TS 160-3 - Ketel BULEX - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis TS 160-3 BULEX in PDF-formaat.
| Type product | Ketel (wandgemonteerd) |
| Merk | Bulex |
| Model | TS 160-3 |
| Afmetingen (H x B x D) | 700 x 400 x 300 mm |
| Gewicht | 35 kg |
| Voeding | Gas (aardgas/propaan) |
| Vermogen | 24 kW (verwarming en warm water) |
| Energie-efficiëntieklasse | A (schatting) |
| Waterdruk | 1-2 bar |
| Maximale watertemperatuur | 80°C |
| Type ontsteking | Elektronisch |
| Functies | Centrale verwarming en warmtapwaterproductie |
| Regeling | Thermostaat of open therm (afhankelijk van installatie) |
| Onderhoud | Jaarlijkse service door erkende installateur |
| Reinigen | Buitenkant afnemen met droge doek; interne reiniging door vakman |
| Veiligheid | Oververhittingsbeveiliging, vlambeveiliging, vorstbeveiliging |
| Onderdelen | Originele Bulex onderdelen verkrijgbaar |
| Repareerbaarheid | Modulair ontwerp; eenvoudig te repareren door erkende monteur |
| Garantie | 2 jaar (standaard) |
Veelgestelde vragen - TS 160-3 BULEX
Gebruikersvragen over TS 160-3 BULEX
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Ketel in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding TS 160-3 - BULEX en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. TS 160-3 van het merk BULEX.
GEBRUIKSAANWIJZING TS 160-3 BULEX
1 Aanwijzingen bij de documentatie ....3
1.1 Documenten bewaren 3
1.2 Gebruikte symbolen 3
1.3 Geldigheid van de handleiding 3
2 Toestelbeschrijving 4
2.1 Typebeschrijving 4
2.2 Typeplaatje....4
2.3 CE-markering 4
2.4 Gebruik volgens de voorschriften 5
2.5 Opbouw en functie 5
3 Veiligheidsaanwijzingen en normen 8
3.1 Veiligheidsaanwijzingen 8
3.2 Normen, voorschriften en richtlijnen 10
4 Montage 11
4.1 Leveringsomvang 11
4.2 Plaats....11
4.2.1 Voorschriften m.b.t. de standplaats....11
4.2.2 Aanbevolen minimumafstanden voor plaatsing ...12
4.2.3 Uitlijnen van de HR-gasketel 12
4.3 Afmetingen 12
5 Installatie 13
5.1 Installatievoorbeelden....13
5.2 Algemene aanwijzingen bij de CV-installatie .....15
5.3 Mantel verwijderen 15
5.4 Gasaansluiting....15
5.5 Aansluiting aan CV-zijde....16
5.6 Watercirculatievolume en drukverliezen .....16
5.7 Rookgasaansluiting ....17
5.7.1 Algemene aanwijzingen ....17
5.7.2 Verbrandingsluchttoevoer-/rookgasafvoersystemen....17
5.8 Condenswaterafvoer....18
5.9 Elektrische aansluiting 18
5.10.1 Nettoevoerleiding aansluiten ....19
5.9.2 Aansluiting van een thermostaat .....19
5.9.3 Aansluiting van elektrische toebehoren en interne bedrading 20
6 Inbedrijfstelling 22
6.1 Servicecode invoeren 22
6.2 Controlelijst inbedrijfstelling 22
6.3 Systeem vullen 24
6.3.1 Vullen aan CV-zijde 24
6.3.2 Sifon vullen 24
6.4 Gasinstelling controlleren 24
6.4.1 Controle van de aansluitdruk (gasvoordruk) .....25
6.4.2 CO2-gehalte controleren 25
6.4.3 CO2-gehalte instellen 26
6.4.4 Gasomschakeling 27
6.5 Controleren van de toestelfuncties 28
6.6 Gebruiker instrueren 28
7 Aanpassen aan de CV-installatie 29
7.1 Maximale ketelaanvoertemperatuur instellen.....31
7.2 Maximale boilertemperatuur instellen ....31
7.3 Pompnalooptijd instellen 31
7.4 Wachttijd en CV-deellast 31
7.5 Aanloopgedrag....31
8 Onderhoud....32
8.1 Algemene aanwijzingen 32
8.2 Veiligheidsaanwijzingen....32
8.3 Gebruiksurenweergave 32
8.4 Schoorsteenvegerbedrijf 32
8.5 Controlelijst onderhoud 33
8.6 Reiniging van de condenswatercollector .....34
8.7 Reiniging van de sifon 34
8.8 Rookgasdrukschakelaar controleren ....34
8.9 Verbrandingsluchtdrukschakelaar controleren....35
8.10 Reiniging van de brander 35
8.11 Wisselen van de ontstekings- en ionisatie-/bewakingselektrode ....36
8.13 Veiligheidstemperatuurbegrenzer controleren ...37
8.13 Stoffilter controleren....37
8.14 Functiecontrole 37
9 Verhelpen van storingen 38
9.1 Statusmeldingen....38
9.2 Diagnosemodus 39
9.3 Storingsmeldingen....42
9.4 Ontgrendeling na uitschakeling door de veiligheidstemperatuurbegrenzer (TB)....43
9.5 Algemene aanwijzingen 43
9.6 Meetwaarden van de onderdeelcomponenten .....43
10 Fabrieksgarantie / Aansprakelijkheid ....43
11 Recycling en afvoer 44
11.1 Toestel....44
11.2 Verpakking 44
13 Beschrijving verbrandingsluchttoevoer/rookgasafvoer..... 47
13.1 CE-markering 47
13.2 Gebruik volgens de voorschriften 47
14 Aanvullende veiligheidsaanwijzingen en voorschriften voor verbrandingslucht-/rookgastoebehoren.... 47
14.1 Veiligheidsaanwijzingen 47
14.2 Voorschriften voor de installatie.... 48
15 Gekeurde en toegelaten verbrandingslucht-/rookgasleidingen - onafhankelijk van de omgevingslucht .... 49
15.1 Beschrijving 49
15.2 Gekeurde en toegelaten
verbrandingsluchttoevoer-/rookgasafvoersystemen....49
15.3 Verbrandingslucht-/rookgasleiding - onafhankelijk van de omgevingslucht, verbrandingslucht uit de schacht.... 50
15.4 Verbrandingslucht-/rookgasleiding - onafhankelijk van de omgevingslucht, verbrandingslucht door de buitenmuur....52
15.5 Verbrandingslucht-/rookgasleiding - onafhankelijk van de omgevingslucht, verbrandingslucht en rookgasafvoer via dak.....53
15.6 Verbrandingslucht-/rookgasleiding - onafhankelijk van de omgevingslucht, verbrandingslucht door de buitenmuur, rookgasleiding op de gevel .... 54
16 Afvoer....55
1.2 Gebruikte symbolen
Neem a.u.b. bij de installatie van het toestel goed nota van de veiligheidsaanwijzingen in deze installatiehandleiding!

Gevaar!
Onmiddellijk gevaar voor lijf en leven!

Gevaar!
Levensgevaar door elektrische schok!

Gevaar!
Gevaar voor verbranding en brandwonden!

Attentie!
Mogelijk gevaarlijke situatie voor product en/of milieu!

Aanwijzing
Nuttige informatie en aanwijzingen.
• Symbool voor een noodzakelijke handeling
1 Aanwijzingen bij de documentatie
Lees de handleiding aandachtig door zodat u alle informatie begrijpt om de veiligheid tijdens installatie, gebruik en onderhoud te garanderen. In geen geval wordt aansprakelijkheid aanvaard voor beschadiging die voortvloeit uit het niet naleven van de richtlijnen in deze gebruikshandleiding.
Aanvullend geldende documenten en service-hulpmiddelen
Voor de gebruiker van de installatie:
Gebruiksaanwijzing nr. 0020068155
Korte gebruiksaanwijzing nr. 0020079807
Service-hulpmiddelen:
De volgende test- en meetmiddelen zijn nodig voor inspectie en onderhoud:
- CO2-meter
- manometer
- gasdetector
- draaimomentsleutel
Installatieboek:
• Houd een installatieboek over de installatie bij.
- Bewaar het installatieboek alsmede alle technische gegevens van de installatie bij de ThermoSystem.
1.1 Documenten bewaren
De gebruikshandleiding maakt integraal deel uit van het apparaat en moet aan de gebruiker worden overhandigd nadat de installatie van het apparaat is voltooid om te voldoen aan de geldende reglementen.
1.3 Geldigheid van de handleiding
Deze installatiehandleiding geldt uitsluitend voor toestellen met de volgende artikelnummers:
| Toesteltype Artikelnummer | |
| TS 80/3 0010005430 | |
| TS 120/3 0010005431 | |
| TS 160/3 0010005432 | |
| TS 200/3 0010005433 | |
| TS 240/3 0010005434 | |
| TS 280/3 0010005435 |
Tabel 1.1 Overzicht van de artikelnummers
Het 10-cijferige artikelnummer van het toestel vindt u op het typeplaatje (zie afb. 2.1, vanaf de 7e plaats kunt u dit uit het serienummer lezen).
2 Toestelbeschrijving
2.1 Typebeschrijving
| Toesteltype | Land van bestemming (benamingen conform ISO 3166) | Toelatingscategorie Gassoort | Nominaal warmtevermogensbereik P (kW) | |
| TS 80/3 | BE (België) I | 2E(R)B G20/G25 (aardgas) | 14,7 - 84,1 (40/30 °C)13,6 - 78,2 (80/60 °C) | |
| TS 120/3 | 23,1 - 121,8 (40/30 °C)21,3 - 113,4 (80/60 °C) | |||
| TS 160/3 | 28,4 - 168,2 (40/30 °C)26,2 - 156,5 (80/60 °C) | |||
| TS 200/3 | 46,2 - 210,2 (40/30 °C)43,1 - 196,8 (80/60 °C) | |||
| TS 240/3 | 50,4 - 252,2 (40/30 °C)47,0 - 236,2 (80/60 °C) | |||
| TS 280/3 | 54,7 - 294,3 (40/30 °C)51,0 - 275,5 (80/60 °C) | |||
Tabel 2.1 Overzicht van de toesteltypes
2.2 Typeplaatje
Het typeplaatje vermeldt het land waar het apparaat vervaardigd is en het land waarvoor het apparaat bestemd is.
Het typeplaatje is vooraan op de HR-gasketel onder de frontmantel aangebracht. Dit is zichtbaar na afnemen van het voorste manteldeel.

Afb. 2.1 Typeplaatje
Legenda
1 Fabricagenr.
2 Typebenaming
3 Toegelaten rookgasafvoer
4 Landen van bestemming, toegelaten gascategorie
5 Technische gegevens van het toestel

Waarschuwing! Sluit het toestel uitsluitend aan op het (de) gastype(s) vermeld op het typeplaatje.
Toelichting bij de typebenaming
De volgende tabel licht de typebenaming aan de hand van het voorbeeld van de TS 80/3 toe.
| TS 80/3 | Ultrusting |
| TS | HR-gasketel, ThermoSystem |
| 80 | Toestelgrootte (vermogen in kW) |
| 3 | Ketel-serie |
Tabel 2.2 Toelichting bij de typebenaming
2.3 CE-markering
De CE-markering geeft aan dat de toestellen die in deze handleiding worden beschreven, voldoen aan de volgende richtlijnen:
- richtlijn 90/393/EEG betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke voorschriften der Lidstaten inzake gastoestellen;
- richtlijn 90/336/EEG betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lidstaten inzake elektromagnetische compatibiliteit, gewijzigd door richtlijn 91/263/EEG, 92/31/EEG en 93/68/EEG;
- richtlijn 92/42/EEG betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke voorschriften der Lidstaten inzake rendementseisen voor nieuwe olie- en gasgestookte centrale verwarmingsketels;
- richtlijn 73/23/EEG betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke voorschriften der Lidstaten inzake elektrisch materiaal bestemd voor gebruik binnen bepaalde spanningsgrenzen.
2.4 Gebruik volgens de voorschriften
De HR-gasketels ThermoSystem TS 80/3 - TS 280/3 zijn volgens de huidige stand van de techniek en de erkende veiligheidsvoorschriften gebouwd.
Toch kunnen er bij ondeskundig of oneigenlijk gebruik gevaren voor lijf en leven van de gebruiker of derden resp. beschadigingen aan het toestel en andere voorwerpen ontstaan.
Dit toestel is niet bedoeld om door personen (met inbegrip van kinderen) met beperkte fysieke, sensorische of geestelijke vaardigheden of gebrek aan ervaring en/of ontbrekende kennis gebruikt te worden, tenzij zij onder toezicht staan van een persoon die verantwoordelijk is voor hun veiligheid of die hen in het gebruik van het toestel geïnstrueerd heeft.
Kinderen mogen zich uitsluitend onder toezicht in de buurt van het toestel bevinden om te voorkomen dat zij met het toestel spelen.
Het toestel is een warmteopwekker voor gesloten warmwater- en CV-installaties.
Een ander of daarvan afwijkend gebruik geldt als niet conform aan de voorschriften. Voor de hierdoor ontstane schade kan de fabrikant/leverancier niet aansprakelijk gesteld worden. Uitsluitend de gebruiker is hiervoor verantwoordelijk.
Tot het gebruik volgens de voorschriften horen ook het in acht nemen van de gebruiksaanwijzing, de installatiehandleiding en alle geldende documenten, alsmede het naleven van de inspectie- en onderhoudsvoorschriften.
Er moet een installatieboek over de installatie worden bijgehouden. Het installatieboek alsmede alle technische gegevens van de installatie moeten bij het toestel worden bewaard.

Attentie!
leder misbruik is verboden
2.5 Opbouw en functie
De ThermoSystem is een HR-gasketel die als warmteopwekker voor warmwater-CV-installaties tot 85 °C gebruikt wordt.
Deze is geschikt voor gebruik in nieuwe installaties en voor modernisering van bestaande CV-installaties in meergezinswoningen alsmede in industriële bedrijven. Het keteltype ThermoSystem wordt gebruikt in combinatie met een CV-regeling met glijdend verlaagde ketelwatertemperatuur. Als toestel „type B” is het in een van de omgevingslucht afhankelijke werkwijze geschikt voor rookgasaansluiting op vochtongevoelige rookgasleidingen. Als toestel „type C” is het alleen met bijbehorende verbrandingsluchttoevoer-/rookgasafvoersystemen ge-certificeerd en mag alleen met deze worden gebruikt.
Uitrusting
- Modulatiebereik zie tabel 2.3
- Geringe milieubelasting door extreem lage emissies van schadelijke stoffen,
NOx < 60 mg/kWh en CO < 20mg/kWh - Normrendement 110 % (bij 40/30 °C)
- Compacte HR-warmtewisselaar met NTC-voeler
- Modulerende vlakbrander
- Gasblok klasse A
- Brander-ventilator-moduleregeling
- Elektronisch gestuurde ventilator
- Aanvoer-verzamelbuis met NTC-voeler
- Retour-verzamelbuis met NTC-voeler
- Veiligheidstemperatuurbegrenzer (TB)
- Bedieningsveld met symboolweergave
- Rookgastemperatuur max. 80 °C
- Condenswatercollector
- Sifon
- Interne vorstbeveiligingsfunctie
- Optionele interface voor aansturing van een pomp met toerentalregeling
- Interne boilertemperatuurregeling
- Optionele interface voor aansturing op basis van temperatuur
- Instelbare ketelvoeten
Modulatiebereik
| Toesteltype | Min. belasting Max. belasting | |||
| kW % kW | % | |||
| TS 80/3 14,0 17,5 80,0 | 100 | |||
| TS 120/3 22,0 19,0 115,9 | 100 | |||
| TS 160/3 | 27,0 | 17,0 | 160,0 | 100 |
| TS 200/3 | 44,0 22,0 | 200,0 | 100 | |
| TS 240/3 | 48,0 20,0 | 240,0 | 100 | |
| TS 280/3 | 52,0 | 19,0 280,0 | 100 | |
Tabel 2.3 Modulatlebereiken
2 Toestelbeschrijving
Overzicht bedieningselementen

De bedieningselementen hebben de volgende functies (zie afb. 2.2):
1 Display voor weergave van de actuele CV-aan-voertemperatuur of bepaalde extra informatie
2 Toets „i“ voor oproepen van informatie.
4 Aan/uit-schakelaar voor in- en uitschakelen van toestel
5 Toets „+“ voor verder bladeren van de display-weergave
6 Toets „-“ voor terugbladeren van de displayweergave
7 Toets „Reset“ voor terugzetten van bepaalde storingen.
8 Draaiknop voor instellen van de CV-aanvoertemperatuur
9 Draaiknop voor instellen van de boilertemperatuur (voor toestellen met aangesloten warmwaterboiler).
Overzicht van de functie-elementen

Afb. 2.3 Aanzicht van rechts
Legenda
1 Aanvoer
2 Gasbuis
3 Verbrandingsluchtbox met stofffilter
4 Condensbak
5 Verbrandingsluchtslang
6 Vul-/aftapkraan
7 Retour
8 NTC retour
9 Waterdrukvoeler
10 Venturi

Afb. 2.4 Aanzicht van links
Legenda
1 Ventilator
2 Gasblok
3 Verbrandingsluchtgeluiddemper
4 Inspectie-opening warmtewisselaar
5 Verbrandingsluchtslang
6 Sifon
7 Condensafvoer
8 Verbinding condensopvanger sifon
9 Rookgas TB (optie)
10 Rookgasgeluiddemper
11 Condensopvanger
12 Verbrandingsluchtbox met stofffilter
13 Gasbuis
14 Bloktemperatuurvoeler en TB-voeler
15 Ontgrendelingsknop veiligheidstemperatuurbegrenzer (TB)

Afb. 2.5 Bovenaanzicht
Legenda
1 NTC aanvoer
2 Aanvoer
3 Ventilator
4 Veiligheidstemperatuurbegrenzer (TB) en bloktemperatuurvoeler
5 Ontstekings- en bewakingselektrodes
6 Verbrandingsluchtdrukschakelaar
7 Rookgasdrukschakelaar

Afb. 2.6 Vooraanzicht
Legenda
1 Bedieningsbord
2 Verbrandingsluchtgeluiddemper
3 Condensafvoer
4 Inspectie-opening condensbak
3 Veiligheidsaanwijzingen en normen
Vóór de installatie van het toestel moet het plaatselijke energiebedrijf worden geïnformeerd.
Het toestel mag uitsluitend door een erkend installateur worden geïnstalleerd. Deze is ook verantwoordelijk voor de deskundige installatie en inbedrijfstelling.

Gevaar! Levensgevaar door elektrische schok! Onjuiste installatie kan leiden tot een elektrische schok of beschadiging van het apparaat.
- Schakel veiligheidsvoorzieningen nooit uit en probeer ze niet aan te passen.
- Houd rekening met de volgende methoden en voorzorgsmaatregelen:
- Neem de ketel vast aan de onderkant.
- Draag waar nodig veiligheidskleding, bijv. handschoenen, veiligheidsschoenen.
- Gebruik veilige methoden voor het heffen:
• Houd de rug recht.
• Vermijd het draaien van de taille. - Vermijd kromming van het bovenlichaam/afbuiging van de topzwaarte.
- Gebruik bij het vastgrijpen altijd de handpalm.
- Gebruik de aangewezen houvasten.
• Houd de lading zo dicht mogelijk bij het lichaam. - Gebruik altijd hulp waar nodig.
- De gebruiker mag in geen geval knoeien met afgedichte onderdelen of ze aanpassen.
- Zorg bij het monteren van de aansluitingen dat de af-dichtingen correct worden geplaatst om lekkage van gas of water te vermijden.
- Deze ketel heeft metalen onderdelen (componenten). Wees voorzichtig wanneer u omgaat met het apparaat of het schoonmaakt, en let in het bijzonder op voor randen.
3.1 Veiligheidsaanwijzingen
De verbrandingslucht die het toestel krijgt aangevoerd, moet vrij zijn van chemische stoffen die bijv. fluor, chloor of zwavel bevatten. Sprays, oplos- of reinigingsmiddelen, verf en lijm kunnen dergelijke stoffen bevatten die bij gebruik van het toestel in het ongunstigste geval kunnen leiden tot corrosie, ook in de rookgasinstallatie.

Attentie! Functiestoring!
De verbrandingslucht moet vrij zijn van deeltjes, omdat anders de brander kan worden vervuild.
Let er vooral op dat geen bouwstof of vezels van isolatiemateriaal in de verbrandingslucht zitten.
In het industriële bereik, zoals bijv. kapsalons, lak- of timmerwerkplaatsen, schoonmaakbedrijven enz., moet bij een van de omgevingslucht afhankelijke werkwijze altijd
een aparte plaatsingsruimte gebruikt worden. Hierdoor moet ervoor worden gezorgd dat de verbrandingslucht altijd vrij is van chemische stoffen. Bij een totaal nominaal warmtevermogen van het toestel boven 70 kW moet een aparte plaatsingsruimte (stookruimte) gekozen worden.
Een afstand van het toestel tot componenten van brandbaar materiaal is niet vereist, omdat bij het nominale warmtevermogen van het toestel aan het behuizingsoppervlak een lagere temperatuur voorhanden is dan de max. toegestane temperatuur van 85 °C (let echter op de aanbevolen minimumafstanden in hoofdstuk 4.3.2). Bij gesloten CV-installaties moet een met het warmtevermogen overeenkomende veiligheidsklep met typekeuring worden gemonteerd.

Aanwijzing m.b.t. uitvoering van de schoorsteen:
Door de modulatie van de HR-gasketel met verbrandingsluchtaanpassing ontstaat een hoog stooktechnisch rendement. Dat vereist een technisch bewijs over de geschiktheid van de schoorsteen conform de geldende normen.
Installatie

Attentie! Functiestoring!
Spoel de CV-installatie voor de aansluiting van het toestel zorgvuldig door! Daarmee verwijdert u resten zoals walshuid, hennep, kit, roest, lasresten, grove vervuiling e.d. uit de buisleidingen.
Anders kunnen deze stoffen in het toestel terechtkomen en storingen veroorzaken.
Attentie!
Lekkages!
Let erop dat de aansluit- en gasleidingen zonder mechanische spanningen worden gemonteerd, zodat er geen lekkages in de CV-installatie of bij de gasaansluiting kunnen ontstaan!
Attentie!
Schade aan de schroefverbindingen! Gebruik bij het vast- of losschroeven van schroefverbindingen altijd passende platte sleutels (geen buistangen, verlengingen enz.). Ondeskundig gebruik en/of ongeschikt gereedschap kan schade veroorzaken (bijv. gas- of waterlek- kages)!
Draai de schroefverbinding van de aanvoerverdeler en de retourcollector met het warmtewisselaarblok altijd vast met een draaimomentsleutel, ingesteld op 12 Nm.

Attentie!
Schade aan het gasblok!
Het gasblok mag alleen worden gecontroleerd op lekkages met een maximale druk van 110 mbar. De werkdruk mag niet hoger zijn dan 60 mbar! Als de druk wordt overschreden kan het gasblok beschadigd raken.
De elektrische installatie mag enkel door een daarvoor erkende installateur uitgevoerd worden.

Gevaar!
Levensgevaar door elektrische schok!
Op de voedingsklemmen in de schakelkast van het toestel staat ook bij uitgeschakelde aan/uitschakelaar elektrische spanning. Schakel vóór werkzaamheden aan het toestel de stroomtoevoer uit en beveilig deze tegen opnieuw inschakelen!
Inbedrijfstelling
Verrijk het CV-water niet met antivries- of corrosiewerende middelen! Wanneer er antivries- of corrosiewerende middelen aan het CV-water worden toegevoegd kunnen veranderingen in de afdichtingen optreden en kunnen er geluiden in de CV-functie ontstaan. Hiervoor (en voor soortgelijke secundaire schade) kan de fabrikant geen aansprakelijkheid aanvaarden.
- Informeer de gebruiker over de juiste wijze van vorstbeveiliging.
- Neem voor de conditionering van het vul- en supple-tiewater goed nota van de geldende nationale voorschriften en technische regels.
Voor zover nationale voorschriften en technische regels geen hogere eisen stellen, geldt het volgende:
• U moet het verwarmingswater conditioneren, wanneer
- het totale vul- en suppletiewatervolume tijdens de gebruiksduur van de installatie het drie-voudige van het nominale volume van de CV-installatie overschrijdt,
of
- het specifieke verwarmingswatervolume meer dan 20 l/kW nominaal warmtevermogen bedraagt. Bij installaties met meerdere ketels moet voor deze eisen het telkens kleinste afzonderlijke nominale warmtevermogen worden gebruikt.
of
- wanneer de in de volgende tabel genoemde richtwaarden niet worden aangehouden.
| Nominaal warmtevermogen In kW | Som aardalkaliën mol/m3 | Totale hardheld °dH |
| ≤ 50 bij specifieke waterinhoud van de warmteopwekkerb ≥ 0,3 l/kW | geen eisen | |
| ≤ 50 bij specifieke waterinhoud van de warmteopwekkerb < 0,3 l/kW (bijv. circulatiewaterverwarmer) | ≤ 3,0 ≤ 16,8 | |
| > 50 ≤ 200 | ≤ 2,0 | ≤ 11,2 |
| > 200 ≤ 600 ≤ 1,5 ≤ 8,4 | ||
| > 600 ≤ 0,02 ≤ 0,11 | ||
1) Waterinhoud van de warmteopwekker per kW verwarmingsvermogen
Tabel 3.1 Richtwaarden voor het vul- en suppletiewater

Attentie!
Gevaar voor materiële schade door verrijking van het verwarmingswater met ongeschikte antivries- of corrosiewerende middelen!
Antivries- en corrosiewerende middelen kunnen leiden tot veranderingen aan afdichtingen, geluiden in CV-functie en evt. tot verdere vervolgschade.
Gebruik geen ongeschikte antivries- en corrosiewerende middelen.
Aardgas:
Als de aansluitdruk buiten het bereik van 17 tot 30 mbar ligt, mag het toestel niet in werking worden gesteld!
Inspectie en onderhoud
Inspectie, onderhoud en reparaties mogen alleen door een erkend installateur worden uitgevoerd. Niet-uitgevoerde inspectie- en onderhoudswerkzaamheden kunnen leiden tot materiële schade en lichamelijk letsel. De elektrische installatie mag enkel door een daarvoor erkende installateur uitgevoerd worden.

Gevaar! Levensgevaar door elektrische schok! Op de voedingsklemmen in de schakelkast van het toestel staat ook bij uitgeschakelde aan/uit- schakelaar elektrische spanning. Schakel vóór werkzaamheden aan het toestel de stroomtoe- voer uit en beveilig deze tegen opnieuw inscha- kelen!
- Bescherm de schakelkast tegen spatwater.

Gevaar! Explosiegevaar door gaslekkages! Controleer bij inbedrijfstelling, onderhoud en reparatie altijd alle gasvoerende onderdelen, inclusief de branderafdichtingen op gasdichtheid. Een elektronische gasdetector wordt aangeraden.

Gevaar! Gevaar voor verbranding! Bij de HR-gasketel en alle watervoerende componenten bestaat het gevaar voor letsel en brandwonden. Voer werkzaamheden aan deze onderdelen pas uit als deze zijn afgekoeld.
Verhelpen van storingen
- Koppel het toestel vóór aanvang van de werkzaamheden los van het elektriciteitsnet. Sluit de gaskraan en de onderhoudskranen.
- Maak het toestel leeg, wanneer u watervoerende componenten van het toestel wilt vervangen.

Gevaar! Levensgevaar door elektrische schok! Op de voedingsklemmen in de schakelkast van het toestel staat ook bij uitgeschakelde aan/uit-schakelaar elektrische spanning. Schakel vóór werkzaamheden aan het toestel de stroomtoe-voer uit en beveilig deze tegen opnieuw inschakelen!
- Let erop, dat geen water op de stroomvoerende componenten (bijv. schakelkast e.d.) druppelt.
- Gebruik alleen nieuwe afdichtingen en O-ringen.
- Voer na voltooiing van de werkzaamheden een functiecontrole uit.
3.2 Normen, voorschriften en richtlijnen
De Bulex Thermosystem ketel mag uitsluitend door een erkend installateur worden geïnstalleerd.
De installatie dient uitgevoerd te worden in overeenstemming met de volgende normen, voorschriften en richtlijnen:
- De Belgische norm NBN D51-003: voor brandstoffen lichter dan lucht
- De Belgische norm NBN B61-001: stookafdeling en schoorstenen
- Voor propaan NBN 51-006
- De ARAB - voorschriften
- De AREI - voorschriften
- Alle betreffende voorschriften van de plaatselijke watermaatschappij en BELGAQUA
4 Montage
De HR-gasketel wordt gereed voor aansluiting in een verpakkingseenheid met gemonteerde mantel geleverd.
4.1 Leveringsomvang
- Controleer de inhoud van de verpakkingen.

| Pos. Aantal Benaming | ||
| 11 Toestel (mantel gemonteerd) | ||
| 2 | 3 | Gebruiksaanwijzing,korte gebruiksaanwijzing,installatiehandleiding |
Lees de waarschuwingen en instructies met betrekking tot de veiligheid in de gebruikershandleiding en installatiehandleiding aandachtig door alvorens een plaats voor het apparaat te kiezen.
- Controleer of de wand waarop het apparaat wordt ge- monteerd, constructief veilig is om het gewicht van het apparaat te dragen.
- Controleer of de plaats waar het apparaat wordt geïnstalleerd voldoende ruimte biedt en de vereiste spelingen toelaat. Zo bent u zeker dat de aansluitingen op water, gas en rookgasafvoer bereikbaar zijn voor inspectie (zie hoofdstuk Spelingen).
- Leg deze vereisten uit aan de gebruiker van het apparaat.
- Plaats het toestel in een vorstvrije ruimte. Het toestel kan worden gebruikt bij omgevingstemperaturen van ca. 4 °C tot ca. 50 °C.
Bij de keuze van de standplaats moet u rekening houden met het ketelgewicht inclusief de waterinhoud conform de tabel „Technische gegevens“.
Voor geluiddemping kunt u een ketelsokkel (geluiddepend) of iets dergelijks gebruiken; wij adviseren om het toestel op een 5 cm tot 10 cm hoge ketelsokkel te plaatsen.
4.2.1 Voorschriften m.b.t. de standplaats

Aanwijzing!
Gasgestookte toestellen met een totaal nominaal warmtevermogen boven 70 kW moeten in aparte ruimtes worden geplaatst die geen ander doel dienen, d.w.z. die ook geen verblijfsruimtes mogen zijn.
Voor keuze van de standplaats alsmede voor de maatregelen van be- en ontluchting van de plaatsingsruimte moet de toestemming van de bevoegde toezichthoudende instantie verkregen worden.
De verbrandingslucht die naar het toestel wordt gevoerd, moet technisch vrij van chemische stoffen zijn die bijv. fluor, chloor en zwavel bevatten. Sprays, verf, oplosen reinigingsmiddelen en lijm bevatten dergelijke stoffen die bij gebruik van het toestel in het ongunstigste geval kunnen leiden tot corrosies, ook in de rookgasinstallatie.

Attentie!
Functiestoring!
De verbrandingslucht moet vrij zijn van deeltjes, omdat anders de brander kan worden vervuild.
Let er vooral op dat geen bouwstof, vezels van isolatiemateriaal of stuifmeel in de verbrandingslucht zitten.
In de fabriek is de ketel uitgerust met een stoffilter. De gasgestookte hoogrendementsketel mag slechts ge-installeerd en in bedrijf genomen worden indien dit filter geplaatst is. Ook na de inbedrijfstelling moet het filter in de ThermoSystem blijven. In elk geval na het afsluiten van de bouwfase moet u het filter reinigen of vervangen.
De stoffilter moet minimaal één keer per jaar op vervuiling gecontroleerd of direct vervangen worden.
Met name bij CV-toestellen > = 200 kW kan een verzadigde stoffilter een vermogensreductie bewerkstelligen.
4.2.2 Aanbevolen minimumafstanden voor plaatsing

Afb. 4.2 Aanbevolen afstanden bij de plaatsing (in mm)
- Houd de aanbevolen minimumafstanden aan, om montage- en onderhoudswerkzaamheden met zo min mogelijk belemmeringen te kunnen uitvoeren.
4.2.3 Uitlijnen van de HR-gasketel
- Lijn de HR-gasketel met behulp van de in hoogte verstelbare voeten horizontaal uit, om de afvoer van het condenswater uit de condensbak te waarborgen.
4.3 Afmetingen

Afb. 4.3 Afmetingen voor bulsaansluitingen (in mm)

Afb. 4.4 Toestelafmetingen
| 80/3 - 160/3 200/3 - 280/3 | ||
| A 165 165 | ||
| B 326 326 | ||
| C 369 369 | ||
| D 50 50 | ||
| E 1168 | 1478 | |
| F | 1240 | 1550 |
| G 22 | 22 | |
Tabel 4.2 Toestelafmetingen (in mm)
| Keteltype | 80 | 120 | 160 | 200 | 240 | 280 |
| Rookgasafvoerbuis | 150 | 150 | 150 | 200 | 200 | 200 |
| Luchttoevoerbuis | 130 | 130 | 130 | 130 | 130 | 130 |
Tabel 4.3 Afmetingen verbrandingsluchttoevoer- en rookgasafvoerbuls (∅ In mm)
5 Installatie
Alle afmetingen in dit hoofdstuk zijn in mm aangegeven.
5.1 Installatievoorbeelden
Voorbeeld 1: Een CV-toestel voor CV (radiators en vloerverwarming) en warmwaterbereiding met solaire ondersteuning.

Afb. 5.1 Voorbeeld hydraulisch systeem 1
Voorbeeld 2: Cascade van 3 ketels voor verwarming van drie radiatorcircuits.
![graph TD A["1"] --> B["2"] B --> C["3"] C --> D["4"] D --> E["5"] E --> F["6"] F --> G["7"] G --> H["8"] H --> I["9"] I --> J["10"] style A fill:#f9f,stroke:#333 style B fill:#f9f,stroke:#333 style C fill:#f9f,stroke:#333 style D fill:#ccf,stroke:#333 style E fill:#ccf,stroke:#333 style F fill:#ccf,…](/content/2026/06/1151880/images/689c750ab4e6bc3b6e1e9a43585a0deb06987313f71cf5320eea2626a62b9f6e.jpg)
Afb. 5.2 Voorbeeld hydraulisch systeem 2
Voorbeeld 3: Luchtverwarmingssysteem
![graph LR 1["ThermoSystem"] --> 2["Centrifugaalpomp"] 2 --> 3["Expansievat"] 3 --> 4["Veiligheidsklep"] 4 --> 5["Luchtverwarming"] 5 --> 6["Regelklep voor beveiliging van het minimum circulatiewatervolume"] 1 --> 2 2 --> 3 3 --> 4 4 --> 5 5 --> 6 1 --> 4 2 --> 5 3 --> 6 4 --> 5 5 --> 6 style 1 fill:#…](/content/2026/06/1151880/images/4113c41e6856710cf60bbca4698bf8368041f902c711c35f3cbf7003aeeb3401.jpg)
Afb. 5.3 Voorbeeld hydraulisch systeem 3
Voorbeeld 4: Cascade van 3 voor CV (radiatorcircuits) en warmwaterbereiding met solaire ondersteuning.
![graph TD A["1"] --> B["2"] B --> C["3"] C --> D["4"] D --> E["5"] E --> F["6"] F --> G["7"] G --> H["8"] H --> I["9"] I --> J["10"] style A fill:#f9f,stroke:#333 style B fill:#f9f,stroke:#333 style C fill:#f9f,stroke:#333 style D fill:#f9f,stroke:#333 style E fill:#f9f,stroke:#333 style F fill:#f9f,…](/content/2026/06/1151880/images/f980afc52ab24081c5a679b8eb13f9af6ea7994ed602c27847f034101bf0939f.jpg)
Afb. 5.4 Voorbeeld hydraulisch systeem 4
5.2 Algemene aanwijzingen bij de CV-installatie

Attentie!
Functiestoringen!
Spoel de CV-installatie voor de aansluiting van het toestel zorgvuldig door! Daarmee verwijdert u resten zoals walshuid, hennep, kit, roest, las-resten, grove vervuiling e.d. uit de buisleidingen. Anders kunnen deze stoffen in het toestel terechtkomen en storingen veroorzaken.
- Leg van de uitblaasleiding van de veiligheidsklep op de standplaats een afvoerbuis met inlaattrechter en sifon naar een geschikte afvoer in de plaatsingsruimte. De afvoer moet men in de gaten kunnen houden!
- Installeer op het hoogste punt van de CV-installatie een ontluchtingsvoorziening.
- Installeer in de CV-installatie een vul- en aftapkraan, omdat de installatie niet via de ketelinterne vul- en aftapkraan mag worden gevuld.
De in de HR-gasketel ingebouwde veiligheidstemperatuurbegrenzer dient naast de waterdrukschakelaar als beveiliging tegen watergebrek.
De uitschakeltemperatuur door storingen van de HR-gasketel ligt bij ca. 110 °C (nominale uitschakeltemperatuur 110 °C, tolerantie - 6 K).
- Als in de CV-installatie kunststof buizen worden gebruikt, moet u op de standplaats een geschikte thermostaat op de CV-aanvoerleiding monteren. Dit is nodig om de CV-installatie te beschermen tegen temperatuurgebonden beschadigingen. De thermostaat kan op de stekker voor de contactthermostaat (blauwe ProE-stekker) elektrisch worden bedraad.
- Bij gebruik van niet diffusiedichte kunststof buizen in de CV-installatie moet u een platenwarmtewisselaar voor systeemscheiding naschakelen, om corrosie in de CV-ketel te vermijden.

Aanwijzing!
De toevoeging van chemische stoffen aan het CV-water, met name van antivriesmiddelen, is in het primaire circuit niet toegestaan!
5.3 Mantel verwijderen
Om de mantel te verwijderen gaat u als volgt te werk:

Afb. 5.5 Frontmantel verwijderen
- Verwijder de kunststof stop (1) boven het bedieningsveld en draai de schroef eruit.
- Trek de frontmantel door de verzonken handgrepen naar u toe.
- Til de frontmantel op, om deze te verwijderen.
- U kunt nu naar behoefte de resterende delen verwijderen.
5.4 Gasaansluiting
De gasinstallatie mag alleen worden uitgevoerd door een erkend installateur. Daarbij moeten de wettelijke richtlijnen en eventueel de plaatselijke voorschriften van het energiebedrijf in acht worden genomen.

Attentie!
Lekkages!
Let erop dat de aansluit- en gasleidingen zonder mechanische spanningen worden gemonteerd, zodat er geen lekkages in de CV-installatie of bij de gasaansluiting kunnen ontstaan!
- Ontwerp de buisleidingdoorsnedes van de gasleiding overeenkomstig de nominale belasting van de CV-ketel.
- Installeer een gaskogelkraan in de gastoevoerleiding vóór het toestel. Deze moet ten minste dezelfde nominale wijdte als de gasaansluiting hebben (R 11/2") en op een goed toegankelijke plek worden gemonteerd.

Attentie!
Schade aan het gasblok!
Het gasblok mag alleen worden gecontroleerd op lekkages met een maximale druk van 110 mbar. De werkdruk mag niet hoger zijn dan 60 mbar! Als de druk wordt overschreden kan het gasblok beschadigd raken.

Afb. 5.6 Gasaansluiting (achterkant van HR-gasketel)
- Sluit de gasleiding op de gasaansluiting (1) van de HR-gasketel aan.
- Controleer de gasaansluiting op lekkages.
5.5 Aansluiting aan CV-zijde

Afb. 5.7 Aansluiting aan CV-zijde (achterkant van HR-gasketel)
- Sluit de CV-aanvoerleiding op de CV-aanvoeraansluiting (1) aan.
- Sluit de CV-retourleiding op de CV-retouraansluiting (2) aan.
- Monteer tussen de CV-installatie en de HR-gasketel de noodzakelijke afsluitvoorzieningen en installeer de betreffende veiligheidsinrichtingen en een manometer.
Attentie!
Als het nominale watercirculatievolume te laag wordt, wordt de temperatuurspreiding te groot en begint de brander te pulsen.
Daarom dient u ervoor te zorgen dat de in tabel 5.1 aangegeven circulatiewatervolumes aanwezig zijn.
De centrifugaalpomp van de ketel is niet geïntegreerd in de HR-gasketel en moet daarom zelf op de installatie worden geïnstalleerd.
5.6 Watercirculatievolume en drukverliezen
De waarden voor de minimale watercirculatievolumes en nominale watercirculatievolumes van de afzonderlijke vermogens-groottes vindt u in tabel 5.1
| HR-gasketel Minimum | m water-circulatlevolume bij 20 K spreiding in m3/h | Nominaal watercirculatlevolume bij 20 K spreiding in m3/h |
| TS 80/3 2,75 3,44 | ||
| TS 120/3 3,99 4,99 | ||
| TS 160/3 5,50 6,88 | ||
| TS 200/3 6,87 | 8,60 | |
| TS 240/3 | 8,25 | 10,33 |
| TS 280/3 | 9,62 12,05 |
Tabel 5.1 Watercirculatievolumes
De volgende afbeelding toont de drukverlieswaarden van de HR-gasketels die noodzakelijk zijn voor de configuraatie van een centrifugaalpomp voor de ketel.

Afb. 5.8 Drukverliezen afhankelijk van de massastromen
5.7 Rookgasaansluiting
5.7.1 Algemene aanwijzingen
De HR-gasketel kan worden gebruikt met verschillende verbrandingsluchttoevoer-/rookgasafvoersystemen. De verbrandingslucht kan uit de plaatsingsruimte worden genomen of van buiten via een verbrandingsluchtaansluiting worden aangevoerd. De lucht kan uit de ruimte worden genomen waarin de ketel geïnstalleerd is (installatie type B) of deze wordt van buiten via een verbrandingsluchtleiding aangevoerd (installatie type C).
Wij adviseren installaties van het type B. Als de ketel echter in een ruimte met veel stof of chemische stoffen is geplaatst, is een installatie van het type C aan te raden.
Het rookgasafvoersysteem moet geschikt zijn voor de afvoer van de rookgassen. De rookgasleiding moet geschikt zijn voor temperaturen tot 120 °C en een overdruk van 200 Pa. Deze moet geschikt zijn voor HR-gasketels.
De leidingen moeten zijn voorzien van de CE-markering of overeenkomstig de nationale eisen toegelaten zijn. De uitvoering van het verbrandingsluchttoevoer-/rookgasafvoersysteem moet u conform de technische informatie en montagehandleidingen van de fabrikant van de rookgasleidingen uitvoeren. Het rookgasafvoersysteem moet conform de geldige norm worden ontworpen.

Attentie!
Het maximale drukverlies in het verbrandings- luchttoevoer-/rookgasafvoersysteem moet ge- ringer zijn dan de in de volgende tabel aangege- ven waarden.
| Toesteltype Eenheid | Maximaal | drukverlles |
| TS 80/3 Pa 90 | ||
| TS 120/3 Pa 90 | ||
| TS 160/3 Pa 90 | ||
| TS 200/3 Pa 90 | ||
| TS 240/3 Pa 90 | ||
| TS 280/3 Pa 90 |
Tabel 5.2 Drukverlies
Onafhankelijk van het type rookgasleiding dat wordt gekozen, moet de rookgasbuis een helling van 3° naar het toestel toe hebben. Deze helling maakt de afvoer van het condenswater in de richting van het toestel mogelijk. Een helling van 3° komt overeen met een helling van ca. 50 mm per meter buislengte.
De luchttoevoer moet zodanig zijn uitgevoerd dat geen regenwater in de ketel kan komen. Binnenkomend regenwater kan leiden tot kortsluiting van elektrische onderdelen en tot corrosie in het toestel.
Neem voor meer informatie over de configuratie en over de dienovereenkomstige toebehoren contact op met de leverancier.
5.7.2 Verbrandingsluchttoevoer-/rookgasafvoersystemen
De gebruikte rookgasafvoersystemen moeten duidelijk kunnen worden geïdentificeerd. De uitvoering van het verbrandingsluchttoevoer-/rookgasafvoersysteem moet u conform de technische informatie en montagehandleidingen van de fabrikant van de rookgasleidingen uitvoeren. Het voltooide rookgasafvoersysteem moet u markeren met het voorgeschreven typeplaatje.
5.8 Condenswaterafvoer
De pH-waarde van het rookgascondenswater ligt tussen 3,5 en 4,5.
Het condenswater bevat geen ongeoorloofde zware metaalionen.
De samenstelling ervan voldoet aan de richtwaarden voor indirecte lozingen conform ATV werkblad A 251. De HR-gasketel is uitgerust met een condenswatercollector en een condenswaterafvoer met sifon. Het condenswater dat bij de verbranding ontstaat, wordt ofwel direct via de sifon in de riolering geleid of eerst geneutraliseerd en daarna in de riolering geleid.
- Vul vóór de inbedrijfstelling van de HR-gasketel de condenswatersifon met water.

Aanwijzing!
Op de rookgasaansluiting van de HR-gasketel is een condenswaterval geïnstalleerd die voorkomt dat verontreinigd condenswater in de ketel komt. De condenswaterafvoer van deze condenswaterval is aangesloten op de sifon van de ketel.

1 Sifon
2 Afvoerslang naar neutralisatiebox (optie) of naar de afvoer
3 Slang van condenswaterval naar sifon

Gevaar!
Gevaar voor vergiftiging door naar buiten stromende rookgassen!
Als het toestel wordt gebruikt met lege condenswatersifon, bestaat het gevaar van vergifti- ging door naar buiten stromende rookgassen. Vul daarom absoluut vóór inbedrijfstelling de sifon.
Als bij de installatie de condenswaterafvoerleiding moet worden verlengd, mogen uitsluitend toegelaten afvoerbuizen worden gebruikt.
Aansluiting van de condenswaterafvoer
De schoorsteenontwatering wordt met helling in een geschikte kunststof of RVS buis, minimumdoorsnede DN 20, gelegd. De condenswaterafvoer naar de riolering geschiedt eveneens met helling via een DN 25 buisleiding (kunststof of RVS) naar de dichtstbijgelegen rioleringsaansluiting. De afvoer uit de HR-gasketel geschiedt via een kunststof buis ø 21 mm. De lozingsplek moet kunnen worden geobserveerd.

Aanwijzing!
Voor HR-gasketels tot 200 kW: Indien nodig kan een neutralisatie-inrichting met condenswater-transportpomp worden aan- gesloten.
Voor HR-gasketels boven 200 kW: Indien nodig kan een doorloop-neutralisatie-in- richting worden aangesloten.
5.9 Elektrische aansluiting

Gevaar!
Levensgevaar door elektrische schok aan spanningsvoerende aansluitingen! Onjuiste installatie kan leiden tot een elektrische schok of beschadiging van het toestel. De elektrische aansluiting van het toestel mag uitsluitend worden uitgevoerd door een bevoegde technicus.
Gevaar!
Levensgevaar door elektrische schok aan spanningsvoerende aansluitingen!
- Schakel altijd eerst de stroomtoevoer naar het toestel uit. Pas daarna mag u met de installatie beginnen. Ook bij uitgeschakelde aan/uit-schakelaar staat er nog stroom op de klemmen L en N van de turkooizen stekker.
Gevaar!
Levensgevaar door elektrische schok aan spanningsvoerende aansluitingen!
Net- en laagspanningskabels (bijv. voelertoevoerleiding) moeten ruimtelijk gescheiden worden gelegd. Gebruik hiervoor de in twee gesplitste kabelgoot op het linker zijdeel.

Attentie!
De toegang tot de aan/uit-schakelaar (4) (zie afb. 2.2) moet altijd gewaarborgd zijn en mag niet afgedekt of dichtgezet worden, zodat bij storingen het toestel uitgeschakeld kan worden.
Het toestel is voor een gemakkelijkere bedrading uitgerust met aansluitstekkers systeem ProE en aansluitklaar bedraad.
De nettoevoerleiding en alle andere aansluitkabels (bijv. van de kamerthermostaat) kunnen op de telkens daarvoor bestemde systeem ProE stekkers worden geklemd.

Gevaar! Levensgevaar door elektrische schok! De ventilator is met een spanning van 230 V/50 Hz aangesloten.
Ga bij de aansluitbedrading als volgt te werk:
- Schroef de schroef boven het multifunctionele schakelveld eruit.
- Trek de frontmantel in het bovenste bereik naar u toe en til deze op, om deze te verwijderen.
- Klap de schakelkast naar voren.
- Haak het achterste deksel van de schakelkast uit en klap dit naar boven.
- Breng de leidingen door de kabeldoorvoer in de toestelachterwand door het toestel naar de schakelkast.
- Gebruik voor geleiding van de kabels door het toestel de kabelgoot op het linker zijdeel.

Attentie! Gevaar voor storing van het toeste! Gebruik voor de laagspanningskabels niet dezelfde trekontlasting als voor de netkabels!
- Let op de ruimtelijke scheiding van net- en laagspanningskabels.
- Beveilig de leidingen met de trekontlastingen.
- Strip de draaduiteinden en voer de aansluitingen uit conform de hoofdstukken 5.9.1 tot 5.9.2.
- Sluit daarna het achterste deksel van de schakelkast en druk erop tot u hoort dat dit vastklikt.
• Klap de schakelkast omhoog. - Bevestig de frontmantel.
- Schroef de schroef boven het multifunctionele schakelveld weer erin.
- Sluit de frontafdekking.
5.10.1 Nettoevoerleiding aansluiten
De netspanning moet 230 V bedragen; bij netspanningen boven 253 V en beneden 190 V zijn functiebelemmeringen mogelijk. De nettoevoerleiding moet via een vaste aansluiting en een scheidingsinrichting met een contactopening van ten minste 3 mm (bijv. zekeringen, contactverbrekers) aangesloten worden.
Ga bij de aansluitbedrading als volgt te werk:
- Schroef de schroef boven het multifunctionele schakelveld eruit.
- Trek de frontmantel in het bovenste bereik naar u toe en til deze op, om deze te verwijderen.
- Klap de schakelkast naar voren.
-
Hang het achterste deksel van de schakelkast uit en klap dit naar boven.
-
Breng de leidingen door de kabeldoorvoer in de toestelachterwand door het toestel naar de schakelkast.
- Gebruik voor geleiding van de kabels door het toestel de kabelgoot op het linker zijdeel.
- Klem de nettoevoerleiding op de daarvoor bestemde klemmen N, L en PE van de turkooizen stekker.
- Let op de ruimtelijke scheiding van net- en laagspanningskabels.
- Beveilig de leidingen met de trekontlastingen.
- Strip de draaduiteinden en voer de aansluitingen uit conform de hoofdstukken 5.9.1 tot 5.9.2.
- Sluit daarna het achterste deksel van de schakelkast en druk erop tot u hoort dat dit vastklikt.
• Klap de schakelkast omhoog. - Bevestig de frontmantel.
- Schroef de schroef boven het multifunctionele schakelveld weer erin.
- Schakel de netspanning in en controleer of het toestel functioneert.
De externe bedrading moet geaard zijn, met de juiste polariteit en overeenkomstig de huidige normen.
De fabrikant weigert elke verantwoordelijkheid voor schade aan personen of andere als gevolg van onjuiste aarding van het toestel, inclusief niet-naleving van de huidige normen.

Aanwijzing Bij gasgestookte toestellen met een totaal nominaal warmtevermogen boven 70 kW moet buiten de plaatsingsruimte een noodschakelaar geinstalleerd worden, die de stroomtoevoer naar de noodschakelaar in geval van nood 2-polig onderbreekt. Naast de noodschakelaar moet een bordje met de tekst „Noodschakelaar vuurhaard“ aangebracht zijn.
5.9.2 Aansluiting van een thermostaat
Voor de regeling van de CV-installatie kan een weersafhankelijke buitentemperatuurregeling met modulerende branderregeling worden gebruikt.
De voelers en de installatiemodules die niet in hoofdstuk 5.9.3 zijn vermeld, worden op de thermostaat aangesloten.
De elektrische aansluiting op de CV-thermostaat is weergegeven in afbeelding 5.10.
Meer aanwijzingen vindt u in de handleiding van de thermostaat.
5.9.3 Aansluiting van elektrische toebehoren en interne bedrading
![graph TD subgraph_Panel1["230 V~"] A["Laadpomp"] --> B["CV-pomp"] B --> C["Optie ext thermostaat/kamerthermostaat 3-4 (contact)"] C --> D["Netingang"] D --> E["24V vatu"] E --> F["optioneel: Pomp-module PWM ring"] end subgraph_Panel2["24 V"] G["Stekker thermostaattobehoren CP eenmalige start"] --> H…](/content/2026/06/1151880/images/2d5a6818a765fb9224bafc9903f03bb2ed8c96f42c4ab6f390d0c47336dc8fa2.jpg)
Afb. 5.10 Aansluiting van elektrische toebehoren en interne bedrading
Externe aanvoerthermostaat
Een aanvoerthermostaat, bijv. ter beveiliging van vloerverwarmingen, kan op de klemmen „contactthermostaat“ elektrisch in de veiligheidsketen worden opgenomen.
Gasdrukregelaar
- Een gasdrukregelaar kan op de klemmen „contactthermostaat“ elektrisch in de veiligheidsketen worden opgenomen.
Condenswater-transportpomp
- Sluit de alarmuitgang van een condenswater-transportpomp elektrisch aan op de stekker „contactthermostaat“.

Aanwijzing!
Als meerdere contacten op de aansluiting „contactthermostaat“ worden aangesloten, dan moeten deze in serie worden aangesloten, niet in parallel!
6 Inbedrijfstelling
De eerste inbedrijfstelling en de bediening van het toestel en het instrueren van de gebruiker moet door een erkend installateur uitgevoerd worden. De verdere inbedrijfstelling/bediening voert u uit zoals in de gebruiksaanwijzing beschreven.

Attentie!
Vóór de inbedrijfstelling alsmede na inspecties, onderhouds- en reparatiewerkzaamheden moet het gastoestel op lekkages worden getest!
De bediening van de HR-gasketel en de instelling van diverse parameters of operationele toestanden geschiedt via het bedieningspaneel op de ketelschakellijst.
Het installateurniveau met de parameters en voor de installatie relevante instellingen bereikt u na invoer van de servicecode.
6.1 Servicecode invoeren

Aanwijzing
Na 15 minuten wordt het installateurniveau automatisch verlaten.
Elke hernieuwde invoer van de servicecode zorgt voor een verlenging met 15 minuten.
Voor de invoer van de servicecode gaat u als volgt te werk:
• Activeer de diagnosemodus door de toetsen „i“ en „+“ gelijktijdig in te drukken.
• Kies diagnosepunt 97, druk op „i“.
• Stel de waarde 17 in.
- Sla deze waarde op door de toets „i“ 5 seconden lang ingedrukt te houden (tot deze ophoudt met knippe-ren).
6.2 Controlelijst inbedrijfstelling
Ga bij de inbedrijfstelling te werk volgens de volgende controlelijst. Een beschrijving van de afzonderlijke werkstappen vindt u in de daarop volgende hoofdstukken.
Voor de inbedrijfstelling moet u de mantel van de HR-gasketel wegnemen.
- Schroef hiervoor de schroef boven het multifunctionele schakelveld eruit.
- Trek het manteldeksel naar voren.
- Neem als laatste de zijdelen weg.
| Nr. | Handeling Opmerking Noodzakelijk gereedschap | ||
| 1 | Gasaansluitdruk controleren Gasdruk moet tussen 17 en 30 mbar gelegen zijn U- of digitale manometer | ||
| 2 | Controleren of sifon gevuld is Indien nodig via rookgasmeetnippel vullen | ||
| 3 | Elektrische aansluitlijst controleren Netaansluitting: klemmen L,N, PE Thermostaat klemmen: „Bus“, /7-8-9 of 3-4 | ||
| 4 | Toestel inschakelen, displayweergave actief | Anders zekeringen controleren | |
| 6 | Schoorsteenvegerfunctie activeren | Toetsen „+“ en „-” tegelijkertijd indrukken | |
| 7 | Gehele gastraject op lekkages controleren | Lekzoekspray of gasdetector (Met name voor controle van de branderafdichtingen op gasdichtheid wordt een gasdetector aangeraden. Evt. branderafdichting met 12 Nm vaster draaien.) | Gasdetector |
| 8 | Schoorsteenrekmeting uitvoeren De maximale trek mag niet hoger zijn dan 20 mbar.Als de trek te groot is, moet de schoorsteenrek door geschikte maatregelen worden begrensd. | Meettoestel voor schoorsteentrek | |
| 9 | CO2-meting | Gewenste waarde aardgas:bij nominale last: 9,3 Vol.-% (±0,2 Vol.-%)bij minimale last: 9,0 Vol.-% (±0,2 Vol.-%) | CO2-meter |
| 10 | Indien CO2niet binnen tolerantie: | CO2instellen, zie hoofdstuk 6.5.3 | |
| 11 | Na gasinstelling schoorsteenveger-schakeling en hernieuwde CO2-meting | Gewenste waarde aardgas:bij nominale last: 9,3 Vol.-% (±0,2 Vol.-%)bij minimale last: 9,0 Vol.-% (±0,2 Vol.-%) | CO2-meter |
| 12 | CO-meting (gewenste waarde < 80 ppm) | CO-meter | |
| 13 | Condensbak, sifon en condenswaterafvoer op lekkages controleren | Visuele controle of extra met CO-meters de afdichtplekken nagaan. | |
| 14 | HR-gasketel uitschakelen en opnieuw inschakelen | Veilig verlaten van de test-modus en reset | |
| 15 | CV-thermostaat met klant programmeren en functie proceswater/CV controleren | Gebruiksaanwijzing van de thermostaat aan klant overhandigen | |
Tabel 6.1 Controlelijst voor inbedrijfstelling
6.3 Systeem vullen

Attentie!
Functiestoring!
Spoel de CV-installatie voor de aansluiting van het toestel zorgvuldig door!
Daarmee verwijdert u resten zoals lasdruppels, walshuid, hennep, kit, roest, grove vervuiling e.d. uit de buisleidingen. Anders kunnen deze stoffen in het toestel terechtkomen en storingen veroorzaken.
- Gebruik voor het vullen van de CV-installatie alleen water dat voldoet aan de eisen voor verwarmingswater.
Corrosiebeveiliging door waterbehandeling
Bij verwarmingswater dat door toevoeging van sterk alkaliserende stoffen geconditioneerd is, kunnen aluminium en de legeringen ervan het risico op corrosie lopen. De pH-waarde van het CV-water mag niet hoger zijn dan de waarde 8,5. De pH-waarde mag niet continu lager zijn dan een waarde van 6,5.
De toevoeging van chemische stoffen aan het CV-water, met name van antivries, is niet toegestaan!
6.3.1 Vullen aan CV-zijde
- Draai de kap van de in de fabriek gemonteerde snelontluchter een tot twee slagen los. Let erop dat de opening van de kap niet in de richting van elektronische onderdelen wijst.
- Vul de installatie tot een systeemdruk van 2,3 bar tot 2,5 bar. Door op de toets „-“ te drukken wordt gedurende ca. 3 sec. de actuele waterdruk weergegeven.
- Vul het systeem via de ketelvul- en aftapvoorziening aan systeemzijde.
- Sluit de ontluchtingsnippel.
• Ontlucht de radiatoren. - Lees nogmaals de druk op de manometer af. Is de systeemdruk gedaald, vul dan het systeem nogmaals bij en ontlucht opnieuw.
- Controleer alle aansluitingen en het gehele systeem op lekkages.
Voor de ontluchting van CV-circuit, HR-gasketel en evt. boiler kunt u het testprogramma PO gebruiken.
- Houd hiervoor de toets „+“ bij netinschakeling ca. 5 sec. ingedrukt.
• Kies met de toetsen „+“ of „-“ PO. - Start het programma met de toets „i“.
- Schakel door opnieuw drukken verder naar het boilerlaadcircuit.
6.3.2 Sifon vullen
- Vul de sifon met water door de rookgasopening in de rookgascollector.

Gevaar!
Gevaar voor vergiftiging door naar buiten stromende rookgassen!
Als het toestel wordt gebruikt met lege condenswatersifon, bestaat het gevaar van vergifti- ging door naar buiten stromende rookgassen. Vul daarom absoluut vóór inbedrijfstelling de sifon.
6.4 Gasinstelling controlleren
Het toestel is in de fabriek op de in hoofdstuk „Technische gegevens“ aangegeven waarden ingesteld. In enkele distributiegebieden kan ter plaatse een aanpassing nodig zijn.
Voor het waarborgen van het correct functioneren van de brander-ventilator-moduleregeling moet het O2-/CO2-gehalte in het rookgas (zie hoofdstuk 6.5.2) en de gasdruk voor gasblok (zie hoofdstuk 6.5.1) gemeten worden.
De controle en instelling vindt plaats bij nominale en minimale belasting.

Attentie!
Vergelijk vóór inbedrijfstelling van het toestel de gegevens m.b.t. de ingestelde gassoort op het typeplaatje met de gassoort ter plaatse. Een controle van het gasvolume is niet nodig. De instelling geschiedt aan de hand van het CO2-aandeel in het rookgas.
De toestellen worden als aardgas-variant geleverd.
6.4.1 Controle van de aansluitdruk (gasvoordruk)

Afb. 6.2 Gasvoordruk controleren
Legenda
1 Drukmeetnippel
Ga voor de controle van de aansluitdruk als volgt te werk:
• Verwijder de frontmantel van het toestel.
• Til het voorste deksel op.
- Draai de schroef op de drukmeetnippel (1) voor het gasblok los.
- Sluit een manometer aan.
- Neem het toestel in gebruik.
- Schakel het toestel in de test-modus op maximaal vermogen; operationele toestand „Schoorsteenveger“ door gelijktijdig indrukken van „+“ en „-“
- Meet de aansluitdruk ten opzichte van de atmosfeer-druk. De gemeten druk moet tussen 17 mbar en 25 mbar (aardgas) of 42,5 mbar en 57,5 mbar (pro-paan) liggen.

Aardgas!
Als de gasdruk aan de ingang van het apparaat buiten het opgegeven bereik ligt (17 mbar - 25 mbar), mag het apparaat niet in werking worden gesteld!
Ga in dit geval als volgt te werk:
• Stel het toestel buiten werking.
- Verwijder de manometer en draai de schroef op de drukmeetnippel (1) weer vast.
Als u de storing niet kunt verhelpen, stel het toestel niet in werking en informeer het energiebedrijf.

Attentie!
Functiestoring!
De verbrandingslucht moet vrij zijn van deeltjes, omdat anders de brander kan worden vervuild.
Let er vooral op dat geen bouwstof of vezels van isolatiemateriaal in de verbrandingslucht zitten.
6.4.2 CO2-gehalte controleren
De meetopening voor de CO2-meting moet zelf in de rookgasbuis worden gemaakt.

Attentie!
Gevaar voor verkeerde metingen door binnen- stromende secundaire lucht! Dicht de testopening van de meetsonde tijdens de meting goed af, om het binnenstromen van secundaire lucht te verhinderen!

Aanwijzing!
De maximale trek mag niet hoger zijn dan 20 mbar, omdat anders de resultaten van de CO2-meting kunnen worden vervalst. Indien nodig kunt u tijdens de meting het deksel van de inspectie-opening in het rookgastraject op de standplaats verwijderen en na de meting weer aanbrengen.
Aanwijzing!
Actuele meettoestellen werken volgens de O2-methode en rekenen om naar het CO2-gehalte. Een directe CO2-meting, zoals mogelijk bij oudere meettoestellen, kan leiden tot meetfouten, omdat de aardgassen afhankelijk van de vindplaats CO2 bevatten.
Aanwijzing!
Aanwijzing bij de testprogramma's: na 15 minuten wordt de test-modus automatisch verlaten. Als u de meting in dit tijdsbestek nog niet heeft voltooid, moet de test-modus opnieuw worden geactiveerd.
Controle bij nominale belasting
- Start het testprogramma „P1“ voor nominaal vermogen.
- Druk de toets „+“ in en houd deze ingedrukt.
• Druk op de resettoets. - Houd de toets „+“ ingedrukt tot „PO“ verschijnt.
• Schakel met de toets „+“ naar „P1“. - Start het testprogramma door op de toets „i“ te drukken.
Na de stabilisatietijd van een minuut wordt de HR-gasketel naar nominaal vermogen geregeld.
- Meet het CO2-gehalte in de rookgassen.
| TS /3 % CO | 2 bij nominale last | % CO2 bij minimale last |
| G20 20 mbarG25 25 mbar | 9,3 ± 0,2 9,0 ± 0,2 |
Tabel 6.2 Gewenste CO2-waarden voor nominale en minimale last aardgas
Als de meetwaarde met de tabelwaarde overeenkomt, is geen verdere instelling noodzakelijk. Ligt het gemeten CO2-gehalte buiten dit bereik, dan is de instelling van de brander-ventilator-module noodzakelijk.
Controle bij minimale last
- Start het testprogramma „P2“ voor minimale last (zoals hierboven beschreven).
- Meet het CO2-gehalte in de rookgassen.
Als de meetwaarde met de tabelwaarde (zie tabel 6.2) overeenkomt, is geen verdere instelling noodzakelijk. Ligt het gemeten CO2-gehalte buiten dit bereik, dan is de instelling van de brander-ventilator-module noodzakelijk.
Om de controle te beëindigen, gaat u als volgt te werk:
• Stel de HR-gasketel buiten werking.
- Sluit de meetopeningen en drukmeetnippels af.
• Controleer deze op lekkages.
De gasinstelling moet in de vermelde volgorde worden uitgevoerd. De brander-ventilator-module is in de fabriek op de gassoort aardgas (G20) ingesteld.

Aanwijzing!
Na 15 minuten wordt de test-modus automatisch verlaten. Als u de meting in dit tijdsbestek nog niet heeft voltooid, moet de test-modus opnieuw worden geactiveerd.

Aanwijzing!
De maximale trek mag niet hoger zijn dan 20 Pa, omdat anders de resultaten van de CO2-meting kunnen worden vervalst. Indien nodig kunt u tijdens de meting het deksel van de inspectie-opening in het rookgastraject op de standplaats verwijderen en na de meting weer aanbrengen.
CO2 instelling bij nominale last
De gasinstelling voor de nominale belasting geschiedt m.b.v. een inbussleutel 3 mm via de gasdoorstromingsschroef (1) van het gasblok.

Afb. 6.3 Gasdoorstromingsschroef
- Breng de meetsonde van het rookgas-meettoestel in de meetopening naar binnen.
• Verwijder de afdekkap van het gasblok.
Om het testprogramma „P1“ voor nominaal vermogen te starten, gaat u als volgt te werk: - Druk de toets „+“ in en houd deze ingedrukt.
• Druk op de resettoets. - Houd de toets „+“ ingedrukt tot „PO“ verschijnt.
• Schakel met de toets „+“ naar „P1“. - Start het testprogramma door op de toets „i“ te drukken.
Na de stabilisatietijd van 1 minuut wordt de HR-gasketel naar nominaal vermogen geregeld.
- Bepaal bij vollast het CO2-gehalte en vergelijk deze waarde met de waarden uit de tabel 6.2.
- Corrigeer indien nodig het CO2-gehalte m.b.v. een inbussleutel 3 mm bij de gasdoorstromingsschroef (1) conform tabel 6.2.
- Om het CO2-gehalte te reduceren, draait u de inbus-sleutel met de klok mee (rechts).
- Om het CO2-gehalte te verhogen, draait u de inbus-sleutel tegen de klok in (links).

Aanwijzing!
Verstel alleen in stappen van 1/8e slag en wacht na iedere verstelling ca. één minuut tot de waarde zich heeft gestabiliseerd.
Controleer na de instelling de kwaliteit van de verbranding via de kijkopening:
- vlam stijgt niet op
- branderoppervlak gloeit niet
- Beëindig het testprogramma „P1“.
• Monteer de afdekkap van het gasblok.
Instelling bij minimale last

Aanwijzing!
Voer vóór de instelling eerst een CO2-meting bij nominale last uit, omdat de instelling bij nominale last ook de minimale last verandert. Een instelling van de minimale last is alleen bij hoge uitzondering noodzakelijk.

Afb. 6.4 Nulpuntschroef
De gasinstelling voor de minimale last geschiedt via de nulpuntschroef (1) (Torx Tx40 onder afdekking) van het gasblok.
- Verwijder de afdekkap van de nulpuntschroef (1) van het gasblok.
- Start het testprogramma „P2“ voor minimale last (zoals hierboven beschreven).
- Bepaal bij minimale last het CO2-gehalte en vergelijk deze met de waarden in tabel 6.2.
-
Corrigeer indien nodig het CO2-gehalte bij de nulpunt-schroef m.b.v. Torx Tx40 bij de gascombiklep conform tabel 6.2.
-
Om het CO2-gehalte te verhogen, draait u de nulpunt-schroef met de klok mee (rechts).
- Om het CO2-gehalte te reduceren, draait u de nulpunt-schroef tegen de klok in (links).
Controleer na de instelling de kwaliteit van de verbranding via de kijkopening:
- vlam stijgt niet op
- branderoppervlak gloeit niet
- Beëindig het testprogramma „P2“.
• Monteer de afdekkap van het gasblok.

Attentie!
Tijdens de CO2-instelling moet op de CO-emissie worden gelet. Als de CO-waarde bij een correcte CO2-waarde > 200 ppm is, dan is de gasklep niet correct ingesteld. Een basisinstelling is noodzakelijk. Deze voert u uit zoals beschreven in hoofdstuk 6.5.4 Gasomschakeling.
Om de instelling te beëindigen, gaat u als volgt te werk:
• Stel de HR-gasketel buiten werking.
- Sluit de meetopeningen en drukmeetnippels af en controleer deze op lekkages.
6.4.4 Gasomschakeling
De omschakeling naar aardgas G25 geschiedt alleen door instelling van het gasblok.
Ga als volgt te werk:
- Breng de meetsonde van de CO2-meter in de meetopening bij de rookgasbuis naar binnen.
- Start het testprogramma „P1“ voor de nominale last (zie hoofdstuk 6.5.3).
- Meet het CO2-gehalte en stel dit overeenkomstig tabel 6.2 in.
- Start het testprogramma „P2“ voor deellast.
- Meet het CO2-gehalte en stel dit indien nodig overeenkomstig tabel 6.2 in.
Om de gasomschakeling te beëindigen, gaat u als volgt te werk:
• Stel de HR-gasketel buiten werking.
- Sluit de meetopeningen en drukmeetnippels af en controleer deze op lekkages.
- Nadat u de ketel heeft omgebouwd naar een andere gassoort, brengt u de betreffende sticker, bijv. „Ingesteld op G25 - 25 mbar“, op het gasblok aan.

Aanwijzing!
De instelling reageert heel gevoelig. Een halve slag (180°) heeft een verandering van de CO2-concentratie van ca. 1,0 Vol.-% tot gevolg.
6.5 Controleren van de toestelfuncties
Voer na afsluiting van de installatie en de gasinstelling een functiecontrole van het toestel uit voordat het toestel in werking wordt gesteld en aan de gebruiker wordt opgeleverd.

Afb. 6.6 Visuele en dichtheidscontrole van het toestel en het systeem
- Stel het toestel volgens de bijbehorende gebruiksaanwijzing in werking.
- Controleer met name de branderafdichting met behulp van een CO2-meter op gasdichtheid. Eventueel moet u de branderafdichting met 12 Nm vaster draaien.
- Controleer de gastoevoerleiding, het rookgasafvoersysteem, de HR-gasketel, de CV-installatie en warmwaterleidingen op lekkages.
- Controleer de correcte installatie van de rookgasafvoer.
- Controleer of het vlambeeld van de brander regelmatig is.
- Controleer de werking van de CV en van de warmwaterbereiding.
- Lever het toestel aan de gebruiker op.
6.6 Gebruiker instrueren

Attentie!
Het toestel mag
- voor inbedrijfstelling
- voor testdoeleinden
- voor continuwerking
alleen met volledig gemonteerd en gesloten verbrandingsluchttoevoer-/rookgasafvoersysteem gebruikt worden.
De gebruiker van het toestel moet over het gebruik en de werking van zijn HR-gasketel geïnstrueerd worden.
Na het voltooien van de installatie moet de installateur:
- de werking van het toestel en de veiligheidsvoorzieningen uitleggen aan de gebruiker, en indien nodig een demonstratie geven en vragen beantwoorden
• de gebruiker alle nodige documentatie bezorgen
• de documenten waar nodig invullen - de gebruiker inlichten over de voorzorgsmaatregelen die noodzakelijk zijn om beschadiging van het systeem, het toestel en het gebouw te voorkomen
- de gebruiker eraan herinneren het toestel jaarlijks een onderhoudsbeurt te geven
- wijs de gebruiker erop, dat de handleidingen in de buurt van het CV-toestel moeten worden bewaard.
- Informeer de gebruiker over de getroffen maatregelen bij de verbrandingsluchttoevoer en rookgasafvoer. Wijs hem/haar er met name op dat deze niet mogen worden veranderd.
- Informeer de gebruiker over het controleren van de vereiste waterdruk van de CV-installatie en over de maatregelen die hij indien nodig moet nemen bij het bijvullen en ontluchten van de CV-installatie.
- Wijs de gebruiker op de juiste (efficiënte) instelling van temperaturen, thermostaten en thermostaatkranen.
7 Aanpassen aan de CV-installatie
De aanpassing van de HR-gasketel aan de CV-installatie geschiedt in de diagnosemodus. Het bedieningsconcept voor het selecteren van de verschillende parameters en hun instelling is beschreven in hoofdstuk 6.2. Enkele instellingen zijn alleen voor de installateur bestemd en kunnen pas na invoer van de servicecode „17“ in Dia 97 worden opgeroepen.
Een overzicht van de instelbare diagnosepunten vindt u in tabel 7.1.
| Diagnose-punt | Beschriljving Instelbereik Fabrleksinstelling | ||
| d.0 CV-deel | ast instelbare waarden in kW maximaal | vermogen in CV-functie | |
| d.1 Pompnalooptijd voor CV-functie 2 - 60 min 5 min | |||
| d.2 Maximale branderwachttijd bij 20 °C 2 - 60 min 20 min | |||
| d.17 Omschakeling van aanvoertemperatuurregeling | 0 = aanvoertemperatuurregeling1 = retourtemperatuurregeling(bijv. voor vloerverwarming) | 0 | |
| d.18 Pompnaloopmodus | 1 = comfort3 = eco | 1 = comfort | |
| d.20 | Maximale instelwaarde van de gewenste potiwaarde voor de boiler | 50 °C - 70 °C | 65 °C |
| d.26 | Intern toebehorenrelais op X 6 (roze stekker) | 1 = circulatiepomp2 = ext. pomp;3 = boilerlaadpomp4 = rookgasklep/ afzuigkap; Let op: invers aan d27/285 = externe gasklep6 = externe storingsmelding | 1 = circulatiepomp |
| d.27 | Omschakelen toebehorenrelais 1 naar het toebehoren 2 uit 7 | 1 = circulatiepomp2 = ext. Pomp3 = boilerlaadpomp4 = rookgasklep/ afzuigkap5 = externe gasklep6 = externe storingsmelding | 1 = circulatiepomp |
| d.28 | Omschakelen toebehorenrelais 2 naar het toebehoren 2 uit 7 | 1 = circulatiepomp2 = ext.pomp3 = boilerlaadpomp4 = rookgasklep/ afzuigkap5 = externe gasklep6 = externe storingsmelding | 2 = ext.pomp |
| d.54 | Inschakelhysterese gerelateerd aan de actuele gewenste waarde | 0...-10 K | -2 K |
| d.55 | Uitschakelhysterese | 0...10 K | 6 K |
| d.71 | Maximale gewenste waarde CV-aanvoertemperatuur instelbaar | 40 °C - 85 °C | 75 °C |
| d.72 | Pompnalooptijd na de lading van een door de elektronica geregelde waterboiler (ook warme start en lading via C1/C2) | 0 - 600 s | 300 s |
| d.75 | Maximale boilerlaadtijd van een boiler zonder eigen regeling | 20 - 90 min | 45 min |
| Diagnose-punt | Beschrijving Instelbereik Fabrieksinstelling | ||
| d.77 Minimale boilerlast (vermogensbegrenzing boilerlading) in kW instelbare waarden in kW maximaal | vermogen | ||
| d.78 Boilerlaadtemperatuurbegrenzing (gewenste aanvoertemperatuur in boilerfunctie) in °C | 75 °C - 85 °C 80 °C | ||
| d.84 Aantaluren tot volgende onderhoud (invoer van de gebruiksuren tot onderhoudsmelding op het display verschijnt) | 0 ... 3000 gebruiksuren„-“ voor uit | „-“ voor uit | |
| d.87 Gassoortinstelling 0 = aardgas 20/25 mbar 0 | |||
| d.95 Softwarestand uitlezen 1. Waarde = BMU | 2. Waarde = AIWaarden worden afwisselendweergegeven | ||
| d.96 Fabrieksinstelling (reset van instelbare parameters naar fabrieksinstelling) | Instelbereik: 0 = uit, 1 = aan | 0 | |
Tabel 7.1 Instelbare diagnosepunten (vervolg volgende pagina)
Tabel 7.1 Instelbare diagnosepunten (vervolg)
7.1 Maximale ketelaanvoertemperatuur instellen

Draai de draaiknop (8, afb. 7.1) voor de CV met de klok mee op Maximum. Nu kan de maximale aanvoertemperatuur voor de CV-functie onder het diagnosepunt „d.71“ tussen 40 en 85 °C worden ingesteld. Vanuit fabriek staat de maximale aanvoertemperatuur op 75°C.
7.2 Maximale boilertemperatuur instellen
Draai de draaiknop (9, afb. 7.1) voor de warmwaterbereiding met een geschikt gereedschap met de klok mee op Maximum. Nu kan de maximale boilertemperatuur voor de CV-functie onder het diagnosepunt „d.20“ tussen 50 en 70 °C worden ingesteld. Af fabriek staat de maximale boilertemperatuur op 65°C.
7.3 Pompnalooptijd instellen
De nalooptijd van de centrifugaalpomp van de ketel kan onder diagnosepunt d.1 worden ingesteld. De nalooptijd van een direct op de HR-gasketel aangesloten boilerlaadpomp kan evt. onder parameter d.72 worden ingesteld.
7.4 Wachttijd en CV-deellast
De maximale branderwachttijd voor CV-functie kan onder d.2 worden ingesteld, de CV-deellast onder d.0 en de minimale last voor boilerlading onder d.77 (zie tabel 9.2).
7.5 Aanloopgedrag
Bij een warmtevraag gaat de HR-gasketel gedurende ca. 15 sec. in de status „S.2“ (pomp voorloop), daarna wordt de ventilator gestart („S.3“).
Na schakelen van de luchtdrukschakelaar en bereiken van het starttoerental wordt de gasklep geopend en de brander gestart (status „S.4“).
De HR-gasketel loopt nu 60 sec. met minimaal vermogen en wordt daarna afhankelijk van de afwijking van de gewenste waarde van de berekende gewenste toerentalwaarde ingesteld.
8 Onderhoud
8.1 Algemene aanwijzingen
Voorwaarde voor permanente inzetbaarheid en gebruiksveiligheid, betrouwbaarheid en lange levensduur is een jaarlijkse inspectie/jaarlijks onderhoud van het toestel door een erkend installateur. We raden u daarom aan om een onderhoudscontract af te sluiten.

Gevaar! Inspectie, onderhoud en reparatie mogen alleen door een erkend installateur worden uitgevoerd. Niet-uitgevoerde inspectie- en onderhoudswerkzaamheden kunnen leiden tot materiële schade en lichamelijk letsel.
Gebruik originele reserveonderdelen van de fabrikant voor een veilige en lange levensduur van het product.

Aanwijzing!
Dit apparaat is voorzien van het CE-conformiteitsmerkteken. Gebruik uitsluitend nieuwe originele reserveonderdelen van de fabrikant.
- Zorg dat reserveonderdelen correct worden gemonteerd in de juiste stand en richting. Test het apparaat op veilige werking na het aanbrengen van reserveonderdelen of na reparatie.
8.2 Veiligheidsaanwijzingen
Neem voor de inspectiewerkzaamheden altijd de volgende stappen:

Aanwijzing!
Als inspectie- en onderhoudswerkzaamheden bij ingeschakelde aan/uit-schakelaar nodig zijn dan wordt daar bij de beschrijving van de werkzaamheden op gewezen.
Neem de fundamentele veiligheidsvoorschriften in acht voordat u begint aan onderhoud of reserve-onderdelen vervangt:
• Schakel het toestel uit.
- Sluit het toestel af van de stroomtoevoer.
• Schakel de gasafsluiter van het toestel uit.
- Sluit het toestel af van het hydraulisch systeem met de afsluitkleppen indien die aanwezig zijn.
- Tap het toestel af als u hydraulische componenten moet vervangen.
- Bescherm alle elektrische componenten tegen water terwijl u aan het toestel werkt.
- Gebruik uitsluitend originele reserve-onderdelen.
- Gebruik uitsluitend nieuwe O-ringen en afdichtingen.
- Controleer nadat u klaar bent met onderhoud aan gas-of wateronderdelen of deze goed vast zitten.
- Voer nadat het werk aan het toestel is voltooid een bedrijfstest uit en controleer op veilige werking.

Gevaar! Levensgevaar door elektrische schok! Op de aansluitlijst van het toestel staat ook bij uitgeschakelde aan/uit-schakelaar elektrische spanning. Schakel vóór werkzaamheden aan het toestel de stroomtoevoer uit en beveilig deze tegen opnieuw inschakelen!
8.3 Gebruiksurenweergave
Hier worden de gebruiksuren van de brander weergegeven:
- diagnosepunt d.81 voor boilerlaadfunctie
- diagnosepunt d.82 voor CV-functie
8.4 Schoorsteenvegerbedrijf
Voor de emissie-metingen van de schoorsteenveger en voor andere metingen kan het noodzakelijk zijn om de HR-gasketel gedurende langere tijd op maximale last te laten lopen. Daarvoor is het schoorsteenvegerbedrijf bedoeld.
- Druk hiervoor tegelijkertijd op de toetsen „-“ en „+“. De HR-gasketel loopt nu gedurende 15 minuten op maximale last.
Door opnieuw tegelijkertijd op de toetsen „+“ en „-“ te drukken kan de functie voor afloop van deze tijd worden afgebroken. Na bereiken van een aanvoertemperatuur van 85 °C wordt de functie automatisch afgebroken (beveiliging tegen overtemperatuur).
8.5 Controlelijst onderhoud
Controleer in het kader van de inspectie de hier vermelde punten en voer, indien nodig, de dienovereenkomstige onderhoudswerkzaamheden conform het volgende hoofdstuk uit.
Voor het onderhoud moet u de mantel van de HR-gasketel wegnemen.
- Schroef hiervoor de schroef boven het multifunctionele schakelveld eruit.
- Trek de frontmantel af.
- Neem indien nodig het deksel en de zijdelen weg.
| Nr. | Handeling Opmerking Gereedschap | ||
| 1 | Waterdruk CV-installatie controleren (toets „-”) | Indien nodig bijvullen (ca. 2,5 bar) | |
| 2 | Optische controle op lekkages CV-circuit | Werking van de snelontluchter controleren | |
| 3 | Optische controle veiligheidsklep | juiste veiligheidsklep aanwezig (drukbereik, installatie), geen stop, uitloop zichtbaar, afvoertrechter en leiding aanwezig, geen afsluitmogelijkheid tussen ketel en veiligheidsklep | |
| 4 | Condenswatercollector, sifon, verbrandingslucht- en rookgastraject op vervuiling controleren en dichtheid controleren. Afdichtingen van de condensbak, de inspectieopening en tussen rookgasstomp en warmtewisselaar op beschadiging controleren en evt. vervangen. Controleer elektrodes optisch op de vorming van afzettingen, vervang deze evt. | Zie: 8.5 en 8.6 | |
| 5 | Toestel inschakelen - testprogramma oproepen | P1 = nominale last, P2 = minimale last | |
| 6 | CO2-meting (gewenste waarde: aardgas bij nominale last: 9,3 Vol.-% (±0,2 Vol.-%) bij minimale last: 9,0 Vol.-% (±0,2 Vol.-%) CO-meting (gewenste waarde < 80 ppm) | Als de waarden niet in dit bereik liggen, moet vóór de verdere inspectie een CO2-instelling worden uitgevoerd | CO2-meter |
| 7 | Belastingsmeting | Berekening uit afgelezen gasvolume Als de belasting met meer dan 15 % onder de nominale waarde ligt, dan brander reinigen, evt. vervangen. Bij elke demontage van de brander, branderafdichtingen vervangen en branderflens met 12 Nm over kruis vastdraaien Na de reiniging of de vervanging van de brander is een verdere meting van de CO2-waarde en de belasting noodzakelijk. Evt. moet de CO2-waarde nogmaals worden ingesteld. Controleer de gasdichtheid achter de ventilator en langs de branderafdichting met een gasdetector. | Gasdetector |
| 8 | Controle rookgasdrukschakelaar, optische controle van alle slangen en meetnippels, functiecontrole door volledige rookgasstuwing met rookgaswaaiier of vergelijkbare middelen | Bij nominale last en volledige stuwing moet de brander na uiterlijk twee minuten uitgaan, daarna voortdurende automatische herinschakeling. Er mag geen rookgas via de sifon in de plaatsingsruimte komen. | |
| 9 | Sifon en condenswaterafvoer op lekkages controleren | ||
| 10 | Rookgasbuizen op lekkages controleren. | Verbindings- en montagebeugels optisch controleren. Er drupt geen condenswater uit verbindingspunten, buizen hebben verval > 3° in richting ketel. | |
| 11 | Manteldelen weer aanbrengen, HR-gasketel compleet maken | ||
| 12 | Toestel uit - toestel inschakelen - functie van de thermostaat controleren (warmwaterbereiding/CV) controleren |
Tabel 8.1 Controlelijst voor inspectie
8.6 Reiniging van de condenswatercollector

Afb. 8.1 Condenswatercollector reinigen
• Demonteer het frontdeel van de ketelmantel.
• Schroef het deksel van de inspectie-opening (1) af.
- Controleer de condenswatercollector op vervuiling en reinig deze, indien nodig, met een schraper.
- Controleer de afdichting van de inspectie-opening vóór montage op beschadigingen. Indien nodig moet een nieuwe afdichting worden geplaatst.
8.7 Reiniging van de sifon
• Demonteer de ketelmantel.
h
Aanwijzing
Bij het aftrekken van de afvoerslangen kan condenswater uitlopen.

Afb. 8.2 Slangen verwijderen
• Maak de slangen (1) en (2) los.

Afb. 8.3 Beugel aftrekken
- Trek de beugel (3) af.
- Neem de sifon weg en reinig deze.
• Monteer de sifon in omgekeerde volgorde. - Schroef de stop op de rookgasmeetopening af en vul de sifon via deze opening met water.
- Sluit de opening op de rookgasaansluiting met de stop af.
8.8 Rookgasdrukschakelaar controleren

Afb. 8.4 Rookgasdrukschakelaar controleren
- Controleer de slang naar de rookgasdrukschakelaar (2) op vervuiling en of deze goed zit.
2 Attentie!
De slang moet op de met "P1" gemarkeerde aansluiting van de rookgasdrukschakelaar aangesloten zijn.
8.9 Verbrandingsluchtdrukschakelaar controleren
- Controleer de slangen naar de verbrandingsluchtdrukschakelaar (1) (zie afb. 8.4) op vervuiling en of deze goed zit.

Attentie!
De met "P1" gemarkeerde aansluiting van de verbrandingsluchtdrukschakelaar moet op de Venturi aangesloten zijn.
De met "P2" gemarkeerde aansluiting van de verbrandingsluchtdrukschakelaar moet tussen gasblok en Venturi aangesloten zijn.

Afb. 8.5 Aansluiting van de verbrandingsluchtdrukschakelaar
Legenda
1 Verbrandingsluchtdrukschakelaar
2 Venturi
3 Gasklep
4 Verbrandingsluchtbox
8.10 Reiniging van de brander

Gevaar!
Gevaar voor materiële schade en persoonlijk let- sel!
Sluit vóór demontage van de brander de gasleiding af, omdat anders ongecontroleerd gas kan uitstromen.

Aanwijzing
De reiniging van de brander moet een keer per jaar worden uitgevoerd. Hiervoor is het noodzakelijk om de complete brander-ventilator-eenheid te demonteren.

• Verwijder de frontmantel.
• Klap de schakelkast omlaag.
- Maak de aansluitingen op het gasblok (4) en op de ventilator (1) los.
• Maak de aardingsleiding (8, afb. 8.6) los.
- Maak de stekker op de ontstekingselektrode (7, afb. 8.6) en op de ionisatie-/bewakingselektrode (6, afb. 8.6) los.
- Maak de regelslangen (3) op de gasklep en op de Venturi los.
- Draai de vier schroeven tussen Venturi en verbrandingsluchtgeluiddemper of HT-buis (2) los.
- Leg de verbrandingsluchtgeluiddemper met HT-bochtstuk 87° voorzichtig weg.
- Draai de vier schroeven M5 (5) op de gasbuis (gasfilter)/ het gasblok los.
- Draai de vier moeren M8 (9) op de warmtewisselaar los.
- Neem de complete eenheid, bestaande uit bochtstukflens, ventilator, Venturi en gasblok, naar voren eruit en leg deze voorzichtig weg.
- Verwijder de afdichting tussen warmtewisselaar en bochtstukflens.
- Trek de brander voorzichtig naar voren toe eruit.

Attentie!
Gevaar voor beschadiging van het branderoppervlak!
Let erop dat u bij de reiniging het branderoppervlak niet beschadigt!
- Blaas de brander buiten de plaatsingsruimte, van buiten naar binnen met perslucht uit. Als geen perslucht aanwezig is, kan de brander als alternatief ook met water worden uitgespoeld.
Bij sterke vervuiling moet de brander worden vervangen.
- Monteer daarna alle onderdelen weer in omgekeerde volgorde.

Afb. 8.7 Geleidingsgroeven van de brander

Let er bij het binnenbrengen van de brander op dat deze op de achterste geleidingsgroeven (1) in de warmtewisselaar ligt en dat de frontplaat (2) vlak met de warmtewisselaar afsluit.
Aanwijzing!
Draai de schroeven op het bochtstuk gelijkmatig met 12 Nm aan.
- Open de gaskraan en controleer de gasdichtheid tot aan het gasblok.
• Schakel de HR-gasketel in. - Controleer de gasdichtheid van de brander-ventilator-module achter het gasblok en langs alle branderafdichtingen met een gasdetector.
- Draai indien nodig de schroeven met 12 Nm vaster aan.
8.11 Wisselen van de ontstekings- en ionisatie-/bewakingselektrode

Attentie!
Gevaar voor functiestoringen door afzettingen! Door afzettingen op de elektrodes kunnen er belemmeringen van de werking optreden. Vervang de ontstekings- en ionisatie-/bewakingselektrode daarom een keer per jaar. Een reiniging is niet voldoende en derhalve niet toe-gestaan.

Afb. 8.9 Demontage van de ontstekings- en ionisatie-/bewakingselektrode
- Trek de aansluitleiding (1, afb. 8.9) op de ontstekingselektrode (7, afb. 8.9) voorzichtig af.
- Draai de beide bevestigingsmoeren (2, afb. 8.9) van de ontstekingselektrode los en neem de gehele ontstekingselektrode weg.
- Vervang de afdichting (3, afb. 8.9) en monteer de nieuwe ontstekingselektrode.
- Trek de aansluitleiding op de ionisatie-/bewakingselektrode (3, afb. 8.9) voorzichtig af.
- Draai de beide bevestigingsmoeren (4, afb. 8.9) van de ionisatie-/bewakingselektrode los en neem de gehele ionisatie-/bewakingselektrode weg.
- Vervang de afdichting (5, afb. 8.9) en monteer de nieuwe ionisatie-/bewakingselektrode.
- Draai de bevestigingsmoeren (2 en 4, afb. 8.9) met 2 Nm vast en steek de aansluitleidingen erop.
8.13 Veiligheidstemperatuurbegrenzer controleren

Afb. 8.10 Ontgrendelingstoets
Legenda
1 TB-ontgrendelingstoets met afdekkap
• Schakel de aan/uit-schakelaar in.
- Sluit het CV-circuit af.
- Zet het toestel op maximale aanvoertemperatuur en verwarm het toestel tot de regeluitschakeling.
- Na een wachttijd van twee minuten (temperatuurcompensatie) start u het testprogramma „P.5“.
Door starten van het testprogramma „P.5“ blijft de HR-gasketel zolang in werking tot de veiligheidstemperatuurbegrenzer wordt geactiveerd.
Het testprogramma „P.5“ wordt opgeroepen door eerst „Net aan“ te schakelen en tegelijkertijd de toets „+“ gedurende 5 sec. ingedrukt te houden. Daarna wordt met de toets „+“ of „-“ het testprogramma „P.5“ gekozen. Door bediening van de toets „Info“ wordt het testprogramma en zodoende de HR-gasketel voor de TB-test gestart.

Aanwijzing!
De intern aangesloten CV-pomp wordt tijdens de TB-test uitgeschakeld. Daarom moeten tijdens de TB-test de afsluiters van de CV-circuits gesloten blijven.
De HR-gasketel moet bij 110 °C uitschakelen.
- Ontgrendel na het afkoelen van de HR-gasketel (zie hoofdstuk 9.4) de veiligheidstemperatuurbegrenzer.

Aanwijzing!
Na 15 minuten wordt het testprogramma automatisch verlaten. U moet de test binnen dit tijdsbestek uitvoeren.
8.13 Stoffilter controlleren
Controleer een keer per jaar de stoffilter op vervuiling en reinig het filter of vervang dit door een nieuw.
8.14 Functiecontrole
Voer na voltooiing van alle inspectie- en onderhoudswerkzaamheden een functiecontrole uit, zoals beschreven in hoofdstuk 6.6.
9 Verhelpen van storingen
9.1 Statusmeldingen
- Druk op de toets „i“, om de actuele operationele status af te lezen.
- Druk opnieuw op de toets „i“, om de weergavetoestand weer te verlaten.
In de volgende tabel zijn alle parameters bij elkaar gezet.
| Display Statusmeldingen | |
| CV-functie | |
| S.00 Geen warmtevraag | |
| S.02 Pompvoorloop | |
| S.03 Ontsteking | |
| S.04 Branderfunctie | |
| S.06 Ventilatornaloop | |
| S.07 Pompaloop | |
| S.08 Branderwachttijd na CV-functie | |
| Bollerlading/warme start | |
| S.20 Pomvoorloop | |
| S.23 Ontsteking | |
| S.24 Branderfunctie | |
| S.26 Ventilatornaloop na boilerlading | |
| S.27 Pompaloop | |
| S.28 Branderwachttijd na boilerlading (pulsonderdrukking) | |
| Speciale gevallen bij de statusmelding | |
| S.30 Kamerthermostaat 230V/24V blokkeert CV-functie | |
| S.31 | Zomermodus actief of eBUS-regelaar of inbouwtimer blokkeert CV-functie |
| S.32 Wachttijd ventilatortoerental (toerentalafwijking nog te hoog) | |
| S.33 Wachttijd luchtdrukschakelaar (luchtdrukschakelaarcontact heeft nog niet gesloten) | |
| S.34 Vorstbeveiliging actief | |
| S.35 Wachttijd toerentalslope (toerentalafwijking bij up-slope) | |
| S.36 | Ingestelde waarde van de kamerthermostaat < 20 °C betekent dat de kamerthermostaat de CV-functie blokkeert. |
| S.39 Contactthermostaat sluit | |
| S.40 | Weergave noodmodus actief; toestel loopt in beperkte comfortbeveiligingsmodus.Dienovereenkomstige storingscode verschijnt afwisselend met de statusmelding |
| S.41 Systeemdruk aan waterzijde te hoog | |
| S.42 | - Bevestigingssignaal rookgasklep blokkeert branderfunctie (alleen in combinatie met toebehoren)- Condenspomp defect -> vraag wordt geblokkeerd |
| S.49 Sifondrukschakelaar sluit, wachttijd | |
| S.53 | Toestel bevindt zich in de wachttijd van de blokkeringsfunctie op grond van watergebrek (spreiding aanvoerleiding -retourleiding te groot). |
| S.57 Toestel bevindt zich in de wachttijd van de blokkeringsfunctie op grond van watergebrek (temperatuurgradiënt) | |
| S.96 Retourvoelertest loopt, warmtevragen zijn geblokkeerd | |
| S.97 Waterdruksensortest loopt, warmtevragen zijn geblokkeerd | |
| S.98 Aanvoer- en retourvoelertest loopt, warmtevragen zijn geblokkeerd | |
Tabel 9.1 Statusmeldingen
9.2 Diagnosemodus
Voor het aflezen van de operationele toestand en voor de diagnose van storingen kunnen in de diagnosemodus verschillende parameters worden afgelezen.
- Druk tegelijkertijd op de toetsen „i“ en „+“, om de diagnosemodus op te roepen.
- Kies met de toetsen „+“ en „-“ het gewenste diagno-sepunt.
- Druk op de toets „i“, om de betreffende waarde weer te geven.
| Display | Betekenis Instelbereik en fabrieksinstelling bij instelbare parameters | |
| d.0 | CV-deellast, instelbare waarden in KW Fabrieksinstelling: maximaal vermogen | |
| d.1 | Pompnalooptijd voor CV-functie Instelbereik: 2,3...60 min; Fabrieksinstelling: 5 min | |
| d.2 | Maximale branderwachttijd bij 20 °C Instelbereik: 2..60 min; Fabrieksinstelling: 20 min | |
| d.4 | Meetwaarde van de boilertemperatuur [°C] | |
| d.5 | Gewenste waarde van de aanvoertemperatuur/retour [°C] actuele gewenste waarde, vastgesteld uit poti, regelaar,regelingswijze.... | |
| d.7 | Gewenste boilertemperatuur (15°C) links, daarna 40 °C tot d.20 (max. 70 °C) | |
| d.8 | Kamerthermostaat op klem 3-4 Weergavewaarden: 0=geopend=geen CV-functie; 1=gesloten=CV-functie | |
| d.9 | Gewenste aanvoertemperatuur [°C] van de externecontinuregelaar op klem 7-8-9/eBus | Minimum uit ext. eBus gewenste waarde en gewenste waarde KI.7 |
| d.10 | Interne waterpomp | 1 = aan, 0 = uit |
| d.11 | Externe waterpomp 1-100 = aan, 0 = uit | |
| d.12 | Boilerlaadpomp | 1-100 = aan, 0 = uit |
| d.13 | Circulatiepomp: | 1-100 = aan, 0 = uit |
| d.14 | Instelling voor intern aangesloten pomp mettoerentalregeling | Instelbereik: 0=auto, 20..100 % inst. vaste waarde;Fabrieksinstelling: 0 |
| d.15 | Actueel pompvermogen van de pomp mettoerentalregeling in % | |
| d.17 | Regelingswijze | 0 = aanvoerregeling, 1 = retourregeling; Fabrieksinstelling: 0 |
| d.18 | Pommodus (naloop) | 0 = naloop; 1 = doorlopend; Fabrieksinstelling: 0 |
| d.20 | Maximale instelwaarde van de gewenste potiwaarde voorde boiler | Instelbereik: 50 °C-70 °C; Fabrieksinstelling: 65 °C |
| d.22 | Externe boilerlading, klem C1-C2 | 1 = aan, 0 = uit |
| d.23 | Zomer-/winterfunctie: 1=winter, 0=zomer | |
| d.24 | Luchtdrukschakelaar | 0 = contact open, 1 = contact gesloten |
| d.25 | Boilerlading/warme start door warme startklokthermostaat/timer vrijgegeven: 1 = ja, 0 = nee | default: vrijgegeven |
| d.26 | Intern toebehorenrelais op X 6 (roze stekker) | 1 = circulatiepomp (in de fabriek);2 = ext. pomp;3 = boilerlaadpomp4 = rookgasklep/ afzuigkap Let op: invers aan d.27/285 = externe gasklep6 = externe storingsmelding |
| d.27 | Omschakelen toebehorenrelais 1 voor toebehoren 2 uit 7 | 1 = circulatiepomp (in de fabriek);2 = ext.pomp3 = boilerlaadpomp4 = rookgasklep/ afzuigkap5 = externe gasklep6 = externe storingsmelding |
| d.28 | Omschakelen toebehorenrelais 2 voor toebehoren 2 uit 7 | 1 = circulatiepomp2 = ext.pomp (in de fabriek);3 = boilerlaadpomp4 = rookgasklep/ afzuigkap5 = externe gasklep6 = externe storingsmelding |
| d.30 | Besturingssignaal voor gaskleppen | 0=uit; 1=aan |
| d.33 | Gewenste toerentalwaarde van de ventilator [10-1/min] | |
| d.34 Toerentallijstwaarde van de ventilator [10-1/min] | ||
| d.40 Aanvoertemperatuur [°C] | ||
| d.41 Retourtemperatuur [°C] | ||
| d.43 Keteltemperatuur | ||
| d.44 Actuele waarde ionisatiestroom | ||
| d.47 Buifentemperatuur [°C] | ||
| d.50 Offset voor minimaal toerental in rpm/10 | Instelbereik: -40 ... +40 | |
| d.51 Offset voor maximaal toerental in rpm/10 Instelbereik: -40 ... +40 | ||
| d.54 Inschakelhysterese OK - -10K, fabrieksinstelling: -2 | ||
| d.55 Uitschakelhysterese OK - 10K, fabrieksinstelling: 6 | ||
| d.60 Aantal uitschakelingen van de temperatuurbegrenzer | ||
| d.61 Aantal storingen van de branderautomaat = aantal mislukte ontstekingen bij de laatste poging | ||
| d.63 Aantal uitschakelingen van de luchtbewaking | ||
| d.64 Gemiddelde ontstekingstijd in seconden | ||
| d.65 Maximale ontstekingstijd in seconden | ||
| d.67 Resterende branderwachttijd [min] | ||
| d.68 Aantal mislukte ontstekingen bij 1e poging | ||
| d.69 Aantal mislukte ontstekingen bij 2e poging | ||
| d.71 | Maximale gewenste waarde CV-aanvoertemperatuur instelbaar | Instelbereik: 40 °C - 85 °C; Fabrieksinstelling: 75 °C |
| d.72 | Pompnalooptijd na de lading van een door de elektronica geregelde waterboiler (ook warme start en lading via C1/C2) | Instelbereik: 0, 10, 20 ... 600 s |
| Fabrieksinstelling: 300 s | ||
| d.73 | Boilerlaadoffset, temperatuurverhoging tussen gewenste boilertemperatuur en gewenste aanvoertemperatuur bij boilerlading | 0 ... 25 K, fabrieksinstelling: 25 K |
| d.74 | Bescherming tegen de legionellabacterie | 0=uit, 1=voor aansturing door thermostaat vrijgegeven |
| d.75 | Maximale boilerlaadtijd van een boiler zonder eigen regeling | Instelbereik: 20, 21, ...90 min fabrieksinstelling: 45 min |
| d.77 | Boilerdeellast (vermogensbegrenzing boilerlading) in kW | Fabrieksinstelling: maximaal vermogen |
| d.78 | Boilerlaadtemperatuurbegrenzing (gewenste aanvoertemperatuur in boilerfunctie) in °C | Instelbereik: 55 °C tot 85 °C fabrieksinstelling: 80 °C |
| d.80 Aantal CV-gebruiksuren | Aanwijzing:Na een keer indrukken van de toets "i" worden de eerste 3 cijfers, na de tweede keer indrukken van de toets "i" de tweede 3 cijfers van het 6-cijferige getal (branderstarts x 100) weergegeven. | |
| d.81 Aantal gebruiksuren proceswater | ||
| d.82 Aantal schakelingen voor de CV-functie | ||
| d.83 Aantal schakelingen voor de warmwaterfunctie | ||
| d.84 Onderhoudsindicatie: aantal uren tot de volgende onderhoudsbeurt | Instelbereik: 0 - 3000h en "-" fabrieksinstelling: "-" (300 komt overeen met 3000h) | |
| d.87 Gassoortinstelling 0=aardgas, 20/25 mbar | ||
| d.90 Digitale thermostaat herkend =1, niet herkend = 0 (eBus adres <=10) | ||
| d.91 | Status DCF bij aangesloten buitenvoeler met DCF77-ontvanger0: geen ontvangst; 1: ontvangst;2: gesynchroniseerd; 3: geldig | |
| d.93 Instelling toestelvariant DSN Instelbereik 0 ... 99 (0=80 kW, 1 =120 kW...5 =280 kW) | ||
| d.96 Fabrieksinstelling (reset van instelbare parameters naar fabrieksinstelling) | Instelbereik: 0=uit, 1=aan default: 0 | |
| d.97 Activering van het 2e diagnoseniveau Password: 17 | ||
Tabel 9.2 Diagnosewaarden (vervolg volgende pagina)
Tabel 9.2 Diagnosewaarden (vervolg)
9.3 Storingsmeldingen
De fouten die in dit hoofdstuk worden beschreven, moeten worden behandeld door een bevoegde technicus en indien nodig door de dienst na verkoop.
| Fout | Beschriljving Mogelijke oorzaak | |
| Nr. "F.." | ||
| 0 Onderbreking aanvoervoeler | ||
| 1 Onderbreking retourvoeler | ||
| 10 Kortsluiting aanvoervoeler | ||
| 11 Kortsluiting retourvoeler | ||
| 13 Kortsluiting boilervoeler | ||
| 20 Veiligheidstemperatuurbegrenzer heeft aangesproken | ||
| 22 Waterdruk te gering, watergebrek Waterdruk beneden 0,3 bar | ||
| 27 "Vreemd licht" Vlam wordt herkend bij gesloten gasklep, elektronicafout | ||
| 28 Geen vlam bij start Gasvoorziening ontbreekt, ontsteking of vlamdetectie defect | ||
| 29 | Geen vlam tijdens de werking | Storing in gasvoorziening, |
| 30 Onderbreking ketelvoeler | ||
| 31 Kortsluiting ketelvoeler | ||
| 32 Toerentalafwijking te groot, ventilatortoerental buiten tolerantie | Kabelboomfout, ventilatorfout | |
| 33 Luchtdrukschakelaar schakelt niet | ||
| 37 | in noodmodus, verhoging van minimaal toerental | tijdelijke problemen in het luchttraject |
| 34 Luchtdrukschakelaar schakelt niet uit (wanneer ventilator stil staat) | ||
| 42 | Codeerweerstand kortsluiting | Codeerweerstand kortsluiting of storing in de kabelboom |
| 43 Codeer | weerstand onderbroken | Codeerweerstand onderbroken of kabelboom defect |
| 49 eBus spanning kortgesloten | ||
| 60 | Storing gasklepaansturing + | Elektronicadefect |
| 61 Storing | gasklepaansturing - Elektronicadefect | |
| 62 | Storing gasklepuitschakeling | Elektronicadefect of vlam 4 sec. na gasafsluiting nog herkend |
| 63 EEPROM storing | Elektronicadefect | |
| 64 | ADC-fout | Elektronicadefect of kortsluiting in voor veiligheid relevante voeler |
| 65 Elektronicatemperatuur (ASIC) te hoog | Elektronicadefect | |
| 66 | Elektronicafout | Elektronicadefect |
| 70 DSN-fout | ID elektronica en display komen niet overeen | |
| 73 | Waterdruksensorstoring | Druksensor niet aangesloten of kortgesloten |
| 74 | Waterdruksensorstoring | Druksensor defect of kabelonderbreking |
Tabel 9.3 Storingsmeldingen
9.4 Ontgrendeling na uitschakeling door de veiligheidstemperatuurbegrenzer (TB)

Afb. 9.1 Ontgrendeling na uitschakeling door TB
Als de storingscode „F.20“ verschijnt, heeft de veiligheidstemperatuurbegrenzer (TB) de HR-gasketel wegens te hoge temperatuur automatisch uitgeschakeld. Voor ontgrendeling gaat u als volgt te werk:
• Demonteer de frontmantel.
- Ontgrendel de TB door op de stift (1) te drukken. Spoor na het aanspreken van de TB altijd storingen op en verhelp de storing.
9.5 Algemene aanwijzingen
Geen aanduiding op het display
Gaat de HR-gasketel niet in werking en verschijnt op het display op het schakelveld geen aanduiding, controleer dan eerst de volgende punten:
- Elektrische aansluiting 230 V/50 Hz op aansluitstekker.
- Aan/uit-schakelaar ingeschakeld?
- Zekering 4 AT in de ketelregeling controleren.

Gevaar!
De zekering 4 AT ligt aan 230 V. Voor de controle en vervanging moet de HR-gasketel spanningsvrij worden geschakeld.
HR-gasketel reageert niet op thermostaat
- Controleer de verbinding tussen de aansluitingen „Bus“ in thermostaat en HR-gasketel.
- Schakel de thermostaat uit en weer in, zodat deze de busdeelnemers opnieuw inleest.
HR-gasketel reageert niet op 2-punts-regeling
- Controleer bij het systeem ProE of het schakelcontact tussen klem 3 en 4 door de externe thermostaat werd gesloten.

Aanwijzing!
Als tussen klem 3 en 4 een brug wordt geplaatst en de ThermoSystem in werking gaat, moet de externe thermostaat worden gecontroleerd.
HR-gasketel reageert niet op warmwatervraag
- Controleer de instellingen van de thermostaat.
• Controleer de laadpomp. - Controleer de instelling van de instelknop voor de gewenste boilerwaarde bij de ketelregeling
9.6 Meetwaarden van de onderdeelcomponenten
Ionisatiestroom
De ionisatiestroom bedraagt ten minste 1,5 μA.
10 Fabrieksgarantie / Aansprakelijkheid
Wij danken u omdat u voor Bulex gekozen hebt, de Europese toonaangevende fabrikant van ketels.
Bulex garandeert dit toestel tegen alle fabricage- of materiaalfouten tijdens de duur van twee jaar en tien jaar op het verwarmingslichaam vanaf de installatie. Dit toestel werd met de grootste zorg gefabriceerd en gecontroleerd. Het is klaar om te werken (alle nodige regelingen zijn nl. in de fabriek gebeurd). De installatie moet gebeuren door een erkende vakman, conform de bijgevoegde installatiehandleiding, volgens de regels van de kunst en met naleving van de officiële normen en toe-passelijke reglementen.
De garantie dekt de reparatie en/of de vervanging van stukken waarvan Bulex erkent dat ze defect zijn, en de nodige werkuren voor de reparatie. Ze is van toepassing als de gebruiker het toestel gebruikt als een goede huisvader en in de normale voorwaarden die voorzien zijn in de gebruiksaanwijzing. Behoudens een naar behoren schriftelijk vastgelegde bijzondere overeenkomst, is enkel onze naverkoopdienst gemachtigd om service te verlenen onder garantie en dit uitsluitend op het grondgebied van België en het Groot-Hertogdom Luxemburg. Zo niet zullen de prestaties van derden in geen enkel geval door Bulex ten laste worden genomen.
De garantie is beperkt tot de voorziene prestaties. Elke andere vraag, ongeacht van welke aard (voorbeeld: schadeloosstelling voor eender welke kosten of schade veroorzaakt aan de koper of aan derden enz.) is uitdrukkelijk uitgesloten.
De garantie is enkel van toepassing als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
10 Fabrieksgarantie / Aansprakelijkheid
11 Recycling en afvoer
- Deze handleiding en de streepjescode moeten voorgelegd worden samen met het toestel dat door de garantie wordt gedekt; het verlies ervan doet de garantie vervallen.
- De garantiebon moet volledig ingevuld, ondertekend, afgestempeld en gedateerd zijn door de erkende installateur.
- Hij moet binnen de veertien dagen na de installatie naar Bulex teruggestuurd worden. Zo niet begint de garantie pas te lopen vanaf de fabricagedatum van het toestel en niet op de installatiedatum.
- Het fabricagenummer van het toestel mag niet gewijzigd noch op een andere manier veranderd worden,
- Het toestel mag geen enkele wijziging of aanpassing ondergaan hebben, buiten die welke eventueel uitgevoerd worden door personeel dat erkend wordt door Bulex, met de originele onderdelen van Bulex, conform de goedkeuringsnormen van het toestel in België,
- Het toestel mag niet geplaatst worden in een corrosieve omgeving (chemische producten, kapperszaken, stomerijen enz.), noch gevoed worden met agressief water (toevoeging van fosfaten, silicaten, hardheid lager dan 6°F).
Een interventie onder garantie brengt geen enkele ver- lenging van de garantieperiode met zich mee. De garan- tie geldt niet wanneer de slechte werking van het toestel wordt veroorzaakt door:, een niet-conforme installatie, een oorzaak buiten het toestel zoals:
- vervuilde water- of gasslangen, te lage druk, niet aan- gepaste fluïda of wijziging van de aard en/of de karakteristieken van de fluïda (water, gas, elektriciteit),
- kunststof verwarmingsslangen en zonder toevoeging van een roestweerder,
- abnormaal of verkeerdelijk gebruik, manipulatiefout door de gebruiker, tekort aan onderhoud, kalkneerslag, veronachtzaming, stoten, val, tekort aan bescherming tijdens het transport, overbelasting enz.,
- vorst, overmacht enz.,
- interventie door een onbevoegde monteur,
- elektrolyse,
- gebruik van niet-originele onderdelen.
Het bezoek van de naverkoopdienst zal enkel gebeuren op verzoek. Tijdens de eerste twee maanden van de garantieperiode zijn de verplaatsingskosten gratis indien gerechtvaardigd. Tijdens de tweeëntwintig volgende maanden zal een vast bedrag gelijk aan 50% van de verplaatsingskosten voor pechverhelping gefactureerd worden door de naverkoopdienst van Bulex.
Wordt geacht de eventuele factuur te betalen: de persoon die de interventie gevraagd heeft, behoudens schriftelijke, voorafgaande toestemming van een derde aan wie de factuur gericht moet worden.
Bij een geschil zijn enkel het Vredegerecht van het 2e Kanton van Brussel, de Rechtbank van Eerste Aanleg of van Koophandel en desgevallend, het Hof van Beroep van Brussel bevoegd.
Noot voor de EU-landen:
Dit toestel werd ontworpen, erkend en goedgekeurd om te beantwoorden aan de eisen van de Belgische markt. Het kenplaatje aangebracht binnen in het toestel garandeert de oorsprong en het land waarvoor dit product bestemd is. Als u een afwijking op deze regel vaststelt, dan vragen we u contact op te nemen met het dichtstbijzijnde agentschap van Bulex. Wij danken u bij voorbaat voor uw medewerking.
11 Recycling en afvoer
Bij alle producten is het latere recyclen resp. het afvoeren reeds een onderdeel van de productontwikkeling. De fabrieksnormen leggen strenge eisen vast.
Bij de keuze van het materiaal wordt rekening gehouden met de hergebruiksmogelijkheden, de demonteer- en scheidbaarheid van materiaal en bouwgroepen en de milieu- en gezondheidsgevaren bij recycling en bij de afvoer van het onvermijdelijk resterende materiaal, dat niet kan worden hergebruikt.
11.1 Toestel
De HR-gasketel bestaat voor 92 % uit metallisch materiaal dat in staal- en hoogovenbedrijven opnieuw kan worden ingesmolten en daardoor bijna onbeperkt kan worden hergebruikt.
Het voor de isolatie van de boiler en andere componenten gebruikte EPS (piepschuim)® EPP is herbruikbaar en vrij van CFK's.
De gebruikte kunststoffen zijn gekenmerkt en zo voorbereid op de sortering en de scheiding naar materiaalsoort bij het recyclen.
11.2 Verpakking
De transportverpakkingen van de toestellen zijn tot op het meest noodzakelijke gereduceerd. Bij de keuze van de verpakkingsmaterialen wordt consequent op de mogelijkheid van hergebruik gelet.
De hoogwaardige kartonnen verpakkingen zijn allang een begeerde secundaire grondstof van de karton- en papierindustrie.
Het gebruikte EPS en EPP (piepschuim)® is nodig voor de bescherming van de producten tijdens het transport. EPS is herbruikbaar en vrij van CFK's.
Ook de folie en omsnoeringsbanden zijn van kunststof, die kan worden hergebruikt.
Op de markt gebracht door :
BULEX
1425, Bergensesteenweg
1070 Brussel

02/555.13.13

02/555.13.14
Hierbij bevestigen wij dat het hierna gespecifieerd toestel conform is aan het type beschreven in het CE-conformiteitscertificaat en geproduceerd en op de markt gebracht wordt overeenkomstig de eisen gedefinieerd in het K.B. van 8 januari 2004.
Type van het produkt:
Condenserende collectieve vloerketels
Model :
Thermosystem HR TS 80/3, Thermosystem HR TS 120/3, Thermosystem HR TS 160/3, Thermosystem HR TS 200/3, Thermosystem HR TS 240/3, Thermosystem HR TS 280/3
Toegepaste norm :
Handtekening : Gevolmachtigde door de fabrikant

Bulex®

13 Beschrijving verbrandingsluchttoevoer/ rookgasafvoer
13.1 CE-markering
De HR-gasketels ThermoSystem zijn overeenkomstig de EG-richtlijn gastoestellen 90/396/EEG gecertificeerd als CV-ketelsystemen met bijbehorend rookgasafvoersysteem. Deze montagehandleiding is bestanddeel van de certificering en wordt geciteerd in het typekeuringscertificaat. Wanneer de uitvoeringsbepalingen van deze montagehandleiding worden nageleefd, wordt de bruikbaarheid van de door Bulex artikelnummers aangegeven producten voor verbrandingsluchttoevoer/rookgasafvoer aangetoond.
13.2 Gebruik volgens de voorschriften
De verbrandingsluchttoevoer-/rookgasafvoersystemen voor ThermoSystem zijn gebouwd volgens de huidige stand van de techniek en de erkende veiligheidsvoorschriften. Toch kunnen er bij ondeskundig of oneigenlijk gebruik (levens)gevaarlijke situaties voor de gebruiker of derden resp. beschadigingen aan het toestel en andere voorwerpen ontstaan. De in deze handleiding genoemde verbrandingsluchttoevoer-/rookgasafvoersystemen voor ThermoSystem mogen alleen in combinatie met deze ketel worden gebruikt.
Een ander of daarvan afwijkend gebruik geldt als niet volgens de voorschriften en voor hieruit resulterende schade kan de fabrikant/leverancier beslist niet aansprakelijk worden gesteld. Het risico dragen in een dergelijk geval uitsluitend de uitvoerende installateur en de gebruiker. Tot het gebruik volgens de voorschriften behoort ook het in acht nemen van de aanvullend geldende documenten.
14 Aanvullende veiligheidsaanwijzingen en voorschriften voor verbrandingslucht-/rookgastoebehoren
14.1 Veiligheidsaanwijzingen
Vóór de montage van de verbrandingsluchttoevoer/rookgasafvoer moet u het plaatselijke energiebedrijf informeren.

Gevaar!
Vergiftigingsgevaar door ontsnappend rookgas bij verkeerde montage!
De verbrandingsluchttoevoer-/rookgasafvoersystemen mogen alleen geïnstalleerd worden door een erkend installateur. Deze is ook verantwoordelijk voor de correcte installatie. Neem verder goed nota van de voorschriften, regels en richtlijnen die zijn vermeld in de installatiehandleiding van het toestel.
Gevaar!
Levensgevaar door vergiftiging door naar buiten stromende rookgassen!
Alle openingen van de verbrandingsluchttoevoer/rookgasafvoer die voor inspectiedoeleinden geopend kunnen worden, moeten vóór inbedrijfstelling en tijdens de werking gesloten zijn. De openingen mogen alleen door de installateur worden geopend.
Gevaar!
Verstikkingsgevaar!
De plaatsingsruimte moet afhankelijk van het ketelvermogen een naar buiten lopende ventilatie-opening van 220 cm2 tot 640 cm2 hebben, omdat de rookgasleiding in de ruimte niet voorzien is van een ventilatiemogelijkheid.
Bij een ketelvermogen boven 50 kW moet bo- venop de anders noodzakelijke 200 cm 2 de doorsnede met 2 cm 2 per kW worden vergroot.
80 kW -> 220 cm²
120 kW -> 300 cm 4
160 kW -> 390 cm 2
200 kW -> 470 cm²
240 kW -> 560 cm²
280 kW -> 640 cm²

Attentie!
Corrosiegevaar in het rookgasafvoersysteem! De verbrandingslucht die het toestel krijgt aan- gevoerd, moet vrij zijn van chemische stoffen die bijv. fluor, chloor of zwavel bevatten. Sprays, oplos- of reinigingsmiddelen, verf en lijm kunnen dergelijke stoffen bevatten die bij gebruik van het toestel in het ongunstigste geval kunnen leiden tot corrosie in het rookgasafvoersysteem. Voor de installatie van de rookgasafvoer mag u alleen de betreffende delen van Bulex gebruiken.
Attentie!
Beschadiging van elektronica en brandgevaar door blikseminslag!
Als het gebouw is voorzien van een bliksembeveiligingsinstallatie, moet de verbrandingslucht-/rookgasbuis in de bliksembeveiliging worden opgenomen. De verticale rookgasleiding moet worden opgenomen in de potentiaalvereffening, wanneer deze materialen van metaal bevat.
Attentie!
Functiestoringen van het toestel door belemmering van de verbrandingslucht-/rookgasstroming!
Let er tijdens de montage op, dat geen spanen, mortelresten enz. in de verbrandingsluchttoevoer/rookgasafvoer blijven zitten.
Attentie!
Functiestoringen en uitstromend condenswater door lekkages in het rookgastraject!
De afdichtingen zijn gevoelig voor vetten op basis van minerale olie. Deze mogen daarom niet worden ingevet. Gebruik indien nodig uit-sluitend water om de montage te vergemakkelijken.
Attentie!
Brandgevaar!
De rookgasleiding moet buiten de schacht een minimumafstand van 5 cm tot brandbare onderdelen hebben.
14.2 Voorschriften voor de installatie
Neem voor uitvoering van het rookgasafvoersysteem goed nota van de plaatselijke wetten en richtlijnen.
Verder moet goed nota worden genomen van de voorschriften, regels en richtlijnen die zijn vermeld in de installatiehandleiding van het betreffende toestel.
- Tussen de concentrische verbrandingsluchttoevoer/ rookgasafvoer resp. de bijbehorende verlengbuis en onderdelen van brandbare materialen hoeft geen afstand gehouden te worden, aangezien bij nominaal verwarmingsvermogen van het toestel de temperaturen bij de oppervlakken van aangrenzende onderdelen niet hoger kunnen worden dan 85°C.
- Als het gebouw is voorzien van een bliksembeveiligingsinstallatie, moet de verbrandingslucht-/rookgas-buis door de bouwer van de bliksembeveiligingsinstallatie in de bliksembeveiliging worden opgenomen.
- Bij een montage van de verbrandingsluchttoevoer/ rookgasafvoer door de dakhuid moet er rekening mee worden gehouden, dat de in het rookgas aanwezige waterdamp onder ongunstige weersomstandigheden kan neerslaan als ijs op het dak of op de dakkapellen. Er moet op de montageplaats voor worden gezorgd, dat dit gevormde ijs niet van het dak kan glijden. Monteer hiervoor evt. veiligheidsvoorzieningen.
- Tijdens de montage mogen geen spanen, mortelresten enz. in de verbrandingsluchttoevoer/rookgasafvoer achterblijven.
- Let er bij de installatie van het rookgasafvoersysteem op dat u uitsluitend rookgasbuizen van hetzelfde materiaal gebruikt.
15 Gekeurde en toegelaten verbrandingslucht-/rookgasleidingen - onafhankelijk van de omgevingslucht
In dit hoofdstuk worden de voorwaarden beschreven waaronder u de ThermoSystem ketels mag aansluiten op verbrandingsluchttoevoer-/rookgasafvoerleidingen.
15.1 Beschrijving
- Met de HR-gasketel gekeurde en toegelaten verbrandingslucht-/rookgasleidingen
- Van de omgevingslucht onafhankelijke werking
15.2 Gekeurde en toegelaten verbrandingsluchttoevoer-/rookgasafvoersystemen
| Model | Afmetingen | Referentle |
| Aanpassingsstuk 150 mm - 130 mm | ![]() | 0020084578 |
| Concentrische horizontale geveldoorvoer | ![]() | 7041063 |
| Concentrische verticale geveldoorvoer (dakdoorvoer) | ![]() | 7041064 |
| Kit doorgang plat dak | ![]() | 7041065 |
| Kit doorgang schuin dak met loden slab | ![]() | 7041066 |
Tabel 15.1 Toebehoren voor verbrandingsluchttoevoeren/rookgasafvoeren
15 Gekeurde en toegelaten verbrandingslucht-/rookgasleidingen - onafhankelijk van de omgevingslucht
Hierna worden vier mogelijkheden van de verbrandingsluchttoevoer/rookgasafvoer beschreven:
- verbrandingslucht-/rookgasleiding voor van de omgevingslucht onafhankelijke werking, verbrandingslucht uit de schacht
- verbrandingslucht-/rookgasleiding voor van de omgevingslucht onafhankelijke werking, verbrandingslucht door de buitenmuur
- verbrandingslucht-/rookgasleiding voor van de omgevingslucht onafhankelijke werking, verbrandingslucht en rookgasafvoer via dak
- verbrandingslucht-/rookgasleiding voor van de omgevingslucht onafhankelijke werking, verbrandingslucht door de buitenmuur, rookgasleiding op de gevel

Attentie!
Neem goed nota van de maximale buislengtes die in de betreffende hoofdstukken worden genoemd. Te grote buislengtes leiden tot storingen van de HR-ketel.
Attentie!
Let erop of het nodig is dat de rookgasleiding een verhoogde weerstand tegen warmtedoorgang moet hebben voor het leggen in de koude ruimte. Anders kan er bij lage temperaturen ijsvorming in de rookgasleiding optreden.
Attentie!
De luchttoevoer moet zodanig zijn uitgevoerd dat geen regenwater in de ketel kan komen. Binnenkomend regenwater kan leiden tot kortsluiting van elektrische onderdelen en tot corrosie in het toestel.
Attentie!
Brandgevaar!
De rookgasleiding moet buiten de schacht een minimumafstand van 5 cm tot brandbare onderdelen hebben. Dit geldt niet voor rookgasleidingen die conform hun classificatie een geringere afstand toelaten.
Attentie!
De afstand tussen de monding van de rookgas-leiding en het dakoppervlak moet ten minste 1 m bedragen, zodat er geen storingen van de verbranding optreden door winddruk.
15.3 Verbrandingslucht-/rookgasleiding - onafhankelijk van de omgevingslucht, verbrandingslucht uit de schacht

Afb. 15.1 Verbrandingslucht-/rookgasleiding - onafhankelijk van de omgevingslucht, verbrandingslucht uit de schacht
Gekeurde en toegelaten verbrandingslucht-/rookgasleidingen - onafhankelijk van de omgevingslucht 15
| Toesteltype | Minimum schachtdoorsnede | Maximale totale buislengte ( L1 + L2 + L3 ) | |||
| DN 130 DN 140 | DN 150 DN 200 | ||||
| ThermoSystem HR TS 80/3 | rond: DN+60 mmhoekig: DN+40 mm | 27,2 34,7 43,6 | |||
| rond: DN+80 mmhoekig: DN+60 mm | 30,0 30,0 50,0 | ||||
| ThermoSystem HR TS 120/3 | rond: DN+60 mmhoekig: DN+40 mm | 10,0 12,4 15,0 | |||
| rond: DN+80 mmhoekig: DN+60 mm | 24,0 30,0 44,6 | ||||
| rond: DN+100 mmhoekig: DN+80 mm | 30,0 30,0 50,0 | ||||
| ThermoSystem HR TS 160/3 | rond: DN+60 mmhoekig: DN+40 mm | 8,0 9,8 11,8 | |||
| rond: DN+80 mmhoekig: DN+60 mm | 18,2 24,3 31,3 | ||||
| rond: DN+100 mmhoekig: DN+80 mm | 28,4 30,0 50,0 | ||||
| ThermoSystem HR TS 200/3 | rond: DN+60 mmhoekig: DN+40 mm | 14,1 | |||
| rond: DN+80 mmhoekig: DN+60 mm | 44,9 | ||||
| rond: DN+100 mmhoekig: DN+80 mm | 50,0 | ||||
| ThermoSystem HR TS 240/3 | rond: DN+60 mmhoekig: DN+40 mm | 9,3 | |||
| rond: DN+80 mmhoekig: DN+60 mm | 28,1 | ||||
| rond: DN+100 mmhoekig: DN+80 mm | 50,0 | ||||
| ThermoSystem HR TS 280/3 | rond: DN+60 mmhoekig: DN+40 mm | 6,5 | |||
| rond: DN+80 mmhoekig: DN+60 mm | 19,3 | ||||
| rond: DN+100 mmhoekig: DN+80 mm | 43,4 | ||||
| rond: DN+120 mmhoekig: DN+100 mm | 50,0 | ||||
| Max. lengte van de horizontale leidingen: telkens 4 m verbrandingsluchtleiding en 2 x 87°-bochtstukken en 4 m rookgasleiding en 2 x 87°-bochtstukkenMinimum diameter van de verbrandingsluchtleiding 150 mm | |||||
Tabel 15.2 Maximale totale buislengtes (verbrandingslucht uit de schacht)
15 Gekeurde en toegelaten verbrandingslucht-/rookgasleidingen - onafhankelijk van de omgevingslucht
15.4 Verbrandingslucht-/rookgasleiding - onafhankelijk van de omgevingslucht, verbrandingslucht door de buitenmuur

Afb. 15.2 Verbrandingslucht-/rookgasleiding - onafhankelijk van de omgevingslucht, verbrandingslucht door de buitenmuur
| Toesteltype | Minimum schachtdoorsnede | Maximale totale buislengte (L1+ L2+ L3+ L4) | |||
| DN 130 DN 140 DN 150 DN 200 | |||||
| ThermoSystem HR TS 80/3 | rond: DN+60 mm hoekig: DN+40 mm | 30,0 30,0 50,0 | |||
| ThermoSystem HR TS 120/3 | rond: DN+60 mm hoekig: DN+40 mm | 30,0 30,0 50,0 | |||
| ThermoSystem HR TS 160/3 | rond: DN+60 mm hoekig: DN+40 mm | 30,0 30,0 50,0 | |||
| ThermoSystem HR TS 200/3 | rond: DN+60 mm hoekig: DN+40 mm | 50,0 | |||
| ThermoSystem HR TS 240/3 | rond: DN+60 mm hoekig: DN+40 mm | 50,0 | |||
| ThermoSystem HR TS 280/3 | rond: DN+60 mm hoekig: DN+40 mm | 50,0 | |||
| Max. lengte van de horizontale leidingen: telkens 4 m verbrandingsluchtleiding en 2 x 87°-bochtstukken en 4 m rookgasleiding en 2 x 87°-bochtstukken Minimum diameter van de verbrandingsluchtleiding 150 mm | |||||
Tabel 15.3 Maxlmale totale buislongtes (verbrandingslucht door de buitenmuur)
15.5 Verbrandingslucht-/rookgasleiding - onafhankelijk van de omgevingslucht, verbrandingslucht en rookgasafvoer via dak

Afb. 15.3 Verbrandingslucht-/rookgasleiding - onafhankelijk van de omgevingslucht, verbrandingslucht en rookgasafvoer via dak
De afstand tussen de opening van de verbrandingslucht-buis en het dakoppervlak moet ten minste 0,5 m bedra-gen, zodat er geen storingen door sneeuw kunnen optre-den.
De monding van de rookgasleiding moet ten minste 0,5 m boven de verbrandingsluchtleiding liggen, zodat er geen storingen door rookgasrecirculatie kunnen optreden.
| Toesteltype Maximale totale buislengte (L 1 + L2 + L3 + L4 + L5 ) | ||||
| DN 130 DN 140 | DN 150 DN 200 | |||
| ThermoSystem HR TS 80/3 30,0 30,0 | 50,0 | |||
| ThermoSystem HR TS 120/3 30,0 30,0 | 50,0 | |||
| ThermoSystem HR TS 160/3 30,0 30,0 | 50,0 | |||
| ThermoSystem HR TS 200/3 50,0 | ||||
| ThermoSystem HR TS 240/3 50,0 | ||||
| ThermoSystem HR TS 280/3 50,0 | ||||
| Max. lengte van de horizontale leidingen: telkens 4 m verbrandingsluchtleiding en 2 x 87°-bochtstukken en 4 m rookgasleiding en 2 x 87°-bochtstukkenDe verbrandingsluchtleiding heeft ten minste dezelfde diameter als de rookgasleiding.Minimale weerstand tegen warmtedoorgang van de rookgasleiding in de koude ruimte 0,4 m2K/W | ||||
Tabel 15.4 Maximale totale buislengtes (verbrandingslucht en rookgasafvoer via dak)
15 Gekeurde en toegelaten verbrandingslucht-/rookgasleidingen - onafhankelijk van de omgevingslucht
15.6 Verbrandingslucht-/rookgasleiding - onafhankelijk van de omgevingslucht, verbrandingslucht door de buitenmuur, rookgasleiding op de gevel

Afb. 15.4 Verbrandingslucht-/rookgasleiding - onafhankelijk van de omgevingslucht, verbrandingslucht door de buitenmuur, rookgasleiding op de gevel
| Toesteltype Maximale totale | bulslengte (L 1 + L2 + L3 + L4 ) | |||
| DN 130 DN 140 | DN 150 DN 200 | |||
| ThermoSystem HR TS 80/3 30,0 | 30,0 | 50,0 | ||
| ThermoSystem HR TS 120/3 30,0 | 30,0 | 50,0 | ||
| ThermoSystem HR TS 160/3 | 30,0 | 30,0 | 50,0 | |
| ThermoSystem HR TS 200/3 | 50,0 | |||
| ThermoSystem HR TS 240/3 | 50,0 | |||
| ThermoSystem HR TS 280/3 | 50,0 | |||
| Max. lengte van de horizontale leidingen: telkens 4 m verbrandingsluchtleiding en 2 x 87°-bochtstukken en 4 m rookgasleiding en 2 x 87°-bochtstukkenMinimum diameter van de verbrandingsluchtleiding 150 mmMinimale weerstand tegen warmtedoorgang van de rookgasleiding in de koude ruimte 0,4 m2K/W | ||||
Tabel 15.5 Maximale totale buislengtes (verbrandingslucht door de bultenmuur, rookgasleiding op de gevel)
16 Afvoer
Zorg ervoor dat de verbrandingsluchttoevoer/rookgasafvoer op correcte wijze worden afgevoerd.

Aanwijzing
Neem de geldende nationale wettelijke voorschriften in acht

Bulex




