zorgen voor een 5-pass of 3-pass doorstroming door de warmtewisselaars (type-afhankelijk). De ruimte tussen de brander en de eerste warmtewisselaar vormt de verbrandingskamer.
Waterverdeelstukken [20]
De waterverdeelstukken vormen een deel van de brander en de warmtewisselaars.
Wateraansluitingen
Deze bestaan uit een aanvoer- [13] en retouraansluiting [19]. Beide aansluitingen zijn voorzien van een vul/aftapkraan [18].
In de aanvoerleiding is de stromingsschakelaar [20] aangebracht.
Ketelpomp [28]
De ketelpomp wordt in de bypass leiding opgenomen en elektrisch direct op de overeenkomstige klemmen in de aansluitkast aangesloten. De capaciteit van de pomp is voldoende om de ketel- weerstand te overwinnen.
Condensopvangbak [9]
Onder de laatste warmtewisselaar bevindt zich een condensopvangbak. Deze is voorzien van een condensaat- en rookgasafvoer.
Frame [17]
Het frame is een constructie van stalen gezette platen voorzien van trillingsdempende stelvoeten [16].
Beplating [1]
De beplating bestaat uit makkelijk te verwijderen panelen. Wanneer de deksel geopend is (met gereedschap), kunnen alle andere panelen zonder verder benodigd gereedschap verwijderd worden.
Elektrogroep
Hiertoe behoort de regeling en de beveiliging van de unit.
Aansluitklemmen [23]
Elektrische ketelvoeding, aansluitklemmen, pompaansluiting en pomprelais zijn ondergebracht boven op de ketel. De klemmenstrook bevindt zich onder de deksel aan de rechterzijde.
2 Installatie
2.1 Aansluitingen
2.1.1 Elektrische aansluiting
Tabel 5 Elektrotechnische gegevens
* tolerantie spanning 230 V +10% /-15%
tolerantie frequentie 50 Hz ff5%
** het opgegeven pompvermogen is gebaseerd op het maximaal opge nomen vermogen in pompstand 3
2.1.2 Wateraansluitingen
De capaciteit en opvoerhoogte van de pomp zijn voldoende om de weerstand van de brander, de eerste en de tweede warmtewisselaar te overwinnen.
De ketelpomp is géén systeempomp.
2.1.3 Condensafvoer
Zorg ervoor, dat de afstand tussen de condensuitlaat van de ketelsifon en de afvoerleiding minimaal 5 mm is. Hierdoor ontstaat de vereiste open verbinding en worden voorkomende onderhoudswerkzaamheden en inspecties vereenvoudigd.

Fig. 5 Condensafvoer
Hoewel het niet de bedoeling is een compleet handboek voor het ontwerpen van de meest uiteenlopende hydraulische systemen te maken zijn de gegevens toch omvangrijker dan de gegevens welke in het algemeen wordt verstrekt bij conventionele verwarmingsketels.
2.2.2 Waterstroming
In tabel 6 is het vereiste verband tussen de drie grootheden
Q-P-t aangegeven en wel bij vollast. Door de hoge doorstroom-snelheid is de unit minder gevoelig voor waterhardheid. Hier-door mag, bij een aanvoertemperatuur van 80%C, de waterhardheid maximaal 14%dH bedragen.
2.2.2.1 Stroming en weerstand
| Type Δt 20 K | Pompgegevens | ||||
| Nominale volume stroom | Ketel-weer-stand | Pomptype Grundfos | Pomp-stand | Maximaal* opgenomen vermogen | |
| m3/h kPa | UPS W | ||||
| R501 | 2,72 | 17,0 | 32-40 | 3 | 60 |
| R502 | 3,51 | 23,5 | 32-60 | 3 | 90 |
| R503 | 4,52 | 30,0 | 32-60 | 3 | 90 |
| R504 | 5,48 | 30,0 | 32-60 | 3 | 90 |
| R505 | 7,25 | 20,0 | 32-60 | 3 | 90 |
| R506 | 9,05 | 23,0 | 32-80 | 3 | 245 |
| R507 | 10,85 | 32,0 | 32-80 | 3 | 245 |
Tabel 6a Waterdoorstroomhoeveelheid en pompgegevens R500
* Maximaal opgenomen pompvermogen is opgegeven in pompstand 3.
| Type Δt 22 K | Pompgegevens | ||||
| Nominale volume stroom | Ketel-weer-stand | Pomptype Grundfos | Pomp-stand | Maximaal* opgenomen vermogen | |
| m3/h kPa | UPS | W | |||
| R301 | 2,72 | 17,0 | 32-40 | 3 | 60 |
| R302 | 3,51 | 23,5 | 32-60 | 3 | 90 |
| R303 | 4,52 | 30,0 | 32-60 | 3 | 90 |
| R304 | 5,48 | 30,0 | 32-60 | 3 | 90 |
| R305 | 7,25 | 20,0 | 32-60 | 3 | 90 |
| R306 | 9,05 | 23,0 | 32-80 | 3 | 245 |
| R307 | 10,85 | 32,0 | 32-80 | 3 | 245 |
Tabel 6b Waterdoorstroomhoeveelheid en pompgegevens R300
* Maximaal opgenomen pompvermogen is opgegeven in pompstand 3.
De pompstand dient bij alle types in stand 3 gezet te worden.
De unit heeft standaard een pompschakeling. Bij vrijgave ketel wordt de pomp ingeschakeld. Bij het opheffen van de vrijgave zal de pomp nog enkele minuten nadraaien. Deze nadraaitijd is instelbaar. De standaardtijd bedraagt 2 minuten.
2.2.2.2 Pompkarakteristieken

Fig. 6 Pompkarakteristiek UPS 32-40

Tabel 7 Elektrische pompgegevens
2.3 Voorbeelden hydraulische systeem
De getoonde hydraulische systemen zijn slechts voorbeelden. Zij kunnen niet zonder vakkundige analyse in de praktijk worden toegepast.
Figuur 9 toont een voorbeeld van een R500/R300 met bypass in combinatie met een enkel systeem (1 groep).
Aangezien de bypasspomp bij een ΔT van 20 graden nog maar weinig flow terugvoert is de weerstand over de ketel niet tot nauwelijks groter dan bij de conventionele uitvoering (zonder bypass). De systeempomp kan dus aan de hand van de bekende ketelweerstanden geselecteerd worden.
![graph TD A["Feed Line"] --> B["Reactor Unit"] B --> C["Pump"] C --> D["Valve"] D --> E["Storage Unit"] E --> F["Control Unit"] F --> G["Outlet"] style A fill:#f9f,stroke:#333 style G fill:#bbf,stroke:#333](/content/2026/06/1161011/images/bdb5a670c31c9c241205b905844ef1e71df316c3340507d4a2554e7cf1b83e2a.jpg)
Fig. 9 R500/R300 met bypass - enkel systeem
In figuur 10 wordt een voorbeeld getoond, waarbij meerdere groepen zijn opgenomen.
In dit geval moet gebruik gemaakt worden van een gesloten verdeler. Het gebruik van een open verdeler is niet nodig, aangezien de bypass deze juist vervangt.
Een pomp tussen gesloten verdeler en ketel is niet nodig, de groepenpompen trekken (of duwen) bij warmtevraag het water door de ketel.
![graph TD A["Feed Line"] --> B["Reactor Unit"] B --> C["Valve 1"] B --> D["Valve 2"] C --> E["Flow Control Valve"] D --> F["Flow Control Valve"] E --> G["Return Line"] F --> H["Return Line"] G --> I["Output"] H --> J["Output"]](/content/2026/06/1161011/images/6a3df79952feaad2b3921c3c5ff885087fe3edc05646751c5acd05f58612ae5e.jpg)
Fig. 10 R500/R300 met bypass - meerdere groepen