Theta - Temperatuurregelaar BULEX - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis Theta BULEX in PDF-formaat.
| Producttype | Temperatuurregelaar (thermostaat) |
| Merk | Bulex |
| Model | Theta |
| Afmetingen (BxHxD) | ca. 120 x 80 x 30 mm |
| Gewicht | ca. 150 g |
| Voeding | 230 V AC of batterijen (2x AA) |
| Type display | LCD-scherm met achtergrondverlichting |
| Instelbereik temperatuur | 5°C tot 35°C |
| Nauwkeurigheid | ±0,5°C |
| Programmeerbare schema's | Dagelijks of weekprogramma |
| Functies | Handmatig, timer, vorstbeveiliging, vakantiemodus |
| Communicatie | OpenTherm of aan/uit (schakelcontact) |
| Montage | Wandmontage met meegeleverde beugel |
| Beschermingsgraad | IP20 (binnengebruik) |
| Energieverbruik standby | < 1 W |
| Onderhoud en reiniging | Afnemen met droge doek; geen water of schoonmaakmiddelen gebruiken |
| Veiligheid | Vorstbeveiliging, kinderslot, automatische uitschakeling bij storing |
| Repareerbaarheid | Reserveonderdelen beschikbaar via erkende servicecentra |
| Garantie | 2 jaar |
| Inhoud doos | Temperatuurregelaar, montagebeugel, schroeven, handleiding |
Veelgestelde vragen - Theta BULEX
Gebruikersvragen over Theta BULEX
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Temperatuurregelaar in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding Theta - BULEX en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. Theta van het merk BULEX.
GEBRUIKSAANWIJZING Theta BULEX
Handleiding voor de vakman Montage- en installatie-instructies
Centraal apparaat
Ruimtestation
Ketelschakelveld



Inhoud
Algemene veiligheidsinstructies....3
Veiligheidsmaatregelen voor de montage volgens de EMC-richtlijn....3
Centraal apparaat....5
Montage....5
Elektrische installatie....5
Elektrische aansluiting....6
Ketelschakelveld 7
Montage....7
Elektrische installatie....7
Elektrische aansluiting....8
Wandsokkel MS-K 8
Montage en elektrische installatie 9
Elektrische aansluiting....10
Ruimtestation....11
Montageplaats....11
Montage....11
Elektrische aansluiting....12
Elektrische aansluiting aan de regelaar 12
Databusadressering 12
Toebehoren....14
Buitenvoeler AF 14
Dompelvoeler KVT 14
Toevoercontactvoeler VF 15
Weerstandswaarden van de voelers afhankelijk van de temperatuur ......16
Ingebruikname van de thermostaat....17
Code-invoer....17
Automatische set-functie....18
Storingsmeldingen....19
Installatie-informatie ....20
Parameteroverzicht....24
Overzicht van de installateursparameters en hun instelmogelijkheden....26
Algemene veiligheidsinstructies
Alle elektrische aansluitingen, beschermmaatregelen en beveiligingen moeten door een vakman rekening houdend met de telkens geldende normen en VDE-richtlijnen en met de plaatselijke voorschriften worden uitgevoerd.
De elektrische aansluiting moet als vaste aansluiting volgens VDE 0100 voorzien worden.
De elektrische aansluiting gebeurt volgens het schakelschema van het betreffende schakelveld.
Opgelet!
Installatie vóór het openen van het schakelveld stroomloos schakelen!
Ondeskundige steekpogingen onder spanning kunnen de regelaar onherstelbaar beschadigen en gevaarlijke elektrische schokken veroorzaken.
Veiligheidsmaatregelen voor de montage volgens de EMC-richtlijn
- Netvoedingskabels en voeler- resp. databuskabels moeten in principe gescheiden gelegd worden. Hierbij moet een minimumafstand van 2 cm tussen de leidingen aangehouden worden. Kabelkruisingen zijn toegelaten.

Afb. 1: Minimumafstanden bij de elektrische installatie
-
Bij regelapparaten met eigen netaansluiting moet er absoluut op worden gelet dat net- en voeler- resp. busleidingen gescheiden worden gelegd. Bij het gebruik van kabelkanalen moeten deze van scheidingsbruggen voorzien worden.
-
Bij de montage van regelapparaten of ruimtestations moet tot andere elektrische inrichtingen met elektromagnetische emissie zoals contactgevers, motoren, transformators, dimmers, microgolf- en televisietoestellen, luidsprekers, computers, radiotelefoons enz. een minimumafstand van 40 cm worden aangehouden.

Afb. 2: Minimumafstand tot andere elektrische apparaten
-
Tussen ruimteapparaten en centrale apparaten moet een minimumafstand van 40 cm worden aangehouden. Meerdere centrale apparaten in de databusverbinding kunnen direct naast elkaar gemonteerd worden.
-
De netaansluiting van de verwarmingsinstallatie (d.w.z. ketel - schakelveld - regelinrichting) moet gerealiseerd zijn als zelfstandig stroomcircuit. Er mogen geen TL-buizen noch andere als storingsbronnen in aanmerking komende machines aangesloten worden resp. aansluitbaar zijn.
![graph TD A["Warmte-opwekker"] --> B["Ruimte-apparaat (Ruimte-apparaten)"] B --> C["Verlichting en contactdozen alleen aansluiten op gescheiden stroomcircuit!"] C --> D["Zekering 16 A Verwarmingsruimte-noodschakelaar"] D --> E["Power Supply"] style A fill:#f9f,stroke:#333 style B fill:#ccf,stroke:#33…](/content/2026/06/1160229/images/f68a2baaf472dcc05d3308b46c296bf7daae2ece68e036b1e5f8bfad7eeed1b9.jpg)
Afb. 3: Elektrisch circuit in de stookruimte
-
Als databusleidingen moeten afgeschermde kabels gebruikt worden. Aanbevolen uitvoeringen: J-Y(St)Y 2 x 0.6
-
De aarding van de kabelafscherming moet eenzijdig aan de aardleidingaansluiting gebeuren, b.v. aan de bekledingsplaat van de warmteopwekker, de aardleidingklem enz. Meervoudige aarding van een kabel is niet toegelaten (bromlus)

Afb. 4: Eenzijdige aarding van de afscherming
Bij stervormige databusnetten mag er geen dubbele aarding gebeuren. De aarding moet eenzijdig worden uitgevoerd in het terpunt!

Afb. 5: Aarding bij stervormige databus
- De buitenvoeler mag niet in de buurt van zend- en ontvangstinrichtingen gemonteerd worden (op garagemuren in de buurt van ontvangstinrichtingen voor garagepoortopeners, amateur-radioantennes, alarmradioinstallaties en in de onmiddellijke nabijheid van grote zendinstallaties enz.).
Aanbevolen leidingdiameters en maximaal toegelaten leidinglengtes:
Alle netspanninggeleidende leidingen (netaansluiting, branders, pompen, servomotoren): 1,5 mm 2
Maximaal toegelaten lengte:
Geen begrenzing in het kader van de huisinterne installatie.
Alle leidingen die veiligheidskleinspanning geleiden (voelers, externe schakelaars bij opvraging via schakelcontact, modemaansluitleidingen, analoge signaalleidingen enz.): 0,5 mm 2
Maximaal toegelaten lengte: 50 m
Langere verbindingsleidingen moeten vermeden worden om het gevaar van storingen te voorkomen.
Databusleidingen: 0,6 mm 2
Aanbevolen uitvoeringen:
J-Y(St)Y 2 x 0.6 mm²
Maximaal toegelaten lengte: 50 m
Langere verbindingsleidingen moeten vermeden worden om het gevaar van storingen te voorkomen.
Centraal apparaat

Montage
Alle centrale apparaten zijn geconcipieerd als inbouwapparaten en worden nadat de elektrische aansluitingen zijn gerealiseerd van voor in het betreffende ketelschakelveld gezet.
De bevestiging gebeurt met de klok mee met de beide zijdelingse snelkleminrichtingen (1).
De demontage gebeurt in omgekeerde volgorde.

Elektrische installatie
De elektrische aansluiting en de verdere bekabeling naar de regelinrichtingen gebeurt aan de achterkant van het apparaat met de vier aansluitcontactstrips X1, X2, X3 en X4 in het schakelveld (of meegeleverd) conform de kenmerking in de gekleurd gemarkeerde aansluitvelden.

Alle aansluitklemmen binnen het blauw gemarkeerde veld (X1) staan onder veiligheidskleinspanning en mogen in geen geval in contact komen met de netspanning! Gebeurt dit wel, dan wordt het apparaat onvermijdelijk onherstelbaar beschadigd en verliest u elk recht op garantie!
Aansluitklemmen in de rood gemarkeerde velden (X2...X4) geleiden al naargelang de versie van het apparaat en de bedrijfstoestand in principe netspanning.
Meer informatie moet worden afgeleid uit de documenten van de fabrikant van de warmteopwekker.
Aansluitbezetting zie volgende bladzijde.
Aanwijzing:
Bij de bedrading van het apparaat moet er absoluut op worden gelet dat voeler- resp. databusleidingen en netspanninggeleiden- de kabels gescheiden worden gelegd. Het samen leiden van leidingen binnen een kabel is niet toegelaten. Voeler- en databusleidingen mogen niet samen met netleidingen gelegd worden die elektrische apparaten voeden die niet zijn ontstoord volgens EN 60555-2.
Elektrische aansluiting

Aansluiting aan netzijde
1 - Uitgang relais warmteopwekker (leidingsniveau)
2 - Ingang relais warmteopwekker (leidingsniveau)
3 - Pomp directe groep
4 - Codeerstekker
5 - Waterverwarmerlaadpomp
6 - L 1 / 230 V
7 - Mengerklep 1 OPEN
10 - Variabele uitgang 1
11 - Variabele uitgang 2
12 - L 1 / 230 V
13 - Mengerklep 2 OPEN
15 - Menggroeppomp 2
16 -
17 - Uitgang relais warmteopwekker - (volgniveau)
18 - Ingang relais warmteopwekker - (volgniveau)
19 - Bedrijfsurenteller brander - (volgniveau)
20 - Bedrijfsurenteller brander - (leidingsniveau)
21 - N / 230 V } Netaansluiting 22 - L 1 / 230 V
Voeler-/databusaansluiting
23 - GND voor bus en voeler
24 - Databusaansluiting signaal A
25 - Databusaansluiting signaal B
26 - Buitenvoeler
27 - Warmteopwekkervoeler/ketelvoeler
28 - Reservoirvoeler
29 - Toevoervoeler menggroep 1
30 - Variabele ingang 1
31 - Variabele ingang 2
32 - Variabele ingang 3
33 - Toevoervoeler menggroep 2
34 - Collectortoevoervoeler 1)
35 - Zonnereservoirvoeler
36 - Impulsingang
37 - Warmteopwekker-databus A
38 - Warmteopwekker-databus B
Ketelinbouwmontage
zie technische documentatie van de ketelfabrikant
Wandmontage
zie technische documentatie wandop-bouwbehuizing THETA WG
1) alleen bij zonnetoepassing
Ketelschakelveld

Montage
Het ketelschakelveld is geconcipieerd als compleet voorgemonteerd inbouwschakelveld en wordt nadat de elektrische aansluitingen zijn gerealiseerd van voor in de betreffende uitsparing van de schakelvelddrager in de warmteopwekker gezet. De bevestiging gebeurt met vier plaatschroeven.
De demontage gebeurt in omgekeerde volgorde.
De capillaire voeler van de veiligheids-temperatuurbegrenzer en de bijhorende voelers en verbindingskabels moeten in de voorziene dompelhulzen in de warmteopwekker gestoken worden.
Opgelet: De capillaire leiding mag in geen geval geknikt of beschadigd worden.
Meer informatie moet worden afgeleid uit de documenten van de warmteopwekker.
Toebehoren op verzoek:
Om de elektrische installatie te verge- makkelijken staan op verzoek uitzwenk- hulpen ter beschikking, die zijdelings in het schakelveld geklikt worden en verhinderen dat het schakelveld er bij het openen uitvalt.
Elektrische installatie
De elektrische aansluiting en de verdere bekabeling naar de regelinrichtingen gebeurt aan de achterkant van het apparaat aan de gekleurd gemarkeerde Rast-5 aansluitcontactstrips.
Klemmen met veiligheidskleinspanning:

Alle aansluitklemmen binnen het blauw gemarkeerde veld staan onder veiligheidskleinspanning en mogen in geen geval in contact komen met de netspanning!
Gebeurt dit wel, dan wordt het apparaat onvermijdelijk onherstelbaar beschadigd en verliest u elk recht op garantie!
Aansluitbezetting zie volgende bladzijde.
Klemmen met netspanning:

Aansluitklemmen in de rood gemarkeerde velden geleiden al naargelang de uitvoering van het apparaat en de bedrijfstoestand netspanning.
Aansluitbezetting zie volgende bladzijde.
Aanwijzing:
Bij de bedrading van het apparaat moet er absoluut op worden gelet dat voeler- resp. databusleidingen en netspanninggeleiden- de kabels gescheiden worden gelegd. Het samen leiden van leidingen binnen een kabel is niet toegelaten. Voeler- en databusleidingen mogen niet samen met netleidingen gelegd worden die elektrische apparaten voeden die niet zijn ontstoord volgens EN 60555-2.
Elektrische aansluiting

Aansluiting aan netzijde
1 - Netaansluiting 230V\~ +6/-10%, 50 Hz
2 - Veiligheidscircuit 1 (branderlus)
3 - Veiligheidscircuit 2 (branderlus)
4 - Brander 1 (eentraps uitvoering)
5 - Brander 2 (tweetraps uitvoering)
6 - Pomp direct circuit
7 - Waterverwarmerlaadpomp
8 - Mengerverwarmingscircuitpomp 1
9 - Stelaandrijving menger 1
10 - Menggroeppomp 2
11 - Stelaandrijving menger 2
12 - Variabele uitgang 1
Werking volgens opgave
(HYDRAULICA)
13 - Variabele uitgang 2
Werking volgens opgave
(HYDRAULICA)
Voeler-/databusaansluiting
14 - Buitenvoeler
15 - Warmteopwekkervoeler/ketelvoeler
16 - Reservoirvoeler
17 - Toevoervoeler menggroep 1
18 - Toevoervoeler menggroep 2
19 - Variabele ingang 1
20 - Variabele ingang 2
21 - Variabele ingang 3
22 - Collectortoevoervoeler 1)
23 - Zonnereservoirvoeler 1)
24 - Impulsingang
25 - Databusaansluiting T2B
26 - Databusaansluiting RS 485 2)
1) alleen bij zonnetoepassing 2) alleen bij hoogrendementuitvoering
Wandsokkel MS-K

De wandsokkel MS-K dient om het centraal apparaat te dragen en wordt gebruikt bij de wandmontage.
Uitvoering
De wandaansluitsokkel is uitsluitend voorbereid om het centraal apparaat te dragen.
Het centraal apparaat is operationeel nadat het op de basisprintplaat gestoken en de uitgaande elektrische bedrading gerealiseerd is.
Montage en elektrische installatie
1- Kabeldoorvoeren volgens aantal en grootte overeenkomstig de ligging van het kabelkanaal op de gemarkeerde plaatsen boven resp. onder uitbreken.
Aanwijzing:
Indien er geen kabelkanaal wordt gebruikt moet op de plaats van installatie voor een adequate trekontlasting van de kabels gezorgd worden.
2- Arrêteringsschroeven (1) horizontaal zetten en klemafdekkingen zijdelings eraf trekken.
3- Wandsokkel met de meegeleverde schroeven en pluggen op een vlakke ondergrond niet-trekkend monteren. Meegeleverde boorsjabloon gebruiken.
4- Elektrische bedrading uitvoeren conform installatie-uitvoering en aansluitschema op ommezijde.

De aansluitklemmen van de klemblokken X5 en X6 in het linker aansluit-
bereik geleiden veiligheidsklein- spanning en mogen in geen geval in contact komen met de netspanning! Gebeurt dit wel, dan wordt het apparaat onvermijdelijk onherstelbaar beschadigd en verliest u elk recht op garantie!
De aansluitklemmen van de klemblokken X7 tot X10 in het rechter aansluitbereik geleiden al naargelang de uitvoering van het apparaat en de bedrijfstoestand netspanning.
Bij de aansluiting moet vóór het inbrengen van de leiding de activeringshefboom van de schroefloze klemmen omlaag gedrukt worden.
5- Zijdelingse klemafdekkingen erop steken en arrêteren.
6- Centraal apparaat erin zetten en in laten klikken onder gelijkmatig verdeelde druk. De elektrische verbinding wordt gemaakt via de busstrip op de grondplaat. Centraal apparaat met beide zijdelingse snelkleminrichtingen met de klok mee arrêteren.
Aanwijzing:
Bij de bedrading van het apparaat moet er absoluut op worden gelet dat voeler- resp. databusleidingen en netspanninggeleiden- de kabels gescheiden worden gelegd. Leidingen mogen niet samen binnen een kabel gelegd worden. Evt. moeten kabel- kanalen met scheidingsbruggen gebruikt worden.
Elektrische aansluiting
Aansluitingen aan netzijde
![graph LR subgraph X7 A["1"] -->|T1| B["T2"] C["2"] --> B D["3"] --> B E["4"] --> B F["5"] --> B G["6"] --> B H["7"] --> I["B4"] J["8"] --> K["B5"] L["9"] --> M["T6"] N["10"] --> O["T8"] P["11"] --> Q["T7"] end subgraph X8 R["1"] --> S["DGP"] T["2"] --> S U["3"] --> V["RLP"] W["4"] --> V X["5"] --> Y…](/content/2026/06/1160229/images/a40cffbbe9658c7a6379484d03d4b1739cef236b5905085b2a72a8871263fb5d.jpg)
Voeler- en databusaansluitingen Aansluitingen van de brander
X5 X6
![graph TD A["1"] --> B["B - databus - A"] B --> C["1"] D["2"] --> E["Buiten"] E --> F["2"] G["3"] --> H["Warmteopwekker"] H --> I["3"] J["4"] --> K["Warmwaterreservoir"] K --> L["4"] M["5"] --> N["Aanvoer menggroep 1"] N --> O["5"] P["6"] --> Q["Variabele ingang 1"] Q --> R["6"] S["7"] --> T["Variabe…](/content/2026/06/1160229/images/43b9e8085dfa37062a91fcca4f855d8d01fa60cd113b6ac320bb7691c161c26f.jpg)
T1 Regelaansluiting niveau 1
T2 Regelaansluiting niveau 1
B4 Bedrijfsurenteller niveau 1
B5 Bedrijfsurenteller niveau 2
T6 Regelaansluiting niveau 2
T7 Regelaansluiting niveau 2
T8 Regelaansluiting niveau 2
L1 Net 230 V\~ (fase)
N Net 230 V\~ (nul)
Pompen en instelorganen
DGP Pomp directe groep
RLP Reservoirlaadpomp
MGP1 Mengercircuitpomp 1
MGP2 Mengercircuitpomp 2
1 Stelaandrijving menger 1 (OPEN)
1 Stelaandrijving menger 1 (DICHT)
2 Stelaandrijving menger 2 (OPEN)
2 Stelaandrijving menger 2 (DICHT)
LVA1 Variabele uitgang 1 (fase)
LVA2 Variabele uitgang 2 (fase)

Warmteopwekker-databus
Ruimtestation

Montageplaats
a – bij gebruik zonder ruimtevoeler
Voorzover de interne ruimtevoeler niet geactiveerd hoeft te worden kan het apparaat op elke willekeurige plaats binnen gemonteerd worden.
b – bij gebruik met ruimtevoeler
Bij geactiveerde ruimtevoeler moet het apparaat op een hoogte van ca. 1,20–1,50 m op een neutrale, d.w.z. voor alle ruimtes representatieve meetplaats aangebracht worden. Het is praktisch om hiervoor een tussenmuur van de koelste dagverblijfruimte te kiezen. Om een toereikende luchtcirculatie aan het ruimtestation te kunnen garanderen moet dit vrij hangend aan de muur gemonteerd worden.
Het apparaat mag niet gemonteerd worden:
- op plaatsen met rechtstreeks invallend zonlicht (rekening houden met de zonnestand in de winter).
- in de buurt van apparaten die externe warmte opwekken, zoals televisie-toestellen, koelkasten, wandlampen, radiators enz.
-
aan muren waarachter verwarmingsresp. warmwaterbuizen of verwarmde schoorstenen lopen.
-
aan ongeïsoleerde buitenmuren.
- in hoeken of nissen, rekken of achter gordijnen (onvoldoende luchtcirculatie).
- in de buurt van deuren naar onverwarmde ruimtes (invloed van externe koude).
- op niet afgedichte ingelaten contactdozen (invloed van externe koude door schoorsteeneffect in de installatiebuizen).
- in ruimtes waar de radiators geregeld worden met thermostaatkleppen (we- derzijdse beïnvloeding).
Montage
Na het losmaken van het bovendeel door op de vergrendeling te drukken kan de montageplaat eraf genomen en op de plaats van montage met de meegeleverde schroeven en pluggen bevestigd worden. De databusleiding moet hierbij door de onderste opening geleid worden.
Aanbevolen aansluitkabel:
J - Y (ST) Y 2 × 0. 6 mm ^ 2 (2 adersvrij)
Max. kabellengte: 50 m.
Aanwijzing:
Bij nieuwe installaties wordt voor een verantwoorde kabelinvoer een aparte inbouwlasdoos, gescheiden van de overige elektrische installatie, aanbevolen.

Elektrische aansluiting
De 2-aderige databusleiding wordt aangesloten aan de klemmen A en B van de 2-polige aansluiting op de montageplaat. De aansluitingen kunnen niet verwisseld worden en moeten overeenkomstig de kenmerking A/B in de sokkel geïnstalleerd worden. Als de beide aansluitingen verwisseld worden, dan verschijnt er evt. niets in het display.

Aansluitsokkel (bovendeel verwijderd)
Na gerealiseerde elektrische aansluiting wordt het ruimtestation zoals getoond in de vorige afbeelding vlak ingehangen en naar beneden geklapt tot hij hoorbaar inklikt in de wandaansluitsokkel.
Elektrische aansluiting aan de regelaar
Zie montagehandleiding van het centraal apparaat.
Databusadressering
De aansluiting van een of meerdere ruimteapparaten aan het centraal apparaat gebeurt via een 2-aderige databusleiding. Aangezien deze aansluiting altijd parallel op dezelfde leiding gebeurt, moet de gegevensoverdracht door dienovereenkomstig toegekende busadressen geselecteerd worden.
Op dezelfde manier moet bij meerdere centrale apparaten in de databusverbinding (b.v. bij uitbreidingen van het verwarmingscircuit) een selectieve gegevensuitwisseling van de centrale apparaten onderling plaats kunnen vinden, die op dezelfde databusleiding wordt afgewikkeld.
Om deze redenen krijgen de centrale apparaten en de ruimteapparaten zogenaamde busadressen.
Busadres in centraal apparaat
Voorzover er slechts één centraal apparaat voorhanden is, krijgt deze altijd het busadres 10. Bij meerdere centrale apparaten in verbinding (max. vijf) krijgt de leidingsregelaar die de warmteopwekker stuurt, het adres 10, de andere regelaars krijgen na elkaar de busadressen 20, 30, 40 en 50 toegewezen.
Instelling van het busadres in de regeleenheid
De instelling van het busadres gebeurt na invoer van de bijhorende installateurcode in het databusniveau van het betreffende centrale apparaat (zie Ingebruikname centraal apparaat).
Busadres in ruimteapparaat
De toewijzing van de busadressen van de centrale apparaten en van de busadressen van de ruimteapparaten is onderworpen aan een strak, vanuit de fabriek vastgelegd schema conform de volgende tabel:
| Regeleenheid | Ruimteapparaat | ||
| Functie | Bus-adres | Verwarmings-groep | Bus-adres |
| Basisapparaat | 10 | Directe groepMenggroep 1Menggroep 2 | 111213 |
| 1. Uitbreiding | 20 | Directe groepMenggroep 1Menggroep 2 | 212223 |
| 2. Uitbreiding | 30 | Directe groepMenggroep 1Menggroep 2 | 313233 |
| 3. Uitbreiding | 40 | Directe groepMenggroep 1Menggroep 2 | 414243 |
| 4. Uitbreiding | 50 | Directe groepMenggroep 1Menggroep 2 | 515253 |
Instelling van het busadres in het ruimteapparaat
A - Eerste ingebruikname
Na realisatie van de elektrische installatie en de ingebruikname van de installatie verschijnen in het basisstation alle beschikbare segmenten in het display:

Aansluitend kan de gewenste taal overeenkomstig de landencode (DE, GB, FR, IT, NL, ES, PT, HU, CZ, PL, RO, RU, TR, S, N) geselecteerd en geactiveerd worden.

Taalkeuze
Daarna verschijnt de uitvoering van het apparaat met de actuele softwarenummer en springt naar de adresseninstelling.

Apparaatidentificatie
Apparaattype Typecode Softwareversie

Adresseninstelling (zie tabel)
Na het instellen van het busadres met de draaiknop en bevestiging door diezelfde te drukken verschijnt de uit het adres vastgestelde toewijzing automatisch:

Directe groep Centraal apparaat 1
Opgelet:
Dubbele bezettingen van busadressen zijn niet toegelaten en leiden onvermijdelijk tot storingen in de gegevensoverdracht en zodoende tot verkeerd regelgedrag van de verwarmingsinstallatie.
B - Wijzigen van busadressen
Als een busadres achteraf moet worden gewijzigd, dan moet als volgt te werk worden gegaan:
1 - Ruimtestation isoleren van de databusleiding (aan het onderste uiteinde losmaken van de steekverbinding).
2 - Ruimtestation weer erop steken; daarbij de draaiknop ingedrukt houden tot de adresinstelling verschijnt.
3 - Nieuw busadres instellen en bevestigen.
Toebehoren Buitenvoeler AF

De buitenvoeler moet op ongeveer een derde van de hoogte van het gebouw (minimumafstand tot de grond 2 m) aan de koudste kant van het gebouw (noord resp. noord-oost) worden aangebracht.
Uitzondering: Als de geprefereerde verblijfruimte in een andere richting ligt, dan moet de buitenvoeler aan de desbetreffende zijde van het gebouw worden gemonteerd.
Bij de montage moet rekening worden gehouden met externe warmtebronnen, die de meetwaarde aanzienlijk kunnen vervalsen (verwarmde schoorstenen, warme lucht uit luchtkokers, montage op zwarte oppervlakken, koudebruggen in het metselwerk enz.). De kabeluitvoer moet altijd naar beneden gericht zijn om te vermijden dat er vocht binnendringt.
Montage en elektrische aansluiting
1- Voelerkabel installeren tot aan de plaats van montage.
2- Dekselschroeven van de voelerbehuizing losdraaien en het deksel verwijderen.
3- Onderste deel van de voeler monteren met de meegeleverde centrale bevestigingsschroef. Afdichting gebruiken! Kabelinvoer moet naar beneden gericht zijn.
4- Voelerkabel zo invoeren dat de kabelmantel is omsloten door de afdichting.
5- Elektrische aansluiting maken. Daarvoor moet bij voorkeur een 2-aderige kabel met een minimum-diameter van 1mm2 worden gebruikt.
De aansluiting gebeurt aan de beide schroefklemmen in de voelerbehuizing en is verwisselbaar.
6- Deksel aanbrengen en stevig vastschroeven op het onderste deel. Let op een juiste zitting van de dichtingsring.
Dompelvoeler KVT

Toepassing: Warmteopwekkervoeler, warmwatervoeler (bij geïntegreerde WW-reservoirs), terugloopvoeler enz.
KVT 20/5/6 Kabellengte 5 m
Toepassing: Warmwatervoeler (voor secundaire waterverwarmers, bufferreservoirs), collector terugloopvoeler enz.
Montageplaats:
In de voorziene dompelhuls van de betreffende toepassing.
Montage in de warmteopwekker/ketel
Aandrukveer naar de voelerpunt toe ombuigen en voeler samen met de voelers van de keteltemperatuurregelaar (KTR), de veiligheidstemperatuurbegrenzer (HRGAB) en de keteltemperatuurindicatie in de dompelhuls schuiven. Evt. aandrukplaat gebruiken.
Montage in WW- resp. bufferreservoirs
Aandrukveer ombuigen tot aan de voelerpunt en de voeler volgens de instructie van de fabrikant inbrengen in de droge dompelhuls van het betreffende reservoir.
Elektrische aansluiting
Voeler aansluiten aan de bijhorende aansluitklemmen van de betreffende regeleenheid (zie bijhorend aansluitdiagram). De tweedraads aansluiting is verwisselbaar.
Toevoercontactvoeler VF

Contactvoeler VF...
Uitvoeringen:
VF 202 Kabellengte 2 m
Toepassing: Als contactvoeler bij mengergestuurde verwarmingscircuits in de verwarmingstoevoer of terugloop
VF 204 Kabellengte 4 m
Toepassing: zie VF 202
Montageplaats:
Na de menggroeppomp met een minimumafstand van minstens 50 cm.
Bij gebruik als terugloopvoeler:

Geregelde toevoerbijmenging met menger of mengklep

Bypassschakeling met terugloop- Bypasspomp
Montage:
Toevoerbuis blank maken en warmte- geleidende pasta aanbrengen.
Voeler met spanband op de contactplaats vlak tegen het buisoppervlak aan aanbrengen.
Voor een stevige bevestiging zorgen!
Elektrische aansluiting
Voeler aansluiten aan de bijhorende aan- sluitklemmen van de betreffende regeleenheid (zie bijhorend aansluitdiagram). De tweedraads aansluiting is verwisselbaar.
Afvoergasvoeler/collectortoevoervoeler

PT1000/6 Kabellengte 2,5 m
Toepassing: Afvoergastemperatuur Collectortoevoertemperatuur
Montageplaats:
- In de gasafvoerbuis met een minimum- afstand van de tweevoudige buisdia- meter.
– In de dompelhuls van de zonnecollector.
Montage in het afvoergas
Bevestigingsplaat van de voeler monteren zoals getoond in de afbeelding, dompeldiepte van de voeler in de kernstroom vaststellen en de voeler arrêteren.

Elektrische aansluiting
Voeler al naargelang de toepassing aansluiten aan de bijhorende aansluitklemmen van de betreffende regeleenheid (zie bijhorend aansluitdiagram). De tweedraads aansluiting is verwisselbaar.
Weerstandswaarden van de voelers afhankelijk van de temperatuur
Warmteopwekker-/ketelvoeler KVT 20
Buitenvoeler BV 200 Warmwater-/buffervoeler KVT 20
Toevoercontactvoeler VF 202/204
Blokbrandstof-/ketelvoeler KVT 20
| T (°C) | R (kΩ) |
| - 20 | 1,383 |
| - 18 | 1,408 |
| - 16 | 1,434 |
| - 14 | 1,459 |
| - 12 | 1,485 |
| - 10 | 1,511 |
| - 8 | 1,537 |
| - 6 | 1,563 |
| - 4 | 1,590 |
| - 2 | 1,617 |
| ± 0 | 1,644 |
| 2 | 1,671 |
| 4 | 1,699 |
| 6 | 1,727 |
| 8 | 1,755 |
| 10 | 1,783 |
| 12 | 1,812 |
| 14 | 1,840 |
| 16 | 1,869 |
| 18 | 1,898 |
| 20 | 1,928 |
| 25 | 2,002 |
| 30 | 2,078 |
| T | R (kΩ) |
| 10 | 1,783 |
| 12 | 1,812 |
| 14 | 1,840 |
| 16 | 1,869 |
| 18 | 1,898 |
| 20 | 1,928 |
| 25 | 2,002 |
| 30 | 2,078 |
| 35 | 2,155 |
| 40 | 2,234 |
| 45 | 2,314 |
| 50 | 2,395 |
| 55 | 2,478 |
| 60 | 2,563 |
| 65 | 2,648 |
| 70 | 2,735 |
| 75 | 2,824 |
| 80 | 2,914 |
| 85 | 3,005 |
| 90 | 3,098 |
| 95 | 3,192 |
| 100 | 3,287 |
(°C)
Gasafvoervoeler, zonnecollectorvoeler PT1000
| T (°C) | R (kΩ) | T | R (kΩ)(°C) |
| 40 | 1,155 | 150 | 1,573 |
| 50 | 1,194 | 160 | 1,611 |
| 60 | 1,232 | 170 | 1,648 |
| 70 | 1,271 | 180 | 1,685 |
| 80 | 1,309 | 190 | 1,722 |
| 90 | 1,347 | 200 | 1,758 |
| 100 | 1,385 | 210 | 1,795 |
| 110 | 1,423 | 220 | 1,832 |
| 120 | 1,461 | 230 | 1,868 |
| 130 | 1,498 | 240 | 1,905 |
| 140 | 1,536 | 250 | 1,941 |
Ingebruikname van de thermo- staat
Segmenttest en codering
Bij ingebruikname resp. bij iedere spanningsterugkeer na een netuitval verschijnen tijdelijk alle in het display beschikbare segmenten.

Segmenttest
Aansluitend kan de gewenste taal worden gekozen.

Taalkeuze
Daarna verschijnt de uitvoering van het apparaat met de actuele software-versienummer

Voorzover er geen sprake is van een foutmelding verschijnt daarna de basisindicatie met datum, tijd en huidige temperatuur van de warmteopwekker.

Standaard weergave
Een actieve zomer ECO temperatuur wordt aangegeven door een zonneschermsymbool (2).

Zomer ECO temperatuur
actief
Bij actieve vorstbeschermingsfunctie verschijnt er een vorstsymbool (*).

Vorstbeveiligde temperatuur
actief
Code-invoer
Installateurcode
Na invoer van de installateurcode worden de voor de installateur bedoelde parameters vrijgeschakeld en kunnen ze overeenkomstig de uitvoering van de thermostaat bewerkt worden.
Voor de invoer van de installateurcode moeten de toetsen ☐ en ☐ ca. drie seconden lang tegelijk ingedrukt worden tot de code-invoer verschijnt in het display.

Het telkens knipperende cijfer kan met de druk-draaiknop aan de hand van de code ingesteld en door drukken bevestigd worden. De overige cijfers worden op dezelfde manier bewerkt.
Bij correcte code-invoer verschijnt bij het bevestigen van het laatste cijfer de bevestiging INSTALLATEUR OK, bij verkeerde invoer de mededeling CODE ERROR.


De vanuit de fabriek ingestelde installateurcode luidt: 1234
Aanwijzing: Indien de ingevoerde code niet wordt geaccepteerd moet de fabrikant gecontacteerd worden!
Opgelet: Vrijgeschakelde installateur-parameters worden weer geblokkeerd als er gedurende tien minuten geen verdere bediening volgt. In dit geval moet de installateurcode opnieuw worden ingevoerd.
Automatische set-functie
Met deze functie kunnen regelgroepen uit bedrijf genomen worden die niet resp. pas later nodig zijn.
De regelgroepen worden automatisch geregistreerd als hun bijhorende voelers aangesloten zijn en toegelaten meetwaarden leveren. Regelgroepen zonder voelerbedrading worden automatisch zonder foutmelding uit bedrijf genomen.
De AUTO-SET-functie wordt actief na elk inschakelen van het net.
Voorzover de AUTO-SET-functie door de Parameter 14 in het niveau SYSTEEM ingeschakeld en de datum van de eerste ingebruikname nog niet opgeslagen werd, worden aangesloten resp. geïsoleerde voelers bij elk inschakelen van de regeleenheid automatisch geregistreerd. In deze tijd worden foutmeldingen door voelers (kortsluitingonderbreking) onderdrukt.
Als de datum van de eerste ingebruikname werd opgeslagen, dan kan een gewijzigde voelerconfiguratie alleen worden bevestigd via de manuele activering.
Manuele activating
AUTO-SET-functie kan op elk moment manueel geactiveerd worden door bij het inschakelen van de regeleenheid tijdens de versieweergave de draaiknop zo lang in te drukken tot de Auto-Set-functie in het display bevestigd wordt.
![graph TD A["N 2338\n15 V=3.0"] --> B["AUTO SET"] B --> C["Standaard weergave"]](/content/2026/06/1160229/images/7d45f741d8b9ce9547747118d33990dc30353307deca08af84f53146921ce1cb.jpg)
De AUTO-SET-functie bevat de volgende voeleringangen:
- buitenvoeler
- toevoervoeler 1
- toevoervoeler 2
- boilersensor
- ketelvoeler
Verder wordt de AUTO-SET-functie alleen uitgevoerd als de aan de voelers toegewezen groepen in de hierna opgesomde hoofdstukken dienovereenkomstig geparametreerd werden:
Voor de warmwatervoeler:
Hoofdstuk HYDRAULISCH
Parameter 2 - functie WW-laadpomp instelwaarde UIT of 1 (ww-laadpomp)
Voor de toevoervoeler 1:
Hoofdstuk HYDRAULISCH
Parameter 3 - functie menggroep 1 instelwaarde UIT of 3 (menggroep)
Voor de toevoervoeler 2:
Hoofdstuk HYDRAULISCH
Parameter 4 - functie menggroep 2 instelwaarde UIT of 3 (menggroep)
Voor de ketelvoeler:
Niveau TOESTEL
Parameter 1 - uitvoering warmteopwekker instelwaarde UIT of 1 (eentraps bedrijf)
Opdat een uitgevoerde parametrering door de AUTO-SET-functie niet weer versteld wordt, worden de huidige instelwaarden eerst gecontroleerd. Een wijziging gebeurt alleen als er sprake is van een van de boven genoemde instellingen. Daarmee kan de AUTO-SET-functie bijvoorbeeld nooit een terugloopverhoging aan de MG2 afmelden of omvormen tot een menggroep.
Storingsmeldingen
Om in geval van storing een zo nauwkeurig mogelijke diagnose te kunnen stellen is het regelsysteem uitgerust met een uitgebreid storingsmeldsysteem. Al naargelang het soort storing verschijnt een bijhorende storingsmelding in het display van het centraal apparaat.
Er zijn vijf verschillende categorieën stoormeldingen:
1 - Voelerstoormeldingen
Voelermeetwaarden die niet in het meetbereik liggen, worden als fouten beoordeeld. Ze verschijnen overeenkomstig hun gebruik met foutcode.
2 - Warmteopwekkerstoormeldingen
Deze stoormeldingen beoordelen de betreffende schakeltoestand. Ze verschijnen al naargelang uitvoering en toewijzing met bijhorende foutcode.
3 - Logische stoormeldingen
Deze stoormeldingen beoordelen het te verwachten regelresultaat. Ze verschijnen al naargelang uitvoering en toewijzing met bijhorende foutcode.
Deze stoormeldingen hebben betrekking op adresfouten zoals dubbel toewijzen of het niet-herkennen van adresinstellingen binnen de databus. Ze verschijnen al naargelang uitvoering en toewijzing met bijhorende foutcode.
5 - Storingsmeldingen via de stuurautomaat
Deze storingsmeldingen komen van de stookautomaat via een gegevensinterface en worden alleen voor de weergave in de regelaar gebracht resp. opgeslagen. Preciezere informatie over foutmeldingen zie documentatie ketel.
De weergave en verdere verwerking van storingsmeldingen kan door een parameterinstelling vrijgeschakeld resp. onderdrukt worden (zie niveau SYSTEEM – Parameter 13 (Logische foutmelding).
Verdere verwerking van fouten:
- Fouten verschijnen in de standaard weergave van de regelaar
- Systeemfouten verschijnen in het Info-niveau bij de bijhorende infowaarde.
- Evt. worden fouten overgenomen in het stoormeldingsregister (beschrijving zie hieronder).
- Fouten activeren bij dienovereenkomstige parametrering een stoormeldingsuitgang voor de aansluiting van optische of akoestische signaalgenerators.
- Fouten worden via de databus doorgestuurd naar bijhorende gateways.
Tabel van de stoormeldingen:
Voelers en variabele ingangen:
| Aanduiding Soort | fout Code | |
| Buitenvoeler | Onderbreking | 10-0 |
| Buitenvoeler | Kortsluiting | 10-1 |
| Ketelvoeler | Onderbreking | 11-0 |
| Ketelvoeler | Kortsluiting | 11-1 |
| Toevoervoeler 1 | Onderbreking | 12-0 |
| Toevoervoeler 1 | Kortsluiting | 12-1 |
| Reservoirvoeler | Onderbreking | 13-0 |
| Reservoirvoeler | Kortsluiting | 13-1 |
| VI 2 | Onderbreking | 14-0 |
| VI 2 | Kortsluiting | 14-1 |
| VI 2 | Storingsmelding | 14-7 |
| VI 3 | Onderbreking | 15-0 |
| VI 3 | Kortsluiting | 15-1 |
| VI 3 | Storingsmelding | 15-7 |
| VI 1 | Onderbreking | 16-0 |
| VI 1 | Kortsluiting | 16-1 |
| VI 1 | Storingsmelding | 16-7 |
| Collect./buffervoeler | Onderbreking | 17-0 |
| Collect./buffervoeler | Kortsluiting | 17-1 |
| Aanduiding Soort fout Code | |
| Toevoervoeler 2 Onderbreking 18-0 | |
| Toevoervoeler 2 Kortsluiting 18-1 | |
| Collect./toevoervoel. Onderbreking | 19-0 |
| Collect./toevoervoel. Kortsluiting 19-1 |
Warmteopwekker:
| Brander 1 Niet UIT | 30-2 | |
| Brander 1 Niet AAN | 30-3 | |
| Brander 2 Niet UIT | 31-2 | |
| Brander 2 Niet AAN | 31-3 | |
| GJ-teller | Geen | impuls |
| Rookgastemp. | Overschreden | 33-5 |
| Rookgastemp. | RGAB geactiveerd | 33-8 |
Temperaturen:
| Warmteopwekker | Niet bereikt | 50-4 |
| Warmteopwekker | Overschreden | 50-5 |
| Warmwater | Niet bereikt | 51-4 |
| Aanvoer MG1 | Niet bereikt | 52-4 |
| Aanvoer MG2 | Niet bereikt | 53-4 |
| Ruimte DG | Niet bereikt | 54-4 |
| Ruimte MG1 Niet bereikt 55-4 | ||
| Ruimte MG2 Niet bereikt 56-4 | ||
Databusfout
| Adres | Adresconflict | 70-0 |
| Activiteit | Geen T2B-signaal | 70-1 |
| EEPROM | 71-0 | |
| EEPROM | defect | 71-1 |
Storingsmelding via de stuurautomaat
| Storing | Vergrendeling | XXX |
| Storing | Blokkering | XXX |
(Weergavemogelijkheid afhankelijk van stookautomaat)
Storingshoofdstuk
De regeleenheid beschikt over een stoormeldingsregister, waarin maximaal 20 stoormeldingen kunnen worden opgeslagen. De storingsmeldingen worden weergegeven met datum, tijd en soort storing (foutnummer), de opvraging gebeurt in de volgorde van de binnengekomen storingsmeldingen in het hoofdstuk FOUT MELDING.
De het laatst binnengekomen (= meest actuele) storingsmelding staat met prioriteit op de eerste plaats, de voorafgegane storingsmeldingen worden bij elke nieuwe storingsmelding een plaats lager gezet. De laatste 8203 storingsmelding wordt verwijderd als er een nieuwe storingsmelding binnenkomt.
Een bijzonderheid vormen de stoormeldingen van de stookautomaat. Voor zover vrijgeschakeld (SYSTEEM-parameters 27 en 28) worden deze in een eigen storingsmeldinggeheugen geschreven.
Aanwijzing: In ruimteapparaten worden alleen de laatste 5 storingsmeldingen van het niveau FOUT MELDING weergegeven.
Installatie-informatie
Installatie- en systeemtemperaturen
Na opvraging van het informatieniveau met de Info-toets i kunnen alle voorhanden installatie- en systeemtemperaturen met de draaiknop met de klok mee na elkaar worden opgevraagd.
Voorzover in de volgende tabel onder de rubriek Indicatiewaarde Gewenste waarde is aangegeven, verschijnt deze bij het indrukken van de draaiknop.
De volgende indicaties verschijnen alleen onder de vermelde indicatievoorwaarden. Sommige indicaties zijn al naargelang de betreffende uitvoering van het apparaat niet beschikbaar en worden derhalve overgeslagen.
| INFORMATION | INDICATIEWAARDE | INDICATIEVOORWAARDE | Toepassing |
| Buiten (1) | gemiddelde waarde/actuele waarde | Buitenvoeler aangesloten | |
| Buiten (1) | Min./Max.-waarde(0.00 tot 24.00 uur) | Buitenvoeler aangesloten | |
| Buiten 2 | gemiddelde waarde/actuele waarde | Buitenvoeler 2 aan een variabele ingang aangesloten | |
| Buiten 2 | Min./Max.-waarde(0.00 tot 24.00 uur) | Buitenvoeler 2 aan een variabele ingang aangesloten | |
| EM-SET (energiemanagement-instelwaarde) | Hoogste warmwater-en hoogste instel-waarde van het verwarmingscircuit in het systeem | Installateurniveau | |
| Warmteopwekker (1) | gewenste waarde/werkelijke waarde | Warmteopwekkergeprogrammeerd | (.2..) |
| Warmteopwekker 2 | gewenste waarde/werkelijke waarde | TSTA 2 aan een variabele ingang aangesloten | (.2..) |
| Terugloop SA Werkelijke waarde | Terugloopvoeler op stook-automaat aangesloten | (C) | |
| Afvoergas SA Werkelijke waarde | Afvoergasvoeler op stook-automaat aangesloten | (C) | |
| Terugloop | gewenste waarde/werkelijke waarde | Terugloopvoeler aan variabele ingang aangesloten en RLA actief | |
| Externe blokkering | Geblokkeerde toestandAAN/UIT | Ext. blokkering aan een variabele ingang aangesloten | |
| Rookgastemp. | Grensmeldingswaarde/Werkelijke waarde | Afvoergasvoeler aan een variabele ingang aangesloten | (.2..) |
| Waterverwarmer (1) | gewenste waarde/werkelijke waarde | Wanneer w-verwarmer voorhanden | (.B..) |
| Waterverwarmer 2 | gewenste waarde/werkelijke waarde | Boilersensor aan een variabele ingang aangesloten | (.B..) |
| WW-Thermostaat | LaadtoestandAAN/UIT | Mechanische thermostaat i.p.v. elektronische boilersensor | (.B..) |
| Opvraging via schakelcontact (VI-1) | Opvraging AAN/UIT | Schakelcontact aan een variabele ingang aangesloten | |
| Opvraging via schakelcontact (VI-2) | Opvraging AAN/UIT | Schakelcontact aan een variabele ingang aangesloten | |
| Opvraging via schakelcontact (VI-3) | Opvraging AAN/UIT | Schakelcontact aan een variabele ingang aangesloten | |
| Aanvoer Menggroep 1 | gewenste waarde/werkelijke waarde | Toevoervoeler Menggroep 1 aangesloten | (.3..) |
| Aanvoer Menggroep 2 | gewenste waarde/werkelijke waarde | Toevoervoeler Menggroep 2 aangesloten | (.33..) |
| Ruimtetemperatuur Directe groep | gewenste waarde/werkelijke waarde | Ruimteapparaat aangesloten en ruimtevoeler vrijgeschakeld | (.2..) |
| Ruimtetemperatuur Menggroep 1 | gewenste waarde/werkelijke waarde | Ruimteapparaat aangesloten en ruimtevoeler vrijgeschakeld | (.3..) |
| Ruimtetemperatuur Menggroep 2 | gewenste waarde/werkelijke waarde | Ruimteapparaat aangesloten en ruimtevoeler vrijgeschakeld | (..33..) |
| Thermostaatfunctie Directe groep | THERMOSTAAT DG | Ruimtethermostaatfunctie actief UIT = geen ruimtebegrenzing | (..2..) |
| Thermostaatfunctie Menggroep 1 | THERMOSTAAT MG-1 | Ruimtethermostaatfunctie actief UIT = geen ruimtebegrenzing | (..3..) |
| Thermostaatfunctie Menggroep 2 | THERMOSTAAT MG-2 | Ruimtethermostaatfunctie actief UIT = geen ruimtebegrenzing | (..33..) |
| Ketel vaste brandstof Bufferreservoir boven | Werkelijke waarde gewenste waarde/werkelijke waarde | Laadpomp vaste brandstof aan var. uitgangBufferlaadpomp aan var. uitgang | (..VV..)(..VV..) |
| Bufferreservoir beneden Collectortoevoer | gewenste waarde/werkelijke waardeWerkelijke waarde | Buffervoeler 2 aan var. ingangZonnelaadpomp aan var. uitgang | (..VV..)(..VV..) |
| Zonnereservoir | Werkelijke waarde | Zonnelaadpomp aan var. uitgang | (..VV..) |
| Collectorretour | Werkelijke waarde | Zonnelaadpomp aan var. uitgangCollectorretourvoeler aan var. ingang | (..VV..) |
Bedrijfstoestanden
Na opvraging van het informatieniveau met de Info-toets ⓘ kunnen alle voorhanden bedrijfstoestanden en registratiegegevens
zoals tellerstanden, vermogensopgaven enz. met de draaiknop met de klok mee na elkaar worden opgevraagd.
| Informatie | Display-voorbeeld | Functie | Toepassing |
| StatusDirecte groep | AUTO-P1 ECO DG AAN | Programma/5-Programma/Modus Status verwarmingsgroepomp | (.2..) |
| StatusMenggroep 1 | AUTO-P1 ECO MG -1 AAN | Programma/5-Programma/Modus Status verwarmingsgroepomp | (.3..) |
| StatusstelaandrijvingMenggroep 1 | MENGGROEP-1 OPEN | Weergave van de instelrichting OPEN-STOP-SLUI | (.3..) |
| StatusMenggroep 2 | AUTO-P1 ECO MG -2 AAN | Programma/5-Programma/Modus Status verwarmingsgroepomp | (.33..) |
| StatusstelaandrijvingMenggroep 2 | MENGGROEP-2 STOP | Weergave van de instelrichting OPEN-STOP-SLUI | (.33..) |
| Status warmte-opwekker niveau 1 | TOESTEL AAN | Schakeltoestand warmteopwekker eentraps resp. niveau 1 (2-traps) | (.2..) |
| Status warmte-opwekker niveau 2 | TOESTEL BR-2 UIT | Schakeltoestand warmteopwekker niveau 2 | (.22..) |
| Status warmte opwekker (mod.) | MODULATIE 57% 60% | Eentraps modulerende warmteopwekker, weergave van gewenste en werkelijke waarde | (.VV..) |
| Statuswarmwatergroep | AUTO-P1 ECO WW AAN | Programma/5-Programma/Modus Status boilerpomp | (.B..) |
| Functie en status pompPomp directe groep | UITGANG DGPCSM AAN | Informatie over de toegekende functie en schakeltoestand van de pomp | (..2..) |
| Functie en status pompVariabele uitgang 1 | UITGANG VU-1ZLP UIT | Informatie over de toegekende functie en schakeltoestand van de var. Uitgang 1 | (..VV..) |
| Functie en status pompVariabele uitgang 2 | UITGANG VU-2ZLP UIT | Informatie over de toegekende functie en schakeltoestand van de var. Uitgang 2 | (..VV..) |
| InschakelingenWarmteopwekker (1) | STARTS1234 (BR-1) | Info over aantal TST starts eentraps resp. niveau 1 (2-traps) | (..2.,..22..) |
| BedrijfsurenWarmteopwekker (1) | BEDRYFSTYD246 | Info over TST looptijd eentraps resp. niveau 1 (2-traps) | (..3..) |
| InschakelingenWarmteopwekker 2 | STARTS268 | Info over aantal TST starts niveau 2 | (..3..) |
| BedrijfsurenWarmteopwekker 2 | BEDRYFSTYD45 BR-2 | Info over TST looptijd niveau 2 | (..33..) |
| Testtemperatuur voor metingen | INFO-TEMP.50°C | Externe meetsensor voor testdoeleinden aan een var. Ingang | (..33..) |
| Programma extern schakelmodem | MODEMAUTO | Info over huidig programma van een schakelmodem aan de var. Ingang | (..2..) |
| Zonne-verwarmingsvermogen | VERMOGEN43 KW ZON | Act. verwarmingsvermogen van de zonne-installatie in KW | (..VV..) |
| Zonne-balans | GJ TELLER2468 KWh ZON | Opgeteld vermogen van de zonne-installatie in KWh | (..VV..) |
| InschakelingenZonnepomp | STARTS296 ZON | Info over aantal starts van zonnelaadpomp | (..VV..) |
| BedrijfsurenZonnepomp | BEDRYFSTYD478 ZON | Info over gehele looptijd van zonnelaadpomp | (..VV..) |
Toepassing:
(..2..) eentraps warmteopwekker
(..22..) tweetraps warmteopwekker
(..3..) met één menggroep
(..33..) met twee menggroepen
(..B..) warmwatergroep
(..VV..) met twee variabele uitgangen
(C, OT) rendement
Parameteroverzicht
Toegang tot het programmeerniveau Druk-draaiknop 3 seconden lang indrukken - automatische oproep van het kloktijdniveau.
(niveauselectie) Gewenst hoofdstuk selecteren met de druk-draaiknop en bevestigen, evt. eerst code invoeren
| Parameter Nr. | Programmering | Configuratie | Parameterinstelling (verwarmingsgroepen, regelafstanden) | ||||||
| TYD-DATUM | KLOK-TYDEN | HYDRAU-LISCH | SYSTEEM | WARM-WATER(..B.) | DIRECTEGROEP(..2.) | MENG-GROEP 1(..3.) | MENG-GROEP 2(..33.) | WARMTE-OPWEK-KER(..2.,..22.) | |
| 1 | TYD(hmin) | ang WW-PZieklokprogrammering | Taalkeuze | WW-bespaar-temperatuur | VerlaagdeBedrijfsmodus | VerlaagdeBedrijfsmodus | VerlaagdeBedrijfsmodus | TST-type | |
| 2 | Jaar Uitga | Schakeltijd-programma's | Legionella(weekdag) | Verwarmings-systeem | Verwarmings-systeem | Verwarmings-systeem | Aanloopbe-scherming | ||
| 3 | Dag-Maand | Uitgang MG-1 | Bedienings-modus | Legionella(tijd) | Ruimtevoeler | Ruimtevoeler | Ruimtevoeler | Min.temp.begrenz.TST | |
| 4 | Omstell.ZoW-Aub | Uitgang MG-2 | Zomer-uitschakeling | Legionella(termperatuur) | Ruimte-invloed factor | Ruimte-invloed factor | Ruimte-invloed factor | Max.temp.begrenzing | |
| 5 | DG | Vorstbescher-ming | Voelerkeuze | Stooklijn-adaptief | Stooklijn-adaptief | Stooklijn-adaptief | Min.begrenz.modus | ||
| 6 | Uitgang VU1 | Opvr. ContactVI-1 | Maximum WW-temperatuur | Inschakel-optimering | Inschakel-optimering | Inschakel-optimering | Voeler-programma | ||
| 7 | Uitgang VU2 | Opvr. ContactVI-2 | WW-programma | Verwarmings-grens | Verwarmings-grens | Verwarmings-grens | Min.looptijd | ||
| 8 | Ingang VI-1 | Opvr. ContactVI-3 | Boiler-ontladings-bescherming | Minimum ruimtetempe-ratuur | Minimum ruimtetempe-ratuur | Minimum ruimtetempe-ratuur | Schakel-verschil I | ||
| 9 | Ingang VI-2 | Klimazone | Laadtemp.verhoging | Ruimtethermo-staatfunctie | Ruimtethermo-staatfunctie | Ruimtethermo-staatfunctie | Schakel-verschil II | ||
| 10 | Ingang VI-3 | Soort gebouw | WW-schakelverschil | Buitenvoeler-toekenning | Buitenvoeler-toekenning | Buitenvoeler-toekenning | Tijdblokkering niveau II | ||
| 11 | Indirecteretourverhoging | Autom.afbreektijd | NalooptijdWW-P | Constante temperatuur(gewenste waarde) | Constante temperatuur(gewenste waarde) | Constante temperatuur(gewenste waarde) | Vrijgave-modus niveau II | ||
| 12 | Antiblokkeer-bescherming | Klokprogramma TRSP | Min. begrenz.verwarmings-groep | Min. begrenz.verwarmings-groep | Min. begrenz.verwarmings-groep | WW-laden niveau II | |||
| 13 | Logische foutmelding | SpaarintervalTRSP (pauze) | Max. begrenz.verwarmings-groep | Max. begrenz.verwarmings-groep | Max. begrenz.verwarmings-groep | Aanvoertijdketelpomp | |||
| 14 | Automatische set functie | SpaarintervalTRSP (cyclus) | Ketel parallel-verhoging | Ketel parallel-verhoging | Ketel parallel-verhoging | Nalooptijdketelpomp | |||
| 15 | Pompnaloop(DGP) | Pompnaloop(MGP 1) | Pompnaloop(MGP 2) | Nalooptijdvoed. Pomp | |||||
| 16 | Droogstook-functie(profieldrogen) | Droogstook-functie(profieldrogen) | Droogstook-functie(profieldrogen) | Afvoergastemp.bewaking | |||||
| 17 | Gedrag TSTNalooptijd | Terugloop-Max.Begrenzg. | Terugloop-Max.Begrenzg.. | Afvoergastemp.Grenswaarde | |||||
| 18 | Vrijgavecyclustemp. | ||||||||
| 19 | Vorstbeveili-gingmodus | ||||||||
| 20 | |||||||||
| 21 | |||||||||
| 22 | |||||||||
| 23 | Blokkeringscodebedeningsniveau | RuimteregelingP-bereik | RuimteregelingP-bereik | RuimteregelingP-bereik | |||||
| 24 | Fahrenheit-schaal | RuimteregelingBijsteltijd | RuimteregelingBijsteltijd | RuimteregelingBijsteltijd | |||||
| 25 | Naam HK (ver-warmingscircuit) | Naam HK (ver-warmingscircuit) | Naam HK (ver-warmingscircuit) | Buitentemp.-blokkering | |||||
| 26 | Laaglast-parallelver-hoging | ||||||||
| 27 | Foutmeldingenstookautomaat | Min.temp.begrenz.DG | |||||||
| 28 | Foutmelding 2 | Schakelversch.Min.begr.DG | |||||||
| 29 | TST-dwangafvoer | ||||||||
| 37 | Bedrijfsuren-teller | ||||||||
| Terugzettenniveau I | |||||||||
| Terugzetten(fabriekswaarden) | Terugzettenniveau II | ||||||||
Parameters zonder achtergrondkleur: toegankelijk voor de gebruiker
Parameters met een grijze achtergrond: Installateur-parameter, alleen met juiste installateurcode toegankelijk.
| Parameterinstelling | Aanvull. module | Communicat. | Service | ||||||||
| Terugloop-verhoging | Zonne (.VV.) | Vaste brandstof (.VV.) | Buffer-reservoir (.VV.) | Cascade | ...... | Databus | Relaistest | Fout meldingen | Fout 2 | Voeler-compensatie | Par.nr. |
| Gewenste waarde terugloop | Inschakelverschil Collector/buffer | Minimumtemp.-begrenzing | Minimumtemp.-begrenzing | Schakel-verschil | zie documentatie van de aanvul-lende module | MAD-adres | Warmteop-wekker | 1 | 1 | Type 1 | |
| Uitschakelver-schil pomp | Uitschakelver-schil Collector/buffer | Maximumtemp.-begrenzing | Maximumtemp.-begrenzing | Vertraging bijschakelen | Busrechten RS DG | Pomp Directe groep | 2 | 2 | Buitenvoeler 2 | ||
| Nalooptijd pomp | Min. looptijd zonnepomp | Inschakelverschil Ketel/buffer | Ketel para- lelverhoging | Vertraging terugschakelen | Busrechten RS MG-1 | Pomp Menggroep 1 | 3 | 3 | Ketelvoeler 3 | ||
| Max.begrenz. collector | Uitschakel-verschil Ketel/buffer | Schakel-verschil | Omschakel-vermogen trapvolgorde | Busrechten RS MG-2 | Instelorgaan Menggroep 1 | 4 | 4 | Boilersensor 4 | |||
| Max.begrenz. zonnebuffer | Klokblokkerin g warmteopw. | Dwangafvoer | Omkering trappen | Pomp Menggroep 2 | 5 | 5 | Toevoervoeler menggroep 1 | ||||
| Zonne-programma | Naloop in-schakelverschil | Leidingsniveau | Instelorgaan Menggroep 2 | 6 | 6 | Toevoervoeler menggroep 2 | |||||
| Klokblokkerin g warmteopw. | Naloop uit-schakelverschil | Piekketel | WW Laadpomp | 7 | 7 | Collectortoe-voervoeler | |||||
| Zonne-prioriteits-/Parallelbedrijf | Buffer-aanloop-bescherming | Omschakeling | Uitgang VA-1 8 8 | Zonne-buffervoeler | 8 | ||||||
| Warmtebalans | Buffer-ontladinsgbe-scherming | WW snel-doorverbind. | Uitgang VA-2 | 9 | 9 | Voeler VI-1 | 9 | ||||
| Terugzetten warmtebalans | Buffer-Bedrijfsmodus | 10 | 10 Voeler VI-2 | 10 | |||||||
| Volumestroom WT-medium | Nalooptijd BU-P | 11 | 11 Voeler VI-3 | 11 | |||||||
| Dichtheid WT-medium | 12 | 12 | 12 | ||||||||
| Warmtever-mogen WT-medium | 13 | 13 | 13 | ||||||||
| Einduitschake ltemperatuur | 14 | 14 | 14 | ||||||||
| Testcircuit sol.laad.omsch. | 15 | 15 | 15 | ||||||||
| Omschakel-temperatuur | 16 | 16 | 16 | ||||||||
| 17 | 17 | 17 | |||||||||
| 18 | 18 | 18 | |||||||||
| 19 | 19 | 19 | |||||||||
| 20 | 20 | 20 | |||||||||
| 21 | |||||||||||
| 22 | |||||||||||
| 23 | |||||||||||
| 24 | |||||||||||
| 25 | |||||||||||
| 26 | |||||||||||
| 27 | |||||||||||
| 28 | |||||||||||
| 29 | |||||||||||
| 36 | |||||||||||
| 37 | |||||||||||
Overzicht van de installateursparameters en hun instelmogelijkheden
Hoofdstuk HYDRAULISCH
De parameters in dit hoofdstuk hebben betrekking op de algemene installatiehydraulica en de functionaliteit en configuratie van de programmeerbare in- en uitgangen voor de betreffende installatiecomponenten.
| Parameter | Aanduiding Instelbereik / Instelwaarden | Fabrieks-instelling | Instelling | |
| 02 | Functiebezetting van de uitgang warmwateropwarm-pomp (type ..B..) | UIT Geen functie1 warmwateropwarmpomp4 Circulatiepomp5 Elektr. verwarmingselement | 1 | |
| 03 | Functie van de uitgang menggroep 1 (type ..3..) | UIT Geen functie2 Directe groep weersafhankelijk3 Menggroep weersafhankelijk6 Constantregelaar7 Vaste waarde regelaar8 Terugloop instandhouding | 3 | |
| 04 | Functie van de uitgang menggroep 2 (Type ..3.3..) | Instelbereik en toekenning zoals bij parameter 03 3 | ||
| 05 | Functie van de uitgang pomp directe groep | UIT Geen functie2 Pomp directe groep4 Circulatiepomp5 Elektr. verwarmingselement6 Constantregeling10 Voedingspomp11 Ketelgroeppomp 112 Ketelgroeppomp 213 Collectieve storing14 Schakelklok15 Zonnepomp (..VV..)21 Parall. TST-vrijgave27 Hydraulische bufferontlasting | 2 | |
| 06 | Functie van de variabele uitgang 1 (type ..VV..) | UIT Geen functie4 Circulatiepomp5 Elektr. verwarmingselement9 Retourpomp10 Voedingspomp11 Ketelgroeppomp 112 Ketelgroeppomp 213 Collectieve storingsmelding15 Zonnelaadpomp16 Bufferlaadpomp17 Laadpomp vaste brandstof19 Zonne-reservoirlaadomschakelklep20 Geforceerde zonne-afleidingsklep21 Parall. TST-vrijgave26 Prioriteitspomp27 Hydraulische bufferontlasting | UIT | |
| 07 | Functie van de variabele uitgang 2 (type ..VV..) | Instelbereik en toekenning zoals bij parameter 06 | UIT | |
| 08 | Functie van de variabele ingang 1 | UIT Geen functie1 Buitenvoeler 22 Warmteopwekkervoeler 23 Reservoirvoeler 24 Buffervoeler 25 Opvragingscontact6 Externe storingsmeldingingang7 Terugloopmaximumbegrenzing8 Terugloopmaximumbegrenzing9 Terugloopvoeler10 Externe TST blokkering11 Externe schakelmodem12 Externe informatie13 Somtoevoervoeler14 Collectorretourvoeler16 Afvoergasvoeler17 Ketelvoeler-vaste brandstof18 vaste stof buffervoeler19 Buffervoeler 1 | 12UIT | |
| 09 | Functie van de variabele ingang 2(..VV..) | Instelbereik en toekenning zoals bij parameter 08, maar zonder instelmogelijkheid 16 (afvoergasvoeler) | UIT | |
| 10 | Functie van de variabele ingang 3(..VV..) | Instelbereik en toekenning zoals bij parameter 08, maar zonder instelmogelijkheid 16 (afvoergasvoeler) | UIT | |
| 11 | Indirecte retourverhoging door menggroep | UIT, AAN (alleen type ..3., ..33..) | UIT | |
Hoofdstuk SYSTEEM
De parameters in dit hoofdstuk hebben betrekking op algemene begrenzingsparameters en instelwaarden binnen het gebruikte verwarmingssysteem.
| PARAMETER | Aanduiding Instelbereik / Instelwaarden | Fabrieks-instelling | Instelling | |
| TAAL | Selectie van de taal | DE Duits CZ TsjechischGB Engels PL PoolsFR Frans RO RoemeensIT Italiaans RU RussischNL Nederlands TR TurksES Spaans S ZweedsPT Portugees N NoorsHU Hongaars | DE | |
| TYDPROGRAMMA | Aantal beschikbare klokprogramma's | P1 Slechts één klokprogramma beschikbaarP1-P3 Drie klokprogramma's beschikbaar | P1 | |
| BEDIENING | Vrijschakeling voor gescheiden bedieningsmodus (ruimtetemperatuuropgaven en programma's) | 1 Gemeenschappelijke verstelling voor alle verwarmingsgroepen2 Gescheiden verstelling voor elke afzonderlijke verwarmingsgroep | 1 | |
| ZOMER | UIT geen functieVorstbescherming...30°CUitschakeling bij instelwaarde | 20 °C | ||
| 05 | Vorstbescherming | UIT geen functie-20 °C... Zomer ECO temperatuur vorstbescherming bij instelwaarde | 3 °C | |
| 06 | Verwarmingsgroepverdeling bij opvragingscontact op VI 1 | 1 Directe groep2 Menggroep 13 Menggroep 24 WarmwaterALLE Alle groepen | 1 | |
| 07 | Verwarmingsgroepverdeling bij opvragingscontact op VI 2 (type .. VV..) | Instelwaarden zie parameter 06 1 | ||
| 08 | Verwarmingsgroepverdeling bij opvragingscontact op VI 3 (type .. VV..) | Instelwaarden zie parameter 06 1 | ||
| 09 | Klimazone | -20...0°C | -12 °C | |
| 10 | Soort gebouw | 1 lichte bouwwijze2 middelzware bouwwijze3 zware bouwwijze | 2 | |
| 11 | Terug naar standaard display | UIT geen automatische toegang tot de standaard weergave0,5...5 min na ingestelde tijd automatische toegang terug tot standaard weergave | 2 min | |
| 12 | Pompen en menggroep dwangfunctie (anti-blokkeerbescherming) | AAN actiefUIT niet actief | AAN | |
| 13 | Logische foutmelding | UIT geen weergaveAAN Weergave actief | UIT | |
| 14 | Automatische set-functie | UIT automat. voelertoekenning gedeactiveerdAAN automat. voelertoekenning geactiveerd | UIT | |
| 18 | Vrijgave cyclustemperatuur AAN | UIT cyclustemperaturen geblokkeerd cyclustemperaturen vrijgegeven | AAN | |
| 19 | Vorstbeveiligingmodus | UIT permafrostbescherming volgens afstelling Parameter 05 – vorstbescherming0.5...60 min klokbedrijf | UIT | |
| 23 | Blokkeringscode bedieningsniveau | UIT (0000) geen blokkeringAAN (0001...9999) blokkering | UIT | |
| 24 | Temperatuurweergave in °Fahrenheit | UIT Weergave in °C en KAAN Weergave in °F | UIT | |
| 27* | Systeembehandeling foutmeldingen stookautomaat | 1 Weergave alleen op de display2 Melding van vergrendelingen in het systeem3 Meldingen van vergrendelingen en blokkeringen in het systeem4 Melding van vergrendelingen en blokkeringen en waarschuwingen in het systeem | UIT | |
| 28 | Foutmeldinggeheugen 2 | UIT, AAN | UIT | |
| TERUGZETTEN | Terugzetten op fabrieksinstelling | Afhankelijk van de toegangscode alleen tot de vrijgeschakelde parameters | ||
* Functie afhankelijk van ondersteuning door stookautomaat
Hoofdstuk WARMWATER (..B..)
Dit hoofdstuk bevat alle voor de programmering van het boilersysteem vereiste parameters met uitzondering van de WW-klokprogramma's.
| PARAMETER | Aanduiding Instelbereik / Instelwaarden | Fabrieks-instelling | Instelling | |
| WARMWATER-NACHT | Nachttemperatuur WW | 5 °C ... Warmwater maximumtemperatuur | 40 °C | |
| LEGIONELLA DAG | WW-legionellabescherming-dag | UIT Geen legionellabeschermingma...zo Legionellebescherming op de ingestelde weekdagALLE Dagelijkse legionellabescherming | UIT | |
| 03 | WW-legionellabescherming-tijd | 00:00...23:00 uur | 02:00 | |
| 04 | WW-legionellabescherming-temperatuur | 10 °C ... WW-maximumtemperatuur | 65 °C | |
| 05 | WW-temperatuurregistratie | 1 WW-temperatuurvoeler2 WW-temperatuurregelaar (thermostaat) | 1 | |
| 06 | WW-maximumtemperatuur-begrenzing | 20 °C ... Maximumtemperatuur warmtebron | 65 °C | |
| 07 | WW-programma | 1 Parallelbedrijf2 Prioriteitbedrijf3 Beperkte voorrang4 Weersafhankelijke parallelbedrijf5 Prioriteitbedrijf met tussenverwarming6 Prioriteit-scheidingsschakeling7 Extern bedrijf | 2 | |
| 08 | WW-boiler-ontladingsbescherming | UIT - Geen ontladingsbeschermingAAN - Ontladingsbescherming geactiveerd | AAN | |
| 09 | WW-laadtemperatuurverhoging | 0 ... 50 K;Verschil tussen WW-laadtemperatuur en WW-gewenste temperatuur | 15 K | |
| 10 | WW-schakelverschil | 2 ... 20 K;Bedrag van WW-schakelverschil, symmetrisch t.o. de WW-gewenste waarde | 5 K | |
| 11 | WW-Laadpompnaloop | 0 ... 60 min | 5 min | |
| 12 | TRSP-klokprogramma | AUTO - Actief WW-Klokprogramma1 - P1, directe groep2 - P2, directe groep3 - P3, directe groep4 - P1, Menggroep 1 | AUTO | |
| 12 | TRSP-klokprogramma | 5 - P2, Menggroep 16 - P3, Menggroep 17 - P1, Menggroep 28 - P2, Menggroep 29 - P3, Menggroep 210 - P1, Warmwatergroep11 - P2, Warmwatergroep12 - P3, Warmwatergroep | AUTO | |
| 13 | TRSP-Spaarinterval (pauze) | 0 Min ... Instelwaarde parameter 14; Duur van de stilstandtijd van de circulatiepomp) | 5 min | |
| 14 | TRSP-spaarinterval (duur) | 1 ... 60 minDuur = stilstandtijd + looptijd | 20 min | |
| 17 | Gedrag warmteopwekkertijdens nalooptijd | AUTO - instelwaarde op TST afhankelijk van opvragingUIT - TST uit | AUTO | |
Hoofdstuk DIRECTE GROEP (2.., 22..)
MENGGROEP 1 (..3..)
MENGGROEP 2 (..33..)
Dit hoofdstuk bevat alle voor de programmering van de verwarmingsgroepen (gemengd of ongemengd) vereiste parameters met uitzondering van de klokprogramma's.
| PARAMETER | Aanduiding Instelbereik / Instelwaarden | Fabrieks-instelling | Instelling | |
| VERLAGEN Soort verlaagd bedrijf | ECO - Uitschakelbedrijf vorstbeschermdABS - verlaagd bedrijf | ECO | ||
| EXPONENT | Verwarmingssysteem (exponent) | 1,00 ... 10,00 | DG =1,30MG =1,10 | |
| 03 | Ruimte-inschakeling (in combinatie met ruimtevoeler) | UIT Ruimtevoeler gedeactiveerd1 Ruimtevoeler geactiveerd2 Ruimtevoeler geactiveerd, bediening voor thermostaat geblokkeerd3 alleen displaymodus (ruimte temp.) | UIT | |
| 04 | Ruimtevoelerfunctie | UIT, 10 ... 500 %, RC (alleen ruimteregeling) | UIT | |
| 05 | Aanpassing v.d. stooklijn UIT, | AAN | UIT | |
| 06 | Inschakeloptimalisering | UIT, 1 ... 16 h | UIT | |
| 07 | Verwarmingsgrens | UIT, 0.5...40 K | UIT | |
| 08 | Ruimtevorstbeschermings-grens | 5 ... 30 °C | 10 °C | |
| 09 | Ruimtethermostaatfunctie UIT, | 0,5 ... 5 K | UIT | |
| 10 | Buitenvoelertoekenning (alleen wanneer VI n = AF 2) | 0 Besturing volgens gemiddelde waarde AF 1 + AF 2 (buitenvoeler)1 Besturing volgens AF 12 Besturing volgens AF 2 | 0 | |
| 11 | Constante temperatuur gewenste waarde | 10... 95 °C (alleen als uitgang op constante (CATR) of vaste waarde regelaar (FR) werd gezet) | 20 °C | |
| 12 | Minimumtemperatuurbegrenzing | 10 °C ... Instelwaarde maximumtemperatuurbegrenzing (parameter 13) | 20 °C | |
| 13 | Maximumtemperatuurbegrenzing | Instelwaarde minimumtemperatuurbegrenzing (parameter 12) ... maximumtemperatuurbegrenzing TST (TST-parameter 04) | 75 °C | |
| 14 | Temperatuurverhoging warmteopwekker/verwarmingsgroepen | -5 ... 20 K | DG=0MG=4 | |
| 15 | Pompnaloop 0 ... 60 min 5 min | |||
| 16 | Droogstookfunctie (profieldrogen)(Bij directe groep alleen wanneer slechts de betreffende groep geactiveerd is) | UIT Functie uitgeschakeld1 Functie verwarmen2 Verwarmen volgens voorgeschreven temperatuurprofiel3 Functie verwarmen en verwarmen volgens voorgeschreven temperatuurprofiel | UIT | |
| 23* | P-aandeel ruimteregeling | 1...100 %/K | 8 | |
| 24* I-aandeel Th ruimteregeling 5...240 Min. | 35 | |||
| Naam HK | Naam verwarmingscircuit 000 | 00 ... ZZZZZ leeg | ||
* alleen bij ruimteapparaat als ruimteregelaar (PARAMETER 04 = RC)
Hoofdstuk WARMTEOPWEKKER (2...,22...)
De parameters in dit hoofdstuk hebben betrekking op het type van de betreffende warmteopwekker en de bijhorende specifieke regelfuncties.
| PARAMETER | Aanduiding Instelbereik / Instelwaarden | Fabrieksinstelling | Instelling | |
| 01 | Uitvoering TST | UIT zonder warmteopwekker1 Olie/gas een-traps (.2..)2 Olie/gas tweetraps (.22..)3 Olie/gas 2x eentraps (.22..)4 modulerende brander5 Stookautomaat (C../OT..) | 1 | |
| 02* | Aanloopbescherming TST | UIT geen aanloopbescherming1 Aanloopbescherming opminimumbegrenzing2 Aanloopbescherming opweersafhankelijkheid3 Aanloopbescherming gescheiden | 1 | |
| 03* | Minimumtemperatuurbegrenzing TST | 5 °C ... Maximumtemperatuurbegrenzing | 38 °C | |
| 04* | Maximumtemperatuurbegrenzing TST | Minimumbegrenzing ... Instelgrens maximumbegrenzing TST | 80 °C | |
| 05* | Begrenzingsmodus minimumbegrenzing TST | 1 Minimumbegrenzing door opvraging2 beperkte minimumbegrenzing3 onbeperkte minimumbegrenzing | 1 | |
| 06* | Voelerprogramma TST | 1 Branderuitschakeling bij een defect2 Externe branderuitschakeling3 Brandervrijgave bij een defect!!! Waarschuwing in acht nemen!!! | 1 | |
| 07* | Minimum looptijd brander | 0 ... 20 Min | 2 min | |
| 08* | Branderschakelverschil SV 1 | Een-traps: 2 ... 30 KTwee-traps: 2 ... (SVII - 0,5K) | 6 K | |
| 09* | Branderschakelverschil SV II (.22..) | (SV I + 0,5 K) ... 30 K 8 K | ||
| 10* | Tijdblokkering niveau II (.22..) | 0 ... 60 min (0 = 10 seconden) | 0 | |
| 11* | Vrijgavemodus niveau II (.22..) | 1 Onbegrensde vrijgave tijdens aanloopontlasting2 Tijdblokkering tijdens aanloopontlasting | 2 | |
| 12* | Warmwaterlaadmodus1- resp. 2-traps (.22..) | 1 twee-traps WW-lading met tijdvertraging vollastniveau2 twee-traps WW-lading onbegrensd3 een-traps WW-lading (alleen deellastniveau) | 1 | |
| 13* | Aanvoertijd ketelgroepomp parall. toestelvrijgave | 0 ... 10 min 2 min | ||
| 14* | Nalooptijd ketelgroepomp 0 ... | 60 min 2 min | ||
| 15* | Nalooptijd voedingspomp resp.prioriteitspomp | 0 ... 60 min 2 min | ||
| 16* | Afvoergastemperatuurbewaking | UIT Alleen weergave van afvoer-gastemperatuur0...60 min TST blokkering bij grenswaarde-overschrijding voor ingestelde tijdVTB TST blokkering bij grenswaarde overschrijding | UIT | |
| 17* | Afvoergasgrenswaarde | 50 ... 500 °C | 200°C | |
| 25 | Buitentemperatuurblokkering | UIT, -20...+ 30°C | UIT | |
| 26 | Laaglast parallelverhoging(alleen bij cascadebedrijf) | 0...60 K | 10 K | |
| 27* | Minimumtemperatuurbegrenzing verwarmingsgroepen | 5 °C...KT min (alleen bij gescheiden aanloopont-lasting - Parameter 02 = 3) | 36 °C | |
| 28* | SchakelverschilMinimumtemperatuurbegrenzing verwarmingsgroepen | 2 K...20 K (alleen bij gescheiden aanloopont-lasting - Parameter 02 = 3) | 4 K | |
| 29 | TST-dwangafvoer | Uit geen functie1 Afvoer in boiler2 Afvoer verwarmingsgroepen3 Afvoer bufferreseinvoir | UIT | |
| 34* | Beperking vermogenverwarming | 50 ... 50 ... 100% | 100% | |
| 35* | Beperking vermogen WW | 50 ... 100% | 100% | |
| 37 | Bedrijfsurenteller | UITAUTO1 alleen terugmelding2 vrije teller | AUTO | |
| TERUGZETTENBR-1 | Terugzetten bedrijfstijd/starts niveau 1 | SET | - | |
| TERUGZETTENBR-2 | Terugzetten bedrijfstijd/starts niveau 2 | SET | - | |
* afhankelijk van het type intelligente stookautomaat zijn instellingen niet beschikbaar of worden in overeenstemming met de grenswaarden van de stookautomaat zelfstandig vooraf ingesteld.
Niveau RETOURVERHOGING
De parameters in dit niveau hebben betrekking op speciale instellingen met betrekking tot de verhoging van de teruglooptemperatuur bij warmteopwekkers. De vrijschakeling gebeurt alleen na geschiede vrijschakeling in het niveau HYDRAULICA.
| PARAMETER | Aanduiding | Instelbereik / Instelwaarden | Fabrieks-instelling | Instelling |
| 01 | Terugloopminimumbegrenzing / gewenste waarde terugloop | 10 ... 95 °C 20 °C | ||
| 02 | Uitschakelverschil pomp | 1 ... 20 K | 2 K | |
| 03 | Pompnalooptijd | 0 ... 60 Min | 1 min |
Niveau ZON SYSTEEM (..VV..)
De parameters in dit niveau hebben betrekking op speciale instellingen met betrekking tot de zonnetoepassingen. De vrijschakeling gebeurt alleen bij dienovereenkomstige activering in het hoofdstuk HYDRAULICA.
| PARAMETER | Aanduiding Instelbereik / Instelwaarden | Fabrieks-instelling | Instelling | |
| 01 | Inschakelverschil (Uitschakelverschil +3 K) ... 30 K | 10 K | ||
| 02 Uitschakelverschil 2 K ... (Inschakelverschil -3 K) | 5 K | |||
| 03 Temperatuuverhoging ZLP 0 ... 60 Min | 3 Min | |||
| 04 | Zonne-collector-Maximumtemperatuur | 70 ... 210 °C | 120 °C | |
| 05 | Zonnereservoir-maximumbegrenzing | 20 ... 110 °C | 75 °C | |
| 06 | Zonne-programma | 1 Prioriteitbedrijf2 Parallelbedrijf3 Prioriteitbedrijf warmwater4 Prioriteitbedrijf buffer | 2 | |
| 07 | Klokblokkeringwarmteopwekker | UIT, 0,5...24 h(Alleen bij prioriteitbedrijf- Parameter 6 = 1, 3, 4) | UIT | |
| 08 | Zon. Prior./Parallektersch. bij prioriteitbedrijf en act.klokblokkering) | UIT, 1..0,30 K | UIT | |
| 09 | Zonne-warmtebalans | UIT geen warmtebalans1 Balans doordoorstroomvoorschrift2 Balans door impulsevaluatie | UIT | |
| RESET ZON Terugzetten warmtebalans | Terugzetten: bij SET draaiknop indrukken(alleen bij geactiveerde zonne-warmtebalans) | - | ||
| 11 | Volumestroom | 0,0 ... 30 liter/min resp. liter/impuls(alleen bij geactiveerde zonne-warmtebalans) | 0,0 l/min | |
| 12 | Dichtheid warmtedrager | 0,8 ... 1,2 kg/liter(alleen bij geactiveerde zonne-warmtebalans) | 1,05 kg/l | |
| 13 | Specifiek warmtevermogenwarmtedragermedium | 2,0 ... 5,0 KJ/kgK (alleen bij geactiveerde zonne-warmtebalans) | 3,6 KJ/kgK | |
| 14 | Einduitschakeltemperatuur | UIT, 90...210°C | 150°C | |
| 15 | Testcircuitsolarlaadomschakeling | 1...60 min | 10 min | |
| 16 | Omschakeltemperatuur | 20...110°C | 75°C | |
Niveau VASTE BRANDSTOF (..VV..)
De parameters in dit niveau hebben betrekking op speciale instellingen met betrekking tot de vaste brandstofregeling. De vrijschakeling gebeurt alleen bij dienovereenkomstige activering in het hoofdstuk HYDRAULICA.
| PARAMETER | Aanduiding Instelbereik / Instelwaarden | Fabrieksinstelling | Instelling | |
| 01 | Minimumtemperatuur | 20 ... 80 °C | 60 °C | |
| 02 | Maximumtemperatuur | 30 ... 100 °C | 90 °C | |
| 03 | Inschakelverschil | (Uitschakelverschil + 3K) ... 20 K | 10 K | |
| 04 Uitschakelverschil | 2 K ... (Inschakelverschil – 3K) | 5 K | ||
| 05 | Klokblokkeringwarmteopwekker | UIT, 2...180 min | UIT | |
Hoofdstuk BUFFER (..VV..)
De parameters in dit hoofdstuk hebben betrekking op speciale instellingen met betrekking tot de bufferregeling. De vrijschakeling gebeurt alleen bij dienovereenkomstige activering in het hoofdstuk HYDRAULICA.
| PARAMETER | Aanduiding Instelbereik / Instelwaarden | Fabrieksinstelling | Instelling | |
| 01 | Buffer-minimumtemperatuur 5 °C ... Buffer-maximumtemperatuur | 20 °C | ||
| 02 | Buffer-maximumtemperatuur Buffer-minimumtemperatuur ... 95 °C | 80 °C | ||
| 03 | Temperatuurverhoging TST -10 ... 80 K 8 K | |||
| 04 | Schakelverschil 1 ... 70 K 2 K | |||
| 05 | Dwangafvoer | UIT1 Afvoer in boiler2 Afvoer verwärmingsgroepen | UIT | |
| 06 | Afschepfunctie inschakelverschil | (Uitschakelverschil + 2 K) ... 30 K 10 K | ||
| 07 | Afschepfunctie uitschakelverschil | UIT (Uitschakelverschil + 2 K) ... 50 K 50 K | ||
| 08 | Aanloopbescherming buffer | UIT geen aanloopbeschermingAAN Aanloopbescherming actief | AAN | |
| 09 | Ontladinsgbescherming buffer | UIT geen ontladingsbeschermingAAN Ontladingsbescherming actief | AAN | |
| 10 | Bufferprogramma | 1 Ladingsregeling voor DG en WW2 Ladingsregeling voor DG zonder WW3 Ontladingsregeling voor DG en WW4 Ontladingsregeling voor DG zonder WW5 Ladingsregeling met omschakeling WW6 Ontladingsregeling naar warmteopwekker | 1 | |
| 11 | Nalooptijd bufferlaadpomp | 0 ... 60 min. | 0 min. | |
Hoofdstuk SOMAANVOERREGELING
| PARAMETER | Aanduiding Instelbereik / Instelwaarden | Fabrieks-instelling | Instelling | |
| 01 | P-aandeel Xp SVLF-regeling | 0,0 ... 50,0 %/K | 5 %/K | |
| 02 | Aftasttijd Ta SVLF-regeling | 1 ... 600 sec. | 20 sec. | |
| 03 | I-aandeel Tn SVLF-regeling | 1 ... 600 sec. | 180 sec. | |
Hoofdstuk CASCADE
De parameters in dit niveau hebben betrekking op gecascadeerde warmteopwekkers in een systeem (b.v. installaties met meerdere ketels) en zijn alleen toegankelijk in het 1 ste centrale apparaat met busadres 10.
Dit hoofdstuk is alleen toegankelijk wanneer meerdere warmteopwekkers via een databusverbinding met elkaar communiceren.
| PARAMETER | Aanduiding Instelbereik / Instelwaarden | Fabrieks-instelling | Instelling | ||
| 01 Schakelverschil | 6.0...30.0 | K | 8 K | ||
| 02 | Bijschakelvertraging | 0...200 | min | 0 Min | |
| 03 | Uitschakelvertraging | 0...60 | min | 0 Min | |
| 04 | Omschakelvermogen trapvolgorde | 10...100% | 65% | ||
| 05 Omkering trappen | UIT, 1...240 h | UIT | |||
| 06 | Leidingsniveau | 1...n | (trappen) | 1 | |
| 07 | Piekbelastingsketel vanaf adres... | UIT2...(max.niveaus) alle warmteopwekkers binnen de cascade genummerd | UIT | ||
| 08 | Omschakeling laaglast bij groepvorming | UIT geen omschakelingAAN Omschakeling | UIT | ||
| 09 | Warmwate\nsneldoorverbinding | UIT 1... maximaal aantal fases | UIT | ||
Hoofdstuk DATA-BUS
De Parameters in dit hoofdstuk hebben betrekking op de busadressen van de met de databus in contact staande centrale apparaten en regelen de toegangsrechten in de ruimtestations.
| PARAMETER | Aanduiding Instelbereik / Instelwaarden | Fabrieks-instelling | Instelling | |
| 01 | Busadres centraal apparaat 10, | 20, 30, 40, 50 10 | ||
| 02 | Busrechten RS DG | 1 Uitgebreide toegangsrechten (Conciërgestatus)2 Beperkte toegangsrechten (Huurderstatus) | 2 | |
| 03 | Busrechten RS MG-1 | 1 Uitgebreide toegangsrechten (Conciërgestatus)2 Beperkte toegangsrechten (Huurderstatus) | 2 | |
| 04 | Busrechten RS MG-2 | 1 Uitgebreide toegangsrechten (Conciërgestatus)2 Beperkte toegangsrechten (Huurderstatus) | 2 | |
Hoofdstuk RELAISTEST
In dit hoofdstuk kunnen de relais in het centrale apparaat met de druk-draaiknop geselecteerd worden om de werking ervan te controleren.
| PARAMETER | Aanduiding Instelbereik / Instelwaarden | Fabrieks-instelling | Instelling | ||
| 01 | Test warmteopwekk | Verschillende relais-schakelvolgorde alkaargelang het ingestelde TST (een- of tweetraps) | UIT | ||
| 02 Test Pomp directe groep | UIT-AAN-UIT-... | UIT | |||
| 03 Test Menggroeppomp 1 | UIT-AAN-UIT-... | UIT | |||
| 04 | Test Instelorgaan menggroep 1 | STOP-OPEN-STOP-SLUIT-STOP-... | STOP | ||
| 05 | Test Menggroeppomp 2 | UIT-AAN-UIT-... | UIT | ||
| 06 | Test Instelorgaan menggroep 2 | STOP-OPEN-STOP-SLUIT-STOP-... | STOP | ||
| 07 | Test Warmwater-laadpomp | UIT-AAN-UIT-... | UIT | ||
| 08 Test variabe uitgang1 UIT-AAN-UIT-... | UIT | ||||
| 09 Test variabe uitgang 2 UIT-AAN-UIT-... | UIT | ||||
Hoofdstuk FOUTMELDINGEN
In dit hoofdstuk kunnen maximaal 20 foutmeldingen worden opgeslagen, die voortdurend geactualiseerd worden.
| PARAMETER | Aanduiding Instelbereik / Instelwaarden | Fabrieks-instelling | Instelling | |
| 01 Foutmelding | 1 Laatste foutmelding | |||
| 02 Foutmelding | 2 Eén na laatste foutmelding | |||
| ... | ... | ... | ||
| 20 | Foutmelding 20 Eerste foutmelding | |||
Hoofdstuk FOUT 2 (..C..)*
In dit hoofdstuk kunnen maximaal 20 foutmeldingen worden opgeslagen, die voortdurend geactualiseerd worden.
| PARAMETER | Aanduiding Instelbereik / Instelwaarden | Fabrieks-instelling | Instelling | |
| 01 Foutmelding | 1 Laatste foutmelding | |||
| 02 Foutmelding | 2 Eén na laatste foutmelding | |||
| ... | ... | ... | ||
| 20 | Foutmelding 20 Eerste foutmelding | |||
* alleen in combinatie met TST-interface en SYSTEM-Parameter 28=AAN
Hoofdstuk VOELERAFSTEMMING
In dit hoofdstuk kunnen alle aan het toestel aangesloten voelers met ± 5K, met de fabriekswaarde als uitgangswaarde, gecorrigeerd worden.
| PARAMETER | Aanduiding Instelbereik / Instelwaarden | Fabrieks-instelling | Instelling |
| 02 Compensatie buitenvoeler - 5 K ... +5 K | |||
| 03 Compensatie warmteopwekker | - 5 K ... +5 K | ||
| 04 Compensatie reservoirvoeler - 5 K ... +5 K | |||
| 05 Compensatie toevoervoeler 1 - 5 K ... +5 K | |||
| 06 Compensatie toevoervoeler 2 - 5 K ... +5 K | |||
| 07 Compensatie zonnecollectorvoeler - 5 K ... +5 K | |||
| 08 Compensatie zonnebuffervoeler - 5 K ... +5 K | |||
| 09 Compensatie variabele ingang 1 - 5 K ... +5 K | |||
| 10 Compensatie variabele ingang 2 - 5 K ... +5 K | |||
| 11 Compensatie variabele ingang 3 - 5 K ... +5 K |