Versa IP - Bewakingscamera Satel - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis Versa IP Satel in PDF-formaat.
| Producttype | IP-bewakingscamera |
| Merk | Satel |
| Model | Versa IP |
| Afmetingen (B x H x D) | 110 x 90 x 80 mm |
| Gewicht | 350 g |
| Voeding | 12 V DC / PoE (IEEE 802.3af) |
| Stroomverbruik | max. 5 W |
| Resolutie | 2 MP (1920 x 1080) |
| Beeldsensor | 1/2.9" CMOS |
| Lens | 2.8 mm, F1.6 |
| Kijkhoek | 105° (diagonaal) |
| Nachtzicht | IR-LED, bereik tot 20 m |
| Compressie | H.264 / H.265 |
| Audio | Ingebouwde microfoon en luidspreker |
| Opslag | MicroSD-kaart (max. 128 GB) |
| Netwerk | 10/100 Ethernet, Wi-Fi optioneel |
| Protocollen | IPv4, IPv6, TCP/IP, HTTP, HTTPS, RTSP, ONVIF |
| Beveiliging | Gebruikersauthenticatie, SSL/TLS, watermerken |
| Bedrijfstemperatuur | -10°C tot +50°C |
| Montage | Binnen- en buitengebruik (IP66) |
| Onderhoud | Regelmatig reinigen met droge doek; firmware-updates |
| Reparatie / Reserveonderdelen | Neem contact op met Satel-service of erkende dealer |
Veelgestelde vragen - Versa IP Satel
Gebruikersvragen over Versa IP Satel
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Bewakingscamera in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding Versa IP - Satel en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. Versa IP van het merk Satel.
GEBRUIKSAANWIJZING Versa IP Satel
Gebruikershandleiding
SATEL sp. z o.o.
ul. Budowlanych 66
80-298 Gdańsk
POLAND
tel. 58 320 94 00
www.satel.eu
WAARSCHUWING
Voordat u gebruik gaat maken van het alarmsysteem dient u deze handleiding zorgvuldig door te lezen, om zo fouten te voorkomen welke tot het niet functioneren of beschadigen van de apparatuur kan leiden.
Wijzigingen, modificaties of reparaties welke uitgevoerd worden door een niet geautoriseerde persoon door de fabrikant, zal het recht op garantie doen vervallen.
Sluit de alarmsystemen alleen aan op een analoge telefoonlijn (indien van toepassing). Indien de analoge lijn omgezet gaat worden naar een digitale (internet) lijn, dan dient u contact op te nemen met uw installateur.
Mocht de telefoonlijn, waarop het alarmsysteem aangesloten zit, veelvoudig in gesprek zijn en/of er storingen door gemeld worden, neem dan zo spoedig mogelijk contact op met uw installateur.
Om een goede beveiliging te verzekeren dient het alarmsysteem goed te werken, daarvoor raad SATEL aan om het system regelmatig te testen. Het alarmsysteem is voorzien van een aantal zelf-diagnose functies welke, indien juist geconfigureerd door de installateur, voorzien in een correct werkend systeem.
Het alarmsysteem kan niet voorkomen dat er ingebroken wordt, een overval gepleegd wordt of een brand ontstaat, maar het verzekert in geval van deze situaties dat de juiste acties ondernomen worden om zo de mogelijke schade te beperken (een alarm zal optisch en akoestisch gesignaleerd worden en de juiste instanties zullen gewaarschuwd worden, etc.).
Dit alles kan de potentiele inbrekers afschrikken.
Het doel van SATEL is om continu de kwaliteit te verbeteren van haar producten wat kan resulteren in wijzigingen van de technische specificaties en firmware. De actuele informatie over de aangebrachte wijzigingen is beschikbaar op de website.
Bezoek ons op:
http://www.satel.eu
De verklaring van overeenstemming kan worden geraadpleegd op www.satel.eu/ce
Standaard fabriekscode:
Manager code (30): 1111
De volgende symbolen kunnen in deze handleiding gebruikt worden:

- opmerking;

- waarschuwing.
INHOUD
- Introductie....3
- Technische betrouwbaarheid van het alarmsysteem....3
- Alarmsysteem werking en eventueel bijkomende kosten....3
- Begrippenlijst....4
- Alarmsysteem overeenkomend met de standaard eisen van de EN 50131 voor Grade 2....6
- Het alarmsysteem bedienen met een LCD bediendeel....6
6.1 Bediendeel beschrijving....7
6.1.1 De LED's geven de systeem en blok status weer 7
6.1.2 Display....8
6.1.3 Toetsen....9
6.1.4 Ingebouwde proximity kaartlezer....9
6.1.5 Geluiden 10
6.2 Codes....11
6.2.1 Standaard fabriekscodes....11
6.3 Inschakelen 11
6.3.1 Inschakelen zonder een specifiek blok te selecteren....11
6.3.2 Inschakelen met een proximity kaart VERSA-LCDM-WRL....12
6.3.3 Inschakelen van een specifiek blok....12
6.3.4 Snel inschakelen van het systeem 12
6.3.5 Het systeem inschakelen zonder vertraging 13
6.3.6 Het systeem inschakelen onder dwang....13
6.3.7 Informatie bij overbrugde zones 13
6.3.8 Inschakelen niet mogelijk en geforceerd inschakelen....13
6.3.9 Mislukken van de inschakelprocedure....14
6.4 Uitschakelen en alarmen herstellen....14
6.4.1 Uitschakelen en alarm herstellen zonder een blok te selecteren....14
6.4.2 Uitschakelen en alarm herstellen met een proximity kaart VERSA-LCDM-WRL....15
6.4.3 Uitschakelen en alarm herstellen van een specifiek blok....15
6.4.4 Uitschakelen en/of alarm herstellen onder dwang 15
6.4.5 Bekijken van zones welke een alarm gegenereerd hebben....15
6.5 Snel controlleren van de blok status....15
6.6 Activeren van alarmen via het bediendeel 16
6.7 De BEL aan/uitzetten....16
6.8 Gebruikersmenu....16
6.8.1 Navigeren door het menu en het uitvoeren van functies....16
6.8.2 "Stap voor stap" programmeer methode 17
6.8.3 Gegevens invoeren ....17
6.8.4 Lijst met gebruikersfuncties....18
6.9 Wijzigen van uw eigen code 19
6.10 Gebruikers....19
6.10.1 Een gebruiker toevoegen 19
6.10.2 Een gebruiker wijzigen 25
6.10.3 Een gebruiker verwijderen....26
6.11 Telefoonberichten annuleren....26
6.12 Zones overbruggen 26
6.12.1 Zone tijdelijk overbruggen ....26
6.12.2 Zone uitschakelen....27
6.13 Bekijken van het logboek....27
6.14 Auto-inschakelen van het systeem uitstellen 28
6.14.1 De auto-inschakeling eenvoudig uitstellen....28
6.14.2 De auto-inschakeling uitstellen via de gebruikersfunctie ....28
6.15 Instellen van de tijd en datum 28
6.16 Programmering van de klokken....28
6.16.1 Programmering van het schema 29
6.16.2 Programmering van een uitzondering 29
6.16.3 Selecteren van de inschakel mode.... 29
6.17 Programmering van telefoonnummers voor notificaties.... 29
6.18 Programmering van codes voor bevestiging /alarm herstellen 31
6.19 Controleren van storingen / systeem status 31
6.19.1 Informatie over de systeem status.... 31
6.19.2 Storing afhandelingsprocedure.... 31
6.19.3 Storingsgeheugen en storingen wissen.... 31
6.20 Uitgangen aansturen....32
6.20.1 Uitgangen snel en eenvoudig aansturen 32
6.20.2 Uitgangen aansturen via de gebruikersfunctie 32
6.21 Testen....32
6.21.1 Zones testen 32
6.21.2 Uitgangen testen.... 33
6.21.3 Het signaal van draadloze apparaten en/of GSM signaal controlleren 33
6.21.4 Een handmatige testmelding naar de meldkamer versturen.... 33
6.21.5 Een telefoon test uitvoeren met de meldkamer 33
6.21.6 De firmware van het alarmsysteem controleren 34
6.21.7 De firmware versies van de modules controleren 34
6.21.8 De voeding voltages van modules controleren 34
6.21.9 Uitgangen resetten 34
6.22 Service....34
6.22.1 Definiëren van de toegangsregels voor de servicemonteur 34
6.22.2 Definiëren van de toegangstijd voor de servicemonteur 35
- Bediening van het alarmsysteem via een handzender....35
7.1 Inschakelen niet mogelijk en geforceerd inschakelen.... 36
7.1.1 Geforceerd inschakelen 37
7.2 Mislukken van de inschakelprocedure gestart vanaf een handzender.... 37
- Bediening van het alarmsysteem via de telefoon 37
8.1 Starten van de bediening via de telefoon 37
8.2 Spraak gestuurd menu....38
8.3 Het bedienen via de telefoon stoppen 39
-
Een spraakbericht bevestigen....39
-
SMS bediening ...... Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd.
- VERSA Control applicatie 40
1. Introductie
We zijn blij met uw keuze voor een product van SATEL en hopen dat u tevreden bent met uw keuze. Wij zijn altijd bereid om professionele assistentie en informatie over uw product te verstrekken.
SATEL maakt als fabrikant een breed scala aan apparaten toegespitst voor gebruik in alarmsystemen. Verdere informatie is beschikbaar op onze website www.satel.eu of bij verkooppunten die onze producten aanbieden.
Deze handleiding beschrijft de verschillende manieren waarop u het alarmsysteem kunt bedienen, behalve het gebruik van de touchscreen bediendelen (INT-TSG en INT-TSH), deze worden beschreven in een aparte handleiding, welke bij het product bijgeleverd wordt.

De installateur dient na het opleveren van het alarmsysteem de eindgebruiker te trainen in het gebruik van het alarmsysteem.
2. Technische betrouwbaarheid van het alarmsysteem
Het alarmsysteem is opgebouwd uit diverse technische componenten. Een goede werking van deze componenten is van cruciaal belang voor een betrouwbaar alarmsysteem. Componenten van het alarmsysteem kunnen worden blootgesteld aan diverse externe invloeden, zoals bijvoorbeeld weersomstandigheden als regen- en onweersbuien. Dit soort omstandigheden kunnen elektronische en mechanische schade veroorzaken. Regelmatig onderhoud en controle van het systeem zorgt voor een betrouwbare werking.
Het alarmsysteem is voorzien van een aantal veiligheidsfuncties en automatische diagnostische mogelijkheden om de prestaties van het systeem te testen. Bij storingen en technische problemen zal de LED gaan knipperen op het bediendeel. Neem in dit geval direct maatregelen om de storing op te zoeken en deze te verhelpen. Indien nodig neem contact op met de installateur van het systeem.
In het alarmsysteem zijn bepaalde functies beschikbaar om het alarmsysteem te testen en maken het mogelijk om zo detectoren, sirenes, communicatie modules, etc. te testen op een correcte werking. Alleen het regelmatig testen en controleren van het alarmsysteem zorgt dat u een hoog beveiligingsniveau tegen inbraak behoud.
Wij adviseren om de installateur periodiek een controle van het systeem te laten uitvoeren.
Het is in uw belang om de procedures te volgen wanneer het alarmsysteem een alarm signaleert. Het is belangrijk om te weten hoe een alarm geverifieert moet worden en de bron te identificeren op basis van de informatie die weergegeven wordt op het bediendeel, en zo passende maatregelen te kunnen nemen (bijv. evacuatie bij een brandalarm).
3. Alarmsysteem werking en eventueel bijkomende kosten
Het alarmsysteem kan de gebruiker en de meldkamer informeren over de status van het beveiligde object. Realisatie van deze functies via een analoge telefoonlijn kan financiële kosten met zich mee brengen, en hangt af van de hoeveelheid informatie die verzonden wordt. Telefoonlijn storingen, als ook een niet correct geprogrammeerd alarmsysteem kan in verhoogde kosten resulteren (door het maken van vele oproepen).
Vraag uw installateur naar eventuele bijkomende kosten, of hoe om hoge kosten te voorkomen. Bijvoorbeeld: Indien het niet gelukt is om een gebeurteniscode succesvol naar de meldkamer te verzenden, dan zal het alarmsysteem dit elke minuut blijven proberen te verzenden, of nadat het maximaal aantal belpogingen is bereikt, dan zal het doormelden worden beëindigt totdat er een nieuwe gebeurtenis optreedt.
4. Begrippenlijst
Alarm – een reactie van het alarmsysteem bij detectie van een inbreker door één van de detectoren in het beveiligde gebied of door een andere gebeurtenis in het beveiligde gebied (bijvoorbeeld: glasbreukdetectie, gasdetectie, etc.). Een alarm kan worden gesignaleerd via bediendelen, proximity kaartlezers, flitsers of door sirenes (gedurende een gedefinieerde tijd of totdat het alarm hersteld is). Tevens kan de informatie van een alarm verzonden worden naar een particuliere alarmcentrale (PAC), of naar een gebruiker.
Alarm zone – een apparaat waarvan de activering ervan resulteert in het activeren van een alarm. Alarm zones kunnen direct zijn (activering zal direct een alarm genereren) of vertraagd (activering zal pas een alarm genereren nadat een gedefinieerde tijdsperiode verstreken is, bijvoorbeeld na de ingangsvertraging).
Beveiligd gebied – het gebied bewaakt met detectoren in een deel van het alarmsysteem.
Blok (gebied) – een gedeelte van het beveiligde gebied, bestaande uit een aantal zones. De verdeling van het systeem in blokken maakt het mogelijk om de toegang tot een bepaald gedeelte van het object voor bepaalde gebruikers te beperken. Deze gebruikers kunnen dan één of meerdere delen in of uitschakelen van het beveiligde gebied.
Brandalarm – een alarm geactiveerd door rookmelders of via het bediendeel bij een brand.
Code – een aantal cijfers welke het mogelijk maken voor de gebruiker om het alarmsysteem via het bediendeel te bedienen.
Detector – een basis component van het alarmsysteem welke de omgeving analyseert en indien er zich een alarmsituatie voordoet, de informatie verzend naar het alarmsysteem (bijvoorbeeld: detectoren bij het registreren van beweging, magneetcontacten bij het openen van een deur of raam, glasbreuk detectoren bij het breken van glas, gas detectoren bij het detecteren van gas, etc.).
Gebruiker— een persoon welke het alarmsysteem kan bedienen door gebruik van een code, proximity kaart of handzender.
Ingangsroute – de route welke de gebruiker dient te volgen na het betreden van het beveiligde gebied alvorens het alarmsysteem te kunnen uitschakelen. Dit is meestal ook het zelfde als de Uitgangsroute.
Ingangsvertraging – de tijd geteld vanaf het moment dat men het pand betreedt in het beveiligde gebied, waarna het mogelijk is om het alarmsysteem uit te schakelen voordat het alarm afgaat.
Ingeschakelde mode – de status van het alarmsysteem waarin een zone een alarm kan activeren.
Inschakelmode: Dag – de status waarin bepaalde zones in het blok ingeschakeld zijn. De installateur dient te programmeren welke zones bij deze "Dag" inschakelmode horen, zodat wanneer de gebruiker in het beveiligde gebied blijft, er geen risico is dat er overdag een alarm afgaat. Indien geen zones voor deze mode geprogrammeerd zijn door de installateur, dan is het niet mogelijk het alarmsysteem in deze mode in te schakelen.
Inschakelmode: Nacht – de status waarin bepaalde zones in het blok ingeschakeld zijn. De installateur dient te programmeren welke zones bij deze “Nacht” inschakelmode horen, zodat wanneer de gebruiker in het beveiligde gebied blijft, er geen risico is dat er ‘s nachts een alarm afgaat. Indien geen zones voor deze mode geprogrammeerd zijn door de installateur, dan is het niet mogelijk het alarmsysteem in deze mode in te schakelen.
Inschakelmode: Volledig – de status waarin alle zones van een blok ingeschakeld zijn.
Installateur – de persoon welke het alarmsysteem heeft geïnstalleerd en geprogrammeerd.
Medisch alarm – een alarm geactiveerd door een knop of via het bediendeel indien er medische assistentie nodig is.
Paniek/overval alarm – een alarm geactiveerd door een paniekknop of via het bediendeel in geval van een overval.
Passieve transponder – een draadloos apparaat welke geen eigen voeding heeft. Door een elektromagnetisch veld kan deze een signaal versturen waardoor identificatie van de gebruiker mogelijk is. Een passieve transponder is bijv. een proximity kaart, proximity tag, etc.
Proximity kaart – een passieve transponder waarmee de gebruiker het alarmsysteem kan bedienen via het gebruik van een proximity kaartlezer. (VERSA-LCD-WRL, INT-CR en INT-IT proximity kaart lezers).
Rapportage – rapportage van gebeurtenissen in het alarmsysteem die doorgegeven worden naar de Particulier Alarm Centrale. De informatie van een gebeurtenis kan worden verzonden via de telefoonlijn, Ethernet netwerk, etc. De Particuliere Alarm Centrale dient dan actie te ondernemen bij een specifieke gebeurtenis (bijvoorbeeld alarmen, storingen, etc.), en/of gebruikers, bewakingsdiensten, politie, etc. te waarschuwen).
Sabotage alarm – een reactie van het alarmsysteem bij het openen van een behuizing van een apparaat, het weghalen van het apparaat van de muur, het doorknippen van de bekabeling, etc.. De acties welke genomen worden door het alarmsysteem zijn hetzelfde als bij een inbraakalarm, maar indien een sabotage alarm optreed is het verstandig de installateur te waarschuwen, zodat hij/zij het systeem kan controleren.
Service code – een code welke toegang heeft tot de service mode en tevens sommige functies van het gebruikersmenu.
Servicemonteur – de persoon welke de functionaliteit van het geïnstalleerde alarmsysteem en componenten controleert en tevens mogelijke problemen moet voorkomen.
Sirene / Flitser – een apparaat welke informatie geeft over alarmen en andere gebeurtenissen in het alarmsysteem door middel van een akoestische en/of optische signalering.
Uitgangsroute – de tijd geteld vanaf het moment dat het alarmsysteem wordt ingeschakeld, waarna het mogelijk is het gebied te verlaten zonder dat het alarm geactiveerd wordt.
Uitgangsvertraging – de tijd geteld vanaf het moment dat het alarmsysteem wordt ingeschakeld, waarna het mogelijk is het beveiligde gebied te verlaten zonder dat het alarm geactiveerd wordt.
Waarschuwingsalarm – in sommige situaties, wanneer de alarm criteria overeenkomen met het alarmsysteem, dan zal dit niet direct resulteren in een alarm. Deze acties worden uitgesteld waarbij de reactie van het systeem wordt gelimiteerd tot een waarschuwingssignaal op de bediendelen, proximity kaartlezers of op sirenes. Dus indien de gebruiker bij het betreden van het beveiligde gebied een fout maakt (het uitschakelen van het alarmsysteem mislukt voordat de ingangsvertraging verstreken is), of beweegt binnen het gebied wanneer deze in de Dag of Nacht mode ingeschakeld is en een zone geactiveerd wordt, dan zal deze extra tijd hebben om het alarmsysteem uit te schakelen voordat er een echt alarm optreed. Vraag uw installateur naar gedetailleerde informatie over in welke situaties het waarschuwingsalarm bij u kan optreden.
Zone – 1. een gescheiden gedeelte van het beveiligde gebied en kan in de vorm van een detector zijn. 2. de aansluiting op de print van het alarmsysteem of uitbreidingsmodule waarop een detector of andere apparaat aangesloten kan worden om de status daarvan te controleren (paniekknoppen, sabotagecontact sirene, stroomuitval indicatie van een 230 VAC voeding, etc.).
Zone activering – een verandering van de zone status welke anders is dan de normale status (bijvoorbeeld indien beweging wordt gedetecteerd door een bewegingsmelder, gas wordt gedetecteerd door een gas detector, etc.).
Zone overbruggen (tijdelijk/uitschakelen) – procedure welke voorkomt dat het alarm geactiveerd wordt door een geselecteerde zone indien het alarmsysteem ingeschakeld is. Activeringen van overbrugde/uitgeschakelde zones zullen worden genegeerd door het alarmsysteem.
5. Alarmsysteem overeenkomend met de standaard eisen van de EN 50131 voor Grade 2
Indien de installateur het alarmsysteem geprogrammeerd conform de EN 50131 standaard eisen voor Grade 2 dan:
- dienen gebruikerscodes te bestaan uit minimaal 5 cijfers.
- dient de informatie beperkt te worden op de LED's van het bediendeel, op het display en geluidsignaleringen.
- is snel inschakelen via het bediendeel (zonder invoering van een code) niet mogelijk.
- is inschakelen niet mogelijk als één van de situaties van de voorgeschreven EN standaard voordoet, (zone activering, storing).
De details voor de standaard EN eisen worden beschreven in de programmeerhandleiding.
6. Het alarmsysteem bedienen met een LCD bediendeel
Het VERSA IP alarmsysteem kan werken met de volgende bediendelen:
VERSA-LCDM – bedraad LCD bediendeel,
VERSA-LCDR – bedraad LCD bediendeel met ingebouwde proximity kaartlezer,
VERSA-LCDM-WRL – draadloos LCD bediendeel met ingebouwde proximity kaartlezer,
VERSA-LCD – bedraad LCD bediendeel,
INT-TSG – bedraad Touch screen bediendeel,
INT-TSH – bedraad Touch screen bediendeel
De bediendelen zijn verkrijgbaar in verschillende kleur opties voor het display en toets achtergrondverlichting. De kleur variant wordt aangegeven met een extra toevoeging bij de bediendeelnaam (bijv. VERSA-LCD-GR – groen display en toets achtergrondverlichting; VERSA-LCDM-WH – wit display en toets achtergrondverlichting).

Fig. 1. VERSA-LCDM bediendeel (de VERSA-LCDR en VERSA-LCDM-WRL bediendelen verschillen alleen in sommige grafische elementen op het glas).

Fig. 2. VERSA-LCD bediendeel.
6.1 Bediendeel beschrijving
6.1.1 De LED's geven de systeem en blok status weer
| LED | Kleur | Omschrijving |
![]() | groen | Geeft de status van het blok weer (elk blok heeft een eigen LED).AAN – het blok is ingeschakeld,Knippert – de uitgangsvertraging in het blok is geactiveerd. |
![]() | rood | Geeft alarmen of alarmen in het geheugen weer van het blok (elk blok heeft een eigen LED)De manier waarop de informatie getoond kan worden, wordt hieronder grafisch weergegeven. De informatie wordt voor 2 seconden weergegeven en herhaald (□– LED is UIT; ■– LED is AAN):- brandalarm,- inbraakalarm,- waarschuwingsalarm,- sabotage alarm,- brandalarm geheugen,- inbraakalarm in het geheugen,- waarschuwingsalarm in het geheugen,- sabotage alarm in het geheugen. |
![]() | geel | Knippert als het systeem uw aandacht vereist (bijv. omdat er een storing is of dat nog een storing in het geheugen staat).De LED gaat niet aan indien één of beide blokken ingeschakeld zijn. |
![]() | blauw | Geeft aan dat de service mode geactiveerd is.AAN – het service menu is beschikbaar op het bediendeel,Knippert – het service menu is niet beschikbaar op het bediendeel (het is geactiveerd op een ander bediendeel of is verborgen door de installateur) |
i
Informatie over de status van een ingeschakeld systeem via de LED kao uitgeschakeld worden door de installateur na een gedefinieerde tijdsperiode. Het invoeren van de code gevolgd door de toes al deze status informatie weer weergeven.
Indien de GRADE 2 optie geactiveerd is door de installateur zal de:
- alleen alarmen weergeven na het invoeren van de code gevolgd door de toets,
- het knipperen van de [▲] LED betekent dat er een storing in het systeem is, dat bepaalde zones overbrugd zijn of dat er een alarm was.
Bij het programmeren van de "stap-voor-stap" methode zullen de 📄 en 🌐 LED's het nummer van de volgende stap weergeven (zie p. 17).
In het gebruikersmenu of in het service menu zal de LED:
- snel knipperen bij het navigeren door de menu's en submenu's,
- continue aan zijn als de functie gestart is.
6.1.2 Display
Het display toont gegevens voor communicatie tussen het alarmsysteem en de gebruiker. De installateur definieert hoe deze informatie getoond wordt op het display en ook hoe de achtergrondverlichting zal werken.
Het display kan in de normale mode werken of in de zone weergave mode (het schakelen tussen deze modes kan met de 9wxyz toets). In de normale mode zal de tijd en datum of de bediendeelnaam worden weergegeven in het display. In de zone weergave mode zullen symbolen worden getoond welke de status van de zones weergeven in het systeem. De nummers rondom het display corresponderen met de zone nummers. De symbolen illustreren de volgende zone statussen:
- overbrugd (wordt niet weergegeven bij een ingeschakeld systeem),
☐ [knipperend] – uitgeschakeld (wordt niet weergegeven bij een ingeschakeld systeem), - lange zone activering (wordt niet weergegeven bij een ingeschakeld systeem),
- geen zone activering (wordt niet weergegeven bij een ingeschakeld systeem),
- zone welke als eerste het alarm heeft geactiveerd,
- zone sabotage (2EOL zone type),
- zone geactiveerd,
- zone sabotage geheugen (2EOL zone type),
- zone alarm geheugen,
. – normale zone status (niet geactiveerd).
i
Indien de GRADE 2 optie ingeschakeld is door de installateur, dan zal het omschakelen naar de zone weergave mode niet mogelijk zijn (via de Dots).
Ongeacht de geselecteerde mode kan bij het optreden van een specifieke gebeurtenis, dit resulteren in een bericht die getoond wordt op het display:
- het aftellen van de auto-inschakel vertraging,
- het aftellen van een ingangsvertraging,
-
het aftellen van een uitgangsvertraging,
-
een zone alarm – het bericht bevat de zone naam welke het alarm geactiveerd heeft en zal weergegeven worden totdat het alarm hersteld is (indien meerdere zones een alarm gegenereerd hebben zullen deze berichten afwisselend om de 2 seconden worden weergegeven – gebruik de door de lijst te scrollen),
- een alarm in een blok – het bericht bevat de blok naam waarin het alarm heeft plaatsgevonden en zal weergegeven worden totdat het alarm hersteld is (indien in beide blokken een alarm heeft plaats gevonden zullen deze berichten om de 2 seconden worden weergegeven, afwisselend in het 1 e blok en 2 e blok – gebruik de o teetsen om door de lijst te scrollen),
- indien er een sabotage heeft plaats gevonden en de installateur gewaarschuwd dient te worden – het bericht zal worden weergegeven totdat het storingsgeheugen gewist wordt met de service code (zie: “Storingsgeheugen en storingen wissen” p. 31).

Indien de GRADE 2 optie ingeschakeld is zullen alarmen en sabotage's niet worden weergegeven.
6.1.3 Toetsen
De toetsen zijn voorzien van cijfers en letters voor het invoeren van uw code en voor het invoeren van data om het systeem te programmeren.
De overige functies worden hieronder weergegeven:

voor activering van het medisch alarm (indrukken en vasthouden voor 3 seconden)

voor het aan/uitzetten van het belsignaal in het bediendeel (indrukken en vasthouden voor 3 seconden)

voor het schakelen tussen de display weergave van de normale mode en de zone status mode (indrukken en vasthouden voor 3 seconden)

voor:
- Inschakelen in de volledige mode [indien het systeem uitgeschakeld is en er geen alarm is] of uitschakelen van het systeem en alarmen te herstellen [indien het systeem ingeschakeld is en/of er is een alarm] (code en #U)
- activering van het paniek/overval alarm (indrukken en vasthouden voor 3 seconden)

voor:
- openen van het gebruikersmenu (code en * 🎨)
- activering van het brandalarm (indrukken en vasthouden voor 3 seconden)

voor het inschakelen in de volledige mode (zie "Inschakelen")

voor het inschakelen in de nacht mode (zie "Inschakelen")

voor het inschakelen in de dag mode (zie "Inschakelen")

voor:
- uitschakelen van het systeem en het alarm te herstellen (zie "Uitschakelen en alarmen herstellen")
- snel controleren van de blok status (indrukken en vasthouden voor 3 seconden)
6.1.4 Ingebouwde proximity kaartlezer
De VERSA-LCDR en VERSA-LCDM-WRL bediendelen hebben een ingebouwde proximity kaartlezer. Via de kaartlezer kunt u het alarm in/uitschakelen en het alarm herstellen middels proximity kaarten, proximity tags of andere 125 kHz passieve transponders.
6.1.5 Geluiden

De installateur kan geluidssignaleringen uitschakelen.
Geluiden gegenereerd bij bediening
1 korte toon – indrukken van een willekeurige toets.
3 korte tonen – bevestiging van:
- het starten van de inschakelprocedure (met of zonder uitgangsvertraging),
- het uitschakelen en/of het alarm herstellen;
- het selecteren van het blok welke in/uitgeschakeld dient te worden of waar het alarm hersteld dient te worden - in deze gevallen zal het bediendeel wachten tot de code ingevoerd is,
– een uitgang uitzetten, - het uitschakelen van het Belsignaal in het bediendeel met de toets,
- het omschakelen op het LCD bediendeel van de normale mode naar de zone status en omgekeerd door middel van de teets.
4 korte tonen en 1 lange toon – bevestiging van:
– een uitgang aanzetten,
- het inschakelen van het Belsignaal in het bediendeel met de toets.
1 lange toon – sommige zones zijn overbrugd (bij inschakeling) of het niet kunnen inschakelen (sommige zones in het blok zijn geactiveerd of er is een storing).
2 lange tonen – een incorrecte code of kaart, bij het indrukken van de * ↓, □ ▲, ◯◀, ▶▶, ✕▼ toetsen indien deze niet vooraf zijn gegaan van een code of selecteren van een blok.
3 lange tonen – bij het niet kunnen uitvoeren van een commando (de gebruiker heeft niet de benodigde rechten of de functie is niet beschikbaar).
Geluiden gegenereerd bij het programmeren
1 korte toon – indrukken van een willekeurige toets.
2 korte tonen – openen van het gebruikersmenu, submenu, een functie of doorgaan naar de volgende programmeer stap.
3 korte tonen – beëindigen van het bewerken van de klokken of bij beëindigen van een service functie na het indrukken van de # toets.
4 korte tonen en 1 lange toon – beëindiging van de gebruikersfunctie na het indrukken van de teels of bij het beëindigen van de service mode.
2 lange tonen – beëindigen van een functie na het indrukken van de * * toets of bij een functie die niet beschikbaar is.
Gebeurtenissen welke via geluiden weergegeven worden

Alleen geluiden gedefinieerd door de installateur worden gesignaleerd.
De tijdsduur van de signalering bij alarm wordt door de installateur gedefinieerd.
Indien de GRADE 2 optie ingeschakeld is door de installateur zal het bediendeel geen geluiden genereren bij nieuwe storingen en alarmen.
5 korte tonen – zone activering (BEL).
Een lange toon elke 3 seconden, gevolgd door een serie korte tonen voor 10 seconden en een lange toon – het aftellen van de uitgangsvertraging (indien de tijd korter is dan 10 seconden zal alleen het laatst genoemde van korte tonen worden gegenereerd).
Een volgorde van 7 tonen met vermindering van tijdsduur, herhaald elke paar seconden – het aftellen van de Auto-inschakel vertraging.
2 korte tonen elke seconde – het aftellen van de ingangsvertraging.
2 korte tonen elke 3 seconden – het signaleren van een nieuwe storing.
Een korte toon elke 0.5 seconden – waarschuwingsalarm.
Een continue toon – alarm.
Een lange toon elke seconde – brandalarm.
6.2 Codes
Het alarmsysteem kan worden bediend vanaf het bediendeel na het invoeren van een code. Een paar functies kunnen uitgevoerd worden zonder invoeren van een code.

Geef uw code nooit aan andere mensen.
Na het invoeren van 3 x een foutieve code kan:
– een alarm geactiveerd worden,
- het bediendeel voor 90 seconden geblokkeerd worden.
6.2.1 Standaard fabriekscodes
Standaard zijn de volgende codes voorgeprogrammeerd in het alarmsysteem:
Gebruikerscode 30: 1111
Service code : 12345

De standaard fabriekscodes dienen gewijzigd te worden voordat u het alarmsysteem gaat gebruiken (zie: "Wijzigen van uw eigen code").
6.3 Inschakelen
Na het voltooien van de onderstaande stappen zal de inschakelprocedure starten. De procedure stopt nadat het aftellen van de uitgangsvertraging verstreken is (het systeem is ingeschakeld – zie ook “Mislukken van de inschakelprocedure” p. 14). Indien de uitgangsvertraging 0 is zal het systeem direct inschakelen.
U kunt de inschakel mode wijzigen als deze al ingeschakeld is. Hierdoor hoeft u niet eerst het systeem uit te schakelen om het blok in een andere inschakel mode te zetten. Bij een alarm, wijzigen van de inschakel mode of her-activering van dezelfde inschakel mode zal een alarm worden hersteld (dit geldt niet voor de snel inschakel mode).

De dag/nacht inschakel modes zijn beschikbaar indien de installateur gedefinieerd heeft welke zones bij deze desbetreffende modes horen.
Indien de uitgangsvertraging voor een blok geprogrammeerd is, dan kunt u dit blok verlaten via de uitgangsroute nadat de inschakelprocedure gestart is, zonder het alarm te activeren. De enige uitzondering hierop is als het blok wordt ingeschakeld zonder uitgangsvertraging.
6.3.1 Inschakelen zonder een specifiek blok te selecteren
Voer uw code in en druk daarna op:

- om VOLLEDIG in te schakelen,

- om in de DAG mode in te schakelen,

- om in de NACHT mode in te schakelen.
De blokken waar u toegang tot heeft zullen worden ingeschakeld.
6.3.2 Inschakelen met een proximity kaart VERSA-LCDR / VERSA-LCDM-WRL
Houd de kaart voor het toetsenbord en houd deze daar voor ongeveer 3 seconden. De blokken waar u toegang tot heeft zullen in de volledige mode worden ingeschakeld.

De kaartlezer van het VERSA-LCDM-WRL bediendeel is actief:
a. voor 5 seconden nadat het bediendeel verbinding maakt (een verbinding bericht wordt in het display weergegeven nadat het bediendeel geactiveerd wordt door het indrukken van een toets of bij het betreden van het pand bij een ingeschakeld systeem), b. voor 20 seconden na het tegelijk indrukken van de een toetsen
6.3.3 Inschakelen van een specifiek blok
- Bepaal welk blok ingeschakeld dient te worden (druk op één van de volgende toetsen: 1 - blok 1; 2blok 2).
- Selecteer de inschakel mode (druk op één van de volgende toetsen: ▶- volledig inschakelen; ▶▶ - dag inschakelen; ▶◀ - nacht inschakelen). De achtergrondverlichting van de toetsen zal gaan knipperen wat betekent dat u uw code in dient te voeren ("Voer uw code in" wordt ook op het display weergegeven).
- Voer uw code in.
- Druk op de toets of nogmaals op dezelfde inschakel mode toets.

Indien de snel inschakel procedure beschikbaar is zullen stappen 3 en 4 worden overgeslagen.
6.3.4 Snel inschakelen van het systeem
De installateur kan instellen dat u het systeem kunt inschakelen zonder dat een code ingevoerd hoeft te worden.
-
Selecteer welk blok of blokken ingeschakeld dienen te worden (druk op één van de volgende toetsen: 1 - blok 1; 2 abc - blok 2; 3 def of 0 ⑨ - beide blokken).
-
Selecteer de inschakel mode (druk op één van de volgende toetsen: - volledig inschakelen; - inschakelen; - nach inschakelen).

Het snel inschakelen maakt het mogelijk het alarm te schakelen van de Nacht mode naar de Volledige IN mode en van de Dag mode naar de Volledige IN mode. In elk ander geval dient u uw code in te voeren – zie "De kaartlezer van het VERSA-LCDM-WRL bediendeel is actief:
c. voor 5 seconden nadat het bediendeel verbinding maakt (een verbinding bericht wordt in het display weergegeven nadat het bediendeel geactiveerd wordt door het indrukken van een toets of bij het betreden van het pand bij een ingeschakeld systeem),
d. voor 20 seconden na het tegelijk indrukken van de en toetsen?
Inschakelen van een specifiek blok".
De installateur kan het systeem zo configureren dat snel inschakelen van het alarmsysteem niet mogelijk is als een zone geactiveerd of als er een storing is.
6.3.5 Het systeem inschakelen zonder vertraging
Inschakelen van het systeem zonder vertraging betekent dat vertraagde zones (bijv. entreedeur) als inbraak zones zullen reageren (er zal geen In of Uitgangsvertraging zijn). Om in te schakelen zonder vertraging drukt u op corresponderende inschakel mode toets ( ).
6.3.6 Het systeem inschakelen onder dwang
In het geval van een Overval kunt u het systeem inschakelen met één van de bovengenoemde methods, maar gebruik dan wel de speciale OVERVAL code in plaats van uw normale gebruikerscode. Bij gebruik van de OVERVAL code zal het alarmsysteem ingeschakeld worden en een stil alarm activeren. Het stil alarm zal nergens op gesignaleerd worden (akoestisch of optisch), maar zal deze alarmcode wel verzenden naar de meldkamer.
6.3.7 Informatie bij overbrugde zones
Indien u het systeem inschakelt kunt u een bericht krijgen waarin staat dat er overbrugde zones in het blok zijn. De informatie zal worden getoond als:
- het alarmsysteem hiervoor door de installateur geconfigureerd is,
- u de INSPECTIE rechten heeft.
Het bericht kan op de volgende manieren getoond worden:
"Overbrugde zones 1=IN 4=Overbrug" – indien u de ZONE OVERBRUGGEN rechten heeft kunt u:
- de * ↓ toets indrukken om het inschakelen af te breken,
- de 1 toets indrukken om door te gaan met inschakelen,
- de 4ghi toets indrukken om de OVERBRUGGEN functie te starten (zie: "Zone tijdelijk overbruggen" p. 26).
"Overbrugde zones 1=IN" – indien u geen ZONE OVERBRUGGEN rechten heeft kunt u:
- de * ↓ toets indrukken om het inschakelen af te breken,
- de 1 toets indrukken om door te gaan met inschakelen.
6.3.8 Inschakelen niet mogelijk en geforceerd inschakelen
De installateur kan het systeem zo programmeren dat het bediendeel een signaal geeft, met een lange toon, indien het systeem niet ingeschakeld kan worden als:
- er minimaal één zone geactiveerd is in het blok welke ingeschakeld wordt (de PRIORITEIT optie is geactiveerd bij de zone door de installateur),
- er minimaal één alarm zone geactiveerd is buiten de uitgangsroute in het blok welke ingeschakeld wordt,
• er een storing in het systeem is.
Indien u de INSPECTIE rechten heeft zult u worden geïnformeerd waarom u niet in kunt schakelen (de volgorde van de berichten hangt af van de prioriteit er van):
"Zone [zone nummer]open" – een zone met de PRIORITEIT optie ingeschakeld is geactiveerd. Indien meerdere zones geactiveerd zijn zal het ↓ symbol gaan knipperen op het display. Gebruik de X ▼ en mO ▲ toetsen om door de lijst van geactiveerde zones heen te scrollen. Daarna kunt u:
- de * 🔍 toets indrukken om het inschakelen af te breken,
- de 4ghi toets indrukken om de geactiveerde zone te overbruggen (indien u de ZONE OVERBRUGGEN rechten heeft). Een bericht zal worden weergegeven waarin u gevraagd wordt om te bevestigen dat u de zone wilt overbruggen (druk op de 1 toets om de
zone te overbruggen of druk op de toets om het overbruggen van de zone te annuleren).
i Het systeem kan pas worden ingeschakeld nadat de oorzaak van zone activering is opgelost of na het overbruggen van de zone.
"Open zones 1=OK 2=Controle" – een alarm zone buiten de uitgangsroute is geactiveerd. U kunt:
- de toets indrukken om het inschakelen af te breken, - de toets indrukken om geforceerd in te schakelen, - de toets in drukken om te controleren welke zone geactiveerd is. Indien meerdere zones geactiveerd zijn zal het symbol gaan knipperen op het display. Gebruik de en toets en door de lijst van geactiveerde zones heen te scrollen. Indien u de ZONE OVERBRUGGEN rechten heeft kunt u de zone overbruggen door op de 4ghi toets te drukken. Een bericht zal worden weergegeven waarin u gevraagd wordt om te bevestigen dat u de zone wilt overbruggen (druk op de 1 toets om de zone te overbruggen of druk op de toets om het overbruggen van de zone te annuleren).
"Storingen 1=OK 2=Controle" – er is een storing in het systeem. U kunt:
- de toets indrukken om het inschakelen af te breken, - de toets indrukken om geforceerd in te schakelen, - de 2abc toets in drukken om de storingen te bekijken - de 7. SYSTEEM STATUS functie zal starten (zie: "Controleren van storingen / systeem status" p. 31).
i Indien u geforceerd inschakelt dan zal dit worden geschreven in het logboek.
6.3.9 Mislukken van de inschakelprocedure
De installateur kan het alarmsysteem zo configureren dat het systeem niet ingeschakeld wordt na het beëindigen van de uitgangsvertraging:
- als een zone in het blok geactiveerd is en nog niet geactiveerd was op het moment van inschakelen,
- er een storing in het systeem is welke nog niet aanwezig was op het moment van inschakelen.
i Indien geforceerd ingeschakeld wordt zal het alarmsysteem alle geopende zones en storingen negeren indien deze plaats vonden na het inschakelen.
6.4 Uitschakelen en alarmen herstellen
Het uitschakelen en een alarm herstellen worden op dezelfde manier uitgevoerd en zijn gelijkwaardig aan elkaar. Indien het blok ingeschakeld is en er een alarm opgetreden is, dan zal bij het uitschakelen van het systeem, ook het alarm worden hersteld.
Om het alarm te herstellen zonder het blok uit te schakelen dient u het blok opnieuw in te schakelen in dezelfde mode (zie: "Inschakelen" p. 11).
6.4.1 Uitschakelen en alarm herstellen zonder een blok te selecteren
Voer uw code in gevolgd door de □▼ toets. Uitschakelen / alarm herstellen zal worden uitgevoerd in de blokken waar u toegang tot heeft.
6.4.2 Uitschakelen en alarm herstellen met een proximity kaart VERSA-LCDM-WRL
RSA-LCDR /
Houd de kaart bij het toetsenbord en haal deze weer weg. Uitschakelen / alarm herstellen zal worden uitgevoerd in de blokken waar u toegang tot heeft.

De kaartlezer van het VERSA-LCDM-WRL bediendeel is actief:
a. voor 5 seconden nadat het bediendeel verbinding maakt (een verbinding bericht wordt in het display weergegeven nadat het bediendeel geactiveerd wordt door het indrukken van een toets of bij het betreden van het pand bij een ingeschakeld systeem), b. voor 20 seconden na het tegelijk indrukken van de een toetsen
6.4.3 Uitschakelen en alarm herstellen van een specifiek blok
- Bepaal welk blok uitgeschakeld dient te worden en/of waar het alarm hersteld dient te worden (druk op één van de toetsen: 1 - blok 1; 2 abc - blok 2).
- Druk op de ×▼toets. De achtergrondverlichting van de toetsen zal gaan knipperen wat betekent dat u uw code in dient te voeren ("Voer uw code in" wordt ook op het display weergegeven).
- Voer uw code in.
- Druk op de □▼ of # 1 toets.
6.4.4 Uitschakelen en/of alarm herstellen onder dwang
Ingeval van een overval kunt u het alarm uitschakelen en/of het alarm herstellen bij één van de bovengenoemde methods, maar u dient dan wel de speciale OVERVAL code te gebruiken in plaats van uw normale gebruikerscode. Bij gebruik van de OVERVAL code zal het alarmsysteem ingeschakeld worden en een stil alarm activeren. Het stil alarm zal nergens op gesignaleerd worden (akoestisch of optisch), maar zal deze alarmcode wel verzenden naar de meldkamer (indien van toepassing).
6.4.5 Bekijken van zones welke een alarm gegenereerd hebben
Nadat het alarm hersteld is kunt u gelijk bekijken controleren welke zones een alarm hebben gegenereerd (behalve de TMP (sabotage) zone van het alarmsysteem). De informatie blijft beschikbaar totdat de zones bekeken worden of dat het alarmsysteem opnieuw ingeschakeld wordt.
- Voer uw code in en druk op de * 🔍 toets.
- De "Bekijk herstelde zones? 1=Ja" zal in het display verschijnen. Druk op 1.
- Een lijst met zones welke een alarm gegenereerd hebben zal worden weergegeven.
- Na het bekijken van de lijst drukt u op de * 🔊 toets (het gebruikersmenu zal worden weergegeven).
6.5 Snel controleren van de blok status
Indien deze optie door de installateur geprogrammeerd is kunt u de ×▼ toets indrukken voor ongeveer 3 seconden, waarna informatie over de blok status wordt weergegeven (of het blok ingeschakeld is of niet en in welke mode deze ingeschakeld is) en tegelijkertijd zal de [▲ LED aangaan. Op de bovenste regel wordt informatie status getoond van het eerste blok en op de onderste regel van het tweede blok.
Om deze functie te beëindigen drukt u op de * toets. Het bediendeel zal, indien er niets gebeurt, de functie automatisch beëindigen na 2 minuten.
6.6 Activeren van alarmen via het bediendeel
De installateur kan er voor zorgen dat bepaalde alarmen via het bediendeel geactiveerd kunnen worden. Om een alarm te activeren doet u het volgende:
brandalarm – druk op de * ↓ toets voor ongeveer 3 seconden,
medisch alarm – druk op de ☐ toets voor ongeveer 3 seconden,
paniek alarm – druk op de toets voor ongeveer 3 seconden. De installateur kan definiëren of dit een luid paniek alarm zal zijn of een stil paniek alarm zal zijn.
6.7 De BEL aan/uitzetten
Het Belsignaal geeft vijf korte tonen op het bediendeel om u te informeren dat bijv. een deur of raam geopend wordt bij een uitgeschakeld systeem. De installateur definieert door welke zones het Belsignaal geactiveerd kan worden en of deze geluidssignalering door de gebruikers aan of uitgezet kan worden.
Druk op de Bets voor ongeveer 3 seconden om het belsignaal aan/uit te zetten.
6.8 Gebruikersmenu
Om het gebruikersmenu binnen te gaan voert u uw code in gevolgd door de * 🔍 toets. Een lijst met functies welke u uit kunt voeren zal worden weergegeven. De lijst met beschikbare functies hangt af van uw gebruikersrechten, de systeem status en de configuratie van het systeem.
Druk op de * 🔊 toets om het gebruikersmenu te verlaten. Het bediendeel zal automatisch het menu na 2 minuten afsluiten indien er binnen die tijd geen toetsen meer ingedrukt zijn.
6.8.1 Navigeren door het menu en het uitvoeren van functies
Met gebruik van de pijltoetsen
- Gebruik de ×▼ en □o▲ toetsen om het gewenste submenu of functie te vinden. Het huidig geselecteerde submenu of functie wordt met een cursor aan de linkerzijde weergegeven (een submenu met : ➤; een functie met: ➤).
- Druk op de ▶ of # U toetsen om het submenu te openen of de functie uit te voeren (gebruik de 1st om terug te gaan naar het vorige menu/submenu).
Met gebruik van sneltoets combinaties
Alle submenu's en functies zijn genummerd. Om een menu te openen drukt u het nummer in van het corresponderende submenu nummer. Om een functie te starten drukt u het nummer in van het corresponderende functienummer en bevestig dit met de # U toets. U kunt een functie snel en eenvoudig starten door de volgorde van cijfers achterelkaar in te voeren (corresponderend met de submenu nummers en de functienummers) en bevestig dit door op de te is te drukken.
Bijvoorbeeld om de zone overbruggen functie te starten gaat u het gebruikers menu in en drukt u achterelkaar de 4 ghi 1 # 1 toetsen.
Uitleg:


- openen van het 4. OVERBRUGGEN submenu,
- uitvoeren van de 1. TIJDELIJK functie.

Onthoud dat de sneltoets volgorde van cijfers, welke een functie start, bijvoorbeeld vanaf het hoofdmenu, niet dezelfde functie kan starten vanuit een submenu.
6.8.2 "Stap voor stap" programmeer methode
Bij sommige functies (bijv. het toevoegen en bewerken van gebruikers, het instellen van klokken, etc.) kan de programmering daarvan worden uitgevoerd via de "stap voor stap" methode. Na het openen van de functie kiest u een item uit de lijst om deze te configureren, waarna de eerste parameter getoond zal worden. Ongeacht of deze nu wel of niet gewijzigd wordt, zult u door het indrukken van de toe#t, automatisch naar de volgende programmeer parameter worden gebracht (de eventuele wijzigingen worden opgeslagen). Nadat alle benodigde parameters geconfigureerd zijn kunt u terugkeren naar de selectielijst of het gebruikersmenu verlaten, afhankelijk van de functie. De 📄 en 🌐 LED's van het eerste en tweede blok tonen het nummer van de programmeer stap (zie: tabel 1). Sommige programmeer stappen kunnen soms niet beschikbaar zijn.
| LED status | Nummer van de programmeer stap | ||||
| 1 | |||||
| 2 | |||||
| 3 | |||||
| 4 | |||||
| 5 | |||||
| 6 | |||||
| 7 | |||||
| 8 | |||||
| 9 | |||||
| 10 | |||||
Tabel 1. De manier waarop de programmeer stappen worden weergegeven (☐ - LED UIT; ■ - LED AAN).
6.8.3 Gegevens invoeren
Wijzigingen worden opgeslagen na het indrukken van de # U toets. Gebruik de * ↓ toets om de functie te beëindigen zonder de wijzigingen op te slaan.
Cijfers invoeren
Om cijfers in te voeren gebruikt u de numerieke toetsen.
Hexadecimale karakters invoeren
Om cijfers in te voeren gebruikt u de numerieke toetsen en om karakters van A tot F in te voeren gebruikt u de 2abc en 3def toetsen (druk herhaaldelijk op de toets tot het gewenste karakter verschijnt).
Namen invoeren
Toets
Karakters beschikbaar na het indrukken van de toets
| 1 | ! | ? | , | ‘ | ← | " | { | } | $ | % | & | @ | \ | ^ | | | # | 1 |
![]() | a | b | c | 2 | |||||||||||||
![]() | d | e | f | 3 | |||||||||||||
![]() | g | h | i | 4 | |||||||||||||
![]() | j | k | l | 5 | |||||||||||||
![]() | m | n | o | 6 | |||||||||||||
![]() | p | q | r | s | 7 | ||||||||||||
![]() | t | u | v | · | Dwell | Dwell | Dwell | Dwell | Dwell | Dwell | Dwell | Dwell | Dwell | Dwell | Dwell | Dwell | |
![]() | w | x | y | z | 9 | ||||||||||||
![]() | . | , | : | ; | Dwell | Dwell | Dwell | Dwell | Dwell | Dwell | Dwell | Dwell | Dwell | Dwell | Dwell | 0 | |
Tabel 2. Karakters beschikbaar bij het invoeren van namen. Hoofletters zijn beschikbaar onder dezelfde toetsen (om het lettertype te wijzigen drukt u op de)
De karakters welke ingevoerd kunnen worden via de toetsen, worden weergegeven in Tabel 2. Blijf op de desbetreffende toets drukken totdat het gewenste karakter verschijnt. Indien u de toets vasthoud zal het gewenste cijfer worden weergegeven.
Aan de linkerzijde bovenin het display wordt informatie weergegeven over het lettertype: [Abc], [ABC] of [abc] (dit wordt weergegeven na het indrukken van een toets en zal zichtbaar zijn voor enkele seconden).
De toets beweegt de cursor naar rechts en de toets naar links. De toets verwijdert het karakter aan de linkerzijde van de cursor.

6.8.4 Lijst met gebruikersfuncties
Getoond tussen haakjes zijn de sneltoets combinaties die het submenu activeren of de functie start in het hoofdmenu. Functies die alleen beschikbaar zijn voor de Service code zijn aangeduid met een zwarte achtergrond. Toegang tot overige functies hangen af van de gebruikersrechten. Functies met een zwarte rand eromheen zijn beschikbaar of wijzigen de werkingsmode, indien de GRADE 2 optie ingeschakeld is door de installateur.
[1#] 1. Wijzig code
uw eigen code wijzigen
[2] 2. Gebruikers
[21#] 1. Nieuw
een nieuwe gebruiker toevoegen
[22#] 2. Wijzig
een gebruiker bewerken
[23#] 3. Verwijder
een gebruiker verwijderen
[3#] 3. Stop bericht
stopt het verzenden van een spraakbericht
[4] 4. Overbruggen
[41#] 1. Tijdelijk
zones tijdelijk overbruggen
[42#] 2. Uitschakelen
zones uitschakelen
[5#] 5. Logboek
voor het bekijken van gebeurtenissen
[5#1#] 1. Alles
bekijk alle gebeurtenissen
[5#2#] 2. Grade2
bekijken van gebeurtenissen vereist voor de Grade 2 norm
[6] 6. Instellingen
[61#] 1. AutoIN uitstl.
auto-inschakelen uitstellen
[62#] 2. Tijd/Datum
instellen van de tijd en datum
[63#] 3. Klokken
instellen van de klokken
| [64#] | 4. Tel. nummers | programmeren van de telefoonnummers voor berichtgeving |
| [65#] | 5. Code.wis.ber | programmeren van codes om berichten te bevestigen |
[7#] 7. System status
controleren storingen / controleren blokken, alarmen, storing status
[8#] 8. Uitg. sturen voor het aansturen /bedienen van uitgangen
[9] 9. Testen
| [91#] 1. Zone test starten van een zone test | ||
| [92#] | 2. Uitgang test | starten van een uitgangen test |
| [93#] | 3. Draadloos signaal | controleer het draadloos signaal / kwaliteitsniveau |
| [94#] | 4. Handm.PAC tst | starten van een handmatige testmelding naar de meldkamer |
| [95#] | 5. PAC 1 test | testen van de telefoon rapportage naar meldkamer 1 |
| [96#] | 6. PAC 2 test | testen van de telefoon rapportage naar meldkamer 2 |
| [97#] | 7. VERSA versie | bekijk de huidige firmware versie van het alarmsysteem |
| [98#] | 8. Module versie | bekijk de huidige firmware versies van de systeem modules |
| [99#] | 9. Voltages | bekijk de huidige voeding voltages op de modules |
| [90#] | 0. Uitgang reset | deactiveer uitgangen / activeer uitgang 21. ZONE HERSTEL |
[0] 0. Service
| [00#] | 0. Service mode | open de service mode |
| [01#] | 1. Start Dwn-TEL | start programmering via de analoge telefoonkiezer |
| [03#] | 3. Start Dwn-USB | start de lokale programmering |
| [04#] | 4. Stop Dwnl-USB | stop de lokale programmering |
| [05#] | 5. Serv.Toegang | definieer de toegangsrechten voor de service code |
| [06#] | 6. Toegangstijd | definieer de toegangstijd voor de service code |
| [07#] | 7. ETHM-1→DloadX | start programmering via Ethernet |
6.9 Wijzigen van uw eigen code
- Open het gebruikersmenu (code + * ) en druk achterelkaar 1 #
- Voer uw nieuwe code in en druk op de # U toets.
6.10 Gebruikers
Tot 30 gebruikers kunt u aan het systeem toevoegen. lemand met de service code (installateur / service monteur) is een extra gebruiker en heeft een speciale status binnen het systeem, maar zijn/haar toegang kan worden beperkt (zie: "Definiëren van de toegangsregels voor de servicemonteur" p. 34 en "Definiëren van de toegangstijd" p. 35).
6.10.1 Een gebruiker toevoegen
- Stap 1. Open het gebruikersmenu (code + * ) en druk achterelkaar 2abc 1
. Het toevoegen van een gebruiker gaat via de "stap voor stap" methode, en daarnaast zullen de programmeer stappen weergegeven worden via de 📄 en 🎨 LED's van blok 1 en 2 (zie: pagina 17, Tabel 1).
i
Door het indrukken van de toetszal de procedure voor het toevoegen van een gebruiker worden afgebroken. Indien de procedure in stap 5 of daarna afgebroken wordt (de code, gebruikersschema en blokken zijn al toegewezen aan de gebruiker), dan zal de gebruiker toch worden toegevoegd.
- Stap 2. Invoeren van de nieuwe gebruikerscode. Het gebruikersnummer van de nieuwe gebruiker zal op de bovenste regel worden weergegeven. Voer de nieuwe gebruikerscode in en bevestig dit met de toels
- Stap 3. Selecteren van een gebruikersschema. Er zijn 5 schema's beschikbaar welke aangemaakt zijn door de installateur. Een schema bepaald de gebruikersrechten en de standaard werkingsmode van een handzender die toegekend kan worden aan de gebruiker (een handzender gaan we in een latere stap toevoegen). Druk op een cijfertoets corresponderend met het schema welke aan de gebruiker toegekend dient te worden. De naam van het schema zal op de onderste regel worden weergegeven en druk op de teels om uw keuze te bevestigen.
| Schemanaam en nummer | |||||
| Normaal | Eenvoudig | Alleen inschakelen | Overval | Manager | |
| Rechten | 1 | 2 | 3 | 4 | 5 |
| Inschakelen | ✓ | ✓ | ✓ | ✓ | ✓ |
| Uitschakelen | ✓ | ✓ | ✓ | ✓ | |
| Alarm herstellen | ✓ | ✓ | ✓ | ✓ | |
| Berichten annuleren | ✓ | ✓ | ✓ | ||
| Auto-inschakelen uitstellen | ✓ | ✓ | ✓ | ||
| Zone tijdelijk overbruggen | ✓ | ✓ | |||
| Zone uitschakelen | |||||
| Eigen code wijzigen | ✓ | ||||
| Gebruikersbeheer | ✓ | ||||
| Uitgangen sturen | |||||
| Instellingen | ✓ | ||||
| Downloaden / Service | ✓ | ||||
| Inspectie | ✓ | ✓ | ✓ | ✓ | ✓ |
| Testen | ✓ | ||||
| OVERVAL | ✓ | ||||
| INT-VG toegang (spraakmodule) | ✓ | ✓ | |||
Tabel 3. Standaard instellingen van de gebruikersschema's. De installateur kan de schema namen wijzigen en de rechten hiervoor aanpassen.
i
Bij het gebruik van een OVERVAL code zal een stil alarm gegenereerd worden. Dit wordt op geen enkele manier gesignaleerd, maar de alarmcode hiervoor zal wel naar de meldkamer verzonden worden (indien van toepassing).
- Stap 4. Selecteer de blokken die toegankelijk zijn voor de gebruiker. Druk op 1 (blok 1), 2abc (blok 2) of 3def (beide blokken). Informatie over de geselecteerde blok(ken) worden op de onderste regel van het display weergegeven. Druk op de # U toets om uw keuze te bevestigen.
- Stap 5. Een 433 MHz handzender toevoegen. Indien een INT-RX, INT-RX-S of VERSA-MCU module aangesloten is op het alarmsysteem, dan kan een 433 MHz handzender aan de gebruiker worden toegekend. Druk achterelkaar op de enttoetsen # U (indien u een handzender aan de gebruiker wilt toevoegen) of alleen op de toets# U (indien u geen handzender aan de gebruiker wilt toevoegen).
- Stap 5a. Kies hoe u de 433 MHz handzender wilt toevoegen. Druk op de # U toets (indien u handmatig het serienummer van de handzender wilt invoerend) of druk achterelkaar op de 1 # U toetsen (indien u het serienummer automatisch wilt laten uitlezen vanuit de handzender).
- Stap 5b. Toevoegen van de 433 MHz handzender. Afhankelijk van de gekozen methode:
- voer het serienummer van de handzender in en druk op de # U toets.
- druk twee keer op een willekeurige knop van de handzender (volg de aanwijzingen op het display).
i
De nummering van de knoppen van de 433 MHz handzenders wordt beschreven bij "Bediening van het alarmsysteem via een handzender" (p. 35).
- Stap 5c. Toekennen van functies aan knop 1 van de 433 MHz handzender. Druk op de toe# om de standaard functies te gebruiken (gedefinieerd door de installateur bij de gebruikerschema's) of voer één van de onderstaande knop functies in en bevestig dit met de # U toets:
Knop functies
| 0. Niet gebruikt | |
| 1. activating Zone 1 | 31. Inschakelen: Blok 1, volledig |
| 2. activating Zone 2 | 32. Inschakelen: Blok 1, nacht |
| 3. activating Zone 3 | 33. Inschakelen: Blok 1, dag |
| 4. activating Zone 4 | 34. Uitschakelen & alarm herstellen: Blok 1 |
| 5. activating Zone 5 | 35. Inschakelen: Blok 2, volledig |
| 6. activating Zone 6 | 36. Inschakelen: Blok 2, nacht |
| 7. activating Zone 7 | 37. Inschakelen: Blok 2, dag |
| 8. activating Zone 8 | 38. Uitschakelen & alarm herstellen: Blok 1 |
| 9. activating Zone 9 | 39. Inschakelen: Blok 1+2, volledig |
| 10. activating Zone 10 | 40. Inschakelen: Blok 1+2, nacht |
| 11. activating Zone 11 | 41. Inschakelen: Blok 1+2, dag |
| 12. activating Zone 12 | 42. Uitschakelen & alarm herstellen: Blok 1+2 |
| 13. activating Zone 13 | 43. PANIEK alarm |
| 14. activating Zone 14 | 44. Stil PANIEK |
| 15. activating Zone 15 | 45. Brandalarm |
| 16. activating Zone 16 | 46. Medisch alarm |
| 17. activating Zone 17 | |
| 18. activating Zone 18 | 51. Uitgang 1 AAN |
| 19. activating Zone 19 | 52. Uitgang 2 AAN |
| 20. activering Zone 20 | 53. Uitgang 3 AAN |
| 21. activering Zone 21 | 54. Uitgang 4 AAN |
| 22. activering Zone 22 | 55. Uitgang 5 AAN |
| 23. activering Zone 23 | 56. Uitgang 6 AAN |
| 24. activering Zone 24 | 57. Uitgang 7 AAN |
| 25. activering Zone 25 | 58. Uitgang 8 AAN |
| 26. activering Zone 26 | 59. Uitgang 9 AAN |
| 27. activering Zone 27 | 60. Uitgang 10 AAN |
| 28. activering Zone 28 | 61. Uitgang 11 AAN |
| 29. activering Zone 29 | 62. Uitgang 12 AAN |
| 30. activering Zone 30 | |
| 71. Uitgang 1 UIT | 91. Uitgang 1 omschakelen |
| 72. Uitgang 2 UIT | 92. Uitgang 2 omschakelen |
| 73. Uitgang 3 UIT | 93. Uitgang 3 omschakelen |
| 74. Uitgang 4 UIT | 94. Uitgang 4 omschakelen |
| 75. Uitgang 5 UIT | 95. Uitgang 5 omschakelen |
| 76. Uitgang 6 UIT | 96. Uitgang 6 omschakelen |
| 77. Uitgang 7 UIT | 97. Uitgang 7 omschakelen |
| 78. Uitgang 8 UIT | 98. Uitgang 8 omschakelen |
| 79. Uitgang 9 UIT | 99. Uitgang 9 omschakelen |
| 80. Uitgang 10 UIT | 100. Uitgang 10 omschakelen |
| 81. Uitgang 11 UIT | 101. Uitgang 11 omschakelen |
| 82. Uitgang 12 UIT | 102. Uitgang 12 omschakelen |
i
Voor meer informatie over zone types en uitgangen functies dient u met uw installateur contact op te nemen.
- Stap 5d. Toekennen van functies aan knop 2 van de 433 MHz handzender. Ga op dezelfde manier te werk als in Stap 5c.
- Stap 5e. Toekennen van functies aan knop 3 van de 433 MHz handzender. Ga op dezelfde manier te werk als in Stap 5c.
- Stap 5f. Toekennen van functies aan knop 4 van de 433 MHz handzender. Ga op dezelfde manier te werk als in Stap 5c.
- Stap 5g. Toekennen van functies aan knop 5 van de 433 MHz handzender (twee knoppen tegelijkertijd ingedrukt – zie: “Bediening van het alarmsysteem via een handzender” p. 35). Ga op dezelfde manier te werk als in Stap 5c.
- Stap 5h. Toekennen van functies aan knop 6 van de 433 MHz handzender (twee knoppen tegelijkertijd ingedrukt – zie: “Bediening van het alarmsysteem via een handzender” p. 35). Ga op dezelfde manier te werk als in Stap 5c.
i
Het indrukken van de * 🔊 toets tussen stap 5a en stap 5h zal het toevoegen van een handzender afbreken maar zal niet de procedure voor het toevoegen van een gebruiker beëindigen.
- Stap 6. Een APT-100 handzender toevoegen. Indien een ABAX draadloze systeem controller aangesloten is op het alarmsysteem kunt u een tweeweg APT-100 handzender toewijzen aan een gebruiker. Druk achterelkaar op de 1 en #U toetsen (indien u
een handzender aan de gebruiker wilt toevoegen) of alleen op de toets (ddien u geen handzender aan de gebruiker wilt toevoegen).
- Stap 6a. Kies hoe u de APT-100 handzender wilt toevoegen. Druk op de # U toets (indien u handmatig het serienummer van de handzender wilt invoerend) of druk achterelkaar op de toetsen# indien u het serienummer automatisch wilt laten uitlezen vanuit de handzender).
- Stap 6b. Toevoegen van de APT-100 handzender. Afhankelijk van de gekozen methode:
- voer het serienummer van de handzender in en druk op de # U toets.
- druk twee keer op een willekeurige knop van de handzender (volg de aanwijzingen op het display).
i
De nummering van de knoppen en de LED's op de APT-100 handzenders worden beschreven bij "Bediening van het alarmsysteem via een handzender" (p. 35).
- Stap 6c. Toekennen van functies aan knop 1 van de APT-100 handzender. Ga op dezelfde manier te werk als in Stap 5c.
- Stap 6d. Toekennen van functies aan knop 2 van de APT-100 handzender. Ga op dezelfde manier te werk als in Stap 5c.
- Stap 6e. Toekennen van functies aan knop 3 van de APT-100 handzender. Ga op dezelfde manier te werk als in Stap 5c.
- Stap 6f. Toekennen van functies aan knop 4 van de APT-100 handzender. Ga op dezelfde manier te werk als in Stap 5c.
- Stap 6g. Toekennen van functies aan knop 5 van de APT-100 handzender. Ga op dezelfde manier te werk als in Stap 5c.
- Stap 6h. Toekennen van functies aan knop 6 van de APT-100 handzender (twee knoppen tegelijkertijd ingedrukt: 1 en 5). Ga op dezelfde manier te werk als in Stap 5c.
- Stap 6i. Kies hoe LED 1 voor bevestiging op de APT-100 handzender moet werken. Druk op de # U toets om de standaard functies te gebruiken (gedefinieerd door de installateur bij de gebruikersschema's) of voer één van onderstaande LED functies in en bevestig dit met de # U toets:
LED functies
| 0. Aan | De LED licht op indien het alarmsysteem een bevestiging heeft ontvangen bij het indrukken van een knop |
| 1. Uitgang 1 status | De LED licht op als de geselecteerde uitgang actief is |
| 2. Uitgang 2 status | |
| 3. Uitgang 3 status | |
| 4. Uitgang 4 status | |
| 5. Uitgang 5 status | |
| 6. Uitgang 6 status | |
| 7. Uitgang 7 status | |
| 8. Uitgang 8 status | |
| 9. Uitgang 9 status | |
| 10. Uitgang 10 status | |
| 11. Uitgang 11 status | |
| 12. Uitgang 12 status | |
| 13. Ingeschakeld: Blok 1 | De LED licht op als blok 1 ingeschakeld is |
| 14. Ingeschakeld: Blok 2 | De LED licht op als blok 2 ingeschakeld is |
| 15. Ingeschakeld: Blok 1 of 2 | De LED licht op als blok 1 of 2 ingeschakeld is |
| 16. Ingeschakeld: Blok 1 en 2 | De LED licht op als blok 1 en 2 ingeschakeld zijn |
| 17. Blok 1 – Volledig IN | De LED licht op als blok 1 volledig ingeschakeld is |
| 18. Blok 1 – Nacht | De LED licht op als blok 1 in de nacht mode ingeschakeld is |
| 19. Blok 1 – Dag | De LED licht op als blok 1 in de dag mode ingeschakeld is |
| 20. Blok 2 – Volledig | De LED licht op als blok 2 volledig ingeschakeld is |
| 21. Blok 2 – Nacht | De LED licht op als blok 2 in de nacht mode ingeschakeld is |
| 22. Blok 2 – Dag | De LED licht op als blok 2 in de dag mode ingeschakeld is |
| 23. Blok 1 – Alarm | De LED licht op als er een alarm in blok 1 is |
| 24. Blok 2 – Alarm | De LED licht op als er een alarm in blok 2 is |
| 25. Blok 1 of 2 – Alarm | De LED licht op als er een alarm in blok 1 of 2 is |
| 26. Storing | De LED licht op als er een storing in het systeem is |
| 255. NIET GEBRUIKT | De LED zal niet voor bevestigingen worden gebruikt |
i
Voor meer informatie over zone types en uitgangen functies dient u met uw installateur contact op te nemen.
- Stap 6j. Kies hoe LED 2 voor bevestiging op de APT-100 handzender moet werken. Ga op dezelfde manier te werk als in Stap 6i.
- Stap 6k. Kies hoe LED 3 voor bevestiging op de APT-100 handzender moet werken. Ga op dezelfde manier te werk als in Stap 6i.
i
Het indrukken van de toetsussen stap 6a en 6k zal het toevoegen van een handzender afbreken maar zal niet de procedure voor het toevoegen van een gebruiker beeindigen. - Stap 7. Een proximity kaart toevoegen. Indien een proximity kaartlezer aangesloten is op het alarmsysteem, dan kan een proximity kaart aan de gebruiker worden toegewezen. Druk achterelkaar op de toetsen#indien een proximity kaart aan de gebruiker wilt toevoegen) of alleen op de toets(indien u geen proximity aan de gebruiker wilt toevoegen).
- Stap 7a. Kies hoe u de proximity kaart wilt toevoegen. Druk op de # U toets (indien u handmatig het kaartnummer wilt invoeren) of selecteer de lezer waarop u de kaartcode wilt uitlezen. Gebruik de X ▼ en Ⓞ toetsen om door de lijst met apparaten heen te scrollen. Na de lezer geselecteerd te hebben drukt u op de # U toets.
-
Stap 7b. Toevoegen van de proximity kaart. Afhankelijk van de gekozen methode:
-
voer de kaartcode in (zie: "Hexadecimale karakters invoeren" p. 17) en druk op de # toets,
- houd de kaart twee keer dicht bij de lezer (volg de aanwijzingen op het display). Het kaartnummer zal pas worden gelezen nadat u de kaart bij de kaartlezer weghaalt.
i
Het indrukken van de * ↓ toets bij Stap 7a of 7b zal het toevoegen van de kaart afbreken, maar zal niet de procedure voor het toevoegen van een gebruiker beëindigen.
- Stap 8. Voer een naam voor de gebruiker in. Voer de naam in (zie: "Namen invoeren" p. 17) en druk op de # toets.
6.10.2 Een gebruiker wijzigen
- Stap 1. Open het gebruikersmenu (code+ * ↓) en druk achterelkaar 2abc 2abc # 0. Het bewerken van een gebruiker gaat via de "stap voor stap" methode, en daarnaast zullen de programmeer stappen weergegeven worden via de bo LED's van blok 1 en 2 (zie: page 17, Tabel 1).
- Stap 2. Selecteer de gebruiker welke bewerkt moet worden. Kies de juiste gebruiker uit de lijst met de ✗▼ en ⚠▲ toetsen of voer het gebruikersnummer in en druk daarna op de # 📁 toets.
Druk op de *↓ toets kunt u het bewerken van een gebruiker afbreken. Elke wijziging die gemaakt is door het van de # D toets zal worden opgeslagen.
- Stap 3. Wijzigen van de code. Ga op dezelfde manier te werk als bij het toevoegen van een nieuwe gebruiker.
- Stap 4. Selecteren van een gebruikersschema. Ga op dezelfde manier te werk als bij het toevoegen van een nieuwe gebruiker.
- Stap 5. Selecteer de blokken die toegankelijk zijn voor de gebruiker. Ga op dezelfde manier te werk als bij het toevoegen van een nieuwe gebruiker.
-
Stap 6. De 433 MHz handzender wijzigen. Druk:
-
U, indien u naar de volgende stap wilt gaan,
- 1 en #U achterelkaar in als u een handzender wilt toevoegen (zie: een 433 MHz handzender toevoegen, maar indien de handzender eerst verwijdert was, zal het alarmsysteem voorstellen dezelfde knopfuncties aan de handzender toe te wijzen als eerder),
- 2abc en #0 achterelkaar in als de gebruiker een handzender heeft en u de knopfuncties wilt wijzigen (zie: Toekennen van functies aan een knop van de 433 MHz handzender),
- 3def en #U achterelkaar in als u de handzender wilt verwijderen.
Bij het verwijderen van een handzender worden niet de knopfuncties gewist. Alleen de installateur kan alle handzenders incl. alle instellingen verwijderen
-
Stap 6. De APT-100 handzender wijzigen. Druk:
-
U, indien u naar de volgende stap wilt gaan,
- 1 en # achterelkaar in als u een handzender wilt toevoegen (zie: Een APT-100 handzender toevoegen, maar indien de handzender eerst verwijdert was, zal het alarmsysteem voorstellen dezelfde knopfuncties en LED bevestigingen aan de handzender toe te wijzen als eerder),
- 2abc en #U achterelkaar in als de gebruiker een handzender heeft en u de knopfuncties wilt wijzigen (zie: Toekennen van functies aan een knop van de APT-100 handzender),
- 3def en #U achterelkaar in als u de handzender wilt verwijderen.
Bij het verwijderen van een handzender worden niet de knopfuncties en LED bevestigingen gewist).
Alleen de installateur kan alle handzenders incl. alle instellingen verwijderen.
- 4ghi en # achterelkaar in als de gebruiker een handzender heeft en u de bevestiging LED's wilt wijzigen (zie: Kies hoe LED voor bevestiging op de APT-100 handzender moet werken).
- Stap 7. Een proximity kaart wijzigen. Druk:
-, indlich u naar de volgende stap wilt gaan,
- enlachterelkaa in als u een kaart wilt toevoegen (zie: Een proximity kaart toevoegen),
- en3,daals u de#kart wilt verwijderen.
- Stap 8. De gebruikersnaam wijzigen. Ga op dezelfde manier te werk als bij het toevoegen van een nieuwe gebruiker.
6.10.3 Een gebruiker verwijderen
- Open het gebruikersmenu (code + * ) en druk achterelkaar 2abc 3def #
- Kies de gebruiker welke u wilt verwijderen. Kies de juiste gebruiker uit de lijst met de en toetsen of voer het gebruikersnummer in en druk daarna op de toets.
6.11 Telefoonberichten annuleren
i
Telefoonberichten kunnen tegelijkertijd worden geannuleerd als u het alarm hersteld en op deze manier door de installateur ingesteld is.
Het versturen van telefoonberichten worden automatisch geannuleerd na het bevestigen van het spraakbericht (zie: "Een spraakbericht bevestigen" p. 39).
Indien bovenstaande niet is ingesteld kunt u het gebruikersmenu openen (code + * ↓) en druk achterelkaar 3def # U.
6.12 Zones overbruggen
Indien zones geen alarmen meer mogen geven kunt u deze eenmalig overbruggen (deze worden weer actief na het uitschakelen van het systeem) of geheel uitschakelen (altijd). Een zone overbruggen is nuttig wanneer u bijvoorbeeld een raam wilt open laten en toch het systeem wilt inschakelen of indien een zone valse alarmen geeft (de detector is defect).
i
Het overbruggen van zones reduceert het beveiligingsniveau van het alarmsysteem. Een overbrugde zone zal geen enkele inbraak poging meer detecteren.
Indien een zone overbrugd is vanwege een defect, neem dan direct contact op met de installateur om het te laten repareren.
Vanwege beveiligingsoverwegingen kan de installateur het aantal zones, die overbrugd kunnen worden door de gebruiker, reduceren.
De zone overbruggen functies kunnen ook gebruikt worden om de zones weer uit de overbrugging te halen (onafhankelijk of deze is overbrugd of uitgeschakeld).
6.12.1 Zone tijdelijk overbruggen
Een tijdelijk overbrugde zone zal overbrugd blijven totdat het blok uitgeschakeld wordt waartoe de zone behoort of totdat de gebruiker deze weer zelf uit de overbrugging haalt.

Als een zone tot twee blokken behoort en alleen ingeschakeld is als beide blokken ingeschakeld zijn, dan wordt deze uit de overbrugging gehaald indien één van de blokken uitgeschakeld wordt.
Open het gebruikersmenu (code +) en druk achterelkaar. Op de 4ghi 1 # U
bovenste regel van het display zal een bericht komen dat de zone overbrugd is en op de
onderste regel de zone naam. U kunt door de zone lijst heen scrollen met de e toetsen. Rechts bovenin het display zal een symbool komen te staan:
- de zone is niet overbrugd,
J – de zone is overbrugd,
- de zone is altijd uitgeschakeld.
Druk op een willekeurige numerieke toets om de status en het symbool te wijzigen:
J – de zone zal worden overbrugd,
- de zone zal uit de overbrugging worden gehaald.
Indien u de status van alle zones wilt weergeven die overbrugd kunnen worden drukt u op de of U kunt nu de zones identificeren aan de hand van de nummers rondom
het display. Gebruik de 📄 en ⬇ toetsen om de cursor te verplaatsen. Om een zone te overbruggen of uit de overbrugging te halen verplaatst u de cursor naar de zone en drukt u op een numerieke toets. Indien u weer naar de vorige weergave wilt gaan drukt u op de ✗ ▼ of 📂 ▲ toets.
Druk op de #U toets om de functie te beëindigen waarna de zones overbrugd of uit de overbrugging gehaald zullen worden.
6.12.2 Zone uitschakelen
Een uitgeschakelde zone zal overbrugd blijven totdat deze er weer uitgehaald wordt.
Open het gebruikersmenu (code + * ) en druk achterelkaar 4ghi 2abc #U. De manier om zones uit te schakelen gaat op dezelfde manier als bij het tijdelijk overbruggen van zones maar het indrukken van een numerieke toets zal een ander symbool tonen:
- de zone wordt altijd uitgeschakeld,
- de zone wordt uit de uitschakeling gehaald.
6.13 Bekijken van het logboek
Open het gebruikersmenu (code + * ) en druk achterelkaar 5jkl # D. De laatste gebeurtenis van het systeem zal worden weergegeven. De beschrijving van de gebeurtenis bevat de tijd wanneer deze plaatsvond, de naam en extra informatie; bijv. het blok waar de gebeurtenis heeft plaatsgevonden, de zone die de gebeurtenis genereerde, etc. De extra informatie wordt automatisch na een paar seconden getoond. Druk op de ◀ of ▶ toetsen om de extra informatie gelijk te tonen. Gebruik de ▶ en ▶▼ toetsen om door het logboek heen te bladeren.

Indien de GRADE 2 optie ingeschakeld is zijn er twee extra functies voor de installateur in het gebruikersmenu:
5jkl # 1 # - alle gebeurtenissen van het alarmsysteem worden weergegeven,
5jkl # 2abc # - alleen gebeurtenissen welke vereist zijn voor de EN 50131
Standaard voor Grade 2 worden weergegeven.
6.14 Auto-inschakelen van het systeem uitstellen
Het systeem of blok kan automatisch ingeschakeld worden via een klok op specifieke dagen en tijden. De tijdsduur voor hoelang het automatisch inschakelen uitgesteld kan worden, wordt bepaald door de installateur.
6.14.1 De auto-inschakeling eenvoudig uitstellen
De installateur definieert ook of de gebruikers de auto-inschakeling eenmalig mogen uitstellen of dat ze dit meerdere keren mogen doen.
Het eenvoudig auto-inschakelen uitstellen is mogelijk tijdens het aftellen van de auto-inschakel vertraging. Tijdens het aftellen zal op het display hiervoor een bericht komen met een bijbehorend geluid.
Druk tweemaal op de het om het automatisch inschakelen uit te stellen.
6.14.2 De auto-inschakeling uitstellen via de gebruikersfunctie
Open het gebruikersmenu (code +) *endruk achterelkaar.

6.15 Instellen van de tijd en datum
Open het gebruikersmenu (code + * ) en druk achterelkaar 6mno 2abc # D. De huidige tijd zal worden weergegeven. Voer een nieuwe tijd in en druk op de # U toets. Hierna wordt de datum weergegeven. Voer een nieuwe datum in en druk op de # D toets.
6.16 Programmering van de klokken
U heeft de mogelijkheid om in het alarmsysteem 4 klokken te programmeren. Met gebruik van de klokken kunt u een blok automatisch laten inschakelen en/of automatisch de 15. GESTUURD uitgangen aansturen. De klok vergelijkt de tijd met die van de klok van het alarmsysteem en voert de geselecteerde functie uit op de vastgestelde tijd.
i De installateur definieert welke uitgangen aangestuurd kunnen worden via een klok.
-
Open het gebruikersmenu (code + * ) en druk achterelkaar 6mno 3def # U. De programmering van de klokken gaat via de "stap voor stap" methode, en daarnaast zullen de programmeer stappen weergegeven worden via de ◇ en LED's van blok 1 en 2 (zie: pagina 17, Tabel 1).
-
Stap 1. Selecteer een klok. Druk opeenvolgend op de toetsen om een klok te selecteren:

- Stap 2. Programmeren van de parameters. Druk opeenvolgend op de toetsen om een parameter te selecteren:


Indien u bij één van de volgende stappen op de toets driktzult u terug worden gebracht naar Stap 2.
6.16.1 Programmering van het schema
- Stap 3. De klok aan/uitzetten op Maandag. De uren en minuten voor het aan en uitzetten van de klok dienen geprogrammeerd te worden (indien de klok niet op deze dag van de week gebruikt gaat worden, dan kunt u direct doorgaan met de volgende stap door het indrukken van de toes Druk op de numerieke toetsen om de juiste parameters in te voeren. Gebruik de en toetsen om de cursor te verplaatsen. U kunt ook alleen een aan of uit tijd programmeren, voer bij de parameter welke niet gebruikt wordt dan 9999 in. Druk op de toes om naar de volgende stap te gaan.
- Stap 4. De klok aan/uitzetten op Dinsdag. Ga op dezelfde manier te werk als in stap 3.
- Stap 5. De klok aan/uitzetten op Woensdag. Ga op dezelfde manier te werk als in stap 3.
- Stap 6. De klok aan/uitzetten op Donderdag. Ga op dezelfde manier te werk als in stap 3.
- Stap 7. De klok aan/uitzetten op Vrijdag. Ga op dezelfde manier te werk als in stap 3.
- Stap 8. De klok aan/uitzetten op Zaterdag. Ga op dezelfde manier te werk als in stap 3.
- Stap 9. De klok aan/uitzetten op Zondag. Ga op dezelfde manier te werk als in stap 3.
- Stap 10. De klok aan/uitzetten op elke dag van de week. Ga op dezelfde manier te werk als in stap 3. Na het indrukken van de #U toets zult u naar stap 2 worden teruggebracht.
6.16.2 Programmering van een uitzondering
Een uitzondering is een periode dat de klok op een andere tijd wordt aan / uit wordt gezet dan aangegeven is in het schema. De programmering wordt op dezelfde manier uitgevoerd voor elk van de vier uitzonderingen.
- Stap 11. Programmeer de datum vanaf wanneer de uitzondering in moet gaan. Voer het jaar in (alleen de laatste twee cijfers), de maand en de dag. Druk op de # toets om de datum te bevestigen en door te gaan naar de volgende stap.
- Stap 12. Programmeer de datum tot wanneer de uitzondering geldig is. Ga op dezelfde manier te werk als in stap 11.
- Stap 13. Programmeer de tijd voor het aan/uitzetten van de klok tijdens de uitzondering. Na het indrukken van de # U toets zult u naar stap 2 worden teruggebracht.
6.16.3 Selecteren van de inschakel mode
-
Bepaal met welke inschakel mode de klok in moet schakelen (druk op één van de volgende toetsen: 1 - volledig inschakelen; 2 abc - nacht inschakelen; 3 def - dag inschakelen; 4 de klok schakelt het blok niet in).
-
Druk op de toets U zult naar stap 2 terug worden gebracht.
6.17 Programmering van telefoonnummers voor notificaties
- Open het gebruikersmenu (code +) en druk achterelkaar

- Druk op een van de volgende toets combinaties om het telefoonnummer te programmeren (telefoonnummers die niet ingesteld zijn door de installateur kunt u niet benaderen): 1 # - telefoonnummer 1,

- Voer het telefoonnummer in (de karakters welke beschikbaar zijn worden getoond in Tabel 4). Tot 16 karakters kunnen worden ingevoerd. Sommige van de speciale karakters nemen twee posities in (a, b, c, d, # en *) Indien deze gebruikt worden kunt u minder dan 16 karakters invoeren.
Aan de rechterzijde van de bovenste regel in het display staat informatie over de letter grootte: [ABC] of [abc] (dit wordt getoond voor een paar seconden na het indrukken van een toets na de laatste toetsaanslag). Gebruik de teetsen de cursor te verplaatsen. De verwijderd het karakter aan de linkerkant van de cursor.
- Druk op de toetbm het telefoonnummer op te slaan.
Karakters beschikbaar na elke toetsaanslag
| toets | mode [ABC] | |||
| 1 | 1 | # | ||
| 2abc | 2 | B | C | |
| 3def | 3 | D | E | F |
| 4ghi | 4 | |||
| 5jkl | 5 | |||
| 6mno | 6 | |||
| 7pqrs | 7 | |||
| 8tuv | 8 | |||
| 9wxyz | 9 | |||
| 09 | 0 | * | ||
| toets | mode [abc] | |||
| 1 | 1 | # | ||
| 2abc | 2 | a | b | c |
| 3def | 3 | d | ||
| 4ghi | 4 | |||
| 5jkl | 5 | |||
| 6mno | 6 | |||
| 7pqrs | 7 | |||
| 8tuv | ||||
| 9wxyz | 8 | |||
| 09 | 0 | * | ||
Tabel 4. Karakters beschikbaar in het bediendeel bij het invoeren van telefoonnummers (om de letter grootte te wijzigen, druk op de be sy.
| Special karakters | Functie omschrijving |
| B | overschakelen op “puls” bellen |
| C | overschakelen op “toon” bellen (DTMF) |
| D | wachten op additioneel signaal |
| E | 3 seconden pauze |
| F | 10 seconden pauze |
| * | signaleer * in DTMF mode |
| # | signaleer # in DTMF mode |
| a | Overige signaleringen gegenereerd in DTMF mode |
| b | |
| c | |
| d |
Tabel 5. Functies van speciale karakters.
6.18 Programmering van codes voor bevestiging /alarm herstellen
- Open het gebruikersmenu (code +) on druk achterelkaar.

- Druk op een van de volgende toets combinaties om het telefoonnummer voor de bevestiging en alarmherstel functie te programmeren (telefoonnummers die niet ingesteld zijn door de installateur kunt u niet benaderen):

- Voer een code van 4 cijfers in en druk op de toets!
6.19 Controleren van storingen / systeem status
Indien de [AD] knippert kan de gebruiker met INSPECTIE rechten de oorzaak van een dergelijke signalering controleren. Open het gebruikersmenu (code +) en *duk achterelkaar 7pqrs # D. Om door de lijst heen te scrollen gebruikt u de ×▼ en □ toetsen.
6.19.1 Informatie over de systeem status
Indien de GRADE 2 optie ingeschakeld is door de installateur zal de volgende informatie worden weergegeven:
- blok alarmen,
- zone alarmen,
• overbrugde zones, - storingen,
- blok status (ingeschakelde of uitgeschakelde mode).
Indien de GRADE 2 optie niet ingeschakeld is zullen alleen de storingen worden weergegeven.
6.19.2 Storing afhandelingsprocedure
Iedere storing kan een probleem opleveren voor het juist functioneren van het alarmsysteem en dient zo spoedig mogelijk verholpen te worden. Indien de reparatie of storing niet zelf door de gebruiker opgelost kan worden dan dient de installateur gebeld te worden.

Bij een systeem processor (HSE) storing in het alarmsysteem zal bij het beëindigen van de 7. SYSTEEM STATUS functie (via de *↓ toets) de melding komen "VERSA systeem herstarten? 1=Ja". Na het indrukken van de 1 toets zal het systeem worden herstart en de storing worden gerepareerd.
6.19.3 Storingsgeheugen en storingen wissen
De installateur definieert of alleen nieuwe storingen worden weergegeven of ook oudere, reeds afgehandelde storingen. Als de letter "M" rechts bovenin van het display knippert is de storing al afgehandeld of zelf opgelost.
U kunt het storingsgeheugen wissen na het beëindigen van de functie:
- Druk op de tootsom de functie te beëindigen. De melding "Wis storing geheugen? 1=Ja" zal worden weergegeven.
- Druk op de toets om het storingsgeheugen te wissen (indien u een andere toets indrukt zal het wissen van het storingsgeheugen niet worden uitgevoerd).

Indien de SERVICE MELDING NA SABOTAGE ALARM optie in het alarmsysteem geactiveerd is, dan kan alleen de installateur een sabotage alarm in het geheugen wissen.
6.20 Uitgangen aansturen
U kunt via het bediendeel of VERSA Control applicatie apparaten bedienen die aangesloten zijn op de 15. GESTUURD uitgangen (bijv. om rolluiken/zonneschermen op en neer te doen, de verlichting aan/uit te zetten, etc.). De installateur zal definiëren hoe deze uitgangen zullen werken (of dat de uitgang voor een bepaalde tijdsduur aangestuurd wordt of dat deze altijd actief zal zijn totdat deze weer uitgezet wordt door de gebruiker of klok, etc.).
6.20.1 Uitgangen snel en eenvoudig aansturen
De installateur kan ervoor zorgen dat de uitgangen snel en eenvoudig aangestuurd kunnen worden, zonder het invoeren van een code.
Eenvoudig activeren van een uitgang (snelkeuze)
Druk op het nummer van de toets waaraan de uitgang/apparaat toegewezen is, en druk op de # U toets.
Eenvoudig deactiveren van een uitgang (snelkeuze)
Druk op het nummer van de toets waaraan de uitgang/apparaat toegewezen is, en druk op de * 🔊 toets.
6.20.2 Uitgangen aansturen via de gebruikersfunctie
Open het gebruikersmenu (code + * ) en druk achterelkaar 8tuv # U. Het uitgangsnummer wordt in de bovenste regel van het display weergegeven en de naam van de uitgang op de onderste regel. U kunt door de lijst met uitgangen heen scrollen via de X▼ en mO▲ toetsen. Informatie over de status van de uitgang wordt rechts bovenin het display weergegeven:
- de uitgang is geactiveerd,
- de uitgang is gedeactiveerd.
Druk op de # U toets om de uitgang te activeren of op de ☐ 9 toets om de uitgang te deactiveren.
Indien u de status van alle uitgangen wilt weergeven die u kunt aansturen druk dan op de ▶ of ◀ toets. U kunt nu de uitgangen identificeren aan de hand van de nummers rondom het display. Gebruik de ▶ en ◀ toetsen om de cursor te verplaatsen. Om een uitgang te activeren verplaatst u de cursor naar de gewenste uitgang en drukt u op de # □ toets of om de uitgang te deactiveren drukt u op de □ ● toets. Indien u weer naar de vorige weergave wilt gaan drukt u op de ▗ ▼ of ◀ ▲ toets.
6.21 Testen
6.21.1 Zones testen
De functie maakt het mogelijk de systeem zones / detectoren te controleren op hun juiste werking.
i
Een zone activering gedurende de test geeft geen alarm in het alarmsysteem.
Tijdens het testen van zones zal het bediendeel niet de huidige status laten zien, maar alleen weergeven of de zone wel of niet geactiveerd is tijdens de test.

- Open het gebruikersmenu (code +) en druk achterelkaar.
- Voer 2 cijfers in om de tijdsduur voor het testen te bepalen (bijv. indien u voor 5 minuten wilt testen, druk dan achterelkaar op de en teetsen 5 ju kunt voor de test van 1 tot 15 minuten invoeren), en druk daarna op de teels Het bediendeel zal de zones die getest kunnen worden weergeven met het symbool (de nummers rondom het display geven de zonenummer weer).
- Activeer de geselecteerde zones (bijv. loop door een ruimte waar de bewegingsdetector zich bevind of open een raam/deur die voorzien is van een magneetcontact). Het bediendeel zal laten zien dat de zone geactiveerd is (het zone symbool wijzigt naar 📁). Informatie over de activeringen worden getoond totdat de zone test beëindigd wordt.
- De test wordt automatisch na de gedefinieerde tijdsduur beëindigd. U kunt deze eerder beëindigen door het indrukken van de teet
6.21.2 Uitgangen testen
De functie maakt het mogelijk de uitgangen te testen op hun juiste werking en daarbij ook de apparaten die daarop aangesloten zijn.
i
U kunt altijd 12 uitgangen testen, onafhankelijk of deze daadwerkelijk aangesloten zijn.
- Open het gebruikersmenu (code + * ) en druk achterelkaar 9wxyz 2abc # D. Het bediendeel zal de status van de uitgangen op de bovenste regel van het display weergeven (· - uitgang inactief; ♦ - uitgang actief). De naam van de uitgang zal op de onderste regel van het display worden weergegeven. Gebruik de ▶ en ◀ toetsen om de cursor te verplaatsen.
- Druk op de # U toets om de uitgang te activeren of druk op de □ ⚠ toets om deze te deactiveren.
- Druk op de tootsom de functie te beëindigen.
6.21.3 Signaalniveau / kwaliteit draadloze apparaten controleren
Met deze functie kunt u controleren:
- de kwaliteit van het signaalniveau van 433 MHz draadloze detectoren (indien een VERSA-MCU controller aangesloten is op het alarmsysteem),
- de kwaliteit van het signaalniveau van ABAX draadloze detectoren (indien een ABAX systeem controller aangesloten is op het alarmsysteem).
Open het gebruikersmenu (code + * ) en druk achterelkaar 9wxyz 3def # U. Op de onderste regel van het display zal informatie over het signaalniveau / kwaliteit worden getoond. De bovenste regel van het display toont de zone naam.
Gebruik de pijltoetsen om door de lijst heen te scrollen.
6.21.4 Een handmatige testmelding naar de meldkamer versturen
Open het gebruikersmenu (code + * ) en druk achterelkaar 9wxyz 4ghi #U. Een "Handmatige PAC test" rapport zal opgeslagen worden in het logboek en deze gebeurteniscode zal naar de meldkamer worden verzonden.
6.21.5 Een telefoon test uitvoeren met de meldkamer
Open het gebruikersmenu (code + *↓) en druk achterelkaar 9wxyz 5jkl # (PAC 1 tel. test) of 9wxyz 6mno # (PAC 2 tel. test). Berichten met informatie over de op dat
moment gerealiseerde activiteiten verschijnen op het display. Op deze manier kunt u een telefoon rapportage test uitvoeren en de oorzaak van storingen ontdekken, indien aanwezig.
6.21.6 De firmware van het alarmsysteem controleren
Open het gebruikersmenu (code +) en druk achterelkaar.

Informatie over de firmware en bouwdatum van het alarmsysteem zullen worden getoond.
6.21.7 De firmware versies van de modules controleren
Open het gebruikersmenu (code +) en druk achterelkaar.

Informatie over de firmware van de module met het laagste adres zal worden getoond: de module naam op de bovenste regel, the firmware en bouwdatum op de onderste regel. U kunt door de module lijst heen scrollen met de ✗ ▼ en Ⓜ ▲ toetsen. In het geval van de ingebouwde Ethernet module kunt u op de ⚫ ▶ of ⬛ ▶ toetsen drukken om extra informatie weer te geven (IP adres, MAC adres, individueel identificatienummer voor communicatie met de SATEL server [ID].
6.21.8 De voeding voltages van modules controleren
i Niet alle modules kunnen informatie tonen over hun voeding.
Open het gebruikersmenu (code +) en druk achterelkaar.

Informatie over het voeding voltage van de module met het laagste adres zal worden getoond. U kunt door de module lijst heen scrollen met de ✗ ▼ en Ⓜ ▲ toetsen.
6.21.9 Uitgangen resetten
Gebruik de functie om:
- de 5. "OVERVAL" ALARM, 14. BEL of 15. GESTUURD functie uitgangen te deactiveren (indien de insteltijd door de installateur voor deze uitgangen geprogrammeerd is op 0, dan kunt u deze uitgangen deactiveren),
- de 11. BRAND DETECTOREN VOEDING functie uitgang voor 16 seconden deactiveren (om het alarmgeheugen van branddetectoren te resetten),
- de 21. DETECTOREN RESETTEN functie uitgang de activeren.
Open het gebruikersmenu (code + * ) en druk achterelkaar 9wxyz 0 #
6.22 Service
De functies om het alarmsysteem te programmeren (programmering lokaal of op afstand) worden beschreven in de PROGRAMMEERHANDLEIDING.
6.22.1 Definiëren van de toegangsregels voor de servicemonteur
Open het gebruikersmenu (code + * ↓) en druk achterelkaar 0 1 5 jkl # 1 Op de bovenste regel van het display wordt de functienaam weergegeven en op de onderste regel de eerste beschikbare optie. U kunt door de lijst heen scrollen met de × ▼ en 📞 ▲ toetsen. Rechts bovenin het display staat een extra symbool:
J – optie is ingeschakeld,
- optie is uitgeschakeld.
Druk op een willekeurige toets om de optie in/uit te schakelen.
Indien u de status van alle opties wilt zien drukt u op de ▶ of ◀ toets. De nummers rondom het display zijn voor identificatie van de opties. Gebruik de ▶ en ◀ toetsen om de cursor te verplaatsen. Om de optie in/uit te schakelen beweegt u de cursor over de
geselecteerde optie en drukt u op een willekeurige toets. Indien u de vorige weergave optie weer wilt zien drukt u op de Koets.
Druk op de wijzingen op te slaan en de functie te beëindigen.
Beschrijving van de opties
Altijd toegang – indien de optie ingeschakeld is kan de service code altijd worden gebruikt in het alarmsysteem.

Indien het alarmsysteem moet voldoen aan de eisen van de EN 50131 standaard voor Grade 2, dan dient de toegang beperkt te worden voor de service code.
Wijzig gebruikers – indien de optie ingeschakeld is kan de service code gebruikers toevoegen, wijzigen en verwijderen.
In/Uit/Hrs/Ovbr – indien de optie ingeschakeld is kan de service code het alarmsysteem in en uitschakelen, alarmen herstellen en zones overbruggen (tijdelijk of uitschakelen).
6.22.2 Definiëren van de toegangstijd voor de servicemonteur
De functie is beschikbaar als de ALTIJD TOEGANG optie uitgeschakeld is (zie: "Definiëren van de toegangsregels voor de servicemonteur").
Open het gebruikersmenu (code + *en druk achterelkaar. Het 0 9 6mno # 1 aantal resterende uren zal worden weergegeven waarin de service code toegang zal kunnen hebben tot het alarmsysteem. Voer een waarde in van 0 tot 255 uur en druk op de # 1.
7. Bediening van het alarmsysteem via een handzender
Het alarmsysteem kan met handzenders worden bediend als een 433 MHz handzender module (INT-RX-S / INT-RX), 433 MHz draadloze systeem controller (VERSA-MCU) of ABAX draadloze systeem controller (ACU-120 / ACU-270 / ACU-100 / ACU-250) aangesloten is op het alarmsysteem.
Een gebruiker kan twee handzenders hebben:
- 433 MHz handzenders – ondersteund door de 433 MHz handzender module of een 433 MHz draadloze systeem controller,
- APT-100 tweeweg handzenders – ondersteund door de ABAX draadloze systeem controller.
Een enkele handzender kan tot 6 functies uitvoeren. Hoe de knoppen werken dient u op te vragen bij degene die de handzender toegevoegd en geconfigureerd heeft voor de gebruiker. Voor de APT-100 handzender dient die persoon ook aan te geven hoe de LED's functioneren. De LED's op de handzender verschaffen u informatie bij het uitvoeren van functies als ook de status van het systeem kunnen weergeven (het indrukken van een knop op de APT-100 handzender gaat vergezeld met het drie keer snel knipperen van een LED, waarna deze LED(s) aan kunnen gaan voor 3 seconden om de informatie te tonen).
i
De installateur kan het alarmsysteem zo configureren dat aangesloten sirenes in het systeem een gebruiker kan informeren bij de volgende gebeurtenissen:
1 toon – starten van de inschakelprocedure (welk gelijk is aan inschakelen, indien de uitgangvertraging niet geprogrammeerd is),
2 tonen – uitschakelen,
4 tonen – alarm herstellen,
7 tonen – inschakelen is niet mogelijk of de inschakelprocedure is mislukt.
De tijdsduur van een toon is ongeveer. 0.3 seconden.

Fig. 3. APT-100 handzender (grijze behuizing). A – nummering van de LED's. B – nummering van de knoppen (knop 6 = gelijktijdig indrukken van knopen 1 en 5).

Fig. 4. T-4 [433 MHz handzender]. A – nummering van de knoppen (knop 5 = gelijktijdig indrukken van knopen 1 en 2; knop 6 – gelijktijdig indrukken van knopen 1 en 3).

Fig. 5. MPT-300 [433 MHz handzender] (zwarte behuizing). A – nummering van de knoppen (knop 5 = gelijktijdig indrukken van knopen 1 en 2).
7.1 Inschakelen niet mogelijk en geforceerd inschakelen

De onderstaande informatie is niet van toepassing als de knop van de handzender een inschakel zone aanstuurt.
De installateur kan het alarmsysteem zo programmeren dat inschakelen met handzenders niet mogelijk is als:
- in het blok, welke ingeschakeld wordt, een zone met PRIORITEIT geactiveerd is,
- in het blok, welke ingeschakeld wordt, een zone geactiveerd is buiten de uitgangsroute,
• er een storing is in het systeem,
• de handzender een lage batterij heeft.
In deze situaties dient u voordat u het alarmsysteem kunt inschakelen deze problemen te verhelpen of het systeem geforceerd in te schakelen.

De installateur dient ervoor te zorgen dat u als gebruiker op een effectieve en juiste manier geïnformeerd wordt waarom u het alarmsysteem niet in kunt schakelen.
7.1.1 Geforceerd inschakelen
- Indien het inschakelen met de handzender niet mogelijk is dient u naar het bediendeel te gaan en uw code in te voeren gevolgd door een *
- Een bericht op het display zal aangeven waarom het inschakelen niet mogelijk was. Indien bij dit bericht ook "1=Ok" staat kunt u de 1 toets indrukken om geforceerd in te kunnen schakelen.
- Druk nogmaals op de inschakel knop van de handzender om de geforceerde inschakelingsprocedure te starten.

Informatie over het geforceerd inschakelen wordt opgeslagen in het logboek.
7.2 Mislukken van de inschakelprocedure gestart vanaf een handzender

De onderstaande informatie is niet van toepassing als de knop van de handzender een inschakel zone aanstuurt.
De installateur kan het alarmsysteem zo programmeren dat het alarmsysteem niet ingeschakeld wordt nadat de uitgangsvertraging verstreken is, als:
- een zone in het blok geactiveerd is maar nog niet geactiveerd was tijdens de inschakelprocedure,
- er een storing is, maar deze nog niet aanwezig was tijdens de inschakelprocedure.

De installateur dient ervoor te zorgen dat u als gebruiker op een effectieve en juiste manier geïnformeerd wordt waarom u het alarmsysteem niet in kunt schakelen.
Indien het alarmsysteem geforceerd ingeschakeld wordt zullen activeringen en storingen genegeerd worden welke optreden na de inschakel procedure.
8. Bediening van het alarmsysteem via de telefoon
U kunt het alarmsysteem bedienen via een telefoon (DTMF). Het spraakgestuurde menu maakt de bediening hiervoor zeer eenvoudig. Om in het spraakgestuurde menu te komen belt u het telefoonnummer van het alarmsysteem.

De installateur kan de bediening ook afhankelijk maken van de blok status (bediening is alleen mogelijk als geselecteerde blokken ingeschakeld zijn).
8.1 Starten van de bediening via de telefoon
- Bel het nummer van het alarmsysteem. Indien u verbinding heeft zult u drie korte piepjes horen.

De installateur kan het alarmsysteem zo configureren dat het alarmsysteem pas opneemt na een tweede oproep. In dit geval dient u het nummer te bellen en op te hangen na het aantal ingestelde belsignalen. Bel het nummer opnieuw binnen drie minuten waarna uw oproep zal worden beantwoord.
- Voer uw code in via het toetsenbord van de telefoon en bevestig dit met het #. 4 korte tonen gevolgd door 1 lange toon zal u informeren dat u toegang heeft tot het interactieve spraakmenu. Indien uw code geen rechten heeft zult u 3 lange tonen horen en bij het invoeren van een onjuiste code zult u 2 lange tonen horen.

Na het drie keer invoeren van een foutieve code zal het alarmsysteem ophangen waarna het voor 90 seconden niet mogelijk is om verbinding te maken.
- Berichten in het interactieve spraakmenu zullen worden afgespeeld en het spraakmenu zal u informeren welke telefoontoetsen gebruikt kunnen worden om het alarmsysteem te bedienen.
De structuur van het spraakgestuurde menu wordt hieronder weergegeven. Door het indrukken van de * toets zult u terug worden gebracht naar het hoofdmenu..
1 – macro's [bijv. een serie van acties die door het alarmsysteem uitgevoerd moeten worden en geprogrammeerd zijn door de installateur]
voer het macro nummer in en druk op # (indien er maar één macro is zal deze stap worden overgeslagen)
1 - uitvoeren
7 – uitvoeren ondanks storingen
0 – andere macro kiezen
- volgende macro
* - hoofdmenu
2 – blokken [informatie kan worden afgespeeld over de status van een blok, het blok inschakelen / uitschakelen en alarmen herstellen in het blok]
Voer het bloknummer in en druk op # (indien er maar één blok is zal deze stap worden overgeslagen)
1 – inschakelen: volledig
2 – inschakelen: nacht mode
3 – inschakelen: dag mode
6 – uitschakelen
7 – inschakelen ondanks storingen
9 – wis alarmen
0 – ander blok kiezen
- volgend blok
* - hoofdmenu
3 – inluisteren [indien een INT-AVT module aangesloten is op het alarmsysteem kunt u de inluister functie gebruiken en naar de mensen toe praten in het object]
2 - tweeweg
3 – luid
6 - zachtjes
* – hoofdmenu
4 – zones [Informatie kan worden afgespeeld over de zone status, overbrugde zones en zones uit overbrugging]
Voer het zone nummer in en druk # (indien maar één zone beschikbaar is zal deze stap worden overgeslagen)
1 – overbruggen
2 - uitschakelen
6 - uit overbrugging
0 – andere zone kiezen
# - volgende zone
* - hoofdmenu
5 – alarmen [Informatie kan worden afgespeeld over alarmen en alarmen herstellen]
9 – herstel alarmen
* – hoofdmenu
7 – storingen [Informatie kan worden afgespeeld over storingen en het wissen van het storingsgeheugen]
8 – herstart het systeem
9 – wis het storingsgeheugen
* – hoofdmenu
8 – uitgangen [Informatie kan worden afgespeeld over de status van de 15. GESTUURD functie uitgang, of de uitgang activeren/deactiveren]
Voer het nummer van de uitgang in en druk # (indien maar één uitgang beschikbaar is zal deze stap worden overgeslagen)
1 - aanzetten
6 - uitzetten
0 – andere uitgang kiezen
# - volgende uitgang
* – hoofdmenu
8.3 Het bedienen via de telefoon stoppen
- Druk op de * toets.
- Druk achterelkaar op de 0# toetsen. Het systeem zal de verbinding verbreken.

Het systeem zal automatisch de verbinding verbreken indien voor 1 minuut geen acties uitgevoerd worden.
9. Een spraakbericht bevestigen
Een speciale code van 4 cijfers dient te worden gebruikt voor het bevestigen van berichten (zie: "Programmering van codes voor bevestiging /alarm herstellen" p. 31). Na het ontvangen van het spraakbericht voert u deze code in vanaf de telefoon. Het bevestigen van het bericht zal verdere notificatie annuleren. De installateur kan het alarmsysteem zo configureren dat na het bevestigen van een spraakbericht, u automatisch naar het interactieve
spraakgestuurde menu wordt gebracht (zie: "Bediening van het alarmsysteem via de telefoon" p. 37).
10. VERSA Control applicatie
VERSA Control is een mobiele applicatie voor het bedienen van uw alarmsysteem op afstand waarmee u de volgende acties kunt uitvoeren:
- inschakelen / uitschakelen van het alarmsysteem en/of alarm herstellen,
• overbruggen / uit overbrugging halen van zones, - uitgangen aansturen,
- het logboek bekijken,
- storingen bekijken.
Tevens kunt u via de applicatie informatie krijgen over gebeurtenissen in het alarmsysteem via push notificaties.
Download de applicatie via: "Google play" (Android) of "App. store" (Apple iOS).
Na installatie van de app.:
- voer een naam in voor uw alarmsysteem (alleen voor identificatie van het alarmsysteem bij het openen van de app.),
- voer het MAC adres in van uw alarmsysteem (het hardware adres van de ingebouwde Ethernet communicatie module),
- voer het ID nummer in van uw alarmsysteem (het individuele identificatie nummer voor communicatie met de SATEL server),
- voer uw gebruikerscode in (deze zal worden gebruikt voor het bedienen van het alarmsysteem via de app.),
- kies een icoon uit voor uw alarmsysteem (alleen voor identificatie van het alarmsysteem bij het openen van de app.),
- schakel de gewenste push notificaties in of uit van het alarmsysteem (indien u de push notificatie inschakelt, selecteer dan de gebeurtenissen waarover u geïnformeerd wilt worden).

U kunt het MAC adres en ID nummer vinden via de MODULE VERSIE. functie in het bediendeel (zie: "De firmware versies van de modules controleren" p. 34).

Fig. 6. VERSA Control applicatie: configuratiescherm.
11. Handleiding update historie
| Handleiding versie | Wijzigingen |
| 09/15 | Informatie over het VERSA-LCDR bediendeel is toegevoegd (p. 6 en p.9).De omschrijving voor het inschakelen met een proximity kaart is gewijzigd (p.12).De omschrijving voor het uitschakelen en alarm herstellen met een proximity kaart is gewijzigd (p.15). |












