Cerastar ZWN 24-7 KE - Ketel Junkers - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis Cerastar ZWN 24-7 KE Junkers in PDF-formaat.
Gebruikersvragen over Cerastar ZWN 24-7 KE Junkers
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Ketel in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding Cerastar ZWN 24-7 KE - Junkers en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. Cerastar ZWN 24-7 KE van het merk Junkers.
GEBRUIKSAANWIJZING Cerastar ZWN 24-7 KE Junkers
gasketels (low NOx) voor schouwaansluiting

Een onberispelijke werking kan slechts dan gewaarborgd worden, wanneer de technische voorschriften strikt opgevolgd worden. Wijzigingen voorbehouden.
Wij verzoeken U deze voorschriften aandachtig te lezen en ze aan de gebruiker te overhandigen. Deze laatste dient ze zorgvuldig te bewaren.
DE INSTALLATIE, DE INBEDRIJFSTELLING, HET ONDERHOUD EN DE NAVERKOOPSERVICE MOETEN DOOR EEN ERKENDE INSTALLATEUR GEBEUREN.
Deze gaswandketels dragen het keurmerk:
CE

cat. l_2E+ (aardgas)
cat. I_3+ (vloeibaar gas)
nv SERVICO sa
Kontichsesteenweg 60
2630 AARTSELAAR
TEL: 03 887 20 60
FAX: 03 877 01 29
- belangrijk 16
- installatie in een kast 16
- montageplaat 17
- bevestiging van de ketel 18
- rookgasafvoer (NBN B 61-002) 19
- hydraulische aansluiting 20
- gasaansluiting 21
- algemeen 22
-
toebehoren aansluiten 22
-
Heatronic openen 22
- verwarmingsregelingen of afstandsbedieningen aansluiten 23
- aansluiten aan een indirect gestookte boiler aan de ketel ZSN 24-7 KE 23
- aansluiten van een temperatuurbegrenzer TB 1in een vloerverwarmingsinstallatie 24
- externe toebehoren aansluiten 24
- circulatiepomp sanitair aansluiten 24
- externe drietraps circulatiepomp CV (ongemengde kring) aansluiten 24
- externe drietraps circulatiepomp (gemengde kring) aansluiten 24
INBEDRIJFNAME
- voor de inbedrijfname 25
- openen van het deksel 26
- verwarmingswaterdruk controlleren 26
- in-/uitschakelen 26
- verwarming inschakelen 27
- temperatuurregeling 27
- na de inbedrijfname 27
- warmwatertemperatuur instellen bij ketel ZSN 24-7 KE met boiler Storacell 27
- warmwatertemperatuur instellen bij ketel ZWN 24-7 KE 28
- zomerbedrijf 29
- vorstbeveiliging van de verwarmingsinstallatie 29
- vergrendeling van de Heatronic 29
- rookgasbeveiligingen 30
- pompblokkeringsbeveiliging 30
- thermische desinfectie voor ketel ZSN 24-7 KE met boiler 30
INHOUD
blz.
INDIVIDUELE INSTELLING 31
- grootte van het expansievat controleren 31
- Heatronic instellingen 31
- bediening van Heatronic 31
- servicefunctie kiezen 31
- overzicht van de servicefuncties 32
- serviceniveau 1 33
- serviceniveau 2 39
- tips voor energiebesparing 41
OMBOUW VAN EEN LAGETEMPEATUURKETEL NAAR EEN STANDAARDKETEL 42
GASREGELING 42
ONDERRICHTINGEN 43
- nota voor de installateur 43
- nota voor de gebruiker 43
- controle van de ketel 43
- reinigen van de mantel 43
CONTROLE EN ONDERHOUD 44
- belangrijke opmerkingen 44
- wisselstukken en smeermiddelen 44
- na controle en onderhoud 44
- checklist voor het onderhoud 45
- schoorsteenvegertoets 45
- CO-waarde in de rookgasafvoer meten 45
- waarde van het rookgasverlies meten 46
- laatste foutmelding oproepen 46
- filter in de koudwatertoevoer (enkel voor toestel ZWN) 46
- platenwarmtewisselaar (enkel voor toestel ZWN) 46
- verbrandingskamer, spuitstukken en brander reinigen 47
- warmtewisselaar reinigen 47
- rookgasbeveiligingen controleren 48
- expansievat controlleren 48
- verwarmingswaterdruk controleren 49
- elektrische bedrading 49
- elektroden reinigen 49
- overdrukventiel 49
- sanitaire warmwaterleiding (bij ZWN) 49
- opnieuw in gebruik nemen 49
AANDUIDINGEN IN HET DISPLAY VAN DE KETEL 50
STORINGEN 51
- storingen oplossen 51
- storingen die in het display getoond worden 52
- storingen die niet in het display getoond worden 54
- meetwaarden van de voelers 55
NUTTIGE INLICHTINGEN 56
BELANGRIJKE NOTA'S 57
WAARBORG 57
DIENST NA VERKOOP (met techniekers uit Uw regio) 60
1. VEILIGHEIDSVOORSCHRIFTEN EN VERKLARING VAN DE SYMBOLEN
1.1 Veiligheidsvoorschriften
Bij gasgeur
▶ Gaskraan dichtdraaien.
▶ Vensters en deuren openen.
▶ Geen elektrische schakelaars bedienen.
▶ Alle open vuur doven.
▶ Van op een andere plaats naar de gasmaatschappij, Uw installateur of JUNKERS telefoneren.
Bij geur van verbrande gassen
▶ Doof de gasketel.
▶ Vensters en deuren openen.
Verwittig uw installateur of JUNKERS.
Montage, wijzigingen
- Dit toestel dient door een bevoegde installateur te worden geplaatst. Hij dient zich te houden aan de geldende nationale en plaatselijke voorschriften.
In geval van twijfel dient hij zich te informeren bij de officiële instanties of bij SERVICO nv.
▶ De verluchtingsopeningen mogen niet afgesloten of beperkt worden.
Onderhoud
▶ Het onderhoud van de gasketel mag enkel door een erkend installateur gedaan worden.
▶ De installateur moet, op regelmatige tijdstippen, de gasketel onderhouden en controleren.
▶ Een jaarlijkse onderhoudsbeurt is aanbevolen (zie ook regionale reglementering ter zake).
Er mogen enkel originele wisselstukken gebruikt worden.
Explosieve en licht ontvlambare stoffen
- Gebruik of bewaar geen ontvlambare stoffen (papier, oplosmiddelen, verf) in de nabijheid van de gasketel.
Verbrandingslucht en omgevingslucht
- Om corrosie te vermijden mag de verbrandingslucht geen agressieve dampen bevatten (bvb. halogeen-koolwaterstoffen die chloor of fluor bevatten).
Onderrichtingen voor de gebruiker
▶ De gebruiker op de hoogte brengen van de bediening en de werking van de gasketel.
▶ De gebruiker verwittigen dat hij geen enkele wijziging noch herstelling zelf mag uitvoeren.
De gasketel werd niet ontworpen voor gebruik door personen (kinderen inbegrepen) met verminderde mentale en/of fysieke mogelijkheden of met een gebrek aan ervaring of kennis, tenzij bevoegde en verantwoorde personen hen de nodige instructies over het gebruik van de gasketel meegaven. Waak erover dat kinderen niet met de gasketel spelen.
▶ Reinig de mantel van het toestel met een vochtig doek.
1.2 Verklaring van de symbolen

Veiligheidsaanwijzingen in de tekst worden door middel van een grijs vlak en een gevarendriehoek aangeduid.

Bij gevaar door elektriciteit wordt dit in de tekst worden door middel van een grijs vlak en een driehoek met bliksem aangeduid.
Signaalwoorden geven de ernst aan van het risico als men zich niet houdt aan de maatregelen tot schadebeperking.
- Verwijzing betekent dat er mogelijk lichte materiële schade kan optreden.
- Voorzichtig betekent dat er licht persoonlijk letsel of ernstige materiële schade kan optreden.
- Waarschuwing betekent dat er ernstig persoonlijk letsel kan optreden.
- Gevaar betekent dat er levensgevaar kan bestaan.

Aanwijzingen in de tekst – zonder persoonlijk noch materieel risico - met hiernaast aangegeven symbool worden begrensd met een lijn boven en onder de tekst.
2. BESCHRIJVING VAN DE KETELS
Gaswandketels met elektronische ontsteking, ionisatiebeveiliging, schouwaansluiting en modulerende werking. Uitgerust met oververhittingbeveiliging. Type ZWN met warmwaterbereiding. Het type ZSN is geschikt voor aansluiting aan een indirect verwarmde Storacell-boiler.
| Technische benamingen: | Commerciële benamingen: |
| ZSN 24-7 KE 23 S 3692 (aardgas)ZSN 24-7 KE 31 S 3692 (vloeibaar gas) | ZSN 24-7 KE Cerastar |
| ZWN 24-7 KE 23 S 3692 (aardgas)ZWN 24-7 KE 31 S 3692 (vloeibaar gas) | ZWN 24-7 KE Cerastar |
Algemene informatie
Deze ketels aan de hand van de volgende richtlijnen zorgvuldig installeren.
Type afvoer: B _11BS .
De ketels op aardgas dragen het HR+ keurmerk "lage temperatuur".
De ketels zijn gekeurd op basis van de lastenkohieren CE en worden vanuit de fabriek geregeld en verzegeld overeenkomstig categorie I 2E+ (aardgas) of I 3+ (vloeibaar gas).
| Kencijfer | Gasfamilie |
| 23 | aardgas G 20 en G 25 |
| 31 | propaan G 31 |
ZWN ... = verwarming + warmwaterbereiding
ZSN ... = verwarming + opwarming boiler
Levering van de toestellen:

text_image
6 720 640 384-05.10 ① ② ③ ④ ⑤1 gasketel
2 klep
3 bevestigingsmateriaal en dichtingen
4 technische en praktische voorschriften
5 slang overdrukventiel
Fig. 1
- VERKLARING VAN OVEREENSTEMMING met het K.B. van 17/09/2009 - BE
| BETREFT PRODUCT | Cerastar |
| CONSTRUCTEUR | BOSCH THERMOTECHNIK GmbHJunkersstrasse 20 – 24 - 73249 Wernau - Duitsland |
| AARD | GASWANDKETEL |
| INVOERDER & BEHEERDER VAN DETECHNISCHE DOCUMENTEN | nv SERVICO saKontichsesteenweg 60 - 2630 Aartselaar - België |
| CONTROLEORGANISME& ERKEND LABORATORIUM | DVGWJosef Wirmer Strasse 1 – 3 - 53123 Bonn - Duitsland |
| CONTROLE VAN HET TYPEIDENTIFICATIENUMMER | ZWN 24-7 KECE-0085BN0130ZSN 24-7 KE |
BE: Koninklijke Besluiten van 8 januari 2004 en 17 juli 2009
betreffende de reglementering van de uitstootniveaus CO en NOx.
REFERENTIENORMEN NF EN 297, NF EN 625, NF EN 437
EN 50165, EN 55014-1, EN 55014-2
CONTROLEPROCEDURE
Verzekering
fabricagekwaliteit
VERKLARING De producten geïdentificeerd in dit document, zijn conform met de vernoemde richtlijnen en met het gehomologeerde type. De fabricage is onderworpen aan de procedure van de vernoemde controle.
GEMETEN WAARDEN NOx : 40 mg/kWh
CO : 70 mg/kWh
GEWAARBORGDE WAARDEN
NOx: < 70 mg/kWh
CO: < 110 mg/kWh
Fink Ulrich
Wernau: 10 januari 2010
Frank-Which Finch
2 deksel van bedieningspaneel
3 montageplaat
4.2 Montageplaat

Fig. 3
1 CV-afsluitkraan 3/4" (vertrek)
2 nippel 1/2" (sanitair WW)
3 reductie 1" → 3/4" (gasaansluiting)
4 aardgaskraan 3/4"
5 sanitaire afsluitkraan 1/2" (sanitair koud water)
6 CV-afsluitkraan 3/4" (retour)
7 verbindingsbuis propaan
13 montageplaat
110 aansluitmoer (vertrek- en retourleiding)
111 dichting
| Type | ZWN 24-7 KE ZSN 24-7 KE | ||||
| G 20 G 25 G 20 G 25 | |||||
| Maximum nominaal vermogen (Pn max) | kW | 23,2 | 23,2 | 23,2 | 23,2 |
| Maximum nominale belasting (Qn max) | kW | 25,8 | 25,8 | 25,8 | |
| Minimum nominaal vermogen (Pn min) | kW | 10,9 | 10,9 | 10,9 | |
| Minimum belasting (Qn min) | kW | 12,1 | 12,1 | 12,1 | 12,1 |
| Maximumvermogen sanitair warm water | kW | 23,2 | 23,2 | 23,2 | 23,2 |
| Maximale belasting sanitair warm water | kW | 25,8 | 25,8 | 25,8 | 25,8 |
| Voedingsdruk | mbar | 20 | 25 | 20 | 25 |
| Gasdebiet (15°C - 760 mmHG) | m3/h | 2,77 | 3,15 | 2,77 | |
| Expansievat werkdruk totaalinhoud | bar | 0,75 | 0,75 | ||
| l | 11 | 11 | |||
| Minimale schoorsteentrek | mbar | 0,015 | 0,015 | 0,015 | 0,015 |
| Rookgastemperatuur bij Pn max | °C | 132 | 132 | 132 | 132 |
| Rookgastemperatuur bij Pn min | °C | 89 | 89 | 89 | 89 |
| Rookgasdebiet bij Pn max | gr/sec | 16,8 | 16,8 | 16,8 | 16,8 |
| Rookgasdebiet bij Pn min | gr/sec | 14,3 | 14,3 | 14,3 | 14,3 |
| CO2 bij Pn max | % | 4,5 | 4,5 | 4,5 | 4,5 |
| CO2 bij Pn min | % | 2,5 | 2,5 | 2,5 | 2,5 |
| Type rookgasafvoer | B11BS | B11BS | |||
| NOx-klasse | 5 | 5 | |||
| NOx | mg/kWh | < 25 | < 25 | ||
| Elektrische aansluiting | V/Hz | 230 / 50 | 230 / 50 | ||
| Vermogenopname | W | 90 | 90 | ||
| Geluidsniveau | dB(A) | ≤ 36 | ≤ 36 | ||
| Beschermingsgraad | IP | X 4 D | X 4 D | ||
| Maximum vertrektemperatuur | °C | 88 | 88 | ||
| Maximum werkingsdruk (verwarming) | bar | 3 | 3 | ||
| Toegelaten omgevingstemperatuur | °C | 0 – 50 | 0 – 50 | ||
| Inhoud warmtewisselaar | l | 1,9 | |||
| Netto gewicht | kg | 43 | 43 | ||
| Rendement Pn = 100 % (keteltemperatuur 70°C) volgens EN 92/42 | % | 90,0 | 90,0 | ||
| Type | ZWN 24-7 KE | ||
| Sanitair warmwaterdebiet bij Δt = 50 K(koud water 10°C) bij Δt = 25 K | l/min | 6,6 | |
| l/min | 13,2 | ||
| Maximum instelbare uitlooptemperatuur | °C | 40 - 60 | |
| Maximum sanitaire waterdruk | bar | 10 | |
| Minimum dynamische waterdruk | bar | 0,3 | |
| Begrensde doorstroming | l/min | 7,0 |
| Type | ZWN 24-7 KE ZSN 24-7 KE | ||
| G 31 G 31 | |||
| Maximum nominaal vermogen (Pn max) | kW | 23,0 | 23,0 |
| Maximum nominale belasting (Qn max) | kW | 25,6 | 25,6 |
| Minimum nominaal vermogen (Pn min) | kW | 10,9 | 10,9 |
| Minimum belasting (Qn min) | kW | 12,1 | 12,1 |
| Maximumvermogen sanitair warm water | kW | 23,0 | 23,0 |
| Maximale belasting sanitair warm water | kW | 25,6 | 25,6 |
| Voedingsdruk | mbar | 37 | 37 |
| Gasdebiet | kg/h | 2,1 | 2,1 |
| Expansievat werkdruk | bar | 0,75 | 0,75 |
| totaalinhoud | l | 11 | 11 |
| Minimale schoorsteentrek | mbar | 0,015 | 0,015 |
| Rookgastemperatuur bij Pn max | °C | 132 | 132 |
| Rookgastemperatuur bij Pn min | °C | 89 | 89 |
| Rookgasdebiet bij Pn max | gr/sec | 16,8 | 16,8 |
| Rookgasdebiet bij Pn min gr/sec | 14,3 | 14,3 | |
| CO2 bij Pn max | % | 4,95 | 4,95 |
| CO2 bij Pn min | % | 3,3 | 3,3 |
| Type rookgasafvoer | B11BS | B11BS | |
| NOx-klasse | 5 | 5 | |
| NOx | mg/kWh | < 25 | < 25 |
| Elektrische aansluiting | V/Hz | 230 / 50 | 230 / 50 |
| Vermogenopname | W | 90 | 90 |
| Geluidsniveau | dB(A) | ≤ 36 | ≤ 36 |
| Beschermingsgraad | IP | X 4 D | X 4 D |
| Maximum vertrektemperatuur | °C | 88 | 88 |
| Maximum werkingsdruk (verwarming) | bar | 3 | 3 |
| Toegelaten omgevingstemperatuur | °C | 0 - 50 | 0 - 50 |
| Inhoud warmtewisselaar | l | 1,9 | 1,9 |
| Netto gewicht | kg | 43 | 43 |
| Rendement Pn = 100 % (keteltemperatuur 70°C) volgens EN 92/42 | % | 90,0 | 90,0 |
| Type | ZWN 24-7 KE | ||
| Sanitair warmwaterdebiet bij t = 50 K(koud water 10^ ) bij t = 25 K | l/min | 6,6 | |
| l/min | 13,0 | ||
| Maximum instelbare uitlooptemperatuur | °C | 40 - 60 | |
| Maximum sanitaire waterdruk | bar | 10 | |
| Minimum dynamische waterdruk | bar | 0,3 | |
| Begrensde doorstroming | l/min | 7,0 |
1 bedieningspaneel Heatronic 3
2 hoofdschakelaar
3 controlelampje werking brander
4 servicetoets
5 schoorsteenvegertoets
6 temperatuurregelaar CV
7 lampje "in werking"
8 ruimte voor inbouw van een weersafhankelijke regelaar of van een schakelklok
9 temperatuurregelaar warm water
10 vergrendeling toetsenbord
11 ECO-toets
12 reset-toets
13 display
14 temperatuurvoeler warm water NTC (enkel voor ZWN ...)
15 bypass
16 driewegkraan
17 motor driewegkraan
18 vertrektemperatuurvoeler NTC
19 platenwarmtewisselaar (enkel voor ZWN ...)
20 ontstekingselektrode
21 rookgasbeveiliging branderkamer
22 temperatuurbegrenzer warmtewisselaar
23 trekonderbreker
24 expansievat
25 ophangpunten
26 rookgasbeveiliging (TTB) trekonderbreker
27 controleopening
28 ionisatie-elektrode
29 spuitstukkencollector
30 temperatuurvoeler vertrek brander
31 automatische ontluchter
32 gasblok
33 circulatiepomp verwarming
34 turbine (enkel voor ZWN ...)
35 overdrukventiel (verwarmingskring)
36 ledigingskraan
37 kenplaat
38 manometer
ELEKTRISCH SCHEMA

1 ontstekingstransformator
2 temperatuurregelaar CV
3 klemmenblok 230 V/AC
4 zekering T 2,5 A - 230 V/AC
5 temperatuurregelaar warm water
6 aansluiting temperatuurbegrenzer TB 1 (230 V/AC)
7 aansluiting circulatiepomp sanitair of aansluiting voor externe circulatiepomp (secundaire kring, na evenwichtsfles): LZ-NZ (servicecode 5.E)
8 zekering T 0,5 A (5 V/DC)
9 zekering T 1,6 A (24 V/DC)
10 codeerstekker
11 transformator
12 hoofdschakelaar
13 netaansluiting 230 V/AC
14 temperatuurvoeler warm water NTC (enkel voor ZWN ...)
15 gasblok
16 temperatuurbegrenzer warmtewisselaar NTC
17 vertrektemperatuurvoeler
18 rookgasbeveiliging branderkamer
19 ontstekingselektrode
20 ionisatie-elektrode
21 rookgasbeveiliging (TTB) trekonderbreker
22 turbine (enkel voor ZWN ...)
23 circulatiepomp verwarming
24 driewegkraan
25 aansluiting voor BUS-regelaar (B.B.) (bvb. kamerthermostaat of weersafhankelijke regelaar)
26 aansluiting voor TR 100, TR 200, TRQ 21, TRP 31 (1, 2 & 4)
27 aansluiting voor buitentemperatuurvoeler (AF)
28 voor ZWN ...: aansluiting voor temperatuurvoeler warm water voor ZSN ...: aansluiting voor boilertemperatuurvoeler
29 temperatuurvoeler vertrek brander
7. INSTALLATIE

Gevaar: Voor explosies!
▶ De gaskraan sluiten vooraleer werken aan gasvoerende delen uit te voeren.
▶ Doe een dichtheidscontrole na werken aan gasvoerende delen.

Algemeen
Deze ketel dient door een bevoegde installateur te worden geplaatst. Hij dient zich te houden aan de geldende nationale en plaatselijke voorschriften. In geval van twijfel dient hij zich te informeren bij de officiële instanties of bij SERVICO nv.
7.1 Belangrijk
De ketel waterpas hangen.
Let erop de volgende minimumafstanden te voorzien:
- tussen ketel en plafond 30 cm
- onder de ketel minimum 30 cm rondom de ketel 10 cm •
Het toestel moet in een vorstvrije ruimte met voldoende luchttoevoer geïnstalleerd worden.
Het toestel mag niet gemonteerd worden in ruimten met agressieve dampen (bvb. sprays) of in ruimten waarin kunststoffen of lakken verwerkt worden. In dit geval kan een toestel met gestuwde afvoer geïnstalleerd worden.
Wanneer het toestel in een ruimte, voorzien van een afzuigsysteem (bvb. dampkap) geplaatst wordt, moeten de nodige maatregelen genomen worden om onderdruk in deze ruimte te voorkomen. Dergelijke systemen kunnen de schouwtrek verminderen en het toestel in veiligheid schakelen (TTB).
Om corrosie te vermijden mag de verse lucht voor de ketel geen agressieve dampen bevatten.
Ketels op vloeibaar gas: aangezien vloeibaar gas zwaarder is dan lucht, moeten deze ketels en de leidingen steeds in ruimten met een benedenverluchting boven de begane grond, geplaatst worden.
De ketel moet in overeenstemming met de voorschriften van het A.R.E.I. geïnstalleerd worden.
In geen geval het toestel tegen een wand uit brandbaar materiaal plaatsen.
Brandbare stoffen moeten vuurwerend bekleed worden.
De maximale omgevingstemperatuur van de installatieruimte bedraagt 50°C.
De maximale temperatuur van de buitenmantel ligt onder de 85°C, zodat er behalve voor omkastingen (zie fig. 6) geen speciale voorzorgsmaatregelen moeten genomen worden.
7.2 Installatie in een kast
Voorzie minimumafstanden van 10 cm rondom de ketel, 30 cm tot het plafond en 30 cm onder de ketel.
In dit geval dienen twee verluchtingsopeningen (volgens de norm NBN D 51-003 - met minstens 200 cm² vrije opening), uitgevend op de installatieruimte, te worden voorzien. Voorzie de ene opening hoger dan en de andere lager dan de mantel van het toestel. Indien de verluchtingsopeningen niet volledig vrij zijn, dan dienen de hoogte en de breedte ervan verhoudingswijze te worden vergroot.

text_image
minimum 30 cm minimum 10 cm minimum 30 cm
text_image
minimum 200 cm² minimum 10 cm minimum 10 cm minimum 200 cm²JU0030
Fig. 6
7.3 Montageplaat
Bij de gasketel hoort deze afzonderlijk verpakte en eventueel vooraf leverbare montageplaat waarmee de leidingen reeds kunnen gemonteerd worden zonder de ketel. De verbinding tussen gasketel en montageplaat gebeurt met vijf dichtingen. Deze zijn opgehangen aan de onderkant van de gasketel. De afsluitkranen vergemakkelijken in belangrijke mate de eventuele demontage van de ketel. U dient de volledige set te gebruiken.

Montageplaten propaan: Deze montageplaten zijn bijna dezelfde als deze voor aardgas.
Alleen is de gaskraan hier vervangen door een verbindingsbuis 3/4" met losse moer en dichting.
Fig. 7 Montageplaat (aardgas = nr. 7 719 002 134, propaan = nr. 3 119 001 823)

text_image
aardgas → propaan →1 CV-afsluitkraan 3/4" (vertrek)
2 nippel 1/2" (sanitair warm water)
3 reductie 1" → 3/4" (gasaansluiting)
4 aardgaskraan 3/4" 13 montageplaat
5 sanitaire afsluitkraan 1/2" (sanitair koud water)
6 CV-afsluitkraan 3/4" (retour)
7 verbindingsbuis propaan
8 bevestigingsset
| CV-afsluitkranen 3/4" sanitaire afsluitkraan 1/2" aardgaskraan 3/4" | verbindingsbuis 3/4" voor propaan | |||||
Fig. 8 | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() | ||
| gesloten geopend | gesloten geopend | gesloten geopend | ||||


Fig. 9
Opmerking: wanneer de ketel ZSN 24-7 KE niet aan een boiler aangesloten wordt, dan moeten de aansluitingen 2 en 5 (fig. 7) afgesloten worden. U kunt hiervoor het toebehoren N° 304 (bestelnummer 7 709 000 227) gebruiken.
7.4 Bevestiging van de ketel

Opgelet: Vuil in de CV-kring kan de ketel beschadigen.
▶ Spoel de CV-kring om dit vuil te verwijderen.
▶ Verwijder de verpakking van ketel en montageplaat.
- Controleer de gassoort op het kenplaatje van de ketel.

text_image
1. 2. 3. 1. 2.6 720 040 364-60.10

De mantel is met een borgschroef beveiligd tegen openen door onbevoegden.
▶ De mantel steeds met deze schroef beveiligen.
Mantel demonteren (fig. 10)
▶ Verwijder de borgschroef rechts aan de zijkant (1).
▶ Druk beide blokkeerhendels naar achteren (2).
▶ Verwijder de mantel naar voren toe (3).
Bevestiging voorbereiden
▶ Pluggen monteren.
▶ Dichtingen op de nippels van de montageplaat leggen.
Ketel bevestigen
▶ Ketel op de voorbereide aansluitingen zetten en met de bijverpakte ringen en schroeven op de wand monteren.
▶ Draai de moeren op de aansluitingen van de montageplaat vast.
Fig. 10
Slang van het overdrukventiel monteren (fig. 11)
▶ De slang steeds afhellend monteren.
Fig. 11
Afvoerleiding overdrukklep CV monteren (toebehoren Nr. 432 - fig. 12) (bestelnummer 7 719 000 763 - niet meegeleverd)
▶ Vervaardig de afvoer uit corrosiebestendige materialen zoals: harde PVC buizen, PVC buizen, PE-HD buizen, PP buizen, ABS/ASA buizen, gietijzeren buizen met geëmailleerde binnenzijde, stalen buizen met kunststoflaag, roestvrijstalen buizen, enz.

▶ De afvoerleiding niet wijzigen of afsluiten.
▶ Afvoerslang enkel afhellend monteren.
▶ Bij montage van een externe sifon, de flexibel van de afvoer met een zichtbare opening aan deze sifon aansluiten.
Fig. 12
Afdekklep monteren

text_image
1 8 720 641 804-01.10- Controleer of beide dempers (1) in de juiste richting zitten.
Klik de afdekklep langs onder vast.
▶ Sluit de afdekklep. Zij klik automatisch vast.
Fig. 13
Afdekklep openen

text_image
6720 612 660-31-1RDruk op de markering (3 puntjes) om de afdekklep te openen.
Fig. 14
Voor rookgasafvoer, ventilatie- en beluchtingsopeningen dienen de normen NBN D 51-003, NBN D 51-006 of NBN D 61-002 strikt te worden gerespecteerd.
Voorzie een afvoer van ∅ 130 voor de verbrande gassen.
Gebruik alleen aluminiumbuis om corrosie te vermijden.
Niet-gladde flexibels voor de aansluiting van het toestel aan de schoorsteen worden afgeraden.
Indien de schouw blootgesteld wordt aan lage buitentemperaturen, moet ze dubbelwandig en geïsoleerd uitgevoerd worden.
Indien de schouw dwars door brandbare gedeelten gaat, moet men ze goed isoleren.
Verbrande gassen mogen noch bij de trekonderbreker, noch bij de afvoerbuizen ontsnappen. Proef doen met dauwspiegel.
De trek van de schoorsteen moet voldoende zijn. Er moet een verticaal gedeelte van minstens 50 cm voorzien worden aan de uitgang van het toestel. Horizontale gedeelten zijn te vermijden (max. 14 van de totale schouwhoogte, maar begrensd op 1,5 m horizontaal).
Respecteer de plaats van de schoorsteenmond (zie fig. 56).
Afvoersystemen zoals dampkappen, ventilatoren,... kunnen de rookgasafvoer sterk beïnvloeden, waardoor het toestel in storing gaat. In dat geval moeten extra luchttoevoeropeningen voorzien worden of moet een gesloten toestel geplaatst worden.
7.6 Hydraulische aansluiting
Bij installaties met kunststofbuizen moeten alle aansluitingen van de ketel (verwarming en sanitair) over een afstand van minimum 1,5 m in metalen buizen (bvb. koper of ijzer) uitgevoerd worden.

Opgelet: Indien het toestel op een net met zeer kalkhoudend water aangesloten wordt en het tevens veel gebruikt wordt, is het aan te bevelen een waterbehandeling te voorzien.
7.6.1 Aansluiting verwarming
De doormeter van de leidingen dient te worden berekend volgens de behoeften van de ketel en van de installatie.
De installatie moet voor de plaatsing van de ketel worden doorgespoeld.
Beschermproducten:
| Product | Fabrikant |
| Protector Copal Fernox | |
| Sentinel X 100 Betz Dearborn |
Vorstwerende middelen:
| Product | Fabrikant |
| Protector Alphi 11 Fernox | |
| Varidos FSK Schilling Chemie |
Reinigingsproducten:
| Product | Fabrikant |
| Restorer IC 20 (Superfloc Universal cleaner) Fernox | |
| Acitol-L | Schilling |
Let op: De door de fabrikant voorgeschreven concentraties niet overschrijden!
Dichtingproducten, om kleine lekken in de installatie tegen te gaan, mogen onder geen enkele voorwaarde in de ketel terechtkomen. De hierdoor ontstane schade valt buiten de waarborgvoorwaarden.
7.6.2 Aansluiting sanitair (enkel voor de ketel ZWN ...)
In overeenstemming met de norm NBN EN 1717 en Belgaqua, moet in de koudwateraansluiting een veiligheidsgroep 1/2" van 7 bar gemonteerd worden. Deze veiligheidsgroep mag ook op afstand worden geplaatst, maar wel voorbij de aftakking naar een andere koudwaterleiding. Voorzie tevens een afvoer voor het overtollige water.

Opgelet: Om dat goede werking te controleren, éénmaal per maand de kraan en de klep van de veiligheidsgroep bedienen. Kalkafzetting kan de goede werking belemmeren.
Bij een koudwaterdruk hoger dan 5 bar, is het aan te raden een drukverminderaar van 3 bar voor de hele installatie te plaatsen. Hierdoor wordt vermeden dat de veiligheidsgroep te veel water loost en wordt de warmwatertemperatuur aan de mengkranen stabieler.
▶ De aansluiting gebeurt d.m.v. de bijgeleverde toebehoren.
In de warmwaterleidingen dienen vernauwingen en regelingen die het debiet onder het minimum zouden kunnen beperken, te worden vermeden.
▶ Vooraleer het toestel aan te sluiten, controleren of de waterfilter in de koudwateraansluiting van het toestel gemonteerd is.
Bij vorstgevaar moet de sanitaire kringloop leeggemaakt kunnen worden door middel van een, apart te voorzien, leegloopkraantje.
7.6.3 Vullen en ledigen
Op het laagste punt van de installatie een vul- en aftapkraan voorzien. Respecteer de voorschriften van de waterbedelingsmaatschappij.
7.6.4 Overdrukventiel verwarming
Dit is in de ketel ingebouwd.
7.6.5 Expansievat
De voordruk van het expansievat moet overeenkomen met de statische hoogte van de installatie.
Door de druk in het expansievat, met behulp van het ventiel tot 0,5 bar te beperken, kan in bijzondere gevallen capaciteitsuitbreiding verkregen worden. Indien nodig moet een bijkomend vat geïnstalleerd worden op de retourleiding van de ketel.
Steeds aan te raden bij vloerverwarming.
7.7 Gasaansluiting
Gasleiding
De gasleiding moet binnenin volledig zuiver zijn. Indien nodig de leiding doorblazen.
AARDGAS: De aardgasleidingen dienen gelegd te worden volgens de regels der kunst en de doormeter berekend volgens de norm NBN D 51-003. Bij installaties op aardgas moet men de bijgeleverde BGV gekeurde gasafsluitkraan 3/4" gebruiken en rechtstreeks met de losse moer aansluiten op de reductie 1" → 3/4" van de montageplaat. Deze gaskraan bevindt zich in de verpakking van de montageplaat.
VLOEIBAAR GAS: De installaties op vloeibaar gas dienen strikt te beantwoorden aan de norm NBN D 51-006. De bijgeleverde verbindingsbuis met losse moer en dichting (3/4"), rechtstreeks met deze losse moer aansluiten op de reductie 1" → 3/4" van de montageplaat. Deze verbindingsbuis bevindt zich in de verpakking van de montageplaat.
aansluiting AARDGAS aansluiting VLOEIBAAR GAS
reductie 1" → 3/4" van de montageplaat

Fig. 15
gasaansluiting Fig. 16
reductie 1" → 3/4" van de montageplaat

De dichtheid van de gasaansluiting controleren met geopende gaskraan in overeenstemming met de norm NBN D 51-003.
De dichtheidcontrole van de wateraansluiting dient eveneens te gebeuren met geopende waterkranen.
Gevaar: Door elektrocutie.
▶ Vooraleer werken uit te voeren moet de stroomtoevoer onderbroken worden.
8.1 Algemeen
De voorschriften van de plaatselijke elektriciteitsmaatschappij en van het algemene reglement op de elektrische installaties (A.R.E.I.), moeten strikt opgevolgd worden.
De gasketels zijn volledig gekableerd en ontstoord.
Andere verbruikers mogen niet aftakken.
De ketel via de stekker aan een stopcontact met aarding aansluiten.
De voedingsspanning moet minimaal 200 V/AC en maximaal 250 V/AC bedragen.
Indien de bedrading achter de ketel aangebracht werd, raden wij U aan deze bedrading minstens 50 cm uit de muur te laten steken.
Zekeringen
De ketel is beveiligd met 3 zekeringen. Deze bevinden zich op de printplaat.
i
Vervangzekeringen bevinden zich op de achterkant van de afdekplaat (zie. fig. 18).
8.2 Toebehoren aansluiten
Opgelet: Kabelresten kunnen de Heatronic beschadigen.
▶ De kabels enkel buiten de Heatronic isoleren.

text_image
1. 88 reset SCO - - 2. 5 面 1 4 6 max min 2. 8 720 612 659-14.1R▶ Schroeven uitdraaien en Heatronic naar beneden klappen.
Fig. 17

text_image
1. 2. 1. 6 720 612 659-15.1R▶ Schroeven verwijderen, bedrading laten uithangen en afdekplaat wegnemen (2).
Fig. 18

Opgelet: Wegvloeiend water kan de Heatronic beschadigen.
▶ Dek de Heatronic af vooraleer werken aan watervoerende delen uit te voeren.

text_image
Ø 8-9 Ø 5-7 Ø 10-12 Ø 13-146720812259-30.1R
▶ De kabeldoorvoer afsnijden volgens de kabeldikte. De opening nooit groter maken dan de kabeldikte, zo niet is de ketel niet meer spatwaterbeveiligd.
Fig. 19
8.2.2 Verwarmingsregelingen of afstandsbedieningen aansluiten

Sluit enkel de modulerende regelapparatuur van JUNKERS aan!
Dan alleen verkrijgt U een optimaal rendement, een minimaal verbruik en de langste levensduur!
Raadpleeg de montagevoorschriften van de regelaar voor de inbouw en voor de elektrische aansluiting.

flowchart
graph TD
A["1"] --> B["2"]
B --> C["6 720 613 554-01.1R PVM"]
style A fill:#f9f,stroke:#333
style B fill:#ccf,stroke:#333
style C fill:#cfc,stroke:#333
1 BUS-regelaar
2 printplaat van de gasketel
De BUS-regelaars worden aangesloten aan de klemmen B & B.
Oudere thermostaten (bvb. TR 21, TR 100, TR 200 enz.) worden aangesloten aan de klemmen 1, 2 en 4.
Fig. 20
De regelingen FW 100 en FW 200 kunnen ook direct vooraan in de Heatronic ingebouwd worden.

Belangrijke opmerking:
Thermostatische radiatorkranen op alle radiatoren leiden tot een meerverbruik en verkorten de levensduur van de ketel.
Wij raden U dus ten stelligste aan dergelijke installaties te vermijden. Daarom steeds een of meerdere radiatoren met gewone radiatorkranen uitrusten. Bij voorkeur de radiatoren in de pilootruimte (de ruimte waar de thermostaat geïnstalleerd is).
8.2.3 Aansluiten van een indirect gestookte boiler met NTC-voeler (bvb. Storacell) aan de ketel ZSN 24-7 KE

Junkers-boilers met NTC voeler worden direct op de printplaat van de ketel aangesloten. De kabel met stekker zit bij de boiler.
▶ Doorvoer uitbreken.
▶ Kabel van boiler-NTC doorvoeren.
▶ Stekker rechtstreeks op de printplaat steken (ST 15).
Fig. 21
8.2.4 Aansluiten van een temperatuurbegrenzer TB 1 in een vloerverwarmingsinstallatie

text_image
NB TB1 5 720 640 384-15.1QBij verwarmingsinstallaties met enkel vloerverwarming en directe hydraulische aansluiting aan de gasketel, tot 15 kW kan men een TB rechtstreeks op de ketel aansluiten. Brug 8 – 9 verwijderen en de TB op deze plaats aansluiten.
Bij het uitschakelen van de temperatuurbegrenzer worden zowel verwarming als de warmwaterbereiding onderbroken.
Fig. 22
8.3 Externe toebehoren aansluiten
8.3.1 Circulatiepomp sanitair aansluiten (230 V/AC, max. 100 W)

text_image
6 720 640 384-20.10▶ Met servicefunctie 5.E de aansluiting LZ-NZ op 01 instellen.
De circulatiepomp wordt door de JUNKERS-verwarmingsregelaar gestuurd.
Fig. 23
8.3.2 Externe drietraps circulatiepomp CV (ongemengde kring) aansluiten (230 V/AC, max. 100 W)

text_image
6 720 640 384-20.10- Met servicefunctie 5.E de aansluiting LZ-NZ op 02 instellen. (externe pomp in de ongemengde kring) - Bij aansluiting aan LZ-NZ draait de pomp continu bij verwarmingsbedrijf. Pompschakelkeuze is niet mogelijk.
Fig. 24
8.3.3 Externe drietraps circulatiepomp (gemengde kring) aansluiten (230 V/AC, max. 100 W)

text_image
6 720 640 384-20.10- Met servicefunctie 5.E de aansluiting LZ-NZ op 03 instellen. (externe pomp in de gemengde kring) - Bij aansluiting aan LZ-NZ draait de pomp gelijktijdig met de ingebouwde ketelpomp.
Fig. 25
9. INBEDRIJFNAME

text_image
1 2 3 4 5 6 7 8 9 eco reset 88 reset eco - - max 2 3 4 5 Ⅲ 6 2 3 4 e 1 mix 6 mex 10 11 12Fig. 26
1 schoorsteenvegertoets
2 servicetoets
3 controlelamp voor werking brander
4 hoofdschakelaar
5 vergrendelingstoets
6 eco-toets
7 reset-toets
8 display
9 automatische ontluchter
10 manometer
11 temperatuurregelaar warm water
12 temperatuurregelaar vertrektemperatuur CV
9.1 Voor de inbedrijfname

Waarschuwing: Inbedrijfname zonder water leidt tot ernstige beschadiging van de gasketel.
▶ Gasketel eerst vullen, vooraleer hem in bedrijf te nemen.
▶ Voordruk van het expansievat controleren (druk instellen in overeenstemming met de statische hoogte van de installatie).
▶ Automatische ontluchter openen (fig. 26 – nr. 9).
▶ Radiatorkranen opendraaien.
- Afsluitkranen vertrek en retour CV (onder aan de ketel) opendraaien en installatie vullen tot 1,2 bar. Vul- en aftapkraan sluiten.
▶ Radiatoren ontluchten.
▶ Vul de verwarmingsinstallatie bij tot 1,2 bar.
▶ Voor ketel ZWN ...: afsluitkranen koud en warm water (onder aan de ketel) openen. Open dan een warmwateraftapkraan tot er water uitloopt.
▶ Voor ketel ZSN ... met indirect verwarmde boiler: externe afsluitkraan koud water openen. Open dan een warmwateraftapkraan tot er water uitloopt.
▶ Controleren of de gassoort overeenkomt met de gassoort op de identificatieklever.
▶ Gaskraan openen.
9.2 Openen van het deksel

text_image
Dru Fig. 27Druk op de markering (3 puntjes) om het deksel te openen.
9.3 Verwarmingswaterdruk controleren

Voor het bijvullen eerst de vulset met water vullen. Dit voorkomt dat er lucht in de installatie komt.

text_image
88 reset eco - 10 2 3 4 e 1 6 min. maxFig. 28

Opgelet: De ketel kan beschadigd worden.
▶ Vul enkel water bij wanneer de ketel koud is.
▶ De wijzer op de manometer (10) moet tussen de 1 en 1,5 bar staan.
▶ Staat de wijzer onder de 1 bar (in koude toestand) dan moet u bijvullen totdat de wijzer weer tussen de 1 en 1,5 bar staat.
| Aanduiding op de manometer | |
| 0,6 bar Min | male vuldruk (bij koude installatie) |
| 1,2 bar Opt | male vuldruk |
| 3 bar Maxim | male vuldrukDe maximumdruk van 3 bar bij een hogere vertrektemperatuur mag niet overschreden worden. Anders opent het overdrukventiel. |

Wanneer de verwarmingswaterdruk niet behouden blijft, moet de dichtheid van het expansievat en van de verwarmingsinstallatie gecontroleerd worden.
9.4 In-/Uitschakelen
Inschakelen

text_image
6720 612 660-05.1R maxHoofdschakelaar inschakelen. Het controlelampje brandt blauw en in het display verschijnt de vertrektemperatuur.
Fig. 29
Uitschakelen
▶ Hoofdschakelaar uitschakelen. Het controlelampje dooft.
▶ Let op de vorstbeveiliging (zie paragraaf 9.11) wanneer U de ketel voor langere tijd uitschakelt.
9.5 Verwarming inschakelen

text_image
75 reset oca 4 5 III 6 max 2 3 4 6 1 min 6 max 6 720 612 000-06.10Fig. 30
De vertrektemperatuur kan tussen 35 en 88°C ingesteld worden. De vertrektemperatuur wordt in het display aangeduid.

Let op de maximum toegelaten vertrektemperatuur bij vloerverwarming.
▶ Temperatuurregelaar 'Werwarming verdraaien, om de vertrektemperatuur van de verwarmingsinstallatie aan te passen.
Wanneer de brander in bedrijf is brandt het controlelampje groen.
| stand vertrektemperatuurregelaar vertrektemperatuur gebruik | ||
| 1 | ongeveer | 35°C |
| 2 | ongeveer | 44°C |
| 3 | ongeveer | 52°C |
| 4 | ongeveer | 60°C |
| 5 | ongeveer | 68°C |
| 6 | ongeveer | 75°C |
| max | ongeveer | 88°C |
9.6 Temperatuurregeling

text_image
9 12h 15 6 18 3 24h 21 + advance 6 720 612 660-07.1R
Raadpleeg de voorschriften van de regelapparatuur. Hierin vindt U hoe:
▶ U de werking en de stookcurve van de weersafhankelijke regelaar kunt instellen,
▶ U de kamerthermostaten kunt instellen,
▶ U economisch kunt verwarmen en energie kunt besparen.
Fig. 31
9.7 Na de inbedrijfname
▶ Sluit de automatische ontluchter.
▶ Controleer de gasaansluitdruk.
9.8 Warmwatertemperatuur instellen (via NTC) bij ketel ZSN 24-7 KE met boiler Storacell

text_image
55 reset eau - 4 6 max 6 728 612 660-08.1R▶ Boilertemperatuur met temperatuurinstelknop van de ketel instellen. De ingestelde temperatuur knippert gedurende 30 seconden in het display.
| temperatuurinstelknop ➔ | warmwatertemperatuur |
| min | ongeveer 5°C (vorstbeveiliging) |
| e | ongeveer 55°C |
| max | ongeveer 70°C |
Fig. 32

Opgelet: Verbrandingsgevaar.
▶ Temperatuur bij normaal gebruik niet hoger dan 60°C instellen.

Om verontreiniging door bvb. de legionellabacterie te voorkomen, raden wij u aan de temperatuurregelaar warm water minstens in stand "e" (55°C) te zetten. In deze stand heeft u een comfortabele en economische warmwaterbereiding.
ECO-toets
In de fabriek werd de boilervoorrang als basisinstelling ingesteld. De eco-toets brandt niet.
Door de eco-toets in te drukken en kort vast te houden kunt u kiezen tussen de boilervoorrang en de afwisselende werking.
- Boilervoorrang
Eerst wordt de boiler tot de ingestelde temperatuur opgewarmd. Pas daarna werkt de gasketel voor de centrale verwarming. Daardoor kan het gebeuren dat de verwarming langere tijd onderbroken wordt en de kamertemperatuur daalt.
Met de boilervoorrang verzekert u zich van een hoog warmwatercomfort.
• Afwisselende werking
De gasketel wisselt tussen verwarmingsbedrijf en boileropwarming. Daardoor wordt een daling van de kamertemperatuur vermeden.
Met de afwisselende werking bekomt u een gelijkmatige kamertemperatuur bij een iets geringer warmwatercomfort.
9.9 Warmwatertemperatuur instellen bij ketel ZWN 24-7 KE

text_image
5 720 612 660-08.1R▶ Warmwatertemperatuur met temperatuurinstelknop van de ketel instellen.
De ingestelde temperatuur knippert gedurende 30 seconden in het display.
| temperatuurinstelknop | warmwatertemperatuur |
| min | ongeveer |
| e | ongeveer |
| max | ongeveer |
Fig. 33

Stel de warmwatertemperatuur zo laag mogelijk in.
Een lagere instelling zorgt voor een grote energiebesparing.
Bovendien verhogen hoge warmwatertemperaturen het risico op verkalking en hebben een meerverbruik tot gevolg.
ECO-toets
In de fabriek werd het comfortbedrijf als basisinstelling ingesteld. De eco-toets brandt niet.
Door de eco-toets in te drukken en kort vast te houden kan u kiezen tussen het comfortbedrijf en de spaarfunctie.
- Comfortbedrijf, eco-toets brandt niet (fabrieksinstelling)
De ketel wordt voortdurend op de ingestelde temperatuur gehouden. Daardoor is de wachttijd bij warmwaterafname tot een minimum beperkt. De ketel wordt daarom ingeschakeld, ook wanneer er geen warm water wordt afgenomen.

Deze positie verhoogt het risico van verkalking en heeft een meerverbruik tot gevolg.
- Spaarfunctie, eco-toets brandt
- Er wordt pas verwarmd zodra er warm water wordt getapt. Daardoor zijn er langere wachttijden tot er warm water beschikbaar is.
- Met comfort op commando
Door kort openen en sluiten van de warmwaterkraan wordt het water tot de ingestelde temperatuur verwarmd. Na korte tijd is er onmiddellijk warm water beschikbaar.

Dit "comfort op commando" geeft extra warmwatercomfort met een minimaal gas- en waterverbruik en beperkt de kalkvorming.
9.10 Zomerbedrijf (alleen warm water)

text_image
3 2 1 水 min max 6 720 612 660-09.1R▶ Noteer de stand van de vertrektemperatuurregelaatiii.
- Draai de vertrektemperatuurregelaar ^III volledig naar links in de stand **.
De verwarming is buiten werking. De warmwatervoorziening en de verzorging van de spanning voor de thermostaat blijven gehandhaafd.
Fig. 34

Opgelet: Bevriezingsgevaar voor de verwarmingsinstallatie.
9.11 Vorstbeveiliging van de verwarmingsinstallatie

text_image
1 2 3 4 5 6 7 8 9 min max 6 720 812 660-13.1P▶ Verwarming in bedrijf laten met de temperatuurregelaar minstens in stand 1.
Bij uitgeschakelde verwarming:
Het CV-water bijvullen met het antivriesmiddel (zie hoofdstuk 7.6).
▶ Ledig de warmwaterkring.
Fig. 35
Vorstbeveiliging van de boiler (indien aangesloten):

text_image
3 4 5 III 1 6 max 2 5 min 6 720 612 660-16.1F1▶ De gasketel niet uitschakelen.
▶ Temperatuurinstelknop → tot linkeraanslag draaien.
De vorstbeveiliging wordt geactiveerd wanneer de temperatuur van de boiler onder 5°C daalt.
Fig. 36
9.12 Vergrendeling van de Heatronic

text_image
reset ocu ~5 s 6 720 612 650-11.20Deze vergrendeling werkt voor de vertrektemperatuurregelaar CV, de temperatuurregelaar warm water en voor alle toetsen met uitzondering van de hoofdschakelaar, schoorsteenvegertoets en de reset-toets.
Vergrendeling activeren:
Druk op de toets → tot 10 afwisselend met de vertrektemperatuur in het display verschijnt.
Vergrendeling uitschakelen:
Druk op de toets — tot alleen de vertrektemperatuur in het display aangeduid wordt.
Fig. 37
9.13 Rookgasbeveiligingen
De ketel heeft twee rookgasbeveiligingen.
De rookgasbeveiliging op de trekonderbreker schakelt de ketel uit wanneer rookgassen via de trekonderbreker in de installatieruimte komen. De foutmelding A4 verschijnt.
De rookgasbeveiliging op de verbrandingskamer schakelt de ketel uit wanneer rookgassen uit de verbrandingskamer ontsnappen. De foutmelding A2 verschijnt.
Na ongeveer 20 min herstart de ketel automatisch.

Gevaar: Let erop dat de houder van de rookgasvoeler niet verbogen wordt.
Test de rookgasbeveiliging bij de inbedrijfname (zie ook paragraaf 14.13)
Bij herhaalde storingsmelding A4 moet de installateur geraadpleegd worden. De werking van de schouw moet verbeterd worden.
Bij herhaalde storingsmelding A2 moet de installateur of de dienst na verkoop van JUNKERS geraadpleegd worden.
De ketel heeft een onderhoudsbeurt nodig.
9.14 Pompblokkeringsbeveiliging

Deze regeling verhindert het vastzitten van de pomp na een lange stilstandperiode.
Iedere uitschakeling van de circulatiepomp wordt gevolgd door een tijdmeting, om na 24 uur de circulatiepomp en de driewegkraan kortstondig in te schakelen.
Let op: de ketel moet elektrisch ingeschakeld blijven.
9.15 Thermische desinfectie voor ketel ZSN 24-7 KE met boiler
De volledige warmwaterinstallatie met inbegrip van de aftappunten dient regelmatig thermisch gedesinfecteerd te worden. (Zie lokale en/of nationale richtlijnen)

Vooral na langere stilstandperiodes raden wij u aan een thermische desinfectie uit te voeren om verontreiniging door bvb. de legionellabacterie te voorkomen.

Waarschuwing: verbrandingsgevaar!
▶ Voer een thermische desinfectie alleen buiten de normale gebruikstijden uit.
Na de thermische desinfectie koelt de boiler slechts langzaam af. De uitlooptemperatuur kan dan hoger zijn dan de ingestelde temperatuur.
▶ Warmwateraftappunten sluiten.
▶ Verwittig alle bewoners van het mogelijke verbrandingsgevaar.
- Bij thermostaten met warmwaterprogramma, moeten tijd en warmwatertemperatuur overeenkomstig ingesteld worden.
▶ Eventuele circulatiepomp op continu instellen.
▶ Draai de temperatuurregelaar warm water → volledig naar rechts (70°C).

text_image
reset eco - 2 3 4 5 III 1 * max 4 6 max G 720 612 660-14.1RFig. 38
▶ Wachten tot de maximale temperatuur bereikt is.
▶ Eerst het meest nabije warmwateraftappunt openen tot gedurende 3 minuten water aan 70°C uitloopt. Doe daarna hetzelfde voor de volgende aftappunten tot en met het verst afgelegen aftappunt.
▶ Temperatuurregelaar warm water, circulatiepomp en thermostaat terug op normale werking instellen.
10. INDIVIDUELE INSTELLING
10.1 Grootte van het expansievat controleren
Het volgende diagram geeft aan of het ingebouwde expansievat voldoende is, of dat er een extern vat dient geplaatst te worden (aan te raden bij vloerverwarming).
Voor de getoonde kenlijnen wordt met volgende gegevens rekening gehouden:
- De voordruk van het expansievat komt overeen met de statische opvoerhoogte van de installatie + 0,3 bar.
- De normale werkdruk ligt tussen 1 en 2,5 bar.
- De maximale bedrijfsdruk (veiligheidsventiel) bedraagt 3 bar.
- Voor vloerverwarming: raadpleeg de leverancier van de vloerverwarming.

line
| Point | VA (l) | tV (°C) | |-------|--------|---------| | A | ~120 | ~60 | | V | ~140 | ~60 | | VI | ~180 | ~60 | | VII | ~200 | ~65 | | III | ~220 | ~65 | | I | ~240 | ~65 |I voordruk 0,2 bar
II voordruk 0,5 bar
III voordruk 0,75 bar (fabrieksinstelling)
IV voordruk 1,0 bar
V voordruk 1,2 bar
tV vertrektemperatuur
V_A inhoud in liter
A nuttig bereik van het expansievat
B extra expansievat nodig
Fig. 39
- Wanneer het snijpunt rechts naast de curve ligt, moet een bijkomend expansievat geïnstalleerd worden.
10.2 Heatronic instellingen
10.2.1 Bediening van Heatronic
De Heatronic-module maakt een comfortabele instelling mogelijk, tevens kunnen de installateur en/of de dienst na verkoop van JUNKERS veel toestelfuncties controleren. De beschrijving beperkt zich tot de noodzakelijke functies bij de inbedrijfname.
Overzicht van het bedieningspaneel

text_image
② ① 88 ③ reset eco ④ ⑤ 3 4 2 5 1 6 max 2 9 1 6 min max 8 720 612 659-31.1R1 schoorsteenvegertoets
2 servicetoets
3 display
4 eco-toets, servicefuncties "naar boven"
5 vergrendelingstoets, servicefuncties "naar beneden"
Fig. 40
10.2.2 Servicefunctie kiezen
De servicefuncties zijn onderverdeeld in twee niveaus:
- Niveau 1 omvat de servicefuncties tot 7.F
- Niveau 2 omvat de servicefuncties vanaf 8.A.
Om een servicefunctie uit niveau 1 op te vragen:
- Servicetoets 🚫 indrukken en ingedrukt houden, tot hij oplicht. In het display verschijnt bvb. 1.A (eerste serviceniveau).
▶ Eco-toets en vergrendelingstoets —○ gelijktijdig indrukken tot bvb. 8.A verschijnt (tweede serviceniveau).
▶ Vergrendelingstoets —○ of eco-toets indrukken tot de gewenste servicefunctie verschijnt. - Om toegang te krijgen tot de servicefuncties dient men de schoorsteenvegertoets 📁 in te drukken en los te laten. De schoorsteenvegertoets 📁 licht op en het display toont de code van de gekozen servicefunctie.
Waarde instellen
▶ Vergrendelingstoets —○ of eco-toets indrukken tot de gewenste waarde verschijnt.
Indien gedurende 15 minuten geen enkele toets ingedrukt werd, wordt het serviceniveau automatisch verlaten.
Serviceniveau verlaten zonder waarden vast te leggen
▶ Schoorsteenvegertoets kort indrukken.
De schoorsteenvegertoets dooft.
Heatronic 3 resetten naar de basisinstelling
Om alle waarden van beide serviceniveaus naar de basisinstelling te resetten:
Kies de servicefunctie 8.E in het tweede serviceniveau en leg de waarde 00 vast. De ketel herstart nu met zijn basisinstelling.
10.3 Overzicht van de servicefuncties
| servicefuncties van niveau 1 (servicetoets indrukken en ingedrukt houden, tot hij oplicht) | ||
| servicefunctie in display | omschrijving | bladzijde |
| 1.A verwarmingsvermogen instellen | 33 | |
| 1.b vermogen warmwaterbereiding | 33 | |
| 1.C pompkarakteristiek | 34 | |
| 1.d kenlijn van de circulatiepomp | 34 | |
| 1.E sturing ingebouwde circulatiepomp | 35 | |
| 2.b maximum vertrektemperatuur | 35 | |
| 2.C ontluchtingsfunctie | 35 | |
| 2.d thermische desinfectie | 35 | |
| 2.F bedrijfsstand | 35 | |
| 3.A automatisch antipendelprogramma | 36 | |
| 3.b instellen antipendelblokkering | 36 | |
| 3.C schakeldifferentieel | 36 | |
| 3.d minimumvermogen (verwarming en warm water) | 36 | |
| 3.E schakeltijd warm houden sanitair warm water | 36 | |
| 3.F tijdsduur warmthoudfunctie | 36 | |
| 4.b maximale warmthoudtemperatuur van de warmtewisselaar | 36 | |
| 4.C comfort op commando | 36 | |
| 4.E type toestel | 37 | |
| 5.A onderhoudsinterval resetten | 37 | |
| 5.C kanaal schakelklok instellen | 37 | |
| 5.E aansluiting LZ - NZ | 37 | |
| 5.F onderhoudsinterval instellen | 37 | |
| 6.A laatste storing oproepen | 37 | |
| 6.b actuele spanning aan klem 2 (aansluiting 1, 2 en 4 – TR 21 en FR 100) | 37 | |
| 6.C door thermostaat gevraagde vertrektemperatuur | 37 | |
| 6.d actueel debiet turbine (ZWN) | 37 | |
| 6.E status schakelklok | 38 | |
| 7.A werkingslampje | 38 | |
| 7.b tussenstand driewegkraan (ZWN) | 38 | |
| 7.C minimum warmwaterdebiet (ZWN) | 38 | |
| 7.d externe vertrektemperatuurvoeler (bvb. evenwichtsfles) | 38 | |
| 7.E droogfunctie vloerverwarming | 38 | |
| 7.F configuratie van de klemmen 1 – 2 – 4 | 38 | |
| servicefuncties van niveau 2 (eco-toets en vergrendelingstoets —○ gelijktijdig indrukken tot bvb. 8.A verschijnt) | ||
| servicefunctie in display | omschrijving | bladzijde |
| 8.A versie | van de software | 39 |
| 8.b nummer codeerstekker | 39 | |
| 8.C versie | GFA (microprocessor) | 39 |
| 8.d storing | GFA (microprocessor) | 39 |
| 8.E Heatronic 3 resetten naar de basisinstelling | 39 | |
| 8.F continu ontsteking | 39 | |
| 9.A continu bedrijfsstand | 39 | |
| 9.C actueel verwarmingsvermogen | 39 | |
| 9.E vertraging signaal turbine | 39 | |
| 9.F nalooptijd circulatiepomp | 39 | |
| A.A vertrektemperatuur warmtewisselaar CV | 40 | |
| A.b warmwatertemperatuur | 40 | |
| A.C boilertemperatuur | 40 | |
| A.d temperatuur aan de rookgasbeveiliging TTB (trekonderbreker) | 40 | |
| A.E vertrektemperatuur aan de brander | 40 | |
| A.F temperatuur van de verbrandingskamer | 40 | |
| b.b minimale vertrektemperatuur | 40 | |
| b.f | vertraging van de verwarmingsfuncties t.o.v. de warmwaterbereiding (solarmodus) | 40 |
| C.d actuele warmtevraag | 40 | |
| C.E aantal starts van de sanitaire circulatiepomp | 40 | |
| C.F | instelling temperatuurverschil voor aan- en uitschakelen van de platenwarmtewisselaar (ZWN) | 40 |
| d.b minimale rookgastemperatuur | 40 | |
10.4 Serviceniveau 1
10.4.1 Verwarmingsvermogen instellen (servicefunctie 1.A)
Het verwarmingsvermogen kan tussen min. nominaal warmtevermogen en max. nominaal warmtevermogen op de specifieke warmtebehoefte worden begrensd.

Ook bij een begrensd verwarmingsvermogen is bij het bereiden van warm water het max. nominale warmtevermogen beschikbaar.
De fabrieksinstelling is het max. nominale warmtevermogen: U0 (= 100 %).
▶ Kies de servicefunctie 1.A.
Bereken (in %) het vereiste CV-vermogen ten opzichte van het maximum sanitair vermogen.
▶ Programmeer dit getal in de servicefunctie 1.A en leg het vast.
▶ Verlaat de servicefuncties. Het display toont opnieuw de vertrektemperatuur.
10.4.2 Vermogen warmwaterbereiding instellen (servicefunctie 1.b)
Het vermogen voor de warmwaterbereiding kan tussen min. nominaal warmtevermogen en max. nominaal warmtevermogen op het overdrachtvermogen van de boiler ingesteld worden.
De fabrieksinstelling is het max. nominale warmtevermogen warm water. U0.
▶ Kies de servicefunctie 1.b.
Bereken (in %) het vereiste sanitair vermogen ten opzichte van het maximum sanitair vermogen.
▶ Programmeer dit getal in de servicefunctie 1.b en leg het vast.
▶ Verlaat de servicefuncties. Het display toont opnieuw de vertrektemperatuur.
10.4.3 Pompkarakteristiek (servicefunctie 1.C)
De pompkarakteristiek geeft aan hoe de pomp in de verwarmingsfunctie geregeld wordt. De pomp schakelt daarbij zo tussen de verschillende pompstanden dat de gekozen curve wordt aangehouden.
Een verandering van de karakteristiek is zinvol wanneer een kleinere restopvoerhoogte voldoende is voor het verzekeren van de vereiste hoeveelheid circulatiewater.

Kies een lage curve wanneer u zo veel mogelijk energie wil besparen en eventuele stromingsgeluiden wil beperken.
U kunt de pompkarakteristiek kiezen tussen:
• 0 Pompstand instelbaar, servicefunctie 1.d (zie paragraaf 10.4.5)
• 1 Constante druk hoog
• 2 Constante druk middel
• 3 Constante druk laag
• 4 Proportionele druk hoog
• 5 Proportionele druk laag.
De fabrieksinstelling is: 4 (proportionele druk hoog).

line
| V̇ (l/h) | H (bar) | | ------- | ------- | | 0 | 0.4 | | 200 | 0.4 | | 400 | 0.4 | | 600 | 0.35 | | 800 | 0.25 | | 1000 | 0.15 | | 1200 | 0.0 |Fig. 41 constante druk
1 - 5 karakteristieken
H restopvoerhoogte
V hoeveelheid circulatiewater

line
| Q (l/h) | H (bar) | | ------- | ------- | | 0 | 0.2 | | 200 | 0.5 | | 600 | 0.38 | | 1200 | 0 |Fig. 42 proportionele druk
10.4.5 Kenlijn van de circulatiepomp (servicefunctie 1.d)
Deze servicefunctie komt overeen met de tot dusver gebruikelijke functie "Pompopvoerhoogteschakelaar".
De stand van de pomp is alleen actief wanneer bij de pompkarakteristiek (servicefunctie 1.C) 0 is gekozen. abrieksinstelling is: 7. F

line
| Q (l/h) | H (bar) - Curve ② | H (bar) - Curve ③ | H (bar) - Curve ④ | H (bar) - Curve ⑤ | H (bar) - Curve ⑥ | H (bar) - Curve ⑦ | | ------- | ----------------- | ----------------- | ----------------- | ----------------- | ----------------- | ----------------- | | 0 | 0.5 | 0.45 | 0.4 | 0.35 | 0.3 | 0.25 | | 200 | 0.4 | 0.35 | 0.3 | 0.25 | 0.2 | 0.15 | | 400 | 0.3 | 0.25 | 0.2 | 0.15 | 0.1 | 0.05 | | 600 | 0.2 | 0.15 | 0.1 | 0.05 | 0.0 | 0.0 | | 800 | 0.1 | 0.05 | 0.0 | 0.0 | 0.0 | 0.0 | | 1000 | 0.0 | 0.0 | 0.0 | 0.0 | 0.0 | 0.0 | | 1200 | 0.0 | 0.0 | 0.0 | 0.0 | 0.0 | 0.0 |2 - 7 karakteristieken
H restopvoerhoogte
V hoeveelheid circulatiewater
Fig. 43
10.4.6 Sturing ingebouwde circulatiepomp (servicefunctie 1.E)

Bij het aansluiten van een weersafhankelijke regeling, wordt automatisch op pompschakeling 03 overgeschakeld.
Verschillende pompschakelingen:
- Schakelstand 01 (Een dergelijke bediening is ten stelligste af te raden en in sommige landen zelfs verboden!): Voor installaties zonder externe regelaar. De pomp wordt door de vertrektemperatuurregelaar geschakeld.
• Schakelstand 02:
Voor installaties met kamerthermostaat. Bij aansluiting aan 1, 2, 4 draait de pomp enkel bij warmtevraag door deze thermostaat. (met een nalooptijd van 3 minuten)
• Schakelstand 03:
Voor installaties met weersafhankelijke regelaar. De regelaar schakelt de pomp. Tijdens de zomer draait de pomp enkel bij warmwaterbereiding.
De fabrieksinstelling is 02.
10.4.7 Maximum vertrektemperatuur instellen (servicefunctie 2.b)
De maximale vertrektemperatuur kan tussen 35 en 88°C ingesteld worden.
10.4.8 Ontluchtingsfunctie (servicefunctie 2.C)
Wanneer U het toestel voor het eerst inschakelt, wordt de ontluchtingsfunctie eenmalig uitgevoerd. De verwarmingspomp wordt in intervallen in- en uitgeschakeld. Dit duurt ongeveer 4 minuten. In het display wordt
afwisselend 69 en de vertrektemperatuur weergegeven.

Na onderhoudswerkzaamheden kan de ontluchtingsfunctie ingeschakeld worden.
Mogelijke instellingen:
• 00 de ontluchtingsfunctie is uitgeschakeld
- 01 de ontluchtingsfunctie is ingeschakeld en wordt na afloop automatisch op 00 teruggezet
- 02 de ontluchtingsfunctie is continu ingeschakeld en wordt niet automatisch op 00 teruggezet
10.4.9 Thermische desinfectie (servicefunctie 2.d)
De volledige warmwaterinstallatie met inbegrip van de aftappunten dienen regelmatig thermisch gedesinfecteerd te worden. (Zie lokale en/of nationale richtlijnen.)
Indien deze servicefunctie geactiveerd is, wordt het warm water continu tot 70°C opgewarmd, wanneer de temperatuurregelaar warm water volledig naar rechts gedraaid is.
Na de desinfectie deze functie terug uitschakelen.

Waarschuwing: verbrandingsgevaar!
▶ Voer een thermische desinfectie alleen buiten de normale gebruikstijden uit.
Na de thermische desinfectie koelt de boiler slechts langzaam af. De uitlooptemperatuur kan dan hoger zijn dan de ingestelde temperatuur.
Mogelijke instellingen:
• 00 de thermische desinfectie is uitgeschakeld
• 01 de thermische desinfectie is ingeschakeld
De fabrieksinstelling is 00 (thermische desinfectie uitgeschakeld).
10.4.10 Bedrijfsstand (servicefunctie 2.F)
Met deze functie kunt u de werking van de ketel tijdelijk veranderen.
Mogelijke instellingen:
- 00 normale werking: de ketel werkt volgens de verwarmingsregelaar.
- 01 de ketel werkt gedurende 15 minuten met minimaal vermogen. Het display toont de vertrektemperatuur afwisselend met . Na 15 minuten schakelt de ketel over op de normale werking.
- 02 de ketel werkt gedurende 15 minuten met maximaal vermogen. Het display toont de vertrektemperatuur afwisselend met. Na 15 minuten schakelt de ketel over op de normale werking.
10.4.11 Automatisch antipendelprogramma (servicefunctie 3.A)

Bij het aansluiten van een weersafhankelijke regelaar, is een instelling niet nodig. Het antipendelprogramma wordt door de regelaar overgenomen.
Met servicefunctie 3.A kan de automatische aanpassing van het antipendelprogramma uitgeschakeld worden. Dit kan noodzakelijk zijn bij een verwarmingsinstallatie met ongunstige dimensionering.
Wanneer de aanpassing van het antipendelprogramma uitgeschakeld is, moet het antipendelprogramma met servicefunctie 3.b worden ingesteld.
Mogelijke instellingen:
• 00 uitgeschakeld
• 01 ingeschakeld
De fabrieksinstelling is 00 (uitgeschakeld).
10.4.12 Instellen van de antipendelblokkering (servicefunctie 3.b)
Deze servicefunctie is alleen actief wanneer servicefunctie 3.A (automatisch antipendelprogramma) uitgeschakeld is.

Bij het aansluiten van een weersafhankelijke regelaar, is een instelling niet nodig. Het antipendelprogramma wordt door de regelaar overgenomen.
Op het schakelpaneel kan het antipendelprogramma individueel tussen 00 en 15 (0 en 15 minuten) ingesteld worden. De fabrieksinstelling is 03 (3 minuten).
Bij 00 is het antipendelprogramma uitgeschakeld.
De kortste schakeltijd bedraagt 1 minuut (aan te raden bij éénpijpsystemen en luchtverwarming).
10.4.13 Schakeldifferentieel (servicefunctie 3.C)
Deze servicefunctie is alleen actief wanneer servicefunctie 3.A (automatisch antipendelprogramma) uitgeschakeld is.

Bij het aansluiten van een weersafhankelijke regelaar, is een instelling niet nodig. Het antipendelprogramma wordt door de regelaar overgenomen.
Het schakeldifferentieel is de toegestane afwijking van de gevraagde vertrektemperatuur.
Het schakeldifferentieel kan met stappen van 1 K ingesteld worden.
De minimale vertrektemperatuur is 35°C.
Het instelbereik ligt tussen 00 en 30 (0 en 30 K).
De fabrieksinstelling is 5 (5 K).
10.4.14 Minimumvermogen verwarming en warm water (servicefunctie 3.d)
Het CV- en het warmwatervermogen kunnen in procenten op iedere willekeurige waarde tussen minimaal nominaal vermogen en maximaal nominaal vermogen worden ingesteld.
Het instelbereik ligt tussen 50 en U0 (van 50 tot 100%).
De fabrieksinstelling is het minimaal nominaal vermogen (CV en warm water) en is afhankelijk van het type ketel.
10.4.15 Schakeltijd warm houden sanitair warm water (servicefunctie 3.E, enkel voor ZWN)
Deze servicefunctie werkt alleen in comfortbedrijf.
Deze bepaalt na het voorverwarmen of bij warmtevraag sanitair de tijd, die tot aan de volgende opwarming van de platenwarmtewisselaar verloopt. Daarmee wordt een te sterke opwarming van de platenwarmtewisselaar voorkomen.
De schakeltijd kan van 20 tot 60 (20 tot 60 minuten) worden ingesteld.
De fabrieksinstelling is 20 (20 minuten).
10.4.16 Tijdsduur warmhoudfunctie (servicefunctie 3.F)
De duur van het warm houden geeft aan, hoe lang het CV-bedrijf na een warmwaterafname geblokkeerd blijft.
De duur van het warm houden kan van 00 tot 30 (0 tot 30 minuten) worden ingesteld.
De fabrieksinstelling is 01 (1 minuut).
10.4.17 Maximale warmhoudtemperatuur van de warmtewisselaar (servicefunctie 4.b)
De maximale warmhoudtemperatuur van de warmtewisselaar kan tussen 40 en 56 (40 tot 56°C) worden ingesteld.
De fabrieksinstelling is 50 (50°C).
10.4.18 Comfort op commando (servicefunctie 4.C)
Door kort openen en sluiten van de warmwaterkraan wordt het water tot de ingestelde temperatuur verwarmd.
Na korte tijd is er onmiddellijk warm water beschikbaar.
Mogelijke instellingen:
• 00 uitgeschakeld
• 01 ingeschakeld
De fabrieksinstelling is 01 (ingeschakeld).
10.4.19 Type toestel (servicefunctie 4.E)
Deze functie toont het type ketel.
Mogelijke aanduidingen:
• 00 enkel verwarming
• 01 combitoestel (verwarming en warm water)
• 02 boilertemperatuurvoeler aan de Heatronic aangesloten
• 03 boilerthermostaat aan de Heatronic aangesloten
10.4.20 Onderhoudsinterval resetten (servicefunctie 5.A)
Met deze servicefunctie kan men de aanduiding in het display resetten. De instelling is 00.
10.4.21 Gebruik van het kanaal bij een 1-kanaalsschakelklok wijzigen (servicefunctie 5.C)
Met deze servicefunctie kan men het gebruik van het kanaal van verwarming naar warmwaterbereiding wijzingen.
Mogelijke instellingen:
• 00 2-kanaals (verwarming en warmwaterbereiding)
• 01 1 kanaal verwarming
• 02 1 kanaal warmwaterbereiding
De fabrieksinstelling is 00.
10.4.22 Aansluiting LZ - NZ (servicefunctie 5.E)
Met deze servicefunctie kan men de aansluiting LZ – NZ instellen.
Mogelijke instellingen:
• 00 uitgeschakeld
• 01 sanitaire circulatiepomp (gestuurd door de regelaar)
- 02 externe verwarmingspomp in de ongemengde verbruikerskring (voorbij de evenwichtsfles)
- 03 externe verwarmingspomp in de gemengde verbruikerskring (thermostatische mengkraan)
De externe verwarmingspomp draait altijd gelijktijdig met de ketelpomp.
10.4.23 Onderhoudsbeurt weergeven (servicefunctie 5.F)
Met deze servicefunctie kan men het aantal maanden instellen tot de volgende onderhoudsbeurt. Daarna wordt in het display de aanduiding (inspectie) afwisselend met de vertrektemperatuur getoond.
Het aantal maanden is van 00 tot 72 instelbaar.
De fabrieksinstelling is 00 (niet actief).

Wanneer U0 in het display verschijnt, werd die servicefunctie reeds aan de regelaar ingesteld.
10.4.24 Laatste storing oproepen (servicefunctie 6.A)
Met deze servicefunctie kan men de laatste storing oproepen die in het geheugen bewaard is. Bij 00 wordt deze servicefunctie gereset.
10.4.25 Actuele spanning aan klem 2 (aansluiting 1,2 en 4 - TR 21 en FR 100 - servicefunctie 6.b)
De actuele spanning op klem 2 wordt getoond.
Mogelijke aanduidingen zijn:
• 00 - 24: 0 V tot 24 V in stappen van 1 V
10.4.26 Door thermostaat gevraagde vertrektemperatuur (servicefunctie 6.C)
Met deze servicefunctie kunt u de door de thermostaat gevraagde vertrektemperatuur weergeven.
10.4.27 Actueel debiet turbine (servicefunctie 6.d, enkel voor ZWN)
Het actueel debiet van de turbine wordt getoond.
Mogelijke aanduidingen zijn:
• 0.0. - 99.9.: 0,0 tot 99 l/min in stappen van 0,1 l/min
10.4.28 Status schakelklok (servicefunctie 6.E)
Het linker cijfer toont de actuele status van de verwarming. De verwarmingsmodus wordt conform de instellingen op de schakelklok geactiveerd.
Het rechter cijfer toont de actuele status warm water. Deze modus wordt conform de instellingen op de schakelklok geactiveerd.
Mogelijke aanduidingen zijn:
• 00 CV niet actief, warm water niet actief
• 01 CV niet actief, warm water actief
• 10 CV actief, warm water niet actief
• 11 CV actief, warm water actief
10.4.29 Werkingslampje (servicefunctie 7.A)
Het werkingslampje brandt wanneer de ketel ingeschakeld is. Met de servicefunctie 7.A kan men dit lampje uitschakelen.
De fabrieksinstelling is 01 (ingeschakeld).
10.4.30 Tussenstand driewegkraan (servicefunctie 7.b, enkel voor ZWN)
Na opslaan van de waarde 01 gaat de driewegkraan naar de middenpositie. Daarmee wordt het volledig leeglopen van de installatie en de eenvoudige demontage van de motor gewaarborgd.
Bij het verlaten van de instellingen wordt automatisch weer de waarde 00 opgeslagen.
10.4.31 Minimum warmwaterdebiet (servicefunctie 7.C, enkel voor ZWN)
Hiermee kan men het minimum waterdebiet, door de ketel als warmwatervraag herkend, instellen.
Dit debiet kan tussen 2,2 en 5,0 l/min in stappen van 0,1 l/min ingesteld worden.
De fabrieksinstelling is 2,2 (2,2 l/min).
10.4.32 Aansluiting van een externe vertrektemperatuurvoeler bvb. evenwichtsfles (servicefunctie 7.d)
Deze aansluiting wordt door de basisinstelling eenmalig automatisch herkend. U hoeft niets in te stellen.

Wanneer een aangesloten vertrektemperatuurvoeler terug afgekoppeld wordt, dient U de basisinstelling terug op 00 te zetten.
Mogelijke instellingen:
• 00 eenmalige automatische herkenning
• 02 aansluiting van een externe vertrektemperatuurvoeler aan IPM 1 of IPM 2
10.4.33 Droogfunctie vloerverwarming (servicefunctie 7.E)
Met deze functie wordt de droogfunctie in- of uitgeschakeld.

Deze functie schakelt het programma van de droogfunctie van de weersafhankelijke regelaar tijdelijk uit. Dit voor eventuele testen van de ketel.
Mogelijke instellingen:
• 00 uitgeschakeld
- 01 alleen verwarmingsbedrijf volgens instelling van ketel en/of regelaar, d.w.z. alle andere warmtevragen zijn geblokkeerd
10.4.34 Configuratie van de klemmen 1 - 2 - 4 (servicefunctie 7.F)
Met deze servicefunctie kan de ingangsspanning van de klemmen 1-2-4 worden ingesteld:
Mogelijke instellingen zijn:
• 00 ingang uitgeschakeld
• 01 0-24 V ingang, vermogenregeling
• 02 0-10 V ingang, vermogenregeling
• 03 0-10 V ingang, temperatuurregeling
10.5.1 Versie van de software (servicefunctie 8.A)
De actuele softwareversie wordt getoond. Afwisselend 3 x 2 aanduidingen (bvb. CL. 18.04).
10.5.2 Nummer codeerstekker (servicefunctie 8.b)

De laatste vier posities van de codeerstekker worden getoond.
De codeerstekker bepaalt de toestelfuncties. Indien het toestel van aardgas naar vloeibaar gas wordt omgebouwd (of omgekeerd), dan moet de codeerstekker worden vervangen. Deze ombouw mag enkel gedaan worden door de dienst na verkoop van Junkers.
10.5.3 Versie GFA (microprocessor - servicefunctie 8.C)
Interne parameter.
10.5.4 Storing GFA (microprocessor - servicefunctie 8.d)
Interne parameter.
10.5.5 Heatronic 3 resetten naar de basisinstelling (servicefunctie 8.E)
Met deze servicefunctie kan men de ketel naar de basisinstelling resetten. Alle gewijzigde servicefuncties worden eveneens naar hun basisinstelling gereset.
Servicetoets indrukken en ingedrukt houden, tot hij oplicht.
In het display verschijnt bvb. 1.A.
▶ Eco-toets en vergrendelingstoets gelijktijdig indrukken tot bvb. 8.A verschijnt.
Kies de servicefunctie 8.E met de eco-toets of met de vergrendelingstoets —O
▶ Schoorsteenvegertoets 📋 indrukken en loslaten. De schoorsteenvegertoets 📋 licht op en het display toont 00.
▶ Schoorsteenvegertoets indrukken tot in het display 88 verschijnt.
Alle instellingen worden gereset en de ketel herstart met zijn basisinstelling.
10.5.6 Continu ontsteking (servicefunctie 8.F)

OPMERKING: Beschadiging van de ontstekingstransformator mogelijk!
▶ Functie niet langer dan 2 minuten ingeschakeld laten.
Deze functie maakt permanente ontsteking zonder gastoevoer mogelijk, om de ontsteking te testen.
Mogelijke instellingen zijn:
• 00 uitgeschakeld
• 01 ingeschakeld
10.5.7 Continu bedrijfsstand (servicefunctie 9.A)
Deze functie stelt een bedrijfsstand (00, 01 en 02, zie servicefunctie 2.F: bedrijfsstand) permanent in.
Mogelijke instellingen zijn:
• 00 normale werking
• 01 minimumvermogen
• 02 maximumvermogen
10.5.8 Actueel verwarmingsvermogen (servicefunctie 9.C)
Met deze servicefunctie wordt het actuele verwarmingsvermogen van het toestel getoond (in procenten, U0 = 100%).
10.5.9 Vertraging signaal turbine (servicefunctie 9.E)
Met deze servicefunctie kan een vertragingstijd worden ingesteld, om bij kortstondige drukpieken in het waterleidingnet ongewenst starten van het toestel te voorkomen.
Door spontane drukverandering in de watertoevoer kan de turbine een warmwaterafname signaleren.
Daardoor gaat de brander kortstondig in bedrijf, ondanks dat er geen water wordt afgenomen.
De vertraging van het turbinesignaal kan tussen 02 en 08 (0,5 seconden tot 2 seconden) in stappen van 0,25 seconde worden ingesteld.
De fabrieksinstelling is 04 (1 seconde).
10.5.10 Nalooptijd circulatiepomp (servicefunctie 9.F)
Met deze servicefunctie kan de nalooptijd van de pomp na afloop van een warmtevraag worden ingesteld.
De pompnalooptijd kan van 01 tot 10 (1 tot 10 minuten) in stappen van 1 minuut worden ingesteld.
De fabrieksinstelling is 03 (3 minuten).
10.5.11 Vertrektemperatuur warmtewisselaar CV (servicefunctie A.A)
Hiermee kunt u deze vertrektemperatuur opvragen.
10.5.12 Warmwatertemperatuur (servicefunctie A.b)
Hiermee kunt u de warmwatertemperatuur opvragen.
10.5.13 Boilertemperatuur (servicefunctie A.C)
Hiermee kunt u deze temperatuur opvragen.
10.5.14 Temperatuur aan de rookgasbeveiliging TTB (trekonderbreker) (servicefunctie A.d)
Hiermee kunt u deze temperatuur opvragen.
10.5.15 Vertrektemperatuur aan de brander (servicefunctie A.E)
Hiermee kunt u deze temperatuur opvragen.
10.5.16 Temperatuur van de verbrandingskamer (servicefunctie A.F)
Hiermee kunt u deze temperatuur opvragen.
10.5.17 Minimale vertrektemperatuur (servicefunctie b.b)
Hiermee kunt u de minimale vertrektemperatuur instellen.
Deze kan van 35 tot 55 (35 tot 55°C) in stappen van 1°C ingesteld worden.
De fabrieksinstelling is 35 (35°C).
10.5.18 Vertraging van de verwarmingsfuncties t.o.v. de warmwaterbereiding (solarmodus) (servicefunctie b.F)
De CV-functie wordt zolang onderdrukt, tot de warmwatertemperatuurvoeler vaststelt of het met de zonnepanelen voorverwarmde water de gewenste uitlooptemperatuur bereikt. Deze vertraging moet afhankelijk van de installatie ingesteld worden.

Wanneer een vertraging ingesteld werd, is comfort op commando niet meer mogelijk (zie paragraaf 9.9).
De vertraging kan van 0 tot 50 seconden ingesteld worden.
De fabrieksinstelling is 00 (uitgeschakeld).
10.5.19 Actuele warmtevraag (servicefunctie C.d)
Mogelijke aanduidingen zijn:
• 00 geen warmtevraag
• 01 warmtevraag verwarming
• 02 warmtevraag sanitair warm water
10.5.20 Aantal starts van de sanitaire circulatiepomp (servicefunctie C.E)
Hiermee kunt u instellen hoe dikwijls de pomp gedurende 3 minuten per uur draait.
Mogelijke instellingen zijn:
• 1 3 minuten aan, 57 minuten uit
• 2 3 minuten aan, 27 minuten uit
• 3 3 minuten aan, 17 minuten uit
• 4 3 minuten aan, 12 minuten uit
• 5 3 minuten aan, 9 minuten uit
• 6 3 minuten aan, 7 minuten uit
• 7 circulatiepomp draait continu
Wanneer een verwarmingsregelaar met circulatiepompprogramma aangesloten is, wordt de sanitaire pomp door de regelaar gestuurd.
10.5.21 Instelling temperatuurverschil voor aan- en uitschakelen van de platenwarmtewisselaar (servicefunctie C.F, enkel voor ZWN)
Dit bepaalt in welke mate de temperatuur van de platenwarmtewisselaar onder de ingestelde waarde mag dalen, vooraleer hij terug verwarmd wordt.
Dit kan van 0 tot 50 (0 tot 25 K) in stappen van 0,5 K ingesteld worden.
De fabrieksinstelling is 50 (25 K).
10.5.22 Minimale rookgastemperatuur (servicefunctie d.b)
Hiermee wordt het modulatiebereik beperkt om een minimale rookgastemperatuur te waarborgen.
Deze kan van 9 tot 17 (90 tot 170°C) in stappen van 10°C ingesteld worden.
De fabrieksinstelling is 9 (90°C).
10.6 Tips voor energiebesparing
Zuinig verwarmen
De ketel is zo geconstrueerd dat het gasverbruik en de belasting voor het milieu zo laag mogelijk zijn en het comfort zo groot mogelijk is. De gastoevoer naar de brander wordt geregeld al naar het gelang de warmtebehoefte van de installatie. De ketel werkt verder met een lage vlam wanneer de warmtebehoefte kleiner wordt. Dit proces heet "modulerende werking".
Door de modulerende werking worden temperatuurschommelingen gering en wordt de warmte in de ruimtes gelijkmatig verdeeld. Zo kan het gebeuren dat de ketel gedurende een lange tijd werkt, maar toch minder gas verbruikt dan een ketel die voortdurend wordt in- en uitgeschakeld.
Nachtverlaging
Door het verlagen van de omgevingstemperatuur overdag en 's nachts kan u aanzienlijk bezuinigen op het brandstofverbruik. Verlaging van de temperatuur met 1°C kan een energiebesparing van maar liefst 5 % opleveren. Het is echter aan te bevelen de keteltemperatuur 's nachts maximaal 5°C te laten dalen t.o.v. de ingestelde keteltemperatuur overdag. Handel in overeenstemming met de bedieningsaanwijzing van de regelaar.
Warm water
Lagere instelling van de temperatuurregelaar geeft een grotere energie besparing.
Bij ketel ZWN:
Het "comfort op commando" met de warmwaterkraan maakt het mogelijk een maximale gas- en waterbesparing te bereiken. (zie 9.9)
11. OMBOUW VAN EEN LAGETEMPERATUURKETEL NAAR EEN STANDAARDKETEL
Deze gasketels hebben een hoge werkingsgraad en daardoor een lage temperatuur van de verbrandingsgassen.
Om het vochtig worden van de schouw te vermijden, is het belangrijk dat deze aan de temperatuur van de verbrandingsgassen aangepast is.
Bij het vervangen van een bestaande (oudere) gasketel kan deze lagetemperatuurketel Cerastar in een "standaardketel" omgebouwd worden. Daardoor verhoogt de temperatuur van de verbrandingsgassen.

▶ Verwijder de voorplaat van de branderkamer.
Fig. 44

text_image
2. 1. 4 377-80.1 R▶ Neem de rookgastemperatuurplaat weg (1) en schroef ze vast aan de trekonderbreker (2).
▶ De voorplaat van de branderkamer opnieuw monteren.
Fig. 45
12. GASREGELING
De voedingsdruk aangeduid in de technische gegevens, moet aan de manometerstut (7) gecontroleerd worden.
De gasdruk (met de ketel buiten werking) mag nooit:
- hoger zijn dan 30 mbar (aardgas) en 45 mbar (propaan),
- lager zijn dan 18 mbar (aardgas) en 30 mbar (propaan).
De ketels worden vanuit de fabriek geregeld en verzegeld in overeenstemming met categorie I_2E+ (aardgas) of I_3+ (vloeibaar gas).
De installateur mag daarom geen enkele instelling van het gasdebiet doorvoeren.

OPMERKING:
De ombouw naar een andere gassoort mag alleen gedaan worden door de dienst na verkoop van JUNKERS.
13. ONDERRICHTINGEN
13.1 Nota voor de installateur
Na de ingebruikname:
▶ de gebruiker op de hoogte brengen van de bediening en de werking van de gasketel,
zijn aandacht vestigen op het feit dat in geen geval de aanvoer van verse lucht en de afvoer van verbrande gassen belemmerd mogen worden,
zijn aandacht vestigen op de controle van de waterdruk d.m.v. de manometer (zie paragraaf 8.3),
▶ dit document overhandigen.
13.2 Nota voor de gebruiker
TIP: Bij extreem lage buitentemperaturen (vanaf -10°C) raden wij U aan de nachtverlaging te beperken tot 2°C ten opzichte van de dagtemperatuur.
U vindt hierna enkele aanwijzingen die U toelaten, indien nodig, kleine storingen te verhelpen.
De ketel springt niet op
Brandt de diagnosecode-aanduiding? Indien een storingsmelding verschijnt, de ontgrendeltoets indrukken. Controleer de instelling van kamerthermostaat en temperatuurregelaar ^III .
De ketel wordt warm, de installatie blijft koud
Nagaan of de installatie gevuld en ontlucht is. Radiatorkranen openen. Indien de installatie koud blijft nagaan of de circulatiepomp draait. Zo niet de ketel uitschakelen en de circulatiepomp losmaken.
De ketel lekt aan de sanitair-waterzijde
De koudwaterkraan sluiten. Nagaan of er een terugslagklep onder de ketel geplaatst werd.
Waarschuw Uw installateur of de dienst na verkoop van JUNKERS.
Bij gasgeur
▶ Gaskraan dichtdraaien.
▶ Vensters en deuren openen.
▶ Geen elektrische schakelaars bedienen.
▶ Alle open vuur doven.
▶ Van op een andere plaats naar de gasmaatschappij, Uw installateur of JUNKERS telefoneren.
Bij geur van verbrande gassen
▶ Doof de gasketel.
▶ Vensters en deuren openen.
▶ Verwittig uw installateur of JUNKERS.
13.3 Controle van de ketel
Controleer regelmatig de waterdruk en, indien nodig, de installatie bijvullen en ontluchten. Vlammenbeeld nagaan: de brander moet stabiel maar zonder gele vlammen branden.
13.4 Reinigen van de mantel
Gebruik geen schurende of agressieve reinigingsmiddelen, een vochtig doek volstaat.
14. CONTROLE EN ONDERHOUD
Zelfs een JUNKERS heeft een regelmatige controle- en onderhoudsbeurt nodig.
Een preventief onderhoud vermijdt vroegtijdige slijtage en/of een abnormaal hoog verbruik.
Deze werkzaamheden mogen enkel gedaan worden door de installateur, een bevoegde vakman of door de dienst na verkoop van JUNKERS.

EEN JAARLIJKSE ONDERHOUDSBEURT IS AANBEVOLEN.
(afhankelijk van de regionale reglementering ter zake)
Doe hiervoor beroep op een erkende vakman of op de dienst na verkoop van JUNKERS.

Gevaar: Voor explosie!
▶ De gaskraan sluiten vooraleer werken aan gasvoerende delen uit te voeren.
Gevaar: Voor CO-vergiftiging!
▶ Controleer de dichtheid na werken aan de rookgasafvoer.

Gevaar: Voor stroomschok!
▶ Voor het werken aan de elektrische delen altijd ketel spanningsvrij maken (zekeringen, hoofdschakelaar, enz.).

Gevaar: Voor verbranding!
▶ Heet water kan brandwonden veroorzaken. Laat de ketel leeglopen vooraleer werken aan het watergedeelte van de ketel uit te voeren.

Opgelet: Wegvloeiend water kan de Heatronic beschadigen.
▶ Dek de Heatronic af vooraleer werken aan watervoerende delen uit te voeren.
14.1 Belangrijke opmerkingen
i
U vindt een overzicht van mogelijke storingen op blz. 52 - 54.
• Volgende meettoestellen zijn nodig:
- elektronisch meettoestel voor CO₂, CO en rookgastemperatuur,
- drukmeter 0 – 30 mbar (met een precisie van minstens 0,1 mbar).
- Speciale werktuigen zijn niet nodig. Enkel gereedschap uit de handel volstaat.
14.2 Wisselstukken en smeermiddelen

Gebruik uitsluitend originele JUNKERS-wisselstukken.
Gebruik tevens enkel de toegelaten vetsoorten van JUNKERS.
Voor metalen dichtvlakken, O-ringen en temperatuurvoelers:
- in contact met water L 641 bestelnummer 8 709 918 413 in contact met gas HFT 1 V 5 bestelnummer 8 709 918 010 warmtegeleidingvet P 12 bestelnummer 8 719 918 658
14.3 Na controle en onderhoud
▶ Alle losgemaakte koppelingen aantrekken.
▶ Neem de ketel opnieuw in bedrijf.
▶ Controleer de dichtheid van alle aansluitingen.
14.4 Checklist voor het onderhoud (door de installateur of door de dienst na verkoop van JUNKERS)
| Volgorde | Te doen Zie blz. | |
| 1 | Laatste foutmelding oproepen, servicefunctie 6.A. | 46 |
| 2 | Controleer de filter in de koudwatertoevoer (enkel voor toestellen ZWN) | 46 |
| 3 Verseluchttoevoer en rookgasafvoer optisch controleren. | ||
| 4 Controleer de brander en de spuitstukken. | ||
| 5 Controleer de warmtewisselaar. 47 | ||
| 6 Controleer de elektroden. 49 | ||
| 7 Controleer de gasvoordruk. | ||
| 8 Controleer de dichtheid ten aanzien van gas, rookgas en water. | ||
| 9 Controleer de rookgasbeveiligingen. | ||
| 10 | Controleer de voordruk van het expansievat in verhouding tot de statische hoogte van de verwarmingsinstallatie (ketel drukloos). | |
| 11 Controleer de vuldruk van de verwarmingsinstallatie. 49 | ||
| 12 Controleer de elektrische bedrading op beschadigingen. | ||
| 13 Controleer alle veiligheids-, regel- en stuurorganen op hun functie. | ||
| 14 | Controleer de bij de verwarmingsinstallatie horende toestellen. | |
| 15 Controleer ingestelde servicefuncties. | ||
14.5 Schoorsteenvegertoets

text_image
0 729 012 659-36.1M maxDoor de schoorsteenvegertoets in te drukken tot hij oplicht, kan men volgende vermogens van de ketel selecteren:
• □□ = maximaal ingesteld verwarmingsvermogen
• □□ = maximum nominaal vermogen
• = minimum nominaal vermogen
Fig. 46

U hebt 15 minuten tijd om de waarden te meten. Daarna schakelt de ketel opnieuw over op normale werking.
14.6 CO-waarde in de rookgasafvoer meten
- Gebruik een geijkt elektronisch analysetoestel voor de meting.
Zorg voor voldoende warmteafgifte door de radiatorkranen te openen of door warm water af te tappen.
Zet de ketel in werking en wacht enkele minuten.
▶ Open een meetpunt in de rookgasafvoer. Indien geen meetpunt voorhanden is, dient dit volgens de voorschriften te worden aangebracht.
▶ Voeler van meetapparatuur in de rookgasafvoer schuiven en de plaats met de hoogste rookgastemperatuur zoeken.
▶ Meetopening afdichten.
▶ De schoorsteenvegertoets 📁 zo dikwijls indrukken tot het display 88 toont. (= maximaal ingesteld verwarmingsvermogen)
▶ CO-waarde meten.
▶ De schoorsteenvegertoets 📋 zo dikwijls indrukken tot hij dooft. Het display toont opnieuw de vertrektemperatuur.
▶ Schakel de ketel uit.
▶ Neem de voeler weg. - Het meetpunt in de rookgasafvoer terug sluiten.
14.7 Waarde van het rookgasverlies meten
- Gebruik een geijkt elektronisch analysetoestel voor de meting.
Zorg voor voldoende warmteafgifte door de radiatorkranen te openen of door warm water af te tappen.
Zet de ketel in werking en wacht enkele minuten.
▶ Open een meetpunt in de rookgasafvoer. Indien geen meetpunt voorhanden is, dient dit volgens de voorschriften te worden aangebracht.
▶ Voeler van meetapparatuur in de rookgasafvoer schuiven.
▶ Meetopening afdichten.
▶ Meetapparatuur voor de verbrandingslucht ongeveer 100 mm onder de gasketel plaatsen.
▶ De schoorsteenvegertoets 📁 zo dikwijls indrukken tot het display toont. (= maximaal ingesteld verwarmingsvermogen)
▶ Rookgasverlies en werkingsgraad meten bij een keteltemperatuur van 60°C.
De schoorsteenvegertoets zo dikwijls indrukken tot hij dooft. Het display toont opnieuw de vertrektemperatuur.
▶ Schakel de ketel uit.
▶ Neem de voeler weg. - Het meetpunt in de rookgasafvoer terug sluiten.
14.8 Laatste foutmelding oproepen (servicefunctie 6.A)
▶ Kies servicefunctie 6.A. (zie blz. 37)
i
U vindt een overzicht van mogelijke storingen op blz. 52 - 54.
14.9 Filter in de koudwatertoevoer (enkel voor toestel ZWN)

Koudwaterkraan sluiten. Koudwatertoevoerleiding losmaken en filter op vervuiling controleren. Vervangen indien nodig.
Fig. 47
14.10 Platenwarmtewisselaar (enkel voor toestel ZWN)
Bij onvoldoend uitstroomdebiet:

text_image
1. 2. S720 840 564-16.40Koudwatertoevoer sluiten. Koudwatertoevoerleiding losmaken en filter op vervuiling controleren.
▶ Demonteer de platenwarmtewisselaar en vervang hem.
- of -
- Ontkalk met een ontkalkingmiddel dat geschikt is voor roestvrij staal. (af te raden)
Demontage van de platenwarmtewisselaar
▶ Schroef bovenaan losdraaien en platenwarmtewisselaar wegnemen.
Monteer een nieuwe platenwarmtewisselaar en gebruik daarbij nieuwe dichtingen. Schroef bovenaan terug vastdraaien.
Fig. 48
14.11 Verbrandingskamer, spuitstukken en brander reinigen

text_image
1. 2. 3. 4. 6 720 610 889-85.1TG▶ Voorplaat van de verbrandingskamer wegnemen.
▶ Spuitstukkencollector en venturi's demonteren.
- Brander met spuitstukken uitblazen. Eventueel met water en spoelmiddel reinigen. Daarna goed afspoelen.
Voor het terug in bedrijf stellen van de ketel, zorgen dat de brander volledig droog is.
▶ Brander met een borstel reinigen.
▶ Spuitstukkencollector en venturi's terug monteren.
i
Om de watergekoelde brander te reinigen, moet het water van de installatie NIET afgelaten worden.
Fig. 49
14.12 Warmtewisselaar reinigen

text_image
6 720 640 384-21.10 1. 2. 3. 4.▶ De voorplaat van de verbrandingskamer losmaken.
▶ Rookgastemperatuurplaat (3) demonteren.
Bedrading losmaken (1), moeren losdraaien (2) en de warmtewisselaar naar voren wegnemen (4).
▶ Met water en spoelmiddel reinigen. Daarna goed afspoelen.
▶ Warmtewisselaar terug monteren.
Fig. 50
14.13 Rookgasbeveiligingen controleren

text_image
1.↑ 2. 6 720 640 384-23.10Fig. 51
Rookgasbeveiliging aan de trekonderbreker
▶ Ketel in bedrijf stellen op maximaal vermogen en wachten tot de keteltemperatuur hoger is dan 50°C.
De rookgasafvoerbuis wegnemen en alleen de uitgang van de trekonderbreker met een onbrandbare plaat afdekken.
▶ De ketel schakelt na ongeveer 2 minuten uit. In het display verschijnt A4.
▶ De plaat terug wegnemen en de rookgasafvoerbuis terug monteren. Na ongeveer 20 minuten gaat de ketel automatisch terug in werking.
Deze wachttijd kan opgeheven worden door de hoofdschakelaar uit- en opnieuw in te schakelen.
Wanneer de rookgasbuis niet gedemonteerd kan worden, kan de ring met de 4 vijzen losgemaakt worden.

Rookgasbeveiliging aan de branderkamer
▶ Ketel in bedrijf stellen op maximaal vermogen.
▶ Ketel 10 minuten laten werken.
▶ Een onbrandbare plaat in de trekonderbreker steken.
▶ Na ongeveer 10 tot 12 minuten schakel de ketel schakelt. In het display verschijnt A2.
▶ De plaat terug wegnemen.
De ketel gaat terug in werking.
Wanneer binnen de 5 minuten een nieuwe uitschakeling plaats vindt, gaat de ketel pas na 20 minuten terug in werking.
▶ Ketel terug in bedrijf stellen op normale werking.
14.14 Expansievat controleren
- Ketel drukloos maken: CV-afsluitkranen van de montageplaat dichtdraaien en een weinig water aflaten tot de manometer op 0 bar staat.
Indien nodig de voordruk van het expansievat instellen in overeenstemming met de statische hoogte van de installatie. (minimum 0,5 bar – maximum 1,1 bar) - Afsluitkranen terug openen en water bijvullen tot de manometer op 1,2 bar staat.
14.15 Verwarmingswaterdruk controleren

Voor het bijvullen eerst de vulset met water vullen. Dit voorkomt dat er lucht in de installatie komt.

text_image
88 reset eco - 10 2 3 4 e 6 min maxFig. 53

Opgelet: De ketel kan beschadigd worden.
▶ Vul enkel water bij wanneer de ketel koud is.
▶ De wijzer op de manometer (10) moet tussen de 1 en 1,5 bar staan.
▶ Staat de wijzer onder de 1 bar (in koude toestand) dan moet u bijvullen totdat de wijzer weer tussen de 1 en 1,5 bar staat.
| Aanduiding op de manometer | |
| 1 bar Minim | male vuldruk (bij koude installatie) |
| 1,2 bar Opt | male vuldruk |
| 3 bar Maxim | male vuldrukDe maximumdruk van 3 bar bij een hogere vertrektemperatuur mag niet overschreden worden. Anders opent het overdrukventiel. |

Wanneer de verwarmingswaterdruk niet behouden blijft, moet de dichtheid van het expansievat en van de verwarmingsinstallatie gecontroleerd worden.
14.16 Elektrische bedrading
- Controleer de bedrading op eventuele beschadiging en vervang eventuele defecte bedrading.
14.17 Elektroden reinigen
▶ Open de verbrandingskamer.
▶ Reinig de elektroden. Vervang ze wanneer ze slijtage vertonen.
14.18 Overdrukventiel

Het overdrukventiel beschermt de verwarmingsinstallatie tegen mogelijke overdruk. Het ventiel zo afgesteld dat het opent wanneer de druk in de verwarmingskring ongeveer 3 bar bereikt.

Voorzichtig:
▶ Het overdrukventiel NOOIT afsluiten.
▶ De slang steeds afhellend monteren.
Om het overdrukventiel manueel te openen:
▶ Hendel indrukken. (eventueel met een schroevendraaier)
▶ Vervolgens hendel loslaten.
Fig. 54
14.18 Sanitaire warmwaterleiding (bij ZWN)
Indien de normale uitlooptemperatuur en/of het normale debiet niet meer bereikt worden:
- gasdruk controleren,
- controleer of er geen bijmenging gebeurt van koud water in de sanitaire installatie,
- controleer de waterfilter,
- vervang (indien nodig) de sanitaire platenwarmtewisselaar.

Het is aan te raden de platenwarmtewisselaar te vervangen en NIET te ontkalken.
14.18 Opnieuw in gebruik nemen
Zie hoofdstuk 9.
- AANDUIDINGEN IN HET DISPLAY VAN DE KETEL
| Aangeduide waarde Omschrijving Bereik | ||
| Cijfer of letter, punt gevolgd door letter Servicefunctie | ||
| Letter gevolgd door cijfer of letter Storingscode knippert | ||
| Twee cijfers Decimale waarde (bvb. vertrektemperatuur) 00 .. 99 | ||
| U gevolgd door 0 9 | Decimale waarde;100 ... 109 wordt aangeduid als U0 .. U9 | 0 .. 109 |
| Een cijfer (langdurig aangeduid) gevolgd door twee maal twee cijfers (kort aangeduid) | Decimale waarde (drie cijfers);eerste cijfer wordt aangeduid afwisselend met de twee laatste cijfers (bvb. 1...69..69 voor 169) | 0 .. 999 |
| Twee streepjes gevolgd door twee maal twee cijfers | Nummer codeerstekker;1. twee streepjes2. eerste twee cijfers3. laatste twee cijfers(bvb. -- 10 04) | 1000 .. 9999 |
| Twee letters gevolgd door twee maal twee cijfers | Versienummer;De waarde wordt in 3 stappen aangeduid:1. eerste twee letters2. eerste twee cijfers3. laatste twee cijfers(bvb. CF 10 20) | |
| Display Omschrijving | |
| 88 | Weergave na het indrukken van een toets (met uitzondering van de reset-toets). |
| 88 | Twee toetsen tegelijkertijd ingedrukt. |
| 89 | Weergave na het drukken (gedurende meer dan 3 seconden) van de schoorsteenvegertoets (boilerwerking). |
| 88 | Het display toont de vertrektemperatuur afgewisseld met 88. De ketel werkt gedurende 15 minuten op minimum nominaal vermogen (servicefunctie 2.F). |
| 88 | Het display toont de vertrektemperatuur afgewisseld met 88. De ketel werkt op het maximaal ingesteld verwarmingsvermogen (servicefunctie 1.A). |
| 88 | Het display toont de vertrektemperatuur afgewisseld met 88. De ketel werkt gedurende 15 minuten op het maximaal ingesteld verwarmingsvermogen (servicefunctie 2.F). |
| 89 | Het ontluchtingsprogramma is geactiveerd (servicefunctie 2.C). |
| In | Het display toont de vertrektemperatuur afgewisseld met In. De ingestelde tijd tot de volgende onderhoudsbeurt is verlopen (servicefunctie 5.A). |
| 80 | Het display toont de vertrektemperatuur afgewisseld met 80. De verwarmingspomp is geblokkeerd. Zie ook storing E9. |
| 89 | Het display toont de vertrektemperatuur afgewisseld met 89. Ontoelaatbaar snelle stijging van de vertrektemperatuur. De verwarming wordt gedurende 2 minuten onderbroken. |
| 86 | Droogfunctie voor de vloerverwarming. Indien deze functie aan de weersafhankelijke regelaar geactiveerd is. Zie hiervoor de handleiding van de regelaar. |
| 86 | De vergrendelingstoets is geactiveerd. Druk op de vergrendelingstoets → tot de vertrektemperatuur aangeduid wordt in het display. |
16. STORINGEN
16.1 Storingen oplossen

Gevaar: Voor explosies!
▶ De gaskraan sluiten vooraleer werken aan gasvoerende delen uit te voeren.
Doe een dichtheidscontrole na werken aan gasvoerende delen.

Gevaar: Voor CO-vergiftiging!
- Controleer de dichtheid na werken aan de rookgasafvoer.

Gevaar: Voor stroomschok!
▶ Voor het werken aan de elektrische delen altijd ketel spanningsvrij maken (zekeringen, hoofdschakelaar, enz.).

Gevaar: Voor verbranding!
Heet water kan brandwonden veroorzaken. Laat de ketel leeglopen vooraleer werken aan het watergedeelte van de ketel uit te voeren.

Opgelet: Wegvloeiend water kan de Heatronic beschadigen.
▶ Dek de Heatronic af vooraleer werken aan watervoerende delen uit te voeren.
De Heatronic bewaakt alle veiligheids-, regel-, en besturingsorganen.
Wanneer tijdens de werking een storing optreedt, knippert de werkingscontrolelamp.
In het display wordt een storing weergegeven (bvb. EA) en de reset-toets kan knipperen.
Wanneer de reset-toets knippert:
Druk op de reset-toets en houd deze vast tot in het display □□ wordt weergegeven.
De ketel treedt weer in werking en de vertrektemperatuur wordt weergegeven.
Wanneer de reset-toets niet knippert:
▶ Schakel de ketel uit en weer aan. De ketel treedt weer in werking en de vertrektemperatuur wordt weergegeven.

Een overzicht van eventuele storingen vindt U in de tabel op blz. 52 – 54. Een overzicht van aanduidingen in het display vindt U op blz. 50.
Wanneer de storing zich niet laat resetten:
▶ Waarschuw dan uw installateur of de dienst na verkoop van JUNKERS.
16.2 Storingen die in het display getoond worden
| Display Korte omschrijving Wat te doen | ||
| A2, C3 | Rookgassen ontsnappen uit de verbrandingskamer. | ► Controleer de warmtewisselaar op vervuiling. |
| A3 | De rookgasbeveiliging aan de trekonderbreker is onderbroken of is in kortsluiting. | ► Rookgasbeveiliging en aansluitkabel testen en eventueel vervangen. |
| A4 | Rookgassen ontsnappen aan de trekonderbreker. | ► Controleer de schouw. |
| A6 | De temperatuurvoeler aan de verbrandingskamer is onderbroken of is in kortsluiting. | ► Temperatuurvoeler en aansluitkabel testen en eventueel vervangen. |
| A7 | Warmwater-NTC defect (bij ketel ZWN ...). | ► Controleer warmwater-NTC en aansluitkabel op onderbreking of kortsluiting. Indien nodig, vervangen.► Codeerstekker goed vaststeken. Indien nodig, vervangen. |
| A8 | CAN-communicatie onderbroken. | ► Controleer de verbindingskabel van de BUS-deelnemers.► Controleer de regelaar. |
| A9 | Warmwater-NTC is niet juist gemonteerd (bij ketel ZWN ...).►► | ► Controleer de montage. Eventueel de NTC demonteren en opnieuw monteren (gebruik daarbij warmte-geleidingsvet “P 12”).ΔT tussen warm water en verwarming te groot.Temperatuur van de sanitaire voeler lager dan 0°C. |
| Ad | Boiler-NTC niet herkend. ► | Controleer de boiler-NTC en de verbindingskabel. |
| b1 | Codeerstekker wordt niet herkend. | ► Steek de codeerstekker goed vast, meet deze en vervang indien nodig. |
| b2/b3 | Interne gegevensfout. | ► Reset de Heatronic naar de basisinstelling (servicefunctie 8.E). |
| CC | Buitentemperatuurvoeler niet herkend. | ► Controleer buitentemperatuurvoeler en aansluitkabel op onderbreking. Indien nodig, vervangen.► Sluit de buitentemperatuurvoeler correct aan de klemmen A en F aan. |
| d3 | Temperatuurbegrenzer TB 1 defect.Externe temperatuurbegrenzer heeft uitgeschakeld.Temperatuurbegrenzer is vergrendeld. | ► Controleer temperatuurvoeler en aansluitkabel op onderbreking of kortsluiting. Indien nodig, vervangen.► Temperatuurbegrenzer TB 1 heeft uitgeschakeld. De brug 8 – 9 of de brug PR – PO ontbreekt.► Temperatuurbegrenzer ontgrendelen. |
| d7 | Gasblok defect of kabel voor modulatie niet aangesloten. | ► Controleer aansluitkabel op onderbreking of kort-sluiting. Terug monteren of, indien nodig, vervangen.► Controleer de gasblok. Indien nodig, vervangen. |
| E2 | Vertrek-NTC defect. | ► Controleer vertrek-NTC en aansluitkabel op onderbreking of kortsluiting. Indien nodig, vervangen. |
| E5 | Temperatuurvoeler van vertrek brander heeft temperatuur overschreden. | ► Controleer deze temperatuurvoeler.► Ontlucht de verwarmingsinstallatie.► Controleer de warmtewisselaar op vervuiling. |
| E7 | Temperatuurvoeler van vertrek brander is onderbroken of is in kortsluiting. | ► Temperatuurvoeler en aansluitkabel testen en eventueel vervangen. |
| E9 | Temperatuurbegrenzer in warmtewisselaar heeft uitgeschakeld. | ► Controleer temperatuurbegrenzer in warmtewisselaar en aansluitkabel op onderbreking of kortsluiting. Indien nodig, vervangen.► Controleer de installatiedruk.► Controleer temperatuurbegrenzer. Indien nodig, vervangen.► Controleer het lopen van de pomp. Indien nodig, vervangen.► Controleer de zekering op de printplaat. Indien nodig, vervangen.► Ontlucht de ketel.► Controleer de warmtewisselaar waterzijdig. Indien nodig, vervangen. |
| EA | Vlam wordt niet herkend (geen ionisatie). | ► Controleer de aarding.► Is de gaskraan open?► Controleer de gasaansluitdruk en de branderdruk.► Controleer de netaansluiting.► Controleer de elektrodes en kabels. Indien nodig, vervangen.► Controleer de rookgasafvoer en de luchttoevoer. Eventueel reinigen of verbeteren.► Reinig de warmtewisselaar.► Controleer de gasblok. Indien nodig, vervangen.► Codeerstekker goed vaststeken. Indien nodig, vervangen. |
| F0 | Interne fout. | ► De reset-toets indrukken en ingedrukt houden tot in het display verschijnt. Dan loslaten. Hierna start de ketel opnieuw.► Controleer de elektrische stekkers en ontstekingsleidingen. Indien nodig de printplaat vervangen.► Controleer alle bedradingen op massakortsluiting.► Controleer de verhouding gas/lucht ( CO_2 ). |
| F1 | Interne gegevensfout. | ► Reset de Heatronic 3 naar de basisinstelling (servicefunctie 8.E). |
| F7 | Vlam wordt herkend, hoewel de ketel uitgeschakeld is. | ► Controleer elektrodenset op barsten of vervuiling. Indien nodig, vervangen.► Controleer de rookgasafvoer. Eventueel reinigen of verbeteren.► Controleer of de printplaat niet vochtig is. |
| FA | Vlam wordt herkend na gasuitschakeling. | ► Controleer de gasblok. Indien nodig, vervangen.► Controleer elektrodenset. Indien nodig, vervangen.► Controleer de rookgasafvoer. Eventueel reinigen of verbeteren. |
| Fd | De reset-toets is per vergissing ingedrukt. | ► De reset-toets indrukken en ingedrukt houden tot in het display verschijnt.► Bedrading van de temperatuurbegrenzer en/of de gasblok controleren op massakortsluiting. |
| Ontoelaatbaar snelle stijging van de vertrektemperatuur. | ► Open de afsluitkranen.► Sluit de verwarmingspomp elektrisch aan de Heatronic 3 aan.► Pompstekker goed vaststeken.► Verwarmingspomp starten of vervangen.► Schakelstand van de pomp correct instellen en aanpassen in overeenstemming met het maximumvermogen van de ketel. | |
16.3 Storingen die niet in het display getoond worden
| Storing Wat te doen | |
| Te veel verbrandingsgeluid. De ketel bromt.► Controleer de gassoort.► Controleer de gasaansluitdruk en de branderdruk.► Controleer de rookgasafvoer. Eventueel reinigen of► Controleer de verhouding gas/lucht (CO | ► Codeerstekker goed vaststeken. Indien nodig, vervangen.verbeteren. _2 in de verbrandingslucht en in de rookgassen. Indien nodig de gasblok vervangen. |
| Stromingsgeluiden. | ► Schakelstand van de pomp correct instellen en aanpassen in overeenstemming met het maximumvermogen van de ketel. |
| Het opwarmen duurt te lang.► Controleer de driewegkraan. | ► Schakelstand van de pomp correct instellen en aanpassen in overeenstemming met het maximumvermogen van de ketel. |
| Rookgaswaarden niet in orde;CO-waarde te hoog.► Controleer de brander. Indien nodig, vervangen. | ► Controleer de gassoort.► Controleer de gasaansluitdruk en de branderdruk.► Controleer de rookgasafvoer en de luchttoevoer. Eventueel reinigen of verbeteren.► Controleer de warmtewisselaar op vervuiling. Indien nodig, reinigen.► Controleer de schoorsteentrek en de verhouding gas/lucht ( CO_2 ) in de rookgassen. Indien nodig de gasblok vervangen. |
| De ontsteking is te hard of te slecht. | ► Controleer de gassoort.► Controleer de gasaansluitdruk en de branderdruk.► Controleer de netaansluiting.► Controleer elektrodenset. Indien nodig, vervangen.► Controleer de rookgasafvoer. Eventueel reinigen of verbeteren.► Controleer de verhouding gas/lucht (CQ). Indien nodig de gasblok vervangen.► Controleer de brander. Indien nodig, vervangen. |
| De ingestelde vertrektemperatuur (bvb. met de regelaar FW 500) wordt overschreden. | ► Schakel het automatisch antipendelprogramma uit (de waarde op 0 zetten).► Benodigde antipendelblokkering instellen (bvb. fabrieksinstelling 3 minuten). |
| De ingestelde warmwatertemperatuur wordt niet bereikt. | ► Codeerstekker goed vaststeken. Indien nodig, vervangen.► Controleer de gasaansluitdruk en de branderdruk.► Controleer of er spanning is (230 V/AC) tussen de klemmen 1 en 3.► Controleer de turbine en de debietbegrenzer. Indien nodig, vervangen. |
| De Heatronic knippert (alle toetsen, alle segmenten van het display, de controlelamp van de brander, enz. knipperen). | ► Vervang de zekering Si 3 (24 V). Zie fig. 5, nr. 9. |
16.4 Meetwaarden van de voelers
16.4.1 Buitentemperatuurvoeler (bij weersafhankelijke regelaars – toebehoren)
| buitentemperatuur (°C) | weerstand(Ω) | |||
| meettolerantie +/- 10% | ||||
| -20 | 2392 | 0 | 33 | |
| -16 | 2088 | 10 | 1 | |
| -12 | 1811 | 20 | 1 | |
| -8 | 1562 | 30 | 7 | |
| -4 | 1342 | 40 | 5 | |
| 0 | 1 | |||
| 4 | 984 | |||
| 8 | 842 | |||
| 10 | 781 | |||
| 15 | 642 | |||
| 20 | 528 | |||
| 25 | 436 | |||
16.4.3 Vertrekvoeler, warmwatervoeler en brandertemperatuurvoeler
| temperatuur (°C)meettolerantie +/- 10% | weerstand (Ω) |
| 242 | |
| 947 | |
| 394 | |
| 947 | |
| 242 | |
| 149 | 50 |
| 60 | 2 |
| 70 | 1 |
| 80 | 1 |
| 90 | 923 |
16.4.2 Boilertemperatuurvoeler 16.4.4 Rookgasbeveiliging trekonderbreker
Rookgasbeveiliging verbrandingskamer
| temperatuur (°C) meettolerantie +/- 10% | weerstand (Ω) |
| 20 | 13 779 - 14 772 |
| 25 | 11 175 - 11 981 |
| 30 | 9 128 - 9 786 |
| 35 | 7 667 - 8 047 |
| 40 | 6 205 - 6 653 |
| 45 | 5 252 - 5 523 |
| 50 | 4 298 - 4 608 |
| 55 | 3 662 - 3 856 |
| 60 | 3 025 - 3 243 |
| 65 | 2 601 - 2 744 |
| 70 | 2 176 - 2 332 |
| 75 | 1 883 - 1 990 |
| 80 | 1 589 - 1 704 |
| 85 | 1 365 - 1 464 |
| 90 | 1 177 - 1 262 |
| 95 | 1 020 - 1 093 |
| 100 | 886 - 950 |
| temperatuur (°C)meettolerantie +/- 10% | weerstand (Ω) |
| 0 | ≥ 28 000 |
| 10 | 18 361 |
| 20 | 12 161 |
| 30 | 8 276 |
| 40 | 5 736 |
| 50 | 4 067 |
| 60 | 2 949 |
| 70 | 2 177 |
| 80 | 1 634 |
| 90 | 1 245 |
| 100 | 961 |
| 110 | 752 |
| 120 | 595 |
| 130 | 477 |
| 140 | 386 |
| 150 | 315 |
| 160 | 260 |
| 170 | 218 |
| 180 | ≤ 184 |
2 a voorontspanner 1,5 bar (kg/cm²), debiet aangepast aan het totaal geïnstalleerd vermogen
2 b drukbegrenzer 1,75 bar (kg/cm²), debiet aangepast aan het totaal geïnstalleerd vermogen
3 hogedrukpropaanafsluiter
4 TWEEDE-TRAPS, vaste, veiligheidsontspanner 37 mbar (g/cm²), met een debiet van 4 kg/uur
5 verbindingsbuis met losse moer en dichting (bijgeleverd), verplicht met de losse moer aan te sluiten aan de reductie 1" → 3/4" van de montageplaat van de gasketel
A gasketel
B water/badverwarmer
Fig. 55

flowchart
graph TD
A["PROP"] -->|1| B["Component 1"]
A -->|2 a| C["Component 2"]
A -->|2 b| D["Component 2"]
B -->|3| E["Component 3"]
C -->|4| F["Component 4"]
D -->|5| G["Component 5"]
H["Component 5"] --> I["Component 4"]
H --> J["Component 3"]
BUTAAN
AF TE RADEN WEGENS DE GERINGE BESCHIKBARE HOEVEELHEID BRANDSTOF.

LET OP: Aangezien vloeibaar gas zwaarder is dan lucht, moeten deze toestellen en de leidingen steeds in ruimten met een benedenverluchting boven de begane grond, geplaatst worden.
NBN B 61-002
Plaats van de schoorsteenmond - gebieden waarin windinvloeden zich doen gelden op naburige hindernissen.
I = vrije uitmondzone
II = toegelaten zone, als de schoorsteenmond voorzien is van een afvoerkap
III = verboden zone

text_image
0,5 m 1 m 0,5 m 20° 45° 0,5 m 0,5 m 1 m Zone I 20° 45° Zone II 0,5 m Zone III
text_image
0,5 m 2,0 m 1,5 m 20° 45° 0,5 m 0,5 m Zone I Zone II Zone IIIFig. 56
18. BELANGRIJKE NOTA'S
De typeaanduiding en het serienummer vindt U terug op het kenplaatje van de ketel. Gelieve deze gegevens te vermelden op de garantiekaart en bij elk contact met Uw installateur of met onze dienst na verkoop.
VOORBEELD VAN EEN KENPLAAT INSTALLATEUR

JUNKERS
Cerastar
(ZWN 24-7 KE 23 s 3692)
Best./Num. de Com.: Nr.7-716-010-492
BE - I2E+ G20/G25 - 20/25 mbar
B11BS
Qn 12,1-25,8 kW
Pn 10,9 - 23,2 kW
PMS max. 3 bar
PMW max. 10 bar
D (ΔT: 25K, EN 625 13,2 l/min
NOx Class 5
230 V \~50Hz 90 W
IPX4D
CE-0085BN0130 CE0085-07
829
FD 003
00605
voorbeeld van een serienummer

De toegestane waarborg is slechts geldig indien de installatie nauwkeurig voldoet aan deze voorschriften en indien de volledige installatie volgens de regels der kunst uitgevoerd werd.
De waarborg is toepasbaar volgens de voorwaarden vermeld op de garantiekaart. Deze moet worden teruggestuurd na de ingebruikname naar SERVICO nv, met vermelding van type en serienummer zoals aangeduid op het kenplaatje van het toestel (zie fig. hierboven).

TIP: Stuur de garantiekaart onmiddellijk op na de inbedrijfstelling. Dit zal de contacten vergemakkelijken.
DIENST NA VERKOOP (met techniekers uit Uw regio)
SERVICO nv heeft een dienst na verkoop ter beschikking van de installateur en de gebruiker.
In geval van moeilijkheden, wendt U tot SERVICO nv (officiële dienst na verkoop van de fabrikant).
![]() | nv SERVICO saKontichsesteenweg 602630 Aartselaar | |
| ALGEMEEN NUMMER | 03 887 20 60 | |
| FAX ALGEMEEN NUMMER | 03 877 01 29 | |
| DIENST NA VERKOOPonderhoud & herstellingen | 03 880 71 00 | |
| TECHNISCH ADVIES | 03 880 71 02 | |
| FAX DIENST NA VERKOOP | 03 888 91 56 | |
| COMMERCIELE DIENSTverkoop, documentatie & scholingen | 03 880 71 03 | |
| FAX COMMERCIELE DIENST | 03 877 01 29 | |
| LOGISTIEKbestellingen & wisselstukken | 03 880 71 01 | |
| FAX LOGISTIEK | 03 887 01 03 | |
| WEB www.junkers.be | ||
BELANGRIJKE OPMERKING

EEN JAARLIJKSE ONDERHOUDSBEURT IS AANBEVOLEN.
(afhankelijk van de regionale reglementering ter zake)
Doe hiervoor beroep op een erkende vakman of op de dienst na verkoop van JUNKERS.
Niets uit deze uitgave mag worden overgenomen zonder voorafgaande toestemming van de uitgever. Wijzigingen voorbehouden.
PVM

JUNKERS
nv SERVICO sa
Kontichsesteenweg 60
2630 AARTSELAAR
87 20 60 03 8
Fax 03 877 01 29
Fig. 8



