Spider (2009) - Automobiel ALFA ROMEO - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis Spider (2009) ALFA ROMEO in PDF-formaat.
| Type product | Automobiel |
| Merk | Alfa Romeo |
| Model | Spider (2009) |
| Categorie | Personenauto |
| Brandstoftankinhoud | 70 liter (inclusief 10 liter reserve) |
| Motortypen | 1750 TURBO BENZINE, 3.2 JTS, 2.0 JTDM, 2.4 JTDM |
| Leeggewicht (1750 TURBO BENZINE) | 1490 kg |
| Maximaal toelaatbaar gewicht (1750 TURBO BENZINE) | 1840 kg |
| Bandenspanning (225/50 R17, normaal) | Voor: 2,5 bar; Achter: 2,5 bar |
| Motorolie (1750 TURBO BENZINE) | SELENIA StAR P.E., SAE 5W-40, kwalificatie FIAT 9.55535-S2 |
| Koelvloeistofcapaciteit (1750 TURBO BENZINE) | 6,6 liter (mengsel 50% water, 50% Paraflu UP) |
| Prestaties (1750 TURBO BENZINE) | Maximumsnelheid: 235 km/h; 0-100 km/h: 7,8 s; CO₂-emissie: 192 g/km |
| Veiligheidssystemen | Alfa Romeo CODE, diefstalalarm, airbags (front, side, knee), VDC, ASR, MSR |
| Onderhoudsinterval | Geprogrammeerd onderhoud elke 35.000 km |
| Milieubescherming | DPF (roetfilter), emissiecontrolesysteem, milieuvriendelijke materialen |
| Elektronische sleutel | Met afstandsbediening (vergrendelen, ontgrendelen, bagageruimte), metalen noodbaard |
| Klimaatregeling | Handmatig of automatisch met gescheiden temperatuurregeling, AQS (optioneel) |
| Extra functies | Cruise control, parkeersensoren, regensensor, automatische koplampen |
| Afmetingen | Zie handleiding voor exacte waarden (variëren per bandenmaat) |
Veelgestelde vragen - Spider (2009) ALFA ROMEO
Gebruikersvragen over Spider (2009) ALFA ROMEO
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Automobiel in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding Spider (2009) - ALFA ROMEO en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. Spider (2009) van het merk ALFA ROMEO.
GEBRUIKSAANWIJZING Spider (2009) ALFA ROMEO
Wij bedanken u dat u voor een Alfa Romeo hebt gekozen.
Uw Alfa Spider is ontworpen voor een veilige, comfortabele en rustige rit, zoals u van Alfa Romeo verwacht.
Dit instructieboekje helpt u om de specificaties en werking van uw auto snel en grondig te leren kennen.
De volgende pagina's bevatten de volledige aanwijzingen, zodat u de maximale prestaties uit uw Alfa Spider kunt halen en alle benodigde instructies voor het constant houden van de prestaties, de kwaliteit, de veiligheid en de zorg voor het milieu.
In de Service- en garantiehandleiding vindt u het garantiecertificaat en een gids over de door Alfa Romeo aangeboden diensten.
Belangrijke en waardevolle diensten. Als u een Alfa Romeo aanschaft, schaft u niet alleen een auto aan, maar ook de rust van een complete ondersteuning en een efficiënte, snelle en zorgvuldige organisatie.
Veel leesplezier. En een goede reis.
Hoewel in dit instructieboekje alle uitvoeringen van de Alfa Spider worden beschreven, moet u zich aan de informatie houden met betrekking tot de uitrusting, de motoruitvoering en het model van de auto die u hebt gekocht.
ABSOLUUT LEZEN!
TANKEN

Benzinemotoren: tank uitsluitend loodvrije benzine met een minimum octaangetal van 95 RON.
Dieselmotoren: tank uitsluitend diesel voor motorvoertuigen conform de Europese specificatie EN590. Het gebruik van andere producten of mengsels kan de motor onherstelbaar beschadigen en het vervallen van de garantie tot gevolg hebben.
MOTOR STARTEN

Benzinemotoren: trek de handrem aan, trap het koppelingspedaal geheel in zonder het gaspedaal in te trappen, plaats de versnellingshendel in vrij, steek de elektronische sleutel geheel in het startsysteem tot aan de aanslag, druk kort op de knop START/STOP.
Diesel-motor: trek de handrem aan, trap het koppelingspedaal geheel in zonder het gaspedaal in te trappen, plaats de versnellingshendel in vrij, steek de elektronische sleutel geheel in het startsysteem tot aan de aanslag. Op het instrumentenpaneel gaat het lampje 00 branden; wacht totdat het lampje 00 uitgaat - dit gaat sneller als de motor warm is. Druk meteen nadat het lampje 00 uitgaat kort op de START/STOP-knop.
PARKEREN OP BRANDBARE MATERIALEN

Onder normale bedrijfsomstandigheden bereikt de katalysator hoge temperaturen. Parkeer de auto dus niet op gras of boven droge bladeren, dennennaalden of ander ontvlambaar materiaal: brandgevaar.
BESCHERMING VAN HET MILIEU

De auto is uitgerust met een diagnosesysteem, dat continu controles uitvoert op de componenten die van invloed zijn op de uitlaatgasemissie; hierdoor wordt overmatige vervuiling van het milieu voorkomen.
Indien u na aanschaf van uw auto accessoires wilt installeren die stroom verbruiken (met het risico van geleidelijke ontlading van de accu), moet u zich wenden tot het Alfa Romeo Servicenetwerk; dit kan het totale opgenomen vermogen meten en controleren of de elektrische installatie van de auto geschikt is voor de extra belasting.
CODE-CARD (voor uitvoeringen/markten, waar voorzien)

Bewaar deze op een veilige plaats, maar niet in de auto.
GEPROGRAMMEERD ONDERHOUD

Goed onderhoud van de auto is de beste manier om de prestaties en de veiligheid van de auto gedurende langere tijd te garanderen. Ook wordt hierdoor het milieu ontzien en blijven de exploitatiekosten laag.
IN HET INSTRUCTIEBOEKJE....

...vindt u informatie, tips en belangrijke waarschuwingen voor het juiste gebruik, veilig rijden en het onderhoud van uw auto. Let bijzonder goed op de symbolen (veiligheid van inzittenden) (bescherming van het milieu) (conditie van de auto).
Service- en garantiehandleiding
Bij elke nieuwe auto wordt aan de cliënt de Service- en garantiehandleiding overhandigd, waarin de normen zijn opgenomen voor de prestaties van de Garantie-afdeling van Alfa Romeo en de wijze waarop de garantie kan worden verkregen.
De juiste uitvoering van het geprogrammeerd onderhoud, zoals voorgeschreven door de fabrikant, is de beste manier om gedurende de levensduur de prestaties, de veiligheid en de lage bedrijfskosten van de auto ongewijzigd te laten en bovendien is het uitvoeren van het geprogrammeerd onderhoud nodig voor het behouden van de garantie.
„Service"-boekje
Hierin worden de diensten van Alfa Romeo beschreven. De diensten zijn herkenbaar door de symbolen en merktekens van de fabrikant.
De organisatie van Alfa Romeo in Italië kan in het telefoonboek ook onder de „A“ van Alfa Romeo worden gevonden.
Niet alle in dit boekje beschreven modellen worden in alle landen verkocht. Slechts enkele in dit boekje beschreven delen van de uitrusting zijn standaard in de auto gemonteerd. U kunt de lijst met beschikbare accessoires bij het Service Netwerk raadplegen.
De symbolen op deze pagina staan bij de onderdelen in dit boekje waar we extra aandacht voor vragen.

Let op. Het niet of niet geheel opvolgen van deze instructies kan gevaar opleveren voor personen in de auto.

BESCHERMING VAN HET MILIEU
Aanwijzing voor het juiste gedrag, zodat het gebruik van de auto zo min mogelijk schade aan het milieu toebrengt.

CONDITIE VAN DE AUTO
Let op. Door het niet of onvolledig in acht nemen van deze voorschriften kunnen er ernstige beschadigingen aan het voertuig ontstaan en is het mogelijk dat de garantie vervalt.
De teksten, afbeeldingen en technische gegevens in dit boekje zijn gebaseerd op de
stand van zaken bij het ter perse gaan.
In het voortdurende streven de kwaliteit van haar producten te verbeteren, behoudt Alfa Romeo zich het recht voor te allen tijde, zonder voorafgaande kennisgeving, wijzigingen in de technische specificatie en de uitrusting door te voeren.
Wendt u zich voor meer informatie tot het Servicenetwerk.
DASHBOARD EN BEDIENING
DASHBOARD 7
INSTRUMENTENPANEEL 8
SYMBOLEN 9
ALFA ROMEO CODE 9
ELEKTRONISCHE SLEUTEL 11
DIEFSTALALARM 17
START-/CONTACTSLOT 19
INSTRUMENTEN 22
INSTELBAAR MULTIFUNCTIONEEL DISPLAY 26
ZITPLAATSEN 41
HOOFDSTEUNEN 44
STUURWIEL 44
SPIEGELS 45
KLIMAATREGELING 48
HANDBEDIENDE KLIMAATREGELING 50
AUTOMATISCHE KLIMAATREGELING MET
A0G0056m
Afb. 1
1. Verstelbare en richtbare uitstroomopeningen aan zijkant - 2. Uitstroomopeningen voor ontwasemen/ontdooien zijruiten voor - 3. Bedieningshendel buitenverlichting - 4. Instrumentenpaneel - 5. Airbag bestuurderszijde en claxon - 6. Bedieningshendel ruitenwissers - 7. Verstelbare uitstroomopening in het midden - 8. Middelste verstelbare en regelbare uitstroomopeningen 9. Brandstofmeter/motortemperatuurmeter/motorolietemperatuurmeter (benzine-uitvoering) of turbodrukmeter (dieseluitvoeringen) - 10. Airbag passagierszijde - 11. Knie-airbag passagierszijde (voor uitvoeringen/markten, waar voorzien) - 12. Dashboardkastje - 13. Autoradio - 14. Bedieningsorganen klimaatregeling - 15. START/STOP-knop voor starten van motor - 16. Startsysteem - 17. Knie-airbag bestuurderszijde - 18. Bedieningsorganen op stuur voor autoradio (voor uitvoeringen/markten, waar voorzien) - 19. Bedieningshendel Cruise Control (voor uitvoeringen/markten, waar voorzien) - 20. Hendel motorkapontgrendeling - 21. Klep voor zekeringen- en relaiskast onder dashboard - 22. Schakelaargroep buitenverlichting, op nul zetten dagteller en koplampverstelling.
INSTRUMEN-TENPANEEL
A. Snelheidsmeter
B. Waarschuwings-/controlelampjes
C. Toerenteller
D. Instelbaar multifunctioneel display
Lampjes alleen aanwezig bij dieseluitvoeringen
Bij de dieseluitvoeringen is het bereik van de toerenteller 6000 toeren.
A. Snelheidsmeter
B. Waarschuwings-/controlelampjes
C. Toerenteller
D. Instelbaar multifunctioneel display

Afb. 2
A0G0198m

Afb. 2/a — uitvoeringen 1750 TURBO BENZINE
A0G0331m
SYMBOLLEN
Op of in de nabijheid van enkele onderdelen van uw voertuig zijn gekleurde stickers aangebracht met daarop symbolen die uw aan-dacht vragen en die voorzorgsmaatregelen aan-geven die in acht moet worden genomen als u met dit onderdeel te maken krijgt.
Bovendien is een plaatje met het overzicht van de symbolen Afb. 3 onder de motorkap aangebracht.

Voor een nog betere bescherming tegen diefstal is de auto uitgerust met een elektronische startblokkering. Deze wordt automatisch ingeschakeld door de elektronische sleutel uit het startsysteem te verwijderen.
In elke elektronische sleutel bevindt zich een elektronisch systeem; dit heeft tot taak om tijdens het starten het, door een in het startsysteem geïntegreerde antenne verzonden, signaal te moduleren. Het signaal wordt bij het starten omgezet in een gecodeerd signaal en vervolgens aan de regeleenheid gezonden, die, als de code wordt herkend, het starten van de motor mogelijk maakt.
WERKING
Telkens als de elektronische contactsleutel in het startsysteem wordt geplaatst en bij elke startpoging stuurt het Alfa Romeo CODE-systeem een code naar de regeleenheid van de motor die, als de code wordt herkend, de blokkering van de functies opheft.
De herkenningscode wordt alleen door de regeleenheid van de Alfa Romeo CODE verzonden als de door de elektronische sleutel verzonden code is herkend.
Als de elektronische sleutel in het startsysteem is geplaatst of als de motor wordt gestart en de code wordt niet herkend, worden er op het display een bericht + symbool weergegeven (zie het hoofdstuk „Lampjes en berichten”).
Verwijder in dat geval de elektronische sleutel uit het startsysteem en plaats vervolgens de sleutel opnieuw; als de blokkering nog niet wordt opgeheven, probeer dan de andere sleutels. Als de motor dan nog niet start, wendt u dan tot het Alfa Romeo Servicenetwerk.
Weergave bericht + symbool tijdens het rijden
Als het bericht + symbool op het display worden weergegeven, betekent dit dat het systeem een zelfcontrole uitvoert (bijvoorbeeld bij een verlaging van de spanning).
Als het bericht + symbool op het display blijven weergegeven, moet u zich tot het Alfa Romeo Servicenetwerk wenden.
WAARSCHUWING Elke elektronische sleutel heeft een eigen code, die in de regeleenheid van het systeem moet worden opgeslagen. Voor het opslaan van nieuwe sleutels (maximaal acht) moet u zich tot het Alfa Romeo Servicenetwerk wenden. Neem dan alle in uw bezit zijnde sleutels, de CODE-card, een identiteitsbewijs en de autopapieren mee. Als tijdens het opslaan van een nieuwe sleutelcode de reeds opgeslagen sleutelcodes niet opnieuw worden ingevoerd, worden ze uit het geheugen gewist; eventueel verloren of gestolen sleutels kunnen dan niet meer gebruikt worden voor het starten van de motor.

Door harde stoten kan de elektronische sleutel beschadigen.

Als na ca. 2 seconden dat de elektronische sleutel in het startsysteem is geplaatst,
het bericht + symbool op het display blijven weergegeven, betekent dat de code van de sleutels niet is opgeslagen en de auto dus niet wordt beschermd door het Alfa Romeo CODEsysteem bij eventuele diefstalpogingen. Wendt u zich in dat geval tot het Alfa Romeo Servicenetwerk voor het opslaan van de sleutelcodes.
ELEKTRONISCHE SLEUTEL
CODE CARD
(voor uitvoeringen/markten, waar voorzien)
Tegelijk met de sleutels wordt de CODE CARD Afb. 4 overhandigd; hierop staan de mechanische A en elektronische B code.
De codes moeten op een veilige plaats worden bewaard, maar niet in de auto.

Als de auto wordt verkocht, moeten alle elektronische sleutels en de CODE-card aan
de nieuwe eigenaar worden over- handigd.

Afb. 4
ELEKTRONISCHE SLEUTEL Afb. 5
Bij de auto worden twee elektronische sleutels met afstandsbediening geleverd.
Met de elektronische sleutel wordt het start- systeem van de auto bediend.
Met de knop 🔒 worden de portieren, de bagageruimte en het tankluikje centraal vergrendeld en wordt het alarm ingeschakeld (voor uitvoeringen/markten, waar voorzien).
Na het vergrendelen van de sloten worden de buitenspiegels ingeklapt (voor uitvoeringen/markten, waar voorzien); de spiegels klappen automatisch terug wanneer de sleutel weer in het contactslot wordt gestoken. Deze functie kan worden uitgeschakeld (zie de paragraaf „Spiegels”).

Met de knop 🔒 worden de portieren en het tankluikje centraal geopend en wordt het alarm uitgeschakeld (voor uitvoeringen/markten, waar voorzien).
Met de knop wordt de bagageruimte ontgrendeld.
Als de portieren worden ontgrendeld door het indrukken van de knop 🔒, en binnen 2,5 minuut geen portier of de bagageruimte wordt geopend, vergrendelt het systeem alle portieren en de bagageruimte automatisch opnieuw.
Bij het ontgrendelen van de portieren gaat de ruit aan de bestuurderszijde iets omlaag om de opening van het portier te vereenvoudigen. Als dit portier niet wordt geopend, gaat de ruit na ca. 3 minuten automatisch weer dicht. Mocht het portier echter geopend worden, dan gaat de ruit weer omhoog bij het sluiten van het portier.

In de elektronische sleutel Afb. 6 bevindt zich bovendien een metalen baard A; deze kan worden uitgeklapt door op knop B te drukken.
Met de metalen baard kunnen worden bediend:
☐ het centraal ver-/ontgrendelen van de portieren via het bestuurdersportierslot (als de accu leeg is, wordt alleen het bestuurdersportier ontgrendeld);
□ de ruiten openen/sluiten;
de schakelaar (voor uitvoeringen/markten, waar voorzien) voor het uitschakelen van de airbag voor en voor de knieën (voor uitvoeringen/markten, waar voorzien) aan de passagierszijde;
☐ het safe lock-systeem (voor uitvoeringen/markten, waar voorzien);
□ de noodontgrendeling van de elektronische sleutel van het startsysteem.
WAARSCHUWING Laat de elektronische sleutel niet vallen: dit kan beschadigingen veroorzaken.
WAARSCHUWING De frequentie van de afstandsbediening kan gestoord worden door radiogolven van niet aan de auto gebonden apparatuur (bijv. mobiele telefoons, 27 MC-apparatuur enz.). In dat geval kan de afstandsbediening onjuist werken.

OPGELET
Laat de elektronische sleutel nooit onbeheerd achter.
Hiermee voorkomt u dat iemand (dit geldt in het bijzonder voor kinderen) per ongeluk op de knop B-Afb. 6 drukt.

Als op een van de knoppen ⚡, ⚡ of ⚡ wordt gedrukt en het commando wordt geweigerd of niet uitgevoerd, kan het nodig zijn de batterij door een nieuwe gelijkwaardige, in de normale handel verkrijgbare, batterij te vervangen.
Druk, om er zeker van te zijn dat de batterij moet worden vervangen, op de knoppen 🔒, 🔒 of van een andere elektronische sleutel.
Als de bagageruimte wordt vergrendeld, worden de controlefuncties weer uitgevoerd en knipperen de richtingaanwijzers 1 keer.

Ga voor het vervangen van de batterij Afb. 8 als volgt te werk:
□ klap de metalen baard A uit door op de knop B te drukken;
☐ maak het geklemd gemonteerde rode vakje B-Afb. 9 met behulp van de metalen baard A van de elektronische sleutel op het aangegeven punt open;

□ verwijder de batterij D-Afb. 8 uit het vakje; onthoud de polariteit (in de afgebeelde stand bevindt de pluspool zich aan de onderzijde);
☐ plaats de nieuwe batterij in het vakje – houd daarbij rekening met de polariteit;
☐ plaats het vakje geheel in de zitting en klap de metalen baard in.
WAARSCHUWING Raak de metalen contacten in de elektronische sleutel niet aan en houd de binnenzijde van de sleutel ver verwijderd van vloeistoffen of stof.

Lege batterijen zijn schadelijk voor het milieu en moeten in daarvoor bestemdeers worden weggegooid. Ze ook worden ingeleverd bij het neo Servicenetwerk, dat voor er zal zorgen.
SAFE LOCK-SYSTEEM
(voor uitvoeringen/markten, waar voorzien)
Dit is een veiligheidssysteem dat de werking van de binnenhandgrepen van de auto verhindert.
Het safe lock-systeem biedt de best mogelijke bescherming tegen inbraakpogingen. Daarom raden wij u aan om iedere keer als u de auto verlaat, het systeem in te schakelen.

OPGELET
Als het safe lock-systeem wordt ingeschakeld, is het niet meer mogelijk de portieren vanuit de auto op welke wijze ook te openen. Controleer, voordat u uit de auto stapt, of er geen personen in de auto achterblijven.

OPGELET
Als de batterij van de elektronische sleutel leeg is, kan het systeem alleen worden uitgeschakeld door de metalen baard in het bestuurdersportierslot te draaien of de elektronische sleutel in het startsysteem te plaatsen.

OPGELET
Als de accu leeg is, kan het systeem alleen worden
uitgeschakeld door de metalen baard van de elektronische sleutel in het bestuurdersportierslot te draaien: in deze situatie blijft de functie wel bij het passagiersportier ingeschakeld.

De functie schakelt in de volgende gevallen automatisch bij alle portieren in:
□ als de metalen baard van de elektronische sleutel twee maal in het bestuurdersportier naar de vergrendelstand wordt gedraaid;
□ als knop 🔒 op de elektronische sleutel twee maal wordt ingedrukt.
Het inschakelen van het systeem wordt aangegeven door het 3 keer knipperen van de led op het bestuurdersportierpaneel en, alleen als het systeem is ingeschakeld met de knop 🔒 van de elektronische sleutel, van de richtingaanwijzers.
Het systeem schakelt niet in als een of meerdere portieren niet goed gesloten zijn: zo wordt voorkomen dat een persoon via het geopende portier het interieur van de auto kan betreden en, als het portier vervolgens wordt gesloten, de auto niet meer kan verlaten.
Systeem uitschakelen
Het systeem schakelt in de volgende gevallen automatisch alle portieren/deuren uit:
□ als de portieren worden ontgrendeld;
□ als alleen het bestuurdersportier wordt ont-grendeld (waar mogelijk);
□ als de elektronische sleutel in het startsysteem wordt geplaatst.
Hierna worden de belangrijkste functies van de elektronische sleutel of de metalen baard aangegeven:
| Ontgrendelen portieren, bagageruimte en tankluikje | Vergrendelen portieren, bagageruimte en tank-luikje | Openen ruiten | Sluiten ruiten | Safe lock (voor uitvoeringen/ markten, waar voorzien) | Ontgrendelen bagageruimte | |
| Elektronische sleutel | Kort drukken op de knop (*) | Knop 🔒kort indrukken | Langer drukken (langer dan 2 secon- den) op de knop | Langer drukken (langer dan 2 secon- den) op de knop | Twee keer drukken (binnen 1 seconde) op de knop | Kort drukken op de knop |
| Metalen baard | Elektronische sleutel rechtsom draaien (*) | Elektronische sleutel linksom draaien | Elektronische sleutel langer dan 2 seconden rechtsom draaien | Elektronische sleutel langer dan 2 secon- den linksom draaien | Elektronische sleutel twee keer binnen 1 seconde linksom draaien | — |
| Knipperen richting- aanwijzers | 2 x knipperen | 1 x knipperen | 2 x knipperen | 1 x knipperen | 3 x knipperen | 2 x knipperen |
| Led portier bestuurderszijde | Bewakings-led uit | 3 seconden continu branden en vervol- gens knipperen bewakingslampje | Doven bewakings- lampje | Permanent branden gedurende 3 secon- den en vervolgens knipperen bewa- kingsled | Twee keer knipperen en vervolgens knipperen bewakingsled | — |
(*) Het is mogelijk de functie „Bestuurdersportier onafhankelijk ontgrendelen“ met behulp van het „Setup-menu“ van de auto in te stellen (zie de paragraaf „Instelbaar multifunctioneel display“ in dit hoofdstuk). Als er in dat geval op de knop wordt gedrukt of de metalen baard van de elektronische sleutel linksom wordt gedraaid, wordt alleen het bestuurdersportier ontgrendeld. Om alle portieren te ontgrendelen moet twee maal binnen 1 seconde op de knop worden gedrukt of moet de metalen baard van de elektronische sleutel twee maal linksom worden gedraaid.
WAARSCHUWING Het openen van de ruiten kan een gevolg zijn van het ontgrendelen van de portieren. Het sluiten van de ruiten kan een gevolg zijn van het vergrendelen van de portieren.
ALARM
(voor uitvoeringen/markten, waar voorzien)
Het diefstalalarm wordt in de volgende gevalen geactiveerd:
□ onbevoegd openen van portieren/motorkap/bagageruimte (omtrekbeveiliging);
☐ inschakeling van het startsysteem met een niet-geschikte elektronische sleutel;
□ als de kabels van de accu worden onderbroken;
□ als er bewegende voorwerpen in het interieur aanwezig zijn (volumetrische beveiliging);
□ verkeerd omhoog komen/kantelen van de auto (voor uitvoeringen/markten, waar voorzien).
De volumetrische beveiliging en de hellingshoekdetectie kunnen worden uitgeschakeld op het plafondlampje voor (zie paragraaf „Volumetrische beveiliging/hellingshoekdetectie" op de volgende pagina's).
Naargelang de marktuitvoering van de auto gaan bij inschakeling van het alarm de richtingaanwijzers ongeveer 26 seconden knipperen. De wijze waarop het systeem werkt en het aantal cycli kunnen per land verschillen.
Er is een maximum aantal hoorbare/zichtbare cycli. Als de alarmcyclus is afgelopen, gaat het systeem weer normaal werken.
WAARSCHUWING Als in een noodgeval de portieren centraal met de elektronische sleutel worden ontgrendeld, wordt het alarm niet uitgeschakeld; als vervolgens een van de portieren of de bagageruimte wordt geopend, wordt de sirene ingeschakeld. Zie voor het uitschakelen van de sirene de paragraaf „Alarm uitschakelen”.
WAARSCHUWING De blokkering van de motor door de Alfa Romeo CODE wordt automatisch ingeschakeld als de elektronische sleutel uit het startsysteem wordt verwijderd.

ALARM INSCHAKELEN
Als de portieren, bagageruimte en tankluikje zijn gesloten en de elektronische sleutel is uit het startsysteem verwijderd, richt dan de elektronische sleutel op de auto, druk op de knop en laat de knop weer los.
U hoort een akoestisch signaal ("BIEP") (behalve bij uitvoeringen voor bepaalde markten) en de portieren worden vergrendeld.
Voordat het alarm inschakelt, wordt eerst een zelfdiagnose uitgevoerd, waarbij de led op het passagiersportier (zie A-Afb. 11) knippert met een afwijkende frequentie: bij een storing klinkt nog een geluidssignaal van het systeem.
Bewaking
Na het inschakelen knippert de led A-Afb. 11 om aan te geven dat het systeem de auto bewaakt. De led knippert de gehele tijd dat het systeem de auto bewaakt.
WAARSCHUWING Het alarm wordt reeds in de fabriek aangepast aan de normen van de diverse landen.
Zelfdiagnose en controle portieren/motorkap/bagageruimte
Als er na het inschakelen van het alarm een tweede geluidssignaal klinkt, schakel het systeem dan uit door op de knop te drukken; controleer of de portieren, de motorkap en de bagageruimte goed zijn gesloten en schakel het systeem opnieuw in door nogmaals op de knop te drukken.
Een slecht gesloten portier of motorkap wordt niet beveiligd door de diefstalbeveiliging. Als de portieren, de motorkap en de bagageruimte goed zijn gesloten en er klinkt een tweede geluidssignaal, dan is een storing in de werking van het systeem aanwezig. Wendt u zich in dit geval tot het Alfa Romeo Servicenetwerk.
DIEFSTALALARM UITSCHAKELEN
Druk op de knop 🔒. Het volgende gebeurt (met uitzondering van bepaalde markten):
☐ de richtingaanwijzers knipperen twee keer kort;
☐ u hoort twee korte akoestische signalen („BIEP's“);
□ de portieren worden ontgrendeld.
Bovendien kan het alarm worden uitgeschakeld als de elektronische sleutel in het start-systeem wordt geplaatst.
WAARSCHUWING Als tijdens de bewakingsfase een diefstalpoging wordt gesignaleerd, wordt bij enige uitvoeringen, als de elektronische sleutel in het startsysteem wordt geplaatst, een bericht op het display van het instrumentenpaneel weergegeven.

Voor een correcte werking van de beveiliging moeten de ruiten geheel gesloten zijn.
Deze functie kan zo nodig worden uitgeschakeld (als bijvoorbeeld dieren in het interieur worden gelaten) door op de knop A-Afb. 12 op het plafondlampje vóór te drukken, binnen 1 minuut nadat het instrumentenpaneel is uitgeschakeld, en voordat de diefstalbeveiliging wordt ingeschakeld.
Het lampje op de knop gaat branden als deze functie wordt ingeschakeld. Het buiten werking stellen van de volumetrische beveiliging/kantelsensor moet telkens worden herhaald als het instrumentenpaneel uitgeschakeld is geweest.
Om het alarm volledig buiten werking te stellen (bijvoorbeeld als de auto langdurig gestald wordt) moet de auto worden afgesloten door de metalen baard (in de elektronische sleutel) in het bestuurdersportierslot te draaien.
OFFICIEEL GOEDGEKEURD
Afhankelijk van de wetgeving in de afzonderlijke landen wat betreft radiofrequencies, heeft de fabrikant van de zender voor de markten waarvoor dat nodig is het nummer van de typegoedkeuring aangebracht op de component. Bij enige uitvoeringen/markten moet de code ook op de zender en/of ontvanger worden aangebracht.
START-/CONTACTSLOT
Het startsysteem bevindt zich op het dashboard en bestaat uit:
☐ lezer A-Afb. 13 van de elektronische sleutel (naast het stuur);
☐ knop START/STOP (onder de lezer van de elektronische sleutel).
WAARSCHUWING Laat de elektronische sleutel niet in het startsysteem bij een uitgeschakelde auto, om onnodig ontladen van de accu te voorkomen.

OPGELET
Als het startsysteem verkeerd wordt gebruikt (bijvoorbeeld tijdens een diefstalpoging), moet de werking door het Alfa Romeo Servicenetwerk worden gecontroleerd, voordat er weer met de auto wordt gereden.

Verwijder bij het verlaten van de auto altijd de elektronische sleutel, zodat bepaalde functies niet per ongeluk kunnen worden ingeschakeld. Vergeet niet de handrem aan te trekken. Schakel de eerste versnelling in als de auto op een helling omhoog staat en de achteruit bij een helling omlaag (gezien vanuit de rijrichting). Laat kinderen nooit alleen achter in de auto.

MOTOR STARTEN
Zie hiervoor de paragraaf „Starten van de motor" in het hoofdstuk „Starten en rijden".
START/STOP-KNOP Afb. 14
Met de START/STOP-knop op het dashboard kunnen de elektrische systemen van de auto worden ingeschakeld en de motor worden ge-start en uitgeschakeld.
De START/STOP-knop is voorzien van een verlichte rand. Deze is verlicht, samen met het instrumentenpaneel, als het is toegestaan om de motor te starten.
INSTRUMENTENPANEEL INSCHAKELEN
Ga als volgt te werk:
□ steek de elektronische sleutel in het start-systeem;
als de elektronische sleutel al is geplaatst, druk dan op de knop START/STOP zonder het koppelings- of rempedaal in te trappen.
Als de auto wordt verlaten, maar het instrumentenpaneel blijft per ongeluk ingeschakeld, worden de elektrische systemen na ongeveer 1 uur uitgeschakeld om ontladen van de accu te voorkomen.
WAARSCHUWING Als de elektronische sleutel geheel in het startsysteem wordt geplaatst, moet deze vergrendelen.
WAARSCHUWING Wendt u zich, als het instrumentenpaneel niet inschakelt, tot het Alfa Romeo Servicenetwerk.
WAARSCHUWING Als de elektronische sleutel in het startsysteem wordt geplaatst en op het display het symbool verschijnt (in combinatie met de weergave van een bericht), controleer dan of de elektronische sleutel de juiste is en probeer de sleutel nogmaals in het startsysteem te plaatsen. Wendt u zich tot het Alfa Romeo Servicenetwerk als het probleem blijft bestaan.
INSTRUMENTENPANEEL UITSCHAKELEN
Druk bij uitgeschakelde motor en losgelaten koppelings- en rempedaal de START/STOPknop in of verwijder de elektronische sleutel uit het startsysteem.
Na enige seconden gaat het instrumentenpaneel geleidelijk uit.
WAARSCHUWING Wendt u zich tot het Alfa Romeo Servicenetwerk als het instrumentenpaneel niet uitschakelt.
STUURSLOT
Inschakelen
Het stuurslot wordt ongeveer 5 seconden na het verwijderen van de elektronische sleutel uit het startsysteem en na de controle door het systeem van de volgende omstandigheden, ingeschakeld:
□ motor uitgeschakeld;
□ instrumentenpaneel uitgeschakeld bij stilstaande auto;
☐ elektronische sleutel verwijderd uit het start-systeem.
Uitschakelen
Het stuurslot wordt uitgeschakeld als de elektronische sleutel in het startsysteem wordt geplaatst.
WAARSCHUWING Als de motor tijdens de rit wordt uitgeschakeld, wordt het stuurslot pas weer ingeschakeld als de motor de volgende keer bij stilstaande auto wordt uitgeschakeld. In dit geval wordt er een bericht op het display weergegeven.
WAARSCHUWING Bij een storing van het stuurslot worden een symbool + bericht op het display weergegeven. Wendt u zich in dit geval tot het Alfa Romeo Servicenetwerk.
WAARSCHUWING Als na een poging het instrumentenpaneel in te schakelen en/of de motor te starten, op het display het bericht "Beveiligingssysteem niet aanwezig" wordt weergegeven, herhaal dan de handeling en verdraai het stuur iets om het ontgrendelen van het stuur makkelijker te maken. De weergave van het bericht op het display heeft geen invloed op de werking van het stuurslot.

OPGELET
Het is streng verboden om demontage-/montagewerkzaamheden uit te voeren, waarvoor wijzigingen in de stuurinrichting of de stuurkolom vereist zijn (bijv. bij montage van een diefstalbeveiliging). Hierdoor kunnen de prestaties van het systeem, de garantie en de veiligheid in gevaar worden gebracht en voldoet de auto niet meer aan de typegoedkeuring.
INSTRUMENTEN
TOERENTELLER
De toerenteller levert informatie over het toerental van de motor. Als de wijzer van de toerenteller zich in het rode gebied bevindt nabij het uiteinde van het bereik, draait de motor met een te hoog toerental, waardoor de mechanische onderdelen kunnen beschadigen: als de toerenteller zich in dit gebied bevindt, moet het toerental door de bestuurder worden aangepast.
WAARSCHUWING De inspuiting blokkeert geleidelijk de brandstofstroom als de motor met een te hoog toerental draait (wijzer van de toerenteller in het rode gebied), waardoor het vermogen van de motor lager wordt en het toerental weer het veilige gebied bereikt.

Afb. 15
A0G00177m
De toerenteller kan, afhankelijk van de situatie, bij stationair toerental een kleine of herhaaldelijk voorkomende stijging van het toerental aangeven. Dit is een normaal verschijnsel dat kan optreden als bijvoorbeeld de klimaatregeling of de elektroventilateur wordt ingeschakeld. In deze gevallen dient een geringe toerentalstijging voor het behoud van de lading van de accu.
BRANDSTOFMETER Afb. 15
De wijzer geeft de hoeveelheid brandstof in de tank aan.
Het lampje gaat branden als in de brandstof-tank nog ongeveer 10 liter brandstof aanwezig is. Als de actieradius minder dan ongeveer 50 km (of 31 mijl) bedraagt, wordt op het display een waarschuwingsbericht weergegeven.
0 - tank leeg.
1 — volle tank (zie de paragraaf „Tanken met de auto“ in dit hoofdstuk).

Als lampje 📄 tijdens het rijden gaat knipperen, moet u zich tot het Alfa Romeo
Servicenetwerk wenden.
WAARSCHUWING Onder sommige omstandigheden (bijvoorbeeld op een steile helling) kan de meter een andere waarde aangeven dan de werkelijke hoeveelheid in de tank en de wijzigingen kunnen met een vertraging worden weergegeven. Dit hoort bij de normale werking van de meter.

Afb. 16
A0G0178m
KOELVLOEISTOF- TEMPERATUURMETER Afb. 16
De wijzer geeft de koelvloeistoftermperatuur weer; de aanduiding start als de temperatuur van de vloeistof hoger wordt dan ongeveer 50 °C.
Onder normale omstandigheden bevindt de wijzer zich in het midden van de schaalverdeling. Als de wijzer in de buurt van het rode gebied komt, moet de bestuurder minder grote prestaties van de auto verlangen.
Als het waarschuwingslampje ♦ gaat branden (in combinatie met de weergave van een bericht op het display), is de koelvloeistoftemperatuur te hoog; zet in dat geval de motor uit en wendt u zich tot het Alfa Romeo Servicenetwerk.
WAARSCHUWING Als de wijzer het rode gebied nadert, kan dit te maken hebben met een bijzondere situatie, zoals het rijden met lage snelheid, op een helling, volledig beladen of met een aanhanger of bij een hoge omgevingstemperatuur.

MOTOROLIE-TEMPERATUURMETER (benzine-uitvoeringen, behalve 1750 TURBO BENZINE) Afb. 17
De wijzer geeft de motorolietemperatuur weer; de aanduiding start als de temperatuur van de olie hoger wordt dan ongeveer 70 °C.
Als de wijzer in de buurt van het rode gebied komt, moet de bestuurder minder grote prestaties van de auto verlangen.
Als het waarschuwingslampje ♣ onder het rijden gaat branden (in combinatie met de weergave van een bericht op het display), is de motorlietemperatuur te hoog; zet in dat geval de motor uit en wendt u zich tot het Alfa Romeo Servicenetwerk.
WAARSCHUWING Als de wijzer het rode gebied nadert, kan dit te maken hebben met een bijzondere situatie, zoals het rijden met lage snelheid, op een helling, volledig beladen of met een aanhanger of bij een hoge omgevingstemperatuur.

TURBODRUKMETER (uitvoeringen 1750 TURBO BENZINE en diesel) Afb. 18
De wijzer geeft de turbodruk aan.

Druk voor het op nul zetten van de dagtellerstand enkele seconden op de knop A.
LICHTINTENSITEIT INSTRUMENTENPANEEL HANDMATIG INSTELLEN
Met deze functie kan de lichtintensiteit (op 8 niveaus) van de symbolen/het instrumentenpaneel, het autoradiodisplay, het display van de klimaatregeling, het display van het radio/navigatiesysteem (voor uitvoeringen/markten, waar voorzien) en de instrumenten (brandstofmeter, olietemperatuurmeter (benzine-uitvoeringen) of turbodrukmeter (dieseluitvoeringen) en de koelvloeistoftemperatuurmeter) worden geregeld.
Druk voor het regelen van de lichtintensiteit kort op de knop + op de linker hendel voor het verhogen of op de knop - voor het verlagen van de intensiteit: op het display verschijnt een bericht en een getal dat de op dit moment geselecteerde lichtintensiteit aangeeft. Dit scherm blijft enige seconden zichtbaar en verdwijnt vervolgens.
Om de maximale zichtbaarheid en het maximale comfort onder alle rij-omstandigheden te bereiken (bijv. als overdag wordt gereden met ingeschakeld licht, als wordt gereden in tunnels enz.) is in de snelheidsmeter een sensor aanwezig, waarmee automatisch, nadat de elektronische sleutel in het startsysteem is geplaatst en de START/STOP-knop is ingedrukt, de lichtintensiteit kan worden geregeld van de symbolen/het instrumentenpaneel, het autoradiodisplay, het display van de klimaatregeling, het display van het radio-/navigatiesysteem (voor uitvoeringen/markten, waar voorzien) en de instrumenten (brandstofmeter, motorolietemperatuurmeter (benzine-uitvoeringen) of turbodrukmeter (dieseluitvoeringen' en de koelvloeistoftemperatuurmeter).
INSTELBAAR MULTIFUNCTIONEEL DISPLAY
Op het instelbare multifunctionele display kan nuttige en belangrijke informatie tijdens de rit worden weergegeven, zoals:
INFORMATIE OP HET STANDAARD SCHERM
□ Tijd A-Afb. 19;
□ Buitentemperatuur B;
□ Datum C;
□ Dagtellerstand D;
□ Kilometertotaalstand E;
Informatie over de status van de auto F (bijvoorbeeld geopende portieren of eventuele ijsvorming op het wegdek).

Het middelste deel van het display met de datum C blijft altijd ingeschakeld, totdat er een functie wordt ingeschakeld die op het display moet worden weergegeven (bijvoorbeeld „Regelen lichtintensiteit“) of andere informatie over de status van de auto.
Als de sleutel is verwijderd (en er een portier wordt geopend), worden op het display gedurende enige seconden de tijd en de kilometerstand (of mijlenstand) en de buitentemperatuur weergegeven
INFORMATIE OVER DE AUTO (per gebeurtenis)
□ Afstand tot volgende servicebeurt;
□ Informatie Tripcomputer;
□ Instelling van de lichtintensiteit;
□ Weergave motorolieniveau;
WAARSCHUWING Als een portier wordt geopend, geeft het display gedurende enige seconden de tijd, de kilometerstand en de buitentemperatuur weer.
BEDIENINGSKNOPPEN
MENU
Knop kort indrukken: bevestigen van de gewenste optie en/of doorgaan naar het volgende scherm;
Knop lang indrukken: zorgt voor terugkeren naar het voorgaande scherm zonder de gekozen optie op te slaan;
+/- voor het doorlopen naar boven/beneden van de opties in het setup-menu of het verhogen/verlagen van de op het scherm weergegeven waarde.
Als op het display het standaard scherm wordt weergegeven, wordt met de knoppen +/- de intensiteit van de instrumentenpaneelverlichting geregeld.

„SETUP“-MENU
Bovendien is een setup-menu aanwezig, waarmee door het indrukken van de knop MENU en +/- (zie Afb. 20), de op de volgende pagina's beschreven instellingen kunnen worden uitgevoerd. Het setup-menu kan worden geactiveerd door de knop MENU kort in te drukken.
Het menu bestaat uit een aantal opties die door- lopend na elkaar worden weergegeven Afb. 20.
Een menupunt selecteren in het hoofdmenu zonder submenu:
□ als de knop MENU kort wordt ingedrukt, kunt u een onderdeel in het hoofdmenu kiezen dat moet worden gewijzigd;
☐ met de knop + of —(door de knop telkens in te drukken) kan de nieuwe instelling worden geselecteerd;
□ als de knop MENU kort wordt ingedrukt, wordt de instelling opgeslagen en gaat u terug naar de vorige menuoptie in het hoofdmenu.
Selectie van een optie in het hoofdmenu met een submenu:
□ als de knop MENU kort wordt ingedrukt, wordt de eerste optie in het submenu weergegeven;
☐ met de knop + of — (door de knop telkens in te drukken) kunt u de menuopties van het submenu doorlopen;
als u de knop MENU kort indrukt, kunt u de menuoptie van het submenu selecteren en wordt het betreffende instellingenmenu geopend;
☐ met de knoppen + of — (door de knop telkens in te drukken) kan de nieuwe instelling voor deze optie van het submenu worden geselecteerd;
□ als u de knop MENU kort indrukt, kunt u de instelling opslaan en gaat u terug naar de eerder geselecteerde menuoptie.
„Datum“ en „Klokje“ selecteren:
□ als u de knop MENU kort indrukt, kunt u de instelling selecteren die u wilt wijzigen (bijvoorbeeld uren/minuten of jaar/maand/dag);
☐ met de knop + of —(door de knop telkens in te drukken) kan de nieuwe instelling worden geselecteerd;
als u de knop MENU kort indrukt, kunt u de instelling opslaan en gaat u verder naar de volgende menuoptie. Als deze menuoptie de laatste is, gaat u terug naar de vorige menuoptie.
Als de elektronische sleutel in het startsysteem wordt geplaatst, wordt op het display gedurende enige seconden het motorolieniveau weergegeven. Druk tijdens deze fase, om de weergave te wissen en door te gaan naar het volgende scherm, op de knop MENU. Bij een te laag/te hoog motorolieniveau verschijnt op het display een waarschuwing.
WAARSCHUWING Voor het juiste olieniveau moet altijd het niveau met de peilstok worden gecontroleerd (zie de paragraaf „Niveaus controleren“ in het hoofdstuk „Onderhoud van de auto“).
WAARSCHUWING Om er zeker van te zijn dat de juiste waarde wordt aangegeven, moet de controle nogmaals worden uitgevoerd als de auto op een horizontale ondergrond staat.
WAARSCHUWING Wacht, om het olie-niveau op de juiste wijze te meten, na het plaatsen van de sleutel ongeveer 2 seconden voordat de motor wordt gestart.
WAARSCHUWING Het motorolieniveau kan hoger worden als de auto langere tijd niet wordt gebruikt.
Druk, om vanaf het standaard scherm de navigatie te bereiken, kort op de knop MENU. Druk op de knop + of — om in het menu te navigeren. Bij een rijdende auto wordt om veiligheidsredenen alleen een beperkt menu weergegeven („Snelheidslimiet instellen“). Als de auto stilstaat, is het uitgebreide menu toegankelijk. Als het radio-/navigatiesysteem aanwezig is, kunnen alleen de volgende functies worden ingesteld: „Snelheidslimiet“, „Gevoeligheid schemersensor“ (voor uitvoeringen/markten, waar voorzien) en „Waarschuwingszoemer niet omgelegde veiligheidsgordel opnieuw inschakelen“. De andere functies worden weergegeven op het display van het radio-/navigatiesysteem en kunnen daar worden ingesteld.
![```mermaid graph TD A["10:50 23.0°C Service<br>Gut Setup Speed Limit<br>Light Serve,<br>km 30.0 50"] --> B["10:50 23.0°C Menu Verlaten"] B --> C["10:50 23.0°C Snelheid"] C --> D["10:50 23.0°C Automat.<br>MISTLICHT"] D --> E["10:50 23.0°C RESET Trip B"] E --> F["10:50 23.0°C KLOK"] F --> G["10:50 23.…](/content/2026/06/1151467/images/9ea74f8f3259cc1ea4c781878dc9c235fd8f0e81d8114f929693f2e8f055e754.jpg)
Afb. 21
Snelheidslimiet (drempel)
Met deze functie kan de snelheidslimiet van de auto (km/h of mijl/h) worden ingesteld; als de snelheid wordt overschreden, klinkt een geluidssignaal en wordt een bericht op het display weergegeven (zie het hoofdstuk „Lampjes en berichten").
Ga voor het instellen van de snelheidslimiet als volgt te werk:
☐ druk kort op de knop MENU: op het display verschijnt OFF;
☐ druk op de knop +: op het display verschijnt ON;
☐ druk kort op de knop MENU en stel vervolgens met de knoppen +/- de gewenste snelheid in (tijdens het instellen knippert de waarde).
□ druk kort op de knop MENU om terug te keren naar het menuscherm of druk lang om terug te keren naar het beginscherm.
WAARSCHUWING Er kan een waarde tussen 30 en 250 km/h of tussen 20 en 150 mil/u worden ingesteld, afhankelijk van de ingestelde eenheid (zie de paragraaf „Eenheid“ hierna). Elke keer als u de knop +/- indrukt, wordt de waarde 5 eenheden verhoogd of verlaagd. Door de knop +/- ingedrukt te houden, wordt de verhoging/verlaging automatisch snel uitgevoerd. Als de gewenste waarde bijna bereikt is, moet de instelling voltooid worden door steeds opnieuw op de knop te drukken.
Voer voor het wissen van de instelling de volgende handelingen uit:
☐ druk kort op de knop MENU: op het display verschijnt ON;
☐ druk op de knop -: op het display verschijnt OFF;
☐ druk kort op de knop MENU om terug te keren naar het menuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het beginscherm.
Afstelling gevoeligheid Schemersensor
(Automat. dimlicht)
(voor uitvoeringen/markten, waar voorzien)
Met deze functie kan de gevoeligheid van de schemersensor (op 3 niveaus) ingesteld worden.
Ga voor het instellen als volgt te werk:
□ druk kort op de knop MENU: op het display wordt de hiervoor ingestelde gevoeligheid weergegeven;
☐ druk op de knop + of - om in te stellen;
☐ druk kort op de knop MENU om terug te keren naar het menuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het beginscherm.
Op nul zetten
Trip B (Reset Trip B)
Met deze functie kan de manier waarop Trip B op nul wordt gezet worden gekozen (automatisch of handmatig).
Zie voor meer informatie de paragraaf „Tripcomputer“.
Instellen tijd (klokje)
Met deze functie kan het klokje worden ingesteld.
Ga voor het instellen van de tijd als volgt te werk:
☐ druk kort op de knop MENU: op het display verschijnen de „uren”;
☐ druk op de knop + of - om in te stellen;
☐ druk kort op de knop MENU: op het display verschijnen de „minuten”;
☐ druk op de knop + of - om in te stellen.
WAARSCHUWING Elke keer als u de knop +/- indrukt, wordt de waarde met 1 eenheid verhoogd of verlaagd. Door de knop +/- ingedrukt te houden, wordt de verhoging/verlaging automatisch snel uitgevoerd. Als de gewenste waarde bijna bereikt is, moet de instelling voltooid worden door steeds opnieuw op de knop te drukken.
☐ druk kort op de knop MENU om terug te keren naar het menuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het beginscherm.
Weergave tijd (12/24)
Met deze functie kan de tijd worden weergegeven in 12h of 24h.
Ga voor het instellen als volgt te werk:
☐ druk kort op de knop MENU: het display geeft 12h of 24h aan (afhankelijk van de eerdere instelling);
☐ druk op de knop + of - om de keuze uit te voeren;
☐ druk kort op de knop MENU om terug te keren naar het menuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het beginscherm.
Instellen datum
Met deze functie kan de datum worden ingesteld (jaar - maand - dag).
Ga als volgt te werk om de gewenste instelling uit te voeren:
☐ druk kort op de knop MENU: op het display gaat het „jaar“ knipperen;
☐ druk op de knop + of - om in te stellen;
☐ druk kort op de knop MENU: op het display gaat de „maand” knipperen;
□ druk op de knop + of - om in te stellen;
☐ druk kort op de knop MENU: op het display gaat de „dag“ knipperen;
☐ druk op de knop + of - om in te stellen;
WAARSCHUWING Elke keer als u de knop +/- indrukt, wordt de waarde met 1 eenheid verhoogd of verlaagd. Als u de knop +/- ingedrukt houdt, wordt de snelheid snel hoger/lager. Als de gewenste waarde bijna bereikt is, moet de instelling voltooid worden door steeds opnieuw op de knop te drukken.
☐ druk kort op de knop MENU om terug te keren naar het menuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het beginscherm.
Herhaling audio-informatie (Herh. Radio)
(voor uitvoeringen/markten, waar voorzien)
Met deze functie kan op het display de informatie over de autoradio worden weergegeven.
☐ Radio: frequentie of RDS-bericht van het geselecteerde radiostation, automatisch zoeken of AutoSTore inschakelen;
☐ CD audio, CD MP3: nummer gekozen muziekstuk:
☐ Cd-wisselaar: nummer CD en nummer muziekstuk;
Ga voor het in- of uitschakelen (ON/OFF) van de weergave van de informatie als volgt te werk:
□ druk kort op de knop MENU: op het display verschijnt ON of OFF (afhankelijk van de eerdere instelling);
☐ druk op de knop + of - om de keuze uit te voeren;
☐ druk kort op de knop MENU om terug te keren naar het menuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het beginscherm.
Afhankelijk van de gekozen audiobron verschijnt op het display onder de tijdsaanduiding, een symbool dat de actieve bron aangeeft.
Onafhankelijke ontgrendeling van de bagageruimte (Bagageruimte Onafh.)
De opening van het kofferdeksel met afstandsbediening (indrukken van de knop 📄) is altijd mogelijk. Met de optie „Bagageruimte onafhankelijk“ wordt de knop op de armsteun geactiveerd of gedeactiveerd, om precies te zijn: met „Bagageruimte onafh. ON“ is de knop altijd gedeactiveerd. Met „Bagageruimte onafh. OFF“ is de knop geactiveerd en door het indrukken ervan de bagageruimte gedeblokeerd, als de sloten van de portieren ontgrendeld zijn.
Om de vergrendeling van de bagageruimte los te koppelen (door de knop op de armsteun te deactiveren) (ON) of deze aan die van de portieren te koppelen OFF), als volgt te werk gaan:
□ druk kort op de knop MENU: op het display verschijnt ON of OFF (afhankelijk van de eerdere instelling);
□ druk op de knop + of - om de keuze uit te voeren;
☐ druk kort op de knop MENU om terug te keren naar het menuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het beginscherm.
Bestuurdersportierslot ontgrendelen (Ontgr. Best. slot)
Met deze functie kan, als knop op de elektronische sleutel wordt ingedrukt, alleen het slot in het bestuurdersportier worden ontgrendeld.
Als de functie is ingeschakeld (ON) kan het andere portier worden ontgrendeld door op de ontgrendelknop op de middenconsole te drukken.
Ga voor het in- en uitschakelen (ON/OFF) van de functie als volgt te werk:
□ druk kort op de knop MENU: op het display verschijnt ON of OFF (afhankelijk van de eerdere instelling);
☐ druk op de knop + of - om de keuze uit te voeren;
☐ druk kort op de knop MENU om terug te keren naar het menuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het beginscherm.
Centrale portiervergrendeling bij rijdende auto (Vergr. Portieren)
Als deze functie geactiveerd is (ON), worden de portieren automatisch vergrendeld als de snelheid hoger wordt dan 20 km/h.
Ga voor het in- en uitschakelen (ON/OFF) van de functie als volgt te werk:
□ druk kort op de knop MENU: op het display verschijnt ON of OFF (afhankelijk van de eerdere instelling);
☐ druk op de knop + of - om de keuze uit te voeren;
☐ druk kort op de knop MENU om terug te keren naar het menuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het beginscherm.
Als de ronde led rond de knop brandt, is de functie ingeschakeld.
Meeteenheid
Met deze functie kan de eenheid van de afstand worden ingesteld (km of mi), het brandstofverbruik (l/100 km, km/l of mpg) en de temperatuur (°C of °F) worden ingesteld.
Afstand
Ga voor het instellen van de gewenste meet- eenheid als volgt te werk:
☐ druk kort op de knop MENU: het display geeft „km” of „mi” aan (afhankelijk van de eerdere instelling);
☐ druk op de knop + of - om de keuze uit te voeren;
☐ druk kort op de knop MENU om terug te keren naar het menuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het beginscherm.
Verbruik
Als u „km“ hebt ingesteld (zie de vorige paragraaf), kunt u op het display de eenheid van het brandstofverbruik (in km/l of l/100 km) instellen.
Als de eenheid voor de afstand is ingesteld op „mi“ (mijl) (zie de voorgaande paragraaf), wordt op dit scherm de eenheid voor brandstofverbruik „mpg“ (mijl per gallon) weergegeven.
In dit geval kan in het „Setup-menu“ de „Eenheid brandstofverbruik“ worden gekozen, maar staat de eenheid „mpg“ (mijl/gallon) vast.
Ga voor het instellen van de gewenste meet- eenheid als volgt te werk:
☐ druk kort op de knop MENU: het display geeft „km/l” of „l/100 km” aan (afhankelijk van de eerdere instelling);
☐ druk op de knop + o - om de keuze uit te voeren;
☐ druk kort op de knop MENU om terug te keren naar het menuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het beginscherm.
Temperatuur
Met deze functie kan de meeteenheid van de temperatuur (°C of °F) worden ingesteld.
Ga voor het instellen van de gewenste meet- eenheid als volgt te werk:
☐ druk kort op de knop MENU: het display geeft °C of °F aan (afhankelijk van de eerdere instelling);
□ druk op de knop + o - om de keuze uit te voeren;
☐ druk kort op de knop MENU om terug te keren naar het menuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het beginscherm.
Taal instellen (Taal)
U kunt de taal van de display instellen: Italianans, Engels, Duits, Portugees, Spaans, Frans, Nederlands en Braziliaans.
Ga om de gewenste taal in te stellen als volgt te werk:
□ druk kort op de knop MENU; op het display wordt de eerder ingestelde „taal” aangegeven;
□ druk op de knop + o - om de keuze uit te voeren;
☐ druk kort op de knop MENU om terug te keren naar het menuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het beginscherm.
Instelling volume geluidssignaal storingen/waarschuwingen (Vol. Beep)
Het volume van het akoestische signaal (buzzer) dat klinkt voor het melden van een storing of waarschuwing, kan ingesteld worden op 8 niveaus.
Ga voor het instellen van het gewenste volume als volgt te werk:
□ druk kort op de knop MENU; op het display wordt het eerder ingestelde „volumeniveau” aangegeven;
□ druk op de knop + of - om in te stellen;
☐ druk kort op de knop MENU om terug te keren naar het menuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het beginscherm.
Instelling volume knoppen (Vol. Knoppen)
Met deze functie kan het volume van het geluid, dat klinkt bij het indrukken van de knoppen in de auto, op 8 niveaus worden ingesteld.
Ga voor het instellen van het gewenste volume als volgt te werk:
□ druk kort op de knop MENU; op het display wordt het eerder ingestelde „volumeniveau” aangegeven;
☐ druk op de knop + of - om in te stellen;
☐ druk kort op de knop MENU om terug te keren naar het menuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het beginscherm.
Geprogrammeerd onderhoud (Service)
Met deze functie kunnen de meldingen betreffende het bereiken van de kilometerstand voor een servicebeurt worden weergegeven.
Ga voor het raadplegen van deze aanwijzingen als volgt te werk:
☐ druk kort op de knop MENU: op het display wordt de interval in km of mi aangegeven, afhankelijk van de eerdere instelling (zie de paragraaf „Eenheid“);
☐ druk kort op de knop MENU om terug te keren naar het menuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het beginscherm.
WAARSCHUWING Het geprogrammeerd onderhoudsschema houdt een onderhoudsinterval van 35.000 km (of 21.000 mi) aan; deze weergave verschijnt automatisch als de elektronische sleutel in het startsysteem wordt geplaatst, vanaf 2.000 km (of 1240 mi) voor de betreffende kilometerstand. De weergave in km of mijl is afhankelijk van de ingestelde meeteenheid. Als het geprogrammeerd onderhoud zeer binnenkort moet worden uitgevoerd, verschijnt als de elektronische sleutel in het startsysteem wordt geplaatst, op het display "Service" gevolgd door het resterende aantal kilometers/mijlen. Wendt u zich tot het Alfa Romeo Servicenetwerk waar men niet alleen het onderhoud zal uitvoeren dat voorgeschreven wordt door het „Geprogrammeerd onderhoud", maar waar de weergave ook zal worden gereset.
Zoemer niet omgelegde veiligheidsgordel opnieuw inschakelen (Seat Belt Reminder) (Beep gordel)
Deze functie wordt alleen op het display weergegeven als deze hiervoor is uitgeschakeld door het Alfa Romeo Servicenetwerk.
Menu afsluiten
Als deze optie wordt gekozen, wordt teruggekeerd naar het standaard scherm.
VERLICHTING TOERENTELLER/ INSTRUMENTEN (NIGHT PANEL)
Met deze functie kan de verlichting van de toerenteller en de instrumenten worden in-/uitgeschakeld (ON/OFF). De functie kan worden ingeschakeld (alleen als de elektronische sleutel in het startsysteem is geplaatst, de buitenverlichting brandt en de sensor in de snelheidsmeter weinig buitenlicht meet) door knop — lang in te drukken. Als de functie is ingeschakeld wordt op het display een waarschuwing weergegeven. Na inschakeling kan de functie NIGHT PANEL op de volgende manier worden uitgeschakeld:
☐ door de knop + lang in te drukken (ook bij uitgeschakelde buitenverlichting);
□ verwijder de elektronische sleutel uit het startsysteem.
Als de functie is ingeschakeld, wordt op het display een waarschuwing weergegeven.
De berichten blijven gedurende enige secon- den zichtbaar en verdwijnen vervolgens. Druk om de weergave voortijdig te onderbreken kort op de knop MENU.
TRIPCOMPUTER
Algemeen
De „Tripcomputer“ kan op het display als de elektronische sleutel in het startsysteem is geplaatst, de gegevens weergeven betreffende het gebruik van de auto. Deze functie bestaat uit „General trip“, waarmee de gehele rit van de auto kan worden gecontroleerd, en „Trip B“, waarmee een deel van de rit kan worden gecontroleerd; deze laatste functie „valt binnen“ (zoals in Afb. 22 is aangegeven) de complete rit.
Beide functies kunnen op nul worden gezet (reset - begin van de nieuwe rit).
![graph TD A["Reset GENERAL TRIP"] --> B["Einde complete rit Begin nieuwe rit"] B --> C["TRIP B"] C --> D["Reset TRIP B"] D --> E["Einde deel rit Begin nieuw deel rit"] E --> F["TRIP B"] F --> G["Reset TRIP B"] G --> H["Einde deel rit Begin nieuw deel rit"] H --> I["TRIP B"] I --> J["Reset TRIP B"] J…](/content/2026/06/1151467/images/8e29a1ee27c73d8808e12221d56b448a0903ff59ee3ef398bf39eaa3a1813939.jpg)
„General Trip“ geeft informatie over:
Gemiddeld verbruik
Huidig verbruik
Gemiddelde snelheid
Reisduur
Autonomie (actieradius)
□ Afgelegde afstand
Met „Trip B“ kan de volgende informatie worden gegeven:
□ Afgelegde afstand B
Gemiddeld verbruik B
Gemiddelde snelheid B
Reisduur B.
Weergegeven gegevens
Gemiddeld verbruik
Geeft globaal het gemiddelde brandstofverbruik aan vanaf het begin van een nieuwe rit.
Huidig verbruik
Geeft doorlopend de wijziging in het brandstofverbruik aan. Bij stilstaande auto met draaiende motor wordt op het display „---“ weergegeven.
Gemiddelde snelheid
Geeft de gemiddelde snelheid van de auto aan op basis van de tijd die verstreken is vanaf het begin van een nieuwe rit.
Reisduur
Tijd die vanaf het begin van de nieuwe rit verstreken is (reisduur).
Autonomie (actieradius)
Geeft de waarschijnlijke afstand aan die nog met de brandstof in de tank afgelegd kan worden; hierbij wordt er van uit gegaan dat de rit wordt voortgezet met dezelfde rijstijl.
Op het display verschijnt de indicatie „----“ als:
☐ actieradius lager dan 50 km (of 30 mijl);
□ de auto langere tijd met draaiende motor stilstaat.
WAARSCHUWING De wijziging van de waarde van de actieradius kan door verschillende factoren beïnvloed worden: rijstijl (zie de paragraaf „Rijstijl” in het hoofdstuk „Starten en rijden”), type traject (snelwegen, stad, bergen enz.), gebruiksomstandigheden van de auto (vervoerde lading, bandenspanning enz.). Houd hier bij het plannen van een reis rekening mee.
Afgelegde afstand
Geeft de afstand aan die de auto heeft afgelegd vanaf het begin van een nieuwe rit.
Telkens als de accu opnieuw wordt aangesloten en aan het begin van een nieuwe rit (reset) wordt op het display de waarde „0,0“ weergeven.
Nieuwe rit
Begint als een reset is uitgevoerd:
□ „handmatig“ door de bestuurder, door de betreffende knop TRIP lang in te drukken;
„automatisch“ als de „afgelegde afstand“ 9999,9 km (of mijl) of de „reisduur“ 99.59 (99 uur en 59 minuten) bereikt en telkens wanneer de accu wordt losgekoppeld en weer aangesloten.

KNOP TRIP
Met de knop TRIP Afb. 23 op de rechter hendel kunnen, als de elektronische sleutel in het startsysteem is geplaatst, de functies „General Trip“ en „Trip B“ worden ingeschakeld. Met de knoppen naast de hendel kan tussen de gegevens van elke functie worden gewisseld.
Met de knop TRIP kunnen bovendien de functies „General Trip“ en „Trip B“ op nul worden gezet om een nieuwe rit te beginnen.
□ kort indrukken: voor weergave van de verschillende gegevens;
☐ lang indrukken: voor het op nul zetten (reset) en het beginnen van een nieuwe rit.
Druk voor het weergeven van het volgende ge- geven van de Tripcomputer kort op de knop- pen □ en □

WAARSCHUWING Als „General Trip“ op nul wordt gezet, wordt tegelijkertijd „Trip B“ op nul gezet, maar als „Trip B“ op nul wordt gezet is dat alleen van invloed op deze functie.
Op elk scherm van de Tripcomputer worden tegelijkertijd twee Trip-gegevens van dat moment weergegeven (Trip A of Trip B); de gegevens worden aan de bovenzijde van het display en de andere aan de onderzijde van het display weergegeven (zie Afb. 24).
In hetzelfde scherm wordt aan de boven- en onderzijde niet tegelijkertijd hetzelfde gegeven weergegeven.
De twee gegevens van de Tripcomputer kunnen worden gekozen door de knop TRIP kort in te drukken; met de knop ■ kan het gegeven aan de bovenzijde van het display worden gewisseld en met knop ■ kan het gegeven aan de onderzijde van het display worden gewisseld.
Druk kort op de knop TRIP om van de informatie van Trip A naar Trip B of omgekeerd over te schakelen.
Procedure voor het begin van een rit (reset)
Trip A en Trip B worden onafhankelijk van elkaar op nul gezet.
Reset General Trip
Als de elektronische sleutel in het startsysteem is geplaatst, kan „General Trip“ op nul worden gezet door knop TRIP in te drukken en gedurende meer dan 2 seconden ingedrukt te houden.
WAARSCHUWING De reset vindt alleen in de volgende gevallen automatisch plaats:
□ als de „afgelegde afstand“ de waarde 9.999,9 km of de „reistijd“ de waarde 99.59 (99 uur en 59 minuten) bereikt;
☐ iedere keer als de accu losgekoppeld is geweest.
Als General Trip wordt gereset, wordt op het display een waarschuwing weergegeven.
ZITPLAATSEN
HANDMATIG VERSTELBARE ZITPLAATSEN Afb. 25

OPGELET
Alle afstellingen mogen uit- sluitend bij een stilstaande
auto worden uitgevoerd.

De stoffen bekleding van uw auto is langdurig bestand te- gen slijtage die ontstaat bij een normaal gebruik van de auto. Hevig en/of langdurig wrijven met kledingaccessoires zoals metalen gespen, sierknopen en klittenband-sluitingen, moet echter absoluut worden vermeden omdat hierdoor grote druk ontstaat op een bepaalde plek op de bekleding, waardoor deze plek kan slijten en de bekleding beschadigd wordt.

Trek de hendel A (aan de binnenzijde van de stoel) omhoog en schuif de stoel naar voren of naar achteren: als u rijdt, moeten de armen licht gebogen zijn en de handen op de stuurwielrand steunen.

OPGELET
Controleer of de zitplaats goed geblokkeerd is door hem naar voren en naar achteren te schuiven, nadat de hendel is losgelaten. Als de stoel niet is geblokkeerd, kan de stoel plotseling verschuiven, waardoor u de controle over de auto zou kunnen verliezen.
Hoogteverstelling
(voor uitvoeringen/markten, waar voorzien)
Beweeg de hefboom B omhoog of omlaag totdat de gewenste hoogte is bereikt.
WAARSCHUWING De verstelling is alleen mogelijk als u op de bestuurdersstoel zit.
Rugleuning verstellen
Druk op de knop C tot de gewenste stand is bereikt.
Lendensteun verstellen (voor uitvoeringen/markten, waar voorzien)
Draai aan knop D tot de gewenste stand is bereikt.
Stoel kantelen (voor uitvoeringen/markten, waar voorzien)
Bedien de hendel E. Als de hendel omhoog wordt getrokken, kantelt de stoel een stand naar achteren. Als deze naar beneden wordt geplaatst, kantelt de stoel naar voren.
Rugleuning omklappen
Met behulp van de handgreep F kantelt de rug-leuning en kan de stoel vrij naar voren schuiven.
Een herstelmechanisme met geheugen maakt het mogelijk de stoel automatisch in de hiervoor opgeslagen positie terug te brengen.
Als de rugleuning eenmaal is teruggeplaatst in reistoestand, controleren of deze correct geblokkeerd is. Controleer bovendien of de stoel goed geblokkeerd is door hem naar voren en naar achteren te schuiven.

Afb. 26
(voor uitvoeringen/ markten, waar voorzien)
Afb. 26

OPGELET
Alle afstellingen mogen uit-sluitend bij een stilstaande
auto worden uitgevoerd.
De bedieningsorganen voor het verstellen van de stoel zijn:
Multifunctioneel bedieningsorgaan A:
□ stoel aan voorzijde in hoogte verstellen;
□ stoel aan achterzijde in hoogte verstellen;
□ stoel verticaal verstellen;
□ stoel in lengterichting verstellen;
B: Rugleuning verstellen;
C: Knoppen voor opslaan stand van de be-stuurdersstoel;
E: Rugleuning omklappen.
WAARSCHUWING De elektrische verstelling werkt als de elektronische sleutel in het startsysteem is geplaatst en gedurende ongeveer 1 minuut nadat de sleutel is verwijderd of nadat de START/STOP-knop is ingedrukt. Bovendien kan de stoel gedurende 3 minuten worden versteld nadat het portier is geopend of totdat het portier wordt gesloten.

(voor uitvoeringen/markten, waar voorzien)
Draai, als de elektronische sleutel in het start- systeem is geplaatst, de draaiknop A-Afb. 27 om de functie in of uit te schakelen.
De verwarming kan op 3 niveaus worden ingesteld (0 = stoelverwarming uitgeschakeld).
Opslaan van de stand van de bestuurdersstoel/buitenspiegels
Met de knoppen C kunnen drie verschillende standen van de bestuurdersstoel en de buiten-spiegels worden opgeslagen en worden opgeroepen. Opslaan en oproepen is alleen mogelijk als de elektronische sleutel is het start-systeem is geplaatst.
Het oproepen van een opgeslagen stand is ook mogelijk gedurende ongeveer 3 minuten nadat het portier is geopend en gedurende ongeveer 1 minuut na het verwijderen van de elektronische sleutel uit het startsysteem.
Stel een stand met behulp van de bedienings-organen in en druk om een stand van de stoel op te slaan gedurende enige seconden op de knop waaronder u de stand wilt opslaan.
Druk om een opgeslagen stand op te roepen kort op de bijbehorende knop.
Als een nieuwe stand moet worden opgeslagen, wordt automatisch de hiervoor opgeslagen stand onder dezelfde knop gewist.

(voor uitvoeringen/markten, waar voorzien)
Bij enige uitvoeringen worden sportstoelen geleverd, die elektrisch versteld kunnen worden.
Zie voor het verstellen de voorgaande paragrafen.
HOOFDSTEUNEN
De hoofdsteunen zijn geïntegreerd in de stoelen van de auto.
STUURWIEL
Dit kan zowel axiaal als verticaal versteld worden.
Ontgrendel de hendel A-Afb. 28 door deze omlaag te drukken en stel vervolgens het stuur in de gewenste stand af. Blokkeer vervolgens het stuur door de hendel A omhoog te drukken.

Afb. 28

OPGELET
Verstel het stuurwiel alleen als de auto stilstaat en de motor is afgezet.

OPGELET
Het is streng verboden om demontage-/montagewerkzaamheden uit te voeren, waarvoor wijzigingen in de stuurinrichting of de stuurkolom vereist zijn (bijv. bij montage van een diefstalbeveiliging). Hierdoor kunnen de prestaties van het systeem, de garantie en de veiligheid in gevaar worden gebracht en voldoet de auto niet meer aan de typegoedkeuring.
SPIEGELS
BINNENSPIEGEL
De binnenspiegel is voorzien van een beveiligingsmechanisme, waardoor de spiegel bij een krachtig contact met een inzittende losschiet.
Met het hendeltje A-Afb. 29 kan de spiegel in twee standen worden gezet: normale of anti-verblindingsstand.

De buitenspiegels kunnen alleen worden ver- steld en ingeklapt als de elektronische sleutel in het startsysteem is geplaatst.

Verstellen van de spiegel
Kies de gewenste spiegel met de knop A-Afb. 30:
draai de keuzeknop A in stand 1: de linkerspiegel wordt geselecteerd;
draai de keuzeknop A in stand 2: de rechterspiegel wordt geselecteerd.
Als u de geselecteerde spiegel wilt verstellen, moet u de knop B in de vier richtingen drukken die door de pijlen aangegeven worden.
WAARSCHUWING Na het verstellen, moet de keuzeknop A in stand 0 worden gezet om te voorkomen dat de spiegel per ongeluk wordt versteld.

Indien nodig (bijv. bij nauwe doorgangen) kunnen de buitenspiegels worden ingeklapt door ze van stand A-Afb. 31 in stand B te zetten.
(voor uitvoeringen/markten, waar voorzien)
Waar nodig (bijvoorbeeld bij nauwe doorgangen) kunnen de buitenspiegels worden ingeklapt door de knop C-Afb. 30 in te drukken.
Om de spiegels in de normale stand terug te zetten, nogmaals drukken op de knop C-Afb. 30.
Na het vergrendelen van de sloten worden de buitenspiegels ingeklapt; de spiegels klappen automatisch terug wanneer de sleutel weer in het contactslot wordt gestoken.
De functie kan in-/uitgeschakeld worden door de kanteltoets langer dan 2 seconden ingedrukt te houden. De instelling wordt aan de gebruiker bevestigd met een geluidssignaal.
De buitenspiegel aan de bestuurderszijde is bol, waardoor de waarneming van afstanden enigszins wordt beïnvloed.
OPGELET Tijdens de rit moeten de spiegels altijd uitgeklapt zijn.
„Parkeer“-stand opslaan buitenspiegel aan passagierszijde
Bij uitvoeringen met elektrisch verstelbare stoelen kan de bestuurder, om het zicht naar achteren bij parkeermanoeuvres te verbeteren, de stand van de buitenspiegel aan de passagierszijde in een andere stand dan tijdens de rit laten zetten als de achteruit wordt ingeschakeld. Ga voor het opslaan als volgt te werk:
☐ schakel bij stilstaande auto en in het start-systeem geplaatste elektronische sleutel de achteruitversnelling in;
□ draai de keuzeknop A-Afb. 30 in stand 2 (passagiersspiegel wordt geselecteerd);
□ zet de buitenspiegel aan de passagierszijde in de optimale stand voor parkeermanoeuvres;
☐ houd de knoppen C-Afb. 26 ten minste 3 seconden ingedrukt (zie de paragraaf „Zitplaatsen” in dit hoofdstuk).
Tegelijkertijd met de „parkeer“-stand van de buitenspiegel aan de passagierszijde worden ook de stand van de stoel en de spiegel aan bestuurderszijde opgeslagen. Met een geluidssignaal wordt de bestuurder er op geattendeerd dat de stand van de spiegel is opgeslagen.
„Parkeer“-stand oproepen buitenspiegel aan passagierszijde
Ga als volgt te werk: plaats de elektronische sleutel in het startsysteem; schakel de achteruit in; draai de keuzeknop A-Afb. 30 in stand 2 (de passagiersspiegel wordt geselecteerd).
De spiegel gaat automatisch in de hiervoor opgeslagen stand staan.
Als geen enkele stand is opgeslagen voor de spiegel en de achteruit wordt ingeschakeld, gaat de buitenspiegel aan de passagierszijde iets omlaag, zodat parkeermanoeuvres makkelijker kunnen worden uitgevoerd.
De spiegel keert automatisch na ongeveer 10 seconden terug in de beginstand als een andere versnelling dan de achteruit wordt ingeschakeld of onmiddellijk als de snelheid vooruit hoger wordt dan 10 km/h of als de keuzeknop A-Afb. 30 in stand 0 wordt gezet.
Telkens als de elektronische sleutel in het start-systeem wordt geplaatst, keren de buiten-spiegels automatisch terug in de laatste (op-geroepen) stand waarin ze stonden toen de elektronische sleutel uit het startsysteem werd verwijderd.
Hierdoor worden de spiegels weer in de juiste stand gezet als deze handmatig en/of per ongeluk tijdens het parkeren in een andere stand zijn gezet.
Ontwasemen/ontdooien
De spiegels zijn voorzien van verwarmingsweerstanden die werken als de achterruitverwarming met behulp van de knop 440 is ingeschakeld.
WAARSCHUWING De functie is voorzien van een tijdschakeling en wordt na enkele minuten uitgeschakeld.
KLIMAATREGELING
A0G0278m

Afb. 32
1 Bovenste uitstroomopening - 2 Richtbare en verstelbare middelste uitstroomopeningen - 3 Richtbare en verstelbare uitstroomopeningen aan de zijkant - 4 Uitstroomopeningen in voetenruimte - 5 Uitstroomopeningen voor ontwasemen/ontdoien voorruit en zijruiten.




BOVENSTE UITSTROOMOPENING Afb. 35
De uitstroomopening kan worden geopend/gesloten.
O = Geheel gesloten
I = Geheel geopend
UITSTROOMOPENINGEN VOOR ONTWASEMEN/ ONTDOOIEN VOORRUIT EN ZIJRUITEN
Deze bevinden zich aan de uiteinden van het dashboard A-Afb. 36 en op de voorzijde van B het dashboard.
UITSTROOMOPENINGEN IN HET MIDDEN EN AAN DE ZIJKANT Afb. 33-34
Deze bevinden zich op het dashboard. Elke uitstroomopening A is voorzien van een draai-knop B waarmee de luchtopbrengst geregeld kan worden en een knop C voor het verticaal en horizontaal richten van de luchtstroom.
O = Geheel gesloten
I = Geheel geopend
HANDBEDIENDE KLIMAATREGELING
(voor uitvoeringen/markten, waar voorzien)
BEDIENINGSKNOPPEN Afb. 37
A — draaiknop voor instellen luchttemperatuur (mengen van warme/koude lucht);
B — draaiknop voor instelling luchtverdeling;
C – draaiknop voor aanjagersnelheid;
D — drukknop in-/uitschakelen achterruit- en buitenspiegelverwarming;
E — drukknop in-/uitschakelen maximaal ont-wasemen/ontdooien voorruit en zijruiten en buitenspiegels;
F — drukknop in-/uitschakelen recirculatie;
G—drukknop in-/uitschakelen aircocompressor.

Afb. 37
A0G0011m
LUCHTVERDELING INSTELLEN
2 : luchtstroom naar lichaam bestuurder/passagier;
: luchtstroom naar lichaam bestuurder/passagier en voetenruimte;
- : luchtstroom naar voetenruimte voor en achter;
* /: luchtstroom naar voetenruimte en voorruit;
o /: luchtstroom naar de voorruit
VERWARMING VAN HET INTERIEUR
Ga als volgt te werk:
□ draai de knop A totdat de gewenste temperatuur is ingesteld;
□ draai de draaiknop C op de gewenste snelheid;
draai de draaiknop Bop de gewenste luchtverdeling;
- : voor het verwarmen van de voeten;
2 : voor het verwarmen van de voeten terwijl het gezicht koel blijft (functie bilevel);
§ : voor verwarming van de beenruimten en ontwaseming van de voorruit;
☐ schakel de recirculatie uit (wanneer ingeschakeld).
SNEL ONTWASEMEN/ ONTDOOIEN VOORRUIT (MAX-DEF-functie)
Druk op de knop 📌: als de functie is ingeschakeld, gaan de leds boven de knoppen 📌, ⚙ en 📌 branden. Druk om de functie uit te schakelen nog een keer op de knop 📌 en controleer of de led op de knop uit gaat. Als het ontwasemen is voltooid, schakel dan de functie uit om optimaal comfortabele omstandigheden in stand te houden.
Beslaan van de ruiten voorkomen
De klimaatregeling ✦ is heel nuttig om het ontwasemen te versnellen: we raden u dan ook aan om deze functie onder zeer vochtige omstandigheden te gebruiken. Voer de volgende handelingen uit om beslaan te voorkomen:
☐ schakel de recirculatie uit (indien ingeschakeld);
□ draai de knop C naar de 2 snelheid;
□ draai de knop B naar ♦/.
Druk op de knop 550 om deze functie in te schakelen: het lampje op de knop gaat branden als deze functie wordt ingeschakeld.
Als deze functie wordt ingeschakeld, wordt bij sommige uitvoeringen ook de voorruit ontdooid in het gebied van de ruitenwisserbladen.
De functie schakelt automatisch uit na enige minuten of als nogmaals op de knop wordt gedrukt; de functie wordt ook uitgeschakeld als de motor wordt uitgeschakeld en niet opnieuw ingeschakeld als de motor weer wordt gestart.
WAARSCHUWING Plak geen stickers of andere plaatjes op de elektrische weerstandsdraden aan de binnenzijde van de achterruit, om beschadiging te voorkomen.
LUCHTRECIRCULATIE INSCHAKELEN
Druk op de knop : het lampje op de knop gaat branden als deze functie wordt ingeschakeld.
Wij raden u aan de recirculatiefunctie in te schakelen in de file of in tunnels. Hiermee wordt voorkomen dat vervuilde lucht het interieur bereikt. Het is niet raadzaam dit systeem langdurig te laten werken, omdat anders, vooral als u met meerdere personen in de auto zit, de kans aanzienlijk toeneemt dat de ruiten beslaan.
Het is echter niet raadzaam deze functie handmatig in te schakelen op regenachtige of koude dagen, omdat dan de ruiten aan de binnenzijde aanzienlijk sneller kunnen beslaan, vooral als de klimaatregeling niet is ingeschakeld.
WAARSCHUWING Met deze functie kan, afhankelijk van de gekozen werking („verwarmen“ of „koelen“) sneller het gewenste resultaat worden bereikt.
AIRCONDITIONING (snel koelen)
WAARSCHUWING De compressor can alleen worden ingeschakeld als de ventilatie is ingeschakeld.
Ga als volgt te werk:
□ draai de knop A helemaal linksom;
□ draai de draaiknop C naar de maximale snelheid;
□ draai de knop B in stand ➕;
□ druk op de knoppen ⚙ en ⬇ (de leds op de knoppen gaan branden).
Koeling constant houden
Ga als volgt te werk:
☐ schakel de recirculatie uit (wanneer ingeschakeld).
draai de knop A totdat de gewenste temperatuur is ingesteld;
□ draai de draaiknop C naar de gewenste aanjagersnelheid.
ONDERHOUD VAN HET SYSTEEM
Tijdens de winter moet de airconditioning ⚙ ten minste één keer per maand gedurende ongeveer 10 minuten worden ingeschakeld.
Voordat het zomerseizoen begint, moet de werking van het systeem nagekeken worden door het Alfa Romeo Servicenetwerk.

Als de accu wordt losgekoppeld/aangesloten, moet u ten minste 3 minuten wachten
voordat u de elektronische sleutel in het startsysteem steekt, zodat de klimaatregeleenheid de elektrische actuatoren voor de temperatuurregeling en de luchtverdeling in de beginstand kan zetten.
(voor uitvoeringen/markten, waar voorzien)
BESCHRIJVING
De auto is uitgerust met een klimaatregeling met gescheiden luchttemperatuurregeling, waardoor de interieurtemperatuur in twee zones kan worden geregeld, zodat het gewenste comfort kan worden bereikt.
Om de optimale temperatuur in twee zones in het interieur te regelen, is het systeem voorzien van een buitentemperatuursensor, een interieurtemperatuursensor en een dubbele zonlichtsensor.
De klimaatregeling werkt automatisch met behulp van de volgende parameters/functies:
□ luchttemperatuur naar uitstroomopeningen bestuurder-/passagierszijde;
□ aanjagersnelheid;
□ luchtverdeling bestuurders-/passagierszijde;
□ inschakelen compressor;
□ luchtrecirculatie.
De volgende parameters/functies kunnen handmatig worden gewijzigd/ingesteld:
□ gewenste temperatuur;
□ aanjagersnelheid;
□ luchtverdeling in 7 verschillende standen;
☐ in-/uitschakelen compressor;
□ ontwasemen/ontdooien ruiten;
□ luchtrecirculatie.
Het systeem is voorzien van AQS (Air Quality System) (voor uitvoeringen/markten, waar voorzien), dat de recirculatie automatisch inschakelt als vervuilde lucht wordt gesignaleerd, bijvoorbeeld tijdens het rijden in de stad, in een file en in tunnels.
Voor uitvoeringen/markten, waar voorzien, is in het systeem voorzien van een wasemsensor A-Afb. 38, die achter de binnenspiegel is gemonteerd. Deze sensor "controleert" een bepaald gebied aan de binnenzijde van de voorruit en bedient het systeem automatisch, zo dat wordt voorkomen dat de ruiten beslaan.

De sensor kan handmatig worden uitgeschakeld als de functie is ingeschakeld. De sensor wordt ingeschakeld telkens als de elektronische sleutel in het startsysteem wordt geplaatst en als de bestuurder op een van de knoppen AUTO drukt.

Breng om de werking van de sensor niet negatief te beïnvloeden geen stickers (zoals
tolvignetten en parkeerschijven) in het controlegebied tussen de sensor en de voorruit aan. Houd de sensor en de voorruit goed schoon en voorkom ophopen van stof en andere stoffen.
Bedieningsknoppen Afb. 39
A — drukknoppen luchtverdeling (links en rechts);
B — draaiknop temperatuurregeling links;
C — drukknop inschakeling automatische werking (AUTO);
D — display weergave informatie klimaatre-geling;
E — draaiknop temperatuurregeling rechts;
F — drukknop in-/uitschakelen achterruit-/spiegelverwarming;
G — drukknop inschakelen MAX-DEF-functie (snel ontwasemen/ontdooien voorruit, zijruiten voor, achterruitverwarming en buitenspiegelverwarming);
H – drukknoppen verhogen/verlagen aanjagersnelheid;

Afb. 39
A0G0155m
I – OFF-knop uitschakeling klimaatregeling;
L – drukknop in-/uitschakelen recirculatie;
M – drukknop in-/uitschakelen aircocompressor;
N - interieurtemperatuursensor
GEBRUIK VAN DE KLIMAATREGELING
De klimaatregeling kan worden ingeschakeld door op een knop (behalve 📊, 🐎 en OFF) te drukken; wij raden u aan te beginnen met het instellen van de gewenste temperatuur op het display en vervolgens de knop AUTO in te drukken.
Met de klimaatregeling kan de gewenste temperatuur door de bestuurder en passagiers afzonderlijk worden ingesteld.
TEMPERATUUR INSTELLEN
Draai de draaiknoppen (B/E) rechts- of linksom, om de gewenste temperatuur respectievelijk links (draaiknop B) of rechts (draaiknop E) in het interieur te verhogen of te verlagen. De ingestelde temperaturen worden op het display D weergegeven.
Als de draaiknoppen rechts- of linksvoor in de uiterste standen HI of LO worden gezet, worden respectievelijk de functies maximaal verwarmen of maximaal koelen ingeschakeld.
HI (HIGH)
(maximaal verwarmen)
Op het display kan een temperatuur hoger dan 32°C wordt ingesteld voor de bestuurderszijde of de passagierszijde of beide zijden; door deze instelling gaat het systeem werken als een niet gescheiden systeem en wordt de temperatuur op beide displays aangegeven.
Deze functie kan worden ingeschakeld als u het interieur zo snel mogelijk wilt verwarmen en gebruik wilt maken van het maximale vermogen van het systeem.
De functie maakt gebruik van de maximale koelvloeistoftemperatuur, terwijl de luchtverdeling en de aanjagersnelheid automatisch door het systeem worden geregeld.
Het verdient aanbeveling om deze functie niet in te schakelen als de motor nog koud is, om de toevoer van onvoldoende verwarmde lucht naar het interieur te voorkomen.
Als deze functie is ingeschakeld, zijn alle handmatige instellingen mogelijk. Om de functie uit te schakelen hoeft slechts de draaiknop (B of E) voor de temperatuur op een waarde lager dan 32 °C in te stellen; het andere display geeft de waarde 32 °C aan.
Als op de knop AUTO wordt gedrukt wordt op het display een temperatuur van 32 °C aangegeven en wordt de temperatuur automatisch geregeld.
Functie LO (LOW) (maximale koeling)
Als op het display een temperatuur lager dan 16 °C wordt ingesteld, wordt deze waarde op het display weergegeven. Deze functie kan worden ingeschakeld als u het interieur zo snel mogelijk wilt koelen en gebruik wilt maken van het maximale vermogen van het systeem.
De functie schakelt de luchtverwarming uit, schakelt de recirculatie (om de toevoer van warme lucht naar het interieur te voorkomen) en de aircocompressor in; de luchtverdeling wordt op ◀/▶ ingesteld. De aanjagersnelheid wordt automatisch door het systeem geregeld.
Als deze functie is ingeschakeld, zijn alle handmatige instellingen toegestaan. Om de functie uit te schakelen hoeft slechts de draaiknop (B/E) voor de temperatuur op een waarde hoger dan 16 °C in te stellen; het andere display geeft de waarde 16 °C aan.
Als op de knop AUTO wordt gedrukt wordt op het display een temperatuur van 16 °C aangegeven en wordt de temperatuur automatisch geregeld.
AUTOMATISCHE WERKING VAN DE KLIMAATREGELING
Als op de knop AUTO (bedieningsorganen voor en achter) wordt gedrukt, wordt AUTO op het display weergegeven; het systeem regelt automatisch:
□ de aanjagersnelheid;
□ de luchtverdeling in het interieur;
□ de interne recirculatie;
□ de circocompressor;
waarbij alle voorafgaande handmatige instellingen worden opgeheven.
AUTO verdwijnt van het display in de betreffende zone (bestuurders- of passagierszijde) als een handeling wordt uitgevoerd, behalve als de gewenste temperatuur wordt gewijzigd.
Het verdwijnt ook als het systeem (vooral als de compressor handmatig is uitgeschakeld) niet meer in staat is om de gewenste temperatuur te bereiken.
WAARSCHUWING In geval van opening van de kap gaat de werking van de klimaatregeling van automatische werking op handmatige werking over.

OPGELET
Bij lage buitentemperaturen raden wij u aan om de recirculatiefunctie niet te gebruiken, omdat hierdoor de ruiten sneller kunnen beslaan.
Druk op de knoppen +/- om de aanjagersnelheid te verhogen/verlagen.
De aanjagersnelheden wordt weergegeven door verlichte staafjes op het display:
□ minimumsnelheid = één staafje verlicht;
☐ maximumsnelheid = 6 staafjes verlicht.
In de startfase, als de klimaatregeling automatisch werkt, wordt de aanjagersnelheid teruggebracht tot de minimale waarde, totdat de motor is gestart.
Als de compressor is ingeschakeld en de motor gestart, kan de aanjagersnelheid niet meer lager worden dan de minimum snelheid.
De aanjager kan worden uitgeschakeld (geen enkel staafje verlicht), maar alleen als u de aircocompressor hebt uitgeschakeld met de knop ⚙️.
Voor het hervatten van de automatische werking van de aanjager na een handmatige instelling, moeten de knoppen AUTO worden ingedrukt.
SNEL ONTWASEMEN/ ONTDOOIEN VOORRUIT EN ZIJRUITEN VOOR (MAX-DEF-functie)
Druk op de knop om alle functies die nodig zijn voor het snel ontwasemen/ontdooien van de voorruit, de zijruiten voor en, bij sommige uitvoeringen, de voorruitverwarming die zich in het gebied van de ruitenwisserbladen bevindt, automatisch en tijdgeregeld in te schakelen.
De MAX-DEF-functie kan ook bij uitgeschakelde motor worden uitgevoerd. Als de functie is ingeschakeld, gaat de ronde led van de knop branden.
De handelingen die het systeem uitvoert bij ingeschakelde MAX-DEF-functie zijn:
□ uitschakeling van het paneel achter (voor uitvoeringen/markten, waar voorzien);
□ verhogen luchtopbrengst;
□ luchtverdeling in stand DEF;
□ toevoer van buitenlucht;
☐ inschakelen aircocompressor;
□ uitschakelen AQS-functie (indien aanwezig);
☐ inschakelen achterruitverwarming.
Als de MAX-DEF-functie is ingeschakeld, kan alleen de aanjagersnelheid handmatig worden aangepast en de achterruitverwarming worden uitgeschakeld..
WAARSCHUWING Als de motor nog niet voldoende warm is, wordt niet onmiddellijk de ingestelde aanjagersnelheid ingeschakeld, zo- dat de stroom onvoldoende verwarmde lucht naar het interieur voor het ontwasemen van de ruiten wordt beperkt.
Als opnieuw op een van de volgende knoppen wordt gedrukt: 📄, ⚙, AUTO of 📌: het systeem schakelt de MAX-DEF-functie uit, waarbij de voorwaarden vóór het inschakelen van de functie worden gereset én eventueel de laatst gevraagde functie wordt ingeschakeld.
WAARSCHUWING het verdient aanbeveling om de MAX-DEF-functie niet in te schakelen als de motor is uitgeschakeld, om te voorkomen dat de accu wordt ontladen.
Druk op de knop 555 om deze functie in te schakelen: de ronde led op de knop gaat branden als deze functie wordt ingeschakeld.
Als deze functie wordt ingeschakeld, wordt bij sommige uitvoeringen ook de vooruit ontdooid in het gebied van de ruitenwisserbladen.
De functie schakelt automatisch uit na enige minuten of als nogmaals op de knop wordt gedrukt; de functie wordt ook uitgeschakeld als de motor wordt uitgeschakeld en niet opnieuw ingeschakeld als de motor weer wordt gestart.
WAARSCHUWING Plak geen stickers of andere plaatjes op de elektrische weerstandsdraden aan de binnenzijde van de achterruit, om beschadiging van de achterruitverwarming te voorkomen.
IN-/UITSCHAKELEN AIRCOCOMPRESSOR
Druk op de knop ⚙ om de aircocompressor in te schakelen: de ronde led op de knop gaat branden als deze functie wordt ingeschakeld.
Druk nog een keer op de knop ⚙ om de compressor uit te schakelen.
Als de compressor is uitgeschakeld, controleert het systeem of de buitentemperatuur hoger of lager/gelijk is aan de gewenste temperatuur:
als de buitentemperatuur lager is dan de gewenste temperatuur, werkt het systeem normaal en kan het systeem ook de gewenste temperatuur instellen als de compressor niet is ingeschakeld;
☐ als de buitentemperatuur hoger is dan de gewenste temperatuur, kan het systeem niet aan het verzoek voldoen: in dat geval knipperen op het display de ingestelde temperaturen.
De controle (compressor uitgeschakeld en buitentemperatuur hoger dan de gewenste temperatuur) wordt uitgevoerd telkens als de elektronische sleutel in het startsysteem wordt geplaatst.

OPGELET
De compressor moet werken om de lucht te koelen en te drogen; het verdient daarom aanbeveling om deze functie altijd ingeschakeld te houden, om problemen met het beslaan van de ruiten te voorkomen.
LUCHTVERDELING INSTELLEN
Als de knoppen ⬆/⇨/→ worden ingedrukt, kan handmatig een van de 7 mogelijke luchtverdelingen in het interieur worden gekozen:
Luchtstroom naar de middelste uitstroomopeningen en de uitstroomopeningen aan de zijkant van het dashboard (lichaam passagier).
→ Verdeling van de luchtstroom tussen de uitstroomopeningen in de voetenruimte (warmere lucht) en de uitstroomopeningen in het midden en aan de zijkant van het dashboard (koelere lucht).
Luchtstroom naar de uitstroomopeningen in de voetenruimte. Met deze luchtverdeling kan in een zo kort mogelijke tijd de lucht in het interieur worden verwarmd door de juiste temperatuur in te stellen.
Verdeling van de luchtstroom tussen uitstroomopeningen in de voetenruimte en de luchtroosters voor het ontdooien/ontwasemen van de voorruit en de zijruiten voor. Deze verdeling zorgt voor een goede verwarming van het interieur en voorkomt dat de ruiten beslaan.
Luchtstroom uit de uitstroomopeningen voor ontwasemen/ontdooien van de voorruit en de zijruiten.
Verdeling van de luchtstroom tussen de uit-
stroomopeningen in het midden en aan
de zijkant van het dashboard en uit-
stroomopeningen voor ontwasemen/ont-
dooien van de voorruit en zijruiten voor.
Deze luchtverdeling zorgt voor een goede
ventilatie van het interieur en voorkomt het
eventuele beslaan van de ruiten.
Verdeling van de luchtstroom tussen alle uitstroomopeningen.
Voor het hervatten van de automatische werking van de luchtverdeling na een handmatige instelling, moet de knop AUTO worden ingedrukt.
IN-/UITSCHAKELEN RECIRCULATIE EN INSCHAKELEN AQS
(Air Quality System) (voor uitvoeringen/ markten, waar voorzien)
De luchtrecirculatie wordt als volgt geregeld:
□ automatische regeling; led „A“ op de knop gaat dan branden;
☐ geforceerd ingeschakeld (recirculatie altijd ingeschakeld); de ronde led om de knop gaat branden;
□ geforceerd uitgeschakeld (recirculatie altijd uitgeschakeld met toevoer van buitenlucht); de led om de knop gaat uit.
Met AQS (luchtkwaliteitsensor — voor uitvoeringen/markten, waar voorzien) wijkt de volgorde van de werking af als knop wordt ingedrukt.
WAARSCHUWING Met de recirculatie-functie kan, zowel bij verwarmen als koelen, veel sneller de gewenste situatie worden bereikt. Het is echter niet raadzaam deze functie in te schakelen op regenachtige of koude dagen, omdat dan de ruiten aan de binnen-zijde aanzienlijk sneller kunnen beslaan, vooral als de klimaatregeling niet is ingeschakeld. Het verdient aanbeveling om de luchtrecircula-tie in te schakelen in de file of in tunnels. Hier-mee wordt voorkomen dat vervuilde lucht het interieur bereikt. Het is niet raadzaam dit systeem langdurig te laten werken, omdat anders, vooral als u met meerdere personen in de auto zit, de kans aanzienlijk toeneemt dat de ruiten beslaan en de noodzakelijke luchtver-versing niet kan plaatsvinden.

De ruiten kunnen onder bepaalde klimaatomstandigheden beslaan, bijvoorbeeld bij een buitentemperatuur rond 0 °C, terwijl de recirculatie automatisch wordt geregeld. Druk in dat geval op de knop ⬇ om de recirculatie geforceerd uit te schakelen en druk eventueel op de knop + om de luchtstroom naar de voorruit te vergroten.

Bij een buifentemperatuur lager dan -1 °C kan de airco-compressor niet werken. Bij lage buitentemperaturen raden wij u aan om de recirculatiefunctie niet te gebruiken, omdat hierdoor de ruiten sneller kunnen beslaan.
Inschakeling AQS
(Air Quality System)
(voor uitvoeringen/markten, waar voorzien)
De functie AQS schakelt de recirculatie automatisch in als vervuilde lucht wordt gesignaleerd, bijvoorbeeld tijdens het rijden in de stad, in een file en in tunnels.
WAARSCHUWING Als AQS is ingeschakeld en de recirculatiefunctie is een bepaalde tijd ingeschakeld, staat de klimaatregeling gedurende ongeveer 1 minuut de toevoer van buitenlucht toe om de lucht in het interieur te verversen; hierbij wordt geen rekening gehouden met de vervuiling van de buitenlucht.
WAARSCHUWING Het AQS wordt uitgeschakeld bij een lage buitentemperatuur om te voorkomen dat de ruiten beslaan. De functie kan opnieuw worden ingeschakeld door op de knop te drukken; hierdoor gaat led „A” op de knop branden.
POLLENFILTER
MET ACTIEVE KOOLSTOF
De auto is voorzien van een pollenfilter met actieve koolstof. Dit filter heeft als taak om de lucht naar het interieur te zuiveren en stofdeeltjes, pollen enz. te verwijderen. Het filter is actief ongeacht de luchttoevoer en heeft het beste resultaat bij gesloten ruiten.
Laat de conditie van het filter minstens één keer per jaar bij het Alfa Romeo Servicenetwerk controleren; bij voorkeur aan het begin van de zomer. Als de auto voornamelijk in een vervuilde of stoffige omgeving wordt gebruikt, verdient het aanbeveling om de controle en vervanging vaker dan voorgeschreven in het Geprogrammeerd Onderhoudsschema te laten uitvoeren (zie het hoofdstuk „Voorzorgsmaatregelen en onderhoud”).

Als het filter niet tijdig wordt vervangen, vermindert de werking van de klijeling aanzienlijk, totdat ericht meer uit de uitstroomen stroomt.
KLIMAATREGELING UITSCHAKELEN
Druk op de knop OFF. De ronde led om de knop gaat branden om aan te geven dat het systeem is uitgeschakeld.
Met uitgeschakelde klimaatregeling:
☐ slaat het systeem de uitgevoerde handelingen op;
□ wordt het display uitgeschakeld;
☐ wordt de recirculatie ingeschakeld (led op de knop brandt);
□ wordt de compressor uitgeschakeld;
□ wordt de ventilatie uitgeschakeld.
Druk op de knop AUTO of een andere knop (behalve 340 en 2) om de klimaatregeling opnieuw in te schakelen. Als de klimaatregeling opnieuw wordt ingeschakeld, wordt de recirculatie weer automatisch geregeld.

Als de accu wordt losgekoppeld/aangesloten, moet u ten minste 3 minuten wachten voordat u de elektronische sleutel in het startsysteem steekt, zodat de klimaatregeleenheid de elektrische actuatoren voor de temperatuurregel- ing en de luchtverdeling in de begin- stand kan zetten.
EXTRA
VERWARMING
(alleen
dieseluitvoeringen)
(voor uitvoeringen/markten, waar voorzien)
De auto is voorzien van een extra verwarming, waarmee de motor, bij koude of in de winter, sneller een comfortabele temperatuur in het interieur kan bereiken.
De extra verwarming werkt bij draaiende motor als de buitentemperatuur lager is dan 20 °C en de motor nog niet de bedrijfstemperatuur heeft bereikt.
BUITENVERLICHTING
LINKER HENDEL Afb. 40
Met de linker hendel bedient u de buitenver- lichting.
De buitenverlichting werkt alleen als de elektronische sleutel in het startsysteem is geplaatst.
Verlichting uitgeschakeld
Draaiknop in stand 0.
Buitenverlichting
Draai de draaiknop A in stand ⚙. Op het instrumentenpaneel gaat het controlelampje ≧00 ≧ branden.
Dimlicht
Draai de draaiknop A in stand Ⓧ. Op het instrumentenpaneel gaat het controlelampje Ⓧ branden.

Grootlicht
Trek de hendel met draaiknop A in stand naar het stuur (2° onvergrendelde stand). Op het instrumentenpaneel gaat het lampje branden.
Trek, om het grootlicht uit te schakelen, de hendel opnieuw naar het stuur (2 a niet-vergrendelde stand).
Grootlichtsignaal
Trek, onafhankelijk van de stand van de draai-knop A, de hendel naar het stuur (1° niet vergrendelde stand). Op het instrumentenpaneel gaat het controlelampje ≡ branden.
Richtingaanwijzers
Zet de hendel in de vergrendelde stand:
omhoog: inschakeling rechter richting-aanwijzer;
omlaag: inschakeling linker richtingaanwijzer.
Op het instrumentenpaneel gaat het controle-lampje ⇔ of ⇒ knipperen.
De richtingaanwijzers schakelen automatisch uit als de auto weer rechtuit rijdt.
Als u van rijstrook wilt veranderen, kunt u dit aangeven door de linker hendel in de niet-ver-grendelde stand te zetten. De richtingaanwij-zers aan de gekozen zijde knipperen 3 keer en gaan vervolgens automatisch uit.
„FOLLOW ME HOME“ SYSTEEM
Met dit systeem kan de ruimte voor de auto een bepaalde tijd worden verlicht.
Inschakelen
Trek de hendel binnen 2 minuten na het uit- schakelen van de motor naar het stuur.
Bij iedere afzonderlijke bediening van de hendel wordt de ingeschakelde tijd van de verlichting met 30 seconden verlengd tot een maximum van 3,5 minuut. Na het verstrijken van deze tijd gaan de lichten automatisch uit.
Telkens als de hendel wordt bediend, gaat het lampje ≧0 0≦ op het instrumentenpaneel branden en wordt er een bericht op het display weergegeven (zie het hoofdstuk „Lampjes en berichten“).
Uitschakelen
Houd de hendel langer dan 2 seconden naar het stuur getrokken.
SENSOR AUTOMATISCHE KOPLAMPEN
(schemersensor)
(voor uitvoeringen/markten, waar voorzien)
Deze sensor is in staat om de verschillen in sterkte van het omgevingslicht waar te nemen op basis van de ingestelde gevoeligheid: hoe hoger de gevoeligheid, hoe minder buitenlicht er nodig is om de verlichting in te schakelen.
De gevoeligheid van de schemersensor instelbaar m. b. v. het „Setup-menu“ van het display (zie de paragraaf „Instelbaar multifunctioneel display“ in dit hoofdstuk).
Inschakelen
Draai de draaiknop A-Afb. 40 in stand Ⓔ: op deze manier gaan, afhankelijk van de sterkte van het buitenlicht, de buitenverlichting en de dimlichten automatisch branden.
Als de lichten automatisch zijn ingeschakeld en de sensor geeft een uitschakelcommando, wordt eerst het dimlicht uitgeschakeld en na enkele seconden de buitenverlichting.
Uitschakelen
Als de sensor het systeem uitschakelt, worden eerst de dimlichten en, na enige seconden, de buitenverlichting uitgeschakeld. De schemersensor is niet in staat om mist te signaleren. Daarom moet bij mist de verlichting handmatig worden ingeschakeld.
Storingsmeldingen
Bij een storing in de schemersensor wordt er een bericht op het display weergegeven (zie hoofdstuk „Lampjes en berichten”).

KNOPPEN OP HET DASHBOARD Afb. 41
Mistlampen voor
Druk op de knop Aom de mistlampen in te schakelen terwijl de buitenverlichting is ingeschakeld. Op het instrumentenpaneel gaat het lampje 30 branden. Het gaat uit als er nog een keer op de knop wordt gedrukt of als de buitenverlichting wordt uitgeschakeld.
Mistachterlichten
Druk op de knop B. De mistachterlichten werken alleen als het dimlicht is ingeschakeld. Op het instrumentenpaneel gaat het controlelampje Ⓕ branden. Het gaat uit als opnieuw op de knop wordt gedrukt, als het dimlicht of de mistlampen worden uitgeschakeld of als de motor wordt uitgeschakeld.
Parkeerlichten
Dit gaat bij een uitgeschakeld instrumentenpaneel branden als er op de knop C wordt gedrukt. Als de knop wordt ingedrukt, klinkt er een geluidssignaal en gaat het lampje 300 op het instrumentenpaneel branden.
Druk voor uitschakeling nogmaals op de knop.
Als de linker hendel van de buitenverlichting omhoog of omlaag wordt gezet terwijl de parkeerverlichting is ingeschakeld, kan de zijde (links of rechts) worden gekozen waar de verlichting moet blijven branden. In dit geval gaat het controlelampje ≡0 0≈ op het instrumentenpaneel uit.
Als de linker hendel in de middelste stand staat, gaan de vier lampen van de parkeerverlichting en de kentekenverlichting branden.

Waarschuwingsknipperlichten
Deze gaan branden als knop A-Afb. 42 wordt ingedrukt.
Als de verlichting brandt, gaat de knop knipperen en gaan de lampjes ⇔ en ⇒ tegelijkertijd op het instrumentenpaneel knipperen.
Druk nog een keer op de knop A om het systeem uit te schakelen.

OPGELET
Het gebruik van de waarschuwingsknipperlichten is afhankelijk van de wetgeving van het land waarin u zich bevindt. Houd u zich aan de voorschriften.
RUITEN REINIGEN
HENDEL RECHTS
De rechter hendel Afb. 43 bedient de ruitenwissers/-sproeiers en achterruitwisser/-sproeier.
Als de buitenverlichting brandt, worden bij het inschakelen van de ruitensproeiers ook de kop-lampsproeiers ingeschakeld.
Ruitenwissers/-sproeiers
De rechter hendel kan in vijf verschillende standen worden gezet:
0: ruitenwissers uitgeschakeld;
1: wissen met interval.
Verdraai, als de hendel in stand 1 staat, draai-knop op A, waarbij u uit vier intervalstanden kunt kiezen:
■= lang interval
■ = gemiddeld interval
■ = gemiddeld - snel interval
■ = snel interval

Afb. 43
2: continu langzaam wissen
3: continu snel wissen
4: tijdelijk snel wissen (onvergrendelde stand)
De functie in stand 4 blijft ingeschakeld zo- lang de hendel in deze stand wordt gehouden. Als de hendel wordt losgelaten, keert deze terug naar de beginstand 0 en stoppen de ruitenwissers automatisch.

Gebruik de ruitenwissers niet om opgehoopte sneeuw of ijs van de voorruit te verwijderen. In die omstandigheden grijpt, als de ruitenwissers te zwaar worden belast, de beveiliging in, die ervoor zorgt dat de ruitenwissers enkele seconden worden uitgeschakeld. Wend u zich tot het Alfa Romeo Servicenetwerk als de werking niet wordt hersteld.
„Intelligente wis-/wasregeling“
Als u de hendel naar het stuur trekt (onvergren-delde stand), schakelen de ruitensproeiers in.
Als u de hendel langer dan een halve seconde aangetrokken houdt, dan worden in één beweging de ruitenwissers/-sproeiers ingeschakeld.
Als u de hendel loslaat, stoppen de ruitensproeiers onmiddellijk terwijl de ruitenwissers nog 3 slagen maken. Na ongeveer 6 seconden volgt nog een extra reinigingsslag.

REGENSENSOR
(voor uitvoeringen/markten, waar voorzien)
De regensensor A-Afb. 44 bevindt zich achter de binnenspiegel en is een elektronisch systeem dat wordt gebruikt door het ruitenwissersysteem dat automatisch de slagfrequentie van de ruitwissers aanpast aan de intensiteit van de regen. Alle andere met de rechter hendel bediende functies blijven ongewijzigd.
De regensensor schakelt in als de rechter hendel in stand 1-Afb. 43 wordt gezet en heeft een traploos bereik van stilstaande ruitenwissers (geen enkele slag) bij een droge ruit tot werking met de tweede snelheid (continu met gemiddelde snelheid) bij hevige regen.
Als u de draaiknop A-Afb. 43 draait, dan wordt de gevoeligheid van de regensensor verhoogd, waardoor de overgang van stilstaande ruitenwissers bij een droge ruit, naar de eerste snelheid (langzaam continu wissen) sneller plaatsvindt. De handeling wordt bevestigd met een enkele slag van de ruitenwissers.
Als de ruitensproeiers worden bediend bij ingeschakelde regensensor (hendel in positie 1-Afb. 43) werkt het normale reinigingsprogramma. Daarna hervat de regensensor zijn normale automatische werking.
Als de elektronische sleutel uit het startsysteem wordt verwijderd, wordt de regensensor uitgeschakeld en als opnieuw wordt gestart niet ingeschakeld als de hendel in stand 1-Afb. 43 blijft staan. In dat geval moet, om de regensensor in te schakelen, de hendel in stand 0 of 2 en vervolgens opnieuw in stand 1 worden gezet.
Als de regensensor opnieuw wordt ingeschakeld wordt, ook op een droge ruit, een slag van de ruitenwissers uitgevoerd.
WAARSCHUWING Als de regensensor defect is, werken de ruitenwissers als de rechter hendel in stand 1-Afb. 43 staat in de intervalstand. Als de storing van de regensensor optreedt tijdens de automatische werking, blijft het systeem werken volgens de laatst ingestelde werking van de ruitenwissers. Als de hendel in de andere standen wordt gezet, blijven de ruitenwissers werken.
De regensensor is in staat om de volgende omstandigheden te herkennen en zijn gevoeligheid hieraan aan te passen:
☐ vuil op het controle-oppervlak (zoutaan-slag, vuil enz.);
□ verschil tussen dag en nacht.
Storingsmeldingen
Bij een storing in de regensensor wordt er een bericht op het display weergegeven (zie hoofdstuk „Lampjes en berichten”).

Schakel de regensensor niet in als de auto in een automatische wasstraat wordt en.

Schakel het systeem bij ijs-vorming op de voorruit uit.

Als er waterresten achterblijven, kunnen de ruitenwissers ongewenste bewe- maken.

OPGELET
Controleer als de voorruit moet worden schoongemaakt altijd of het systeem is uitgeschakeld.

KOPLAMPSPROEIERS (voor uitvoeringen/ markten, waar voorzien) Afb. 45
Deze zijn voorzien van een sproeier voor elke functie van de buitenverlichting. Ze gaan automatisch werken als de ruitensproeiers bij brandende buitenverlichting worden ingeschakeld.
WAARSCHUWING Contoleer regelmatig of de koplampsproeiers schoon en in goede staat zijn.
CRUISE CONTROL (snelheidsregelaar)
(voor uitvoeringen/markten, waar voorzien)
ALGEMENE INFORMATIE
De snelheidsregeling (CRUISE CONTROL) is een elektronisch systeem waarmee de auto met de gewenste snelheid blijft rijden, zonder dat het gaspedaal ingetrapt hoeft te worden. Hierdoor neemt de vermoeidheid af tijdens een rit op de snelweg, vooral bij lange ritten, omdat de opgeslagen snelheid automatisch in stand wordt gehouden.
WAARSCHUWING Het systeem kan alleen worden ingeschakeld met een snelheid tusen 40 en 190 km/h.

SYSTEEM INSCHAKELEN
Draai draaiknop A-Afb. 46 op 📞.
Het systeem kan niet worden ingeschakeld als de 1e versnelling of de achteruit is ingeschakeld; het verdient aanbeveling om het systeem te gebruiken in de 4e versnelling of hoger. Bij af- dalingen kan de snelheid bij een ingeschakelde cruise control iets hoger dan de opgeslagen snel- heid liggen.
Als de cruise-controle wordt ingeschakeld, gaat het lampje ⚫ op het instrumentenpaneel branden (bij sommige uitvoeringen wordt er ook een bericht op het display weergegeven) (zie het hoofdstuk „Lampjes en berichten“).
SNELHEID OPSLAAN
Ga als volgt te werk:
□ draai de draaiknop A-Afb. 46 in stand ⚙️ en trap het gaspedaal in tot de auto met de gewenste snelheid rijdt;
☐ druk de hendel omhoog (+) of omlaag (−) en laat de hendel los: de snelheid van de auto wordt opgeslagen en het gaspedaal kan nu worden losgelaten.
Indien nodig (bijvoorbeeld bij inhalen) kan de snelheid simpel verhoogd worden door het intrappen van het gaspedaal: als u daarna het gaspedaal loslaat, wordt teruggekeerd naar de opgeslagen snelheid.
Als het systeem is uitgeschakeld door bijvoorbeeld het intrappen van het rem- of koppelingspedaal, kan de opgeslagen snelheid op de volgende manier worden opgeroepen:
☐ geef geleidelijk gas totdat de snelheid ongeveer gelijk is aan de opgeslagen snelheid;
☐ schakel de versnelling in die ingeschakeld was op het moment van het opslaan van de snelheid (vierde versnelling of hoger);
☐ druk op de knop RES (op het uiteinde van de hendel).
Dit kan op twee manieren:
□ trap het gaspedaal in sla vervolgens de nieuwe snelheid op;
of
☐ plaats de hendel omhoog (+).
Telkens als de hendel wordt bediend, wordt de snelheid met ongeveer 1,5 km/h verhoogd; als de hendel omhoog wordt gehouden, wordt de snelheid traploos gewijzigd.
Dit kan op twee manieren:
☐ schakel het systeem uit en sla vervolgens de nieuwe snelheid op;
of
□ zet de hendel omlaag (—) totdat de nieuwe snelheid is bereikt die automatisch wordt opgeslagen.
Telkens als de hendel wordt bediend, wordt de snelheid ongeveer 1,5 km/h verlaagd. Als de hendel omlaag wordt gehouden, wordt de snelheid traploos gewijzigd.
SYSTEEM UITSCHAKELEN
Het systeem wordt in de volgende gevallen uitgeschakeld:
☐ door knop A-Afb. 46 in stand O te zetten;
☐ schakel de motor uit of haal de elektronische sleutel uit het startsysteem;
□ intrappen van het rempedaal, intrappen van het koppelingspedaal (in deze gevallen blijft de snelheid opgeslagen en kan deze worden opgeroepen met de knop RES);
□ intrappen van het gaspedaal: in dit geval wordt het systeem slechts tijdelijk uitgeschakeld; als het pedaal wordt losgelaten, schakelt het systeem automatisch opnieuw in;
als de voertuigsnelheid lager wordt dan de limiet (in dat geval blijft de laatst opgeslagen snelheid bewaard en kan worden opgeroepen door de knop RES in te drukken);
Automatische uitschakeling van de cruise control
De cruise control wordt tijdelijk uitgeschakeld als het ABS of VDC ingrijpt (na een maximaal toegestane tijd): in dit geval blijft de laatste opgeslagen snelheid bewaard en kan worden opgeroepen door knop RES in te drukken.
Bij een storing van de cruise control of het motormanagementsysteem wordt het systeem uitgeschakeld totdat de elektronische sleutel uit het startsysteem wordt verwijderd. Wend u zich in dit geval tot het Alfa Romeo Servicenetwerk.
Het systeem wordt ook automatisch uitgeschakeld als de knop A of RES onjuist of per ongeluk wordt bediend: in dat geval kan het systeem weer worden ingeschakeld door de auto met de gewenste snelheid te laten rijden en de hendel omhoog (+) of omlaag (−) te plaatsen.

OPGELET
Bij een storing of defect van de cruise control moet de draaiknop A-Afb. 46 in stand O worden gezet. Controleer de zekering en laat het systeem door het Alfa Romeo Servicenetwerk controleren.

OPGELET
Als de cruise control tijdens het rijden is ingeschakeld, mag u de versnellingspook nooit in de vrijstand zetten.
PLAFONDVERLICHTING
PLAFONDLAMPJE VOOR Afb. 47
Druk op de volgende knoppen:
A: om de instapverlichting bestuurderszijde in/uit te schakelen;
B: om de verlichting in het midden in/uit te schakelen;
C: om de instapverlichting passagierszijde in/uit te schakelen.
Als u langer op de knop B drukt, gaan alle lampjes van de plafondverlichting uit. De uitschakeling wordt ook aangegeven via een geluidssignaal. Druk, om de verlichting opnieuw in te schakelen, kort op knop B.

Afb. 47
A0G0225m
WAARSCHUWING Als per ongeluk een portier geopend blijft, doven na enige minuten de plafondlampjes en de instapverlichting automatisch. Open een ander portier of sluit en open hetzelfde portier om de verlichting opnieuw in te schakelen.

De verlichting A-Afb. 48 in de portieren gaat branden als het portier wordt geopend, ongeacht de stand van de elektronische sleutel.
Als het portier ongeveer 3 minuten geopend blijft, dooft de verlichting automatisch.
In de tabel wordt het in- en uitschakelen van de plafondverlichting en de bediening samengevat:
| Gebeurtenis | Wijze van in-/uitschakelen plafondverlichting |
| Openen van een portier | Inschakeling licht gedurende enkele minuten. De tijdregeling wordt opnieuw gestart als een willekeurig portier wordt geopend |
| Sluiten van alle portieren | Elektronische sleutel verwijderd uit startsysteem:de verlichting blijft nog gedurende 10 seconden branden.Deze tijdregeling wordt onderbroken als de elektronische sleutel in de opening wordt gestokenMotor starten: licht uitschakelen |
| Verwijderen van de elektronische sleutel uit het startsysteem | Inschakeling licht gedurende 10 seconden |
| Portiervergrendeling | Licht uitschakelen |
| Portieren ontgrendelen | Inschakeling licht gedurende 10 seconden |
| Ingrijpen brandstofnoodschakelaar | Inschakeling licht gedurende enkele minuten. Als de brandstofnoodschakelaar opnieuw wordt geactiveerd, gaat het licht uit. |
In alle gevallen die in de tabel worden beschreven, wordt het licht progressief in-/uitgeschakeld, met een duur van ongeveer 2 seconden.
BEDIENINGS- KNOPPEN
BRANDSTOF- NOODSCHAKELAAR EN ELEKTRISCHE VOEDING
De auto is voorzien van een beveiligingsschakelaar, die bij een botsing in werking treedt en de brandstoftoevoer onderbreekt, waardoor de motor afslaat.
Bij enige uitvoeringen is bovendien een extra beveiligingsschakelaar aanwezig, die bij een botsing de elektrische voeding onderbreekt.
Op deze wijze wordt het lekken van brandstof als gevolg van gebroken leidingen voorkomen; ook worden vonken en elektrische ontladingen voorkomen als gevolg van beschadigde elektrische componenten van de auto.
WAARSCHUWING Vergeet niet na de bot-sing de elektronische sleutel uit het contact-slot te nemen om te voorkomen dat de accu ontladt.

OPGELET
Als u na een ongeval een brandstoflucht ruikt of merkt dat het brandstofsysteem lekt, schakel het systeem dan niet in om brand te voorkomen.
Portierontgrendeling bij een ongeval
Bij een botsing waarbij de brandstofnoodschakelaar wordt ingeschakeld, worden de portieren automatisch ontgrendeld, zodat het interieur van buitenaf kan worden bereikt en gaat tegelijkertijd het interne licht aan. U kunt de portieren echter altijd van binnenuit openen met behulp van de daarvoor bestemde bedieningshendels. Als er na een botsing geen brandstoflekkage of beschadigingen aan de elektrische systemen van de auto (bijvoorbeeld de koplampen) worden gesignaleerd en er kan met de auto worden gereden, schakel de brandstofnoodschakelaar en de voedingsonderbreekschakelaar (voor uitvoeringen/markten, waar voorzien) dan weer in door de hierna aangegeven procedure uit te voeren.

OPGELET
Als de portieren vanuit het interieur centraal zijn vergrendeld en de brandstofnoodschakelaar na een botsing niet in staat was om de portieren automatisch te ontgrendelen, kan de auto niet van buitenaf worden geopend. Het van buitenaf openen van de portieren hangt bovendien af van de staat van de portieren na een ongeval: als een portier beschadigd is, kan het mogelijk niet worden geopend. Probeer in dat geval het andere portier van de auto te openen.

Brandstofnoodschakelaar opnieuw inschakelen

OPGELET
Controleer voordat de brandstofnoodschakelaar
opnieuw wordt ingeschakeld zorgvuldig of er geen brandstof lekt en of de elektrische systemen (bijvoorbeeld dat van de koplampen) niet zijn beschadigd.
Inschakeling van de elektrische brandstofnoodschakelaar
(voor uitvoeringen/markten, waar voorzien)

OPGELET
Controleer voordat de voedingsonderbreekschakelaar weer wordt ingeschakeld zorgvuldig of er geen brandstof lekt en of de elektrische systemen (bijvoorbeeld de koplampen) niet zijn beschadigd.
De schakelaar bevindt zich in de zekeringenkast op de pluspool van de accu.
Ga voor het opheffen van de werking van de voedingsonderbreekschakelaar als volgt te werk:
□ druk op de knop A-Afb. 49 om de brandstofnoodschakelaar opnieuw in te schakelen;
□open de motorkap;
☐ maak de borgveren A-Afb. 50 los en verwijder het beschermdeksel B;
□ druk op de knop C-Afb. 51 om de voedingsonderbreekschakelaar opnieuw in te schakelen
Druk om de brandstofnoodschakelaar weer in te schakelen op de knop A-Afb. 49.
INTERIEUR- UITRUSTING
MIDDELSTE ARMSTEUN
Deze bevindt zich tussen de voorstoelen. De armsteun is voorzien van een koel-/warmhoudvak (voor uitvoeringen/markten, waar voorzien) (zie de volgende paragraaf).

Opbergvak
Druk op knop A-Afb. 52 en til het deksel B op om het te bereiken.

Koel- en warmhoudvak
(voor uitvoeringen/markten, waar voorzien) Deze bevindt zich in de middelste armsteun. Met de draaiknop A-Afb. 53 kan de hoeveelheid lucht naar het opbergvak worden geregeld.
WAARSCHUWING Het koel-/warmhoud-vak houdt dranken die van tevoren zijn opgewarmd/gekoeld op temperatuur.

Probeer geen vloeistof te morsen in het vak.

DASHBOARDKASTJE
Open het kastje met behulp van de greep A-Afb. 54. Als het kastje wordt geopend, gaat er in het kastje een lampje branden. Als u vergeet het kastje te sluiten, gaat de verlichting na enkele minuten automatisch uit. Op de klep kan een pen of een potlood worden bevestigd.

Rijd niet met een geopend dashboardkastje: bij een ongeval zou de passagier zich
kunnen verwonden.

ASBAK EN AANSTEKER
Asbak
Til het deksel op om toegang te verkrijgen A-Afb. 55. De asbak kan worden verwijderd: trek de asbak naar boven om deze te verwijderen.
WAARSCHUWING Gebruik de asbak niet als prullenbak: papiertjes en dergelijke kunnen door peuken in brand raken.
Aansteker
Deze bevindt zich in de asbak. Til het deksel op om toegang te verkrijgen A-Afb. 55.
Druk, om de sigarenaansteker in te schakelen, de knop B in, als de sleutel in het startsysteem is geplaatst.
WAARSCHUWING Controleer altijd of de aansteker na het indrukken ook uitschakelt.
WAARSCHUWING De aansteker wordt erg heet. Gebruik de aansteker voorzichtig en voor- kom dat hij gebruikt wordt door kinderen: risico van brand en/of brandwonden.
WAARSCHUWING Sluit op de aansteker geen verbruikers aan met een hoger vermogen dan 100W.
WAARSCHUWING Als er apparaten met een te grote stekkeraansluiting worden gebruikt, kunnen de lipjes van het contact voor de sigarenaansteker beschadigd raken.

Sluit geen accessoires met een hoger vermogen dan is aangegeven op de sigarenaanstekers/contacten aan. Als er langdurig stroom wordt gevraagd, kan de accu leeglopen; hierdoor start de motor niet meer.

De zonnekleppen zitten aan beide zijden naast de binnenspiegel.
Ze kunnen voor de voorruit worden gedraaid.
OPBERGVAKKEN
Deze bevinden zich op de tunnelconsole Afb. 56 en Afb. 57, op de portieren Afb. 58 en achter de zitplaatsen Afb. 59. Deze laatste beschikken over een klepje met slot: om het klepje te openen A-Afb. 59 moet de metalen baard van de elektronische sleutel in het slot B worden gestoken.
DE KAP
De auto is voorzien van een elektrische kap met automatische bediening, voorzien van een 3-laags doek met verwarmd glas (achterruit-verwarming).
De kap vormt een combinatie van zekere beveiliging tegen het weer met een eenvoudig en comfortabel gebruik.
Hierna volgen enkele nuttige tips, om volledig van het gebruik van uw auto te kunnen genieten:
als u de auto parkeert, raden wij u aan de kap te sluiten. Als de kap is gesloten, wordt het interieur niet alleen beschermd tegen de weersomstandigheden, maar ook tegen diefstal;
□ ook als de kap is gesloten, raden wij u aan waardevolle voorwerpen in de bagageruimte te leggen en de achterklep te vergrendelen.
Bij hoge snelheden, vormt er zich een onderdruk in het interieur die een „ruis“ van de kap zou kunnen veroorzaken: in dat geval de luchttoevoer naar het interieur activeren/verhogen om de druk tot een passend niveau terug te brengen.
WAARSCHUWING Met „Opening kap“ wordt de openingshandeling van het „dak“ van de auto bedoeld, waarbij de kap wordt dichtgevouwen in het daarvoor bestemde opbergvak achter. De omgekeerde handeling wordt aangegeven met „Sluiting kap“.
VOORZORGSMAATREGELEN/ WAARSCHUWINGEN AANGAANDE HET GEBRUIK VAN DE KAP
Geen inrichtingen voor het vervoer van bagage aan de kap bevestigen.
De kap niet bedienen wanneer de omgevingstemperatuur lager is dan 0 °C en het eventuele ijs dat zich gevormd heeft niet met scherpe voorwerpen verwijderen.
Niet reizen met de klep die de kap afdekt open of met de kap in tussenstand: dit kan leiden tot schade of verwondingen.
Zet geen voorwerpen op de kap: als de kap wordt bediend, kunnen deze voorwerpen vallen en schade of letsel veroorzaken.
Als u het voertuig langere tijd buiten parkeert, moet u de kap met een beschermdoek afdekken.
DE KAP AFSPOELEN/WASSEN
De doek van de kap is met een speciaal waterafstotend en waterdicht product behandeld.
Na verloop van tijd en als gevolg van de weersomstandigheden nemen de waterafstotende eigenschappen af en daarom raden wij u het volgende aan bij het wassen van de kap:

Verwijder vogelpoep meteen van de kap, omdat er anders ernstige schade aan de stof
kan ontstaan omdat dit in de stof kan bijten.

De kap niet wassen met behulp van automatische wasapparaten, wasapparaten met rollen of hogedrukpompen, omdat deze de vezels van de stof kunnen beschadigen, waardoor de vochtwerende kenmerken eerder verloren gaan.

Geen alcohol, benzine, chemische producten, wasmiddelen en poetsmiddelen
gebruiken.
Als u de kap gaat wassen, moet u het vuil op de oppervlakken eerst met een zachte borstel of stofzuiger verwijderen. Het eindresultaat wordt hierdoor aanzienlijk beter.
Voor het wassen kunt u (waar mogelijk in de schaduw) water en een milde zeepoplossing op een spons gebruiken. Als u alle vuil hebt verwijderd, moet u de kap met schoon water afspoelen (niet met drukwaterstraal).

Laat de zeep niet te lang op de kap zitten om vlekken en kringen te voorkomen; spoel de kap meteen af en herhaal dit waar nodig.
Als u de kap hebt gewassen, moet u de auto in de schaduw laten drogen, niet in direct zonlicht.
Waterdichtheid van de kap
Gebruik uitsluitend het waterdichte product aanbevolen door Fiat Auto.

Het is voor een optimaal resultaat belangrijk dat een impregneerproduct volgens de instructies op de verpakking wordt gebruikt.

De rubberen pakkingen van de kap mogen alleen met water worden gewassen. Als de rubberen pakkingen droog zijn of loskomen, breng dan talkpoeder aan of speciale producten voor rub- ber (siliconenspray).
Het wordt aanbevolen de kap niet in het opbergvak terug te plaatsen, om schimmelvorming of beschadigingen te voorkomen.
Zorg dat de kap niet langdurig wordt ingeklapt, om vouwen en lelijke plekken in het doek te voorkomen.
Controleer voordat u de kap bedient of er voldoende ruimte is om de kap uit te klappen en of er geen obstakels of personen in de buurt van de bewegende onderdelen van de kap aanwezig zijn.

OPGELET
Houd uw handen uit de buurt van de stangen van van de houder ervan, van enkant van de voorruit en kap en kapafdekking, tijdens men en sluiten of als de gekap stilstaat terwijl de cy-niet is voltooid, omdat hier- made of letsel kan ontstaan. In meer informatie de waar-ing achter op de zonneklep (sagierszijde).

OPGELET
Houd kinderen tijdens het openen of sluiten uit de
buurt van het draaigebied van de kap.
DE KAP WASSEN
Vogeluitwerpselen dienen zo snel en zo goed mogelijk van de lak verwijderd te worden, omdat door de agressieve bestanddelen de lak kan beschadigen.
Normaal vuil
Gebruik een zachte borstel of een speciale spons voor de reiniging van de auto en schoon water werkende in de richting van het weefsel naar de achterkant van de auto.
Vervolgens voorzichtig afspoelen met schoon water en de doek in de open lucht laten drogen. De kap mag niet worden afgedroogd met zeemleer of iets dergelijks.
Duidelijk aanwezig vuil/vlekken
Gebruik een specifiek product voor het wassen van stoffen of vloeibare zeep voor het wassen van de handen met schoon water, steeds werkende in de richting van het weefsel naar de achterkant van de auto toe.
Vervolgens voorzichtig afspoelen met schoon water en de doek in de open lucht laten drogen. De kap mag niet worden afgedroogd met zeemleer of iets dergelijks.
Aanbevelingen
☐ De kap niet wassen met hogedrukwaterstraal.
□ Geen petroleum, alcohol of andere oplos-middelen gebruiken om de stof schoon te maken.
□ Geen sneeuw of ijs verwijderen met behulp van scherpe instrumenten (bijv. borstel om het ijs van de ruiten te verwijderen).
☐ De kap niet in het opbergvak terugplaatsen, als de stof niet helemaal droog is, om vlekken te voorkomen.
☐ De auto niet in een automatisch was-apparaat met borstels wassen.
KAP OPENEN/SLUITEN
Waarschuwingen
Bij de handelingen voor openen/sluiten dient u zich strikt te houden aan hetgeen hieronder wordt aangegeven:
☐ De kap alleen bij stilstaande auto bedienen, aangezien het niet is toegestaan de kap te openen/sluiten als de auto rijdt (op het display worden hoe dan ook een bericht + waarschuwingssymbool voor de bestuurder weergegeven). Als per ongeluk een activeringspoging wordt gedaan bij rijdende auto, wordt de manoeuvre automatisch verhinderd.
Als de activering van de kap begonnen is met stilstaande auto en de auto vervolgens wordt gestart, kan het opgestarte proces alleen worden voltooid door de auto opnieuw stop te zetten.
□Wanneer de kap wordt bediend door het indrukken van de knop C-Afb. 61, en in een willekeurige tussenstand wordt gelaten, ook met elektronische sleutel uit het startsysteem verwijderd, doen zich onderstaande condities voor:
— na 12 minuten, door te drukken op de knop C-Afb. 61 is het mogelijk de kap alleen te sluiten;
— na nog 3 minuten, door te drukken op de knop C is het niet meer mogelijk de kap te openen of te sluiten. Om de kap weer normaal te kunnen bedienen door middel van de knop C is het noodzakelijk ten minste 10 minuten te wachten, met elektronische sleutel uit het start-systeem verwijderd, zodat het bedieningssysteem kan afkoelen.

Aan het begin van de openings- of sluitingshandeling van de kap, altijd controleren of de ruiten van de portieren automatisch iets omlaag gaan („short drop“). In het tegenovergestelde geval de active-ringsknop van de kap loslaten C-Afb. 61 en de ruiten van beide deuren omlaag bewegen door de betreffende knoppen te bedienen, of de deuren iets te openen. Mocht de storing voortduren, oftewel de ruiten niet gedeeltelijk omlaag gaan voor het bedienen van de kap, wend u zich dan tot het Alfa Romeo Servicenetwerk.
☐ Om de accu niet teveel te belasten, de kap indien mogelijk alleen met ingeschakelde motor activeren.
Alvorens de kap te sluiten, eventuele „vreemde lichamen“ van het frame van de voorruit verwijderen, die het sluiten ervan kunnen verhinderen.
☐ Houd u zich aan de eerdergenoemde veiligheidswaarschuwingen.
☐ De bedieningsmanoeuvre van de kap wordt automatisch verhinderd door het niet sluiten van de bagageruimte. In elk geval controleren of deze gesloten is, alvorens de manoeuvre uit te voeren.
Door te drukken op de knop C-Afb. 61 gaan de zijruiten iets naar beneden.

Afb. 62
A0G0280i
De knop C ingedrukt houden in de modus die overeenkomt met het gewenste type active ring (opening of sluiting) gedurende de hele handeling. De manoeuvre wordt aangegeven door de weergave van een bericht + symbool op het display (Afb. 62).
De voltooiing van de manoeuvre wordt aangegeven door een akoestisch signaal („beep“) en door de weergave van een bericht + symbool op het display.
Onderbreking openings-/sluitingsmanoeuvre
Door het loslaten van de knop C-Afb. 61 tijdens de openings-/sluitingsmanoeuvre wordt de beweging van de kap meteen automatisch onderbroken. In dit geval wordt er een bericht + waarschuwingssymbool op het display weergegeven.
De openings-/sluitingshandeling kan worden voortgezet door na enkele minuten opnieuw op de knop te drukken in de gewenste richting (opening of sluiting).

Vanuit de positie voortvloeiende uit de „short drop“ worden de zijruiten van de portier weer gesloten door de knop ingedrukt te houden na voltooiing van de manoeuvre voor volledige opening of sluiting van het dak. De zijruiten daarom niet sluiten door middel van de betreffende activeringstoetsen voor de volledige sluiting, anders is de perfecte grip van de zijruiten op de rubberen pakkingen van de kap niet gegarandeerd.

Zonodig kan de kap handmatig gesloten worden, waarbij u als volgt te werk gaat:
□ open het opbergvak dat zich achter de rechterstoel bevindt;
□ bedien de kabel A-Afb. 63. De kabel is uitgerust met een aansluitoog, dat kan worden geactiveerd door middel van de bijgeleverde schroevendraaier, waarmee de noodklep voor vrijgave van de hydraulische installatie geopend kan worden. Bovendien is er een kaartje aanwezig met de waarschuwingen om accidentele activeringen van de kabel zelf te voorkomen;





□gebruik de speciale steeksleutel die zich in de bagageruimte bevindt en de bijgeleverde schroevendraaier (Afb. 67) en draai de moer om de sloten van de klepafdekking te openen (een kwart slag rechtsom met de klok mee); □sluit de bagageruimte en open vervolgens met de hand de klepafdekking A-Afb. 68. Controleer of in de openingsfase, door te draaien, de kapafdekking geen schade aanbrengt aan de bagageruimte in de centrale zone. Mocht er collisiegevaar bestaan, een neerwaartse kracht uitoefenen op de achterklep, in de zone van mogelijk contact, om de rotatie ervan mogelijk te maken;
☐maak de bagageruimte open door te drukken op de toets A-Afb. 64 of open, indien niet mogelijk, het opbergvak dat zich achter de linkerstoel bevindt en bedien de kabel voor de handmatige opening van de bagageruimte A-Afb. 65; ☐trek aan de lip A-Afb. 66 op de verticale profilering van de bagageruimte om toe gang te kunnen verkrijgen tot de schroeven voor opening/sluiting van de sloten van de kap;

□gebruik de speciale steeksleutel die zich in de bagageruimte bevindt en de bijgeleverde schroevendraaier (Afb. 70) en draai de moer om de voorste sloten van de kap te sluiten (een kwart slag rechtsom tegen de klok in);
□klap de vleugelkleppen in door te draaien aan de hefboom A-Afb. 71 op de pin tot het dode punt;
□til langzaam de boog van de kap op Afb. 72 en laat vervolgens de kapafdekking zakken A-Afb. 68;
☐laat de boog van de kap zakken Afb. 73
en open vervolgens de bagageruimte;
□sluit de kapafdekking met de sleutel (zie Afb. 67);

□sluit de boog door druk uit te oefenen vanuit de binnenkant van het interieur op de hendels Afb. 74 (zowel rechts als links) om ervoor te zorgen dat ze het dode punt voor de blokkering van de boog zelf voorbijgaan, waarbij u ervoor zorgt van beneden naar boven te drukken, in het punt aangeduid door het symbool / op de interne bekleding van de kap.

WAARSCHUWING Als al deze handelingen voltooid zijn, wend u zich dan hoe dan ook tot het Alfa Romeo Servicenetwerk voor de noodzakelijke werkzaamheden voor het herstel van de functionaliteit van de kap.
Opening kap
Om de noodopening van de kap uit te voeren, dient u zich tot het Alfa Romeo Servicenetwerk te wenden.

(voor uitvoeringen/markten, waar voorzien)
Geplaatst achter de stoelen Afb. 75, wordt het rijcomfort bij alle snelheden verbeterd doordat de luchtturbulentie die in het interieur wordt gecreëerd bij het rijden met „open dak” beperkt wordt.

OPGELET
De montage/demontage- werkzaamheden van de wind stopper moeten worden uitgevoerd met de klap ingeklapt in het daarvoor bestemde vak en met open deksel van het vak voor de kap.

Montage
Voer de volledige manoeuvre voor de opname van de kap in haar bak uit, door de knop C-Afb. 61 te activeren.
Ga als volgt te werk:
☐ Breng de kapafdekking in geopende positie tot stilstand (wanneer de kap zich in de bak bevindt) om toegang te kunnen verkrijgen tot de bevestigingen van de twee doppen in de sleufvormige openingen van de profilering op de bovenwand tussen de Roll Bars, en toegankelijk vanuit de achterwand van die bak.

Open de twee klepjes door aan de betreffende lippen te trekken A-Afb. 76 en schroef de twee bevestigingsknoppen van de doppen los. Verwijder de doppen en plaats de Wind stopper in de twee horizontale sleufvormige openingen B-Afb. 77 en in de twee zijdelingse sleufvormige openingen C aangebracht op de roll bars en controleer de juiste plaatsing.
□Draai de twee bijgeleverde knoppen vast en sluit de kapafdekking opnieuw door de knop C-Afb. 61 te activeren.
Demontage
Ga als volgt te werk:
Open de kapafdekking en breng deze tot stilstand in geopende positie, om toegang te verkrijgen tot de klepjes op de achterwand van het opbergvak voor de kap (wanneer de kap zich in haar bak bevindt).
Open de klepjes op de bekledingen van de voorste profilering, schroef de knoppen los en verwijder de Wind stopper, door deze op te bergen in het daarvoor gemaakte opbergvak op de voorwand van het opbergvak Afb. 78.
Plaats de doppen weer terug in de horizontale sleufvormige gaten en draai ze opnieuw vast. Maak vervolgens de sluitingscyclus van de kap af.

OPGELET Om veiligheidsredenen mag de inrichting, indien gede- d, niet in het interieur wor- laatst.
Vastzetten van de lading
Plaats de Wind stopper in het vak voorzien op de voorwand van het opbergvak Afb. 78, waarbij u controleert of deze juist in haar zitting is geplaatst en u de sluitingscyclus van de kap voltooit.
WAARSCHUWING Tijdens de werkzaamheden van montage/demontage/vastzetten van de „wind stopper“ dient u bijzonder voorzichtig te zijn, zodat deze niet beschadigd wordt.

OPGELET
Mocht het noodzakelijk blijken te zijn voorwerpen achter de stoelen van de auto te laden, dan moeten deze licht zijn, kleine afmetingen hebben en opgestapeld niet boven de bovenrand van de rugleuningen uit komen.
PORTIEREN
PORTIEREN CENTRAAL VER-/ONTGRENDELEN
Portiervergrendeling van buitenaf
Druk met gesloten portieren op de knop op de elektronische sleutel of steek de metalen baard (in de sleutel) in het portierslot aan de bestuurderszijde en draai de sleutel.
Alleen als alle portieren gesloten zijn, wordt de portiervergrendeling ingeschakeld.
Als één of meer portieren zijn geopend, dan gaan na het indrukken van de knop op de elektronische sleutel de richtingaanwijzers en de LED op het bestuurdersportier gedurende 3 seconden snel knipperen.
Als één of meer portieren zijn geopend nadat de metalen baard van de elektronische sleutel is gedraaid, gaat alleen de LED op het bestuurdersportier snel gedurende ongeveer 3 seconden snel knipperen.
Als alle portieren zijn gesloten, maar de bagageruimte is geopend, dan worden de portieren vergrendeld: de richtingaanwijzers (druk om alleen te vergrendelen op de knop 🔒) en de LED op het bestuurdersportier knipperen snel gedurende ongeveer 3 seconden.
Via het „Setup-menu“ (of bij sommige uitvoeringen via het radio-/navigatiesysteem) van de auto kan een functie worden geactiveerd, waardoor, als de knop op de elektronische sleutel wordt ingedrukt, alleen het bestuurdersportierslot wordt ontgrendeld (zie de paragraaf „Instelbaar multifunctioneel display“ in dit hoofdstuk).

Als de functie is ingeschakeld (ON), kan het slot van het portier worden ontgrendeld door op de knop (Afb. 79) op de middenconsole te drukken.
Portierontgrendeling van buitenaf
Druk op de knop 📋 op de elektronische sleutel of steek de metalen baard (in de sleutel) in het portierslot aan de bestuurderszijde en draai de sleutel.
Ver-/ontgrendeling van het portier van binnenuit
Druk op de knop (Afb. 79) om alle portieren te ver-/ontgrendelen. De knop is voorzien van een ronde LED die de status aangeeft (portieren vergrendeld of ontgrendeld).
Als de portieren zijn vergrendeld, brandt de LED: als er dan opnieuw op de knop wordt gedrukt, worden de portieren centraal ontgrendeld en gaat de LED uit. Als de sleutel wordt verwijderd, gaat de LED na ongeveer 2 minuten uit.
Als de portieren zijn ontgrendeld, is het lampje gedoofd; als de knop wordt ingedrukt, worden alle portieren vergrendeld. Alleen als alle portieren goed gesloten zijn, wordt de portiervergrendeling ingeschakeld.
Met het „Setup-menu“ (of bij sommige uitvoeringen met het radio-/navigatiesysteem) van de auto kan het automatisch vergrendelen van de portieren bij een snelheid hoger dan 20 km/h worden geactiveerd (zie de paragraaf „Instelbaar multifunctioneel display“ in dit hoofdstuk).
De knop wordt uitgeschakeld als de portieren worden vergrendeld met de afstandsbediening, met het vergrendelknopje op het bestuurdersportier of na het automatisch vergrendelen na 2,5 minuten; de knop wordt weer ingeschakeld als de portieren worden ontgrendeld met behulp van de knop op de sleutel, door de metalen baard in het bestuurdersportierslot te draaien of door de sleutel in het start-systeem te steken.
WAARSCHUWING Als een van de portieren van binnenuit wordt geopend terwijl de portieren centraal zijn vergrendeld, worden alle portieren ontgrendeld. Als de elektrische voeding onderbroken is geweest (doorgebrande zekering, losgekoppelde accu enz.), blijft het altijd mogelijk de portieren handmatig te vergrendelen. Omdat het automatisch openen van de ruiten in dat geval niet beschikbaar is, moet voor het openen of sluiten van het portier met gesloten uit druk worden uitgeoefend op de ruit naar de binnenzijde van de auto (zie Afb. 80), om de overgang van de ruit op de lijst te vergemakkelijken.

WAARSCHUWING Als de accu losgekoppeld is geweest of als er een zekering is doorgebrand, moet het ver-/ontgrendelmechanisme van de portieren worden geïntitialiseerd. Ga hiervoor als volgt te werk:
□ sluit alle portieren;
□ druk op de knop 📁 op de afstandsbediening of op de knop 📋 op de middenconsole;
□ druk op de knop 🔒 op de afstandsbediening of op de knop 🔒 op de middenconsole.
ELEKTRISCHE RUITBEDIENING
WAARSCHUWING Vanaf het uitschakelen van de motor blijft de ruitbediening ongeveer 3 minuten actief en worden ze onmiddellijk gedeactiveerd bij de opening van één van de deuren.
WAARSCHUWING De ruit aan de bestuurderszijde is voorzien van de inrichting „automatisch continue werking", zowel voor omlaag of omhoog bewegen van de ruit; de elektrische ruitbediening aan de passagierszijde is voorzien van dezelfde inrichting, alleen om de ruit te verlagen. Als schakelaar A kort wordt ingedrukt op het bovenste of onderste deel van de knop, beweegt de ruit automatisch: de ruit stopt in de gewenste stand bij een tweede druk op de knop, op het bovenste of onderste deel van de knop.
WAARSCHUWING Door de knop voor de ontgrendeling van de portieren op de afstandsbediening ca. 2 seconden lang ingedrukt te houden, gaan de ruiten automatisch open. De knop van de afstandsbediening moet ingedrukt blijven tot de ruiten hun beweging voltooid hebben; door de knop voor het einde van de beweging los te laten, komen de ruiten tot stilstand in de positie waarin ze zich op dat moment bevinden.

Het systeem voldoet aan de 2000/4/EU-normen en is gericht op de bescherming van
de inzittenden wanneer deze ledematen door de geopende ruit steken.

Op het portierpaneel van het bestuurdersportier zijn de knoppen Afb. 80a aanwezig, die de volgende functies hebben als de elektronische sleutel in het startsysteem is geplaatst:
A: openen/sluiten ruit links; „continu automatische“ werking tijdens het openen/sluiten van de ruit;
B: openen/sluiten ruit rechts; „continu automatische“ werking tijdens het openen van de ruit;
WAARSCHUWING Als de voeding van de regeleenheden onderbroken is geweest (vervanging of loskoppelen van de accu en vervangen van de zekeringen van de regeleenheden van de elektrische ruitbediening), moet het ruitmechanisme opnieuw ingesteld worden.
Probeer totdat deze nieuwe instelling niet wordt uitgevoerd, te voorkomen de ruiten bij open portieren te bewegen en controleer hoe dan ook, alvorens de portieren te sluiten, of de ruiten omlaag zijn bewogen.
Deze nieuwe instelling moet worden uitgevoerd met gesloten portieren en kap op de volgende manier:
- open de ruit van het bestuurdersportier volledig door de knop nog ten minste 3 seconden te bedienen, nadat de onderste uiterste stand is bereikt;
-
sluit de ruit van het bestuurdersportier volledig door de knop nog ten minste 3 seconden te bedienen, nadat de bovenste uiterste stand is bereikt;
-
herhaal punt 1 en 2 ook bij het passagiersportier;
- controleer of de initialisatie correct uitgevoerd is door te controleren of de automatische werking van de ruiten goed werkt.
Druk op de knoppen A of B om de gewenste ruit te openen/sluiten.
Druk kort op een van de knoppen voor het "stapsgewijs" openen/sluiten van de ruit; als de knop langer wordt ingedrukt, wordt de "automatisch continue" werking ingeschakeld zowel tijdens het openen als het sluiten.
De ruit stopt in de gewenste stand als u nogmaals op de knop A of B drukt.

Onzorgvuldig gebruik van de elektrische ruitbediening kan gevaarlijk zijn. Controleer voor en tijdens het bedienen van de ruit altijd of de passagiers niet ge- wond kunnen raken door de bewe- gende ruiten, zowel direct door con- tact met de ruit als door voorwerpen die door de ruit worden meegesleept of geraakt. Verwijder altijd de sleu- tel uit het contactslot als u de auto verlaat om te voorkomen dat een on- verwachtse inschakeling van de elek- trische ruitbediening gevaar oplevert voor de achtergebleven passagiers.
Passagiersportier
Op het portier aan de passagierszijde is een knop aanwezig voor het handmatig openen/sluiten van de betreffende ruit of alleen voor de automatische opening ervan.
BAGAGERUIMTE
De ontgrendeling van de bagageruimte vindt elektrisch plaats en kan niet worden uitgevoerd bij een rijdende auto.
Met behulp van het „Setup-menu“ (of bij sommige uitvoeringen met behulp van het radio-/navigatiesysteem) kan de ontgrendeling van de bagageruimte worden ingesteld door de optie „Bagageruimte onafhankelijk“ te activeren (zie de paragraaf „Instelbaar multifunctioneel display“ in dit hoofdstuk); als deze functie is geactiveerd, wordt alleen de bagageruimte ontgrendeld als de knop op de elektronische sleutel wordt ingedrukt.
Als de bagageruimte niet goed is gesloten, wordt dit aangegeven door het verschijnen van het symbool 📄 en door een bericht op het display (zie het hoofdstuk „Lampjes en berichten”).

Als de bagageruimte is ontgrendeld, dan kan deze vanaf de buitenzijde worden geopend door op het elektrische logo Afb. 81 te drukken, totdat u merkt dat de bagageruimte is ontgrendeld.
Het openen van de bagageruimte wordt makkelijker gemaakt door de gasdempers aan de zijkant.
Als de bagageruimte wordt geopend, gaat er een interieurlampje branden: de verlichting gaat automatisch uit als de bagageruimte wordt gesloten. Als u vergeet de bagageruimte te sluiten, gaat de verlichting na enkele minuten automatisch uit.
WAARSCHUWING Als de accu losgekoppeld is geweest of als er een zekering is doorgebrand, moet het ver-/ontgrendelmechanisme van de achterklep worden geïntitialiseerd. Ga hiervoor als volgt te werk:
□ sluit alle portieren en de bagageruimte;
□ druk op de knop 📋 op de afstandsbediening of op de knop 📋 op de middenconsole;
□ druk op de knop 🔒 op de afstandsbediening of op de knop 🔒 op de middenconsole.

BAGAGERUIMTE IN NOODGEVALLEN VANUIT HET INTERIEUR OPENEN
Als de accu is losgenomen, kan de bagage- ruimte worden geopend door aan de handgreep A-Afb. 82 in het opbergvak achter de stoel aan de linkerzijde.
OPENEN MET DE AFSTANDSBEDIENING
Druk op de knop op de elektronische sleutel. Bij het openen gaan de richtingaanwijzers twee keer branden.
Als de bagageruimte wordt geopend terwijl het alarm (voor uitvoeringen/markten, waar voorzien) is ingeschakeld, worden de volgende functies uitgeschakeld:
□ de volumetrische beveiliging;
□ de kantelbeveiliging;
□ de signaleringssensor voor geopende bagageruimte.
Als de bagageruimte wordt gesloten, worden al deze functies weer ingeschakeld en gaan de richtingaanwijzers ongeveer 1 seconde branden.
BAGAGERUIMTE SLUITEN
Zet de achterklep omlaag en druk op het slot totdat de achterklep is vergrendeld.
WAARSCHUWING Voordat de bagageruimte weer wordt gesloten, moet gecontroleerd worden of men in het bezit van de sleutel is omdat de achterklep automatisch vergrendeld wordt.

Als er accessoires op de achterklep worden gemonteerd (luidsprekers, spoiler enz.),
met uitzondering van door de fabrikant goedgekeurde accessoires, dan kan dit de juiste werking van de gasdempers negatief beïnvloeden.

OPGELET
Als de bagageruimte wordt gebruikt, mag het maximale laadvermogen van de auto nooit worden overschreden (zie het hoofdstuk „Technische gegevens“). Controleer bovendien of de bagageruimte goed is geladen om te voorkomen dat een voorwerp bij bruusk remmen naar voren schiet en letsel veroorzaakt.


BAGAGE VASTZETTEN
In de bagageruimte bevinden zich 4 haken Afb. 83-84 voor het vastzetten van de kabels, zodat de lading stevig in de auto kan worden vastgezet.

OPGELET
Niet goed vastgezette bagage kan bij een ongeluk de passagiers ernstig verwonden.

OPGELET
Als u in een gebied rijdt waar brandstof moeilijk verkrijgbaar is en u daarom benzine in een jerrycan wilt vervoeren, dan dient u zich aan de geldende wetgeving te houden. Gebruik alleen een goedgekeurde jerrycan en bevestig deze op de juiste wijze. Toch zal bij een ongeval de kans op brand groter zijn.

(voor uitvoeringen/markten, waar voorzien)
Het bagagenet is nuttig voor het correct op- bergen van de lading en/of voor het vervoer van licht materiaal.
Het net moet worden bevestigd aan de haken in de bagageruimte.
MOTORKAP
OPENEN
Ga als volgt te werk:
□ trek de hendel A-Afb. 86 omhoog totdat u merkt dat de motorkap wordt ontgrendeld;
□trek aan het hendeltje B-Afb. 87 en til de motorkap op, met de hendel onder spanning
WAARSCHUWING Het optillen van de motorkap wordt makkelijk gemaakt door de twee gasdempers aan de zijkant. Deze gasdempers mogen niet worden gerepareerd of gewijzigd; begeleid de motorkap tijdens het openen.
WAARSCHUWING Controleer voor het optillen van de motorkap of de ruitenwisserarmen op de voorruit liggen en of de ruitenwissers zijn uitgeschakeld.


SLUITEN
Laat de motorkap tot op ongeveer 20 centimeter van de motorruimte zakken en laat de motorkap vallen; controleer vervolgens door de motorkap op te tillen of de motorkap goed is gesloten en niet alleen vastzit aan de veiligheidsvergrendeling. Druk in dit laatste geval de motorkap niet dicht, maar til hem opnieuw op en herhaal de handeling.
Als de motorkap niet goed is gesloten, wordt dit aangegeven door het verschijnen van het symbool en door een bericht op het display (zie het hoofdstuk „Lampjes en berichten").
WAARSCHUWING Controleer altijd of de motorkap goed is gesloten om te voorkomen dat deze tijdens het rijden opengaat.

OPGELET
Voer deze handelingen uit terwijl de auto stilstaat.

OPGELET
Om veiligheidsredenen moet de motorkap tijdens de rit altijd goed zijn gesloten. Controleer daarom altijd of de motorkap goed vergrendeld is. Als u tijdens het rijden merkt dat de motorkap niet goed is vergrendeld, stop dan onmiddel- lijk en sluit de motorkap op de juiste wijze.
KOPLAMPEN
KOPLAMPEN AFSTELLEN
Goed afgestelde koplampen zijn belangrijk voor het comfort en de veiligheid van uzelf en de overige weggebruikers. Voor optimaal zicht en zichtbaarheid moeten de koplampen op de juiste wijze zijn afgesteld. Wend u zich voor de controle en de eventuele instelling tot het Alfa Romeo Servicenetwerk.
KOPLAMPVERSTELLING
Deze werkt als de sleutel in het startsysteem is geplaatst en de dimlichten branden.
Als de auto is beladen en achterover helt, schijnt de lichtbundel meer omhoog. De koplampen moeten dan juist worden afgesteld.

U kunt de stand van de koplampen met behulp van de knop A-Afb. 88 op het paneel naast het stuur afstellen.
Als de auto is voorzien van bi-xenon koplampen, worden de koplampen elektronisch afgesteld en is knop A niet aanwezig.
De knop kan in vier standen worden gezet; de standen komen overeen met de hieronder aangegeven belastingen:
□ positie 0 - lading: bestuurder / bestuurder + passagier voor;
□ positie 1 — lading: bestuurder + 3 passagiers/bestuurder + 3 passagiers + lading bagageruimte (65 kg voor de uitvoering 2.2 JTS, 50 kg voor de uitvoering 3.2 JTS);
□ positie 2 — lading: bestuurder + lading bagageruimte (290 kg voor de uitvoering 2.2 JTS, 275 kg voor de uitvoering 3.2 JTS);
□ positie 3 — mag niet gebruikt worden.
WAARSCHUWING Controleer altijd de stand van de koplampen als het gewicht van de vervoerde lading wijzigt.

MISTLAMPEN VOOR AFSTELLEN
Wend u zich voor de controle en de eventuele instelling tot het Alfa Romeo Servicenetwerk.
KOPLAMPAFSTELLING IN HET BUITENLAND
De dimlichten zijn afgesteld voor gebruik in het land waarin de auto is verkocht. In landen waar op de andere weghelft wordt gereden, moet om tegenliggers niet te verblinden als volgt te werk worden gegaan:
□ verwijder de beschermdop van de koplamp (zie de paragraaf „Dimlicht“ in het hoofdstuk „In noodgevallen“);
□ zet het hendeltje opzij A-Afb. 89.
ABS
Het ABS-systeem dat in het remsysteem is geïntegreerd, voorkomt dat de wielen tijdens het remmen blokkeren, ongeacht de toestand van het wegdek en de druk op het pedaal, en verhindert daarmee dat een of meerdere wielen slippen. Hierdoor blijft de auto bestuurbaar, zelfs bij noodstops.
Het systeem wordt aangevuld met het EBD-systeem (Electronic Braking Force Distribution, elektronische remdrukverdeling), dat de remdruk tussen de voor- en achterwielen verdeelt.
WAARSCHUWING Voor een maximale werking van het remsysteem is een inrijperiode van circa 500 km nodig: tijdens deze periode moet bruusk, herhaaldelijk of langdurig remmen worden voorkomen.
ACTIVERING VAN HET SYSTEEM
Als het ABS-systeem in werking treedt, merkt de bestuurder dit aan een trilling in het rempedaal, die gepaard gaat met enig geluid: dit geeft aan dat het noodzakelijk is uw snelheid aan te passen aan de beschikbare grip op het wegdek.

OPGELET
Als het ABS-systeem in werking treedt, is de grip van de banden op het wegdek beperkt: minder snelheid om deze aan te passen aan de beschikbare grip.

OPGELET
Het ABS-systeem maakt zo goed mogelijk gebruik van de beschikbare grip, maar kan niet de grip verhogen. Rijd dus altijd voorzichtig op een glad wegdek, zodat u geen onnodige risico's loopt.

OPGELET
Als het ABS-systeem in werking treedt en u de pulsaties op het rempedaal voelt, moet de druk op het pedaal niet worden verminderd, maar moet het pedaal goed ingedrukt worden gehouden. Zo komt men binnen een zo kort mogelijke afstand tot stilstand, afhankelijk van de toestand van het wegdek.
STORINGSMELDINGEN
Storing in ABS
Dit wordt aangegeven door een brandend lampje (ABS) op het instrumentenpaneel (in combinatie met de weergave van een bericht op het display) (zie het hoofdstuk „Lampjes en berichten”). In dat geval blijft het remsysteem normaal werken, maar zonder de mogelijkheden van het ABS.
Rijd voorzichtig verder naar het dichtstbijzijnde bedrijf in het Alfa Romeo Servicenetwerk om het systeem te laten controleren.
Storing in EBD
Dit wordt aangegeven door de brandende lampjes (ABS) + (!) op het instrumentenpaneel (in combinatie met de weergave van een bericht op het display) (zie het hoofdstuk „Lampjes en berichten”).
In dit geval kunnen bij krachtig remmen de achterwielen vroegtijdig blokkeren waardoor de auto kan slippen. Rijd uiterst voorzichtig verder naar het dichtstbijzijnde bedrijf in het Alfa Romeo Servicenetwerk om het systeem te laten controleren.
BRAKE ASSIST
(regeling bij noodstops)
Het systeem, dat niet uitgeschakeld kan worden, herkent noodstops (afhankelijk van de snelheid waarmee het rempedaal wordt ingetrapt) waardoor het sneller op het remsysteem kan ingrijpen.
Brake Assist wordt bij een auto met VDC uitgeschakeld als een storing wordt gesignaleerd (een storing wordt aangegeven door het branden van het lampje Ⓐ op het instrumentenpaneel (in combinatie met de weergave van een bericht op het display).
Dit systeem bewaakt de stabiliteit van de auto als de wielen hun grip verliezen, waardoor de auto beter op koers blijft.
De werking van het VDC is uitermate nuttig als de grip op het wegdek wisselt.
ACTIVERING VAN HET SYSTEEM
Bij activering gaat het lampje Ⓐ op het instrumentenpaneel knipperen, om de bestuurder er op te wijzen dat de auto de stabilitieit en de grip dreigt te verliezen.
SYSTEEM IN-/UITSCHAKELEN
Het VDC-systeem wordt automatisch ingeschakeld als de motor wordt gestart. Tijdens de rit kan het VDC worden uitgeschakeld door gedurende 2 seconden de ASR/VDC-knop op de middenconsole in te drukken Afb. 90. Als het VDC-systeem wordt uitgeschakeld, wordt ook de ASR uitgeschakeld. Beide functies kunnen opnieuw worden ingeschakeld door de ASR/VDC-knop in te drukken.

De uitschakeling van het systeem wordt weergegeven met een bericht op het display.
Als het VDC-systeem tijdens de rit wordt uitgeschakeld, wordt het na de volgende keer starten opnieuw ingeschakeld.
STORINGSMELDINGEN
Bij een eventuele storing van het VDC wordt het systeem automatisch uitgeschakeld en gaat het lampje Ⓐ op het instrumentenpaneel continu branden (in combinatie met de weergave van een bericht op het display weergegeven) (zie het hoofdstuk „Lampjes en berichten”). Wend u zich in dat geval zo snel mogelijk tot het Alfa Romeo Servicenetwerk.

OPGELET
De prestaties van het VDC- systeem mogen de bestuurder er niet toe verleiden on- nodige en onverantwoorde risico's te nemen. Het rijgedrag moet altijd worden aangepast aan de toestand van het wegdek, het zicht en het verkeer. De verantwoordelijkheid voor de verkeersveiligheid ligt al- tijd en overal bij de bestuurder.

OPGELET
Bij eventueel gebruik van het noodreservewiel (voor uitvoeringen/markten, waar voorzien) blijft het VDC-systeem wel werken. Het noodreservewiel is kleiner dan de normale band en biedt daarom minder grip dan bij de andere banden van de auto.

OPGELET
Voor een juiste werking van het VDC-systeem moeten de banden op alle wielen van hetzelfde merk en type zijn. Ze moeten in goede toestand en van het voorgeschreven type, merk en maat zijn.
HILL HOLDER-SYSTEEM
Dit in het VDC geïntegreerde systeem helpt bij het wegrijden op een helling omhoog. Het systeem schakelt automatisch in als:
☐ helling omhoog: stilstaande auto op een helling van meer dan 6% met draaiende motor, ingetrapt rem- en koppelingspedaal en versnellingsbak in vrij of als een andere versnelling dan de achteruit is ingeschakeld;
☐ helling omlaag: de auto stilstaat op een helling van meer dan 6% met draaiende motor, ingetrapt rem- en koppelingspedaal en als de achteruit is ingeschakeld.
Tijdens het wegrijden zorgt de regeleenheid van het VDC-systeem ervoor dat er op de wie- len wordt geremd totdat het noodzakelijke mo- torkoppel wordt bereikt om weg te rijden (of in ieder geval 1 seconde, zodat de rechtervoet van het rempedaal naar het gaspedaal kan worden verplaatst).
Als de auto na het verstrijken van deze tijd niet is vertrokken, wordt het systeem automatisch uitgeschakeld en wordt de remdruk geleidelijk verlaagd.
Tijdens deze fase kunt u een typisch schurend geluid horen. Dit geluid betekent dat de auto ieder moment in beweging kan komen.
Storingsmeldingen
Bij een storing van het systeem wordt er een bericht op het display weergegeven (zie het hoofdstuk „Lampjes en berichten“).
WAARSCHUWING Het Hill Holder-systeem is geen handrem; verlaat dus nooit de auto zonder de handrem aan te trekken, de motor uit te zetten en de eerste versnelling in te schakelen.
ASR-SYSTEEM
Dit is een onderdeel van het VDC-systeem; dit systeem controleert de auto en grijpt in als één of beide aangedreven wielen slippen.
Afhankelijk van de oorzaak van het doorslippen, worden er twee verschillende regelsystemen geactiveerd:
□ als beide aangedreven wielen doorslippen, vermindert het ASR-systeem het motorvermogen;
□ als slechts één van de aangedreven wielen slipt, remt het ASR automatisch het slippende wiel.
Het ASR-systeem is vooral nuttig onder de volgende omstandigheden:
☐ doorslippen van het binnenste wiel in bochten, door verandering van de wielbelasting of door te felle acceleratie;
□ te veel vermogen naar de wielen, ook in combinatie met de toestand van het wegdek;
□ acceleratie op gladde wegen en bij sneeuw en ijzel;
□ verlies van grip op natte weggedeelten (aquaplaning).

OPGELET
De prestaties van het systeem mogen de bestuurder
er niet toe verleiden onnodige en onverantwoorde risico's te nemen. De rijstijl moet altijd worden aan- gepast aan het wegdek, het zicht en het verkeer. De verantwoordel- lijkheid voor de verkeersveiligheid ligt altijd en overal bij de bestuur- der van de auto.
Inschakeling van het systeem
De ASR wordt automatisch ingeschakeld als het instrumentenpaneel wordt ingeschakeld.
Tijdens de rit kan de ASR worden uitgeschakeld door kort op de ASR/VDC-knop op de middenconsole te drukken.
Als het systeem wordt uitgeschakeld, gaat het lampje op de knop ASR/VDC branden en wordt het symbool ⚙: op het display weergegeven.
Als de ASR tijdens de rit wordt uitgeschakeld, wordt het na de volgende keer starten opnieuw ingeschakeld.
Schakel het ASR-systeem uit als u met sneeuw-kettingen rijdt: onder deze omstandigheden levert het slippen van de aangedreven wielen juist meer trekkracht op.
Storingsmeldingen
Bij een storing van de ASR wordt de ASR automatisch uitgeschakeld en wordt er op het display het symbool Ⓞ: weergegeven. Wend u zich in dit geval zo snel mogelijk tot het Alfa Romeo Servicenetwerk.

OPGELET
Voor een juiste werking van de ASR moeten de ban- alle wielen van hetzelfde in type zijn. Ze moeten in onditie en van het voorge- in type, merk en maat zijn paragraaf „Banden“ in het ook „Technische gegevens“).
MSR-systeem (regeling van de afremming op de motor)
Dit systeem, dat geïntegreerd is in de ASR, verhoogt bij bruusk terugschakelen het motorkoppel, zodat overmatige vertraging van de aangedreven wielen wordt voorkomen. Dit heeft vooral voordelen op een wegdek met weinig grip, waarop de stabiliteit van de auto snel verloren kan gaan.
EOBD-SYSTEEM
(voor uitvoeringen/markten, waar voorzien)
Met het EOBD-systeem (European On Board Diagnosis) wordt er een doorlopende diagnose uitgevoerd op de onderdelen van de auto die van invloed zijn op de emissie.
Bovendien meldt het systeem de toestand van de onderdelen zelf, aan de hand van het lampje op het instrumentenpaneel (in combinatie met de weergave van een bericht op het display) (zie het hoofdstuk „Lampjes en berichten”).
Het doel is:
□ de werking van het systeem controleren;
□ aangeven wanneer de emissies door een storing boven de wettelijk vastgestelde drempelwaarde uitkomen;
☐ aangeven wanneer het noodzakelijk is defecte onderdelen te vervangen.
Het systeem beschikt verder nog over een diag- nosestekker waarmee met behulp van speciale apparatuur de door de regeleenheid opgesla- gen storingscodes en de specifieke parameters voor de diagnose en werking van de motor kun- nen worden afgelezen. Deze controle kan ook door de verkeerspolitie worden uitgevoerd.
WAARSCHUWING Na het verhelpen van de storing moet het Alfa Romeo Servicenetwerk zorgen voor een complete controle van het systeem, tests uitvoeren en, zonodig, een proefrit maken die eventueel een langere afstand kan omvatten.

Als het lampje niet gaat branden als de sleutel in het startsysteem wordt geplaatst of als het lampje onder het rijden continu of knipperend gaat branden, wend u zich dan zo snel mogelijk tot het Alfa Romeo Servicenetwerk. De werking van het lampje kan met speciale apparatuur door de verkeerspolitie gecontroleerd worden. Houd u zich aan de wetgeving van het land waarin u rijdt.
AUTORADIO
De auto is uitgerust met autoradio met cd- of mp3-lezer (voor uitvoeringen/markten, waar voorzien). Raadpleeg voor de werking van de autoradio het supplement dat bij dit boekje is geleverd.
EXTRA ACCESSOIRES
Als u na aanschaf van uw auto accessoires wilt monteren die constante voeding nodig hebben (autoradio, anti-diefstalsatellietbewaking enz.), of accessoires die de elektrische installatie zwaar belasten, wend u zich dan tot het Alfa Romeo Servicenetwerk. Deze kan u de meest geschikte installaties aanraden uit het Lineaccessori Alfa Romeo en controleren of de elektrische installatie van de auto geschikt is voor het extra stroomverbruik of dat het noodzakelijk is een accu met een grotere capaciteit te monteren.

OPGELET
Let op bij de montage van extra spoilers en niet standaard lichtmetalen velgen: ze kunnen de ventilatie van de remmen vermin-deren en daarmee hun doelmatigheid tijdens krachtig en veelvuldig remmen; bijvoorbeeld tijdens een lange afdaling. Controleer bovendien of de slag van de pedalen niet beperkt wordt (door matten enz.).
INSTALLATIE VAN ELEKTRISCHE/ ELEKTRONISCHE SYSTEMEN
De elektrische/elektronische systemen die na aankoop van de auto gemonteerd worden, moeten voorzien zijn van het merkteken:


Fiat Auto S.p.A. autoriseert de montage van zend-/ontvangstapparatuur op voorwaarde dat de montagewerkzaamheden op de juiste wijze bij een gespecialiseerd bedrijf worden uitgevoerd, waarbij de aanwijzingen van de fabrikant in acht moeten worden genomen.
WAARSCHUWING De montage van apparatuur die wijzigingen van de specificaties van de auto tot gevolg heeft, kan inname van het kentekenbewijs door de verantwoordelijke autoriteiten tot gevolg hebben en het eventueel vervallen van de garantie die defecten dekken die zowel direct als in direct veroorzaakt zijn door de genoemde wijziging.
Fiat Auto S.p.A. wijst elke verantwoordelijkheid af voor schade die veroorzaakt is door de installatie van accessoires die niet geleverd of aanbevolen zijn door Fiat Auto S.p.A. en die niet gemonteerd zijn volgens de bijgeleverde instructies.
RADIOZENDAPPARATUUR EN MOBIELE TELEFOONS
Radiozendapparatuur (mobiele telefoons, 27 mc en dergelijke) mogen alleen in de auto worden gebruikt met een aparte antenne aan de buitenkant van de auto.
BELANGRIJK Het gebruik van dergelijke apparaten in de auto (zonder buitenantenne) kan niet alleen schadelijk zijn voor de gezondheid van de inzittenden, maar kan ook storingen in de elektrische systemen van de auto veroorzaken. Hierdoor wordt de veiligheid in gevaar gebracht.
Bovendien wordt de zend- en ontvangstkwaliteit aanzienlijk beperkt door de isolerende eigenschappen van de carrosserie.
Houd u zich bij het gebruik van mobiele telefoons (GSM, GPRS, UMTS) met het officiële keurmerk €, strikt aan de instructies die door de fabrikant van de mobiele telefoon zijn bijgeleverd.
PARKEERSENSOREN (waar voorzien)
De parkeersensoren verschaffen de bestuurder informatie over de afstand tot obstakels achter de auto.
Dit parkeerhulpsysteem signaleert obstakels die zich buiten het gezichtsveld van de bestuurder bevinden.
De bestuurder wordt geïnformeerd over aanwezigheid van een obstakel en de afstand ervan tot de auto door middel van een onderbroken geluidssignaal, waarvan de frequentie afhankelijk is van de afstand tot het obstakel (hoe kleiner de afstand, hoe korter de onderbrekingen).
ACTIVERING
De sensoren schakelen in als de achteruitversnelling wordt ingeschakeld, met elektronische sleutel in het startsysteem.
Als de sensoren zijn ingeschakeld, start het systeem met de akoestische signalering via de zoemers achter; die geven een onderbroken signaal zodra er een obstakel wordt waargenomen. De onderbreking tussen de signalen wordt korter naarmate het obstakel dichterbij komt.
Als het obstakel zich op minder dan 30 cm bevindt, klinkt het geluidssignaal continu.
Het geluidssignaal stopt onmiddellijk als de afstand tot het obstakel groter wordt. De frequentie van de tonen blijft gelijk als de door de middelste sensoren gemeten afstand gelijk blijft. Als deze situatie optreedt bij de zijsensoren, dan wordt het signaal na 3 seconden onderbroken (bijvoorbeeld om te voorkomen dat het geluid ingeschakeld blijft als er langs een muur wordt gereden).

OPGELET
De verantwoordelijkheid tijdens het parkeren en an-
dere gevaarlijke handelingen ligt altijd en overal bij de bestuurder. Controleer als u de auto parkeert of zich geen personen (in het bijzonder kinderen) of dieren in de buurt van de auto bevinden. De parkeersensoren moeten als een hulpmiddel voor de bestuurder worden beschouwd. De bestuurder moet tijdens eventueel gevaarlijke parkeermanoeuvres altijd zeer goed opletten, ook als de manoeuvres met lage snelheid worden uitgevoerd.

SENSOREN
Het systeem maakt voor het bepalen van de afstand tot obstakels gebruik van 4 sensoren in de voorbumper Afb. 91.
ZOEMER
De informatie over de aanwezigheid van en de afstand tot het obstakel wordt aan de bestuurder doorgegeven door middel van geluidssignalen die afkomstig zijn van de in de achterzijde van het interieur geïnstalleerde zoemers:

Voor een juiste werking van het systeem mag er geen modder, vuil, sneeuw of ijs op de sensoren zitten. Wees voorzichtig bij het reinigen van de sensoren om krassen of beschadigingen te voorkomen; gebruik geen droge, grove of harde doek. De sensoren moeten met schoon water, eventueel met toevoeging van autoshampoo worden schoongemaakt. In wasstraten waar stoom of hogedrukreinigers worden gebruikt, moeten de sensoren snel worden schoongemaakt, waarbij de spuitmond op meer dan 10 cm afstand moet worden gehouden.

Wend u zich voor het op- nieuw spuiten van de bum- per of voor het eventueel bijwerken van de lak rond de sen- soren uitsluitend tot het Alfa Romeo Servicenetwerk. Als het bijwerken van de lak niet op de juiste manier wordt uitgevoerd, kan de werking van de parkeersensoren in gevaar worden gebracht.
BEREIK VAN DE SENSOREN
Met de sensoren kan het gebied achter de auto worden gecontroleerd.
Door hun positie wordt het midden en de zijkant aan de achterzijde van de auto gecontroleerd.
Obstakels in het midden worden waargenomen vanaf een afstand van minder dan ca. 1,40 m.
Obstakels aan de zijkant worden waargenomen vanaf een afstand van minder dan 0,6 meter.
TREKKEN VAN AANHANGERS
De sensoren worden automatisch opnieuw ingeschakeld als u de aanhangerstekker loskoppelt.

De werking van de sensoren wordt automatisch uitgeschakeld als de stekker van de elektrische kabel van de aanhanger wordt aangesloten op de stekkerdoos van de trekhaak.
WEERGAVE VAN STORINGEN
De regeleenheid van het systeem controleert alle onderdelen van het systeem als de sleutel in het startsysteem wordt geplaatst. De sensoren en de bijbehorende elektrische aansluitingen worden continu gecontroleerd als het systeem werkt.
De storing van de sensoren wordt aangegeven door de weergave van een bericht + symbool op het display (zie het hoofdstuk „Lampjes en berichten").
Als een storing is gesignaleerd, reinig dan, na het stilzetten van de auto en uitschakelen van de motor, de sensoren en controleer of u zich niet nabij een bron van ultrasone geluiden bevindt (bijv. pneumatische remmen van vrachtwagens of pneumatische hamers).
Als de oorzaak van de storing is verholpen, werkt het systeem weer volledig en gaan het bericht + symbool op het display uit.
Als het lampje blijft branden, wend u zich dan tot het Alfa Romeo Servicenetwerk om het systeem te laten controleren, ook als het systeem blijft werken. Als de waargenomen storing geen nadelige invloed op de werking heeft, blijft het systeem werken en wordt de storing opgeslagen zodat het Alfa Romeo Servicenetwerk vervolgens het systeem kan controleren.
ALGEMENE OPMERKINGEN
Let tijdens parkeermanoeuvres altijd zeer goed op obstakels die zich boven of onder de sensoren kunnen bevinden. Obstakels die zich dicht bij de achterkant van de auto bevinden, worden onder bepaalde omstandigheden niet door het systeem gesignaleerd en kunnen dus de auto beschadigen of zelf beschadigd worden.
De door de sensoren verzonden signalen kunnen wijzigen als de sensoren zijn beschadigd, vuil zijn door modder, sneeuw of ijs op de sensoren of door ultrasone systemen (zoals pneumatische remsystemen van vrachtwagen of een pneumatische hamer) in de buurt van de auto.
BANDENSPANNINGSCONTROLESYSTEEM TPMS (Tyre Pressure Monitoring System)
(voor uitvoeringen/markten, waar voorzien)
De auto kan zijn uitgerust met een controle- systeem voor de bandenspanning, het TPMS (Tyre Pressure Monitoring System). Dit systeem bestaat uit een sensor die op radiogolven werkt, op de velg van elk wiel. Deze sensor stuurt in- formatie over de spanning van iedere band naar de regeleenheid.

OPGELET
Ook al heeft de auto een TPMS-systeem, de be- wer moet nog altijd regelma- andenspanning (ook van het wiel) controleren en de ban- leren (voor uitvoeringen/ n, waar voorzien).
BELANGRIJKE TIPS
Storingsmeldingen worden niet opgeslagen en worden dus niet aangegeven als de motor wordt uitgezet en vervolgens weer wordt gestart. Als de storingen blijven bestaan, stuurt de regeleenheid de betreffende meldingen pas naar het instrumentenpaneel als de auto een korte tijd rijdt.
De spanning van de banden moet bij koude banden gecontroleerd worden; als om wat voor reden dan ook de spanning bij warme banden gecontroleerd wordt, verminder dan de spanning niet, ook als deze boven de voorgeschreven waarde liegt, maar controleer de spanning opnieuw bij koude banden (zie de paragraaf „Wielen“ in het hoofdstuk „Technische gegevens“).
Het TPMS kan geen onverwacht spanningsverlies van de banden signaleren (bijvoorbeeld bij het klappen van een band). Breng in dit geval de auto tot stilstand door voorzichtig te remmen en zonder heftige stuurbewegingen uit te voeren.
Sterke straling op een radiofrequentie kan het TPMS-systeem ontregelen. Dit wordt met een bericht op het display aangegeven. Deze melding verdwijnt automatisch zodra de storing het systeem niet meer ontregelt.
Het TPMS kan geen onverwacht spanningsverlies van de banden signaleren (bijvoorbeeld bij het klappen van een band). Breng in dit geval de auto tot stilstand door voorzichtig te remmen en zonder heftige stuurbewegingen uit te voeren.
Sterke straling op een radiofrequentie kan het TPMS-systeem ontregelen. Dit wordt met een bericht op het display aangegeven. Deze melding verdwijnt automatisch zodra de storing het systeem niet meer ontregelt.
Voor het TPMS-systeem is speciale uitrusting nodig. Raadpleeg het Alfa Romeo Service-netwerk voor de accessoires die geschikt zijn voor het systeem (wielen, wieldoppen, enz.). Het gebruik van andere accessoires kan de normale werking van het systeem verhinderen. Omdat er gebruik wordt gemaakt van speciale ventielen kunnen er uitsluitend door Alfa Romeo goedgekeurde afdichtvloeistoffen worden gebruikt voor de reparatie van de band; het gebruik van andere vloeistoffen zou de normale werking van het systeem kunnen belemmeren.
Als de auto is uitgerust met het TPMS moet bij het demonteren van een band, ook het rubber van het ventiel en de bevestigingsmoer van de sensor vervangen worden. Wend u zich hiervoor tot het Alfa Romeo Servicenetwerk.
Als de oorspronkelijke situatie is hersteld na gebruik van de bandenreparatieset Fix&Go automatic en de lekke band blijft aangegeven op het instrumentenpaneel, wend u zich dan tot het Alfa Romeo Servicenetwerk.
De bandenspanning kan variëren afhankelijk van de buitentemperatuur. Het TPMS kan tijdelijk een te lage bandenspanning signaleren. Controleer in dat geval de bandenspanning bij koude banden en herstel zo nodig de spanning.
Als de auto is uitgerust met het TPMS, moeten er speciale voorzorgsmaatregelen bij het monteren/demonteren van de banden en/of velgen in acht worden genomen. De banden en/of de velgen mogen uitsluitend door gespecialiseerd personeel worden vervangen om te voorkomen dat de sensoren beschadigd raken of verkeerd worden gemonteerd. Wend u zich tot het Alfa Romeo Servicenetwerk.
Zie voor het juiste gebruik van het systeem als de velgen/banden vervangen worden, de volgende tabel:
| Handeling | Aanwezigheid sensor | Storingsmelding | Optreden door Servicenetwerk |
| — | — | JA | Wend u zich tot het Alfa Romeo Servicenetwerk. |
| Een wiel door het reservewiel vervangen | NEE | JA | Het beschadigde wiel repareren |
| Wielen vervangen door winterbanden | NEE | JA | Wend u zich tot het Alfa Romeo Servicenetwerk. |
| Wielen vervangen door winterbanden | JA | NEE | — |
| Wielen vervangen door andere banden met afwijkende afmetingen (*) | JA | NEE | — |
| Wielen omwisselen (voor/achter) (**) | JA | NEE | — |
(*) Als alternatief vermeld in het instructieboekje en die zijn gekozen uit Lineaccessori Alfa Romeo.
(**) Niet kruiselings (de banden moeten aan dezelfde zijde van de auto blijven).
TANKEN
BENZINEMOTOREN
Tank uitsluitend loodvrije benzine. Om vergissingen te voorkomen is de diameter van de vulpijp van de tank kleiner, zodat het vulpistool voor loodhoudende benzine er niet in past. Het octaangetal van de benzine moet ten minste 95 RON zijn.
WAARSCHUWING Een beschadigde katalysator laat schadelijke stoffen in het uitlaatgas achter, waardoor het milieu wordt vervuild.
WAARSCHUWING Tank nooit, niet in noodgevallen en ook niet een klein beetje, loodhoudende benzine. De katalysator kan dan onherstelbaar beschadigd raken.
DIESELMOTOREN
Bij lage buitentemperaturen kan de vloeibaarheid van de dieselbrandstof verminderen door de vorming van paraffine, waardoor het brandstofsysteem niet meer goed werkt.
Om dit probleem te voorkomen wordt er, afhankelijk van het seizoen, dieselbrandstof geleverd die speciaal voor de zomer, voor de winter en voor zeer lage temperaturen (bergachtige/koude gebieden) is ontwikkeld.
Als er diesel wordt getankt die niet aan de bedrijfstemperatuur is aangepast, moet de diesel worden gemengd met het vorstbeveiligingsmiddel TUTELA DIESEL ART in de verhouding die in de gebruiksaanwijzing van het middel wordt aangegeven. Doe eerst het middel in de tank en voeg daarna de diesel toe. Als de auto lange tijd wordt gebruikt/stilstaat in bergachtige/koude gebieden, is het raadzaam dieselbrandstof te tanken die ter plaatse beschikbaar is. Bovendien raden wij u dan aan ervoor te zorgen dat er altijd meer dan 50% van de nuttige inhoud in de brandstoftank achterblijft.

Tank bij auto's met een dieselmotor uitsluitend diesel voor motorvoertuigen die voldoet aan de Europese specificatie EN590. Als er andere producten of mengsels worden gebruikt, kan de motor onherstelbaar beschadigd raken en kan ervoor zorgen dat de garantie vervalt. Mocht u onverhoopt een ander type brandstof tanken, dan mag de motor niet worden gestart en moet de brandstoftank worden afgetapt. Ook als de motor slechts kort heeft gedraaid, moet naast de brandstoftank, ook alle brandstof uit de brandstofleidingen worden afgetapt.
TANKINHOUD
Om te zorgen dat de tank volledig wordt gevuld, moet u twee keer bijvullen nadat het vulpistool voor de eerste keer afslaat. Vul niet nog een keer bij om storingen in het brandstofsystem te voorkomen.
DOP VAN DE BRANDSTOFTANK
De opening van het tankluikje is alleen mogelijk met ontgrendelde portieren en uitgeschakelde motor.
Openen
Open de klep A-Afb. 92 met behulp van het voorste deel (zie de afbeelding), draai de dop B linksom en verwijder deze. De dop is voorzien van een koord C dat aan het tankklepje vastzit zodat u de dop niet kwijtraakt. Haak de dop tijdens het tanken aan het klepje, zoals in de figuur is afgebeeld.
Sluiten
Plaats de dop B en draai de dop rechtsom, totdat u een of meer klikken hoort. Sluit vervolgens het luikje A.
WAARSCHUWING Omdat de tank hermetisch wordt afgesloten, kan er een kleine overdruk worden waargenomen. Het is normaal dat u bij het losdraaien van de dop een sissend geluid hoort.


OPGELET
Kom niet dicht bij de vul- opening met open vuur of
een brandende sigaret: dan bestaat er kans op brand. Houd uw hoofd ook niet dicht bij de vulopening om te voorkomen dat u schadelijke dampen inademt.

Bij een storing kan het tankluikje worden geopend door aan de kabel rechts in de bagageruimte te trekken Afb. 93.
BESCHERMING VAN HET MILIEU
De emissiereductiesystemen voor benzine- motoren zijn:
□ driewegkatalysator;
□ lambdasondes;
□ benzinedampopvangsysteem.
Laat de motor nooit, ook niet tijdens testwerkzaamheden, met een of meer losgekoppelde bougies draaien.
De emissiereductiesystemen voor dieselmoto- ren zijn:
□ oxidatiekatalysator;
□ uitlaatgasrecirculatie-systeem (EGR);
□ roetfilter (DPF).

OPGELET
Onder normale bedrijfsomstandigheden bereiken de katalysator en het roetfilter (DPF) hoge temperaturen. Parkeer daarom niet boven brandbare materialen (gras, droge bladeren, dennennaalden enz.): brandgevaar.
DPF-ROETFILTER
(Diesel Particulate Filter)
Het roetfilter (Diesel Particulate Filter) is een mechanisch filter in het uitlaatsysteem dat de deeltjes in de uitlaatgassen van dieselmotoren opvangt.
Het roetfilter (Diesel Particulate Filter) vangt bijna de totale hoeveelheid roetdeeltjes op om te voldoen aan de huidige/toekomstige wettelijke normen.
Tijdens het normale gebruik van de auto registreert de inspuitregeleenheid een aantal gegevens met betrekking tot het gebruik (gebruiksduur, type traject, bereikte temperatuur, enz.) en berekent de hoeveelheid verzameld roet in het filter.
Omdat het filter de roetdeeltjes verzamelt, moet het regelmatig worden geregenereerd (schoongemaakt) door de roetdeeltjes te verbranden. De regeneratieprocedure wordt door de regeleenheid van de motor geregeld op basis van de hoeveelheid opgevangen roetdeeltjes en de bedrijfsomstandigheden van de auto. Tijdens de regeneratie kan het volgende worden waargenomen: een beperkte verhoging van het stationair toerental, inschakeling van de elektroventilateur, een beperkte toename van de rook uit de uitlaat en een hogere temperatuur bij de uitlaat. Dit zijn geen storingen en deze situatie heeft geen invloed op het milieu of het gedrag van de auto.
Verstopt roetfilter
Als het roetfilter is verstopt, wordt op het display het symbool = weergegeven in combinatie met een bericht. In dit geval verdient het aanbeveling om met de auto te blijven rijden totdat het symbool = + bericht op het display verdwijnt.
VEILIGHEID
VEILIGHEIDSGORDELS 118
SBR-SYSTEEM 118
GORDELSPANNERS....119
KINDEREN VEILIG VERVOEREN 122
FRONTAIRBAGS 126
ZIJ-AIRBAGS (sidebag) 130
VEILIGHEIDS- GORDELS
GEBRUIK VAN DE VEILIGHEIDSGORDELS
Ga goed rechtop zitten, steun tegen de rugleuning en leg dan de gordel om.
Trek de gordel uit en maak de gordel vast door de gesp A-Afb. 1 in de sluiting B te drukken, totdat hij hoorbaar blokkeert.
Als de rolautomaat tijdens het uittrekken van de gordel blokkeert, laat dan de gordel een stukje teruglopen en trek de gordel vervolgens weer geleidelijk uit.
Druk, om de gordel los te maken, op de knop C. Begeleid de gordel tijdens het teruglopen, zodat de gordelband niet draait.

OPGELET
Druk tijdens het rijden niet op de knop C.

Via de oprolautomaat wordt de lengte van de gordel automatisch aangepast aan het postuur van de drager en heeft hij/zij toch voldoende bewegingsvrijheid.
Als de auto op een steile helling staat, kan de rolautomaat blokkeren; dit is een normaal verschijnsel. Bovendien blokkeert de rolautomaat als u de gordel snel uittrekt. Hij blokkeert ook bij hard remmen, botsingen en bij hoge snelheden in bochten.
De auto is uitgerust met een SBR-systeem (Seat Belt Reminder), dat bestaat uit een waarschuwingszoemer die samen met het knipperende lampje de bestuurder en de passagier waarschuwt als de betreffende veiligheidsgordel niet is omgelegd.
Het akoestische signaal kan tijdelijk op de volgende wijze worden uitgeschakeld:
☐ leg de veiligheidsgordels om;
□ steek de elektronische sleutel in het start-systeem;
□ wacht langer dan 20 seconden en korter dan 1 minuut en doe een van de gordels af.
Hierdoor blijft de zoemer uitgeschakeld, totdat de motor wordt uitgezet.
Wend u zich voor het permanent uitschakelen van dit systeem tot het Alfa Romeo Servicenetwork. Het SBR-systeem kan uitsluitend m. b. v. het „Setup-menu“ van het display opnieuw worden ingeschakeld (zie de paragraaf „Instelbaar multifunctioneel display“ in het hoofdstuk „Dashboard en bediening“).
GORDELSPANNERS
Voor een nog effectievere bescherming zijn de veiligheidsgordels van de auto voorzien van gordelspanners. Dit systeem trekt bij een heftige botsing de gordel enige centimeters aan. Op deze wijze worden de inzittenden veel beter op hun plaats gehouden en wordt de voorwaartse beweging beperkt.
Het blokkeren van de veiligheidsgordels geeft aan dat de gordelspanner in werking is geweest; de gordel wordt niet meer opgerold, ook niet als hij wordt begeleid.
WAARSCHUWING Voor een maximale bescherming door de gordelspanner moet de veiligheidsgordel zo worden omgelegd dat hij goed aansluit op borst en bekken.
De gordelspanners werken alleen als de veiligheidsgordels goed in de sluitingen vergrendeld zijn.
Tijdens de werking van de gordelspanner kan er een beetje rook ontsnappen. Deze rook is niet schadelijk en duidt niet op brand.
De gordelspanner behoeft geen enkel onderhoud of smering. Elke verandering van de oorspronkelijke staat zal de doelmatigheid verminderen. Als de gordelspanner door extreme natuurlijke omstandigheden (bijv. overstromingen en vloedgolven) met water en modder in contact is geweest, dan moet de spanner worden vervangen.

OPGELET
De gordelspanner werkt slechts eenmaal. Als de gordelspanners hebben gewerkt, moet u zich tot het Alfa Romeo Service-netwerk wenden om de spanners te laten vervangen. De geldigheid van het systeem staat vermeld op een plaatje dat zich op het bestuurdersportier bevindt: laat het systeem voor het verstrijken van deze termijn door het Alfa Romeo Service-netwerk vervangen.

Werkzaamheden waarbij stoten, sterke trillingen of verhitting (maximaal 100 °C gedurende maximaal 6 vu) optreden, kunnen de gordelspanners beschadigen of activeren: hieronder vallen geen trillingen die worden voortgebracht door een slecht wegdek of door contact met kleine obstakels zoals trottoirbanden. Wend u zich altijd tot het Alfa Romeo Service-netwerk voor werkzaamheden.
TREKKRACHTBEGRENZERS
Om de bescherming van de passagiers bij een ongeval te vergroten, zijn de oprolautomaten van de gordels voorzien van trekkrachtbegrenzers die tijdens een frontale aanrijding de piekbelasting op de borst en schouders beperken.

De bestuurder is verplicht zich te houden aan de wettelijke voorschriften met betrekking tot het verplichte gebruik van de veiligheidsgordels (en de inzittenden erop attent te maken).
Leg de veiligheidsgordel altijd om voordat u vertrekt.
Ook zwangere vrouwen moeten een gordel dragen: ook voor hen (zowel voor de aanstaande moeder als het kind) is de kans op letsel bij een ernstig ongeval kleiner als ze een gordel dragen. Zwangere vrouwen moeten het onderste deel van de gordel meer naar beneden omleggen, zodat de gordel over het bekken en onder de buik door loopt Afb. 2.

WAARSCHUWING De gordel mag nooit gedraaid zijn. Het diagonale gordelgedeelte moet via het midden van de schouder schuin over de borst liggen. Het onderste gordelgedeelte moet over het bekken (zoals aangegeven in Afb. 3) en niet over de buik liggen. Gebruik geen voorwerpen (wasknijpers, klemmen enz.) die een goed aansluiten van de gordel op het lichaam verhinderen.

OPGELET
Voor maximale veiligheid moet u de rugleuning rechtop zetten, tegen de leuning aan gaan zitten en de gordel goed laten aansluiten op borst en bekken. Draag altijd veiligheidsgordels zowel voor als achter in de auto! Rijden zonder veiligheidsgordels vergroot het risico op ernstig letsel of dodelijke afloop bij een ongeval.

WAARSCHUWING ledere gordel dient slechts ter bescherming van een enkele persoon: gebruik de gordel niet voor een kind dat bij een volwassene op schoot zit, waarbij de gordel beiden zou moeten beschermen Afb. 4. Plaats bovendien geen enkel voorwerp tussen de gordel en het lichaam van een inzittende.

OPGELET
Het is streng verboden onderdelen van de veiligheidsgordels of gordelspanners te demonteren of open te maken. Werkzaamheden aan de veiligheids-gordels en gordelspanners moeten worden uitgevoerd door gekwalificeerd personeel. Wend u zich altijd tot het Alfa Romeo Servicenetwerk.

OPGELET
Als de gordel aan een zwa- re belasting wordt blootgesteld (bijvoorbeeld tijdens een ongeval), dan moet de gordel samen met de verankeringen, bevestigingspunten en de eventueel gemonteerde gordelspanners worden vervangen. Ook als de schade niet zichtbaar is, kan de gordel toch verzwakt zijn.
HOE U DE
VEILIGHEIDSGORDELS IN OPTIMALE STAAT HOUDT
Zorg dat de gordel goed uitgetrokken en niet gedraaid is; controleer ook of de oprolautomaat zonder haperingen werkt;
□ vervang de gordels na een ongeval, ook al zijn ze ogenschijnlijk niet beschadigd. Vervang de gordels ook als de gordelspanners in werking zijn geweest;
☐ u kunt de gordels met de hand wassen met warm water en een neutrale zeep. Spoel ze uit en laat ze in de schaduw drogen. Gebruik geen bijtende, blekende of kleurende middelen. Vermijd het gebruik van alle chemische producten die het weefsel van de gordel kunnen aantasten;
☐ voorkom dat vocht in de oprolautomaat komt: de werking van de oprolautomaten is alleen gegarandeerd, als ze niet nat zijn geweest;
□ vervang de gordels bij tekenen van slijtage of beschadigingen.
KINDEREN VEILIG VERVOEREN
Voor optimale bescherming bij een ongeval moeten alle inzittenden zittend reizen en beschermd worden door goedgekeurde veiligheidssystemen. Dit geldt met name voor kinderen.
Dit is een wettelijk voorschrift volgens richtlijn 2003/20/EU in alle lidstaten van de Europese Unie.
Het hoofd van kleine kinderen is in verhouding met de rest van het lichaam groter en zwaarder dan dat van volwassenen, terwijl spieren en botstructuur nog niet volledig zijn ontwikkeld. Daarom moeten kleine kinderen door andere systemen beschermd worden dan door de veiligheidsgordels.
De resultaten van het onderzoek over de optimale bescherming van kleine kinderen zijn opgenomen in de Europese ECE/R44-voorschriften die wettelijk verplicht zijn. De systemen zijn onderverdeeld in vijf groepen:
Groep 0 gewicht tot aan 10 kg
Groep 0+ gewicht: tot 13 kg
Groep 1 gewicht: 9-18 kg
Groep 2 gewicht: 15-25 kg
Groep 3 gewicht: 22-36 kg
Zoals u ziet is er een gedeeltelijke overlapping tussen de groepen; daarom zijn er in de handel systemen verkrijgbaar die geschikt zijn voor verschillende gewichtsgroepen.
Alle systemen moeten zijn voorzien van de typegoedkeuring en van een goed vastgehecht plaatje met het controlemerk, dat absoluut niet mag worden verwijderd.
Kinderen met een lengte van meer dan 1,50 m worden, met betrekking tot de veiligheids-systemen, gelijkgesteld met volwassenen en moeten dan ook normaal de veiligheidsgordels omleggen.
In Lineaccessori Alfa Romeo zijn kinderzijtes opgenomen voor elke gewichtsgroep. Wij raden het gebruik van deze kinderzijtes aan, omdat ze speciaal zijn ontworpen en ontwikkeld voor de modellen van Alfa Romeo.

OPGELET
Monteer absoluut geen kinderzitje achterstevoren op de passagiersstoel voor als de airbag aan passagierszijde is ingeschakeld. Als de airbag bij een ongeval in werking treedt, kan dit ernstig letsel en zelfs de dood tot gevolg hebben, ongeacht de zwaarte van het ongeluk.

OPGELET
ZEER GEVAARLIJK Als het absoluut noodzakelijk is een kind op de passagiersstoel voor te vervoeren, in een kinderzitje dat achterstevoren is geplaatst, moeten de airbags aan passagierszijde (frontairbag, knie-airbag, waar voorzien, en zij-airbags) met de sleutelschakelaar worden uitgeschakeld (voor uitvoeringen/markten, waar voorzien). Controleer de uitschakeling met behulp van het lampje op het paneel van het plafondlampje voor (zie paragraaf „Frontairbag aan passagierszijde“). Bovendien moet de stoel zo ver mogelijk naar achteren zijn geschoven om te voorkomen dat het kinderzitje eventueel in aanraking komt met het dashboard.

Afb. 5

Kinderen tot 13 kg moeten in babyzitjes worden vervoerd die achterstevoren Afb. 5 zijn geplaatst, waardoor het achterhoofd wordt gesteund en bij plotseling remmen de nek niet wordt belast.
Het wiegje moet op zijn plaats worden gehouden door de veiligheidsgordel, zoals in de afbeelding is aangegeven, en het kind moet op zijn beurt worden beschermd door de gordel van het wiegje zelf.
GROEP 1
Kinderen met een gewicht tussen 9 en 18 kg moeten in de rijrichting worden vervoerd in een zitje met een kussen Afb. 6; hierbij houdt de veiligheidsgordel van de auto het kinderzitje en het kind op zijn plaats.

OPGELET
De afbeeldingen dienen alleen ter illustratie van de bevestiging. Houd u zich voor de montage van het kinderzitje aan de instructies. De fabrikant is verplicht deze instructies bij te leveren.

OPGELET
Er bestaan kinderzitjes die geschikt zijn voor de gewichtsgroepen 0 en 1 die uitgerust zijn met een bevestigingspunt achter. Deze kinderzitjes hebben zelf gordels om het kind te beschermen. Vanwege het gewicht kan het gevaarlijk zijn als ze verkeerd worden gemonteerd (bijvoorbeeld als een kussen tussen het kinderzitje en de veiligheidsgordels van de auto wordt geplaatst). Houd u zich voor de montage strikt aan de bijgeleverde instructies.

Afb. 7
A0G0108m
GROEP 2
Kinderen met een gewicht tussen 15 en 25 kg kunnen direct door de veiligheidsgordels van de auto worden beschermd. De kinderzijtes hebben ook de taak om het kind in de juiste stand ten opzichte van de gordel te plaatsen, zodat het diagonale deel over de buik ligt, maar niet tegen de nek; het horizontale deel moet over het bekken en niet tegen de buik van het kind liggen Afb. 7.

Bij kinderen met een gewicht tussen 22 en 36 kg is de borstomvang van dien aard dat de kinderen gewoon tegen de rugleuning kunnen steunen en niet meer in een kinderzitje hoeven te worden vervoerd. In Afb. 8 wordt een voorbeeld gegeven van de juiste positie van het kind op de achterbank.
Kinderen die langer zijn dan 1,50 m kunnen net zoals volwassenen de veiligheidsgordels omleggen.

OPGELET
De afbeeldingen dienen alleen ter illustratie van de bevestiging. Houd u zich voor de montage van het kinderzitje aan de instructies. De fabrikant is verplicht deze instructies bij te leveren.
GESCHIKTHEID VAN DE ZITPLAATSEN VOOR HET GEBRUIK VAN DE KINDERZITJES
De auto voldoet aan de nieuwe Europese 2000/3/EU-richtlijnen voor de montage van kinderzijes op de verschillende plaatsen in de auto. Zie hiervoor de volgende tabellen:
| Groep Gewicht Passagierszitplaats voor | ZITPLAATS | |
| Zitplaats met 4 verstelmogelijkheden Zitplaats met 8 verstelmogelijkheden | ||
| Groep 0, 0+ tot 13 kg LL | ||
| Groep 1 9-18 kg LL | ||
| Groep 2 15-25 kg LL | ||
| Groep 3 22-36 kg LL | ||
Legenda:
L = geschikt voor kinderzitjes die speciaal ontworpen zijn voor de vermelde groep. Deze kinderzitjes zijn opgenomen in het Alfa Romea-Lineaccessori-programma.
Hierna zijn de richtlijnen voor een veilig vervoer van kinderen aangegeven:
als de frontairbag aan passagierszijde buiten werking wordt gesteld, moet er altijd worden gecontroleerd of de airbag daadwerkelijk is uitgeschakeld: het betreffende lampje 🔊 ✉ moet continu branden;
☐ houd u zich bij de montage van het kinderzitje strikt aan de instructies. De fabrikant is verplicht deze instructies bij te leveren. Bewaar de instructies samen met het instructieboekje in de auto. Monteer geen gebruikte kinderzitjes waarvan de gebruiksaanwijzingen ontbreken;
□ controleer of de gordels goed zijn vastge- maakt door aan de gordelband te trekken;
☐ ieder veiligheidssysteem is bedoeld voor slechts één kind: vervoer nooit twee kinderen in een systeem;
□ controleer altijd of de gordel niet langs de nek van het kind loopt;
□ zorg er tijdens de rit voor dat het kind geen afwijkende houding aanneemt of de gordels losmaakt;
□ vervoer kinderen nooit in uw armen, ook geen pasgeboren kinderen. Niemand is sterk genoeg om ze bij een ongeval vast te kunnen houden;
na een ongeval moet het zitje door een nieuw exemplaar worden vervangen.
FRONTAIRBAGS
De auto is uitgerust met meertraps-frontairbags („Smart bags“) aan bestuurders- en passagierszijde en knie-airbags aan bestuurders- en passagierszijde (voor uitvoeringen/markten, waar voorzien).
"SMARTBAGS" (MEERTRAPS- FRONTAIRBAGS)
De frontairbags (bestuurder en passagier) en de knie-airbags (bestuurder en passagier) beschermen de inzittende en treden onmiddellijk in werking bij een middelzware frontale botsing; hierbij wordt een luchtkussen tussen de inzittende en het stuurwiel of het dashboard opgeblazen.
Bij een botsing regelt een elektronische regel- eenheid zo nodig dat de kussens onmiddellijk opblazen, waardoor het lichaam van de inzit- tenden wordt opgevangen en de kans op let- sel beperkt wordt. De kussens lopen onmid- dellijk leeg.
De frontairbags (bestuurder en passagier) en de knie-airbag (bestuurder en passagier) zijn geen vervanging voor de veiligheidsgordels, maar een aanvulling. Draag dus altijd veiligheidsgordels. Bovendien is het dragen van veiligheidsgordels wettelijk verplicht in Europa en in de meeste landen daarbuiten.
Bij een ongeval kan een inzittende die geen veiligheidsgordel heeft omgelegd, in contact komen met een airbag die nog niet volledig opgeblazen is. Hierdoor wordt de inzittende minder door de airbag beschermd.
Het is mogelijk dat de frontairbags in de volgende gevallen niet worden geactiveerd:
bij frontale botsingen, met een ander deel van de auto dan de voorkant, tegen makkelijk vervormbare objecten (bijvoorbeeld als het voorspatbord tegen de vangrail komt);
□ als de auto onder andere auto's of veiligheidsvoorzieningen schuift (bijvoorbeeld onder vrachtwagens of de vangrail);
orndat geen enkele aanvullende bescherming wordt geboden op de veiligheidsgordels. Als de airbags in deze gevallen niet geactiveerd worden, betekent dit niet dat het systeem niet goed functioneert.

Plaats geen stickers of andere objecten op het stuurwiel, op het deksel van de airbag aan passagierszijde of op de zijkant van de hemelbekleding. Plaats geen voorwerpen op het dashboard aan de passagierszijde (bijv. een mobiele telefoon), omdat deze het correct openen van de airbag aan passagierszijde kunnen hinderen en de inzittenden ernstig kunnen verwonden.

Afb. 10
A0G0078m
FRONTAIRBAG AAN BESTUURDERSZIJDE
Deze bestaat uit een opblaasbaar kussen dat in een daarvoor bestemde ruimte in het midden van het stuur is geplaatst Afb. 9.
FRONTAIRBAG PASSAGIERSZIJDE
Deze bestaat uit een opblaasbaar kussen met een groter volume dan dat aan bestuurderszijde. Het kussen is in een daarvoor bestemde ruimte in het dashboard Afb. 10 geplaatst.

OPGELET
Monteer absoluut geen kinderzitje achterstevoren op de passagiersstoel voor als de frontairbag aan passagierszijde is ingeschakeld. Als bij een ongeval de airbag in werking treedt (opblaast), kan dit ernstig letsel en zelfs de dood tot gevolg hebben.

OPGELET

Als de passagiersairbags (front, knie (voor uitvoeringen/markten, waar voorzien) zij-airbags) bij de auto kunnen worden uitgeschakeld, moeten deze worden uitgeschakeld als er een kinderzitje op de voorstoel wordt gemonteerd. Bovendien moet de passagiersstoel zo ver mogelijk naar achteren zijn geschoven om te voorkomen dat het kinderzitje eventueel in aanraking komt met het dashboard. Ook als het niet wettelijk is verplicht, raden wij u aan de airbag onmiddellijk weer in te schakelen zodra er geen kinderen meer worden vervoerd, voor een optimale bescherming van de volwassenen.

Afb. 11
A0G0079m

Afb. 12
A0G0092m
KNIE-AIRBAG
BESTUURDERS- EN
PASSAGIERSZIJDE
(voor uitvoeringen/markten, waar voorzien)
Deze bestaan uit een snel opblazend kussen in een ruimte onder het stuur aan de bestuurderszijde Afb. 11 en onder het dashboard aan de passagierszijde Afb. 12. Deze airbags bieden een extra bescherming bij een frontale aanrijding.

Afb. 13
A0G0062m
HANDMATIG
UITSCHAKELEN
(voor uitvoeringen/markten, waar voorzien)
FRONTAIRBAG
PASSAGIERSZIJDE, KNIE PASSAGIERSZIJDE
(voor uitvoeringen/markten, waar voorzien)
EN DE ZIJ-AIRBAG AAN DE PASSAGIERSZIJDE
Als het absoluut noodzakelijk is een kind op de passagiersstoel vóór te vervoeren, moeten de frontairbag en de knie-airbag (voor uitvoeringen/markten, waar voorzien) aan passagierszijde en de zijairbags worden uitgeschakeld. De airbags worden uitgeschakeld als de elektronische sleutel uit het startsysteem is verwijderd, via de sleutelschakelaar (voor uitvoeringen/markten, waar voorzien) op het rechteruiteinde van het dashboard Afb. 13. De schakelaar kan alleen worden bereikt als het portier is geopend. Als het portier is geopend, kan de metalen baard van de sleutel in beide standen uit de sleutelschakelaar worden gehaald of erin worden gestoken.
WAARSCHUWING Bedien de schakelaar alleen als de motor is uitgezet en de contact-sleutel is uitgenomen.
De sleutelschakelaar kan in twee standen worden gezet:
□ frontairbag, knie-airbag (voor uitvoeringen/markten, waar voorzien) en zijairbags passagierszijde ingeschakeld (stand ON Ⓧ): het lampje 📊 op het paneel van het plafondlampje is uit; het is absoluut verboden kinderen op de voorstoel te vervoeren;
frontairbag, knie-airbag (voor uitvoeringen/markten, waar voorzien) en zijairbags passagierszijde ingeschakeld (stand OFF 📊): het lampje 📊 op het paneel van het plafondlampje brandt; kinderen kunnen op de voorstoel worden vervoerd als zij beschermd worden met een daarvoor bestemd systeem.
Het lampje 📁 op het paneel van het plafondlampje blijft constant branden, totdat de airbags aan passagierszijde weer worden ingeschakeld.
De auto is uitgerust met zij-airbags voor (sidebags voor) aan bestuurders- en aan passagierszijde voor bescherming van borstbekken.
De zij-airbags beschermen de inzittenden bij middelzware en zware zijdelingse aanrijdingen, door het opblazen van een luchtkussen tussen de inzittende en de interieurdelen aan de zijkant van de auto.
Als de zij-airbags niet worden geactiveerd bij andere soorten botsingen (frontaal, van achter, over de kop slaan enz.), betekent dit niet dat het systeem niet goed functioneert.
Bij een zijdelingse aanrijding zorgt de centrale regeleenheid ervoor, indien nodig, dat het kussen opblaast. Het kussen blaast onmiddellijk op, waardoor het lichaam van de inzittenden wordt opgevangen en de kans op letsel wordt beperkt. Direct daarna loopt het kussen weer leeg.
De zij-airbags vervangen de veiligheidsgordels niet, maar zijn een aanvulling op de gordels; draag dus altijd gordels. Dit is bovendien wettelijk verplicht in Europa en in veel landen buiten Europa.
ZIJ-AIRBAGS VOOR BESCHERMING BORST- BEKKEN (SIDEBAGS)
Deze bestaan uit twee snel opblaasbare type kussens in de rugleuning van de voorstoelen Afb. 14; deze kussens beschermen de borst en het bekken van de inzittenden bij een flankbotsing met een bepaalde omvang.
WAARSCHUWING Als de airbag in werking treedt, ontsnapt een beetje rook. Deze rook is niet schadelijk en duidt niet op brand; bovendien kan het oppervlak van het opgeblazen kussen en het interieur van de auto bedekt zijn met een laagje poeder: dit poeder kan de huid en de ogen irriteren. Als u hiermee in aanraking bent gekomen, moet u zich met neutrale zeep en water wassen.

De geldigheidsduur van de pyrotechnische lading en die van het spiraalmechanisme zijn vermeld op het betreffende plaatje op het bestuurdersportier. Wend u zich voor het verstrijken van deze termijnen het systeem tot het Alfa Romeo Servicenetwerk voor de vervanging.
WAARSCHUWING Na een ongeval waarbij een of meerdere veiligheidssystemen zijn geactiveerd, dient u contact op te nemen met het Alfa Romeo Servicenetwerk om de geactiveerde systemen te laten vervangen en de werking van het systeem te laten controleren.
Alle controlewerkzaamheden, reparaties en de vervanging van de airbag moeten door het Alfa Romeo Servicenetwerk worden uitgevoerd.
Aan het einde van de lange levensduur van uw auto, moet u contact opnemen met het Alfa Romeo Servicenetwerk om het systeem buiten werking te laten stellen. Bovendien moet bij verkoop van de auto de nieuwe eigenaar op de hoogte gesteld worden van het gebruik en de instructies, en moet hij het instructieboekje ontvangen.

OPGELET
Steek nooit het hoofd, de armen of de ellebogen uit
het raam.
WAARSCHUWING Het in werking treden van de gordelspanners, de frontairbags en de zij-airbags voor wordt door de elektronische regeleenheid bepaald, afhankelijk van het type ongeval. Als een van deze onderdelen niet in werking treedt, dan duidt dat niet op een storing in het systeem.
ALGEMENE OPMERKINGEN

OPGELET
Als u de sleutel in het start- systeem wordt geplaatst en het lampje gaat niet branden of blijft branden tijdens het rijden (in combinatie met een op het display weergegeven bericht), is er mogelijk een storing in de veiligheidssystemen; in dat geval kunnen de airbags of gordelspanners niet bij een ongeval worden geactiveerd of, in een zeer beperkt aantal gevallen, niet op de juiste manier worden geactiveerd. Voordat u verder rijdt, dient u contact op te nemen met het Alfa Romeo Servicenetwerk om het systeem direct te laten controleren.

OPGELET
Bedek de rugleuning van de zitplaatsen niet met hoezen of kleden die niet zijn voorbereid op het gebruik met Side-bags.

OPGELET
Reis niet met voorwerpen op schoot of voor de borst en houd vooral geen pijp, potlood enz. in de mond. Bij een ongeval waarbij de airbag in werking treedt, kan dit ernstig letsel veroorzaken.

OPGELET
Rijd altijd met beide handen op de stuurwielrand, zodat bij het in werking treden van de airbag, het systeem niet wordt gehinderd door obstakels. Rijd niet met voorover gebogen lichaam, maar ga goed rechtop zitten en steun tegen de rugleuning.

OPGELET
Laat bij diefstal of een poging tot diefstal, bij beschadiging of als de auto bij een overstroming onder water is geweest, het airbagsysteem door het Alfa Romeo Servicenetwerk controleren.

OPGELET
De stoelen mogen niet met water worden afgenomen of met stoom worden gereinigd (met de hand of in een automatisch wasapparaat).

OPGELET
De frontairbag treedt in werking bij een zwaardere botsing dan de gordelspanners. Bij aanrijdingen die tussen die twee drempelwaarden in liggen, treden alleen de gordelspanners in werking.

OPGELET
Als de sleutel in het start- systeem is geplaatst, kan, ook bij uitgezette motor, de airbag inschakelen als de auto stilstaat en de auto wordt aangereden door een andere auto die met voldoende snel- heid rijdt. Daarom mogen, ook als de auto stilstaat, absoluut geen ki- deren op de passagiersstoel voor worden geplaatst. Als de sleutel niet in het startsysteem is geplaatst, wordt bij een ongeval geen enkel beveiligingssysteem (airbag of gordelspanners) geactiveerd; als een systeem niet in werking treedt, be- tekent dit niet dat het systeem niet goed werkt.

OPGELET
Als de sleutel in het start- systeem is geplaatst, gaat het lampje 📁 (als de sleutelschakelaar voor de airbags aan en passagierszijde in de stand ON staat) gedurende enige seconden branden en vervolgens knipperen om aan te geven dat de frontairbag, de knie-airbag aan de passagierszijde en de zij-airbags aan de passagierszijde bij een ongeval worden geactiveerd. Hierna moet het lampje doven.

OPGELET
De airbag is geen vervan- ging voor de veiligheidsgordels, maar een aanvulling. Omdat de frontairbags niet worden geactiveerd bij frontale botsingen bij lage snel- heid, bij zijdelingse aanrijdingen en als de auto van achter wordt aan- gereden of over de kop slaat, wor- den in deze gevallen de inzittenden uitsluitend door de veiligheidsgordels beschermd. De gordels moeten dus altijd gedragen worden.
STARTEN EN RIJDEN
MOTOR STARTEN 134
PARKEREN 139
GEBRUIK VAN DE VERSNELLINGSBAK 140
BRANDSTOF BESPAREN 141
TREKKEN VAN AANHANGERS 143
WINTERBANDEN 144
SNEEUWKETTINGEN 145
AUTO LANGERE TIJD STALLEN.... 146
MOTOR STARTEN
De auto is uitgerust met een elektronische startblokkering: zie bij startproblemen de paragraaf „Alfa Romeo CODE-systeem“ in het hoofdstuk „Dashboard en bediening“.
WAARSCHUWING Als het startsysteem on- juist wordt behandeld, kan dit het ongewenst blokkeren van het stuur tot gevolg hebben.
WAARSCHUWING Als de elektronische sleutel geheel in het startsysteem wordt geplaatst, moet deze vergrendelen.
WAARSCHUWING Bij een rijdende auto mag de elektronische sleutel niet uit het start-systeem worden verwijderd, behalve in nood-gevallen (zie de paragraaf „elektronische sleutel in noodgevallen verwijderen“); als de sleutel is geplaatst, dan is het stuurslot uitgeschakeld als de auto rijdt (bijvoorbeeld als de auto wordt gesleept).

Wij raden u aan om gedu- rende de eerste kilometers niet de maximale prestaties
van uw auto te eisen (bijvoorbeeld snel accelereren, langdurig rijden met hoge toerentallen en krachtig remmen).

Laat de elektronische sleutel niet in het startsysteem als de motor stilstaat, zodat de accu
niet onnodig wordt ontladen.

OPGELET
Het is zeer gevaarlijk om de motor in afgesloten ruim-
ten te laten draaien. De motor verbruikt zuurstof en produceert kool-dioxide, koolmonoxide en andere giftige gassen.
PROCEDURE VOOR BENZINE-UITVOERINGEN
Ga als volgt te werk:
□ trek de handrem aan;
□ trap het koppelingspedaal helemaal in, zonder het gaspedaal in te trappen;
□ zet de versnellingshendel in de vrijstand;
□ steek de elektronische sleutel na het stoppen in het startsysteem;
□ druk kort op de knop START/STOP.
De startmotor wordt automatisch ingeschakeld, totdat de motor is gestart.
Als de motor is uitgeschakeld en de elektronische sleutel is in het startsysteem geplaatst, dan kan de motor automatisch worden gestart door kort op de START/STOP-knop te drukken en het koppelingspedaal ingetrapt te houden.
WAARSCHUWING De motor kan worden gestart als het rempedaal in plaats van het koppelingspedaal wordt ingetrapt. In dat geval wordt de motor niet automatisch gestart. Druk in dat geval de START/STOP-knop in en laat deze los zodra de motor is gestart.
PROCEDURE VOOR DIESELUITVOERINGEN
Ga als volgt te werk:
□ trek de handrem aan;
□ trap het koppelingspedaal helemaal in, zonder het gaspedaal in te trappen;
□ zet de versnellingshendel in de vrijstand;
□ steek de elektronische sleutel na het stoppen in het startsysteem. Op het instrumentenpaneel gaat het lampje 00 branden;
□ wacht tot het lampje 00 gedoofd is. Hoe warmer de motor, hoe sneller het lampje dooft;
☐ druk kort op de knop START/STOP met een nadat het lampje 00 uit gaat. Als u te lang wacht, zijn de voorgloeibougies weer afgekoeld.
De startmotor wordt automatisch ingeschakeld, totdat de motor is gestart.
Als de motor is uitgeschakeld en de elektronische sleutel is in het startsysteem geplaatst, dan kan de motor automatisch worden gestart door kort op de START/STOP-knop te drukken en het koppelingspedaal ingetrapt te houden.
Bij zeer lage temperaturen moet u altijd wachten, totdat het lampje 00 is gedoofd, voordat de motor wordt gestart.
WAARSCHUWING De motor kan worden gestart, als alleen het rempedaal is ingetrapt. In dat geval wordt de motor niet automatisch ge- start. Druk in dat geval de START/ STOP-knop in en laat deze los zodra de motor is gestart.
WAARSCHUWINGEN
Als u tijdens het starten de motor uit moet schakelen, is het voldoende om voor het opnieuw starten van de motor het koppelings- of rempedaal in te trappen en vervolgens op de START/STOP-knop te drukken.
Als het starten moeizaam verloopt, blijf dit dan niet langdurig proberen, maar wend u zich tot het Alfa Romeo Servicenetwerk.
Als de motor draait, wordt de elektronische sleutel in het startsysteem vergrendeld en kan deze alleen uit het startsysteem worden verwijderd als de motor wordt uitgeschakeld. Als de auto rijdt en de elektronische sleutel is vergrendeld, kan het startsysteem worden beschadigd als de sleutel geforceerd wordt verwijderd.
Bij eventuele problemen met het startsysteem gaat het lampje op het instrumentenpaneel branden (bij sommige uitvoeringen wordt er ook een bericht op het display weergegeven). Wend u zich in dit geval tot het Alfa Romeo Servicenetwerk.
Als na het indrukken van de START/STOPknop de motor niet start, herhaal dan de start-procedure, maar trap het andere pedaal in (koppelings- of rempedaal).
Storing bij het starten van de motor
Het systeem kan herkennen dat de motor niet aanslaat of dat de motor afslaat.
In dat geval wordt de elektronische sleutel ontgrendeld, zodat de bestuurder de volgende handelingen kan uitvoeren:
☐ schakel het instrumentenpaneel uit met behulp van de START/STOP-knop of door de elektronische sleutel uit het start-systeem te verwijderen;
□ start de motor door het koppelings-/rempedaal in te trappen en de START/STOP-knop in te drukken.
WAARSCHUWING Als de motor afslaat en de auto rijdt, kan om veiligheidsredenen, de elektronische sleutel niet uit het startsysteem worden verwijderd. Druk om de sleutel te verwijderen op de START/STOP-knop met ingetrapt rem- of koppelingspedaal en bij stilstaande auto.
Ga als volgt te werk:
□ rijd rustig weg, laat de motor niet met ho- ge toerentallen draaien en trap het gaspe- daal niet bruusk in;
verlang de eerste kilometers geen maximale prestaties. Wij raden u aan te wachten tot de wijzernaald van de koelvloeistoftemperatuurmeter begint te bewegen.
MOTOR UITZETTEN
Druk bij stilstaande auto de START/STOPknop in. Als de motor is uitgeschakeld, kan de elektronische sleutel uit het startsysteem worden verwijderd.

OPGELET
In noodgevallen of om veiligheidredenen kan de motor bij een rijdende auto worden uitgeschakeld door een aantal malen (drie keer binnen 2 seconden) de START/STOP-knop in te drukken en vervolgens de knop enige seconden ingedrukt te houden. In dat geval kunt u geen gebruik meer maken van de stuurbekrachtiging.
WAARSCHUWING Zet de motor na een zware rit niet onmiddellijk uit, maar laat de motor even stationair draaien. Hierdoor kan de temperatuur in de motorruimte dalen.
WAARSCHUWING Als de auto wordt uitgeschakeld, worden de elektronische beveiligingssystemen uitgeschakeld en de buitenverlichting gedoofd.
WAARSCHUWING Als de motor wordt uitgeschakeld en de auto rijdt, kan om veiligheidsredenen, de elektronische sleutel niet uit het startsysteem worden verwijderd. Schakel, om de sleutel te verwijderen, het instrumentenpaneel aan en uit door op de START/STOPknop te drukken bij losgelaten rem- of koppelingspedaal en stilstaande auto.

Het heeft geen enkel nut gas te geven voordat u de motor uitschakelt; dit is verspilling van brandstof en is schadelijk, vooral voor motoren met turbo-compressor.

Als er een probleem is met het uitschakelen van de auto of het ontgrendelmechanisme van de elektronische sleutel, ga dan als volgt te werk:
☐ druk de ontgrendelknop in om de metalen baard uit te laten klappen (zie de paragraaf „Elektronische sleutel“ in het hoofdstuk „Dashboard en bediening“);
□ steek de metalen baard B-Afb. 1 van de elektronische sleutel in de opening A;
□ verwijder de elektronische sleutel uit het startsysteem.
WAARSCHUWING Plaats in opening A-Afb. 1 geen andere voorwerpen dan de metalen baard B van de elektronische sleutel.
WAARSCHUWING Zet de auto stil voor- dat de elektronische sleutel op deze manier wordt verwijderd, omdat als de sleutel bij een draaiende motor wordt verwijderd, de motor en het instrumentenpaneel uitgeschakeld en het stuurslot niet ingeschakeld worden.
PARKEREN
Ga als volgt te werk:
□ zet de motor uit en trek de handrem aan;
☐ schakel een versnelling in (de 1° als de weg omhoog loopt, de achteruit als de weg omlaag loopt) en zet de voorwielen iets uitgestuurd.
Als de auto op een steile helling staat, blokkeer de wielen dan met stenen of wiggen. Laat de sleutel nooit in het startsysteem zitten als de motor is uitgezet, om te voorkomen dat de accu ontladt.

OPGELET
Laat kinderen nooit alleen achter in de auto. Verwijder
de elektronische sleutel altijd uit de zitting op het dashboard als u de auto verlaat en neem de sleutel mee.

De handrem A-Afb. 2 bevindt zich tussen de voorstoelen. Om de handrem in te schakelen, moet u de hendel A omhoog trekken zodat de auto blokkeert.
Als de elektronische sleutel in het startsysteem is geplaatst, gaat op het instrumentenpaneel het lampje Ⓔ branden.
WAARSCHUWING De auto moet geblokkeerd blijven als de hendel enkele tanden is aangetrokken. Als dit niet het geval is, laat dan het Alfa Romeo Servicenetwerk de handrem afstellen.
Handrem uitschakelen:
□ trek de hendel A iets omhoog en druk op de ontgrendelknop B;
□ druk op de knop B en zet de hendel omlaag. Het lampje (①) op het instrumentenpaneel dooft.
Om onverwachte bewegingen van de auto te voorkomen, moet bij het bedienen van de handrem het rempedaal worden ingetrapt.
GEBRUIK VAN DE VERSNELLINGSBAK
De auto is voorzien van een handgeschakelde versnellingsbak met 6 versnellingen. De stand van de afzonderlijke versnellingen is op de knop van de versnellingshendel afgebeeld.
Trap bij het overschakelen altijd het koppelingspedaal geheel in. Houd, om de 6 e versnelling in te schakelen, de pook iets naar rechts gedrukt, om te voorkomen dat per ongeluk de 4 e versnelling wordt ingeschakeld.
Plaats voor het inschakelen van de achteruit R vanuit de stand vrij de ring A-Afb. 3 onder de knop omhoog en verplaats tegelijkertijd de pook naar links en vervolgens naar voren. Laat de ring los na het inschakelen van de achteruit. Om vanuit de achteruit een andere versnelling in te schakelen, hoeft de ring van de pook niet omhoog getrokken te worden.

Afb. 3
A0G0151m
WAARSCHUWING De achteruit kan alleen bij een stilstaande auto worden ingeschakeld. Wacht, als de motor draait, ten minste 3 seconden met geheel ingetrapt koppelingspedaal, voordat de achteruit wordt ingeschakeld; hiermee wordt voorkomen dat de tandwielen beschadigen.

OPGELET
Om op de juiste wijze te schakelen, moet u het koppelingspedaal geheel intrappen. Daarom mag er niets onder het pedaal liggen dat dit kan verhinderen: let erop dat eventuele vloermatten niet zijn dubbelgevouwen en zo de slag van de pedalen beperken.

Laat uw hand tijdens het rijden niet op de versnellings-hendel rusten omdat door de uitgeoefende druk, ook als deze licht is, de interne onderdelen van de versnellingsbak na verloop van tijd kunnen slijten. Gebruik het kopp- pelingspedaal uitsluitend voor het overschakelen. Laat tijdens het rij- den de voet nooit – zelfs niet licht – op het koppelingspedaal rusten. Voor uitvoeringen/markten, waar voorzien, kan de regelelektronica van het koppelingspedaal een foutief gebruik door de bestuurder be- schouwen als een storing.
BRANDSTOF BESPAREN
Hierna volgen enkele nuttige tips, waardoor het brandstofverbruik zo laag mogelijk blijft en de uitstoot van schadelijke uitlaatgassen zoveel mogelijk beperkt wordt.
ALGEMENE OPMERKINGEN
Onderhoud van de auto
Zorg voor een goed onderhoud van de auto door de controles en afstellingen die in het „Onderhoudsschema“ staan vermeld, te laten uitvoeren.
Banden
Controleer regelmatig, ten minste een keer per maand, de spanning van de banden: als de spanning te laag is, wordt de weerstand groter en neemt het verbruik toe.
Overbodige bagage
Rijd niet met een overbeladen bagageruimte. Het gewicht van de auto (vooral in stadsverkeer) en de wieluitlijning hebben grote invloed op het brandstofverbruik en de stabiliteit.
Imperiaal/skidrager
Verwijder de imperiaal of skidrager als u deze niet meer gebruikt. Ze verminderen de aerodynamica van de auto, waardoor het brandstofverbruik toeneemt. Gebruik voor het vervoer van volumineuze voorwerpen bij voorkeur een aanhanger.
Stroomverbruikers
Gebruik elektrische accessoires uitsluitend als u ze nodig hebt. De achterruitverwarming, extra koplampen, de ruitenwissers en de aanjager van het ventilatie-/verwarmingssysteem vragen veel stroom, waardoor het brandstof-verbruik toeneemt (tot aan 25% in stadsverkeer).
Klimaatregeling
De airconditioning gebruikt zeer veel energie: gebruik wanneer de buitentemperatuur het toelaat, bij voorkeur de functies van het ventilatie-systeem.
Het gebruik van niet goedgekeurde aerodynamische accessoires kan de aerodynamica negatief beïnvloeden, waardoor het brandstofverbruik zal toenemen.
RIJSTIJL
Starten
Laat de motor als de auto stilstaat, niet warmdraaien met stationair toerental en ook niet met een hoog toerental: onder deze omstandigheden warmt de motor veel langzamer op, terwijl het verbruik en de schadelijke uitlaatgasemissie toenemen. Het is beter om rustig weg te rijden en geen hoge toerentallen te gebruiken: op deze manier warmt de motor sneller op.
Overbodige handelingen
Trap het gaspedaal niet in als u stilstaat voor een stoplicht of voordat u de motor afzet. Deze handeling heeft evenals het overschakelen met tussengas, geen enkel nut. Het kost brandstof en verhoogt de uitstoot van schadelijke uitlaatgassen.
Keuze van de versnellingen
Gebruik als het verkeer en de weg het toelaten de hoogste versnelling. Het inschakelen van een lage versnelling voor een snelle acceleratie verhoogt het brandstofverbruik. Bij het oneigenlijke gebruik van een hoge versnelling neemt het verbruik en de schadelijke uitlaatgasemissie toe. Bovendien slijt de motor hierdoor sneller.
Maximum snelheid
Het brandstofverbruik neemt aanzienlijk toe bij een hogere snelheid. Rijd daarom zoveel mogelijk met een gelijkmatige snelheid, vermijd overbodig remmen en optrekken. Dit kost brandstof en verhoogt de uitstoot van schadelijke uitlaatgassen.
Acceleratie
Met vol gas optrekken kost veel brandstof en verhoogt de uitstoot van schadelijke uitlaatgassen: het is beter geleidelijk op te trekken en het toerental waarbij het maximum koppel wordt geleverd, niet te overschrijden.
GEBRUIKS- OMSTANDIGHEDEN
Koude start
Bij korte ritten en regelmatig koud starten bereikt de motor niet de optimale bedrijfstemperatuur. Hierdoor neemt niet alleen het brandstofverbruik toe (van 15 tot aan 30% in stadsverkeer), maar ook de uitstoot van uitlaatgassen.
Verkeerssituatie en toestand van het wegdek
Op een drukke weg, bijvoorbeeld bij filerijden, waarbij overwegend lage versnellingen worden gebruikt, of in de stad waar zich veel verkeerslichten bevinden, zal het brandstofverbruik aanzienlijk hoger zijn. Bochtige trajecten, bergwegen en een slecht wegdek verhogen eveneens het brandstofverbruik.
Stilstaan in het verkeer
Als u langere tijd stilstaat (bijv. spoorweg-overgangen), is het raadzaam de motor uit te zetten.
TREKKEN VAN AANHANGERS
BELANGRIJKE TIPS
Voor het trekken van aanhangwagens of caravans moet de auto uitgerust zijn met een trekhaak van een goedgekeurd type en een adequate elektrische installatie. De montage van de trekhaak moet door gespecialiseerd personeel worden uitgevoerd. Ook moet documentatie worden overhandigd m. b. t. het rijden met een aanhanger.
Monteer zo nodig speciale en/of extra achteruitkijkspiegels, waarmee u voldoet aan de geldende verkeerswetgeving.
Let er op dat het maximum klimvermogen van de auto door het gewicht van een aanhanger wordt beperkt. Ook de remweg wordt langer en u heeft langer de tijd nodig om in te halen.
Schakel een lage versnelling in tijdens het af- dalen om te voorkomen dat u constant moet remmen.
Het gewicht van de aanhanger dat op de trekhaak rust, moet worden afgetrokken van het laadvermogen van de auto. Om er zeker van te zijn dat u het maximum toelaatbaar aanhangergewicht (vermeld op het kentekenbewijs) niet overschrijdt, moet u er rekening mee houden dat het maximum betrekking heeft op het totale gewicht van de aanhangwagen of caravan, inclusief accessoires en bagage.
Houd u zich aan de snelheidsbeperkingen die voor auto's met aanhanger gelden. U mag in geen geval harder rijden dan 100 km/h.

OPGELET
Het ABS waarmee de auto is uitgerust, werkt niet op het remsysteem van de aanhanger. Wees daarom extra voorzichtig op gladde wegen.

OPGELET
Wijzig beslist op geen enkele wijze het remsysteem van de auto. Het remsysteem van de aanhanger moet geheel onafhankelijk van het hydraulisch remsysteem van de auto worden bediend.
WINTERBANDEN
Gebruik winterbanden die dezelfde maat hebben als de standaard geleverde banden.
Het Alfa Romeo Servicenetwerk kan u advise- ren welke band het meest geschikt is voor het doel waarvoor u deze wilt gebruiken.
Houd u zich voor de bandenmaat, de bandenspanning en het type winterbanden exact aan de gegevens die staan vermeld in de paragraaf „Wielen“ in het hoofdstuk „Technische gegevens“.
De specifieke eigenschappen van winterbanden verminderen aanzienlijk als de profieldiepte minder is dan 4 mm. In dat geval is het veiliger ze te vervangen.
Door de specifieke eigenschappen van winterbanden zijn de prestaties onder normale omstandigheden of als lang op de snelweg wordt gereden, lager dan die van de standaard gemonteerde banden. Beperk het gebruik van winterbanden tot die omstandigheden waarvoor ze zijn goedgekeurd.
WAARSCHUWING Als u winterbanden gebruikt waarvan de maximum toegestane snelheid lager is dan de topsnelheid van de auto (met een marge van 5%), dan dient u in het interieur van de auto een voor de bestuurder duidelijk zichtbaar waarschuwingsplaatje te plaatsen met de maximum toegestane snelheid wanneer met die winterbanden wordt gereden (overeenkomstig de EU-normen).
Monteer op alle vier de wielen dezelfde banden (zelfde merk en profieldiepte) voor meer veiligheid tijdens het rijden en remmen en voor een betere bestuurbaarheid.
Keer de draairichting van de banden niet om.

OPGELET
De maximumsnelheid van winterbanden met de indicatie „Q” is 160 km/h, met indicatie „T” 190 km/h, met indicatie „H” 120 km/h; houd u zich altijd aan de geldende verkeerswetgeving.

SNEEUWKETTINGEN
Het gebruik van sneeuwkettingen is afhankelijk van de voorschriften van het land waar wordt gereden.
De sneeuwkettingen mogen alleen op de voorwielen gemonteerd worden (aangedreven wielen).
Controleer na enkele tientallen meters rijden of de kettingen nog goed gespannen zijn.
Gebruik van dunne sneeuwkettingen: gebruik voor bandenmaat 215/55 R16" uitsluitend dunne sneeuwkettingen die maximaal 12 mm boven het profiel van de banden uitsteken.
Het gebruik van sneeuwkettingen kan ook verplicht zijn voor voorwielaangedreven auto's.

Bij de uitvoering 3.2 JTS moeten de kettingen gemon- teerd worden op de VOORAS
van de auto.
WAARSCHUWING Op het reservewiel (voor uitvoeringen/markten, waar voorzien) mag geen sneeuwketting worden gemonteerd. Als een voorband (aangedreven wiel) lek is en met sneeuwkettingen moet worden gere- den, dan moet een achterwiel op de plaats van de lekke band worden gemonteerd (zorg ervoor dat de voorgeschreven bandenspanning zo goed mogelijk wordt benaderd) en het re- servewiel op de plaats van het achterwiel. Zo heeft u op de twee normale aangedreven wielen waarop sneeuwkettingen gemonteerd kunnen worden, waardoor de auto is voorbe- reid op een eventuele noodsituatie.

Bij bandenmaat 225/50 R17" kan uitsluitend gebruik worden gemaakt van „spi-er"-sneeuwkettingen.

Bij bandenmaat 235/45 R18" kan geen gebruik worden gemaakt van sneeuw-n omdat deze het spatscherm

OPGELET
Beperk de snelheid als u sneeuwkettingen gebruikt; rijd niet harder dan 40 km/h. Vermijd kuilen, stoepranden en andere ob-
stakels en rijd, om de auto en het wegdek niet te beschadigen, geen lange stukken op sneeuwvrije wegen.

Wij raden u aan om het ASR uit te schakelen als sneeuwkettingen zijn gemonteerd.
Druk op de ASR/VDC-knop (zie de paragraaf „ASR“ in het hoofdstuk „Dashboard en bediening“).
AUTO LANGERE TIJD STALLEN
Tref de volgende maatregelen als de auto enkele maanden niet wordt gebruikt:
□ zet de auto in een overdekte, droge en goed geventileerde ruimte;
☐ schakel een versnelling in;
□ zorg ervoor dat de handrem niet is aangetrokken;
maak de minklem los van de accupool en controleer de acculading. Gedurende het stallen moet deze controle iedere drie maanden worden herhaald. Laad de accu op totdat de optische meter (voor uitvoeringen/markten, waar voorzien) een donkere kleur zonder middelste groen gebied laat zien (zie de paragraaf „Accu” in het hoofdstuk „Onderhoud en zorg“);
☐ maak de gespoten plaatdelen schoon en behandel ze met een beschermende was;
□ reinig en conserveer de glimmende metalen delen met daarvoor geschikte middelen;
☐ smeer de wisserrubbers van de ruitenwis- sers in met talkpoeder en laat ze los van de ruit staan;
□ zet de ruiten een klein stukje open;
☐ dek de auto af met een stoffen of een ademende kunststof hoes. Gebruik geen dichte plastic hoes, omdat het in en op de auto aanwezige vocht dan niet kan verdampen;
breng de bandenspanning +0,5 bar boven de normaal voorgeschreven spanning en controleer deze regelmatig;
□ als u de accukabels niet loskoppelt, moet de lading iedere maand worden gecontroleerd; laad de accu op als de optische meter een donkere kleur heeft zonder groen middenstuk;
□ tap het koelsysteem van de motor niet af.
WAARSCHUWING Als de auto is voorzien van een alarmsysteem, schakel dit dan uit met de afstandsbediening.
LAMPJES EN BERIGHTEN
TE LAAG REMVLOEISTOFNIVEAU/
AANGETROKKEN HANDREM 149
VERSLETEN REMBLOKKEN 149
NIET OMGELEGDE VEILIGHEIDSGORDELS 150
STORING AIRBAGSYSTEEM....151
FRONTAIRBAGS PASSAGIERSZIJDE UITGESCHAKELD 151
TE HOGE KOELVLOEISTOFTEMPERATUUR.... 152
TE HOGE MOTOROLIETEMPERATUUR 153
TE LAGE MOTOROLIEDRUK ONVOLDOENDE MOTOROLIE-/
OLIEKWALITEIT 153
NIET GOED GESLOTEN PORTIEREN 154
GEOPENDE MOTORKAP 154
GEOPENDE BAGAGERUIMTE 154
ACCU WORDT NIET VOLDOENDE OPGELADEN 154
STORING INSPUTING/STORING EOBD 154
STORING BEVEILIGINGSSYSTEEM/
UITSCHAKELING STUURSLOT 155
STORING ALARM/INBRAAKPOGING/
ELEKTRONISCHE SLEUTEL NIET HERKEND.... 156
KANS OP GLADHEID.... 156
VOORGLOEIEN/STORING VOORGLOEISYSTEEM 157
WATER IN BRANDSTOFFILTER 157
BRANDSTOFNOODSCHAKELAAR GEACTIVEERD 158
STORING ABS 158
STORING EBD 158
VDC-SYSTEEM....159
STORING HILL HOLDER 159
ASR (ANTIDOORSLIPREGELING) 159
DEFECTE BUITENVERLICHTING 160
STORING REMLICHTEN.... 160
De storingsberichten die op het display verschijnen, zijn onderverdeeld in twee categorieën: zeer ernstige storingen en ernstige storingen.
Als een storingsbericht verschijnt, gaat ook het lampje op het instrumentenpaneel branden (voor uitvoeringen/markten, waar voorzien) en verschijnt eventueel ook een waarschuwingsbericht
In enkele gevallen wordt de storing gesignaleerd en kan ook een (instelbaar) geluidssignaal worden weergegeven.
Deze berichten zijn samenvattend en waarschuwend en hebben het doel om aan te sporen tot snelle actie van de bestuurder als er een storing van de auto optreedt. Deze berichten moeten niet als compleet en/of een alternatief voor de informatie in het Instructieboekje worden gezien; het instructieboekje moet altijd aandachtig gelezen worden.
Houd u zich bij een storing altijd aan de aanwijzingen die in dit hoofdstuk beschreven worden.
Zeer ernstige storingen
Deze worden op het display weergegeven gedurende een niet vastgestelde tijd, waarbij andere weergaven op het display worden onderbroken. Telkens als de sleutel in het startsysteem wordt geplaatst, wordt het bericht opnieuw weergegeven, totdat de storing wordt opgeheven. De cyclus kan worden onderbroken als de knop MENU wordt ingedrukt: in dat geval blijft het symbool dat de storing aangeeft zichtbaar rechtsonder op het display, totdat de oorzaak van de storing is verholpen.
Ernstige storingen
Deze worden op het display weergegeven gedurende ongeveer 20 seconden en verdwijnen vervolgens; het bericht verschijnt telkens als de sleutel in het startsysteem wordt geplaatst. Na de weergavecyclus van ongeveer 20 seconden of als de knop MENU wordt ingedrukt, blijft het symbool dat de storing aangeeft rechts-onder op het display weergegeven, totdat de oorzaak van de storing is verholpen.

REMVLOEISTOFPEIL TE LAAG (rood)
AANGETROKKEN HANDREM (rood)
Als u de sleutel in het contactslot steekt, gaat het lampje branden. Na enkele seconden moet het lampje doven.
Te laag remvloeistofniveau
Het controlelampje (in combinatie met de weergave van een bericht op het display) gaat branden als het remvloeistofniveau in het reservoir onder het minimum niveau is gedaald, bijvoorbeeld door lekkage in het remsysteem.
Aangetrokken handrem
Het lampje gaat branden als de handrem wordt aangetrokken.

OPGELET
Als het lampje tijdens het rijden gaat branden, condan of de handrem niet is ookken. Als het lampje blijft als de handrem niet is aan- en, breng dan de auto on- ik tot stilstand en wendt u Alfa Romeo Servicenetwerk.

REMBLOKSLIJTAGE (geel)
Op het display worden een bericht + symbool weergegeven wanneer de voorste remblokken versleten zijn; laat deze in dat geval zo snel mogelijk vervangen.
WAARSCHUWING De auto is uitgerust met een slijtagesensor voor de voorste remblokken; als deze moeten worden vervangen, moeten ook de remblokken achter worden gecontroleerd.

VEILIGHEIDSGORDELS NIET OMGELEGD (rood)
Bij stilstaande auto gaat het lampje continu branden als:
□ de bestuurdersgordel niet juist is omgelegd;
□ de passagiersgordel niet juist is omgelegd en er zich een gewicht op de passagiersstoel bevindt;
□ de bestuurders- of de passagiersgordel worden afgedaan.
Bij een rijdende auto gaat het lampje onder dezelfde omstandigheden knipperen en klinkt tegelijkertijd een geluidssignaal (zoemer) gedurende een korte periode.
Vervolgens blijft het lampje continu branden.
Het geluidssignaal kan tijdelijk op de volgende wijze worden uitgeschakeld:
☐ leg de veiligheidsgordels voor om;
□ steek de elektronische sleutel in het start-systeem;
□ wacht langer dan 20 seconden en korter dan 1 minuut en doe een van de gordels af.
Hierdoor blijft de zoemer uitgeschakeld, totdat de motor wordt uitgezet.
Wendt u zich voor het permanent uitschakelen van dit systeem tot het Alfa Romeo Servicenetwerk. Het „signaleringssysteem niet omgelegde veiligheidsgordels“ kan uitsluitend m.b.v. het Setup-menu van het display opnieuw worden ingeschakeld (zie de paragraaf „Instelbaar multifunctioneel display“ in het hoofdstuk „Dashboard en bediening“).

STORING AIRBAG (rood)
Als u de sleutel in het contactslot steekt, gaat het lampje branden. Na enkele seconden moet het lampje doven.
Het continu branden van het lampje in combinatie met een bericht op het display, geeft een storing in het airbagsysteem aan.

OPGELET
Als u de sleutel in het start- systeem plaatst en het lampje ♦ gaat niet branden of blijft branden tijdens het rijden (in com- binatie met een bericht op het dis- play), is er mogelijk een storing in het airbag- of gordelspanners- systeem; in dat geval kunnen de airbags of gordelspanners bij een ongeval niet worden geactiveerd of, in een zeer beperkt aantal gevallen, niet op de juiste wijze worden geactiveerd. Voordat u verder rijdt, dient u contact op te nemen met het Alfa Romeo Servicenetwerk om het systeem direct te laten controleren.

OPGELET
Als het lampje defect is, gaat het lampje voor de uitgeschakelde frontairbag aan passagierszijde 🚫 langer dan de normale 4 seconden knipperen. Daarnaast worden de airbags aan passagierszijde (frontairbag en zij-airbag — indien aanwezig) automatisch uitgeschakeld. In dit geval kan het lampje ✉ geen storingen in de airbag-/gordelspannersystemen aangeven. Wendt u zich onmiddellijk tot het Alfa Romeo Servicenetwerk om het systeem te laten controleren.

FRONTAIRBAGS PASSAGIERSZIJDE UITGESCHAKELD (geel)
Het lampje (op het paneel van het plafondlampje vóór) gaat branden als de frontairbags aan de passagierszijde, de knie-airbag aan de passagierszijde (waar voorzien) en de zij-airbags aan de passagierszijde met behulp van de sleutelschakelaar zijn uitgeschakeld (voor uitvoeringen/markten, waar voorzien).
Als u bij ingeschakelde airbags aan passagierszijde de sleutel in het startsysteem plaatst, gaat het lampje ongeveer 4 seconden branden en vervolgens 4 seconden knipperen. Hierna moet het lampje doven.

OPGELET
Een defect lampje wordt aangegeven door het branden van het lampje. Daarnaast kunnen de airbags aan passagierszijde (frontairbag en zij-airbag) automatisch worden uitgeschakeld. Voordat u verder rijdt, dient u contact op te nemen met het Alfa Romeo Servicenetwerk om het systeem direct te laten controleren.

TE HOGE TEMPERATUUR MOTORKOEL- VLOEISTOF (rood)
Als u de sleutel in het startsysteem plaatst, gaat het lampje (in de koelvloeistoftemperatuurmeter) branden. Na enkele seconden moet het lampje doven. Het lampje gaat branden (in combinatie met de weergave van een bericht op het display) als de motor te warm wordt. Als het lampje gaat branden, moeten de volgende maatregelen worden genomen:
- bij normale rij-omstandigheden: breng de auto tot stilstand, schakel de motor uit en controleer of het koelvloeistofniveau niet onder het MIN-merkteken staat. Als dit wel het geval is, wacht dan enkele minuten zodat de motor kan afkoelen, open vervolgens langzaam en voorzichtig de dop, vul koelvloeistof bij en controleer of de koelvloeistof tussen het MIN- en MAX-merkteken staat. Controleer ook of er geen vloeistof weglekt. Als bij het starten van de motor het lampje opnieuw gaat branden, wendt u zich dan tot het Alfa Romeo Servicenetwerk.
- Als de auto onder zware bedrijfsomstandigheden wordt gebruikt (bijvoorbeeld het bergopwaarts trekken van een aanhanger of bij volbeladen auto): verlaag de snelheid en breng, als het lampje blijft branden, de auto tot stilstand. Stop 2 of 3 minuten met draaiende motor en geef iets gas voor een snellere circulatie van de koelvloeistof. Zet vervolgens de motor uit.
WAARSCHUWING Laat na een zware rit de motor draaien en accelereer iets gedurende enige minuten voordat de motor wordt uitgeschakeld.

OPGELET
Draai bij een zeer warme motor de dop van het
expansiereservoir nooit los: gevaar voor verbranding.

TE HOGE MOTOROLIE- TEMPERATUUR
Als u de sleutel in het startsysteem plaatst, gaat het lampje (in de motorolietemperatuurmeter) branden. Na enkele seconden moet het lampje doven.
Als tijdens de rit het waarschuwingslampje gaat branden (in combinatie met de weergave van een bericht op het display), is de motorolie-temperatuur te hoog; zet in dat geval de motor uit en wendt u tot het Alfa Romeo Service-netwerk.

Als het lampje ♡ tijdens het rijden gaat knipperen, moet u zich tot het Alfa Romeo
Servicenetwerk wenden.

TE LAGE MOTOROLIEDRUK OLIEKWALITEIT ONVOLDOENDE (dieseluitvoeringe
Te lage motoroliedruk
Als tijdens het rijden op het display een bericht + symbool worden weergegeven, schakel dan onmiddellijk de motor uit en wendt u zich tot het Alfa Romeo Servicenetwerk.
Oliekwaliteit onvoldoende (dieseluitvoeringen)
Op het display worden een bericht + symbool weergegeven, als het systeem motorolie van onvoldoende kwaliteit constateert. Na de eerste constatering zal iedere keer bij het starten van de motor het bericht + symbool ca. 1 minuut lang op het display worden weergegeven en daarna iedere 2 uur, totdat de olie is ververst.

Als het symbool 📊 + be- richt op het display worden weergegeven, moet u zich zo snel mogelijk tot het Alfa Romeo Servicenetwerk wenden om de motorolie te verversen en het betreffende symbool op het display uit te schakelen.

NIET GOED GESLOTEN PORTIEREN (rood)
De weergave van het symbool + bericht op het display signaleren dat een van de portieren niet goed gesloten is.

GEOPENDE MOTORKAP
(voor uitvoeringen/markten, waar voorzien)
De weergave van het symbool 📄 (rode kleur) + bericht op het display signaleert dat de motorkap niet goed gesloten is.

GEOPENDE BAGAGERUIMTE
De weergave van het symbool (rode kleur) + bericht op het display signaleert dat de bagageruimte niet goed gesloten is.

TE LAGE ACCUSPANNING (rood)
Als op het display het symbool 📄 + bericht worden weergegeven, wendt u zich dan onmiddellijk tot het Alfa Romeo Servicenetwerk.

STORING INSPUITING (dieseluitvoeringen - geel)
STORING EOBD (uitvoeringen benzine - geel)
(voor uitvoeringen/markten, waar voorzien)
Storing in inspuitsysteem
Als u de elektronische sleutel in het startsysteem plaatst, gaat het lampje branden. Het lampje dooft als de motor wordt gestart.
Als het lampje blijft branden of gaat branden tijdens de rit, geeft dit aan dat het inspuitsysteem niet juist werkt, waardoor de prestaties achteruit kunnen gaan, de auto slechter kan gaan rijden en het brandstofverbruik kan toenemen.
U kunt onder deze omstandigheden doorrijden zonder te veel van de motor te eisen of met hoge snelheid te rijden. Wendt u zich in dit geval zo snel mogelijk tot het Alfa Romeo Servicenetwerk.
Storing EOBD-systeem
Onder normale omstandigheden gaat, als u de elektronische sleutel in het startsysteem plaatst, het lampje branden. Het lampje dooft als de motor wordt gestart. Het lampje gaat eerst branden om de juiste werking ervan aan te geven.
Als het lampje blijft branden of tijdens het rijden gaat branden:
- continu (in combinatie met de weergave van een bericht op het display): dit geeft een storing in het brandstof-/ontstekings-/inspuitsysteem aan, waardoor de emissie van schadelijke uitlaatgassen toeneemt, de prestaties achteruit kunnen gaan, de auto slechter kan gaan rijden en het brandstofverbruik kan toenemen. U kunt onder deze omstandigheden doorrijden zonder te veel van de motor te eisen of met hoge snelheid te rijden. Als lang met een brandend waarschuwingslampje wordt doorgereden, kunnen beschadigingen ontstaan. Wendt u zich in dit geval zo snel mogelijk tot het Alfa Romeo Servicenetwerk.
Het lampje dooft als de storing verdwijnt; de storing wordt door het systeem in het geheugen opgeslagen.
- knipperend duidt op een mogelijke beschadiging van de katalysator (zie „EOBD-systeem“ in het hoofdstuk „Dashboard en bediening“). Als het lampje knippert, moet het gaspedaal worden losgelaten (hierdoor gaat de motor met lage toerentallen draaien), totdat het lampje niet meer knippert; u kunt met niet te hoge snelheid doorrijden, waarbij rij-omstandigheden moeten worden vermeden die kunnen leiden tot het opnieuw gaan knipperen van het lampje. Wendt u zich zo snel mogelijk tot het Alfa Romeo Servicenetwerk.

Als bij het plaatsen van de sleutel in het startsysteem, het lampje niet gaat branden of als tijdens de rit het lampje continu of knipperend gaat branden, wendt u zich dan zo snel mogelijk tot het Alfa Romeo Servicenetwerk. De werking van het lampje 📄 kan met speciale apparatuur door de verkeerspolitie gecontroleerd worden. Houd u aan de wetgeving van het land waarin u rijdt.

STORING BEVEILIGINGS- SYSTEEM VOERTUIG (geel)
De weergave van een bericht op het display signaleert de storing van het beveiligings- systeem: Wendt u zich in dit geval zo snel mogelijk tot het Alfa Romeo Servicenetwerk.
Uitschakeling stuurslot
In geval van uitschakeling van de rijdende auto door de elektronische sleutel uit het start-systeem te verwijderen, wordt er op het display een bericht weergegeven.

STORING ALARM (geel)
(voor uitvoeringen/markten, waar voorzien)
INBRAAKPOGING (geel)
ELEKTRONISCHE SLEUTEL NIET HERKEND (geel)
Storing alarm
De weergave van een bericht + symbool op het display signaleren een storing in het diefstalalarm. Wendt u zich zo snel mogelijk tot het Alfa Romeo Servicenetwerk.
Inbraakpoging
De weergave van een bericht + symbool op het display geven een inbraakpoging aan. Wendt u zich zo snel mogelijk tot het Alfa Romeo Servicenetwerk.
Elektronische sleutel niet herkend
De weergave van een bericht + symbool signaleren het niet herkennen van de elektronische sleutel door het systeem, wanneer de motor wordt gestart.

KANS OP GLADHEID
Als de buitentemperatuur lager of gelijk is aan 3 °C, worden op het display een bericht + symbool weergegeven en klinkt er een geluidssignaal, om de bestuurder te waarschuwen voor mogelijke ijsvorming op de weg.
Bij enkele uitvoeringen kan de signaleringscyclus worden beeindigd door kort op de knop MENU te drukken:
— het bericht op het display verdwijnt en het daarvoor weergegeven scherm wordt opnieuw weergegeven;
- de temperatuuraanduiding stopt met knipperen;
- het symbool ⚙ blijft rechtsonder op het display staan (totdat de buitentemperatuur hoger of gelijk is aan 6 °C).
Dit wordt slechts één keer uitgevoerd nadat het systeem een temperatuur lager of gelijk aan 3 °C heeft gesignaleerd en kan alleen worden herhaald als de buitentemperatuur hoger is dan 6 °C en vervolgens weer lager of gelijk wordt aan 3 °C.
WAARSCHUWING In geval van een storing van de buitentemperatuursensor worden op het display streepjes weergegeven in plaats van de temperatuur.

VOORGLOEI-
BOUGIES
(dieseluitvoeringen - geel)
STORING
VOORGLOEI-
BOUGIES
(dieseluitvoeringen
- geel)
Voorgloeibougies
Als u de sleutel in het startsysteem plaatst, gaat het lampje branden. Het lampje dooft als de voorgloeibougies de vooraf ingestelde temperatuur hebben bereikt. Start de motor, zodra het lampje gedoofd is.
WAARSCHUWING Bij een matige of ho- ge omgevingstemperatuur kan het lampje zeer kort branden.
Storing in voorgloei-installatie
Het knipperen van het lampje (bij enkele uitvoeringen in combinatie een bericht op het display) geeft een storing in de voorgloei-installatie aan. Wendt u zich zo snel mogelijk tot het Alfa Romeo Servicenetwerk om de storing te laten verhelpen.

WATER IN HET BRANDSTOFFILTER
(dieseluitvoeringen - geel)
Het lampje gaat tijdens het rijden continu branden (in combinatie met een bericht op het display) als er water in het brandstofffilter aanwezig is.

Door water in het brandstofcircuit kan het inspuitsysteem ernstig worden beschadigd en de motor onregelmatig gaan draaien. Als het lampje op het instrumentenpaneel gaat branden (in combinatie met een bericht op het display) dient u zich zo snel mogelijk tot het Alfa Romeo Servicenetwerk te wenden om het water af te laten tappen. Als het lampje direct na het tanken gaat branden, bestaat de mogelijkheid dat er tijdens het tanken water in de brandstoftank is gekomen: zet in dit geval de motor direct af en neem contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk.

BRANDSTOF- NOODSCHAKELAAR GEACTIVEERD
Wanneer de brandstofnoodschakelaar is ingeschakeld, verschijnen er een bericht + een symbool op het display.

OPGELET
Als u na een ongeval een brandstoflucht ruikt of merkt dat het brandstofsysteem lekt, druk dan de schakelaar niet weer terug, zodat brand wordt voorkomen.

STORING ABS (geel)
Als u de sleutel in het contactslot steekt, gaat het lampje branden. Na enkele seconden moet het lampje doven.
Het lampje gaat branden (in combinatie met de weergave van een bericht op het display) wanneer het systeem defect is. In dat geval blijft het remsysteem normaal werken, maar zonder de mogelijkheden van het ABS. De auto kan worden gebruikt, maar wendt u zo snel mogelijk tot het Alfa Romeo Service-netwerk.

STORING EBD (rood) (geel)

Als de motor draait en de lampjes (ABS) en (1) tegelijkertijd gaan bran- en (in combinatie met de weergave van een bericht op het display), is er een storing in het EBD-systeem; als er dan krachtig wordt geremd, kunnen de achterwielen vroegtijdig blokkeren, waardoor de auto kan gaan slippen.
Rijd zeer voorzichtig onmiddellijk naar het dichtstbijzijnde bedrijf in het Alfa Romeo Service-netwerk om het systeem te laten controleren.

VDC-SYSTEEM (geel)
(voor uitvoeringen/markten, waar voorzien)
Als u de sleutel in het contactslot steekt, gaat het lampje branden. Na enkele seconden moet het lampje doven.
Het lampje knippert als het VDC ingrijpt, om de bestuurder te waarschuwen dat het systeem zich aanpast aan de grip op het wegdek.
VDC uitschakelen
Als het VDC handmatig wordt uitgeschakeld (door gedurende 2 seconden op de ASR/VDC-knop te drukken) (zie de paragraaf „VDC“ in het hoofdstuk „Dashboard en bediening), wordt er op het display een bericht weergegeven.
Storing in VDC
Bij een eventuele storing van het VDC, wordt het systeem automatisch uitgeschakeld en gaat op het instrumentenpaneel het lampje Ⓐ continu branden (in combinatie met de weergave van een bericht op het display). Wendt u zich in dat geval zo snel mogelijk tot het Alfa Romeo Servicenetwerk.

STORING HILL HOLDER (geel)
In het geval er een storing aanwezig is op het systeem Hill Holder, worden er op het display een bericht + symbool weergegeven. Wendt u zich in dit geval tot het Alfa Romeo Service-netwerk.

ASR (ANTIDOORSLIP- REGELING) (geel)
Als u de sleutel in het contactslot steekt, gaat het lampje branden. Na enkele seconden moet het lampje doven. Het lampje knippert als het ASR ingript, om de bestuurder te waarschuwen dat het systeem zich aanpast aan de grip op het wegdek.
ASR uitschakelen
Als het ASR handmatig wordt uitgeschakeld (door op de ASR / VDC-knop te drukken (zie de paragraaf „ASR” in het hoofdstuk „Dashboard en bediening“) gaat de led op de ASR/VDC-knop branden en wordt er op het display het symbool ⚙e: weergegeven.
Storing in ASR
Bij een storing van de ASR wordt de ASR automatisch uitgeschakeld en wordt er op het display het symbool ⚙e: weergegeven. Wendt u zich in dit geval zo snel mogelijk tot het Alfa Romeo Servicenetwerk.

DEFECTE BUITENVERLICHTING (geel)
Op het display worden een bericht + symbool weergegeven, wanneer een storing van de verlichting is geconstateerd:
— buitenverlichting
— richtingaanwijzers
— mistachterlichten
— kentekenplaatverlichting.
De storing kan betreffen: het doorbranden van een of meer lampen, het doorbranden van de betreffende zekering of de onderbreking van de elektrische verbinding.

Op het display worden een bericht + symbool weergegeven als een storing van de remlichten wordt gesignaleerd.
De storing kan worden veroorzaakt door het doorbranden van de lamp, het doorbranden van de betreffende zekering of de onderbreking van de elektrische verbinding.

Het lampje gaat branden als de mistachter- lichten worden ingeschakeld.

MISTLAMPEN VOOR (groen)
Het lampje gaat branden als de mistlampen ingeschakeld worden.

BUITENVERLICHTING (groen)
FOLLOW ME HOME (groen)
Buitenverlichting
Het lampje gaat branden als de buitenverlichting wordt ingeschakeld.
Follow me home
Het lampje gaat branden (in combinatie met de weergave van een bericht op het display) als deze functie wordt ingeschakeld (zie de paragraaf „Follow me home” in het hoofdstuk „Dashboard en bediening”).

DIMLICHTEN (groen)
Het lampje gaat branden als de dimlichten ingeschakeld worden.

GROOTLICHT (blauw)
Het lampje gaat branden als het grootlicht ingeschakeld wordt.

RICHTINGAANWIJZER LINKS (groen)
Het lampje gaat branden als de richtingaanwijzerhendel omlaag wordt gezet of, tegelijk met het richtingaanwijzercontrolelampje rechts, als de drukknop voor de waarschuwingsknipperlichten wordt ingedrukt.

RICHTINGAANWIJZER RECHTS (groen)
Het lampje gaat branden als de richtingaanwijzerhendel omhoog wordt gezet of, tegelijk met het richtingaanwijzercontrolelampje links, als de drukknop voor de waarschuwingsknipperlichten wordt ingedrukt.

STORING SCHEMERSENSOR (geel)
(voor uitvoeringen/markten, waar voorzien)
Op het display worden een bericht + symbool weergegeven in geval van storing van de schemersensor.

STORING REGENSENSOR (geel)
(voor uitvoeringen/markten, waar voorzien)
Op het display worden een bericht + symbool weergegeven in geval van storing van de regensensor.

STORING PARKEERSENSOREN (geel)
(voor uitvoeringen/markten, waar voorzien)
Op het display worden een bericht + symbool weergegeven in geval van storing van de parkeersensoren.

BRANDSTOF- RESERVE - BEPERKTE ACTIERADIUS (geel)
Het lampje gaat branden als in de brandstoftank nog ongeveer 10 liter brandstof aanwezig is. Als de actieradius minder dan ongeveer 50 km (of 31 mil) bedraagt, wordt op het display een waarschuwingsbericht weergegeven.

Als lampje 📁 tijdens het rijden gaat knipperen, moet u zich tot het Alfa Romeo
Servicenetwerk wenden.

CRUISE CONTROL (groen)
(voor uitvoeringen/markten, waar voorzien)
Het lampje (in combinatie met de weergave van een bericht op het display) gaat branden als de draaiknop van de cruise control in de stand ⚫ wordt gedraaid.

ROETFILTER VERSTOPT (dieseluitvoeringen) (geel)
Op het display worden een bericht + symbool weergegeven, als het roetfilter verstopt is en de rijomstandigheden verhinderen dat de regeneratieprocedure automatisch wordt uitgevoerd.
Voor de regeneratieprocedure en vervolgens het reinigen van het filter raden wij u aan te blijven rijden, totdat het symbool = = + bericht van het display verdwijnen.

STORING ANTI- BEKLEMMINGS- FUNCTIE RUITEN (geel)
Op het display worden een bericht + symbool weergegeven, wanneer een storing van de anti-beklemmingsfunctie voor de ruiten is geconstateerd.
Voer voordat u zich tot het Alfa Romeo Servicenetwerk richt eerst de initialisatieprocedure van de ruiten uit (zie de paragraaf „Elektrisch bediende ruiten“ in het hoofdstuk „Dashboard en bediening“). Wendt u zich tot het Alfa Romeo Servicenetwerk als het probleem blijft bestaan.

STORING KAP
TIJDELIJKE STORING KAP
Storing kap
Het bericht + symbool 📁 (rode kleur) worden op het display weergegeven, door te drukken op de activeringsknop van de kap of tijdens het plaatsen van de elektronische sleutel in het startsysteem, wanneer er sprake is van een permanente storing van de kap.
Wendt u zich in dit geval tot de Alfa Romeo-dealer om de storing te laten verhelpen.
Tijdelijke storing kap
Het bericht + symbool 📁 (rode kleur) worden op het display weergegeven, door te drukken op de activeringsknop van de kap, wanneer er sprake is van een tijdelijke storing van de kap.
Wendt u zich in dit geval tot de Alfa Romeo-dealer om de storing te laten verhelpen.

TE LAAG RUITENSPROEIER- VLOEISTOFNIVEAU (geel)
Op het display worden een bericht + symbool weergegeven, wanneer het ruitensproeier-vloeistofniveau lager is dan het voorziene minimumniveau.

Als met de auto sneller wordt gere- den dan de m.b.v. het „Setup-menu“ ingestel- de snelheid (bijvoorbeeld 120 km/h) (zie de paragraaf „Instelbaar multifunctioneel display“ in het hoofdstuk „Dashboard en bediening“), verschijnt op het display een waarschuwingsbericht + een rood symbool en klinkt een geluidssignaal.

STORING TPMS- SYSTEEM
(voor uitvoeringen/markten, waar voorzien)
Op enkele uitvoeringen verschijnen een bericht en een symbool (geel) op het display als er een storing is in het controlesysteem voor de bandenspanning TPMS: Wendt u zich in dit geval zo snel mogelijk tot het Alfa Romeo Service-netwerk.
Als er een of meer wielen zonder sensor gemonteerd zijn, verschijnt er een waarschuwingsbericht op het display, totdat de oorspronkelijke situatie weer is hersteld.

BANDENSPANNING CONTROLEREN
(voor uitvoeringen/markten, waar voorzien)
Bij enkele versies worden op het display een bericht + symbool (geel) weergegeven, om de zachte band te identificeren.
Als er twee of meer banden te zacht zijn, dan wordt achtereenvolgens iedere band apart aangegeven.
In dit geval raden wij u aan om zo snel mogelijk de juiste bandenspanning te herstellen (zie de paragraaf „Bandenspanning in koude toestand“ in het hoofdstuk „Technische gegevens“).

TE LAGE BANDENSPANNING
(voor uitvoeringen/markten, waar voorzien)
Bij enkele uitvoeringen wordt op het display een bericht + een rood symbool weergegeven, om aan te geven dat de spanning van één of meer banden lager is dan de aanbevolen waarde. Op deze manier waarschuwt het TPMS-systeem de bestuurder op het mogelijk leeglopen van de band (en) en dus op een mogelijke lekke band.
WAARSCHUWING Rijd niet verder met één of meerdere zachte banden omdat de rijveiligheid van de auto in gevaar kan worden gebracht. Stop de auto zonder bruusk te remmen en vermijd heftige stuurbewegingen. Vervang het wiel onmiddellijk door het reservewiel (voor uitvoeringen/markten, waar voorzien) of voer de reparatie met de betreffende set (zie „Wiel verwisselen“ in hoofdstuk „In noodgevallen“) en wendt u zo snel mogelijk tot het Alfa Romeo Servicenetwerk.

BANDENSPANNING NIET AANGEPAST AAN SNELHEID
(voor uitvoeringen/markten, waar voorzien)
Als waarschijnlijk harder gereden gaat worden dan 160 km/h, moet de bandenspanning worden verhoogd naar de waarde voor volledige belading (zie de paragraaf „Bandenspanning bij koude banden" in het hoofdstuk „Technische gegevens").
Bij enkele uitvoeringen verschijnen, als het TPMS een bandenspanning signaleert bij één of meer banden die niet geschikt is voor de snelheid waarmee wordt gereden, op het display een bericht + symbool (geel), die aanwezig blijven totdat de voertuigsnelheid weer onder de drempelwaarde zakt.
WAARSCHUWING Verlaag in dat geval onmiddellijk de snelheid om oververhitting van de banden te voorkomen; door oververhitting kan de band onherstelbaar beschadigen en wordt de levensduur aanzienlijk korter.
WAARSCHUWING Als u de reis met een hoge snelheid wilt voortzetten (sneller dan 160 km/h) en het symbool op het display gaat branden, dan moet de auto tot stilstand worden gebracht en de bandenspanning worden aangepast (zie de paragraaf „Bandenspanning bij koude banden“ in het hoofdstuk „Technische gegevens“).
NOODGEVALLEN
In noodgevallen kan gebruik worden gemaakt van het gratis nummer dat in het boekje „Alfa tot uw dienst" staat. Ook kan gebruik worden gemaakt van de website www.alfaromeo.com om het dichtstbijzijnde bedrijf in het Alfa Romeo Servicenetwerk te vinden.
STARTEN MET EEN HULPACCU 166
WIEL VERWISSELEN 167
BANDENREPARATIESET
FIX&GO automatic 172
LAMP VERVANGEN 178
LAMP BUITENVERLICHTING VERVANGEN 181
LAMP INTERIEURVERLICHTING VERVANGEN 187
ZEKERINGEN VERVANGEN 190
ACCU OPLADEN 200
OPKRIKKEN VAN DE AUTO 200
SLEPEN VAN DE AUTO 201
STARTEN MET EEN HULPACCU
Als de accu leeg is, kan de motor worden gestart met een hulpaccu, die ten minste dezelfde capaciteit moet hebben als de lege accu.
Ga voor het starten als volgt te werk Afb. 1:
□ verbind de pluspolen (+ teken nabij de pool) van de beide accu's met een start-kabel;
☐ sluit een tweede startkabel aan op de minpool (—) van de hulpaccu en op de massa-aansluiting ↓ op de motor van de auto die moet worden gestart;
□ start de motor;
□ neem als de motor draait de kabels in de omgekeerde volgorde los.

Als na enige pogingen de motor niet aanslaat, stop dan met starten en wendt u zich tot het Alfa Romeo Servicenetwerk.
WAARSCHUWING Verbind de minklemmen van de twee accu's niet direct met elkaar: eventuele vonken kunnen het explosieve gas ontsteken dat uit de accu kan ontsnappen. Als de hulpaccu is geïnstalleerd aan boord van een andere auto, mogen tussen deze auto en de auto met de lege accu niet per ongeluk metalen delen met elkaar in verbinding staan.

Gebruik voor een noodstart beslist nooit een accusnellader: hierdoor kunnen de elekystemen en de regeleenheden motormanagementsysteem beschadigd.

OPGELET
Deze startprocedure mag alleen door deskundige personen worden uitgevoerd, omdat er bij verkeerde handelingen vonken kunnen ontstaan. De vloeistof in de accu is giftig en corrosief. Vermijd het contact met de huid en de ogen. Kom ook niet dicht bij een accu met open vuur of een brandende sigaret en veroorzaak geen vonken.
ROLLEND STARTEN
Probeer auto's nooit te starten door ze aan te duwen, te slepen of van een helling af te laten rijden. Op die wijze kan er onverbrande brandstof in de katalysator terechtkomen en deze onherstelbaar beschadigen.

OPGELET
Houdt er rekening mee dat de rem- en de stuurbekrachtiging niet werken zolang de motor niet is aangeslagen, waardoor er meer kracht nodig is voor de bediening van het rempedaal en het stuur.
WIEL VERWISSELEN
De auto is uitgerust met de „Snelle banden-reparatieset Fix&Go automatic“. Zie voor het vervangen van het wiel de instructies in het volgende hoofdstuk.
Als reserve kan de auto in plaats van de „Kit Fix&Go Automatic" voorzien zijn (op aanvraag) van het noodreservewiel: voor de eventuele verwisseling ervan en het juiste gebruik van de krik, moeten de onderstaande voorzorgsmaatregelen in acht worden genomen.

OPGELET
Attendeer het overige weg- verkeer op de stilstaande auto m.b.v.: de waarschuwings-knipperlichten, de gevarendriehoek enz. Tijdens het verwisselen van een wiel moeten alle inzittenden de auto hebben verlaten, vooral als de auto zwaar beladen is, en op een veilige afstand van het verkeer wachten, totdat het wiel verwisseld is. Blokkeer de wielen met stenen of andere voorwerpen als de auto schuin op een helling of op een slecht wegdek staat. Start de motor nooit als de auto op de krik staat. Koppel eerst de eventuele aanhanger los voordat de auto wordt opgekrikt.

OPGELET
Het noodreservewiel (voor uitvoeringen/markten, waar voorzien) is specifiek voor de auto; monteer het niet op andere auto's en monteer geen reservewielen van andere auto's. Het noodreservewiel mag alleen in noodgevallen worden gebruikt. Het noodreservewiel moet zo kort mogelijk worden gebruikt en er mag niet sneller dan 80 km/h mee worden gereden. Op het noodreservewiel is een sticker aangebracht waarop de belangrijkste aanwijzingen en de beperkingen staan vermeld met betrekking tot het gebruik van het noodreservewiel. Deze sticker mag absoluut niet worden verwijderd of afgedekt!

OPGELET
Bij een gemonteerd nood- reservewiel veranderen de rij-eigenschappen van de auto. Vermijd met vol gas optrekken, bruusk remmen en hoge snelheden in de bochten. Het noodreservewiel heeft een levensduur van ongeveer 3000 km. Na deze afstand moet de band van het noodreservewiel vervangen worden door een nieuwe band van hetzelfde type. Monteer nooit een normale band op de velg van het noodreservewiel. Laat het verwisselde wiel zo snel mogelijk repareren en monteren. Gebruik nooit twee of meer noodreservewielen. Smeer voor montage de schroefdraad van de wielbouten niet met vet: de bouten kunnen loslopen.

OPGELET
De krik dient uitsluitend voor het verwisselen van een wiel van de auto waarbij de krik geleverd is of voor auto's van hetzelfde model. Gebruik de krik niet voor het opkrikken van andere auto's. En beslist nooit voor het uitvoeren van werkzaamheden onder de auto. Als de krik niet juist geplaatst wordt, kan de opgekrikte auto van de krik vallen. Op een sticker op de krik is het maximum hefvermogen aangegeven; de krik mag nooit voor een zwaardere last worden gebruikt. Het noodreservewiel is niet geschikt voor de montage van sneeuwkettingen. Als u een lekke voorband hebt, kunt u het noodreservewiel op de achteras plaatsen en het achterwiel op de vooras (voorwielaandrijving.) Op de vooras met de aangedreven wielen zijn dan twee normale wielen gemonteerd waarop sneeuwkettingen kunnen worden gebruikt.

OPGELET
Maak het ventiel absoluut niet open. Plaats geen en-
kel stuk gereedschap tussen velg en band. Controleer regelmatig de spanning van de banden en van het noodreservewiel en houdt u daarbij aan de waarden die beschreven staan in het hoofdstuk „Technische gegevens”.
Het is nodig te weten dat:
□ de krik 1,76 kg weegt;
□ de krik geen afstelwerkzaamheden vereist;
□ de krik niet kan worden gerepareerd: bij een defect moet de krik door een krik van hetzelfde type worden vervangen;
buiten de slinger geen enkel ander gereedschap op de krik gemonteerd mag worden.

Afb. 2
Ga voor het verwisselen van een wiel als volgt te werk:
zet de auto stil op een plaats waar het verkeer niet in gevaar wordt gebracht en in alle veiligheid het wiel kan worden verwisseld. Zet de auto zo mogelijk op een vlakke en stevige ondergrond;
□ zet de motor uit, trek de handrem aan en schakel de eerste versnelling of de achteruitversnelling in;
☐ til met behulp van de handgreep A-Afb. 2 de bekleding omhoog B en bevestig deze aan het bovenste deel van de bagageruimte door middel van de daarvoor bestemde zijdelingse borgringen;

□ voor uitvoeringen met de „snelle banden-reparatieset Fix&Go“ de gereedschaphouder uit de bagageruimte nemen Afb. 3;

☐ voor uitvoeringen met noodreservewiel de blokkeerschroef losdraaien A-Afb. 4, de gereedschaphouder eruit nemen B, deze dicht bij het te verwisselen wiel zetten en daarna het noodreservewiel pakken;
☐ met de bijgeleverde sleutel A-Afb. 5 de wielbouten ongeveer een slag losdraaien; schud de auto, zodat de velg makkelijker van de wielnaaf los kan komen;
□ draai het mechanisme F-Afb. 7 zodat de krik omhoog komt, totdat het bovenste deel van de krik G goed in de borging H valt;
□ de krik moet worden geplaatst op de afstand aangegeven in Afb. 6;


waarschuw eventuele omstanders dat de auto wordt opgekrikt; zorg ervoor dat ze zich niet in de nabijheid van de auto bevinden en de auto vooral niet aanraken totdat deze weer geheel op de grond staat;
☐ plaats de slinger L-Afb. 7 in de krik en krik de auto omhoog, totdat het wiel enige centimeters los van de grond is;

draai de bouten helemaal los en verwijder het wiel;
zorg ervoor dat de boutgaten en alle contactvlakken van het reservewiel schoon zijn en geen onzuiverheden bevatten, omdat hierdoor na verloop van tijd de wielbouten kunnen loslopen;

Afb. 8

□ monteer het reservewiel, waarbij de ga- ten op de velg moeten samenvallen met die aanwezig op de wielnaaf;
□ draai met de bijgeleverde sleutel de vijf wielbouten handvast aan;
☐ laat de auto zakken en verwijder de krik;
draai m. b. v. de bijgeleverde sleutel vervolgens de bouten kruislings in de aangegeven volgorde geheel vast, zoals is afgebeeld in Afb. 8.
NORMAAL WIEL MONTEREN
Volg de hiervoor beschreven procedure, krik de auto op en demonteer het noodreservewiel.
Ga als volgt te werk:
draai de centreerpen A-Afb. 9 in een van de boutgaten op de wielnaaf;
☐ plaats het wiel op de pen en draai met de bijgeleverde sleutel de vier beschikbare bouten vast;
□ draai de centreerpen A-Afb. 9 los en draai de laatste wielbout vast;
□ zet de auto omlaag en verwijder de krik, draai vervolgens met behulp van de bijgeleverde sleutel de bouten in de hiervoor voor het reservewiel aangegeven volgorde Afb. 8 vast.
Ter afsluiting:
☐ plaats het noodreservewiel op de daarvoor bestemde plek in de bagageruimte;
☐ plaats de half geopende krik stevig in de houder om rammelen tijdens het rijden te voorkomen;
☐ berg het gebruikte gereedschap op in de houder;
☐ plaats de gereedschapshouder met het gereedschap op het noodreservewiel;
☐ plaats de afdekplaat op de juiste wijze terug in de bagageruimte.
BANDENREPARATIES ET FIX&GO automatic
De auto is uitgerust met de snelle banden-reparatieset „Fix & Go“, als vervanging van het gebruikelijke gereedschap en het nood-reservewiel.
De kit bevindt zich aan de linkerzijde van de bagageruimte Afb. 10. In de houder van de bandenreparatieset zijn ook de schroevendraaier en het sleepoog te vinden.
De reparatieset Afb. 11 bevat:
□ een spuitbus A met afdichtvloeistof, die voorzien is van:
— een vulbuis B
- een sticker C met het opschrift „max. 80 km/h”; deze sticker moet na het repareren van de band goed zichtbaar (bijv. op het dashboard) worden aangebracht;

□ een compressor D met een manometer en verbindingsstukken;
□ een informatiefolder Afb. 12 voor direct gebruik van de snelle bandenreparatieset die vervolgens aan de monteur moet worden overhandigd die de behandelde band gaat repareren;
□ een paar werkhandschoenen dat in het zijvak van de compressor is te vinden;
□ adapters voor het oppompen van diverse voorwerpen.

Overhandig de informatie- folder aan het personeel dat de band moet repareren die met de bandenreparatieset is behandeld.

Als u een lekke band krijgt, kan de band gerepareerd worden als de diameter van
het lek niet groter is dan 4 mm.
Het is nodig te weten dat:
De afdichtvloeistof bij buitentemperaturen tussen -20 °C en +50 °C werkt. De afdichtvloeistof heeft een houdbaarheidsdatum.

OPGELET
Het is niet mogelijk lekken aan de zijkanten van de band te repareren. Gebruik de reparatieset niet als de band beschadigd is geraakt door het rijden met een lege band.

OPGELET
Bij schade aan de velg (zodanige vervorming van het kanaal dat er lucht wegloopt) kan de band niet gerepareerd worden. Verwijder de eventueel in de band binnengedrongen voorwerpen (schroeven of spijkers) niet.

OPGELET
De spuitbus bevat ethyleenglycol. Bevat latex: kan een allergische reactie veroorzaken. Schadelijk bij inslikken. Irriterend voor de ogen. Kan overgevoeligheid veroorzaken bij inademing en contact. Vermijd contact met ogen, huid en kleding. Spoel bij contact onmiddellijk overvloedig met water. Vermijd braken bij inslikken, spoel de mond uit, drink veel water en raadpleeg onmiddellijk een arts. Houdt buiten het bereik van kinderen. Het product mag niet gebruikt worden door astmatische patiënten. Adem de dampen niet in tijdens het vullen en oppompen. Raadpleeg onmiddellijk een arts bij allergische reacties. Bewaar de spuitbus in de daarvoor bestemde ruimte, ver verwijderd van warmtebronnen. De afdichtvloeistof heeft een houdbaarheidsdatum.

OPGELET
De compressor mag niet langer dan 20 minuten achter elkaar worden ingeschakeld. Gevaar voor oververhitting. De reparatieset is niet geschikt voor permanente reparatie; de gerepareerde banden mogen daarom slechts tijdelijk worden gebruikt.

Vervang de spuitbus voordat de houdbaarheidsdatum van de afdichtvloeistof is verstreken. Spuitbussen en afdichtvloeistof zijn schadelijk voor het milieu. Houdt u zich voor het afvoeren van deze producten aan de wettelijke normen.

Doe de handschoenen aan die bij de snelle banden- geset zijn geleverd.
Ga als volgt te werk:
☐ plaats het wiel voor de werkzaamheden met het ventiel A-Afb. 13 zoals in de afbeelding en schakel daarna de handrem in. Verwijder de reparatieset en laat hem op de grond vlak bij het wiel steunen;




□ Draai de ventieldop los, neem de vulbuis A-Afb. 14 uit en draai de ring B-Afb. 15 op het ventiel van de band;
□ controleer of de schakelaar A-Afb. 16 van de compressor in stand 0 (uitgeschakeld) staat, start de motor, steek de stekker A-Afb. 17 in het contact of de aansteker op de tunnel en schakel de compressor in door de schakelaar A-fig 16 in stand I (ingeschakeld) te zetten.
☐ pomp de band op tot de voorgeschreven spanning (zie de paragraaf „Banden“ in het hoofdstuk „Technische gegevens“). Controleer de bandenspanning op de drukmeter B-Afb. 16. Voor een nauwkeurige aflezing moet de compressor worden uitgeschakeld;
als u er niet in slaagt binnen 5 minuten de bandenspanning op ten minste 1,5 bar te krijgen, koppel dan de compressor los van het ventiel en de stekkerdoos en verplaats vervolgens de auto ongeveer 10 meter naar voren of naar achteren, zodat de afdichtvloeistof in de band verdeeld wordt; pomp de band vervolgens weer op;
als de bandenspanning ook op deze manier niet binnen 5 minuten na het inschakelen van de compressor een spanning van ten minste 1,8 bar bereikt, rijd dan niet verder met de te zwaar beschadigde band; de snelle bandenreparatieset is niet in staat om het lek te dichten; wendt u zich tot het Alfa Romeo Servicenetwerk;
als de band op de juiste spanning is gebracht (zie de paragraaf „Banden” in het hoofdstuk „Technische gegevens”), vertrek dan onmiddellijk;
□ stop na ongeveer 10 minuten en controleer opnieuw de bandenspanning; vergeet niet de handrem aan te trekken;

OPGELET
Plaats de sticker op een voor de bestuurder goed zichtbare plaats om aan te geven dat de band behandeld is met de snelle bandenreparatieset. Rijd voorzichtig vooral in bochten. Rijd niet harder dan 80 km/h. Vermijd bruusk accelereren en remmen.

OPGELET
Als de bandenspanning onder 1,8 bar is gedaald, mag niet verder worden gereden: de snelle reparatieset Fix & Go automatic kan de vereiste wegligging niet garanderen omdat de band te erg beschadigd is. Wendt u zich tot het Alfa Romeo Servicenetwerk.
☐ als een spanning van ten minste 1,8 bar wordt gemeten, herstel dan de correcte bandenspanning (met draaiende motor en aangetrokken handrem), waarna verder kan worden gereden;
□ rijd zeer voorzichtig naar een bedrijf uit het Alfa Romeo Servicenetwerk.

OPGELET
U moet absoluut aangeven dat de band is gerepareerd met de snelle bandenreparatieset. Overhandig de informatiefolder aan het personeel dat de band moet repareren die behandeld is met de bandenreparatieset.

De compressor kan ook worden gebruikt voor het herstellen van de bandenspanning. Maak de snelkoppeling A-Afb. 18 los en verbind de koppeling direct met het ventiel van de band Afb. 19; op deze manier wordt de spuitbus niet met de compressor verbonden en wordt de afdichtvloeistof niet in de band gespoten.
PROCEDURE VOOR HET VERVANGEN VAN DE SPUITBUS
Ga als volgt te werk voor het vervangen van de spuitbus:
☐ maak de koppeling A-Afb. 20 en de vulbuis B los;
□ draai de te vervangen spuitbus linksom en trek de spuitbus omhoog;
☐ plaats de nieuwe spuitbus en draai de spuitbus rechtsom;
☐ plaats de koppeling A terug of sluit de vulbuis B aan op de zitting.

OPGELET
U moet absoluut aangeven, aan iedereen die de auto gaat gebruiken, dat de band is gerepareerd met de snelle bandenreparatieset. Geef de informatieve sticker aan het personeel dat de herstelwerkzaamheden gaat uitvoeren.
LAMP VERVANGEN
ALGEMENE AANWIJZINGEN
Als een lamp niet brandt, controleer dan eerst of de zekering niet doorgebrand is, voordat u de lamp vervangt: zie voor de plaats van de zekeringen de paragraaf „Zekeringen vervangen“ in dit hoofdstuk;
□ controleer voordat u een lamp vervangt of de contacten niet zijn geoxideerd;
□ vervang een defecte lamp door een exemplaar van hetzelfde type en vermogen;
□ als u een gloeilamp in de koplamp hebt vervangen, controleer dan om veiligheidsredenen altijd of de afstelling nog goed is.
BELANGRIJK Aan de binnenzijde kan de koplamp een beetje beslagen zijn: dit duidt niet op een defect, maar is een natuurlijk ver- schijnsel dat veroorzaakt wordt door een lage temperatuur en de luchtvochtigheidsgraad, en verdwijnt snel als de koplampen worden inges- schakeld. De aanwezigheid van druppels aan de binnenzijde van de koplamp duidt daaren- tegen op het binnendringen van water: wendt u zich tot het Alfa Romeo Servicenetwerk.

OPGELET
Halogeenlampen mag u uit-sluitend aanraken op het metalen gedeelte. Als u de bol met uw vingers aanraakt, zal de licht-opbrengst van de lamp teruglopen en kan ook de levensduur beperkt worden. Als de bol per ongeluk wordt aangeraakt, reinig de bol dan met een met wasbenzine bevochtigde doek en laat de lamp drogen.

OPGELET
Modificaties en reparaties aan de elektrische installatie die niet juist en zonder rekening te houden met de technische specificaties van het systeem worden uitgevoerd, kunnen storingen en brandgevaar veroorzaken.

OPGELET
Halogeenlampen bevatten gas onder druk. Als de lamp at, dan kunnen glasdeeltjesingen.

OPGELET
Door de hoge voedings- spanning mogen defecte gasontladingslampen (Bixenon) uitsluitend door gespecialiseerd per- soneel worden vervangen: levens- gevaar! Wendt u zich tot het Alfa Romeo Servicenetwerk.

Afb. 21
A0G0117m
TYPEN LAMPEN Afb. 21
Op de auto zijn verschillende typen lampen ge- monteerd:
A Glasfittinglampen: geklemd ge- monteerd. Verwijder de lamp door de lamp uit de houder te trekken.
B Lampen met bajonetfitting: verwijder de lamp uit de houder door hem iets in te drukken en linksom te draaien.
C Buislampen: verwijder de lamp door hem uit de veercontacten los te maken.
D-E Halogeenlampen: verwijder de lamp door de borgveer los te haken uit de zitting.
F Bixenon gasontladingslampen.
| Grootlicht D H7 55 W | |||
| Dimlicht D H7 55 W | |||
| Grootlicht/dimlicht (uitvoeringen met bixenon-koplampen)(voor uitvoeringen/markten, waar voorzien) F DIS 55 W | |||
| Extra grootlicht (voor uitvoeringen/markten, waar voorzien) D H1 55 W | |||
| Standlichten voor (1 per lamp) A W5WB 5 W | |||
| Standlichten achter B P21/5W | 5 W | ||
| Mistlampen voor | E | H1 55 W | |
| Richtingaanwijzer voor | B PY21W 21 W | ||
| Richtingaanwijzer zijkant | A | W5W 5 W | |
| Richtingaanwijzer achter | B | P21W | 21 W |
| Remlichten | B | P21/5W | 21 W |
| Derde remlicht | A W2,3W | 2,3 W | |
| Achteruitrijlichten | B | P21W | 21 W |
| Mistachterlichten | B | P21W | 21 W |
| Kentekenplaatverlichting | A | W5W 5 W | |
| Plafondverlichting voor | 2xA+1C | 2xW5+10W | 5+5+10 W |
| Bagageruimteverlichting | C | 10W | 10 W |
| Verlichting zonneklepspiegels | A | 1,5W | 1,5 W |
| Verlichting dashboardkastje | A | W5W 5 W | |
| Dorpelverlichting/omtrekverlichting portier | A | W5W 5 W |
LAMP BUITENVERLICHTING VERVANGEN
Zie voor het type lamp en het bijbehorende vermogen de paragraaf „Gloeilamp vervangen“.
KOPLAMPUNITS
In de koplampunits bevinden zich de lampen voor het grootlicht, de standlichten, de richtingaanwijzers en het dimlicht.
Voor het verwijderen van de lampen moet het deksel worden verwijderd door dit linksom te draaien.
De lampen zijn op de volgende wijze in de licht-unit Afb. 22 geplaatst:
A Grootlicht
B Standlichten/richtingaanwijzers
C Dimlicht

Afb. 22
A0G0191m

OPGELET
Monteer de doppen nadat de lampen zijn vervangen roleer of de doppen goed en (geborgd).
Grootlicht (halogeenlampen)
Om de lamp te vervangen, als volgt te werk gaan:
□ draai het deksel linksom A-Afb. 22;
☐ maak de stekker A-Afb. 23 los;
☐ haak de borgveer van de lamp los B;

□ verwijder en vervang de lamp;
□ monteer de nieuwe lamp en maak de bevestigingsveer B van de lamp vast;
□ sluit de stekker A aan;
□ monteer het beschermdeksel op de juiste wijze.

Standlichten
Om de lamp te vervangen, als volgt te werk gaan:
□ draai het deksel linksom B-Afb. 22;
☐ maak de lip A-Afb. 24 los, verwijder de lamp en vervang de lamp;
□ monteer de lamphouder en controleer of de borging goed vastzit; controleer bovendien de juiste stand van de lamp (naar de buitenzijde van de unit gericht);
□ monteer het beschermdeksel op de juiste wijze.

Richtingaanwijzers voor
Om de lamp te vervangen, als volgt te werk gaan:
□ draai het deksel linksom B-Afb. 22;
draai de lamphouder A-Afb. 25, verwijder de lamp en vervang de lamp;
□ monteer de lamphouder en controleer of de borging goed vastzit; controleer bovendien de juiste stand van de lamp (naar de buitenzijde van de unit gericht);
□ monteer het beschermdeksel op de juiste wijze.

Dimlicht (halogeenlampen)
Om de lamp te vervangen, als volgt te werk gaan:
□ draai het deksel linksom C-Afb. 22;
□ maak de stekker A-Afb. 26 los;
☐ haak de borgveer van de lamp los B;
□ verwijder en vervang de lamp;
□ monteer de nieuwe lamp en maak de bevestigingsveer B van de lamp vast;
□ monteer het beschermdeksel op de juiste wijze.

Groot-/dimlicht met gasontladingslampen (Bixenon)
(voor uitvoeringen/markten, waar voorzien)

OPGELET
Door de hoge voedings- spanning mogen defecte
gasontladingslampen (Bixenon) uit- sluitend door gespecialiseerd per- soneel worden vervangen: levens- gevaar! Wendt u zich tot het Alfa Romeo Servicenetwerk.

Richtingaanwijzers op flanken
Om de lamp te vervangen, als volgt te werk gaan:
☐ druk om de lamp te verwijderen het lampenglas naar de achterzijde van de auto, zodat de bevestigingsveer wordt samengedrukt A-Afb. 27. Maak de voorzijde los en verwijder de unit;
□ draai de lamphouder B-Afb. 28 linksom en verwijder deze uit het lampenglas C.
□ verwijder de lamp D en vervang deze;
☐ plaats de lamphouder B in het lampenglas C en plaats de unit; controleer of de bevestigingsver A-Afb. 27 goed vastzit.

Werk voorzichtig, zodat de carrosserie en het lampenglas niet worden beschadigd.

WAARSCHUWING Wendt u zich voor het vervangen van de lamp van de mistlampen en voor het afstellen van de lichtunits tot het Alfa Romeo Servicenetwerk.

ACHTERLICHTUNITS
De achterlichtunits bevatten de lampen voor de achteruitrijverlichting, het mistachterlicht, de richtingaanwijzers, de standlichten, de kentekenverlichting, de remlichten en het derde remlicht.
Om alle bovengenoemde lampen te bereiken, is het nodig de bagageruimte te openen, mechanisme A-Afb. 30 te bedienen en deksel B te verwijderen.

De lampen zijn op de volgende wijze in de licht-unit geplaatst Afb. 31:
A Achteruitrijlicht (linkerzijde)/mistachterlicht (rechterzijde)
B Rem-/standlichten
C Rem-/standlichten
D Richtingaanwijzers

Achteruitrijverlichting/mistachterlicht
Het achteruitrijlicht en het mistachterlicht bevinden zich in de achterste lichtunit; ze bevinden zich respectievelijk één links en de andere rechts van de auto al naargelang de rijrichting.
Om de lamp te vervangen, als volgt te werk gaan:
□ de bagageruimte en het deksel openen zoals eerder aangegeven (zie Afb. 30);
draai de lamphouder A-Afb. 32, verwijder de lamp en vervang de lamp B en vervang deze;
□ monteer de lamphouder en controleer of de borging goed vastzit; controleer bovendien de juiste stand van de lamp (naar de buitenzijde van de unit gericht).
Binnen de achterste lichtunit zijn twee lampen voor de stand-/remlichten aanwezig.
Om de lamp te vervangen, als volgt te werk gaan:
□ de bagageruimte en het deksel openen zoals eerder aangegeven (zie Afb. 30);
draai de lamphouder A-Afb. 33, of A-Afb. 34, verwijder de lamp B en vervang deze;
□ monteer de lamphouder en controleer of de borging goed vastzit; controleer bovendien de juiste stand van de lamp (naar de buitenzijde van de unit gericht).

Richtingaanwijzers
Om de lampen te vervangen, als volgt te werk gaan:
☐ de bagageruimte en het deksel openen zoals eerder aangegeven (zie Afb. 30);
draai de lamphouder A-Afb. 35, verwijder de lamp B en vervang deze;
□ monteer de lamphouder en controleer of de borging goed vastzit; controleer bovendien de juiste stand van de lamp (naar de buitenzijde van de unit gericht).


Kentekenplaatverlichting
Om de lampen te vervangen, als volgt te werk gaan:
☐ maak met behulp van een platte schroevendraaier beschermd met een zachte doek bij A-Afb. 36 los om de unit B te verwijderen;

□ verwijder de lamphouder C-Afb. 37 door deze iets te verdraaien en vervang de geklemd gemonteerde lamp D.
Derde remlicht
Om de lampen te vervangen (Afb. 38), als volgt te werk gaan:
□ open de bagageruimte, verwijder de doppen A-Afb. 39 en verwijder het paneel B;

☐ ga over tot de vervanging van de lichtunit door de veren los te maken en te werken via de speciale openingen aanwezig op de plaat. Monteer vervolgens het paneel B opnieuw.
LAMP INTERIEUR- VERLICHTING VERVANGEN
Zie voor het type lamp en het bijbehorende vermogen de paragraaf „Lamp vervangen“.
PLAFONDLAMPJE VOOR
Wendt u zich voor het vervangen van de lamp tot het Alfa Romeo Servicenetwerk.

VERLICHTING DASHBOARDKASTJE
Voor het vervangen van de lamp, als volgt te werk gaan:
□ open het dashboardkastje;
☐ maak de lichtunit A-Afb. 40 op het door de pijl aangegeven punt los;
□ til de bescherming B-Afb. 41 op en vervang de geklemd gemonteerde lamp;

☐ sluit de bescherming B-Afb. 41 op het plafondlampje A-Afb. 40;
□ monteer de lichtunit door deze eerst aan een zijde in de juiste stand te plaatsen en vervolgens de andere zijde aan te drukken, totdat de borging inklikt.

BAGAGERUIMTE- VERLICHTING
Voor het vervangen van de lamp, als volgt te werk gaan:
□ open de bagageruimte;
□ verwijder het plafondlampje A-Afb. 42 door kracht uit te oefenen op het door de pijl aangegeven punt;

open het beschermdeksel B-Afb. 43 en maak de lamp los uit de veercontacten aan de zijkant, waarbij u controleert of de nieuwe lamp goed vastzit in de contacten zelf;
□ sluit het beschermdeksel B;
□ monteer de lichtunit door deze eerst aan een zijde in de juiste stand te plaatsen en vervolgens de andere zijde aan te drukken, totdat de borging inklikt.

DORPELVERLICHTING
Om de lamp te vervangen, als volgt te werk gaan:
open het portier en maak het lampenglas A-Afb. 44 op het door de pijl aangegeven punt los;
□ til de bescherming B-Afb. 45 op en vervang de geklemd gemonteerde lamp;

□ sluit de bescherming B-Afb. 45 op het plafondlampje A-Afb. 44;
□ monteer de lichtunit door deze eerst aan een zijde in de juiste stand te plaatsen en vervolgens de andere zijde aan te drukken, totdat de borging inklikt.
ZEKERINGEN VERVANGEN
ALGEMENE INFORMATIE
Het elektrische systeem wordt door zekeringen beveiligd: de zekering brandt door bij een storing of bij oneigenlijk gebruik van het systeem.
Als een systeem niet werkt, moet de werking van de betreffende zekering worden gecontroleerd: de verbindingsstrip mag niet onderbroken zijn. Is dit wel het geval, dan moet u de zekering vervangen door een exemplaar met dezelfde stroomsterkte (zelfde kleur).
A: zekering in goede staat
B: zekering met doorgebrande strip
Gebruik voor het vervangen van een zekering het tangetje C uit de zekeringen- en relaiskast onder het dashboard.

Vervang een defecte zekering nooit door ander materiaal.

OPGELET
Vervang in geen enkel ge- val een zekering door een zekering met een hoger ampèrage; brandgevaar.

OPGELET
Als een hoofdzekering (MEGA-FUSE, MAXI-FUSE) doorbrandt, wendt u zich dan tot het Alfa Romeo Servicenetwerk. Contro-leer voordat de zekering wordt vervangen of de sleutel niet in het start-systeem zit en of alle verbruikers zijn gedoofd en/of uitgeschakeld.

OPGELET
Als de zekering opnieuw doorbrandt, wendt u zich dan tot het Alfa Romeo Service- netwerk.

TOEGANG TOT DE ZEKERINGEN
De zekeringen bevinden zich in vier zekeringenkasten, onder het dashboard, op de pluspool van de accu, naast de accu en in de bagageruimte (links).
Dashboardzekeringen- en relaiskast
Draai de bout A-Afb. 47 en verwijder de bescherming B om de zekeringen te bereiken.


Zekeringenkast op de pluspool van de accu
Maak de borgveren A-Afb. 49 los en verwijder het beschermdeksel B om de zekeringen te bereiken.

Afb. 50
A0G0125m

Zekeringenkast naast de accu
Draai de twee bouten A-Afb. 51 los en verwijder het beschermdeksel B om de zekeringen te bereiken.

Afb. 52
A0G0123m

Zekeringenkast in bagageruimte (links)
Om de zekeringen te bereiken, is het nodig het mechanisme A-Afb. 53 los te schroeven en de bescherming B te openen.

| Grootlicht rechts F14 10 52 | |||
| Grootlicht links F15 10 52 | |||
| Dimlicht rechts F12 15 48 | |||
| Dimlicht links F13 15 48 | |||
| Mistlampen voor F30 15 52 | |||
| Achteruitrijlichten F35 7,5 48 | |||
| Derde remlicht F37 10 48 | |||
| Plafondverlichting voor | F39 10 48 | ||
| Plafondverlichting voor | F49 7,5 48 | ||
| Richtingaanwijzers | F53 10 48 | ||
| Waarschuwingsknipperlichten | F53 10 48 |
VERBRUIKERS
ZEKERING AMPÈRE FIGUUR
| Zekeringenkast in motorruimte | F70 (MEGA-FUSE) | 150 50 | |
| Zekeringenkast op dashboard | F71 70 50 | ||
| Voorverwarmingsinstallatie brandstof (dieseluitvoeringen) | F73 | 60 | 50 |
| Zekeringen- en relaiskast in bagageruimte | F01 (MAXI-FUSE) | 70 52 | |
| Zekeringenkast op dashboard | F01 (MAXI-FUSE) | 70 52 |
VERBRUIKERS ZEKERING AMPÈRE FIGUUR
| Aanjager F02 (MAXI-FUSE) 40 52 | |||
| Elektrisch stuurslot F03 (MAXI-FUSE) 20 52 | |||
| Knooppunt remsysteem (pomp) F04 (MAXI-FUSE) 40 52 | |||
| Knooppunt remsysteem (elektromagnetische klep) F05 (MAXI-FUSE) 40 52 | |||
| Elektroventilateur (lage snelheid) F06 (MAXI-FUSE) 40 52 | |||
| Elektroventilateur (hoge snelheid) F07 (MAXI-FUSE) 50 52 | |||
| Koplampsproeiers F09 20 52 | |||
| Claxons F10 15 52 | |||
| Verschillende secundaire verbruikers elektronische inspuiting | F11 15 52 | ||
| + INT voor elektronisch inspuitsysteem | F16 | 7,5 | 52 |
| Primaire verbruikers elektronische inspuiting | F17 10 52 | ||
| Regeleenheid motormanagementsysteem | F18 15 52 | ||
| Aircocompressor | F19 | 7,5 | 52 |
| Voorruitverwarming | F20 20 52 | ||
| Voeding brandstofpomp | F21 20 52 | ||
| Bobines ontsteking/inspuitventielen (benzine-uitvoeringen) | F22 15 52 | ||
| Primaire verbruikers elektronische inspuiting (dieseluitvoeringen) F22 20 52 | |||
| Voeding autoradio/Navigatiesysteem | F23 15 52 | ||
| Bodycomputer/Spoel relais koplampsproeiers | F31 | 7,5 | 48 |
| Knooppunt bestuurdersportier/knooppunt passagiersportier/startsystem | F32 15 48 | ||
| Beschikbaar | F33 | — | 48 |
| Beschikbaar | F34 | — | 48 |
VERBRUIKERS ZEKERING AMPÈRE FIGUUR
| Waterdetectiesensor brandstofffilter/luchtkwantummeter F35 7,5 48 | |||
| Remlichtschakelaar/paneel op tunnelconsole F35 7,5 48 | |||
| Cruise control F35 7,5 48 | |||
| AQS-sensor F35 7,5 48 | |||
| Beschikbaar F36 - 48 | |||
| Regeleenheid instrumentenpaneel F37 10 48 | |||
| Regeleenheid koplampen/Voeding regeleenheid gasontladingslampen (Bixenon) (voor uitvoeringen/markten, waar voorzien) | F37 10 48 | ||
| Reductiemotor ver-/ontgrendeling bagageruimte | F38 15 48 | ||
| Diagnosestekker EOBD-systeem | F39 10 48 | ||
| Regeleenheid bandenspanningscontrole | F39 10 48 | ||
| Inbouwvoorbereiding mobiele telefoon | F39 10 48 | ||
| Regeleenheid sirene diefstalalarm (voor uitvoeringen/markten, waar voorzien) | F39 | 10 | 48 |
| Klimaatregeling | F39 10 48 | ||
| Achterruitverwarming | F40 30 48 | ||
| Verwarming ruitensproeiers | F41 7,5 48 | ||
| Verwarming verwarmde spiegels | F41 | 7,5 | 48 |
| Voeding knooppunt remsysteem (ABS/VDC) - Knooppunt stuurhoeksensor - Gierhoeksensor | F42 7,5 48 | ||
| Ruitensproeiersysteem | F43 30 48 |
VERBRUIKERS ZEKERING AMPÈRE FIGUUR
| Aansteker op middenconsole F44 10 48 | |||
| Radionavigatiesysteem F49 7,5 48 | |||
| Regeleenheid regensensor F49 7,5 48 | |||
| Knooppunt stuur F49 7,5 48 | |||
| Dashboard bedieningsknoppen F49 7,5 48 | |||
| Knooppunt parkeersensoren F49 7,5 48 | |||
| Verlichting bedieningen tunnelconsole F49 7,5 48 | |||
| Verlichting bedieningen stoelen F49 7,5 48 | |||
| Service op voorruit | F49 7,5 48 | ||
| Inbouwvoorbereiding mobiele telefoon | F49 7,5 48 | ||
| Knop START/STOP | F49 7,5 48 | ||
| Airbagsysteem | F50 7,5 48 | ||
| Regeleenheid bandenspanningscontrole | F51 7,5 48 | ||
| Inbouwvoorbereiding autoradio F51 7,5 48 | |||
| Regeleenheid instrumentenpaneel | F53 10 48 | ||
| Versterker autoradio met DSP | F54 30 54 |
VERBRUIKERS ZEKERING AMPÈRE FIGUUR
| + 30 Audioversterker HI-FI F54 30 54 | |||
| Verstelling stoel links F56 25 54 | |||
| Verwarming stoel links F57 7,5 54 | |||
| Verstelling stoel rechts F60 25 54 | |||
| Beschikbaar F61 - 54 | |||
| Verwarming stoel rechts F67 7,5 54 | |||
| Beschikbaar F58 - 54 | |||
| Beschikbaar F59 - 54 | |||
| Hydraulische pomp kap | F62 30 54 | ||
| Regeleenheid en elektromechanische kleppen kap | F63 20 54 | ||
| Beschikbaar F64 - 54 | |||
| Beschikbaar F66 - 54 | |||
| Beschikbaar F68 - 54 | |||
| Beschikbaar F69 - 54 | |||
| Beschikbaar F77 - 54 | |||
| Ruitbediening links | F78 30 54 | ||
| Beschikbaar F79 - 54 | |||
| Ruitbediening rechts | F80 30 54 |
ACCU OPLADEN
WAARSCHUWING De beschrijving voor het opladen van de accu dient slechts ter informatie. Wendt u zich tot het Alfa Romeo Servicenetwerk om deze werkzaamheden uit te laten voeren.
We raden u aan de accu langzaam en met een lage stroomsterkte (ampèrage) gedurende ca. 24 uur op te laden. Als u de accu langer oplaadt, kan de accu worden beschadigd.
Ga voor het opladen als volgt te werk:
☐ maak de klem los van de minpool (—) op de accu;
☐ sluit de kabels van het laadapparaat aan op de accupolen; let hierbij op de polariteit;
□ schakel de acculader in;
☐ schakel aan het einde van het opladen eerst de acculader uit en koppel dan de accu los;
☐ sluit de klem weer aan op de minpool (—) van de accu.

OPGELET
De vloeistof in de accu is giftig en corrosief. Vermijd het contact met de huid en de ogen. Het opladen van de accu moet worden uitgevoerd in een goed geventileerde ruimte, ver verwijderd van open vuur en vonkvormende apparaten: brand- en ontploffingsgevaar.

OPGELET
Probeer een bevroren accu niet op te laden: eerst moet de accu ontdooid worden, anders loopt u het risico dat de accu ontploft. Als de accu bevroren is geweest, moet door deskundig personeel worden gecontroleerd of de cellen niet beschadigd zijn en of de bak geen scheuren vertoont, waardoor de giftige en corrosieve vloeistof kan weglekken.
OPKRIKKEN VAN DE AUTO
MET EEN HEFBRUG OF DE WERKPLAATSKRIK
Til de auto niet aan de voorzijde op, maar alleen aan de zijkant; maak hierbij gebruik van de uiteinden van de armen of de werkplaatskrik en plaats deze zoals in afbeelding Afb. 55 is aangegeven. Wendt u zich voor het optillen van de auto altijd tot het Alfa Romeo Servicenetwerk.

Afb. 55
A0G0272m
MET DE BOORDKRIK
Zie de paragraaf „Wiel verwisselen“ in dit hoofdstuk.
SLEPEN VAN DE AUTO
Het bijgeleverde sleepoog bevindt zich in de gereedschaphouder.
VOORZORGSMAATREGELEN BIJ HET SLEPEN VAN DE AUTO
Om de onderdelen van de transmissie niet te beschadigen, moet de auto op één van de aangegeven manieren worden gesleept:
☐ met de voorwielen van de grond en de achterwielen op passende rolbokken;
☐ met de achterwielen van de grond en de voorwielen op passende rolbokken;
☐ op een auto-ambulance met alle vier de wielen op de ambulance.

Ga als volgt te werk:
□ pak het sleepoog uit de gereedschaphouder;
verwijder de geklemd gemonteerde plug A-Afb. 56 op de voorbumper. Bescherm als u de bijgeleverde platte schroevendraaier gebruikt, het uiteinde met een zachte doek, zodat beschadiging van de auto wordt voorkomen.
□ draai het sleepoog geheel vast.

Achter
Pak het sleepoog uit de gereedschaphouder en draai deze in de zitting vast A-Afb. 57.

OPGELET
Maak de schroefdraad zorgvuldig schoon, voordat u het sleepoog op de schroefdraadpen draait. Controleer voordat de auto wordt gesleept eerst of het sleepoog goed vastzit.

OPGELET
Schakel voor het slepen het stuurslot uit (zie de paragraaf „Start-/contactslot“ in het hoofdstuk „Dashboard en bediening“). Houdt er tijdens het slepen rekening mee dat de rem- en stuurbekrachtiging niet werken als de motor niet draait, waardoor meer kracht nodig is voor de bediening van het rempedaal en het stuur. Gebruik voor het slepen geen elastische kabels en rijd zo gelijkmatig mogelijk. Controleer tijdens het slepen of de sleepkabel geen carrosserieedelen kan beschadigen. Houdt u zich bij het slepen van een auto aan de wettelijke voorschriften. Dit geldt zowel voor het slepen zelf als voor het gedrag naar andere weggebruikers.

OPGELET
Start de motor niet als de auto wordt gesleept.

OPGELET
De sleepogen voor en achter mogen alleen worden gebruikt voor noodsituaties op de weg. Het is toegestaan om het voertuig over een korte afstand met door de we- genverkeerswet toegestane middelen te slepen (stang); het is toegestaan om de auto op de weg te bewegen als voorbereiding op het slepen of het transport met bijvoorbeeld een auto- ambulance. De sleepogen MOGEN NIET worden gebruikt voor het slepen van het voertuig buiten een vlakke weg of als er obstakels aanwezig zijn en/of voor het slepen met sleepkabels of andere elastische materialen. Naast bo- venstaande voorwaarden moeten de twee voertuigen (het slepende en het gesleepte) tijdens het slepen ook zo veel mogelijk in een rechte lijn achter elkaar blijven.
ONDERHOUD EN ZORG
GEPROGRAMMEERD ONDERHOUD 204
GEPROGRAMMEERD ONDERHOUDSSCHEMA 205
PERIODIEKE CONTROLES 207
ZWAAR GEBRUIK VAN DE AUTO 207
NIVEAUS CONTROLEREN 208
LUCHTFILTER/POLLENFILTER 215
ACCU 216
Juist onderhoud is een belangrijke factor voor een lange levensduur, de beste prestaties en een zo zuinig mogelijk gebruik van de auto.
Voor deze Alfa Romeo is een aantal controles en onderhoudswerkzaamheden vastgesteld die elke 35 000 km (of 21 000 mil) moeten worden uitgevoerd.
WAARSCHUWING Het werkelijke vervangingsinterval van de motorolie en het oliefilter is afhankelijk van de gebruiksomstandigheden van de auto en wordt aangegeven met een brandend waarschuwingslampje of een melding op het instrumentenpaneel (voor uitvoeringen/markten, waar voorzien).
WAARSCHUWING 2 000 km voor de volgende onderhoudsbeurt verschijnt een bericht op het display.
Onthoud echter dat het geprogrammeerd onderhoud niet volledig toereikend is om de auto in optimale staat te houden: zowel in de beginperiode voor de servicebeurt bij 35 000 kilometer (of 21 000 mijl) als daarna, tussen twee servicebeurten in, moet regelmatig wat aandacht aan de auto worden geschonken. Controleer bijvoorbeeld regelmatig de bandenspanning en de vloeistofniveaus en vul deze laatste zo nodig bij.
BELANGRIJK De servicebeurten van het ge-programmeerd onderhoud zijn door de fabrikant voorgeschreven. Het niet uitvoeren van deze servicebeurten kan het vervallen van de garantie tot gevolg hebben.
De werkzaamheden van het geprogrammeerd onderhoud kunnen door het Alfa Romeo Servicenetwerk op vooraf bepaalde momenten worden uitgevoerd.
Reparaties, die niet tot de normale onderhoudsbeurt behoren en tijdens het uitvoeren van de onderhoudsbeurt nodig blijken te zijn, worden uitsluitend na toestemming van de klant uitgevoerd.
WAARSCHUWING Het verdient aanbeveling eventuele kleine defecten onmiddellijk door het Alfa Romeo Servicenetwerk te laten verhelpen en daarmee niet te wachten tot de volgende servicebeurt.
Als de auto vaak wordt gebruikt voor het trekken van aanhangers, moeten er kortere intervallen worden aangehouden voor de werkzaamheden van het geprogrammeerd onderhoud.
GEPROGRAMMEERD ONDERHOUDSSCHEMA
| x 1000 km | 35 70 | 105 140 | 175 | |||
| Banden op conditie en slijtage controleren en bandenspanning eventueel herstellen | ● | ● | ● | ● | ● | |
| Werking verlichting (koplamp-/achterlichtunits, richtingaanwijzers, waarschuwingsknipperlichten, bagageruimte, interieur, dashboardkastje, waarschuwings-/controlelampjes enz.) controleren | ● | ● | ● | ● | ● | |
| Werking ruitenwissers/-sproeiers voor/achter controleren en eventueel sproeiermonden afstellen | ● | ● | ● | ● | ● | |
| Stand wisserbladen voor/achter controleren en wisserbladen op slijtage controleren | ● | ● | ● | ● | ● | |
| Remblokken van schijfremmen voor op conditie en slijtage controleren en werking van remblokslijtagesensor controleren | ● | ● | ● | ● | ● | |
| Remblokken achter (schijfremmen) op conditie en slijtage controleren | ● | ● | ● | ● | ● | |
| Visueel de conditie controleren van: buitenzijde carrosserie, bodemplaatbescherming, uitlaat, brandstof- en remleidingen, rubber delen (stofkappen, hoezen, bussen enz.), en rubber slangen van het rem- en brandstofsysteem | ||||||
| ● | ● | ● | ● | ● | ||
| Vergrendelmechanismen van de motorkap en achterklep op vervuiling controleren en mechanismen smeren | ● | ● | ● | ● | ● | |
| Vloeistofniveaus controleren en eventueel bijvullen (hydraulisch rem-/koppelingssysteem, stuurbekrachtiging, ruitensproeiers, accu, motorkoelsysteem enz.) | ● | ● | ● | ● | ● | |
| Handrem controleren en eventueel afstellen | ● | ● | ● | |||
| Conditie van aandrijfriem (en) voor de hulporganen visueel controleren | ● | ● | ||||
| Uitlaatgasemissie controleren (benzine-uitvoeringen) | ● | ● | ● | ● | ● | |
| Emissie / uitlaatrookgas controleren (dieseluitvoeringen) | ● | ● | ● | ● | ● | |
| Inspuiting/ontsteking controleren (m. b. v. diagnosestekker) | ● | ● | ● | ● | ● | |
| Aandrijfriem (en) voor hulporganen vervangen | ||||||
| Distributieriem vervangen (uitvoeringen 1750 TURBO BENZINE) (*) | ||||||
| Distributieriem vervangen (dieseluitvoeringen) (*) | ||||||
| Bougies vervangen (uitvoeringen 1750 TURBO BENZINE) | ||||||
| Bougies vervangen (3.2 JTS en 2.2 JTS Selespeed) | ||||||
| Brandstofffilter vervangen (dieseluitvoeringen) | ||||||
| Luchtfilterelement vervangen | ||||||
| Olie haakse overbrenging vervangen (uitvoeringen 3.2 JTS 4x4) | ||||||
| Motorolie verversen en oliefilter vervangen (uitvoeringen 3.2 JTS en 2.2 JTS Selespeed) (of elke 24 maanden) (***) | ||||||
| Motorolie verversen en oliefilter vervangen (uitvoeringen 1750 TURBO BENZINE) (**) (of elke 12 maanden) | ||||||
| Motorolie en oliefilter vervangen (dieseluitvoeringen met DPF) (**) (of elke 24 maanden) | ||||||
| Motorolie en oliefilter vervangen (uitvoeringen zonder DPF) (of elke 24 maanden) | ||||||
| Remvloeistof vervangen (of elke 24 maanden) | ||||||
| Pollenfilter vervangen (of elke 24 maanden) | ||||||
| Functionele controle opening/sluiting, visuele controle afdichtringen, controle van de grip van de ruiten op de pakking van de kap en eventuele afstelling (of elke 18 maanden) | ||||||
| Controle oliepeil pomp hydraulische installatie kap en eventueel het herstel ervan (of elke 12 maanden) |
(*) Ongeacht de kilometerstand moet de distributieriem bij zware bedrijfsomstandigheden (koude klimaten, gebruik in stadsverkeer, langdurig stationair draaien) elke 4 jaar worden vervangen of in ieder geval om de 5 jaar.
(**) Het werkelijke vervangingsinterval van de motorolie en het oliefilter is afhankelijk van de gebruiksomstandigheden van de auto en wordt aangegeven met een brandend waarschuwingslampje of een melding op het instrumentenpaneel (voor uitvoeringen/markten, waar voorzien).
(***) Als de auto overwegend in de stad wordt gebruikt of onder zeer koude klimatologische omstandigheden of jaarlijks zeer weinig kilometers maakt, moeten de motorolie en het oliefilter iedere 12 maanden worden vervangen.
PERIODIEKE CONTROLES
ledere 1 000 km of voor een lange reis controleren en eventueel bijvullen:
□ niveau van de motorkoelvloeistof;
□ niveau van de remvloeistof;
□ niveau van de ruitensproeiervloeistof;
□ conditie en spanning van de banden;
□ werking verlichting (koplamp-/achterlichtunits, richtingaanwijzers, waarschuwings-knipperlichten enz.);
□ werking ruitenwissers/-sproeiers en stand/slijtage wisserbladen voor.
ledere 3 000 km controleren en eventueel bijvullen: motorolieniveau.
Gebruik bij voorkeur producten van FL Selenia, die speciaal voor Alfa Romeo-modellen zijn ontworpen en afgestemd (zie de „Vullingstabel“ in het hoofdstuk „Technische gegevens“).
ZWAAR GEBRUIK VAN DE AUTO
Als de auto overwegend onder zware bedrijfsomstandigheden rijdt, zoals:
□ trekken van aanhangers of caravans;
□ rijden op stoffige wegen;
□ veel korte ritten (minder dan 7–8 km) en bij buitentemperaturen onder nul;
□ veel langdurig stationair draaiende motor of lange ritten bij lage snelheden (bijv. bij huis-aan-huis bezorging) of als de auto lang stilstaat;
□ in de stad;
is het noodzakelijk de volgende controles vaker uit te voeren, dan in het Onderhoudsschema staat aangegeven:
□ remblokken voor (schijfremmen) op conditie en slijtage controleren;
□ vergrendelmechanismen van motorkap en achterklep op vervuiling controleren en mechanismen smeren;
visueel de conditie controleren van: motor, versnellingsbak, aandrijfassen, uitlaat, brandstof- en remleidingen, rubber delen (stofkappen, hoezen enz.) en rubber slangen van rem- en brandstofsysteem;
□ acculading en niveau van het elektrolyt in de accu controleren;
□ conditie van aandrijfriemen voor hulporganen visueel controleren;
☐ motorolie en oliefilter controleren en eventueel vervangen;
□ pollenfilter controleren en eventueel vervangen;
☐ luchffilter controleren en eventueel vervangen.
NIVEAUS CONTROLLEREN
Zie voor de hoeveelheden het hoofdstuk Technische gegevens.

Let op. Tijdens het bijvullen mogen de vloeistoffen met verschillende specificaties niet gemengd worden: als de specificaties van de vloeistoffen verschillen, kan de auto ernstig beschadigd worden.

OPGELET
Rook nooit tijdens werkzaamheden in de motorruimte: er kunnen licht ontvlambare gassen aanwezig zijn; brandgevaar.
- Motorolie - 2. Accu
- Remvloeistof - 4. Ruitensproeiervloeistof
- Motorkoelvloeistof
- Olie van stuurbekrachtiging

Afb. 1 — Uitvoering 1750 TURBO BENZINE
A0G0306m

Afb. 1/a - Uitvoering 2.2 JTS Selespeed
A0G0161m
- Motorolie - 2. Accu
- Remvloeistof - 4. Ruitensproeiervloeistof
- Motorkoelvloeistof
- Olie van stuurbekrachtiging

Afb. 2 — Uitvoering 3.2 JTS
A0G0038m
- Motorolie - 2. Accu
- Remvloeistof - 4. Ruitensproeiervloeistof
- Motorkoelvloeistof
- Olie van stuurbekrachtiging

Afb. 3 - Uitvoering 2.0 JTD M
A0G0305m
- Motorolie - 2. Accu
- Remvloeistof - 4. Ruitensproeiervloeistof
- Motorkoelvloeistof
- Olie van stuurbekrachtiging

Afb. 4 — Uitvoering 2.4 JTDM
A0G0299m




Motoroliepeil controleren
Controleer het oliepeil als de auto op een vlakke ondergrond staat en enige minuten (circa 5) na het uitzetten van de motor.
Verwijder de peilstok A en maak deze schoon, plaats vervolgens de stok geheel terug, verwijder de stok en controleer of het peil tussen het MIN — en MAX-merkteken op de peilstok staat. Het verschil tussen het MIN- en MAX-merkteken komt overeen met ongeveer 1 liter olie.

Motorolie bijvullen
Als het olieniveau dicht bij of onder het MIN-merkteken staat, moet via de olievulopening B motorolie tot aan het MAX-merkteken worden bijgevuld. Het olieniveau mag nooit het MAX-merkteken overschrijden.
WAARSCHUWING Als het olieniveau tijdens een controle boven het MAX-merkteken blijkt te staan, wendt u zich dan tot het Alfa Romeo Servicenetwerk om het niveau te laten herstellen.
WAARSCHUWING Na het bijvullen of het verversen van de olie, moet u de motor enige seconden laten draaien, vervolgens de motor uitzetten en na enige minuten het olieniveau controleren.
Motorolieverbruik
Als richtlijn geldt een maximaal motorolieverbruik van ongeveer 400 gram per 1 000 km.
De motor van een nieuwe auto moet nog worden ingereden. Dit betekent dat het motor-olieverbruik pas na de eerste 5000 ÷ 6000 km stabiliseert.
WAARSCHUWING Het olieverbruik is afhankelijk van de rijstijl en de bedrijfsomstandigheden waaronder de auto wordt gebruikt.
WAARSCHUWING Vul niet bij met olie met andere specificaties dan de olie die al aanwezig is.

OPGELET
Wees bij het uitvoeren van werkzaamheden in de motorruimte extra voorzichtig als de motor nog warm is: gevaar voor verbranding. Onthoud dat bij een warme motor de elektroventilateur onverwacht kan inschakelen: kans op verwonding. Pas op als u sjaals, dassen of loszittende kledingstukken draagt: deze kunnen door de bewegende onderdelen worden gegrepen.

Afgetapte motorolie en gebruikte oliefilters bevatten stoffen die schadelijk zijn voor het milieu. Wendt u zich voor het verversen van de motorolie en het vervangen van de filters tot het Alfa Romeo Servicenetwerk.

Als het niveau te laag is, vul dan langzaam, via de opening A van het reservoir bij met een mengsel van 50% water en PARAFLU UP vloeistof.
Een mengsel van 50 % PARAFLU UP en 50 % water beschermt tot een temperatuur van -35 °C.
Onder extreem koude klimatologische omstandigheden raden wij een mengsel aan van 60% PARAFLU UP en 40% gedemineraliseerd water.

OPGELET
Draai bij een zeer warme motor de dop van het expansiereservoir nooit los: gevaar voor verbranding.

Het motorkoelsysteem gebruikt PARAFLU UP-koel-vloeistof, dat moet worden gebruikt voor het eventueel bijvullen; meng beslist niet met een andere vloeistof. Als er toch gemengd wordt met een andere vloeistof, start de motor dan niet en wendt u zich tot het Alfa Romeo Servicenetwerk.

OPGELET
Het koelsysteem staat onder druk. Vervang de dop indien nodig alleen door een exemplaar van hetzelfde type, anders kan de werking van het systeem in gevaar worden gebracht.

Verwijder, om vloeistof bij te kunnen vullen, de dop A en vul bij met een mengsel van water en TUTELA PROFESSIONAL SC 35 in de volgende verhouding:
☐ 30% TUTELA PROFESSIONAL SC
35 en 70% water in de zomer;
☐ 50% TUTELA PROFESSIONAL SC
35 en 50% water in de winter.
Gebruik bij temperaturen lager dan -20 °C TUTELA PROFESSIONAL SC 35 puur.

OPGELET
Rijd niet met een leeg ruitensproeierreservoir: de ruitensproeiers zijn van fundamenteel belang voor een optimaal zicht.

OPGELET
Enkele in de handel verkrijgbare ruitensproeier-vloeistoffen zijn licht ontvlambaar. In de motorruimte bevinden zich warme onderdelen die bij contact de vloeistof kunnen doen ontbranden.

Afb. 11 uitvoeringen 1750 TURBO BENZINE 2.2 JTS Selespeed - 2.4 JTDm
Controleer of het niveau ter hoogte van het MAX-merkteken op het reservoir of ter hoogte van het bovenste merkteken (maximaal niveau) op de peilstok onder de dop van het reservoir.
Als het niveau in het reservoir lager is dan voorgeschreven, vul dan als volgt bij:

Afb. 12 uitvoeringen 2.0 JTDM - 3.2 JTS
□ start de motor en wacht tot het vloeistof-niveau in het reservoir is gestabiliseerd;
draai bij draaiende motor het stuur een aan- tal malen geheel naar rechts en naar links;
□ vul bij totdat het vloeistofniveau op het MAX-merkteken staat en draai de dop vast.
WAARSCHUWING Wendt u zich voor deze werkzaamheden altijd tot het Alfa Romeo Servicenetwerk.
STUURBEKRACHTIGINGSOLIE Afb. 11-12
Controleer of het olieniveau maximaal is: hiervoor moet de auto op een vlakke ondergrond staan en moet de motor niet draaien en koud zijn.

OPGELET
Voorkom dat de stuurbekrachtigingsolie in contact komt met de warme delen van de motor: de olie is licht ontvlambaar.

Controleer of het remvloeistofniveau nog op het maximum niveau staat. Als vloeistof moet worden bijgevuld, dan raden wij u aan de remvloeistof te gebruiken die staat vermeld in de tabel „Vloeistoffen en smeermiddelen“ (zie het hoofdstuk „Technische gegevens“).
OPMERKING Maak de dop van het reservoir A en het omringende oppervlak zorgvuldig schoon. Wees bij het openen van de dop bijzonder voorzichtig zodat er geen vuil in het reservoir komt. Gebruik voor het bijvullen altijd een trechter met een ingebouwde filterzeef van maximaal 0,12 mm.
WAARSCHUWING Wendt u zich voor deze werkzaamheden altijd tot het Alfa Romeo Servicenetwerk.
Periodieke controle van de werking van het lampje ⚙ op het instrumentenpaneel: als op dop A (met sleutel in het startsysteem) wordt gedrukt, moet het lampje gaan branden.
WAARSCHUWING De remvloeistof is hygroscopisch (trekt water aan). Daarom verdient het aanbeveling, als de auto overwegend wordt gebruikt in gebieden met een hoge luchtvochtigheid, de vloeistof vaker te vervangen dan in het „Geprogrammeerd onderhoudsschema” staat aangegeven.

Voorkom dat de zeer corrosieve remvloeistof in contact komt met de lak. Als dit toch gebeurt, spoel dan onmiddellijk met water.

OPGELET
De remvloeistof is giftig en zeer corrosief. Als per ongeluk remvloeistof wordt gemorst, moeten de betreffende delen onmiddellijk worden gewassen met water en neutrale zeep en daarna met veel water worden afgespoeld. Roep bij inslikken onmiddellijk de hulp in van een arts.

OPGELET
Het symbool Ⓐ op het re- servoir geeft aan dat het een synthetische remvloeistof bevat (en geen minerale remvloeistof). Het gebruik van minerale vloeistoffen moet absoluut worden vermeden, omdat de rubbers in het remsysteem door deze vloeistoffen worden beschadigd.
LUCHTFILTER/POLLENFILTER
Laat het luchtfilter of het pollenfilter vervangen door het Alfa Romeo Servicenetwerk.
ACCU
Er hoeft geen elektrolyt met gedistilleerd water aan de accu te worden toegevoegd. Het is altijd nodig een periodieke controle uit te laten voeren door het Alfa Romeo Service-netwerk, zodat deze de werking van het elektrolyt kan controleren.
BELANGRIJK Wij raden u aan de acculading ieder jaar, bij voorkeur voor het begin van de winter, te controleren om de mogelijkheid van bevriezing van het elektrolyt te voorkomen. Voer deze controle vaker uit als de auto overwegend voor korte trajecten wordt gebruikt, of als accessoires zijn gemonteerd die permanent, ook bij uitgeschakeld contact, stroom verbruiken. Dit geldt in het bijzonder voor achteraf aangebrachte accessoires.

Als de accu wordt losgekoppeld/aangesloten, moet u ten minste 3 minuten wachten voordat u de elektronische sleutel in het startsysteem steekt, zodat de klimaatregeleenheid de elektrische actuatoren voor de temperatuurregeling en de luchtverdeling in de beginstand kan zetten.

OPGELET
De vloeistof in de accu is giftig en corrosief. Voorkom contact met de huid en de ogen. Houd open vuur en vonkvormende apparaten verwijderd van de accu: brand- en ontploffingsgevaar.

OPGELET
Als de accu werkt met een zeer laag vloeistofniveau,
ontstaat onherstelbare schade aan de accu en kan de accu openbarsten.
ACCU VERVANGEN
Als de accu vervangen wordt, moet een originele accu met dezelfde specificaties worden geinstalleerd.
Als de accu vervangen wordt door een accu met andere specificaties, vervallen de onderhoudsintervallen die in het „Geprogrammeerd Onderhoudsschema“ staan aangegeven.
Voor het onderhoud van de accu dient u zich strikt te houden aan de aanwijzingen van de fabrikant van de accu.

Onoordeelkundige montage van elektrische en elektronische apparatuur kan ernstige schade toebrengen aan de auto. Als u na aankoop van de auto accessoires (diefstalalarm, telefoon enz.) wilt installeren, wendt u zich dan tot het Alfa Romeo Servicenetwerk, dat u kan informeren over de geschikte systemen en u vooral advies kan geven over de noodzaak om een accu met een grotere capaciteit toe te passen.

Accu's bevatten zeer schadelijke stoffen voor het milieu. Het verdient aanbeveling een defecte accu door het Alfa Romeo Servicenetwerk te laten vervangen, omdat dit beschikt over de uitrusting voor het op milieuvriendelijke wijze en conform de wettelijke bepalingen, verwerken van defecte accu's.

OPGELET
Als u de auto langere tijd stalt in extreem koude omstandigheden moet, om bevriezing te voorkomen, de accu worden verwijderd en op een verwarmde plaats worden bewaard.

OPGELET
Bij werkzaamheden aan de accu of in de buurt van de accu, moet u uw ogen altijd beschermen met een speciale bril.
Om het snel ontladen van de accu te voorkomen en de levensduur te verlengen, dient u de volgende aanwijzingen nauwkeurig op te volgen:
- INTERPROVAL TO THE PREVENTION CONTROL
- wanneer u de duto parkeeri, controleer dan of de portieren, de motorkap, de schuifdeuren en de achterdeuren/achterklep goed gesloten zijn. Hiermee wordt voorkomen dat de interieurverlichting blijft branden;
☐ schakel de interieurverlichting uit: de auto is in ieder geval uitgerust met een systeem voor automatische uitschakeling van de interieurverlichting;
☐ voorkom zoveel mogelijk het gebruik van stroomverbruikers als de motor uitstaat (autoradio, waarschuwingsknipperlichten enz.);
☐ voordat werkzaamheden aan de elektrische installatie van de auto worden uitgevoerd, moet eerst de minklem van de accupool worden losgemaakt;
□ de accuklemmen moeten altijd goed zijn bevestigd.
BELANGRIJK Een accu die gedurende langere tijd minder dan 50% geladen is, raakt door sulfatering beschadigd. Hierdoor loopt de capaciteit en het startvermogen terug.
Ook is de accu dan gevoeliger voor bevriezing (reeds bij temperaturen van circa -10 °C). Als u de auto langere tijd niet gebruikt, zie dan „Auto langere tijd stallen“ in het hoofdstuk „Starten en rijden“.
Als u na aanschaf van uw auto accessoires wilt monteren die constante voeding nodig hebben (diefstalalarm enz.), of accessoires die de elektrische installatie zwaar belasten, raden wij u aan contact op te nemen met het Alfa Romeo Servicenetwerk. Deze kan u de meest geschikte installaties uit Lineaccessori Alfa Romeo aanraden en controleren of de elektrische installatie van de auto geschikt is voor het extra stroomverbruik of dat het noodzakelijk is een accu met een grotere capaciteit te monteren. Enkele van deze stroomverbruikers blijven namelijk continu stroom verbruiken ook bij een uitgezette motor, waardoor de accu geleidelijk wordt ontladen.
Het totale energieverbruik van deze accessoires (standaard en achteraf gemonteerde accessoires) moet minder zijn dan 0,6 mA x Ah (van de accu), zoals aangegeven in de volgende tabel:
Accu van Maximaal toegestaan stroomverbruik bij stilstaande auto
| 50 Ah 30 mA | |
| 60 Ah 36 mA | |
| 70 Ah 42 mA | |
| 90 Ah 54 mA |
WIELEN EN BANDEN
De spanning van de banden, inclusief het noodreservewiel, moet regelmatig, om de twee weken en voor een lange rit, worden gecontroleerd: de bandenspanning moet bij koude banden worden gecontroleerd.
Tijdens het rijden neemt de bandenspanning toe; zie voor de juiste waarde van de bandenspanning de paragraaf „Wielen“ in het hoofdstuk „Technische gegevens“.
Een onjuiste bandenspanning veroorzaakt een onregelmatige slijtage van de banden Afb. 14:
A juiste spanning: gelijkmatige slijtage van het loopvlak.
B te lage spanning: te grote slijtage aan de zijkanten van het loopvlak.
C te hoge spanning: te grote slijtage in het midden van het loopvlak.
Banden moeten worden vervangen als de profieldiepte van het loopvlak minder is dan 1,6 mm. Houd u zich echter altijd aan de voorschriften van het land waarin u rijdt.

Afb. 14
BELANGRIJKE TIPS
Voorkom bruusk remmen, met spinnende wie- len optrekken, harde contacten tussen banden en stoepranden, kuilen en andere obstakels. Het langdurig rijden op een slecht wegdek kan de banden beschadigen.
Controleer de banden regelmatig op scheuren in de wangen en bulten of slijtplekken op het loopvlak. Wendt u zich in dit geval tot het Alfa Romeo Servicenetwerk.
Rijd nooit met een te zwaar beladen auto: hierdoor kunnen de banden en de velgen ernstig beschadigd worden; stop bij een lekke band onmiddellijk en vervang de band om verdere beschadiging van de band, de velg, de wielophanging en de stuurinrichting te voorkomen; Banden verouderen, ook als ze weinig worden gebruikt. Scheurtjes in het loopvlak en op de wangen geven aan dat de band verouderd is. Banden die langer dan zes jaar onder een auto gemonteerd zijn, moeten dan ook door een specialist worden gecontroleerd. Dit geldt in het bijzonder voor het noodreservewiel.
Monteer nooit gebruikte banden of banden, waarvan de herkomst onbekend is.
Bij de montage van een nieuwe band moet ook het ventiel vernieuwd worden; om een gelijke slijtage van de banden op de vooras en de achteras te verkrijgen, is het raadzaam de banden om de 10 000/15 000 km van as te verwisselen. Hierbij moeten de banden aan dezelfde zijde van de auto gemonteerd blijven, zodat een omkering van de draairichting wordt voorkomen.

OPGELET
Bedenk dat ook de weglig- ging afhankelijk is van een
juiste bandenspanning.

OPGELET
Door een te lage spanning wordt de band te warm, waardoor de band ernstig kan worden beschadigd.

OPGELET
Verwissel de banden niet kruislings – vervang de banden links niet door die van rechts en andersom.

OPGELET
Voer bij lichtmetalen velgen geen spuitwerkzaamheden uit die een temperatuur vereisen boven 50°C. De mechanische eigenschappen van de wielen kunnen hierdoor in gevaar worden gebracht.
RUBBER SLANGEN
Houd voor de rubber slangen van het rem- en brandstofsysteem zeer nauwkeurig de voorschriften van het „Onderhoudsschema” in dit hoofdstuk aan.
Ozon, hoge temperaturen en het gedurende langere tijd ontbreken van vloeistof in een systeem zorgen ervoor dat de slangen uitdrogen en scheuren, waardoor het betreffende systeem kan gaan lekken. Daarom is zorgvuldige controle noodzakelijk.

OPGELET
Rijden met versleten rui- tenwisserbladen is gevaarlijk, omdat hierdoor het zicht onder slechte atmosferische omstandigheden aanzienlijk wordt beperkt.
RUITENWISSERS
WISSERBLADEN
Maak de wisserbladen regelmatig schoon met een schoonmaakmiddel; wij raden TUTELA PROFESSIONAL SC 35 aan. Vervang de wisserbladen als het rubber vervormd of versleten is. Het verdient aanbeveling ten minste één maal per jaar de wisserbladen te vervangen.
Met enkele simpele voorzorgsmaatregelen is het mogelijk beschadigingen van het rubber te voorkomen:
□ wanneer de temperatuur onder 0 °C is gedaald, moet gecontroleerd worden of er geen ijs tussen wisserblad en ruit zit. Maak de wissers zo nodig vrij met een antivriesmiddel;
□ verwijder eventueel opgehoopte sneeuw van de ruit: om de wisserbladen te beschermen en oververhitting van de ruitenwissermotor te voorkomen;
☐ schakel de ruitenwissers niet in op een droge uit.

Ruitenwisserbladen vervangen Afb. 15
Aanwijzingen voor het losmaken van het wisserblad:
- plaats de ruitenwisserarm A omhoog van de voorruit;
- draai het blad B 90° rond de pen C op het uiteinde van de arm;
- trek het blad van de pen C.
Aanwijzingen voor het plaatsen van het wisserblad:
- plaats de pen C in de opening in het midden van het blad B;
- plaats de arm met het blad op de voorruit.
RUITENSPROEIERS
Als de ruitensproeiers niet werken, controleer dan eerst het niveau in het ruitensproeiertankje (zie de paragraaf „Niveaus controleren“ in dit hoofdstuk).
Controleer vervolgens of de ruitensproeiermonden niet verstopt zijn. Deze kunnen zo nodig met een speld worden doorgeprikt.
De sproeiermonden van de ruitensproeiers moeten op ongeveer 1/3 van de bovenkant van de ruit worden gericht.
KOPLAMPSPROEIERS
Controleer regelmatig of de koplampsproeiers schoon en in goede staat zijn.
De koplampsproeiers schakelen automatisch in als de ruitensproeiers worden ingeschakeld en het dimlicht brandt.
CARROSSERIE
De belangrijkste oorzaken van roest zijn:
□ luchtverontreiniging;
□ zoutgehalte in de lucht en luchtvochtigheid (gebieden aan zee, warm en vochtig klimaat);
omgevings-/seizoensinvloeden.
Ook de invloed van schurende elementen, zoals stoffige omgeving, opwaaiend zand, modder en steenslag op de lak en de onderzijde moet niet worden onderschat.
Alfa Romeo heeft voor uw auto de beste technologische oplossingen toegepast om de carrosserie efficiënt tegen roest te beschermen.
De belangrijkste zijn:
☐ de toepassing van aangepaste spuittechnieken en lakproducten die de auto de benodigde weerstand tegen roest en schurende elementen verlenen;
☐ het gebruik van verzinkte (of voorbehandelde) plaatdelen met een hoge corrosiebestendigheid;
☐ het aanbrengen van een beschermende kunststof laag op kwetsbare delen: onderzijde van de portieren, binnenzijde van de spatborden, naden, randen enz.;
toepassing van „open” holle ruimtes om condensvorming te voorkomen en binnendringend water af te voeren, waardoor roest van binnenuit wordt voorkomen;
☐ het gebruik van speciale beschermende folie op de onderdelen die het meest aan corrosie blootgesteld zijn (zoals achterste spatbord, etc.).
CARROSSERIEGARANTIE
Bij de auto is de carrosserie tegen doorroesten van alle originele componenten van de carrosserie en van alle dragende delen gegarandeerd. Voor de specifieke voorwaarden van deze garantie wordt verwezen naar de Serviceen garantiehandleiding.
TIPS VOOR HET BEHOUD VAN DE CARROSSERIE
Lak
De lak heeft behalve een esthetische functie ook een beschermende functie.
Daarom moeten beschadigingen van de laklaag, zoals krassen, onmiddellijk worden bijgewerkt om roestvorming te voorkomen. Het bijwerken dient met de originele lak te worden uitgevoerd (zie „Plaatje met informatie over de carrosserielak“ in het hoofdstuk „Technische gegevens“).
Het normale onderhoud van de auto beperkt zich tot wassen, waarbij de frequentie afhankelijk is van het gebruik van de auto en van de omgeving. Het is raadzaam de auto vaker te wassen in gebieden met een sterke luchtverontreiniging of bij het rijden over wegen met strooizout.
□ verwijder de antenne van het dak als u de auto in een wastunnel wast, om te voorkomen dat deze beschadigt;
□ spoel de auto eerst met een waterstraal onder lage druk af;
□ was de auto met een zachte spons met een oplossing van neutrale zeep; spoel daarbij de spons regelmatig uit;
□ spoel de auto af met schoon water en droog de auto met warme lucht of een schone, zachte zeem.
Let bij het drogen vooral op de minder goed zichtbare delen, zoals portiersponningen, motorkap en achterklep, koplampbehuizingen, waarin het water makkelijk kan blijven staan. Het verdient aanbeveling de auto na het wassen niet onmiddellijk binnen te zetten, maar de auto nog even buiten te laten staan, zodat waterresten buiten kunnen verdampen.
Was de auto nooit in de zon of als de motor-kap nog warm is: de glans van de lak kan afnemen.

Schoonmaakmiddelen verontreinigen het water. Daarom moet de auto bij voorkeur worden gewassen op een plaats waar het afvalwater direct wordt opgevangen en gezuiverd.
De kunststof carrosseriedelen kunnen op dezelfde wijze worden gewassen als de gespoten carrosseriedelen.
Parkeer de auto niet onder bomen, aangezien harsdruppels bij langere inwerking de lak kunnen beschadigen, waardoor de kans op roestvorming wordt vergroot.
WAARSCHUWING Vogeluitwerpselen dienen zo snel en zo goed mogelijk van de lak verwijderd te worden, omdat door de agressieve bestanddelen de lak kan beschadigen.
Ruiten
Gebruik voor het schoonmaken van de ruiten een daarvoor geschikt schoonmaakmiddel. Gebruik een schone, zachte doek om krassen en beschadigingen te voorkomen.
WAARSCHUWING Let er bij het schoonmaken van de binnenzijde van de achterruit op dat de elektrische weerstandsdraden van de achterruitverwarming niet worden beschadigd. Veeg voorzichtig in de richting van de draden.
Koplampen
Gebruik voor het reinigen van de koplampen een zachte vochtige doek met water en autoshampoo.
WAARSCHUWING Als de koplampglazen met een droge doek worden gereinigd, kan dit krassen veroorzaken, waardoor de prestaties achteruitgaan. Door het gebruik van oplosmiddelen worden de koplampglazen dof, waardoor de prestaties achteruitgaan.
WAARSCHUWING Als de koplampglazen worden gereinigd met een waterstraal, houd deze dan op ten minste 2 cm van de lampglazen.
Motorruimte
Het verdient aanbeveling de motorruimte na het winterseizoen zorgvuldig te laten uitspuiten. Hierbij mag de waterstraal niet direct op de elektronische regeleenheden worden gericht. Laat deze werkzaamheden verzorgen door een gespecialiseerd bedrijf.
WAARSCHUWING Voor het uitspuiten van de motorruimte moet de contactsleutel zijn uitgenomen en de motor koud zijn. Controleer na het reinigen of de verschillende beschermingen (rubber kappen, deksels enz.) nog op hun plaats zitten en niet beschadigd zijn.
INTERIEUR
Controleer af en toe of er onder de vloerbedekking geen water is blijven staan (dooiwater van sneeuwresten aan schoenen, lekkende paraplu's enz.), waardoor roestvorming op de bodem veroorzaakt zou kunnen worden.
STOELEN EN STOFFEN BEKLEDING
Verwijder stof met een zachte borstel of een stofzuiger. Voor een nog betere reiniging van de stoffen bekleding raden wij u aan de borstel vochtig te maken.
Reinig de zittingen met een vochtige spons en een oplossing van water en neutrale zeep.
LEREN STOELEN
(voor uitvoeringen/markten, waar voorzien)
Verwijder droog vuil met een zeemleer of een iets vochtige doek, zonder hard te drukken.
Verwijder vochtige vlekken of vet met een droge en absorberende doek; maak geen wrijvende beweging. Behandel de plek vervolgens met een doek of zeem bevochtigd met water en een neutrale zeep.
Als de vlek nog niet verwijderd is, behandel de vlek dan met een speciaal schoonmaakmiddel, waarbij de instructies op de verpakking strikt moeten worden opgevolgd.
WAARSCHUWING Gebruik nooit alcohol. Controleer bovendien of de gebruikte schoonmaakmiddelen geen alcohol of daarvan afgeleide producten bevatten, ook niet in geringe hoeveelheden.

De stoffen bekleding van uw auto is langdurig bestand te- gen slijtage die ontstaat bij een normaal gebruik van de auto. Hevig en/of langdurig wrijven met kle- dingaccessoires zoals metalen gespen, sierknopen en klittenbandsluitingen, moet echter absoluut worden verme- den omdat hierdoor grote druk ontstaat op een bepaalde plek op de bekleding, waardoor deze plek kan slijten en de bekleding beschadigd wordt.
KUNSTSTOF INTERIEURDELEN
Wij raden u aan om de kunststof interieur- delen te reinigen met een doek bevochtigd met water en een neutrale zeep zonder schuur- middel. Voor het verwijderen van vet- of hard- nekkige vlekken moeten speciale schoon- maakmiddelen zonder oplosmiddelen worden gebruikt, die geschikt zijn voor het reinigen van kunststof en die het visuele effect en de kleur van de componenten niet wijzigen.
WAARSCHUWING Gebruik nooit alcohol of benzine om het glas van het instrumentenpaneel of andere kunststof onderdelen schoon te maken.

OPGELET
Gebruik nooit ontvlambare producten zoals petroleum of wasbenzine voor het reinigen van de interieurdelen van de auto. De elektrostatische lading die tijdens het reinigen door het wrijven ontstaat, kan brand veroorzaken.

OPGELET
Bewaar nooit spuitbussen in de auto: ontploffingsgevaar. Spuitbussen mogen niet worden blootgesteld aan temperaturen boven 50 °C. In de zomer kan de temperatuur in het interieur ver boven deze waarde oplopen.
STOEL/POOKKNOP VAN ECHT LEER
(voor uitvoeringen/markten, waar voorzien)
Reinig deze componenten uitsluitend met water en neutrale zeep. Gebruik nooit alcohol of producten op basis van alcohol.
Voordat u speciale producten gebruikt voor het reinigen van de interieurdelen, moet u eerst de aanwijzingen op het etiket van het product lezen en controleren of het geen alcohol en/of substanties op basis van alcohol bevat.
Als tijdens het reinigen van de voorruit met speciaal daarvoor bestemde producten, druppels op het leer van het stuurwiel of de pookknop terechtkomen, moeten deze onmiddellijk worden verwijderd en het betreffende gebied met water en neutrale zeep worden afgenomen.
WAARSCHUWING Wees zeer voorzichtig als een vergrendeling om het stuur wordt aangebracht om beschadiging van de lederen stuurbekleding te voorkomen.
TECHNISCHE GEGEVENS
IDENTIFICATIEGEGEVENS 228
MOTORCODES - CARROSSERIE-UITVOERINGEN 230
MOTOR 231
BRANDSTOFSYSTEEM 232
TRANSMISSIE 232
REMMEN 233
STUURINRICHTING 233
WIELOPHANGING 233
WIELEN 234
AFMETINGEN 239
PRESTATIES 240
GEWICHTEN 241
VULLINGSTABEL 242
VLOEISTOFFEN EN SMEERMIDDELEN 243
BRANDSTOFVERBRUIK 245
CO 2 -EMISSIE 246
RADIOGOLF-AFSTANDSBEDIENING:
MINISTERIËLE GOEDKEURINGEN 247
IDENTIFICATIE- GEGEVENS
Het verdient aanbeveling kennis te nemen van de identificatiegegevens van de auto. De identificatiegegevens zijn ingeslagen of aangebracht op plaatjes en bevinden zich op de volgende plaatsen Afb. 1:
1 - Typeplaatje
2 - Carrosseriecode
3 - Identificatieplaatje carrosserielak
4 - Motorcode.

Dit bevindt zich in de motorruimte nabij de bovenste bevestiging van de rechter schokdemper geplaatst en bevat de volgende gegevens:
A. Ruimte gereserveerd voor nummer nationale typegoedkeuring
B. Ingeslagen chassisnummer
C. Ruimte gereserveerd voor vermelding van maximaal toelaatbare gewichten volgens de nationale wetgeving

Afb. 2
A0G0013m
D. Ruimte gereserveerd voor motortype, uitvoering en eventuele aanvullende gegevens
E. Ruimte gereserveerd voor correctiewaarde voor de uitlaatrookgasmeting (alleen dieseluitvoeringen)
F. Ingeslagen fabrikantnaam.

CARROSSERIE- IDENTIFICATIE
Dit is ingeslagen in de bodemplaat naast de passagiersstoel.
Dit wordt zichtbaar als de bekleding wordt opgetild A-Afb. 3 en bevat:
□ type van het voertuig (ZAR 939000);
□ chassisnummer.

IDENTIFICATIEPLAATJE VAN DE CARROSSERIELAK
Dit ingebracht in het kofferdeksel Afb. 4 en bevat de volgende gegevens:
A. Fabrikant van de lak.
B. Naam van de kleur.
C. Kleurcode.
D. Kleurcode voor bijwerken en overspuiten.
MOTORCODE
Deze is linksachter aan de versnellingsbakzijde ingeslagen.
[Non-Text]
Uitvoeringen Motorcode Carrosseriecode
| 1750 TURBO BENZINE (▼) 939B1000 939EXN1B 57 | |
| 3.2 JTS 4x2 939A000 – | |
| 3.2 JTS 4x4 939A000 939EXG2B 28 | |
| 2.0 JTDM (▼) 939B3000 939EXP1B 59 | 939EXP1B 59B |
| 2.0 JTDM (▼) (*) 844A2000 939EXQ1B 61 | 939EXQ1B 61B |
| 2.4 JTDM 939A9000 – | |
(▼) Euro 5-uitvoeringen
(*) Voor bepaalde markten
MOTOR
| ALGEMENEINFORMATIE | 1750TURBOBENZINE | 2.2 JTS (**) | 3.2 JTS | 2.0 JTDM | 2.4 JTDM |
| Typecode | 939B1000 | 939A5000 | 939A000 | 939B3000 | 939A9000 |
| Cyclus | Otto | Otto | Otto | Diesel | Diesel |
| Aantal en opstelling cilinders | 4 in lijn | 4 in lijn | V6, blokhoek 60° | 4 in lijn | 5 in lijn |
| Aantal kleppen per cilinder | 4 | 4 | 4 | 4 | 4 |
| Boring en slag mm | 83,0 × 80,5 | 86 × 94,6 | 85,6 × 89 | 83,0 × 90,4 | 82 × 90,4 |
| Cilinderinhoud cm 3 | 1742 | 2198 | 3195 | 1956 | 2387 |
| Maximum vermogen (EU) kWpk | 147 | 136 | 191 | 120 (*)/125 | 154 |
| 200 | 185 | 260 | 163 (*)/170 | 210 | |
| bijbehorend toerental t/min | 5000 | 6500 | 6300 | 4000 | 4000 |
| Maximum koppel (EU) Nmkgm | 320 | 230 | 322 | 360 | 400 |
| 32,6 | 23,4 | 32,8 | 36,7 | 40,8 | |
| bijbehorend toerental t/min | 2000 | 4500 | 4500 | 1750 | 2000 |
| Bougies | NGKILKAR7D6G | NGKFR5CP | BOSCHHR7MPP152 | - | - |
| Brandstof | Loodvrije benzine95 RON(Specificatie EN228) | Loodvrije benzine95 RON(Specificatie EN228) | Loodvrije benzine95 RON(Specificatie EN228) | Diesel voor motorvoertuigen(specificatie EN590) | Diesel voor motorvoertuigen(specificatie EN590) |
(*) Voor bepaalde markten (*) Uitvoeringen met Selespeed versnellingsbak

Wendt u zich voor het vervangen van de bougies tot het Alfa Romeo Servicenetwerk.
BRANDSTOFSYSTEEM
| 1750 TURBO BENZINE – 2.2 JTS – 3.2 JTS | 2.0 JTDM – 2.4 JTDM | |
| Brandstofsysteem Directe inspuiting Elektronisch geregelde directe Multijet inspuiting | met turbocompressor met variabele geometrie en intercooler | |

Modificaties of reparaties aan het brandstofsysteem die niet correct worden uitgevoerd en waarbij geen rekening wordt gehouden met de technische specificaties van het systeem, kunnen storingen in de werking en zelfs brand veroorzaken.
TRANSMISSIE
| 1750 TURBO BENZINE – 2.0 JTDM – 2.4 JTDM – 3.2 JTS 4x2 | 3.2 JTS 4x4 | |
| Versnellingsbak | Zes gesynchroniseerde versnellingen vooruit en een versnelling achteruit | Zes gesynchroniseerde versnellingen vooruit en een versnelling achteruit |
| Koppeling | Hydraulisch bediende enkelvoudige droge plaat | Hydraulisch bediende enkelvoudige droge plaat |
| Aandrijving | Voor | 4x4 |
OPGELET Blijf als de auto vastzit, waarbij er grote verschillen zijn tussen de grip van de voor- en de achteras, niet fors gas geven: het is veel eenvoudiger om proberen los te komen met een gemiddeld of laag toerental; wacht enige tientallen seconden tussen pogingen als er meerdere pogingen nodig zijn.
REMMEN
| 1750 TURBO BENZINE – 2.2 JTS | 3.2 JTS – 2.0 JTDM – 2.4 JTDM | |
| Voetrem: | ||
| — voor Geventileerde schijfrem Geventileerde schijfrem— achter Schijfremmen Geventileerde schijfrem | ||
| Handrem Bediend met handremhefboom, werkend op de achterwielen | ||
BELANGRIJK Water, ijs en strooizout op de wegen kunnen zich afzetten op de remschijven waardoor de gewenste remvertraging iets later wordt bereikt.
STUURINRICHTING
| 1750 TURBO BENZINE – 2.2 JTS – 3.2 JTS – 2.0 JTDM – 2.4 JTDM | |
| Type Tandheugelstuurhuis met hydraulische bekrachtiging | |
| Draaicirkel (tussen stoepranden) | 10,7 |
WIELOPHANGING
| 1750 TURBO BENZINE – 2.2 JTS – 3.2 JTS – 2.0 JTDM – 2.4 JTDM | |
| Voor Hoge vierpuntswielophanging | |
| Achter Multilink-wielophanging |
WIELEN
VELGEN EN BANDEN
Stalen velgen. Tubeless radiaalbanden. Op de typegoedkeuring zijn bovendien alle goedgekeurde banden aangegeven.
WAARSCHUWING Als de gegevens in het instructieboekje afwijken van die van de typegoedkeuring, dient u zich altijd aan de gegevens van de typegoedkeuring te houden.
Bij auto's met vierwielaandrijving moeten alle wielen zijn voorzien van banden van hetzelfde type, met hetzelfde loopvlakprofiel en van hetzelfde merk om beschadiging van de aan-drijving te voorkomen. De werking van de vier-wielaandrijving wordt echter niet beïnvloed bij het gebruik van banden met een verschillende mate van slijtage.
Voor de rijveiligheid is het noodzakelijk dat alle wielen zijn voorzien van banden van hetzelfde merk en hetzelfde type.
WAARSCHUWING Gebruik geen binnen- banden in tubeless banden.
NOODRESERVEWIEL
Geperst stalen velg. Tubeless band.

VERKLARING VAN DE CODERING OP DE BANDEN Afb. 5
Voorbeeld: 215/55 R 16 93 V
215 = Nominale breedte (S, afstand in mm tussen de flanken).
55 = Hoogte/breedte-verhouding (H/S) (percentage)
R = Radiaalband.
16 = Diameter van de velg in inches (∅).
93 = Beladingsindex (draagvermogen).
V = Snelheidsindex.
Beladingsindex (draagvermogen)
| 60 = 250 kg | 84 = 500 kg |
| 61 = 257 kg | 85 = 515 kg |
| 62 = 265 kg | 86 = 530 kg |
| 63 = 272 kg | 87 = 545 kg |
| 64 = 280 kg | 88 = 560 kg |
| 65 = 290 kg | 89 = 580 kg |
| 66 = 300 kg | 90 = 600 kg |
| 67 = 307 kg | 91 = 615 kg |
| 68 = 315 kg | 92 = 630 kg |
| 69 = 325 kg | 93 = 650 kg |
| 70 = 335 kg | 94 = 670 kg |
| 71 = 345 kg | 95 = 690 kg |
| 72 = 355 kg | 96 = 710 kg |
| 73 = 365 kg | 97 = 730 kg |
| 74 = 375 kg | 98 = 750 kg |
| 75 = 387 kg | 99 = 775 kg |
| 76 = 400 kg | 100 = 800 kg |
| 77 = 412 kg | 101 = 825 kg |
| 78 = 425 kg | 102 = 850 kg |
| 79 = 437 kg | 103 = 875 kg |
| 80 = 450 kg | 104 = 900 kg |
| 81 = 462 kg | 105 = 925 kg |
| 82 = 475 kg | 106 = 950 kg |
| 83 = 487 kg |
Snelheidsindex
Maximale snelheid bij winterbanden
| Q M | + S = tot 160 km/h. |
| T M | + S = tot 190 km/h. |
| H M | + S = tot 120 km/h. |
VERKLARING VAN DE CODERING OP DE VELGEN Afb. 5
7 = breedte van de velg in inch 1.
J = velgbedprofiel (deel aan de zijkanten waarop de band steunt) 2.
16 = montagediameter in inches (deze correspondeert met dat van de te monteren band) (3 = 0).
H2 = vorm en aantal „humps“ (vorm van de velgrand die de wang van de tubeless band op zijn plaats houdt).
43 = ET-waarde: diepte van de velgbolling (afstand tussen het montagevlak van de velg op de naaf en het velghart).
BANDEN
1750 TURBO BENZINE- 2.2 JTS - 3.2 JTS - 2.0 JTDM - 2.4 JTDM
| Standaard | velgmaat bandenmaat | 7,5Jx17" (*) lichtmetaal225/50 R17 98W |
| Optional | velg band | 8Jx19" lichtmetaal235/40 ZR19 96Y (▼) |
| velg band | 8Jx18" lichtmetaal235/45 R18 98W ( ) | |
| Noodreservewiel (voor uitvoeringen/markten, waar voorzien) | velg band | 4,00B x17"T125/80 R17 |
(*) Bandenmaat ongeschikt voor montage van traditionele sneeuwkettingen. Er kunnen uitsluitend hulpmiddelen van het type „spike spider“ worden gebruikt.
WAARSCHUWING Winterbanden met een snelheidsindex van H zijn aanbevolen.
(▼) Niet geschikt voor sneeuwkettingen. Maat goedgekeurd en toegelaten uitsluitend voor PIRELLI 235/40 ZR19 96Y banden. Gebruik voor winterbanden de bandenmaat 225/50 R17 98 of 235/45 R18 98.
( ) Niet geschikt voor sneeuwkettingen.

Ook voor de uitvoering 3.2 JTS moeten de kettingen op de VOORAS worden gemonteerd.

Op bandenmaat 225/50 R17" kunnen uitsluitend „spike spider" sneeuwkettingen worden gebruikt.

Bij bandenmaat 235/45 R18" en 235/40 ZR 19" kan er geen gebruik worden gemaakt van sneeuwkettingen omdat deze het spatscherm raken.
SPANNING BIJ KOUDE BANDEN
| Banden225/50 R17 98W | Banden235/45 R18 98W (□) | Banden235/40 ZR19 96Y (▼) | ReservewielT125/80 R17 | ||||
| voor | achter | voor | achter | voor | achter | ||
| bij gemiddelde belading bar | 2,5 2,5 | 2,7 2,5 | 2,7 2,5 | 4,2 | |||
| volbeladen bar | 2,7 2,7 | 2,8 2,6 | 2,9 2,7 | ||||
Bij warme banden moet de bandenspanning 0,3 bar hoger zijn dan de voorgeschreven waarde. Controleer de bandenspanning nogmaals als de banden koud zijn.
Bij winterbanden moet de in de tabel aangegeven waarde van de standaard gemonteerde banden met 0,2 bar verhoogd worden.
Als de auto vaak en langdurig met snelheden boven 160 km/h rijdt, moet de bandenspanning worden verhoogd tot de waarden voor volle belasting.
( ) Montage van sneeuwkettingen onmogelijk.
(▼) Montage van sneeuwkettingen onmogelijk. Maat goedgekeurd en toegelaten uitsluitend voor PIRELLI 235/40 ZR19 96Y banden. Gebruik voor winterbanden de bandenmaat 225/50 R17 98 of 235/45 R18 98.
WIELUITLIJNING
Uitvoeringen 1750 TURBO BENZINE - 2.2 JTS - 2.0 JTDM - 2.4 JTDM
| - camber | -34' ± 18' maximaal verschil rechts/links: 24' | |
| Voorwielen: - caster | 4° 15' ± 18' maximaal verschil rechts/links: 18' | |
| - toespoorvelg van 16" (*)velg van 17" (*)velg van 18" (*) | -0,95 ± 0,5 mm -1,00 ± 0,5 mm -1,05 ± 0,5 mm | |
| Achterwielen: | - diepte velgprofiel | -56' ± 18' maximaal verschil rechts/links: 24' |
| - toespoorvelg van 16" (*)velg van 17" (*)velg van 18" (*) | -1,54 ± 0,9 mm -1,63 ± 0,9 mm -1,73 ± 0,9 mm |
Uitvoeringen 3.2 JTS
| Voorwielen: - caster | - camber | -26' ± 18' maximaal verschil rechts/links: 24' |
| 4° 15' ± 18' maximaal verschil rechts/links: 18' | ||
| - toespoorvelg van 16" (*)velg van 17" (*)velg van 18" (*) | -0,95 ± 0,5 mm -1,00 ± 0,5 mm -1,05 ± 0,5 mm | |
| Achterwielen: | - diepte velgprofiel | -58' ± 18' maximaal verschil rechts/links: 24' |
| - toespoorvelg van 16" (*)velg van 17" (*)velg van 18" (*) | -1,54 ± 0,9 mm -1,63 ± 0,9 mm -1,73 ± 0,9 mm |
(*) waarden in graden: -8' ± 4' (maximaal verschil rechts/links: 4' )
AFMETINGEN
De afmetingen zijn aangegeven in mm en hebben betrekking op een auto die is uitgerust met standaard banden.
Kleine verschillen van banden- maat bij optional banden.
De hoogte heeft betrekking op een onbelaste auto.

Inhoud: ....200 dm³ (zonder wielbak) 253 dm³ (met wielbak)

(■) Met bandenmaat 225/50 R17"
(▲) Met open kap
(●) Met gesloten kap
PRESTATIES
| Maximum snelheid Acceleratie Kilometer met staande start van 0-100 km/hkm/h sec. sec. | ||
| 1750 TURBO BENZINE 235 7,8 29,2 | ||
| 3.2 JTS 4X2 250 (*) 7,2 27,2 | ||
| 3.2 JTS 4X4 244 7,0 27,5 | ||
| 2.0 JTDm 218/215 (**) 9,0/9,2 (**) 30,5/30,8 (**) | ||
| 2.4 JTDm 231 8,1 28,7 | ||
(*) Met Michelin-banden 17"
(**) Voor bepaalde markten
GEWICHTEN
| Gewichten (kg) | 1750TURBO BENZINA | 3.2 JTS 4x2 | 3.2 JTS 4x4 | 2.0 JTDM | 2.4 JTDM |
| Leeggewicht (met alle vloeistoffen, brandstoftank 90% gevuld en zonder opties) | 1490 | 1600 | 1665 | 1540 | 1635 |
| Max. toelaatbaar gewicht (*) | |||||
| — vooras | 1100 | 1200 | 1200 | 1200 | 1200 |
| — achteras | 1050 | 1050 | 1050 | 1050 | 1050 |
| — totaal | 1840 | 1950 | 2015 | 1890 | 1985 |
| Draagvermogen inclusief de bestuurder (**): | 350 | 350 | 350 | 350 | 350 |
| Trekgewichten | 1450 | 1500 | 1500 | 1500 | 1500 |
| Max. gewicht op de trekhaak | 60 | 60 | 60 | 60 | 60 |
(*) Maximum waarden die niet mogen worden overschreden. Het is de verantwoordelijkheid van de gebruiker dat de auto zodanig wordt beladen dat deze limieten niet worden overschreden.
(**) Als er speciale accessoires zijn gemonteerd (trekhaak enz.), dan stijgt het rijklaar gewicht, waardoor het totale laadvermogen met hetzelfde gewicht daalt.
VULLINGSTABEL
| 1750 TURBO BENZINA | 3.2 JTS | 2.0 JTDM | 2.4 JTDM | Voorgeschreven brandstof en originele smeermiddelen | |
| Brandstoftank: liter — inclusief een reserve van liter | 70 ●10 ● | 70 ●10 ● | 70 ○10 ○ | 70 ○10 ○ | ● Loodvrije benzine niet lager dan 95 R.O.N. (Specificatie EN228)○ Diesel voor motorvoertuigen (Specificatie EN590) |
| Motor-koelsysteem liter | 6,6 | 10,3 | 6,1 | 7,35 | Mengsel van waterEn 50% Paraflu UP (▲) |
| Motorsmeersysteem motor liter | 4,25 ★ | 5,4 ■ | 4,9 ★ | 6,4 □ | ■ SELENIA StAR☆ SELENIA StAR P.E.(uitvoeringen 1750 TURBO BENZINE)□ SELENIA WR★ SELENIA WR P.E.(uitvoeringen 2.0 JTDM) |
| Mechanische versnellingsbak/ differentieel liter | 2,0 | 2,8 | 2,8 | 2,8 | TUTELA CAR MATRYX |
| Vloeistofreservoir ruitensproeiers met liter koplampsproeiers | 6,0 | 6,0 | 6,0 | 6,0 | Mengsel van water en TUTELA PROFESSIONAL SC 35 |
(▲) Bij extreem koude klimatologische omstandigheden raden wij een mengsel aan van 60% PARAFLU UP en 40% gedemineraliseerd water.
VLOEISTOFFEN EN SMEERMIDDELEN
SPECIFICATIES EN AANBEVOLEN PRODUCTEN
| Gebruik Specificaties van de smeermiddelen Vloeistoffen Interval en vloeistoffen voor een correcte en smeermiddelen ter vervanging werking van de auto vloeistoffen | |||
| Smeermiddelen voor benzinemotoren (uitvoeringen 2.2 JTS en 3.2 JTS) | Motorolie op synthetische basisSAE 5W-40. Kwalificatie FIAT 9.55535-H2 | SELENIA StARContractual Technical Reference N° F216.D05 | Volgens hetGeprogrammeerdeOnderhoudsschema |
| Smeermiddelen voor benzinemotoren (uitvoeringen 1750 TURBO BENZINE) | Motorolie op synthetische basisSAE 5W-40, ACEA C3.Kwalificatie FIAT 9.55535-S2 | SELENIA StAR P.E.Contractual Technical Reference N° F603.D08 | Volgens hetGeprogrammeerdeOnderhoudsschema |
| Smeermiddelen voor dieselmotoren (uitvoeringen 2.4 JTDM) | Motorolie op synthetische basisSAE 5W-40. Kwalificatie FIAT 9.55535-N2 | SELENIA WRContractual Technical Reference N° F515.D06 | Volgens hetGeprogrammeerdeOnderhoudsschema |
| Smeermiddelen voor dieselmotoren (uitvoeringen 2.0 JTDM) | Motorolie op synthetische basisSAE 5W-30.Kwalificatie FIAT 9.55535-S1 | SELENIA WR P.E.Contractual Technical Reference N° F510.D07 | Volgens hetGeprogrammeerdeOnderhoudsschema |
Voor dieselmotoren zijn, in noodgevallen wanneer er geen originele producten beschikbaar zijn, smeermiddelen met de minimale specificaties ACEA B4 of ACEA C2 toegestaan; in dit geval worden niet de maximale prestaties van de motor gegarandeerd en wordt aanbevolen zo snel mogelijk het smeermiddel door een smeermiddel te vervangen dat door het Alfa Romeo Servicenetwerk wordt aanbevolen.
Het gebruik van producten met eigenschappen lager dan ACEA C3 en ACEA B4 kunnen schade aan de motor veroorzaken die niet door de garantie wordt gedekt.
Gebruik Specificaties van de vloeistoffen en smeermiddelen Vloeistoffen en Toepassingen voor een correct functioneren van de auto smeermiddelen originele
| Smeermiddelen voor krachtoverbrengingen | Synthetisch smeermiddel SAE 75W-85Overstijgt de specificaties API GL 4Kwalificatie FIAT 9.55550-MZ1 | TUTELA CAR MATRYXContractual Technical ReferenceN° F108.F02 | Mech. versnellingsbakken en differentieels |
| Syntethisch smeermiddel SAE 75W-85.Overstijgt de specificatie API GL-5, ZF-TE ML 18.Kwalificatie FIAT 9.55550-DA3 | TUTELA MULTIAXLEContractual Technical ReferenceN° F426.E06 | Haakse overbrenging en achterdifferentieel (uitvoering 3.2 JTS) | |
| Synthetische vloeistof voor hydraulische en elektrohydraulische systemen.Kwalificatie FIAT 9.55550-AG3 | TUTELA GI/RContractual Technical ReferenceN° F428.H04 | Hydraulische stuurbekrachtiging | |
| Vet met molybdeendisulfide voor hoge gebruikstemperaturen.Indringingsgetal NLGI 1-2Kwalificatie FIAT 9.55580 | TUTELA ALL STARContractual Technical ReferenceN° F702.G07 | Homokinetische koppelingen aan wielzijde | |
| Specifiek vet met een lage wrijvingscoëfficiënt voor homokinetische koppelingen.Indringingsgetal NLGI 0-1Kwalificatie FIAT 9.55580 | TUTELA STAR 700Contractual Technical ReferenceN° F701.C07 | Homokinetische koppelingen differentieelzijde | |
| Synthetische vloeistof voor hydraulische en elektrohydraulische systemen.Kwalificatie FIAT 9.55550-AG3 | TUTELA GI/RContractual Technical ReferenceN° F428.H04 | Hydraulische activering kap | |
| Remvloeistof | Synthetische vloeistof voor remsysteem en koppelingbediening.Overtreft de specificaties: FMVSS nr. 116, DOT 4, ISO 4925, SAE J 1704Kwalificatie FIAT 9.55597 | TUTELA TOP 4Contractual Technical ReferenceN° F001.A93 | Hydraulisch remsysteem en koppelingbediening |
| Antivries voor radiateur | Rood beschermmiddel met antivrieswerking op basis van glycol-monoethyleen met organische formule.Overstijgt de specificaties CUNA NC 956-16, ASTM D 3306.Kwalificatie FIAT 9.55523 | PARAFLU UPCContractual Technical ReferenceN° F101.M01 | MotorkoelsysteemMengverhouding:50% water50% Paraflu UP (☐) |
| Toevoeging voor dieselbrandstof | Vorstbeschermingsmiddel voor dieselbrandstof met beschermende werking voor dieselmotoren | TUTELA DIESEL ARTContractual Technical ReferenceN° F601.L06 | Vermengen met diesel (25 cc per 10 liter) |
| Vloeistof voor de ruiten-/koplampsproeiers | Mengsel van alcoholen en oppervlakte-actieve stoffen CUNA NC 956-11Kwalificatie FIAT 9.55522 | TUTELA PROFESSIONAL SC 35Contractual Technical ReferenceN° F201.D02 | Puur of verdund te gebruiken in ruitensproeiers |
(□) Bij extreem koude klimatologische omstandigheden raden wij een mengsel aan van 60% PARAFLU UP en 40% gedemineraliseerd water.
BRANDSTOF- VERBRUIK
Het brandstofverbruik dat in de volgende tabel is opgenomen, is gemeten volgens een vast-gestelde testmethode die in EU-normen is vast-gelegd.
Het brandstofverbruik is gemeten volgens onderstaande procedure:
- een stadsrit: opgebouwd uit een koude start gevolgd door een gesimuleerde, normale testrit in stadsverkeer;
- rit buiten de stad: waarbij veelvuldig wordt geaccelereerd in alle versnellingen en waarmee een normaal gebruik van de auto buiten de stad wordt gesimuleerd. De snelheid varieert tussen de 0 en 120 km/h;
- gecombineerd verbruik: hierbij telt de waarde van de stadsrit mee voor 37% en de waarde van de testrit buiten de stad voor 63%.
WAARSCHUWING Het soort wegdek, verkeerssituatie, atmosferische omstandigheden, rijstijl, algemene conditie van de auto, uitrustingsniveau, gebruik van de airconditioning, lading van de auto, imperiaal op het dak en andere situaties die de aerodynamica kunnen beïnvloeden, leveren een ander brandstofverbruik op dan hier vermeld.
Brandstofverbruik volgens EU-norm 2004/3 Stadsverkeer Buitenweg Gecombineerd (liter x 100 km)
De CO₂-emissie, vermeld in de volgende tabel, is gemeten op een gecombineerd traject.
CO 2 -EMISSIE VOLGENS EU-NORM 2004/3 (g/km)
1750 TURBO BENZINA 3.2 JTS 4x2 3.2 JTS 4x4 2.0 JTDM 2.4 JTDM
192 262 272 142 179
AFSTANDSBEDIENING MET RADIOFREQUENTIE: Officieel goedgekeurd
| Homologatie | ||
| T939 NTR939 | ||
| Europese Unie en Landen waarin de richtlijn niet geldig is | ![]() | ![]() |
| Argentinië | ||
| Australië | - | N15278 |
| Brazilië | ![]() | ![]() |
| Bulgarije | ![]() | ![]() |
| China | CMII ID: 2006DJ0352 | CMII ID: 2006DJ0351 |
□ Gegevens niet beschikbaar ten tijde dat dit boekje werd gedrukt.
| Homologatie | ||
| T939 NTR939 | ||
| Maleisië | ![]() | ![]() |
| Mexico | YYYYXXX-XXX | YYYYXXX-XXX |
| Marokko | AGREE PAR L'ANRT MAROCNuméro d'agrément : MR 2395 ANRT 2006Date d'agrément : 13/01/2006 | AGREE PAR L'ANRT MAROCNuméro d'agrément : MR 2394 ANRT 2006Date d'agrément : 13/01/2006 |
| Singapore | Complies withIDA StandardsDA 104022 | Complies withIDA StandardsDA 104022 |
| Zuid-Afrika | TA-2005/701APPROVED | TA-2005/702APPROVED |
| Taiwan | CCAB06LP4430T9 | CCAB06LP4440T2 |
☐ Gegevens niet beschikbaar ten tijde dat dit boekje werd gedrukt.
- starten met hulpaccu 166
— tips om de levensduur te verlangen.. 218
- vervangen 217
Achteruitrijverlichting
-lamp vervangen 185
Afmetingen 239
Airbag
- frontairbags 126
— sidebags.... 130
Alfa Romeo CODE 9
Asbak....79
ASR (systeem) 104
Auto langere tijd stallen.... 146
Automatisch inschakelende koplampen 65
Autoradio.... 106
Bagageruimte 94
Bagageruimteverlichting
-lamp vervangen....188
Banden
-bandenspanning.... 237
- standard 236
— verklaring van bandencodering..... 234
- vervangen 167
— winterbanden 144
Bedieningsorganen.... 76
Bescherming van het milieu 116
Brandstof besparen.... 141
Brandstof
- brandstofmeter 22
— brandstofnoodschakelaar/ elektrische voeding .... 76
- verbruik 245
Brandstofnoodschakelaar/ elektrische voeding.... 76
Brandstofsysteem.... 232
Buitenverlichting 64
Carrosserie (reinigen) 222
CO2-emissie.... 246
CODE-card.... 11
Contactslot 19
Cruise control 71
Dashboard 7
Dashboard en bediening.... 6
Dashboardkastje 81
Derde remlicht 187
Diefstalalarm 17
Dimlicht
— bediening.... 64
-lamp vervangen 181
Dop van brandstoftank.... 115
Dorpelverlichting
-lamp vervangen....189
DPF (roetfilter).... 116
Gloeilamp (vervangen van een lamp).. 178
— algemene aanwijzingen 178
— lamptypen 179
Gordelspanners 119
Grootlicht
— bediening 64
-lamp vervangen....181
— voorzorgsmaatregelen/ waarschuwingen.... 81
Kentekenplaatverlichting 186
Kinderen veilig vervoeren.... 122
Kinderzitjes (geschiktheid voor gebruik)...... 123
Klimaatregeling...... 48
Klimaatregeling, automatisch met gescheiden regeling.... 53
Klimaatregeling, handbediend 50
Koplampen (reiniging) 224
Koplampen
— aanpassen aan het buitenland...... 99
— koplampen afstellen .... 98
— koplampverstelling .... 98
— verstelling mistlampen.... 99
Koplampsproeiers
— bediening....70
Lak 223
Lamp buitenverlichting vervangen ..... 181
Lamp in interieur vervangen 187
Lampjes en berichten.... 147
Motorruimte (schoonmaken) 224
MSR (systeem) 105
Niveaus controleren 208
Noodgevallen 165
Onderhoud en zorg.... 203
- geprogrammeerd onderhoud ...... 204
- Onderhoudsschema 205
— periodieke controles ...... 207
- zwaar gebruik van de auto ...... 207
Opbergvakken 78
Opkrikken van de auto 200
Parkeerlichten
— bediening.... 66
Parkeersensoren 108
Parkeren.... 139
Plafondverlichting voor
— bediening.... 74
-lampen vervangen 187
Plafondverlichting.... 74
Portieren....90
Prestaties 240
Radiogolf-afstandsbediening: ministeriële goedkeuring...... 247
Radiozendapparatuur en mobiele telefoons .... 107
Regensensor.... 68
Remlichten 185
Remmen.... 233
Richtingaanwijzers
— bediening.... 64
— lampen vervangen ..... 182-183-186
Roetfilter (DPF) 116
Rubber slangen 220
Ruitbediening, elektrisch.... 92
Ruiten (reinigen)...... 67-224
Ruitensproeiers
— bediening.... 67
—ruitensproeiers 221
Ruitenwissers
— bediening.... 67
—wisserbladen 220-221
Safe-lock (systeem).... 14
SBR-systeem 118
Slepen van de auto 200
Sneeuwkettingen.... 145
Snelheid (maximum)...... 240
Snelle bandenreparatieset Fix&Go automatic .... 172
Spiegels 45
Standlichten
— bediening.... 64
— lampen vervangen .... 182-185
Starten en rijden.... 133
Stuurinrichting 233
Stuurslot 21
Stuurwiel (verstellen) 44
Symbolen 9
Trekken van aanhangers.... 143
Trekkrachtbegrenzers 119
Tripcomputer 37
Typeplaatjes
— carrosserielak.... 230
— identificatiegegevens.... 228
VDC 102
Veiligheid 117
Veiligheidsgordels.... 118
Velgen
— verklaring bandencoding.... 235
Verlichting dashboardkastje
— lamp vervangen.... 187
Versnellingsbak (gebruik) 140
Vloeistoffen en smeermiddelen...... 243
Waarschuwingsknipperlichten...... 66
Wielen
— technische gegevens 234
— vervangen 167
Wiel verwisselen 167
Wielen en banden 219
Wielophanging 233
Wieluitlijning 238
Wind stopper 88
Zekeringen (vervangen).... 190
Zitplaatsen
— met elektrische verstelling ..... 42
— met elektrische verwarming ..... 42
— met handbediende verstelling ..... 41
— reinigen 224
Zonnekleppen.... 80
Zonneklepverlichting
-lamp vervangen 187
RICHTLIJNEN VOOR DE BEHANDELING VAN DE AUTO AAN HET EINDE VAN DE LEVENSDUUR
Reeds jarenlang heeft Alfa Romeo de algemene verplichting op zich genomen het milieu te beschermen en te respecteren door de productieprocessen en de ontwikkeling van de producten steeds „milieuvriendelijker” te maken. Om de klant de best mogelijke service te bieden wat betreft de milieunormen en als antwoord op de verplichtingen die zijn opgelegd door de Europese Richtlijn 2000/53 voor auto's aan het einde van de levensduur, biedt Alfa Romeo de mogelijkheid aan zijn klanten om het eigen voertuig (*) aan het einde van de levensduur zonder extra kosten over te dragen.
De Europese richtlijn voorziet er namelijk in dat de auto kan worden ingeleverd zonder kosten voor de laatste houder en/of eigenaar als de auto geen of een negatieve marktwaarde heeft. In vrijwel alle landen van de EU konden tot 1 januari 2007 alleen voertuigen zonder kosten worden teruggegeven die vanaf 1 juli 2002 op kenteken waren gezet; vanaf 2007 is het zonder kosten teruggeven van het voertuig niet meer afhankelijk van het jaar waarin de auto op kenteken is gezet, „indien het betrokken voertuig voorzien is van de essentiële voertuigonderdelen, met name motor en carrosserie, en geen afval bevat dat aan het afgedankte voertuig is toegevoegd".
Om het voertuig aan het einde van de levensduur zonder verdere problemen over te kunnen dragen, kunt u zich wenden tot het Servicenetwerk of een van de door Alfa Romeo goedgekeurde inzamelings- en sloopondernemingen. Dergelijke bedrijven zijn zorgvuldig uitgekozen en bieden een kwaliteitservice voor de inzameling, de verwerking en het hergebruik van onderdelen van buiten gebruik gestelde auto's met respect voor het milieu.
Voor informatie over inzamelings- en verwerkingsbedrijven kunt u terecht bij een bedrijf van het Alfa Romeo Servicenetwerk, kunt u het gratis nummer 00800 2532 0000 bellen of de website van Alfa Romeo raadplegen.
NOTITIES
SELÈNIA®
Voor wie hart heeft voor zijn auto. De kracht achter uw motor.

Vraag uw dealer naar SELÈNIA®
De motor van uw nieuwe auto is ontwikkeld met Selenia, een motorielijn die voldoet aan de meest geavanceerde internationale specificaties. Tijdens specifieke tests blijkt dat door de hoge technische specificaties Selenia het smeermiddel is om de prestaties van uw motor optimaal en betrouwbaar te houden.
Selenia omvat een reeks technologisch geavanceerde producten:
SELENIA StAR
HIGH PERFORMANCE smeermiddel voor bescherming van de motor, ook bij zeer zware thermische belastingen door een sportief gebruik. Een unieke formule voor maximale prestaties van motoren met een hoog specifiek vermogen, voor een optimale koude start en een constante viscositeit gedurende de gehele verversingsinterval. Speciale Selenia formule voor Alfa Romeo.
SELENIA 20K Alfa Romeo
Voor optimale prestaties en maximale bescherming tegen slijtage bij benzinemotoren met en zonder turbo- of multiklepsmotoren.
SELENIA RACING
Smeermiddel ontwikkeld met de ervaring op internationale racecircuits, garandeert uitstekende prestaties op het circuit en op de weg met optimale motorprestaties bij een sportief gebruik.
SELENIA DIGITECH
Volledig synthetische motorolie voor benzine- en dieselmotoren. Geavanceerde technologie voor de motor; de garantie voor maximale bescherming, brandstofbesparing en betrouwbaarheid onder extreme klimatologische omstandigheden.
SELENIA WR
Specifieke olie voor common rail of Multijet dieselmoto-ren. Optimale koude start, maximale bescherming tegen slijtage, optimale werking van hydraulische klep-stoters, beperking van het verbruik en stabiliteit bij hoge temperaturen.
De Selenialijn wordt gecompleteerd door Selenia 20K, Selenia TD, Selenia Performer Multipower en Selenia Performer 5W-40.
Bezoek voor verdere informatie over de Selenia producten de site www.flselenia.com.
SPANNING BIJ KOUDE BANDEN
| Banden225/50 R17 98W | Banden235/45 R18 98W (□) | Banden235/40 ZR19 96Y (▼) | ReservewielT125/80 R17 | ||||
| voor | achter | voor | achter | voor | achter | ||
| bij gemiddelde belading bar | 2,5 2,5 | 2,7 2,5 | 2,7 2,5 | 4,2 | |||
| volbeladen bar | 2,7 2,7 | 2,8 2,6 | 2,9 2,7 | ||||
Bij warme banden moet de bandenspanning 0,3 bar hoger zijn dan de voorgeschreven waarde. Controleer de bandenspanning nogmaals als de banden koud zijn.
Bij winterbanden moet de in de tabel aangegeven waarde van de standaard gemonteerde banden met 0,2 bar verhoogd worden.
Als de auto vaak en langdurig met snelheden boven 160 km/h rijdt, moet de bandenspanning worden verhoogd tot de waarden voor volle belasting.
(□) Montage van sneeuwkettingen onmogelijk.
(▼) Montage van sneeuwkettingen onmogelijk. Maat goedgekeurd en toegelaten uitsluitend voor PIRELLI 235/40 ZR19 96Y banden. Gebruik voor winterbanden de bandenmaat 225/50 R17 98 of 235/45 R18 98.
MOTOROLIE VERVERSEN (liter)
| 1750 TURBO BENZINE 3.2 JTS 2.0 JTDm 2.4 JTDm | ||
| Motorsmeersysteem 4,25 5,4 4,9 6,4 | ||
Verontreinig het milieu niet met afgewerkte olie.
TANKEN (liter)
| 1750 TURBO BENZINE – 3.2 JTS – 2.0 JTDM – 2.4 JTDM | |
| Tankinhoud 70 | |
| Reserve 10 |
Tank uitsluitend loodvrije benzine met een minimum octaangetal van 95 RON.
De dieselmotoren zijn uitsluitend geschikt voor dieselbrandstof voor motorvoertuigen (specificatie EN590).

SERVICE
CUSTUMER SERVICES
TECHNICAL SERVICES - SERVICE ENGINEERING
Importeur voor Nederland: Fiat Group Automobiles Netherlands B.V. -
Singaporestraat 92-100 - 1175 RA Lijnden
Druknummer 530.05.014 NL - I a Editie - 05/2009
Alle rechten voorbehouden. Nadruk, zowel geheel als gedeeltelijk,
verboden zonder schriftelijke toestemming van Fiat Auto S.p.A.
Gedrukt door Hoogcarspel Grafische Communicatie - Middenbeemster

Alfa Romeo SERVICE



N15278





TA-2005/701APPROVED
TA-2005/702APPROVED
CCAB06LP4430T9
CCAB06LP4440T2