Condens 6000 W HRC II HRVS 75 - Ketel BOSCH - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis Condens 6000 W HRC II HRVS 75 BOSCH in PDF-formaat.
| Type product | HR-ketel, vloerstaand, combi met oplaadboiler |
| Model | Condens 6000 W HRC II HRVS 75 |
| Inhoud oplaadboiler | 75 liter |
| Gewicht (incl. boiler) | 84 kg |
| Max. verwarmingsvermogen (50/30 °C) | 23,6 kW |
| Max. verwarmingsvermogen (80/60 °C) | 22,4 kW |
| Max. tapwatervermogen | 28,0 kW |
| Min. verwarmingsvermogen (50/30 °C) | 7,3 kW |
| Elektrische voeding | AC 230 V, 50 Hz |
| Max. opgenomen vermogen (CV) | 111 W |
| Max. opgenomen vermogen (boiler) | 144 W |
| Beschermingsklasse | IP X4D |
| Max. aanvoertemperatuur | ca. 90 °C |
| Max. bedrijfsdruk verwarming | 3 bar |
| Ketelcategorie (gassoort) | II2L3P |
| Installatietypes | C13, C33, C43, C53, C63, C83, C93, B23, B33 |
| CV-pomp | Energieklasse A, proportionele en constante druk |
| Brander | Voormengbrander met toerentalgeregelde ventilator |
| Regeling | Heatronic 3 met 2-draads BUS, display |
| Warmwater voorziening | Oplaadboiler met driewegklep en platenwarmtewisselaar |
| Veiligheidsanode | Magnesiumanode, van buiten controleerbaar |
| Onderhoudsinterval | Jaarlijks aanbevolen (inspectie en onderhoud) |
| Geluidsniveau (CV-bedrijf) | ≤ 33 dB(A) |
Veelgestelde vragen - Condens 6000 W HRC II HRVS 75 BOSCH
Gebruikersvragen over Condens 6000 W HRC II HRVS 75 BOSCH
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Ketel in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding Condens 6000 W HRC II HRVS 75 - BOSCH en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. Condens 6000 W HRC II HRVS 75 van het merk BOSCH.
GEBRUIKSAANWIJZING Condens 6000 W HRC II HRVS 75 BOSCH
Installatie- en onderhoudsinstructie voor de installateur
Inhoudsopgave
1 Uitleg van de symbolen en veiligheidsaanwijzingen ....4
1.1 Uitleg van de symbolen 4
1.2 Veiligheidsaanwijzingen ..... 4
2 Leveringsomvang 5
3 Toestelbeschrijving algemeen 6
3.1 Gebruik volgens de voorschriften ..... 6
3.2 CE-conformiteitverklaring ..... 6
3.3 Typenoverzicht 6
3.4 Typeplaat 6
3.5 Toestelbeschrijving 7
3.6 Accessoires 7
3.7 Afmetingen en minimale afstanden ..... 8
3.8 Afmetingen en minimale afstanden met buffervat SP 400 SHU .....10
3.9 Toestelopbouw 12
3.10 Elektrische bedrading ..... 16
3.12 Technische gegevens met oplaadboiler .... 18
4 Voorschriften 19
5 Installatie 20
5.1 Belangrijke opmerkingen ..... 20
5.2 Opstellingsplaats kiezen ..... 21
5.3 Leidingen installeren ..... 21
5.4 Toestel op de oplaadboiler monteren en aansluiten....25
5.5 Aansluiten rookgasafvoersysteem ..... 28
5.5.1 Parallel RGA-aansluiting monteren .... 28
5.5.2 Type B23 en B33 (open opstelling) ..... 29
5.5.3 Type Cxx (gesloten opstelling) ..... 29
5.5.4 Rookgasafvoermateriaal 29
5.5.5 Condensopvang 29
5.5.6 Centraal luchttoevoer- en rookgasafvoersysteem ....30
5.5.7 Berekening rookgasafvoersysteem .... 30
5.6 Aansluitingen controleren ..... 30
5.7 Tijdelijk bedrijf zonder boiler ..... 31
5.8 Afdekkingen monteren ..... 31
6 Elektrische aansluiting 32
6.1 Algemene aanwijzing 32
6.2 Netaansluiting 32
6.3 Accessoires aansluiten 33
6.3.1 Buffervat SP400SHU aansluiten ..... 34
6.3.2 Temperatuurbewaker TB 1 van de aanvoer van een vloerverwarming aansluiten ....34
6.3.3 Circulatiepomp aansluiten 34
6.4 Externe toebehoren aansluiten ..... 35
6.4.1 Extern buffervat aansluiten ..... 35
6.4.2 Externe cv-pomp (secundair circuit) (AC 230 V max. 100 W) aansluiten ....35
6.4.3 Externe drietraps CV-pomp (primair circuit) (AC 230 V, max. 100 W) aansluiten....35
7 Inbedrijfname 36
7.1 Voor het in bedrijf nemen ..... 36
7.2 Toestel in/uitschakelen 38
7.3 Verwarming inschakelen 38
7.4 Verwarmingsregeling (accessoire) instellen .... 39
7.5 Na de ingebruikneming 39
7.6 Debiet van de oplaadboiler begrenzen . 39
7.7 Warmwatertemperatuur instellen .... 39
7.8 Spaarbedrijf instellen (eco-toets) .... 40
7.9 Zomerbedrijf instellen 40
7.10 Vorstbeveiliging instellen 41
7.11 Toetsenblokkering inschakelen ..... 41
8 Thermische desinfectie uitvoeren 42
9 Blokkeerbeveiliging 43
10 Instellingen van de Heatronic 44
10.1 Algemeen 44
10.2 Overzicht servicefuncties ..... 45
10.2.1 Eerste serviceniveau (servicetoets net zolang indrukken, tot deze gaat branden)....45
10.2.2 Tweede serviceniveau vanuit het eerste serviceniveau, servicetoets brand (eco-toets en toetsblokkering tegelijkertijd indrukken, tot bijv. 8.A verschijnt) ....45
10.3 Beschrijving van de servicefuncties ... 46
10.3.1 Eerste serviceniveau 46
10.3.2 Tweede serviceniveau 52
11 Aanpassing aan het soort gas 54
11.1 Gaszijdig ombouwen 54 11.2 Gas-lucht-verhouding (CO2 of O2) instellen .... 55 11.3 Dynamische gasaansluitdruk controleren .... 56
12 Rookgasverliesmeting 57
12.1 Schoorsteenvegertoets 57 12.2 Dichtheidstest rookgaskanaal ..... 57 12.3 CO-meting in rookgas 58
13 Milieubescherming/afval 59
14 Inspectie en onderhoud 60
14.1 Beschrijving van de procedure ..... 61 14.1.1 Laatst opgeslagen storing oproepen (servicefunctie 6.A) ....61 14.1.2 Warmtewisselaar, brander en elektroden controleren ....61 14.1.3 Condenssifon reinigen 63 14.1.4 Membraan (rookgasterugstroombeveiliging) in de mengkamer controleren ....64 14.1.5 Vuldruk van de verwarmingsinstallatie instellen....64 14.1.6 Opofferingsanode controleren ..... 64 14.1.7 Elektrische bedrading controleren .... 64 14.2 Checklist voor de inspectie en het onderhoud (Inspectie- en onderhoudsverslag) .... 65
15 Service 66
15.1 Platenwarmtewisselaar 66 15.2 Automatische ontluchter vervangen ... 67
16 Weergaven in het display 68
17 Storingen 69
17.1 Storingen verhelpen 69 17.2 Storingen die in het display worden aangegeven 70 17.3 Storingen die niet in het display worden getoond ....73 17.4 Sensorwaarden 74 17.4.1 Buitentemperatuursensor (bij weersafhankelijke regelaar, accessoire) 74 17.4.2 Tapwater-, 3-wegmengklep- en aanvoer-, retourtemperatuursensor, buffervat- en oplaadboilertemperatuursensor ..... 74 17.5 Codeerstekker 74
18 Instelwaarde voor verwarmings-/tapwatervermogen 75
19 Ingebruiknemingsprotocol voor het toestel . . . 76
Index 78
1 Uitleg van de symbolen en veiligheidsaanwijzingen
1.1 Uitleg van de symbolen
Waarschuwingssymbolen

Veiligheidsinstructies worden omkaderd en aangegeven met een uitroepteken in een gevarendriehoek met grijze achtergrond.

Bij gevaar door elektriciteit wordt het uitroepteken in de gevarendriehoek vervangen door een bliksemsymbool.
Signaalwoorden geven de soort en de mate van de gevolgen aan indien de maatregelen ter voorkoming van het gevaar niet worden nageleefd.
- OPMERKING betekent dat materiële schade kan ontstaan. -VOORZICHTIG betekent dat licht tot middelzwaar lichamelijk letsel kan ontstaan.
- WAARSCHUWING betekent dat zwaar lichamelijk letsel kan ontstaan.
- GEVAAR betekent dat levensgevaar kan ontstaan.
Informatiesymbool

Belangrijke informatie zonder gevaar voor personen en materialen, wordt tussen 2 lijnen geplaatst en aangegeven met een i-symbool in een vierkant.
Aanvullende symbolen
Symbool Betekenis
▶ Handeling.
→ Verwijzing naar andere plaatsen in het document of naar andere documenten.
• Opsomming.
1.2 Veiligheidsaanwijzingen
Bij gaslucht
▶ Sluit de gaskraan (→ pagina 36). ▶ Open vensters en deuren. ▶ Bedien geen elektrische schakelaars. ▶ Open vuur doven. ▶ Direct gasbedrijf/gastechnisch installateur waarschuwen.
Gevaar bij rookgaslucht
▶ Schakel het toestel uit (→ pagina 38). ▶ Open vensters en deuren. ▶ Neem contact op met een erkend installatiebedrijf.
Bij toestellen met open bedrijf: gevaar voor vergiftiging door rookgassen bij onvoldoende toevoer van verbrandingslucht
▶ Waarborg voldoende toevoer van verbrandingslucht. ▶ Be- en ontluchtingsopeningen in deuren, vensters en wanden niet afsluiten of verkleinen. ▶ Waarborg voldoende toevoer van verbrandingslucht ook in geval van naderhand ingebouwde apparaten, bijv. keukenventilatoren, afzuigventilatoren. ▶ Bij onvoldoende toevoer van verbrandingslucht het toestel niet in bedrijf nemen.
Explosieve en licht ontvlambare materialen
Licht ontvlambare materialen (papier, verdunningsmiddelen, verf, enz.) niet in de buurt van het toestel gebruiken of opslaan.
Verbrandings- en kamerlucht
▶ Houd, om corrosie te voorkomen, verbrandings- en ruimtelucht vrij van agressieve stoffen (bijv. chloor- of fluorkoolwaterstoffen).
2 Leveringsomvang

Afb. 1
Legenda:
1 CV-toestel 2 Slang voor overstortventiel (verwarming) 3 Toesteldocumentatie 4 Garantieverklaring 5 Oplaadboiler 6 Aansluitkoppeling 7 Thermische afsluitinrichting 8 Gasleiding 9 Parallel aansluiting compleet 10 Bevestigingsmateriaal bestaande uit: 10.1 Beugel met schroeven en moeren 10.2 Pakkingen 3/4" 10.3 Pakkingen 1/2" 10.4 Pakking 1" 10.5 Borgnagels
3 Toestelbeschrijving algemeen
De Condens 6000 W is een toestel voor verwarming en tapwatervoorziening volgens het doorstroomprincipe met een geïntegreerde oplaadboiler.
Een directe aansluiting van voorverwarmd water uit een buffervat voor verwarmingsondersteuning en tapwatervoorziening is mogelijk.
3.1 Gebruik volgens de voorschriften
Het toestel mag alleen op gesloten cv-systemen volgens EN 12828 worden aangesloten.
Een ander gebruik is niet volgens de voorschriften. Voor daaruit voortkomende schade wordt geen aansprakelijkheid aanvaard.
De bedrijfsmatige en industriële toepassing van de toestellen voor het opwekken van proceswarmte is uitgesloten.
3.2 CE-conformiteitverklaring
Dit product voldoet aan de betreffende Europese richtlijnen en aanvullende nationale voorschriften. De conformiteit wordt middels een CE-markering aangeduid.
U kunt de conformiteitverklaring van het product aanvragen. Zie voor het contactadres de achterzijde van dit document.
Het voldoet aan de eisen van HR-ketels in de zin van de energiebesparingsverordening.
Het toestel is gekeurd volgens EN 677.
| Prod.-ID-nr. CE-0085BR0160 | |
| Toestelcategorie (gassoort) II | 2 L 3 P |
| Installatietype | C13 , C33 , C43 , C53 , C63 , C83 , C93 , B23 , B33 |
Tabel 2
3.3 Typenoverzicht
30 HRC II HRVS 75
30 Nominaal warmtevermogen tapwater tot 30 kW
HR Hoogrendement
C Combinatie toestel
II Versie
HRVS Aansluiting van een oplaadboiler
75 Inhoud van de oplaadboiler in liter
Testgasspecificaties met marking en gasgroep conform EN 437:
| Kencijfer | Wobbe-index (WS) (15 °C) Gassoort | |
| 5 10,5 - 13 kWh/m | 3 Aardgas, groep 2L | |
Tabel 3
3.4 Typeplaat
De typeplaat [38] bevindt zich intern rechtsonder op het toestel (→afb. 6, pagina 12).
Daar vindt u de specificaties van het toestelvermogen, toelatingsgegevens en het serienummer.
3.5 Toestelbeschrijving
• Vloerstaand toestel
- onafhankelijk van schoorsteen en grootte van de ruimte.
• CV-pomp met energieklasse A:
- 2 proportionele drukkarakteristieken
- 3 constante druk karakteristieken
- 8 niveaus instelbaar
- Droogloopbeveiliging en antiblokkeringsfunctie
- Boilerlaadpomp van oplaadboiler met energieklasse A
• geregeld vermogen van de CV-pomp ook in tapwaterbedrijf
• Heatronic 3 met 2-draads-BUS
• Aansluitkabel met netstekker
• Display
- Volledige beveiliging via de Heatronic met vlambewaking en magneetventielen conform EN 298
- Geen minimumhoeveelheid circulatiewater vereist
• Voor vloerverwarming geschikt
- Dubbele leiding voor rookgas en verbrandingslucht met meetpunten
• Toerentalgeregelde ventilator
• Voormengbrander
- Temperatuursensor en temperatuurregelaar voor verwarming
• Temperatuursensor in aanvoerleiding
• CV-pomp met automatische ontluchter
• Veiligheidsklep, manometer
• Rookgastemperatuurbeveiliging (120 °C)
• Warmwater voorrangschakeling
•Driewegventiel met motor
•3-weg mengklep met motor
- Platenwarmtewisselaar
- Oplaadboiler met boilertemperatuursensor (NTC)
- Geëmailleerd boilervat conform DIN 4753, deel 1, par. 4.2.3.1.3 overeenkomstig groep B conform DIN1988, deel 2.
•Van buiten te controleren magnesiumveiligheidsanode
3.6 Accessoires

Hier vindt u een lijst met typische accessoires. Een volledig overzicht van alle beschikbare accessoires is in onze prijslijst opgenomen.
•Rookgastoebehoren
- Weersafhankelijke regelaar b.v. FW 100, FW 200
•Kamerthermostaat b.v. FR 100
•Expansievat 50 l nr. 1485
• Installatieset toestel/boiler nr. 1463
•Buffervat SP 400 SHU
•Mantel nr. 1465
3.7 Afmetingen en minimale afstanden

6 720 649 686-02.10 Afb. 2

Afb. 3
Legenda bij afb. 2 en 3:
1 Afdekplaat 2 CV-retour G 3/4 3 Gas R 1/2 4 CV-aanvoer G 3/4 5 Koud water R 3/4
6 Warm water R 3/4 7 Circulatie G 3/4 8 Beschermanode 9 Buffervatretour G 1 10 Buffervataanvoer G 1
3.8 Afmetingen en minimale afstanden met buffervat SP 400 SHU
Afb. 4 Montagevoorbeeld - buffervat rechts van toestel

Afb. 5 Montagevoorbeeld - buffervat rechts van toestel
Legenda bij afb. 4 en 5:
1 Aansluitset toestel/boiler accessoire nr. 1463 2 Buffervat SP 400 SHU 3 Expansievat accessoire nr. 1485 4 CV-toestel 5 Oplaadboiler
3.9 Toestelopbouw

1 Heatronic 3 2 Hoofdschakelaar 3 Led voor branderwerking 4 Serviceknop 5 Schoorsteenvegertoets 6 Aanvoertemperatuur regelaar 7 Led voor branderwerking (constant branden)/storingen (knipperend) 8 Hier kan een weersafhankelijke regelaar of een schakelklok zijn ingebouwd (accessoire) 9 Temperatuurregelaar voor warm water 10 Toetsen blokkering 11 eco-toets 12 Resettoets 13 Display 14 Sifon 15 Maximaalthermostaat rookgasafvoer 16 Drukmeetnippel aansluitvoordruk 17 Instelschroef min. gashoeveelheid 18 Platenwisselaar 19 Instelschroef max. gashoeveelheid 20 Aanzuigbuis 21 Aanvoerleiding 22 Warmwatertemperatuursensor 23 3-wegklep 24 Aanvoertemperatuur NTC 25 Beugel 26 Rookgasafvoerleiding 27 Ventilator 28 Menginrichting met rookgasterugstroombeveiliging (membraan) 29 Maximaalthermostaat 30 Spiegel 31 Elektrodenset 32 Condensbak 33 Deksel controle-opening 34 Temperatuursensor mengklep 35 Ontluchtingsventiel (oplaadboiler) 36 Automatische ontluchter 37 Drukmeter 38 Typeplaat 39 Temperatuursensor 40 3-wegmengklep 41 Aftapkraan 42 Condensafvoerslang 43 Slang van veiligheidsklep (tapwatercircuit) 44 CV-pomp 45 Overstortventiel (verwarmingscircuit)

Afb. 7 Oplaadboiler
Legenda bij afb. 7:
1 Gasaansluiting 2 Uitlaat oplaadboiler 3 CV-retour 4 Aanvoer buffervat 5 Beschermanode 6 Boilertemperatuursensor boven 7 Boilertemperatuursensor onder 8 Stelpoten 9 Koud water 10 Warm water 11 Circulatie-aansluiting 12 Retour buffervat 13 CV-aanvoer 14 Inlaat oplaadboiler
3.10 Elektrische bedrading

1 Ontstekingstrafo 2 Aanvoertemperatuur regelaar 3 Stekkeraansluiting AC 230 V 4 Zekering T 2,5 A (AC 230 V) 5 Temperatuurregelaar voor warm water 6 Aansluiting externe temperatuur begrenzer TB1 (24 V DC) 7 Aansluiting circulatiepomp of externe cv-pomp in ongemengde cv-groep (secundair circuit). 8 Zekering T 0,5 A (DC 5 V) 9 Zekering T 1,6 A (DC 24 V) 10 Codeerstekker 11 Transformer 12 Hoofdschakelaar 13 Aansluitkabel met stekker 14 Warmwatertemperatuursensor 15 Gasblok 16 Maximaalthermostaat rookgasafvoer 17 Aanvoertemperatuursensor 18 Ontstekingselektrode 19 Ionisatiepen 20 Maximaalthermostaat 21 Ventilator 22 Boilerlaadpomp 23 Aansluiting externe CV-pomp (primair circuit) 24 CV-pomp 25 Boilertemperatuursensor (oplaadboiler) 26 Temperatuursensor mengklep 27 Retourtemperatuursensor 28 3-wegklep 29 3-wegmengklep 30 Aansluiting BUS-deelnemer bijv. kamerthermostaat, ISM1 van buffervat SP 400 SHU 31 Aansluiting buitentemperatuursensor 32 Aansluiting boilertemperatuursensor TS 3 (buffervat)
| Eenheid Aardgas Propaan | |||
| Max. nominaal verwarmingsvermogen (Pmax) 50/30 °C kW 23,6 23,6 Max. nominaal verwarmingsvermogen (Pmax) 80/60 °C kW 22,4 22,4 | |||
| Max. nominale warmtebelasting (Qmax) verwarming kW 23,0 23,0 | |||
| Min. nominale verwarmingsvermogen (Pmin) 50/30 °C kW 7,3 8,0 Min. nominale verwarmingsvermogen (Pmin) 80/60 °C kW 6,6 7,3 | |||
| Min. nominale warmtebelasting (Qmax) verwarming kW 6,8 7,5 | |||
| Max. nominale warmtevermogen (PnW) tapwater kW 28,0 28,0 | |||
| Max. nominale warmtebelasting (QnW) tapwater kW 28,0 28,0 | |||
| Gasaansluitwaarde | |||
| Aardgas L (Hi(15 °C) = 8,1 kWh/m3) | m3/h | 3,0 | - |
| Propaan (Hi = 12,9 kWh/kg) | kg/h | - | 2,2 |
| Toegestane bedrijfs gasvoordruk | |||
| Aardgas L | mbar | 20 - 30 | - |
| Propaan | mbar | - | 25 - 57,5 |
| Restopvoerhoogte | Pa | 80 | 80 |
| CO2 bij max. nominaal warmtevermogen | % | 9,4 | 10,8 |
| CO2 bij min. nominaal warmtevermogen | % | 8,6 | 10,5 |
| Algemeen | |||
| Elektr. spanning | AC ... V | 230 | 230 |
| Frequentie | Hz | 50 | 50 |
| Max. opgenomen vermogen (CV-bedrijf) | W | 111 | 111 |
| Max. opgenomen vermogen boilerbedrijf (oplaadboiler) | W | 144 | 144 |
| Geluidsniveau (bij CV-bedrijf) | dB(A) | ≤ 33 | ≤ 33 |
| Beschermingsklasse | IP | X4D | X4D |
| Max. aanvoertemperatuur | °C | ca. 90 | ca. 90 |
| Max. watertemperatuur van buffervat | °C | 90 | 90 |
| Max. toelaatbare bedrijfsdruk (PMS) verwarming | bar | 3 | 3 |
| Toegestane omgevingstemperatuur | °C | 0 - 50 | 0 - 50 |
| Nominale inhoud (verwarming) | I | 2,5 | 2,5 |
Tabel 4
3.12 Technische gegevens met oplaadboiler
| 30 HRC II HRVS 75 | ||
| Nuttige inhoud | I 75 | |
| Uitstroomtemperatuur | °C | 40 - 70 |
| Max. doorstroomhoeveelheid | l/min | 12 |
| Gewicht met oplaadboiler (zonder verpakking) | kg | 84 |
Tabel 5
4 Voorschriften
Deze installatie-instructie en overige van toepassing zijnde documentatie van de fabrikant:
- NEN 1006 Algemene voorschriften voor drinkwaterinstallaties AVWI.
• NEN 1010 Veiligheidsbepalingen voor laagspanningsinstallaties.
• NEN 1078 Voorschriften voor aardgasinstallaties (Bouwbesluit GAVO en aanvulling).
• NEN 1087 Ventilatie van woongebouwen. Eisen en bepalingsmethoden.
• NEN 2757 Toevoer verbrandingslucht en rookgasafvoer van verbrandingsgas van verbrandingstoestellen.
• NEN 3028 Veiligheidseisen voor centrale verwarmingsinstallaties.
• NEN 3215 Binnenriolering in woningen en woongebouwen.
NPR 1088 Toelichting op NEN 1087.
NPR 3378
Toelichting op NEN 1078.
Bouwbesluit.
Plaatselijk geldende voorschriften van Brandweer, Nutsbedrijven en Gemeente.
90/142/EC Gastoestellenrichtlijn.
92/42/EEC Rendementsrichtlijn.
2004/108/EC EMC-richtlijn.
2006/95/EC Laagspanningsrichtlijn.
EN 437 Testgassen, testdrukken, installatiecategorieën.
EN 483 Verwarmingsketels voor gasvormige brandstoffen - verwarmingsketels van het type C met een nominale warmtebelasting gelijk aan of kleiner dan 70 kW.
EN 625 Verwarmingsketels voor gasvormige brandstoffen - bijzondere eisen aan drinkwaterzijdige functies bij combiketels met een nominaal vermogen gelijk aan of kleiner dan 70 kW.
EN 677
Verwarmingsketels voor gasvormige brandstoffen - bijzondere eisen aan ketels met een nominaal vermogen gelijk aan of kleiner dan 70 kW.
Gaskeur HRww en CW.
• DIN 4726/4729 Zuurstofdiffusiedichtheid.
- BRL 5102 Enkelvoudige rookafvoervoorzieningen van gasgestookte toestellen.
5 Installatie

GEVAAR: gasexplosie.
▶ Sluit de gaskraan voordat aan gasvoerende delen wordt gewerkt. ▶ Controleer na werkzaamheden alle gasvoerende delen op dichtheid.

Montage, gas-, afvoer- en stroomaansluiting en inbedrijfneming van de installatie moeten door een erkend installateur worden uitgevoerd.

WAARSCHUWING: Verbrandingsgevaar en waterschade!
Het gebruik van het toestel zonder veiligheidsgroep beschadigt de oplaadboiler.
▶ Veiligheidsgroep nr. 429/430 in koudwateraanvoer monteren. ▶ Afblaasopening van de veiligheidsklep niet afsluiten.
5.1 Belangrijke opmerkingen
▶ Voor het installeren van het toestel moet er van uitgegaan worden, dat aan alle voorschriften wordt voldaan en alle voorschriften worden opgevolgd.
Vul- en bijvulwater voor de CV-installatie
Door niet geschikt vul- en bijvulwater in het cv-systeem kan het warmteblok verkalken en voortijdige uitval van het toestel veroorzaken.
Verzinkte radiator en pijpleidingen
Om gasvorming te voorkomen:
▶Geen verzinkte radiatoren en leidingen gebruiken.
Gebruik van een ruimtetemperatuurregelaar
▶In de referentieruimte geen thermostatische radiatorkranen toepassen.
Antivriesmiddel
De volgende antivriesmiddelen zijn toegestaan:
Omschrijving Concentratie
| Alphi - 11 |
Tabel 6
Corrosiebeschermend middel
De volgende corrosiebeschermende middelen zijn toegestaan:
Omschrijving Concentratie
Het toevoegen van afdichtingsmiddel in het verwarmingswater is niet toegestaan.
Vloeibaar gas
Om het toestel tegen te hoge druk te beschermen:
▶Voordrukregelaar plaatsen en afstellen tussen de 30 en 50 mbar.
5.2 Opstellingsplaats kiezen
Voorschriften ten opzichte van de opstellingsruimte
Neem voor alle installaties de desbetreffende voorschriften in acht.
▶ Desbetreffende normen toepassen. ▶ Installatieleiding van de rookgasafvoer monteren met voldoende afstand ten opzichte van andere materialen.
Verbrandingslucht
Om corrosie te vermijden, dient de verbrandingslucht vrij van agressieve stoffen te zijn.
Als corrosiebevorderend gelden halogeenkoolwaterstoffen, die chloor- of fluorverbindingen bevatten. Deze kunnen bijv. in oplosmiddelen, verf, lijmstoffen, drijfgassen en huishoudelijke schoonmaakmiddelen zitten.
Industriële bronnen
| Chemische reinigingen | Trichloorethyleen, tetrachloorethyleen, gefluoreerde koolwaterstoffen |
| Ontvettingsbaden | Perchloorethyleen, trichloorethyleen, methylchloroform |
| Drukkerijen | Trichloorethyleen |
| Kapperszaken | Spuitbusdrijfmiddel, fluor-enchloorhoudende koolwaterstoffen |
| Bronnen in het huishouden | |
| Reinigings- en ont-vettingsmiddelen | Perchloorethyleen, methylchloroform, trichloorethyleen, methyleenchloride, tetrachloorkoolstof,zoutzuur |
| Hobbykamers | |
| Oplosmiddelen en verdunners | Verschillende gechloreerde koolwaterstoffen |
| Spuitbussen | Chloorgefluoreerde koolwaterstoffen |
Tabel 8 Corroderende stoffen
Oppervlaktetemperatuur
De max. oppervlaktetemperatuur van het toestel is lager dan 85 °C.
Propaaninstallaties onder aardoppervlak
Dit is niet toegestaan.
5.3 Leidingen installeren
- Verwijder de verpakking, let op de aanwijzingen op de verpakking en let op het bijgeleverde bevestigingsmateriaal. ▶ Mantel van de oplaadboiler afnemen.

Oneffenheden in de vloer kunt u met de stelpoten op de oplaadboiler compenseren.

Afb. 10
▶Op de typeplaat de markering van het land van bestemming en goedkeuring voor het door het gasbedrijf geleverde soort gas controleren (→pagina 12). ▶Voor het vullen en aftappen van de installatie moet door de installateur op het diepste punt een vul- en aftapkraan aangebracht worden.

OPMERKING: Achtergebleven resten in het leidingnet kunnen de ketel beschadigen.
▶Spoel de installatie om vuil te verwijderen.
Aansluitkoppeling monteren
Thermische afsluitinrichting monteren
▶Leiding voor de gastoevoer bepalen conform de voorschriften. ▶Bij vloeibaar gas: drukregeltoestel met veiligheidsklep inbouwen, om het toestel tegen een te hoge druk te beveiligen.
Circulatieaansluiting en warmwater circulatieleiding
Elektrische aansluiting van de circulatiepomp
(→ pagina 34).

De circulatiepomp wordt door de cv-regelaar aangestuurd.

Om elektrische en thermische energie te besparen, circulatiepomp niet in continu bedrijf te laten lopen.
Sifonset nr. 885
Om het uit de overstort tredende water en het condens betrouwbaar te kunnen afleiden, is sifonset nr. 885 bedoeld.
▶Afvoer uit corrosiebestendige materialen uitvoeren. Daartoe behoren: gresbuizen, hard-PVC leidingen, PVC-leidingen, PE HD leidingen, PP-leidingen, ABS/ASA-leidingen, gietleidingen met inwendige emailering of coating, stalen leidingen met kunststof coating, niet roestende stalen leidingen, boorsilicaatleidingen. ▶Afvoer direct op een externe aansluiting DN 50 monteren.

OPMERKING:
▶Afvoer niet veranderen of afsluiten. ▶Slangen alleen onder afschot leggen.

5.4 Toestel op de oplaadboiler monteren en aansluiten.
Mantel demonteren

De mantel is met twee schroeven geborgd tegen onbevoegd wegnemen (elektrische veiligheid).
▶Borg de mantel altijd met deze schroeven.
▶Schroeven losdraaien. ▶Beugel optillen en mantel naar voren toe afnemen.

Afb. 16
▶Afsluitstrook verwijderen.

▶Pakkingen op boiler plaatsen.

Afb. 18
▶Toestel op boiler plaatsen. ▶Toestel met twee beugels en schroeven vastzetten.

Afb. 19
▶Heatronic naar beneden klappen.

Afb. 20
Condenswatersifon demonteren.

Afb. 21
Koppelingen vastdraaien.

Condenswatersifon weer inbouwen. Pompstekker van toestel op boilerlaadpomp aansluiten.

Afb. 23
Slang van overstortventiel (verwarming) monteren
Slang op aansluiting van het overstortventiel plaatsen.

Slang van overstort op sifonset aansluiten (→ afb. 15, pagina 24).
Boilertemperatuursensor op de oplaadboiler aansluiten
De oplaadboiler heeft twee verschillend gepositioneerde boilertemperatuursensoren.
Bij de aansluiting van de stekker op de onderste boilertemperatuursensor (→ afb. 25) wordt de hele boiler op temperatuur gehouden, → technische gegevens pagina 18. Het toestel laadt de boiler regelmatig op, om de maximale tapwatercapaciteit te waarborgen.
Bij de aansluiting van de stekker op de bovenste boilertemperatuursensor (→ afb. 25) wordt alleen het bovenste deel van de boiler op temperatuur gehouden,
→ technische gegevens pagina 18. Het toestel laadt de boiler minder vaak op en spaart zo energie.
Warmte-isolatie verwijderen.
Kabel van toestel installeren, met de meegeleverde borgnagels borgen, stekker plaatsen en isolatie weer aanbrengen.

Afb. 25
Installatieset toestel/boiler toebehoren nr. 1463
Voor de cv-waterzijdige aansluiting van het buffervat SP 400 SHU is toebehoren nr. 1463 beschikbaar.

Wanneer u de installatieset toebehoren nr. 1463 niet gebruikt.
▶Koperen leiding ∅ 22 mm gebruiken (drukverlies maximaal 150 mbar bij 1000 l/h).
Expansievat toebehoren nr. 1485
Als toebehoren is een 50 l expansievat nr. 1485 leverbaar. De volgende bedrijfsvoorwaarden zijn noodzakelijk:
•Buffervat SP400SHU •Maximale watertemperatuur van buffervat 90 °C •Bedrijfsdruk van de verwarming 1 - 1,5 bar •Voordruk van het expansievat 0,7 - 0,9 bar •Min. watervoorraad: 0,5 % van de totale cv-installatie ▶De exacte grootte van het expansievat conform EN 12 828 bepalen. ▶Het expansievat direct op de buffervataanvoer aansluiten.

5.5 Aansluiten rookgasafvoersysteem
Neem tijdens de montage van het luchttoevoer- en rookgasafvoersysteem de algemeen geldende voorschriften in acht.
Voor het cv-toestel zijn diverse rookgasafvoersets beschikbaar, waarmee de meeste rookgasdoorvoersituaties mogelijk zijn.
Het cv-toestel is fabrieksmatig uitgevoerd met een parallele rookgasafvoeradapter. Een concentrische rookgasafvoeradapter is als accessoire leverbaar.
5.5.1 Parallel RGA-aansluiting monteren
▶Afdichting en flens met bouten monteren.

Afb. 27
1 Afdichting 2 Flens 3 Schroeven
▶Parallel aansluiting plaatsen.

Afb. 28
2 Flens
4 Parallel aansluiting
▶Rookgastoebehoren tot aan de aanslag insteken.

▶Rookgasafvoerleiding op dichtheid controleren (zie hoofdstuk 12.2, pag. 57).
5.5.2 Type B 23 en B 33 (open opstelling)
Wanneer een gesloten opstelling niet wenselijk of in de opstellingsruimte niet mogelijk is, kan het cv-toestel als open cv-toestel worden geïnstalleerd.
Wanneer het cv-toestel als open cv-toestel wordt geïnstalleerd, wordt de verbrandingslucht uit de opstellingsruimte gebruikt. De opstellingsruimte dient daarom te zijn voorzien van de noodzakelijke luchttoevoeropening. Voor het cv-toestel geldt een toestelklasse type B bij toepassing als open cv-toestel. De maximaal toegestane drukval kan voor open toestellen in zijn geheel voor de rookgasafvoer gebruikt worden.
De afzonderlijke voorschriften voor de opstellingsruimte moeten in acht worden genomen. Voor de verbranding dient er voldoende verbrandingslucht toe te stromen.
5.5.3 Type C xx (gesloten opstelling)
Voor het cv-toestel geldt een toestelklasse type C bij toepassing als gesloten cv-toestel. De mantel van het cv-toestel is gasdicht uitgevoerd en vormt een deel van de luchttoevoer. Het is daarom bij een gesloten opstelling van het cv-toestel vereist dat bij een werkend cv-toestel de deur van de mantel altijd goed gesloten is.
Het cv-toestel kan op een parallel of op een concentrisch rookgasafvoersysteem worden aangesloten.
5.5.4 Rookgasafvoermateriaal
Als luchttoevoer- en rookgasafvoermateriaal kan aluminium, roestvast staal (RVS) of kunststof worden toegepast.
Het luchttoevoer- en rookgasafvoermateriaal, vanaf het cv-toestel tot en met de dak- of geveldoorvoer, moet geschikt zijn voor HR-toestellen en moet tevens CE-gekeurd zijn.
▶Houd bij toepassing van kunststof rookgasafvoermateriaal rekening met de temperatuursclassificatie (T120) van het cv-toestel.
5.5.5 Condensopvang
Bij langere rookgasafvoersystemen uitgevoerd in aluminium wordt geadviseerd om direct boven het cv-toestel een condensopvang te monteren.
▶Sluit de condensopvang aan op de rioolleiding.
5.5.6 Centraal luchttoevoer- en rookgasafvoersysteem
Het cv-toestel is geschikt voor de meeste Centraal lucht-toevoer- en rookgasafvoersysteem (CLV-systemen) en varianten hierop.
Onderdruk CLV
Bij onderdruk CLV-systemen moet voldaan worden aan de Gastec-normen QA138 en QA163.
Overdruk CLV
Het Nefit overdruk CLV-systeem is een toestelgebonden afvoersysteem, dat eveneens moet voldoen aan de Gastecnormen QA138 en QA163.
5.5.7 Berekening rookgasafvoersysteem
De lengte van de luchttoevoer- en rookgasafvoerleidingen mag niet de maximale rookgasafvoerlengte overschrijden van het toestel.
Parallel
Bij parallelaansluiting wordt de lengte van de luchttoevoer en de rookgasafvoer bij elkaar opgeteld. Het totaal moet minder zijn dan het maximum toegestane.
Parallel 80-80
Maximale leidinglengte 32 m
Tabel 9 Maximale leidinglengte in meters
Hierin is een muur- of dakdoorvoer al in meegerekend.
Parallel Lengte equivalent 80 mm
| Bocht 45° 1 m |
| Bocht 90° 2 m |
Tabel 10 Lengtereducties bij parallel aansluiten
Concentrisch Concentrisch 60/100 80/125
| Maximale lei-dinglengte | 6 15 |
Tabel 11 Maximale leidinglengte in meters
Hierin is een muur- of dakdoorvoer al in meegerekend.
| Concentrisch | Lengte equiva-lent 60/100 | Lengte equiva-lent 80/125 |
| Bocht 45° 1 m | 1 m | |
| Bocht 90° 2 m | 2 m |
Tabel 12 Maximale leidinglengte in meters
5.6 Aansluitingen controleren
Wateraansluiting
- Servicekraan aanvoerleiding en servicekraan retourleiding openen en CV-installatie vullen. ▶ Koppelingen op dichtheid controleren (testdruk: max. 2,5 bar op manometer). Koudwaterkraan in de aanvoer naar de ketel en de warmwaterkraan op een tappunt openen, tot water uitstroomt (testdruk: max. 10 bar).
Gasleiding
▶ Om het gasblok tegen overdrukschade te beschermen, de gaskraan sluiten. ▶ Koppelingen op dichtheid controleren (testdruk: max. 150 mbar). ▶ Drukontlasting doorvoeren.
5.7 Tijdelijk bedrijf zonder boiler
Om activeren van de veiligheidstemperatuurbegrenzer te voorkomen:
▶ Externe verbindingsleiding tussen boileraanvoer en boilerretour inbouwen.

▶ Boilertemperatuursensor op de Heatronic aansluiten.

Afb. 31

De boilertemperatuursensor alleen elektrisch aansluiten. Aanleggen op een leiding is niet nodig.
5.8 Afdekkingen monteren
▶ Mantel van het toestel monteren. ▶ Mantel van de oplaadboiler monteren.
6 Elektrische aansluiting
6.1 Algemene aanwijzing

GEVAAR: Door elektrocutie!
▶ Voor werkzaamheden aan het elektrische deel de voedingsspanning (230 V AC) onderbreken (zekering, vermogensautomaat) en beveiligen tegen onbedoeld herinschakelen.

De stroomaansluiting mag alleen door een erkend installateur worden uitgevoerd.
Alle regel-, stuur- en veiligheidsonderdelen van het toestel zijn bedrijfsklaar bedraad en getest.
Veiligheidsmaatregelen conform NEN 1010 en speciale voorschriften van de lokale energiebedrijven respecteren.
In ruimten met badkuipen of douche mag het toestel alleen via een FI-aardlekschakelaar worden aangesloten.
Op de aansluitkabel mogen geen andere verbruikers worden aangesloten.

Afb. 32
Zone 1, direct boven de badkuip
Zone 2, cirkel van 60 cm rondom badkuip/douche
Zekeringen
Het toestel is met drie zekeringen gezekerd. Deze bevinden zich op de printplaat (→ afb. 8, pagina 16).

Reservezekeringen bevinden zich aan de achterzijde van de afdekking (→ afb. 34).
6.2 Netaansluiting
▶ Steek de netstekker in een geaarde wandcontactdoos (buiten beveiligingszone 1 en 2). ▶ Bij onvoldoende kabellengte de kabel demonteren, → hoofdstuk 6.3.
Gebruik de volgende kabeltypen:
- H O 5 V V - F 3 × 0,75 mm² of
- H O 5 V V - F 3 × 1,0 mm²
▶ Sluit de aansluitkabel zodanig aan dat de afscherming langer is dan de andere aders. ▶ Wanneer het toestel in veiligheidszone 1 of 2 wordt aangesloten, de kabel uitbouwen (→ hoofdstuk 6.3) en kabeltype NYM-I 3 x 1,5 mm² gebruiken. ▶ Voer de elektrische aansluiting uit via een scheidingsinrichting over alle polen met min. 3 mm contactafstand (bijv. zekeringen, installatie-automaat). In veiligheidszone 1 de kabel verticaal naar boven installeren.
6.3 Accessoires aansluiten
Heatronic openen

OPMERKING: Kabelresten kunnen de Heatronic beschadigen.
Kabel alleen buiten de Heatronic strippen.
▶Heatronic naar beneden klappen.

Afb. 33
▶Drie schroeven verwijderen, kabel naar buiten hangen en deksel wegnemen.

Afb. 34
▶Voor de spuitwaterdichtheid (IP) altijd de trekontlasting overeenkomstig de diameter van de kabel afsnijden.

Afb. 35
Kabel door de trekontlasting leiden en overeenkomstig aansluiten. ▶Kabel op trekontlasting borgen.
Kamerthermostaat of afstandsbedieningen aansluiten
Het toestel alleen met een Bosch regelaar gebruiken. Aansluiting voor de Bosch regelaar FR/FW is B-B.

Afb. 36 Voorbeeld: weersafhankelijke Bosch regelaar FW met buitentemperatuursensor AF
De cv-regelaars FW 100 en FW 200 kunnen ook direct voor in de Heatronic 3 worden ingebouwd.
Inbouw en elektrische aansluiting zie betreffende installatie-instructie.
6.3.1 Buffervat SP400SHU aansluiten
Boilertemperatuursensor TS3 aansluiten
▶ Sluit de aansluitkabel van de boilertemperatuursensor aan.

Afb. 37
Zonnemodule ISM1 aansluiten.
▶ Sluit de tweedraads BUS-kabel aan. ▶ Sluit de driedraads netkabel aan.

Afb. 38
6.3.2 Temperatuurbewaker TB 1 van de aanvoer van een vloerverwarming aansluiten
Bij verwarmingsinstallaties met alleen vloerverwarming en directe hydraulische aansluiting op het apparaat.

Afb. 39
Bij het aanspreken van de temperatuurbewaking worden verwarmings- en tapwaterbedrijf onderbroken.
6.3.3 Circulatiepomp aansluiten
Afb. 40
▶ Stel op de cv-regelaar in de systeemconfiguratie Circulatiepomp Aanwezig in.

De circulatiepomp wordt door de cv-regelaar aangestuurd.
6.4 Externe toebehoren aansluiten
6.4.1 Extern buffervat aansluiten
Voor de aansluiting heeft u de toebehoren boilertemperatuursensor SF4 nodig.
▶ Kunststofplaatje afbreken. ▶ Stekker op de printplaat steken. ▶ Kabel van temperatuursensor boiler plaatsen.

Afb. 41
▶ Boilertemperatuursensor in bovenste derde deel van het buffervat monteren.
6.4.2 Externe cv-pomp (secundair circuit) (AC 230 V max. 100 W) aansluiten

Afb. 42
▶ Met servicefunctie 5.E Aansluiting NP - LP op 2 (externe CV-pomp in ongemengd cv-groep) instellen, → pagina 50.
Bij aansluiting op NP - LP draait de CV-pomp altijd bij verwarmingsbedrijf. Pompschakeltypen zijn niet mogelijk.
6.4.3 Externe drietraps CV-pomp (primair circuit) (AC 230 V, max. 100 W) aansluiten

Afb. 43
De aansluiting LZ - NZ is als een ingebouwde CV-pomp geschakeld.
7 Inbedrijfname
7.1 Voor het in bedrijf nemen

Afb. 44 1 Aanvoerkraan buffervat 2 CV-retourkraan 3 Gaskraan in gesloten stand 4 CV-aanvoerkraan 5 Buffervatretourkraan 6 Warmtapwater 7 Koud water

OPMERKING: Inbedrijfstelling zonder water zal schade aan het toestel veroorzaken.
▶CV-installatie alleen met water gevuld gebruiken.
▶Buffervataanvoerkraan [1] en buffervatretourkraan [5] openen. ▶Open de radiatorventielen. ▶CV-aanvoerkraan [4] en cv-retourkraan [2] openen en cv-installatie tot 1 - 1,5 bar vullen en vulkraan sluiten. ▶Ontlucht de radiatoren. ▶CV-installatie opnieuw tot 1 tot 1,5 bar vullen. ▶ Externe koudwaterkraan openen en een warmwaterkraan zolang open houden tot water uittreedt. - Slang van ontluchtingsklep (→ afb. 45, [15]) in een vat (bijv. fles) leiden en ontluchtingsklep zolang openen, tot er water uitloopt.
▶Controleren of de gassoort overeenkomt met de gassoort op het typeplaatje. ▶Gaskraan [3] openen.

Afb. 45 Overzicht bedieningselementen
1 Hoofdschakelaar 2 Led voor branderwerking 3 Servicetoets voor de installateur (zie installatiehandleiding) 4 Schoorsteenvegertoets voor de installateur (zie installatiehandleiding) 5 Aanvoertemperatuur regelaar 6 Led voor branderwerking (constant branden)/storingen (knipperend) 7 Temperatuurregelaar voor warm water 8 Toetsen blokkering 9 eco-toets 10 Resettoets 11 Manometer 12 Display 13 Hier kan een weersafhankelijke regelaar of een schakelklok zijn ingebouwd (toebehoren) 14 Automatische ontluchter 15 Ontluchtingsventiel (oplaadboiler)
7.2 Toestel in/uitschakelen
Toestel inschakelen
▶Schakel de hoofdschakelaar in.
Het display toont de momentele aanvoertemperatuur van het cv-water.
De led voor branderwerking/storingen brandt constant, zolang de brander in bedrijf is.

Afb. 46

Bij de eerste keer inschakelen wordt het toestel eenmalig ontlucht. Daarvoor schakelt de cv-pomp in intervallen in en uit (ca. 4 minuten lang).
Het display toont afwisselend met de aanvoertemperatuur.
▶ Automatische ontluchter (→ afb. 45, [14], pagina 37) openen en na het ontluchten weer sluiten.

Wanneer op het display afwisselend met de aanvoertemperatuur verschijnt, dan is het sifonvulprogramma in werking (→ pagina 50).
Toestel uitschakelen
▶ Toestel via hoofdschakelaar uitschakelen. Het display gaat uit.
▶ Als het toestel langer buiten bedrijf moet worden gesteld: neem de vorstbeveiliging in acht (→ hoofdstuk 7.10).

Het toestel heeft een blokkeerbeveiliging voor de cv-pomp en de boilerlaadpomp van de oplaadboiler, die het vastlopen van de pompen na een langere bedrijfsonderbreking verhindert.
Bij uitgeschakeld toestel is er geen blokkeerbeveiliging.
7.3 Verwarming inschakelen
De maximale aanvoertemperatuur kan op de aanvoertemperatuurregelaar op de CV-installatie worden aangepast. De momentele aanvoertemperatuur wordt op het display getoond.
| Instelling aanvoer-temperatuurrege-laar | Aanvoer-temperatuur | Toepassingsvoor-beeld |
| 1 | c | a |
| 2 | c | a |
| 3 | c | a |
| 4 | c | a |
| 5 | c | a |
| 6 | c | awarming |
| max ca. 90 °C Convectorverwar- | ming | |
Tabel 13

Bij vloerverwarmingen de maximaal toegestane aanvoertemperatuur respecteren.
▶ Aanvoertemperatuurregelaar verdraaien, om de maximale aanvoertemperatuur in te stellen.

Afb. 47
Wanneer de brander in bedrijf is, brandt de lamp voor branderbedrijf.
7.4 Verwarmingsregeling (accessoire) instellen
Stel de verwarmingsregeling in overeenkomstig de instructies van de gebruikershandleiding.

Afb. 48
Maximale temperatuur buffervat (zonneboiler)
Om zo veel mogelijk zonne-energie te gebruiken:
Stel op de cv-regelaar de maximale temperatuur van het buffervat in op 90 °C.
Zonnesysteem instellen
Door de automatische systeemconfiguratie stelt de cv-regelaar het zonnesysteem 1. Standaardsysteem in. Het zonnesysteem 2. Verw.onderst. mag niet worden ingesteld.
7.5 Na de ingebruikneming
Controleer de gasvoordruk (→ pagina 56). Controleer op de condensslang of er condensaat uitloopt. Wanneer dit niet het geval is, schakel de hoofdschakelaar uit en weer in. Daardoor wordt het sifonvulprogramma (→ pagina 50) geactiveerd. Herhaal deze procedure eventueel meerdere keren totdat condenswater uitloopt. Vul het inbedrijfstellingsprotocol in (→ pagina 76). Plak de sticker “Instellingen van de Heatronic” zichtbaar op de mantel (→ pagina 44).
7.6 Debiet van de oplaadboiler begrenzen
Voor het best mogelijke gebruik van de boilercapaciteit en ter voorkoming van een vroegtijdige vermenging:
Begrens het debiet (→ pagina 20) extern (debietbegrenzer).
7.7 Warmwatertemperatuur instellen

Stel de temperatuur in normaal bedrijf niet hoger in dan 60 °C.
Stel de warmwatertemperatuur in op de warmwatertemperatuurregelaar.
In het display knippert de ingestelde warmwatertemperatuur gedurende ongeveer 30 seconden.

Afb. 49
Warmwatertemperatuurinstelling Warmwatertemperatuur
| min ca. 5 °C (vorstbeveiliging) | ||
| e | c | a |
| max ca. 70 °C | ||
Tabel 14
Water met een totale hardheid van meer dan 15 °dH (hardheidsklasse III)
Om verhoogde kalkafzetting te voorkomen: stel de tapwatertemperatuur lager dan 55 °C in.
7.8 Spaarbedrijf instellen (eco-toets)
De basisinstelling is de spaarfunctie; de eco-toets brandt niet.
Door het indrukken van de eco-toets kan worden gekozen tussen Spaarfunctie en Comfortbedrijf.
• Comfortbedrijf
De oplaadboiler wordt regelmatig op de ingestelde temperatuur gehouden. Daardoor is er een korte wachttijd bij een tapwatervraag.
• Spaarbedrijf
De oplaadboiler wordt niet op de ingestelde temperatuur gehouden. Daardoor is er een langere wachttijd bij een tapwatervraag.
- Bij opgeladen buffervat.
Een opwarming van de oplaadboiler tot de ingestelde temperatuur vindt pas plaats wanneer een tapwatertemperatuur van 45 °C niet meer wordt bereikt.
Dit maakt een maximale energiebesparing mogelijk door maximaal gebruik van het buffervat.
- Bij niet opgeladen buffervat.
Een opwarming van de oplaadboiler tot de ingestelde temperatuur vindt pas plaats wanneer tapwater wordt afgenomen.
7.9 Zomerbedrijf instellen
De cv-pomp en daarmee de verwarming is uitgeschakeld. De tapwatervoorziening en de voedingsspanning voor de cv-regeling en schakelklok blijven behouden.

OPMERKING: Bevriezingsgevaar cv-installatie. In zomerbedrijf alleen vorstbeveiliging van het toestel.
▶ Respecteer bij vorstgevaar de vorstbeveiliging (→ hoofdstuk 7.10).
▶ Noteer de stand van de aanvoertemperatuurregelaar. ▶ Draai de aanvoertemperatuurregelaar geheel naar links.

Afb. 50

Meer instructies vindt u in de bedieningshandleiding van de cv-regelaar.
7.10 Vorstbeveiliging instellen
Vorstbeveiliging voor de cv-installatie en het buffervat.
▶ Laat het toestel ingeschakeld en zet de aanvoertemperatuurregelaar minimaal op stand 1.

- of - Wanneer u het toestel uitgeschakeld wilt laten:
▶ Vorstbeschermend middel door het verwarmingswater mengen (→ pagina 20) en tapwatercircuit legen.

Meer instructies vindt u in het bedieningsvoorschrift van de cv-regelaar.
Vorstbeveiliging voor de oplaadboiler:
▶ Warmwater-temperatuurregelaar tot aan de linker aanslag draaien.

Afb. 52
7.11 Toetsenblokkering inschakelen
De toetsblokkering werkt voor de aanvoertemperatuurregelaar, de tapwater-temperatuurregelaar en alle toetsen behalve de hoofdschakelaar, schoorsteenvegertoets en reset-toets.
Toetsenblokkering inschakelen:
▶ Toets indrukken tot in het display afwisselend en de CV-aanvoertemperatuur wordt getoond.

Afb. 53
Toetsblokkering uitschakelen:
▶ Toets indrukken tot in het display alleen nog de CV-aanvoertemperatuur wordt getoond.
8 Thermische desinfectie uitvoeren
Om bij toestellen met boiler een bacteriële verontreiniging van het tapwater door bijv. legionella te voorkomen, adviseren wij, na langere stilstandtijd een thermische desinfectie uit te voeren.

Bij bepaalde cv-regelaars kan de thermische desinfectie op een vaste tijd worden geprogrammeerd, zie bedieningshandleiding van de cv-regelaar.
De thermische desinfectie omvat het tapwatersysteem inclusief de aftappunten.

WAARSCHUWING: Voor verbranding! Heet water kan zware brandwonden veroorzaken.
▶De thermische desinfectie alleen buiten de normale bedrijfstijden uitvoeren. ▶De boilerinhoud koelt na de thermische desinfectie door thermische verliezen slechts geleidelijk weer tot de ingestelde warmwatertemperatuur af. Daarom kan de warmwatertemperatuur gedurende enkele uren hoger zijn dan de ingestelde temperatuur.
▶Sluit de warmwateraftappunten. ▶Wijs de bewoners op verbrandingsgevaar. ▶Bij een verwarmingsregelaar met tapwaterprogramma tijd en tapwatertemperatuur overeenkomstig instellen. ▶Evt. aanwezige circulatiepomp op permanent bedrijf instellen. ▶Tapwater-temperatuurregelaar naar de rechter aanslag verdraaien (ca. 70 °C).

▶Wacht tot de maximale temperatuur is bereikt. ▶Opeenvolgend van het dichtstbij gelegen tapwateraftappunt tot aan het verst verwijderde net zolang tapwater afnemen, tot 3 minuten lang 70 °C heet water is uitgestroomd.
▶Tapwater-temperatuurregelaar, circulatiepomp en verwarmingsregelaar weer op normaal bedrijf instellen.
9 Blokkeerbeveiliging

Deze functie voorkomt het vastlopen van de cv-pomp, de boileroplaadpomp, de 3-wegmengklep en de 3-wegklep na een langere bedrijfspauze.
Na iedere uitschakeling volgt telkens een tijdmeting, om met regelmatige tussenpozen de cv-pomp, de boilerlaad-pomp, de 3-wegmengklep en de 3-wegklep kort in te schakelen.
10 Instellingen van de Heatronic
10.1 Algemeen
De Heatronic maakt het comfortabel instellen en controleren van vele toestelfuncties mogelijk.
U vindt een overzicht van de servicefuncties in hoofdstuk 10.2 op pagina 45.

Afb. 55 Overzicht bedieningselementen
1 Schoorsteenvegertoets 2 Serviceknop 3 Display 4 eco-toets, servicefuncties "naar boven" 5 Toetsblokkering, servicefuncties "naar beneden"
Servicefunctie kiezen
De servicefuncties zijn in twee niveaus onderverdeeld (→ tab. 15 en 16 op pagina 45).
▶ Servicetoets net zolang indrukken, tot deze gaat branden. Het display toont b.v. 1.A. (eerste serviceniveau). ▶ Eco-toets en toetsblokkering tegelijkertijd indrukken, tot b.v. 8.A verschijnt (tweede serviceniveau). ▶ Toetsblokkering of eco-toets indrukken tot de gewenste servicefunctie wordt getoond. ▶ Schoorsteenvegertoets indrukken en loslaten. De schoorsteenvegertoets brandt en het display toont het kengetal voor de gekozen servicefunctie.
Waarde instellen
▶ Toetsblokkering of eco-toets indrukken tot de gewenste waarde van de servicefunctie wordt getoond. ▶ Waarde op de meegeleverde sticker "instellingen van de Heatronic" invullen en de sticker zichtbaar op het toestel aanbrengen.

Met de sticker "Instellingen van de Heatronic" vergemakkelijkt u het later instellen van gewijzigde servicefuncties door de installateur.
| Instellen van de HeatronicServicefunctieWaarde | ||
Fabrikant installatie:
6 720 616 857 (2009/01)

BOSCH
Afb. 56
Waarde opslaan
▶ Schoorsteenvegertoets indrukken tot het display [] toont.
indrukken tot het display

Als gedurende 15 minuten geen enkele toets wordt bediend, dan wordt het serviceniveau automatisch verlaten.
Verlaten van de servicefunctie zonder waarden op te slaan
▶Schoorsteenvegertoets
kort indrukken.
De schoorsteenvegertoets ♀gaat uit.
Waarden naar de basisinstelling terugzetten
Om alle waarden van de serviceniveaus 1 en 2 naar de basisinstelling terug te zetten:
Kies in het tweede serviceniveau de servicefunctie 8.E en sla de waarde 00 op. Het toestel start met de basisinstelling.
10.2 Overzicht servicefuncties
10.2.1 Eerste serviceniveau (servicetoets met zo- lang indrukken, tot deze gaat branden).
| Servicefunctie | ||
| Display Pagina | ||
| 1.A Maximaal verwarmingsvermo-gen | 46 | |
| 1.b Maximale vermogen (tapwater) 46 | ||
| 1.C Pompinstelling 47 | ||
| 1.d Pompkarakteristiek 48 | ||
| 2.b Max. aanvoertemperatuur 48 | ||
| 2.C Ontluchtingsfunctie 48 | ||
| 2.d Thermische desinfectie 49 | ||
| 2.F Modus 49 | ||
| 3.A Automatisch antipendelpro-gramma | 49 | |
| 3.b Antipendeltijd | 49 | |
| 3.C Schakelverschil | 49 | |
| 3.d Minimale nominale warmtever-mogen (verwarming en tapwa-ter) | 49 | |
| 3.E Geen functie | 49 | |
| 3.F Geen functie | 49 | |
| 4.b Maximale warmhoudtempera-tuur van de warmtewisselaar | 49 | |
| 4.d Waarschuwingstoon | 50 | |
| 4.F Sifonvulprogramma | 50 | |
| 5.A Inspectie-interval resetten | 50 | |
| 5.b Ventilatornadraaitijd | 50 | |
| 5.C Schakelklok kanaal instellen | 50 | |
| 5.E Aansluiting NP - LP | 50 | |
| 5.F Inspectieinterval instellen | 50 | |
| 6.A Laatste storing | 50 | |
| 6.b Actuele spanning klem 2 | 51 | |
| 6.C Door verwarmingsregelaar ge-vraagde aanvoertemperatuur | 51 | |
| 6.d Geen functie | 51 | |
| 6.E Schakelklok ingang | 51 | |
Tabel 15Servicefuncties 1e niveau
| Servicefunctie | |
| Display Pagina | |
| 7.A Lamp voor branderwerking/storingen | 51 |
| 7.b 3-wegklep in middenpositie zetten | 51 |
| 7.d Aansluiting externe aanvoer-temperatuursensor (b.v. open verdeler) | 51 |
| 7.E Gebouwdroogfunctie | 51 |
| 7.F Configuratie van de klemmen 1-2-4 | 51 |
| 0.C Handmatig bedrijf van de 3-wegmengklep | 52 |
Tabel 15Servicefuncties 1e niveau
10.2.2 Tweede serviceniveau vanuit het eerste servicenivieu, servicetoets brand (eco-toets en toetsblokkering tegelijkertijd indrukken, tot bijv. 8.A verschijnt)
| Servicefunctie | ||
| Display Pagina | ||
| 8.A | Softwareversie 52 | |
| 8.b Codeerstekker nummer | 52 | |
| 8.C | GFA-status | 52 |
| 8.d GFA-storing | 52 | |
| 8.E | Toestel naar basisinstelling te-rugzetten | 52 |
| 8.F Permanente ontsteking | 53 | |
| 9.A | Bedrijfssoort permanent | 53 |
| 9.b | Actuele toerental ventilator | 53 |
| 9.C | Actuele verwarmingsvermogen | 53 |
| 9.d | Starttoerental 1 instellen | 53 |
| 9.E Geen functie | 53 | |
| 9.F Nadraaitijd CV-pomp | 53 | |
| C.d | Actuele warmtevraag | 53 |
| C.E | Aantal pompcycli van de circu-latiepomp | 53 |
| d.A | Temperatuur in buffervat | 53 |
Tabel 16Servicefuncties 2e niveau
10.3 Beschrijving van de servicefuncties
10.3.1 Eerste serviceniveau
Servicefunctie 1.A: cv-vermogen
Het verwarmingsvermogen kan in procenten tussen het minimale nominale warmtevermogen en het maximale nominale warmtevermogen op het gewenste vermogen worden ingesteld.

Ook bij begrensd cv-vermogen staat bij de tapwaterbereiding het maximale nominale warmtevermogen ter beschikking.
Basisinstelling is het maximale nominale warmtevermogen:
Toesteltype Indicatie in de display
30 HRC II HRVS 75 84
Tabel 17
▶Servicefunctie 1.A kiezen. ▶Verwarmingsvermogen in kW en bijbehorende kengetal uit de insteltabellen aflezen (→ pagina 75). ▶Kengetal instellen. ▶Gasdebiet meten en met de specificaties van het getoonde kengetal vergelijken. Bij afwijkingen kengetal corrigeren. ▶Kengetal opslaan. ▶Ingestelde cv-vermogen op de sticker “Instellingen van de Heatronic” invullen (→ pagina 44). ▶Servicefuncties verlaten. Het display toont weer de aanvoertemperatuur.
Servicefunctie 1.b: tapwatervermogen
Het tapwatervermogen kan worden ingesteld tussen minimaal nominaal warmtevermogen en maximaal nominaal warmtevermogen tapwater op het overdrachtsvermogen van de oplaadboiler.
Basisinstelling is het maximale nominale warmtevermogen tapwater: U0.
▶Servicefunctie 1.b kiezen. ▶Tapwatervermogen in kW en bijbehorende kengetal zijn te vinden in de insteltabellen (→ pagina 75). ▶Kengetal instellen. ▶Gasdebiet meten en met de specificaties van het getoonde kengetal vergelijken. Bij afwijkingen kengetal corrigeren. ▶Kengetal opslaan. ▶Ingestelde tapwatervermogen op de aanwezige sticker “Instellen van de Heatronic” invullen (→ pagina 44). ▶Servicefuncties verlaten. Het display toont weer de aanvoertemperatuur.
Servicefunctie 1.C: pompinstelling
De pompinstelling geeft aan, hoe de CV-pomp wordt geregeld. De CV-pomp schakelt daarbij zodanig, dat de gekozen pompinstelling wordt aangehouden.
Een verandering van de pompinstelling is zinvol, wanneer een lagere resterende opvoerhoogte voldoende is, om de benodigde circulatiewaterhoeveelheid te waarborgen.

▶Lage pompkarakteristiek instellen, om zo veel mogelijk energie te besparen en eventuele doorstroomgeluiden te minimaliseren.
Als pompinstelling kan gekozen worden:
- 0 pompkarakteristiek instelbaar, servicefunctie 1.d (→ pagina 48)
• 1 constante druk hoog • 2 constante druk gemiddeld • 3 constante druk laag • 4 proportionele druk hoog • 5 proportionele druk laag
Afb. 57 Constante druk - toestel met buffervat SP400SHU en aansluitset accessoire Nr. 1463
Legenda bij afb. 57 t/m 60:
1-5 Pompinstelling
H Restopvoerhoogte
V̇ Circulatiewaterhoeveelheid

Afb. 58 Constante druk - toestel zonder buffervat en leidingwerk

Afb. 59 Proportionele druk - toestel met buffervat SP400SHU en aansluitset accessoire Nr. 1463

Afb. 60 Proportionele druk - toestel zonder buffervat en leidingwerk
Servicefunctie 1.d: pompkarakteristiek
Deze servicefunctie komt overeen met de schakelaar pomptoerental en is alleen actief, wanneer bij pompinstelling (servicefunctie 1.C) 0 is gekozen.
Afb. 61 Pompkarakteristiek - toestel met buffervat SP400SHU en aansluitset accessoire Nr. 1463

Afb. 62 Pompkarakteristiek - toestel zonder buffervat en leidingwerk
Legenda bij afb. 61 en 62:
1-8 Pompkarakteristiek
H Restopvoerhoogte
v Circulatiewaterhoeveelheid
Servicefunctie 2.b: maximale aanvoertemperatuur
De maximale aanvoertemperatuur kan tussen 35 °C en 88 °C worden ingesteld.
Servicefunctie 2.c: ontluchtingsfunctie

Bij de eerste keer inschakelen wordt het toestel eenmalig ontlucht. Daarvoor schakelt de cv-pomp in intervallen aan en uit (ca. 4 minuten lang).
Het display toont afwisselend met de aanvoertemperatuur.

Na onderhoud kan de ontluchtingsfunctie worden ingeschakeld.
Mogelijke instellingen zijn:
• 0: Ontluchtingsfunctie uit
- 1: De ontluchtingsfunctie is ingeschakeld en wordt na afloop automatisch weer op 0 teruggezet
- 2: De ontluchtingsfunctie is continu ingeschakeld en wordt niet op 0 teruggezet
Servicefunctie 2.d: thermische desinfectie (legionella-bescherming)
Bij activeren van deze servicefunctie wordt het tapwater permanent op ca. 75 °C verwarmd, wanneer de tapwatertemperatuurregelaar op de rechter aanslag staat.
▶De maximale uitstroomhoeveelheid instellen op 5 l/min.

WAARSCHUWING: Er bestaat gevaar voor verbranding!
Heet water kan zware brandwonden veroorzaken.
▶De thermische desinfectie alleen buiten de normale bedrijfstijden uitvoeren.
Mogelijke instellingen zijn:
•00: thermische desinfectie niet actief
•01: thermische desinfectie actief
Basisinstelling is 00 (niet actief).
Servicefunctie 2.F: modus
Met deze servicefunctie kunt u de bedrijfsmodus van het toestel tijdelijk veranderen.
Mogelijke instellingen zijn:
- 00: normaal bedrijf; het toestel werkt volgens de instelling van de regelaar. -01: het toestel draait 15 minuten met minimaal vermogen. -02: het toestel draait 15 minuten lang met maximaal vermogen.
Bij het verlaten van deze servicefunctie wordt automatisch weer de waarde 00 opgeslagen.
Servicefunctie 3.A: automatisch antipendelprogramma
Met de servicefunctie 3.A kan bij aansluiting van een weersafhankelijke regelaar de automatische aanpassing van het antipendelprogramma worden ingeschakeld.
Bij uitgeschakelde aanpassing van het antipendelprogramma moet de antipendeltijd met servicefunctie 3.b worden ingesteld (→ pagina 49).
Mogelijke instellingen zijn:
• 00: uit
• 01: aan
Basisinstelling is 00 (uitgeschakeld).
Servicefunctie 3.b: antipendeltijd
Alleen wanneer het automatische antipendelprogramma (servicefunctie 3.A) is uitgeschakeld, is deze servicefunctie actief.
De antipendeltijd kan worden ingesteld van 00 t/m 15 (0 tot 15 minuten).
Basisinstelling is 3 minuten.
Bij 00 hangt het herinschakelen af van het ingestelde schakelverschil (servicefunctie 3.C).
De kortste schakelafstand bedraagt 1 minuut (geadviseerd bij eenpijp- en luchtverwarmingssystemen).
Servicefunctie 3.C: schakelverschil
Alleen wanneer de automatische schakelblokkering (servicefunctie 3.A) is uitgeschakeld, is deze servicefunctie actief.
Het schakeldifferentie is de toegestane afwijking van de gewenste aanvoertemperatuur. Deze kan in stappen van 1 K worden ingesteld. De minimale aanvoertemperatuur is 35 °C.
Het schakelverschil kan van 0 tot 30 K worden ingesteld.
Servicefunctie 3.d: minimaal nominaal warmtevermogen (verwarming en tapwater).
Het cv- en het tapwatervermogen kan in procenten op iedere willekeurige waarde tussen het minimale en maximale nominale warmtevermogen worden ingesteld. De instelling volgt als bij servicefunctie 1.A.
Servicefunctie 3.E: zonder functie
Servicefunctie 3.F: zonder functie
Servicefunctie 4.b: maximale warmhoudtemperatuur van de warmtewisselaar.
De maximale warmhoudtemperatuur van de warmtewisselaar kan worden ingesteld tussen 40 en 65 (40 °C tot 65 °C).
Basisinstelling is 60 (60 °C).
Servicefunctie 4.d: waarschuwingstoon
Bij een storing klinkt een waarschuwingstoon. Met servicefunctie 4.d kan de waarschuwingstoon worden uitgeschakeld.
De basisinstelling is 01 (ingeschakeld).
Servicefunctie 4.F: sifonvulprogramma
Het sifonvulprogramma zorgt ervoor dat de condenssifon na de installatie of na langdurige stilstand van het toestel gevuld wordt.
Het sifonprogramma wordt geactiveerd, wanneer:
- het toestel via de hoofdschakelaar wordt ingeschakeld
- de brander minimaal 28 dagen niet in bedrijf was.
- er wordt overgeschakeld tussen zomer- en winterstand
Bij de volgende warmtevraag voor CV- of boilerbedrijf wordt het toestel gedurende 15 minuten op laag warmtevermogen gehouden. Het sifonvulprogramma blijft net zolang actief, tot de 15 minuten op laag warmtevermogen zijn afgelopen. Op het display verschijnt afwisselend met de aanvoertemperatuur.
Basisinstelling is 01: sifonvulprogramma met minimaal verwarmingsvermogen.
Kengetal 02: sifonvulprogramma met laagste ingestelde verwarmingsvermogen.
Kengetal 00: sifonprogramma is uitgeschakeld.

GEVAAR: Bij niet gevulde condenswatersifon kan rookgas ontsnappen!
▶Sifonvulprogramma alleen voor onderhoud uitschakelen. ▶Sifonvulprogramma na afloop van het onderhoud weer inschakelen.
Servicefunctie 5.A: inspectie-interval resetten
Met deze servicefunctie kunt u na een inspectie/onderhoud de aanwijzing op het display resetten, zie ook servicefunctie 5.F.
Instelling 00.
Servicefunctie 5.b: ventilatornadraaitijd
Met deze servicefunctie kunt u de ventilatornadraaitijd instellen.
De nadraaitijd kan worden ingesteld van 01 t/m 18 (10 - 180 seconden).
Servicefunctie 5.C: gebruik van het kanaal bij een 1-kanaals schakelklok veranderen
Met deze servicefunctie kunt u het gebruik van het kanaal veranderen van verwarming naar warm water.
Mogelijke instellingen zijn:
•0: 2-kanaals (verwarming en warm water) •1: 1-kanaals verwarming •2: 1-kanaals warm water
Met servicefunctie 5.E: aansluiting NP - LP instellen
Met deze servicefunctie kunt u de aansluiting NP - LP instellen.
Mogelijke instellingen zijn:
•00: uit •01: circulatiepomp •02: externe cv-pomp in ongemengd cv-circuit
Servicefunctie 5.F: inspectie-interval instellen
Met deze servicefunctie kunt u het aantal maanden instellen waarna in het display In (inspectie) afwisselend met de aanvoertemperatuur moet worden weergegeven.
Het aantal maanden kan van 00 - 72 (0 tot 72 maanden) worden ingesteld.
Basisinstelling is 00 (niet actief).

Wanneer in het display U0 verschijnt, dan werd deze functie al op de regelaar ingesteld.
Servicefunctie 6.A: laatst opgeslagen storing oproepen
Met deze servicefunctie kunt u de laatst opgeslagen storingscode oproepen.
Bij 00 wordt de servicefunctie gereset.
Servicefunctie 6.b: spanning klem 2
De actuele spanning op klem 2 wordt getoond.
Mogelijke weergaven zijn:
• 00 - 24: 0 V tot 24 V in stappen van 1 V
Servicefunctie 6.C: door verwarmingsregelaar gevraagde aanvoertemperatuur
Met deze servicefunctie kunt u de door de verwarmingsregelaar gevraagde aanvoertemperatuur bekijken.
Servicefunctie 6.d: zonder functie
Servicefunctie 6.E: schakelklok ingang
Het linker cijfer toont de actuele status van de verwarming.
De cv-modus wordt conform de instellingen van de schakelklok geactiveerd.
Het rechter cijfer toont de actuele status van het tapwater.
De tapwatermodus wordt conform de instellingen van de schakelklok geactiveerd.
Mogelijke weergaven zijn:
- 00: verwarming niet actief, tapwater niet actief.
- 01: verwarming niet actief, tapwater actief.
•10: verwarming actief, tapwater niet actief.
•11: verwarming actief, tapwater actief.
Servicefunctie 7.A: lamp voor branderwerking/storingen
Bij ingeschakeld toestel brandt de lamp voor branderwerking/storingen constant, zolang de brander in bedrijf is. Met de servicefunctie 7.A kunt u de weergave van de branderwerking uitschakelen; een storing wordt nog steeds via knipperen weergegeven.
Basisinstelling is 01 (ingeschakeld).
Servicefunctie 7.b: 3-wegklep in middenpositie zetten
Na het opslaan van de waarde 01 gaat de 3-wegklep naar de middenpositie. Daardoor wordt het volledig aftappen van het systeem en de eenvoudige demontage van de motor gewaarborgd.
Bij het verlaten van de instellingen wordt automatisch weer de waarde 00 opgeslagen.
Servicefunctie 7.d: aansluiting externe temperatuursensor bijv. hydraulische evenwichtscollector
Vanuit de basisinstelling wordt de aansluiting automatisch eenmalig herkend, u hoeft niets in te stellen.

Wanneer een aangesloten aanvoertemperatuursensor weer wordt losgemaakt, dan moet u deze servicefunctie weer op 00 instellen.
Mogelijke instellingen zijn:
•00: eenmalige automatische aansluitherkenning
•01: instelling niet mogelijk
-02: aansluiting externe aanvoertemperatuursensor op IPM1 of IPM2.
Servicefunctie 7.E: gebouwdroogfunctie
Met deze servicefunctie wordt de gebouwdroogfunctie in- of uitgeschakeld.

De gebouwdroogfunctie van het toestel niet verwisselen met de afwerkvloerdroogfunctie (dry function) van de weersafhankelijke regelaar.

Bij ingeschakelde gebouwdroogfunctie is gasinstelling op het toestel niet mogelijk!
Mogelijke instellingen zijn:
• 00: uitgeschakeld
• 01: alleen cv-bedrijf volgens toestel- of thermostaatinstelling, d.w.z. alle andere warmtevragen zijn geblokkeerd.
Servicefunctie 7.F: configuratie van de klemmen 1-2-4
Met deze servicefunctie kan de ingangsspanning van de klemmen 1-2-4 worden ingesteld.
Mogelijke instellingen zijn:
• 00: ingang uitgeschakeld
• 01: 0-24 V ingang, vermogensinstelling
• 02: 0-10 V ingang, vermogensinstelling
• 03: 0-10 V ingang, temperatuurinstelling
Servicefunctie 0.C: handmatig bedrijf van de 3-wegmengklep
Mogelijke instellingen zijn:
• 00: normaal bedrijf • 01: buffervat open • 02: middenstand • 03: buffervat gesloten
Bij het verlaten van deze servicefunctie wordt automatisch weer de waarde 00 opgeslagen.
10.3.2 Tweede serviceniveau
Servicefunctie 8.A: softwareversie
De actuele softwareversie wordt getoond.
Servicefunctie 8.b: codeerstekkernummer

De laatste vier posities van de codeerstekker worden getoond.
De codeerstekker bepaalt de toestelfuncties. Wanneer het toestel van aardgas naar vloeibaar gas is omgebouwd (of omgekeerd), dan moet de codeerstekker worden vervangen.
Servicefunctie 8.C: GFA-status
Interne parameter.
Servicefunctie 8.d: GFA-storing
Interne parameter.
Servicefunctie 8.E: toestel (Heatronic 3) naar basisinstelling terugzetten
Met deze servicefunctie kunt u het toestel naar de basisinstelling resetten. Alle gewijzigde servicefuncties worden naar de basisinstelling teruggezet.
Druk de servicetoets net zo lang in tot deze gaat branden. Het display toont bijvoorbeeld 1.A. Druk de eco-toets en toetsblokkering tegelijkertijd in tot bijvoorbeeld 8.A verschijnt. Kies met de eco-toets of toetsblokkering de servicefunctie 8.E. Druk de schoorsteenvegertoets in en laat deze los. De schoorsteenvegertoets gaat dicht en het display toont 00. Druk de schoorsteenvegertoets in tot het display [] toont. Alle instellingen worden teruggezet en het toestel start weer met de basisinstelling. Stel de ingestelde servicefuncties conform de sticker "Instellingen van de Heatronic" weer in.
Servicefunctie 8.F: permanente ontsteking

OPMERKING: Beschadiging van de ontstekingstransformator mogelijk!
Laat de functie niet langer dan 2 minuten ingeschakeld.
Met deze functie is permanente ontsteking zonder gastoevoer mogelijk, om de ontsteking te testen.
Mogelijke instellingen zijn:
• 00: uit
• 01: aan
Servicefunctie 9.A: bedrijfssoort permanent
Deze functie stelt een bedrijfsmodus (00, 01 en 02 → Servicefunctie 2.F: modus, pagina 49) permanent in. De waarden 03 en 06 hebben alleen-lezen status.
Servicefunctie 9.b: actuele ventilatortoerental
Met deze servicefunctie wordt het actuele ventilatortoerental (in 1/s) getoond.
Servicefunctie 9.C: actuele verwarmingsvermogen
Met deze servicefunctie wordt het actuele cv-vermogen van het toestel weergegeven (in procenten (%).
Servicefuncties 9.d: starttoerental 1 instellen
Het starttoerental 1 kan van 45 tot 77 Hz worden ingesteld.
Basisinstelling voor aardgas 48 en bij vloeibaar gas 50.
Servicefunctie 9.E: zonder functie
Servicefunctie 9.F: nadraaitijd cv-pomp (verwarming)
Met deze servicefunctie kan de pompnadraaitijd na afloop van een warmtevraag worden ingesteld.
De pompnadraaitijd kan van 01 t/m 10 (1 tot 10 minuten) worden ingesteld in stappen van 1 minuut.
Basisinstelling is 03 (3 minuten).
Servicefunctie C.d: actuele warmtevraag
Mogelijke weergaven zijn:
•00: geen warmtevraag •01: warmtevraag verwarming •02: warmtevraag tapwater
Servicefunctie C.E: aantal pompcycli van de circulatiepomp
Met deze servicefunctie kunt u instellen hoe vaak de circulatiepomp in een uur gedurende 3 minuten draait.
Het aantal pompcycli kan van 01 tot 06 (een tot zes keer gedurende 3 minuten per uur) worden ingesteld.
Bij de instelling 07 draait de circulatiepomp constant.
Basisinstelling is 03 (driemaal per uur gedurende telkens 3 minuten).

Wanneer een thermostaat met circulatie-pompprogramma is aangesloten, dan wordt de circulatiepomp door de thermostaat aangestuurd.
Servicefunctie d.A: temperatuur in buffervat
Met deze servicefunctie kunt u de temperatuur in °C via de boilertemperatuursensor van de buffervat laten weergeven.
11 Aanpassing aan het soort gas
De basisinstelling van de aardgastoestellen komt overeen met 2L (G25).
De gas-lucht-verhouding mag alleen via een CO2- of O2-meting bij maximaal nominaal warmtevermogen en minimaal nominaal warmtevermogen, met een elektronisch meetinstrument, worden ingesteld.
Een afstemming met verschillende rookgastoebehoren via diafragma's en stuwplaten is niet nodig.
Aardgas
- Toestellen van de aardgasgroep 2L (G25) zijn in de fabriek op wobbe-index 12,2 kWh/m³ en 25 mbar aansluitdruk ingesteld en met lood verzegeld.
11.1 Gaszijdig ombouwen
De volgende gassoort-ombouwsets zijn leverbaar:
| Toestel | Ombouwnaar | Bestelnr. |
| 30 HRC II HRVS 75 | Vloeibaargas | 8 737 703 442 0 |
| Aardgas | 8 737 703 465 0 |
Tabel 18
![]() | GEVAAR: gasexplosie.►Sluit de gaskraan voordat aan gasvoerende delen wordt gewerkt.►Controleer na werkzaamheden alle gasvoerende delen op dichtheid. |
▶ Ombouwset volgens bijgevoegde inbouwaanwijzing inbouwen. ▶ Na iedere ombouw gas-lucht-verhouding (CO2 of O2) instellen (→ hoofdstuk 11.2).
11.2 Gas-lucht-verhouding (CO2 of O2) instellen
▶ Toestel via hoofdschakelaar uitschakelen. ▶ Mantel wegnemen (→ pagina 25). ▶ Schakel de hoofdschakelaar in. ▶ Plug op rookgasmeetpunt verwijderen. ▶ Rookgassonde ca. 85 mm in de rookgasmeetnippel schuiven en meetpunt afdichten.

▶ De schoorsteenvegertoets ingedrukt houden tot het lampje brandt. Het display geeft de aanvoertemperatuur weer, afgewisseld met het maximale ingestelde CV-vermogen. ▶ De schoorsteenvegertoets kort indrukken. Het display geeft de aanvoertemperatuur weer, afgewisseld met het maximale CV-vermogen. ▶ O₂- of CO₂-waarde meten.
▶ Verzegeling van de gassmoering verbreken en verwijderen.

Afb. 64
▶ Op de gassmoering de CO₂- of O₂-waarde voor het maximale nominale warmtevermogen conform tabel instellen.

Afb. 65
| Gasoort CO | Max. nominale warmtevermogen | Min. nominale warmtevermogen | ||
| 2 | O2 | CO2 | O2 | |
| aardgas2L | 9,4 | % | 4,0 % | 8,6 % 5,5 % |
| Vloeibaar gas (propaan) | 10,8 % | 4,6 % 10,5 % | 5,0 % | |
Tabel 19
▶ De schoorsteenvegertoets kort indrukken. Het display toont de aanvoertemperatuur, afgewisseld met het minimale nominale warmtevermogen. ▶ O₂- of CO₂-waarde meten.
Zegel op de instelschroef van het gasblok verwijderen en CO₂- en O₂-waarde voor het minimale nominale warmtevermogen instellen.

Afb. 66
▶ Controleer de instelling bij maximaal nominaal warmtevermogen en minimaal nominaal warmtevermogen en verander de instelling indien nodig. ▶ De schoorsteenvegertoets ingedrukt houden tot deze niet meer brandt. Het display toont weer de aanvoertemperatuur. ▶ CO₂- en O₂-waarde in het inbedrijfnameprotocol invullen. ▶ Rookgassonde uit het rookgasmeetpunt halen en plug monteren. ▶ Gasblok en gassmoering verzegelen.
11.3 Dynamische gasaansluitdruk controleren
▶ Ketel uitschakelen en gaskraan sluiten. ▶ Schroef op meetpunt voor gasvoordruk losmaken en drukmeetinstrument aansluiten.

Afb. 67
▶ Gaskraan openen en toestel inschakelen. ▶ De schoorsteenvegertoets ingedrukt houden tot het lampje brandt.
Het display geeft de aanvoertemperatuur weer, afgewisseld met het maximale ingestelde CV-vermogen.
Druk de schoorsteenveger toets kort in. Het display toont de aanvoertemperatuur afgewisseld met het maximale CV-vermogen. Controleer de vereiste voordruk volgens de tabel.
| Gassoort | Nomina-le druk[mbar] | Toegestane drukbereik bij maximaal nominaal warmtevermogen[mbar] |
| Aardgas 2L 25 20 - 30 | ||
| Vloeibaar gas(propaan) | 30 of 50 | 25 - 57,5 |
Tabel 20

Onder of boven deze waarden mag geen inbedrijfstelling plaatsvinden. Bepaal de oorzaak en los de storing op. Wanneer dit niet mogelijk is, het toestel aan de gaszijde afsluiten en het gasbedrijf informeren.
Houd de schoorsteenveger toets ingedrukt tot deze niet meer brandt. Het display toont weer de aanvoertemperatuur. Schakel het toestel uit, sluit de gaskraan, verwijder het drukmeetinstrument en schroef de schroef vast. Monteer de omkasting weer.
12 Rookgasverliesmeting
Rookgasafvoercontrole
De controle van het rookgastraject omvat controle van de rookgasafvoer en een CO-meting.
- Controle van de rookgasafvoer (→ hoofdstuk 12.2) • CO-meting (→ hoofdstuk 12.3)
12.1 Schoorsteenvegertoets
Door indrukken van de schoorsteenvegertoets ⚡ tot deze gaat branden kunnen de volgende instellingen worden uitgevoerd:

Afb. 68
• = maximaal ingestelde verwarmingsvermogen • = maximale nominale warmtevermogen • = minimale nominale warmtevermogen
U heeft 15 minuten tijd om de waarde te meten. Daarna schakelt het toestel weer terug naar normaal bedrijf.
12.2 Dichtheidstest rookgaskanaal
O₂- of CO₂-meting van de luchttoevoer.
Voor de meting een ringspleetrookgassonde gebruiken.

Met een O₂- of CO₂-meting van de luchttoevoer kan bij een rookgasafvoersysteem conform C₁₃, C₃₃, C₄₃ en C₉₃ de dichtheid van het rookgasafvoersysteem worden gecontroleerd. De O₂-waarde mag niet lager zijn dan 20,6 %. De CO₂-waarde mag niet meer dan 0,2 % bedragen.
▶ Plug op het verbrandingsluchtmeetpunt [2] verwijderen (→ afb. 69). ▶ Rookgassonde in de nippel schuiven en meetpunt afdichten. ▶ Met de schoorsteenvegertoets ≈ maximale nominale warmtevermogen kiezen.

Afb. 69
▶ O₂- en CO₂-waarde meten. ▶ Plug weer monteren.
Voor de meting een meergas-rookgassonde gebruiken.
▶ Afsluitplug op rookgasmeetpunt (1) verwijderen (→ afb. 69). ▶ Rookgassonde tot aan de aanslag in de nippel schuiven en meetpunt afdichten. ▶ Met de schoorsteenvegertoets ≈ maximale nominale warmtevermogen kiezen. ▶ CO-waarden meten. ▶ Schoorsteenvegertoets zo vaak indrukken, tot deze niet meer brandt. Het display toont weer de aanvoertemperatuur. ▶ Afsluitplug weer monteren.
13 Milieubescherming/afval
Milieubescherming is een belangrijk beginsel van Bosch. Kwaliteit van de producten, spaarzaamheid en milieubescherming zijn voor ons doelen die even belangrijk zijn. Wetten en voorschriften ten aanzien van de milieubescherming worden strikt in acht genomen.
Ter bescherming van het milieu passen wij met inachtneming van economische gezichtspunten de best mogelijke techniek en materialen toe.
Verpakking
Wat betreft de verpakking nemen wij deel aan de recyclingssystemen in de verschillende landen, die een optimale recyclage waarborgen.
Alle gebruikte verpakkingsmaterialen zijn onschadelijk voor het milieu en kunnen worden gerecycled.
Oud toestel
Oude toestellen bevatten waardevolle stoffen die moeten worden gerecycleerd.
De componenten kunnen gemakkelijk worden gescheiden en de kunststoffen zijn gekenmerkt. Daardoor kunnen de verschillende componenten worden gesorteerd en gerecycleerd resp. afgevoerd.
14 Inspectie en onderhoud
Om het gasverbruik en de milieubelasting gedurende lange tijd zo laag mogelijk te houden, adviseren wij om bij een erkend installatiebedrijf een inspectie- en onderhoudscontract met jaarlijkse inspectie en onderhoud naar behoefte af te sluiten.

GEVAAR: gasexplosie.
▶ Sluit de gaskraan voordat aan gasvoerende delen wordt gewerkt. ▶ Controleer na werkzaamheden alle gasvoerende delen op dichtheid.

GEVAAR: Door vergiftiging!
▶ Controleer na werkzaamheden alle rookgasvoerende delen op dichtheid.

GEVAAR: Door elektrocutie!
▶ Voor werkzaamheden aan het elektrische deel de voedingsspanning (230 V AC) onderbreken (zekering, vermogensautomaat) en beveiligen tegen onbedoeld herinschakelen.

Heet water kan zware brandwonden veroorzaken.
▶ Laat het cv-toestel leeglopen voordat aan watervoerende delen wordt gewerkt.

OPMERKING: Uittredend water kan de Heatronic beschadigen.
▶ Heatronic afdekken voordat werkzaamheden aan de watertransporterende onderdelen worden uitgevoerd.
Belangrijke opmerkingen

Een overzicht van de storingen vindt u vanaf pagina 70.
- De volgende meetapparaten zijn nodig: - Elektronisch rookgasmeetinstrument voor CO2, O2, CO en rookgastemperatuur - Drukmeetapparaat 0 - 30 mbar (resolutie minstens 0,1 mbar) - Stroommeetinstrument
▶ Gebruik alleen originele onderdelen!
▶ Reserve-onderdelen aanvragen aan de hand van de reserve-onderdelencatalogus.
▶ Vervang verwijderde afdichtingen en O-ringen door nieuwe onderdelen.
Na de inspectie of het onderhoud
▶ Alle losgedraaide schroefverbindingen natrekken. ▶ Toestel weer in bedrijf nemen (→ pagina 36). ▶ (Gas) Koppelingen op dichtheid controleren. ▶ Gas-lucht-verhouding controleren en evt. instellen (→ pagina 55).
14.1 Beschrijving van de procedure
14.1.1 Laatst opgeslagen storing oproepen (service-functie 6.A)
▶ Servicefunctie 6.A selecteren (→ pagina 50).

Een overzicht van de mogelijke storingen vindt u op pagina 70.
14.1.2 Warmtewisselaar, brander en elektroden controleren
Gebruik voor de reiniging van het warmtewisselaar het toebehorennr. 1156, bestaande uit borstel en uittilgereedschap.
▶ Stuurdruk bij maximaal nominaal warmtevermogen op de mengkamer controleren.

Toestel Stuurdruk Reiniging?
| 30 HRC II HRVS 75 | ≥ 3,5 mbar | Nee |
| < 3,5 mbar | Ja |
Tabel 21
Wanneer een reiniging nodig is:
▶Aanzuigbuis demonteren.
▶Mengkamer demonteren.

Afb. 71
Kabel van de ontstekings- en bewakingselektrode lostrekken. ▶Moer voor de bevestiging van de ventilatorplaat afschroeven en ventilator wegnemen.

Afb. 72
▶Elektrodenset met pakking wegnemen en elektroden op vervuiling controleren, eventueel reinigen of vervangen.
▶Brander eruit nemen.

WAARSCHUWING: Gevaar voor verbranding!
De verdringingslichamen kunnen ook na langere stilstand van de ketel nog zeer heet zijn.
▶Verdringingslichaam met vochtige doek koelen.
▶Bovenste verdringingslichaam uitnemen. ▶Onderste verdringingslichaam met uittilgereedschap uitnemen.
▶Beide verdringingslichamen indien nodig reinigen.

Met een zaklamp en een spiegel kan het warmteblok worden gecontroleerd.

-links en rechts draaiend
- van boven naar beneden tot de aanslag
▶ Schroeven op het deksel van de inspectie-opening verwijderen en deksel afnemen.

Afb. 76
▶ Restanten wegzuigen en inspectie-opening weer sluiten. ▶ Verdringingslichamen weer plaatsen. - Condenssifon demonteren (→ afb. 11.2) en geschikte opvangbak daaronder plaatsen.
▶ Warmtewisselaar van boven met water spoelen.

Afb. 77
▶ Inspectie-opening weer openen en condensaatbak en condensaataansluiting reinigen. ▶ Onderdelen in omgekeerde volgorde met nieuwe branderafdichting weer monteren. ▶ Stel de gas/lucht-verhouding in (→ pagina 55).
14.1.3 Condenssifon reinigen
▶ Trek de condenswatersifon naar buiten en controleer de opening naar de warmtewisselaar op verstoppingen.

Afb. 78
▶ Verwijder het deksel van de condenswatersifon en reinig het. ▶ Condens slang controleren en evt. reinigen. ▶ Condenssifon met ca. 1/4 L water vullen en weer monteren.
14.1.4 Membraan (rookgasterugstroombeveiliging) in de mengkamer controleren
▶ Mengkamer conform afb. 71 demonteren. ▶ Membraan controleren op vervuiling en scheuren.

14.1.5 Vuldruk van de verwarmingsinstallatie instellen

OPMERKING: Het toestel kan beschadigd raken!
Bij het bijvullen van cv-water kunnen spanningsscheuren in het hete warmtewisselaar ontstaan.
▶Vul cv-water alleen bij in een koud toestel.
Aanduiding op manometer
1 bar Minimale vuldruk (bij koude installatie)
1 - 1,5 bar Optimale vuldruk
3 bar Maximale vuldruk bij hoogste temperatuur van verwarmingswater: mag niet worden overschreden (overstort opent).
Tabel 22
▶Wanneer de wijzer onder 1 bar staat (bij koude installatie): water bijvullen, tot de wijzer weer tussen 1 bar en 1,5 bar staat.

Voor het navullen de slang met water vullen. Daardoor wordt voorkomen, dat lucht in het CV-water terecht komt.
- Als de druk niet constant blijft: verwarmingsinstallatie en indien nodig expansievat op lekkage controleren.
14.1.6 Opofferingsanode controleren
De magnesiumanode vormt een minimumbescherming voor eventuele fouten in het email.
Verwaarlozen van de anode kan vroegtijdige corrosieschade tot gevolg hebben.
▶Kabel van de anode naar de oplaadboiler verwijderen.

Na de meting/het vervangen:
▶ Steek de kabel beslist weer vast omdat de anode anders buiten werking is.
▶ Stroommeetinstrument (mA) in serie daartussen schakelen.
De stroom mag bij gevulde oplaadboiler niet lager zijn dan 0,3 mA.

Afb. 80
▶ Bij te lage stroom: anode vervangen.
14.1.7 Elektrische bedrading controleren
▶ Elektrische bedrading controleren op mechanische beschadigingen en defecte kabels vervangen.
14.2 Checklist voor de inspectie en het onderhoud (Inspectie- en onderhoudsverslag)
| Datum | |||||
| 1 Laatst opgeslagen storing in de Heatronic oproepen, servicefunctie 6.A (→ pagina 50). | |||||
| 2 Controleer verbrandingslucht en rookgas. | |||||
| 3 Controleer de gasvoordruk, mbar (→ pagina 56). | |||||
| 4 Gas-lucht-verhouding voor min./max. controleren (→ pagina 55). max. % | |||||
| 5 Dichtheidscontrole aan gas- en waterzij-de, (→ pagina 30). | |||||
| 6 Warmtewisselaar controleren, (→ pagina 61). | |||||
| 7 Controleer de brander (→ pagina 61). | |||||
| 8 Elektroden controleren (→ pagina 61). | |||||
| 9 Membraan in de luchtmengkamer contro-leren (→ pagina 64). | |||||
| 10 Reinig de condens sifon (→ pagina 63). | |||||
| 11 Controleer de vuldruk van de bar verwarmingsinstallatie. | |||||
| 12 Anode van de oplaadboiler mA controleren (→ pagina 64). | |||||
| 13 Controleer de elektrische bedrading op beschadigingen. | |||||
| 14 Controleer de instellingen van de verwar-mingsregelaar. | |||||
| 15 Ingestelde servicefuncties conform de sticker “Instellingen van de Heatronic” controleren. |
Tabel 23
15 Service
15.1 Platenwarmtewisselaar
Bij onvoldoende tapwatervermogen
- Platenwarmtewisselaar demonteren en vervangen, -of- ▶ met een voor roestvrijstaal (1.4401) vrijgegeven ontkalkingsmiddel ontkalken.
Platenwarmtewisselaar demonteren:
▶ 3-wegklep demonteren.

- Platenwarmtewisselaar afschroeven.

Afb. 82
- Platenwarmtewisselaar naar boven toe uitnemen.

Afb. 83
▶Plaats een nieuwe platenwarmtewisselaar met nieuwe pakkingen en sluit de hydraulica weer aan in omgekeerde volgorde.
▶(Gas) Koppelingen op dichtheid controleren.
15.2 Automatische ontluchter vervangen
▶Toestel drukvrij maken. ▶Automatische ontluchter demonteren.

Afb. 84
▶Nieuwe automatische ontluchter monteren.
16 Weergaven in het display
Het display toont de volgende aanwijzingen (tab. 24 en 25):
| Aangewezenwaarde Beschrijving bereik | ||
| Cijfer of letter,punt gevolgddoor letter | Servicefunctie(→ tabel 15/ 16, pagina 45) | |
| Letter gevolgddoor cijfer of letter | Storingscode(→ tab. 26, pagina 70) | |
| Twee cijfers Decimale waarde b.v.aanvoertemperatuur | 00..99 | |
| U gevolgd door0..9 | Decimale waarde;100..109 wordt weergegeven als U0..U9 | 0..109 |
| Een cijfer (lang weergegeven)gevolgd doortweemaal tweecijfers (kortweergegeven) | Decimale waarde (drie cijfers);eerste cijfer wordt ge-toond afwisselend met de beide laatste cijfers(b.v.: 1...69..69 voor 169) | 0..999 |
| Twee strepen ge-volgd door twee-maal twee cijfers | Nummer codeerstek-ker;Waarde wordt in driestappen getoond:1. twee strepen2. twee eerste cijfers3. twee laatste cijfers(b.v.: -- 10 04) | 1000..9999 |
| Twee letters ge-volgd door twee-maal twee cijfers | Versienummer;Waarde wordt in driestappen getoond:1. twee eerste letters2. twee eerste cijfers3. twee laatste cijfers(b.v.: CV 10 20) | |
Tabel 24Displayweergave
| Specia-le aan-wijzing | Beschrijving |
![]() | Bevestiging na indrukken van een toets (uitgezonderd resettoets). |
![]() | Bevestiging na indrukken van twee toet-sen tegelijkertijd. |
![]() | Bevestiging na indrukken van de toetslanger dan 3 seconden (geheugenfunc-tie). |
![]() | Het display toont de aanvoertemperatuur afwisselend met . Het toestel werkt met het min. nominale vermogen. |
![]() | Het display toont de aanvoertemperatuur afwisselend met . Het toestel werkt met het maximaal ingestelde nominale warmtevermogen in verwarmingsbedrijf,→ servicefunctie 1.A. |
![]() | Het display toont de aanvoertemperatuur afwisselend met . Het toestel werkt met het maximale nominale vermogen. |
![]() | De ontluchtingsfunctie is actief, zie serv-cefunctie 2.C. |
![]() | Het display toont de aanvoertemperatuur afwisselend met . Het sifonvulpro-gramma is actief, → servicefunctie 4.F. |
![]() | Het display toont de aanvoertemperatuur afwisselend met . Het ingestelde in-spectieinterval is afgelopen,→ servicefunctie 5.A. |
![]() | Het display toont de aanvoertemperatuur afwisselend met . De CV-pomp is ge-blokkeerd. |
![]() | Afwerkvloerdroogfunctie (dry function) van de weersafhankelijke regelaar (→ gebruiksinstructie) of gebouwdroog-functie (→ servicefunctie 7.E) in bedrijf. |
![]() | Toetsblokkering actief. Voor het vrijgeven van de toetsblokkering 20 lang in-drukken tot in het display de aanvoertem-peratuur wordt getoond. |
Tabel 25Speciale displayweergaven
17 Storingen
17.1 Storingen verhelpen

GEVAAR: gasexplosie.
▶ Sluit de gaskraan voordat aan gasvoerende delen wordt gewerkt. ▶ Controleer na werkzaamheden alle gasvoerende delen op dichtheid.

GEVAAR: Door vergiftiging!
▶ Controleer na werkzaamheden alle rookgasvoerende delen op dichtheid.

GEVAAR: Door elektrocutie!
▶ Voor werkzaamheden aan het elektrische deel de voedingsspanning (230 V AC) onderbreken (zekering, vermogensautomaat) en beveiligen tegen onbedoeld herinschakelen.

Heet water kan zware brandwonden veroorzaken.
▶ Laat het cv-toestel leeglopen voordat aan watervoerende delen wordt gewerkt.

OPMERKING: Uittredend water kan de Heatronic beschadigen.
▶ Heatronic afdekken voordat werkzaamheden aan de watertransporterende onderdelen worden uitgevoerd.
De Heatronic bewaakt alle veiligheids-, regel- en besturingscomponenten.
Wanneer tijdens gebruik een storing optreedt, klinkt een waarschuwingstoon.

Wanneer u een toets indrukt, wordt de waarschuwingstoon uitgeschakeld.
Het display toont een storing. De led voor branderwerking/storingen knippert, bovendien kan de resettoets knipperen.
Wanneer de resettoets knippert:
▶Houd de resettoets ingedrukt totdat dit op het display verschijnt. Het toestel treedt weer in werking en de aanvoertemperatuur wordt aangegeven.
Wanneer de resettoets niet knippert:
▶Schakel het toestel uit en weer in. Het toestel treedt weer in werking en de aanvoertemperatuur wordt aangegeven.

Een overzicht van de mogelijke storingen vindt u op pagina 70.
Een overzicht van de weergaven op het display vindt u op pagina 68.
Wanneer een storing niet kan worden opgelost:
▶Printplaat controleren, eventueel vervangen en servicefuncties conform de sticker "Instellingen van de Heatronic" instellen.
17.2 Storingen die in het display worden aangegeven
| Display Beschrijving Oplossing | ||
| A1 | CV-pomp droog gelopen. | ► Vuldruk van de CV-installatie controleren, evt. bijvullen en ontluchten. |
| A7 | Temperatuursensor warm water defect. | ► Temperatuursensor en aansluitkabel controleren op onderbreking of kortsluiting, evt. vervangen.►Codeerstekker correct plaatsen, evt. vervangen. |
| A8 | Communicatie onderbroken. | ► Verbindingskabel BUS-deelnemer controleren.►Regelaar controleren, eventueel vervangen. |
| Ad Boilertemperatuursensor door oplaadboiler niet herkend | ►Temperatuursensor en aansluitkabel controleren, evt. vervangen. | |
| b1 | Codeerstekker wordt niet herkend. | ► Codeerstekker correct plaatsen, evt. vervangen. |
| b2/b3 | Interne datastoring. | ► Heatronic 3 naar basisinstelling terugzetten (→ servicefunctie 8.E). |
| C6 | Ventilator draait niet. | ► Ventilator met stekker en ventilator controleren evt. vervangen. |
| CC | Buitentemperatuursensor niet herkend. | ► Controleer buitensensor en aansluitkabel op onderbreking. Vervang de busmodule.►Buitentemperatuursensor correct op de klemmen A en F aansluiten. |
| d1 | Retourtemperatuursensor defect. | ► Temperatuursensor en aansluitkabel op onderbreking of kortsluiting controleren, evt. vervangen. |
| d3 Temperatuurbewaking TB1 defect | ►Temperatuurbewaking en aansluitkabel controleren op onderbreking of kortsluiting, evt. vervangen.►Temperatuurbewaking TB1 is aangesproken. Brug 8 -9 of brug PR - P0 ontbreekt.►Temperatuurbewaking vrijgeven. | |
| d5 Eterne Aanvoertemperatuursensor defect (open verdeler) | ► Temperatuursensor en aansluitkabel op onderbreking of kortsluiting controleren, evt. vervangen. | |
| E2 | Aanvoertemperatuursensor defect. | ► Temperatuursensor en aansluitkabel op onderbreking of kortsluiting controleren, evt. vervangen. |
Tabel 26 Storingen met displayweergave
Display Beschrijving Oplossing
| E9 | Warmtewisselaar-maximaal thermostaat of rookgasmaximaal thermostaat heeft aangesproken. | ►Temperatuurbegrenzer warmtewisselaar en aansluitkabel op onderbreking of kortsluiting controleren, evt. vervangen.►Rookgastemperatuurbegrenzer en aansluitkabel op onderbreking of kortsluiting controleren, evt. vervangen.►Bedrijfsdruk van de verwarmingsinstallatie controleren.►Temperatuurbegrenzer controleren, evt. vervangen.►Pompstart controleren, eventueel pomp vervangen.►Zekering op printplaat controleren, evt. vervangen.►Toestel ontluchten.►Warmtewisselaar waterzijdig controleren, evt. vervangen.►Bij toestellen met verdringingslichamen in warmtewisselaar: controleren, of verdringingslichamen zijn ingebouwd. |
| EA | Vlam wordt niet herkend. | ► Randaarde op correcte aansluiting controleren.►Controleer of de gaskraan geopend is.►Gasaansluitdoorstroomdruk controleren, evt. corrigeren.►Netaansluiting controleren.►Elektroden met kabel controleren, eventueel vervangen.►Rookgassysteem controleren, eventueel reinigen of repareren.►Gas-lucht-verhouding controleren, eventueel corrigeren►Bij aardgas: externe gasdoorstroombewaking controleren, eventueel vervangen.►Bij open bedrijf de kamerluchtsamenstelling resp. de ventilatie-openingen controleren.►Afvoer van de condenswatersifon reinigen.►Membraan uit aanzuigaansluiting van de ventilator demonteren en op scheuren of vervuiling controleren.►Warmtewisselaar reinigen.►Gasblok controleren, evt. vervangen.►Codeerstekker correct plaatsen, evt. vervangen. |
| F0 | Reset-toets werd per ongeluk ingedrukt.Interne storing. | ► Houdt de resettoets in tot op het display - verschijnt. Na het loslaten start het toestel opnieuw.►Elektrische contacten en ontstekingskabels controleren, evt. printplaat vervangen.►Gas-lucht-verhouding controleren, eventueel corrigeren |
| F1 | Interne datastoring. | ► Heatronic 3 naar basisinstelling terugzetten (→ servicefunctie 8.E). |
| F7 | Vlam wordt herkend, hoewel toestel uitgeschakeld is. | ►Elektroden controleren, evt. vervangen.►Rookgassysteem controleren, eventueel reinigen of repareren.►Printkaart op vochtigheid controleren, evt. drogen. |
Tabel 26 Storingen met displayweergave (vervolg)
| Display Beschrijving Oplossing | ||
| FA | Na gasuitschakeling: Vlam wordt herkend. | ▸ Gasblok controleren, evt. vervangen.▸Condenssifon reinigen.▸Elektroden en aansluitkabel controleren, evt. vervangen.▸Rookgassysteem controleren, eventueel reinigen of re-pareren. |
| Fd | Resettoets werd per ongeluk ingedrukt. | ▸ Houd de resettoets in tot op het display -- verschijnt.▸Kabelboom naar maximaal thermostaat en gasblok con-troleren op massasluiting. |
| H1 | Temperatuursensor mengklep defect | ▸ Temperatuursensor en aansluitkabel op onderbreking of kortsluiting controleren, evt. vervangen. |
| H3 | 3-wegmengklep zonder functie. | ▸ Montage van mengertemperatuursensor controleren.▸Met servicefunctie 0.C de motor van de 3-wegmengklep controleren (→ pagina 52). |
| H4 Boilertemperatuursensor TS3 door de boi-ler niet herkent. | ▸Temperatuursensor en aansluitkabel controleren, evt. vervangen.▸ Bedrijf van het toestel zonder boiler →hoofdstuk→ 5.7. | |
| H5 | CV-pomp niet herkent. | ▸ Stuurkabel aansluiten, controleren, evt. vervangen. |
Tabel 26 Storingen met displayweergave (vervolg)
17.3 Storingen die niet in het display worden getoond
| Toestelstoringen Oplossing | |
| Te veel verbrandingsgeluid;brommend geluid | ►Codeerstekker correct plaatsen, evt. vervangen.►Gassoort controleren.►Gasaansluitdoorstroomdruk controleren, evt. aanpassen.►Rookgassysteem controleren, eventueel reinigen of repare-ren.►Gasluchtverhouding in de verbrandingslucht en in het rook-gas controleren, evt. gasblok vervangen. |
| Doorstroomgeluiden | ►Pompinstelling correct instellen en aanpassen op maximale vermogen. |
| Opwarming duurt te lang | ►Pompinstelling correct instellen en aanpassen op maximale vermogen. |
| Rookgaswaarden niet in ordeCO-waarde te hoog | ►Gassoort controleren.►Gasaansluitdoorstroomdruk controleren, evt. aanpassen.►Rookgassysteem controleren, eventueel reinigen of repare-ren.►Gasluchtverhouding in het rookgas controleren, evt. gasar-matuur vervangen. |
| Ontsteking te hard, te slecht ►Gassoort controleren. | ►Gasaansluitdoorstroomdruk controleren, evt. aanpassen.►Netaansluiting controleren.►Elektroden met kabel controleren, eventueel vervangen.►Rookgassysteem controleren, eventueel reinigen of repare-ren.►Gasluchtverhouding controleren, evt. gasblok vervangen.►Bij aardgas: externe gasdoorstroombewaking controleren, eventueel vervangen.►Brander controleren, eventueel vervangen. |
| Tapwater ruikt slechtof donkere kleur | ►Thermische desinfectie van het tapwatercircuit uitvoeren.►Opofferingsanode vervangen. |
| Gewenste aanvoertemperatuur wordt over-schreden | ►Automatische antipendelfunctie uitschakelen, d.w.z. waarde op 0 instellen.►Benodigde antipendeltijd, b.v. basisinstelling 3 minuten in-stellen. |
| Condens in luchtkast | ►Rookgasafvoersysteem op lekdichtheid controleren (→ hoofdstuk 12.2, pagina 57).►Membraan in de mengkamer conform installatie-instructie in-bouwen, evt. vervangen. |
| Tapwateruitlaattemperatuur wordt niet bereikt (boileropwarming duurt te lang). | ►Platenwarmtewisselaar verkalkt. Platenwarmtewisselaar evt. ontkalken of vervangen (→ pagina 66). |
| Heatronic knippert (d.w.z. alle toetsen, alle seg-menten van het display, brandercontrolelamp enz. knipperen). | ►Zekering Si 3 (24 V) vervangen. |
Tabel 27 Storingen zonder displayweergave
17.4 Sensorwaarden
17.4.1 Buitentemperatuursensor (bij weersafhankelijke regelaar, accessoire)
| Buitentemperatuur ( °C) | |
| meettolerantie ± 10% | Weerstand ( Ω) |
| -20 2 392 | |
| -16 2 088 | |
| -12 1 811 | |
| -8 1 562 | |
| -4 1 342 | |
| 0 | 1 |
| 4 | 984 |
| 8 | 842 |
| 10 781 | |
| 15 642 | |
| 20 528 | |
| 25 436 | |
Tabel 28
17.4.2 Tapwater-, 3-wegmengklep- en aanvoer-, retour-temperatuursensor, buffervat- en oplaad-boilertemperatuursensor
| Temperatuur/ °Cmeettolerantie ± 10 % | Weerstand (k Ω) |
| 20 13 779 - 14 772 | |
| 25 11 175 - 11 981 | |
| 30 9 128 - 9 786 | |
| 35 7 667 - 8 047 | |
| 40 6 205 - 6 653 | |
| 45 5 252 - 5 523 | |
| 150 4 298 - 4 608 | 4 |
| 55 3 662 - 3 856 | |
| 60 3 025 - 3 243 | |
| 65 2 601 - 2 744 | |
| 70 2 176 - 2 332 | |
| 75 1 883 - 1 990 | |
| 80 1 589 - 1 704 | |
| 85 1 365 - 1 464 | |
| 90 1 177 - 1 262 | |
| 95 1 020 - 1 093 | |
| 100 886 - 950 |
Tabel 29
17.5 Codeerstekker
| Toestel Nummer |
| 30 HRC II HRVS 75 aardgas 8 714 432 102 0 |
| 30 HRC II HRVS 75 propaan 8 714 432 103 0 |
Tabel 30
18 Instelwaarde voor verwarmings-/tapwatervermogen
30 HRC II HRVS 75 aardgas
| Aardgas 2 L, kengetal 5 | |||
| Bovenwaarde H | S(kWh/m3)9,8 | ||
| Onderwaarde H | IS(kWh/m3)8,3 | ||
| Display | Vermogen kW | Belasting kW | Gashoeveelheid (l/min bij tV/tR=80/60°C ) |
| 36 | 6,6 | 6,8 | 14 |
| 40 | 7,9 | 8,1 | 16 |
| 45 | 9,6 | 9,8 | 20 |
| 50 | 11,2 | 11,5 | 23 |
| 55 | 12,9 | 13,2 | 27 |
| 60 | 14,5 | 14,9 | 30 |
| 65 | 16,1 | 16,6 | 33 |
| 70 | 17,8 | 18,2 | 37 |
| 75 | 19,4 | 19,9 | 40 |
| 80 | 21,1 | 21,6 | 43 |
| 85 | 23,0 | 23,3 | 47 |
| 90 | 24,7 | 25,0 | 50 |
| 95 | 26,4 | 26,7 | 53 |
| U0 | 27,7 | 28,0 | 56 |
Tabel 31
30 HRC II HRVS 75 propaan
19 Ingebruiknemingsprotocol voor het toestel
| Klant/gebruiker van de installatie: | ||
| Naam, voornaam Straat, nr. | ||
| Telfoon/fax Postcode, plaats | ||
| Fabrikant installatie: | ||
| Opdrachtnummer | ||
| Toesteltype: (voor iedere toestel een eigen protocol invullen!) | ||
| Serienummer: | ||
| Datum van de ingebruikneming: | ||
| ☐ Enkel toestel | ☐ Cascade, aantal toestellen: ...... | ||
| Opstellings-ruimte: ☐ Kelder | ☐ Zolder | Overige: | ||
| Ventilatieopeningen: Aantal: ......, grootte: ca. cm 2 | ||
| Rookgasafvoersysteem ☐ Concentrisch systeem | ☐ LAS | ☐ Schacht | ☐ Parallelle buis | ||
| ☐ Kunststof | ☐ Aluminium | ☐ RVS | ||
| Totale lengte: ca. ...... m | bocht 90°: ...... stuks | Bocht 15 - 45°: ...... stuks | ||
| Controle van de dichtheid van de rookgasafvoerleiding bij tegenstroom: ☐ ja | ☐ nee | ||
| CO2-waarde in de verbrandingslucht bij maximaal nominaal warmtevermogen: % | ||
| O2-waarde in de verbrandingslucht bij maximaal nominaal warmtevermogen: % | ||
| Opmerkingen betreffende onder- of overdrukbedrijf: | ||
| Gasinstelling en rookgasmeting:Ingestelde gassoort: ☐ Aardgas 2L | ☐ Propaan | ||
| Dynamische gasdruk: mbar | Statische gasdruk: mbar | |
| Ingestelde maximale nominale warmtevermogen: kW | Ingestelde minimale nominale warmtevermogen: kW | |
| Verbrandingswaarde Hb: kWh/m3 | ||
| CO2 bij maximaal nominaal warmtevermogen: % | CO2 bij minimaal nominaal warmtevermogen: % | |
| O2 bij maximaal nominaal warmtevermogen: % | O2 bij minimaal nominaal warmtevermogen: % | |
| Installatiehydraulica: | ||
| ☐ Open verdeler, type: | ☐ Extra expansievatGrootte/voordruk:Automatische ontluchter aanwezig?☐ ja | ☐ nee | |
| ☐ CV-pomp: | ||
| ☐ Boilertemperatuursensor boven gemonteerd: | ||
| ☐ Boilertemperatuursensor onder gemonteerd: | ||
| ☐ Boiler/type/aantal/radiatorvermogen: | ||
| ☐ Installatiehydraulica gecontroleerd, opmerking: | ||
| Gewijzigde servicefuncties: (hier a.u.b. de veranderde servicefuncties uitlezen en waarden invullen.) | ||
| Voorbeeld: servicefunctie 7.d van 00 in 01 veranderd. | ||
| Sticker “Instellingen van de Heatronic” ingevuld en aangebracht □ | ||
| Verwarmingsregeling:□ FW 100 | □ FW 200 | □ FR 100 | ||
| □ FB 10 × ...... stuks, codering, cv-circuit(s): | ||
| □ FR 10 × ...... stuks, codering, cv-circuit(s): | ||
| □ FR 100 × ...... stuks, codering, cv-circuit(s): | ||
| □ ISM 1 | □ ISM 2 | □ ICM × ...... stuks | □ IGM | |
| □ IPM 1 × ...... stuks, codering, cv-circuit(s): | ||
| Overige: | ||
| □ Verwarmingsregeling ingesteld, opmerkingen: | ||
| □ Gewijzigde instellingen van de verwarmingsregeling in de bedienings-/installatiehandleiding van de regelaar ge-documenteerd | ||
| De volgende werkzaamheden werden uitgevoerd:□ Elektrische aansluitingen gecontroleerd, opmerkingen: | ||
| □ Condenswatersifon gevuld | □ Verbrandingslucht/rookgasmeting uitgevoerd | |
| □ Functietest uitgevoerd | □ Gas- en waterzijdige dichtheidstest uitgevoerd | |
| De inbedrijfstelling omvat de controle van de instelwaarden, de optische dichtheidstest op het cv-toestel en de functiecontrole van het cv-toestel en de regeling. De leverancier van de installatie controleert de cv-installatie.Wanneer in het kader van de inbedrijfstelling kleine montagefouten van Bosch-componenten worden geconsta-teerd, dan is Bosch altijd bereid, deze montagefouten na vrijgave van de opdrachtgever te verhelpen. Overname van de aansprakelijkheid voor montagewerkzaamheden is niet daaraan gekoppeld. | ||
| De bovengenoemde installatie werd in de omschreven omvang gecontroleerd. | De documenten werden aan de eigenaar overhandigd.Deze werd met de veiligheidsinstructies en de bedie-ning van de bovengenoemde warmte-opwekker inclu-sief de toebehoren vertrouwd gemaakt. Op de noodzaak tot regelmatig onderhoud van de bovenge-noemde cv-installatie werd gewezen. | |
| Naam van de installateur | Datum, handtekening van de eigenaar | |
| Hier meetprotocol inplakken. | ||
| Datum, handtekening van de leverancier van de installa-tie | ||
Index
A
Aanpassing aan het soort gas 54
Aanwijzingen voor inspectie en onderhoud 60
Aardgas 54
Afdichtingsmiddel 20
Afmetingen 10
Afmetingen en minimale afstanden 8
Antivriesmiddel 20
Bedrijfsvoorwaarden 18
Belangrijke opmerkingen voor de installatie 20, 60
Bescherming tegen bevriezing 41
Blokkeerbeveiliging 43
Brander 61
Buffervat aansluiten 34
C
CE-conformiteitsverklaring 6
Checklist voor de inspectie 65
Circulatie 23
Controle Gas- en wateraansluitingen .... 30
Controle door autoriteiten CO-meting in rookgas 58
Controle door de autoriteiten Dichtheidstest rookgaskanaal.... 57
Corrosiebeschermend middel 20
D
Dichtheidstest rookgaskanaal.... 57
E
Elektrische aansluiting.... 32
Accessoires aansluiten 33
Buffervat 34
Circulatiepomp 34
Elektrische bedrading controleren 64
Extern buffervat 35
Externe CV-pomp (primair circuit) 35
Externe cv-pomp (secundair circuit) 35
Externe toebehoren aansluiten 35
Kamerthermostaat, afstandsbedieningen .... 33
Temperatuurbewaker 34
Elektrische bedrading.... 16
Elektroden 61
Energiebesparingsbesluit (EnEV) 39
Expansievat.... 28
G
Gas- en wateraansluiting 30
Gasleiding controleren 30
Gas-lucht-verhouding 55
Gassoort.... 6,54
Gebruik volgens de voorschriften 6
Gegevens betreffende het toestel Afmetingen.... 10
Minimumafstanden.... 10
Gegevens over het toestel.... 6
Gebruik volgens de voorschriften.... 6
Leveringsomvang 5
Toestelbeschrijving 7
Toestelopbouw 12
Typenoverzicht 6
Heatronic Servicefuncties .... 44, 46–53, 61
Inbedrijfname 36
Ontluchten 36
Informatie over het toestel CE-conformiteitsverklaring 6
Ingebruiknemingsprotocol 76
Inschakelen Toestel.... 38 Verwarming.... 38
Inspectie en onderhoud 60
Inspectieverslag 65
Installatie 20 Belangrijke opmerkingen 20, 60 Opstellingsplaats 21
Installatieset toestel/boiler 27
Instelling Heatronic 44 Warmwatertemperatuur 39
Instelwaarden voor cv-/tapwatervermogen 30 HRC II HRVS 75 aardgas 75 30 HRC II HRVS 75 propaan 75
K
Ketelblok 61
L
Laatste opgeslagen storing oproepen 50, 61
Leveringsomvang 5
Luchttoevoer- en rookgasafvoersysteem 28
M
Menginstallatie 64
Milieubescherming Recycling - Verpakking 59
Minimumafstanden 10
N
Netzekering.... 16, 32
0
Ombouwsets 54
Onderhoud en inspectie 60
Ontluchten 36
Ontluchtingsfunctie 48
Opofferingsanode 64
Oppervlaktetemperatuur 21
Opstellingplaats Propaaninstallaties onder aardoppervlak .... 21
Opstellingsplaats 21
Oppervlaktetemperatuur.... 21
Verbrandingslucht.... 21
Voorschriften ten opzichte van de opstellingsruimte 21
Oud toestel 59
P
Pijpleidingen, gegalvaniseerd 20
Procedure voor inspectie en onderhoud 61
Laatste opgeslagen storing oproepen.... 61
Membraan in de mengkamer controleren.... 64
Opofferingsanode controleren.... 64
platenwarmtewisselaar.... 66
Vuldruk van de verwarmingsinstallatie 64
Propaaninstallaties onder aardoppervlak.... 21
R
Radiator, gegalvaniseerd.... 20
Ruimtetemperatuurregelaar 20
S
Servicefuncties.... 53
3-wegklep in middenpositie (servicefunctie 7.b) .... 51
Aansluiting externe aanvoertemperatuursensor (servicefunctie 7.d) 51
Aansluiting NP - LP instellen (servicefunctie 5.E) 50
Aantal pompstarts van de circulatiepomp (servicefunctie C.E) 53
Actuele cv-vermogen (servicefunctie 9.C) ...... 53
Actuele spanning klem 2 (servicefunctie 6.b) ..... 51
Actuele ventilatortoerental (servicefunctie 9.b) .... 53
Actuele warmtevraag (servicefunctie C.d).... 53 antipendeltijd (servicefunctie 3.b).... 49
Automatisch antipendelprogramma (servicefunctie 3.A) 49
Bedrijfsmodus (servicefunctie 2.F) 49
Bedrijfsmodus permanent (servicefunctie 9.A) ..... 53
Codeerstekkernummer (servicefunctie 8.b) ..... 52
Configuratie van de klemmen 1-2-4 (servicefunctie 7.F) ....51
CV-vermogen (servicefunctie 1.A) 46
Door weersafhankelijke regelaar gevraagde aanvoertemperatuur (servicefunctie 6.C) ....51
Gebouwdroogfunctie (servicefunctie 7.E) ...... 51
Gebruik van het kanaal bij een 1-kanaals schakelklok veranderen (servicefunctie 5.C) ...... 50
GFA-status (servicefunctie 8.C) 52
GFA-storing (servicefunctie 8.d) 52
Handmatig bedrijf van de 3-wegmengklep (servicefunctie 0.C) 52
Inspectie resetten (servicefunctie 5.A) 50
Inspectie weergeven (servicefunctie 5.F)...... 50
Laatst opgeslagen storing (servicefunctie 6.A) 50, 61
Lamp voor branderwerking/storingen (servicefunctie 7.A) 51
Maximale aanvoertemperatuur (servicefunctie 2.b) 48
Ontluchtingsfunctie (servicefunctie 2.C)...... 48
Permanente ontsteking (servicefunctie 8.F) ..... 53
Pompkarakteristiek (servicefunctie 1.d) ...... 48 Pompnadraaitijd (verwarming)
(servicefunctie 9.F) 53
Pompveld (servicefunctie 1.C)...... 47
Schakelklok ingang (servicefunctie 6.E)...... 51
Schakelverschil (servicefunctie 3.C)...... 49
Sifonvulprogramma (servicefunctie 4.F) ...... 50
Software-versie (servicefunctie 8.A) 52
Starttoerental 1 instellen (servicefunctie 9.d) ..... 53
Tapwatervermogen (servicefunctie 1.b)...... 46
Temperatuur in buffervat (servicefunctie d.A) ..... 53
Toestel (Heatronic 3) naar basisinstelling terugzetten (servicefunctie 8.E) .... 52
Ventilatornadraaitijd (servicefunctie (5.b).... 50
verlaten zonder waarden op te slaan 44
Waarschuwingstoon (servicefunctie 4.d) 50
Zonder functie (servicefunctie 3.E) 49
Zonder functie (servicefunctie 3.F) 49
Zonder functie (servicefunctie 6.d) 51
Zonder functie (servicefunctie 9.E) 53
Storingen.... 69–70 in het display aangegeven.... 70
Storingen die niet in het display worden getoond 73
Storingsindicatie.... 69–70
T
Thermische desinfectie.... 42
Toestel inschakelen 38
Toestel uitschakelen 38
Toestelbeschrijving 7
Toestelopbouw.... 12
Trechtersifon.... 24
Typenoverzicht 6
U
Uitschakelen.... 38
v
Verbrandingslucht.... 21
Verpakking 59
Verwarming inschakelen 38
Verwarmingsregeling 39
Verwijdering 59
Vloeibaar gas 20
Voorschriften 19
Voorschriften ten opzichte van de opstellingsruimte 21
W
Warmwatertemperatuur instellen 39
Wateraansluitingen controleren 30
Z
Zekeringen 16, 32
Zomerbedrijf 40
Notities
Notities
Notities
Bosch Thermotechniek B.V.
Postbus 379
7300 AJ Apeldoorn
Tel: +31 (0) 55 - 543 43 43
Fax: +31 (0) 55 - 543 43 44
www.boschsupportline.nl
infott@nl.bosch.com












