AGS5 T ISM1 Design - Ketel Junkers - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis AGS5 T ISM1 Design Junkers in PDF-formaat.
| Type product | Ketel (gaswandketel) |
| Merk | Junkers |
| Model | AGS5 T ISM1 Design |
| Afmetingen (H x B x D) | 700 x 400 x 300 mm |
| Gewicht | ca. 30 kg |
| Voeding | Aardgas (G20/G25) |
| Nominaal vermogen | 24-30 kW |
| Rendement | Hoog rendement (HR+) |
| Waterinhoud | ca. 2 liter |
| Display | LCD-scherm met foutcodes |
| Pomp | Ingebouwde circulatiepomp |
| Expansievat | Ingebouwd (8 liter) |
| Beveiliging | Vorstbeveiliging, overdrukbeveiliging, ionisatiebewaking |
| Geluidsniveau | < 50 dB(A) |
| Energielabel | A |
| Installatie | Wandmontage |
| Onderhoud | Jaarlijks onderhoud aanbevolen |
| Garantie | 2 jaar |
| CE-markering | Ja |
Veelgestelde vragen - AGS5 T ISM1 Design Junkers
Gebruikersvragen over AGS5 T ISM1 Design Junkers
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Ketel in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding AGS5 T ISM1 Design - Junkers en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. AGS5 T ISM1 Design van het merk Junkers.
GEBRUIKSAANWIJZING AGS5 T ISM1 Design Junkers
1 Toelichting bij de symbolen en veiligheidsaanwijzingen .... 3
1.1 Toelichting van de symbolen .... 3
1.2 Algemene veiligheidsinstructies .... 3
2.1 Productbeschrijving 4
2.2 Gebruik 4
2.3 Technische gegevens en uitvoeringen .... 5
2.4 Modules en technische documenten ..... 5
2.5 Leveringsomvang 5
2.6 Extra benodigde hulpmiddelen 5
2.7 Ontluchting 5
3 Voorschriften....6
4 Leidingen installeren 6
4.1 Algemeen over het leidingwerk 6
4.2 Leiding leggen 6
5 Installeer zonnestation....8
5.1 Monteer zonnestation....8
5.2 Elektrische aansluiting 8
5.3 Expansievat en voorschakelvat aansluiten .....9
5.3.1 Voorschakelvat bij vacuumcollectoren monteren (toebehoren) 9
5.3.2 Monteer expansievat (toebehoren) 9
5.3.3 Voordruk van het expansievat aanpassen ..... 10
5.4 Leidingen en overloopleiding op het zonnestation aansluiten 10
5.5 Temperatuursensor monteren 10
5.5.1 Collectortemperatuursensor 10
5.5.2 Boilertemperatuursensor onder 10
6 In bedrijf nemen 11
6.1 Gebruik van solarvloeistof 11
6.2 Spoelen en vullen met vulstation (onder druk vullen) 11
6.2.1 Parallel geschakelde collectorvelden ..... 11
6.2.2 Vul het zonnesysteem en spoel deze luchtvrij ..... 12
6.2.3 Het vullen afsluiten en bedrijfsdruk instellen ..... 13
6.2.4 Controleer of het zonnesysteem vrij is van lucht ..... 14
6.3 Vorstbeschermingstemperatuur bepalen ..... 14
6.3.1 Vorstbescherming corrigeren 14
6.4 Doorstroomhoeveelheid instellen 15
6.4.1 Voorwerkzaamheden uitvoeren 15
6.4.2 Debiet controlleren 15
6.4.3 Doorstroomhoeveelheid instellen 16
6.5 Afsluitende werkzaamheden 16
7 Milieubescherming/afvoeren ....17
8 Inbedrijfstelling- inspectie- en onderhoudsprotocol ..... 17
9 Storingen ....19
Bijlage....21
1 Toelichting bij de symbolen en veiligheidsaanwijzingen
1.1 Toelichting van de symbolen
Waarschuwing

Waarschuwingsaanwijzingen in de tekst worden aangegeven met een gevarendriehoek met grijze achtergrond en een kader.
Signaalwoorden voor een waarschuwingsaanwijzing geven de soort en de ernst van de gevolgen aan, wanneer de maatregelen ter voorkoming van het gevaar niet gerespecteerd worden.
- OPMERKING betekent dat materiële schade kan ontstaan.
- VOORZICHTIG betekent dat licht tot middelzwaar persoonlijk letsel kan ontstaan.
- WAARSCHUWING betekent dat zwaar lichamelijk letsel kan ont-staan.
- GEVAAR betekent dat er levensgevaarlijk lichamelijk letsel kan ontstaan.
Belangrijke informatie

Belangrijke informatie, zonder gevaar voor mens of materialen, wordt met het nevenstaande symbool gemarkeerd. Dit wordt gescheiden van de tekst door een lijn onder en boven de tekst.
Aanvullende symbolen
Symbool Betekenis
| ▶ Handelingsstap | |
| → | Kruisverwijzing naar andere plaatsen in het document of naar andere documenten |
| • Opsomming/lijstpositie | |
| – Opsomming/lijstpositie (2e niveau) | |
Tab. 1
1.2 Algemene veiligheidsinstructies
Installatie
De montage en het onderhoud mogen alleen door een erkend installateur worden uitgevoerd.
▶ Lees deze handleiding zorgvuldig door.
▶ Voer geen veranderingen uit aan de onderdelen.
▶ Defecte onderdelen direct vervangen. Er mogen alleen originele onderdelen worden gemonteerd.
▶ Bouw voor de begrenzing van de taptemperatuur op maximaal 60 °C een tapwatermengkraan in.
- Gebruik alleen materialen, die tegen glycol en de mogelijke temperaturen tot maximaal 150 °C bestand zijn.
Elektrotechnische werkzaamheden
▶ Laat elektrotechnische werkzaamheden uitsluitend uitvoeren door geautoriseerde vakspecialisten.
▶ Er op letten dat een scheidingsvoorziening conform EN 60335-1 voor het over alle polen loskoppelen van het stroomnet beschikbaar is.
Bij werkzaamheden aan het zonnestation:
▶ Schakel de regelaar spanningsloos.
Instructie van de eigenaar
▶ Informeer de eigenaar over de werking van de ketel en instrueer hem over de bediening van de gehele installatie.
▶ Eigenaar erop wijzen, dat hij geen wijzingen of herstellingen mag uitvoeren.
▶ Wijs de gebruiker erop, dat een onderhouds- en inspectiecontract met een erkend installateur aanbeveling verdient.
▶ Overhandig deze installatie- en onderhoudshandleiding aan de eigenaar. Wijs deze erop, dat de handleiding moet worden bewaard en moet worden overgedragen aan een volgende eigenaar/gebruiker.
2 Specificaties zonnestation
2.1 Productbeschrijving
Voor het zonnestation is altijd een zonneregelaar gemonteerd. Het zonnestation is beschikbaar als uitvoering met een hoogrendement zonnepomp (AGS5 T MS100) en als uitvoering met een standaard zonnepomp (AGS5 T ISM1).

Een hoogrendement-zonnepomp met bijbehorende regelaar kan te allen tijde naderhand worden gemonteerd.

Afb. 1 Zonnestation op boiler

Afb. 2 Zonnestation zonder mantel

Afb. 3 Zonnestation zonder isolatiekap en zonder geïntegreerde regelaar en module
[1] Overstortventiel
[2] Manometer
[3] Aansluiting voor expansievat
[4] Vul- en aftapkraan
[5] Debietaanduiding
[6] Regel-/afsluitklep
[7] Knelkoppeling
[8] Luchtafscheider
[9] Ontluchting
[10] Kogelkraan met geïntegreerde terugslagklep (stand 0° = standby, 45° = handmatig openen)
2.2 Gebruik
- Zonnestation alleen voor gebruik van zonnesystemen in combinatie met geschikte regelaars gebruiken.
▶ Zonnestation alleen verticaal en in binnenruimten monteren. - Zonnestation alleen op daarvoor bedoelde 290 l en 400 l boiler monteren.
Het zonnestation uitsluitend met propyleenglycol-watermengsels (solarvloeistof L of LS) gebruiken. Er mag geen andere medium gebruikt worden.
2.3 Technische gegevens en uitvoeringen
| Uitvoering met standaard zonneboilerpomp Uitvoering met HR-zonneboilerpomp | |||
| Toegestane temperatuur | °C | Aanvoer: 130 / retour: 110 (pomp) | |
| Aanspreekdruk veiligheidsventiel | bar | 6 | 6 |
| Overstortventiel | - | DN 15, aansluiting 3⁄4" | DN 15, aansluiting 3⁄4" |
| Netspanning | - | 230V AC, 50 - 60 Hz | 230V AC, 50 - 60 Hz |
| Max. stroomverbruik pomp | A | 0,25 | 0,44 |
| Afmetingen (hoogte x breedte x diepte) | mm | 1776x285x385 | 1776x285x385 |
| Aanvoer- en retouraansluitingen (klemringkoppelingen) | mm | 15/18 | 15/18 |
De thermische zonne-installatie is bedoeld voor de tapwatervoorziening en indien nodig ook als verwarmingsondersteuning. Deze bestaat uit verschillende modules.

Afb. 4 Modules van een zonnesysteem
[1] Collector met temperatuursensor boven
[2] Leiding (retour)
[3] Zonnestation met expansievat, temperatuur- en veiligheidsinrichtingen
[4] Zonneboiler
[5] BUS-kabel
[6] Netkabel
[7] Zonneregelaar
[8] Leiding (aanvoer)
De volgende onderwerpen worden in de handleidingen van de modules beschreven:
Zonnestation
• Montage van het zonnestation
• Montage van de leidingen
- Inbedrijfstelling van de totale installatie
- Onderhoud van het zonnestation en de totale installatie
- Instructies betreffende storingen in de totale installatie
Zonneboiler
- Opstelling en montage van de boiler
- Inbedrijfstelling van de boiler
• Onderhoud van de boiler
Zonneregelaar
- Onderhoud van de regelaar
- Instructies betreffende storingen van de regelaar
Aanvullende handleidingen kunnen in de toebehoren aanwezig zijn.
2.5 Leveringsomvang
▶ Controleer of de leveringsomvang compleet is en niet beschadigd is.

Afb. 5 Zonnestation, hier: met geïntegreerde regelaar
[1] Mantel
[2] Zak met aansluitset voor boilertemperatuursensor, zelftappende schroeven, 15 mm klemringen en zeskant bout met vulring voor rvs-houder dubbele zonneleiding.
[3] Slang, 2x
[4] Isolatiekap
[5] Montageplaat met voorgemonteerde componenten
[6] Montagehaak
2.6 Extra benodigde hulpmiddelen
Naast het gebruikelijke gereedschap heeft u voor de montage een steeksleutel (13 mm) met een 150 mm lange verlenging en een accuschroef-machine nodig of een boormachine met kruiskopbit.
2.7 Ontluchting
Het zonnesysteem wordt door het onder druk vullen ontlucht
(→ hoofdstuk 6.2, pagina 11).
3 Voorschriften
Voor de praktische werkzaamhedengelden de betreffende regels der techniek.
▶ Voor de montage en het gebruik van de installatie de nationale en plaatselijke normen en richtlijnen respecteren.
Gewijzigde voorschriften of aanvullingen zijn ook op het tijdstip van de installatie geldig en moeten worden nageleefd.
• Elektrische aansluiting:
- NEN 1010 Veiligheidsbepalingen voor laagspanningsinstallaties.
- Alle elektrische aansluitingen moeten voldoen aan de normen van het AREI.
• Aansluiting van thermische zonnesystemen:
- EN 12976: thermische zonnesystemen en hun onderdelen (prefab-installaties)
- ENV 12977: thermische zonnesystemen en hun onderdelen (klant-specifiek gefabriceerde installaties).
- DIN EN 1151 deel 1: niet-automatische circulatiepompen (voor analyse van de hydraulische capaciteit van het zonnestation belangrijk)
• Installatie en uitrusting van tapwaterboilers:
- Alle drinkwateraansluitingen moeten voldoen aan de normen van Belgaqua.
- De koudwateraansluiting van de boiler moet voorzien zijn van een veiligheidsgroep.
4 Leidingen installeren
4.1 Algemeen over het leidingwerk

Wij adviseren voor de verbinding tussen collectorveld en zonnestation het gebruik van een voorgeïsoleerde dubbele rvs-zonnebuis.

OPMERKING: Schade aan de installatie door defecte onderdelen!
- Gebruik alleen materialen die bestand zijn tegen glycol, de druk en de temperatuur (minimaal tot 150 °C).
- Gebruik geen kunststof leidingen (bijv. PE-buis) of verzinkte leidingen.

Het verdient aanbeveling de leidingen via een leidingnetberekening te dimensioneren. Tab. 3 maakt een geschatte dimensionering mogelijk.
In het geval dat er veel extra weerstanden zijn (bochten, armaturen enz.) moet indien nodig een leiding met een grote diameter worden gekozen.
| aantal SKN, | ||
| enkelvoudige leidinglengte | SKS, SKR6+21 2 tot 4 1 tot 2 3 tot 4 | aantal SKR12 |
| 0 ... 6 m DN16 DN16 DN20 | ||
| 7 ... 10 m DN16 DN16 DN20 | ||
| 11 ... 15 m DN16 DN16 DN25 | ||
| 16 ... 20 m DN20 DN20 DN25 | ||
| 21 ... 25 m DN20 DN20 DN25 | ||
Tab. 3 Dimensionering van de leidingen uit rvs-golfbuis 1)
1) Alternatief dubbele zonnebuis van koper DN15/18/22
4.2 Leiding leggen
Vacüumbuiscollectoren
De minimale leidinglengte van het zonnestation tot het collectorveld is 10 m (enkelvoudige lengte).
De hoogte-afstand voor de aansluiting van het expansievat tot aan het collectorveld is minimaal 2 m.

Afb. 6 Afstand tot collectorveld
Vlakke collectoren
Om luchtinsluitingen bij gebruik van een automatische ontluchter op het collectorveld te voorkomen:
▶ Leidingen van boiler naar collector/ontluchter [1] stijgend installeren.
▶ Wanneer een richtingsverandering naar beneden toe onvermijdelijk is, extra temperatuurbestendige (150 °C) ontluchter monteren.

Afb. 7 Positie van de automatische ontluchting
[1] Collector/ontluchter
In bepaalde gevallen kan het zonnestation [1] niet onder de collectoren worden gemonteerd (bijv. bij dakverwarmingscentrales).
Om bij deze installaties oververhitting te voorkomen, met de aanvoer een "leidingzak" vormen:
▶ Aanvoer eerst op hoogte van de collectorretouraansluiting [2] installeren. Daarna tot het zonnestation installeren.

Afb. 8
[1] Zonnestation
[2] Collectorretouraansluiting
Leidingen koppelen

OPMERKING: Schade aan de collector door hitte-ont-wikkeling bij hardsolderen!
▶ Niet in de nabijheid van vacuümbuiscollectoren solderen.
▶ Soldeer de koperleidingen alleen met hardsoldeer.
-of-
- Gebruik glycol- en temperatuurbestendige (150 °C) klemringkoppelingen of persfittingen.

Wanneer schroefdraadkoppelingen worden afgedicht met hennep:
- Gebruik een tot 150 °C temperatuurbestendige schroefdraadafdichtpasta (bijv. NeoFermit universal).
Leidingen aarden
De werkzaamheden moeten door een erkende installateur worden uitgevoerd.
▶ Breng een aardklem aan op de aanvoer- en retourleiding (willekeurige positie).
▶ Aardklemmen via potentiaalvereffeningskabel (minimaal 6 mm 2 ) op de potentiaalvereffening van het gebouw aansluiten.
Leidingen isoleren

Wij adviseren voor de verbinding tussen collectorveld en zonnestation het gebruik van een voorgeïsoleerde dubbele rvs-zonnebuis.
▶ Leidingen gehele zonnecircuit conform de voorschriften isoleren.
- Gebruik voor de isolatie van de leidingen buiten UV-bestendige materialen en materialen die bestand zijn tegen hoge temperaturen (150 °C).
- Gebruik voor de isolatie van de leidingen binnen materialen die bestand zijn tegen hoge temperaturen (150 °C).
▶ Isolatie indien nodig tegen vogelvraat beschermen.

Afb. 9 Minimale eisen aan de isolatie
5 Installeer zonnestation
5.1 Monteer zonnestation

Het zonnestation kan links en rechts op de boiler worden gemonteerd.
Hierna wordt alleen de montage links op de boiler getoond. De montage aan de rechterkant verloopt op dezelfde wijze.
▶ Neem het deksel van de boiler.
▶ Hang de montagehaken [1] aan de mantel van de boiler en richt deze op het midden van de felsnaad.

Afb. 10 Hang de montagehaken aan de boiler
[1] Montagehaak
▶ Neem de isolatiekap van het zonnestation.

Afb. 11 Neem de isolatiekap weg en hoek monteren
[1] RVS-houder voor dubbele zonneleiding (toebehoren)
[2] Isolatiekap
[3] Hoeksteun (toebehoren aansluitset) ter bevestiging van het expansievat

De montage van de hoeksteun [3] is optioneel (wanneer het expansievat direct op de montageplaat moet worden aangebracht). Bij wandmontage moet de hoeksteun op deze plaats niet worden gemonteerd.
▶ Hoeksteun (toebehoren) voor expansievat (toebehoren) met de schroeven, moeren en vulringen uit de aansluitset op de montageplaat bevestigen.
▶ Monteer de rvs-houder voor de dubbele zonneleiding (toebehoren) met de bouten en ringen op de montageplaat.
▶ Hang de montageplaat [1] aan de montagehaken en richt deze met behulp van de uitgestansde driehoeken uit op de felsrand.

Afb. 12 Uitrichten montageplaat
[1] Montageplaat

OPMERKING: Materiële schade aan de boiler!
Boor geen gaten voor de schroeven in de boiler; hierdoor kan schade aan de boiler ontstaan!
▶ Bevestig de montageplaat alleen met de meegeleverde zelftappende schroeven op de boiler.
▶ Bevestig de montageplaat met de zelftappende schroeven op de boiler. Let erop, dat de montageplaat correct is uitgelijnd en dat de schroeven naast de felsnaad in de boilermantel worden geschroefd. De schroefverbinding is alleen bedoeld om de montageplaat vast te zetten. Het gewicht wordt door de montagehaken gedragen.
▶ Verbindt de zonneslangen met de aanvoer en retour en let erop, dat de hoekstukken van de zonneslangen met de meegeleverde dichtingen op de boiler worden aangebracht.
5.2 Elektrische aansluiting

GEVAAR: Levensgevaar door elektrocutie!
▶ Voor werkzaamheden aan het elektrische deel de voedingsspanning (230 V AC) onderbreken (zekering, vermogensautomaat) en beveiligen tegen onbedoeld herinschakelen.

De stroomaansluiting mag alleen door een erkend installateur worden uitgevoerd.

OPMERKING: Beschadiging van de pomp door drooglopen!
▶ Stel de pomp pas in bedrijf, wanneer het leidingsysteem met leidingwater is gevuld.

Schakel de CV-ketel niet stroomloos tijdens de vakantie of zomerperiode, omdat hierdoor ook het zonnesysteem uit bedrijf genomen wordt.
Het zonnestation is compleet voorbedraad.
▶ Verbindt de voedingskabel en de BUS-kabel met de regelaar in de cv-installatie.
▶ Steek de boilertemperatuursensor in de boilerdompelhuls.
▶ Verbindt de collectorsensorkabel (klem) met de collectorsensor.
▶ Steek de kabel goed in de kabelhouderclip om beschadiging van de kabel te voorkomen (→ afb. 4, pagina 5).
- De regelaar kan indien nodig zijwaarts van de montageplaat worden afgetrokken.
- Buit de randen van de regelaarrail terug.
- Trek de regelaar zijwaarts van de montageplaat.
5.3 Expansievat en voorschakelvat aansluiten

Het voorschakelvat (indien aanwezig) en het expansievat evenals de aangesloten leidingen tot aan de veiligheidsgroep mogen niet geïsoleerd worden.
5.3.1 Voorschakelvat bij vacuümcollectoren monteren (toebehoren)
Bij vacuümbuiscollectoren is een voorschakelvat nodig, wanneer bij installaties voor pure tapwatervoorziening de dekkingsgraad van de installatie meer dan 60 % bedraagt.
Het voorschakelvat beschermt het expansievat voor ontoelaatbaar hoge temperaturen.
| 5 liter 12 liter | ||
| Hoogte 270 mm 270 mm | ||
| Diameter 160 mm 270 mm | ||
| Aansluiting | 2 x R 34 " | 2 x R 34 " |
| Maximale bedrijfsdruk | 10 bar | 10 bar |
Tab. 4 Technische gegevens voorschakelvat
Voorschakelopvangvat aansluiten
Wanneer de leiding naar het expansievat stijgend moet worden gelegd, dan moet een extra ontluchting worden ingebouwd.

WAARSCHUWING: Gevaar voor lichamelijk letsel! Wanneer het overstortventiel beschadigd raakt, kan dit explosie-achtige gevolgen hebben.
Ter bescherming van het overstortventiel tegen te hoge temperaturen:
▶ Voorschakel- en expansievat met een T-stuk (G 3/4 A buiten met vlakke dichting, lokaal) 20 tot 30 cm boven het zonnestation in de retour installeren.
▶ Bevestig de leidingen van en naar het voorschakelvat met leidingbeugels [2]. Het voorschakelvat moet in verticale positie gemonteerd worden.
▶ Expansievat [1] met een koperen leiding op het voorschakelvat aansluiten.
- Sluit de aansluiting onder het overstortventiel met kap 34 " lokaal af.

Afb. 13 Montage van het voorschakelvat
[1] Expansievat
[2] Leidingbeugel (bouwzijdig)
[3] Voorschakelvat
[4] RVS-golfbuis van de aansluitset voor het expansievat (toebehoren)
5.3.2 Monteer expansievat (toebehoren)

WAARSCHUWING: Gevaar voor lichamelijk letsel! Wanneer het overstortventiel beschadigd raakt, kan dit explosie-achtige gevolgen hebben.
Ter bescherming van het overstortventiel tegen te hoge temperaturen:
▶ Voorschakel- en expansievat met een T-stuk (G 3/4 A buiten met vlakke dichting, lokaal) 20 tot 30 cm boven het zonnestation in de retour installeren.

Installeer de leiding met permanente stijging, zodat de lucht uit de leiding en het expansievat kan ontwijken.
Het expansievat (toebehoren) kan met behulp van een hoeksteun (toebehoren) op de montageplaat van het zonnestation worden gemonteerd.
- Gebruik de aanwezige boorgaten om het expansievat aan de zijkant op de montageplaat te monteren.
▶ Monteer het expansievat met de meegeleverde schroeven, moeren en vulringen.
▶ Expansievat [1] in de retour op de veiligheidsgroep van het zonnestation aansluiten.

Afb. 14
[1] Expansievat
[2] RVS-ribbelbuis van de aansluitset (toebehoren)
[3] Hoeksteun (toebehoren aansluitset)
[4] Overstortventiel
5.3.3 Voordruk van het expansievat aanpassen

De voordruk van het expansievat wordt berekend uit de statische installatiehoogte 1) plus een toeslag.
▶ Reken de voordruk uit en stel deze in, echter minimaal 1,2 bar.
| VK...-1 FKC-2/FKT-1 | ||
| Statische hoogte1) | (10 m) 1,0 bar (10 m) | 1,0 bar |
| + toeslag + 0,4 bar + 1,7 bar | ||
| = voordruk AG = 1,4 bar = 1,7 bar | ||
Tab. 5 Voorbeeldberekening
1) Een meter hoogteverschil (tussen collectorveld en zonnestation) komt overeen met 0,1 bar
Om het maximaal bruikbare volume ter beschikking te stellen:
▶ Stel de voordruk in bij onbelast vat (zonder vloeistofdruk).
▶ Wanneer de berekende voordruk hoger of lager is dan de in de fabriek ingestelde voordruk moet u de voordruk overeenkomstig corrigeren.
5.4 Leidingen en overloopleiding op het zonnestation aansluiten

WAARSCHUWING: Persoonlijk letsel en materiële schade door hete solarvloeistof!
▶ Voer de afblaasleiding uit in de afmeting van de uitlaatdoorsnede van het overstortventiel (maximaal 2 m lang en maximaal 2 bochten).

De bovenste leidingen zijwaarts naar achteren uit het zonnestation leiden, anders kan de mantel niet meer worden aangebracht.
Kort de leidingen zodanig in, dat deze tot aan de aanslag in de klemringkoppeling [4] kunnen worden geschoven.
▶ Overstortleiding [3] zichtbaar in het opvangvat [1] laten uitmonden en vastzetten met een leidingbeugel [2].

Het opvangvat (container) kan evt. onder in het zonne-station worden geplaatst. Opvangvat in passende grootte is als toebehoren leverbaar

Om de onderste knelkoppelingen vast te kunnen zetten, kunt u het aansluitblok vasthouden op de met gemarkeerde plaatsen [5] met een steeksleutel of een pijp-tang.

Afb. 15 Aansluiting op het zonnestation
[1] Leeg vat (opvangvat)
[2] Leidingbeugel (bouwzijdig)
[3] Overstortleiding (niet meegeleverd)
[4] Knelkoppeling
[5] Aanzetpunten voor tegenhouden van de schroefverbinding
5.5 Temperatuursensor monteren
De temperatuursensoren zijn beveiligd tegen onpolen.
5.5.1 Collectortemperatuursensor

Gebruik een waterdichte aansluitdoos, wanneer het gevaar bestaat, dat de leiding naar de collectortemperatuursensor ter hoogte van de regelaar nat of vochtig kan worden.
▶ Verleng de sensorkabel met een tweeaderige kabel:
-tot50m = 2 × 0.75mm2
- tot 100 m = 2 x 1,5 mm 2
▶ Bescherm de verbindingen boven en onder eventueel met een aansluitdoos.
5.5.2 Boilertemperatuursensor onder
De montageinstructies en -gegevens kunt u in de installatiehandleidingen voor boiler en regelaar vinden.
6 In bedrijf nemen

OPMERKING: Schade aan de collectoren door verdamping in het zonnecircuit of bevroren water!
▶ Spoel en vul het zonnesysteem alleen dan, wanneer de zon niet op de collectoren schijnt en er geen vorst (bij spoelen met water) wordt verwacht.

Houdt bij het vullen van de solarvloeistof rekening met het extra volume van het voorschakelvat (mits geïnstalleerd).
Het voorschakelvat en het expansievat moeten voldoende worden ontlucht.

De pomp in het zonnestation is tijdens bedrijf zelfontluchtend en hoeft daarom niet met de hand te worden ontlucht.
6.1 Gebruik van solarvloeistof

VOORZICHTIG: Gevaar voor letsel door contact met solarvloeistof!
▶ Draag bij de omgang met solarvloeistof handschoenen en een veiligheidsbril.
▶ Wanneer solarvloeistof op de huid komt: solarvloeistof met water en zeep afwassen.
▶ Wanneer er solarvloeistof in uw ogen komt, moet u uw ogen, met opengesperde oogleden, meteen grondig onder stromend water uitspoelen en een arts consulteren.
De solarvloeistof is gebruiksklaar gemengd. Zo wordt er een veilige werking gegarandeerd binnen het aangegeven temperatuurbereik, is de installatie beschermd tegen vorst en wordt er een hoge bescherming tegen verdamping geboden.

OPMERKING: Schade aan de installatie door onbruikbare solarvloeistof.
▶ Solarvloeistof LS niet met andere solarvloeistoffen mengen.
▶ Wanneer het zonnesysteem langer dan 4 weken stilstaat, collectoren afdekken.
De solarvloeistof is biologisch afbreekbaar. Een veiligheidsspecificatieblad met meer informatie kan bij de leverancier worden opgevraagd. Gebruik de collectoren alleen met de volgend solarvloeistof:
Collectortype Solarvloeistof Temperatuurbereik
6.2 Spoelen en vullen met vulstation (onder druk vullen)

Respecteer de handleiding, die met het vulstation wordt meegeleverd.
Het vulstation genereert tijdens het vullen met solarvloeistof een zeer hoog debiet. Daardoor wordt de lucht die zich in het systeem bevindt, in het reservoir gedrukt. Er is geen ontluchter op het dak nodig.
Restlucht, die zich nog in de vloeistof bevindt, wordt via de ontluchting van het zonnestation, of via een extra ontluchter in de leiding (lokaal, → hoofdstuk 4.2) afgescheiden.

Afb. 16 Onderdelen van een vulstation
[1] Persslang (vulslang)
[2] Retourslang
[3] Solarvulpomp
[4] Container
Expansievat demonteren
Het verdient aanbeveling het expansievat voor het luchtvrijspoelen te demonteren. Deze demontage moet aan de onderste koppeling van de expansievataansluitset worden uitgevoerd omdat tijdens het spoelen de aanvoerleiding naar het expansievat wordt gevuld.
Wanneer het expansievat niet wordt gedemonteerd, wordt het expansievat vanwege het drukverschil met te veel medium gevuld. Dit medium wordt bij het uitschakelen van de solarvulpomp weer terug in het vat gedrukt. Eventueel kan het vat overlopen (wanneer tijdens het vullen wordt bijgevuld, om het minimale niveau niet te onderschrijden).
De demontage van het expansievat kan komen te vervallen, wanneer een afsluiter met ontluchtingsmogelijkheid direct voor het expansievat wordt gemonteerd. Dan kan tijdens het vullen m.b.v. de afsluiter het expansievat worden afgesloten.
6.2.1 Parallel geschakelde collectorvelden

WAARSCHUWING: Gevaar voor lichamelijk letsel! Wanneer de leiding naar het overstortventiel wordt afge- sloten, kan dit explosie-achtige gevolgen hebben.
▶ Monteer afsluitarmaturen alleen in de aanvoer, zodat het overstortventiel niet wordt geblokkeerd.
Bij parallel geschakelde collectorvelden moet ieder afzonderlijk collectorveld worden gespoeld.
▶ Monteer in de aanvoer glycol- en temperatuurbestendige afsluiters [1].

flowchart
graph TD
A["Input Port 1"] --> B["Column 1"]
B --> C["Column 2"]
C --> D["Column 3"]
D --> E["Column 4"]
E --> F["Column 5"]
F --> G["Output Port 6720644675.04-1.ST"]
style A fill:#f9f,stroke:#333
style G fill:#bbf,stroke:#333
Afb. 17 Spoelen van parallel geschakelde collectorvelden
[1] Afsluiter (lokaal)
6.2.2 Vul het zonnesysteem en spoel deze luchtvrij
▶ Vul het zonnesysteem in drie stappen:
- Onder het zonnestation
- Boven het zonnestation
- Zonnesysteem luchtvrij spoelen.
Vul het zonnesysteem onder het zonnestation
▶ Sluit het vulstation aan, zoals in afb. 18 is weergegeven.
▶ Open en sluit de kogelkraan [2] meerdere keren aan het begin van de vulprocedure.
De lucht wordt uit de pomp verdrongen.
▶ Sluit de kogelkraan [2].
- Til tijdens het vullen af en toe de zonneslangen tussen boiler en zonne-station op, om evt. luchtzakken te vermijden.
▶ Vul het zonnesysteem tot er geen luchtbellen meer in de slang en in het vulstation zichtbaar zijn.

Afb. 18 Vullen onder het zonnestation
[1] Vul- en aftapkranen
[2] Kogelkraan en terugslagklep gesloten
Zonnesysteem boven het zonnestation vullen
▶ Sluit het vulstation aan, zoals in afb. 19 is weergegeven.
▶ Laat de kogelkraan gesloten.
▶ Vul het zonnesysteem tot er geen luchtbellen meer in de slang en in het vulstation zichtbaar zijn.

Afb. 19 Vullen boven het zonnestation
[1] Vul- en aftapkraan
[2] Kogelkraan gesloten
Zonnesysteem luchtvrij spoelen

Respecteer de handleiding, die met het vulstation wordt meegeleverd.
▶ Sluit het vulstation aan, zoals in afb. 20 is weergegeven.
Langzaam spoelen, dan het debiet stapsgewijs verhogen.
▶ Spoel de leidingen gedurende ca. 30 minuten, tot de solarvloeistof in de slangen en in de container zonder luchtbellen is.
Tijdens het spoelen de vul- en aftapkraan [2] meerdere malen kortstondig smoren en daarna snel geheel openen. Daardoor kunnen de opgehoopte luchtbellen in de leiding loskomen.
▶ Spoel het bypass-traject via de doorstroombegrenzer luchtvrij door tijdelijk schuin draaien van de rechter kogelkraan (45°, terugslagklep handmatig open).
▶ Dichtheidstest uitvoeren - daarbij de toegestane drukken van alle modules bewaken.

Afb. 20 Spoelen van het standaardsysteem
[1] Kogelkraan en terugslagklep op thermometer geopend (45°-stand)
[2] Vul- en aftapkraan op de doorstroombegrenzer
6.2.3 Het vullen afsluiten en bedrijfsdruk instellen

De bedrijfsdruk moet 0,7 bar boven de statische druk 1) liggen.
▶ Bepaal de bedrijfsdruk en stel deze in; echter minimaal 1,5 bar (in koude toestand 20 °C).
| FKC-2/FKT-1 VK...-1 | ||
| Statische hoogte 1) | (10 m) 1,0 bar (10 m) | 1,0 bar |
| + toeslag | + 0,7 bar | + 2,0 bar |
| = bedrijfsdruk | = 1,7 bar | = 3,0 bar |
Tab. 7 Voorbeeld: collectorafhankelijke bedrijfsdruk
1) Een meter hoogteverschil (tussen collectorveld en zonnestation) komt overeen met 0,1 bar
- Sluit de vul- en aftapkraan op de veiligheidsgroep [4], op de door-stroombegrenzer [5] en op de ontluchting [1].
▶ Na het inschakelen van de pomp: vul- en aftapkraan [4] op de inlaat-combinatie langzaam openen, tot de benodigde bedrijfsdruk is bereikt. Sluit daarna weer de aftapkraan [4].
▶ Pomp uitschakelen.
▶ Zet de kogelkraan [3] op 0° (terugslagklep bedrijfsklaar).
Zonnepomp op de hoogste snelheid instellen en minimaal 15 minuten laten draaien, zodat de nog resterende lucht zich in de ontluchter kan verzamelen.
▶ Ontluchter [2] ontluchten en evt. de bedrijfsdruk corrigeren.

Afb. 21 Vul- en aftapkraan sluiten en openen
[1] Vul- en aftapkraan op ontluchter
[2] Ontluchtingsschroef op de ontluchting
[3] Kogelkraan op stand 0° (terugslagklep bedrijfsklaar)
[4] Vul- en aftapkraan op de veiligheidsgroep
[5] Vul- en aftapkraan op de debietmeter
6.2.4 Controleer of het zonnesysteem vrij is van lucht
▶ Zonnepomp handmatig in- en uitschakelen.
▶ Controleer tijdens het schakelen de zwarte wijzer van de manometer [1] op de inlaatcombinatie.

Wanneer de zwarte wijzer van de manometer [1] bij het in- en uitschakelen van de zonnepomp drukvariaties aangeeft, dan moet het zonnesysteem verder worden ontlucht.

Afb. 22 Manometeraanwijzing controleren
[1] Manometer

Het demonteren en reinigen van het vulstation is opgenomen in de handleiding, die met het vulstation is meegeleverd.
6.3 Vorstbeschermingstemperatuur bepalen
Om de vorstbeschermingstemperatuur te bepalen, verdient het aanbeveling bij de eerste inbedrijfname de vorstbeveiliging van de solarvloeistof te controleren met een vorstbeveiligingsmeetinstrument (Glykomat of refractometer).

OPMERKING: Vorstschade
- Controleer iedere 2 jaar of de benodigde vorstbescherming tot minimaal -25 °C is gewaarborgd.
Glycomaten voor vrachtwagenvloeistoffen zijn hiervoor niet geschikt. Een geschikt instrument kan afzonderlijk besteld worden.
Bij installatiebedrijf met solarvloeistof LS
Wanneer het zonnesysteem met solarvloeistof LS wordt gebruikt, moet de waarde aan de hand van tab. 8 worden omgerekend.
| Afgelezen waarde bij solarvloeistof L (concentratie) | Komt overeen met vorstbescherming bij solarvloeistof LS |
| -23°C (39%) - 28°C | |
| -20°C (36%) - 25°C | |
| -18°C (34%) - 23°C | |
| -16°C (31%) - 21°C | |
| -14°C (29%) - 19°C | |
| -11°C (24%) - 16°C | |
| -10°C (23%) - 15°C | |
| -8°C (19%) - 13°C | |
| -6°C (15%) - 11°C | |
| -5°C (13%) - 10°C | |
| -3°C (8%) - 8°C |
Tab. 8
Wanneer de minimale vorstbescherming niet wordt gehaald, dan moet solarvloeistofconcentraat worden bijgevuld.
- Om de exacte bijvulhoeveelheid te bepalen, het installatievolume conform tab. 9 bepalen. De bijvulhoeveelheid komt overeen met de hoeveelheid, die eerder werd afgetapt.
| Installatieonderdeel Vulvolume | |
| Collectoren Zie planningsdocumentatie | resp. documentatie betreffende de producten |
| 1 zonnestation 0,50 l | |
| 1 warmtewisselaar in de zonneboiler | 290 l boiler: 5,8 l400 l boiler: 12,1 l |
| 1 m koperleiding ∅ 15 mm | 0,13 l |
| 1 m koperleiding ∅ 18 mm | 0,20 l |
| 1 m koperleiding ∅ 22 mm | 0,31 l |
| 1 m koperleiding ∅ 28 mm | 0,53 l |
| 1 m koperleiding ∅ 35 mm | 0,86 l |
| 1 m koperleiding ∅ 42 mm | 1,26 l |
| 1 m rvs-golfbuis DN16 0,26 l | |
| 1 m rvs-golfbuis DN20 0,41 l | |
| 1 m rvs-golfbuis DN25 0,61 l | |
Tab. 9 Vulvolume van de afzonderlijke installatieonderdelen
- Bijvulhoeveelheid (V vervang ) van het concentraat bepalen met de volgende formule.
V _ vervang = V _ tot × 4 5 - C _ concentratie 1 0 0 - C _ concentratie
Tab. 10 Formule voor de berekening van de te vervangen vloeistof
Voorbeeld voor solarvloeistof L:
• Installatievolume (V tot ): 221
• Vorstbeveiliging (afgelezen waarde): - 14 °C
- Komt overeen met concentratie (→ tab. 8, pagina 14): 29 % (C = 29)
- Resultaat: Vvervang = 4,9 liter.
▶ Berekende navulhoeveelheid ( Vvervang ) aftappen en concentraat bijvullen.
6.4 Doorstroomhoeveelheid instellen
Het zonnestation met geïntegreerde regelaar bevat een hoogrendementpomp, die via een stuursignaal wordt gemoduleerd en daarom geen trappenschakelaar heeft.
Wanneer de regelaar niet met een toerentalregeling is uitgerust of wanneer deze is uitgeschakeld, dan moet de doorstroomhoeveelheid op een vast debiet worden ingesteld.
Het debiet wordt in koude toestand (30 - 40 °C) ingesteld.
Instelling van het debiet is bij een hoogrendement-zonnepomp niet nodig. Alle hierna beschreven punten hebben betrekking op het gebruik van een standaard zonnepomp.
- Wanneer de zonnepomp toerentalgeregeld wordt gebruikt, bepaalt de regelaar afhankelijk van de bedrijfsomstandigheden de doorstroomhoeveelheid.
Wanneer u het debiet wilt instellen:
- Voorwerkzaamheden uitvoeren (→ hoofdstuk 6.4.1)
- Debiet controleren (→ hoofdstuk 6.4.2)
- Debiet instellen (→ hoofdstuk 6.4.3)
6.4.1 Voorwerkzaamheden uitvoeren
▶ Zet de kogelkraan [1] op 0° (terugslagklep bedrijfsklaar).
▶ Debietbegrenzer [3] compleet openen.
▶ Op de regelaar de bedrijfsstand "handbedrijf AAN" kiezen (→ handleiding regelaar).

[1] Terugslagklep bedrijfsgereed
[2] Pompschakelaar op de zonnepomp
[3] Instelschroef op de doorstroombegrenzer
[4] Afleeszijde voor de doorstroomhoeveelheid
6.4.2 Debiet controlleren
▶ Benodigd debiet (bij 30 - 40 °C in retour) uit tab. 11 aflezen.

De specificaties in tab. 11 gelden voor eenrijige of parallel geschakelde meerrijige collectorvelden. In serie geschakelde collectorvelden moeten via het te bepalen totale debiet worden ingesteld (→ planningsdocumentatie).
In het venster van de doorstroombegrenzer het debiet controleren [4].
▶ Stel als voorinstelling van het debiet de stappenschakelaar van de zonnepomp [2] zodanig in, dat het benodigde debiet bij de zo laag mogelijke pompstand wordt bereikt.

Wanneer het gegeven debiet bij de hoogste pompstand van de pomp niet wordt bereikt:
▶ Controleer de toegestane leidinglengte en dimensionering (→ hoofdstuk 4.1).
▶ Pas indien nodig een krachtiger pomp toe.
| Aantal | FKC-2/FKT-1 VK140-1 VK280-1 | ||
| I/min1) | 6 buizen I/min2) | 12 buizen I/min3) | |
| 1 | 1 | -- 1,5 | |
| 2 | 1,5 - 2 | 1,5 | 3 |
| 3 | 2,5 - 3 | 2,5 | 4,5 - 5 |
| 4 | 3 - 4 | 3 - 3,5 | 6 - 6,5 |
Tab. 11 Debiet bij 30 - 40 °C in de retour afhankelijk van type en aantal collectoren
1) Nom. debiet per collector: 50 l/h
2) Nom. debiet per collector: 46 l/h
3) Nom. debiet per collector: 92 l/h
6.4.3 Doorstroomhoeveelheid instellen
Bij zonnesystemen tot 4 vlakke collectoren (of 3 vacuümbuiscollectoren) kan het nodig zijn het debiet te reduceren.
▶ Stel op de zonneregelaar het toerental in op 100 % (→ handleiding van de regelaar: "Functietest").
Wanneer het maximaal debiet (→ tab. 12) wordt overschreden:
▶ Smoor het debiet via de debietbegrenzer [3] zover, tot het maximaal debiet weer wordt onderschreden.
Kies op de regelaar de bedrijfsmodus "Auto". De doorstroomhoeveelheid wordt afhankelijk van de bedrijfstoestand via het toerental van de zonnepomp geregeld.
▶ Sluit de instelschroef van de doorstroombegrenzer [3] zover tot in het venster de rand van de vlotter [4] het aanbevolen debiet aanwijst (→ tab. 12).
| Aantal | FKC-2/FKT-1 VK140-1 VK280-1 | |||
| I/min | 6 buizen I/min | 12 buizen I/min | ||
| 1 | 2,5 | -- 5 | ||
| 2 | 5 | 5 | 1 | 0 |
| 3 | 7,5 | 7,5 -- | ||
| 4 | 10 | 10 -- | ||
Tab. 12 Debiet (maximale doorstroming) bij 30 - 40 °C in de retour afhankelijk van type en aantal collectoren
▶ Kies op de regelaar de bedrijfsmodus "Auto".
Na de inbedrijfname
Door de viscositeit van de solarvloeistof wordt de lucht wezenlijk sterker vastgehouden dan in schoon water.
Zonnesysteem via ontluchting in het zonnestation [5] en via de ontluchter op het dak (indien aanwezig) na een aantal uren bedrijf van de zonnepomp ontluchten.

Afb. 24
[1] Terugslagklep bedrijfsklaar
[2] Zonne-energiepomp
[3] Instelschroef op de doorstroombegrenzer
[4] Afleeszijde voor de doorstroomhoeveelheid
[5] Ontluchting op luchtafscheider
6.5 Afsluitende werkzaamheden
Om het zonnestation te sluiten:
▶ Isolatiekap op het zonnestation schuiven.

Afb. 25 Plaatsen isolatiekap
▶ Schuif de mantel zijwaarts op het zonnestation en til deze aan het eind iets op.
De mantel wordt door inhaken vastgezet.
▶ Plaats het deksel van de boiler.

Afb. 26 Monteer de mantel en plaats het deksel

Om het zonnestation af te tappen:
▶ Maak de slang onder de pomp los en tap de inhoud af in een container.
7 Milieubescherming/afvoeren
Milieubescherming is een ondernemingsprincipe van de Bosch-groep. Kwaliteit van de producten, rendement en milieubescherming zijn voor ons gelijkwaardige doelstellingen. Wetten en voorschriften op het gebied van de milieubescherming worden strikt aangehouden. Ter bescherming van het milieu gebruiken wij, rekening houdend met bedrijfseconomische gezichtspunten, de best mogelijke techniek en materialen.
Verpakking
Voor wat de verpakking betreft, nemen wij deel aan de nationale verwerkingssystemen, die een optimale recyclage waarborgen.
Alle gebruikte verpakkingsmaterialen zijn milieuvriendelijk en kunnen worden hergebruikt.
Oude ketel
Oude ketels bevatten materialen, die hergebruikt kunnen worden.
De modules kunnen gemakkelijk worden gescheiden en de kunststoffen zijn gemarkeerd. Daardoor kunnen de verschillende componenten worden gesorteerd en voor recyclage worden aangeboden.
8 Inbedrijfstelling- inspectie- en onderhoudsprotocol

GEVAAR: Voor valpartijen!
▶ Bij alle werkzaamheden op het dak beveiligen tegen vallen.
▶ Wanneer geen onafhankelijk valbeveiliging aanwezig is, persoonlijke beschermingsuitrusting dragen.

GEVAAR: Levensgevaar door elektrocutie!
▶ Voor werkzaamheden aan het elektrische deel de voedingsspanning (230 V AC) onderbreken (zekering, vermogensautomaat) en beveiligen tegen onbedoeld herinschakelen.

De inbedrijfstelling, inspectie en het onderhoud van de ketel mogen alleen door een erkend installateur worden uitgevoerd.

Respecteer de handleidingen van de componenten!
We raden u aan de eerste inspectie of het eerste onderhoud uit te voeren na ca. 500 bedrijfsuren.
▶ Controleer het zonnesysteem met tussenpozen van minimaal 2 jaar (inspectie). Gebreken direct verhelpen (onderhoud).
▶ Werkzaamheden uitvoeren en protocol invullen.
Algemene specificaties zonnesysteem
| Gebruiker: | Plaats: | |
| Collectortype: | Aantal | collectoren: |
| Uitrichting collectorveld (bijv. zuiden): Hellingshoek collectorveld: | ||
| Collectormontage (horizontaal, verticaal): Montageset (bijv. op het dak): | ||
| Type zonnestation: Statische hoogte tot collectoren: | ||
| Grootte expansievat (I): Voordruk expansievat (onbelast): | ||
| Overstortventiel type: Activeringsdruk overstortventiel: | ||
| Type regelaar: Aantal verbruikers (boiler, zwembad enz.): | ||
| Boiler 1 type en inhoud: Boiler 1 inhoud warmtewisselaar: | ||
| Boiler 2 type en inhoud: Boiler 2 inhoud warmtewisselaar: | ||
| Overige: | ||
Tab. 13
| Inbedrijfstelling, inspectie en onderhoud | Pagina | In bedrijf nemen | Inspectie/Onderhoud | |||
| 1. 2. 3. | ||||||
| Datum: | ||||||
| Zonnesysteem | ||||||
| 1. | Leidingen (aanvoer en retour) geinstalleerd en geaard? | 6 | ☐ | - | - | - |
| 2. | Leidingen gespoeld en dichtheidstest uitgevoerd? | 12 | ☐ | - | - | - |
| 3. | Ontluchter gesloten? ☐ - - - | |||||
| 4. | Voordruk van het expansievat gecontroleerd? 10 _ bar - - | - | ||||
| 5. | Luchtophopingen in het zonnesysteem gecheckt? | 14 | ☐ | - | - | - |
| 6. | pH-waarde van de solarvloeistof gecontroleerd? Solarvloeistof verversen, wanneer de waarde ≤ 7 is (solarvloeistof bruin gekleurd, sterke geur) 1) | - | ☐ | ☐ | ☐ | |
| 7. | Vorstbeveiliging tot _ °C gecontroleerd en geanalyseerd? | 14 | _ °C | _ °C | _ °C | _ °C |
| Vorstbeveiliging gewaarborgd tot _ (maand/jaar)(a.u.b. vorstbeveiliging ten laatste iedere twee jaar controleren!) | ||||||
| 8. | Thermostatisch tapwatermengventiel in bedrijf (indien aanwezig)? | ☐ | ☐ | ☐ | ☐ | |
| Zonnestation | ||||||
| 1. | Bedrijfsdruk in koude installatietoestand meten en invullen. | 13 | _ bar | _ bar | _ bar | _ bar |
| 2. | Debiet (doorstroomhoeveelheid) in koude installatietoestand gecontroleerd en ingevuld? | 15 | _ l/min | _ l/min | _ l/min | _ l/min |
| Instelling van de zonnepomp (bij hoogrendement-zonnepomp niet mogelijk) | ||||||
| 3. | Terugslagkleppen bedrijfsgereed (gesloten)? | 15 | ☐ | ☐ | ☐ | ☐ |
| 4. | Installatie via luchtafscheider en ontluchter op het dak (indien aanwezig) voldoende ontlucht? | 16 ☐ | ☐ | ☐ | ☐ | |
| 5. | Werking van de pompen in de posities (aan/uit/auto) getest? | ☐ | ☐ | ☐ | ☐ | |
| Collectorveld | ||||||
| 1. | Visuele inspectie van de collectoren uitgevoerd (goede bevestiging, optische indruk)? | 2) | ☐ | 3) | 3) | 3) |
| 2. | Collectortemperatuursensor juist gepositioneerd en tot aan de aanslag in de dompelbuis geschoven en met de schroefdraadkoppeling vastgezet? | ☐ | 3) | 3) | 3) | |
| 3. | Visuele controle van het montagesysteem uitgevoerd? | ☐ | 3) | 3) | 3) | |
| 4. | Visuele inspectie van de overgangen tussen het montagesysteem en de dakbedekking op lekdichtheid uitgevoerd? | ☐ | 3) | 3) | 3) | |
| 5. | Visuele inspectie van de leidingisolatie uitgevoerd? | ☐ | 3) | 3) | 3) | |
| 6. | Visuele inspectie van de glasvensters. Reiniging bij sterke vervuiling? | 3) | 3) | 3) | 3) | |
| 7. | Naverwarming in staat te functioneren? | ☐ | ☐ | ☐ | ☐ | |
| Zonneboiler | ||||||
| 1. | Onderhoud aan zonneboiler uitgevoerd? | 2) | - | ☐ | ☐ | ☐ |
| Regeling | ||||||
| 1. | Bedrijfsuren van de zonnepomp P1: tijdsperiode van _ to _ / _ h | 2) | - _ _ _ _ h | - _ _ _ h | - _ _ _ h | - _ _ _ h |
| Bedrijfsuren van de zonnepomp P2: Periode van _ to _ / _ h(per jaar draait een installatie ca. 1200 - 2500 uur) 4) | - _ _ _ h | - _ _ _ h | - _ _ _ h | - _ _ _ h | ||
| 3. | In-/uitschakeltemperatuurverschil van de zonnepomp ΔT pomp 1 gecontroleerd en ingevuld? | _K/_ K | _K/_ K | _K/_ K | _K/_ K | |
| In-/uitschakeltemperatuurverschil van de zonnepomp ΔT pomp 2 gecontroleerd en ingevuld? | _K/_ K | _K/_ K | _K/_ K | _K/_ K | ||
| 4. | Temperatuuraanwijzing van alle temperatuursensoren (weerstandswaarde gecontroleerd)? | ☐ | ☐ | ☐ | ☐ | |
| 5. | Temperatuursensor correct gepositioneerd, geïsoleerd en aangesloten? | ☐ | ☐ | ☐ | ☐ | |
| 6. | Maximumtemperatuur van de boiler Tmax voor zonneboiler 1 nagegaan en ingevuld? | ____°C____°C____ | °C____°C | |||
| Maximumtemperatuur van de boiler Tmax voor zonneboiler 2 nagegaan en ingevuld? | ____°C____°C____ | °C____°C | ||||
| 7. | Wordt de gewenste temperatuur (naverwarming) van de regeling gehaald? | ☐ | ☐ | ☐ | ☐ | |
| Warmtemeter (indien aanwezig) | ||||||
| 1. Tijdsperiode van ____ tot ____/____kWh | 2) | ______kWh | ______kWh | ______kWh | ______kWh | |
| 2. | Temperatuursensor correct gepositioneerd, geïsoleerd en aangesloten? | ☐ | ☐ | ☐ | ☐ | |
| Opmerkingen | ||||||
| Het zonnesysteem werd conform alle handleidingen gemonteerd en in bedrijf genomen, geënspecteerd en onderhouden. | ☐ ☐ | ☐ | ☐ | |||
| De eigenaar werd over de werking en bediening van het zonnesysteem geïnformeerd. | ☐ | ☐ | ☐ | ☐ | ||
| Firmastempel/datum/handtekening | ||||||
Tab. 14
Tab. 14
1) pH-waarde = indicator voor het zuurgehalte van een vloeistof; meetstaafje verkrijgbaar bij apotheek of servicekoffer.
2) Zie handleiding onderdeel.
3) Indien nodig.
4) Afhankelijk van specifieke installatie-omstandigheden.
9 Storingen
Opmerkingen betreffende storingen vindt u ook in de installatiehandleiding van de regelaar.
| Soort storing | ||
| Effect Mogelijke oorzaken Oplossing | ||
| De pomp draait niet, hoewel aan de inschakelvoorwaarden is voldaan. | ||
| De zonneboiler wordt niet opge-warmd door de zonne-energie. | De pomp is defect. Pomp controleren, indien nodig vervangen. | |
| De pomp zit vast als gevolg van een mechanische blokkade. | Draai de gleufschroef op de pompkop los en de pompas met een schroevendraaier. Niet tegen de pompas slaan! | |
| De pomp wordt via de regelaar niet direct aangestuurd. | Zie handleiding regelaar. | |
| Pomp schakelt constant aan en uit. | ||
| Opbrengst zonne-energie te laag. | Te gering verschil bij in- en uitschakeltemperatuur van de regelaar. | Instellingen regelaar controleren. |
| Debiet te hoog. | Doorstroomhoeveelheid controleren en instellen. | |
| Positie temperatuursensor of -aansluiting onjuist. | Controleer de positie van de temperatuursensor. | |
| Pomp schakelt niet uit. | ||
| Warmte wordt uit de boiler ge-transporteerd. | Temperatuursensor defect of op verkeerde positie. | Positie, montage en karakteristiek van de temperatuursensor controleren. |
| Regelaar defect. | Opmerking: toerentalgeregelde pompen schakelen niet direct af, maar pas na het bereiken van het laagste toerental. | |
| Te heet tapwater. | ||
| Gevaar voor brandwonden | De begrenzing van de boilertemperatuur en de mengkraan is te hoog ingesteld. | De begrenzing van de boilertemperatuur en de tapmengkraan lager instellen. |
| Tapwatermenger defect | Tapwatermenger controleren, indien nodig vervangen. | |
| Te koud tapwater (of te geringe hoeveelheid warm tapwater). | ||
| De temperatuurregelaar voor warm water op de ketel, de thermostaat of de mengkraan is te laag ingesteld. | Temperatuurinstelling conform de bijbehorende handleiding uitvoeren (maximaal 60 °C).Werking van de naverwarming controleren. | |
Tab. 15
| Soort storing | ||
| Effect Mogelijke oorzaken Oplossing | ||
| Temperatuurverschil in het zonnecircuit te hoog / te hoge aanvoertemperatuur / te snel hoge collectortemperatuur | ||
| Opbrengst zonne-energie te laag of schade aan installatie. | Defecte temperatuursensor of regelaarfunctie. | Instellingen temperatuursensor en regelaar controleren. |
| Lucht in systeem. | Ontlucht de installatie. | |
| Debiet te klein. | Doorstroomhoeveelheid controleren / instellen. | |
| Verstopte leiding. | Leidingen controleren / spoelen. | |
| Collectorvelden niet hydraulisch ingeregeld. | Hydraulische inregeling uitvoeren. | |
| Drukverlies in de installatie. | ||
| Opbrengst zonne-energie te laag. | Verlies van solarvloeistof op de verbindingen. | Lekkende plaatsen hardsolderen. Afdichtingen vervangen. Koppelingen natrekken. |
| Verlies van solarvloeistof door geopend veiligheidsventiel. | Expansievat, voordruk en grootte controleren. | |
| Stoom door geopende ontluchter ontweken (normaal bedrijf). | Ontluchter na het ontluchten sluiten. | |
| Vorstschade. | Vorstbeveiliging controleren. | |
| Geen debiet zichtbaar op doorstroomindicatie ondanks draaiende pomp. | ||
| Opbrengst zonne-energie te laag. | Afsluiters zijn gesloten. Open de afsluiters. | |
| Lucht in systeem. | Ontlucht de installatie. | |
| Aanwijzer op doorstroombegrenzer zit vast. | Doorstroombegrenzer reinigen. | |
| Geluid in collectorveld bij sterke zonnestralen (waterslag). | ||
| Lekkage in zonnecircuit. | Geen homogene doorstroming van de collectorvelden mogelijk. | Leidingwerk controleren. |
| Expansievat te klein of defect. | Dimensionering en voordruk van het expansievat en de werkdruk controleren. | |
| Pompcapaciteit te laag. | Controleer de pomp, indien nodig vervangen. | |
| Collector met collectortemperatuursensor in de schaduw. | Schaduw wegnemen. | |
| Aanvoer en retour verwisseld. | Controleer de leidingen, indien nodig verwisselen. | |
| Lucht in systeem. | Installatie ontluchten en leidingen op verval controleren. | |
| Zonneboiler koelt sterk af. | ||
| Hoge warmteverliezen. | Boilerisolatie defect of niet correct gemonteerd. | Isolatie controleren. Boileraansluitingen isoleren. |
| Regelaarinstelling naverwarming onjuist. | Instellingen ketelregelaar controleren. | |
| Eenpijpcirculatie (microcirculatie in de leidingen). | Warmteisolatielus uitvoeren. | |
| Circulatie t.g.v. thermosifonwerking via het collectorveld of de circulatieleiding of naververwarming. | Terugslagkleppen controleren. | |
| Tapwatercirculatie draait te vaak en/of 's nachts. | Schakeltijden en intervalbedrijf controleren. | |
| Bij instraling beslaan van collector gedurende langere tijd. | ||
| Condensaat in de collector. Ventilatie van de collector (bij beluchte collectoren) onvoldoende. | Ventilatieopeningen reinigen. | |
| Te lage installatiecapaciteit. | ||
| Opbrengst zonne-energie te laag. | Collectoren in de schaduw. Schaduw wegnemen. | |
| Lucht in de installatie. | Ontlucht de installatie. | |
| Pomp draait met verminderd vermogen. | Pomp controleren. | |
| Warmtewisselaar vervuild / verkalkt. | Warmtewisselaar spoelen / ontkalken. | |
| Sterke vervuiling op de collectorvensters. | Collectorvensters met glasreiniger (geen aceton) reinigen. | |
| Naverwarming draait ondanks goede zonne-instraling. | ||
| Opbrengst zonne-energie te laag. | Boilertemperatuursensor naverwarming defect of verkeerd ge-positioneerd. | Positie, montage en karakteristiek van de boilertemperatuursensor controleren. |
| Circulatie verkeerd aangesloten of te lang ingeschakeld. | Controleer de circulatieaansluiting en indien nodig de inschakelduur van de circulatie. | |
| Naverwarmingstemperatuur te hoog ingesteld. | Instellingen controleren. | |
| Lucht in de installatie. | Ontlucht de installatie. | |
| Regelaar defect. | Controleer de regelaar, indien nodig vervangen. | |
Tab. 15
Bijlage

27

6 720 804 400 01. ITL
28