Notifier

ID1000 - Bewakingscamera Notifier - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding

Vind de handleiding van het apparaat gratis ID1000 Notifier in PDF-formaat.

📄 26 pagina's Nederlands NL Downloaden 💬 AI-vraag 10 vragen ⚙️ Specs
Notice Notifier ID1000 - page 2
Kies uw taal en geef uw e-mailadres: we sturen u een specifiek vertaalde versie.
Type product Brandmeldcentrale (ID1000-serie)
Aantal lussen 1, 2 of 4 (respectievelijk ID1001, ID1002, ID1004)
Max. melders per lus 99 analoge melders + 99 adresseerbare modules
Soorten melders Intelligente optische, thermische, optisch-thermische melders
Sokkels B501T, BX501T, B501BHT, DHX501T, DHX502T
Adresseerbare modules MMX-1, MMX-101, MMX-16, MCP-INT, CMX-1, CMX-16, CDI, PS2-CMX
Kortsluitisolatie ISO-X module (niet-adresseerbaar)
Relais 4 (3 standaard geprogrammeerd voor brand, storing, ontruiming; 1 vrij programmeerbaar)
Stroombewaakte uitgangen 2, 1A elk, voor externe alarmgevers
Voeding 220V AC met accu back-up
Display LCD, 2 regels
Toetsenbord 22 toetsen (5 bedieningstoetsen, cijfertoetsen, pijltjes, JA/ENTER, NEEN/ANNUL)
Voorvalgeheugen 600 meest recente meldingen (FIFO)
Logboek meetwaarden Tot 28 melders gelijktijdig, max 8000 metingen
Printeraansluiting Optioneel (mini-printer P40 of VDU-terminal)
Communicatie VDU-terminal (RS232) voor emulatie
Paspoorbeveiliging Meerdere niveaus, 8 cijfers
Testmodus Automatische reset per zone, herkenbaar aan knipperende leds
Bedrijfstemperatuur Niet gespecificeerd in handleiding, maar typisch 0-40°C
Afmetingen Niet vermeld in handleiding
Gewicht Niet vermeld

Veelgestelde vragen - ID1000 Notifier

Hoe kan ik de ingebouwde zoemer stoppen bij een brandalarm?
Druk op de toets STOPPEN INTERNE ZOEMER. Hierdoor stopt de zoemer en wordt extra informatie over het alarm weergegeven.
Wat moet ik doen bij een voor alarm?
Druk op STOPPEN INTERNE ZOEMER om het signaal te stoppen. Ga ter plaatse de situatie controleren. Indien de oorzaak niet duidelijk is, raadpleeg de technische dienst. Reset daarna de centrale met RESET.
Hoe activeer ik een ontruiming?
Druk op de toets ONTRUIMING. De externe alarmgevers en geprogrammeerde modules worden geactiveerd. Stop de alarmgevers met STOPPEN ALARMGEVERS.
Kan ik een melder tijdelijk uitschakelen (maskeren)?
Ja, druk op toets ‘1’. U kunt maskeren per zone of per individuele melder/module. Na maskering knippert de storingszoemer elke 2 minuten. Bevestig met BEVESTIG VERANDERINGEN.
Hoe stel ik de klok in?
Druk op toets ‘3’ (paswoord vereist). Voer dag, maand, jaar, uur, minuten en seconden in. Bevestig met JA. De centrale berekent zelf de dagnaam.
Wat is de functie van de lampentest?
Druk op LAMPENTEST om alle leds en zoemers te testen. Houd langer dan 3s ingedrukt om het LCD-contrast aan te passen met de pijltjestoetsen.
Hoe kan ik een systeemtest uitvoeren?
Druk op toets ‘0’ (paswoord vereist). Voer het zonenummer in en bevestig met JA. De centrale simuleert alarms voor alle melders in die zone. Test kan met rook, warmte of magneet.
Wat betekent de melding 'SYSTEEMFOOT xx'?
Dit is een technische storing. De ‘xx’ geeft het foutnummer aan (zie appendix in de handleiding). Voorbeelden: 33 = netspanning afwezig, 40 = watchdog CPU geactiveerd.
Hoe print ik configuratiegegevens?
Druk op toets ‘2’, kies ‘1’ voor printerdump, selecteer melder of module, en eventueel zone of drempelwaarde. Het printen stopt automatisch bij een nieuw alarm.
Hoe kan ik het voorvalgeheugen bekijken?
Druk op toets ‘2’, kies ‘1’ voor voorvallen. Gebruik pijltjes om te bladeren. Druk op ENTER om vanaf dat punt te printen. Het geheugen bevat de 600 laatste meldingen.

Gebruikersvragen over ID1000 Notifier

0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.

Stel een nieuwe vraag over dit apparaat

De e-mail blijft privé: deze wordt alleen gebruikt om u te waarschuwen als iemand op uw vraag reageert.

Nog geen vragen. Stel de eerste vraag.

Download de handleiding voor uw Bewakingscamera in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding ID1000 - Notifier en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. ID1000 van het merk Notifier.

GEBRUIKSAANWIJZING ID1000 Notifier

Technische Veranderingen Voorbehouden

INHOUDSOPGAVE

1. Inleiding 3

  1. Meldingen op het brandmeldsysteem 4

2.1

BRANDMELDING

2.1.1 BRAND: Melding op de centrale 4

2.1.2 BRAND: Te volgen akties 4

2.2

VOORALARMMELDING

2.2.1 VOORALARM: Melding op de centrale 5

2.2.2 VOORALARM: Te volgen akties 5

2.3 STORINGSMELDING 5

2.3.1 STORING: Melding op de centrale 5

2.3.2 STORING: Te volgen akties 6

  1. Bediening van de centrale 6

3.1 De toetsen van de centrale 6

3.2 Het LCD-scherm: Top Level Display 7

3.3 Stoppen van de ingebouwde zoemer 7

3.4 Ontruiming via externe alarmgevers 8

3.5 Stoppen van de externe alarmgevers 8

3.6 Lampentest en instellen van het LCD-display 8

3.7 Reset 9

3.8 Paswoorden 9

3.9 Systeemtest 9

3.10 Instellen van de klok 11

3.11 Weergeven en/of loggen van een melder/module 11

3.12 Knipperen van de leds 13

3.13 Logboek Meetwaarden 13

3.14 Uitprinten van de konfiguratiegegevens 14

3.15 Weergeven en uitprinten van voorvalgeheugen 15

3.16 Maskeren - Maskering verwijderen 16

  1. Bediening via een VDU-terminal 17

4.1 Stoppen van de ingebouwde zoemer 18

4.2 Ontruiming via de externe alarmgevers 18

4.3 Stoppen van de externe alarmgevers 18

4.4 Reset 18

4.5 Weergeven en uitprinten van de konfiguratiegegevens 18

  1. Samenvatting van de mogelijke toestandsmeldingen 19

5.1 Toestandsmeldingen 19

5.1.1 Status NORMAAL 19

5.1.2 Status BRAND 20

5.1.3 Status VOORALARM 21

5.1.4 Status STORING

5.1.5 Status MASKERING MELDERS 23

5.1.6 Status ONTRUIMING

5.1.7 Status TESTMODE 24

5.1.8 Status INGENIEUR 24

5.1.9 Status INGENIEUR-STILTE 25

APPENDIX 1 Systeemfouten 26

1. Inleiding

Het NOTIFIER ID1000 brandmeldsysteem bestaat uit een van de brandmeldcentrales uit de ID1000-reeks (met 1, 2 of 4 lussen, respektievelijk ID1001, ID1002, ID1004), en uit lussen met analoge, adresseerbare melders en modules. De maximum kapaciteit van een lus bestaat uit 99 analoge melders en 99 adresseerbare modules.

Er zijn 3 soorten intelligente melders leverbaar:

Er zijn 5 soorten sokkels voor deze melders:

B501T: Sokkel met diameter van 103mm

BX501T: Afgeronde sokkel met diameter van 157mm

B501BHT: Sokkel met ingebouwde alarmgever

DHX501T: Behuizing voor luchtkanaalmelder (met elektronika)

DHX502T: Behuizing voor luchtkanaalmelder (zonder elektronika)

Er zijn 8 soorten adresseerbare modules:

MMX-1: Toezichtsmodule (enkel i/p)

MMX-101: Mini-toezichtsmodule (enkel i/p)

MMX-16: Toezichtsmodule met 16 adressen (enkel i/p)

MCP-INT: Handmelder met ingebouwde adressering (enkel i/p)

CMX-1: Bedieningsmodule (i/p & o/p)

CMX-16: Bedieningsmodule met 16 adressen (i/p & o/p)

CDI: Interface voor konventionele detektielus

PS2-CMX: Interface voor lokale, stroombewaakte aansturing van alarmgevers

Deze modules worden in de software van de centrale verder opgesplitst, in funkcie van het materiaal waarmee zij moeten interfacen. De mogelijke types zijn:

Voor i/p (MMX-modules):

HAND: handmelder

TOEZ: algemeen toezicht

SPRK: toezicht op sprinklerschakelaars (ook SP'KLER)

BLUS: toezicht op blusinstallaties

KONV: konventionele detektielus

Voor de o/p (CMX-modules):

CTRL: algemene bediening

BEL: externe alarmgevers

KONV: konventionele detektielus met resetmogelijkheid (ook KONV-ZONE)

RELAIS: interface voor extra externe alarmgevers

Bovendien is er een niet-adresseerbare kortsluitmodule ISO-X die in staat is delen van een lus te isoleren bij kortsluiting.

De brandmeldcentrale heeft 4 relais ter beschikking voor de aansturing van randappara-tuur. Drie relais zijn standaard geprogrammeerd. Het eerste bij brand, het tweede bij storing en het derde bij ontruiming. Het vierde relais kan aangestuurd worden via een vrije programmering. Ook zijn 2 programmeerbare, stroombewaakte uitgangen van 1A voor het aansturen van externe alarmgevers voorzien.

Een belangrijk gegeven van de centrale is de kontrolematrix.

Dit is een set van instrukties die in het geheugen van de centrale opgeslagen is, en waar-mee op een zeer precicze manier bepaald kan worden hoe, wanneer en welke uitgangen aangestuurd moeten worden bij een voorval. Mogelijke opties omvatten het gepulseerd en vertraagd aansturen van de bedieningen.

GELIEVE DE PROGRAMMEERHANDLEIDING TE RAADPLEGEN VOOR DETAILS OVER HET PROGRAMMEREN VAN DE BEDIENINGSMATRIX

2. Meldingen op het brandmeldsysteem

2.1 BRANDMELDING

2.1.1 BRAND: Melding op de centrale

Wanneer het systeem een brandalarm detekteert, worden de volgende handelingen automatisch uitgevoerd:

1) De ingebouwde zoemer wekt een hoog geluid op
2) Knipperen van de rode aanduiding BRAND, knipperen van de rode zoneled, en (eventueel) knipperen van de rode led NIEUW ALARM
3) Melding op LCD-display en printer (indien aangesloten)
4) Aansturing van het ingebouwde alarmrelais
5) Aansturing van de externe alarmgevers, en de op het systeem aangesloten bedieningsmodules volgens de geprogrammeerde kontrolematrix.
6) Indien gebruik gemaakt wordt van timers, zal het verloop van deze timers om de 4s op het display zichtbaar gemaakt worden.

2.1.2 BRAND: Te volgen akties

1) Druk op de toets 'STOPPEN INTERNE ZOEMER'. Hierdoor zal extra informatie over het alarm weergegeven worden op het display, zullen de leds stoppen met knipperen, en zal de ingebouwde zoemer stoppen. (zolang een alarm aanwezig is zal de zoemer om de 12s een kort signaal blijven geven)

2) Ga ter plaatse de situatie opnemen
3) Een ontruiming van het gebouw kan steeds handbediend geaktiveerd worden door te drukken op de toets ONTRUIMING, en kan stilgelegd worden met een druk op de toets STOPPEN ALARMGEVERS
4) Indien de oorzaak van het alarm niet meer aanwezig is, kan de centrale in normale toestand geplaatst worden door de toets RESET te bedienen.

2.2 VOORALARMMELDING

2.2.1 VOORALARM: Melding op de centrale

Dit alarm treedt op wanneer een of meer analoge melders een VOORALARM heeft verstuurd naar de centrale. (een meetwaarde die hoger is dan de normale, maar die nog niet de alarmdrempel bereikt.)

Wanneer het systeem een vooralarm detekteert, worden de volgende handelingen automatisch uitgevoerd:

1) De ingebouwde zoemer wekt om de 2 minuten een hoog geluid op
2) Knipperen van de gele led VOORALARM
3) Melding op LCD-display en printer (indien aangesloten)

2.2.2 VOORALARM: Te volgen aktie

1) Druk op de STOPPEN INTERNE ZOEMER toets.
Hierdoor zal extra informatie over het voorval weergegeven worden op het dis play en zal de led VOORALARM stoppen met knipperen.
2) Ga ter plaatse de situatie opnemen. Indien de oorzaak van het vooralarm niet bepaald kan worden dient onmiddellijk de technische dienst geraadpleegd worden, daar dit een te grote vervuiling van de melder kan aanduiden.
3) Druk op de toets RESET indien de oorzaak van het vooralarm verdwenen.

2.3 STORINGSMELDING

2.3.1 STORING: Melding op de centrale

Wanneer het systeem een storing detekteert, worden de volgende handelingen automa-tisch uitgevoerd:

1) De ingebouwde storingszoemer wekt een geluid op (een onderbroken geluid indien het gaat om een storing van de voedingsspanning).

2) Knipperen van één of meerdere gele storingsleds.
3) Melding op LCD-display en printer (indien aangesloten) van de storing. Voor een melder of module verschijnt het adres en de lokatienaam; voor een technische storing verschijnt een melding SYSTEEMFOUT xx (xx stelt een getal van 2 cijfers voor)
4) Aansturing van het ingebouwde storingsrelais

2.3.2 STORING: Te volgen akties

1) Druk op de STOPPEN INTERNE ZOEMER toets. Hierdoor zal extra informatie over de storing weergegeven worden op het display, zullen de leds stoppen met knipperen, en zal de ingebouwde zoemer stoppen. (zolang de storing aanwezig is zal de zoemer om de 2 minuten een kort signaal blijven geven)
2) Ga ter plaatse de situatie na
3) Een ontruiming van het gebouw kan steeds handbediend geaktiveerd worden door te drukken op de toets ONTRUIMING. De alarmgevers kunnen gestopt worden de toets STOPPEN ALARMGEVERS te bedienen.
4) Indien de oorzaak van het alarm niet meer aanwezig is kan de centrale terug in de normale toestand geplaatst worden door de toets RESET te bedienen.

3. Bedieningen van de centrale

3.1 De toetsen van de centrale

Het voorpaneel van de centrale bevat 22 druktoetsen; 5 daarvan zijn de bedienings-toetsen van de centrale, nl.

STOPPEN INTERNE ZOEMER

ONTRUIMING

STOPPEN ALARMGEVERS

LAMPENTEST

RESET

De overblijvende druktoetsen hebben als funktionie: de getallen van 0 t/m 9, de dubbele toetsen JA/ENTER en NEEN/ANNUL. en de toets BEVESTIG VERANDERINGEN die tijdens het programmeren van de centrale gebruikt wordt. Naar de JA/ENTER toets kan verwezen worden met JA of met ENTER, afhankelijk van de context. Hetzelfde is van toepassing voor de toets NEEN/ANNUL.

Het normale gebruik van de toetsen van de centrale wordt in deze handleiding uitgelegd Voor de programmering wordt verwezen naar de programmeerhandleiding.

3.2 Het LCD-display: Top Level Display

In normale toestand verschijnt op het display de volgende informatie:

Lijn 1: SYSTEEMTOESTAND (ook STATUS), datum- en tijdaanduiding

Lijn 2: Blanco, of lokatienaam van het belangrijkste, recentste voorval (statisch)

Dit wordt de Top Level Display genoemd.

De meeste bedieningstoetsen kunnen enkel gebruikt worden wanneer de centrale zich in deze toestand bevindt. (ANNUL brengt de centrale terug in Top Level Display)

Een uitzondering op deze regel is de toets ANNUL. Deze kan steeds gebruikt worden, onafhankelijk van de melding op het LCD-display, behalve wanneer de centrale een JA/NEEN antwoord verwacht. (ANNUL heeft immers als dubbele funkte NEEN)

Ook de bedieningstoetsen STOPPEN INTERNE ZOEMER, ONTRUIMING, RESET, STOPPEN ALARMGEVERS kunnen steeds gebruikt worden. In dat geval zal echter steeds de lopende procedure verlaten worden.

De lopende procedure wordt verlaten om terug te keren naar de Top Level Display indien gedurende 2 minuten geen toets ingedrukt wordt of wanneer een alarm- of storingsmelding optreedt.

3.3 Stoppen van de ingebouwde zoemer

De ingebouwde zoemer zal bij brand of storing gestopt worden door te drukken op STOPPEN INTERNE ZOEMER. Nadien zal de zoemer gedurende bepaalde tijdsinter-vallen kortstondig een geluid geven zolang de oorzaak aanwezig is op de centrale. Voor een brand gebeurt dit om de 12s, voor een storing om de 2 minuten. Indien brand en storing gelijktijdig aanwezig zijn zal enkel de alarmzoemer regelmatig een geluid opwekken. Dit kan opgeheven worden door de centrale te resetten.

Bij het indrukken van de toets STOPPEN INTERNE ZOEMER wordt extra informatie over de melding op het display weergegeven. Dit is vooral van toepassing op de

SYSTEEMFOUTEN, waar de aard van storing nader beschreven wordt bij het indruk-ken van de toets. De meest recente melding wordt het eerst behandeld, onafhankelijk van zijn aard. Er kan met behulp van de toetsen gebladerd worden in het geheugen. Het pijltje naar beneden laat eerdere meldingen zien, het pijltje naar boven laat meer recente meldingen zien. Het woord MEER geeft aan dat er meerdere voorvallen zijn.

Men kan steeds terugkeren naar Top Level Display door op NEEN/ANNUL te drukken. Het systeem keert automatisch terug naar deze toestand indien er gedurende 2 minuten geen enkele toets ingedrukt wordt.

De toets STOPPEN INTERNE ZOEMER kan op elk willekeurig moment ingedrukt worden indien men meer informatie over een melding wil kennen.

Bij de melding 'VERLIES GEDEELTE LUS' kan een gedetailleerd rapport verkregen worden van alle verdwenen elementen op dat stuk van de lus.

Indien men in dat geval op ENTER drukt verschijnt op het display:

‘Log elk afwezig element individuel? (J/N)?’

Indien op JA gedrukt wordt zal elke afwezige melder/module op het display en via de zoneaandui-ding als storing gemeld. Door daarna op STOPPEN INTERNE ZOEMER te drukken kan de gehele lijst bestudeerd worden.

OPMERKING: Indien Systeemfout 40 - Watchdog CPU GEAKTIVEERD optreedt dient tevens de toets STOPPEN ALARMGEVERS bediend te worden om de interne zoemer te stoppen.

3.4 Ontruiming via externe alarmgevers

Drukken op de toets ONTRUIMING veroorzaakt het aktiveren van de stuuruitgangen voor de externe alarmgevers, en alle eventueel geprogrammeerde bedieningsmodules. Het stilleggen ervan gebeurt met een druk op de toets STOPPEN ALARMGEVERS.

OPMERKING: Een reset van de centrale in ontruimingsmode is onmogelijk; voorafgaand dient STOPPEN ALARMGEVERS ingedrukt te worden.

3.5 Stoppen van de externe alarmgevers

Drukken op de toets STOPPEN ALARMGEVERS resultcert in het stoppen van de externe alarmgevers, die automatisch na een brandmelding, of manueel via de toets ONTRUIMING geaktiveerd werden.

Tevens kunnen bedieningsmodules terug in hun normale toestand gebracht worden, indien dit in de konfiguratie voorzien werd.

3.6 Lampentest en instellen van het LCD-display

Een druk op de toets LAMPENTEST aktiveert alle leds, de storings- en alarmzoemers. De externe alarmgevers worden niet getest. Op het LCD-display verschijnt de referen-tienaam en de softwareversie van de centrale. Indien de toets langer dan 3s wordt ingedrukt, zullen op het display alle karakters van het alfabet verschijnen. Met behulp van de pijltjestoetsen kan het kontrast (de gezichtshoek) van het LCD-display ingesteld worden.

De procedure wordt verlaten door op NEEN/ANNUL te drukken.

Indien het systeem niet gevoed wordt door de netspanning, aangeduid door het oplichten van de led STORING ACCU en het doven van de led NETSPANNING OK, zullen de leds die gebruikt worden voor het aanduiden van alarmen en storingen zeer snel knipperen. Dit wordt bewust gedaan opdat de centrale minder stroom zou verbrui-ken en langer kan werken op accu's.

Bovendien wordt de verlichting van het display sneller afgeschakeld.

3.7 Reset

Het systeem kan gereset worden met een druk op de toets RESET.

( behalve na de bediening van toets ONTRUIMING zie 3.4)

Op voorwaarde dat er geen VOORALARMEN, ALARMEN of STORINGEN aanwezig zijn zullen alle leds doven, zal de zoemer stoppen en de toestandsmelding NORMAAL op het display verschijnen. Bepaalde interne testen worden tot 20s na het drukken van de resettoets uitgevoerd.

Bedieningsmodules worden in hun normale toestand gebracht, onafhankelijk van de programmatic.

Indien een ALARM, VOORALARM of STORING nog steeds aanwezig is, wordt de melding opnieuw gegenereerd. Dit wordt gezien als een nieuwe melding.

Indien de centrale een kortsluiting op de meldlus gedetekteerd heeft, kan bij het indruk-ken van de RESET-toets de melding 'RESET KORTGESLOTEN MELDER (J/N)?' verschijnen. Deze melding is aanwezig omwille van kompatibiliteit met een vroegere versie van de luskaart. Antwoord hierop met NEEN.

3.8 Paswoorden

Voor bepaalde handelingen is een paswoord vereist. Het systeem vraagt er in dat geval naar, door middel van de melding:

... Paswoord?

Dit paswoord is een getal van maximaal 8 cijfers, geprogrammeerd bij de inbedrijfstel-ling van de centrale. (Zie programmeerhandleiding) Er zijn meerdere paswoorden in het systeem ingebouwd waardoor een toegang tot verschillende niveaus mogelijk wordt. Alle in deze handleiding beschreven handelingen beperken zich tot niveau 1. Tijdens de ingave van de paswoorden verschijnt een ‘*’ op het display ipv het ingegeven cijfer om de geheimhouding te verzekeren.

Hierna zal de toestandsmelding, bij afwezigheid van alarmen, vooralarmen en storin-gen, overschakelen van NORMAAL naar INGENIEUR. In deze toestand dient geen paswoord ingegeven te worden.

Men kan terugkeren naar de toestandsmelding NORMAAL, en aldus verhinderen dat een niet bevoegde persoon gegevens kan veranderen, door op de toets NEEN/ANNUL te drukken, of door het systeem gedurende 2 minuten onaangeroerd te laten.

3.9 Systeemtest (paswoord vereist)

Het is mogelijk het systeem per zone te forceren in automatische resetmode voor onderhoudswerkzaamheden. Hiertoe dient men op de toets '0' te drukken. Op het display verschijnt:

TEST MODE: Welk Zone-nr.:

Geef het nummer van de te testen zone in, (er kan steeds maar 1 zone van het systeem onder test staan) en druk op ENTER. Op het display verschijnt de melding:

TEST MODE (x): Bevestig (J/N)?

(x) stelt het ingegeven zonenummer voor. Druk op de toets JA ter bevestiging.

Het systeem simuleert een alarmsituatie voor alle aangesloten melders en reageert met een storingsmelding indien er fouten gedetekteerd worden. Deze test duurt slechts enke-le sekonden.

Nadien verschijnt de melding 'ZONE x IN TEST' op het display, en licht de led ZONE IN TEST op. In deze toestand kunnen de melders onder test ter plaatse getest worden mbv rook of warmte, afhankelijk van het type, of mbv een magneet.

De melders in de zone onder test zijn herkenbaar aan het anders knipperen van de leds, nl. 1s aan - 1s uit.

Handmelders kunnen met de testsleutel in alarmtoestand gebracht worden.

Elk alarm in testmode wordt op het display en op de printer (indien aangesloten) gemeld.

Bij analoge melders is een alarm herkenbaar aan het feit dat de leds niet meer knipperen maar kontinue oplichten. Na verwijdering van de magneet zal na ongeveer 5s het knip-peren hervatten, en kan de melder opnieuw getest worden.

Bij handmelders zullen de uitgangen van de alarmgevers gedurende 1s geaktiveerd wor-den indien zij een testalarm doorsturen naar de centrale. Dit geldt ook voor de bedie-ningsmodules die een omschrijving (ALARM)BEL meekregen in de konfiguratie.

Testalarmen hebben een automatische reset en kunnen meermaals na mekaar getest worden. Men dient echter een tijdspanne van 5s te respekteren tussen 2 opeenvolgende alarmen op hetzelfde punt.

Om de testmode uit te schakelen dient opnieuw op de toets '0' gedrukt te worden, waarna op het display verschijnt:

(Opm.: een paswoord is vereist)

Druk op JA en het systeem keert terug in zijn normale toestand. Dit dient steeds gedaan te worden vooraleer men een andere zone onder test plaatst.

Het systeem verlaat automatisch de testmode indien een brandmelding vanuit een andere zone dan de zone onder test gedetekteerd wordt, of wanneer de centrale zich gedurende meer dan 2 uur in de testmode bevindt.

3.10 Instellen van de klok (paswoord vereist)

Dit is vereist bij het begin en het einde van de zomertijd, en telkens wanneer de centrale

volledig spanningsloos was.

Druk hiervoor op toets '3'. De datum en tijdaanduiding op het display zal 'bevriezen' en er verschijnt de melding:

INSTELLEN KLOK (datum) (tijd)

Dag in Cijfers: ?

De geprogrammeerde waarde voor de dag knippert. De juiste waarde kan ingegeven worden, gevolgd door de ENTER. Indien de initiele waarde korrekt is volstaat een druk op ENTER.

Dezelfde procedure wordt gevolgd voor maand, jaar, uur, minuten en sekonden.

De centrale berekent zelf de naam van de dag.

Nadat de sekonden ingegeven werden verschijnt:

BEVESTIG TIJD (J/N)?

Wanneer op JA gedrukt wordt begint de tijd te lopen. Indien men kiest voor NEEN zal de volledige instelling genegeerd worden en behoudt het systeem de vorige waarden.

3.11 Weergeven / loggen van een melder/module (ook mogelijk via een VDU-terminal)

Deze funkcie wordt gebruikt om de door een melder of module verstuurde meetwaarden te visualiseren. De waarden worden uitgedrukt in een schaal die loopt van 0 tot 150%, waarbij de normale alarmdrempel van een analoge melder 100% bedraagt.

Dit is niet geldig voor de toezichtsmodules.

(Inwendig worden waarden tussen 0 en 127 verwerkt, waardoor het kan voorvallen dat er soms een sprong van 2% i.p.v. 1% optreedt)

Verdere opties omvatten het veranderen van het knipperen van de leds van de gelogde melder, en het memoriseren in de centrale van de meetwaarden gedurende een bepaalde tijd. Deze procedure wordt verder beschreven.

Druk op toets '2' (toets '8' op de VDU)

Indien het klavier van de centrale gebruikt wordt, verschijnt op het display:

LOG/TOON: 0=Elementen/1=Voorvallen

Hier dient ‘0’ ingegeven te worden. Deze stap is niet noodzakelijk indien gewerkt wordt met een VDU.

Vervolgens toont het display:

0=Display/1=Volledige Printerdump

Hier dient '0' ingegeven te worden; het display toont:

0 = M e l d e r / 1 = M o d u l e

Druk op ‘0’ of ‘1’. Indien voor melders gekozen wordt, terwijl men modules wenst, kan men een stap in het keuzemenu terugkeren door op de toets ANNUL te drukken.

Vervolgens vraagt de centrale naar:

Keuze uit ZONE-nr. (0=ALLE)?

Geef het nummer van de zone in, gevolgd door ENTER, waardoor een selektie gemaakt kan worden uit alle elementen die aan deze zone toegewezen werden, of druk enkel op ENTER waardoor alle aanwezige elementen geselekteerd worden, dmv:

LOG/TOON element: Maak keuze:-

Keuze met Ú of Ú, Selektie met ENTER

Druk op een van de pijltjes totdat het gewenste element op het display staat. Bovendien verschijnt de (geprogrammeerde) lokatienaam 2s na het loslaten van de pijltjestoets.

Indien de bediening gebeurt vanaf het klavier van de centrale is de verdere procedure als volgt:

Druk op de toets ENTER nadat men het gewenste element gevonden heeft. Op de 2° lijn van het display zal, in plaats van de lokatienaam, verschijnen:

NIET GELOGD ... HUIDIGE WAARDE xx%

of

WORDT GELOGD ... HUIDIGE WAARDE xx%

De xx stelt de aktuele meetwaarde voor, en wordt voortdurend aangepast aan de reële toestand. De WORDT GELOGD melding geeft aan dat de meetwaarden in het geheu-gen weggeschreven worden. (standaard staan alle elementen in NIET GELOGD) Indien er vanaf een VDU-terminal gewerkt wordt, wordt de meetwaarde zichtbaar ge-maakt wanneer men met de pijltjestoetsen doorheen de elementen stapt. Deze waarden moeten beschouwd worden als de meetwaarde op het moment van de keuze, en worden niet aangepast op het display. Een update van de meetwaarde op het VDU-scherm kan enkel gebeuren door achtereenvolgens en te bedienen.

Om terug te keren naar de normale toestand van de centrale dient er gedrukt te worden op ANNUL (of ctrl-X op VDU)

3.12 Knipperen van de leds

De definitie van de manier van knipperen van de leds van een melder/module is enkel mogelijk vanaf de bedieningstoetsen van de centrale. Hierdoor kan de plaatsbepaling van een ele-ment

vergemakkelijkt worden.

Indien tijdens het weergeven van de meetwaarde van een element (3.11) op de toets ENTER gedrukt wordt, verschijnt op het display:

‘Ledpulsen van 1s, dit element (J/N)?’

Druk op JA. Afhankelijk van zijn toestand vraagt de centrale al dan niet naar een pas-woord, waarna de centrale overgaat naar de optie logboek. (3.13)

Indien de leds van een melder/module reeds knipperden met een frequentie van 1s, zal de cen-trale vragen of het element op een normale manier moet knipperen:

'Stop ledpulsen, dit element (J/N)?'

3.13 Logboek Meetwaarden (enkel via toetsen centrale)

Het opslaan van meetgegevens is beperkt tot analoge melders. Op instelbare, regelmati-ge tijdstippen worden ze in het geheugen geschreven. Deze gegevens kunnen onder de vorm van een ASCII-file uit het geheugen van de centrale gehaald worden met behulp van het UPLOAD/DOWNLOAD-programma om later met een spreadsheet-programma bestudeerd worden, waardoor de oorzaak van eventuele problemen op een analoge mel-der kan bepaald worden.

Om deze funkte te initialiseren volgt men de procedure 3.12 totdat naar 3.13 verwezen wordt.

De volgende melding verschijnt op het display:

OPZETTEN/TOEVOEGEN LOGBOEK (J/N)?

Druk op JA. Afhankelijk van zijn toestand vraagt de centrale al dan niet naar een pas-woord, waarna de centrale vraagt naar het interval voor de metingen met de vraag:

(Druk op ENTER om loggen te stoppen) Interval (s) ?

Geef het interval tussen 2 metingen in sekonden in, gaande van 4 tot 16383 (iets meer dan 4 uur), en druk op ENTER.

Indien men het loggen van de meetwaarden van een melder wil beëindigen dient men op ENTER te drukken, zonder een waarde in te geven. Hierdoor zal geheugen vrijkomen voor toekomstige metingen.

Indien men opteert voor het loggen van een melder is de volgende vraag van het systeem:

Opslagkapaciteit (1-7200)?

Geef het aantal metingen op. De volledige logtijd kan berekend worden door het interval te vermenigvuldigen met de opslagkapaciteit. Vervolgens vraagt de centrale naar een bevestiging met de mededeling op het display:

Bevestig (J/N)?

Wanneer op JA gedrukt wordt zal het loggen beginnen. Indien men opteert voor NEEN zal de volledige handeling genegeerd worden.

De maximale kapaciteit voor de opslag van deze gegevens hangt af van het beschikbare geheugen. Het maximaal aantal waarden per melder bedraagt 7200, maar indien reeds andere melders op deze manier behandeld werden kan het beschikbare geheugen kleiner zijn. In totaal kunnen tot 28 melders tegelijkertijd gelogd worden, met een maximaal aantal opgeslagen meetwaarden van 8000. Voor elke logging geldt het 'FIFO' principe; per melder worden de oudste gegevens overschreven, en gaan aldus verloren, wanneer de maximale kapaciteit overschreden wordt.

3.14 Uitprinten van konfiguratiegegevens (ook beschikbaar via de VDU-terminal)

Deze optie laat toe een volledige of gedeeltelijke kopie op papier te verkrijgen van alle elementen van het systeem, met inbegrip van de meetwaarde en toestand van elk element. In de veronderstelling dat een printer aangesloten is op de centrale of de VDU, druk op toets '2' (toets '8' op de VDU)

Indien het klavier van de centrale gebruikt wordt, verschijnt op het display:

LOG/TOON: 0=Elementen/1=Voorvallen

Hier dient ‘0’ ingegeven te worden. Deze stap is niet noodzakelijk indien gewerkt wordt met een VDU.

Vervolgens toont het display:

0=Display/1=Volledige Printerdump

Hier dient ‘1’ ingegeven te worden; het display toont:

0=Melder/1=Module

Druk op ‘0’ of ‘1’. Indien voor melders gekozen wordt, terwijl men modules wenst, kan men een stap in het keuzemenu terugkeren door op de toets ANNUL te drukken.

Vervolgens vraagt de centrale naar:

Keuze uit Zone-nr.: (0=ALLE)?

Geef het nummer van de zone in, gevolgd door ENTER waardoor men een selektie kan

maken uit alle melders/modules die aan deze zone toegewezen werden.

Door enkel op ENTER te drukken kan een selektie gemaakt worden uit alle melders /modules die geprogrammeerd zijn in de verschillende zones.

In dit laatste geval verschijnt de melding:

Print ENKEL indien waarde boven (%)? 0

Geef de gewenste ondergrens, uitgedrukt in procenten, in, gevolgd door ENTER, of druk ENTER indien alle elementen uitgeprint moeten worden. Hierdoor kan men selek-tief de melders/modules boven een bepaalde meetwaarde uitprinten.

In normale toestand moeten de meetwaarden zich onder de 60% bevinden. Bemerk dat deze 2 opties niet kombineerbaar zijn; men kan niet tegelijkertijd een selektie op het zonenummer en een selektie op een bepaalde meetwaarde maken. Op het display verschijnt tijdelijk de melding: 'Druk op CANCEL om printen te stoppen'.

Op het papier zal, naast de konfiguratiegegevens van elke melder / module en de momentele meetwaarde, ook een aanduiding gegeven worden over de toestand van de melder / module.

Het uitprinten kan onderbroken worden door op ANNUL (of op een willekeurige toets van de VDU) te drukken; het wordt eveneens automatisch onderbroken wanneer onder-tussen een nieuw alarm gedetekteerd wordt door de centrale.

3.15 Weergeven en uitprinten van voorvalgeheugen

Hiermee kunnen de 600 meest recente meldingen en manipulaties van de toetsen weergegeven of uitgeprint worden; weederom geldt het 'FIFO' principe; de oudste meldin-gen worden overschreven, en gaan aldus verloren wanneer de maximale kapaciteit over-schreden wordt.

Druk op toets '2' (toets '8' op de VDU)

Indien het klavier van de centrale gebruikt wordt, verschijnt op het display:

LOG/TOON: 0=Elementen/1=Voorvallen

Hier dient ‘1’ ingegeven te worden. Deze stap is niet noodzakelijk indien gewerkt wordt met een VDU; het uitprinten van alle meldingen wordt gestart.

Indien gebruik gemaakt wordt van het toetsenbord van de centrale kan met behulp van de pijltjes de lijst met voorvallen doorlopen worden. Druk op de toets ENTER nadat men het begin van de uit te printen meldingen gevonden heeft.

De centrale stelt de vraag:

Herprint Log vanaf dit punt (J/N)?

Antwoord bevestigend indien het voorvalgeheugen uitgeprint moet worden.

Opmerking: De meldingen worden weergegeven met originele datum en tijdaanduiding. De nummering ervan gaat verder op de aktuele stand van de voorvalgeheugenteller.

3.16 Maskeren - Maskering verwijderen

Het maskeren van een melder/module houdt in dat een eventuele alarmmelding van dit punt niet leidt tot de normale reaktie van de centrale. De centrale blijft echter wel dialogeren met de gemaskeerde melder/module.

Bepaalde storingen, zoals ‘GEEN ANTW/AFWEZIG’ en ‘LAGE MEETWAARDE’ zullen geen normale storingsmelding genereren.

Het maskeren van een melder wordt enkel gebruikt in uitzonderlijke gevallen, waar buitengewone omstandigheden of werkzaamheden kunnen leiden tot valse alarmen; het mag niet gebruikt worden voor het onderdrukken van storingsmeldingen.

(de storingszoemer zal regelmatig een geluid opwekken bij de maskering van een of meerdere melders/modules)

Het maskeren van een bedieningsmodule betekent dat dit element niet geaktiveerd wordt bij alarm of ontruiming, zelfs niet indien een aktie in de kontrolematrix gepro-grammeerd werd.

Het maskeren en het verwijderen van het masker gebeurt door op het klavier van de centrale op toets '1' te drukken; op het display verschijnt de melding:

MASKEER-operatie; Volledige Zone (J/N)?

Men kan maskeren per zone of per individuele melder/module. Indien gekozen wordt voor het maskeren van een volledige zone door met JA op deze vraag te antwoorden, zullen enkel de analoge melders, maar niet de modules (zoals handmelders) uit die zone gemaskeerd worden.

Het verwijderen van de maskering van een volledige zone slaat op alle melders en modules die in de zone aanwezig zijn.

Indien meerdere zones geprogrammeerd werden in de centrale, verschijnt de melding:

MASKEER: Welk ZONE-nr.: ?

Geef het nummer van de zone in gevolgd door ENTER. Op het display verschijnt de melding:

ZONE (n)-: 1=MASKER, 0=VERWIJDERING MASKER

Zoals reeds vermeld, zullen bij het kiezen van optie '1' enkel de melders gemaskeerd worden; bij optie '0' wordt de maskering van alle melders/modules van die zone verwijderd.

De centrale vraagt, afhankelijk van de ingegeven waarden, naar een bevestiging met de melding:

MASKEER MELDERS ZONE (n) (J/N)?

of

VERWIJDER MASKER ALLE, ZONE (n) (J/N)?

Druk op JA ter bevestiging, en NEEN ter annulatie. Zie Bevestig Veranderingen voor het vastleggen van deze gegevens in de centrale.

Indien gekozen werd voor het maskeren van één enkele melder/module, vraagt de centrale naar het adres, volgens de procedure die onder '3.11 Weergeven en/of loggen van een melder/module' beschreven werd. Wanneer de gewenste melder/module gevonden, en met ENTER geselekteerd werd, verschijnt op het display:

MASKEER (J/N) indien de melder/module niet gemaskeerd was of

VERWIJDER MASKER (J/N) bij een gemaskeerde melder/module

Druk op JA om de bestaande toestand om te keren, ttz van MASKEER->VERWIJDER MASKER en van VERWIJDER MASKER->MASKEER.

Onafhankelijk van het feit dat men per zone of per individuele melder/module werkt, keert de centrale terug naar Top Level Display met de melding op lijn 2:

Druk toets BEVESTIG VERANDERINGEN

Men kan verdere maskeringen ingeven zonder deze toets te bedienen; het bevestigen van het maskeren of het verwijderen van een maskering gebeurt echter pas na de bediening van de toets BEVESTIG VERANDERINGEN.

Indien afgezien wordt van een bepaalde aktie, kan dit steeds door NEEN/ANNUL in te drukken worden geannuleerd. Hierdoor vervallen alle aanpassingen die sinds de laatste implementatie mbv de toets BEVESTIG VERANDERINGEN doorgevoerd werden.

Wanneer een maskering op een gedeelte van de adresseerbare melders/modules van het systeem doorgevoerd werd, zal de storingszoemer om de 2 minuten een kort geluid laten horen gedurende de maskering. Dit geluid kan niet uitgeschakeld worden.

4. Bediening via een VDU-terminal

Bepaalde toetsen van de centrale, zoals beschreven in hoofdstuk 3, kunnen via een VDU-terminal doorgevoerd worden.

De 4 hoofdbedieningstoetsen van de centrale STOPPEN INTERNE ZOEMER, RESET, ONTRUIMING, STOPPEN ALARMGEVERS kunnen geëmuleerd worden via de funktietoetsen van de VDU. De aktivering van deze toetsen hangt af van de konfiguratie van het systeem. (raadpleeg de programmeerhandleiding voor details)

De emulatie is geaktiveerd indien de onderste lijn van het VDU-display er melding van maakt.

De emulatie is enkel mogelijk indien de VDU-terminal uitgerust is met 16 funktietoet-sen; indien dit niet het geval is kunnen de volgende 4 paragrafen overgeslagen worden.

De algemene toestand van de centrale wordt op de VDU weergegeven, net zoals op lijn 1 van het LCD-display echter zonder tijd/datumaanduiding en adressering.

4.1 Stoppen van de ingebouwde zoemer

Druk op funktietoets F10. Alle onder 3.3 beschreven handelingen zullen uitgevoerd worden, met dit verschil dat de extra informatie over het voorval op het display van de VDU geplaatst wordt, en men de lijst van de meldingen niet kan doorlopen.

4.2 Ontruiming via de externe alarmgevers

Druk op funktietoets F12. Alle, onder 3.4 beschreven handelingen zullen uitgevoerd worden. Het stoppen van de externe alarmgevers is niet mogelijk via het toetsenbord van de VDU indien de ontruiming geïntialiseerd werd via de VDU; dit dient te gebeu-ren met de toets STOPPEN ALARMGEVERS van de centrale.

4.3 Stoppen van de externe alarmgevers

Druk op funktietoets F14 om de externe alarmgevers te stoppen, met deze beperking dat dit enkel mogelijk is indien de ontruiming door de kontrolematrix geïntitialiseerd werden, en niet door de toets ONTRUIMING van VDU of centrale. Alle onder 3.5 beschreven handelingen zullen uitgevoerd worden. Na een ONTRUIMING heeft deze toets geen effekt.

Na SYSTEEMFOUT 40 zal de ingebouwde storingszoemer enkel stilgelegd kunnen worden met de toets STOPPEN ALARMGEVERS van de centrale.

4.4 Reset

Druk op funktietoets F16. Alles wat onder 3.7 beschreven wordt zal uitgevoerd worden.

4.5 Weergeven en uitprinten van de konfiguratiegegevens

Gelieve paragraaf 3.11 en 3.12 te raadplegen voor meer details.

5. Samenvatting van de mogelijke toestandsmeldingen

De centrale voorziet in 9 verschillende toestandsmeldingen.

Standaard bevindt de centrale zich in de toestand NORMAAL.

De andere toestandsmeldingen treden op bij afwijkingen van de normale toestand; meerdere toestandsmeldingen kunnen tegelijkertijd aanwezig zijn, maar worden in een bepaalde prioriteit weergegeven.

Hieronder kan men een lijst vinden in dalende prioriteit:

BRAND

VOORALARM

STORING

MASKERING MELDER

ONTRUIMING

TEST

INGENIEUR

INGENIEUR-STILTE

NORMAAL

5.1 Toestandsmeldingen

Paragrafen 5.1.1 tot 5.1.9 beschrijven de optische en akoestische meldingen van de centrale in de verschillende systeemtoestanden.

5.1.1 Status NORMAAL

Deze melding verschijnt op het display wanneer de centrale operationeel is, en er:

* geen brand- of storingsmeldingen aanwezig zijn,

* geen gedeelte van de centrale gemaskeerd is

* geen zone onder test staat

* geen konfiguratie of herprogrammering uitgevoerd wordt

Ledaanduidingen:

NETSPANNING OK (groen) licht op

Alle andere leds zijn gedoofd.

LCD-display:

Lijn 1: STATUS: NORMAAL (datum) (tijd)

Lijn 2: (leeg)

Ingebouwde zoemers:

Niet geaktiveerd

Sturingen:

Externe alarmgevers: Niet geaktiveerd

Relais BRAND: Niet geaktiveerd

Relais STORING: Niet geaktiveerd

Relais ONTRUIMING: Niet geaktiveerd

Bedieningsmodules: Niet geaktiveerd

Melders en modules:

De leds ervan kunnen, afhankelijk van de konfiguratie van de centrale, knipperen of gedoofd zijn in deze systeemtoestand.

5.1.2 Status BRAND

Dit is de toestand waarbij een of meerdere melders/modules een brandmelding naar de centrale sturen. Deze toestand blijft aanwezig totdat men de centrale reset.

Na het be-dienen van de toetsen STOPPEN INTERNE ZOEMER en STOPPEN ALARMGEVERS zal deze alarmtoestand behouden blijven.

Ledaanduidingen:

* NETSPANNING OK (groen) licht op
* Het woord BRAND (rood) knippert, en zal kontinu oplichten na bevestiging van de melding door op STOPPEN INTERNE ZOEMER te drukken.
* De zoneled (rood) knippert, en zal kontinu oplichten nadat de melding bevestigd werd door de toets STOPPEN INTERNE ZOEMER te drukken.
* De led NIEUW ALARM (rood) kan knipperen indien een nieuwe alarmmelding vanuit een reeds alarmerende zone optreedt.

LCD-display:

Lijn 1: STATUS: * BRAND * (datum) (tijd)

Lijn 2: (lokatienaam)(type element)

Nadat de alarmmelding bevestigd werd door de gebruiker verschijnt een meer gedetail-leerde beschrijving van de melding op lijn 2, onder de vorm van:

** BRAND ** (adres melder/module) (zone) (type) (analoge waarde bij alarmmelding) (lokatienaam) (datum & tijd van alarmmelding) met aanduiding of andere alarmen aanwezig zijn.

Ingebouwde zoemers:

Alarmzoemer (hoge toon) wekt een geluid op. Na bevestiging van het alarm zal deze zoemer om de 12s kortstondig een geluid opwekken.

Sturingen:

Externe alarmgevers: Geaktiveerd bij standaard programmering. Kunnen afgeschakeld worden door het drukken op STOPPEN ALARMGEVERS indien dit voorzien is in de programmering.

Relais BRAND: Geaktiveerd; na het drukken van STOPPEN ALARMGEVERS niet meer geaktiveerd.

Relais STORING: Niet geaktiveerd

Relais ONTRUIMING: Niet geaktiveerd

Bedieningsmodules: Afhankelijk van de programmering kunnen bedienings- modules in kontinu of gepulseerd aangestuurd worden. Na het drukken van de toets STOPPEN ALARMGEVERS kunnen ze al dan niet afgeschakeld worden.

Melders en modules:

De leds van alarmerende melders en toezichtsmodules zijn bij een alarm of bediening in kontinu opgelicht, en knipperen met een interval van 1s indien de meetwaarde opnieuw gedaald is beneden de alarmdrempel.

De led van een aangestuurde bedieningsmodule licht kontinu op.

5.1.3 Status VOORALARM

Dit is de toestand waarbij een of meerdere melders/modules meetwaarden naar de centrale sturen die hoger zijn dan de normale, maar de alarmdrempel nog niet bereikt hebben. Deze toestand blijft aanwezig totdat een alarmmelding voor dat punt gemeld wordt, of tot wanneer men de centrale reset.

Bij indrukken van de toetsen STOPPEN INTERNE ZOEMER zal deze vooralarmtoe-stand behouden blijven.

Ledaanduidingen:

* NETSPANNING OK (groen) licht op

* De led VOORALARM (geel) knippert, en zal kontinu oplichten nadat de melding bevestigd werd door de toets STOPPEN INTERNE ZOEMER te drukken.

* Alle andere leds zijn gedoofd.

LCD-display:

Lijn 1: STATUS: VOORALARM (datum) (tijd)

Lijn 2: (lokatienaam)(type element)

Nadat de alarmmelding bevestigd werd door de gebruiker verschijnt een meer gedetail-leerde beschrijving van de melding op lijn 2, onder de vorm van:

VOORALARM (Adres melder) (zone) (type) (analoge waarde bij vooralarm-melding) (lokatienaam) (datum & tijd van vooralarmmelding) met aanduiding of andere voorvallen aanwezig zijn.

Ingebouwde zoemers:

Alarmzoemer (hoge toon) wekt een om de 2 minuten kortstondig een geluid op.

Sturingen, melders en modules: zie 5.1.1

5.1.4 Status STORING

Deze toestand kan meerdere oorzaken hebben, zoals een defekt aan melders, modules of een kaart van de centrale. Bovendien zitten hierin storingen zoals STORING ACCU (afwezigheid van netspanning, batterijen of laad-unit) en CPU-STORING ( µ P-fout). Deze

storingsmeldingen blijven aanwezig totdat een melding van hogere prioriteit gemeld wordt, of totdat men de centrale reset. Bij indrukken van de toets STOPPEN INTERNE ZOEMER zal deze storingstoestand behouden blijven.

Ledaanduidingen:

* NETSPANNING OK (groen) licht op indien 220V aanwezig is; is gedoofd indien de

netspanning afwezig is

* De gele leds STORING / STORING ACCU / CPU-STORING kunnen, afhankelijk van de aard van de storing, knipperen, en zullen kontinu oplichten nadat het voorval bevestigd werd door op de toets STOPPEN INTERNE ZOEMER te drukken.
* De zoneled (geel) kan knipperen, en zal in kontinu oplichten nadat de melding bevestigd werd door de toets STOPPEN INTERNE ZOEMER te drukken.

LCD-display:

Lijn 1: STATUS: * STORING * (datum) (tijd)

Lijn 2: (lokatienaam)(type melder/module) of: (storingsmelding)

Nadat de storingsmelding bevestigd werd door de gebruiker verschijnt een meer gedetailleerde beschrijving van het voorval op lijn 2, onder de vorm van:

(Soort storing) (Adres melder/module) (zone) (type) (analoge waarde bij storingsmelding) (lokatienaam) (datum & tijd van storingsmelding) met aanduiding of andere voorvallen aanwezig zijn.

Ingebouwde zoemers:

Storingszoemer wekt een geluid op. Na bevestiging van het alarm zal deze zoemer om de 2 minuten kortstondig een geluid opwekken.

Sturingen:

Externe alarmgevers: Niet geaktiveerd

Relais BRAND: Niet geaktiveerd

Relais STORING: Geaktiveerd

Relais ONTRUIMING: Niet geaktiveerd

Bedieningsmodules: Niet geaktiveerd

Melders en modules:

Voor bepaalde soorten storingen (VERKEERD MELDERTYPE en DUBBELE

ADRESSERING) zal het knipperen van de leds van melders en modules in storing ge-beuren met een interval van 1s, waardoor de lokalisatie van de melder/module eenvou-dig wordt.

De leds van de andere melders/modules kunnen knipperen, of kunnen gedoofd zijn, afhankelijk van de konfiguratie van de centrale.

5.1.5 Status MASKERING MELDERS

Deze toestand wordt aangegeven indien één of meerdere melders/modules van het systeem gemaskeerd werden. (zie 3.16)

Deze melding blijft aanwezig totdat men de maskering van de melders/modules manu-eel verwijderd. Indien een melding van hogere prioriteit gemeld wordt zal de maskering op de achtergrond aanwezig blijven. Nadat alarmen of storingen opgeheven werden, zal de centrale de maskering opnieuw op het LCD-display melden.

Ledaanduidingen:

* NETSPANNING OK (groen) licht op
* De MASKERING MELDER led (geel) licht op

LCD-display:

Lijn 1: MASKER MELDER(S) (datum) (tijd)

Lijn 2: (leeg)

Ingebouwde zoemers:

Storingszoemer wekt om de 2 minuten een geluid op.

Sturingen, melders en modules: zie 5.1.1

5.1.6 Status ONTRUIMING

Dit is de toestand na het indrukken van de toets ONTRUIMING. Deze melding blijft aanwezig totdat een melding van hogere prioriteit gemeld wordt, of totdat men de toets STOPPEN ALARMGEVERS bedient. (NB: Bij het indrukken van de toets RESET zal deze toestand behouden blijven)

Ledaanduidingen:

* NETSPANNING OK (groen) licht op

* Alle andere leds zijn gedoofd

LCD-display:

Lijn 1: ONTRUIMING (datum) (tijd)

Lijn 2: (leeg)

Ingebouwde zoemers: Niet geaktiveerd

Sturingen:

Externe alarmgevers: Geaktiveerd bij standaard programmering. Kunnen afgeschakeld worden door het drukken op STOPPEN ALARMGEVERS.

Relais BRAND: Niet geaktiveerd

Relais STORING: Niet geaktiveerd

Relais ONTRUIMING: Geaktiveerd

Bedieningsmodules: Afhankelijk van de programmering kunnen bedienings- modules in kontinu of gepulseerd aangestuurd worden.

Melders en modules:

De led van een aangestuurde bedieningsmodule licht in kontinu op.

5.1.7 Status TESTMODE

Deze toestand wordt aangegeven wanneer een zone in automatische resetmode voor onderhoudswerkzaamheden geplaatst werd.

Deze aanduiding blijft aanwezig totdat een melding van hogere prioriteit gemeld wordt, of

totdat men de centrale weer in zijn normale toestand plaatst.

Ledaanduidingen:

* NETSPANNING OK (groen) licht op

* De ZONE IN TEST led (geel) licht op

* Alle andere leds zijn gedoofd

LCD-display:

Lijn 1: ZONE (n) IN TEST (datum) (tijd)

Lijn 2: (leeg) of (lokatienaam en meldertype van laatst geteste melder)

Ingebouwde zoemers en Stroombewaakte sturingen: zie 5.1.1

Externe sturingen:

Bedieningsmodules: Niet geaktiveerd

Melders en modules:

Voor de melders en toezichtsmodules in test zal het knipperen van de leds gebeuren met een interval van 1s, waardoor de lokalisatie van het element eenvoudig wordt. De leds van de andere melders/modules kunnen knipperen, of kunnen gedoofd zijn, afhankelijk van de konfiguratie van de centrale.

5.1.8 Status INGENIEUR

Deze toestand geeft aan dat men een paswoord heeft ingegeven waardoor het herprogrammeren van de centrale mogelijk wordt.

Deze melding verdwijnt wanneer men op de toets ANNUL drukt, wanneer een alarm of storingsmelding binnenloopt of wanneer gedurende 2 minuten geen toets indrukt wordt.

LCD-display:

Lijn 1: STATUS: INGENIEUR (datum) (tijd)

Lijn 2: (leeg)

Alle anderen aanduidingen en sturingen: zie 5.1.1

5.1.9 Status INGENIEUR-STILTE

Deze toestand is gelijk aan de toestand NORMAAL, behalve dat via een speciale procedure het herhaald weerklinken van de storingszoemer onderdrukt wordt. De werking van de alarmzoemer wordt hierdoor niet beïnvloed. Deze werking is van nut tijdens de indienstname en tijdens het testen van het systeem.

Zie programmeerhandleiding voor een meer gedetailleerde beschrijving.

LCD-display:

Lijn 1: STATUS: ING.-STIL (datum) (tijd)

Lijn 2: (leeg)

Alle anderen aanduidingen en sturingen: zie 5.1.1

APPENDIX 1

Systeemfouten

1 TX Luskaart afwezig of in storing
2-4 Gereserveerd
5 CPU TX luskaart heeft Power Restart doorgevoerd
6-8 Gereserveerd
9 Lus kortgesloten (indien niet geïsoleerd)
10-12 Gereserveerd
13 Adres '00' aanwezig op de lus (adressering werd vergeten)
14-16 Gereserveerd

17 TX luskaart CP6 checksum EEPROM (fout in konfiguratiegegevens)
18-20 Gereserveerd
21 TX luskaart: storing relais voor omkeren dialoogrichting op lus (A en B)
22-24 Gereserveerd
25 Verzwakt signaal voor een element op de lus (meer dan 10 keer / uur)
26-32 Gereserveerd

33 Netspanning afwezig
34 Storing laadunit / accu
35 Inwendige 5 - 12 - 24V voeding: storing of spanningsbereik buiten limiet
36 Extra 24V voeding: storing of spanningsbereik buiten limiet

37 Storing stroombewaakt relais 'BRAND'
38 Storing stroombewaakt relais 'STORING'
39 Storing stroombewaakt relais 'ONTRUIMING'

40 Watchdog CPU geaktiveerd
41 CP6 checksum 'A' EPROM (fout in programma)
42 CP6 checksum 'B' EPROM (fout in programma)
43 CP6 checksum EEPROM (fout in konfiguratiegegevens)
44 Printerstoring (enkel voor miniatuurprinter P40)
45 Schrijffout EEPROM
46 Softwarefout (mag niet voorkomen)
47 Hardwarefout centrale (display of klok)
48 Geen reaktie printer/VDU
49 Storing timer watchdog CPU - watchdog niet operationeel

50 Kortsluiting ALARMGEVER #2
51 Kortsluiting ALARMGEVER #1
52 Onderbreking ALARMGEVER #2
53 Onderbreking ALARMGEVER #1
54 Relaisstoring ALARMGEVER #2
55 Relaisstoring ALARMGEVER #1

56 Aardingsfout

Inhoudsopgave Klik op een titel om deze te openen
Handleidingassistent
Aangedreven door Anthropic
Wachten op uw bericht
Productinformatie

Merk : Notifier

Model : ID1000

Categorie : Bewakingscamera