H-1 Grand Starex (2006) - Automobiel HYUNDAI - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis H-1 Grand Starex (2006) HYUNDAI in PDF-formaat.
| Merk | Hyundai |
| Model | H-1 Grand Starex (2006) |
| Type voertuig | Minibus / Bestelbus / Bedrijfswagen |
| Afmetingen (L x B x H) (korte wielbasis) | 4.695 x 1.820 x 1.900 mm |
| Afmetingen (L x B x H) (lange wielbasis) | 5.035 x 1.820 x 1.980 mm |
| Wielbasis | 2.810 mm (kort) / 3.080 mm (lang) |
| Inhoud brandstoftank | 65 L (minibus/bestelbus) / 70 L (bedrijfswagen) |
| Motor (diesel) | 2.5 4D56 TCI (2.476 cc) of 2.5 CRDi (2.497 cc) |
| Motor (benzine) | 2.4 DOHC (2.351 cc) |
| Transmissie | Handgeschakeld of Automatisch (optioneel) |
| Veiligheidssystemen | Airbags bestuurder en passagier, ABS, gordelspanners, startblokkering, anti-diefstalalarm |
| Centrale portiervergrendeling | Ja, met afstandsbediening (keyless entry) |
| Elektrische ruitbediening voor | Ja, met tiptoets bestuurderszijde |
| Airconditioning | Ja, met handmatige bediening |
| Stoelverwarming bestuurder | Optioneel (minibus) |
| Verstelbare stuurkolom | Ja |
| In hoogte verstelbare veiligheidsgordels voor | Ja |
| Bandenspanning (minibus) | Voor en achter: 2,8 bar (40 psi) |
| Motorolie (diesel 2.5 4D56) | API CF-4 of hoger, 5,5 L |
| Koelvloeistofinhoud | 13 L (minibus) / 10 L (bestelbus) |
| Remvloeistof | DOT 3 of DOT 4 |
| Onderhoudsinterval | Periodiek onderhoud volgens schema in handleiding, eerste 5000 km controle |
Veelgestelde vragen - H-1 Grand Starex (2006) HYUNDAI
Gebruikersvragen over H-1 Grand Starex (2006) HYUNDAI
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Automobiel in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding H-1 Grand Starex (2006) - HYUNDAI en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. H-1 Grand Starex (2006) van het merk HYUNDAI.
GEBRUIKSAANWIJZING H-1 Grand Starex (2006) HYUNDAI
Er kan ernstige schade ontstaan aan de motor en de transaxle als brandstoffen en smeermiddelen van slechte kwaliteit worden gebruikt, die niet aan de Hyundai specificaties voldoen. Gebruik altijd brandstoffen en smeermiddelen van hoge kwaliteit die voldoen aan de specificaties die op bladzijde 9-4 in het hoofdstuk Technische gegevens van de gebruikshandleiding zijn vermeld.
SADOOA1-FX
Deze handleiding moet worden beschouwd als een onderdeel van uw wagen en moet bij verkoop ook aan de volgende eigenaar worden overhandigd.
GEGEVENS VAN DE EIGENAAR
EERSTE EIGENAAR:
NAAM:
ADRES:
STRAAT:
PLAATS:
POSTCODE:
AANKOOPDATUM:
TWEEDE EIGENAAR:
NAAM:
STRAAT:
PLAATS:
POSTCODE:
VERKOOPDATUM:
HYUNDAI
H-1
GEBRUIKSHANDLEIDING
A030401P-AXT
Bediening
Onderhoud
Technische gegevens

De specificaties en de beschrijvingen in deze handleiding waren correct ten tijde van druk. Hyundai streeft echter naar een voortdurende verbetering van zijn producten en behoudt zich het recht voor op elk moment, zonder voorafgaande kennisgeving, wijzigingen in de specificatie en ultrusting aan te brengen.
Deze handleiding geeft een beschrijving van alle Hyundai H-1 modellen inclusief alle extra's en uitrusting. Het kan derhalve voorkomen dat sommige van de behandelde onderwerpen niet van toepassing zijn op uw wagen.
SA020A1-FX
RICHTLIJNEN MET BETREKKING TÔT HET ONDERHOUD
De onderhoudsvoorschriften voor uw nieuwe Hyundai vindt u in hoofdstuk 6. Als eigenaar dient u er op toe te zien dat het onderhoud op de voorgeschreven termijnen wordt uitgevoerd. Als de wagen onder zware bedrijfsomstandigheden wordt gebruikt, moet het onderhoud met kortere tussenpozen worden uitgevoerd. Gegevens hieromtrent zijn eveneens in hoofdstuk 6 beschreven.
ZA040A1-FX
EEN WOORD VOORAF
Wij zijn blij dat u voor een Hyundai heeft gekozen. Welkom bij het groeiende aantal van prijsbewuste automobilisten die tot de aanschaf van een Hyundai hebben besloten. Elke Hyundai is gebouwd met behulp van vooruitstrevende technieken en hoogwaardige materialen.
Deze handleiding dient ervoor om u volledig vertrouwd te maken met de bediening en het onderhoud van uw wagen. Wij verzoeken u deze handleiding goed te lezen. De gegeven informatie zal er toe bijdragen dat u over uw nieuwe wagen ten volle tevreden zult zijn.
Uw auto moet door de HYUNDAI dealer onderhouden worden. Onze dealers beschikken over de vakkennis voor een hoogwaardige service, onderhoud en eventueel noodzakelijke reparaties.
SA030B3-FX
HYUNDAI MOTOR COMPANY
N.B.: Eventuele toekomstige eigenaars moeten ook kunnen beschikken over de informatie in deze handleiding. Wij verzoeken u dan ook om bij eventuele verkoop van uw wagen deze handleiding aan de nieuwe eigenaar te overhandigen. Dank u.

Copyright 2005 Hyundai Motor Company. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar worden gemaakt, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de Hyundai Motor Company.
SAD40A1-FX

LET OP : WIJZIGINGEN AAN UW HYUNDAI
Het uitvoeren van wijzigingen kan het verlies van garantie tot gevolg hebben. Het is niet toegestaan uw Hyundai op welke manier dan ook te wijzigen. Wijzigingen kunnen een zeer nadelige invloed hebben op de veiligheid, betrouwbaarheid en de prestaties van uw Hyundai. Het wijzigen van componenten of het monteren van extra componenten hetgeen schade tot gevolg heeft, vallen niet onder de garantie van de wagen.
SA050A1-FX
Uw wagen is voorzien van elektronische componenten en in sommige gevallen van een elektronische benzine-inspuiting. Een onvakkundig gemonteerde stereo radio kan een zeer nadelige invloed op dergelijke elektronische systemen uitoefenen. Daarom adviseren wij u de inbouwinstructies van de fabrikant van het radiotoestel strikt op te volgen of de montage van een radio aan uw Hyundai dealer over te laten.
SAD70A1-FX
WAARSCHUWINGEN
In deze handleiding zult u de uitdrukkingen WAARSCHUWING, LET OP en N.B. tegenkomen. Hiermee wordt het volgende bedoeld.

WAARSCHUWING:
Hiermee wordt gewaarschuwd voor zaken die letsel kunnen veroorzaken als de waarschuwing wordt genegeerd. U wordt geadviseerd wat wel en niet te doen, om het risico op letsel voor u en anderen te voorkomen of te verminderen.

LET OP:
Hiermee wordt gewaarschuwd voor iets dat schade kan berokkenen aan uw wagen of de uitrusting van uw wagen. U wordt geadviseerd wat wel en niet te doen, om het risico op schade aan uw wagen en de uitrusting te voorkomen of te verminderen.
N.B.:
Hierbij wordt nuttige informatie verstrekt.
A100A010L GXT
HANDLEIDING VOOR ORIGINELE HYUNDAI ONDERDELEN
1.Wat zijn originele Hyundai onderdelen?
Originele Hyundai onderdelen zijn gelijk aan de onderdelen die door Hyundai Motor Company bij de fabricage van uw auto zijn gebruikt. Ze zijn voor ontworpen en getest voor optimale veiligheid, prestaties en betrouwbaarheid.
2. Waarom moeten originele 3. Op welke wilje zijn originele onderdelen worden gebruikt? Hyundai onderdelen herkenbaar?
Originele Hyundai onderdelen zijn vervaardigd en gebouwd om te voldoen aan de oorspronkelijke fabriekselen. Het gebruik van imitatie-onderdelen, merkloze en gebruikte onderdelen valt niet onder de garantie voor Hyundai automobielen of een andere garantie. Wanneer door het monteren van een imitatie-onderdeel, een merkloos of gebruikt onderdeel schade of een defect aan een origineel Hyundai onderdeel ontstaat, valt dit niet onder de garantie van Hyundai Motor Company.
Controleer of het Hyundai Genuine Parts Logo op de verpakking aanwezig is (zie hierna). De exportspecificaties zijn alleen in het Engels vermeld. Originele Hyundai onderdelen zijn alleen verkrijgbaar bijgeautoriseerde Hyundai dealers.

HYUNDAI
Genuine
Parts


- Multischakelaar verlichting
- Claxon en bestuurdersairbag (Indien aanwezig)
- Schakelaar verwarming achtercompartiment (Indien aanwezig)
- Schakelaar ruitenwisser/-sproeier voorruit
- Schakelaar waarschuwingsknipperlichten
- Schakelaar mistlampen
- Schakelaar mistachterlicht
- Schakelaar achterruitverwarming
- Airbag voor passagierszijde
-
Dashboardkastje
-
Schakelaar koplampafstelling (Indien aanwezig)
- ECT-schakelaar (Alleen automatische transmissie)
- Ontgrendeling kleptankdop van binnenuit
- Hefboom motorkapontgrendeling
- Regelknop lichtsterkte instrumentenverlichting (Indien aanwezig)
- Chokeknop (Alleen Diesel motor)
- Bedieningshandel verwarming/airconditioning
- Aansteker
- Asbak
- Beker
- Digitale klok (Indien aanwezig)

LET OP:
Een flacon luchtverfrisser mag in de auto niet dichtbij het instrumentenpaneel of op het dashboard worden geplaatst. Door eventuele lekkage van de luchtverfrisser op deze delen (Instrumentenpaneel, dashboard of aanjager) kunnen ze worden beschadigd. Als de vloeistof van de luchtverfrisser op deze delen komt moeten ze direct met water worden gereinlgd.
INSTRUMENTEN & BEDIENINGSORGANEN (BEDRIJFSWAGEN)
B250B01P-GXT

- Multischakelaar verlichting
- Claxon en bestuurdersairbag (Indien aanwezig)
- Schakelaar ruitenwisser/-sproeier voorruit
- Schakelaar waarschuwingsknipperlichten
- Schakelaar mistlampen (Indien aanwezig)
- Schakelaar mistachterlicht (Indien aanwezig)
- Schakelaar buitenspiegel verwarming (Indien aanwezig)
-
Dashboardkastje
-
Schakelaar koplampafstelling (Indien aanwezig)
- Hefboom motorkapontgrendeling
- Chokeknop (Alleen Diesel Motor)
- Bedieningshandel verwarming/airconditioning
- Aansteker
- Asbak
- Beker
- Digitale klok (Indien aanwezig)

LET OP:
Een flacon luchtverfrisser mag in de auto niet dichtbij het instrumentenpaneel of op het dashboard worden geplaatst. Door eventuele lekkage van de luchtverfrisser op deze delen (Instrumentenpaneel, dashboard of aanjager) kunnen ze worden beschadigd. Als de vloeistof van de luchtverfrisser op deze delen komt moeten ze direct met water worden gereinigd.
UW AUTO IN ÉÉN OOGOPSLAG
B255A01P-GXT
WAARSCHUWINGS- EN CONTROLELAMPEN OP HET INSTRUMENTENPANEEL

Onderhoudsindicatie (SRI) van airbagsysteem (Indien aanwezig)
Controlelamp ABS (Indien aanwezig)
Controlelamp overdrive (Indien aanwezig)
Controlelampen richting-aanwijzers-groen
Aanduiding grootlicht-blauw
Controlelamp oliedruk
Controlelamp handrem/remvloeistofpeil
Waarschuwingslamp laadstroom-rood

Controlelamp voor niet goed gesloten portieren

Waarschuwingslamp laag brandstofniveau- amber (geelbruin)

Power/hold mode indicator

Storingscontrolelamp (Indien aanwezig)

Controlelamp immobilizer (Diefstalbeveiliging)

Controlelamp voorgloeien - geel

Waarschuwingslamp water in brandstofffilter
Aandachtspunten en bijzonderheden
veiligheidsaspecten 1-2
Inrijvoorschriften 1-2
Voertuigidentificatie nummer (VIN) 1-5
Sleutels 1-6
Startblokkering 1-7
Verlichting contactslot 1-12
Portiersloten 1-12
Schuifdeur-borgsysteem 1-14
Centrale portier vergrendeling 1-14
Anti-diefstalalarm 1-16
Achterklep 1-20
Zijklep 1-23
Losmaken motorkap 1-24
Bediening klep van brandstofvulopening 1-25
Portierruiten 1-27
Zittingen 1-29
Veiligheidsgordels 1-38
Veiligheidssysteem voor kinderen 1-43
Stuurkolomverstelling 1-47
Airbagsysteem.... 1-47
VEILIGHEIDSASPECTEN
BD10A01P-GXT
Zorg, voor uw veiligheid en die van anderen, dat u vertrouwd bent met uw voertuig en de uitrusting ervan.
B010B01P-GXT
Voordat u uw voertuig instapt
o Zorg dat ruiten, spiegels en verlichting schoon zijn.
o Controleer de bandenspanning.
o Controleer of er geen lekkages zijn.
o Controleer of er voldoende ruimte is om weg (c.q. achteruit) te rijden.
B010C03P-GXT
Voordat u met het voertuig wegrijdt
o Sluit alle portieren.
o Zorg dat alle inzittenden hun veiligheidsgordel correct omgespen.
o Stel de hoofdsteunen goed af.
o Stel alle spiegels goed af.
o Controleer de werking, met aangezet contact, van de waarschuwingsknipperlichten.
o Controleer de werking van alle meters en controlelampjes.

WAARSCHUWING
(Alleen Dieselmotor):
Om zorg te dragen voor voldoende vacuum voor de rembekrachting bij een koude start, is het noodzakelijk de motor na het starten even stationair te laten lopen.
N.B.:
Vloeistofniveaus, zoals motorolie, motorkoelvloeistof, remvloeistofen ruitensproeiervloeistof moeten dagelijks en/of wekelijks of bij het tanken worden gecontroleerd. Zie voor meer informatie het hoofdstuk "INFORMATIE VOOR DE EIGENAAR".
B020A01P-GXT
Gedurende de eerste 1000 km adviseren wij u, in verband met de levensduur, prestaties en het verbruik op langere termijn, het voertuig in te rijden volgens de hieronder aangegeven richtijnen.
- Laat de motor niet met een te hoog toerental draaien.
- Vermijd bruusk optrekken en remmen en rijd niet langdurig met een hoog toerental.
- Houd bij het inrijden de in de tabel aangegeven snelheden aan.
Houd u altijd aan de wettelijk voorgeschreven maximum snelheid.
km/u
| Versnelling | Snelheid tijdens innijperiode |
| 1e | 0~25 |
| 2e | 20~50 |
| 3e | 30~80 |
| 4e | 40~ |
| 5e | 50~ |
- Overschrijd het laadvermogen niet.
- Rijd niet met een aanhangwagen.
B030AD1P-GXT
VOORDAT DE WAGEN IN GEBRUIK WORDT GENOMEN VOORZORGSMAATREGELEN BIJ EEN NIEUWE WAGEN
De prestaties en de levensduur zijn in belangrijke mate afhankelijk van de wijze waarop de wagen wordt ingereden.
Voor een soepele werking van de onderdelen en om goede prestaties te verkrijgen gedurende een lange periode, moeten de volgende punten zorgvuldig worden opgevolgd.
Zorg ervoor dat de controles bij de eerste 5000 km aan uw auto worden uitgevoerd.
Nadat de eerste 5000 km zijn gereden moet de auto voor de vereiste controles naar de dichtstbijzijnde dealerwerkplaats worden gebracht.
B040A01P-GXT
RIJDEN IN HET BUITENLAND
Overtuig u voor het maken van buitenlanse reizen van het volgende:
o Wordt voldaan aan de wettelijke bepalingen.
o ls de geschikte benzine verkrijgbaar.
B550A02P-GXT
HET BELADEN VAN UW VOERTUIG
Let erop dat het max. toegestane totaalgewicht en het treingewicht niet worden overschreden.
Het GVW (Gross Vehicle Weight - Totaal Voertuig Gewicht) of MLW (Maximum Loaded Weigt - Maximum Laadvermogen) betekent het gewicht van het voertuig, alle inzittenden, brandstof en lading.
GAWR (Gross Axle Weigt Rating - Maximum aslast) betekent de maximaal toegestane aslasten van de vóór- en achteras. Ook deze mogen niet (per as) overschreden worden.

WAARSCHUWING:
Het niet juist beladen van uw voertuig kan het rij- en stuur- en remgedrag ernstig beïnvloeden en kan ongelukken veroorzaken waarbij u ernstig letsel kan oplopen c.q. kan verongelukken.
De garantie op uw voertuig dekt niet de defecten die ontstaan zijn door overbelading.
B070A01P-GXT
ONDERHOUD
Om veilig en plezierig te kunnen rijden, is het noodzakelijk uw voertuig in een goede staat van onderhoud te houden. Sommige onderhoudswerkzaamheden kunnen door uzelf worden uitgevoerd (zie Informatie voor de Eigenaar); andere werkzaamheden dienen door een erkende dealer te worden uitgevoerd (periodiek onderhoud en inspectie). Voor het zelf uitvoeren van bepaalde onderhoudswerkzaamheden dient u voor de benodigde materialen en gereedschappen te zorgen en de richtijnen te volgen zoals deze in het hoofdstuk "Informatie voor de Eigenaar" zijn aangegeven.
Periodieke onderhouds- en inspectiebeurten dienen echter niet door uzelf te worden uitgevoerd, maar alleen door een erkende HYUNDAI dealer.
Voor het correct uitvoeren van de inspectie- en onderhoudsbeurten zijn gespecialseerde kennis en speciale gereedschappen vereist.
Het laten uitvoeren van deze beurten door de erkende HYUNDAI dealer die hiertoe met de nieuwste technieken en gereedschappen is uitgerust, staat borg voor optimale prestaties, veiligheid en zuinigheid van uw voertuig.
Bovendien is het laten uitvoeren van alle beurten door een erkende HYUNDAI dealer een vereiste om aanspraak te maken op de garantie op uw voertuig.
Zie het afzonderlijke boekje "Service & Garantie" voor het onderhouds- en inspectieschema.
B080A01P-GXT
AANBRENGEN VAN
ACCESSOIRES
Raadpleeg een erkende HYUNDAI dealer voor het monteren van accessoires.
o Door wetgeving is het aanbrengen van bepaalde accessoires aan regels gebonden.
o Door het onjuist monteren van accessoires kan brandgevaar ontstaan.
o Gebruik nimmer banden of velgen die niet aan de specificaties voldoen. Zie het hoofstuk "Informatie voor de Eigenaar" voor de juiste velg- en bandenmaten.
VOERTUI-GIDENTIFICATIE-
NUMMER (VIN)

Het identificatieplaatje van het voertuig bevindt zich op het binnenscherm, zoals aangegeven in de afbeelding. Het voertuig-identificatie-nummer (VIN) is het nummer dat wordt gebruikt bij het op kenteken zetten van uw auto en tevens voor alle juridische zaken waarmee u als eigenaar van de auto te maken heeft, etc.


Het voertuigidentificatienummer is op de in de afbeelding aangegeven plaats ingeslagen.
Bij het bestellen van onderdelen moet dit nummer worden gebruikt.
De motorcode is op het motorblok ingeslagen; zie onderstaande afbeelding voor de plaats van de code.
B030A01A-AXT

Voor uw gemak kunnen met een sleutel alle sloten van uw Hyundai worden bediend. De portieren kunnen echter zonder sleutel worden vergrendeld. Het verdient daarom aanbeveling om een reservesleutel bij u te dragen, voor het geval een sleutel in de auto wordt achtergelaten als de portieren worden vergrendeld.
B030B01A-AXT
Noteer uw sleutelnummer

Op het nummerplaatje dat bij de sleutels van Uw Hyundai werd geleverd is een codenummer ingeslagen. Dit plaatje met het sleutelnummer moet van de sleutels worden verwijderd en op een veilige plaats worden bewaard, maar beslist niet in de auto. Het sleutelnummer moet ook worden genoteerd, zodat het in geval van nood kan worden gebruikt.
Als extra sleutels nodig zijn, of als u de sleutels verliest, dan kan de Hyundai dealer geen sleutels vervaardigen als u het sleutelnummer bent vergeten.
STARTBLOKKERING
De startblokkering is een anti-diefstalvoorziening en is ontworpen om diefstal van de wagen tegen te gaan en te vertragen.
DAB0B02P-GXT
Sleutels


Alle sloten van de wagen kunnen met dezelfde sleutel worden bediend. De portieren kunnen echter zonder sleutel worden vergrendeld. Let er daarom op
dat de sleutel niet in de wagen achterblijft als de portieren worden vergrendeld.
Voor het gemak is uw Hyundai voorzien van twee soorten sleutels zoals hieronder is aangegeven.
ID-sleutel
Deze sleutel moet eerst worden gebruikt voor het vastleggen van de unieke ID-code in de ICM. Deze ID-code wordt vervolgens vastgelegd in de hoofdsleutels. Beide zijden van de ID-sleutel zijn voorzien van het Hyundai logo.
Hoofdsleutel
Deze sleutel is bestemd voor algemeen gebruik nadat de ID-code in de sleutels zijn vastgelegd. Met deze sleutels kunnen eveneens alle sloten van uw wagen worden bediend.
Deze sleutels hebben aan de ene zijde het Hyundai logo en aan de andere zijde het "M" symbool.
Als uw auto is voorzien van een diefstalbeveiliging, wordt een mastersleutel met afstandsbediening meegeleverd.
N.B.:
Met een zelf vervaardigde duplicaatsleutel kan het systeem niet worden uitgeschakeld of de motor worden gestart.

LET OP:
Bewaar uw identificatiecode zorgvuldig en onthoud uw wachtwoord. Bewaar uw identificatiecode op de daarvoor bestemde plaats en noteer uw wachtwoord. Raadpleeg een officiële Hyundai dealer bij verlies van de identificatiecode of het wachtwoord.
BABCC01A-GXT
Sleutelnummers
Zonder Anti-Diefstalalarm

Het sleutelnummer van de wagen is aangebracht op een metalen strip die bij aflevering aan de wagensleutels is bevestigd.
Het sleutelnummer moet worden genoteerd en op een veilige plaats worden bewaard. Dit nummer is nodig als later meer sleutels worden besteld. Nieuwe sleutels zijn bij opgave van het sleutelnummer verkrijgbaar bij uw Hyundai dealer.
Om veiligheidsredenen moet de metalen strip met het sleutelnummer die zich aan de sleutels bevindt, na aflevering van de wagen van de sleutelring worden genomen. Tevens kan om dezelfde redenen het sleutelnummer niet door de Hyundai dealer worden verstrekt.
Indien extra sleutels nodig zijn of als de sleutels verloren zijn, kan uw erkende Hyundai dealer nieuwe sleutels maken. Dit kan alleen indien u het sleutelnummer en de ID-sleutel kunt tonen.
BB80D02E-GXT
Noodstartprocedure

Als de startbeveiliging defect is, kan de motor niet met de contactsleutel worden gestart zonder noodloopprogramma.
Hierna volgt de beschrijving van de procedure om de motor in noodgevallen te starten. (0, 1, 2, 3 als voorbeeldcode).
N.B.: De noodcode wordt bij de aflevering van de auto aan u verstrekt. Raadpleeg uw Hyundai dealer als u niet over de noodcode beschikt.
- Zet de contactsleutel in de stand "ON" en "OFF" overeenkomstig de getallen van de code. Zet bijvoorbeeld voor het getal "1" het contact één keer aan en uit, voor het getal "2" twee keer etc. Voor het getal "0" moet de sleutel echter 10 keer worden gedraaid.
- Wacht na elk cijfer 3\~10 seconden.
- Herhaal dezelfde procedure voor de overige cijfers van de code, "1", "2", "3".
- Als alle vier getallen succesvol zijn ingevoerd moet de motor binnen 30 seconden worden gestart. Na 30 seconden is het niet meer mogelijk de motor te starten.
N.B.:
Als de motor tijdens het rijden in het noodprogramma afslaat, kan hij binnen 8 seconden opnieuw worden gestart bij afgezet contact zonder de procedure voor het noodprogramma.
Nadat van de noodprocedure gebruik is gemaakt, moet zo snel mogelijk uw Hyundai dealer worden geraadpleegd.

LET OP:
Als ondanks de noodprocedure de motor niet kan worden gestart, moet de auto door een Hyundai dealer worden weggesleept.
BB85A010-CXT
STARTBLOKKERING
(Bedrijfswagen)
(Indien aanwezing)
De startblokkering is een anti-diefstalvoorziening en is ontworpen om diefstal van de wagen tegen te gaan en te vertragen.
BBASB02P-GXT
Sleutels
Zonder Anti-Diefstalalarm

B850B010-1
Met Anti-Diefstalalarm

B880B02P-1
Alle sloten van de auto kunnen met dezelfde sleutel worden bediend. Omdat de portieren zonder sleutel kunnen worden vergrendeld, moet worden voorkomen dat de sleutel in de
auto wordt gelaten als de portieren worden vergrendeld.
N.B.:
Met een zelf vervaardigde duplicaatsleutel kan het systeem niet worden uitgeschakeld of de motor worden gestart.

LET OP:
o Noteer uw wachtwoord en bewaar dit op een veilige plek, voor het geval op een later tijdstip extra sleutels moeten worden besteld.
o Neem contact op met uw Hyundai dealer als u uw wachtwoord vergeten bent.
o Zorg ervoor dat er geen andere sleutels in de buurt zijn waarmee de startblokkering kan worden opgeheven als de motor wordt gestart. Het is mogelijk dat de motor in dat geval niet start of onmiddellijk na het starten afslaat.
Zorg ervoor dat de sleutels apart worden bewaard na ontvangst van de nieuwe auto, zodat storingen worden voorkomen.
BBB5C02A-GXT
Sleutelnummers
Zonder Anti-Diefstalalarm

Met Anti-Diefstalalarm

Het nummer van de autosleutels staat vermeld op een metalen strip die bij de aflevering van de auto aan de sleutels is bevestigd.
Het sleutelnummer moet worden genoteerd en op een veilige plaats worden bewaard, voor het geval nieuwe sleutels nodig zijn. Nieuwe sleutels kunnen bij elke Hyundai dealer worden besteld; hierbij moet het betreffende sleutelnummer worden vermeld.
Voor de veiligheid moet de metalen strip met het sleutelnummer van de sleutelring worden verwijderd, nadat de nieuwe auto aan u is afgeleverd. Bovendien kan de Hyundai dealer om veiligheidsredenen geen sleutelnummers verstrekken.
Indien u extra sleutels nodig heeft of als sleutels zijn verloren, kan uw Hyundai dealer nieuwe sleutels maken.
BABCO02A-GXT
Noodstartprocedure

Als bij het aanzetten van het contact de controlelamp van de startblokkering gedurende vijf seconden knippert, is er een storing in de startblokkering. Om de motor te starten moet een noodprocedure m.b.v. de contactsleutel worden uitgevoerd. Hierna volgt de beschrijving van de procedure om de motor in noodgevallen te starten. (0, 1, 2, 3 als voorbeeldcode).
N.B.:
De noodcode wordt bij de aflevering van de auto aan u verstrekt. Raadpleeg uw Hyundai dealer als u niet over de noodcode beschikt.
- Om de code in te voeren moet het contact worden aangezet ("ON") en vervolgens weer uitgezet ("OFF"); het aantal keren is afhankelijk van het codecijfer. De controlelamp van de startblokkering knippert mee met de bediening van het contactslot. Bijvoorbeeld: bedien het contact eenmaal voor het cijfer "1" en tweemaal voor "2", enz. Voor het cijfer "0" moet het contactslot echter 10 keer worden bediend.
- Wacht na elk cijfer 3\~10 seconden.
- Herhaal dezelfde procedure voor de overige cijfers van de code, "1", "2", "3".
- Wanneer de vier codecijfers correct zijn ingevoerd, zet dan het contact aan ("ON") en controleer of de controlelamp van de startblokkering brandt. Vanaf dit moment moet de motor binnen 30 seconden worden gestart. Na 30 seconden kan de motor niet meer worden gestart.
12
N.B.:
Wanneer de motor afslaat nadat hij m.b.v. de noodprocedure is gestart, kan de motor binnen 8 seconden zonder noodprocedure worden gestart.
- Als de controlelamp van de startblokkering gedurende vijf seconden knippert, moet de noodprocedure vanaf het begin worden herhaald.
Nadat van de noodprocedure gebruik is gemaakt, moet zo snel mogelijk uw Hyundai dealer worden geraadpleegd.

LET OP:
- Als driemaal achter elkaar een pogling tot het uitvoeren van de noodprocedure is mislukt, moet een uur worden gewacht voordat opnieuw de noodprocedure kan worden uitgevoerd.
o Als ondanks de noodprocedure de motor niet kan worden gestart, moet de auto door een Hyundai dealer worden weggesleept.
VERLICHTING CONTACTSLOT
B120A01P-GXT (Indien aanwezig)

Als een voorportier wordt geopend, dan wordt het contactslot voor uw gemak verlicht.
De verlichting dooft als het contactslot wordt ingeschakeld of na 10 seconden nadat het portier is gesloten.
PORTIERSLOTEN
SB040A1-FX

WAARSCHUWING:
- Niet goed gesloten portieren kunnen gevaarlijkzijn. Controleer alvorens weg te rijden, vooral als zich kinderen in de wagen bevinden, of alle portieren goed zijn gesloten. Hierdoor wordt voorkomen dat de portieren tijdens het rijden abusievelijk worden geopend. Bovendien wordt op deze manier, in combinatie met het juiste gebruik van de veiligheidsgordels, voorkomen dat inzittenden in geval van een ongeluk naar bulten worden geslingerd. - Let er alvorens een portier te openen op dat geen verkeer van achteren komt.
ZB040B1-AX
Portleren met behulp van sleutel afsluiten

Het portier wordt vergendeld door de sleutel naar de voorzijde en ontgrendeld door de sleutel naar de achterzijde van de wagen te draaien.
B130B01P-GXT
Voorportieren vergrendelen zonder sleutel

Druk de vergrendelingsknop naar beneden en sluit daarna het portier. Zorg dat u de portieren niet vergrendelt met de sleutel nog in het voertuig.
B130C01P-GXT
Schulfdeur zonder sleutel vergrendelen

Zet de vergrendelingsknop aan de binnenzijde in de stand voor vergrendelen en sluit de deur.
B140A01P-GXT
SCHUIFDEUR-BORGSYSTEEM (Minibus/bestelbus)


Om te voorkomen dat de schuifdeur per ongeluk sluit als de auto op een helling staat, moet de deur altijd geheel worden geopend.
Als de schuifdeur geheel is geopend, dan is de deur geborgd.
Druk, om de schuifdeur te sluiten, de borghendel in en trek de deurgreep naar de voorzijde van de auto.

WAARSCHUWING:
o Open de schuifdeuren niet bij een rijdende auto.
Als de schuifdeuren niet geheel gesloten en vergrendeld zijn, dan kan dit ernstige verwondingen of de dood tot gevolg hebben bij een ongeval of als onverwacht moet worden geremd.
B150A01P-GXT
CENTRALE PORTIER VERGRENDELING
(Minibus/Bestelbus)
(Indien aanwezig)

De bediening van de centrale portiervergrendeling vindt plaats via het slot van het portier aan chauffeurszijde. Van binnen uit wordt de centrale vergrendeling geactiveerd door de vergrendelingsknop in te drukken. Wanneer het achterportier wordt geopend terwijl de knop is ingedrukt, zal het portier na het sluiten automatisch weer worden vergrendeld. Wanneer het voorportier open staat tijdens het indrukken van de knop, zal het portier na het sluiten worden vergrendeld.
N.B.:
Als de vergrendelknop van een voorportier wordt ingedrukt, worden de voorportieren en de schuifdeur vergrendeld. Als de vergrendelknop van een voorportier naar boven wordt getrokken, worden de voorportieren en de schuifdeur ontgrendeld.
De werking van het slot van de achterklep is identiek aan het centrale vergrendelingssysteem.
B150801P-GXT
(Bedrijfswagen)
(Indien aanwezig)
De bediening voor de centrale portiervergrendeling geschiedt d.m.v. de vergrendelingsknop van het bestuurdersportier. De vergrendeling wordt ingeschakeld door het indrukken van de knop. Als het voorportier bij het indrukken van de knop is geopend, wordt het portier bij het sluiten vergrendeld.
N.B.:
Door het indrukken van de vergrendelingsknop in het voorportier worden de voorportieren vergrendeld. Door de knop omhoog te treken worden de voorportieren ontgrendeld.
B160A02P-GXT
"VEILIGHEIDSSLOT" SCHUIFDEUR
(Minibus/Bestelbus)

Wanneer een schuifdeur wordt gesloten met de pal van het kinderslot ("child-protection") in de stand " 🔒", kunnen ze niet van binnen uit worden geopend.
De deur moet in dit geval vanaf de buitenzijde worden geopend.
Worden volwassenen meegenomen, dan dient de beveiligingspal in de stand
" " te worden gezet; in deze stand kan de deur weer van binnen uit worden geopend.
Kinderslotpal
o Wanneer een kind alleen in het voertuig achterblijft, zorg dan dat het contact is afgezet en dat de contactsleutel is verwijderd.
o Als een kind alleen op de tweede bank wordt meegenomen, maak dan gebruik van het kinderveiligheidssysteem.
B070A01A-GXT
(Minibus/Bestelbus) (Indien aanwezig)
Dit systeem is ontworpen om inbraak in de auto tegen te gaan. Dit systeem werkt in drie fases: de eerste is de "Armed" (ingeschakelde) fase, de tweede is de "Alarm" (alarm) fase en de derde is de "Disarmed" (uitgeschakelde) fase. Als het systeem wordt geactiveerd, klinkt een alarmsignaal en knipperen de richtingaanwijzers.
B070B010-GXT
Activeerfase

Parkeer de wagen en zet de motor af. Activeer de installatie zoals hieronder beschreven.
(1) Verwijder de contactsleutel uit het contactslot.
(2) Zorg ervoor dat de motorkap en de achterklep gesloten zijn.
(3) Vergrendel de portieren met behulp van de afstandsbediening van de centrale vergrendeling.
Nadat de bovenstaande handelingen correct zijn uitgevoerd knipperen de richtingaanwijzers eenmaal om aan te geven dat het systeem is ingeschakeld.
N.B.:
o Indien een portier, de achterklep of de motorkap geopend blijft, wordt het systeem niet geactiveerd.
o In dit geval moet de installatie opnieuw worden geactiveerd, zoals hierboven wordt beschreven.

LET OP:
Activeer de installatie niet als zich nog iemand in de wagen bevindt. Als dit wel geschiedt, zal het alarm afgaan als de betreffende persoon de wagen verlaat.
B070C01FC-GXT
Alarmfase

Het alarm gaat af indien zich bij geparkeerde wagen en geactiveerde installatie één van de volgende omstandigheden voordoet:
De alarmsirene wordt ingeschakeld en de richtingaanwijzers knipperen gedurende 27 seconden. Om het systeem uit te schakelen, moet een portier of de achterklep met de afstandsbediening worden ontgrendeld.

LET OP:
Probeer niet de motor te starten terwijl het systeem is geactiveerd.
(1) Een voor- of achterportier wordt geopend zonder gebruik te maken van de afstandsbediening.
(2) De achterklep kan zonder gebruik van de afstandsbediening worden geopend.
(3) De motorkap wordt geopend.
De installatie wordt gedeactiveerd als het bestuurders- of passagiersportier wordt ontgrendeld door de toets op de afstandsbediening in te drukken.
Na het uitvoeren van de bovenge- noemde handelingen knipperen de richtingaanwijzers tweemaal om aan te geven dat het systeem is uitgeschakeld.
N.B.:
o Nadat het systeem is uitgeschakeld, kan het alleen weer worden ingeschakeld door de inschakelprocedure opnieuw uit te voeren.
o Als het systeem is uitgeschakeld terwijl de "DR"-schakelaar van de interieurverlichting wordt ingedrukt, dan gaat de Interieurverlichting 30 seconden branden.

LET OP:
De alarminstallatie kan alleen met de afstandsbediening worden uitgeschakeld. Kan de installatie niet met de afstandsbediening worden uitgeschakeld, ga dan als volgt te werk:
- Ontgrendel het portier met de sleutel; hierdoor wordt het alarm geactiveerd.
- Steek de sleutel in het contactslot en draai de sleutel in de stand 'ON'.
- Wacht 30 seconden.
Nadat de bovenstaande handelingen zijn uitgevoerd, wordt de alarminstallatie uitgeschakeld.
B070F01A-GXT
Afstandsbediening
(Keyless Entry System)
Portieren vergrendelen
- Sluit alle portieren.
- Druk de toets op de afstandsbediening in.
- Nadat de portieren zijn vergrendeld, knipperen de richtingaanwijzers eenmaal, om aan te geven dat het systeem is ingeschakeld.
Portieren ontgrendelen
- Druk de toets op de afstandsbediening nogmaals in nadat alle portieren zijn vergrendeld.
- Nadat de portieren zijn ontgrendeld, knipperen de richtingaanwijzers tweemaal, om aan te geven dat het systeem is uitgeschakeld.
B070E02TB-GXT
Batterij vervangen
Als de batterij van de afstandsbediening zwak begint te worden, kan het nodig zijn om de toets verschillende malen in te drukken om de portieren te vergrendelen en te ontgrendelen - ook de LED brandt niet. Vervang de batterij zo snel mogelijk.
Batterijtype:
CR1220 (Minibus/Bestelbus)
CR2032 (Bedrijfswagen)
Vervangingsinstructies: (Minibus/Bestelbus)

- Verwijder de schroef met een (+) schroevendraaier.
- Haal de behuizing uit elkaar met een (-) schroevendraaier, zoals aangegeven in de afbeelding.

- Verwijder de vier schroeven aan de achterzijde van het ingebouwde circuit.

- Let op de plaats van de batterijpolen en verwijder de oude batterij uit de behuizing. Verzeker u ervan dat de nieuwe batterij dezelfde polariteit heeft (+ naar boven) en plaats deze vervolgens in de zender.
20
ACHTERKLEP
(Bedrijfswagen)

- Maak de huishelften met een platte schroevendraaier los zoals in de afbeelding is weergegeven.

- Verwijder de oude batterij uit het huis en noteer de polariteit. Controleer of de polariteit van de nieuwe batterij hetzelfde is (pluszijde omlaag) en breng hem in de afstandsbe-diening aan.
B190A01P-GXT
(Minibus/Bestelbus)
- Achterklep

Openen en sluiten via de buitenzijde van het voertuig.
Trek de handgreep naar u toe om de achterklep te openen.
B190B02P-GXT
Vanuit het Interieur van de auto (Bestelbus)

- Druk met een vinger in de uitsparing in de achterklep de pal omlaag om de achterklep te openen.

- Trek bij ontgrendelde achterklep aan het deksel van de achterklepontgrendeling.
Als de achterklep vergrendeld is

- Verwijder het afdekplaatje
- Trek met een vinger in de uitsparing in de achterklep de vergrendelingsstang (dunne stang) omhoog en druk de pal (dikke stang) omlaag om de achterklep te openen.
ACHTERKLEP
B190C01P-GXT
Openslaande achterdeuren (Bestelbus) (Indien aanwezig)
Binnenzijde

B190C01P-1
Voor het openen van buiten uit: beweeg de handgreep naar boven.
Buitenzijde

Voor het openen van buiten uit: beweeg de handgreep naar voren.

Trek de handgreep naar u toe om de linker deur te openen.
B191A01P-GXT
(Bedrijfswagen)
Om de achterklep te openen

- Druk het handel van de achterklep naar binnen en trek hem naar u toe.

- Laat de achterklep voorzichtig zakken.

Als de achterlichtunits niet zichtbaar zijn, dan moeten de medeweggebruikers worden gewaarschuwd m.b.v. een gevarendriehoek of met andere middelen.
Om de achterklep te sluiten
Til de achterklep omhoog en zorg ervoor dat het handel op zijn plaats zit.
B191001P-GXT
(Bedrijfswagen)
Om de zijklep te openen

- Trek bij een geopende achterklep aan de knop om de steunbalk omlaag te drukken.
N.B.:
Gebruik de voetsteun om op de laadvloer te stappen.
24
LOSMAKEN MOTORKAP

-
Trek de hefboom omhoog uit de haak.
-
Laat de zijklep langzaam zakken.
Om de zijklep te sluiten

- Til de zijklep omhoog en zorg ervoor dat het handel op zijn plaats zit.
B570A01F-GXT

- Trek aan de hendel van de motorkap (links voor) in de auto.

- Druk de knop omlaag om de zijklep te vergrendelen.

- Duw de veiligheids hendel opzij en til de motorkap op.
- Plaats de stang tegen de motorkap.
Voordat u de motorkap weer sluit moet u eerst de stang weer goed bevestigen. Houd de motorkap 30 cm open en laat hem dan dicht vallen, kijk goed of deze ook goed gesloten is.

LET OP:
Let erop dat de motorkapsteun vrij is voordat de motorkap wordt gesloten.
Controleer vóórdat u wegrijdt altijd of de motorkap goed gesloten is. Als dit niet het geval is kan de motorkap onder het rijden omhoogklappen, waardoor u het ultzicht verliest.
Ongeval gevaar!
Let er bij controles in de motorruimte op dat de motorkapsteun goed in het bevestigingspunt van de motorkap wordt aangebracht, zodat de motorkap niet kan vallen en u gewond kunt raken.
Rijdt niet in de wagen met de motorkap omhoog, omdat het zicht wordt belemmerd en de motorkap omlaag kan vallen of beschadigd raken.
B200A01P-GXT
(Minibus/Bestelbus)

De klep van de brandstofvulopening kan vanuit het interieur worden geopend door middel van het handel links op het dashboard.
AANDACHTSPUNTEN EN ELIZONDERHEDEN
26
N.B.:
Als het in verband met ijsvorming niet mogelijk is de klep te openen, tik dan voorzichtig op de klep of druk erop, zodat het ijs breekt en de klep vrijkomt. Ga hierbij voorzichtig te werk. Indlen nodig kan de naad van de klep ook met een ontdoolingsmiddel worden ingespoten (gebruikt geen antivries voor het koelsysteem) of zet de auto op een warme plaats, zodat het ijs smelt.
B200B01P-GXT
Tanken (Minibus/Bestelbus)
Tank uitluitend brandstof die geschikt is voor de motor van uw voertuig. Een uitzonderlijk laag octaangetal kan pingelen, dus voortijdige ontsteking, veroozaken hetgeen tot motorschade kan leiden.
Gebruik brandstof met het voor uw motor meest geschikte octaangetal.
B200C01H-GXT
Sleutel tankdop (Bedrijfswagen)

De tankdop kan voor het tanken worden geopend. Draai de sleutel naar de voorzijde van de auto om de tankdop te vergrendelen en naar de achterzijde om de tankdop te ontgrendelen. De tankdop bevindt zich aan de linkerzijde van de auto.

WAARSCHUWING:
Benzinedampen zijn gevaarlijk. Zet vóór het tanken altijd de motor af en blijf buiten bereik van open vuur of vonken. Voor het vervangen van de tankdop is het raadzaam uitsluitend een origineel Hyundai vervangingsonderdeel te gebruiken. Bij hoge temperaturen is het mogelijk dat bij het openen een sissend geluid hoorbaar is. Dit is normaal en duidt niet op een storing. Draai de tankdop altijd voorzichtig open.
PORTIERRUITEN
Draai aan de ruitslinger om de ruit te openen of te sluiten.

WAARSCHUWING:
Bij het openen en sluiten van ramen, zorg ervoor dat er geen armen of benen uitsteken.
B250A01P-GXT
ELEKTRISCHE RUITBEDIENING
(Indien aanwezig)

De ruiten kunnen elektrisch worden bediend wanneer de contactsleutel in de stand "ON" staat.
Met de hoofdschakelaars op de armsteun van de bestuurder kunnen de zijruiten aan de voorzijde worden bediend.
Door de betreffende schakelaar in te drukken worden de ruiten geopend. Als de schakelaar wordt losgelaten, blijft de ruit in die stand geopend. De ruit kan worden gesloten door de schakelaar aan de voorzijde omhoog te trekken.
Ruit met tiptoetsbediening (Bestuurderszijde)
De ruit met tiptoetsbediening wordt volledig geopend door de schakelaar in te drukken; de beweging wordt onderbroken als de schakelaar opnieuw wordt ingedrukt.

LET OP:
Bij het bedienen van de hoofschakelaar nooit tegelijkertijd een andere schakelaar indrukken, omdat het daarna niet meer mogelijk is de ruit te openen of te sluiten.

WAARSCHUWING:
o Let er bij het sluiten van de ruit op dat geen verwondingen aan armen of handen kunnen ontstaan (kinderen!).
o Als kinderen in de wagen achterblijven, verwijder dan de contactsleutel.
B210A01P-GXT
ZIJRUIT, ACHTER
Uitklapbare ruit (Minibus)

Openen
De hefboom volledig in de richting van de pijl trekken. Druk op het midden van de hefboom om de ruit in geopende stand te houden.
Sluiten
Het midden van de hefboom naar u toe trekken. Vergrendel de hefboom na het sluiten van de ruit.
B220A01P-GXT
Schuif de ruit geheel dicht totdat deze automatisch wordt vergrendeld.
ZITTINGEN
De stoel niet verstellen tijdens het rijden. Hierdoor kunt u de macht over het stuur verlezen.
B080802A-AXT
Stoel voorwaarts en achterwaarts verstellen

Om de stoel naar voren of naar achteren te verstellen, dient men de stoelvergrendelingshendel naar boven te trekken. Dit laat de stoel los van zijn stoelvergrendeling zodat hij naar voren of achteren in de gewenste positie versteld kan worden.
Wanneer de gewenste positie gevonden is, laat dan de hendel los en schuif de stoel voorwaarts of achterwaarts totdat hij vast in de vergrendeling zit en niet verder geschoven kan worden.
B050C01A-AXT
Rugleuning verstellen

Trek de ontgrendelingsknop omhoog en zet de rugleuning in de gewenste stand. Derugleuning wordt vergrendeld door de knop los te laten.

WAARSCHUWING:
Om het risico van persoonlijk letsel bij een ongeval of plotseling afremmen tot een minimum te beperken, moeten de rugleuningen van de stoelen van zowel de bestuurder als de pasaagler altijd in een zo recht mogelijke stand staan wanneer met de auto wordt gereden. De bescherming die de veiligheidsgordels bieden wordt aanzienlijk beperkt als de rugleuningschuin achterover staat; het risico dat de bestuurder of passagier in dat geval onder de gordel doorschulft is groter, waardoor emstig letsel kan ontstaan.
B260A01P-GXT
Lendesteunverstelling (Alleen chauffeursstoel) (Indien aanwezig)


Draai de knop rechtsom voor extra ondersteuning en linksom voor minder ondersteuning.
- Minimum ondersteuning
- Maximum ondersteuning
B080F01S-AXT
Hoogte van voorstoel verstellen (Alleen bestuurdersstoel) (Indien aanwezig)

Voor het verstellen van de zittinghoogte moet de draaiknop in de gewenste richting worden gedraaid.
Trek het handel omhoog en beweeg de bank naar voren of achteren tot de gewenste stand is bereikt. Laat het handel vervolgens los om de bank in deze stand te vergrendelen.
B290B02P-GXT
Draalen (Indien aanwezig)

- Plaats de bestuurdersstoel zo ver mogelijk naar voren.
- Trek aan de hendel voor de rugleuningverstelling en klap de rugleuning van de voorstoel naar voren.
- Klap de extra stoel in. (Zie pagina 1-34)
- Trek aan de hendel (a) en zet de stoel zo ver mogelijk naar achteren.
- Trek aan de hendel (b) en zet de rugleuning naar voren.
-
Draai de stoel rechtsom.
-
Nadat de stoel 90° of 180° is gedraaid, kan de stoel worden geborgd.
- Zet de rugleuning of zitting in de gewenste stand.
- Voer bovenstaande procedure in omgekeerde volgorde uit om de stoel in de oorspronkelijke stand te zetten.
B290C03P-GXT

Trek aan het handel en draai de stoel rechtsom.

WAARSCHUWING:
o Draai de stoel nooit onder het rilden.
o Controleer of de stoel na het verdraaien correct vergrendeld is.
o Zorg ervoor dat de stoel tijdens het rijden naar voren is gekeerd. Als de stoel niet naar voren is gericht, kan ernstig letsel ontstaan bij een noodstop.
- Druk de hefbom geheel naar achteren en kantel de rugleuning naar voren.

- Trek de hefboom omhoog in de richting van de pijl en til vervolgens de zitting omhoog, totdat deze is vergrendeld.
B310A01P-GXT
Derde bank inklappen (Minibus)

Plaats, om beschadigingen te voorkomen, het veiligheidsgordelslot in het zakje voordat de rugleuning wordt omgeklapt.

- Druk de hefboom in en plaats de zitting op de vloer om de bank weer in de normale stand te zetten.

- Druk de hefboom geheel naa achteren en zet de rugleuning rustig in de oorspronkelijke stand.

LET OP:
o Om de bank in de oorspronkelijke stand te zetten: klap de bankpoot uit, verwijder de bevestigingsband en laat de bank langzaam zakken.
o Als de rugleuning weer omhoog wordt geklapt, moet worden gecontroleerd of hij vergrendeld is door hem aan de bovenzijde te bewegen.

WAARSCHUWING:
o De stoel niet verstellen tijdens het rijden. Hierdoor kunt u de macht over het stuur verliezen.
o Werk voorzichtig en zorg ervoor dat geen handen of voeten onder de zitting bekneld raken als de bank in de juiste stand wordt gezet.
B340A02P-GXT
EXTRA STOEL (Indien aanwezig)
Extra stoel uitklappen

- Trek aan de ontgrendelknop en klap de rugleuning naar voren.

Trek aan de hendel om de rugleuning van de extra stoel omhoog te zetten en plaats de rugleuning naar achteren, totdat deze geborgd is.

LET OP:
Voorkom dat de rugleuning onder het rijden horizontaal staat.

WAARSCHUWING:
Ga voorzichtig te work zodat bij het verstellen van de stoel geen hand of voet beklemd raakt.
B350A02P-GXT
EEN VLAK BED MAKEN
(Indien gemonteerd)

- Verwijder de hoofdsteunen.

- Plaats de tweede rij zitplaatsen zo ver mogelijk naar voren en de derde rij zo ver mogelijk naar achteren (voor 9 passagiers).

-
Plaats de rugleuning zo ver mogelijk naar achteren, zodat een vlak bed ontstaat.
-
Vlak bed.

LET OP:
o Om een vlak bed te maken moet de auto op een veilige plaats worden neergezet.
o Loop niet over rugleuningen als ze vlak zijn neergelegd. Stap alleen op het midden van de zittingen, zodat u niet uitglijdt en loop voorzichtig.
o Probeer de leuning heen en weer te bewegen, om te controleren of de rugleuningen correct zijn vergrendeld.
o Spring niet op de rugleuningen en belast ze niet te zwaar.
o Rijd nooit met de auto als zich voorwerpen of passagiers op het vlakke bed bevinden. Dit is zeer gevaarlijk bij krachtig afremmen.
- Om de rugleuning terug te kantelen: neem plaats op de zitting, druk met een hand op de rugleuning en laat deze langzaam omhoog komen. Laat deze handelingen niet door kinderen uitvoeren, teneinde letsel te voorkomen.
B0B0002JM-AXT
Verstelbare hoofdsteunen

Hoofdsteunen zijn ontworpen om de kans op nekletsel te verminderen. Trek de hoofdsteun naar boven om hem hoger te stellen. Druk de knop in en de hoofdsteun naar beneden om hem lager te stellen. Voor het verwijderen van de hoofdsteun moet de knop worden ingedrukt en de hoofdsteun naar boven worden getrokken.
WAARSCHUWING:
- Om de optimale bescherming te kunnen bieden bij een aanrijding moet het midden van de hoofdsteun op gelijke hoogte met de ogen van de inzittende worden ingesteld. Om veiligheidsredenen wordt het gebruik van een kussen tussen de rugleuning en de rug van de inzittende afgeraden.

o Omwille van de veiligheid is het niet aan te bevelen met verwijderde hoofdsteunen te rijden.
o Verstel de hoofdsteun niet tijdens het rijden.
B0B1D01P-GXT
Naar voren en achteren kantelen

De hoofdsteun kan in elke stand naar voren worden gekanteld door de hoofdsteun naar voren te trekken. Trek, om de hoofdsteun in de achterste stand te zetten, de hoofdsteun zo ver mogelijk naar voren en laat de hoofdsteun los. Stel de hoofdsteun zo in dat het hoofd en de nek op de juiste wijze worden gesteund.
B330B01P-GXT
Hoofdsteun verwijderen
Trek de hoofdsteun omhoog terwijl u de vergrendelknop in de richting van de pijl indrukt. Let er bij het aanbrengen van de hoofdsteun op dat hij in de goede richting wijst, steek hem vervolgens in de rugleuning en druk hem naar beneden tot de vergrendeling aangrijpt.
Controleer of de vergrendelknoppen in de juiste stand staan, zoals getoond in de afbeelding, en controleer of de hoofdsteun wordt vergrendeld wanneer u hem omhoog trekt.

WAARSCHUWING:
Rijden zonder hoofdsteunen levert extra letselgevaar op.
B270A01P-GXT
STOELVERWARMING
(Alleen chauffeursstoel) (Minibus) (Indien aanwezig)

De stoelverwarming dient voor het verwarmen van de voorstoelen in het koude jaargetijde. Met de contactsleutel in de stand "ON", wordt de stoelverwarming ingeschakeld door het indrukken van de schakelaar. Houd de schakelaar in de "OFF" stand bij warmer weer of als geen stoelverwarming nodig is.
VEILIGHEIDSGORDELS
B540A03P-GXT
TASHAAK OP RUGLEUNING

De tashaken zijn gemonteerd op de rugleuning van de derde bank en dienen om bijvoorbeeld een boodschappentas aan te hangen.

LET OP:
Hang geen tas van meer dan 3 kg op. Hierdoor kan de tashaak beschadigen.
B080G01FC-GXT
OPBERGLADE STOEL
(Indien gemonteerd)

De lade bevindt zich onder de voorste passagiersstoel. Hij kan worden geopend door hem op te tillen en naar voren te trekken.

WAARSCHUWING:
Om verwondingen bij een aanrijding of plotselinge remmanoeuvres te voorkomen, moet de lade tijdens het rijden gesloten blijven.
B360A01P-GXT
Teneinde uzelf en uw passagiers bescherming te bieden bij een ongeval, dienen de veiligheidsgordels tijdens het rijden op correcte wijze te worden gedragen.

WAARSCHUWING:
o Een veiligheeldsgordel mag slechts door een persoon worden gebruikt. Het is bijzonder gevaarlijk als meerdere personen gebruik maken van een gordel.
o Kinderen moeten worden vervoerd op de tweede en derde rij zitplaatsen en moeten gebruik maken van heupgordels. Een klein kind moet vervoerd worden in een kinderzitje.
De regelgeving voor het rijden met kinderen op de voorste zitplaatsen is afhankelijk van het land. Houd u altijd aan de lokale wetgeving.
o De omgelegde veiligheidsgordel mag nooit gedraaid zitten.
o Controleer de riemen op
insnijdingen, slijtage of gerafelde
stof en controleer of er vervormde
metalen delen aanwezig zijn.
Vervang een defecte gordel.
o Een vuile gordel moet worden gereinigd in warm water met een neutraal schoonmaakmiddel. Spoel vervolgens met water en laat drogen in de schaduw. Bleek of verf de gordels niet, omdat dit van invloed is op de specificaties.
o Gordels die tijdens een ongeval waren omgelegd, mogen niet opnieuw worden gebruikt, ook als ze ogenschijnlijk onbeschadigd zijn. Gordels kunnen slechts eenmaal de gevolgen van een ongeval verwerken. Zorg ervoor dat de gordel en de bevestigingsbouten door nieuwe worden vervangen.
o Stel de veiligheidsgordel van de bestuurder nooit af als met de auto wordt gereden.
o Om technische redenen mogen de tweede en derde rij zitplaatsen niet tot een bed worden omgebouwd bij een rijdende auto.
o Om u en uw passagiers te beschermen tijdens een ongeval is het zeer belangrijk dat tijdens de rit de gordels op de julste wijze zijn omgelegd.
o De veiligheidsgordel levert de maximale beveiliging voor de inzittende als de rugleuning zo verticaal mogelijk staat.
Als de rugleuning schuin naar achteren staat, dan is er een grotere kans dat de passagler, vooral bij een frontale botsing, onder de gordel uitglijdt en gewond raakt door de gordel of omdat het dashboard of de rugleuningen worden geraakt.
B170A04A-AXT
IN HOOGTE VERSTELBARE VEILIGHEIDSGORDELS, VOOR (Indien aanwezig)

U kunt de hoogte van de schoudergordel-verankering in een van de vier posities instellen.
Als de hoogte te dicht bij de hals is ingesteld, heeft u niet de optimale bescherming. Het schoudergedeelte moet zodanig worden ingesteld dat hij over de borst loopt en over de schouder, dichter bij het portier dan bij de hals. Verplaats de verankering van de veiligheidsgordel naar boven of naar beneden om de hoogte in de gewenste stand af te stellen. Trek de verankering omhoog om hem hoger in te stellen.
AANDACHTSPUNTEN EN ELIZONDERHEDEN
40
Drukhem naar beneden met ingedrukte hoogte-instelknop om de verankering te verlagen.
Laat de knop los om de verankering te vergrendelen. Probeer de knop te verplaatsen om te controleren of hij goed is vergrendeld.

WAARSCHUWING:
o Het verstelmechanisme moet tijdens het rijden zijn vergrendeld.
o Een onjuiste afstelling van de schouderhoogte van de veiligheidsgordel kan er toe leiden dat de gordel niet optimaal functioneert bij een aanrijding.
B180A02A-GXT
3-puntsgordel aan bestuurders- en passagierszijde met blokkering
Gordel vastmaken

Trek de gordel uit de oprolautomaat en plaats de metalen plaat in het slot om de gordel vast te maken. Er is een hoorbare "klik" waarneembaar als de plaat in het slot vergrendelt. De gordel neemt alleen automatisch de juiste lengte aan als het heupgordelgedeelte handmatig zo is afgesteld dat het zo dicht mogelijk tegen de heupen aanligt. Als u rustig en gelijkmatig naar voren beweegt, dan wordt de riem langer en kunt u zich bewegen. Bij een plotselinge beweging of botsing blokkeert de riem. De gordel blokkeert ook als u zich te snel naar voren beweegt.
SBC00P1-FX
3-PUNTS
VEILIGHEIDSGORDEL
Gordel omgespen

Trek de gordel gelijkmatig uit het oprolmechanisme en steek de slottong in het slot. De slottong moet hoorbaar aangrijpen.
De lengte van de veiligheidsgordel past zich automatisch aan de zitpositie aan. Het oprolmechanisme blokkeert de veiligheidsgordel bij een noodstop of een aanrijding, maar ook bij abrupte bewegingen naar voren.
Gordel vastmaken. Controleer of de gordel goed is vergrendeld en niet is verdraaid.
B200A01S-GXT
Gordel verstellen

Het heupgedeelte van de gordel moet zo laag mogelijk over de heupen liggen, niet op de bulk. Als de gordel te hoog zit, bestaat de kans dat u bij een aanrijding of noodstop onder de gordel doorschuift, met alle gevolgen vandien. De schoudergordel moet over de schouder liggen en niet onder de oksel; zie de afbeelding.
Draag de veiligheidsgordel nooit onder de arm.
ZB09DV1-AX Het losmaken van de veiligheidsgordel

De veiligheidsgordel wordt ontgrendeld door de knop in het slot in te drukken. De gordel wordt dan door het oprolmechanisme opgerold. Is dit niet het geval, dan moet worden gecontroleerd of de gordel niet is verdraaid.
B370D01P-GXT
Heupgordels
(Oprolmechanisme zonder gordelspanner)
(Indien aanwezig)

Dit type veiligheidsgordel is voorzien van een oprolmechanisme zonder gordelspanner.
Trek de gordel aan de slottong geheel naar buiten en steek de slottong in het gordelslot.
Trek de gordel aan zodat hij tegen het lichaam aanligt en in het oprolmechanisme wordt teruggetrokken. Druk de ontgrendelknop in om de gordel los te maken, trek iets aan de slottong en het oprolmechanisme zal de gordel automatisch oprollen.
B370E01P-GXT
Heupgordels van de tweede, derde en vierde banken (Indien aanwezig)

Dit type gordel moet worden afgesteld door de gesp met de ene hand vast te houden en de riem met de andere hand door de gesp te trekken tot hij op de juiste lengte is afgesteld. Steek de gesp in het slot; de gordel moet hierbij goed strak om het lichaam van de drager zitten zonder te klemmen.
B180001X-GXT
GORDELSPANNER (Indien gemonteerd)

Normaal gespoken werkt de gordelspanner op dezelfde wijze als de ELR (Emergency Locking Retractor). (Wanneer de auto plotseling wordt afgeremd, blokkeert de gordel. De gordel blokkeert ook als te snel naar voren wordt bewogen.)
Echter, bij een aanrijding zal de gordelspanner de gordel terugtrekken. Hierdoor wordt de beweging van de inzittende en de ruimte tussen de inzittende en de gordel verminderd.
N.B.:
o Wanneer de gordelspanner wordt geactiveerd kan een knal hoorbaar zijn. Dlt is een normaal verschijnsel en is niet gevaarlijk. o De gordelspanners treden alleen in werking wanneer de ernst van de aanrijding een bepaalde grens overschrijdt. Ze kunnen slechts één keer in werking treden.

WAARSCHUWING:
Als de gordelspanner in werking is getreden mag nooit worden getracht deze zelf te vervangen. De gordelspanners moeten worden vervangen door een officiële Hyundai Dealer.
VEILIGHEIDSSYSTEEM VOOR KINDEREN
B230ADGP-GXT
(Minibus/Bestelbus)
Kinderen moeten in de auto altijd op de achterbank in een veiligheidssysteem worden meegenomen, zodat de kans op verwondingen bij een aanrijding, plotseling afremmen of plotselinge manoeuvres wordt beperkt. Volgens ongevalstatistieken zijn kinderen veiliger als ze op de juiste wijze in een veiligheidsvoorziening op de achterbank dan op de voorstoel worden meegenomen. Grotere kinderen moeten een van de aanwezige veiligheidsgordels gebruiken.
Volgens de wet moet voor kinderen een veiligheidssysteem voor kinderen worden gebruikt. Kleine kinderen moeten in de auto in een veiligheidssysteem (kinderzitje) worden meegenomen.
Kinderen kunnen bij een aanrijding gewond raken als hun veiligheidssysteem niet correct is bevestigd. Voor kleine kinderen en baby's moet een kinderzitje of babyzitje worden gebruikt. Voordat een bepaald veiligheidssysteem voor kinderen wordt aangeschaft, moet worden
gecontroleerd of het systeem voor uw auto en de veiligheidsgordels geschikt is en passend is voor uw kind. Volg bij het installeren van het veiligheidssysteem voor kinderen alle instructies die door de fabrikant van het systeem worden gegeven.

WAARSCHUWING:
o Een veiligheidssysteem voor kinderen moet op de achterbank worden bevestigd. Een kinder- of babystoeltje mag nooit op de voorstoel worden bevestigd. Als bij de een aanrijding de zij- airbag aan passagierszijde in werking treedt, kan het kind of de baby in het kinder- of babystoeltje levensgevaarlijk gewond raken. Gebruik daarom een veiligheidssysteem voor kinderen alleen op de achterbank.
o Omdat een veiligheidsgordel of een veiligheidssysteem voor kinderen in een afgesloten stillstaande auto zeer warm kan worden, moeten de stoelhoes en de gordelsloten worden gecontroleerd, voordat het kind in de auto wordt geplaatst.
o Wanneer het kinderzitje niet wordt gebruikt moet het met de veiligheidsgordel worden vastgezet zodat het niet bij een ongeval of noodstop naar voren wordt geslingerd.
o Kinderen die te groot zijn voor het veiligheidssysteem voor kinderen, moeten op de achterbank in de aanwezige gordel zitten.
o Let erop dat schoudergedeelte van de buitenste driepuntsgordel in het midden van de schouder ligt, nooit tegen de nek. Door het kind dichter bij het midden van de
het
bank te plaatsen, kan een betere aanligging van de gordel worden verkregen. Het heupgedeelte van de driepuntsgordel of de middelste heupgordel moet zo laag mogelijk op de heup van het kind en zo prettig mogelijk aanliggen.
o Als de veiligheidsgordel niet volledig passend is voor het kind, moet een goedgekeurde zitblok op de achterbank worden gebruikt, zodat de zithoogte van het kind wordt aangepast aan de aanwezige veiligheidsgordel.
o Laat nooit een kind op de zitting staan of knielen.
o Gebruik nooit een babydrager of kinderzitje dat over de rugleuning "haakt"; het kan bij een aanrijding onvoldoende bescherming geven.
o Laat onder het rijden een inzittende nooit een kind in de armen houden; hierdoor kan het kind bij een aanrijding of een sterke afremming ernstig gewond raken. Het vasthouden van een kind tijdens het rijden biedt geen enkele vorm van bescherming, zelfs niet als de betreffende persoon de veiligheidsgordel heeft omgegespt.
o Wanneer het kinderzitje niet correct is bevestigd, neemt de kans op ernstige of dodelijk letsel bij een ongeval sterk toe.
B230F01A-AXT
Op middelste plaats op achterbank aanbrengen

Gebruik de middelste veiligheidsgordel om het veiligheidssysteem voor kinderen, zoals afgebeeld, te
bevestigen. Probeer na het aanbrengen het kinderzitje voor- en achteruit en zijdelings te bewegen om te controleren of het goed door de gordel wordt vastgehouden.
Als het zitje kan worden bewogen moet de lengte van de veiligheidsgordel worden gewijzigd. Haak vervolgens de haak van de bevestigingsband in de bevestiging en zet het zitje vast. Raadpleeg altijd de aanwijzingen van de fabrikant voordat het veiligheidssysteem voor kinderen in uw auto wordt aangebracht. In midden van achterbank
B230G01A-AXT
Op buitenste plaats van achterbank aanbrengen

Trek de driepuntsgordel uit het oprolmechanisme om het kinderzitje op de buitenste plaats van de achterbank aan te kunnen brengen. Breng het kinderzitje aan, sluit de veiligheidsgordel en trek de gordel strak. Let erop dat de heupgordel strak om het kinderzitje zit en dat de schoudergordel zodanig is aangebracht dat deze niet tegen het hoofd of de nek van het kind kan komen. Tracht het kinderzitje na het aanbrengen in alle richtingen te bewegen, om te controleren of het zitje veilig is bevestigd.
Als de gordel strakker moet worden getrokken, trek dan de gordel naar het oprolmechanisme. Wanneer de veiligheidsgordel wordt losgemaakt en kan oprollen, zal het oprolmechanisme de veiligheidsgordel automatisch weer in de stand voor gebruik door een normaal zittende passagier brengen.
N.B.:
o Raadpleeg de aanwijzingen van de fabrikant voordat het veiligheidssysteem voor kinderen in de auto wordt aangebracht.
o Als de veiligheidsgordel niet overeenkomstig de beschrijving werkt, moet het systeem direct door uw Hyundai dealer worden gecontroleerd.

WAARSCHUWING:
Bevestig geen veiligheidssysteem voor kinderen op de voorstoel. Als bij een aanrijding de zij-airbag aan passagierszijde in werking treedt, kan het kind of de baby in het kinder- of babystoeltje levensgevaarlijk gewond raken. Gebruik daarom een veiligheidssysteem voor kinderen alleen op de achterbank.
Minibus
| Leeftijdsgroep | Zitpositie (voor 7-persons Minibus) | ||||
| Voorsagsagier | Twanda zijnLinkverstoal | Twanda zijnRechterstoal | Dorzoezijt Zijvant | Dorzoezijt Midson | |
| 9 : Tox 10 kg(6 - 9 maanden) | X | U | U | X | UF |
| 34 : Tox 15 kg(6 - 2 aan) | X | U | U | X | UF |
| 1 : 9 kg tot 18 kg(6 maanden- 6 jaar) | X | U | U | X | UF |
| II & III : 15 kg tot 35 kg(4 - 12 aan) | UF | UF | UF | X | UF |
Bestelbus
| Leeftijdsgroep | Zitpositie(Voor 3-persoons Bestelbus) | |
| Voortpassager zijkant | Voortpassager midden | |
| 0 : Tot 10 kg[0 - 9 maandeni] | X | X |
| 0e : Tot 15 kg[0 - 2 jaar] | X | X |
| 1 - 5 kg tot 18 kg[9 maanden-4 jaar] | X | X |
| II & III - 15 kgix: 36 kg[4 - 12 jaar] | X | X |
B230H03P-GXT
Geschiktheid van veiligheidssysteem voor kinderen voor zitplaatsen
Gebruik een veiligheidssysteem voor kinderen dat officieel is goedgekeurd en dat voor uw kinderen geschikt is. Raadpleeg de volgende tabel bij het gebruik van kinderstoelen.
| Leeftijd-sgroep | Zitpositie (voor 9-persoons Minibus) | ||||||
| Voopassagier | Tweede zijn | Derde zijn | |||||
| Zijart | Midden | Linker-strol | Middon | Ringsel-2501 | Midden | - | |
| 9 : Tot 10 kg(6 - 8 maanden) | X | X | U | UF | X | X | UF |
| 91 : Tot 13 kg(6 - 2 aan) | X | X | U | UF | X | X | UF |
| 1 : 9 kg tot 18 kgβe maanden-4 (pa) | X | X | U | UF | X | X | UF |
| II & III : 15 kg tot 35 kg(4 - 12 aan) | X | X | UF | UF | X | X | UF |
| Leeftijdsgroep | Zitpositie(Voor 6-persoons Bestelbus) | |||
| Voorpassagerzijkant | Voorpassagermidson | Tweede zijtZijkant | Tweede zijtMiddon | |
| 0 : Tot 10 kg[0 - 9 maandan] | X | X | UF | X |
| 01 : Tot 19 kg[0 - 2 jaar] | X | X | UF | X |
| 1 - 6 kg tot 18 kg[9 maanden-4 jaar] | X | X | UF | X |
| II & III : 15 kgkr. 56 kg[0 - 12 jaar] | X | X | UF | X |
Bedrijfswagen
| Leeftijdsgroep | Zitpositie (Voor Bedrijfswagen) | |
| Voopassagier zijkant | Voopassagier midden | |
| 0 : Tot 10 kg(0 - 9 maanden) | X | X |
| 0 : Tot 13 kg(0 - 2 jaar) | X | X |
| 1 : 9 kg tot 18 kg(9 maanden-4 jaar) | X | UF |
| II à II : 15 kg tot 26 kg(4 - 12 jaar) | X | UF |
U : Geschikt voor "universele" categorie veiligheidssystemen goedgekeurd voor gebruik in deze gewichtsklasse
UF: Geschikt voor in voorwaartse richting geplaatste "universele" categorie veiligheidssystemen goedgekeurd voor gebruik in deze gewichtsklasse
X : Zitplaats niet geschikt voor kinderen in deze gewichtsklasse Op buitenste zitplaatsen, achter
B600A01A-AXT
(Indlen aanwezig)

Stuurkolom afstellen:
- Druk de hefboom omlaag om de stuurkolom te ontgrendelen.
- Zet de stuurkolom in de gewenste stand.
- Trek de hefboom na het verstellen omhoog en let erop dat hij is vergrendeld.

WAARSCHUWING:
Stel de stuurkolom niet tijdens het rijden af. U kunt de controle over de auto verliezen en een aanrijding veroorzaken.
B240A01F-GXT
(Indlen aanwezig)
Airbageenheid voor bestuurderszijde

Uw Hyundai is uitgerust met een airbagsysteem. Dit is herkenbaar aan het opschrift "SRS Air Bag" op de afdekking van de airbag in het stuurwiel en de afdekking boven het dashboardkastje aan passagierszijde.
De airbags zijn aangebracht onder de afdekking van het stootvlak in het stuurwiel en de afdekking boven het dashboardkastje aan passagierszijde.
De airbag zorgt ervoor dat de bestuurder en/of de voorpassagier bij een frontale aanrijding meer bescherming wordt geboden dan alleen met behulp van de veiligheidsgordels mogelijk is.
N.B.:
Lees de informatie t.a.v. de airbag op de stickers aan de achterzijde van de zonneklep en in het dashboardkastje.

WAARSCHUWING:
o De airbag is bedoeld als aanvulling op de driepuntsgordels van de bestuurder en de voorpassagler en niet als een vervanging hiervoor. Daarom moet tijdens het rijden te allen tijde de veiligheidsgordel worden gedragen. De airbag treedt alleen in werking bij een frontale aanrijding met een dusdanige snelheid dat de kans op verwondingen groot is.
- De airbags treden alleen in werking bij een aanrijding onder een hoek die kleiner is dan 30°, gezien vanaf de lengte-as van de auto. De airbags treden niet in werking bij een aanrijding van opzij, van achteren of bij het over de kop slaan van de auto. - Voor een maximale veiligheid bij alle typen aanrijdingen moeten alle inzittenden, inclusief de bestuurder, altijd de veiligheidsgordel dragen. Dit geldt ook indien hun zitplaats is voorzien van een airbag.
B240B02A-AXT
Componenten en werking van airbagsysteem

Het airbagsysteem bestaat uit de volgende componenten:
- Airbageenheid voor bestuurderszijde
-Airbageenheid voor passagierszijde - SRS onderhoudsindicatie (SRI)
- SRS airbagmoduul (SRSCM)
Het airbagmoduul controleert bij aangezet contact continu alle omstandigheden om te bepalen of een frontale aanrijding of een aanrijding onder een hoek ernstig genoeg is om de airbag in werking te laten treden.

De SRS service-indicatie (SRI) op het instrumentenpaneel gaat gedurende ongeveer 6 seconden knipperen nadat het contactslot in de stand "ON" is gezet of nadat de motor is gestart. De indicatie moet vervolgens doven.

De airbageenheden bevinden zich in het midden van het stuurwiel en achter de afdekking boven het dashboardkastje aan passagierszijde. Als het airbagmoduul een frontale aanrijding van een bepaalde kracht registreert, worden de airbags automatisch geactiveerd.
Bij het in werking treden doorbreekt de airbag de breukpunten in het stootvlak van het stuurwiel, hierna wordt het stootvlak geheel geopend en wordt de airbag volledig opgeblazen.
Een volledig opgeblazen airbag in combinatie met een correct gedragen veiligheidsgordel zal de voorwaartse beweging van de bestuurder of de voorpassagier dempen, waardoor de kans op verwondingen aan het hoofd of het bovenlichaam wordt verminderd.
Nadat de airbag is opgeblazen, zal hij onmiddellijk weer beginnen met leeglopen, zodat de bestuurder weer naar voren kan kijken en de wagen kan besturen.

LET OP:
Een flacon luchtverfrisser mag in de auto niet dichtbij het instrumentenpaneel of op het dashboard worden geplaatst. Door eventuele lekkage van de luchtverfrisser op deze delen (instrumentenpaneel, dashboard of aanjager) kunnen ze worden beschadigd. Als de vloeistof van de luchtverfrisser op deze delen komt moeten ze direct met water worden gereinigd.


WAARSCHUWING:
o Het in werking treden van de airbag gaat gepaard met een luide knal, terwijl eveneens enige rook vrijkomt. Dit is normaal en is niet gevaarlijk. De rook die bij het in werking treden van de airbag vrijkomt kan echter huidirritatie veroorzaken. Na een aanrijding waarbij de airbag in werking is getreden, moeten de handen en het gezicht grondig met lauwwarm water en een milde zeep worden gewassen.
o Het SRS kan alleen worden gebruikt als het contactslot op "ON" staat. Als de SRS SRI niet gaat branden of blijft branden na de ongeveer 6 seconden die volgen op het Inschakelen van het contactslot ("ON") of het starten van de motor of gaat branden tijdens de rit, dan werkt het SRS niet op de julste wilje. Als dit gebeurt, laat dan de auto onmiddellijk door een Hyundai dealer controleren.
o Alvorens een zekering te vervangen of een accukabel los te maken, moet de contactsleutel in de stand "LOCK" worden gedraaid of worden verwijderd. Vervang nooit zekering nummer 12 als de contactsleutel in de stand "ON" staat. Als deze waarschuwing niet wordt opgevolgd, gaat de onderhoudsindicatie branden.
B240C01HP-GXT
Onderhoud van het airbagsysteem
Het airbagsysteem is praktisch onderhoudsvrij; het is niet toegestaan zelf werkzaamheden eraan uit te voeren. Het gehele airbagsysteem moet 10 jaar na de produktiedatum van de auto door een officiële Hyundai dealer worden gecontroleerd.
Alle werkzaamheden aan het airbagsysteem, zoals het verwijderen, aanbrengen, repareren of werkzaamheden aan het stuurwiel moeten worden uitgevoerd door een gekwalificeerde Hyundai monteur. Onvakkundig uitgevoerde werkzaamheden aan het airbagsysteem kunnen ernstig persoonlijk letsel tot gevolg hebben.

B240C02L

WAARSCHUWING:
Als wijzigingen worden uitgevoerd aan de diverse componenten en de bedrading van het airbagsystem, inclusief het aanbrengen van voorwerpen op het stootvlak van het stuurwiel of wijzigingen worden uitgevoerd aan het stuurwiel, kan de werking van het airbagsysteem worden beïnvloed en persoonlijk letsel tot gevolg hebben.
o Het stootvlak kan worden gereinigd met een zachte, droge doek of een doek die vochtig is gemaakt met water zonder enige toevoeging. Oplosmiddelen of reinigingsmiddelen kunnen een negatief effect hebben op het stootvlak van het stuurwiel alsmede op de goede werking van systeem.
o Er mogen geen voorwerpen over of bij de airbageenheden op het stuurwiel, het instrumentenpaneel of de afdekking boven het dashboardkastje aan passagierszijde worden geplaatst, omdat een dergelijk voorwerp letsel kan verooraken bij een aanrlijding die erntig genoeg is om de airbags in werking te laten treden.
o Als de airbag in werking is getreden, moet deze worden vervangen door een officiële Hyundai dealer.
o Aan de diverse componenten en aan de bedrading van het airbagsysteem mogen geen werkzaamheden worden uitgevoerd, terwijl deze ook niet mogen worden losgemaakt. Als dit wel gebeurt, kan dit persoonlijk letsel tot gevolg hebben omdat de airbag abusievelijk in werking kan treden of niet in werking kan treden.
o Op de rechter voorstoel mag geen veiligheidssysteem voor kinderen worden gemonteerd. Op de voorstoel mag nooit een kinderstoeltje worden geplaatst. Het kind kan letsel oplopen als de airbag bij een aanrijding wordt geactiveerd.
- Als componenten van het airbagsysteem tot schroot worden verwerkt, of als de wagen tot schroot wordt verwerkt, moeten bepaalde veiligheidsvoor-schriften worden opgevolgd.
Uw Hyundai dealer is met deze veiligheidsvoorschriften bekend en kan u de noodzakelijke Informatie verstrekken. Als deze voorschriften en procedures niet worden opgevolgd, kan dit persoonlijk letsel tot gevolg hebben.
o Voer geen werkzaamheden uit aan de kabels van het SRS of andere componenten van het SRS en maak de kabels/componenten niet los. Hierdoor kunnen verwondingen ontstaan door het per ongeluk opblazen van de airbags of door het niet werken van de airbags tijdens een botsing.
- De bumper of delen van de bumper alleen vervangen door originele Hyundai-onderdelen. Anders kan dit de werking van het SRS-systeem negatief beïnvloeden en tot letsel leiden.
INSTRUMENTEN & BEDIENINGSORGANEN
Instrumentenpaneel en controlelampen 2-2
Indicator en waarschuwingslamp 2-8
Instrumentenpaneel 2-12
Kilometerteller/dagteller 2-14
Multischakelaar verlichting 2-16
Wis-/wasschakelaar voorruit 2-17
Koplampafstelling 2-20
Licht instelling dashboard 2-21
Toerentalregelknop 2-21
Waarschuwingslamp in voorportier 2-21
Mistlampen 2-22
Ruiten voor/achter ontdooi-schakelaar 2-23
Interieurverlichting 2-25
Schuifdak 2-27
Buitenspigel 2-30
Bekerhouder 2-32
Asbak voor 2-33
Digitale klok 2-34
Claxon 2-34
Bediening verwarming en koeling 2-35
Schakelaar verwarming achtercompartiment ...... 2-42
Airconditioning tegen dak.... 2-44
Luchtfilter 2-44
Stereo geluidsinstallatie 2-46
Antenne 2-51
2 INSTRUMENTEN & BEDIENINGSORGANEN
2 INSTRUMENTENPANEEL EN CONTROLELAMPEN
C130A05P-GXT Minibus/Bestelbus (Met Toerenteller)

C130A05P-2
- Controlelamp elektronische motoregeling (MIL) (Indien aanwezig)
- Waarschuwingslamp oliedruk
- Waarschuwingslamp laag remvloeistof-niveau en aangetrokken parkeerrem
- Controlelamp startblokkering (Indien aanwezig)
- Controlelampen richtingaanwijzers
- Keuzestandindicatie automatische transmissie (Indien aanwezig)
- POWER/HOLD mode-indicator (Alleen A/T)
- Aanduiding grootlicht
- Controlelamp ABS (SRI) (Indien aanwezig)
-
Controlelamp airbag (Indien aanwezig)
-
Controlelamp overdrive (Alleen A/T)
- Controlelamp voorgloeien (Alleen dieselmotor)
- Toerenteller (Indien aanwezig)
- Waarschuwingslamp laag brandstofniveau
- Waarschuwingslamp water in brandstofffilter (alleen diesel motor)
- Waarschwingslamp laadstroom
- Temperatuurmeter koelvloeistof
- Kilometerteller/Dagteller
- Brandstofmeter
- Terugstelknop dagteller
- Snelheidsmeter
- Waarschuwingslamp niet-gesloten portier
2 INSTRUMENTEN & BEDIENINGSORGANEN
4
C130B05P-GET
Minibus/Bestelbus (Zonder Toerenteller)

C130B05P-2
INSTRUMENTEN & BEDIENINGSORGANEN
- Brandstofmeter
- Temperatuurmeter koelvloeistof
- Controlelamp elektronische motoregeling (MIL) (Indien aanwezig)
- Waarschuwingslamp oliedruk
- Waarschuwingslamp laag remvloeistof-niveau en aangetrokken parkeerrem
- Controlelamp startblokkering (Indien aanwezig)
- Keuzestandindicatie automatische transmissie (Indien aanwezig)
- POWER/HOLD mode-indicator (Alleen A/T)
- Aanduiding grootlicht
-
Controlelamp ABS (SRI) (Indien aanwezig)
-
Controlelamp airbag (Indien aanwezig)
- Controlelamp overdrive (Alleen A/T)
- Snelheidsmeter
- Controlelamp voorgloeien (Alleen dieselmotor)
- Waarschuwingslamp laag brandstofniveau
- Waarschuwingslamp water in brandstofffilter (Alleen diesel motor)
- Waarschwingslamp laadstroom
- Controlelampen richtingaanwijzers
- Kilometerteller/Dagteller
- Terugstelknop dagteller
- Waarschuwingslamp niet-gesloten portier
2 INSTRUMENTEN & BEDIENINGSORGANEN
6
C130C05P-GXT
Bedrijfswagen

C130B05P
INSTRUMENTEN & BEDIENINGSORGANEN
- Temperatuurmeter koelvloeistof
- Toerenteller (Indien aanwezig)
- Controlelampen richtingaanwijzers
- Snelheidsmeter
- Kilometerteller
- Brandstofmeter
- Waarschuwingslamp laag brandstofniveau
- Controlelamp ABS (SRI) (Indien aanwezig)
- Controlelamp elektronische motoregeling (MIL) (Indien aanwezig)
-
Waarschuwingslamp water in brandstofffilter (Alleen diesel motor)
-
Waarschwingslamp laadstroom
- Waarschuwingslamp laag remvloeistof-niveau en aangetrokken parkeerrem
- Controlelamp airbag (Indien aanwezig)
- Controlelamp voorgloeien (Alleen dieselmotor)
- Waarschuwingslamp niet-gesloten portier
- Aanduiding grootlicht
- Terugstelknop dagteller
- Dagteller
- Waarschuwingslamp oliedruk
- Controlelamp startblokkering (Indien aanwezig)
2 INSTRUMENTEN & BEDIENINGSÖRGANEN
8
AIR BAG Onderhoudsindicatie (SRI) van airbagsysteem (Indien aanwezig)
De SRS onderhoudsindicatie (SRI) in het instrumentenpaneel knippert ca. 6 seconden nadat de contactsleutel in de stand "ON" is gedraaid of nadat de motor is gestart en dooft vervolgens. Deze onderhoudsindicatie gaat eveneens branden als het airbagsysteem niet correct werkt. Als bij het aanzetten van het contact of het starten van de motor de onderhoudsindicatie niet gaat branden of continu blijft branden nadat ze gedurende 6 seconden heeft geknipperd, of wanneer ze gaat branden tijdens het rijden, moet het airbagsysteem worden gecontroleerd door een officiële Hyundai dealer.
C130N01P-GXT
(ABS) CONTROLELAMP ABS (Indien aanwezig)
Als de contactsleutel in de stand "ON" wordt gedraaid, zal de controlelamp voor het ABS gaan branden en na enkele seconden doven. Als de controlelamp blijft branden, gaat branden tijdens het rijden of niet gaat branden als de contactsleutel in de stand "ON" wordt gedraaid, betekent dit dat er een storing in het ABS systeem is opgetreden. Laat uw auto in dit geval zo snel mogelijk door een Hyundai dealer controleren. Het normale remsysteem blijft echter werken, maar zonder de assistentie van het ABS systeem.
C130101P-GXT
O/D CONTROLELAMP OVER-OFF DRIVE (Indien aanwezig)
Wanneer de overdrive wordt ingeschakeld, dooft deze controlelamp. Zodra de overdrive wordt uitgeschakeld gaat deze controlelamp branden. (Alleen automatische transmissie)
C130F01P-GXT

CONTROLELAMPEN RICHTING-AANWIJZERS- GROEN
Deze controlelampen knipperen tegelijkertijd met de richtingaanwijzers. Als een controlelamp sneller gaat knipperen duidt dit mogelijkerwijs op een slecht of onderbroken contact of een defecte gloeilamp.
C130G01P-GX7

AANDUIDING GROOTLICHT-BLAUW
Deze lamp brandt wanneer het groot ongedimd licht is ingeschakeld.
ZB110K1-AX

Controlelamp oliedruk

LET OP:
Als deze lamp bij draaiende motor gaat branden moet de motor direct worden afgezet tenelnde ernstige motorschade te voorkomen. Deze controlelamp gaat branden als de oliedruk te laag is. De lamp gaat branden zodra het contact wordt aangezet, maar moet doven als de motor is gestart. Blijft deze lamp bij draaiende motor branden, dan bevindt zich een ernstige storing in het smeersysteem van de motor.
Is dit het geval, dan moet de motor direct worden afgezet en moet het oliepeil worden gecontroleerd. Als het oliepeil te laag is, moet de voorgeschreven olie worden bijgevuld en moet de motor opnieuw worden gestart. Als de controlelamp blijft branden moet de motor direct worden afgezet. Raadpleeg in dat geval een officiële HYUNDAI dealer.
B260H02O-GXT

Controlelamp Handrem/ Remvloeistofpeil

WAARSCHUWING:
Bij storingen aan het remsysteem moet de oorzaak direct door een HYUNDAI dealer worden opgespoord. Het rijden met een defect remsysteem (In het elektrische of hydraulische gedeelte) is uiterst gevaarlijk.
Werking van de controlelamp
Deze lamp moet gaan branden als het contact wordt aangezet, de motor wordt gestart en als de handrem wordt aangetrokken. Na het starten van de motor moet de lamp doven zodra de handrem wordt vrijgezet. Als de handrem niet is aangetrokken moet de lamp flauw gaan branden bij het aanzetten van het contact of bij het starten van de motor.
Als deze lamp tijdens het rijden gaat branden mag niet meer met de wagen worden gereden. Het remvloeistofpeil in het reservoir is dan beneden het minimum niveau gedaald. Vul remvloeistof bij die voldoet aan de DOT 3 of DOT 4 specificatie. Na het bijvullen kan voorzichtig naar een dealer worden gereden voor nadere controle. Bij een ernstig defect moet de wagen door een sleepbedrijf naar een dealer worden gesleept.
Uw HYUNDAI is voorzien van een diagonaal gescheiden remsysteem. Als eén van beide circuits defect is, wordt de wagen nog op de andere wielen aferemd. Is dit het geval dan is meer kracht voor het remmen vereist en is de remweg langer dan normaal. Bij een defect aan het remsysteem moet worden teruggeschakeld zodat gebruik wordt gemaakt van het remvermogen van de motor.
2 INSTRUMENTEN & BEDIENINGSORGANEN
10
C130E01P-GXT
Waarschuwingslamp laadstroom-Rood
Deze lamp gaat branden zodra het contact in de stand "ON" wordt gezet en gaat weer uit zodra de motor draait. Indien de lamp oplicht terwijl de motor draait, betekent dit een storing in het laadstroomicircuit. Ga na of de V-riem is gebroken en neem contact op met een officiële HYUNDAI dealer.
SB210Q1-FX

CONTROLELAMP VOOR NIET GOED GESLOTEN PORTIEREN
Als een portier niet geheel gesloten is gaat deze controlelamp branden.
C130D01P-GXT
Waarschuwingslamp Laag Brandstofniveau-Amber (Geelbruin)
Deze lamp gaat branden wanneer de brandstofvoorraad in de tank tot een bepaald niveau is gedaald. Als deze lamp brandt, moet zo snel mogelijk worden getankt.
C130Q01P-GAT
PWR HOLD POWER/HOLD mode Indicator (Indien aanwezig)
Zie pag 3-14 - 3-15.
C190001A-GXT

Storingscontrolelamp (Indien aanwezig)
Deze lamp gaat branden bij een elektrische storing aan een met de motor verband houdende component en als daardoor het systeem niet op de juiste wijze werkt. Deze lamp gaat ook branden als de contactsleutel in de "ON"-stand wordt gezet. Na enige seconden dooft de lamp. Als de lamp gaat branden tijdens de rit of als de lamp niet gaat branden als het contactslot in de "ON"-stand wordt gezet, laat dan bij de dichtsbijzijnde Hyundai dealer het systeem controleren.
B260U01TB-GXT

Controlelamp Immobilizer
(Diefstalbeveiliging)
Deze controlelamp gaat enkele seconden branden nadat de contactsleutel in stand "ON" is gedraaid. U kunt nu de motor starten. De controlelamp dooft zodra de motor loopt. Als de controlelamp dooft voordat de motor wordt gestart, moet u de contactsleutel in stand "LOCK" draaien en de motor opnieuw starten. Als de controlelamp gedurende 5 seconden gaat knipperen wanneer de sleutel in stand "ON" wordt gedraaid, betekent dit dat het imobilizersysteem niet werkt. Raadpleeg de uitleg van de "Limp home" - procedure (noodloopprocedure, zie pag. 1-5) of wend u tot uw Hyundai-dealer.
C130L01P-GXT
Controlelamp Voorgloelen - Geel
Het lampje gaat branden als het contactslot op "start" staat. De motor mag worden gestart als het lampje uit is. De voorgloei tijd is afhankelijk van de temperatuur.
| Water temperatuur (°C) | Voorgloei tijd (sec.) |
| Onder -30 | 15 |
| -20 | 10 |
| 0 | 3 |
| 20 | 2 |
| 40 | 1 |
N.B.:
Als de motor niet na 10 seconden start, draai dan de contactsleutel eerst in de stand "LOCK", zet hem vervolgens weer in de "START" stand om het opnieuw te proberen.
C130H01P-GXT
Waarschuwingslamp Water in Brandstofffilter
Deze lamp gaat branden zodra het contact in de stand "ON" wordt gezet en gaat weer uit zodra de motor draait. Indien deze lamp oplicht terwijl de motor draait, betekent dit dat zich water in het brandstofffilter heeft verzameld; tap dit water uit het filter af. (Zie het hoofdstuk "In geval van pech").
B270B020-GXT
Handremwaarschuwing (Indien gemonteerd)
Als bij aangetrokken handrem gedurende langer dan 2–3 seconden sneller wordt gereden dan 10 km/h, klinkt een ononderbroken waarschuwingssignaal.
2 INSTRUMENTEN & BEDIENINGSORGANEN
12
INSTRUMENTENPANEEL
C080A01P-GXT
BRANDSTOFMETER
Minibus/Bestelbus


Bedrijfswagen

De brandstofmeter geeft, wanneer het contact aan staat, het brandstofniveau in de tank aan.
C090A01P-GXT
TEMPERATUURMETER
KOELVLOEISTOF
Minibus/Bestelbus


Bedrijfswagen Bedrijfswagen

De temperatuurmeter koelvloeistof geeft, wanneer het contact aan staat, de temperatuur aan van de koelvloeistof van de motor. Als de naald van de meter in het rode gebied komt, betekent dit waarschijnlijk dat de motor oververhit is geraakt. Zie er tijdens het rijden op toe dat de meter een normale bedrijfstemperatuur van de motor aangeeft.
CD40A01P-GXT
SNELHEIDSMETER
Minibus/Bestelbus

De snelheidsmeter geeft de snelheid van het voertuig aan in kilometers per uur (km/h) of mijlen per uur (mph).

WAARSCHUWING:
Verwijder de radiateurdop nooit bij warme motor. De koelvloeistof staat onder druk en kan naar buiten spuiten en ernstige brandwonden veroorzaken. Wacht tot de motor is afgekoeld voordat de radiateurdop wordt verwijderd.

2 INSTRUMENTEN & BEDIENINGSORGANEN
14
ZB110X1-AX
TOERENTELLER
Minibus/Bestelbus

Dieselmotor

Bedrijfswagen (Indienaanweaig)

De toerenteller geeft het aantal omwentelingen van de motor per minuut aan t/min.

LET OP:
Laat de motor nooit met een zodanig toerental draaien dat de naald in de rode zone staat. Dit kan ernstige motorschade tot gevolg hebben.
B310B03E-GXT
KILOMETERTELLER/ DAGTELLER
Minibus/Bestelbus
Als het contactslot in de stand "ON" staat en de RESET-schakelaar links van de snelheidsmeter wordt ingedrukt, dan vindt het volgende plaats:

HXDFL077-1

De kilometerteller geeft de totaal afstand in kilometer (of mijlen) aan die met de auto is gereden.
N.B.:
Manipulaties aan de kilometerteller hebben het verlies van de garantie tot gevolg.
2,3. Dagteller
Geeft de afstand van 2 trajecten aan in kilometers.
TRAJECT A:
Eerste afgelegde afstand bijvoorbeeld vanaf het begin van de rit tot een tussenstop.
TRAJECT B:
Tweede afstand bijvoorbeeld van de tussenstop tot de eindbestemming.
Druk op de reset-toets om over te gaan van TRAJECT A naar TRAJECT B. Als de toets 1 seconden wordt ingedrukt, wordt de waarde op 0 gezet.
C050A01P-GXT
KILOMETERTELLER/ DAGTELLER
Bedrijfswagen

1. Kilometerteller
De kilometerteller geeft het totaal aantal afgelegde kilometers aan.
2, 3. Dagteller en Terugstelknop
De dagteller wordt gebruikt om de afstand aan te geven van een bepaald traject of van een bepaalde gebruiksperiode.
Druk de terugstelknop in om de dagteller op nul te zetten.
2 INSTRUMENTEN & BEDIENINGSORGANEN
16
MULTISCHAKELAAR VERLICHTING
C150A01P-GXT
RICHTING AANWIJZER SCHAKELAAR
Door de schakelaar naar beneden te drukken zal aan de linkerkant de richting aanwijzer gaan werken. Door hem naar boven te halen, zal aan de rechterkant de richting aanwijzer gaan werken. Als het stuurwiel weer in de rechtuit situatie geplaatst wordt, zal de schakelaar automatisch weer in de centraal stand komen. Als de indicatorlamp sneller knippert als normaal of helemaal niet, is er een storing in het richtingaanwijzer systeem. Controleer de lampjes en/of ga naar de dealer.
B340B01A-AXT
Richtingaanwijzers voor kleine richtingveranderingen

Voor het veranderen van rijbaan e.d. is het voldoende de schakelaar zover te bewegen tot de richtingaanwijzers in werking treden. Na het loslaten keert de schakelaar automatisch in de ruststand terug.
B340C03L-AXT
Verlichting

Draai aan het uiteinde van de multischakelaar om de koplampen in te schakelen. In de eerste stand worden de stadslichten, de kentekenplaatverlichting, de achterlichten en de instrumentenpaneelverlichting ingeschakeld. In de tweede stand worden de koplampen ingeschakeld.
N.B.:
De koplampen gaan alleen branden, als het contactslot in de "ON"-stand staat.
INSTRUMENTEN & BEDIENINGSORGANEN
WIS-/WASSCHAKELAAR VOORRUIT
17
C170A01P-GXT
Lichtsignaal
Automatische uitschakeling parkeerverlichting
Als de stadslichten na de rit niet worden uitgeschakeld ("OFF"), dan worden ze automatisch uitgeschakeld nadat het bestuurdersportier is geopend en de sleutel uit het contactslot is genomen. Om ze weer in te schakelen ("ON") moet eenvoudig het contactslot weer in de "ON"-stand worden gezet.
C160A01P-GXT
GROOTLIGHT
Om groot licht te activeren, druk de schakelaar naar voren (van u af). Voor dimlicht trek de schakelaar vervolgens weer terug.

Wanneer u de schakelaar naar u toe beweegt gaan de koplampen branden; zodra u de schakelaar weer loslaat, zullen de koplampen weer doven. Het lichtsignaal werkt ook als het licht niet is ingeschakeld.
C180AD1P-GXT

Door deze schakelaar te bewegen met het contact in de stand "ON" of "ACC" kunnen de ruitewissers en -sproeiers voor de voorruit worden bediend.
Ruitewissers
- Uit
- INT : De interval tussen de slagen kan worden ingesteld tussen 2 en 10 seconden door de schakelaar te verdraaien.
3.LOW : Snelle instelling van de intervalschakelaar.
4.HIGH : Snelle instelling van de intervalschakelaar.
2 INSTRUMENTEN & BEDIENINGSORGANEN
18
N.B.:
o Bij vorst dient u eerst te controleren of de ruitewisserbladen niet aan de voorruit zijn vastgevroren; in voorkomend geval mogen de ruitewissers niet worden ingeschakeld omdat hierdoor de ruitewissermotor kan doorbranden.
o Mochten de ruitewissers door bijv. Ijs op de ruit vast komen te zitten, dan kan zelfs bij afgezette ruitewissers, de ruitewissermotor doorbranden; stop in zo'n geval het voertuig, zet het contact af en maak de ruit schoon zodat de ruitewissers weer vrij kunnen bewegen.
o Gebruik de ruitewissers niet wanneer de ruit droog is, omdat hierdoor krassen op het glas kunnen ontstaan en de ruitewisserbladen vroegtijdig verslijten.
B350B01A-AXT
Gebruik Ruitesproeier

Om de ruitensproeier te gebruiken, dient men de ruitenwisser/ruitensproeierhendel richting het stuur te trekken. Wanneer de ruitesproeier wordt gebruikt, gaan de ruitenwissers automatisch twee keer over de voorruit. De ruitensproeier blijft werken tot de hendel losgelaten wordt.
N.B.:
o Bedien de ruitensproeiers niet langer dan 15 seconden achter elkaar en ook niet als het reservoir leeg is.
o Controleer bij vriezend weer of de ruitenwissers niet aan de voorruit zijn vastgevroren.
o In de winter moet gebruik worden gemaakt van een antivriesmiddel.
Enkele wisbeweging

Voor een enkele wisbeweging, druk de wisserschakelaar omhoog.
B350C010-AXT
Regelbare Intervalschakeling
Van de Ruitewissers
(Indien aanwezig)

Voor het gebruik van de intervalschakeling plaatst u de ruitewisserschakelaar in de "INT" stand. Met de schakelaar in deze stand kan de intervaltijd worden ingesteld van 1 tot 18 seconden.
B390A01E-AXT
Schakelaar Ruitenwisser EN-
Sproeler, Achter
(Minibus/Bestelbus)

- De achterruitwisser maakt standaard 3 slagen als de achterruitsproeier bedient wordt.
2.OFF - INT: De achterruitwisser maakt slagen met tussenpozen van 5 seconden
4.ON:De achterruitwisser werkt continu. - Als de schakelaar voor de achterruitwisser in deze stand wordt gedrukt, wordt vloeistof op de ruit gespoten en treedt de ruitenwisser in werking.
Bedien de ruitensproeier niet langer dan 15 seconden met een leeg ruitensproeierreservoir; hierdoor kan het systeem beschadigd raken. Bedien de ruitenwisser niet als de ruit droog is; hierdoor kunnen krassen op de ruit ontstaan en zal het ruitenwisserblad snel slijten.
Dit geldt ook voor het bedienen van de ruitensproeier met leeg reservoir.
N.B.:
o Bij vorst dient u eerst te controleren of het ruitewisserblad niet aan de ruit is vastgevroren; in voorkomend geval mag de ruitewisser niet worden ingeschakeld omdat hierdoor de ruitewissemotor kan doorbranden.
o Mocht de ruitewisser door bijv. ijs op de ruit of een andere belemmering vast komen te zitten, dan kan zelfs bij afgezette ruitewisser de ruitewissermotor doorbranden; stop in zo'n geval het voertuig, zet het contact af en maak de ruit schoon zodat de
2 INSTRUMENTEN & BEDIENINGSORGANEN
20
KOPLAMPAFSTELLING
ruitewisser weer vrij kan bewegen.
o Gebruik de ruitewisser niet wanneer de ruit droog is, aangezien hierdoor krassen op het glas ontstaan en het ruitewisserblad vroegtijdig verslijt.
C210A05P-GXT
(Indien aanwezig)

Teneinde de hoogte van de lichtbundel van de koplampen te kunnen aanpassen aan de lading of het aantal passagiers, is een draaiknop aangebacht.
Hoe hoger het nummer dat naast de draaiknop wordt aangegeven, hoe lager staan de koplampen.
Zorg dat de lichtbundel van de koplampen altijd goed is afgesteld zodat u geen medeweggebruikers verblindt.
Voorbeelden van de koplampafstelling treft u aan in de tabel hiernaast.
Voor andere belading dan hiernaast is aangegeven dient u de draaiknop zo in te stellen dat de lichtbundelhoogte de hoogte benadert die zou worden bereikt door de in de tabel voor bepaalde situaties aangegeven standen aan te houden.
| Belading | MINIBUS | BESTELBUS | |
| 2WD 2WD | |||
| 7/9 | 3 | 6 | |
| Alleen bestuurder | 0 | 0 | 0 |
| Bestuurder + voorpassagier | 0 | - | 0 |
| Bestuurder, voorpassagier+achter-bank volledig bezet | 1 | - | 0 |
| Max. aantal personen | 1 | - | 0 |
| Max. aantal personen max. toegestane belading | 2 | - | - |
| Bestuurder+maximum toegestane belading | 3 | 3 | 2 |
| Belading | Bedrijfswagen |
| Alleen bestuurder | 0 |
| Bestuurder + toegestane max. asbelasing | 1 |
LICHT INSTELLING DASH-BOARD
C220A01P-GXT
(Minibus/Bestelbus)
(Indien van toepassing)

Het dashboard licht kan worden ingesteld door middel van de knop te verdraaien.
TOERENTALREGELKNOP
C230A01P-GXT
Wanneer de buitentemperatuur erg laag is, of indien het nodig is de motor op bedrijfs-temperatuur te brengen.

LET OP:
Gebruik de toerentalregelknop nooit tijdens het rijden.
INSTRUMENTEN & BEDIENINGSORGANEN
Een rode lamp gaat branden wanneer het voorportier wordt geopend. Zo wordt het uitstappen vergemakkelijkt en worden andere weggebruikers gewaarschuwd.
2 INSTRUMENTEN & BEDIENINGSORGANEN
22
DERDE REMLICHT
B550A01Y-AXT (Minibus/Bestelbus) (Indien aanwezig)

Als aanvulling op de twee laaggeplaatste remlichten gaat ook het derde remlicht in het midden van de achterruit of in de achterspoiler branden als de remmen worden bediend.
MISTLAMPEN
C250A02P-GXT MISTLAMPEN VOOR (Indien aanwezig)

De mistlampen voor worden ingeschakeld door de schakelaar op het dashboard in te drukken. Druk de schakelaar nogmaals in om de mistlampen uit te schakelen.
Het controlelampje gaat branden als de mistlampen worden ingeschakeld. De werking van het mistachterlicht is gelijk aan die van de mistlampen voor (Indien gemonteerd).
N.B.:
De lampen kunnen alleen branden als de koplampen zijn ingeschakeld.
WAARSCHUWINGSKNI- PPERLICHTINSTALLIE
SB240A1-FX

De waarschuwingsknipperlichtinstalltie mag alleen worden gebruikt indien de auto zodanig geparkeerd staat dat dit gevaar op kan leveren. Zet in zo'n geval uw auto altijd zover mogelijk van de weg af. De alarmknipperlichten worden ingeschakeld door de alarmknop in te drukken. Hierdoor gaan alle richting-aanwijzers knipperen. De installatie werkt ook als de sleutel niet in het contact steekt. Om de installatie uit te schakelen moet nogmaals de knop worden ingedrukt.
RUITEN VOOR/ACHTER ONTDOOI-SCHAKELAAR
B300A01P-AXT (Minibus/Bestelbus) (Indien aanwezig)

De achterruitverwarming wordt tegelijk met de voorruitverwarming ingeschakeld.
De ruitverwarming wordt ingeschakeld door de schakelaar in te drukken. Door nogmaals op de schakelaar te drukken, wordt de verwarming uitgeschakeld. De voor-/achterruitverwarming wordt automatisch na ongeveer 20 minuten uitgeschakeld. Druk, na het automatisch uitschakelen, nogmaals op de schakelaar om de verwarming opnieuw in te schakelen.
INSTRUMENTEN & BEDIENINGSORGANEN
SIGARETTEN AANSTEKER
23
N.B.:
De achterruitverwarming werkt alleen bij draaiende motor.

WAARSCHUWING:
Maak de binnenzijde van de voor- en achterruit niet schoon met een glasreiniger met een schurende werking en maak geen gebruik van een scherp voorwerp om vuil van het blnnenoppervlak van de rult te verwijderen. Hierdoor kunnen de verwarmingselementen worden beschadigd.
B420A02A-AXT

De aansteker werkt alleen met de contactsleutel in de stand "ACC" of "ON".
Druk de aansteker geheel in. Zodra hij voldoende is opgewarmd springt de aansteker terug.
Houd de aansteker niet ingedrukt. Hierdoor kan het verwarmingselement worden beschadigd en is het gevaar van brand aanwezig.
Gebruik voor het vervangen van de aansteker uitsluitend originele Hyundai vervangingsonderdelen.
2 INSTRUMENTEN & BEDIENINGSORGANEN
24
ELEKTRISCHAANSLUITPUNT

LET OP:
Gebruik voor deze aansluiting geen andere elektrische accessoires of apparaten dan de originele Hyundai-onderdelen.
B500D07O-GXT

Dit 12 volt aansluitpunt voor elektrische accessoires of uitrusting wordt alleen van spanning voorzien wanneer de contactsleutel in de stand 'ON' of 'ACC' staat.

WAARSCHUWING:
o Gebruik alleen bij draaiende motor en verwijder de stekker uit het aansluitpunt nadat de elektrische accessoire is gebruikt. Als het aansluitpunt wordt gebruikt bij stilstaande motor of als de stekker gedurende vele uren aangesloten blijft, dan kan de accu worden ontladen.
o Gebruik dit aansluitpun uitsluitend voor 12 V elektrische accessoires.
o Sommige elektroni apparaten kunnen elektronische storingen veroorzaken wanneer zij op de stroomaansluitingen worden aangesloten. Deze apparaten kunnen overmatige storing in het audlogeluid veroorzaken, of storingen in andere elektronische apparaten in uw auto.
Leeslamp (Indien aanwezig)
Met schuifdak

SSA1340A
Zonder schuifdak

C300A01P
De twee schakelaars voor de leeslamp bevinden zich aan beide zijden van de dakconsole. De schakelaar moet worden ingedrukt om de lamp in of uit te schakelen.
B490A01S-AXT
Interieurverlichting (Minibus)
Met schuifdak

SSA1340B
Zonder schuifdak

C300A02P
De schakelaar voor de interieurverlichting heeft drie standen:
2 INSTRUMENTEN & BEDIENINGSORGANEN
26
o MIDDEN (·)
In de middenstand (-) brandt de interieurverlichting als een portier wordt geopend, onafhankelijk van de stand van het contactslot, en dooft weer als het portier wordt gesloten.
o ON
In deze stand brandt de interieurverlichting constant.
o OFF
In deze stand brandt de interieurverlichting niet, ook niet als een portier is geopend.
C310A01P-GXT
Verlichting Voorcompartiment (Bestelbus, Bedrlijfswagen)

OFF : De verlichting gaat uit. ON : De verlichting gaat aan.
C320A01P-GXT
Binnenverlichting, Achter (Minibus)


INSTRUMENTEN & BEDIENINGSORGANEN
SCHUIFDAK
27
Met de hoofdschakelaar in het deshboard kan de verlichting ook worden in -en uitgeschakeld.
ON : De lamp blijft branden.
OFF : De lamp brandt niet.
DOOR : De lamp gaat branden als de schuifdeur en/of de achterklep wordt geopend en gaat uit als deze worden gesloten.
MOOD : De lamp brandt
- Gedempte verlichting (oranje)
C330A01P-GXT
(Bestelbus)

DR (°) : De verlichting gaat branden zodra een schuif- of achterdeur wordt geopend en dooft weer wanneer deze wordt gesloten. (Alleen Type A)
ON : De verlichting gaat aan.
OFF : De verlichting gaat uit
B480A01S-AXT
Het schuifdak kan worden geopend bij aangezet contact.
B470A01S-AXT
Het zonnescherm kan worden geopend en gesloten door het naar voren of achteren te schuiven als het schuifdak gesloten is. Het zonnescherm wordt automatisch geopend als het schuifdak wordt geopend, maar het moet met de hand worden gesloten.
2 INSTRUMENTEN & BEDIENINGSORGANEN
28

WAARSCHUWING:
Het zonnescherm nooit tijdens het rijden verstellen.
B460B02P-GXT
BEDIENING VAN HET SCHUIFDAK
Open en sluiten van het schuifdak

B460B01P
Het schuifdak kan elektrisch worden geopend en gesloten. Houd hiervoor de betreffende toets vóór het schuifdakpaneel ingedrukt. Laat de toets los zodra de gewenste stand van het schuifdak is bereikt.
Bij het sluiten van het schuifdak stopt het paneel halverwege. Druk de toets opnieuw in om het schuifdak volledig te sluiten.

WAARSCHUWING:
o Sluit het schuifdak niet als iemand zijn handen, armen etc. tussen het glazen paneel en de dakrand houdt; dit kan verwondingen veroorzaken.
o Ga niet in de schuifdakopening staan en steek geen hand of arm door de opening tijdens het rijden.

LET OP:
o Open het schuifdak niet bij extreem koud weer of als het bedekt is met ijs of sneeuw.
o Verwijder regelmatig vuil dat zich kan ophopen in de geleiders.
o Veeg het water van het schulfdak als de auto is gewassen of nadat het heeft geregend, voordat het schulfdak wordt bedlend.
B480D01P-GXT
Zonnehemel

Het schuifdak is eveneens uitgerust met een verschuifbare zonnehemel. Hiermee kan de hoeveelheid binnenvallend licht in het interieur worden geregeld.
Bediening van het schuifdak bij een storing in de elektrische installatie:
- Verwijder het rechthoekige lampglas aan de voorzijde van het dak.
- Breng de inbussleutel in de opening aan. Deze sleutel bevindt zich in de gereedschapstas in de rechter hoek van de auto.
- Draai de sleutel rechtsom voor het openen of linksom voor het sluiten van het dak.
ZONNEKLEPPEN
29
B480E01P-GXT
Zonnedak, achter

Het achterste zonnedak kan elektrisch worden geopend en gesloten. Voor het openen of sluiten moet de toets in het midden van het dakpaneel worden ingedrukt. Laat de toets los zodra het zonnedak de gewenste stand heeft bereikt.
Als veiligheidsmaatregel bij het sluiten stopt de beweging van het zonnedak voordat het volledig is gesloten. Laat de knop los en druk hem opnieuw in om het zonnedak volledig te sluiten.
Handbediening van zonnedak
Wanneer het zonnedak niet elektrisch kan worden bediend:
- Verwijder de kunststof afdekking in het dakpaneel.
- Breng de inbussleutel in de opening aan. Deze sleutel bevindt zich in de gereedschapstas in de rechter hoek van de auto.
- Draai de sleutel rechtsom voor het openen en linksom om voor het sluiten.
B580A01L-AXT

Voor de bestuurder en de voorpassagier zijn zonnekleppen aangebracht. Door de zonneklep naar beneden of opzij te klappen wordt voorkomen dat u door zonlicht wordt verblind. In de rechter zonneklep bevindt zich een makeup spiegel. (Indien aanwezig)

LET OP:
Zet de zonneklep niet in een zodanige stand dat het zicht op de weg en het verkeer wordt belemmerd.
2 INSTRUMENTEN & BEDIENINGSORGANEN
30
DAKRAIL
Wanneer de Hyundai wagon is voorzien van een dakrail kan dit aangevult worden met een dakdragerset. Raadpleeg voor de juiste toepassing en accessoires de Hyundai dealer.

LET OP:
o De volgende specificaties zijn aanbevolen wanneer gebruik gemaakt wordt van de bagageruimte en dakdragers.
Dakdragers 34 kg
o Wanneer meer dan 34 kg geladen wordt op de dakdragers zal er schade aan het dak ontstaan.
o Om schade door losse bagage te voorkomen dient dit geregeld gecontroleerd te worden.
o Rijdt niet onnodig hard en voorkom indien mogelijk noodstops met bagage op het dak.
o Wanneer de dwarsrail is aangepast kunnen voorwerpen op de dakdrager worden vervoerd.
o Als de dakdrager zwaarder dan aangegeven wordt belast, kan de stabiliteit van de auto in gevaar komen.
BUITENSPIGEL
B520A01A-AXT
ANTI VERBLINDINGSSTAND VAN DE
ACHTERUITKIIJKSPIEGEL (Indien aanwezig)

De achteruitkijkspiegel van uw Hyundai is voorzien van een anti verblindingsstand.
Deze stand wordt gekozen door de lip aan de onderzijde van de spiegel naar u toe te trekken. In deze stand wordt u niet verblind door licht van achterop komend verkeer.
C370A01P-GXT
BUITENSPIEGELS

De buitenspiegel links kan bediend worden van binnenuit. De bediening zit linksvoor bij het raam. De spiegel moet juist zijn afgesteld voordat men gaat rijden.
C370B01P-GXT
Electrische buitenspiegel (Indien aanwezig)

De buitenspiegel kan in elke positie ingesteld worden. De elektrische buitenspiegel is voor de spiegel van de passagierskant.
Om de Julste Instelling te bepalen:
- beweeg de knop naar "R" of "L" om de juiste positie te bepalen.
- de hoek kan gemaakt worden door de schakelaar naar boven of beneden te bewegen
B510D01Y-AXT
Buitenspiegel verwarming (Indlen aanwezig)

De buitenspiegel verwarming staat in verbinding met de achterruit verwarming. Als de buitenspiegel verwarming in werking moet worden gesteld moet de schakelaar van de achterruit verwarming bedient worden. De spiegel wordt ontdooid en ontwasemd waardoor beter zicht gewaarborgd wordt. Door nogmaals op de knop te drukken schakelt ze weer uit. De buitenspiegel verwarming schakelt automatisch na +20 minuten uit.
2 INSTRUMENTEN & BEDIENINGSORGANEN
32
BEKERHOUDER
B450A01S-AXT
(Indien aanwezig)


De bekerhouder bevindt zich in de middenconsole en dient voor het opnemen van bekers of blikjes. De houder kan naar buiten worden geschoven door erop te drukken.
B450A03P-GXT
Bekerhouder achter (Indien gemonteerd)

In de achterste bekerhouder kan een beker of kopje worden geplaatst. De bekerhouder bevindt zich in het bekledingspaneel.

LET OP:
Laat de houder ingeschoven als hij niet wordt gebruikt.

WAARSCHUWING:
Plaats geen andere voorwerpen op de houder, aangezien deze tijdens een noodstop of een ongeval persoonlijk letsel kunnen veroorzaken.
ASBAK VOOR
INSTRUMENTEN & BEDIENINGSORGANEN
33
C410A01P-GXT

Trek aan de asbak om deze te openen. Druk, om de asbak te verwijderen, de verende lip aan de binnenzijde van de asbak in en trek de asbak los.
C420A01P-GXT
Asbak Achter (Indien aanwezig)

Trek aan de bovenzijde van de asbak om hem te openen. Druk, om de asbak te verwijderen, de verende lip aan de binnenzijde van de asbak in en trek de asbak los.

Open het deksel om de asbak te openen.
Trek de asbak, om hem te verwijderen, aan het deksel omhoog.
2 INSTRUMENTEN & BEDIENINGSORGANEN
34
DIGITALE KLOK
B400A01E-AXT
(Indien gemonteerd)

De digitale klok heeft drie bedieningstoetsen. De functies zijn:
HOUR - Ddruk op deze toets om de uuraanduiding vooruit te zetten.
MIN - Druk op deze toets om de minutenaanduiding vooruit te zetten.
RESET - Druk op "R" om de minutenaanduiding op "00" te zetten, waardoor het op tijd zetten van de klok wordt vergemakkelijkt. Het indrukken van "R" tussen 10:30 en 11:29 verandert de tijdsaanduiding in 11:00.
Het indrukken van "R" tussen 11:30 en 12:29 verandert de tijdsaanduiding in 12:00.
CLAXON
C280AD1P-GXT

De druktoets voor de claxon bevindt zich in het stuurwiel. Gebruik de claxon alleen wanneer dit echt noodzakelijk is.
BEDIENING VERWARMING EN KOELING
INSTRUMENTEN & BEDIENINGSORGANEN
35
B710A01P-GXT
(Indien gemonteerd)

- Ventilatieroosters opzij
- Centrale ventilatieroosters
- Ventilatieroosters voorruit
HSRFL002
SB710A1-FX
CENTRALE
VENTILATIEROOSTERS
Het centrale ventilatierooster bevindt zich in het midden van het dashboard. Om de luchttoevoer te regelen kunnen de roosters naar wens worden verdraaid.
Hiertoe moet de knop in het midden van het rooster naar boven of beneden en van rechts naar links worden bewogen.
B710C02HP-AXT
VENTILATIEROOSTER AAN ZIJKANT
De roosters aan de zijkant bevinden zich aan beide zijkanten van het dashboard. Beweeg de knop in het midden om de richting van de luchtstoom van boven naar beneden en van links naar rechts of omgekeerd te bewegen. De roosters zijn geopend als de roosterknop in de stand " ≡" wordt geplaatst. De roosters zijn gesloten als de roosterknop in de stand " □" wordt geplaatst. Zorg ervoor dat de roosters niet verstopt raken.
2 INSTRUMENTEN & BEDIENINGSORGANEN
36
VERWARMING EN VENTILATIE
C610A01P-GXT
Draai-/drukknop

Schulf

Er zijn vier schakelaars voor het verwarmings- en ventilatiesysteem, namelijk:
- Regeling temperatuur
- Regeling luchtverdeling
- Regeling buitenluchtoevoer
- Regeling aanjagersnelheid
SB720D1-FX
Temperatuurregeling
Met deze draaiknop wordt de gewenste temperatuur ingesteld.
B670D01P-AXT
Luchtverdeling
De toegevoerde lucht kan naar de beenruimte, de roosters in het dashboard of langs de voorruit worden gevoerd. Het systeem is hiervoor voorzien van de standen Face, Bi-Level, Floor, Floor-Defrost en Defrost.

Bovenzijde interieur
In deze stand wordt de lucht via de roosters in het dashboard toegevoerd.
INSTRUMENTEN & BEDIENINGSORGANEN
37

(Temperatuurscheiding)
Lucht wordt toegevoerd via de roosters in het dashboard en van de beenruimte.

De lucht stroomt via de luchtroosters in de beenruimten, de roosters onder de voorruit en aan de zijkant.

De lucht stroomt via de roosters onder de voorruit en in de beenruimten.
2 INSTRUMENTEN & BEDIENINGSORGANEN
38

De lucht stroomt via de luchtroosters onder de voorruit en aan de zijkant. Als "Ontdooien" is gekozen, dan schakelt de airconditioning automatisch in en wordt automatisch de toevoer van "verse" lucht ingesteld, zodat het ontdooien sneller plaatsvindt.
ZB44DC1-AX
LUCHTTOEVOERBEDIENING
Hiermee kan de toevoer van verse lucht of de recirculatie van lucht in de wagen worden gekozen.

Verse lucht Recirculatie
In de stand van verse lucht wordt buitenlucht toegevoerd en afhankelijk van de gekozen instelling verwarmd of gekoeld.
In de stand voor recirculatie wordt de lucht in het interieur gerecirculeerd en afhankelijk van de andere gekozen instelling verwarmd of gekoeld.
N.B.:
Als de stand voor luchtcirculatie langdurig wordt aangehouden, bestaat de kans dat de voorruit en de zijruiten beslaan. Hierbij treedt bovendien een vermindering van de luchtkwaliteit op.
SB720A1-FX
Aanjagerschakelaar
Deze wordt gebruikt om de aanjager aan en uit te schakelen en om de aanjagersnelheid te bepalen.
Op deze wijze kan de snelheid en de hoeveelheid lucht die het systeem levert, geregeld worden door de aanjagerschakelaar tussen "1" en "4" te zetten.
INSTRUMENTEN & BEDIENINGSORGANEN 2
VENTILATIEBI-LEVELVERWARMING
C620A01P-GXT
Om het interieur te verwarmen moet het handel voor luchttoevoer op verse lucht worden gezet en het handel voor luchtverdeling op de stand voor uitstroming naar de beenruimte. Voor een snellere verwarming moet het handel tussen verse lucht en recirculeren in staan. De snelste verwarming geschiedt door het handel op de stand voor recirculeren te zetten. Indien de ruiten beslaan moet het handel voor de luchtverdeling op ontwasemen staan en het handel voor de luchttoevoer op verse lucht. Voor een maximale verwarming moet het handel voor de temperatuurregeling in de uiterste stand voor verwarmen worden gezet.
C630A01P-GXT
(Temperatuurscheiding)
Uw Hyundai is uitgerust met "bi-level" verwarming. Hiermee is het mogelijk om koelere lucht uit de roosters in het dashboard te laten stromen en tegelijkertijd warmere lucht naar de beenruimte.
o Stel de luchttoevoer in op verse lucht.
o Zet het handel voor de luchtverdeling in de "Bi-Level" stand.
o Zet het bedieningshandel voor de temperatuurregeling tussen koud en warm.
C840A01P-GXT
Zet, voor het bedienen van het ventilatie-systeem:
o De luchttoevoer op verse lucht.
o Schuif het handel voor de luchtverdeling geheel naar links om alle lucht naar de roosters in het dashboard te voeren.
o Stel de aanjager in op de gewenste snelheid.
o Zet de temperatuurregeling tussen koud en warm.
2 INSTRUMENTEN & BEDIENINGSORGANEN
40
ONTWASEMING/ ONTDOOING
C880A01P-GXT
Draai-/drukknop

Schuif

Voor het ontwasemen of ontdooien van de voorruit moeten de verschillende bedienings-handels in onderstaande stand worden geplaatst:
o Luchttoevoer (4) in de stand voor verse lucht.
o Luchtverdeling (3) in de stand voor ontwa-semen.
o Temperatuurregeling (1) in de gewenste stand voor een behaaglijke temperatuur.
o Aanjager (5) in bijna de maximale stand.
o Als de auto is voorzien van A/C (2) zit, wordt deze geactiveerd door de schakelaar A/C in te drukken.
N.B.:
Bij een hoge luchtvochtigheid kan de airco worden gebruikt met het luchttoevoerhandel in de stand voor recirculeren zodat het ontwasemen wordt versneld.
C870AD1P-GXT
Tips voor de bediening
o U voorkomt dat stof en onaangename lucht via het ventilatiesysteem het interieur binnendringen door het handel voor de luchttoevoer tijdelijk in de stand voor recirculeren te plaatsen. Denk er echter aan dit handel zo spoedig mogelijk weer in de stand voor verse lucht te zetten. Dit geeft een betere luchtkwaliteit, nodig voor een goede concentratie van de chauffeur.
o De luchttoevoer vindt plaats via de roosters voor de voorruit. Let er op dat deze roosters vrij zijn van bladeren, sneeuw, ijs, e.d.
AIRCONDITIONING
INSTRUMENTEN & BEDIENINGSORGANEN
41
C690A01P-GXT
(Indien aanwezig)
Koelen
Draai-/drukknop

Voor het koelen van het interieur:
o Sluit de luchttoevoer via de zijventilatiero-osters in het dashboard.
o Zet de aanjager aan.
o Schakel de airconditioning in; de controlelamp voor de airco moet tegelijkertijd oplichten.
o Zet het handel voor de luchttoevoer in de stand voor verse lucht.
o Zet het handel voor de temperatuurregeling in een stand voor koele lucht.
o Laat de aanjager met de gewenste snelheid draaien. Plaats voor een intensievere koeling de aanjagerschakelaar in een van de hogere standen of kies de stand voor luchtrecirculatie.
0890AD1P-GXT
Verwarmen Met Gedroogde Lucht
Draai-/drukknop

Zet hiervoor de handels als volgt:
o Zet de aanjager aan.
o Schakel de airconditioning in; de controlelamp voor de airco moet tegelijkertijd oplichten.
o Zet het handel voor de luchttoevoer in de stand voor verse lucht.
o Laat de aanjager met de gewenste snelheid draaien. Plaats voor een snellere verwarming de aanjagerschakelaar in één van de hogere standen.
o Zet het handel voor de temperatuuregeling in de gewenste stand.
C700A01P-GXT
Tips
o Als het interieur is verwarmd, zet dan enkele minuten de ruiten open zodat de warme lucht naar buiten wordt afgevoerd.
o Houd, indien de airconditioning is ingeschakeld, alle ruiten gesloten zodat geen warme lucht kan binnendringen.
o Schakel bij lage snelheden, bijvoorbeeld in druk verkeer, een lagere versnellingin. Hierdoor neemt het motortoerental toe waardoor ook het toerental van de compressor stijgt.
o Wanneer u lange tijd bergopwaarts rijdt, verdient het aanbeveling de airconditioning zo nu en dan uit te schakelen om oververhitting van de motor te voorkomen.
o In periodes dat de airconditioning weinig wordt gebruikt (winterseizoen) is het aan te bevelen de airconditioning van tijd tot tijd enkele minuten in werking te stellen.
Hierdoor wordt het systeem gesmeerd en blijft de airconditioning in een goede conditie.
SCHAKELAAR
VERWARMING
ACHTERCOMPARTIMENT
C710A01P-GXT
(Indien aanwezig)
De verwarming voor het achtercompartiment kan worden aangezet wanneer het contact in de stand "ON" staat.
C720A01P-GXT
Schakelaars verwarming achtercompartiment

De schakelaars voor de verwarming van het achtercompartiment bevinden zich aan de linkerzijde van het dashboard en links van de tweede bank.
Met beide schakelaars is het mogelijk de verwarming in en uit te schakelen. De verwarming wordt ingeschakeld door de knop in te drukken, waarbij tegelijkertijd het lampje in de schakelaar gaat branden, en weer uitgeschakeld door de knop nogmaals in te drukken.
C730A01P-GXT
Regelpaneel



1. Temperatuurregelaar
o Lever Type - Stel de gewenste temperatuur in door het handel naar links of rechts te verplaatsen.
o Draai Type - Selecteer de gewenste temperatuur door de knop links- of rechtsom te draaien.
Rood - Hoge temperatuur (verwarming)
Blauw - Omgevingstemperatuur (ventilatie)
2. Schuif voor regeling luchtstroom
De luchtstroom kan op drie manieren het interieur bereiken.
De functies beenruimten, temperatuurscheiding en bovenzijde interieur worden met drie symbolen aangegeven.
3. Aanjagerschakelaar
De aanjager heeft drie standen voor de regeling van de luchthoeveelheid; voor-waarde is dat hierbij zowel het contact als de schakelaar in de stand "ON" staan. De aanjagersnelheid neemt toe als het handel naar rechts wordt verplaatst.
2 INSTRUMENTEN & BEDIENINGSORGANEN
44
C740A02P-GXT
Airconditioning Achterin (Indlen aanwezig)
De airconditioning achterin kan worden ingeschakeld met het contactslot in de "ON"-stand door de hoofdschakelaar in het instrumentenpaneel in te drukken.
- De werking van de achterste airconditioning is gelijk aan de beschrijving bij WERKING AIRCONDITIONING op blz. 2-41.
AIRCONDITIONING TEGEN DAK
C750A02P-GXT
(Indien aanwezig)

De airconditioning tegen het dak kan worden ingeschakeld als het contact in de stand "ON" staat en de hoofdschakelaar in het instrumentenpaneel wordt ingedrukt.
Aanjagerschakelaar
De aanjagerschakelaar heeft drie standen waarmee de hoeveelheid lucht die in het interieur stroomt kan worden geregeld. De airconditioning werkt niet als de schakelaar in de stand "O" staat. De snelheid van de aanjager neemt toe als de schakelaar naar rechts wordt verplaatst.
LUCHTFILTER (VOOR VERDAMPER-/AANJAGEREENHEID)
B760A02P-GXT
(Minibus/Bestelbus)


Het luchtfilter bevindt zich in het inlaatluchtkanaal achter het ruitensproeierreservoir. Het voorkomt dat vervuilde lucht de auto binnendringt. Voor het vervangen van het filter van de airconditioning, zie pagina 8-14.

LET OP:
o Vervang het filter elke 15.000 km of eenmaal per jaar. Als de auto onder zware omstandigheden, zoals stoffige of slechte wegen, wordt gebruikt, moet het luchtfilter vaker worden gecontroleerd en vervangen.
- Als de luchtstroom plotseling sterk afneemt, moet het door een Hyunday dealer worden gecontroleerd.
2 INSTRUMENTEN & BEDIENINGSORGANEN
46
STEREO GELUIDSINSTALLATIE
SR010A1-FX (Indien gemonteerd) De werking van een autoradio

B750A01L
AM en FM radiosignalen worden door het radiostation uitgezonden. Deze signalen worden ontvangen door de radioantenne op het spatscherm van uw wagen. Dit signaal wordt dan ontvangen door de radio en doorgestuurd naar de luidsprekers. Als een krachtig radiosignaal uw wagen bereikt zorgt de moderne techniek van uw geluidsinstallatie voor een hoge kwaliteit van de geluidsweergave. In sommige gevallen is het ontvangen signaal echter niet krachtig en helder. Dit kan worden veroorzaakt door bijvoorbeeld de afstand tot het radiostation, andere krachtige stations of de aanwezigheid van gebouwen, bruggen of grotere obstakels in het desbetreffende gebied.

In het algemeen is de ontvangst van AM signalen beter dan van FM signalen. Dit komt doordat AM radiogolven met een lage frequentie worden uitgezonden. Deze lange golven met een lage frequentie volgen het aardoppervlak en verplaatsen zich niet recht in de atmosfeer. Bovendien ontwijken ze obstakels zodat over het algemeen een betere signaalweergave het gevolg is. Daarom kan een AM uitzending over een grotere afstand dan een FM uitzending worden ontvangen.

FM signalen worden met een hoge frequentie uitgezonden en volgen hierbij niet het aardoppervlak. Daarom ontstaat bij FM uitzendingen op een relatief korte afstand van het radiostation vervorming. Bovendien ondervinden FM signalen nadelige invloeden door gebouwen, bergen of andere obstakels. Dit kan een geluidsweergave tot gevolg hebben waardoor u veronderstelt dat uw geluidsinstallatie niet in orde is. De volgende condities zijn normaal en duiden niet op een storing:

o Vervorming. Tijdens het rijden kan de afstand ten opzichte van het radiostation gewijzigd worden, het signaal wordt zwakker en er treedt vervorming op. In een dergelijk geval adviseren wij u op een ander en krachtiger station af te stemmen.
o "Flutter" - Zwakke FM signalen of grote obstakels tussen de zenden en de radio vervormen het signaal waardoor er flutter ontstaat. Deze storing kan iets worden onderdrukt door de hoge tonen te verminderen.

o Bij het zwakker worden van het FM signaal is het mogelijk dat het signaal van een nabij gelegen, krachtige zender op dezelfde frequentie wordt ontvangen. Dit komt omdat uw radio is ontworpen om op het sterkste signaal af te stemmen. In dit geval adviseren wil u een andere zender op te zoeken
Als radiosignalen vanuit diverse richtingen worden ontvangen heeft dit vervorming tot gevolg. Dit kan worden veroorzaakt door een direct en een gereflecteerd signaal van hetzelfde station of door signalen van twee stations met dicht bij elkaar liggende frequenties. In dit geval adviseren wij op een andere zender af te stemmen.
B750B02Y-AXT
Gebruik van een mobiele telefoon of radiozender
Bij gebruik van een mobiele telefoon in de auto kan de audio-apparatuur storende geluiden voortbrengen. Dit betekent niet dat er iets verkeerd is met de audio-apparatuur. In dat geval moet de mobiele telefoon op een zo groot mogelijke afstand van de audio-apparatuur worden gebruikt.

LET OP:
Bij gebruik van een mobiele telefoon of een radiozender in de auto, moet een afzonderlijke antenne worden gemonteerd. Door het gebruik van een mobiele telefoon of radiozender met een interne antenne, kunnen storingen aan de elektrische installatie van de auto worden veroorzaakt en kan de veilige werking van de auto in gevaar komen.
2 INSTRUMENTEN & BEDIENINGSORGANEN
48
BEHANDELING VAN DE CD'S
WAARSCHUWING: Gebruik geen autotelefoon tijdens het rijden; parkeer de auto op een veilige plaats bij gebruik van een autotelefoon.
BAS0A01F-AXT Juiste behandeling

Behandel de CD zoals aangegeven. Laat de CD niet vallen. Houd de CD zodanig vast dat geen vingerafdrukken op het oppervlak komen. Als de CD bekrast is kan de CD overslaan bij het afspelen. Plak geen stickers, papier of plakband op de CD. Schrijf niet op de CD.
Beschadigde CD
Speel geen beschadigde, vervormde of gebroken CD's af. Hierdoor kan ernstige beschadiging van het afspeelmechanisme optreden.
Opslaan
Berg de CD's, als ze niet gebruikt worden, op in hun originele doosjes en leg ze op een koele, stofvrije plaats uit de zon.
Pak de CD niet met de hand vast terwijl de lade in het apparaat wordt getrokken.
Trek de speler niet uit het dashboard vlak nadat een CD is aangebracht of de uitwerptoets is ingedrukt. Als de speler wordt verwijder voordat een handeling volledig is uitgevoerd kan de CD beschadigd raken.
Probeer geen CD aan te brengen als de speler uit het dashboard is verwijderd of de voedingsspanning is uitgeschakeld.
ONDERHOUD VAN DE CASSETTETAPES
Houd uw CD's schoon

Vingerafdrukken, stof en vuil op het oppervlak van de CD's kunnen overslaan tijdens het afspelen veroorzaken. Veeg het oppervlak schoon met een schone zachte doek. Als het oppervlak ernstig vervuild is, kan het worden schoongemaakt met een schone zachte doek die is bevochtigd met een mild, neutraal oplosmiddel. Zie de afbeelding.
SR040G1-FX

Een juiste behandeling van de cassetetapes verlengt de levensduur en verhoogt uw luisterplezier. Stel uw tapes niet bloot aan direct zonlicht, extreme koude of stoffige omstandigheden. Bewaar de cassettes altijd in hun doosjes.
Onder extreem hoge of lage temperaturen moet worden gewacht tot het interieur tot een normale waarde is opgewarmd resp. Afgekoeld voordat u een tape afspeelt. Neem de cassette uit het toestel als hij niet wordt gebruikt. Dit voorkomt beschadigingen aan de cassettespeler en de cassettetape.
Wij adviseren dringend het gebruik van C-60 cassettes (60 minuten speelduur). De C-120 of C-180 cassettetape is extreem dun waardoor deze in het mechanisme kan vastlopen.

o Het label op de cassette mag niet los zitten, omdat dit het uitwerpen van de cassette bemoeilijkt.
o Raak de tape niet aan en let er tevens op dat de tape niet vochtig wordt.
o Houd alle magnetische voorwerpen zoals elektromotoren, luidsprekers of transformators uit de buurt van uw casset tetapes en cassettespeler.
2 INSTRUMENTEN & BEDIENINGSORGANEN
50
o Bewaar de cassettes op een koele en droge plaats met de open zijde naar beneden gekeerd zodat wordt voorkomen dat stof binnendringt.
Voorkom het herhaald snel terugspoelen voor het opnieuw weergeven van een bepaald muziekgedeelte. Dit kan op den duur het slecht opspoelen van de cassette tot gevolg hebben en ook van invloed zijn op de geluidsweergave. Soms kan dit worden gecorrigeerd door de tape enkele malen geheel op- en af te spoelen. Als dit niet het gewenste resultaat oplevert, mag de cassette niet meer worden gebruikt.

o Na verloop van tijd zet zich op de weergavekop, de capstan en de geleidingen vuil af hetgeen van invloed is op de geluidskwaliteit. Hierdoor kan bijvoorbeeld een "zwevend" geluid ontstaan. Maak daarom éénmaal per maand gebruik van een reinigingscassette of van speciaal daarvoor verkrijgbare produkten. Volg hierbij de gebruiksaanwijzing van de fabrikant strikt op. De onderdelen van de cassettespeler mogen niet worden gesmeerd.
o Controleer altijd of de tape strak ligt voordat hij in de cassettespeler wordt aangebracht. Is dit niet het geval steek dan een potlood in de spoelopening en draai de cassetteape strak.

Controleer alvorens de cassette aan te brengen of de band strak op de spoelen zit.
Als dit niet zo is, trek hem dan strak door een van de spoelen met een potlood of een vinger te verdraaien. Breng de cassette niet aan als het label loszit, omdat het mogelijk is dat dit het aandrijfmechanisme blokkeert als wordt geprobeerd de cassette te verwilderen.
Zorg ervoor dat cassettes niet worden blootgesteld aan hoge temperaturen of een hoge vochtigheid, bijv. bovenop het dashboard of in het toestel.
ANTENNE
51
Wanneer een cassette erg koud of warm is, moet worden gewacht tot deze weer de normale temperatuur heeft bereikt alvorens hem in het toestel aan te brengen.
SR05081-FX
Handbediende antenne

De wagen is voorzien van een handbediende roestvrijstalen antenne voor het ontvangen van zowel AM als FM signalen. Trek de antenne uit zoals op de afbeelding wordt aangegeven.
N.B.: Let erop dat de antenne geheel is ingeschoven voordat u een automatische wasinstallatie of een lage ruimte binnenrijdt.
YB79002-AX
Elektrische antenne
(Indien aanwezig)

De antenne zal automatisch omhoog komen zodra de radio wordt aangezet, en de contact sleutel op "ON" of "ACC" staat. De antenne zal automatisch terug gaan als de radio wordt uitgezet, of het contactslot op "LOCK" wordt gezet.
2 INSTRUMENTEN & BEDIENINGSORGANEN
52

LET OP:
o Voordat u de radio aanzet zorg ervoor dat niemand door de antenne gewond kan raken.
o Zorg ervoor dat de antenne is ingeduwd als de auto door een wasstraat gaat of onder een laag voorwerp doorrijdt.
o Houd de antenne schoon l.v.m.
gebreken voorkoming.
RIJDEN MET UW HYUNDAI
Alvorens de motor te starten 3-2
Veiligheidsvoorschriften M.B.T.
Uitlaatgassen tijdens het starten en rijden met het voertuig.... 3-2
Start-/contactslot met stuurslot.... 3-3
Sleutelstanden 3-3
Het starten van de motor.... 3-5
Handgeschakelde versnel-lingsbak 3-8
Automatische transmissie 3-10
Rijden met de elektronisch geregelde dual- range automatische transaxle 3-14
Remsysteem 3-16
Anti-blokkeersysteem 3-20
Parkeerhulp systeem 3-21
Economisch rijden 3-22
Bochten 3-25
Rijden onder winterse omstandigheden 3-25
Gelimiteerd slipdifferentieel 3-30
3 RIJDEN MET UW HYUNDAI
2
ALVORENS DE MOTOR TE STARTEN
C020A01O-GXT
Voer alvorens de motor te starten altijd de volgende controles uit:
- Controleer de wagen op lekke banden, olie- of koelvloeistoflekkage of andere tekenen van mogelijke problemen.
- Controleer of alle ruiten en lampen schoon zijn.
- Controleer na het instappen of de handrem is aangetrokken.
- Controleer de stand van de achteruitkijkspiegel en de buitenspiegels en controleer of ze schoon zijn.
- Controleer of de stoel, rugleuning en hoofdsteun in de juiste stand staan.
- Controleer of alle portieren gesloten zijn.
-
Gesp uw veiligheidsgordel om en controleer of alle inzittenden de veiligheidsgordel hebben omgegespt.
-
Schakel verlichting en accessoires uit die niet benodigd zijn.
- Controleer met de contactsleutel in de stand "ON" of de betreffende controlelampen branden en of er voldoende brandstof in de tank aanwezig is.

Om zorg te dragen voor voldoende vacuum voor de rembekrachtiging bij een koude start, is het noodzakelijk de motorna het starten even stationair te laten lopen.
VEILIGHEIDSVOORSCHRIFTEN M.B.T. UITLAATGASSEN TIJDENS HET STARTEN EN RIJDEN MET HET VOERTUIG
D010A01P-GXT
- Adem geen uitlaatgassen (koolmonoxide) in tijdens het starten of tijdens de rit. Koolmonoxide is kleurloos en reukloos en kan bewusteloosheid en zelfs de dood veroorzaken.
- Open alle ruiten van het voertuig en sluit de achterdeur als u in de auto uitlaatgassen ruikt. Spoor onmiddellijk de oorzaak op en laat het defect verhelpen.
- Controleer het uitlaatsysteem regelmatig op lekkage en slechte bevestiging. Laath het uitlaatsysteem controleren als het uitlaatgeluid verandert of als de uitlaat iets heeft geraakt.
- Laat de motor in een garage of afgesloten ruimte niet langer draaien dan nodig is om de motor te starten en weg te rijden. Uitlaatgassen in een afgesloten ruimte vormen een ernstig gevaar.
START-/CONTACTSLOT MET STUURSLOT
SLEUTELSTANDEN
3
- Vermijd langdurig stationair draaien met personen in het voertuig. Indien dit toch noodzakelijk is, moet dit in de buitenlucht gebeuren. Stel het ventilatiesysteem zodanig in dat frisse lucht de auto kan binnenstromen.
- Zorg ervoor dat de ventilatie-inlaatopeningen bij de voorruit vrij zijn van sneeuw, ijs, bladeren en andere belemmeringen zodat het ventilatiesysteem correct kan functioneren.
- Houd tijdens het rijden de achterklep gesloten. Door een niet goed gesloten achterklep kunnen uitlaatgassen naar binnen worden gezogen. Indien toch moet worden gereden met geopende achterklep, omdat bijvoorbeeld een groot voorwerp moet worden vervoerd, moeten de ruiten worden gesloten en de ventilatie-openingen in het dashboardworden geopend, zodat via het ventilatiesysteem frisse lucht het interieur binnenstroomt. Zet de aanjager in de hoogste stand en de luchtragselschuif in de stand "Fresh". (Minibus, Bestel bus)
C030A02A-GXT De motor starten:
o Zet bij de handgeschakelde versnellingsbak het versnellingshandel in neutraal en druk het koppelingspedaal volledig in.
o Zet bij een automatische transmissie de keuzehandel in de stand "P" (parkeerstand).
o Draai de contactsleutel in de stand "START" en laat hem los zodra de motor aanslaat. Bedien de startmotor niet langer dan 15 seconden achtereen.
N.B.:
Om veiligheidsredenen kan de motor alleen gestart worden als de keuzehandel in de stand "P" of "N" staat (automatische transmissie).
SC050A1-FX

WAARSCHUWING:
Als de wagen rijdt mag de motor niet worden afgezet en mag de contactsleutel niet worden verwijderd, omdat het stuurslot dan wordt ingeschakeld.

o "START"
In deze stand wordt de motor gestart. De startmotor blijft draaien totdat de sleutel wordt losgelaten.
3 RIJDEN MET UW HYUNDAI
4
N.B.:
Bedien de startmotor niet langer dan 15 seconden achtereen.
o "ON"
In deze stand is de ontsteking ingeschakeld en kunnen alle elektrische accessoires in werking worden gesteld. Als de motor niet draaît mag de contactsleutel niet in de "ON" stand blijven staan. Hierdoor wordt de accu ontladen en kan schade aan het ontstekingssysteem ontstaan.
N.B.:
Zie voor meer informatie de rubriek "Starten van de motor".
o "ACC"
Met de contactsleutel in de stand "ACC" kunnen de radio en sommige andere elektrische verbruikers worden ingeschakeld.
o "LOCK"
In deze stand kan de contactsleutel worden verwijderd of aangebracht. Als beveiliging tegen diefstal treedt het stuurslot in werking als de contactsleutel wordt verwijderd.
N.B.:
Om het stuurwiel te ontgrendelen moet de contactsleutel worden aangebracht en moeten het stuurwiel en de sleutel gelijktijdig worden gedraaid.
SC090D1-FX
Het verwijderen van de contactsleutel (Handgeschakelde versnellingsbak) (Indien gemonteerd)

- Plaats de contactsleutel in de stand "ACC".
- Druk de contactsleutel in en draai deze tegelijkertijd tegen de klok in van stand "ACC" naar stand "LOCK".
- De sleutel kan in de stand "LOCK" verwijderd worden.
HET STARTEN VAN DE MOTOR
C050A01A-GXT Met Benzine-Injectie


WAARSCHUWING:
Laat de motor nooit in een gesloten of slecht geventilleerde ruimte draaien. Koolmonoxyde is reukloos en kan fataal zijn.
CD51A01O-AXT
HET STARTEN VAN DE DIESELMOTOR
KOUDE MOTOR
o Zet het contact aan en wacht tot de controlelamp van het voorgloeisysteem dooft.
o Bedien de startmotor tot de motor aanslaat.
MOTOR WARM
o Bedien de startmotor. Als de motor niet bij de eerste poging aanslaat, wacht dan enkele seconden en laat het contact aan zodat het voorgloeisysteem werkt.
C050B02S-GXT
NORMALE STARTPROCEDURE
- Breng de contactsleutel aan en gesp de veiligheidsgordel om.
- Zet de versnellingshandel in neutraal (handgeschakelde versnellingsbak) of de keuzehandel in stand P (automatische transmissie).
- Controleer of de controlelampen en de instrumenten goed werken nadat de contactsleutel in de stand "ON" is gedraaid.
- Draai, bij voertuigen met een controlelamp voor het voorgloeiën, de contactsleutel in de stand "ON". Eerst zal de controlelamp rood oplichten en daarna doven, hetgeen betekent dat het voorgloeiën heeft plaatsgevonden en de motor kan worden gestart.
Amber lamp ON
Amber lamp OFF


C050B01HP
N.B.:
De groene verlichting zal na een bepaalde tijd vanzelf doven. Het voorgloeien wordt dan beeindigd om de accu niet onnodigte belasten. Om de motor te kunnen starten wanneer de groene verlichting reeds is gedoofd, moet de sleutel eerst weer in de stand "LOCK" worden gedraald en daarna opnieuw in de stand "ON" zodat de gloeibougies op temperatuur worden gebracht.

WAARSCHUWING:
Verzeker u ervan dat de koppeling volledig is ingetrapt als de motor bij een handgeschakelde auto gestart wordt.
Anders bestaat de mogelijkheid dat er in of buiten de auto lemand schade oploopt ten gevolge van de voor-of achteruitbeweging van de auto als de koppeling niet geheel is ingetrapt tijdens het starten.
- Draai de contactsleutel in de stand "Start" en laat de sleutel los zodra de motor aanslaat.
D040A01P-GXT
Tips voor het starten
o Start niet langer dan 10 seconden achtereen, zodat de accu niet wordt ontladen. Wanneer de motor niet binnen 10 seconden aanslaat, draai de sleutel dan weer in de stand "LOCK", wacht enkele minuten en bedien de startmotor nogmaals.
o Indien de motor niet kan worden gestart van wege een slechte of slecht geladen accu, raadpleeg dan "Starten met Hulpstartkabels" in het hoofdstuk "In Geval van Pech".
o Laat de motor niet onnodig lang stationair draaien, maar rijd zo spoedig mogelijk met het voertuig weg.
Indien sprake is van zeer lage buitentemperaturen moet de motor tijdens de opwarmfase versneld stationair draaien om een goede oliecirculatie te waarborgen.

ATTENTIE:
o Laat de motor geen hoge toerentallen draalen en rijd niet met hoge snelheid voordat de motor op bedrijfstemperatuur is.
o Laat de contactsleutel direct los wanneer de motor is gestart, teneinde beschadiging van de startmotor te voorkomen.
D041A02P-GXT
STARTEN EN UITZETTEN VAN DE MOTOR MET TURBOCOMPRESSOR EN TURBOCOMPRESSOR MET TUSSENKOELER (Indien aanwezig)
(1) Laat de motor direct na de start niet snel draaien en geef niet plotseling gas. Als de motor koud is moet hij enkele seconden stationair draaien voordat wordt weggereden, zodat een voldoende smering van de turbocompressor gewaarborgd is.
(2) Nadat met hoge snelheden of langdurig is gereden, waarbij de motor zwaar is belast, moet de motor even stationair draaien, zoals in onderstaande tabel is aangeven, voordat deze wordt afgezet. Door dit stationair draaien kan de turbocompressor afkoelen voordat de motor wordt afgezet.
| Rij-omstandigheden | Tijd voor stationair draalen | |
| Normaal | Niet nodig | |
| Hoge snelheid | Tot 80 km/h | Ca. 20 seconden |
| Tot 100 km/h | Ca. 1 minuut | |
| Rijden in heuvelachtig terrein of langdurig sneller dan 100 km/h | Ca. 2 minuut | |

WAARSCHUWING:
Zet de motor niet direct af nadat hij zwaar belast is. Hierdoor kan ernstige schade aan de motor of de turbocompressor ontstaan.

RUDEN MET UW HYUNDAI
8
Uw Hyundai is voorzien van een versnellingsbak met conventioneel schakelpatroon. Dit schakelpatroon is op de knop van de versnellingshandel aangebracht. De versnellingsbak is geheel gesynchroniseerd voor alle vooruitversnellingen hetgeen het schakelen naar een hogere of lagere versnelling vergemakkelijkt.
N.B.:
o Voor het inschakelen van de achteruitver-snelling moet de versnellingshandel tenminste 3 seconden in de neutraalstand staan nadat de wagen tot stilstand is gebracht. Schakel hierna de achteruitversnelling in.
o Bij lage temperaturen kan het schakelen wat zwaarder gaan tot de versnellingsbakolie is opgewarmd. Dit is normaal en niet schadelijk voor de versnellingsbak.
o Als de eerste of de achteruitversnelling moeilijk kan worden ingeschakeld, zet de versnellingshendel dan in neutraal en laat het koppelingspedaal opkomen. Druk het pedaal vervolgens opnieuw in en schakel de eerste/achteruitversnelling in.
o Laat uw hand tijdens het rijden niet op de versnellingshendel rusten, omdat dit voortijdige slijtage van de schakelvorken tot gevolg kan hebben.

LET OP:
Wanneer men terugschakelt van de vijfde naar de vierde versnelling, dient men er goed op te letten dat men niet naar de tweede versnelling schakelt. Zo'n drastische terugschakeling kan ervoor zorgen dat het motortoerental oploopt tot het punt dat de toerenteller de rode zone ingaat. Zo'n hoog toerental kan beschadiging aan de motor veroorzaken.
D050B01P-GXT
Gebruik van de koppeling
Druk het koppelingpedaal altijd geheel tot de bodem in voordat u schakelt en laat het koppelingpedaal na het schakelen langzaam opkomen. Laat uw voet tijdens het rijden niet op het koppelingpedaal rusten, daar dit tot overmatige slijtage van de koppeling zal leiden. Laat de koppeling niet slippen om het voertuig op een helling staande te houden; gebruik hiervoor de parkeerrem, zodat onnodige koppelingslijtage wordt voorkomen.
Laat de koppeling niet "slippen" of schoksgewijs aangrijpen en gebruik het koppelingpedaal niet onnodig vaak.
C070E03A-GXT
AANBEVOLEN
SCHAKELSNELHEDEN
| Versnelling | Aanbevolen snelheid km/u |
| 1-2 | 20 |
| 2-3 | 40 |
| 3-4 | 55 |
| 4-5 | 75 |
De hierboven aangegeven schakelpunten worden aanbevolen voor een optimaal brandstofverbruik en voor optimale prestaties.
C070D02O-AXT
De julste rijstiji
o Laat altijd een versnelling ingeschakeld en laat het voertuig nooit in neutraal van een helling afrijden. Dit is uiterst gevaarlijk.
o Gebruik tijdens afdalingen niet constant de remmen, maar verminder tevoren uw snelheid en schakel een lagere versnelling in zodat het voertuig op de motor kan worden afgeremd.
o Verminder snelheid alvorens naar een lagere versnelling over te schakelen; hierdoor worden te hoge toerentallen en dus motorschade vermeden.
o Matig uw snelheid wanneer sprake is van veel zijwind; hierdoor wordt de koersstabiliteit verhoogd en de besturing vergemakkelijkt.
o Zorg altijd dat het voertuig geheel stilstaat voordat u de achteruit inschakelt, anders wordt grote schade toegebracht aan de versnellingsbak. Druk voor het inschakelen van de achteruitversnelling het

RIJDEN MET UW HYUNDAI
10
koppelingpedaal geheel in, zet het versnellingshandel in neutraal en schakel vervolgens de achteruit in.
o Wees bijzonder voorzichtig bij het rijden op een glad wegdek. Dit geldt vooral bij het remmen, optrekken en het schakelen. Wanneer op een glad wegek het motortoerental abrupt wordt gewijzigd kunnen de aangedreven wielen de grip verliezen waardoor het voertuig in een slip raakt.
WAARSCHUWING:
o Voorkom hoge bochtsnelheden.
o Maak geen s
stuurwielbewegingen, zoals
plotseling van rijbaan veranderen
of snelle scherpe bochten.
o Draag altijd veiligheidsgordels. Bij een ongeval heeft een Inzittende die geen veiligheidsgordel gebruikt duidelijk meer kans op ernstig letsel dan iemand die wel een veiligheidsgordel gebruikt.
o Als bij hogere snelheden de macht over het stuur verloren gaat, neemt de kans op omkantelen sterk toe.
o De macht over het stuur gaat vaak verloren als twee of meer wielen naast de weg komen en de bestuurder het stuur te ver verdraait om weer op de weg terug te komen.
o Als de auto naast de weg raakt, moet niet scherp worden teruggestuurd, maar moet de snelheid worden verminderd voordat wordt geprobeerd om de auto weer op de weg terug te ple krijgen.
o Nooit de geld
snelheidslimiet overschrijden.
AUTOMATISCHE TRANSMISSIE
D060AD1P-GXT
(Minibus/Bestelbus) (Indien aanwezig)

De hoogwaardige Hyundai automatische transmissie heeft vier versnellingen vooruit en een achteruit en heeft een conventioneel schakelpatroon zoals hieronder is afgebeeld. Bij ingeschakelde verlichting is ook het symbool dat de keuzestand aangeeft verlicht.

ATTENTIE:
Schakel nooit de standen "R" of "P" in terwijl het voertuig nog rijdt.

HSR3083A

Druk het rempedaal in en druk de ontgrendelingsknop in tijdens het schakelen

Ontgrendelingsknop indrukken tijdens het schakelen.

De keuzehandel kan zonder het indrukken van deze knop worden verplaatst.
Druk voor een gunstig brandstofverbruik het gaspedaal gelijkmatig in. De automatische transmissie schakelt automatisch de tweede, derde en overdrive versnelling in.
DD60B01P-GXT
Standen van het keuzehandel:
o P (Parkeerstand):
Plaats het keuzehandel in de stand "P" voor het parkeren of het starten van de motor. Bij het parkeren moet bovendien de parkeerrem worden aangetrokken.

ATTENTIE:
Plaats het keuzehandel nooit in de stand "P" als het voertuig nog rijdt. Dit kan ernstige schade tot gevolg hebben.
D060C01P-GXT
o R (Achteruit):
Stand voor achteruitrijden; deze stand mag uitsluitend bij geheel stilstaand voertuig worden gekozen.
D080D01P-GXT
o N (Neutraalstand):
In deze stand vindt geen aandrijving plaats. De motor kan worden gestart. Dit is echter niet raadzaam tenzij de motor afslaat en de wagen nog rijdt.
D060E01P-GXT
o D (Rijstand):
Dit is de normale rijstand. De transmissie schakelt automatisch op de meest gunstige en economische momenten de juiste versnelling in. Schakel nooit met de hand terug naar stand "2" of "L" als de rijsnelheid hoger is dan 96 km/h.
3 RIJDEN MET UW HYUNDAI
12
D080F01P-GXT
Kies deze stand voor het rijden op een glad wegdek, voor het bergopwaarts rijden of voor het afremmen op de motor. De transmissie schakelt automatisch tussen de eerste en de tweede versnelling. Dit houdt ook in dat het opschakelen naar de derde versnelling in principe niet plaatsvindt, tenzij het motortoerental te hoog wordt. Zet het keuzehandel weer in de stand "D" zodra de omstandigheden dit toelaten.
D080G01P-GXT
Kies deze stand voor het oprijden of afdalen van zeer steile hellingen waarbij maximaal op de motor moet worden afgeremd. Als deze stand wordt gekozen blijft de transmissie in de tweede versnelling tot de rijsnelheid zodanig is dat de eerste versnelling kan worden ingeschakeld. Rijd niet sneller dan 50 km/h met het keuzehandel in de stand "L".
De transmissie zal niet overschakelen naar de tweede of derde versnelling, tenzij het motortoerental te hoog wordt. Zet het keuzehandel weer in de stand "D" zodra de omstandigheden dit toelaten.
D060H02P-GXT
o P (Parkeerstand):
Zet het handel in deze stand wanneer het voertuig geparkeerd staat en tevens bij het starten en een eventuele opwarmfase van de motor.
o N (Neutral):
De motor kan in deze stand worden gestart, maar uit veiligheidsoverwegingen adviseren wij u gebruik te maken van de "P" stand.
N.B.:
o Bij het inschakelen van een vooruit- of de achteruit versnelling vanuit "N" of "P" is het aan te bevelen het rempedaal in te drukken.
o Het keuzehandel kan vanuit de stand "P" naar een andere stand worden verplaatst als de contactsleutel in de stand "ON" staat en het rempedaal geheel is ingedrukt.
o Het is altijd mogelijk om vanuit de stand "R", "N" of "D", naar de stand "P" te schakelen. Om schade aan de transmissie te vo orkomen moet de auto hierbij stilstaan.

ATTENTIE:
o Schakel alleen in "R" of "P" wanneer het voertulg geheel stilstaat.
o Breng de motor niet op toeren bij ingeschakelde versnelling (vooruit of achteruit) terwijl het rempedaal of de parkeerrem worden bediend.
o Als van stand "P" of "N" de stand "R", "2" of "L" wordt ingeschakeld moet het rempedaal worden ingedrukt.
Gebruik stand "P" niet als vervanging van de parkeerrem. Trek, wanneer u het voertulg verlaat, ook al is dit maar voor korte tijd, altijd de parkeerrem aan, zet het keuzehandel in "P" en zet het contact af. Laat het voertuig nooit onbewaakt achter met draaiende motor.
o Controleer het vloeistofpeil van de automatische transmissie regelmatig en vul zonodig de juiste ATF vloeistof bij.
DD00A01P-GXT
OVERDRIVE SCHAKELAAR (Indien aanwezig)

Zodra de overdriveschakelaar wordt bediend schakelt de transmissie automatisch de tweede, derde en overdrive versnellingen in. Als de overdriveschakelaar wordt uitgeschakeld wordt de overdriveversnelling niet ingeschakeld. Onder normale rij-omstandigheden moet het keuzehandel in de stand "D" staan en moet de overdriveschakelaar zijn ingeschakeld. Voor het verplaatsen van het keuzehandel kan het nodig zijn de ongtrendelingsknop aan de zijkant in te drukken.
Voor een snelle acceleratie moet het gaspedaal geheel worden ingedrukt. Afhankelijk van de rijsnelheid schakelt de transmissie terug naar een lagere versnelling.
N.B.:
Maak gebruik van de overdrive voor een gunstig brandstofverbruik en comfortabel rijden. Als op de motor moet worden afgeremd moet stand "D" worden gekozen; dit geldt ook als herhaaldelijk tussen de derde en vierde versnelling wordt geschakeld; bijvoorbeeld bij het oprijden van een licht helling. Schakel de overdrive zo snel mogelijk weer in.

RUDEN MET UW HYUNDAI
14
RIJDEN MET DE ELEKTRONISCH GEREGELDE DUAL-RANGE AUTOMATISCHE TRANSAXLE
D070A01P-GXT
(Indien aanwezig)

Voor uw Hyundai is een elektronisch geregelde dual-range (power/normaal) automatische transmissie met 4 versnellingen leverbaar.
Afhankelijk van de rij-omstandigheden kan de schakelaar in de stand "NORMAL", "POWER" of "HOLD" worden gezet; voor normaal of sportief rijden, of als de ingeschakelde versnelling moet worden vastgehouden.
Elke keer dat de schakelaar wordt ingedrukt, wordt afwisselend de stand "NORMAL", "POWER" of "HOLD" ingeschakeld. De "POWER" (PWR) en "HOLD" controlelampen in het
instrumentenpaneel gaan aan of uit. Rijd onder normale omstandigheden in de stand "NORMAL", waarbij de schakelaar niet is ingedrukt. (De "POWER" (PWR) en "HOLD" controlelampen branden niet.)
D070B01P-GXT
"Normal" functle
De "Normal" stand geeft een rustig en zacht schakelverloop en een economisch brandstof verbruik. Zet de schakelaar in de "Normal" positie. Zet de selectie handle in de stand "D" en druk het gaspedaal langzaam in, de auto zal nu rustig weg rijden. Indien een snelle acceleratie gewenst wordt, moet het gaspedaal dieper worden ingedrukt.
D070C01P-GXT
"Power" functie

In de stand "Power" kan het volle motorvermogen worden benut voor maximum acceleratie en rijprestaties. De "Power" functie wordt aanbevolen als met hogere snelheden dan in de stand "Normal" wordt gereden, bij het rijden in bergachtige gebieden en voor snel accelereren. Zet hiervoor de schakelaar in de stand "Power".
D070D01P-GXT
"Hold" functle

Selecteer de "Hold" functie wanneer moet worden weggereden op een glad wegdek (sneeuw o.i.d.). De wagen rijdt zonder schokken in de tweede versnelling weg.
Bijingedrukte "Hold" schakelaar, brandt de "Hold" controlelamp in het instrumentenpaneelen de transmissie schakelt alleen in de 2e en 3e versnelling, zoals in de tabel is aangegeven.
| Stand | Ingeschakelde versnelling |
| 1 | 2 |
| 2 | 2 |
| 3 | 3 |
| 4 | 3 |
D070E02P-GXT
Een goede rlijstijl
o Plaats bij ingedrukt gaspedaal het keuzehandel vanuit een rijstand nooit in de stand "P" of "N".
o Plaats het handel nooit in de stand "P" wanneer de wagen rijdt.
o Zorg dat de wagen stilstaat voordat stand "R" wordt ingeschakeld.
o Zet het keuzehandel nooit in de stand "N" tijdens het bergafwaarts rijden. Dit is uiterst gevaarlijk. Laat het keuzehandel altijd in een rijstand staan.
o Bedien niet contstant de voetrem bij het bergafwaarts rijden; dit kan oververhitting van de remmen veroorzaken, zodat zij niet meer goed functioneren. Neem voor het bergafwaarts rijden tijdig gas terug en schakel een lagere versnelling
in. Hierdoor remt het voertuig op de motor af.
o Neem gasterug voordat u een lagere versnelling inschakelt. Anders is het mogelijk dat de lagere versnelling niet goed in aangrijping komt.
o Plaats het keuzehandel niet alleen in de stand "P" wanneer de auto wordt stilgezet, naar trek altijd de parkeerrem aan.
Wees bijzonder voorzichtig bij het rijden op een glad wegdek. Dit geldt vooral bij het remmen, optrekken en het schakelen. Wanneer op een glad wegdek het motorterental abrupt wordt gewijzigd kunnen de aangedreven wielen de grip verliezen waardoor het voertuig in een slip raakt.
o Een voertuig met een automatische versnellingsbak mag nooit met de voet op het gaspedaal tot stilstand gehouden worden op een helling. Gebruik daar altijd de rem of handrem voor.
REMSYSTEEM

LET OP:
o Als bij hogere snelheden de macht over het stuur verloren gaat, neemt de kans op omkantelen sterk toe.
o De macht over het stuur gaat vaak verloren als twee of meer wielen naast de weg komen en de bestuurder het stuur te ver verdraait om weer op de weg terug te komen.
o Als de auto naast de weg raakt, moet niet scherp worden teruggestuurd, maar moet de snelheid worden verminderd voordat wordt geprobeerd om de auto weer op de weg terug te krijgen.
o Bij een ongeval heeft een
inzittende die geen
veiligheidsgordel gebruikt
duidelijk meer kans op ernstig
letsel dan iemand die wel een
veiligheidsgordel gebruikt.
D150A01P-GXT
Alle onderdelen van het remsysteem zijn van groot belang voor de veiligheid. Laat het voertuig regelmatig door een officiële Hyundai dealer onderhouden volgens de richtijnen van het onderhoudsschema.
(1) De bedrijfsrem bedient twee gescheiden remcircuits zodat bij het uitvallen van een circuit, het voertuig kan worden afgeremd via het andere circuit. Als een remcircuit uitvalt door lekkage is dit merkbaar doordat het rempedaal dieper dan normaal moet worden ingedrukt; rijd in zo'n geval niet verder dan strikt noodzakelijk is en laat het remsysteem bij de dichtsbijzijnde HYUNDAI dealer repareren.
(2) Leg geen dikke mat vlakbij of onder het rempedaal; hierdoor is het mogelijk dat in een noodgeval niet over de volledige remdruk kan worden beschikt. Zorg ervoor dat het rempedaal altijd geheel vrij kan bewegen.
(3) Als het voertuig is uitgerust met een waarschuwingslampje voor de remvloeistof, zal dit gaan branden zodra het remvloeistofpeil te laag is.
(4) Als het voertuig is uitgerust met een rembekrachtiger moet worden bedacht dat de bekrachtiger bij afgezet contact zijn werking verliest na één of twee maar het rempedaal te hebben ingedrukt. Als dit gebeurt moet bij het remmen een veel grotere pedaalkracht worden uitgeoefend.

(5) Controleer na het wegrijden bij lage snelheid of de remmen normaal werken. Dit geldt vooral als de remmen nat zijn, omdat water op de remschijven of in de trommels, bijvoorbeeld na het rijden in de regen of op natte wegen of na het wassen van het voertuig, een normale remwerking belemmert. Zijn de remmen nat, druk het rempedaal dan, zonodig herhaaldelijk, licht in tijdens het rijden zodat het water verdampt.
(6) Maak zo mogelijk gebruik van de remwerking van de motor door naar een lagere versnelling over te schakelen bij het afrijden van steile hellingen. Zo blijven de wielremmen gespaard en raken ze niet oververhit.
(7) Controleer regelmatig of het waarschu-wingslampje voor het remvloeistofniveau goed werkt.
(8)Wanneer u met nieuwe remvoeringen rijdt, vermijd dan gedurende de eerste 200 km, zo mogelijk, hard remmen.
D120A01P-GXT
PARKEERREM

Wanneer u het voertuig parkeert, breng het dan eerst geheel tot stilstand en zet daarna het versnellingshandel in de eerste of achteruitversnelling.
- Om de parkeerem aan te trekken: trek de parkeerremhefboom omhoog zonder de vergrendelknop aan de voorzijde in te drukken.
- Om de parkeerrem vrij te zetten: trek de hefboom enigszins omhoog, druk de knop aan de voorzijde in en druk de hefboom vervolgens naar beneden.

ATTENTIE:
Zorg dat de parkeerrem geheel vrij is gezet en het waarschuwingslampje voor de parkeerrem is gedoofd, voordat u met het voertuig wegrijdt.
D100A01P-GXT
REMPEDAAL

Overmatig gebruik van het rempedaal kan tot "fading" leiden, hetgeen een slechte remwerking met zich meebrengt en versnelde remvoeringslijtage.
3 RIJDEN MET UW HYUNDAI
18
Wanneer van een lange en/of steile helling wordt afgedaald gebruikt u de motorrem door stand "2" (tweede versnelling) of "L" (lage versnelling) in te schakelen.
ATTENTIE: Laat uw voet tijdens het rijden niet op het rempedaal rusten wanneer remmen niet noodzakelijk is. Door een dergelijke gewoonte zullen de remmen abnormaal heet worden en extra snel slijten terwijl het remsysteem ernstig kan worden beschadigd.
D160A01P-GXT
PARKEREN
o Wanneer u op een heuvel parkeert, trek dan de parkeerrem geheel aan en zet het versnellingshandel in de eerste of achteruitversnelling. Gebruik ter verhoging van de veiligheid wielkeggen.
o Laat de motor niet gedurende langere tijd draaien in een gesloten of slecht geventileerde ruimte. Uitlaatgas bevat koolmonoxide dat reukloos, maar uiterst giftig en gevaarlijk is.
o Parkeer niet op plaatsen waar zich licht ontvlambare materialen bevinden; Door de hoge temperatuur kunnen deze materialen in de omgeving van de uitlaat (ook aan de achterzijde van het voertuig) zeer gemakkelijk vlam vatten.
D130A01P-GXT
BELADING
De belading mag niet zo zwaar zijn dat het maximum toelaatbare totaalgewicht wordt overschreden. De last moet zo gelijkmatig mogelijk over het voertuig worden verdeeld.
Als de last ongelijk over de rechter- en linkerzijde of voor- en achterzijde is verdeeld zal de koersstabiliteit verminderen.
Vermijd plotseling optrekken, bruusk remmen en het nemen van scherpe bochten.
D110A01P-GXT
JUIST GEBRUIK VAN DE REMMEN

WAARSCHUWING:
Plaats geen voorwerpen op de afdekking van de laadruimte achter de achterbank. Bij een aanrijding of plotselling remmen kunnen dergelijk voorwerpen naar voren worden geslingerd waardoor de inzittenden verwondingen kunnen oplopen of het voertuig wordt beschadigd.
o Controleer voor het wegrijden of de parkeerrem vrij is gezet en de controlelamp voor de parkeerrem niet brandt.
o Bij het rijden in de regen of door plassen en bij het wassen van de wgen, kunnen de remmen nat worden. Natte remmen hebben een langere remweg tot gevolg en kunnen er voor zorgen dat de wagen bij het remmen scheeftrekt. Druk, om de remmen te drogen voorzichtig enigszins op het rempedaal tot de normale remwerking weer is
hersteld. Heeft dit geen resultaat, zet het voertuig dan zo snel mogelijk stil en neem contact op met uw Hyundai dealer voor assistentie.
o Plaats het versnellingshandel niet in neutraal als u bergafwaarts rijdt. Dit kan gevaarlijk zijn. Houd altijd een versnelling ingeschakeld, rem het voertuig af en schakel vervolgens naar een lagere versnelling zodat op de motor kan worden afgeremd.
o Laat uw voet niet op het rempedaal rusten tijdens het rijden. Dit kan gevaarlijk zijn doordat de remmen te heet kunnen worden en hierdoor niet meer optimaal functioneren. Tevens kan het remsysteem hierdoor worden beschadigd.
o Als u een lekke band krijgt, druk dan het rempedaal licht in en zorg dat het voertuig op de weg blijft terwijl snelheid wordt verminderd. Zet het voertuig, zodra dit mogelijk is, aan de kant op een veilige plaats.
o Indien uw voertuig is uitgerust met automatische transmissie, laat hem dan niet "kruipen", maar vermijd dit door uw voet op het rempedaal te houden wanneer het voertuig tot stilstand is gekomen.
o Wees voorzichtig bij het parkeren op een helling. Trek de parkeerrem aan en plaats het keuzehandel in de stand "P" (automatische transmissie) of in de eerste of achteruitversnelling (handgeschakelde versnellingsbak). Als u het voertuig op een helling parkeert, draai dan de voorwielen in een zodanige stand dat de wagen niet kan wegrollen. Leg zonodig blokken voor of achter de wielen.
o Een aangetrokken parkeerrem kan onder bepaalde omstandigheden vastvriezen. Deze kans bestaat wanneer zich sneeuw of ijs om of bij de achterremmen heeft opgehoopt of als de remmen nat zijn. Als u denkt dat de kans op bevriezing bestaat, gebruik de parkeerrem dan alleen tijdelijk wanneer u het keuzehandel in de stand "P" plaatst (automatische transmissie) of het versnellingshandel in de eerste of achteruitversnelling (handgeschakelde versnellingsbak) en de wielen blokkeert zodat het voertuig niet kan wegrollen.
Zet de parkeerrem daarna weer vrij.
D140A02P-GXT
ANTI-BLOKKEERSYSTEEM (Indien van toepassing)
Het anti-blokkeersysteem (ABS) is ontworpen om, tijdens plotseling remmen of bij gevaarlijke wegomstandigheden, het blokkeren van wielen te voorkomen.
Een regeleenheid registreert de snelheid van het wiel en controleert de druk naar iedere rem. Op deze wijze zal, in een noodsituatie of bij een glad wegdek, het anti-blokkeersysteem de controle over het voertuig tijdens het remmen verbeteren.
N.B.:
Indien het anti-blokkeersysteem in werking treedt, kan aan het rempedaal enig schokken worden gevoeld. Ook is een geluid vanuit het motorcompartiment hoorbaar. Dit zijn normale verschijnselen ten teken dat het anti-blokkeersysteem goed functioneert.

WAARSCHUWING:
Het ABS voorkomt geen ongelukken als gevolg van onjulst en gevaarlijk rijgedrag. Zelfs al is de beheersing van de auto tijdens noodremmingen verbeterd, toch moet altijd een veilige afstand worden aangehouden. Onder extreme wegomstandigheden moet de snelheid altijd worden verminderd. Onder de volgende omstandigheden kan de remweg voor auto's met ABS zelfs langer zijn dan voor auto's zonder ABS.
o Op wegen met een ruwe wegdek of als ze zijn bedekt met grind of sneeuw.
o Bij het rijden sneeuwkettingen.
o Op wegen waar kullen in het wegdek zijn of waar de hoogte van het wegdek ongelijk is.
Op deze wegen moet met verminderde snelheid worden gereden. De elligheidsvoorzleningen van een auto met ABS mogen niet worden uitgeprobeerd bij hoge snelheid of in bochten. Hierdoor kan de veiligheid van uzelf of van anderen in gevaar komen.
PARKEERHULP SYSTEEM
RIJDEN MET UW HYUNDAI 3
21
C400A01P-GXT
(Indien gemonteerd)

De parkeerhulp helpt de bestuurder bij het achteruitrijden door te controleren of zich binnen 1200 mm achter de auto een voorwerp bevindt. Dit systeem dient alleen ter ondersteuning.
N.B.:
o De parkeerhulp moet worden beschouwd als een ondersteunend systeem. De bestuurder moet de achterzijde ook visueel controleren.
o Het geluidssignaal kan afwijken en is afhankelijk van het gesignaleerde voorwerp.
o Het is mogelijk dat het geluidssignaal niet klinkt als vocht op de sensor is bevroren of de sensor is bedekt met vuil of modder.
o Het is mogelijk dat de parkeerhulp onjuist werkt op een onregelmatig wegdek, zoals in bossen, op steenslagwegen, een verkant wegdek of op een helling.
o Druk niet op het sensoroppervlak en bekras het oppervlak niet. Hierdoor wordt de bescherming beschadigd.
o Het is mogelijk dat de sensor scherpe voorwerpen en dikke winterjassen of andere materialen, die de golven absorberen, niet opmerkt.
o Reinig vuile sensoren met een zachte spons en schoon water.
o Als tegelijkertijd meer dan één voorwerp wordt gesignaleerd, dan wordt het dichtstbijzijnde het eerst herkend.
o Als deze voorwerpen zeer dichtbij zijn (ongeveer 300 mm), dan kan het zijn dat deze niet door het systeem worden gesignaleerd.

WAARSCHUWING:
Als geen geluidssignaal wordt gehoord of als de zoemer een pulserend geluidssignaal geeft als de "R" wordt ingeschakeld, dan geeft dit een storing in de parkeerhulp aan. Laat in dat geval uw auto zo snel mogelijk door een Hyundai dealer controleren.
3 RIJDEN MET UW HYUNDAI
22
C400B01P-GXT
Werking van de parkeerhulp
Bedrijfsomstandigheden:
o De parkeerhulpschakelaar moet zijn ingedrukt als het contactslot in de stand "ON" staat.
o De maximale afstand dat een voorwerp wordt gesignaleerd tijdens achteruit rijden is ongeveer 1200 mm.
| 1ste waarschuwing | 2de waarschuwing | 3de waarschuwing | |
| Waanzenafstand | ong. 12001st810 mm vanaf de achterbumper | ong. 8001st410 mm vanaf de achterbumper | ong. 400 mm |
| Geluidsignaal | Pulsarond geluid | Smaller pulsarond geluid | Continu geluid |
ECONOMISCH RIJDEN
SC150A1-FX
Als u onderstaande richtlijnen opvolgt maakt u het meest economische gebruik van uw wagen mogelijk:
o Rijd gelijkmatig. Vermijd snel accelereren. Geef gelijkmatig gas tot de gewenste snelheid is bereikt en houd deze snelheid zoveel mogelijk constant. Vermijd snel accelereren tussen verkeerslichten. Pas uw snelheid aan de rest van het verkeer aan zodat u niet onnodig hoeft te schakelen. Vermijd zoveel mogelijk druk verkeer. Houd een veilige afstand tot andere voertuigen zodat u niet onnodig hoeft te remmen. Hierdoor vermindert u tevens slijtage aan het remsysteem.
o Vermijd hoge snelheden. Hoe sneller u rijdt, hoe meer brandstof wordt verbruikt. Het rijden met gelijkmatige snelheden, vooral op autosnelwegen, is een van de meest effectieve manieren om het brandstofverbruik te verlagen.
o Laat uw voet niet op het rem-of koppelingpedaal rusten. Hierdoor kan het brandstofverbruik toenemen en neemt de slijtage aan deze componenten ook toe. Bovendien kan het remvoeringmateriaal te heet worden waardoor de remmen niet meer optimaal functioneren.
o Houd de bandenspanning op de voorgeschreven waarde. Een te hoge of een te lage bandenspanning heeft onnodige bandenslijtage tot gevolg. Controleer de bandenspanning tenminste éénmaal per maand.
o De wielen moeten goed zijn uitgelijnd. Het raken van stoepranden of het te snel rijden over een ongelijkmatig wegdek kan tot gevolg hebben dat de wielen niet meer correct zijn uitgelijnd. Dit kan o.a. een snellere bandenslijtage tot gevolg hebben evenals een hoger brandstofverbruik.
o Houd uw wagen in een goede conditie. Onderhoud uw wagen voor een gunstig brandstofverbruik en lagere onderhoudskosten; zie het onderhoudsoverzicht in hoofdstuk 5. Als uw wagen in zware omstandigheden wordt gebruikt, dan is frequenter onderhoud vereist (zie hoofdstuk 5 voor bijzonderheden).
o Houd uw wagen schoon. Voor een maximale levensduur moet uw Hyundai schoon worden gehouden en vrij van corrosieve elementen. Laat geen modder, vuil, ijs etc. aankoeken op de onderzijde van de wagen. Dit extra gewicht kan een verhoogd brandstofverbruik en tevens corrosie tot gevolg hebben.
o Vervoer geen onnodige bagage. Extra gewicht heeft een hoger brandstofverbruik tot gevolg.
o Laat de motor niet langer stationair draaien dan nodig is. Zet de motor bij langere wachtperiodes af.
o Het is niet nodig de motor langdurig warm te laten draaien. Zodra de motor gelijkmatig draait kunt u wegrijden. Bij zeer koud weer is het aan te bevelen de motor een iets langere periode te laten warm draaien.
o Rijd niet met een te laag of een te hoog motortoerental. Rijdt u te langzaam in een hoge versnelling, dan heeft dit tot gevolg dat de motor te zwaar wordt belast. Schakel tijdig een lagere versnelling in. Vermijd een te hoog toerental door de aanbevolen schakelsnelheden aan te houden.
o Gebruik de airconditioning niet onnodig. De airconditioning wordt bediend door de motor waardoor bij gebruik van de airconditioning het brandstofverbruik toeneemt.
D170B01P-GXT
(1)Snelheld
Vermijd snel accelereren, bruusk optrekken en afremmen en het rijden op topsnelheid; dit zal leiden tot een hoog brandstofverbruik.
D170C01P-GXT
(2)Schakelen
Schakel alleen over wanneer het voertuig hiervoor de juiste snelheid heeft en het meest geschikte motortoerental. Rijd steeds in de hoogst mogelijke versnelling. Het brandstofverbruik is in hoge mate afhankelijk van de wijze waarop met het voertuig wordt gereden, maar hangt ook van andere omstandigheden af.
3 RIJDEN MET UW HYUNDAI
24
D170D01P-GXT
(3)Stadsverkeer
Voortdurend optrekken en weer stoppen verhoogt het gemiddelde verbruik. Volg zoveel mogelijk routes waar de verkeersdoorstroming het best is. Wanneer in zeer druk verkeer wordt gereden dient niet in een te lage versnelling te worden gereden, zodat hoge toerentallen worden vermeden.
D170E01P-GXT
(4)Stationair draaien
Ook tijdens stationair draaien van de motor wordt brandstof verbruikt. Laat de motor dus niet onnodig lang tijdens stilstand van het voertuig draaien.
D170F01P-GXT
(5)Hoge snelheld
Hoe hoger de rijsnelheid, hoe hoger het brandstofverbruik. Zelfs wanneer het gaspedaal maar iets minder diep wordt ingetrapt, wordt al veel brandstof bespaard.
D170G01P-GXT
(6)Bandenspanning
Controleer de bandenspanning regelmatig. Een te lage spanning verhoogt de rolweerstand en het brandstofverbruik. Bovendien hebben te zachte banden een negatieve invloed op het weggedrag en levensduur.
D170H01P-GXT
(7)Belading
Rijd niet met onnodig veel bagage. Vooral tijdens gebruik in de stad wordt het brandstofverbruik door het hogere gewicht nadelig bïnvloed.
Rijd ook niet met bagage op het dak indien dit niet absoluut nodig is; de hogere luchtweerstand die moet worden overwonnen betekent een hoger verbruik.
D170101P-GXT
(8)Koude starts
Het starten van de motor wanneer deze koud is vergt extra brandstof. Breng de motor op temperatuur door met het voertuig te rijden en niet door hem onbelast te laten warmdraaien.
BOCHTEN
SC160A1-FX
Vermijd remmen of schakelen in bochten, vooral op natte wegen. Dit voorkomt overmatige bandenslijtage.
RIJDEN ONDER WINTERSE OMSTANDIGHEDEN
D180A01P-GXT
Motorolle
Lage temperaturen hebben invloed op de starteigenschappen ten gevolge van het dikker worden van de motorolie. Gebruik alleen een olie met de voorgeschreven viscositeit.
RIJDEN MET UW HYUNDAI 3
25
D180B01P-GXT
Koelvloelstof motor
Als de omgevingstemperatuur beneden het vriespunt daalt, is het gevaar aanwezig dat de motor of de radiateur bevriest waardoor ernstige schade aan de radiateur/motor wordt toegebracht. Zorg er daarom voor dat de antivries concentratie voldoende is om bevriezing te voorkomen.
De koelvloeistof waarmee het koelsysteem in de fabriek is gevuld biedt bescherming tegen bevriezing tot een omgevingstemperatuur van ca. -30 °C. Gebruik geen andere dan de voorgeschreven vloeistof. De concentratie dient voor het begin van het koude seizoen te worden gecontroleerd en eventueel te worden gecorrigeerd door antivries bij te vullen.
3 RIJDEN MET UW HYUNDAI
26
D150C01P-GXT
Accu
Bij lage temperatuur neemt de capaciteit van de accu af.
Dit is het onvermijdelijke gevolg van de chemische en natuurkundige eigenschappen van een accu. Hierdoor levert een koude accu, vooral als deze niet geheel is geladen, slechts een fractie van de normaal beschikbare startstroom. Wij adviseren u de accu voor het begin van het winterseizoen door een erkende Hyundai dealer te laten controleren.
Hierdoor bent u niet alleen verzekerd van een betrouwbare start, maar tevens van een langere levensduur van de accu.
D180D01P-GXT
Om ook bij vorst een goed zicht door de voorruit c.q. achterruit te kunnen waarborgen, moet aan het water ruitesproeierantivries worden toegevoegd in de verhouding 1 op 1.
D180E01P-GXT
Ruitewisserbladen
Controleer, voordat u de ruitewissers inschakelt, of de ruitewisserbladen niet zijn vastgevroren op de voor- of achterruit. In zo'n geval moet het ijs tussen de ruit en de ruitewisserbladen eerst zijn gesmolten zodat de ruitewissers vrij kunnen bewegen.
D180F01P-GXT
Ventilatiesleuven
Zorg dat de ventilatiesleuven van de luchtinlaat achter de rechterkoplamp vrij is van bladeren e.d. zodat de goede werking van het verwarmings- en ventilatiesysteem niet wordt verhinderd.
SC170G1-FX
Sloten tegen bevriezing beschermen
Om het bevriezen van de sloten te voorkomen zijn speciale produkten bij uwdealer verkrijgbaar. Ook als een slot bevroren is, kan dit met doeltreffende middelen worden ontdooid. Soms is het mogelijk een bevroren slot te ontdooien door de sleutel te verwarmen.
N.B.:
Het temperatuurgebied waarin de sleutel voor de startblokkering kan worden gebruikt, bedraagt -40 °C tot 80 °C. Als de sleutel van de startblokkering tot boven 80 °C wordt verwarmd om een bevoren slot te openen, kan de transponder in de sleutelkop worden beschadigd.
D180G01P-GXT
Portlersloten
Om te voorkomen dat de portiersloten bevriezen, moeten de slotcilinders, nadat het voertuig is gewassen, worden voorzien van een antivries/smering.
D180H01P-GXT
Parkeerrem
Wanneer de buitentemperatuur beneden het vriespunt is, moet het voertuig niet met aangetrokken parkeerrem worden geparkeerd, maar in de eerste of achteruitversnelling worden gezet. Door vocht op de remvoeringen kunnen de remtrommels en de voeringen aan elkaar vastvriezen, waardoor het onmogelijk wordt de parkeerrem te lossen. Draai, wanneer u het voertuig op een helling parkeert, de wielen naar de stoeprand en blokkeer de wielen met keggen.
D180I01P-GXT
Wassen van het voertulg
Strooizout en anderen chemicaliën kunnen de carrosserie sterk aantasten. Het voertuig dient daarom regelmatig te worden gewassen volgens de onderhoudsvoorschriften voor de carrosserie. Laat een beschermlaag aanbrengen en laat de conserveringslaag aan de voertuigonderzijde zowel voor als na het koude seizoen door een erkende HYUNDAI dealer controleren.
D180J01P-GXT
Afdichtrubbers
Om te voorkomen dat de afdichtrubbers van portieren, dak, etc., vastvriezen, moeten ze met siliconenvet worden ingesmeerd.
D180K01P-GXT
Sneeuwbanden
Voor het rijden over sneeuw en ijs wordt het gebruik van sneeuwbanden aanbevolen. Teneinde de rijstabiliteit te handhaven moeten voor alle wielen banden van dezelfde maat en met hetzelfde profiel worden gemonteerd. Sneeuwbanden waarvan het profiel meer dan de helft is afgesleten, zijn niet meer geschikt om als sneeuwbanden te worden gebruikt. Gebruik geen sneeuwbanden die niet aan de specificaties voldoen.
N.B.:
De regels en wetgeving met betrekking tot het gebruik van sneeuwbanden verschillen van land tot land (rijsnelheid, vereist gebruik, type, etc.). Zorg dat u op de hoogte bent van de regels en volg ze op.
EXTRA UITRUSTING
D1B0L01P-GXT
Sneeuwkettingen
Als sneeuwkettingen vereist zijn, breng ze dan op de achterwielen aan. Gebruik alleen kettingen die ontworpen zijn voor gebruik met het op het voertuig gemonteerde type band; het gebruik van het verkeerde type of de verkeerde maat ketting kan schade aan het voertuig veroorzaken.
Voordat u over lange stukken weg rijdt die vrij zijn van sneeuw, dienen de kettingen te worden verwijderd om schade aan de banden te vermijden.
N.B.:
De wet- en regelgeving m.b.t. sneeuw-kettingen verschillen van land tot land. Zorg dat u op de hoogte bent van de regels en volg ze op.
D180M02P-GXT
Gedurende de winter is het aan te raden een schop of spade met een korte steel in het voertuig mee te nemen zodat u sneeuw kunt wegscheppen mocht uw voertuig vast komen te zitten. Een kleine borstel waarmee de sneeuw van de voor- en achterruit kan worden afgeveegd is ook een handig stuk extra gereedschap.

LET OP:
(Indien aanwezig)
In de winter is het mogelijk dat via de uitlaat van de extra verwarming in de linker voorwielkuip witte rook zichtbaar is. Dit is normaal.
In geval van ernstige zwarte (of grijze) rook moet de extra verwarming door uw Hyundai dealer worden gecontroleerd.
Als de motor wordt afgezet terwijl de extra verwarming in werking is, is mogelijk een fluitend geluid bij de onderzijde van de accu in de motorruimte hoorbaar.
Dit geluid wordt veroorzaakt door het reinigingsproces van de extra verwarming en is normaal.
Afhankelijk van de hoeveelheid brandstof in de brandstofleiding van de extra verwarming duurt dit 1 tot 3 minuten.
SPERDIFFERENTIEEL
RIJDEN MET UW HYUNDAI 3
29
D190A01HR-GXT
(Minibus/Bestelbus)
(Indien gemonteerd)
Als een sperdifferentieel aanwezig is, dan is dit alleen bij het achterdifferentieel. De kenmerken van het sperdifferentieel zijn:
Net als bij een conventioneel differentieel kan een wiel aan een kant van de auto met een andere snelheid draaien dan aan de andere kant als in een bocht wordt gereden. Het verschil tussen een sperdifferentieel en een conventioneel differentieel is dat als een wiel aan een kant van de auto geen grip meer heeft, dat dan een grotere hoeveelheid koppel op het wiel aan de andere zijde wordt overgebracht, zodat er meer grip ontstaat.
Met de volgende procedures kan worden vastgesteld of het sperdifferentieel juist werkt:
(1) Plaats de auto zodanig dat een wiel op een droog geasfalteerde ondergrond staat en het andere op ijs, sneeuw, modder enz.
Rijd met de auto en controleer de werking van het sperdifferentieel. De auto mag niet vast komen te zitten als het differentieel op de juiste wijze werkt.
(2) Trap het gaspedaal geleidelijk in en trap het vervolgens, bij voldoende grip, krachtig geheel in. Als de auto normaal accelereert, dan werkt het differentieel op de juiste wijze.

LET OP:
o Start nooit de motor met de versnellingspook in een versnelling vooruit of de achteruit met één opgekrikt achterwiel en het andere op de grond; hierdoor kan de auto gaan rijden.
- Als een van de achterwielen doorslaat in modder, sneeuw enz., dan is het soms mogelijk om de auto vrij te maken door het gaspedaal dieper in te trappen; voorkom echter dat de motor doorlopend met een hoog toerental draait. Hierdoor kan het sperdifferentieel beschadigen.
N.B.:
Als rechtuit wordt gereden, dan werkt het sperdifferentieel als er verschil ontstaat in de draalsnelheid van het rechter en het linker achterwiel.
3 RIJDEN MET UW HYUNDAI
30
GELIMITEERD SLIPDIFFERENTIEEL
D190A01P-GXT
(Bedrijfswagen)
(Indien aanwezig)
Het eventueel gemonteerde gelimiteerd slipdifferentieel werkt alleen op de achterwielen. Het achterasdifferentieel met gelimiteerde slip werkt als volgt:
Net als bij een conventioneel differentieel, kan het wiel aan een kant een andere omwentelingssnelheid hebben dan het wiel aan de andere zijde bij het nemen van bochten. Het gelimiteerd slipdifferentieel zorgt er echter bovendien voor dat, als een wiel geen grip op het wegdek meer heeft, de aandrijfkracht naar het andere wiel wordt vergroot, zodat de tractie wordt verbeterd.
Om te controleren of het gelimiteerde slipdifferentieel correct werkt, kan als volgt worden gehandeld:
(1) Zet het voertuig met één wiel op een droge, verharde weg en het andere op ijs, sneeuw, modder, of een ander glad oppervlak. Als nu goed kan worden weggereden zonder dat het voertuig vast komt te zitten, werkt het gelimiteerd slipdifferentieel correct.
(2) Druk, onder bovengenoemde wegomstandigheden, het gaspedaal geleidelijk in en druk het vervolgens, wanneer de tractie goed is, snel geheel in; als het voertuig nu goed accelereert, is het gelimiteerde slipdifferentieel in orde.

ATTENTIE:
o Start de motor nooit terwijl één van de achterwielen is opgekrikt en het andere op de grond staat; hierdoor kan het voertuig naar voren schieten.
o Wanneer een van de achterwienen op een glad wegdek dreigt door te slippen, kan de grip soms weer worden herwonnen door het gaspedaal verder in te drukken. Laat de motor echter niet ononderbroken met een hoog toerental doordraaien, daar dit het gelimiteerde slipdifferentieel kan beschadigen.
N.B.:
Bij stilstand werkt het LSD als er tussen het rechter en het linker achterwiel een koppelverschil is van 5 - 9 kgm.
IN GEVAL VAN PECH
Gereedschap en krik 4-2
Reservewiel 4-4
Handelingen bij een lekke band.... 4-7
Wiel verwisselen 4-7
Als uw voertuig moet worden gesleept 4-13
Slepen 4-16
Brandstofsysteem ontluchten.... 4-22
Water uit brandstofffilter aftappen 4-23
Als de motor niet aanslaat 4-24
Starten met hulpstartkabels 4-25
Als de motor te heet wordt 4-26
Zekeringen controleren en vervangen 4-27
Koplampen afstellen.... 4-29
Vervangen van degloeila-mpen van de koplampen .. 4-30
Gloeilamp van koplamp.... 4-31
Vermogen 4-39
Beschrijving zekeringhouder 4-41

GEVAL VAN PECH
2
GEREEDSCHAP EN KRIK
ED10A01P-GXT
Zorg dat u weet waar de krik en gereedschappen zich bevinden en op welke wijze u de krik voor gebruik uit de opbergplaats kunt verwijderen, zodat u in geval van pech een eventueel benodigde reparatie zelf kunt uitvoeren.
ED10B0SP-GXT
Opbergvakken

De gereedschapskoffer bevindt zich in de rechter achterhoek van de bagageruimte (Minibus/Bestelbus) of op de vloer achter de zitting (bedrijfswagen).
E010C03P-GXT
Gereedschp

- Gereedschapetui
- Wielmoersleutel
- Schroevedraaier
- Sleutel reservewielhouder (Alleen bedrijfswagen)
E020A01P-GXT
KRIK
De krik gebruiken

Draai de knop rechtsom en verwijder de afdekking. Verwijder de bevestigingsmoer en neem de krik uit de auto.
E030A01P-GXT
KRIKSTANG

Het gebruik van de krikstang

- Draai de vleugelmoer los en schuif de twee stanghelften uit elkaar.

- Steek de twee stanghelften zo in elkaar dat de bouttap goed in de uitsparing van de andere buishelft valt en draai de moer daarna weer vast.

De krikstang bevindt zich in ingeschoven toestand, zoals getoond in de afbeelding, in de opbergplaats. Ga als volgt te werk om de krikstang voor gebruik gereed te maken:

GEVAL VAN PECH
4
RESERVEWIEL
E050A02P-GXT
(Minibus/Bestelbus)

Controleer de spanning van de reserveband regelmatig en zorg dat het reservewiel klaar is voor gebruik in geval van pech. Houd de maxi-mum voorgeschreven bandenspanning aan zodat de band onder alle mogelijke omstandigheden kan worden gebruikt (rijden in de stad/met hoge snelheid/ verschillende belasting, etc.).
N.B.:
Het reservewiel bevindt zich onder de auto.
Reservewiel verwijderen:
- Open de achterklep.

- Verwijder het kunststof deksel.

- Gebruik de wielmoersleutel om de bevestigingsbout los te draaien.

- Plaats de drager omhoog en maak de drager los van de houder. Plaats vervolgens de drager omlaag en verwijder het reservewiel.
ED50B02P-GXT
Reservewiel weer aanbrengen
Voer voor het monteren de werkzaamheden van het verwijderen in omgekeerde volgorde uit.

ATTENTIE:
Het reservewiel dient altijd goed vast te zitten.
Als u een wiel heeft vervangen, moet dit wiel in de plaats van het reservewiel in de wieldrager worden vervoerd. Zet de wieldrager goed vast met de bevestigingsmoer.
E050C01P-GXT
(Bedrijfswagen)

- Bevestig de sleutel voor de reservewielhouder (1) aan de wielsleutel (2).
- Breng de sleutel in de opening voor de reservewielhouder aan en draai de wielsleutel linksom; het reservewiel zakt.

- Maak de staaldraad (3) los van de ophanghaak (4) nadat het reservewiel op de grond ligt.
- Ga bij weer het aanbrengen van het reservewiel als volgt te werk.


GEVAL VAN PECH
6

- Haak de staaldraad (3) aan de ophanghaak (4).

-
Breng de sleutel in de opening voor de reservewielhouder aan en draai de wielsleutel rechtsom.
-
Draai het reservewiel geheel naar boven en zet de moer vast met een kracht van ca. 30 kg (295 N). Verwijder de sleutel en zorg ervoor dat hij niet terugdraait. Controleer of het reservewiel correct is bevestigd.

WAARSCHUWING:
Indien het reservewiel niet correct kan worden bevestigd, leg het dan in de laadbak en vraag de dlichtstbijzijnde dealer om assistentie.
E050P01P-GXT
Diefstalbeveiliging reser-vewiel (Indlen aanwezig)

Deze voorziening beschermt het reservewiel tegen diefstal.
Nadat de vergrendelplaat in de houder van de reservewieldrager is aangebracht met de wielmoersleutel moet hij met een sleutel worden geborgd; deze sleutel behoort niet tot het boordgereedschap en moet zelf worden aangeschaft.
HANDELINGEN BIJ EEN LEKKE BAND
SD0B0A1-FX
Wanneer u onder het rijden een lekke band krijgt, ga dan als volgt te werk:
- Neem uw voet van het gaspedaal en minder snelheid. Probeer niet direct te remmen of de wagen van de weg af te rijden aangezien u hierbij de controle over de wagen kunt verliezen. Wanneer de wagen tot een veilige snelheid vaart heeft verminderd, druk dan licht op het rempedaal en rijd de wagen van de weg af. Breng de wagen zo ver mogelijk van de weg op een stevige ondergrond tot stilstand.
- Schakel zodra de wagen tot stilstand is gekomen de alarmknipperlichten in, trek de handrem aan en plaats de keuzehandel in stand "P" (automatische transmissie) of de versnellingshandel in de achteruit (handgeschakelde versnellingsbak).
- Laat alle inzittenden uitstappen. Let erop dat zij zich niet aan de verkeerszijde van de wagen bevinden.
- Verwissel het wiel volgens de hierna beschreven richtlijnen.
WIEL VERWISSELEN
SD070A1-FX

De hierna beschreven procedure kan tevens worden gebruikt voor het onderling verwisselen van wielen. Controleer, alvorens het wiel te verwisselen, of de keuzehandel in de stand "P" is geplaatst (automatische transmissie) of dat de versnellingshandel in de achteruit staat (handgeschakelde versnellingsbak) en de handrem is aangetrokken.
D060AD1P-GXT
- Reservewiel en gereedschap


Verwijder het reservewiel en vervolgens de krik en het gereedschapetui.

GEVAL VAN PECH
8
N.B.:
Het reservewiel bevindt zich onder de auto.
SD070D1-FX
- Wiel blokkeren

Blokkeer het wiel diagonaal tegenover het wiel met de lekke band teneinde te voorkomen dat de wagen wegrolt als deze wordt opgekrikt.
SD07DE1-FX
- Wielmoeren losdraaien

Draai de wielmoeren iets los voordat de wagen wordt opgekrikt. Draai hiertoe de wielmoersleutel linksom. Let erop dat de dop goed op de bout zit zodat hij er niet af kan glijden. Plaats de wielmoersleutel voor een maximaal hefvermogen met de hefboom naar rechts, zie afbeelding. Pak het uiteinde van de hefboom vast en trek hem gelijkmatig omhoog. Verwijder de moeren niet. Draai ze ongeveer een halve slag los.
D06DE01P-AXT
- Krik aanbrengen

Zorg dat u weet op welke wijze het voertuig moet worden opgekrikt in geval van een lekke band of wanneer sneeuwkettingen moeten worden aangebracht.
Zet het voertuig zo mogelijk op een vlakke ondergrond, zet de motor af, trek de parkeerrem aan en plaats keggen achter en voor de wielen om het voertuig te blokkeren.

Plaats de krik alleen onder de in de afbeelding getoonde steunpunten aan de onderzijde van het voertuig. Als de krik onder een andere plaats wordt gezet, kan de carrosserie worden beschadigd.
DD60FC02P-GXT
5. De wagen opkrikken

Open de afdekking in de rechter hoek van de bagageruimte (minibus/bestelbus) of in de bodemplaat achter de stoel (bedrijfswagen).
Draai de borgmoer los en verwijder de krik.

Draai m.b.v. de krikstang de ontluchtingsnippel rechtsom tot aan de aanslag.

Monteer vervolgens de krikstang in de bus, waarbij de groef van de krikstang over de nok van de bus moet schuiven.

GEVAL VAN PECH
10

Beweeg de krikstang op en neer zodat de hefcilinder omhoog gaat. Stop vlak voordat de krik contact maakt met het krikpunt op de auto.
Plaats de krik met de krikstang in de juiste stand. Plaats de krik alleen onder de aangegeven punten (zie de betreffende paragraaf).
Als de krik op andere punten wordt gebruikt, dan kan de auto beschadigen. Beweeg de krikstang omhoog en omlaag om de hefcilinder te laten stijgen.
Controleer zorgvuldig, zodra de krik de auto begint te heffen, of de krik in de juiste stand staat en niet weg kan glijden.
Zet de auto zo ver omhoog als nodig is om een volledig opgepompte band te monteren. Hiervoor is meer ruimte nodig dan voor het verwijderen van de lekke band.

Draai m.b.v. de krikstang de ontlastklep langzaam linksom om de hefcilinder omlaag te zetten en verwijder vervolgens de krik.
Druk de zuiger geheel naar beneden en draai de ontlastklep zo ver mogelijk rechtsom.


ATTENTIE:
o Gebruik alleen de bij het voertuig geleverde krik en gebruik de krik alleen wanneer dit onderweg door bijvoorbeeld een lekke band nodig is.
o Plaats de krik op een harde, vlakke ondergrond.
o Als de ontlastnippel 2 of meer omwentelingen linksom wordt gedraaid, zal de krik olle verliezen en kan hij niet meer worden gebruikt.
o De krik werkt hydraulisch en de zuiger is van het twee-fasen type.
Als beide zuigers omhoog zijn gekomen en het eindmerkteken (groen verfstreep) wordt zichtbaar, houd dan direct op met het bewegen van de krikstang.
Gaat u verder met het omhoog brengen van de krik, dan kan deze defect raken.
o Zorg dat zich niemand onder of in het voertuig bevindt wanneer het voertuig wordt opgekrikt.
o Krik het voertuig slechts zover omhoog dat het wiel net van de grond komt; verder omhoog brengen van het voertuig is gevaarlijk.
o Als de krik verschuift, kan dit zeer gevaarlijk zijn; laat het voertuig dan ook niet langer dan nodig op de krik staan en breng het voertuig niet in beweging terwijl een wiel omhoog is gekrikt.

WAARSCHUWING:
Kom niet onder de wagen wanneer deze is opgekrikt! Dit kan zeer gevaarlijk zijn. Als de wagen wordt opgekrikt mag niemand in de wagen zitten.
SD070H1-FX
- Wiel wisselen

Gebruik de wielmoersleutel om de wielmoeren te lossen. Verwijder vervolgens de moeren met de hand. Verwijder het wieldeksel (indien gemonteerd) van het wiel, verwijder het wiel van de draadeinden en leg het plat neer, zodat het niet weg kan rollen. Neem het reservewiel, plaats het wiel met de boutgaten in lijn met de wielbouten en schuif het wiel aan. Als dat moeilijk gaat, til dan het wiel met het bovenste wielboutgat op de bovenste wielbout, en door het wiel te draaien vervolgens over alle wielbouten.

GEVAL VAN PECH
12

Wieldeksels kunnen scherpe randen hebben, wees voorzichtig en voorkom beschadiging aan de handen.
Let erop voordat u het reservewiel aanbrengt, dat er zich geen vuil op de wielnaaf bevindt (zoals modder, teer, grond etc.) waardoor het wiel niet correct op zijn plaats komt. Maak het pasvlak zonodig schoon. Wanneer het wiel niet goed op de wielnaaf aansluit, kunnen de wielmoeren loslopen.
SD0701-FX
- Aanbrengen wieldeksel en wielmoeren

Voor het opnieuw aanbrengen van het wieldeksel, druk de deksel op het wiel en draai met de hand de wielmoeren op de wielbouten. De moeren moeten met de kleine zijde aanliggen tegen het wiel (deksel). Verdraai het wiel om zeker te zijn dat het gecentreerd zit, draai de moer opnieuw handvast met de wielmoersleutel.
SD070J1-FX
- Voertuig omlaag zetten en moeren vastdraalen

Zet het voertuig op de grond door de krikstang op en neerte bewegen. Plaats vervolgens de wielmoersleutel, zoals in de afbeelding is aangegeven en draai de wielmoeren vast. Controleer of de dop van de sleutel geheel over de moervalt. Ga niet op de wielmoersleutel staan en verleng de sleutel niet met een pijp om zo meer kracht te kunnen zetten.
Draai vervolgens de wielmoeren achtereenvolgens vast. Controleer nogmaals of alle moeren zijn vastgedraaid.
Laat zo snel mogelijk nadat het wiel is verwisseld de wielmoeren met het juiste aanhaalmoment door een monteur vastdraaien.
Aantrekkoppel wielmoeren
| Voorzijde | Achterzijde | |
| Minibus/Bestelbus | 12 tot 14 kg.m(118 tot 137 N.m,87 tot 101 lbs.ft) | 12 tot 14 kg.m(118 tot 137 N.m,87 tot 101 lbs.ft) |
| Bedrijf-swagen | 18 tot 22 kg.m(177 tot 216 N.m,130 tot 159 lbs.ft) | 18 tot 22 kg.m(177 tot 216 N.m,130 tot 159 lbs.ft) |
SD070K1-FX
Nadat een wiel is verwisseld

Breng altijd de ventieldop aan nadat u de bandenspanning heeft gecontroleerd of gewijzigd. Als de dop niet wordt aangebracht kan de kern van het ventiel door vuil of vocht beschadigen waardoor de band langzaam spanning verliest. Raakt u een ventieldop kwijt, vervang hem dan zo snel mogelijk.
Controleer altijd of de lekke band correct in de kofferruimte is aangebracht en berg de krik en de gereedschappen op.
ALS UW VOERTUIG MOET WORDEN GESLEEPT
D000A02HR-GXT
Als uw voertuig moet worden gesleept, dan moet dit worden gedaan door uw Hyundai dealer of een commercieel bergingsbedrijf.
Hierdoor wordt de kans kleiner dat uw voertuig wordt beschadigd tijdens het slepen. Bovendien zijn professionele bergers op de hoogte van de plaatselijke wetgeving betreffende het slepen van voertuigen. Het verdient in ieder geval aanbeveling om deze informatie aan de werknemer van het bergingsbedrijf te laten lezen om beschadigingen aan uw voertuig te voorkomen. Controleer of een systeem met beveiligingskettingen wordt gebruikt en dat de plaatselijke wetgeving in acht wordt genomen.
Het verdient aanbeveling de auto te slepen met twee wielen van de grond m.b.v. een bergingsvoertuig met een hefinstallatie en dolly's of te vervoeren op een auto-ambulance met alle wielen van de grond.

GEVAL VAN PECH
14

LET OP:
o Bij een onjuiste sleepmethode kan uw voertuig worden beschadigd!
o Zorg ervoor dat versnellingsbak in vrij staat.
o Als de motor niet werkt, zorg er dan voor dat het stuurslot wordt uitgeschakeld door de sleutel in de stand "ACC" te zetten.
DD00B02HP-GXT
2-wiel aangedreven voertuig siepen
1)

2)

3)

HHA4001
Uw voertuig kan worden gesleept m.b.v. een bergingsvoertuig met een hefinstallatie (1), (2) of met een auto-ambulance (3).

LET OP:
o Zorg ervoor dat bij het slepen van de auto de bumper en de onderzijde van de auto niet worden beschadigd.

o Sleep de auto niet met een bergingsvoertuig met kraan. Hierdoor kunnen de bumper en de onderzijde van de auto worden beschadigd.
1) Als een aangedreven wiel of componenten van de wielophanging zijn beschadigd of als de auto wordt gesleept met de achterwielen op de grond, gebruik dan altijd dolly's onder de achterwielen.
o Handgeschakelde versnellingsbak: Als geen dolly wordt gebruikt: zet het contactslot in de stand "ACC" en zet de versnellingsbak in "N" (vrij).

LET OP:
Sleep niet met verwijderde contactsleutel of contactslot in de stand "LOCK" als wordt gesleept met de voorwielen van de grond en zonder dolly.

LET OP:

Een auto met automatische transmissie mag nooit worden gesleept met de voorwielen van de grond en de achterwielen op de grond. Hierdoor kan de transmissie ernstig worden beschadigd.
o Automatische transmissie: Gebruik altijd een dolly onder de achterwielen.
2) Zorg ervoor dat de handrem niet is aangetrokken als de auto wordt getrokken met de voorwielen op de grond.
N.B.:
Controleer voor het slepen het niveau van de vloeistof in de automatische transmissie. Als het niveau lager is dan het "HOT"-merkteken op de peilstok, voeg dan vloeistof toe. Als geen vloeistof kan worden toegevoegd, gebruik dan altijd een dolly.
3) Het verdient aanbeveling om de auto te vervoeren met alle wielen van de grond.

GEVAL VAN PECH
SLEPEN
16
E070A01P-GXT

E070AD1P
Voorzijde
(Bedrijfswagen)


GY40240B
Achterzijde (Minbus, Bestelbus)

Breng de sleepstang of -kabel aan op het in de afbeelding getoonde sleepoog. Wanneer u de sleepstang of -kabel op een andere plaats aan het voertuig bevestigt, kan het voertuig hierdoor schade oplopen. De regelgeving t.a.v. het slepen van voertuigen verschilt van land tot land. Volg de regels die in uw situatie gelden op.
Als uw voertuig moet worden gesleept, let dan op de volgende punten:
(1) Zet het versnellingshandel in neutraal.
(2) Overschrijd de wettelijk toegestane snelheid bij het slepen van een voertuig niet.
(3) Wanneer uw voertuig van een stuurslot is voorzien, zet de contactsleutel dan in de stand "ACC" om het stuurwiel te ontgrendelen. Zet de contactsleutel in de stand "ON" wanneer de richtingaanwijzers tijdens het slepen moeten kunnen worden gebruikt.
(4) Ter voorkoming van het binnendringen van uitleatgassen afkomstig van het slepende voertuig, moet de handel voor de luchtverdeling in de stand voor het recirculeren van de lucht worden gezet.
(5) Schakel
waarschuwingsknipperlichten in.
(6) Tijdens het slepen dienen de bestuurders contact met elkaar te onderhouden.
Rijd langzaam en vermijd abrupt remmen of optrekken zodat de voetuigen geen hevige schokken ondergaan.
(7) Als de transmissie defect of beschadigd is moet het voertuig met de achterwielen van de grond worden gesleept.
(8) Als het voertuig is voorzien van een rembekrachtiger, dan zal de werking hiervan verloren gaan en moet het rempedaal met veel meer kracht worden bediend.
(9)Als het voertuig met stuurbekrachtiging is uitgerust, dan zal deze niet werken en vergt het sturen meer kracht.
C190A01A-GXT RIJDEN MET EEN AANHANGER OF SLEPEN
Raadpleeg de wettelijke voorschriften indien u van plan bent te gaan rijden met een aanhanger. Aangezien de wettelijke voorschriften voor wat betreft het rijden met een aanhanger verschillen van land tot land is het raadzaam om uw Hyundai dealer te vragen naar de mogelijkheden.

LET OP:
Rijd gedurende de eerste 2000 km niet met een aanhanger zodat de motor goed kan Inlopen. Als deze raadgeving niet ter harte wordt genomen kan ernstige schade ontstaan aan de motor of transmissie.
C190B01S-AXT
Trekhaken
Kies een trekhaak die geschikt is voor de aanhanger die getrokken moet worden. De gemonteerde trekhaak moet de kogeldruk gelijkmatig overbrengen op het chassis van de wagen.
De trekhaak moet stevig worden aangebracht door een hiervoor bevoegd bedrijf. GEBRUIK GEEN TREKHAAK VOOR TIJDELIJKE MONTAGE EN GEBRUIK NOOIT EEN TREKHAAK DIE ALLEEN AAN DE BUMPER IS GEMONTEERD.

GEVAL VAN PECH
18
C190C02P-GXT
Aanhangerremmen
Als uw aanhanger voorzien is van een remsysteem, moet dit voldoen aan de wettelijke voorschriften. Zorg ervoor dat het op de juiste manier is gemonteerd en dat het goed werkt.
N.B.:
Als met een aanhanger wordt gereden moeten tengevolge van de extra belasting de onderhoudswerkzaamheden met kortere tussenpozen worden uitgevoerd. Zie hoofdstuk "Onderhoudsvoorschriften" bij "Onderhoud onder zware bedrijfsomstandigheden" op bladzijde 6-6.

LET OP:
o Sluit nooit het remsysteem van de aanhanger rechtstreeks aan op het remsysteem van de wagen.
o Bij bet rijden met een aanhanger op een steile heiling (meer dan 12%) moet worden gelet op de koelvloeisto ftemperatuurmeter. Mocht de naald van de meter zich voorbij "H" (HOT) bewegen, dan moet zo snel mogelijk worden gestopt. Laat de motor vervolgens stationair draaien tot hij is afgekoeld.
C190D01A-GXT
Veiligheidskabel
Wanneer de verbinding tussen de trekhaak en de aanhanger verbroken mocht worden, kunnen gevaarlijke situaties ontstaan voor het verkeer. De aanhanger kan zelfs van de rijbaan geraken. Om deze gevaarlijke situaties te voorkomen is een veiligheidskabel tussen de wagen en de aanhanger verplicht.
C190E05P-GXT
Maximum aanhangergewicht


De kogeldruk kan gewijziged worden door het gewicht in de aanhanger te verdelen. Controleer de verdeling van het gewicht door het totale gewicht en de kogeldruk te meten.

LET OP:
- Zorg ervoor dat zich nooit meer gewicht in het achterste deel van de aanhanger bevindt dan in het voorste deel. Ca. 60% van het gewicht moet zich in het voorste deel van de aanhanger bevinden, de overige 40% in het achterste deel.
- Het totale voertulggewicht met aangekoppelde aanhanger mag het toegestane totaalgewicht (GVWR) niet overschrijden. Dit totaalgewicht is te vinden op het identificatieplaatje (zie blz. 1-3). Het totaalgewicht bestaat uit de gewichten van de wagen, bestuurder, passagiers en
bagage, lading, trekhaak, kogeldruk en eventuele accessoires.
- De voor-en achterasbelastingen mogen de toegestane asbelastingen (GAWR) niet overschrijden. De toegestane asbelastingen zijn te vinden op het identificatieplaatje (zie blz. 1-3). Het is mogelijk dat het totaalgewicht beneden de toegestane waarde blijft maar dat de asbelasting wordt overschreden. Onjuiste belading van de aanhanger en/of teveel gewicht in de bagageruimte kan de achteras te zwaar belasten. Verplaats in dit geval de belading en controleer de asbelasting opnieuw.
- De maximum toelaatbare verticale belasting op de trekhaak bedraagt 60 kg.


- Maximum toelaatbare overbouw van trekhaak :

GEVAL VAN PECH
20
mm
| Korte | Minibus/Bestelbus | 1120 mm |
| Lange | Minibus,Bestelbus | 1190 mm |
| Bedrijfswagen (1 ton) | 1240 mm | |
| Extra | Standaard Cabine | 1370 mm |
| Lange | Super Cabine |
- Maximaal toegestane massa trekhaak (alleen Bedrijfswagen): 25 kg.

LET OP:
De volgende specificaties worden aanbevolen bij het rijden met aanhanger. Het gewicht van de beladen aanhanger mag de onderstaande waarde om veiligheidsredenen niet overschrijden.
kg.
| Max. aanhangergewicht | |||
| Aanhang-wagen | Kogeldruk | ||
| Minibus,Bestelbus | Bedrijf-swagen | ||
| Geremd | 1,500 | 60 | 75 |
| Omgeremd | 700 | - | |

WAARSCHUWING:
o Het onjuist beladen van de aanhanger en de wagen kan het rijgedrag en het remvermogen nadelig beïnvloeden. Hierdoor kunnen ongevallen ontstaan die tot ernstige verwondingen kunnen leiden.
o Als bij auto's met automatische transmissie een aanhanger moet worden getrokken, dan mag de trekkende auto niet beladen zijn (alleen de bestuurder).
Als dit niet wordt opgevolgd, dan kan de temperatuur van de olie in de automatische transmissie zo hoog worden dat de transmissie ernstig beschadigd zou kunnen worden.
YC200E2-AX
Tips voor het rijden met aanhanger of het slepen van een auto
- Controleer vóór het wegrijden de trekhaak, de veiligheidskabel en de werking van de normale verlichting, de remlichten en de richtingaanwijzers van de aanhanger.
- Rijd met aangepaste snelheid (maximaal 80 km/h).
- Rijden met een aanhanger kost meer brandstof dan rijden zonder aanhanger.
- Om gebruik te kunnen maken van het remmend vermogen van de motor en om te zorgen dat de accu goed geladen blijft, mag er niet gereden worden in de vijfde versnelling (handgeschakelde versnellingsbak) of in overdrive (automatische transmissie).
-
Zorg ervoor dat de belading van de aanhanger goed vast zit om schuiven van de belading tijdens het rijden te voorkomen.
-
Controleer de bandenspanning van de wagen en de aanhanger. Te lage bandenspanning kan het rijgedrag nadelig beïnvloeden. Controleer ook de bandenspanning van het reservewiel.
- De wagen/aanhanger-combinatie heeft meer last van zijwind en turbulentie. Als u gepasseerd wordt door een groot voertuig, houd dan de snelheid constant en het stuur rechtuit. Verminder snelheid als de wervelingen te sterk zijn om zo uit de turbulentie van het andere voertuig te komen.
-
Neem bij het parkeren van de wagen/aanhanger-combinatie, vooral op een helling, alle normale voorzorgsmaatregelen in acht. Draai de voorwielen richting stoeprand, trek de parkeerrem stevig aan en schakel de eerste- of achteruitversnelling in (handgeschakelde versnellingsbak) of de parkeerstand (automatische transmissie). Breng bovendien wielblokken aan voor de wielen van de aanhanger.
-
Als de aanhanger is voorzien van een elektrisch remsysteem moet de remwerking als volgt gecontroleerd worden: breng de wagen/aanhanger-combinatie in beweging en bedien de aanhangerrem handmatig om de werking te controleren. Op deze manier kunnen tegelijkertijd de elektrische verbindingen getest worden.
- Controleer tijdens de rit regelmatig de bevestiging van de lading, de werking van de verlichting en de remmen.
- Vermijd ruw wegrijden, fel accelereren en bruusk afremmen.
- Vermijd scherpe bochten en het snel veranderen van rijstrook.
- Vermijd het langdurig of vaak afremmen. Hierdoor kunnen de remmen oververhit raken waardoor de remwerking afneemt.
- Schakel bij het afdalen van een helling naar een lagere versnelling om gebruik te maken van de remmende werking van de motor.
Bij langdurig heuvelopwaarts rijden moet worden teruggeschakeld naar een lagere versnelling en met gematigde snelheid worden gereden om de kans op overbelasting en oververhitting van de motor te verkleinen.
- Houd de wagen tijdens een stop bij heuvelopwaarts rijden niet op zijn plaats door gas te geven. Hierdoor kan de automatische transmissie oververhit raken. Gebruik de voetrem of de parkeerrem.
N.B.:
Controleer bij het rijden met aanhanger de olie in de transmissie vaker.

GEVAL VAN PECH
22

LET OP:
Als bij het rijden met aanhanger oververhitting plaatsvindt (temperatuur-meter gaat naar het rode gebied), kunnen de volgende maatregelen de oververhitting verminderen of opheffen:
- Zet de airconditioning uit.
- Matig de snelheid.
- Schakel bij heuvelopwaartsrijden een lagere versnelling in.
- Laat de motor bij fileverkeer tijdens stilstaan versneld stationair draaien met de transmissie in neutraal of de parkeerstand.
BRANDSTOFSYSTEEM ONTLUCHTEN
E090A01P-GXT
(Diesel Motor)

Nadat de motor door brandstofgebrek is afgeslagen, na het vervangen van een filter of als de auto gedurende een langere tijd niet is gebruikt, moet het brandstofsysteem worden ontlucht zoals in de afbeelding is aangegeven.
- Draai de ontluchtnippel aan de bovenzijde van het brandstofffilter los.

- Bedien de handpomp tot er geen luchtbellen meer uit de ontluchtopening met de brandstof meekomen. Leg tijdens het ontluchten een doek rond de ontluchtopening zodat geen brandstof op andere onderdelen terecht komt.
- Draai de ontluchtnippel weer vast zodra de brandstof vrij van luchtbellen is.
- Ga door met pompen tot de pomphefboom grote weerstand biedt.
- Controleer tenslotte of nergens brandstof weglekt. Raadpleeg bij twijfel een officiële HYUNDAI dealer.
WATERUITBRANDSTOFFILTER AFTAPPEN
E100A01P-GXT
(Diesel Motor)

ATTENTIE:
o Rook niet en vermijd open vuur in de omgeving van het voertuig tijdens het ontluchten van het brandstofsysteem.
o Verwijder alle eventuele gemorste brandstof in verband met het daaruit voortvloelende brandgevaar.
Als de controlelamp voor het brandstofffilter gaat branden, betekent dit dat zich water in het brandstofffilter heeft verzameld. In dit geval moet het water op onderstaande wijze uit het filter worden verwijderd:
- Draai de aftapplug aan de onderzijde van het filter los.

- Bedien de handpomp langzaam 6 à 7 maal om het water door de aftapplug te persen.
- Draai de aftapplug weer vast wanneer al het water uit het filter is verwijderd.
- Draai de ontluchtnippel los en ontlucht het brandstofsysteem. (Zie "Brandstofsysteem Ontluchten".)
- Controleer of waarschuwingslampje gaat branden bij aangezet contact (sleutel in de stand "ON") en weer dooft zodra de motor is gestart. Raadpleeg bij twijfel een erkende HYUNDAI dealer.

GEVAL VAN PECH
24
ALS DE MOTOR NIET AANSLAAT
SD020A1-FX SD020B1-FX

WAARSCHUWING:
Verwijder zorgvuldig alle water dat uit het filter is afgetapt, omdat de brandstof in het water tot ontbranding zou kunnen komen.

WAARSCHUWING:
De motor mag niet worden gestart door de wagen te duwen of te slepen. Dit kan schade veroorzaken. Bovendien kan door het aanduwen of-slepen de katalysator te heet worden waardoor brandgevaar ontstaat.

ATTENTIE:
(1) Rook niet en vermijd open vuur in de omgeving van het voertuig tijdens het ontluchten van het brandstofsysteem.
(2) Verwijder het uit het brandstofffilter geperste water zorgvuldig aangezien de brandstof in het water brandgevaar oplevert.
Als de startmotor niet of langzaam ronddraait

- Let er bij een automatische transmissie op dat de keuzehandel in de stand "N" of "P" staat. Trek de handrem aan.
- Controleer of de accupolen schoon zijn en de klemmen goed vast zitten.
- Schakel de interieurverlichting in. Als de verlichting zwakker wordt of uitgaat bij het starten van de motor, is de accu ontladen.
- Probeer de motor niet te starten door de wagen aan te duwen of te slepen. Zie de richtlijnen voor "Starten met hulpstartkabels" op de volgende pagina's.
STARTEN MET HULPSTARTKABELS
E110A01P-GXT
SD020C1-FX
Als de startmotor ronddraait, maar de motor slaat niet aan:
- Controleer het brandstofpeil.
- Controleer alle aansluitingen op de bobine en de bougies.
- Controleer de brandstofleiding in de motorruimte.
- Als de motor nog niet aanslaat, neem dan contact op met uw Hyundai dealer.

Hulpaccu
HA1FL4001
AD020D1-AX
Wat te doen als de motor tijdens het rijden afslaat
- Laat de snelheid geleidelijk afnemen, blijf rechtuitrijden. Zet de wagen langs de kant van de weg op een veilige plaats.
- Schakel de waarschuwingsknipper- lichten in.
- Probeer de motor te starten. Als de motor niet aanslaat, raadpleeg dan "ALS DE MOTOR NIET AANSLAAT".

WAARSCHUWING:
Het starten met hulpstartkabels kan gevaarlijk zijn. Het niet exact opvolgen van de richtlijnen kan ernstige verwondingen of schade aan de wagen tot gevolg hebben! Roep in geval van twijfel deskundige hulp in. Accu's bevatten zwavelzuur dat giftig en in hoge mate corrosief is. Draag bij het starten met hulpstartkabels een brill en let erop dat accuvloeistof niet in aanraking komt met de huid, uw kleding of de wagen.
- Beide accu's moeten 12V leveren. De capaciteit (Ah) van de hulpaccu mag niet beduidend lager zijn dan die van de ontladen accu.
- Gebruik alleen professionele startkabels.
- Een ontladen accu kan bevriezen. Een bevoren accu moet eerst worden ontdooid voordat de startkabels worden aangebracht.
- De twee voertuigen mogen niet met elkaar in aanraking komen omdat dan een stroom zou kunnen gaan vloeien op het moment dat de positieve polen met elkaar worden verbonden.
- De ontladen accu moet correct op het elektrische circuit van het voertuig zijn aangesloten.
- Laat de motor van het voertuig dat de spanning levert draaien.
- Sluit de startkabels als volgt aan:
(1) Sluit een klem van één van de startkabels (rood) aan op de positieve pool van de lege accu en de andere klem op de positieve pool van de hulpaccu.

GEVAL VAN PECH
26
(2) Sluit een klem van de andere startkabel (zwart) aan op de negatieve pool van de hulpaccu en de andere klem op het motorblok van het voertuig met de lege accu op een punt dat zo ver mogelijk van de accu is verwijderd.

ATTENTIE:
o Zorg dat de klemmen van de startkabels elkaar niet raken.
o Sluit de kabel van de negatieve pool van de hulpaccu niet op de negatieve pool van de lege accu aan; de accu produceert namelijk een gas dat door vonkvorming bij het verwijderen van de klem van de negatieve pool kan exploderen.
o Zorg dat geen van de startkabels door draaiende onderdelen zoals de koelventilateur kan worden geraakt.
-
Start de motor zoals is beschreven op blz. 3-2 "Motor Starten".
-
Verwijder de startkabels in omgekeerde volgorde van aanbrengen.
ALS DE MOTOR TE HEET WORDT
D030A02A-AXT
Staat
de
koelvloeistoftemperatuurmeter te hoog, levert de motor weinig vermogen of "pingelt" de motor, dan is de motor waarschijnlijk te heet. Ga dan als volgt te werk:
- Breng de wagen zo snel mogelijk op een veilige plaats tot stilstand.
- Plaats bij een automatische transmissie de keuzehandel in stand "P" of bij een handgeschakelde versnellingsbak de versnellingshandel in neutraal en trek de handrem aan. Schakel eventueel de airconditioning uit.
-
Bij koelvloeistoflekkage stoomvorming onder de motorkap; zet de motor dan af. Wacht met het openen van de motorkap tot geen koelvloeistof meer weglekt en geen stoom zichtbaar is.
Is er geen merkbaar verlies van koelvloeistof en geen stoom, laat de motor dan draaien en controleer of de ventilator werkt. Is dit niet het geval zet dan de motor af. -
Controleer of de V-riem van de waterpomp ontbreekt. Is dit niet het geval controleer dan of deze strak zit. Is de V-riem in orde, controleer dan de radiateur, de slangen en onder de wagen op koelvloeistoflekkage. (Is de airconditioning ingeschakeld geweest, dan is het gebruikelijk dat er koud water uitstroomt).

WAARSCHUWING:
Houd uw handen uit de buurt van bewegende delen zoals de ventilator en V-riemen terwijl de motor draait.
ZEKERINGEN CONTROLEREN EN VERVANGEN

Geen werkzaamheden verrichten aan het injectiesysteem wanneer de motor draait of binnen 30 seconden nadat deze is afgezet. Hogedrukpomp, rall, verstulvers en verstuiverleidingen staan onder hoge druk, zelfs nadat de motor is afgezet. De brandstofstraal die ontstaat door brandstoflekkage kan ernstige verwondingen veroorzaken wanneer deze met het lichaam in aanraking komt. Mensen met een pacemaker mogen niet binnen 30 cm van de ECU of de bedrading in de motorruimte komen als de motor draait, aangezien de hoge stroom waarmee het common-rail-systeem werkt een groot magnetsich veld veroorzaakt.
- Is de V-riem van de waterpomp gebroken of is er sprake van koelvloeistoflekkage, zet de motor dan direct af en neem contact op met de dichtstbijzijnde Hyundai dealer.

WAARSCHUWING:
Verwijder de radiateurdop niet wanneer de motorwarm is. Hierdoor kan koelvloelstof uit de radiateur spuiten hetgeen ernstige brandwonden tot gevolg kan hebben.
- Als u geen oorzaak kunt vinden, wacht dan tot de motor weer op normale temperatuur is. Verwijder voorzichtig de dop van de radiateur en vul water bij tot het niveau in het expansievat waar de merkstreep "Half" staat (in geval van koelvloeistoflekkage).
- Vervolg voorzichtig uw weg en blijf attent op tekenen van oververhitting. Raakt de motor opnieuw oververhit, neem dan contact op met uw Hyundai dealer.

LET OP:
Ernstig verlies van koelvloeistof wijst op een lek in het koelsysteem hetgeen zo snel mogelijk door uw Hyundai dealer moet worden gerepareerd.
ZG200A1-AX
Een zekering vervangen

Een zekering smelt zodra het circuit vanaf de accu overbelast raakt, waardoor schade aan de bedrading wordt voorkomen (dit kan worden veroorzaakt door een kortsluiting in het systeem). In dit geval moet de storing door een Hyundai dealer worden opgespoord, het systeem worden gerepareerd en de zekering worden vervangen. De zekeringen bevinden zich in een houder naast de accu.

GEVAL VAN PECH
28

LET OP:
Gebruik bij het vervangen van een zekering altijd een nieuwe zekering met hetzelfde amperage. Gebruik nooit een stuk draad of een zekerling met een hoger amperage. Dit kan ernstige schade en brand tot gevolg hebben.
HPG200B1-AX
Zekeringen vervangen

De zekeringhouder voor de verlichting en de overige elektrische accessoires is onder het dashboard aan de bestuurderszijde aangebracht. In de zekeringhouder zijn het amperage en de beveiligde circuits aangegeven. Als de verlichting of andere elektrische accessoires uitvallen, moet de zekering worden gecontroleerd. De zekering is doorgebrand wanneer de metalen strip in de zekering is gesmolten.
Ga in dit geval als volgt te werk:
- Zet de ontsteking en alle andere verbruikers uit.
- Open de zekeringhouder en inspecteer alle zekeringen. Verwijder de zekeringen door ze naar u toe te trekken (een kleine "zekeringtrekker" waarmee dit gemakkelijker kan worden uitgevoerd, bevindt zich in de relaisen zekeringhouder in de motorruimte).
- Na het vinden van de doorgebrande zekering moeten ook de overige

zekeringen worden gecontroleerd.
- Druk de nieuwe zekering met hetzelfde amperage op zijn plaats. De zekering moet goed worden aangebracht. Als u niet in het bezit bent van een extra zekering, gebruik dan een zekering van hetzelfde of een lager amperage van een verbruiker die u tijdelijk buiten werking kunt stellen. Bijvoorbeeld de radio of de sigarettenaansteker. Vergeet niet deze zekering te vervangen.

Goed

Doorgebrand G200B02A

LET OP:
Een doorgebrande zekering is een indicatie van een storing in een elektrisch circuit. Als de zekering na het vervangen direct weer doorbrandt, moet de storing door een Hyundai dealer worden opgespoord en verholpen. Een zekering mag nooit door een zekering met een hoger amperage worden vervangen. De montage van een zwaardere zekering kan beschadigingen of brand tot gevolg hebben.
N.B.:
Zie bladzijde 4-40 voor de beschrijving van de zekeringhouder.
G290A03P-GXT
Bij het afstellen van de koplampen moet de volgende procedure worden aangehouden.
- Controleer of de spanning van alle banden correct is.
- Plaats de auto op een vlakke vloer en druk de voorbumper en de achterbumper enkele malen naar beneden.
-
Zorg ervoor dat de auto niet is beladen (het peil van de koelvloeistof en de motorolie moet correct zijn en de brandstoftank gevuld; reservewiel, krik en gereedschap moeten zich op hun plaats bevinden). De bestuurder of een voorwerp met een overeenkomstig gewicht moet zich op de bestuurdersstoel bevinden.
-
Reinig de koplampglazen en schakel het dimlicht in.

GEVAL VAN PECH
30

-
Open de motorkap.
-
Teken op een lichte wand verticale lijnen (door het midden van elke koplamp) en een horizontale lijn (door het midden van beide koplampen).
Trek vervolgens een lijn 30 mm (1.18 in.) onder de eerder getrokken horizontale lijn.
- Stel m.b.v. kruiskopschroevendraaier de horizontale begrenzing van het dimlicht van elke koplamp zodanig af dat deze gelijk ligt met de onderste getrokken lijn. - VERTICALE AFSTELLING
- Stel m.b.v. kruiskopschroevendraaier het punt waar de schuine begrenzing begint zodanig af dat deze op de verticale lijn - HORIZONTALE AFSTELLING.
G290B03P-GXT
Koplamp na vervanging afstellen

Wanneer bij een auto de voorzijde van de carrosserie is gerepareerd en de koplamp is vervangen, moet de afstelling van de lichtbundel
met behulp van een lichte wand worden gecontroleerd, zoals in de afbeelding wordt getoond. Schakel hierbij het dimlicht in.
- Stel de koplampen zodanig af dat de horizontale lijn van de lichtbundel parallel is met de hartlijn van de auto en dat het hoekpunt overeenkomt met het punt "P" in de afbeelding.
- De streeplijnen in de afbeelding geven het midden van de koplampen aan.
VERVANGEN VAN DEGLOEILA-MPEN VAN DE KOPLAMPEN
G200A03A-GXT
| MINIBUS | BESTELBUS | BEDRUFSWAGEN | |
| 2WD | 894 | 855 | - |
| Lange wielbasis | - | - | 847 |
| Extra lange wielbasis | - | - | 845 |
"W"
Hartafstand tussen de koplampen.
mm
| MINIBUS | BESTELBUS | BEDRIJFSWAGEN | |
| 2WD | 1380 | - | |
| Lange wielbasis | - | - | 1272 |
| Extra lange wielbasis | - | - | |
"L"
Afstand tussen de koplampen en de wand waarop de lichtbundels worden geprojecteerd: 3.000 mm (3 m)
Voordat de gloeilamp van een koplamp wordt vervangen, moet de schakelaar in de stand "OFF" staan.
De volgende paragraaf geeft aan, hoe de gloeilampen kunnen worden bereikt om ze te kunnen vervangen.
De defecte gloeilamp moet worden vervangen door een gloeilamp van hetzelfde type en wattage.

LET OP:
Let erop dat de lampen niet in contact komen met petroleumhoudende producten zoals motorolie, benzine etc.
GLOEILAMP VAN KOPLAMP
G270A01E-GXT
(Minibus/Bestelbus)

Instructies voor het vervangen:
- Laat de gloeilamp afkoelen. Draag oogbescherming.
- Open de motorkap.
- Houd de gloeilamp altijd bij de lampfitting vast en voorkom dat het glas wordt aangeraakt.

GEVAL VAN PECH
32

- Verwijder de bevestigingsbouten van de koplamp met een sleutel.

- Draai de kunststof afdekking linksom en verwijder deze.

- Verwijder de afscherming van de nieuwe gloeilamp en breng hem zodanig aan dat de lampfitting in de opening van de koplamp past. Druk de borgveer op zijn plaats, breng de stofkap aan en sluit de elektrische bedrading aan.

- Maak de elektrische aansluiting aan de achterzijde van de koplamp los van de lamphouder.

- Druk de borgveer los en verwijder de gloeilamp.
- Gebruik de beschermkap en de verpakking om de oude gloeilamp direct op te ruimen.
- Controleer of de koplamp juist is afgesteld.
(1)Koplamp
(2) Stadslichten, voor
(3) Richtingaanwijzer

buiten bereik van kinderen en lever de oude gloeilamp in bij de daarvoor bestemde adressen.
G270B01P-GAT
Laadvloerboden achterin


- Verwijder de kofferruimte verlichting door de clip in te drukken en de verlichting naar u toe te trekken.

WAARSCHUWING:
Deze halogeen gloeilamp bevat gas onder druk en kan onder invloed van schokken uit elkaar spatten. Draag daarom een veiligheidsbril als een dergelijke gloeilamp wordt vervangen. Let erop dat geen krassen of schuurplekken op de lamp kunnen ontstaan en dat de lamp niet met vloeistoffen in aanraking komt als hij wordt ontstoken. De lamp mag alleen in werking worden gesteld als hij zich in de reflector bevindt. Vervang de koplamp als deze is beschadigd of scheurtjes vertoont. Houd de lamp
- Open de achterklep

GEVAL VAN PECH
34

- Maak de kabel los van de lamphouder aan de achterzijde van de achterlichtunit.

- Vervang het defecte lampje in de achterlichtunit door de lamp uit de lamphouder te draaien en een nieuwe lamp te plaatsen
(1) Richtingaanwijzer
(2) Rem / achterlicht
Achterklep
- Open de achterklep

- Trek aan de kunststof bekleding en verwijder de bekleding.

- Vervang het defecte lampje in de achterlichtunit door de lamp uit de lamphouder te draaien en een nieuwe lamp te plaatsen.
(1) Achteruitrijverlichting
(2) Rem/achterlicht
G270E01A-GXT
ZIJKNIPPERLICHT

- Druk het knipperlicht richting de voorzijde van de auto en verwijder het.

- Vervang de lamp door een nieuwe.
G270D01P-GXT
INTERIEURVERLICHTING
Leeslamp


- Verwijder de afdekking met een (-) schroevendraaier.

GEVAL VAN PECH
36

- Vervang de lamp door een nieuwe.
Interieurverlichting Voor

- Verwijder de afdekking met een (-) schroevendraaier.

- Vervang de lamp door een nieuwe.
Interieurverlichting achter

- Verwijder de afdekking met een (-) schroevendraaier.

- Verwijder bevestigingsschroeven van de lamphouder m.b.v. een phillips schroevendraaier.

- Maak de stekker los.
- Vervang de lamp door een nieuwe.
G270E01P-GXT de INSTAPVERLICHTING

- Verwijder de bevestigingsschroeven m.b.v. een phillips schroevendraaier en maak vervolgens de kabel los.

- Vervang de lamp door een nieuwe.

38
E130F01P-GXT
KENTEKENPLAATVERLICHTING

Verwijder de bevestigingsschroeven van het lampglas, verwijder het lampglas en verwijder vervolgens de gloeilamp door deze naar binnen te drukken en tegelijkertijd linksom te draaien.
VERMOGEN
IN GEVAL VAN PECH 4
39
G200A01P-GXT
Minibus/Bestelbus

G20A01P
| Nr. | Onderdeelnaam | Vermogen | Mottype | Nr. | Onderdeelnaam | Vermogen | Mottype | |||
| 1 | Koplamp | Dimlicht / Grootlicht | 60/55 | P43t | 6 | Mistachterlicht | 21 | BA15s | ||
| Knipperlicht, voor | 21 | BA15s | 7 | Dende remlicht | 16/21 | W-2/BA15s | ||||
| Stadslicht, voor | 5 | W2.1d x 9.5d | 8 | Kentekenplaatverlichting | 5 | W2.1 x 9.5D | ||||
| 2 | Mistlampen voor | 55 | PK22s | 9 | Achterlichtunit | Rom-vachterlicht | 21/5(BUITENSTE LAMP)5(BINNENSTE LAMP) | BAY15d | ||
| 3 | Interieur | Leeslamp | 8 | S8.5/8.5 | ||||||
| Interieuverlichting | Voor | 10 | S8.5/8.5 | Knipperlicht | 21 | BA15s | ||||
| Achter(Glootlamp)gasontladingslamp | 10 | S8.5/8.5 | Achteruitrijlamp | 16 | W2.1 x 9.5D | |||||
| 4 | Zitknipperlicht | 5 | W2.1 x 9.5D | 10 | Extra remlicht | 5 | S8.5/8.5 | |||
| 5 | Waarschuwingslamp in voorportier | 5 | W2.1 x 4.6D | |||||||
G200B01P-GXT
Bedrijfswagen

| Nr. | Onderdeelnaam | Vermogen | Moftype | Nr. | Onderdeelnaam | Vermogen | Moftype | ||
| 1 | Mislampen voor | 55 | PK22s | 4 | Zijknipperlicht | 5 | W2.1 x 9.5D | ||
| 2 | Koplamp | Dimlicht / Grootlicht | 60/55(H4) | PT3t | 5 | Achterlichtunit | Rem-/achterlicht | 21/5 | BAY15d |
| 55(H1) | P14.5S | Knipperlicht | 21 | BA15s | |||||
| Knipperlicht, voor | 21 | BA 15s | Achteruitrijlamp | 21 | BA15s | ||||
| Stadslicht, voor | 5 | W2.1d x 9.5d | 6 | Kentekenplaatverlichting | 5 | W2.1 x 9.5D | |||
| 3 | Interieur | Leeslamp | 8 | S8.5/8.5 | |||||
| Interieurverlichting | 10 | S8.5/8.5 | |||||||
BESCHRIJVING ZEKERINGHOUDER
IN GEVAL VAN PECH 4
41
G200B01P-GXT
Minibus/Bestelbus
Motorruimte (Dieselmotor)
![graph TD A["Power Supply"] --> B["Control Unit"] B --> C{Switch} C -->|Yes| D["Load 1"] C -->|No| E["Load 2"] D --> F["Relays"] E --> G["Relays"] F --> H["Output 1"] G --> I["Output 2"] H --> J["Control Unit"] I --> K["Control Unit"]](/content/2026/06/1160833/images/438ed9779ac8e73f9faba5f535c35012694397575c9d6ce8d630bc1455710e90.jpg)

| OMSCHRIJVING | AMPERAGE | BEVEILIGDE COMPONENTEN | |
| FUSIBLELINK | ALT | 120A | Dynamo |
| GLOW | 80A | Voorglocirelais, Voorgloci-module (D4BB) | |
| ABS | 30A | ABS-regeleenheid | |
| FR HTR | 30A | Aanjagerrelais | |
| RR HTR | 30A | Relais aanjager achter | |
| DEF. | 40A | Zekering 16, 25, 26 | |
| C/FAN | 30A | Hoofdrelais condensorventilator, Condensorventilator-relais (LOW) | |
| IGN | 40A | Start-/contactslot, Dynamo, Startrelais, COMP. zekering,Zekering ventilateur, ECU-zekering. | |
| ABS | 30A | ABS-regeleenheid | |
| P/W | 30A | Relais ruitbediening, Relais sirene | |
| TAIL | 40A | Achterlichtrelais, Koplamprelais | |
| BATT | 50A | Relais mistlampen voor, Claxonrelais, Vermogensaansluiting | |
| FUSE | I/C FAN/FR HTD | 15A/20A | Relais intercoolerventilator, Schakelaar luchttemperatuur/voorullontwaserning |
| COMP. | 10A | Relais alcro-compressor | |
| ECU | 30A | Hoofdrelais (D4CB), Motormanagementrelais, Brandstofpomprelais (Diesel) | |
| T/LP(LH) | 10A | Verlichting, Achterlichtunit links, Kentekenverlichting links | |
| T/LP(LH) | 10A | Verlichting, Achterlichtunit rechts, Kentekenverlichting rechts | |
| HORN | 10A | Claxon links/rechts | |
| FOG | 15A | Schakelaar mistlampen voor, Mistlamp voor links/rechts | |
| H/LP(LH) | 10A | Koplamp links | |
| H/LP(RH) | 10A | Koplamp rechts, Instrumentenpaneel | |
| POWER CONNECTOR | 15A | Relais waarschuwingsknipperlichten, Zekering 23, 24 | |
N.B.:
Mogelijk zijn niet alle vermelde zekeringen in de zekeringhouder voor uw auto van toepassing. De gegevens zijn correct ten tijde van druk. Raadpleeg daarom de sticker op de zekeringhouder bij het controleren van de zekeringen.

GEVAL VAN PECH
42
G20DC01P-GXT
Motorruimte (Benzine motor)

G200B01P
| OMSCHRIJVING | AMPERAGE | BEVEILIGDE COMPONENTEN | |
| FUSIBLELINK | ALT | 120A | Dynamo |
| ABS | 30A | ABS-regeloenheid | |
| FR HTR | 30A | Aanjagerrelais | |
| RR HTR | 30A | Relais aanjager achter | |
| DEF. | 40A | Zekering 16, 25, 26 | |
| C/FAN | 30A | Hoofdrelais condensorventilator, Condensorventilator-relais (LOW) | |
| IGN | 40A | Start-/contactslot, Dynamo. Startrelais, COMP. zekering.Zekering voorruilverwarming. ECU-zekering. | |
| ABS | 30A | ABS-regeloenheid | |
| P/W | 30A | Relais rulthediening, Relais sirene | |
| TAIL | 40A | Achterlichtrelais, Koplamprelais | |
| BATT | 50A | Relais mistlampen voor, Claxonrelais, Vermogensaansluiting | |
| FUSE | I/C FAN/FR HTD | 15A/20A | Relais intercoclerventilator, Schakelaar luchtemperatuur/voorruitontwaseming |
| COMP. | 10A | Relais alco-compressor | |
| ECU | 30A | Hoofdrelais (D4CB), Motormanagementrelais, Brandstofpomprelais (Diesel) | |
| T/LP(LH) | 10A | Verlichting, Achterlichtunit links, Kentekenverlichting links | |
| T/LP(LH) | 10A | Verlichting, Achterlichtunit rechts, Kentekenverlichting rechts | |
| HORN | 10A | Claxon links/rechts | |
| FOG | 15A | Schakelaar mistlampen voor, Mistlamp voor links/rechts | |
| H/LP(LH) | 10A | Koplamp links | |
| H/LP(RH) | 10A | Koplamp rechts, Instrumentenpanel | |
| POWER CONNECTOR | 15A | Relais waarschuwingsknipperlichten, Zekering 23, 24 | |
G200001P-GXT
Binnenpaneel
| 1DA 1 | 15A 2 | 15A 3 | 10A 4 | 10A 5 |
| AIR/MIRROR | ||||
| L/LIGHTER, RADIO | ||||
| SOCKET | ||||
| AIRCON | ||||
| 10A 11 | 10A 12 | 10A 13 | 10A 14 | 10A 15 |
| AIR BAGIND | ||||
| 20A 17 | 20A 18 | 10A 19 | 15A 20 | YEAR DEF |
| CUI ETACS | ||||
| 25A 16 | ||||
| ALYARD, R/AVERN | ||||
| RR AIRCON | ||||
| 10A | ||||
| SPARE | ||||
| SPARE | ||||
| 1 | ||||
G200D01P
| OMSCHRIJVING | AMPERAGE | BEVEILIGDE COMPONENTEN |
| 1 | 10A | Schakelaar buitenspiegelbediening |
| 2 | 15A | Audio, Digitaal klokje, Sigarettenaansteker, Multimeter, Shift- en keylockregeleenheid van automaat |
| 3 | 15A | Aansluitpunt |
| 4 | 10A | Verwarmingsregeleenheid, Verdeelklepactuator |
| 5 | 20A | Ruitenwissers-/sproeiers voor |
| 6 | 15A | Ruitenwisser-/sproeter achter |
| 7 | 10A | Relais schultdak linksvoor/-achter, Relais extra verwarming, Relais brandstofffilterverwarming, Temperatuursensor, Koplamprelais, Hoofdrelais condensorventilator, Schakelaar koplampverstelling, Relais Intercoolerventilator |
| 8 | 10A | ETACM, Power & hold schakelaar, Relais ruitenwissers voor, Gordeltrekrachtbegrenzer, Aanjagerrelais, Relais aanjager tegen dak, Relais buitenspiegelverwarming, Relais achterruitverwarming, Relais aanjager achter, Hoofdschakelaar aanjager achter, Sub-schakelaar aanjager achter |
| 9 | 10A | Mistachterlichtrelais |
| 10 | 10A | Schakelaar stoelverwarming |
| 11 | 10A | Instrumentenpanel |
| 12 | 10A | Regeleenheid airbagsysteem |
| 13 | 10A | ABS-regeleenheid, Neutraal-schakelaar, Schakelaar achteruilrijverlichting, Snelheidssensor, Waterdetectiesensor in brandstof, Brandstofffilterschakelaar, Brandstofffilterverwarming, Vierwielaandrijving H/L-schakelaar, Instrumentenpanel, Automaatregeleenheid, Remlichtschakelaar, Shift- en keylockregeleenheid automaat, Dwars-fangsversnellingsensor, Overdrive-schakelaar, Automaat keuzehendel |
| 14 | 10A | Schakelaar waarschuwingsknipperlichten |

GEVAL VAN PECH
| OMSCHRLIVING | AMPERAGE | BEVEILIGDE COMPONENTEN |
| 15 | 10A | ETACM, ECM (D4BH), ECM (D4CB), Regeleenheid startblokkering, Regeleenheid versneid stationair module |
| 16 | 25A | Relais acherrultverwarming |
| 17 | 20A | Relais schulfdak linksvoor |
| 18 | 20A | Relais schulfdak linksachter |
| 19 | 10A | Diagnosestekker, Verwarmingsregeleenheid, Relais buitenspiegelverwarming |
| 20 | 15A | Remlichtschakelaar |
| 21 | 10A | Digital klokje, Schakelaar waarschuwingsknipperlichten, Keylockspoel automaat, Automaat keuzehendel |
| 22 | 20A | Regeleenheid vierwielaandrijving |
| 23 | 10A | Relais waarschuwingsknipperlichten, Multifunctionale diagnosestekker, Verlichting voorportier, ETACM, Instapverlichting, Instrumentenpaneel, Schakelaar bagageruimteverlichting, Automaatregeleenheid, Bagageruimteverlichting, Contactslotverlichting & portierschakelaar |
| 24 | 15A | Parkeerhulp-zoemer, Regeleenheid startblokkering, Audio, Elektrisch bedlenbare antenne |
| 25 | 20A | Portiervergrendelrelais, Portierontgrendelrelais |
| 26 | 10A | Relais aanjager tegen dak |
| 27 | 15A | Condensorventilator-relais (D4CB), Relais intercoolerventilator (D4CB), Voorglocirelais (D4CB), Remlichtschakelaar, Gasklepspoel, EGR-magneetidep |
| 28 | 10A | ECM (D4CB), Regeleenheid startblokkering (D4CB) |
| - | 20A/15A/10A | RESERVE |
G20DE01P-GXT
Bedrijfswagen
Motorruimte
![graph TD A["数据采集"] --> B["数据预处理"] B --> C["数据存储"] C --> D["数据处理"] D --> E["系统管理"] E --> F["系统监控"] F --> G["系统运行"] G --> H["系统维护"] H --> I["系统部署"] I --> J["系统部署"] J --> K["系统部署"] K --> L["系统部署"] L --> M["系统部署"] M --> N["系统部署"] N --> O["系统部署"] O --> P["系统部署"] P --> Q["系统部署"] Q --> R["系统部署"] R --> S["系…](/content/2026/06/1160833/images/69ace63f75657c68c44a878d6b2c526f779c3187f7680dd6589c81934b920112.jpg)
G200E01P
| OMSCHIJVING | AMPE-RAGE | BEVEILIGDE COMPONENTEN | |
| FUSIBLE LINK | ALT | 100 | Dynamo |
| GLOW | 80 | Voorglociregeling | |
| HTR | 30 | Aanjagerregeling | |
| P/WINDOW | 30 | Rutbediening | |
| BATT | 50 | Mistachterlicht, Claxon, Vermogensaansluiting, Zekering 13, 14, 15 | |
| IGN | 40 | Start-contactslot, Startrelais, Dynamo | |
| TAIL | 40 | Achterlichtrelais, Koplampzekering | |
| A/C | 30 | Airco-zekering, Compressor-zekering | |
| C/FAN | 30 | Condensorventilator | |
| ABS.1 | 30 | ABS-regeleenheid | |
| ABS.2 | 30 | ABS-regeleenheid | |
| FUSE | TCI | 10 | Ventilateurmotorrelais versneld stationair toerentalregeling |
| COMP | 10 | Relais airco-compressor | |
| ECU | 15 | Motormanagementrelais | |
| TAIL (LH) | 10 | Linker achterlicht, Verlichting | |
| TAIL (RH) | 10 | Rechter achterlicht, Verlichting | |
| HORN | 10 | Claxon | |
| FOG | 15 | Mistachterlicht | |
| H/LP (LH) | 10 | Koplamp links | |
| H/LP (RH) | 10 | Rechter koplamp | |
| POWER CONNECTOR | 20 | Zekering 23, 24 | |
N.B.:
Mogelijk zijn niet alle vermelde zekeringen in de zekeringhouder voor uw auto van toepassing. De gegevens zijn correct ten tijde van druk. Raadpleeg daarom de sticker op de zekeringhouder bij het controleren van de zekeringen.

GEVAL VAN PECH
G20DF01P-GXT
Binnen paneel

G200F01P
| OMSCHRIJVING | AMPERAGE | BEVEILIGDE COMPONENTEN |
| 1 | 15A | Schakelaar buitenspiegelbediening, Sigarettenaansteker, Digitaal klokje |
| 2 | 10A | Audio |
| 3 | 10A | Rijverlichting overdag, ABS-regeleenheid, Condensorventilator-relais |
| 4 | 20A | Ruitenwissermotor, Ruitensproelermotor |
| 5 | 10A | Aanjagerrelais, Koplamprelais, Relais ruitbediening, Ruitverwarmingsrelais, Verdeelkiepactuator, Mistachterlichtrelais, Schakelaar koplampverstelling, Verwarmingsbedieningspaneel, Actuator koplampverstelling Links (Rechts) |
| 6 | 10A | ECM, Neutraal-schakelaar, Inspuitpomp, Motormanagementrelais, Relais intercolorventilator, EGR-magneetklap, Regeleenheid airbagsysteem |
| 7 | 15A | Regeloenheid airbagsysteem |
| 8 | 10A | Schakelaar achteruitrijverlichting, Snelheidssensor, ABS-relais, Instrumentenpaneel, Voorbekrachtigingsweerstand |
| 9 | 10A | Schakelaar waarschuwingsknipperlichten |
| 10 | 10A | TACM |
| 11 | 10A | Instrumentenpaneel |
| 12 | 10A | Airco-schakelaar |
| 13 | 10A | Remlichtschakelaar |
| 14 | 10A | Schakelaar waarschuwingsknipperlichten |
| 15 | - | Niet gebruikt. |
| 16 | - | Niet gebruikt. |
| 17 | - | Niet gebruikt. |
| 18 | 10A | Ruitverwarmingsrelais |
| 19 | 10A | Mistachterlichtrelais |
| 20 | 15A | Portiervergrendelactuator links |
| 21 | - | Niet gebruikt. |
| 22 | 10A | ECM, Startrelais |
| 23 | 10A | Digitaal klokje, Tachograaf, Elektrisch bedienbare antenne, Audio |
| 24 | 10A | Instrumentenpaneel, Interieurverlichting voor (achter), TACM, Contactsilverlichting & Portlerschakelaar. |
CORROSIEBESCHERMING EN ONDERHOUD VAN DE CARROSSERIE
Onderhoud van de carrosserie 5-2
Wassen/waslaag aanbrengen/cleaner 5-2
Ruiten 5-3
Corrosiebescherming 5-3
Motorruimte 5-4
Banden 5-5
5
5 CORROSIEBESCHERMING EN ONDERHOUD VAN DE CARROSSERIE
2
ONDERHOUD VAN DE CARROSSERIE
F010A01P-GXT
Voor het behoud van de carrosserie van uw voertuig is regelmatig, op de juiste wijze uitgevoerd onderhoud noodzakelijk. Handel bij het onderhoud zorgvuldig en in overeenstemming met de milieuvoorschriften. Kies de schoonmaakmiddelen e.d. met zorg uit en let er daarbij op dat ze geen corrosieve werking hebben. Wendt u bij twijfel tot een officiële Hyundai dealer.
Was het voertuig niet in direct zonlicht, maar zet het in de schaduw. Verwijder eerst loszittend stof en vuil door dit met een fijnverstoven waterstraal van het voertuig af te spoelen. Was het gehele voertuig vervolgens met veel schoon water en een autowasborstel of spons.
Gebruik zonodig een milde autoshampoo. Spoel het voertuig grondig af en droog de carrosserie met een zachte zeem.
F010D01P-GXT
Cleaner
Behandel de laklaag alleen met een cleaner met polijstmiddel als de lak is verweerd en zijn glans heeft verloren. Onderdelen die met matte lak zijn gespoten en kunststofbumpers mogen niet met een dergelijke cleaner worden ingewreven, aangezien dofheid of vlekken dan onvermijdelijk zijn.
F010B01P-GXT
Wassen
Door de chemische eigenschappen van bepaalde elementen die door straatvuil en stof op het voertuig terechtkomen kan de laklaag, bij langdurige inwerking, worden aangetast.
Deze aantasting van de laklaag kan het beste worden voorkomen door het voertuig regelmatig te wassen. Dit voorkomt chemische inwerking van bepaalde stoffen, zoals zouten en zuren, in regen, sneeuw en de omgevingslucht.
F010C01P-GXT
Waslaag aanbrengen
Door het voertuig in de was te zetten wordt voorkomen dat stof en vuil zich op het lakwerk afzet. Zet het voertuig tenminste één maal per drie maanden in de was en doe dit na het wassen.
F010E01P-GXT
Wielen
De wielen zijn gelakt en vereisen derhalve hetzelfde onderhoud als de carrosserie.
F010F01P-GXT
Chroomdelen
Was het chroomwerk, ter bescherming tegen verwering en corrosie, eerst met water, droog het daarna goed af en breng een speciale beschermlaag voor chroom aan. In de wintermaanden moet het chroomwerk vaker worden behandeld.
CORROSIEBESCHERMING EN ONDERHOUD VAN DE CARROSSERIE 5
F010G01P-GXT
Ruiten
De ruiten van het voertuig kunnen met water en een spons worden schoongemaakt.
Voor het verwijderen van olie, vet, dode insecten e.d. kan een speciale glasreiniger worden gebruikt.
Wrijf de ruit na het wassen droog met een schone, zachte zeem of een zachte, droge doek.
F010H01P-GXT
Ruitewisserbladen
Gebruik een glasreiniger en een zachte doek om vet, dode insecten, e.d. van de ruitewisserbladen te verwijderen.
Vervang de ruitewisserbladen wanneer deze strepen achterlaten of hun werk anderszins niet meer goed doen.
F010ID1P-GXT
Corrosiebescherming
De onderzijde van uw Hyundai is in de fabriek behandeld om corrosie en roest tegen te gaan. Op belangrijke plaatsen zijn anti-corrosie-middelen en was geïnjecteerd.
De effectiviteit van deze behandeling wordt echter tijdens het gebruik van het voertuig gedeeltelijk teniet gedaan door de inwerking van chemische bestanddelen in straatvuil en tegen de carrosserie opspattend grind, enz.
Laat de onderzijde van het voertuig daarom regelmatig controleren (in de herfst en het voorjaar) en laat de beschermingslaag zonodig herstellen. Aangezien niet alle in de handel zijnde preparaten geschikt zijn voor gebruik op uw voertuig, raden wij u aan dit werk door een erkende Hyundai dealer te laten uitvoeren.
F010K01P-GXT
Bekleding en interieur
Behandel de bekleding met zorg en houd het interieur schoon; dit in belang van het waardebehoud van uw voertuig. Maak stoelen en banken met een stofzuiger en een borstel schoon. Vlekken in vinyl en kunststof moeten met een geschikt reinigingsmiddel worden verwijderd; stoffen bekleding kan met een speciaal reinigingsmiddel voor bekleding worden schoongemaakt of met een oplossing van lauw water met 3% niet aggressief reinigingsmiddel.
Reinig de vloerbedekking met een stofzuiger en, in geval van vlekken, met een speciaal reinigingsmiddel voor vloerbedekking. Olie- en vetvlekken kunnen worden verwijderd door deze te deppen met een schone kleurechte doek gedrenkt in wasbenzine of een speciaal vlekkenmiddel.
5 CORROSIEBESCHERMING EN ONDERHOUD VAN DE CARROSSERIE
4
F010J01P-GXT
Motorruimte
Reinig de motorruimte zowel aan het begin van de winterperiode als daarna. Besteed extra aandacht aan flenzen, kleine holle ruimten en plaatsen waar onderdelen op de carrosserie zijn bevestigd; hier kan zich stof en vuil dat corrosieve bestanddelen bevat ophopen.
Wanneer ter bestrijding van de gladheid op de wegen gebruik is gemaakt van strooizout of andere chemicaliën, moet de motorruimte met grotere regelmaat worden gereinigd.
F010L01P-GXT
Lakbeschadigingen
Barstjes en krassen in de laklaag dienen zo spoedig mogelijk te worden bijgewerkt met een lakstift of spuitlak van Hyundai om corrosie tegen te gaan. Controleer die delen van de carrosserie die aan steenslag en opspattend vuil zijn blootgesteld, zoals de spatschermen en de dorpels, extra zorgvuldig.
De kleurcode van de lak van uw voertuig kunt u op het informatieplaatje vinden dat op het voertuig is aangebracht; zie de betreffende afbeelding.
F010M01P-GXT
Teer
Gebruik voor het verwijderen van teervlekken van de lak een speciaal reinigingsmiddel. Mocht de lak hierdoor worden aangetast, dan dient het lakwerk plaatselijk met een polish te worden behandeld.
F010N01P-GXT
Kunststof en rubber onderdelen
Gebruik hiervoor een zachte doek en water. Indien nodig, kan een speciaal reinigingsmiddel voor kunststoffen worden gebruikt. Indien deze onderdelen met motorolie, remvloeistof, accuzuur, e.d. in contact komen moeten ze direct met water worden schoongespoeld en vervolgens met alcohol worden gereinigd om de laatste resten te verwijderen.
F010001P-GXT
Belading en snelheid
Neem geen onnodige bagage mee. Zorg tevens dat de maximale toegestane belading en het maximale aanhangwagengewicht niet worden overschreden. Een correcte bandenspanning is van groot belang als met volle belading wordt gereden en als lange afstanden worden afgelegd.
CORROSIEBESCHERMING EN ONDERHOUD VAN DE CARROSSERIE 5
5
F010Q01P-GXT
Langs trottoirrand parkeren
Als de banden tegen een trottoirrand of een andere stenen afscheiding stoten, kunnen ze ernstig beschadigen. Als vervolgens met hoge snelheid met het voertuig wordt doorgereden, kan dit een groot gevaar opleveren voor de verkeersveiligheid.
Indien het toch noodzakelijk is het voertuig over een trottoirrand of andere verhoging te rijden, moet langzaam worden gereden en moet de barrière onder een redelijke hoek worden genomen teneinde voor een geleidelijke overgang te zorgen.
F010P01P-GXT
Banden vervangen
Gebruik geen banden met een van de specificaties afwijkende maat. Vernieuw altijd beide voorbanden, beide achterbanden, of alle vier banden tegelijkertijd.
Gebruik nooit diagonaal- en radiaalbanden tezamen op hetzelfde voertuig. Raadpleeg een erkende Hyundai dealer voor het vernieuwen van banden.
F010R01P-GXT
Banden onderhouden
Zowel uit veiligheidsoogpunt als om reden van de levensduur van de banden, moeten de hieronder gegeven aanwijzingen worden opgevolgd.
Voor informatie over inspectie, spanning en onderling verwisselen van de banden wordt verwezen naar het betreffende gedeelte over banden in het hoofdstuk "Informatie voor de Eigenaar".
F010S01P-GXT
Bandenspanning
De banden moeten altijd op de juiste spanning zijn, in overeenstemming met de specificaties. De spanning dient bij koude banden te worden gemeten.
Wanneer onder andere omstandigheden ten aanzien van belading of snelheid wordt gereden, moet de bandenspanning op deze nieuwe omstandigheden worden afgestemd.
Als met het voertuig met verschillende belading en wisselende snelheden zal worden gereden, moeten de banden op die spanning worden gebracht die van toepassing is op de zwaarste gebruikstoestand van de banden (d.w.z. de maximum snelheid en belading waarmee gereden zal worden).
5 CORROSIEBESCHERMING EN ONDERHOUD VAN DE CARRÖSSERIE
6
F010T01P-GXT
Banden opslaan
De opslag van banden vereist een donkere, goed geventileerde ruimte.
Banden die niet op een velg zijn gemonteerd moeten in verticale stand worden bewaard. Zorg dat de banden niet met olie, vet of brandstof in contact komen, daar het materiaal hierdoor wordt aangetast.
ONDERHOUDSVOORSCHRIFTEN
Onderhoudsvoor-schriften.... 6-2
Periodiek onderhoud 6-4
Onderhoud onder zware bedrijfsomstandigheden ..... 6-8
6
ONDERHOUDSVOOR- SCHRIFTEN
SF020A1-FX
Om van de bedrijfszekerheid van uw Hyundai verzekerd te zijn moeten regelmatig verschillende onderhoudswerkzaamheden worden uitgevoerd. Hoewel deze werkzaamheden door de constructie en de techniek tot een minimum zijn verminderd, blijven echter enkele werkzaamheden uiterst belangrijk. Laat het onderhoud uitvoeren in overeenstemming met de garantiebepalingen die gelden voor uw nieuwe Hyundai. Raadpleeg het serviceboekje voor meer informatie omtrent de garantie.
SF020B1-FX
ONDERHOUD
Het nodige onderhoud voor uw Hyundai kan in drie groepen worden gesplitst:
o Periodiek onderhoud
o Dagelijks uit te voeren controles
o Eenvoudige onderhoudswerkzaam-
heden die u zelf kunt uitvoeren.
SF020C1-FX
Periodiek onderhoud
Dit is het onderhoud zoals inspectiebeurten, afstellingen en het vervangen van onderdelen zoals beschreven in de onderhoudstabellen vanaf bladzijde 6-4.
Deze werkzaamheden moeten worden uitgevoerd op de voorgeschreven termijnen teneinde de garantie te behouden. Wij adviseren met nadruk de onderhoudswerkzaamheden door de getrainde vakmensen van uw Hyundai dealer te laten uitvoeren.
Hierbij worden originele Hyundai onderdelen gebruikt. Andere merken of equivalente produCten kunnen worden gebruikt zonder invloed te hebben op de garantie, maar overtuig u er in een dergelijk geval van dat deze produkten gelijkwaardig zijn aan de kwaliteit van de originele Hyundai onderdelen. Raadpleeg het serviceboekje voor meer informatie.
SF020D1-FX
Algemene controles
Deze controles moeten worden uitgevoerd voordat met uw Hyundai wordt gereden of bij het tanken.
Een lijst met deze controles vindt u op pagina 8-5.
SF020E1-FX
Eenvoudige onderhoudswerkzaamheden
Voor deze werkzaamheden is slechts weinig gereedschap vereist en het kost weinig tijd. Raadpleeg voor meer informatie omtrent dit onderhoud hoofdstuk 8.
SF020F1-FX
Enkele tips
Bewaar kopieën van de werkorders voor de onderhoudswerkzaamheden in het dashboardkastje. Aan de hand hiervan bent u in staat te bewijzen dat het voorgeschreven onderhoud op tijd is verricht. Dit is vooral van belang in geval van garantie.
SF000A1-FX
REGELMATIG ONDERHOUD
Laat de onderhoudswerkzaamheden op de voorgeschreven termijnen uitvoeren.
In verband met eventuele garantie-aanspraken is het aan te bevelen de nota's van het uitgevoerde onderhoud aan de diverse componenten te bewaren.
Raadpleeg bladzijde 6-6 voor de onderhoudsvoorschriften die gelden voor zware bedrijfsomstandigheden.
PERIODIEK ONDERHOUD
G040A03P-GXT
Onderstaande werkzaamheden moeten regelmatig worden uitgevoerd teneinde van de bedrijfszekerheid van uw voertuig verzekerd te zijn. In verband met eventuele garantie-aanpraken moeten de rekeningen van de onderhoudswerkzaamheden worden bewaard. Het onderhoud wordt uitgevoerd na het afleggen van een bepaalde afstand in kilometers of na het verstrijken van een bepaalde periode, afhankelijk van welk van de twee het eerst voorkomt.
V : Vervangen I : Inspectie en vervolgens zonodig reinigen, afstellen, repareren of vervangen
| NR. | BESCHRIJVING | KILOMETERS X 1000 | 7.5 | 15 | 30 | 45 | 60 | 75 | 90 |
| MAANDEN | 6 | 12 | 24 | 36 | 48 | 60 | 72 | ||
| ONDERHOUD MOTORREGELSYSTEEM (BENZINEMOTOR) | |||||||||
| 1 | MOTOROLIE/OLIEFILTER (SG of hoger) | V | V | V | V | V | V | ||
| 2 | LUCHTFILTERELEMENT | I | V | I | V | I | V | ||
| 3 | BRANDSTOFFILTER | V | V | ||||||
| 4 | BRANDSTOFLEKKAGE | I | I | I | |||||
| 5 | BOUGIES | 1^* | |||||||
| 6 | DISTRIBUTIERIEM | I | V | ||||||
| 7 | V-RIEM (AANDRIJVING WATERPOMP/DYNAMO) | I | I | I | I | I | I | ||
1*: Elke 100,000 KM : "V"
G050A04P-GXT
V : Vervangen I : Inspectie en vervolgens zonodig reinigen, afstellen, repareren of vervangen
| NR. | BESCHRIJVING | KILOMETERS X 1000 | 7.5 | 15 | 30 | 45 | 60 | 75 | 90 |
| MAANDEN | 6 | 12 | 24 | 36 | 48 | 60 | 72 | ||
| ONDERHOUD MOTORREGELSYSTEEM (DIESELMOTOR ALLEEN 2.5 4D56) | |||||||||
| 1 | MOTOROLIE EN OLIE FILTER | 1^* | |||||||
| 2 | LUCHTFILTERELEMENT | I | V | I | V | I | V | ||
| 3 | LEKKAGE BRANDSTOFSYSTEEM | I | I | I | |||||
| 4 | BRANDSTOFFILTER | V | V | V | |||||
| 5 | KLEPSPELING | 2^* | |||||||
| 6 | EGR-SYSTEEM (KLEP, LEIDINGEN, SLANGEN) | I | I | I | |||||
| 7 | INSPUITMOMENT | I | I | I | |||||
| 8 | DISTRIBUTIERIEM | I | V | ||||||
| 9 | V-RIEM (VOOR WATERPOMP/DYNAMO) | I | I | I | I | I | I | ||
| 10 | MOTORTEST | I | I | I | I | I | I | ||
| 11 | STATIONAIR TOERENTAL | I | I | I | |||||
| 12 | ONDERDRUKPOMP (MET DYNAMO) | 3^* | |||||||
1* : Elke 6 maanden of 7,500 km., naar gelang het eerst bereikt wordt: "V"
2* : Elke 20,000 km : "l"
3* : Elke 16 maanden of 20,000 km., naar gelang het eerst bereikt wordt: "I"
G050A02P-GXT
V : Vervangen I : Inspectie en vervolgens zonodig reinigen, afstellen, repareren of vervangen
| NR. | BESCHRIJVING | KILOMETERS X 1000 | 15 | 30 | 45 | 60 | 75 | 90 |
| MAANDEN | 12 | 24 | 36 | 48 | 60 | 72 | ||
| ONDERHOUD MOTORREGELSYSTEEM (DIESELMOTOR ALLEEN 2.5 CRDi) | ||||||||
| 1 | MOTOROLIE EN OLIEFILTER | V | V | V | V | V | V | |
| 2 | LUCHTFILTERELEMENT | I | V | I | V | I | V | |
| 3 | LEKKAGE BRANDSTOFSYSTEEM | I | I | I | ||||
| 4 | BRANDSTOFFILTER | V | V | V | ||||
| 5 | V-RIEM (VOOR WATERPOMP/DYNAMO) | I | I | I | V | I | I | |
| 6 | STATIONAIR TOERENTAL | I | I | I | ||||
| 7 | ONDERDRUKPOMP (MET DYNAMO) | 1* | ||||||
1* : Elke 16 maanden of 20,000 km., naar gelang het eerst bereikt wordt: "I"
G080A04P-GXT
V : Vervangen I : Inspectie en vervolgens zonodig reinigen, afstellen, repareren of vervangen
| NR. | BESCHRIJVING | KILOMETERS X 1000 | 7.5 | 15 | 30 | 45 | 60 | 75 | 90 |
| MAANDEN | 6 | 12 | 24 | 36 | 48 | 60 | 72 | ||
| ALGEMEEN ONDERHOUD | |||||||||
| 1 | KOELVLOEISTOF MOTOR | 1* | |||||||
| 2 | OLIE HANDGESCHAKELDE VERSNELLINGSBAK | I | I | I | I | I | I | ||
| 3 | VLOEISTOF AUTOMATISCHE TRANSMISSIE | I | I | I | I | I | V | ||
| 4 | OLIE VERDEELBAK | 2* | |||||||
| 5 | DIFFERENTIEELOLIE | I | I | V | I | I | V | ||
| 6 | VRIJE SLAG KOPPELING-/REMPEDAAL | I | I | I | I | I | I | ||
| 7 | RESERVOIR KOPPELING-/REMVLOEISTOF | I | I | I | I | I | I | ||
| 8 | REMVLOEISTOF | I | I | I | |||||
| 9 | REMBLOKKEN VOORREMMEN | I | I | I | I | I | I | ||
| 10 | REMKLAUWEN/-CILINDERS/-SCHIJVEN VOORREMMEN | I | I | I | |||||
| 11 | REMTROMMELS/-VOERINGEN/-CILINDERS ACHTERREMMEN | I | I | I | |||||
| 12 | PARKEERREM | I | I | I | I | I | I | ||
| 13 | STAAT VAN BANDEN EN BANDENSPANNING | I | I | I | I | I | I | ||
| 14 | UITLAATSYSTEEM/-BEVESTIGING | I | I | I | |||||
| 15 | STUURASKOPPELING/SPOORSTANGKOGELS/STUURHUIS/LEKKAGE | I | I | I | |||||
| 16 | FUSEEKOGELS/STOFKAPPEN/MANCHETTEN | I | I | I | |||||
| 17 | VOORWIELLAGERS | I | I | I | |||||
| 18 | SLANGEN VAN KOELSYSTEEM MOTOR | I | I | I | |||||
| 19 | CORROSIE REMLEIDINGEN | I | I | I | I | I | I | ||
| 20 | LUCHTFILTER (VOOR VERDAMPER-/AANJAGEREENHED) | V | V | V | V | V | V | ||
*1. Na elke 24 maanden of 45,000 km, welk het eerst komt vervangen. : "V"
*2. Na elke 24 maanden of 48,000 km, welk het eerst komt vervangen.: "V"
ONDERHOUD ONDER ZWARE BEDRIJFSOMSTANDIGHEDEN
G070A07P-GXT
De volgende werkzaamheden moeten vaker worden uitgevoerd als het voertuig onder zware omstandigheden wordt gebruikt. Raadpleeg onderstaande tabel voor de geldende onderhoudsintervallen.
V : Vervangen I : Controleren, repareren of zonodig vervangen
| ONDERHOUDSWERKZAAMHEDEN | SOORT ONDERHOUD | ONDERHOUDSINTERVALLEN | BEDRIJFS-OMSTANDIGHEDEN | |
| MOTOROLIE EN FILTER | V | BENZINE | ELKE 7,500 KM OF 6 MAANDEN | A, B, C, D, E, F, G, H, I, K |
| DIESEL | ELKE 4,000 KM (Alleen 2.5 4D56) | A, B, F, G, H, I, J, K | ||
| ELKE 7,500 KM OF 6 MAANDEN (Alleen 2.5 CRDi) | ||||
| LUCHTFILTERELEMENT | V | MET KORTERE TUSSENPOZEN | C, E | |
| BOUGIES | V | MET KORTERE TUSSENPOZEN | B, H | |
| DISTRIBUTIERIEM | V | ELKE 60,000 KM OF 48 MAANDEN (Alleen 2.5 4D56) | D, E, F, G | |
| REMBLOKKEN, -KLAUWEN, -SCHIJVEN | I | MET KORTERE TUSSENPOZEN | C, D, G, H | |
| REMTROMMELS-/VOERINGEN | I | MET KORTERE TUSSENPOZEN | C, D, G, H | |
| STUURHUIS, SPOORSTANGEN,SPOOR-STANGKOGELS, STOFHOEZEN | I | ELKE 10,000 KM OF 6 MAANDEN | C, D, E, F | |
| LUCHTFILTER(VOOR VERDAMPER:/AANJAGEREENHED) | V | MET KORTERE TUSSENPOZEN | C,E | |
| SLANGEN VAN KOELSYSTEEM MOTOR | V | ELKE 100,000 KM | A, C, D, E, F, G, H, I, J | |
| VLOEISTOF AUTOMATISCHE TRANSMISSIE | V | ELKE 45,000 KM | A, C, E, F, G, H, I | |
ZWARE BEDRIJFSÖMSTANDIGHEDEN
A - Herhaaldelijk rijden van korte afstanden minder dan 8 km bij normale temperaturen of minder dan 16 km bij winterse omstandigheden.
B - Langdurig stationair draaien of het rijden van een grote afstand met een lage snelheid.
C - Rijden op hobbelige, stoffige, modderige, niet geplaveide gravel wegen of wegen waar zout gestroold is.
D - Rijden in gebieden waar veel strooizout of ander corrosief material wordt gebruikt of bij zeer lage temperaturen.
E - Rijden in zandgebieden.
F - Rijden in gebieden met druk verkeer boven 32°C.
G - Rijden in bergachtig terrein.
H - Het rijden met een aanhanger, caravan of bagagebox op de dakdrager.
I - Gebruik als politieauto, taxi, voor besteldiensten of als sleepauto.
J - Rijden met snelheden boven 170 km/h.
K - Rijden met veel optrekken en afremmen.
EMISSIEREGELSYSTEEM
Emissieregelsysteem 7-2
Katalysator 7-3
7
EMISSIEREGELSYSTEEM
H010A01P-GXT
(Benzine)
Uw Hyundai is uitgerust met een emissieregelsysteem, dat uit de drie hieronder genoemde systemen bestaat.
(1) Carterventilatiesysteem
(2) Benzinedampafzuigsysteem
(3) Regelsysteem uitlaatgasemissie
Om er zeker van te zijn dat dit regelsysteem optimaal blijft functioneren moet uw voertuig overeenkomstig het onderhooudsschema in deze handleiding door een officiële Hyundai dealer worden onderhouden.
H020A01P-GXT
1. CARTERVENTILATIESYSTEEM
Het positieve carterventilatiesysteem is ontworpen teneinde te voorkomen dat de doorblaasgassen in de atmosfeer terecht kommen. Dit systeem zorgt er voor dat het carter via het luchtfilter wordt geventileerd. In het carter vermengt zich de verse lucht met de doorblaasgassen waarna deze damp via de positieve carterventilatieklep naar het inlaatluchtsysteem van de motor wordt teruggevoerd.
H060A01P-GXT
PCV klep
Het positieve carterventilatiesysteem dient in goede staat te verkeren om goede motor-prestaties te waarborgen. De PCV klep moet regelmatig worden gereinigd teneinde vervuiling door verbrandingsgassen te voorkomen.
H030A01P-GXT
2. BENZINEDAMPAFZUIG- SYSTEEM
(Behalve actief koolstofffilter)
Het benzinedampafzuigsysteem is ontworpen om te voorkomen dat benzinedampen in de atmosfeer terecht komen.
Als de benzinedampafzuigleiding verstopt of beschadigd is zal de benzinedamp naar de buitenlucht ontsnappen, zodat de emissieregeling wordt verstoord.
Maak de leiding in zo'n geval aan beide zijden los en blaas hem schoon met perslucht.
Verwijder de benzinedop van de vulbuis en controleer of de afdichtring nog voor een goede afdichting zorgt. Controleer of de tweewegklep voor de automatische afslag goed functioneert; deze is in de leiding tussen de toevoer naar het actief koolstoffilter en de afvoer vanaf de tank aangebracht.
KATALYSATOR
3
H040A01P-GXT
Actief koolstofffilter
Wanneer de motor niet draait, worden de benzinedampen die in de tank ontstaan geabsorbeerd door en opgeslagen in het actief koolstofffilter. Als de motor draait, worden de benzinedampen uit het filter in het inlaatsysteem gezogen via de solenoideklep van het actief koolstofffilter.
H090A01P-GXT
Solenoïde actief koolstofffilter
De solenoïde van het actief koolstofffilter wordt door de ECU (elektronische regeleenheid) gestuurd. Bij een lage koelvloeistoftemperatuur en bij stationair draaien is de klep gesloten zodat de verdampte benzine niet naar het inlaatlucht-systeem wordt gevoerd; wanneer de motor op bedrijfstemperatuur is tijdens normaal rijden, opent de klep zodat de verdampte benzine in het inlaatluchtssysteem kan worden aangezogen.
H050A01P-GXT
Het regelsysteem uitaatgasemissie is een uiterst effectief systeem dat de samenstelling van het uitlaatgas in milieutechnisch opzicht optimaliseert en tegelijkertijd goede motor-prestaties waarborgt.
H050A01P-GXT

Alle Hyundai voertuigen met benzinemotor zijn voorzien van een drieweg-katalysator met een monoliet element. De katalysator heeft tot taak de uitstoot van koolmonoxyde, koolwaterstoffen en stikstofoxyden te verminderen.
INFORMATIE VOOR DE EIGENAAR
Motorruimte 8-2
Dagelijkse controles 8-5
Oliepeil controleren 8-6
Koelvloeistof control-eren en verversen 8-9
Accu controleren 8-12
Onderhoud airconditioning 8-13
Vervangen van het luchtfilter 8-14
Remvloeistof 8-15
Koppelingvloeistof 8-16
Vloeistofpeil automatische transmissie controleren .. 8-16
Ruitesproeierreservoir bijvullen 8-18
Ruitenwissers ruiten wisserbladen 8-19
Vloeistofniveau ruitenspro-eier achterklep 8-20
Speling van hetstuurwiel controleren 8-20
V-riemen controleren 8-21
Banden 8-22

INFORMATIE VOOR DE EIGENAAR
2
MOTORRUIMTE
1010801P-GXT DIESELMOTOR (Voor 2.5 4D56 TCI)

- Dop ruitesproeierreservoir
- Peilstaaf automatische transmissievloeistof (Indien aanwezig)
-
Olievuldop
-
Oliepeilstaaf motor
- Rembekrachtiger
- Remvloeistofreservoir
-
Koelvloeistofreservoir
-
Luchtfilter
- Reservoir stuurbekrachtiging
10.AccU
11.Zekeringhouder relaiskast
I010C01P-GXT
DIESELMOTOR (Voor 2.5 CRDi TCI)

Ga bij het controleren of repareren van de motor voorzichtig om met gereedschap en andere zware voorwerpen, zodat het kunststof kleppendeksel van de motor niet wordt beschadigd.
1010C02P
- Dop ruitesproeierreservoir
- Olievuldop
-
Rembekrachtiger
-
Remvloeistofreservoir
- Koelvloeistofreservoir
- Luchtfilter
-
Reservoir stuurbekrachtiging
-
Oliepeilstaaf motor
- Accu
10.Zekeringhouder relaiskast
I011A02P-GXT
BENZINEMOTOR

Ga bij het controleren of repareren van de motor voorzichtig om met gereedschap en andere zware voorwerpen, zodat het kunststof kleppendeksel van de motor niet wordt beschadigd.
ID11A03P
- Reservoir stuurbekrachtiging
- Accu
10.Zekeringhouder relaiskast
DAGELIJKSE CONTROLES
INFORMATIE VÓOR DE EIGENAAR
5
102DA03P-GXT
Motorruimte
Onderstaande punten moeten dagelijks of wekelijks worden gecontroleerd:
o Motoroliepeil
o Versnellingsbakoliepeil
o Peil in remvloeistofreservoir
o Peil in koppelingvloeistofreservoir
o Koelvloeistofpeil
o Peil in ruitesproeierreservoir
o Conditie van V-riem
o Conditie van koelvloeistofslangen
o Vloeistoflekkage (bij of onder componenten)
o Peil in reservoir stuurbekrachiging
o Conditie accu-controlelamp (indien van toepassing)
1030A0GP-GXT
Buitenzijde
Onderstaande punten moeten maandelijks worden gecontroleerd:
o Uiterlijk en staat van de carrosserie
o Toestand van de velgen en bevestiging van de wielmoeren
o Conditie van luchtfilterelement
o Toestand van het uitlaatsysteem
o Conditie en werking van de verlichting
o Conditie van de voorruit
o Conditie van de ruitewissers
o Conditie van de lak en eventuele corrosie
o Vloeistoflekkage
o Conditie van portier- en motorkapsloten
o Bandenspanning en conditie (incl. reservewiel)
ID40A01P-GXT
Interieur
De volgende punten moeten periodiek worden gecontroleerd voordat met de wagen wordt gereden:
o Verlichting
o Ruitewissers
o Claxon
o Werking van de aanjager (en airconditioning, indien van toepassing)
o Werking van de stuurinrichting
o Werking en staat van de spiegels
o Werking van de richtingaanwijzers
o Werking van het gaspedaal
o Werking van de remmen, incl. de
parkeerrem
o Werking van de versnellingsbak, incl. koppeling
o Werking van de automatische transmissie incl. het parkeermechanisme
o Werking van de stoelen en vergrendeling
o Werking van de veiligheidsgordels en conditie
o Werking van de zonnekleppen
Als bij deze controles onregelmatigheden/onjuistheden worden aangetroffen, moet de hulp van een Hyundai dealer worden ingroepen.
Teneinde de waarde en het uiterlijk van uw voertuig zo lang mogelijk optimaal te houden, is adequaat en regelmatig onderhoud een eerste vereiste.
Een aantal onderhoudswerkzaamheden kunnen door de eigenaar (Informatie voor de Eigenaar) worden uitgevoerd, terwijl andere werkzaamheden moeten worden toevertrouwd aan een officiële Hyundai dealer (periodieke onderhouds- en inspectiebeurten). In dit hoofdstuk worden alleen de werkzaamheden besproken die door de eigenaar zelf kunnen worden uitgevoerd. Wordt een defect of een ander probleem ontdekt, laat de inspectie en reparatie dan door een erkende Hyundai dealer uitvoeren. Wanneer u ervoor kiest de controles en het onderhoud zoals deze in dit hoofdstuk zijn aangegeven, zelf uit te voeren, volg dan nauwkeurig de instructies en raadgevingen op. Zorg bij werkzaamheden in de motorruimte dat de motor niet draait en voldoende is afgekoeld. Mocht het toch noodzakelijk zijn de werkzaamheden te verrichten bij draaiende motor, waak er dan voor dat een kledingstuk, haar of andere zaken niet vast raken in bewegende delen, zoals een V-riem of de koelventilateur; dit is levensgevaarlijk.
OLIEPEIL CONTROLEREN
ID70A0BP-GXT
Aanbevolen olie
Dieselmotor


Kies de voorgeschreven SAE viscositeit overeenkomstig de buitentemperatuur.
De aanbevolen viscositeit is in de volgende afbeelding aangegeven.
Gebruik motorolie die aan de volgende ACEA-specificatie voldoet:
2.5 4D56 TCI : CF-4 of hoger
2.5 CRDi TCI : CF-4 of hoger
Gebruik motorolie die aan de volgende API-specificatie voldoet:
De motorolie is van essentieel belang voor de prestaties en de levensduur van de motor. Het is raadzaam het oliepeil bij normale bedrijfsomstandigheden tenminste één maal per week en bij zware bedrijfsomstandigheden of een lange reis vaker te controleren.
De motorolie moet de volgende kwaliteit hebben:
API SJ, SL of hoger.
ILSAC GF-3 of hoger
N.B.:
o Voor een optimaal brandstofverbruik worden de volgende motorolie specificaties aanbevolen, SAE 5W-20 (5W-30), ILSAC GF-3.
o Als motorolie met de specificaties SAE 5W-20, ILSAC GF-3 niet beschikbaar is dan wordt aanbevolen de tweede keus in de temperatuur tabel te nemen.
1060A01P-GXT
Oliepeil controleren

Het is normaal dat een motor wat olie verbruikt. Daarom is het van belang het motoroliepeil regelmatig of voor het begin van iedere lange rit te controleren. Deze controle moet bij warme, maar stilstaande motor worden uitgevoerd. Plaats het voertuig op een vlakke ondergrond, zet de motor af en wacht enkele minuten zodat alle olie naar het carter is gevloeid. Verwijder de oliepeilstaaf en veeg deze met een schone doek af. Steek oliepeilstaaf weer in de houder en lees het niveau af; het oliepeil moet tussen de twee inkepingen op de peilstaaf staan.

Als het oliepeil beneden het onderste merkteken staat, moet olie worden bijgevuld via de vulopening in het kleppendeksel tot de olie op de oliepeilstaaf zich weer tussen de twee inkepingen bevindt. Gebruik alleen olie van de voorgeschreven soort en meng geen verschillende soorten olie. Meng, indien mogelijk, ook geen olie van verschillende merken. Vergeet niet na het vullen de olievuldop weer goed vast te draaien.

WAARSCHUWING:
Zorg ervoor dat het hete uitlaatspruitstuk niet wordt aangeraakt.

ATTENTIE:
Vul niet te veel bij, omdat dan de motor kan worden beschadigd.
N.B.:
Controleer na het bijvullen opnieuw het oliepeil met de peilstaaf.
KOELVLOEISTOF CONTROL- EREN EN VERVERSEN
G350A01A-GXT
OLIEVERBRUIK VAN DEMOTOR Taak van de motorolle
De motorolie dient in hoofdzaak voor het smeren en koelen van het inwendige van de motor.
Olleverbruik van de motor
Het is normaal dat de motor een geringe hoeveelheid olie verbruikt onder normale rij-omstandigheden. Het olieverbruik in een normale motor heeft de volgende oorzaken:
o De motorolie wordt gebruikt voor het smeren van zuigers, zuigerveren en cilinders. Wanneer de zuiger zich naar beneden beweegt, blijft een dunne oliefilm op de cilinderwand achter. Door de grote onderdruk die tijdens de werking van de motor ontstaat, wordt een kleine hoeveelheid olie in de verbrandingsruimte gezogen. Deze olie wordt samen met de olie op de cilinderwand door de hoge temperatuur gedurende het verbrandingsproces verbrand.
o Het olieverbruik van de motor wordt sterk beïnvloed door de dikte en de kwaliteit van de olie, het motortoerental en de rijomstandigheden enz. Onder zware rij-omstandigheden, zoals hoge snelheden en vaak accelereren en afremmen, wordt meer olie verbruikt dan onder normale rijomstandigheden.
1000A02P-GXT

WAARSCHUWING:
Verwijder de radiateurdop niet als de motor heet is. De koelvloeistof staat onder druk en kan uit de radiateur spulten wanneer de dop wordt verwijderd. Dit kan ernstige brandwonden tot gevolg hebben.

Onder de bestuurdersstoel bevindt zich een doorzichtige expansietank voor de koelvloeistof, het peil in dit reservoir moet tussen de merktekens "LOW" en "FULL" staan; gemeten bij warme en stationair draaiende motor. Het koelcircuit is een gesloten systeem en van verlies van
koelvloeistof mag nauwelijks sprake zijn. Wanneer veel vloeistof moet worden bijgevuld kan dit op lekkage wijzen.
Is dit het geval, laat het koelsysteem dan zo spoedig mogelijk door een officiële Hyundai dealer controleren. Als het peil beneden het "LOW" merkteken staat, schuif dan (bij voertuigen met links stuur) de bestuurdersstoel naar voren en open het luik van de motorruimte, of (bij voertuigen met rechts stuur) klap de voorste passagiersstoel omhoog, en vul vloeistof bij.
Indien het reservoir geheel leeg is, moet ook de radiateur worden bijgevuld. Verwijder hiertoe de radiateurdop en vul vloeistof bij tot aan de onderzijde van de vulbuis.

WAARSCHUWING:
Verwijder de dop van de expansietank of de radiateurdop nooit wanneer de motor nog warm is. Het koelsysteem staat onder druk; hete koelvloeistof die onder druk ontsnapt kan ernstige brandwonden veroorzaken.
SGD50B1-FX
Aanbevolen koelvloeistof
Gebruik een hoge kwaliteit koelvloeistof op ethyleen glycolbasis. Het mengsel bestaat uit 50% water en 50% antivries. De gebruikte koelvloeistof mag geen aluminium aantasten. Aan de koelvloeistof mogen geen anti-corrosiemiddelen worden toegevoegd. Houd de koelvloeistofconcentratie op het juiste niveau teneinde bevriezing en corrosie te voorkomen. Bij een concentratie boven 60% of minder dan 35% kan dit schade aan het koelsysteem tot gevolg hebben. Raadpleeg onderstaande tabel voor de concentratie koelvloeistof:
| Omgevings-temperatuur °C | Koelvloelstofsamenstelling | |
| Antivries | Water | |
| -15 | 35% | 65% |
| -25 | 40% | 60% |
| -35 | 50% | 50% |
| -45 | 60% | 40% |
G050C01S-GXT
Koelvloeistofpeil controleren
Het koelvloeistofpeil kan worden gecontroleerd via de transparante expansietank en moet bij een koude motor tussen de "LOW" en "FULL" merktekens op de tank liggen. Als het peil beneden het "LOW" merkteken staat moet koelvloeistof worden bijgevuld tot het peil weer tussen "LOW" en "FULL" ligt. Controleer in dit geval eveneens op koelvloeistoflekkage en controleer het peil regelmatig. Als het peil opnieuw daalt, neem dan contact op met uw Hyundai dealer.
G050D02A-AXT
Koelvloeistof verversen
De koelvloeistof moet worden ververst overeenkomstig het onderhoudsoverzicht in hoofdstuk 5.

LET OP:
Koelvloeistof kan het lakwerk beschadigen. Spoel gemorste koelvloeistof direct met schoon water af.
- Plaats de wagen op een vlakke ondergrond, trek de handrem aan en verwijder de radiateurdop zodra de motor koud is.
- Plaats een opvangbak onder de radiateur en verwijder de aftapplug van de radiateur. Tap alle koelvloeistof af en zet de aftapplug weer vast.
-
Raadpleeg hoofdstuk 9 voor de inhoud van het koelsysteem. Ga voor het verversen te werk overeenkomstig de gebruiksaanwijzing van de fabrikant en vul de radiateur met de voorgeschreven hoeveelheid.
-
Draai de radiateurdop linksom tot tegen de aanslag. Hierdoor kan de druk in het koelsysteem ontwijken. Verwijder de radiateurdop door hem in te drukken en linksom te draaien. Vul de radiateur met gedemineraliseerd of gedestilleerd water. Vul de radiateur met kleine hoeveelheden tot het vloeistofpeil in de vulopening stabiel blijft.
- Start de motor, vul de radiateur bij met water en vul de expansietank tot het peil tussen "LOW" en "FULL" ligt.
- Breng de radiateurdop en de dop van de expansietank aan en controleer of de aftapplug goed vastzit en niet lekt.

WAARSCHUWING:
De koelventilateur reageert op de motortemperatuur en kan in werking treden, ook als de contactsleutel is verwijderd. Ga uiterst voorzichtig te werk als in de omgeving van de koelventilateur wordt gewerkt om te voorkomen dat u door de ventilator wordt geraakt. Naarmate de motortemperatuur afneemt, wordt de ventilator automatisch uitgeschakeld. Dit is normaal.
ACCU CONTROLEREN
G210A01A-AXT

Accu's kunnen gevaarlijk zijn! Let bij het omgaan met accu's op onderstaande voorzorgsmaatregelen teneinde verwondingen te voorkomen.
De vloeistof in de accu bevat een sterk zwavelzuur dat giftig en in hoge mate corrosief is. Let erop dat accuzuur niet met de huid of met accuzuur in aanraking komen, handel dan als volgt:
o Als accuzuur op de huid terecht komt moet de desbetreffende plaats gedurende tenminste 15 minuten met water worden afgespoeld. Raadpleeg een arts.
o Als accuzuur in uw ogen mocht komen, moet er direct een arts worden geraadpleegd.
o Als accuzuur wordt ingeslikt moet direct een grote hoeveelheid water of melk worden gedronken. Neem vervolgens magnesia, een rauw ei of plantaardige olie. Bezoek direct een arts.
Bij het laden van een accu (met een acculader of in de wagen met een dynamo) produceert de accu een explosief gas. Let op de volgende voorzorgsmaatregelen:
o Laad de accu alleen in een goed geventileerde ruimte.
o Let erop dat in de desbetreffende ruimte geen open vuur of vonken aanwezig zijn en ook dat er niet wordt gerookt.
o Houd kinderen uit de buurt van een accu.
ID90C01P-GXT
Accukabels losnemen en aansluiten
Maak de accukabels nooit los terwijl de motor draait; dit kan schade opleveren aan de elektrische componenten. Maak eerst de massakabel los en dan de pluskabel. Maak bij het weer aansluiten van de accu eerst de pluskabel en vervolgens de massakabel vast.

ATTENTIE:
o Houd de accupolen schoon. Breng na het aansluiten van de kabels vaseline of zuurvrij vet op de polen en kabelaansluitingen aan. Gebruik lauw water om de accupolen te reinigen.
o Sluit de accupolen nooit kort; dit kan oververhitting en derhalve ernstige schade veroorzaken.
ONDERHOUD AIRCONDITIONING
13
o Rook niet en houd geen vuur in de omgeving van de accu; het explosieve gas in de accu kan hierdoor onbranden.
o Het accuzuur is sterk bijtend. Laat daarom geen accuzuur in contact komen met uw ogen, huld, kleding of het lakwerk van het voertuig. Gemorst accuzuur moet direct met veel water worden weggespoeld. Indien de huld of ogen door accuzuur geïrriteerd raken, moet onmiddellijk een arts worden geraadpleegd.
o Als de accu m.b.v. een snellader moet worden opgeladen, moeten eerst de accukabels worden losgenomen.
o Maak ter voorkoming van kortsluiting, als eerste altijd de massakabel los.
SG140A1-FX Condensor schoonhouden
De condensor van de airconditioning en de radiateur moeten regelmatig worden gecontroleerd op vuil, dode insekten, bladeren enz. Dit kan de koelcapaciteit nadelig beinvloeden. Verwijder aangekoekt vuil enz. Ga bij het verwijderen van vuil voorzichtig te werk om schade aan de ventilator te voorkomen.
SG140C1-FX Controle van de werking van de Airconditioning
- Start de motor en laat deze enkele minuten versneld stationair draaien met de airconditioning ingesteld op max. koude situatie.
- Als de uit de dashboard-openingen stromende lucht niet koud is, moet de installatie door de HYUNDAI dealer gecontroleerd worden.

LET OP:
Als het airconditioning systeem gedurende langere tijd werkt met een te laag koelmiddelniveau, zal beschadigling van de compressor plaatsvinden.
5G140D1-FX
Smering
Voor de smering van de compressor en de afdichtingen in het systeem moet de airconditioning elke week tenminste 10 minuten draaien. Dit is vooral van belang bij koude weersomstandigheden als het airconditioningsysteem niet wordt gebruikt.
14
SG140B1-FX
Aandrijfriem van compressor controleren

Diesel (2.5 TCI)
Diesel (2.5 CRDi)


G190D01P
Bij regelmatig gebruik van de airconditioning moet de spanning van de aandrijfriem van de compressor tenminste één maal per maand worden gecontroleerd.
Controleer de spanning door de riem in het midden tussen de krukas en de compressorpoelie met een vinger naar beneden te drukken. De speling mag niet meer dan 1 cm bedragen. Als u over het juiste gereedschap beschikt mag de speling onder een druk van 98N niet meer bedragen dan 8 mm. Is de riem niet strak genoeg gespannen, laat hem dan door uw Hyundai dealer afstellen.
N.B.:
De aandrijfriem voor de airco-compressor wordt bij de dieselmotor (Alleen de 2.5 CRDI) automatisch afgesteld.
VERVANGEN VAN HET LUCHTFILTER
B140E01P-AXT
(Voor verdamper-/aanjagereen- held)
Het filter van de airconditioning is opgenomen in het luchttoevoerkanaal achter het ruitensproeierreservoir. Hierdoor bereiken minder vervuilende stoffen het interieur.
- Open de motorkap.

-
Verwijder de 5 klemmen op het luchttoevoerkanaal.
-
Inbouwen in omgekeerde volgorde van uitbouwen.

LET OP:
Plaats het filter in de pijlrichting. Als het filter niet correct wordt geplaatst, kan het filter beschadigd raken of bijgeluiden veroorzaken.

- Vervang het filter van de airconditioning door een nieuw filter.
1100A02P-GXT

Controleer het peil van de remvloeistof in het remvloeistofreservoir. Het peil moet tussen de "MAX" en "MIN" merktekens op het reservoir staan. Naarmate de remvoeringen slijten, zal het peil in het remvloeistofreservoir iets dalen; dit is normaal. Indien het peil echter binnen korte tijd sterk daalt, duidt dit op lekkage van het remsysteem. Laat het remsysteem van uw voertuig in zo'n geval door een officiële HYUNDAI dealer controleren.
Gebruik remvloeistof met de specificatie SAE J1703 (of DOT 3 of DOT 4) of een gelijkwaardige remvloeistofsoort.

WAARSCHUWING:
o Gebruik alleen voorgeschreven remvloeistof. Meng geen vloelstof van verschillende merken; de in de verschillende soorten vloelstof toegepaste toevoegingen kunnen met elkaar een reactie aangaan.
o Remvloeistof is giftig er corrosief.
KOPPELINGVLOEISTOF
I110A01P-GXT
(Indien van toepassing)
Bij voertuigen die zijn voorzien van deen hydraulisch bediende koppeling vormt het remvloeistofreservoir tevens het reservoir voor de koppelingvloeistof. Zie "Remvloeistof".
VLOEISTOFPEIL AUTOMATISCHE TRANSMISSIE CONTROLLEREN
1120A02P-GXT
De vloeistof in de automatische transmissie moet op de voorgeschreven intervallen worden ververst. Deze intervallen staan vermeld in de onderhoudsvoorschriften in hoofdstuk 6.
N.B.:
Normaal is de automatische transmissie olie rood van kleur. Naar verloop van tijd verandert de kleur rood naar grijs/rood. Dit is normaal, de kleur is geen indicatie voor het verversen van de olle. De verversingstermijn van de transmissieolie is aangegeven in het onderhoudschema In hoofdstuk 6.
1120B03P-GXT
Aanbevolen
transmissievloelstof
De Hyundai transmissie is speciaal ontworpen voor het gebruik van transmissievloeistof van het type "DEXRON II OF DIAMOND ATF SP I".
1120C02P-GXT
Inhoud automatische transmissie
De vloeistofhoeveelheid van de automatische transmissie staat vermeld op pagina 9-5.

WAARSCHUWING:
Het pell in de automatische transmissie moet worden gecontroleerd met de motor op normale bedrijfstemperatuur; dit houdt in dat de motor, de radiateur, de uitlaat, enz., zeer heet zijn. Wees daarom uiterst voorzichtig zodat u zich tijdens het peilen van de vloelstof niet brandt.
I120D02P-GXT
Peil in automatische transmissie controleren

Zet het voertuig op een vlakke ondergrond en trek de parkeerrem aan. Voor de controle moet de transmissie op normale bedrijfstemperatuur zijn en moet de motor stationair draaien.
Druk, terwijl de motor stationair draait, het rempedaal in en beweeg het keuzehandel vanuit de stand "P" in de andere standen, dus in "R", "N", "D", "2", en "L" en daarna weer in "N" of "P".
Bij nog steeds stationair draaiende motor:

-
Open de motorkap let op de draaiende onderdelen (kleding en handen).
-
Verwijder de vloeistofpeilstaaf en veeg hem met een schone doek droog. Breng de peilstaaf vervolgens weer geheel op zijn plaats en verwijder hem opnieuw. Controleer nu het peil van de vloeistof op de peilstaaf; dit moet zich in het vlak bevinden dat is aangegeven met de markering "HOT".
-
Wanneer het peil te laag is, moet transmissievloeistof worden bijgevuld via de buis van de peilstaaf. Gebruik hiervoor een schone trechter. Vul niet te veel vloeistof bij.

WAARSCHUWING:
De koelventilateur wordt ingeschakeld afhankelijk van de temperatuur van de koelvloelstof. Blijf uit de buurt van de koelventilateur omdat deze plotseling in werking kan treden. Wanneer de temperatuur van de koelvloelstof daalt, zal de ventilateur weer automatisch worden uitgeschakeld. Dit is normaal.

WAARSCHUWING
(Alleen Diesel):
Geen werkzaamheden verrichten aan het injectiesysteem wanneer de motor draait of binnen 30 seconden nadat deze is afgezet. Hogedrukpomp, rall, verstulvers en verstuiverleidingen staan onder hoge druk, zelfs nadat de motor is afgezet. De brandstofstraal die ontstaat door brandstoflekkage kan ernstige verwondingen veroorzaken wanneer deze met het lichaam in aanraking komt. Mensen met een pacemaker mogen niet binnen 30 cm van de ECU of de bedrading in de motorruimte komen als de motor draait, aangezien de hoge stroom waarmee het common-rail-systeem werkt een groot magnetsich veld veroorzaakt.
RUITESPROEIERRESERVOIR BIJVULLEN
130A01P-GXT

Gebruik voor het ruitesproeierreservoir een goede kwaliteit reinigingsvloeistof. Controleer het vloeistofpeil regelmatig; vooral als de ruitesproeiers veel worden gebruikt.

LET OP:
o Gebruik geen antivries voor het koelsysteem in het sproeierreservoir omdat dat de lak aantast.
o Gebruik de ruitesproeiers niet als het reservoir leeg is. Dlt kan de sproeierpomp beschadigen.
RUITENWISSERS RUITENWISSERBLADEN
G000A02A-AXT

De ruitenwisserbladen moeten regelmatig worden gecontroleerd en gereinigd. Gebruik voor het reinigen van de wisserbladen en-armen een zacht zeepoplossing en een schone spons of doek.
Laten de wissers strepen of vuil achter, vervang ze dan door originele Hyundai onderdelen.
INFORMATIE VOOR DE EIGENAAR
8
o Gebruik de ruitenwissers niet op droge ruiten. Dit heeft een snellere slijtage van de ruitenwisserbladen en krassen op de ruit tot gevolg.
o Let erop dat het rubber niet in contact komt met petroleumhoudende producten zoals motorolie, benzine etc.
1140A02P-GXT

Controleer na het openen van de afdekking van het zijbekledingspaneel aan de linkerzijde het vloeistofniveau. Vul bij een laag niveau ruitensproeiervloeistof bij.

INFORMATIE VOOR DE EIGENAAR
20
SPELING VAN HET
STUURWIEL CONTROLEREN

Plaats de wagen met de wielen in de rechtuit stand en draai het stuurwiel iets naar links en naar rechts. Oefen hierbij niet teveel kracht uit en let op verandering in de weerstand bij het draaien, van het stuur.
Als de speling meer bedraagt dan aangegeven in de afbeelding, laat de stuurinrichting dan door uw Hyundai dealer controleren en zonodig repareren.
SG180A1-FX
VRIJE SLAG VAN
KOPPELINGPEDAAL
CONTROLLEREN

Druk het koppelingpedaal bij afgezette motor zover in tot weerstand voelbaar wordt. Dit is de vrije slag. De vrije slag moet binnen de specificatie liggen.
Is dit niet het geval, dan moet de koppeling door uw Hyundai dealer worden afgesteld en zonodig gerepareerd worden.
SG170A1-FX
VRIJE SLAG VAN REMPEDAAL
CONTROLLEREN

Druk het rempedaal bij afgezette motor enkele malen in zodat het vacuum in de rembekrachtiger wordt opgeheven.
Druk met de hand het rempedaal langzaam in tot weerstand voelbaar wordt. Dit is de vrije slag van het rempedaal. De vrije slag moet binnen de specificaties liggen. Is dit niet het geval, dan moet het remsysteem door uw Hyundai dealer worden afgesteld en zonodig worden gerepareerd.
V-RIEMEN CONTROLEREN
21
SG1B0A1-FX
WERKSLAG REMPEDAAL
CONTROLEREN

Hierbij heeft u hulp nodig. Laat uw assistent bij draaiende motor het rempedaal enkele malen indrukken om het vervolgens met een kracht van 50 kg (490 N) ingedrukt te houden. De werkslag van het rempedaal is de afstand tussen de bovenzijde van het pedaal en de wagenbodem.
Deze waarde moet binnen de specificaties liggen. Is dit niet het geval, dan moet het remsysteem door uw Hyundai dealer worden afgesteld en zonodig gerepareerd.
SG190A1-FX

![graph TD A["Stuurbekrechiging"] --> B["Waterpomppoelis"] B --> C["Autom. spanner"] C --> D["Dynamo"] D --> E["Krukaspoeia"] E --> F["COMP"] G["Waterpomppoelis"] --> H["Dynamo"] H --> I["COMP"] I --> J["Autom. spanner"] J --> K["Dynamo"] K --> L["Stuurbekrechiging"] L --> M["Dynamo"] M --> N["G190001…](/content/2026/06/1160833/images/fd081f5e1ec3dabc2da68735581056247830e1e01bc9cc665962ac5573a916b4.jpg)
De spanning van de V-riemen moet regelmatig worden gecontroleerd en zonodig afgesteld. Tegelijkertijd moeten de riemen worden gecontroleerd op scheurtjes, rafels of overmatige slijtage. Vervang de riemen zonodig. Tevens moet worden gecontroleerd of de V-riemen vrij kunnen draaien.
Na het vervangen van een riem moet de nieuwe riem na 2 of 3 weken opnieuw op spanning worden gebracht.
N.B.:
De aandrijfriem voor de airco-compressor wordt bij de dieselmotor (Alleen de 2.5 CRDi) automatisch afgesteld.

INFORMATIE VOOR DE EIGENAAR
22
I230A01P-GXT
SLAG PARKEERREMHEFBOOM
Trek de parkeerremhefboom geheel

D030A01P
aan en let op het aantal klikken dat daarbij hoorbaar is. Eén klik vertegenwoordigt een hefboombeweging van één tand. Voor een normale parkeerremwerking moet de hefboom met een bepaald aantal klikken geheel aangetrokken zijn.
o Slag van Parkeerremhefboom;
Als de slag van de parkeerremhefboom niet binnen de opgegeven waarden ligt (5 tot 7 tanden), laat deze dan door een officiële HYUNDAI dealer afstellen.
BANDEN
I150A01P-GXT

Controleer de banden op scheuren, barsten en andere beschadigingen. Vervang de banden als er sprake is van diepe insnijdingen of scheuren. Controleer alle banden ook op aanwezigheid van metaaldelen en steentjes.
Het rijden met versleten banden is zeer gevaarlijk aangezien het risico van slippen en aquaplaning sterk toeneemt. De profieldiepte van de banden moet meer dan 1.6 mm zijn. Dit is de minimum toegestane profieldiepte waarbij het rijden met de banden nog is toegestaan.
Als de banden zijn voorzien van slijtageindicatoren (aangebracht op zes plaatsen op het loopvlak van de band), moeten ze worden vervangen wanneer deze indicatoren zichtbaar worden.
Zorg ervoor dat de wielmoeren altijd met het juiste aanhaalkoppel zijn vastgedraaid. Raadpleeg het hoofdstuk "In Geval van Pech" voor informatie over het onderhoud van banden.

WAARSCHUWING:
o Het rijden met versleten banden is gevaarlijk! Door versleten banden kan het optimale remvermogen verloren gaan, kunt u de macht over het stuur verliezen en wordt de grip op het wegdek verminderd. Gebruik geen diagonaalbanden.
o Het gebruik van velgen en banden van andere afmetingen kan gevaarlijk zijn!
I160A03P-GXT
Bandenspanning

Controleer de bandenspanning van alle banden in koude toestand; breng de banden op de juiste spanning door lucht toe te voeren of te laten ontsnappen. Controleer hierna of de banden vrij van beschadigingen en lekkage zijn. Vergeet niet de rubber dopjes op de ventielen aan te brengen.
kg/cm² (psi)
| Auto | Bandenmaat | Voor | Achter |
| Minibus | 205/70R 15 | 2.8(40) | 2.8(40) |
| 205/70R 15C | 2.8(40) | 2.8(40) |
kg/cm² (psi)
| Auto | Bandenmeat | Voor | Achter |
| Bestelbus | 205/70R 15C-8PR | 2.8(40) | 4.5(65) |
| Bednfa-wagen | 205/70R 15C-8PR | 2.8(40) | - |
| 155R 13C-8PR | - | 3.5(51) |
1240A01P-GXT
Wielen Onderling Verwisselen
Diagonaalbanden


Radiaalbanden


Na verloop van een langdurig gebruik vertonen de banden een ongelijk slijtagepatroon. Om ervoor te zorgen dat de banden zo gelijkmatig mogelijk slijten en een langere levensduur hebben, moeten de wielen op de afgebeelde wijze worden gewisseld. Laat de wielen door een officiële HYUNDAI dealer uitbalanceren.

ATTENTIE:
Indien de voorwielen van een ander type zijn dan de achterwielen dan mogen de voorwielen niet op de achteras worden aangebracht, maar moet methode 2 worden toegepast.
TECHNISCHE GEGEVENS
Afmetingen....9-2
Motor 9-3
Smeermiddelenoverzicht 9-4
9
J010A03P-GXT
AFMETINGEN
mm (in.)
| MINIBUS/BESTELBUS | KORTE WIELBASIS | LANGE WIELBASIS | ||||||
| 3 | 6 | 7 | 9 | 3 | 6 | 9 | ||
| BESTELBUS | BESTELBUS | 2WD | BESTELBUS | BESTELBUS | ||||
| Totale lengte | 4,695(184) | ← | ← | ← | 5,035(198) | ← | ← | |
| Totale breedte | 1,820(71) | ← | ← | ← | ← | ← | ← | |
| Totale hoogte | 1,900(74) | ← | 1,885(74) | ← | 1,980(77) | ← | 1,970(77) | |
| Wielbasis | 2,810(110) | ← | ← | ← | 3,080(121) | ← | ← | |
| Spoor-breedte | Voor | 1,570(61) | ← | ← | ← | ← | ← | ← |
| Achter | 1,545(60) | ← | ← | ← | ← | ← | ← | |
J010A03P-GXT
AFMETINGEN
mm(in.)
| MINIBUS/ BESTELBUS | LANGE(1ton) | EXTRA LANGE (1.25 ton) | ||
| STANDAARD CABINE | STANDAARD CABINE | SUPER CABINE | ||
| Totale lengte | 5085 (200) | 5415 (213) | ← | |
| Totale breedte | 1820 (71) | 1820 (71) | ← | |
| Wielbasis | 3080 (121) | 3280 (129) | ← | |
| Spoorbreedte | Front | 1570 (62) | 1570 (62) | ← |
| Rear | 1408 (55) | 1408 (55) | ← | |
J020A02P-GXT
INHOUD BRANDSTOFTANK
| UITVOERING | MINIBUS, BESTELBUS | BEDRIJFSWAGEN |
| BRANDSTOFTANK INHOUD | 65L | 70L |
MOTOR
3
J040A06P-GXT
| UITVOERING DIESEL | BENZINE | ||
| Motortype | 2.5 4D56 | 2.5 CRDi | 2.4 DOHC |
| Cilinderinhoud | 2,476 cc | 2,497 cc | 2,351 cc |
| Compressieverhouding (:1) | 20.5 | 17.6 | 10 |
| Ontstekingsvolgorde | 1-3-4-2 | ← | ← |
| Inspultmoment/ontsteklingstijdstip | na BDP 9°±1° | - | BTDC 8°± 5° |
| Stationair toerental | 750 ± 100 | 800 ± 100 | 750 ± 100 |
J060A04P-GXT
ELEKTRISCHE COMPONENTEN
| UITVOERING | DIESEL | BENZINE (Minibus/Bestelbus) | |
| Accu | 12V-90AH MF, *100AH MF | 12V-68AH MF | |
| Dynamo | 2.5 CRDi | 12V-110A | 13.5V-110A |
| 4D56 TCI(Met A/CON) | 12V-110A | ||
| 4D56 TCI(Zonder A/CON) | 12V-75A | ||
| Startmotor | 12V-2.2 kw | 12V-1.2 kw | |
* ALLEEN VOOR GEBRUIK IN KOUD KLIMAAT
SMEERMIDDELENOVERZICHT
J080A07P-GXT
| Uitvoering | Specificaties | Inhoud (Liter) | ||
| MOTOROLIE(DIESEL) | 2.5 4D56 TCI | API CF-4 of hogerACEA B2 of B3 | SAE 30 (BOVEN 0°C)SAE 20W-40 (BOVEN -10°C)SAE 15W-40 (BOVEN -15°C)SAE 10W-30 (-20°C ~ 40°C)SAE 5W-30 (-25°C ~ 40°C)SAE 0W-30 (BENEDEN 10°C)1* | Motorolie : 5.5 |
| 2.5 CRDI TCI | API CE of hogerACEA B4 | SAE 30 (0°C ~ 40°C)SAE 20W-40 (BOVEN -10°C)SAE 15W-40 (BOVEN -15°C)SAE 10W-30 (-20°C ~ 40°C)SAE 5W-30 (-25°C ~ 40°C)SAE 0W-30 (BENEDEN 10°C) *1 | Motorolie : 7.4 | |
| MOTOROLIE (BENZINE)(Minibus/Bestelbus) | API SJ, SLof HOGER,ILSAC GF-3of HOGER | SAE 5W-20, 5W-30SAE 10W-30 (BOVEN -18°C)SAE 15W-40 (BOVEN -13°C)SAE 20W-50 (BOVEN -7°C) | Motorolie : 4.3 | |
| MOTORO LIEVERBRUIK | NORMALE RIJ-OMSTANDIGHEDEN | MAX. 1L/1,500 Km | ||
| ZWARE RIJ - OMSTANDIGHEDEN | MAX. 1L/1,000 Km | |||
*1. Bepaald door rij-omstandigheden en gebied.
*2. SAE 5W-20 niet aanbevolen bij langdurig rijden met hoge snelheid.
J060A07P-GXT
| Uitvoering | Specificaties | Inhoud (liter) | |
| Olie handgesch.,Versn. Bak | HYUNDAI GENUINE PARTSMTF 75W/85 (API GL-4) | Benzine | 2.0 |
| Diesel | 2.5 4D56 TCI : 2.4 | ||
| 2.5 CRDi TCI : 3.2 | |||
| Vloeistof autom.Versn. Bak | DEXRON-II ofDIAMOND ATF SP-I | Benzine | 7.53 |
| Diesel | 2.5 4D56 TCI : 7.9 | ||
| 2.5 CRDi TCI(2WD) : 8.3 | |||
| Olie verdeelbak | DIAMOND ATF SP II | Minibus/Bestelbus: 1.3 | |
| Vloeistof stuurbekrachtiging | PSF-3 | 0.8 | |
| Koelvloeistof | Antivries op ethyleenglycol basis voor aluminium | Minibus : 13, Bestelbus : 10,Bedrijfswagen : 7.2 | |
| Koppeling- & remvloeistof | DOT 3 of DOT 4 of een Equivalent | Als benodigd | |
| Wiellagers voor, achter | SAE J310a, MULTI-PURPOSE VET NLGI-2OF EQUIVALENT | Als benodigd | |
| Achteras | API GL-4 (MS517-15) : SAE 90, 140 | Minibus/Bestelbus: 2.6, Bedrijfswagen :1.7 | |
| Stuurhuis | API GL-5 (MS517-15) : SAE 80 | Als benodigd | |
INDEX

RICHTINGAANWIJZERS-GROEN 2-8
D
DAGTELLER EN TERUGSTELKNOP 2-15
DAGELIJKSE CONTROLES 8-5
DAKRAIL 2-30
DERDE BANK (Minibus) 1-33
DERDE REMLICHT 2-22
DIEFSTALBEVEILIGING RESERVEWIEL 4-6
DIGITALE KLOK 2-34
DRAAIEN 1-32
E
ECONOMISCH RIJDEN 3-22
EEN VLAK BED MAKEN 1-35
ELEKTRISCHE COMPONENTEN.... 9-3
WIEL VERWISSELEN 4-7
WIS-/WASSCHAKELAAR VOORRUIT 2-17
z
ZEKERINGEN CONTROLEREN EN
VERVANGEN 4-27
ZIJKLEP 1-23
ZIJRUIT, ACHTER.... 1-28
ZITTINGEN 1-29
ZONNEKLEPPEN 2-29
ZONNESCHERM 2-27