Bigster - Auto DACIA - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis Bigster DACIA in PDF-formaat.
Gebruikersvragen over Bigster DACIA
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Auto in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding Bigster - DACIA en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. Bigster van het merk DACIA.
GEBRUIKSAANWIJZING Bigster DACIA
Welkom aan boord van uw auto
Dit instructieboekje bevat de benodigde informatie waarmee u:
- uw auto beter leert kennen om optimaal gebruik te maken van de functies en geavanceerde technologieën en deze onder de best mogelijke omstandigheden te gebruiken.
- ervoor kunt zorgen dat deze correct werkt door zorgvuldig het onderhoudsadvies op te volgen.
- handelingen efficiënt kunt uitvoeren, zonder tijd te verspillen, alleen wanneer de handeling niet door een specialist hoeft te worden uitgevoerd.
Lees deze handleiding om nuttige informatie, functies en technische updates te ontdekken die uw rijervaring verrijken. Als sommige punten nog onduidelijk zijn, willen de technici van onze dealers u graag alle verdere informatie geven.
De volgende symbolen bieden begeleiding:


chijnen om aan te geven dat u de handleiding moet raadplegen voor informatie over en/of beperkingen van apparatuur in de auto.
→ , aanwezig in de hele handleiding, biedt een koppeling naar een ander gedeelte van het document.

dit duidt overal in het instructieboekje op een risico, een gevaar of een veiligheidsadvies.
De modelbeschrijvingen in deze handleiding zijn gebaseerd op de technische gegevens die golden op het moment van samenstelling. Dit document bevat geen correcties of aanvullingen op de digitale versie, deze blijft het referentiehandboek. U wordt daarom geadviseerd om regelmatig de digitale versie te raadplegen voor de meest actuele informatie. De handleiding behandelt alle apparatuur (standaard of optioneel) die beschikbaar is voor deze modellen. De aanwezigheid ervan op de auto is afhankelijk van de uitvoering, van de gekozen opties en van het land waar de auto is verkocht Dit document kan ook informatie bevatten over uitrustingen die pas op een later tijdstip zullen worden toegepast. Bovendien kunnen de functies die in deze handleiding worden beschreven, in de toekomst worden gewijzigd als gevolg van updates, voorschriften of technische beperkingen. De schema's in de handleidingen zijn bedoeld als voorbeelden.
Wij wensen u een goede reis in uw auto.
Gehele of gedeeltelijke nadruk of vertaling is verboden zonder schriftelijke toestemming van de constructeur van de auto.
INHOUD
Welkom aan boord van uw auto.... 4
Buitenkant....4
Interieur....6
Bestuurderspositie....8
Rijhulpsystemen 10
Veiligheid in de auto 12
Een auto identificeren - etiketten 14
De motorruimte (periodiek onderhoud).... 16
pechhulp 18
De auto met LPG....20
Het Hybrid voertuig.... 22
De Hybrid-G 4x4-auto....24
Ken uw auto 26
Auto: HYBRID....26
Hybrid-G 4x4-auto 33
Auto: MILD HYBRID 38
LPG-voertuig.... 40
Kaart 47
Sleutel, afstandsbediening 55
Portieren en kleppen 60
Op de voorplaats(en).... 70
Plaatsen achter 73
Autogordels....76
Extra veiligheidsvoorzieningen 79
Kinderveiligheid 89
Kinderzitjes 95
Kinderveiligheid: de passagiersairbag voorin uitschakelen, inschakelen.... 109
Bedieningsorganen....112
boordcomputer....116
Controlelampjes.... 135
Stuurinrichting.... 141
Spiegels 143
Verlichting en signalisatie 145
CLAXON EN LICHTSIGNALEN 150
Ruitenwissers 151
Brandstoftank.... 157
Reagenstank.... 160
Rijden.... 164
Inrijden 164
Starten, Stoppen van de motor.... 165
Versnellingsschakelaar.... 175
Parkeerrem.... 181
Bijzonderheden versies met dieselmotor.... 186
Bijzonderheden versies met benzinemotor 188
Milieu 190
Tips voor onderhoud en minder luchtverontreiniging .. 192
Tips voor het rijden, zuinig rijden 193
Waarschuwing bij verlies van bandenspanning...... 200
Correctiemiddelen en -hulpmiddelen voor de bestuurder 206
Transmissie: 4-wielaandrijving.... 212
Extra rijhulpmiddelen 219
Snelheidsbegrenzer.... 256
Snelheidsregelaar 259
Stop and Go adaptieve snelheidsregelaar 262
Parkeerhulp 275
Noodoproep.... 290
Uw comfort 294
Ventilatieroosters, verwarming en airconditioning ..... 294
Multimedia-uitrusting 306
Uitrusting interieur.... 310
INHOUD
Opbergruimte, indeling interieur .... 318
Transport van goederen 325
Onderhoud 334
Toegang tot de motor, niveaus 334
Accu: 344
Reinigen.... 348
Praktische tips 352
Banden 352
pechhulp 367
Koplampen, lampen: vervangen van een lamp ...... 374
Ruitenwisserbladen: vervanging.... 383
Zekeringen.... 385
Accessoires installeren en gebruiken 388
Storingen 390
onderhoudscoupons 406
Plaatwerkcontrole 412
BUITENKANT


text_image
DC 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 124 - Welkom aan boord van uw auto
BUITENKANT
1 Ontwaseming → 297 en → 300
2 Ruitenwisser(s) → 151
3 Elektrische ruitbediening → 310
4 Tanken van brandstof/LPG → 157
5 Draaguitrusting → 328
6 Sleutel/afstandsbediening → 55
7 → 47 card
8 Portieren ver-/ontgrendelen → 61
9 Onderhoud van de carrosserie → 348
10 Spiegels → 143
11 Banden → 352
12 Verlichting: werking → 145
Verlichting: vervangen → 374
INTERIEUR


6 - Welkom aan boord van uw auto
INTERIEUR
1 Uw rijpositie aanpassen → 70
2 Opbergruimtes/indeling interieur → 318
3 Achterbank → 73
Hoofdsteun achter → 73
4 Bagageruimte opbergruimte/indeling → 325
5 Kinderveiligheid → 89
6 Voorstoelen → 70
Hoofdsteunen voor → 70
Autogordels → 76
BESTUURDERSPOSITIE


8 - Welkom aan boord van uw auto
BESTUURDERSPOSITIE
1 Startschakelaar met sleutel → 165
Knop voor het starten/stoppen van de motor → 167
2 Bediening bij het stuurwiel → 306
3 Stuurwiel afstellen → 141
4 Motorkapontgrendeling → 334
5 Schakelaars voor:
- LPG → 40;
– openen van de achterklep → 65.
6 Snelheidsbegrenzer → 256
Snelheidsregelaar → 259
Afhankelijk van de auto, de adaptieve snelheidsregelaar Stop and Go → 262
7 Schakelaars voor:
- My Safety → 219 ;
- Afstellen van de stand van de koplampen → 148;
- De modus ECO → 193;
9 Buitenverlichting → 145
10 Instrumentenpaneel → 135
11 Knoppen boordcomputer → 116
12 Schakelaar ruitenwissers/-sproeiers → 151
13 Locatie voor telefoonhouder → 323
14 Multimediaavoorkant → 306
15 Schakelaars voor:
- verwarming/airconditioning → 297
→ 300;
- stoelverwarming → 70;
– alarmknipperlichten → 150.
16 USB-C → 306 aansluitingen
17 Houder voor meerdere accessoires YouClip → 323
18 Keuzeschakelaar rijmodus → 212:
- afdalingscontrole in-/uitschakelen → 206.
19 Knop parkeerstand op de automatische transmissie → 175
20 Versnellingshendel (handbediende versnellingsbak, afhankelijk van de auto) → 175
21 Houder voor meerdere accessoires YouClip → 323
22 USB-C → 306 aansluitingen
23 Accessoireaansluiting → 317
RIJHULPSYSTEMEN

- ABS (antiblokkeersysteem van de wielen) → 206
- ESC (elektronisch stabiliteitsprogramma) → 206
- Rembekrachtiging → 206
– Hulp bij wegrijden op een helling → 206 - Tractiecontrole → 206
- Stop and Start → 171
- My Safety → 219
- Preventie verlaten rijstrook → 220
- Dodehoekwaarschuwing → 227
- Veiligeafstandwaarschuwing → 232
- Actieve noodstop → 236
– Detectie bestuurdersalertheid → 243
– Waarschuwing waakzaamheid bestuurder → 245
– Waarschuwing vermoeidheidsdetectie bestuurder → 248 - Verkeersborddetectie → 250
– Snelheidsbegrenzer → 256 - Snelheidsregelaar → 259
- Adaptieve snelheidsregelaar Stop and Go → 262
- Parkeerhulp → 284
- Achteruitrijcamera → 275
- Multiview camera → 278
– Waarschuwing bij verlies van bandenspanning → 200
VEILIGHEID IN DE AUTO


12 - Welkom aan boord van uw auto
VEILIGHEID IN DE AUTO
1 Airbags Voorin → 79
Passagier voorin airbag autogordel → 109
2 Airbags Zijruit → 85
3 Autogordels → 76
4 Airbags aan de zijkant → 85
EEN AUTO IDENTIFICEREN - ETIKETTEN


14 - Welkom aan boord van uw auto
EEN AUTO IDENTIFICEREN - ETIKETTEN
1 Technische informatie voor de hulpdiensten → 396
2 Identificatieplaatje auto → 396
3 Voertuigidentificatienummer: herinnering → 396
4 Bandenspanningsetiketten → 200 → 355
5 Motoridentificatie → 397
DE MOTORRUIMTE (PERIODIEK ONDERHOUD)


1 Sleeppunt voor → 367
2 Lampen van koplamp vervangen → 374
3 Ruitenwisserblad(en) voor vervangen → 383
4 Lekke band: gereedschappen → 360
Reservewiel → 362
Een wiel verwisselen → 364
5 Zekeringen → 385
6 Sleeppunt achter → 367
7 Lampen van achterlicht vervangen → 375
8 Vervangen van het ruitenwisserblad achter → 383
DE AUTO MET LPG


20 - Welkom aan boord van uw auto
DE AUTO MET LPG
1 Starten, stoppen van de motor: auto met sleutel → 165
De motor starten, stoppen: auto met → 167-card
2 LPG-schakelaar.→ 40
3 Boordcomputer → 116
4 LPG vullen → 43
HET HYBRID VOERTUIG


22 - Welkom aan boord van uw auto
HET HYBRID VOERTUIG
Hybrid voertuigsysteem: inleiding → 26
Hybrid voertuigsysteem: belangrijke adviezen → 32
1 Waarschuwingslampjes → 135
Displays en meters → 126
Econometer → 195
2 Batterij → 26 → 344 → 345 → 370
3 Oranje elektrische bedrading → 26
4 Elektrische motor → 26
5 Slepen, pechhulp → 367
6 Verbrandingsmotor → 26
7 Koelvloeistof → 339
DE HYBRID-G 4X4-AUTO


24 - Welkom aan boord van uw auto
DE HYBRID-G 4X4-AUTO
Hybrid-G 4x4-voertuigsysteem: introductie → 33
LPG-systeem→40
Transmissie: 4-wielaandrijving→212
1 Waarschuwingslampjes → 135
Displays en meters → 126
Econometer → 195
2 Elektrische motor → 33
3 Oranje elektrische bedrading → 33
4 Batterij → 33 → 344 → 345 → 370
5 Slepen, pechhulp → 367
6 Koelvloeistof → 339
AUTO: HYBRID
Introductie


Het Hybrid systeem gebruikt een elektromotor om de prestaties van de verbrandingsmotor te verbeteren (versneling, starten, enz.).
Er is meer versnellingskoppel beschikbaar voor de auto terwijl er minder brandstof wordt verbruikt.
Het voertuig kan ook in volledig elektrische bedrijfsmodus rijden zonder hulp van de verbrandingsmotor. Het voertuig gebruikt de energie die is opgeslagen in de "Hoogspanning" tractiebatterij.
Accu's
De Hybrid auto is uitgerust met twee soorten accu's:
- een "hoogspanning" tractiebatterij;
- een "12V"-accu.
"Hoogspanning" tractiebatterij
Deze accu zit onder de vloer achterin en bevat de benodigde energie om de elektromotor correct te laten werken.
Deze batterij onlaadt bij gebruik, zoals elke andere batterij. De tractiebatterij wordt opgeladen:
- tijdens de remfasen van het voer-tuig;
- wanneer de verbrandingsmotor automatisch start om als generator te fungeren.
Het voertuigbereik in de elektrische bedrijfsmodus is afhankelijk van het laadniveau van de tractiebatterij, en ook van uw rijstijl en van de energieverbruikende onderdelen (airconditioning, verwarming, enz).
Als de tractiebatterij leegraakt, neemt de verbrandingsmotor de aandrijving over totdat de tractiebatterij voldoende is opgeladen.
Als uw auto lange tijd stilstaat, start dan de motor met regelmatige tussenpozen (ongeveer één keer per maand) en controleer of het waarschuwings-
lampje w wordt weergegeven op het instrumentenpaneel. Als dit gebeurt, moet de accu worden opgeladen: laat de motor aan staan totdat het waarschuwingslampje blauw wordt weergegeven→ 126.
Als u dit niet doet, kan dit leiden tot schade aan de tractiebatterij en het starten van het voertuig onmogelijk maken.
"12V"-accu
De 12V-accu in de bagageruimte levert de energie die nodig is om het voertuig te openen en te sluiten en om de apparatuur te bedienen.
Opmerking: de "12V"-accu helpt niet bij het starten van de verbrandingsmotor. Dit wordt verzorgd door het Hybrid systeem.

Het Hybrid aandrijfsysteem van de elektrische auto maakt gebruik van elektrische hoogspan-
ningsstroom.
Dit systeem kan tijdens en na het uitzetten van het contact onder spanning staan. Let op de waarschuwingen op de stickers in de auto.
Elke ingreep op of wijziging van het elektrische "hoogspannings- systeem" van de auto (componenten, kabels, stekkers, tractie- batterij) is strikt verboden vanwege de risico's voor uw veiligheid. Raadpleeg een merkdealer.
Risico van ernstige brandwon- den of mogelijk dodelijke elek- trische schokken.
AUTO: HYBRID

61607


Het symbool A geeft de elektrische onderdelen van uw auto aan die een veiligheidsrisico kunnen vormen.
Elektrisch "hoogspanningscircuit"

Het elektrisch "hoogspanningscircuit" is te herkennen aan de oranje kabels 6 en componenten met het symbool

Geluid
De Hybrid voertuigen zijn bijzonder stil in de elektrische bedrijfsmodus. U bent er nog niet aan gewend, en de andere weggebruikers zijn dat evenmin. Ze kunnen uw auto moeilijk horen als deze rijdt.
In de elektrische bedrijfsmodus wordt dit systeem automatisch geactiveerd. Het geluidssignaal klinkt als de auto
een snelheid heeft van 1 tot ongeveer 30 km/u.
Aangezien de elektromotor stil is, zult u ongebruikelijke geluiden horen (aerodynamisch geruis, banden, enz.), evenals geluiden van het Hybrid systeem (bijv. de koeling van de tractiebatterij).
Voetgangersclaxon
Met de voetgangersclaxon kunt u andere weggebruikers waarschuwen, met name voetgangers en fietsers. Bij het starten van de motor blijft de voetgangersclaxon automatisch geactiveerd. Het geluidssignaal klinkt als de auto een snelheid heeft van 1 tot ongeveer 30 km/u.
Bij een storing aan de voetgangers-claxon wordt het bericht "Storing geluid exterieur" weergegeven op het instrumentenpaneel. Raadpleeg voor de exacte gegevens de merkdealer.

Uw Hybrid voertuig is erg stil. Controleer bij het uitstappen altijd of de versnellingshendel in
stand P zit; zet de parkeerrem aan en het contact uit.
RISICO OP ERNSTIG LETSEL
AUTO: HYBRID
Werkzaamheden
Het Hybrid systeem selecteert de verbrandingsmotor en/of de elektromotor op basis van de rijstijl (soepel of sportief rijden, enz.) en de verkeersomstandigheden.
Diepe plassen, overstromingen:

Rijd niet verder als het water
op de weg hoger staat dan de onder- rand van de velgen.
Energie-indicator 1
Auto uitgerust met een boord-computer A



text_image
110 km/h charge stop power 510 kmAfhankelijk van de geselecteerde rijmodus geeft het waarschuwingslampje 1 de energiestromen aan tussen:
- elektrische groep (tractiebatterij en elektromotor);
- verbrandingsmotor;

text_image
C D 63063De kleur van stromen varieert:
- blauw: elektrische energie; - wit: energie geproduceerd door de verbrandingsmotor.
Stroom C "Electrische tractie"
De elektrische groep wordt gebruikt om het voertuig te verplaatsen.
Stroom D "Verbrandingsmotor"
De verbrandingsmotor wordt gebruikt om het voertuig te verplaatsen.

text_image
E F 63069Stroom E "Energieterugwinning"
Wanneer u het gaspedaal loslaat of het rempedaal indrukt, zet de elektromotor en/of het regeneratieve remsysteem de energie die wordt geproduceerd door de vertraging van het voertuig om in elektrische energie.
Deze wordt gebruikt om het voertuig te remmen en de tractiebatterij op te la- den.
Stroom F "Energieproductie"
De verbrandingsmotor laadt de tractiebatterij op.
Opmerking: een combinatie van verschillende stromen is mogelijk (bijv.
AUTO: HYBRID
een combinatie van stroom C en stroom D betekent dat zowel de verbrandingsmotor als de elektromotor de auto aandrijven).
Auto uitgerust met een boordcomputer B

text_image
B G 1 H EVAfhankelijk van de gekozen rijmodus worden de verschillende energiestromen op het instrumentenpaneel weergegeven.
Dit zijn energiestromen tussen:
- G: de verbrandingsmotor;
- H: de elektrische groep (tractiebatterij en elektromotor).
De kleur van stromen varieert:
- blauw: elektrische energie;
- wit: energie geproduceerd door de verbrandingsmotor.

Bijzonderheid
Wanneer de tractiebatterij een maximaal laadniveau bereikt, wordt regeneratief remmen (motorrem) tijdelijk verminderd. Pas uw rijstijl hierop aan.

Het remmen op de motor kan in geen geval het indrukken van het rempe-daal vervangen.
Volledig elektrische rijmodus
62294

text_image
110 km/h charge power 510 km EV ②
text_image
Distance 297 000 km 1 503.0 km ② : OK 3s EVAUTO: HYBRID
Het waarschuwingslampje 2 EV verschijnt op het instrumentenpaneel om aan te geven dat het Hybrid-systeem alleen de elektrische groep gebruikt om het voertuig aan te drijven.
Opmerking: afhankelijk van de auto worden de hendels op het stuur niet geactiveerd wanneer de auto volledig elektrisch werkt→ 178.
Het wordt aanbevolen om niet in volledig elektrische modus te rijden met een lege brandstoftank.
Wanneer het oranje waarschu-
wingslampje verschijnt op het instrumentenpaneel en er is een pieptoon te horen, vul de tank dan zo snel mogelijk met brandstof.
Risico op stilstand
Als er geen brandstof in de tank zit, schakelt het voertuig automatisch over op de volledig elektrische modus.
Als u rijdt totdat de tractiebatterij leeg is, is het onmogelijk om de auto opnieuw te starten (zelfs niet na het tanken). Raadpleeg een merkdealer.
AUTO: HYBRID
Belangrijke aanbevelingen

Gelieve deze richtlijnen aandachtig te lezen. Als deze adviezen niet worden opgevolgd, kan dat leiden tot brand, ernstig letsel of elektrische schokken die de dood tot gevolg kunnen hebben.
Bij een ongeluk of elektrische schok
Bij een ongeval of botsing tegen de onderkant van de auto (bijv. contact met een paaltje, stoeprand of ander straatmeubilair) kan het elektrische circuit of de tractiebatterij beschadigd raken.
Laat uw auto door een merkdealer controleren.
Raak de "hoogspanningsonderdelen" of blootliggende oranje kabels die vanuit het interieur of vanaf de buitenkant van de auto zichtbaar zijn, nooit aan.
Bij een grote beschadiging van de tractiebatterij kunnen mogelijk lekken optreden;
- raak nooit vloeistoffen aan die afkomstig zijn van de tractiebatterij;
- bij lichamelijk contact met veel water spoelen en zo snel mogelijk een arts raadplegen.
Bij brand
In geval van brand, verlaat het voertuig en breng het in veiligheid; neem contact op met de hulpdiensten en informeer hen dat het voertuig een Hybrid is.
Maak alleen gebruik van blusmiddelen van het type ABC of BC die geschikt zijn voor het bestrijden van brand in elektrische installaties. Geen water of andere blusagenten gebruiken.
Neem bij beschadiging van het elektrische circuit altijd contact op met een merkdealer.
Voor elke vorm van slepen
Zie "Slepen, pechhulp" → 367
Wassen van de auto
Reinig de motorruimte of de "hoogspanning" tractiebatterij nooit met een hogedrukreiniger.
Risico van beschadiging van het elektrische circuit.
Risico van mogelijk dodelijke elektrische schokken.
HYBRID-G 4X4-AUTO
Introductie

1 Elektrische motor
2 Oranje elektrische bedrading
3 48 V-hulpaccu.
4 Verbrandingsmotor met twee soorten brandstof
Het systeem combineert hybride technologie en een carburateurvoor twee soorten brandstof
- het Hybrid-systeem verbetert de motorprestaties. Er is meer versnelingskoppel beschikbaar voor de auto terwijl er minder brandstof wordt verbruikt ;
- het LPG-systeem stelt de auto in staat om te functioneren op twee soorten brandstof: LPG en benzine. Voor meer informatie 40;
- De auto is uitgerust met twee aparte tanks → 43.
48 V-hulpaccu
In deze batterij onder de passagiersstoel voorin wordt de energie opgeslagen die wordt teruggewonnen tijdens de remfasen.
Deze energie wordt door het hybride systeem uitsluitend gebruikt om de elektromotor aan de achterkant van de auto van stroom te voorzien. Voor meer informatie → 38.
Als uw auto lange tijd geparkeerd staat, start u de motor met regelmati-
ge tussenpozen (ongeveer één keer per maand) gedurende ongeveer 15 minuten om de secundaire "48 V"-accu op te laden.
Als u dit niet doet, kan dit leiden tot schade aan de accu en het starten van de auto onmogelijk maken.
48V-circuit
A
61607

Het elektrisch circuit van 48 V is te herkennen aan de gele bedrading en aan de onderdelen aangeduid met het
symbool
Het symbool A geeft de elektrische onderdelen van uw auto aan die een veiligheidsrisico kunnen vormen.

De 48 V-hulpaccu is onderhoudsvrij. U mag de accu niet openen of er vloeistof bevoegen.
Risico op een elektrische schok.
Ventilatierooster 5

Zorg dat er geen objecten of vloeistoffen terecht komen in de ventilatieopening 5.
Neem contact op met een erkende dealer als er een object in de ventilatieopening zit of als er vloeistof lekt.
HYBRID-G 4X4-AUTO
Opmerking: u kunt ventilatiegeluiden horen onder de rechtervoorstel terwijl de 48 V-hulpaccu wordt gekoeld.
Als het bericht "48V batterijkoeling: geblokkeerd onder stoelrooster" op het instrumentenpaneel wordt weergegeven, maak dan de ventilatieopening vrij van obstakels.
Als de melding aanhoudt nadat de ventilatieopening is schoongemaakt, neem dan contact op met een merk-dealer.

Zorg dat u het ventilatie-rooster 5 niet blokkeert.
Als de ventilatieopening
wordt geblokkeerd (bijv. door een object dat erop wordt geplaatst), kan de 48 V-hulpaccu oververhit raken en de werking van de elektromotor belemmeren.
Geluid
De Hybrid voertuigen zijn bijzonder stil in de elektrische bedrijfsmodus. U bent er nog niet aan gewend, en de andere weggebruikers zijn dat evenmin. Ze kunnen uw auto moeilijk horen als deze rijdt.
Aangezien de elektromotor stil is, zult u ongebruikelijke geluiden horen (ae-
rodynamisch geruis, banden, enz.), evenals geluiden van het Hybrid systeem (bijv. de koeling van de 48 V-hulpaccu).
Voetgangersclaxon
Met de voetgangersclaxon kunt u andere weggebruikers waarschuwen, met name voetgangers en fietsers.
Bij het starten van de motor blijft de voetgangersclaxon automatisch geactiveerd. Het geluidssignaal klinkt als de auto rijdt met een snelheid van ongeveer 1 tot 30 km/u.
Bij een storing aan de voetgangers-claxon wordt het bericht "Storing geluid exterieur" weergegeven op het instrumentenpaneel. Raadpleeg voor de exacte gegevens de merkdealer.
Werkzaamheden
Het Hybrid-G 4x4-systeem selecteert de verbrandingsmotor en/of de elektromotor op basis van de rijstijl (soepel, sportief, enz.), de verkeerssituatie en de rijmodus die is gekozen op basis van het wegtype → 212.
Diepe plassen, overstromingen:

Rijd niet verder als het water eg hoger staat dan de onder- n de velgen.
Energie-indicator 6
Auto uitgerust met een boord-computer A
78758

text_image
A 110 km/h charge FCO power 510 km 6Afhankelijk van de geselecteerde rijmodus geeft het waarschuwingslampje 6 de energiestromen aan tussen:
– elektrische assemblage (48 V-hulpaccu en elektromotor);
- verbrandingsmotor;
HYBRID-G 4X4-AUTO

text_image
C D 63063De kleur van stromen varieert:
- blauw: elektrische energie;
- wit: energie geproduceerd door de verbrandingsmotor.
Stroom C "Elektrische voortstuwing"
De elektrische groep wordt gebruikt om het voertuig te verplaatsen.
Stroom D "Verbrandingsmotor"
De verbrandingsmotor wordt gebruikt om het voertuig te verplaatsen.

text_image
E F 63069Stroom E "Energieterugwinning"
Wanneer u het gaspedaal loslaat of het rempedaal indrukt, zet de elektromotor en/of het regeneratieve remsysteem de energie die wordt geproduceerd door de vertraging van het voertuig om in elektrische energie.
Deze wordt gebruikt om de auto te remmen en de 48 V-hulpaccu op te la- den.
Stroom F "Energieproductie"
De verbrandingsmotor laadt de secundaire 48 V-hulpaccu op.
Opmerking: een combinatie van verschillende stromen is mogelijk (bijv. een combinatie van stroom C en stroom D betekent dat zowel de ver-
brandingsmotor als de elektromotor de auto aandrijven).
Auto uitgerust met een boordcomputer B

text_image
B G 6 H EVAfhankelijk van de gekozen rijmodus worden de verschillende energiestromen op het instrumentenpaneel weergegeven.
Dit zijn energiestromen tussen:
- G: de verbrandingsmotor;
- H: de elektrische assemblage (48 V-hulpaccu en elektromotor).
De kleur van stromen varieert:
- blauw: elektrische energie;
- wit: energie geproduceerd door de verbrandingsmotor.
HYBRID-G 4X4-AUTO

Het remmen op de motor kan in geen geval het indrukken van het rempe-daal vervangen.
Het waarschuwingslampje 7 EV verschijnt op het instrumentenpaneel om aan te geven dat het Hybrid-systeem alleen de elektrische groep gebruikt om het voertuig aan te drijven.
Opmerking: afhankelijk van de auto worden de hendels op het stuur niet geactiveerd wanneer de auto volledig elektrisch werkt→ 178.

het wordt niet aanbevolen om de auto te besturen terwijl de benzinetank en/G-tank leeg is.
Wanneer het oranje

le schuwingslampje verschijnt op het instrumentenpaneel en er is een pieptoon te horen, vult u de tank zo snel mogelijk.

'of ge-
eh/of ge-
eh/of ge-
eh/of ge-
eh/of ge-
eb/of ge-
eb/of ge-
eb/of ge-
eb/of ge-
eb/of ge-
AUTO: MILD HYBRID
Introductie

Het Mild Hybrid systeem verbetert de motorprestaties. Er is meer versnelingskoppel beschikbaar voor de auto terwijl er minder brandstof wordt verbruikt.
48 V-hulpaccu
De Mild Hybrid-auto is uitgerust met een secundaire "48V"-accu → 346.
In deze batterij onder de passagiersstoel voorin wordt de energie opgeslagen die wordt teruggewonnen tijdens de remfasen. Deze energie wordt door het Mild Hybrid systeem gebruikt om extra koppel te leveren aan de verbrandingsmotor.
Als uw auto lange tijd geparkeerd staat, start u de motor met regelmatige tussenpozen (ongeveer één keer per maand) gedurende ongeveer 15 minuten om de secundaire "48 V"-accu op te laden.
Als u dit niet doet, kan dit leiden tot schade aan de accu en het starten van de auto onmogelijk maken.
48V-circuit
A

Het elektrisch circuit van 48 V is te herkennen aan de gele bedrading en aan de onderdelen aangeduid met het
symbool
Het symbool A geeft de elektrische onderdelen van uw auto aan die een veiligheidsrisico kunnen vormen.

De hulpaccu is onder- houdsvrij. U mag de ac- cu niet openen of er vloeistof aan toevoegen.
Risico op een elektrische schok.
61607
Ventilatierooster 1

Zorg dat er geen objecten of vloeistoffen terecht komen in de ventilatieopening 1.
Neem contact op met een erkende dealer als er een object in de ventilatieopening zit of als er vloeistof lekt.
Opmerking: onder de stoel rechtsvoor hoort u mogelijk het ventilatorgeluid van het koelsysteem van de tractiebatterij.
Als het bericht "48V batterijkoeling: geblokkeerd onder stoelrooster" op het instrumentenpaneel wordt weergegeven, maak dan de ventilatieopening vrij van obstakels.
AUTO: MILD HYBRID
Als de melding aanhoudt nadat de ventilatieopening is schoongemaakt, neem dan contact op met een merk-dealer.

Zorg dat u het ventilatie-rooster 1 niet blokkeert.
Als de ventilatieopening wordt geblokkeerd (bijv. door een object dat erop wordt geplaatst), kan de tractiebatterij oververhit raken en de werking van de elektromotor belemmeren.
LPG-VOERTUIG
Introductie
Deze voertuigen gebruiken twee soorten brandstof: LPG en benzine.
Ze zijn uitgerust met twee aparte reservoirs → 157.
Wat is LPG

LPG die voldoet aan de norm
EN 589, of de overeenkomstige nationale wetgeving.
Het is herkenbaar aan zijn typische geur.

text_image
62052 ① LPGKeuzebediening LPG/benzinemodus 1
Hiermee schakelt u handmatig van de ene brandstofmodus over op de andere.
Het waarschuwingslampje LPG schijnt grijs op het instrumentenpaneel om aan te geven dat het systeem het verzoek om over te schakelen naar LPG-modus heeft geregistreerd.
Het waarschuwingslampje schakelt automatisch over naar wit of, afhankelijk van de auto, naar groen zodra aan de vereiste voorwaarden is voldaan.
Het LPG schuwingslampje verschijnt groen om aan te geven dat de LPG-modus is geactiveerd.

LPG-brandstofpeilmeter en waar- schuwingslampje
Het [R]rschuwingslampje wordt weergegeven op het instrumentenpaneel 2 samen met de bijbehorende LPG-brandstofmeter.
De weergegeven hoeveelheid LPG is indicatief.
Werkzaamheden
Starten van de motor

text_image
LPG ① 62052De motor start altijd op benzine.
- Voor voertuigen met een sleutel → 165.
- Voor voertuigen met een kaart → 167.
LPG-VOERTUIG
Opmerking: als de LPG-modus actief is bij het starten van de motor, schakelt het systeem tijdelijk over naar de benzinemodus.
- Het LPGarschuwingslampje verschijnt grijs op het instrumentenpaneel 2 zonder pieptoon, maar in combinatie met de weergave van het
waarschuwingslampje en het bijbehorende "benzine"-brandstofni-veau. Dit geeft aan dat de benzinemodus actief is.
Zodra aan de omgevingsvoorwaarden is voldaan (motortemperatuur enz.), schakelt het systeem automatisch over op LPG-modus: het controlelampje
LPG verschijnt in het groen.
Veranderen van brandstof tijdens het rijden
Handmatig overschakelen van ben- zinemodus naar LPG-modus
Druk op de hendel 1.
De omschakeling naar de LPG-modus wordt automatisch uitgevoerd wanneer het systeem klaar is:
- Het waarschuwingslampje het bijbehorende LPG-brandstofpeil
worden weergegeven op instrumentenpaneel 2;
- he LPG arschuwingslampje verschijnt grijs om de selectie van de LPG-modus te bevestigen, en verschijnt vervolgens groen wanneer de LPG-modus is geactiveerd.
Handmatig overschakelen van LPG-modus naar benzinemodus
Druk op de hendel 1.
Het LPG schuwingslampje gaat op het instrumentenpaneel 2 en geeft aan dat de benzinemodus is geactiveerd.
Om toegang te krijgen tot de informatie en de LPG-rit-instellingen te resetten
→ 118.
Zolang de brandstoftank leeg is, kan het voertuig niet starten of alleen in
LPG-modus rijden.
Gebruik van de twee brandstoffen LPG/benzine vereist de aanwezigheid van benzine (voor starten, hoge acceleratie, lage temperaturen enz.).
Wanneer het oranje waarschu-
wingslampje verschijnt op het instrumentenpaneel en er is een pieptoon te horen, vul de tank dan zo snel mogelijk met benzine.
Automatisch overschakelen van LPG-modus naar benzinemodus
Afhankelijk van de auto kan het systeem automatisch schakelen tussen LPG- en benzinemodus:
- onder bepaalde gebruiksomstandigheden (koude start, sterke acceleratie, enz.);
- wanneer de periodieke inspectie van het injectiesysteem van de auto automatisch wordt gestart (ongeveer elke 400 km).
Het LPG e waarschuwingslampje verschijnt om u te waarschuwen.
LPG-VOERTUIG
Wanneer aan de voorwaarden is vol- daan, schakelt het systeem automa- tisch terug naar de LPG-modus en ver-
schijnt het LPG schuwingslamp-je groen.
Opmerking:
- afhankelijk van de rijomstandigheden kan de periodieke inspectie van het injectiesysteem tot twee minuten duren;
- na verschillende mislukte pogingen kan het systeem beslissen in benzine-modus te blijven gedurende de huidige route. Nadat de motor volledig is gestopt, is een nieuwe poging mogelijk.
LPG-tank leeg
Wanneer de tank bijna leeg is en de motor op de LPG-brandstofreserve draait, wordt de melding "LPG niveau laag" op het instrumentenpaneel weergegeven, vergezeld van een pieptoon en de verlichting:
- van het waarschuwingslampje in het groen;
en
- het waarschuwingslampje geel.

text_image
62148 ③ ④ ⑤Druk op schakelaar 3 "OK", 4 of 5 om de melding en de waarschuwingslampjes te wissen.
Als er geen LPG in de tank zit, wordt de melding "LPG-tank leeg" op het instrumentenpaneel weergegeven, vergezeld van een pieptoon en:
— door het doven van het controle-
lampje LPG
en
- De weergave van het wær-schuwingslampje is geel.
Ga zo snel mogelijk LPG tanken → 43.
Storingen
In het geval van een defect dat de juiste werking van de motor zou kunnen nadelig beïnvloeden, wordt het bericht "LPG niet beschikbaar" weergegeven en schakelt het systeem automatisch over van de LPG-modus naar de benzinemodus.
Dit wordt bevestigd door de weergave van het volgende op het instrumentenpaneel:
- het bericht "Controleer LPG-systeem";
en
- het waarschuwingslampje geel.
Raadpleeg zo snel mogelijk uw merk-dealer.
Bij rijden in moeilijke omstandigheden
Bij zeer koud weer (temperatuur lager dan ongeveer 10 °C) en, afhankelijk van de kwaliteit van het gebruikte gas, kan het systeem:
- automatisch de voorwaarden beheren voor het schakelen tussen LPG-modus en benzinemodus;
of
- een kleine hoeveelheid benzine verbruiken in de LPG-modus.
LPG-VOERTUIG
Opmerking: voor voertuigen die zijn uitgerust, wordt het gebruik aanbevolen van de modus ECO onder deze omstandigheden (vooral onder 0°C) om het gebruik van de LPG-modus → 193 te maximaliseren.
Bij ongeval
De belangrijkste voorzorgsmaatregelen zijn dezelfde als voor een auto met benzinemotor:
- de parkeerrem vast;
- leg de motor stil (een veiligheidsinrichting die verhindert dat er LPG in de motor komt, schakelt automatisch in);
- zet het contact uit;
- houd u aan de ter plaatse geldende wetgeving.

LPG heeft een zeer specifieke geur zodat u eventuele lekken gemakkelijk kunt vaststellen. In-
dien u een gaslucht in of rond uw auto opmerkt:
- moet u onmiddellijk op benzine-modus overschakelen en controleren of er zich in de nabijheid van de auto geen ontstekingsbron bevindt;
- moet u naar een merkdealer gaan.

U mag geen enkel onderdeel van het LPG-systeem aanraken, bekloppen of demonteren.
LPG-tank
Tanken van LPG
Bruikbare inhoud van de LPG-tank: ongeveer 51 liter
Zet de handrem vast, leg de motor stil, zet het contact uit en doof de lichten. Houd u in ieder geval aan de veiligheidsvoorschriften in de tankstations.
Afhankelijk van het land moet u voor het tanken de vuladapter 1 op de LPG-vulpijp vastschroeven.
Het is raadzaam de tank steeds volledig te vullen.
Het maximumpeil is bereikt wanneer de pomp niet langer LPG afgeeft of wanneer het pompdebiet aanzienlijk afneemt.
Probeer in dat geval niet verder te tan- ken.
Tankstations zonder zelfbediening

Als een medewerker van het tankstation de LPG tankt, moet u hem of haar de vuladapter 1 geven.
LPG-VOERTUIG

BELANGRIJK: LPG-vuladapter 1
Afhankelijk van het land is het gebruik van een specifieke adapter vereist voor het vullen van LPG.
De vuladapter 1 wordt geleverd in een zakje in het handschoenenkastje. Afhankelijk van het land waarin de auto is verkocht, is de vuladapter wel of niet aanwezig in de auto.
Voordat u met de auto naar een ander land gaat rijden, moet u een erkende merkdealer raadplegen om erachter te komen welk type adapter in dat land wordt gebruikt.
Tankstations met zelfbediening

text_image
71000 ② ③Wij raden u aan handschoenen te dragen om het LPG-vulpistool vast te houden.
Open de tankklep van uw auto en verwijder de dop 2 van de LPG-vulpijp 3.
Lees op de LPG-automaat aandachtig de uitleg over hoe de LPG moet worden getankt.
Afhankelijk van het type station, kan het nodig zijn om de stationknop lang ingedrukt te houden voordat het tan- ken begint.
Wanneer de pomp stopt of trager werkt, betekent dit dat het maximale LPG-peil van de tank (80%) is bereikt.
Zodra u de knop loslaat, stopt de automaat. Maak de vergrendeling los (er kan een beetje gas ontsnappen), haal het vulpistool uit de vulpijp en plaats het op de automaat.
Plaats na het vullen de dop 2 terug zodat er geen water of vuil in het systeem terechtkomt.

Als u brandstof wilt tan- ken, zet u de motor uit (dus NIET stand-by bij voertuigen met de func-
tie Stop and Start): u moet het contact uit zetten → 165 → 167.
Risico van brand.
LPG-VOERTUIG
Zekeringen

Bepaalde functies worden beschermd door zekeringen in de vakken A en B van de motorruimte.
Vanwege de moeilijke bereikbaarheid, adviseren wij het vervangen van deze zekeringen over te laten aan een merkdealer.

Zorg dat u altijd een doos met reservelampen en -zekeringen in de auto heeft, deze is verkrijgbaar bij uw merk-dealer.

Controleer de zekering in kwestie en vervang deze indien nodig met een zekering met dezelfde classificatie als het origineel.
Door een te sterke zekering kan de bedrading te heet worden en kan brand ontstaan als een elektrisch orgaan door een storing te veel stroom verbruikt.

Controleer bij werkzaam- heden onder de motor- kap, of de schakelaar van de ruitenwisser in de staat.
Risico van verwonding.

Zet altijd het contact uit als u iets gaat doen onder de motorkap → 165 → 167.
LPG-VOERTUIG

Let op bij werkzaamheden dicht bij de motor, deze kan nog warm zijn. Bovendien kan de venti-
lateurmotor onverwacht gaan draaien. Het waarschuwingslamp-
je 10 de motorruimte herinnert u hieraan. Risico van verwonding.
KAART
Algemeen

text_image
1 2 3 4 62017- Ontgrendelen van alle portieren.
- Vergrendelen van alle portieren.
- Vergrendelen/ontgrendelen van de bagageruimte.
- Op afstand inschakelen van de ver- lichting.
Met de kaart kunt u:
- vergrendelen/ontgrendelen van openingselementen (portieren, bagage-ruimte) → 61;
-
op afstand inschakelen van de verlichting;
-
automatisch op afstand openen en sluiten van de elektrisch bediende ruiten → 310;
- automatisch sluiten van het schuifdak op afstand (afhankelijk van de auto); → 312
- automatisch op afstand openen en sluiten van de gemotoriseerde achterklep (afhankelijk van de auto) → 65.
Actieradius
Controleer of de batterij van het juiste model en in goede conditie is, en correct geplaatst. De levensduur is ongeveer twee jaar: moet worden vervangen als de melding "Batterij kaart bijna leeg" op het instrumentenpaneel wordt weergegeven → 53.
Bereik van de card
Het bereik van de afstandsbediening wordt beïnvloed door de omgeving. Let er op dat de portieren niet per ongeluk worden vergrendeld of ontgrendeld door onopzettelijk op een knop op de kaart te drukken.
Opmerking: Als een portier of de bagageruimte open of niet goed gesloten is, kan de auto niet worden vergrendeld en klinkt er een pieptoon.
Radiostoringen
De werking van de kaart kan gestoord worden in de omgeving van een zend-
installatie of bij gebruik van apparatuur die werkt op dezelfde frequentie als de kaart.

Bij lege batterij, kunt u de auto altijd vergrendelen/ontgrendelen en starten
→ 61 → 167.
Functie "Verlichting op afstand"
Druk op knop 4 om de interieurverlichting, de markeringslichten en de dimlichten circa 20 seconden aan te zetten. Hiermee kan uw auto op afstand worden herkend, bijvoorbeeld op een parkeerterrein.
Opmerking: druk nog een keer op knop 4 om de verlichting uit te schakelen.

Advies
Stel de kaart niet bloot aan warmte, koude of vocht.
Bewaar de kaart nooit op een plek waar deze per ongeluk verbogen of beschadigd kan worden, bijvoorbeeld in uw achterzak.
KAART

Vervangen: extra kaart nodig
Als u de kaart verliest of een extra kaart nodig hebt, kunt u deze bestellen bij een merkdealer.
Als u een kaart vervangt, moet u met de auto en alle kaarten naar een merkdealer gaan om het systeem te resetten.
U kunt maximaal vier kaarten per auto gebruiken.

Verantwoordelijkheid van de bestuurder tijdens het parkeren of stoppen van de auto
Laat nooit, ook niet heel even, een kind, een afhankelijke vol- wassene of een dier in de auto achter als u deze verlaat. Het kan zichzelf of anderen in ge- vaar brengen door bijvoorbeeld de motor te starten, door organen te bedienen zoals de ruitbedie- ning, of de portieren te vergrende- len, enz..
Bovendien kan bij warm, zonnig weer de temperatuur in het interieur heel erg snel oplopen. LEVENSGEVAAR OF GEVAAR VAN ERNSTIG LETSEL.
Riem aanbrengen 7

text_image
A 5 6 62072Schuif de behuizing achter 5 omlaag terwijl u op de zone A drukt.

Steek nooit gereedschap zoals een schroevendraaier in de opening 6.
KAART

text_image
61231 ⑦ ⑧Steek de polsriem in het onderdeel 8 en steek het uiteinde van de riem door de gesp.
Plaats de riem bij de opening 6 en sluit de behuizing.
Opmerking: controleer of de diameter van de polsriem 7 past in de opening 6.
Gebruik
Er zijn twee manieren voor het vergrendelen/ontgrendelen van de auto:
- in handsfree modus, terwijl men naar de auto toeloopt of ervan wegloopt;
- de kaart gebruiken in de afstandsbedieningsmodus.

Laat nooit een kaart in de auto liggen als u de auto verlaat.

Bewaar de kaart niet op een plaats waar andere elektronische apparaten (outer, telefoon, enz.) de wer- van kunnen verstoren.

Verantwoordelijkheid van de bestuurder
Laat nooit, ook niet heel even, een kind, een af-
hankelijke volwassene of een dier in de auto achter als u deze verlaat.
Het kan zichzelf of anderen in gevaar brengen door bijvoorbeeld de motor te starten, door organen te bedienen zoals de ruitbediening, of de portieren te vergrendelen, enz..
Bovendien kan bij warm, zonnig weer de temperatuur in het interieur heel erg snel oplopen.
LEVENSGEVAAR OF GEVAAR VAN ERNSTIG LETSEL.
De handsfree-functie uit- of inschakelen
Afhankelijk van de auto kunt u de ont-grendeling bij het naderen en vergren-deling bij het weglopen van de auto uit-/inschakelen.
U kunt ook het geluidssignaal dat weerklinkt als de auto wordt vergren- deld terwijl u ervan wegloopt, uit- of in- schakelen → 132.
KAART
Gebruik van de card in "hands-free"-modus


De "handsfree"-modus maakt de ont-grendeling/vergrendeling mogelijk zonder de knoppen op de card te gebruiken wanneer de card zich in de toegangszone 1 bevindt.
Opmerking: als de auto meer dan acht dagen niet is gebruikt, schakelt het handsfree systeem over op standby. Om de functie opnieuw in te schakelen, drukt u op de ontgrendelknop van de card.
"Handsfree" ontgrendeling bij het naderen van de auto
Als de kaart in de toegangszone 1 is, wordt de auto ontgrendeld.
Het ontgrendelen ziet u aan het één keer oplichten van de knipperlichten en de zijknipperlichten.
"Handsfree" vergrendelen terwijl men van de auto wegloopt
Loop met de handsfree kaart bij u en de portieren en bagageruimtedeur gesloten, weg van de auto: deze vergrendelt automatisch zodra u de toegangszone verlaat 1.
N.B.: de afstand waarop de auto vergrendeld wordt, hangt af van de omgeving.
De knipperlichten en de alarmknipper- lichten knipperen twee keer om aan te duiden dat de portieren vergrendeld zijn.
Het vergrendelen wordt bevestigd met een geluidssignaal.
Bijzonderheden met betrekking tot het ontgrendelen
Automatische ontgrendeling bij benadering van de auto wordt uitgeschakeld indien de auto gedurende acht dagen niet is gebruikt.
Gebruik de kaart als afstandsbedie- ning om het voertuig te ontgrendelen en de modus opnieuw te activeren.
Bijzonderheden met betrekking tot het vergrendelen
Als een portier geopend of niet goed gesloten is, wordt de auto niet vergrendeld als u weg gaat.
Bijzonderheden met betrekking tot handsfree vergrendelen
Nadat de auto is vergrendeld met de handsfree-functie, moet u ongeveer drie seconden wachten voordat u de auto weer kunt ontgrendelen. Tijdens deze drie seconden kunt u nagaan of de auto goed vergrendeld is door aan de handgrepen van de deuren te trekken.
Indien de kaart ongeveer 15 minuten binnen de toegangszone 1 blijft, wordt de vergrendeling op afstand uitgeschakeld. Als u de auto wilt ontgrendelen, drukt u op de knop 4 op de kaart.
KAART

De vergrendeling van het voertuig kan enkel gebeuren indien er zich een card in de zone 2 bevindt. Als de auto is ontgrendeld met een druk op de kaartknop maar de portieren of de kofferbak niet opengaan, is de handsfree vergrendeling op afstand uitgeschakeld.

Verantwoordelijkheid van de bestuurder tijdens het parkeren of stoppen van de auto
Laat uw auto nooit achter met een kind, een niet-autonome volwassene of een dier in de auto, zelfs niet eventjes.
Het kan zichzelf of anderen in ge- vaar brengen door bijvoorbeeld de motor te starten, door organen te bedienen zoals de ruitbedie- ning, of de portieren te vergrende- len, enz.
Bovendien kan bij warm, zonnig weer de temperatuur in het interieur heel erg snel oplopen.
LEVENSGEVAAR OF GEVAAR VAN ERNSTIG LETSEL.
Gebruik van de card met afstandsbediening

Ontgrendelen met behulp van de kaart
druk op de knop 3. Het ontgrendelen ziet u aan het één keer oplichten van de knipperlichten en de zijknipperlichten.
Bij een voertuig met een automatische achterklep houdt u de knop 5 ingedrukt om het voertuig te ontgrendelen en de achterklep te openen.
Druk nogmaals op de knop 5 om de automatische achterklep te sluiten maar niet te vergrendelen. Om de auto te ontgrendelen, drukt u op de knop 4.
KAART
Als er vervolgens wordt geprobeerd om een portier te openen door te drukken op de handgreep terwijl ondertussen de portieren op afstand worden ontgrendeld, blijft het portier vergrendeld. Om dit te verhelpen, laat u de hendel los en ontgrendelt u het voertuig opnieuw door op de knop 3 op de kaart te drukken.
Vergrendelen met de kaart
Druk, met gesloten portieren, achterklep op knop 4: de auto wordt vergrendeld. De knipperlichten en de alarm-knipperlichten knipperen twee keer om aan te duiden dat de portieren vergrendeld zijn.
Opmerking: de maximale afstand vanaf waar de auto vergrendeld kan worden, hangt af van de omgeving.
Bijzonderheden
De auto kan niet worden vergrendeld als één een van de portieren of de klep van de bagageruimte open of niet goed gesloten is en er klinkt een pieptoon.

Als de motor draait werken de knoppen op de kaart niet.

Wanneer de kaart zich bij draaiende motor en na het openen en sluiten van een portier niet langer binnen de zone 2, het bericht "Kaart niet gede- tecteerd" wat erop wijst dat de kaart zich niet meer in de auto bevindt. Dit helpt om bijvoorbeeld te voorkomen dat u wegrijdt nadat een passagier is uitgestapt met de kaart bij zich.
De waarschuwing verdwijnt zodra de card weer gedetecteerd is.
62023
Ramen openen/sluiten

Houd knop 3 op de kaart ingedrukt om de 4 voor- en achterramen te openen. Houd knop 4 op de kaart ingedrukt om de 4 voor- en achterramen te sluiten.
Ontgrendelen/vergrendelen van alleen de achterklep
Bij een voertuig met een handmatige (niet-gemotoriseerde) achterklep, drukt u op knop 5 om alleen de bagageruimte te ontgrendelen/vergrendelen.
Opmerking: na het alleen ontgrendelen van de bagageruimte met knop 5, is het noodzakelijk om de andere portieren te ontgrendelen:
- om op knop3 te drukken;
KAART
of
- om weg te lopen van de auto zodat de automatische vergrendeling wordt geactiveerd wanneer u zich van de auto verwijdert. In dit geval wordt het ontgrendelen bij het naderen van de auto weer ingeschakeld.

Verantwoordelijkheid van de bestuurder tijdens het parkeren of stoppen van de auto
Laat nooit, ook niet heel even, een kind, een afhankelijke vol- wassene of een dier in de auto achter als u deze verlaat.
Het kan zichzelf of anderen in gevaar brengen door bijvoorbeeld de motor te starten, door organen te bedienen zoals de ruitbedie- ning, of de portieren te vergrendelen, enz.
Bovendien kan bij warm, zonnig weer de temperatuur in het interieur heel erg snel oplopen.
LEVENSGEVAAR OF GEVAAR VAN ERNSTIG LETSEL.
Handsfree kaart: batterij
Storingen
Als de accu te zwak is om correct te werken, kunt u nog steeds de auto starten en vergrendelen/ontgrendelen → 61.

Als deze vervangen moet worden, moet u hetzelfde of een gelijkwaardig batterijtype geraadpleeg een merkdea-

Bij het vervangen:
- Controleer of de batte- rijtjes goed zijn ge-
plaatst.
Risico van explosie.
- Als de klep niet goed sluit: niet gebruiken en buiten bereik van kinderen houden.
Vervangen van het batterijtje

text_image
1 A 62072Wanneer het bericht "Batterij kaart bijna leeg" op het instrumentenpaneel verschijnt, moet u het batterijtje van de kaart vervangen:
- schuif de behuizing achter 1 omlaag terwijl u op de zone A drukt;
- verwijder in zone B het deksel 2 van de accu 3 door dit omhoog te til- len;
- Verwijder de batterij door op één kant te drukken en de andere kant op te tillen.
- Plaats terug volgens de richting en het model aangeduid in het deksel.
KAART

Ga bij het monteren te werk in omgekeerde volgorde, druk daarna vier keer, terwijl u dicht bij de auto staat, op één van de knoppen van de card: de boodschap verdwijnt als weer gestart wordt.
Zorg dat het deksel goed vastzit.
Opmerking: kom bij het vervangen van het batterijtje niet aan het elektronische circuit en de contacten in de kaart.

Voorzorgen met be- trekking tot batterijen:
- houd (nieuwe of oude)
batterijen buiten het bereik van kinderen.
- batterijen niet inslikken;
Risico van chemische brand- wonden die dodelijk kunnen zijn.
- Indien er batterijtjes zijn ingeslikt of in het lichaam ingebracht, moet zo snel mogelijk een arts worden geraadpleegd.

De batterijtjes zijn verkrijgbaar bij merkdealers, de levensduur is ongeveer twee
jaar. Let op dat er geen inkt op het batterijtje zit: risico van slecht elektrisch contact.

Gooi uw gebruikte batterij- en niet weg bij het gewone afval. Breng ze naar een
erkende dealer of raadpleeg uw plaatselijke overheid voor informatie over geschikte recyclingfaciliteiten.
SLEUTEL, AFSTANDSBEDIENING
Algemeen
FM-afstandsbediening A

text_image
A ① ② ③ ④ 628351 Vergrendelen van alle portieren.
2 Ontgrendelen van alle portieren.
3 Contactsleutel, sleutel van het bestuurdersportier.
4 Alleen de achterklep vergrendelen/ontgrendelen.
Afstandsbediening met inklapbare sleutel B

text_image
B 1 2 3 4 5 628341 Vergrendelen van alle portieren.
2 Ontgrendelen van alle portieren.
3 Vergrendelen/ontgrendelen van het inzetstuk van de sleutel. Druk op de knop 3 om het inzetstuk uit de houder te halen. Druk op de knop 3 en breng het inzetstuk terug in de houder.
4 Contactsleutel en sleutel voorportier links.
5 Alleen de achterklep vergrendelen/ontgrendelen.

Gebruik de sleutel alleen waarvoor deze bedoeld is (en niet bijvoorbeeld als gener, enz.).

Verantwoordelijkheid van de bestuurder tijdens het parkeren of stoppen van de auto
Laat nooit, ook niet heel even, een kind, een afhankelijke volwassene of een dier in de auto achter als u deze verlaat.
Het kan zichzelf of anderen in gevaar brengen door bijvoorbeeld de motor te starten, door organen te bedienen zoals de ruitbediening, of de portieren te vergrendelen, enz.
Bovendien kan bij warm, zonnig weer de temperatuur in het interieur heel erg snel oplopen.
LEVENSGEVAAR OF GEVAAR VAN ERNSTIG LETSEL.
Bereik van de afstandsbediening
Het bereik van de afstandsbediening wordt beïnvloed door de omgeving. Let
Ken uw auto - 55
SLEUTEL, AFSTANDSBEDIENING
er bij het vasthouden van de afstandsbediening op dat de portieren niet per ongeluk worden vergrendeld of ont-grendeld.
Opmerking: als een portier of de achterklep open of niet goed gesloten is, vergrendelen/ontgrendelen de portieren snel.
Radiostoringen
De werking van de kaart kan gestoord worden in de omgeving van een zend-installatie of bij gebruik van apparatuur die werkt op dezelfde frequentie als de kaart.

Gebruik de sleutel alleen waarvoor deze bedoeld is (en niet bijvoorbeeld als
flesopener, enz.).

Verantwoordelijkheid van de bestuurder tijdens het parkeren of stoppen van de auto
Laat nooit, ook niet heel even, een kind, een afhankelijke volwassene of een dier in de auto achter als u deze verlaat.
Het kan zichzelf of anderen in gevaar brengen door bijvoorbeeld de motor te starten, door organen te bedienen zoals bijvoorbeeld de ruitbediening, of de portieren te vergrendelen.
Bovendien kan bij warm, zonnig weer de temperatuur in het interieur heel erg snel oplopen.
LEVENSGEVAAR OF GEVAAR VAN ERNSTIG LETSEL.

Advies
Stel de afstandsbediening niet bloot aan warmte, kou-
de of vocht.

Vervangen, extra sleutel of afstandsbediening nodig
Bij verlies van een sleutel of de afstandsbediening of als u een extra exemplaar wilt hebben, kunt u deze uitsluitend bestellen bij een merkdealer.
Voor het vervangen van een sleutel of afstandsbediening moet u altijd met de auto en alle sleutels of afstandsbedieningen naar een merkdealer gaan om het hele systeem te laten resetten.
Per auto kunt u maximaal vier sleutels of afstandsbedieningen gebruiken.
Als de sleutel of afstandsbedie- ning niet werkt
Controleer altijd of de batterij het juiste model is, in goede staat en correct geplaatst. De batterijen hebben een levensduur van ongeveer twee jaar.
De accu vervangen → 57
SLEUTEL, AFSTANDSBEDIENING
Gebruik
Portieren vergrendelen

Druk op de vergrendelknop 1.
Bij het vergrendelen ziet u de knipper- lichten en de zijknipperlichten twee keer knipperen.
Als een van de portieren of de achter-klep open of niet goed gesloten is, mislukt het vergrendelen. De alarm-knipperlichten en zijknipperlichten knipperen dan niet.
Ontgrendelen van de portieren
Druk op de ontgrendelknop 2.
Bij het ontgrendelen ziet u de knipperlichten en de zijknipperlichten één keer knipperen.
Opmerking: als er geen portier wordt geopend met de afstandsbediening binnen ongeveer 1 minuut na het ont-grendelen van het portier, worden de portieren automatisch weer vergren-deld.
Alleen de achterklep ontgrendelen
Bij een voertuig met een handmatige (niet-gemotoriseerde) achterklep, drukt u op de knop 3 om alleen de bagage- ruimte te ontgrendelen.

Gebruik de sleutel alleen waarvoor deze bedoeld is (en niet bijvoorbeeld als ener, enz.).

Verantwoordelijkheid van de bestuurder tijdens het parkeren of stoppen van de auto
Laat nooit, ook niet heel even, een kind, een afhankelijke vol- wassene of een dier in de auto achter als u deze verlaat.
Het kan zichzelf of anderen in ge- vaar brengen door bijvoorbeeld de motor te starten, door organen te bedienen zoals bijvoorbeeld de ruitbediening, of de portieren te vergrendelen.
Bovendien kan bij warm, zonnig weer de temperatuur in het interieur heel erg snel oplopen.
LEVENSGEVAAR OF GEVAAR VAN ERNSTIG LETSEL.
FM-afstandsbediening: batterijtjes
Storingen
Als de accu te zwak is om correct te werken, kunt u nog steeds de auto starten en vergrendelen/ontgrendelen → 61.
SLEUTEL, AFSTANDSBEDIENING

De batterijtjes zijn verkrijgbaar bij een merkdealer, de levensduur is ongeveer twee jaar.
Let op dat er geen inkt op het batterijtje zit: risico van slecht elektrisch contact.

Als deze vervangen moet worden, moet u hetzelfde of een gelijkwaardig batterijtype gebruiken (raadpleeg een merkdea- ler).
Vervangen van het batterijtje

Open de afstandsbediening via gleuf 1 met behulp van een platte schroeven-draaier of een soortgelijk gereedschap en vervang de batterij 2; let daarbij op het type batterij en de juiste polariteit (+ en -) die op de onderkant van het deksel staan.
Controleer bij het monteren, of het deksel goed vastzit en de schroef goed is vastgezet.
Opmerking: zorg dat u het elektronisch circuit niet aanraakt bij het vervangen van de accu.

- Controleer of de batte- rijtjes goed zijn ge-
plaatst.
Risico van explosie.
- Als de klep niet goed sluit: niet gebruiken en buiten bereik van kinderen houden.
SLEUTEL, AFSTANDSBEDIENING

Voorzorgen met be- trekking tot batterijen:
- houd (nieuwe of oude)
batterijen buiten het bereik van kinderen.
- batterijen niet inslikken;
Risico van chemische brand- wonden die dodelijk kunnen zijn.
- Indien er batterijtjes zijn ingeslikt of in het lichaam ingebracht, moet zo snel mogelijk een arts worden geraadpleegd.

Gooi uw gebruikte batterij- en niet weg bij het gewone afval. Breng ze naar een
erkende dealer of raadpleeg uw plaatselijke overheid voor informatie over geschikte recyclingfaciliteiten.

Portieren openen en sluiten
Openen van buitenaf

Plaats, met vergrendelde portieren, uw hand onder de handgreep 1 en trek deze naar u toe → 61.

Trek met de portieren ontgrendeld aan de handgreep 2.
Openen van binnenuit

Trek aan de handgreep 3.
PORTIEREN EN KLEPPEN
Kinderveiligheid

Een achterportier kan niet van binnenuit worden geopend als u het knopje 4 omzet. Controleer of het portier inderdaad niet van binnenuit geopend kan worden. Herhaal dit bij het andere achterportier.
Geluidssignaal verlichting vergeten
Als bij het openen van de voorportieren de lichten nog branden terwijl het contact is afgezet dan klinkt er een signaal om u te waarschuwen dat de accu wordt ontladen...
Waarschuwing portier of achter-klep vergeten te sluiten
Afhankelijk van de auto wordt deze waarschuwing voor het bestuurdersportier of alle portieren gegeven.
Als terwijl de auto stilstaat, een portier wordt geopend of niet goed wordt gesloten, gaat het waarschuwingslampje
branden.
Zodra de auto een snelheid van ongeveer 20 km/u bereikt, gaat het waar-
schuwingslampje branden en klinkt er een geluidssignaal.
Bijzonderheid
Afhankelijk van de auto stoppen de accessoires (radio enz.) met werken zo- dra de motor wordt uitgeschakeld of de portieren zijn vergrendeld, of als het bestuurdersportier wordt geopend.

Verantwoordelijkheid van de bestuurder tijdens het parkeren of stoppen van de auto
Laat nooit, ook niet heel even, een kind, een afhankelijke volwassene of een dier in de auto achter als u deze verlaat.
Het kan zichzelf of anderen in gevaar brengen door bijvoorbeeld de motor te starten, door organen te bedienen zoals bijvoorbeeld de ruitbediening, of de portieren te vergrendelen.
Bovendien kan bij warm, zonnig weer de temperatuur in het interieur heel erg snel oplopen.
LEVENSGEVAAR OF GEVAAR VAN ERNSTIG LETSEL.
Portieren en kleppen vergrendelen, ontgrendelen
Als de afstandsbediening of, af-hankelijk van de auto, de kaart niet werkt
In bepaalde gevallen werken de FM- afstandsbediening of de kaart niet:
PORTIEREN EN KLEPPEN
- batterij van de FM-afstandsbedie- ning of kaart leeg, accu van de auto ontladen, enz.
- bij gebruik van apparaten op dezelfde frequentie als de kaart (mobiele telefoon, enz.).
- De auto bevindt zich in een sterk elektromagnetisch veld.
In dat geval is het mogelijk:
- afhankelijk van de auto, de in de FM-afstandsbediening geïntegreerde sleutel of de in de card geïntegreerde noodsleutel gebruiken om het linker voorportier te ontgrendelen;
- de portieren één voor één met de hand te vergrendelen;
- gebruik van de schakelaar in het interieur voor het vergrendelen/ontgrendelen van de portieren;
In de kaart geïntegreerde sleutel

text_image
A ① 62072Met de geïntegreerde sleutel 2 kunt u het linkervoorportier vergrendelen of ontgrendelen wanneer de kaart niet werkt.
Toegang tot sleutel 2
Schuif de behuizing achter 1 omlaag terwijl u op de zone A drukt.

Gebruik van de sleutel die in de kaart is ingebouwd

text_image
78806 B 2 3PORTIEREN EN KLEPPEN
- Steek het uiteinde van de sleutel2 in de uitsparing 3 onder aan het afdek-kapje B van het portier van de be-stuurder.
- beweeg het omhoog om het afdekplaatje B te verwijderen;
- steek de sleute2 in het slot van het bestuurdersportier en vergrendel of ontgrendel vervolgens.
Zodra u zich in de auto bevindt, steekt u de geïntegreerde sleutel terug in de uitsparing van de kaart.
Auto's met sleutel, afstandsbedie-
ning

text_image
62139 ⑤ ④Gebruik van de sleutel
Steek de sleutel 4 in het slot van het portier van de bestuurder 5, vergrendel dit en ontgrendel dit.
Schakelaar voor het vergrendelen/ontgrendelen van de portieren van binnenuit

De schakelaar 6 bedient tegelijkertijd de portieren, de klep van de bagageruimte en de klep van de brandstof-tank.
Als een portier (of de achterklep) open of niet goed gesloten is, vergrendelen/ontgrendelen de portieren snel.
Bij transport van een voorwerp waarbij de achterklep open moet blijven, kunt u toch de portieren vergrendelen: druk, met de motor uit, ten minste vijf secon-
den op de schakelaar 6 om de portieren te vergrendelen.
Controlelampje van de portierver-grendeling
(afhankelijk van de auto)
Als het contact is ingeschakeld, geeft het controlelampje boven de schakelaar 6 aan of de portieren en kleppen al dan niet zijn vergrendeld:
- wanneer het waarschuwingslampje brandt, zijn de deuren en de deur van de bagageruimte vergrendeld;
- lampje uit: de portieren zijn ontgren-deld.
Als u de portieren vergrendelt, blijft het controlelampje branden en dooft daarna.

Verantwoordelijkheid van de bestuurder
Bedenk dat het rijden met vergrendelde portie-
ren een belemmering kan zijn voor hulpverleners in geval van nood.
PORTIEREN EN KLEPPEN
Vergrendelen van de portieren zonder kaart of sleutel
Dit is bijvoorbeeld het geval als een batterijtje ontladen is, de kaart of de sleutel tijdelijk defect is, enz.
Druk, met de motor uit en een portier (deur of bagageruimte) open, op de schakelaar 6 en houd deze minstens vijf seconden ingedrukt.
Bij het sluiten van het portier worden alle portieren en kleppen vergrendeld.
De auto kan van buitenaf alleen worden ontgrendeld als de kaart zich in de toegangszone van de auto bevindt of met de sleutel.

Laat nooit de sleutel of kaart in de auto liggen als u deze verlaat.
Automatische portiervergrendeling tijdens het rijden
De werking van de startvergrendeling

Na het wegrijden van de auto, vergrendelen de portieren automatisch als de auto een snelheid van ongeveer 10 km/u heeft bereikt.
De portieren ontgrendelen automatisch - door te drukken op de schakelaar van de portiervergrendeling; - bij stilstaande auto, door een voor- portier te openen van in de auto.
Opmerking: na het openen/sluiten van een portier wordt dit automatisch weer
vergrendeld zodra de auto ongeveer 10 km/u rijdt.
Inschakelen/Uitschakelen van de functie
Om deze in te schakelen: druk bij stilstaande auto met draaiende motor op de schakelaar 1 totdat u een geluidssignaal hoort.
Om deze uit te schakelen: druk bij stilstaande auto met draaiende motor op de schakelaar 1 totdat u een geluidssignaal hoort.
Storingen
Als u een storing opmerkt (automatische vergrendeling niet mogelijk), controleer dan eerst of alle portieren goed gesloten zijn. Als ze goed gesloten zijn en het probleem aanhoudt, raadpleeg dan een erkende dealer.
Controleer ook of het systeem niet per ongeluk uitgeschakeld staat.
In dat geval activeert u opnieuw.
PORTIEREN EN KLEPPEN

Verantwoordelijkheid van de bestuurder
Bedenk dat het rijden met vergrendelde portie-
ren een belemmering kan zijn voor hulpverleners in geval van nood.
Bagageruimte
Open zetten

text_image
DACIA ① 70589Druk op de knop 1 en open de achter-klep.
Sluiten

Laat de achterklep zakken, eerst met behulp van de handgrepen 2.

Pak nooit de gasveren vast bij het sluiten van de achterklep.
Elektrisch
De achterklep wordt tegelijk met de portieren elektrisch vergrendeld of ont-grendeld.
Zodra de klep tot schouderhoogte is gezakt, laat u de binnenhandgreep los en drukt u de klep van de bagageruim-
te van buitenaf naar beneden totdat deze sluit.

Bij het bevestigen van dragende uitrusting (fietsendrager, bagagebox enz.) is het verboden om
deze tegen de spoiler of de achterklep te laten rusten. Om een drager te installeren op uw auto, neemt u contact op met een merkdealer.
Gemotoriseerde achterklep
Gebruiksomstandigheden
- Zet de auto stil.
- Indien de achterklep door ijs of sneeuw niet kan openen, moet u beslist de achterklep ijs- of sneeuwvrij maken.
- Als de accu leeg is of is vervangen, moet de achterklep gesloten worden (handmatig indien nodig) om de gemotoriseerde bediening opnieuw in te schakelen.
PORTIEREN EN KLEPPEN

Verantwoordelijkheid van de bestuurder tijdens het parkeren of stoppen van de auto
Laat nooit een kind, een afhankelijke volwassene of een huisdier achter de achterklep van de auto staan en laat ze nooit alleen achter in de auto, zelfs niet voor eventjes.
Zij kunnen zichzelf of anderen in gevaar brengen door bijvoorbeeld de motor te starten, door apparatuur te bedienen, zoals bijvoorbeeld de ruitbediening en de gemotoriseerde achterklep of door de portieren te vergrendelen. LEVENSGEVAAR OF GEVAAR VAN ERNSTIG LETSEL.

Bij het bevestigen van dragende uitrusting (fietsendrager, bagagebox enz.) is het verboden om
deze tegen de spoiler of de achterklep te laten rusten.
Om een drager te installeren op uw auto, neemt u contact op met een merkdealer.
Openen/sluiten
Het openen of sluiten van de automatische achterklep wordt aangeduid door drie geluidssignalen.

Controleer bij het openen/sluiten van de achterklep of niemand zich in de buurt van de bewe-
gende delen bevindt.
Verwondingsgevaar
Afhankelijk van de uitrusting wordt de achterklep tegelijk met de portieren elektrisch vergrendeld of ontgrendeld.
Om de achterklep te bedienen zijn de volgende functies beschikbaar:
- met behulp van de kaart als afstandsbediening;
– met de schakelaars op de achterklep
— met de schakelaar op het dashboard.

Uit veiligheidsoverwegingen mag u de deur alleen openen of sluiten als de auto stilstaat.
Verwondingsgevaar

Om beschadiging van de achterklep te voorkomen, mag u ze niet handmatig en of sluiten terwijl ze in be- g is.
PORTIEREN EN KLEPPEN
met de kaart voor afstandsbedie- ning

text_image
DACIA 70590 ①Houd bij uitgeschakelde motor de schakelaar 1 op de kaart ingedrukt in de buurt van de bagageruimte.
Met de externe schakelaar om de achterklep te openen

text_image
Dacia 70589 ②Druk op knop 2.
Met de schakelaar in de auto om de achterklep te sluiten

Met de schakelaar op het dash- board


Om de achterklep te openen, houdt u schakelaar 4 ingedrukt totdat u het signaal hoort en laat u vervolgens de schakelaar onmiddellijk los.
Opmerking: als de schakelaar niet snel genoeg (binnen ongeveer een seconde) na de pieptoon wordt losgelaten, gaat de achterklep niet open. Herhaal in dit geval de bovenstaande stappen.
Om de achterklep te sluiten, houdt u schakelaar 4 ingedrukt totdat de achterklep volledig gesloten is. Tijdens de hele operatie klinkt er een pieptoon.
Let op: als u schakelaar 4 loslaat voordat de achterklep helemaal dicht is, wordt het sluiten onderbroken.
De beweging van de achterklep onderbreken
U kunt de beweging van de automatische achterklep op elk moment onderbreken door kort op een van de schakelaars om te openen/sluiten te drukken.
Als de achterklep stilstaat in een tussenstand, zal de achterklep bij de volgende druk in de omgekeerde richting bewegen als toen u de beweging van de achterklep stopte.
Handmatige modus
Nadat de achterklep is gestopt, kunt u ze indien u dat wenst handmatig bewegen.
U kunt de automatische manoeuvre op elk moment hervatten door op een van de schakelaars te drukken.
Waarneming van obstakels
Als de achterklep tijdens het manoeuvreren een obstakel detecteert, stopt de klep. De klep maakt dan een kleine beweging in de tegenovergestelde richting om los te komen van het obstakel, en stopt dan volledig.
Druk op de bedieningsknop voor openen/sluiten van de achterklep om de werking van de achterklep te herstellen.
PORTIEREN EN KLEPPEN

De detectie van het obstakel is een hulp bij het openen en sluiten van de achterklep, en ver-
vangt in geen geval de oplettend- heid en verantwoordelijkheid van de gebruiker.
Bij het openen/sluiten van de achterklep:
- zorg dat er niemand in de buurt van de bewegende delen is;
- kleine objecten worden mogelijk niet gedetecteerd. Zorg dat er geen lichaamsdelen (armen, handen, vingers enz.) in de buurt van de bewegende onderdelen van de achterklep komen.
De detectie van obstakels werkt niet bij het einde van de beweging, voordat de achterklep volledig is gesloten.
Als de achterklep vastloopt, stopt u de handeling door kort op een van de knoppen om te openen/ sluiten te drukken.
Gevaar van ernstige verwon- dingen.
Beperking van de openingshoek van de achterklep.

U kunt de maximale openingshoogte van de achterklep instellen. Deze stopt dan altijd op de gekozen positie:
- open de achterklep gedeeltelijk;
- zet de achterklep handmatig in de gewenste stand;
- druk langer dan drie seconden op de schakelaar 3 van de automatische achterklep om de stand op te slaan.
Er weerklinken twee geluidssignalen om aan te geven dat de instelling correct is opgeslagen.
Voorzorgsmaatregelen voor het gebruik
- Controleer voor het openen/sluiten van de achterklep dat er voldoende ruimte is om het uitvouwen mogelijk te maken.
- Voorkom herhaaldelijk handmatig stilleggen van de automatische beweging van de achterklep (risico op beschadiging van het systeem van de achterklep).
Storingen
Als u de automatische achterklep ongeveer een minuut onafgebroken bedient (een reeks openen en sluiten), wordt deze vergrendeld om oververhitting te voorkomen. Het systeem wordt na ongeveer een minuut weer operationeel.
De gemotoriseerde achterklep werkt niet als de accu niet genoeg geladen is. In dit geval dient u de gemotoriseerde achterklep te bedienen terwijl de motor draait.
Opmerking: Bij zeer koud weer werkt het automatisch openen mogelijk niet als de afdichtrubbers van de achter-klep vastgevroren zijn.
Hoofdsteun verwijderen
Druk op de knop 2 en trek de hoofdsteun omhoog tot de gewenste hoogte. Controleer de vergrendeling.
Hoofdsteun lager zetten
Druk op de knop 2 en duw de hoofdsteun tot de gewenste stand omlaag. Controleer de vergrendeling.
Hoofdsteun verwijderen
Zet deze in de hoogste stand (zet de rugleuning indien nodig schuin naar achteren). Druk op de knop 2 en trek de hoofdsteun omhoog om hem vrij te maken.
Hoofdsteun terugplaatsen
70 - Ken uw auto
Controleer of de poten van de hoofdsteun 3 schoon zijn.
Steek de poten van de hoofdsteun in de houders 1 (zet de rugleuning indien nodig schuin naar achteren). Schuif de hoofdsteun naar binnen tot deze blokkeert en druk daarna op de knop 2 om de gewenste hoogte in te stellen. Controleer de vergrendeling van elke poot 3 in de rugleuning.
61287

De hoofdsteun is een veiligheidsorgaan dat altijd op zijn plaats moet zitten en goed moet zijn
afgesteld. Hij geeft een maximale beveiliging als de bovenkant van de hoofdsteun op gelijke hoogte is met de kruin. De afstand tussen uw hoofd en sectie A moet zo klein mogelijk zijn.
Op de voorplaats(en)
Instellingen
Stoel vooruit of achteruit schuiven

Til de hendel op 1 om de stoel te ont-grendelen. In de gewenste stand laat u de beugel los. Controleer de vergren-deling.
Zitting hoger of lager zetten
(afhankelijk van de auto)

Zet de schakelaar 4 omhoog of omlaag of, afhankelijk van de auto, zet de hendel 2 zo vaak als nodig is omhoog of omlaag om de gewenste stand te bereiken.
Rugleuning verstellen
Beweeg de schakelaar 5 naar voren of naar achteren of, afhankelijk van de auto, til de handgreep 3 op en kantel de rugleuning in de gewenste stand.
Laat dan de handgreep los en contro- leer de vergrendeling.
Afstellen van de lendensteun
(afhankelijk van de auto)

Draai aan de hendel 6 om de ondersteuning te vergroten of verkleinen.

Controleer na het afstellen of de rugleuningen goed zijn vergrendeld.

Voer deze aanpassingen uitsluitend uit als de auto stilstaat.
Voor een optimale wer-
king van de autogordels moet u de rugleuningen niet te veel achterover zetten.
Let er op dat de rugleuningen van de stoelen goed vergrendeld zijn.
Laat geen voorwerpen op de vloer (vóór de bestuurder) liggen. In geval van plotseling remmen kunnen deze onder de pedalen terecht komen, waardoor de bestuurder deze niet meer goed kan bedienen.
Middelste armsteun 7
(afhankelijk van de auto)
Afhankelijk van de auto kunt u met het contact aan de stoelverwarming activeren via het multimediascherm 8:
- Met één druk op het pictogram

van de gewenste stoel schakelt u de stoelverwarming in op de hoogste stand. Drie in schakelaars geïntegreerde waarschuwingslampjes branden;
- Met een tweede druk gaat de stoelverwarming naar de middelste stand. Twee geïntegreerde waarschuwingslampjes branden;
- Door een derde keer te drukken gaat de stoelverwarming naar de laagste stand. Eén geïntegreerd waarschu-wingslampje brandt;
- Door een vierde keer te drukken gaat de stoelverwarming uit.
Het systeem regelt automatisch de temperatuur voor de stoel. De stoelverwarming aan de passagierszijde wordt alleen geactiveerd als de aanwezigheid van de passagier wordt gedetecteerd en de veiligheidsgordel is vastgemaakt.
PLAATSEN ACHTER
Hoofdsteun achter

Til de hoofdsteun helemaal omhoog tot deze blokkeert. Controleer de vergrendeling.
Hoofdsteun verwijderen
Zet de hoofdsteun geheel omhoog, druk daarna op de knop 1 en verwijder de hoofdsteun.
Hoofdsteun terugplaatsen
Steek de poten in de geleiders en druk de hoofdsteun omlaag tot hij blokkeert om hem in de hoogste stand te gebruiken.
Controleer de vergrendeling.

Opbergstand 2 van de hoofdsteun
Druk op de knop 1 en laat de hoofdsteun helemaal zakken.
61287

De laagste stand van de hoofdsteun (stand 2 ) is alleen bedoeld voor vervoer van zaken: gebruik deze stand niet als er iemand op de stoel zit.

De hoofdsteun is een veiligheidsorgaan, dat altijd op zijn plaats moet zitten en goed moet zijn
afgesteld.
Achterbank: gebruiksmogelijkheden

Schuif de voorstoelen voldoende naar voren.
Zet de hoofdsteunen volledig omlaag → 73.
Maak de veiligheidsgordels aan de achterkant vast. Dit voorkomt dat de veiligheidsgordel blokkeert wanneer de rugleuning weer wordt opgeklapt.
Zorg ervoor dat alle veiligheidsgordels zijn losgemaakt en plaats deze in de geleiders A.
Trek aan het lipje 1 en laat de rugleuning B zakken.

Voordat u de rugleuning verplaatst, plaats u de autogordel in de houder A om stadiging te vermijden.
Voor het terugplaatsen van de rugleuning(en), gaat u in omgekeerde volgorde te werk.
Zet de rugleuning weer omhoog en klik deze vast tegen zijn steun.
Opmerking: zodra de rugleuning is teruggeplaatst, mag de rode markering op het lipje 1 niet meer zichtbaar zijn. Hierdoor wordt aangegeven dat de rugleuning van de stoel op de juiste wijze is vergrendeld.

Voer deze aanpassingen uitsluitend uit als de auto stilstaat.

Controleer na het te- rugkantelen van de rugleuning of deze weer goed is vergren-
deld.
Let op bij het gebruik van een stoelhoes, dat deze de vergrendeling van de rugleuning niet belemmert.
Let op de juiste stand van de autogordels.
Plaats de hoofdsteunen terug.

Zorg dat de ankerpunten niet zijn geblokkeerd (arm of been, dier, steentjes, kleding, speel-z.) terwijl de achterstoe- en verplaatst.

Controleer de plaats en werking van de autogordel achterin na het kan-telen van de achterbank.

Controleer, om elk risico van verwondingen te voorkomen, of niemand zich in de buurt van de de delen bevindt.

Let op dat de rugleuning van de stoel goed vergrendeld wordt. Verwijder indien nodig de being aan de achterkant. dit totdat de stoel goedeld is.
Rugleuningen automatisch neerklappen
(afhankelijk van de auto)
PLAATSEN ACHTER

Schuif de voorstoelen voldoende naar voren.
Zet de hoofdsteunen volledig omlaag → 73.
Zorg ervoor dat alle veiligheidsgordels zijn losgemaakt en plaats deze in de geleiders A.
Vanaf de bagageruimte, door aan de bediening 2 of 3 te trekken om de rugleuningen van de achterbank automatisch te ontgrendelen.
Gebruiksomstandigheden
- Stilstaande auto;
- Achterklep open
– autogordels achter ontgrendeld.
Storingen
Als aan alle gebruiksvoorwaarden is voldaan en de stoelen niet worden neergeklapt, neemt u contact op met een merkdealer.

Voer deze aanpassingen uitsluitend uit als de auto stilstaat.
AUTOGORDELS
Autogordels

Gebruik tijdens het rijden altijd de autogordel. Het niet dragen van de gordel is gevaarlijk en strafbaar. Het niet dragen van de gordel is gevaarlijk en strafbaar.
Stel, voordat u start de juiste zithouding af, en daarna voor alle inzitten-den de autogordel om de beste bescherming te krijgen.
De juiste zithouding
(afhankelijk van de auto)
- Ga goed diep in uw stoel zitten (nadat u uw jas of jack en dergelijke hebt uitgetrokken). Dit is belangrijk voor een goede ondersteuning van de rug;
- Verschuif de stoel zodat u makkelijk bij de pedalen kunt. Plaats de stoel zo ver naar achteren dat u de pedalen nog net geheel kunt indrukken. Stel de rugleuning zo af dat u de armen moet strekken om bij de bovenkant van het stuurwiel te kunnen komen;
- stel de hoofdsteun af. De afstand tussen de hoofdsteun en uw achterhoofd moet zo klein mogelijk zijn;
- pas de hoogte van de stoel aan. Kies de stoelpositie die u zo goed mogelijk zicht op het verkeer geeft.
- stel de stand van het stuurwiel af.
Zorg ervoor dat de achterbank goed is vergrendeld zodat de veiligheidsgordels achter correct werken → 73.

Een verkeerd afgestelde of gedraaide autogordel kan bij een ongeval let- sel veroorzaken.
Gebruik één autogordel per persoon, kind of volwassene. Zwangere vrouwen moeten ook hun gordel dragen. Let in dit geval op dat de heupgordel niet teveel drukt op de onderbuik, zonder dat te veel speling ontstaat.
Afstellen van de autogordel

Voor juiste afstelling en plaatsing van de veiligheidsgordels op alle stoelen: - verstel de stoelen (zitpositie en rugleuning, indien beschikbaar); - ga goed tegen de rugleuning aan zitten;
- plaats de schouderriem zo veel mogelijk onderaan de nek zonder dat deze er werkelijk tegenaan komt (pas zo nodig en indien mogelijk de hoogte van de veiligheidsgordel aan) en zorg dat de schouderriem 1 in contact is met de schouder;
- Plaats de heupgorde2 zo dat deze plat op de dijen en tegen het bekken ligt.
AUTOGORDELS
De autogordel moet zo dicht mogelijk tegen het lichaam gedragen worden. Vermijd daarom te dikke kleding, plaats geen voorwerpen onder de gordel, enz.
Vergrendelen
Trek de band van de gordel langzaam en rustig over u heen en druk de gesp 3 in de sluiting 5 (controleer de vergrendeling door aan de gesp 3 te trekken).
Als de gordel blokkeert, laat deze dan een stuk teruggaan en rol hem opnieuw af.
Als de autogordel compleet is geblokkeerd, trek dan langzaam, maar krachtig, aan de gordel om deze ongeveer 3 cm naar buiten te trekken. Laat hem zichzelf oprollen en rol hem opnieuw af.
Als het probleem aanhoudt, dient u een merkdealer te raadplegen.
Ontgrendelen
Druk op de knop 4 en de gordel wordt opgerold door het oprolmechanisme. Geleid de gordel.

text_image
A 70580Waarschuwingslampje van het niet dragen van de autogordel
Dit waarschuwingslampje verschijnt op het centrale display A wanneer het voertuigcontact wordt ingeschakeld terwijl de veiligheidsgordel van de bestuurder en/of de passagier voorin en/of de passagier achterin (als de passagiersstoel bezet is) niet is vastge- maakt.
62296

text_image
6 110 km/h 47410 km 0.0 km charge power 510 kmHerinnering autogordel voor en achter vergeten
Met gesloten portieren verschijnt de afbeelding 6 gedurende ongeveer 60 seconden op het instrumentenpaneel wanneer het contact wordt aangezet. Dit informeert de bestuurder elke keer over de bevestigingsstatus van elk van de :
- de portieren worden geopend tijdens het rijden (rijsnelheid boven nul);
- een wordt vast- of losgemaakt.
Het symbool 6 begrijpen:
- groene indicator: veiligheidsgordel vastgemaakt;
- rode indicator: de stoel is bezet en de veiligheidsgordel is niet vastgemaakt;
Ken uw auto - 77
AUTOGORDELS
- grijze indicator: plaats niet bezet. Met gesloten portieren verschijnt het

waarschuwingslampje 100 e centrale display als het contact wordt aangezet terwijl de veiligheidsgordel van de bestuurder en/of de passagier (als de passagiersstoel bezet is) niet is vastgemaakt.
Wanneer de voertuigsnelheid lager is dan ongeveer 20 km/u, verschijnt het
waarschuwingslampje 17e centrale display als een is bezet en de veiligheidsgordel niet is vastgemaakt. Deze gaat vergezeld van symbool 6 dat verschijnt gedurende ongeveer 60 seconden telkens wanneer een van de wordt vast- of losgemaakt.
Wanneer de voertuigsnelheid 20 km/u bereikt of overschrijdt en een van de tijdens de rit wordt losgemaakt:
- knippert het controlelampje op het centrale display;
en - er klinkt gedurende ongeveer 120 seconden een pieptoon;
en - verschijnt het symbool6 ongeveer 180 seconden en wordt de indicator van de betreffende stoel rood.

Controleer altijd of de hun gordel hebben vastgemaakt en of het aangegeven aantal vastgemaakte gordels overeenkomt met het aantal voorin.
Let op: een voorwerp op de zitting van de passagiersstoel kan in sommige gevallen de waarschuwingen active-ren.
Autogordels achter
Autogordels achter 7

text_image
62123 ⑦Het vergrendelen, ontgrendelen en afstellen gebeuren op dezelfde manier als bij de voorste gordels.

Zorg ervoor dat de achterbank goed is vergrendeld zodat de veiligheidsgordels achter correct werken → 73.
Controleer of de autogordels achterin nog goed op hun plaats zitten en goed werken na elke verandering aan de achterstoelen.
EXTRA VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN
Afhankelijk van de auto, kunnen deze bestaan uit:
- gordelspanners van het oprolmechanisme van de autogordel voorin;
- krachtbegrenzers voor de bescherming van de borstkas;
- airbags bestuurder en passagier voorin
Deze voorzieningen worden gelijktijdig of afzonderlijk, afhankelijk van de ernst van de aanrijding, geactiveerd bij een frontale botsing.
Afhankelijk van de ernst van de aanrijding, kan het systeem het volgende veroorzaken:
- blokkering van de autogordel;
- de gordelspanner drukt de inzittende vast op zijn stoel samen met de krachtbegrenzer;
- voorin airbag.
Gordelspanners

De gordelspanners dienen ervoor om de autogordel strak tegen het lichaam te trekken en daardoor de inzittende in zijn stoel te drukken wat de effectiviteit van de gordel verhoogt.
Bij contact aan, kan tijdens een ernstige frontale aanrijding, afhankelijk van de ernst van de schok, het systeem de gordelspanner 1 activeren die onmiddellijk de gordel strak trekt.
Krachtbegrenzer
Vanaf een bepaalde hevigheid van de schok van de aanrijding komt dit mechanisme in werking om de kracht die de gordel op het lichaam uitoefent te begrenzen tot een draaglijk niveau.

- Laat al deze veiligheidsvoorzieningen controleren na een aanrij-
ding.
- Het is streng verboden zelf werkzaamheden uit te voeren aan het gehele systeem (gordelspanners, airbags, rekeneenheden, bedrading) of deze in een andere auto over te zetten.
- Om te voorkomen dat het systeem onopzettelijk wordt geactiveerd en verwondingen veroorzaakt, mag uitsluitend deskundig personeel van de merkdealer aan de airbags werken.
- Het elektrische ontstekingsmechanisme van de gordelspanners mag uitsluitend door speciaal opgeleid personeel met speciaal gereedschap worden gecontroleerd.
- Laat de gaspatronen van de gordelspanners en de airbags door een merkdealer verwijderen voordat de auto wordt gesloopt.
EXTRA VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN
Airbags van bestuurder en passagier voorin

Deze zijn voorzien voor de bestuurders- en de passagiersstoelen voorin (locatie A).
Een markering "Airbag" op het stuurwiel, dashboard (airbag zone A) en, afhankelijk van de auto, een sticker aan de onderkant van de voorruit bevestigen dat deze apparatuur aanwezig is.
Elk airbagsysteem bestaat uit:
- een airbag en een gaspatroon in het stuurwiel voor de bestuurder en in het dashboard voor de passagier voorin; - een rekeneenheid voor bewaken van het die de elektrische ontsteking van de gaspatroon regelt; - een gemeenschappelijk waarschu-
wingslampje oet instrumentenpaneel;
- aparte opname-elementen (afhankelijk van de auto).

Bij het afgaan van de airbag vindt een explosie plaats. Daarom komen bij het ontplooien van de airbag warmte en rook vrij zonder enig brandgevaar en klinkt er een luide knal. De airbag die onmiddellijk naar buiten komt, kan ongevaarlijke, lichte schaafwonden of ander ongemak veroorzaken.

Het systeem werkt alleen als het contact aan staat.
bij een zware frontale aanrijding, wordt of worden de airbag(s) snel opgeblazen om de klap van het hoofd en de borstkas van de bestuurder tegen het stuurwiel en van de passagier tegen het dashboard op te vangen. Daarna lopen ze direct weer leeg om het verlaten van de auto niet te bemoeilijken.
Storingen

Dit waarschuwingslampje ver- als de motor wordt gestart; het
EXTRA VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN
verdwijnt weer na ongeveer drie se- conden.
Als het niet oplicht bij het aanzetten van het contact of als blijft branden, wijst dit op een storing in het systeem. Raadpleeg zo snel mogelijk een merk-dealer.
Wacht u hier te lang mee dan betekent dat, dat de bescherming in de tussenliggende periode misschien niet optimaal is.

Bij een frontale botsing met een ander, gelijkaardig of zwaarder voertuig, met een contactzone van meer dan 40% en een snelheid van 40 km/u km/h of hoger voor de twee voertuigen.

Bij een botsing tegen de zijkant door een ander, gelijkaardig of zwaarder voertuig, met een snelheid van 50 km/u km/h of hoger.
De volgende gevallen activeren de gordelspanners of de airbags :
Bij een frontale botsing tegen een star (niet-vervormbaar) oppervlak, met een snelheid van 25 km/u km/h of hoger.
EXTRA VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN

In de volgende gevallen kunnen de gordelspanners of airbags worden geactiveerd:
- botsingen tegen de onderkant van de auto, zoals van een stoeprand;
- gaten in het wegdek;
- een val of harde landing;
- stenen.
- ...

De voorspanners of airbags kunnen niet worden geactiveerd door:
- een botsing van achteren, zelfs een zware;
- als de auto omslaat;

text_image
61258- aanrijding tegen de zijkant, aan de voor- of achterkant van de auto;
- frontale aanrijding, onder de achterkant van een vrachtwagen;
- frontale botsing tegen een obstakel met een scherpe hoek;
- ...
EXTRA VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN
Waarschuwingen
Hier volgt een aantal aanwijzingen om elke belemmering bij het opblazen van de airbag of verwonding door rondvliegende voorwerpen te voorkomen.

Waarschuwingen met betrekking tot de airbag
- Verander niets aan het stuurwiel of het middengedeelte ervan.
-
Dek het middengedeelte van het stuurwiel onder geen beding af.
-
Bevestig geen voorwerpen (speldjes, logo, horloge, telefoonsteun, enz.) op het stuurwiel.
- Het stuurwiel mag niet worden gedemonteerd (behalve door speciaal opgeleide monteurs van de merkdealer).
- Zit niet te dicht op het stuurwiel: ga zo zitten dat uw armen licht gebogen zijn 76. Zo blijft er voldoende ruimte over voor een goede en effectieve werking van de airbag.
Waarschuwingen met betrekking tot de passagier airbag
- Plak of bevestig niets op het dashboard (speldjes, logo's, klokjes, telefoonhouder enz.) in de airbagzone.
- Houd de ruimte tussen het dashboard en de voorpassagier vrij (geen dier of pakjes op schoot, geen paraplu of wandelstok tegen het dashboard zetten).
- Laat de passagier nooit zijn voeten op het dashboard of de stoel leggen. Dit kan zeer gevaarlijk zijn. Kom niet te dicht (met knieën, hoofd of handen) bij het dashboard.
- Zodra het kinderzitje van een passagiersstoel verwijderd is, moet u de airbag weer inschakelen om de passagier bij een botsing te beschermen.
EEN ACHTERSTEVOREN GEPLAATST KINDERZITJE MAG ALLEEN OP DE PASSAGIERSSTOEL VOORIN WORDEN GEPLAATST INDIEN DE AANVULLENDE VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN NIET INGESCHAKELD ZIJN → 109.
EXTRA VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN
Aanvullende veiligheidsvoorzieningen achterin
Afhankelijk van de auto, kunnen deze bestaan uit:
- Gordelspanners in het oprolmechanisme (gordels aan de zijkant);
- Krachtbegrenzers voor bescherming van de borstkas.
Deze voorzieningen worden gelijktijdig of afzonderlijk, afhankelijk van de ernst van de aanrijding, geactiveerd bij een frontale botsing.
Afhankelijk van de ernst van de aanrijding, kan het systeem het volgende veroorzaken:
- blokkering van de autogordel;
- De gordelspanner van het oprolmechanisme van de autogordel (die in werking treedt om de speling van de autogordel op te heffen).
Krachtbegrenzer
Vanaf een bepaalde hevigheid van de schok van de aanrijding komt dit mechanisme in werking om de kracht die de gordel op het lichaam uitoefent te begrenzen tot een draaglijk niveau.
Gordelspanners zijkant

De gordelspanners dienen ervoor om de autogordel strak tegen het lichaam te trekken en daardoor de inzittende in zijn stoel te drukken wat de effectiviteit van de gordel verhoogt.
Bij contact aan, kan tijdens een ernstige frontale aanrijding, afhankelijk van de ernst van de schok, het systeem de gordelspanner 1 activeren die onmiddellijk de gordel strak trekt.

- Laat al deze veiligheidsvoorzieningen controleren na een aanrij-
ding.
- Het is streng verboden zelf werkzaamheden uit te voeren aan het gehele systeem (gordelspanners, airbags, rekeneenheden, bedrading) of deze in een andere auto over te zetten.
- Om te voorkomen dat het systeem onopzettelijk wordt geactiveerd en verwondingen veroorzaakt, mag uitsluitend deskundig personeel van de merkdealer aan de airbags werken.
- Het elektrische ontstekingsmechanisme van de gordelspanners mag uitsluitend door speciaal opgeleid personeel met speciaal gereedschap worden gecontroleerd.
- Laat de gaspatronen van de gordelspanners en de airbags door een merkdealer verwijderen voordat de auto wordt gesloopt.
EXTRA VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN
Veiligheidsvoorzieningen bescherming zijkant
Zijdelingse Airbags
(afhankelijk van de auto)
Deze airbag zit aan de kant van het portier in de rugleuning van elk van de voorstoelen en ontplooit zich om de in-zittenden te beschermen bij een zware aanrijding tegen de zijkant.
ZijruitAirbags
Dit type airbag wordt (afhankelijk van de auto) boven langs de zijkant van de auto gemonteerd. Ze worden geactiveerd langs de zijruiten bij de voor- en achterportieren om de inzittenden te beschermen bij een hevige botsing tegen de zijkant.

Afhankelijk van de auto, geeft een pictogram op de voorruit aan dat er aanvul-
lende veiligheidsvoorzieningen (airbags, gordelspanners, enz.) aanwezig zijn in het interieur.
EXTRA VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN
Waarschuwingen


Waarschuwing betreffende de zijairbag airbag
- Stoelhoezen: voor de stoelen met een airbag zijn stoelhoezen nodig die speciaal voor uw auto zijn ontworpen.
Raadpleeg een merkdealer om te weten of deze hoezen leverbaar zijn via ons netwerk. Het gebruik van andere
hoezen (of hoezen die bestemd zijn voor een ander model) kan de goede werking van deze airbags belemmeren en daardoor de veiligheid van de inzittenden in gevaar brengen.
- Plaats voorin geen accessoires, voorwerpen of dieren tussen de rugleuning, het portier en de interieurbekleding. Bedek de rugleuning van de stoel ook niet met voorwerpen zoals kleding of accessoires. De airbag werkt hierdoor mogelijk niet goed of kan verwondingen veroorzaken wanneer de airbag wordt geactiveerd.
- Demontage of wijziging van de stoel en de interieurbekleding is verboden, tenzij dit gebeurt door deskundig personeel van de merkdealer.
- De airbag worden uitgevouwen door de spleten in de rugleuningen voor (aan de kant van het portier): het is verboden hier voorwerpen te plaatsen.
EXTRA VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN
Aanvullende veiligheidsvoorzieningen
Hier volgt een aantal aanwijzingen om elke belemmering bij het opblazen van de airbag of verwonding door rondvliegende voorwerpen te voorkomen.

De airbag is bedoeld als aanvulling op de werking van de autogordel. De airbag en de autogordel vormen één veiligheidssysteem. De gordel moet altijd worden gedragen. Het niet-dragen kan de inzittenden bij een ongeval blootstellen aan zware verwondingen. Niet-dragen van de autogordel vergroot ook het risico op lichte oppervlakkige wonden als de airbag zich ontplooit, hoewel dergelijke kleine verwondingen nooit zijn uitgesloten bij gebruik
van een airbag.
Bij een botsing, zelfs een zware, tegen de achterkant of bij het over de kop gaan van de auto worden de airbags of de gordelspanners niet altijd geactiveerd. Zware stoten onder de auto veroorzaakt door stoepen, gaten in het wegdek, stenen, kunnen de airbagsystemen activeren.
- Het is streng verboden zelf werkzaamheden uit te voeren aan het airbagsysteem van bestuurder of passagier (airbag, computer, bedrading, enz.). Deze mogen uitsluitend door speciaal opgeleide monteurs van de merkdealer worden gecontroleerd en gerepareerd.
- Om te voorkomen dat de airbag(s) ten onrechte wordt/worden opgeblazen of juist niet als dat wel nodig zou zijn, mag uit-sluitend deskundig personeel van de merkdealer aan het airbagsysteem werken.
- Laat het airbagsysteem controleren na een aanrijding of (een poging tot) diefstal van de auto.
- Informeer bij de verkoop of uitlening van het voertuig de nieuwe koper over deze voorwaarden bij het overhandigen van deze gebruikershandleiding.
- Laat de gaspatro(o)n(en) door een merkdealer verwijderen voordat de auto wordt gesloopt.
EXTRA VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN
Storingen

text_image
2 70580Als het niet oplicht bij het aanzetten van het contact of als blijft branden, wijst dit op een storing in het systeem.
Het waarschuwingslampje 1 gaat branden bij het aanzetten van het contact en dooft na enkele seconden.
Als het niet oplicht bij het aanzetten van het contact of oplicht bij draaiende motor, geeft het een defect in het systeem (airbags, gordelspanners enz.) bij de zitplaatsen voorin en/of achterin aan.
Raadpleeg zo snel mogelijk uw merk-dealer. Wacht u hier te lang mee dan betekent dat, dat de bescherming in de tussenliggende periode misschien niet optimaal is.
KINDERVEILIGHEID
Algemeen
Vervoer van kinderen
U dient zich te houden aan de wetgeving van het land waarin u zich bevindt.
Het kind moet, net als een volwassene, altijd correct zitten en zijn vastgemaakt, ongeacht het traject. U bent verantwoordelijk voor de kinderen die u vervoert.
Een kind is geen minivolwassene. Het is blootgesteld aan risico op specifieke verwondingen, omdat de botten en spieren nog niet volledig ontwikkeld zijn. Een autogordel alleen is niet geschikt voor het vervoeren van kinderen. Gebruik een goedgekeurd kinder-zitje en zorg ervoor dat u het correct gebruikt.

Als u wilt voorkomen dat de portieren worden geopend, gebruikt u de functie "Kinderslot" →
61.

Een botsing met 50 km/u komt overeen met een val van 10 meter hoogte. Een niet-vastgemaakt
kind vervoeren is hetzelfde als een kind laten spelen op een balkon zonder balustrade op de vier-de verdieping!
Houd een kind nooit in uw armen. Bij een ongeluk zal u het niet kunnen tegenhouden, zelfs niet als u zelf in uw gordel vastzit.
Als uw auto betrokken is geweest bij een verkeersongeluk, moet u het kinderzitje vervangen en de gordels en de ISOFIX-verankeringen laten controleren.

Verantwoordelijkheid van de bestuurder tijdens het parkeren of stoppen van de auto
Laat nooit, ook niet heel even, een kind, een afhankelijke volwassene of een dier in de auto achter als u deze verlaat.
Het kan zichzelf of anderen in ge- vaar brengen door bijvoorbeeld de motor te starten, door organen te bedienen zoals bijvoorbeeld de ruitbediening, of de portieren te vergrendelen.
Bovendien kan bij warm, zonnig weer de temperatuur in het interieur heel erg snel oplopen.
LEVENSGEVAAR OF GEVAAR VAN ERNSTIG LETSEL.
Gebruik van een kinderzitje
De bescherming die het kinderzitje biedt is afhankelijk van zijn capaciteit om het kind vast te houden en van de installatie ervan. Door een verkeerde installatie komt de bescherming van het kind in gevaar bij krachtig remmen of een botsing.
Controleer nadat u een kinderzitje koopt, of het voldoet aan de wettelijke
KINDERVEILIGHEID
eisen van het land waar u zich bevindt en of het gemonteerd kan worden in uw auto. Raadpleeg een merkdealer om te weten welke zitje geadviseerd worden voor uw auto.
De voorschriften voor het vervoer van kinderen zijn specifiek voor elk land. Het gebruik van een kinderzitje tijdens het vervoer is afhankelijk van de leeftijd en/of de grootte en/of het gewicht van het kind.
Voor kinderen die geen kinderzitje nodig hebben: zorg ervoor dat de veiligheidsgordel correct is afgesteld en vastgemaakt.
Houd u in elk geval aan de voorschriften van het land waarin u zich bevindt. Lees, vóór het monteren van een kinderzitje, de gebruiksaanwijzing en houd u aan de instructies. Neem, bij problemen met het installeren, contact op met de fabrikant van de uitrusting. Bewaar de gebruiksaanwijzing bij het zitje.

Geef het goede voorbeeld door uw gordel vast te maken en leer uw kind:
- om de veiligheidsgordel goed om te doen; - om altijd aan de tegenoverliggende zijde van het verkeer in en uit de auto te stappen.
Gebruik geen tweedehands kinderzitje of zonder gebruiksaanwijzing.
Let op dat niets in de buurt van het kinderzitje de installatie ervan belemmert.

Laat een kind nooit on- bewaakt achter in de au- to.
Controleer of uw kind altijd vastzit en het harnas of de gordel correct is afgesteld en aangepast. Vermijd te dikke kleding waardoor ruimte tussen de rie-men kan ontstaan → 76.
Zorg ervoor dat uw kind zijn hoofd of armen niet uit het raam kan steken.
Controleer regelmatig de juiste houding van het kind, met name als het slaapt.
KINDERVEILIGHEID
keuze van het kinderzitje

Kinderzitje "achterstevoren"
Het hoofd van een baby is, naar verhouding, zwaarder dan dat van een volwassene en de nek is zeer kwetsbaar. Vervoer het kind zo lang mogelijk in deze stand (minstens tot het 2 jaar is). Zo worden het hoofd en de nek ondersteund. Kies een omhullend zitje voor een betere bescherming opzij en vervang het zodra het hoofd van het kind boven het kuipzitje uitsteekt.

Kinderzitjes "vooruit"
Maximaal 18 kg of 4 jaar, het kind mag in een voorwaarts gerichte zitje reizen. Kies een zitje op basis van de grootte van het kind: het hoofd en de buik enz.
Het hoofd en de buik van een kind zijn de lichaamsdelen die het meest beschermd moeten worden. Een vooruit geplaatst kinderzitje dat stevig in de auto is vastgezet, vermindert het risico dat het kind zijn hoofd stoot. Vervoer uw kind in een vooruit geplaatst zitje met een harnas als de lengte van het kind dat toelaat. Kies voor een kuipzitje voor een betere zijdelingse bescherming.
61261

Vanaf 15 kg of 4 jaar kan een kind reizen op een zittingverhoger waarmee de autogordel kan worden aangepast aan zijn lichaamsbouw. De zitting van de verhoger moet geleiders hebben die de gordel over de heupen van het kind en niet over de buik laat lopen. Een in hoogte verstelbare rugleuning met een gordelgeleider wordt geadviseerd om de gordel op het midden van de schouder te plaatsen. Deze mag nooit over de hals of over de armen lopen. Kies voor een kuipzitje voor een betere zijdelingse bescherming.
Lijst met door de fabrikant aanbevolen bevestigingsmethoden voor kinderen:
KINDERVEILIGHEID


keuze van de bevestiging van het kinderzitje
Er zijn twee bevestigingssystemen voor kinderzijtes: met de autogordel of met het ISOFIX-systeem.
Bevestiging met de autogordel
De autogordel moet worden afgesteld om goed te kunnen werken bij krachtig remmen of bij een botsing.
Laat de gordel lopen zoals de fabrikant van het kinderzitje voorschrijft.
Controleer altijd de vergrendeling van de autogordel door eraan te trekken en zet hem daarna zo strak mogelijk door op het kinderzitje te drukken.
Controleer of het zitje goed vastzit door het zitje naar links/rechts en naar voren/achteren te bewegen: het zitje moet stevig vast blijven zitten.
Controleer of het kinderzitje niet dwars is geïnstalleerd en niet tegen een ruit rust.

Gebruik het kinderzitje niet als de autogordel daardoor kan losraken: de basis van het zitje
mag niet op de gesp en/of vergrendeling van de veiligheidsgordel rusten.

De veiligheidsgordel mag nooit losgemaakt worden of gedraaid zijn.
Laat de gordel nooit on-
der de arm of achter de rug lopen.
Controleer of de gordel niet be- schadigd is door scherpe randen.
Als de autogordel niet normaal werkt, kan deze het kind niet beschermen. Raadpleeg voor de exacte gegevens de merkdealer.
Gebruik deze zitplaats niet zolang de gordel niet is gerepareerd.
Bevestiging met het ISOFIX-systeem
Goedgekeurde ISOFIX kinderzitjes zijn gestandaardiseerd volgens de huidige regelgeving als één van de vier onderstaande gevallen van toepassing is:
– Universeel ISOFIX 3-punts vooruit;
- Semi-universeel ISOFIX 2-punts;
- voertuigspecifiek;
- i-Size voorzien van een van de volgende onderdelen:
- een riem die aan de derde ring van de betreffende stoel wordt vastgemaakt;
- of een steun die op de vloer van de auto rust, geschikt voor de goed-
KINDERVEILIGHEID
gekeurde stoel i-Size, met als be- doeling te voorkomen dat het kinder- zitje beweegt bij een botsing.
Controleer in het laatste geval of uw kinderzitje geïnstalleerd kan worden door de lijst van geschikte auto's te raadplegen.

Verander niets aan de oorspronkelijke onderde- len van het systeem:
(gordels, ISOFIX, stoe- len en de bevestigingen ervan).
Bevestig het kinderzitje met de ISO- FIX-grendels als het deze heeft. Het ISOFIX systeem garandeert een ge- makkelijke, snelle en veilige montage.
Het ISOFIX systeem bestaat uit 2 ringen en, in sommige gevallen, een derde ring.

De ISOFIX-verankeringen mogen alleen gebruikt worden voor kinderzijtes met het ISO-
FIX-systeem. Bevestig nooit andere kinderzitjes, noch de gordel of andere voorwerpen op deze verankeringspunten.
Controleer of niets in de weg zit bij de verankeringspunten.
Als uw auto betrokken is geweest bij een verkeersongeluk, moet u de ISOFIX verankeringen laten controleren en het kinderzitje vervangen.

nadat u een ISOFIX-kin- derzitje installeert dat u hebt gekocht voor een andere auto, moet u nagaan of het geïnstalleerd mag worden. Raadpleeg de lijst van de fabrikant van het zitje met de auto's waarin het zitje gebruikt mag worden.

De twee ringen zitten achter de ritssluitingen 1 tussen de rugleuning en de zitting van de stoel en zijn te herken-
nen aan een [markering.
Achterstoelen
KINDERVEILIGHEID

De bovenste riem 2 moet tussen de rugleuning en de bagageafdekking worden geleid.
Verwijder hiervoor de bagageafdekking → 325.
Bevestig de haak 3 aan de riem op een van de ringen 4 gemarkeerd met
het symbool

Trek aan de bovenste riem 2 zodat de rugleuning van het kinderzitje strak te- gen de rugleuning van de autostoel aanligt.
Opmerking: gebruik de ringen met het
symbool


text_image
70962 4De derde ring 4 op elke zitplaats van de tweede rij wordt gebruikt om de bovenste riem 2 van bepaalde kinderzitjes vast te maken.
De ringen bevinden zich op de rugleuningen van de achterstoelen en zijn te
herkennen aan het symbool

Leid de riem tussen de rugleuning en de bagageafdekking achterin (om de bagageafdekking: → 325 te verwijderen). Bevestig de haak op een van de ringen 4.

Controleer of de rugleuning van het vooruit geplaatste kinderzitje goed tegen de rugleuning van
de stoel in de auto is geplaatst. In dit geval rust het kinderzitje niet altijd op de zitting van de stoel in de auto.

U moet de riem van het kinderzitje aan de bijbehorende ring bevestigen.
KINDERZITJES
Installatie van het kinderzitje, algemeen
Op bepaalde zitplaatsen mogen geen kinderzitjes bevestigd worden. Het schema en de installatietabel geven aan waar een kinderzitje → 98, → 104 kan worden bevestigd.

Monteer het kinderzitje bij voorkeur op een zitplaats achterin.
Controleer of het kinder-
zitje of de voeten van het kind het goed vergrendelen van de voor-stoel niet belemmeren → 70.
Controleer of het kinderzitje, door het installeren ervan in de auto, niet loskomt van het onderstel.
Als u de hoofdsteun moet verwijderen, berg deze dan goed op zodat deze niet in een projectiel kan veranderen bij krachtig remmen of een botsing.
Maak het kinderzitje altijd goed vast aan de auto, ook als het niet in gebruik is, zodat het niet in een projectiel kan veranderen bij krachtig remmen of een botsing.
De genoemde types kinderzitjes zijn niet overal leverbaar. Controleer, nadat u een ander kinderzitje gebruikt, bij de fabrikant of het gemonteerd kan worden.
Aan de voorkant
Het vervoer van een kind op de plaats van de voorpassagier is niet in alle landen toegestaan. Raadpleeg de huidige wetgeving en volg de aanwijzingen in het diagram en de installatietabel → 98 → 104.
Voordat u een kinderzitje op deze plaats installeert (indien dit is toegestaan en afhankelijk van de auto):
- Laat de veiligheidsgordel zo ver mogelijk zakken (afhankelijk van de auto); - schuif de stoel zo ver mogelijk naar achteren;
- zet de rugleuning enigszins schuin (ongeveer 25°);
- zet de zitting, indien mogelijk, zo ver mogelijk omhoog.
Zet de hoofdsteun van de stoel steeds volledig omhoog zodat deze het kinderzitje niet hindert → 70.
Na installatie van het kinderzitje zet u de passagiersstoel voorin minstens één stand naar achteren. Zorg ervoor, bij een achterstevoren geplaatst kinderzitje, dat dit het dashboard niet raakt.
Wijzig de andere afstellingen niet meer na het installeren van het kinderzitje.

RISICO OP DODELIJK OF ERNSTIG LETSEL:
controleer voordat u een kinderzitje tegen de rij-
richting in op de passagiersstoel voor plaatst, of de airbag is uitgeschakeld → 109.
Op de zitplaats achter aan de zijkant
Een reiswieg wordt dwars in de auto geïnstalleerd en neemt ten minste twee zitplaatsen in beslag. Plaats het hoofd van het kind richting de binnenkant van de auto.
Controleer voordat u een kinderzitje plaatst op de ISOFIX verankeringen op een zitplaats achterin aan de zijkant, of de sluitingen van de autogordel niet tussen de twee ISOFIX verankeringen van deze zitplaats zitten. Indien nodig verplaatst u de sluiting van de betreffende zitplaats naar de binnenkant van de auto.
Om een kinderzitje achterstevoren te installeren, zet u de voorstoel van de auto zo ver mogelijk naar voren. Zet daarna de voorstoel zo ver mogelijk te-
KINDERZITJES
rug zonder dat deze tegen het kinder-zitje komt.
Voor de veiligheid van het vooruit geplaatste kind, moet u de stoel zo ver mogelijk naar achteren zetten en de stoel voor het kind naar voren zetten en de rugleuning rechtzetten om het contact tussen de stoel en de benen van het kind te vermijden.
Verwijder in ieder geval de hoofdsteun van de stoel achter waarop het kinder-zitje is geplaatst → 73.
Zet de achterstoel indien nodig zo ver mogelijk naar achteren. Dit moet gebeuren nadat u het kinderzitje plaatst. Controleer dat het kinderzitje goed rust tegen de rugleuning van de achterbank.
Op middelste zitplaats achter
Het monteren van een kinderzitje op deze plaats is alleen toegelaten als deze een rolgordel heeft.
Raadpleeg voor aanvullende informatie een merkdealer.

Controleer of het kinder-zitje of de voeten van het kind een goede vergren-deling van de voorstoel
→ 70 of → 73 niet belemmeren.

Een kinderzitje met vloersteunen mag nooit worden geïnstalleerd op de middelste zitplaats
achterin. LEVENSGEVAAR OF GEVAAR VAN ERNSTIG LET-SEL.

Installatie van de zittingverhoger (groep 2 of 3)
Controleer of de veiligheidsgordel → 76 correct werkt (oprolt).
Stel de veiligheidsgordel als volgt af:
- plaats de schouderriem op de schouder van het kind zonder dat deze de nek raakt;
- plaats de heupgordel zo dat deze plat op de dijen en tegen het bekken ligt.
Pas indien nodig de stand van de autostoel aan.
KINDERZITJES
Bevestiging met de autogordel
Installatieschema voor vijfzits uitvoering met vijf deuren

text_image
U/B2 U/B2 U U/B2 63090KINDERZITJES

Controleer de staat van de airbag voordat u een passagier laat plaatsnemen of een kinderzitje installeert.

Stoel niet geschikt voor het installeren van een kinderzitje.

Stoel geschikt voor bevestiging van een "Universeel" goedgekeurd kinderzitje met behulp van een veiligheidsgordel.

: stoel waarmee een kinderzitje met "B2"-goedkeuring kan worden bevestigd met een veiligheidsgordel.

RISICO OP DOOD OF ERNSTIG LETSEL: voordat u een kinderzitje tegen de rijrichting in op de bijrijdersstoel stoel plaatst, moet u controleren of de airbag is uitgeschakeld → 109.

Controleer of uw kind altijd vastzit en het harnas of de gordel correct is afgesteld en aangepast → 76. Pas indien nodig de zitpositie aan.

Door het gebruik van een niet bij de auto passend kinderveiligheidssysteem wordt de baby of het kind niet correct beschermd. Het kan ernstig of zelfs dodelijk letsel oplopen.

Het is verboden om een kinderzitje op de aangrenzende beschikbare stoel te plaatsen als de rugleuning is neergeklapt op de andere stoelen → 73
KINDERZITJES
Installatieoverzicht
De tabel hieronder bevat dezelfde informatie als het installatieschema, om te garanderen dat de wettelijke voorschriften worden nageleefd.
| Type kinderzitje | Gewicht van het kind | Zitplaats voorin passagier Achterstoelen | |||
| Met airbag die niet kan worden uitgeschakeld als airbag is ingeschakeld | Zonder dat airbag of airbag zijn uitgeschakeld | Zitplaatsen aan de zijkan-ten | Zitplaats midden | ||
| Reiswieg dwarsGoedgekeurd voor groep 0 | < tot 10 kg X | X U (4) X | |||
| Kuipzitje achterstevoren ge-plaatstGoedgekeurd voor groep 0 of 0+ | < tot 13 kg X | U (2) (3) U (5) U (5) (7) | |||
| Kinderzitje achterstevoren ge-plaatstGoedgekeurd voor groep 0+ of 1 | < tot 13 kg en 9 tot 18 kg | X U (2) (3) U (5) U (5) (7) | |||
| Kinderzitje vooruit ge-plaatstGoedgekeurd voor groep 1 | 9 kg tot 18 kg | U (1) (3) X U (6) U (6) (7) | |||
KINDERZITJES
| Type kinderzitje | Gewicht van het kind | Zitplaats voorin passagier Achterstoelen | |||
| Met airbag die niet kan worden uitgeschakeld als airbag is ingeschakeld | Zonder dat airbag of airbag zijn uitgeschakeld | Zitplaatsen aan de zijkanten | Zitplaats midden | ||
| ZittingverhogerGoedgekeurd voor groep 2 of 3 | 15 kg tot 25 kg en 22 kg tot 36 kg | U/B2 (1) (3) X U/B2 (6) | U (6) | ||

(1) LEVENSGEVAAR OF GEVAAR VAN ERNSTIG LETSEL: plaats nooit een kinderzitje achterstevoren op de voorstoel als de auto beschikt over een passagiersairbag die niet kan worden uitgeschakeld.
(2) RISICO OP DODELIJK OF ERNSTIG LETSEL: controleer voordat u een achterwaarts gericht kinderzitje op de passagiersstoel voor plaatst, of de airbag is uitgeschakeld → 109.
Raadpleeg de brochure "Comfort & veiligheid voor uw kinderen", verkrijgbaar bij de dealer, om een kinderzitje te kiezen dat geschikt is voor uw kind en aanbevolen wordt voor uw auto.
X = stoel niet geschikt voor het installeren van kinderzitjes.
U= Stoel waarin een kinderzitje dat is goedgekeurd als "Universeel" kan worden bevestigd met de autogordel; controleer of het zitje kan worden gemonteerd.
B2 = Zitverhogers in groep 2 en 3 (15 t/m 25 kg en 22 t/m 36 kg).
(3) Zet de stoel van de auto zo ver mogelijk naar achteren en zo hoog mogelijk, en zet de rugleuning licht schuin (ongeveer 25°).
(4) Een reiswieg wordt dwars in de auto geïnstalleerd en neemt minimaal twee zitplaatsen in beslag. Plaats het hoofd van het kind richting de binnenkant van de auto.
(5) Om een kinderzitje achterstevoren te installeren, zet u de voorstoel van de auto zo ver mogelijk naar voren. Zet daarna de voorstoel zo ver mogelijk terug zonder dat deze tegen het kinderzitje komt.
(6) Klap altijd de hoofdsteun omlaag van de achterstoel waarop het kinderzitje wordt geplaatst. Dit moet gebeuren voordat u het kinderzitje plaatst → 70. Schuif de stoel vóór het kind naar voren, zet de rugleuning naar voren om contact tussen de stoel en de benen van het kind te voorkomen.
KINDERZITJES

(7) LEVENSGEVAAR OF RISICO OP ERNSTIG LETSEL: een kinderzitje met een vloersteun mag nooit worden bevestigd.
KINDERZITJES
Bevestiging met het ISOFIX-systeem
Installatieschema voor vijfzits uitvoering met vijf deuren

text_image
B2 F3 F2 F2X R1 R2 R2X R2X R2 R1 B2 F3 F2 F2X 68368KINDERZITJES

Plaats verboden voor het installeren van een kinderzitje.
Kinderzitje vastgezet met de bevestiging ISOFIX

Plaats waar een ISOFIX kinderzitje is toegelaten.

De achterstoelen zijn voorzien van een verankeringspunt voor bevestiging van een universeel ISOFIX voorwaarts gericht zitje. De verankeringen bevinden zich in de bagageruimte en zijn zichtbaar.

Controleer of uw kind altijd vastzit en het harnas of de gordel correct is afgesteld en aangepast → 76. Pas indien nodig de zitpositie aan.

Door het gebruik van een niet bij de auto passend kinderveiligheidssysteem wordt de baby of het kind niet correct beschermd. Het kan ernstig of zelfs dodelijk letsel oplopen.

Het is verboden om een kinderzitje op de aangrenzende beschikbare stoel te plaatsen als de rugleuning is neergeklapt op de andere stoelen → 73
KINDERZITJES
Installatieoverzicht
De tabel hieronder bevat dezelfde informatie als het installatieschema, om te garanderen dat de wettelijke voorschriften worden nageleefd.
| Type kinderzitje | Gewicht van het kind | Grootte van zit-je [bevestiging] | Zitplaats voorin passagier Achterstoelen | |||
| Met airbag zon-der uitschake-ling | Zonder dat airbag of airbag zijn uitgeschakeld | Zitplaatsen aan de zijkan-ten | Zitplaats midden | |||
| Reiswieg dwarsGoedgekeurd voor groep 0 | < tot 10 kg L1 | [F], L2 [G] X X X | X | |||
| Kuipzitje achterstevoren ge-plaatstGoedgekeurd voor groep 0 of 0+ | < tot 13 kg R1 | [E] X X IL (1) X | ||||
| Kinderzitje ach-terstevoren ge-plaatstGoedgekeurd voor groep 0+ of 1 | < tot 13 kg en 9 tot 18 kg | R2 [D], R2X [D] X | X IL (1) X | |||
| R3 [C] X X X | X | |||||
| Kinderzitje voor-uit geplaatstGoedgekeurd voor groep 1 | 9 kg tot 18 kg | F3 [A], F2 [B], F2X [B1] | X X IUF-IL | (1) (2) X | ||
KINDERZITJES
| Type kinderzitje | Gewicht van het kind | Grootte van zit-je [bevestiging] | Zitplaats voorin passagier Achterstoelen | |||
| Met airbag zon-der uitschake-ling | Zonder dat airbag of airbag zijn uitgeschakeld | Zitplaatsen aan de zijkan-ten | Zitplaats midden | |||
| Zittingverhoger Goedgekeurd voor groep 2 of 3 | 15 kg tot 25 kg en 22 kg tot 36 kg | B2 X X IUF | -IL (1) (2) X | |||
| B3 X X X X | ||||||
| Stoel i-Size | Kinderzitje achterstevoren ge-plaatst | X X i-U(1) | X | |||
| Kinderzitje vooruit geplaatst X | X i-UF(1) (2) X | |||||
| Zittingverhoger X X i-UF(1) (2) X | ||||||
Raadpleeg de brochure "Comfort & veiligheid voor uw kinderen", verkrijgbaar bij de dealer, om een kinderzitje te kiezen dat geschikt is voor uw kind en aanbevolen wordt voor uw auto.
X = stoel niet geschikt voor het installeren van kinderzitjes.
IUF = Stoel waarin een voorwaarts gericht universeel kinderzitje met ISOFIX-bevestigingen kan worden geplaatst: controleer of dit correct kan worden gemonteerd.
IL = Stoel waarin een semi-universeel of voertuigspecifiek kinderzitje met ISOFIX-bevestigingen kan worden geplaatst: controleer of dit correct kan worden gemonteerd.
i-U = Alleen geschikt voor "universele" voorwaarts en achterwaarts gerichte i-Size-bevestigingsmiddelen: controleer of deze kunnen worden gemonteerd.
i-UF Geschikt voor "universele" voorwaarts en achterwaarts gerichte i-Size-bevestigingsmiddelen: controleer of deze kunnen worden gemonteerd.
(1) Om een kinderzitje achterstevoren te installeren, zet u de voorstoel van de auto zo ver mogelijk naar voren. Zet daarna de voorstoel zo ver mogelijk terug zonder dat deze tegen het kinderzitje komt.
(2) Klap altijd de hoofdsteun omlaag van de achterstoel waarop het kinderzitje wordt geplaatst. Dit moet gebeuren voordat u het kinderzitje plaatst → 73. Schuif de stoel vóór het kind naar voren, zet de rugleuning naar voren om contact tussen de stoel en de benen van het kind te voorkomen.
De grootte van een ISOFIX kinderzitje wordt aangegeven door een letter:
KINDERZITJES
– F3 [A], F2 [B], F2X [B1]: voorwaarts gerichte zitjes, groep 1 (9 tot 18 kg);
- R2 [D], R2X [D], R3 [C]: achterwaarts gerichte zitjes of kuipzitjes in groep 0+ (minder dan 13 kg) of groep 1 (9 tot 18 kg);
- R1 [E] achterwaarts gerichte kuipzitjes van groep 0 (minder dan 10 kg) of 0+ (minder dan 13 kg);
– L1 [F], L2 [G]: reiswiegen, groep 0 (minder dan 10 kg);
- B2, B3: Zitverhogers in groep 2 en 3 (15 t/m 25 kg en 22 t/m 36 kg).

KINDERVEILIGHEID: DE PASSAGIERSAIRBAG VOORIN UITSCHAKELEN, INSCHAKELEN

De passagiersairbag voorin mag alleen wor- den geactiveerd of gede- activeerd wanneer de staat met het contact
Uitschakelen van de passagiersairbag voorin

text_image
62037 OFF ON SPEEDS 1nadat u een kinderzitje op de passagiersstoel voorin installeert:
- controleer of het kinderzitje op deze stoel kan worden geïnstalleerd;
- het volgende is van essentieel belang: deactivering van de airbagvoor een kinderzitje waarin het kind achterstevoren in de auto zit.

Uitschakelen van de airbag: met stilstaande auto en contact uit de vergrendeling 1 indrukken en naar de stand OFF draaien.
Nadat u het contact weer aangezet
hebt, moet u controleren of het waarschuwingslampje verschijnt op de display 2.
Dit lampje blijft constant branden om u eraan te herinneren dat u een kinderzitje kunt gebruiken.

GEVAAR
Omdat het gebruik van de passagiers airbag voor niet compatibel is
met de positie van een achterste- voren geplaatst kinderzitje, mag u NOOIT een dergelijk zitje instal- leren op een stoel met een AC- TIEVE frontale AIRBAG. Dit kan de DOOD van het KIND of een ERNSTIG LETSEL veroorzaken.

text_image
70507 ③ AKINDERVEILIGHEID: DE PASSAGIERSAIRBAG VOORIN UITSCHAKELEN, INSCHAKELEN


text_image
AIRBAG iDe markeringen op het dashboard en de stickers A aan elke kant van de zonneklep van de passagier 3 (zie bovenstaand voorbeeld van sticker) herinneren u aan deze instructies.
61614
Inschakelen van de passagiersairbag voorin

text_image
62036 1Zodra het kinderzitje van de passagiersstoel verwijderd is, moet u de airbag weer inschakelen om de voorpassagier bij een botsing te beschermen.
Opnieuw inschakelen van de airbag: met stilstaande auto en contact uit de vergrendeling 1 indrukken en naar de stand ON draaien.
Nadat u het contact weer aangezet hebt, moet u controleren of het waar-
schuwingslampje op de display 2.

Storingen

In het geval van een storing in het airbag in-/uitschakelsysteem van de voorpassagier worden de waarschu-
wingslampjes op het instrumentenpaneel weergegeven Zet het contact uit en controleer de stand van het slot 1.
Zet het contact weer aan: de waarschuwingslampjes gaan uit.
Als het probleem zich blijft voordoen, duidt dit op een systeemfout. In dit geval is het verboden om een kinderzitje met de rug in op de passagiersstoel voorin te monteren of om een andere passagier op de stoel te plaatsen.
KINDERVEILIGHEID: DE PASSAGIERSAIRBAG VOORIN UITSCHAKELEN, INSCHAKELEN
Raadpleeg zo snel mogelijk uw merk-dealer.
Ken uw auto - 111
BEDIENINGSORGANEN
Bedieningsorganen stuurinrichting links

- Ventilatieroosters links en rechts.
-
Schakelaar voor:
-
richtingaanwijzers;
- buitenverlichting;
-
mistachterlichten.
-
Instrumentenpaneel.
- Plaats bestuurdersairbag, claxon.
- Schakelaar voor de ruitenwissers en -sproeiers voor en achter.
- Locatie voor telefoonhouder.
- Centrale ventilatieroosters
- Multimediascherm.
- Plaats passagiers airbag.
- Ventilator opening.
- Dashboardkastje.
- Schakelaars voor:
– verwarming of airconditioning; - verwarmde voorstoelen;
– alarmknipperlichten;
– centrale deurvergrendeling;
一 ... - Aansluitingen USB-C.
-
Laadzone/opbergruimte voor telefoon
-
Houder voor meerdere accessoires YouClip.
- Keuzeschakelaar rijmodus:
- afdalingscontrole in-/uitschakelen.
- Knop parkeerstand op de automatische transmissie.
- Keuzehendel of, afhankelijk van de auto, versnellingshendel.
- Middelste armsteun/opbergruimte.
- Ventilatieroosters achter.
- Houder voor meerdere accessoires YouClip.
- Aansluitingen USB-C.
- Handrem.
- Lage opbergvakken in het dashboard.
- Telefoonhouder
- Accessoireaansluiting
- Knop voor het starten/stoppen van de motor of, afhankelijk van de auto, contactslot.
- Bedieningssatelliet radio.
-
Schakelaars voor:
-
functiekeuze van de boordcomputer en van het menu voor het personaliseren van de auto-instellingen;
-
afstandsbediening van de radio, van het navigatiesysteem
-
Hoogte- en diepteverstelling van het stuurwiel.
- Hoofdschakelaar en bedienings-elementen voor de snelheidsregelaar, de snelheidsbegrenzer of, afhankelijk van de auto, de Stop and Go adaptieve snelheidsregelaar.
- Knop voor het ontgrendelen van de motorkap.
- Vaste opbergruimte en zekeringenkast.
- Schakelaars voor:
- Inschakelen/uitschakelen van de automatische parkeerrem;
- LPG-schakelaar;
– openen van de achterklep; -
...
-
Schakelaars voor:
-
My Safety inschakelen/uitschakelen;
- elektrisch verstellen van de koplampen;
- inschakelen/uitschakelen van de modus ECO;
- controle op in-/uitschakelen van de tractiecontrole;
-
inschakelen/uitschakelen van de functie Stop and Start.
-
Camera interieur.
BEDIENINGSORGANEN
Bedieningsorganen rechts stuur


- Ventilator opening.
- Ventilatieroosters links en rechts.
- Plaats passagiers airbag.
- Centrale ventilatieroosters
- Multimediascherm.
- Locatie voor telefoonhouder.
-
Schakelaar voor:
-
richtingaanwijzers;
- buitenverlichting;
- mistachterlichten.
- Instrumentenpaneel.
- Plaats bestuurdersairbag, claxon.
- Schakelaar voor de ruitenwissers en -sproeiers voor en achter.
- Camera interieur.
- Schakelaars voor:
– My Safety inschakelen/uitschakelen;
– elektrisch verstellen van de koplampen;
– inschakelen/uitschakelen van de modus ECO; - controle op in-/uitschakelen van de tractiecontrole;
- inschakelen/uitschakelen van de functie Stop and Start.
-
Schakelaars voor:
-
Inschakelen/uitschakelen van de automatische parkeerrem;
- LPG-schakelaar;
– openen van de achterklep; -
...
-
Knop voor het ontgrendelen van de motorkap.
- Bedieningssatelliet radio.
- Schakelaars voor:
- functiekeuze van de boordcomputer en van het menu voor het personaliseren van de auto-instellingen;
- afstandsbediening van de radio, van het navigatiesysteem
- Hoogte- en diepteverstelling van het stuurwiel.
- Hoofdschakelaar en bedienings-elementen voor de snelheidsregelaar, de snelheidsbegrenzer of, afhankelijk van de auto, de Stop and Go adaptieve snelheidsregelaar.
- Knop voor het starten/stoppen van de motor of, afhankelijk van de auto, contactslot.
- Aansluitingen USB-C.
- Laadzone/opbergruimte voor telefoon
- Keuzeschakelaar rijmodus:
-
afdalingscontrole in-/uitschakelen.
-
Knop parkeerstand op de automatische transmissie.
- Keuzehendel of, afhankelijk van de auto, versnellingshendel.
- Opbergvak in de middenconsole
- Middelste armsteun/opbergruimte.
- Ventilatieroosters achter.
- Houder voor meerdere accessoires YouClip.
- Aansluitingen USB-C.
- Handrem.
- Telefoonhouder
- Accessoireaansluiting
- Schakelaars voor:
— verwarming of airconditioning;
- verwarmde voorstoelen;
– alarmknipperlichten;
— centrale deurvergrendeling;
- ...
-
Dashboardkastje.
-
Vaste opbergruimte en zekeringenkast.
- Lage opbergvakken in het dashboard.
BOORDCOMPUTER
Algemeen
Boordcomputer A of B

text_image
71304 A ① ② ③Afhankelijk van de auto kunnen de volgende functies in zone 5 worden weergegeven. Selecteer de functies door herhaaldelijk op schakelaar 2 of 3 te drukken:
- kilometerteller:
- reisgegevens;
- informatiemeldingen;
- storingsboodschappen (met betrek-
king tot het 240 huwings-lampje);
- waarschuwingen (met betrekking tot
het STOP huwingslampje).
- ECO monitor;
- afhankelijk van de auto, energiestroom;
- hellingen en kompas van de auto;
– informatie van de begeleiding;
– media-informatie (alleen instrumentenpaneel A).

text_image
71305 B ① ② ③Zone 4 is aanpasbaar met schakelaar 1 en geeft de volgende functies weer:
- toerenteller of, afhankelijk van de auto, laadmeter;
- rijhulpsystemen;
- Navigatie (alleen instrumentenpaneel A).

Selecties voor weergave in zone 5 (het display hangt af van de uitvoering van de auto en het land):
BOORDCOMPUTER
f) Ritoverzicht, storings- en informatie- berichten;
b) Gegevens van de reis:
- het gemiddeld verbruik;
- huidig verbruik;
- geschat bereik met resterende brandstof;
- kilometerteller:
- Gemiddelde snelheid
– gemiddeld LPG-verbruik; - geschatte actieradius met de overgebleven LPG;
- LPG-afstand
c) dagteller met het totale aantal afgelegde kilometers en de gemiddelde snelheid;
d) reset van de bandenspanning;
e) onderhoudsinterval:
– Onderhoudsinterval
- afstand tot olieverversing.
f) geschat bereik met de resterende reagens;
g) ECO monitor;
h) afhankelijk van de auto, energiestroom;
i) hellingen en kompas van de auto;
j) informatie van de begeleiding;
k) media-informatie (alleen instrumentenpaneel A);
I) koelvloeistoftemperatuurmeter (Hybrid auto).
Resetten van de dagteller en ritinstellingen (resetknop)
Zorg ervoor dat een van de ritinstellingen wordt weergegeven en druk op schakelaar 2 of 3 totdat de weergave naar nul wordt gereset.
Betekenis van de waarden gedurende de eerste paar kilometer na een nulinstelling
De waarden van gemiddeld verbruik, bereik en gemiddelde snelheid worden stabieler en nauwkeuriger naarmate de afgelegde afstand vanaf de laatste nulinstelling groter wordt.
De eerste kilometers na een nulinstelling kunt u constateren dat de actieradius toeneemt tijdens het rijden.
Dit komt doordat rekening wordt gehouden met het gemiddeld verbruik sinds de laatste nulinstelling.
Maar het gemiddeld verbruik kan afne- men als:
- de auto met een constante snelheid rijdt;
- de motor zijn bedrijfstemperatuur bereikt (nulinstelling bij koude motor);
- u vanuit druk stadsverkeer op de buitenweg komt.
Automatische nulinstelling van de gegevens van de reis
De nulinstelling gebeurt automatisch als één van de gegevens zijn maximale waarde bereikt.
BOORDCOMPUTER
Gegevens van de reis
De hier vermelde infoweergave HANGT AF VAN DE UITRUSTING VAN DE AUTO EN VAN HET LAND.
| Voorbeelden van de selectie Betekenis van de gekozen | aanduiding |
| Geen bericht in geheugen | a) Ritoverzicht.Aanduiding achtereenvolgens:– informatieboodschappen (passagiersairbag OFF, enz.);– storingsberichten ("Controleer inspuitsysteem" enz.).b) Gegevens van de reisActueel verbruik.De waarde wordt getoond zodra de auto een snelheid van 30 km/u bereikt.Gemiddeld verbruik sinds de laatste nulinstelling.De waarde wordt aangegeven na minstens 400 meter gereden te hebben sinds de laatste nulinstelling.Het bereik met de overgebleven brandstof.Deze waarde wordt aangegeven na 400 meter gereden te hebben.Afgelegde afstand sinds de laatste nulinstelling.Gemiddelde snelheid sinds de laatste nulinstelling.Deze waarde wordt aangegeven na 400 meter gereden te hebben. |
Actueel verbruik 7.4 L/100 | |
Gemiddeld 5.8 L/100 | |
Actieradius 112.4 km | |
Afstand 112.4 km | |
Gemiddeld 123.4 km/h |
BOORDCOMPUTER
| Voorbeelden van de selectie Betekenis van de gekozen aanduiding | |
| Gemiddeld LPG | Gemiddeld LPG-verbruik |
| Autonomie LPG | Geschat bereik met de resterende LPG |
| Afstand LPG | Afgelegde afstand met LPG sinds de laatste reset. |
| Afstand | c) DagtellerAfgelegde afstand sinds de laatste reset. |
| Gemiddeld | Gemiddelde snelheid sinds de laatste nulinstelling.Deze waarde wordt aangegeven na 400 meter gereden te hebben. |
| Bandendruk init. lang drukken | d) Reset van de bandenspanning.→ 200 |
BOORDCOMPUTER
| Voorbeelden van de selectie Betekenis van de gekozen aanduiding | |
![]() | Benzinemodus. |
![]() | LPG-modus. |
BOORDCOMPUTER
| Voorbeelden van de selectie | Betekenis van de gekozen aanduiding |
| Boordcomputer met de ingebouwde onderhoudsbood-schap | |
| Servicebeurt binnen...30 000 Km/12 maanden | e) actieradius tot de volgende onderhoudsbeurt.Met het contact aan en een stilstaande motor, toegang tot de informatie "Aantal km tot volgende onderhoudsbeurt". Als de afstand of tijd dichtbij het interval is, zijn verschillende ge-vallen mogelijk:– overgebleven afstand minder dan 1500 km of een maand:de melding "Onderhoudsbeurt binnen" wordt weergegeven met de dichtstbijzijnde termijn (afstand of tijd);– als het bereik gelijk aan 0 km of datum van onderhouds-beurt bereikt: bericht "Onderhoud uitvoeren" verschijnt sa-men met het waarschuwingslampje Laat zo snel mogelijk een onderhoudsbeurt uitvoeren. |
| Onderhoudsbeurt over300 Km/24 dagen | |
| Onderhoud uitvoeren | |
| Resetten: om de afstand tot de volgende onderhoudsbeurt te resetten, houdt u de knop "OK" ongeveer 10 seconden inge-drukt, totdat het aantal km tot de volgende onderhoudsbeurt permanent wordt weergegeven.Opmerking: als er een onderhoudsbeurt wordt uitgevoerd zonder dat de motorolie wordt ververst, mag alleen de kilometer-stand vóór de volgende onderhoudsbeurt worden gereset. Bij olie verversen moet zowel de afstand tot de volgende onder-houdsbeurt als tot de volgende olieverversing worden gereset. | |
BOORDCOMPUTER
| Voorbeelden van de selectie | Betekenis van de gekozen aanduiding |
| Boordcomputer met de ingebouwde onderhoudsbood-schap | |
| Olie verversen binnen30 000 km/24 maanden | Afstand tot olieverversingMet het contact aan en een niet-draaiende motor, toe-gang tot de km-stand om het aantal km tot de volgende olie-verversing weer te geven. |
| afhankelijk van de auto past de afstand tot olieverversing zich aan de rijstijl aan (veel langzaam rijden, huis-aan-huis bezor-gen, lang rijden met stationair toerental, trekken van een aanhangwagen enz.). De resterende afstand tot de volgende oliever-versing kan dus in sommige gevallen sneller afnemen dan de werkelijk afgelegde afstand.Resetten: om de afstand tot de volgende onderhoudsbeurt te resetten, houdt u de knop "OK" ongeveer 10 seconden inge-drukt, totdat het aantal km tot de volgende olieverversing permanent wordt weergegeven.Opmerking: als er een onderhoudsbeurt wordt uitgevoerd zonder dat de motorolie wordt ververst, mag alleen de kilometer-stand vóór de volgende onderhoudsbeurt worden gereset. Bij olie verversen moet zowel de afstand tot de volgende onder-houdsbeurt als tot de volgende olieverversing worden gereset. | |
| Vul AdBlue bij voor 2400 km f) Geschat bereik met de resteren de reagens. | |
BOORDCOMPUTER
Informatiemeldingen
Zij kunnen u helpen bij het starten van de auto of u informeren over een keuze of een omstandigheid. Voorbeelden van informatiemeldingen worden hierna gegeven.
| Voorbeeld van boodschap Betekenis van de gekozen aanduiding | |
| « Parkeerrem aangetrokken » | Geeft aan dat de parkeerrem is vastgezet. |
| « Test systemen » Wordt weergegeven, contact aan, als de auto zichzelf controleert. | |
| « Draai stuurwiel + START » | Draai het stuurwiel licht terwijl u op de startknop van de auto druk om de stuurkolom te ont-grendelen. |
BOORDCOMPUTER
Storingsmeldingen
| Deze verschijnen samen met het waarschuwingslampje en geven aan dat u zonder uitstel en zo voorzichtig mogelijk naar een erkende dealer moet rijden. Als u dit voorschrift negeert, loopt u het risico dat uw auto beschadigd wordt.Zij verdwijnen door een druk op de keuzetoets van de aanduiding of na enkele secondes en worden opgeslagen in het functie-overzicht. Het lampje anden. Voorbeelden van storingsmeldingen worden hieronder gegeven. | |
| Voorbeeld van bood-schap | Betekenis van de gekozen aanduiding |
| « Brandstofffilter aftappen » | Geeft aan dat er water in het brandstofffilter is, raadpleeg zo snel mogelijk een merkdealer. |
| « Controleer voertuig » | Geeft een storing aan van een van de opname-elementen van de pedalen, van het beheersysteem van de accu of van een opname-element van het oliepeil. |
| « Controleer airbag » | Geeft een storing aan van de aanvullende veiligheidsvoorzieningen. In geval van een ongeluk, bestaat het risico dat ze niet geactiveerd worden. |
| « Controleer lucht veront-reiniging » | – Geeft een storing aan van het roetfiltersysteem van de auto.– Geeft een storing aan in het systeem voor emissiebeperking als dit gepaard gaat met hetwaarschuwingslampje 0. |
| « SOS oproep controle-ren » | Geeft een storing in het noodoproepsysteem aan. |
BOORDCOMPUTER
Alarmmeldingen
| Ze verschijnen samen met het wopchuwingslampje en geven aan dat u, voor uw eigen veiligheid, het voertuig moet stoppen zodra de verkeersomstandigheden dit toelaten. Stop de motor en start deze niet opnieuw. Raadpleeg een merkdealer.Hierna krijgt u voorbeelden van waarschuwingen.Opmerking:de berichten verschijnen afzonderlijk of afwisselend (als er meerdere berichten zijn), eventueel samen met een controlelampje en/of een geluidssignaal. | |
| Voorbeeld van bood-schap | Betekenis van de gekozen aanduiding |
| « Risico op motorscha-de »« Storing stuurbe-kracht. »« Storing remsysteem »« Lekke band »« Elektr.storing »Geeft e« Versnellingsbak risico op schade » | Geeft een storing van het inspuitsysteem, een oververhitting van de motor van de auto of een ern-stig probleem met de motor van de auto aan.Geeft een probleem in de stuurinrichting aan.Geeft een probleem met het remsysteem aan. Zet de automatische parkeerrem met de hand vast en zorg of de auto niet wegrolt door middel van een blok.Dit betekent dat minstens een van de banden lek is of veel te lage spanning heeft.en probleem in het laadstroomcircuit van de accu aan (dynamo, enz.).Duidt op een storing van de automatische transmissie. |
BOORDCOMPUTER
Displays en meters
2
Instrumentenpaneel A
De aanwezigheid en werking van de displays en meters ZIJN AFHANKE-LIJK VAN DE UITRUSTING EN HET LAND.

verschijnt zodra het bestuurdersportier wordt geopend. Het oplichten van sommige controlelampjes gaat vergezeld van een boodschap.
Weergave kiezen
Afhankelijk van de auto zijn er verschillende weergaven beschikbaar op het instrumentenpaneel. Om een weergave te selecteren, drukt u zo vaak als nodig is op knop 1 om door de ver-
schillende weergaven op het instrumentenpaneel A te bladeren totdat u de gewenste weergave bereikt.
Alle beschikbare weergaven geven de volgende essentiële informatie weer op het instrumentenpaneel:
- snelheidsmeter;
- de informatie over de geactiveerde rijhulpmiddelen;
- informatiezone.
De weergave "Minimaal" geeft alleen de essentiële informatie op het instrumentenpaneel weer.
De "Klassieke" weergave toont de essentiële informatie, de toerenteller en de energiemeter (afhankelijk van de auto), op het instrumentenpaneel.
De weergave "Rijhulpsystemen" geeft gedetailleerde en onmiddellijke informatie weer met betrekking tot de geactiveerde rijhulpmiddelen op het instrumentenpaneel. Bijvoorbeeld de nabijheid van een witte lijn of te dicht bij de voorligger staan.
De weergave "Navigatie" toont het volgende op het instrumentenpaneel:
- essentiële informatie;
- de wegenkaart gerepliceerd vanaf uw smartphone en geduplicateerd van het multimediasysteem naar het hele instrumentenpaneel.
Opmerking: zie voor meer informatie over de smartphone-replicatie de multimediahandleiding.
70882

text_image
D 128 km/h 130 130 600 ×1000 0 1 2 3 4 5 6 7 572 km AUTO ② ③ ④ ⑥ ⑤Weergave van de informatie Snelheidsmeter 2
Informatie over rijhulpmiddelen 3
Geselecteerde rijmodus 4
Het bereik met de overgebleven brandstof 5
Deze waarde verschijnt nadat er 400 meter is gereden → 118
Brandstofpeilmeter 6
Als het minimumpeil is bereikt, licht het
waarschuwingslampje in de meter oranje op en klinkt een geluidssignaal.
BOORDCOMPUTER
Vul het reservoir met minimum 8 liter brandstof.

text_image
Distance 297 000 km 1 503.0 km ⑦ ⑨: OK ⑧sKoelvloeistoftemperatuurmeter 9
Bij normaal gebruik moet de aanwijzer 9 vóór zone 8.blijven.
Bij intensief gebruik kan de indicator in de buurt van de zone komen.
Dit is alleen ernstig als het controle-
lampje STOP jnt, samen met een bericht op het instrumentenpaneel en een piepsignaal.

text_image
71304 A 10 11Informatiezone 7
Gebruik, afhankelijk van de auto, de knop 10 of 11 om te bladeren door de diverse widgets op het instrumentenpaneel:
- informatie ritcomputer (kilometerteller, waarschuwingsmeldingen enz.);
- multimedia-informatie (kompas, audiobron die momenteel wordt afgespeeld enz.);
- ...
Instrumentenpaneel B

verschijnt zodra het bestuurdersportier wordt geopend. Het oplichten van sommige controlelampjes gaat vergezeld van een boodschap.
Weergave kiezen
Afhankelijk van de auto zijn er verschillende weergaven beschikbaar op het instrumentenpaneel. Om een weergave te selecteren, drukt u zo vaak als nodig is op knop 1 om door de verschillende weergaven op het instrumentenpaneel B te bladeren totdat u de gewenste weergave bereikt.
Alle beschikbare weergaven geven de volgende essentiële informatie weer op het instrumentenpaneel:
BOORDCOMPUTER
- snelheidsmeter;
- de informatie over de geactiveerde rijhulpmiddelen;
- informatiezone.
De weergave "Minimaal" geeft alleen de essentiële informatie op het instrumentenpaneel weer.
De "Klassieke" weergave toont de essentiële informatie, de toerenteller en de energiemeter (afhankelijk van de auto), op het instrumentenpaneel.
De weergave "Rijhulpsystemen" geeft gedetailleerde en onmiddellijke informatie weer met betrekking tot de geactiveerde rijhulpmiddelen op het instrumentenpaneel. Bijvoorbeeld de nabijheid van een witte lijn of te dicht bij de voorligger staan.

text_image
Eco 12 13 14 15 62300 110 km/h 0 1 2 3 4 5 6 7 8 +100.0 kCO. 16 47410 km 342.1 km B 510 km 20 19 18 17Weergave van de informatie
Geluidssignaal te hoge snelheid
Afhankelijk van de auto en het land
wordt het waarschuwingslampje weergegeven en is een geluidssignaal te horen. Dit geluidssignaal is te horen zodra de auto sneller rijdt dan 120 km/u. Het waarschuwingslampje blijft branden zolang de snelheid hoger is dan 120 km/u.

Geselecteerde rijmodus 12
Toerenteller 13
(schaal x 1000)
Deze wordt op een andere manier weergegeven volgens de gekozen instelling op het instrumentenpaneel. Afhankelijk van de geselecteerde rijstijl wordt deze mogelijk niet weergegeven.
Snelheidsmeter 14
Afhankelijk van de geselecteerde rijstijl varieert het display.
Kilometertotaalteller 15 → 118
Koelvloeistoftemperatuurmeter 18
Bij normaal gebruik moet de aanwijzer 18 vóór zone 17.blijven.
Bij intensief gebruik kan de indicator in de buurt van de zone komen.
Dit is alleen ernstig als het controle-
lampje STOPjnt, samen met
een bericht op het instrumentenpaneel en een piepsignaal.
Het bereik met de overgebleven brandstof 19
Deze waarde verschijnt nadat er 400 meter is gereden → 118
Brandstofpeilmeter 20
Als het minimumpeil is bereikt, licht het
waarschuwingslampje in de meter oranje op en klinkt een geluidssignaal. Vul het reservoir met minimum 8 liter brandstof.
Informatiezone 16 → 116

text_image
B 71305 21 22Gebruik, afhankelijk van de auto, de knop 21 of 22 om te bladeren door de
BOORDCOMPUTER
diverse widgets op het instrumentenpaneel:
- informatie ritcomputer (kilometerteller, waarschuwingsmeldingen enz.); - multimedia-informatie (kompas, audiobron die momenteel wordt afgespeeld enz.);

text_image
62109 23 comfort 26 25 24Richtingaanwijzers 23
Waarschuwingslampje 24 → 135
Waarschuwingslampje lage banden-spanning 25 → 200
Waarschuwingslampje airbag 26 → 206

text_image
D km/h 130 23 STOP 28 27 62110Waarschuwingslampje (elektronische) parkeerrem 27 → 181 Waarschuwingslampje Onmiddellijk stoppen 28 → 135
Hybrid versie
Instrumentenpaneel A

text_image
Distance 29 297 000 km 1 503.0 km 32 31 : 30K 3s EVverschijnt zodra het bestuurdersportier wordt geopend. Het oplichten van sommige controlelampjes gaat vergezeld van een boodschap.
Restniveau "hoogspanning tractie-batterij" 30
Batterij bijna leeg
Bij extreem gebruik op lage snelheid kan het laadniveau van de accu zakken tot een laag niveau.
Het waarschuwingslampje 31 brandt geel om u te waarschuwen.
Het vermogen van de elektromotor wordt beperkt om te zorgen dat het Hybrid systeem correct werkt, totdat het laadniveau van de accu voldoende is.
BOORDCOMPUTER
Kies voor een soepeler rijstijl of stop de auto, indien mogelijk, zonder het contact uit te schakelen tot het waarschuwingslampje 31 weer blauw wordt.
Drempels van onmiddellijke stilstand
Bij extreem en langdurig gebruik van het voertuig (bijv. slepen of rijden op steile hellingen of ruig terrein) met snelheden lager dan 10 km/u), kan het laadniveau de drempelwaarde voor onmiddellijke blokkering bereiken.
Er klinkt een pieptoon en het rode con-
trolelampje v. schijnt.
Als het laadniveau blijft dalen, wordt het elektrische bereik niet meer getoond.
Stop indien mogelijk het voertuig, als de verkeersomstandigheden het toelaten.
Laat de verbrandingsmotor draaien totdat de waarschuwingslampjes verdwijnen.
Dit is nodig om de tractiebatterij op te laden.
Waarschuwingslampje elektrische bedrijfsmodus 32
Dit verschijnt als het voertuig enkel wordt aangedreven door de tractiebatterij.
Informatiezone 29

text_image
71304 A DC 10 11Gebruik, afhankelijk van de auto, de knop 10 of 11 om te bladeren door de diverse widgets op het instrumentenpaneel:
- informatie ritcomputer (kilometerteller, waarschuwingsmeldingen enz.);
- multimedia-informatie (kompas, audiobron die momenteel wordt afgespeeld enz.);
- energie-indicator;
- koelvloeistof temperatuurmeter;
- ...
Instrumentenpaneel B

text_image
33 34 Eco READY km/h 36 62306 47410 km 0.0 km charge eco power 40 490 km EV 39 38 37
text_image
35 63063Geselecteerde rijmodus 33 Melding die aangeeft dat het voertuig klaar is om te rijden 34
BOORDCOMPUTER
Het bericht READY verschijnt als het contact wordt ingeschakeld en verdwijnt als de auto sneller rijdt dan ongeveer 5 km/u km/h.
Energie-indicator 35→26
Afhankelijk van de geselecteerde rijstijl varieert het display.
Informatiezone 36 → 116
Restniveau "hoogspanning tractie-batterij" 37
Batterij bijna leeg
Bij extreem gebruik op lage snelheid kan het laadniveau van de accu zakken tot een laag niveau.
Het waarschuwingslampje 38 brandt geel om u te waarschuwen.
Het vermogen van de elektromotor wordt beperkt om te zorgen dat het Hybrid systeem correct werkt, totdat het laadniveau van de accu voldoende is.
Kies voor een soepeler rijstijl of stop de auto, indien mogelijk, zonder het contact uit te schakelen tot het waarschuwingslampje 38 weer blauw wordt.
Drempels van onmiddellijke stilstand
Bij extreem en langdurig gebruik van het voertuig (bijv. slepen of rijden op steile hellingen of ruig terrein) met snelheden lager dan 10 km/u) km/h,
kan het laadniveau de drempelwaarde voor onmiddellijke blokkering bereiken.
Er klinkt een pieptoon en het rode con-
trolelampje Verichijnt.
Als het laadniveau blijft dalen, wordt het elektrische bereik niet meer getoond.
Stop indien mogelijk het voertuig, als de verkeersomstandigheden het toelaten.
Laat de verbrandingsmotor draaien tot- dat de waarschuwingslampjes verdwij- nen.
Dit is nodig om de tractiebatterij op te laden.
Waarschuwingslampje elektrische modus 39
Dit verschijnt als het voertuig enkel wordt aangedreven door de tractiebatterij.
Verbruiksmeter 40 → 193

text_image
B 21 22 71305Gebruik, afhankelijk van de auto, de knop 21 of 22 om te bladeren door de diverse widgets op het instrumentenpaneel:
- informatie ritcomputer (kilometerteller, waarschuwingsmeldingen enz.);
- multimedia-informatie (kompas, audiobron die momenteel wordt afgespeeld enz.);
- energie-indicator;
- koelvloeistof temperatuurmeter;
- ...
Waarschuwing minimumpeil motor-olie
Bij het starten van de motor waar- schuwt het display op het instrumen-
BOORDCOMPUTER
tenpaneel als het minimum oliepeil is bereikt→ 336.
Bij de eerste waarschuwing kunt u deze laten verdwijnen door te drukken op de schakelaar "OK".
De volgende waarschuwingen verdwijnen automatisch na ongeveer 30 seconden.
Instrumentenpaneel in mijlen
(mogelijkheid om over te gaan op km/u)
Als de auto stilstaat en de motor is ingeschakeld, selecteert u in het multi-mediascherm "Voertuig" wereld, drukt u op het menu "Instellingen", "Sys- teem", "Eenheden" en vervolgens "Snelheid".
Zie de gebruiksaanwijzing van het multimediasysteem om de eenheid te selecteren.
Opmerking: in beide gevallen gaat de boordcomputer na een onderbreking van accuvoeding automatisch terug naar de oorspronkelijke eenheid.
De snelheidsmeter en sommige af- standsinformatie die op het instrumen- tenpaneel is weergegeven, worden ge- converteerd.
Om terug te gaan naar de vorige eenheid, gaat u op dezelfde manier te werk.
Opmerking: in beide gevallen gaat de boordcomputer, als de accu is uitgeschakeld, automatisch terug naar de oorspronkelijke eenheid.
Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van het multimediasysteem voor meer informatie.

Om bepaalde rijhulpsystemen te kunnen gebruiken, dient u de meeteenheid op
het instrumentenpaneel te wijzi- gen om de juiste informatie te ver- krijgen als u rijdt in een land waar de snelheidseenheden verschillen van die welke standaard zijn inge- steld op uw auto.

Voer deze aanpassingen uitsluitend uit als de auto stilstaat.
Menu voor het personaliseren van de instellingen van de auto

Deze functie zorgt, afhankelijk van de uitrusting van de auto, voor het in-/uitschakelen en de afstelling van sommige functies van de auto.
Toegang tot het instelmenu
Selecteer op het multimediascherm 1, met stilstaande auto en draaiende motor, de "Voertuig" wereld, druk op het menu "Voertuig" en vervolgens op "Buiten" om naar de diverse instellingen te gaan.
Selectie van de instellingen
Selecteer een tabblad en vervolgens de functie die moet worden gewijzigd
BOORDCOMPUTER
(de weergave hangt af van de uitrusting en het land van de auto):
a) "Toegang":
- "Automatische portiervergrendeling tijdens het rijden";
- Hands-free vergrendelen/ontgrendelen;
- ...
b) "Welkom":
- "Buitenverlichting animatie";
- Welkomstgeluid bij openen van portier;
- Automatische uitklappen van de spiegels;
- "Automatisch binnenlicht";
一 ...
c) "Rijverlichting":
- "Adaptieve verlichting";
- "Rijstrookkeuze";
一 ...
d) "Ruitenwissers":
- "Wissen van de achterruit bij achteruit rijden";
- "Automatische wissen van de voorruit";
- ...
Afhankelijk van de functie, selecteer:
- "ON" of "OFF" om in of uit te schakelen,
of
- een instelling voor het tijdstip dat de lichten worden ingeschakeld (de uit-schakelvertraging).
Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van het multimediasysteem voor meer informatie.

Voer deze aanpassingen uitsluitend uit als de auto stilstaat.
Klok en buitentemperatuur

De tijd en/of buitentemperatuur verschijnen op het multimediascherm 1.
Afhankelijk van de auto is het mogelijk om de tijd in te stellen vanaf het multi-
mediascherm 1, selecteer de wereld "Voertuig" druk op het menu "Instellingen" en vervolgens op "Datum en tijd".
U hebt toegang tot diverse instellingen:
- "Tijdopmaak";
- Selecteer een tijdzone.
- "Tijdzone instellen";
一 ...
Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van het multimediasysteem voor meer informatie.
Buitentemperatuurmeter
Bijzonder geval:
Als de buitentemperatuur tussen -3 °C en +3 °C ligt, knipperen de cijfers °C (om de kans op gladheid op de weg aan te geven).

Buitentemperatuurme- ter
De buitenthermometer is beslist geen gladheids-
detector. Gladheid is niet alleen van de temperatuur afhankelijk, maar van meer factoren zoals de ligging van de weg en de vochtigheid van de lucht.

CONTROLELAMPJES
De aanwezigheid en de werking van de lampjes ZIJN AFHANKELIJK VAN HET UITRUSTINGSNIVEAU EN HET LAND.
Op het instrumentenpaneel A of B

Als er geen visueel of geluidssignaal terug komt, geeft het een storing van het instrumentenpaneel weer. U moet dan direct stoppen (zonder het overige verkeer in gevaar te brengen).
Controleer of de auto correct is stilgezet en neem contact op met een merkdealer.

Het 2416 hu-
wingslampje geeft aan dat u direct extra voorzichtig naar een erkende dealer moet rijden. Als u dit advies negeert, loopt u het risico dat uw auto beschadigd wordt.

Voor uw eigen veiligheid dwingt het waarschu-
wingslampje STOP
onmiddellijk te stoppen zonder het verkeer in gevaar te brengen. Stop de motor en start deze niet opnieuw. Raadpleeg een merk-dealer.

Waarschuwingslampje
Als dit tijdens het rijden rood wordt en
het controlelampje STOP jnt, moet u voor de veiligheid stoppen zodra de verkeersomstandigheden het toelaten. Stop de motor en start deze niet opnieuw. Raadpleeg een merk-dealer. Als dit tijdens het rijden geel
CONTROLELAMPJES
wordt en het controlelampje verschijnt, moet u zo snel mogelijk een merkdealer raadplegen. Rijd onder- tussen voorzichtig .
Als u dit advies negeert, loopt u het risico dat uw auto beschadigd wordt.

Controlelampje markerings-

Controlelampje dimlicht

Waarschuwingslampje auto- ch grootlicht → 145

Controlelampje richtingaan- s rechts

Waarschuwingslampje kop- fstelling

Waarschuwingslampje pend(e) portier(en) → 60

Waarschuwingslampje dat de pakeling aangeeft van de par- em elektronische parkeerrem

Waarschuwingslampje motor and-by → 171

Waarschuwingslampje motor and-by niet beschikbaar → 171

LPG-controlelampje → 40

Waarschuwingslampje brand- eil
Het licht oranje op wanneer het contact wordt aangezet of de motor wordt gestart en dooft na een paar seconden of licht wit op, afhankelijk van de auto. Als het tijdens het rijden oranje wordt weergegeven en er klinkt een piep-toon, vul dan de tank met ten minste 8 liter brandstof. Er is dan nog voldoende brandstof over om nog ongeveer 50 km te rijden.

Waarschuwingslampje laag prandstofpeil → 40

Controlelampje voorAirbag
Dit lampje gaat branden als het contact wordt aangezet en dooft na enkele secondes. Als het niet oplicht bij het aanzetten van het contact of als het oplicht bij draaiende motor, wijst dit op een storing in het systeem.
Raadpleeg snel een merkdealer.

Waarschuwingslampje olie-
Het licht op bij het aanzetten van het contact of het starten van de motor en dooft binnen enkele seconden.
Als het tijdens het rijden gaat branden samen met het waarschuwingslampje

en er een geluidssignaal
klinkt, moet u direct stoppen en het contact uitzetten.
Controleer het oliepeil → 336.
Als het peil normaal is, heeft dit een andere oorzaak: roep direct de hulp in van een merkdealer.

Waarschuwingslampje koel- toftemperatuur
Dit licht blauw op wanneer u het contact aanzet of de motor start.
CONTROLELAMPJES
Als het rood wordt, moet u stoppen en de motor een tot twee minuten stationair laten draaien.
De temperatuur zou moeten afnemen en het waarschuwingslampje zou moeten worden uitgeschakeld of opnieuw blauwe oplichten. Als dit niet zo is moet u de motor stoppen. Laat deze afkoelen voordat u de koelvloeistof controleert.
Raadpleeg een merkdealer.

Het licht op samen met het STOP waarschuwingslampje en er klinkt een pieptoon wanneer de temperatuur van de elektrische groep te hoog is. Stop het voertuig en schakel het contact uit. Raadpleeg voor de exacte gegevens de merkdealer.
Als het lampje gaat branden in combinatie met het waarschuwings-
lampje ETOP eptoon en het bericht "VERLAAT VOERTUIG IN VEILIGHEID", zet dan het contact uit en start de auto niet opnieuw. Stap uit en roep de hulp in van een merkdealer.

Bij de melding "VER- LAAT VOERTUIG IN VEILIGHEID" in combinatie met het waarschu-
wingslampje STOP pieptoon moet u de auto voor uw eigen veiligheid onmiddellijk stoppen, afhankelijk van de verkeersomstandigheden. Zet het contact uit. Laat het uitgeschakeld. Verlaat het voertuig, laat alle passagiers uitstappen en houd ze uit de buurt van het voertuig en het verkeer.
Risico van brand.

Als u de auto stilzet in de berm van de weg, moet u de andere weggebruikers waarschuwen door
middel van de gevarendriehoek of op een andere wijze, volgens de regels van het land waar u bent.

Controlelampje 'storing in onisch systeem'
Dit lampje duidt op een elektrotechnische storing (tractiebatterij en elektromotor).
Raadpleeg snel een merkdealer.

Controlelampje elektromotor
Dit lampje duidt op een storing in het elektrotechnische systeem van de elektromotor. Raadpleeg snel een merkdealer.

Controlelampje tractiebatterij-
Het gele lampje verschijnt als het laad-niveau van de tractiebatterij de reservedrempel bereikt → 126.

Controlelampje storing trac- terij
Als dit lampje samen met het controle-
lampje 2016 dijnt, duidt dit op een storing in de werking van de tractiebatterij. Raadpleeg snel een merk-dealer.

Waarschuwingslampje laad- m 12 volt
Het licht op bij het aanzetten van het contact of het starten van de motor en dooft binnen enkele seconden.
CONTROLELAMPJES
Als het tijdens het rijden gaat branden samen met het waarschuwingslampje

STOP en er een geluidssignaal klinkt, betekent dit dat het elektrische circuit onvoldoende of te veel geladen wordt.
Stop op een veilige plaats en roep de hulp in van een merkdealer.

Controlelampje elektrische fsmodus
Dit verschijnt wanneer het voertuig alleen wordt aangedreven door de elektromotor en de tractiebatterij → 26.

Waarschuwingslampje modus
Dit gaat branden wanneer de ECO-modus wordt geactiveerd → 193.

Controlelampje antiblok- ysteem
Dit lampje verschijnt als u het contact aan zet en het verdwijnt na enkele seconden.
Als het niet dooft na het aanzetten van het contact of als het oplicht tijdens het rijden, wijst dit op een storing in het antiblokkeersysteem van de wielen. Er kan dan met de auto worden geremd als bij een auto zonder ABS. Raadpleeg snel een merkdealer.

Waarschuwingslampje voor ektronisch stabiliteitsprogram-SC) en tractiecontrolesysteem
Dit lampje verschijnt als u het contact aan zet en het verdwijnt na enkele seconden.
Het → 206 waarschuwingslampje kan om verschillende redenen gaan branden.

Waarschuwingslampje
ESC Uitschakeling van elektronisch stabiliteitsprogramma () en/of anti-slipsysteemOFF → 206

Controlelampje bij te lage enspanning
Dit lampje verschijnt als u het contact aanzet of de motor start, en het verdwijnt na enkele seconden → 200.


rschuwingslampje
voor overschakelen naar de volgen- de versnelling
Ze lichten op om u te adviseren naar een hogere versnelling (pijl omhoog) of lagere versnelling (pijl omlaag) te schakelen.

waarschuwingslampje van de oekrachtiging
Het licht op bij het aanzetten van het contact of het starten van de motor en dooft binnen enkele seconden.
Als het verschijnt tijdens het rijden, samen met het waarschuwingslampje

duidt dit op een storing in het
Raadpleeg een merkdealer.

Waarschuwingslampje sto- emsysteem
Het licht op bij het aanzetten van het contact of het starten van de motor en dooft binnen enkele seconden.
Als het tijdens het remmen gaat branden met het waarschuwingslampje

en er een geluidssignaal
klinkt, dan wijst het op een daling van de hoeveelheid remvloeistof of een storing aan het remsysteem. Stop op een veilige plaats en roep de hulp in van een merkdealer.

Waarschuwingslampje voet t rempedaal
Dit lampje verschijnt wanneer u het rempedaal moet intrappen → 175.

Waarschuwingslampje lucht- ingscyclus
CONTROLELAMPJES
Bij auto's die hiermee zijn uitgerust, gaat dit lampje branden wanneer de motor wordt gestart en, afhankelijk van de auto, wanneer het contact wordt uitgeschakeld terwijl de motor zich in stand-by → 171 bevindt.
- Als het continu brandt, moet u zo snel mogelijk een erkende Dealer raadplegen.
- Als het knippert, moet u vaart verminderen tot het knipperen ophoudt. Neem zo snel mogelijk contact op met een merkdealer 192.

Controlelampje voorverwar- (dieselmotor)
Met contact aan, moet het oplichten. Het geeft aan dat voorverwarmingsstiften werken.
Het dooft als de voorverwarming klaar is. De motor kan starten.

Controlelampje voor afda- ontrole → 206.

Waarschuwingslampje om storing aan te geven of om aan leven dat de functie "Actieve stop" niet beschikbaar is →

Waarschuwingslampje van de e "Actieve noodstop" → 236

Waarschuwingslampje pre- e verlaten van rijstrook → 220

waarschuwingslampje snel- waarschuwing
Een geluidssignaal weerklinkt en het waarschuwingslampje licht op wan- neer de auto sneller rijdt dan 120 km/ u.

waarschuwingslampje van de eidsbegrenzer → 256

Waarschuwingslampjes voor elheidsregelaar → 259.

trolelampje adap- nelheidsregelaar Stop and Go

Afhankelijk van de auto, het schuwingslampje voor een de- "Detectie bestuurdersalert- Detectie bestuurdersalertheid aarschuwing waakzaamheid wurde" → 245 of "Waarschuwing beidheidsdetectie bestuurder"

Waarschuwingslampje voor agenspeil en storingen in het systeem → 160

Waarschuwingslampje roetfil-186 → 188.

Controlelampje werking 4- andrijving
Het licht oranje op op het instrumentenpaneel om u te laten weten dat de modus OFF-ROAD is geactiveerd → 212.

Controlelampje werking 2- andrijving → 212

Waarschuwingslampje 'on- ijk stoppen'
Dit gaat branden wanneer het contact wordt aangezet of de motor wordt gestart en dooft zodra de motor draait. Het gaat tegelijk met andere waarschuwingslampjes en/of boodschappen branden en gaat vergezeld van een geluidssignaal.
Voor uw veiligheid dwingt dit u direct te stoppen zodra dit op veilige wijze kan. Stop de motor en start deze niet opnieuw.
Raadpleeg een merkdealer.

Waarschuwingslampje
Dit gaat branden wanneer het contact wordt aangezet of de motor wordt ge-start en dooft zodra de motor draait.
CONTROLELAMPJES
Het kan tegelijk met andere controle-lampjes en/of berichten verschijnen. Moet u zeer voorzichtig en zo snel als mogelijk naar een merkdealer rijden.
Als u dit advies negeert, loopt u het risico dat uw auto beschadigd wordt.

Als er geen visueel of geluidssignaal terug komt, geeft het een storing van het instrumen-
tenpaneel weer. U moet dan direct stoppen (zonder het overige verkeer in gevaar te brengen).
Controleer of de auto correct is stilgezet en neem contact op met een merkdealer.

Waarschuwingslampje herin- autogordel → 76.
STUURINRICHTING
Stuurwiel
Afstellen van het stuurwiel

Afhankelijk van de auto zijn de hoogte en diepte van het stuurwiel verstelbaar.
Duw de hendel 1 naar beneden en zet het stuur in de gewenste stand, til vervolgens de hendel op om het stuur te vergrendelen.
Controleer of het stuurwiel goed is vergrendeld.

Voer, om veiligheidsredenen, deze afstellingen uitsluitend uit als de auto stilstaat.
Stuurwielverwarming
(afhankelijk van de auto)

Met deze functie wordt het stuurwiel 2 verwarmd.
De werking van de startvergrendeling
Wanneer de temperatuur is bereikt, worden de zones ongeveer 30 minuten verwarmd, waarna de functie automatisch wordt uitgeschakeld.
Schakel de functie in
Afhankelijk van de auto kunt u de stuurwielverwarming inschakelen via het multimediascherm 3:
Uitschakelen van de functie
- Automatisch:
De functie wordt ongeveer 30 minuten na de verwarmingsfase automatisch uitgeschakeld.
- Handmatig:
Afhankelijk van de auto kunt u de stuurwielverwarming uitschakelen via het multimediascherm 3:
Stuurbekrachtiging
Rijd nooit met een 12V-accu die onvoldoende geladen is.
Bijzonderheid
Bij een accustoring (losgekoppelde of lege accu enzovoort) moet, afhankelijk van de auto, de stuurbekrachtiging worden gereset. Dat doet u zo:
- zet de auto stil en op een vlakke ondergrond;
- start de moto met alleen de bestuurder in de auto: het waarschuwings-
lampje af, afhankelijk van de auto, het bericht "Draai het stuur max R naar L" verschijnt op het instrumentenpaneel;
STUURINRICHTING
- Draai het stuur volledig naar links en houd het vast, waarbij u aan het einde van de rit ongeveer een seconde druk uitoefent (mogelijk voelt u dan het stuur in de tegenovergestelde richting bewegen);
- herhaal dezelfde handeling door het stuur volledig naar rechts te draaien;
- breng het stuurwiel weer naar links om de wielen recht te zetten.

Laat het stuurwiel niet in een uiterste stand gedraaid staan als de auto stil staat.
Bijzonder kenmerk van de Stop and Start
Wanneer de verbrandingsmotor in stand-by wordt gezet, werkt de stuurbekrachtiging niet meer. De stuurbekrachtiging wordt opnieuw ingeschakeld wanneer de motor opnieuw wordt gestart of de snelheid meer dan ongeveer 1 km/u bedraagt (afdaling, helling enz.).

Zet nooit de motor af tijdens het rijden: bij uitgeschakelde motor is er geen bekrachtiging.

Bij stilstaande motor of bij een storing in het systeem blijft het mogelijk het stuur-
wiel te draaien. Er moet meer kracht gezet worden.
SPIEGELS
Spiegels

Wanneer u de buitenspiegel selecteert met behulp van de schakelaar 2, verschijnt het ingebouwde waarschuwingslampje op de schakelaar. Gebruik vervolgens de knop 1 om de gewenste stand in te stellen.
Verwarmde achteruitkijkspiegels
Het ontdooien wordt uitgevoerd in combinatie met het ijsvrij maken van de achterruit → 297 → 300.
De buitenspiegels klappen automa- tisch uit als de auto wordt ontgrendeld.
De spiegels klappen automatisch in bij het vergrendelen van de auto.
Opmerking: u kunt het automatisch in- of uitklappen van de buitenspiegels uit-/inschakelen → 132.
U kunt het systeem uitzetten met de schakelaar 3. In deze situatie blijven de buitenspiegels ingeklapt totdat de knop 3 opnieuw wordt ingedrukt, zonder automatisch inklappen.
Bijzonderheid
Wanneer de achteruitkijkspiegel handmatig is in- of uitgeklapt, kan hij worden teruggezet naar een bepaalde gebruiksstand.
Dit kan door op de schakelaar 3 te drukken. U hoort een mechanische klik vanuit het spiegelblok.
Als u geen klikgeluid hoort, drukt u opnieuw op de schakelaar 3 totdat u het klikgeluid van de buitenspiegels hoort.

Voer deze aanpassingen uitsluitend uit als de auto stilstaat.

Voorwerpen die worden waargenomen in de achteruitkijkspiegel zijn in werkelijkheid dichterbij
dan ze lijken. Voor uw eigen veiligheid dient u hiermee rekening te houden bij het bepalen van de afstand, voordat u een manoeuvre uitvoert.
Binnenspiegel

Om te voorkomen dat u in het donker verblind wordt door de koplampen van achter u rijdende voertuigen, kunt u de
SPIEGELS
achteruitkijkspiegel kantelen met het knopje 4 achter de spiegel.

Voer deze aanpassingen uitsluitend uit als de auto stilstaat.

Voorwerpen die worden waargenomen in de achteruitkijkspiegel zijn in werkelijkheid dichterbij
dan ze lijken. Voor uw eigen veiligheid dient u hiermee rekening te houden bij het bepalen van de afstand, voordat u een manoeuvre uitvoert.
VERLICHTING EN SIGNALISATIE
Draai de ring 2 tot het symbool tegenover de markering 3 staat; Dit controlelampje op het in-strumentenpaneel licht op.
Opmerking: afhankelijk van de auto kunnen de stadslichten alleen handmatig worden geactiveerd als de parkeerrem is aangetrokken of, afhankelijk van de auto, als de versnellingspook in de stand P staat.
Anders wordt het bericht "Markeringslicht Niet beschikbaar" weergegeven
op het instrumentenpaneel om u te informeren dat het niet mogelijk is om de zijverlichting te activeren.
Functie verlichting overdag

Indien aanwezig schakelt de dagrijver- lichting en markeringslichten achter, zonder dat u de schakelaar 1 hoeft te bedienen, overdag automatisch in bij het starten van de motor en uit bij het stoppen van de motor.
Bijzonder geval:
De dagrijverlichting dooft automatisch als het controlelampje brandt.

Controleer, voordat u in het donker wegrijdt, de werking van de verlichting en stel indien nodig de stand van de koplampen af op de belasting van de auto. Zorg ervoor dat de lichten niet bedekt zijn (vuil, modder, sneeuw, vervoer van voorwerpen, enz.).
Dimlichten
Draai de ring 2 tot het symbool tegenover de marking 3 staat.
Dit controlelampje op het in-strumen-tenpaneel licht op.
Zorg ervoor dat de voorruit niet is bedekt (door vuil, modder, sneeuw, condensatie, enzovoort).
Grootlicht:
Duw met draaiende motor en met de dimlichten aan tegen de lichtschakelaar 1. Dit controlelampje op het in-strumentenpaneel licht op.
VERLICHTING EN SIGNALISATIE
Om het grootlicht uit en het dimlicht weer in te schakelen, trekt u de lichtschakelaar 1 opnieuw naar u toe.
Afhankelijk van de auto ontsteekt en dooft dit systeem automatisch het grootlicht.
Het gebruikt een camera geplaatst achter de binnenspiegel om voorliggers en tegenliggers te detecteren.
Opmerking: 's nachts, in stedelijke ge-bieden met straatverlichting, wordt het automatische grootlicht automatisch uitgeschakeld.
Het grootlicht wordt automatisch ont- stoken wanneer:
– Er is weinig externe verlichting.
- Er wordt geen andere auto of verlichting gedetecteerd.
- als de auto sneller dan ongeveer 40 km/u rijdt.
Als niet aan een van de voorwaarden hieronder wordt voldaan, wordt overgeschakeld naar dimlicht.
Opmerking: zorg ervoor dat de voorruit niet is bedekt (door vuil, modder, sneeuw, condensatie, enzovoort).

text_image
① ② ③ AUTO 62261Draai met ingeschakeld contact aan de ring 2 totdat het symbool AUTO tegenover de markering 3 staat en druk op schakelaar 1.
Het controlelampje 10 net instrumentenpaneel gaat branden als het dimlicht is ingeschakeld.
Automatisch grootlicht uitschakelen:
- draai de ring in een andere stand dan AUTO;
- trek aan de schakelaan1.
Het controlelampje

gaat uit..
Opmerking: het grootlicht wordt geactiveerd bij het uitschakelen van de functie voor automatisch grootlicht.

Het systeem kan onder bepaalde omstandigheden niet goed werken, met na-
me:
- extreme weersomstandigheden (regen, sneeuw, mist enz.);
- als er iets achter de voorruit of voor de camera zit;
- als een achterligger of tegenligger weinig verlichting voert of afgedekte lampen heeft;
- verkeerde afstelling van de kop- lampen;
– reflecterende systemen;
- ...
Storingen
Wanneer de melding "Controleer autom verlichting" op het instrumentenpaneel verschijnt, wordt het systeem uitgeschakeld.
Raadpleeg voor de exacte gegevens de merkdealer.
VERLICHTING EN SIGNALISATIE
Uitschakelen van de dimlichten
Er zijn twee mogelijkheden:
- draai de ring2 handmatig naar
stand 30E fhankelijk van de auto, naar stand 0;
- dat de lichten automatisch uit gaan na stoppen van de motor, openen van het bestuurdersportier of vergrendelen van de auto. In dat geval worden de lichten ingeschakeld wanneer de motor de volgende keer wordt gestart overeenkomstig de stand van de ring 2 als het buiten donker wordt en uit als het weer licht wordt, zonder dat de schakelaar 1 gebruikt hoeft te worden.

text_image
① ② ③ ④ 62261 AutoMistlichten voor
(afhankelijk van de auto)

Draai met draaiende motor de middelste ring 4 van de schakelaar 1 zo dat het symbool bij de markering 3 staat, en laat dan los.
Afhankelijk van de auto, gaat de schakelaar terug in stand 0 of blijft hij in dezelfde stand staan.
De werking is afhankelijk van de gevoerde verlichting; het controlelampje op het instrumentenpaneel gaat branden.
Mistachterlicht

Draai met draaiende motor de middelste ring 4 van de schakelaar zo dat het symbool bij de markering 3 staat, en laat dan los.
Afhankelijk van de auto, gaat de schakelaar terug in stand 0 of blijft hij in dezelfde stand staan.
De werking is afhankelijk van de gevoerde verlichting; het controlelampje op het instrumentenpaneel gaat branden.
Zodra de weersomstandigheden dit toelaten moet u het mistachterlicht uitschakelen om de achter u rijdende weggebruikers niet te hinderen.

Bij mist, sneeuw of bij het vervoer van voorwerpen die voorbij de voorkant van het itsteken, werkt de automati-verlichting niet altijd.
De mistlampen worden bediend door de bestuurder: controlelampjes op het instrumentenpaneel geven aan of deze zijn ingeschakeld (controlelampje aan) of uitgeschakeld (controlelampje uit).
Uitschakelen van de mistlampen
Er zijn twee mogelijkheden:
- draai, afhankelijk van de auto, de middelste ring 4 handmatig opnieuw tot de markering 3 is uitgelijnd met het pictogram van de mistlamp die u wilt uitschakelen. Het bijbehorende waarschuwingslampje verdwijnt van het instrumentenpaneel;
- de lichten worden automatisch uitgeschakeld wanneer de motor stopt of de auto is vergrendeld en de mistachterlampen worden uitgeschakeld wanneer het bestuurdersportier wordt geopend.
Wanneer de buitenverlichting wordt uitgeschakeld worden tegelijkertijd de mistlampen voor en achter uitgeschakeld.
Ken uw auto - 147
VERLICHTING EN SIGNALISATIE
Functie welkomst en afscheid
(afhankelijk van de auto)

Wanneer de functie is ingeschakeld, gaan de dagrijverlichting en de markeringslichten achter automatisch aan wanneer de kaart wordt gedetecteerd of de auto wordt ontgrendeld.
Ze gaan automatisch uit:
- ongeveer één minuut nadat ze zijn aangegaan;
- als de motor wordt gestart, naarge- lang van de stand van de schakelaar voor de verlichting;
of
- wanneer de auto wordt vergrendeld.
Inschakelen/Uitschakelen van de functie
Zie de gebruiksaanwijzing van het multimediasysteem om de externe welkomstfunctie in of uit te schakelen.
Kies "ON" of "OFF".
Geluidssignaal verlichting vergeten
Er klinkt een geluidssignaal bij het openen van het bestuurdersportier om u te waarschuwen dat de lichten nog branden.

Controleer, voordat u in het donker wegrijdt, de werking van de verlichting en stel indien nodig
de stand van de koplampen af op de belasting van de auto. Zorg ervoor dat de lichten niet bedekt zijn (vuil, modder, sneeuw, vervoer van voorwerpen, enz.).
Afstellen van de koplampen

Met schakelaar A kunt u de hoogte van de koplampen aanpassen aan de belasting van de auto.
Als de dimlichten branden, drukt u op of trekt u aan schakelaar A zo vaak als nodig is voor het selecteren van de gewenste stand op het instrumentenpaneel.
De geselecteerde positie wordt gedurende ongeveer 30 seconden weergegeven op het instrumentenpaneel.
Opmerking: Afhankelijk van de auto wordt elke keer als de motor wordt gestart, de geselecteerde stand gedurende ongeveer 30 seconden getoond op het instrumentenpaneel, en gedurende ongeveer 5 seconden elke keer als er op de schakelaar A wordt gedrukt.
VERLICHTING EN SIGNALISATIE
Tabel met voorbeelden van aanpassingsposities
| Voorbeelden van de stand van knop A, afhankelijk van de belading | |
| Bestuurder alleen of met een passagier voorin 0 | |
| Bestuurder met een passagier voorin en drie passagiers achterin | 1 |
| Bestuurder met één passagier voorin, drie passagiers achterin en bagage (of lading) die het maximaal toegestane totaal-gewicht bereikt | 2 |
| Alleen bestuurder met bagage (of belading) tot de maximaal toegelaten totale massa | 3 |
| In de volgende tabel ziet u enkele voorbeelden. Stel in alle gevallen de knop A in volgens de belading van de auto, zodat de weg goed zichtbaar is en andere weggebruikers niet verblind worden. | |
CLAXON EN LICHTSIGNALEN
Claxon


Druk op een van de plaatsen 1.
Lichtsignaal
Trek de hendel 2 naar u toe en laat hem vervolgens los om de koplampen te laten knipperen.
Richtingaanwijzers
Druk met draaiende motor of contact aan de hendel 2 evenwijdig aan het stuur in de richting waarin u wilt draai- en.
Werking van de sneltoets
Verschuif de hendel 2 even omhoog of omlaag, waarbij u het weerstandspunt
niet overschrijdt, en laat hem dan weer los: de hendel keert terug naar zijn oorspronkelijke stand en het betreffende richtingaanwijzerlampje knippert drie keer.

Druk op de schakelaar 3.
Hierdoor komen de vier knipperlichten en de zijknipperlichten tegelijk in werking.
Gebruik deze alleen als gevaar dreigt om andere weggebruikers te waar- schuwen dat u gedwongen bent te stoppen op een abnormale plaats of zelfs waar dit verboden is, of bij bijzon- dere rij- of verkeersomstandigheden.
RUITENWISSERS
Ruitenwisser, sproeier voor
Auto voorzien van ruitenwisser met interval

text_image
62078 ① A B C D EA een enkele wisbeweging
Door kort te drukken maakt de ruiten-wisser één wisbeweging.
B uit
C wissen met intervallen
De wissers vegen met tussenpozen van enkele seconden.
D langzaam continu wissen
E snel continu wissen

text_image
62944 ① ② AUTOBijzonderheid
Tijdens het rijden, gaat de wisser langzamer werken als de auto stopt. Van snel continu wissen naar langzaam continu wissen. Zodra de auto weer gaat rijden, beginnen de wissers weer met de oorspronkelijk ingestelde snelheid te werken.
Elke actie op de schakelaar 1 overschrijft en annuleert de automatische functie.
Opmerking: bij het wassen van het voertuig in een wasstraat, de ring 2 op de hendel 1 in de uit-stand zetten om wissen uit te schakelen.
Opmerking: vergeet na gebruik niet om de ring 2 op de hendel 1 weer terug te zetten in de uit-stand zodat wis-
sen niet automatisch wordt geactiveerd bij het volgende gebruik.
Auto voorzien van ruitenwisser met regensensor
De regensensor bevindt zich op de voorruit, voor de binnenspiegel.
A een enkele wisbeweging
Door kort te drukken maakt de ruiten-wisser één wisbeweging.
Buit
C functie automatisch wissen (afhankelijk van de auto)
In deze stand signaleert het systeem water op de voorruit en schakelt het wissen in met een aangepaste wissnelheid.

text_image
62944 ① ② F AUTO 2 GKen uw auto - 151
RUITENWISSERS
De inschakeldrempel van het wissen en de duur van het interval is te regelen door de ring 2 te verdraaien:
- F : minimumgevoeligheid;
- G: maximale gevoeligheid;
Hoe hoger de gevoeligheid, des te sneller reageren de ruitenwissers en wordt de frequentie van het wissen verhoogd.
Wanneer automatisch wissen is ingeschakeld of de gevoeligheid wordt verhoogd, wordt één wisbeweging uitgevoerd.
Opmerking:
- de regensensor heeft enkel een ondersteunende functie. Bij beperkte zichtbaarheid moet de bestuurder zijn ruitenwisser handmatig inschakelen. Bij mist of sneeuwval werkt de ruitenwisser niet altijd automatisch en blijft deze onder uw controle;
- Bij temperaturen onder nul wordt automatisch wissen niet ingeschakeld wanneer de auto wordt gestart. Deze functie wordt automatisch ingeschakeld wanneer de auto sneller rijdt dan een bepaalde snelheid (ongeveer 8 km/uur).
- Schakel automatisch wissen niet in bij droog weer.
- Ontdooi de voorruit volledig voordat u het automatisch wissen inschakelt;
- wanneer u de auto door een wasstraat rijdt, moet u de schakelaar 1 in stand B zetten om het automatisch wissen uit te zetten.
Als uw auto is uitgerust met een menu om de auto-instellingen te personaliseren, kunt u deze functie → 132 in- of uitschakelen.
Voor auto's die niet zijn uitgerust met een menu om de instellingen te personaliseren, kunt u de functie laten deactiveren door een erkende dealer.
Storingen
Bij een storing van het automatisch wissen, schakelt de ruitenwisser over op wissen met intervallen. Raadpleeg een merkdealer.
De werking van de regensensor kan worden verstoord bij:
- beschadigde ruitenwissers: door een waterlaagje of sporen van de ruitenwisser in de detectiezone van de sensor kan de reactiesnelheid van het automatisch wissen vertragen of kan de frequentie van het wissen verhogen;
- barsten of scheuren in de voorruit in de buurt van de sensor, stof, vuil, insecten of rijm op de voorruit of het gebruik van reinigingswas of waterafstotende producten; In dit geval zal de ruitenwisser minder gevoelig zijn of zelfs helemaal niet reageren.

text_image
62078 ① A B C D ED langzaam continu wissen
E snel continu wissen
Bijzonderheid
Tijdens het rijden, gaat de wisser langzamer werken als de auto stopt. Van snel continu wissen naar langzaam continu wissen. Zodra de auto weer gaat rijden, beginnen de wissers weer met de oorspronkelijk ingestelde snelheid te werken.
Elke actie op de schakelaar 1 overschrijft en annuleert de automatische functie.
Voorzorgsmaatregelen
- Controleer bij vorst voordat u de ruitenwisser inschakelt of de ruitenwisserbladen niet zijn vastgevroren. Als u
RUITENWISSERS
de ruitenwisser inschakelt terwijl de bladen zijn vastgevroren, kunt u zowel de bladen als de motor van de ruiten- wisser beschadigen.
- Activeer de ruitenwissers niet op een droge uit. Dit kan leiden tot vroegtijdige slijtage of beschadiging van de wisserbladen.
Bijzondere stand van de ruitenwisser voor (onderhoudsstand)

text_image
62078 ① A B C D EIn deze stand kunnen de bladen worden opgetild om ze van de voorruit te verwijderen.
Dit kan nuttig zijn:
- de bladen reinigen;
- de bladen losmaken van de voorruit bij winterweer;
- de bladen vervangen → 383.
Zet, met het contact aan of draaiende motor, de hendel 1 twee keer in de stand A (één wisbeweging). De wisserbladen stoppen iets boven de motorkap.
Om de bladen terug te zetten in de la- ge stand, zorgt u er met contact AAN voor dat de ruitenwissers zijn neerge- klapt op de voorruit. Zet daarna de schakelaar 1 in stand A (één wisbe- weging).
Voordat u het contact aanzet, moet u de ruitenwissers op de voorruit zetten. Anders kunnen de motorkap of de wissers beschadigd raken wanneer deze worden ingeschakeld.

Voordat u iets aan de voorruit doet (wassen van de auto, ontdooien of reinigen van de voor-
ruit enz.) zet u de schakelaar 1 in stand B (uit).
Risico van verwonding en/of beschadigingen.

Wanneer er zich obstakels op de voorruit bevinden
(vuil, sneeuw, ijs...), maakt
u de voorruit (inclusief de centrale zone achter de binnenspiegel) schoon voordat u de ruitenwis- sers inschakelt (risico op oververhitting van de motor).
Als een obstakel de beweging van een blad verhindert, kan dat blad stoppen met wissen. Verwijder het obstakel en schakel de ruitenwisser opnieuw in met de ruitenwisserschakelaar.
RUITENWISSERS
Ruitensproeier

text_image
2 62911 ① BMet het contact aan, trek aan de schakelaar 1 en laat los.
Door langer te drukken wordt de ruitensproeier geactiveerd en maken de ruitenwissers twee wisbewegingen, een paar seconden later gevolgd door een derde.
Opmerking: Bij temperaturen onder nul kan de ruitenwisservloeistof aanvriezen op de voorruit en het zicht verminderen. Verwarm de voorruit met behulp van de ontwasemingsschakelaar voordat u ze reinigt.

Controleer bij werkzaamheden onder de motorkap of de schakelaar van de ruitenwisser in stand
B (uit) staat.
Verwondingsgevaar

De werking van een rui- tenwisserblad
Let op de staat van de rui- tenwisserbladen. Hun levensduur hangt van u af:
- houd de bladen schoon: reinig de bladen en de ruit regelmatig met water en zeep;
- gebruik ze niet op een droge ruit;
- maak ze los van de ruit als ze lange tijd niet zijn gebruikt.
Vervang ze in elk geval zodra de werking afneemt; ongeveer eens per jaar → 383.
Voorzorgen bij het gebruik van de wissers
- Maak als het vriest of sneeuwt de ruit schoon voordat u de rui- tenwissers aanzet (de motor kan oververhit raken);
- zorg dat niets de beweging van de wisser hindert.
RUITENWISSERS
Ruitenwisser/-sproeier achter

text_image
62944 ① ② ③Achterruitenwisser

Draai met ingeschakeld contact aan de ring 3 op de schakelaar 1 tot- dat het symbool tegenover de marke- ring 2 staat.
-uit
- wissen met intervallen
De wissers vegen met tussenpozen van enkele seconden. De veegfrequentie varieert afhankelijk van de snelheid van het voertuig;
- langzaam continu wissen
Om de bewerking te stoppen, draait u de ring 3 opnieuw.
Opmerking:
Als u de auto door een wasstraat rijdt, moet u de ring 3 van de schakelaar 1 in ruststand zetten om het automatisch wissen uit te zetten.
Opmerking:
Vergeet niet om het einde van het gebruik de ring 3 van de schakelaar 1 terug in de ruststand te zetten, zodat het wissen niet per ongeluk wordt geactiveerd tijdens het volgende gebruik.

Gebruik de ruitenwisserarm niet om de achterklep te openen of te sluiten.

Voordat u iets aan de achterruit doet (wassen van de auto, ontdooien, reinigen enz.) moet u de 1 uit zetten.
Risico van verwonding en/of beschadigingen.

De werking van een rui- tenwisserblad
Let op de staat van de rui- tenwisserbladen. Hun levensduur hangt van u af:
- houd de bladen schoon: reinig de bladen en de ruit regelmatig met water en zeep;
- gebruik ze niet op een droge ruit;
- maak ze los van de ruit als ze lange tijd niet zijn gebruikt.
Vervang ze in elk geval zodra de werking afneemt; ongeveer eens per jaar → 383.
Voorzorgen bij het gebruik van de wissers
- Maak als het vriest of sneeuwt de ruit schoon voordat u de ruitenwissers aanzet (de motor kan oververhit raken);
- zorg dat niets de beweging van de wisser hindert.
Inschakelen/uitschakelen van de achterruitwisser
Wanneer de achteruitversnelling wordt ingeschakeld, wordt het intervalwissen van de achterruit ingeschakeld (als de
Ken uw auto - 155
RUITENWISSERS
ruitenwissers van de voorruit werken). Als uw auto is uitgerust met een menu om de auto-instellingen te personaliseren, kunt u deze functie → 132 in- of uitschakelen.
Voor auto's die niet zijn uitgerust met een menu om de instellingen te personaliseren, kunt u de functie laten deactiveren door een erkende dealer.
Wanneer er zich obstakels op de ach-terruit bevinden (vuil, sneeuw ...), pro-beert de ruitenwisser alle obstakels weg te wissen. Als een obstakel de beweging van het blad verhindert, kan het blad stoppen. Verwijder het obstakel, wacht ongeveer 30 seconden en schakel de ruitenwisser opnieuw in met de schakelaar voor het wissen.
Voorzorgsmaatregelen
- Controleer bij vorst voordat u de ruitenwisser inschakelt of de ruitenwisserbladen niet zijn vastgevroren op de ruit. Als u de ruitenwisser bedient terwijl het blad geblokkeerd is door vorst, bestaat het risico dat zowel het blad als de motor van de ruitenwisser beschadigd raken.
- Activeer de ruitenwissers niet op een droge ruit. Dit kan leiden tot vroegtijdige slijtage of beschadiging van de wisserbladen.

Duw met het contact aan lang de schakelaar 1 en laat vervol- os.
Als de schakelaar langer ingedrukt gehouden wordt, zullen (behalve de ruitensproeier) de ruitenwisser twee wisbewegingen maken, enkele seconden later gevolgd door een derde (druppelwisfunctie).
Als u de schakelaar loslaat, blijft de achterruitwisser werken.
BRANDSTOFTANK
Benzine en diesel-uitvoeringen

text_image
71301 A BBruikbare capaciteit van de tank:
- Ongeveer 50 liter voor 4x2-uitvoeringen.
- Ongeveer 55 liter of, afhankelijk van de auto, ongeveer 50 liter voor 4x4-uitvoeringen.
Om met ontgrendelde auto de tank-dopklep A te openen, drukt u even op zone B. Open deze en draai de tank-dop 1los.

text_image
71302 ① ② ATijdens het tanken kunt u de dop in de houder 2 van het klepje plaatsen.
Sluiten: druk de klep A met de hand tegen de aanslag. Afhankelijk van het voertuig zit de dop 1 met een plastic draad vast aan het voertuig. Zie "Tanken van brandstof" voor info over het vullen van de brandstoftank.

De vuldop is van een speciaal type. Vraag naar ditzelfde type als het origineel wanneer u
een andere dop koopt. Ga naar een erkende dealer.
Rook niet tijdens het tanken en ontsteek geen open vuur in de nabijheid van de brandstoftank of de tankdop.
Maak de omgeving van het vul- systeem niet schoon met een ho- gedrukreiniger.
Soort brandstof
Gebruik altijd brandstof van goede kwaliteit die voldoet aan de regelgeving van het land, en aan de aanwijzingen op de sticker op de tankdopklep → 399.
Benzinemotor
Gebruik uitsluitend ongelode benzine. Het octaangehalte (RON) moet overeenkomen met de indicatie op de sticker aan de binnenkant van de tank-dopklep → 399.
Dieselmotor
Gebruik uitsluitend dieselbrandstof die voldoet aan de gegevens op de sticker
BRANDSTOFTANK
aan de binnenkant van de tankdopklep → 399.

Brandstoffen die voldoen aan de Europese normen die ook gelden voor de mo- van auto's die in Europa zijn cht → 399.

Als u brandstof wilt tanken, zet u de motor uit (dus NIET stand-by bij voertuigen met de Stop t-functie): u moet het uit zetten → 165, → 167. an brand.

Vermeng de diesel- brandstof nooit met ben- zine (loodvrij of E85), zelfs niet een kleine hoe-
veelheid.
Gebruik geen ethanol als dit niet geschikt is voor uw auto.
Voeg geen reagens toe aan de brandstof, anders kan de motor → 160 beschadigd raken. Als u een additief wilt toevoegen aan de brandstof, gebruik dan een product dat is goedgekeurd door onze technische dienst.
Raadpleeg voor de exacte gege- vens de merkdealer.

Wijzig of repareer niet zelf het brandstofsysteem (rekeneenheden, bedrading, brandstofcir-
cuit, inspuitstukken of verstuivers, beschermkappen, enz.) vanwege de grote gevaren voor de veiligheid die hierdoor kunnen ont-staan. Laat deze werkzaamheden uitsluitend door uw erkende dealer uitvoeren.

Let op bij werkzaamheden dicht bij de motor, deze kan nog warm zijn. Bovendien kan de venti-
lateurmotor onverwacht gaan draaien. Het waarschuwingslamp-
je motorruimte herinnert u hieraan. Verwondingsgevaar
Tanken van brandstof
Plaats, met contact uit, het mondstuk om de brandstoftank te vullen (vermijd het risico op spatten).
Houd hem in deze stand tijdens het tanken. Als het vulpistool automatisch is afgeslagen, mag u nog maximaal twee liter brandstof bijvullen.
Let er op dat bij het tanken geen water bij de brandstof komt.
Plaats na het vullen de dop 1 terug en sluit de tankdopklep A om te voorkomen dat er water of vuil in het systeem terechtkomt.
Zorg er altijd voor dat de dop 1, de klep A en de omtrek schoon en vrij van stof, modder, vuil enz. blijven.
Bijzonderheid
BRANDSTOFTANK
Bij het stoppen van de auto gedurende ongeveer 3 maanden moet u brandstof toevoegen om te voorkomen dat de brandstofpomp beschadigt.
Om dit te doen, moet u, met het contact uit, gaan tanken of minimaal 10 li- ter brandstof bijvullen en vervolgens de motor starten om de pomp te laten werken en de brandstof in het circuit te verversen.
Als het niet mogelijk om ten minste 5 liter brandstof toe te voegen vanwege het brandstofpeil in de tank, rijd dan door tot de tank de gewenste capaciteit heeft.
Benzinemotor
Schade die ontstaan is als gevolg van het tanken van loodhoudende benzine wordt niet door de fabrieksgarantie gedekt.
Om te voorkomen dat er abusievelijk loodhoudende benzine wordt getankt, heeft de vulhals een nauwe doorlaat met een veiligheidssysteem waarin alleen een vulpistool met ongelode benzine past.

Aanhoudende stank van brandstof
In geval van een aan- houdende stank van
brandstof, moet u:
- onmiddellijk stoppen, rekening houdend met het overige verkeer en het contact uitzetten;
- de alarmknipperlichten aanzetten en alle passagiers laten uitstappen en ze op veilige afstand van de auto houden;
- Als het peil normaal is, heeft dit een andere oorzaak, roep de hulp in van een erkende dealer.
REAGENSTANK
U dient zich te houden aan de wetgeving van het land waarin u zich bevindt.
Overtreding van de geldende regelgeving is strafbaar.
De werking van de startver-grendeling
De reagens is bestemd voor dieselmotoren voorzien van het SCR-systeem (selectieve katalysator).
Gebruik van een reagens vermindert de hoeveelheid stikstofoxide in uitlaatgassen.
Het werkelijke reagensverbruik is afhankelijk van de gebruiksomstandigheden, de uitrusting van de auto en de rijstijl van de bestuurder.
Reagenskwaliteit
Gebruik alleen reagentia die voldoen aan standaard ISO 22241 en in overeenstemming met de markering op de vuldop.
Om reagens bij te vullen, moet de motor worden gestopt (dus NIET stand-by voor auto's met de Stop and Start-functie). U moet het contact uitzetten → 165, → 167
Als het bericht "XXX km tot uitschakeling; vul AdBlue bij" verschijnt, vult u de reagenstank bij volgens de instructies voor bijvullen.
Risico op stilstand van de auto.
Vullen

text_image
71303 ① ABruikbare capaciteit van de tank: ongeveer 14 liter.
Open, met het contact uit, de klep A en draai de dop 1 los.
Opmerking: er kan ammoniumhydroxidedamp ontsnappen uit de opening als de temperatuur van de tank hoog is.
U kunt de tank bijvullen bij de pomp. Wanneer het contact uit is, steekt u het vulpistool zo ver mogelijk naar binnen voordat u met tanken begint (spatgevaar).
Houd hem in deze stand tijdens het tanken.
REAGENSTANK
Als het vulpistool automatisch is afgeslagen, mag u nog maximaal twee liter brandstof bijvullen.
In andere vulsituaties is het belangrijk dat u de informatie op de reagenscontainer (blik of fles) leest.

De vuldop is van een speciaal type.
Vraag naar ditzelfde type als u een andere dop
koopt. Ga naar een erkende dealer. Maak de omgeving van het vulsysteem niet schoon met een hogedrukreiniger.
Voorzorgsmaatregelen
Bij het vullen:
- behandel de reagens voorzichtig. Het kan kleding, schoenen, onderdelen van de carrosserie enz. beschadigen.
- zorg dat er bij het vullen geen water in de brandstoftank komt.
Als er reagens overstroomt of op het lakwerk terechtkomt, moet het betroffen gebied snel met veel water en een zachte doek worden gereinigd.
Opmerking: als de reagensvloeistof kristalliseert, gebruikt u een zachte spons.

De reagens mag niet in contact komen met ogen of huid. Bij onverhoopt contact spoelen met veel dien nodig een arts raad-
Bij extreem koud weer
Als het vriest moet de reagenstank worden bijgevuld als het waarschu-
wingslampje 500 het bericht "Vul AdBlue bij voor 1200 km" worden weergegeven op het instrumentenpaneel.
Bijzondere gevallen
De reagensvloeistof bevriest bij ongeveer -10 °C.
Probeer in deze omstandigheden niet om de vloeistof bij te vullen als deze bevroren is. Indien u het reservoir moet vullen of bijvullen met reagens (

aan), zet u de auto indien mo- op een warmere plek zodat de ns weer vloeibaar wordt. Anders vraagt u een vakman om reagensvloeistof bij te vullen.

Controleer na het vullen van het reagensreservoir of de dop en de klep gesloten tart de motor en WACHT 10 hnden terwijl het voertuig laat en de motor draait voor- weer wegrijdt.
Als u dit niet doet, wordt het bijvullen van de tank pas geregistreerd nadat de auto tientallen minuten heeft gereden.
Het bericht "---Bijvullen Adblue" en/of de waarschuwingslampjes kunnen zichtbaar blijven totdat het bijvullen is geregistreerd door het systeem.

Er mogen geen werkzaamheden worden uitgevoerd aan onderdelen van het systeem. Om
schade te voorkomen mag uitsluitend deskundig personeel van de erkende dealer werkzaamheden aan het systeem uitvoeren.
REAGENSTANK
Onderhoud/actieradius
De informatie op het instrumentenpaneel kan worden vergezeld door een geluidssignaal.
| Waarschuwings-lampjes | Bericht Wat te doen? | |
| - | « Vul AdBlue bij voor 2400 km » | Wanneer het bericht verschijnt als het contact wordt aangezet, hebt u een ac-tieradius van minder dan 2400 km.Laat een merkdealer de reagenstank vullen of bijvullen. |
gaat branden. | « Vul AdBlue bij voor 1200 km » | Wanneer het bericht verschijnt als het contact wordt aangezet, hebt u een ac-tieradius tussen 1200 km en 800 km.Laat een merkdealer de reagenstank vullen of bijvullen. |
gaat branden. | « XX km blokkade Ad-Blue bijvullen » | Het bericht verschijnt als het contact wordt aangezet en wordt herhaald:– ongeveer elke 100 km hebt u een actieradius van tussen 800 km en 200 km;– Ongeveer elke 50 km: u hebt een actieradius van minder dan 200 km.In alle gevallen moet de tank met reagens zo spoedig mogelijk door u of een geautoriseerde dealer worden gevuld. |
gaat branden. | « 0 km blokkade Ad-Blue bijvullen » | De motor wil niet starten.Voor een herstart moet u zelf de reagenstank bijvullen. |
REAGENSTANK
Systeemstoringen
De informatie op het instrumentenpaneel kan worden vergezeld door een geluidssignaal.
| Waarschuwingslampjes Bericht Interpretatie | ||
schijnen. | « Controleer lucht ver-ontreiniging »« Contoleer kwaliteit Ad-Blue »« Controleer AdBlue injectie » | Geeft een storing in het systeem aan. Raadpleeg zo spoedig mogelijk uw erkende dealer. |
schijnen. | "xxxKm tot emissiecon-trole lockout" | Geeft aan dat er een systeemfout is en dat binnen 800 km de auto niet meer opnieuw kan worden gestart.Deze waarschuwingen worden herhaald:– elke 100 km totdat er tussen 800 km en 200 km over is voordat de auto niet opnieuw kan worden gestart;– Elke 50 km wanneer er minder dan 200 km resteert voordat de au-to niet meer kan worden gestart.Raadpleeg zo spoedig mogelijk uw erkende dealer. |
schijnen. | « 0 km blokkade anti-luchtveront. » | Geeft aan dat de auto niet opnieuw zal starten nadat het contact is uitgeschakeld. Roep de hulp in van een merkdealer. |
INRIJDEN
Benzinemotor
Rijd de eerste 1000 km niet sneller dan 130 km/uur in de hoogste versnel- ling en laat de motor met niet meer dan 3000 tot 3500 omw/min draaien.
Pas na ongeveer 3000 km zult u over het volle vermogen van de motor kunnen beschikken.
Onderhoudsbeurten: raadpleeg het onderhoudsboekje van de auto.
Dieselmotor
Rijd de eerste 1.500 km niet sneller dan 130 km/h in de hoogste versnel-ling en houd het toerental onder 2.500 tr/min. Daarna kunt u sneller rijden maar pas na 6 000 km zult u over het volle vermogen van de motor kunnen beschikken.
Trek tijdens het inrijden nooit snel op. Als de motor nog koud is mag u hem in de lagere versnellingen nooit met een hoog toerental laten draaien.
Onderhoudsbeurten: raadpleeg het onderhoudsboekje van uw auto.
Opmerking: bij een nieuwe auto in de inrijfase: het koelvloeistofpeil kan hoger zijn dan de markering "MAXI" op de tank, en vervolgens dalen tot tussen de niveaus "MINI" en het "MAXI"-niveau.
Dit levert geen risico op.
STARTEN, STOPPEN VAN DE MOTOR
Contactslot bij auto's met een sleutel.
Stand "Stop en stuurslot actief" A.

text_image
62140 A B C 1Als u de sleutel 1 uit het slot trekt en het stuur draait, hoort u een klik: de stuurinrichting is nu vergrendeld. U zet het stuurslot vrij door het stuur en de sleutel iets heen en weer te bewegen.
Stand "aan" B
Het contact staat aan.
- benzinemotor: u kunt nu starten.
- Dieselmotor: de motor wordt voorverwarmd.
Stand "Start" C
Indien de motor niet aanslaat, moet u de contactsleutel terug draaien tot de waarschuwingslampjes uit gaan voor u opnieuw kunt starten.
Laat de contactsleutel los zodra de motor is aangeslagen.
Bijzonderheid van auto's met een automatische transmissie
→ 175.
Starten van de motor
Al naar gelang de auto moet u, als een versnelling is ingeschakeld en u de motor wilt starten, het koppelingspedaal indrukken of de versnellingshendel in de neutraalstand zetten. Het bericht "Selecteer N + starten" verschijnt op de boordcomputer om u te informeren.
In zeer koude omstandigheden (temperaturen onder -20°C): om het starten van de motor te vergemakkelijken, zet u het contact enkele seconden aan voordat u de motor start.
Als de motor wordt gestart bij een zeer lage buitentemperatuur (minder dan -10 °C): houd het koppelingspedaal ingedrukt tot de motor draait.

Start uw auto nooit in vrijloop op een helling. De stuurbekrachtiging kan hierdoor worden uit-
geschakeld.
Er is kans op ongevallen.
Benzinemotor
- Draai de sleutel naar de stand "Start" zonder gas te geven.
- Laat de contactsleutel los zodra de motor is aangeslagen.

Dieselmotor
- Draai de contactsleutel in de "Aan"-stand B en houd hem in deze stand totdat het waarschuwingslampje van de voorverwarming van de motor uit-gaat.
- Draai de sleutel naar de "Start"-stand C zonder gas te geven.
- Laat de contactsleutel los zodra de motor is aangeslagen.
STARTEN, STOPPEN VAN DE MOTOR

Tijdens een systeemupdate via het multimediasysteem is het niet mogelijk om de e starten.
Wacht tot de update is voltooid voordat u de auto start.
Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van het multimediasysteem voor meer informatie over systeemupdates.
Auto's met automatische transmissie
Zet voor het starten de hendel in de stand P of N en trap het rempedaal in → 175.
Stilzetten van de motor
Laat de motor stationair draaien en draai de sleutel terug in de stand "Stop" A.
Bijzonderheid
Afhankelijk van de auto stoppen de accessoires (radio enz.) met werken zodra de motor wordt uitgeschakeld of de portieren zijn vergrendeld, of als het bestuurdersportier wordt geopend.

Start uw auto nooit in vrijloop op een helling. De stuurbekrachtiging kan hierdoor worden uit-
geschakeld.
Er is kans op ongevallen.
LPG-uitvoering
De motor start altijd op benzine.

Zolang de brandstoftank leeg is, kan het voertuig niet starten of alleen in
LPG-modus rijden.
Gebruik van de twee brandstoffen LPG/benzine vereist de aanwezigheid van benzine (voor starten, hoge acceleratie, lage temperaturen enz.).
Wanneer het oranje waarschu-
wingslampje verschijnt op het instrumentenpaneel en er is een pieptoon te horen, vul de tank dan zo snel mogelijk met brandstof.

Voor meer informatie over LPG-versies → 40.

Zet het contact nooit af voordat de auto stilstaat. Als de motor niet meer draait, zijn er geen rembekrachtiging meer. Ken veiligheidsvoorzie- zoals airbags en gordels, niet meer.

Parkeer de auto niet of blijf niet met draaiende motor staan op een plaats waar de uitlaat
zich boven brandbaar materiaal bevindt. Onder ongunstige omstandigheden (droogte, harde wind) kan brand ontstaan als de hete uitlaat in contact komt met gras of bladeren.
STARTEN, STOPPEN VAN DE MOTOR

Verantwoordelijkheid van de bestuurder tijdens het parkeren of stoppen van de auto
Laat nooit, ook niet heel even, een kind, een afhankelijke vol- wassene of een dier in de auto achter als u deze verlaat. Het kan zichzelf of anderen in ge- vaar brengen door bijvoorbeeld de motor te starten, door organen te bedienen zoals de ruitbedie- ning, of de portieren te vergrende- len, enz.
Bovendien kan bij warm, zonnig weer de temperatuur in het interieur heel erg snel oplopen. LEVENSGEVAAR OF GEVAAR VAN ERNSTIG LETSEL.
Hybrid versie

text_image
XC 62140 C B AZet het contact aan:
- zet de versnellingshendel in stand P ;
- druk het rempedaal in; - draai de sleutel naar de Start-stand
C zonder gas te geven;
- Laat de sleutel los zodra het bericht READY verschijnt op het instrumentenpaneel en u een geluidssignaal hoort.
Het bericht verdwijnt als de snelheid boven ongeveer 5 km/u komt km/h.
Uitschakelen van het Hybrid-systeem
Draai met stilstaande auto de contact-sleutel naar de stand "Stop" A. Het
contact wordt uitgeschakeld en het be- richt READY verdwijnt van het instru- mentenpaneel.

Controleer voordat u het voertuig verlaat, of het contact is uitgeschakeld.
Contactslot bij auto's met een kaart

Starten van de motor
De kaart moet zich binnen de detectiezone 2 bevinden.
STARTEN, STOPPEN VAN DE MOTOR

- zet bij een auto met automatische transmissie de hendel in stand P of N, druk op het rempedaal en druk op de knop 1. op Hybrid voertuigen verschijnt het bericht READY op het instrumentenpaneel en hoort u een geluidssignaal. Het bericht verdwijnt als de snelheid boven ongeveer 5 km/u komt km/h;
- druk voor een auto met een handmatige versnellingsbak het rempedaal of koppelingspedaal in en druk op knop 1. Als een versnelling ingeschakeld is, is het indrukken van het koppelingspedaal voldoende om te kunnen starten.
Bijzonderheden
- Als er niet is voldaan aan een van de startvoorwaarden, verschijnt het bericht "Druk op rem + START" of "Ontkoppel + starten" of "Selecteer stand P" op het instrumentenpaneel.
- in sommige gevallen moet het stuurwiel worden bewogen bij het indrukken van de startknop 1 om het ontgrendelen van de stuurkolom mogelijk te maken: in dit geval waarschuwt, het bericht "Draai stuurwiel + START" u daarvoor;
Opmerking:
- als bij auto's met een handgeschakelde versnellingsbak de motor afslaat, verschijnt het bericht "Ontkoppelen" op het instrumentenpaneel. Druk het koppelingspedaal helemaal in om de motor opnieuw te starten;
- op Hybrid auto's: de motorunit wordt automatisch na ongeveer 15 minuten uitgeschakeld als de auto stil heeft gestaan en de veiligheidsgordel van de bestuurder niet is vastgemaakt. Indien nodig kunt u de motor opnieuw starten door éénmaal te drukken op de knop 1.
Tijdens een systeemupdate via het multimediasysteem is het niet mogelijk om de auto te starten.
Wacht tot de update is voltooid voordat u de auto start.
Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van het multimediasysteem voor meer informatie over systeemupdates.
LPG-uitvoering
De motor start altijd op benzine.
STARTEN, STOPPEN VAN DE MOTOR

Zolang de brandstoftank leeg is, kan het voertuig niet starten of alleen in LPG-modus rijden.
Gebruik van de twee brandstoffen LPG/benzine vereist de aanwezigheid van benzine (voor starten, hoge acceleratie, lage temperaturen enz.).
Wanneer het oranje waarschu-
wingslampje verschijnt op het instrumentenpaneel en er is een pieptoon te horen, vul de tank dan zo snel mogelijk met brandstof.

Voor meer informatie over LPG-versies → 40.
"Handsfree" starten met geopende achterklep
In dat geval mag de kaart zich niet in de bagageruimte bevinden, om te vermijden dat u ze kwijtraakt.

Verantwoordelijkheid van de bestuurder tijdens het parkeren of stoppen van de auto
Laat nooit, ook niet heel even, een kind, een afhankelijke vol- wassene of een dier in de auto achter als u deze verlaat. Het kan zichzelf of anderen in ge- vaar brengen door bijvoorbeeld de motor te starten, door organen te bedienen zoals de ruitbedie- ning, of de portieren te vergrende- len, enz..
Bovendien kan bij warm, zonnig weer de temperatuur in het interieur heel erg snel oplopen. LEVENSGEVAAR OF GEVAAR VAN ERNSTIG LETSEL.
Functie accessoires

Zodra u bent ingestapt, kunt u een aantal functies van de auto (radio, navigatiesysteem ruitenwisser, enz.) gebruiken.
Om de andere functies te gebruiken, drukt u met de kaart in de auto op de knop 1 zonder de pedalen in te drukken.
STARTEN, STOPPEN VAN DE MOTOR
Storingen

In sommige gevallen werkt de hands-free kaart niet:
- kaartbatterij leeg, accu ontladen, enz.
- de kaart is in de buurt van een apparaat dat dezelfde frequentie gebruikt (scherm, mobiele telefoon, gameconsole enz.);
- De auto bevindt zich in een sterk elektromagnetisch veld.
De melding "Plaats de kaart in zone + START" verschijnt op het instrumentenpaneel.

text_image
70943 ③ ④ BTrap het rem- of koppelingspedaal in en plaats dan de kaart 3 (A of B) op het symbool 4 (A of B). Druk op de knop 1 om de auto te starten. Het bericht verdwijnt.
Speciaal geval van Hybrid auto's
Met stilstaande auto in de elektrische bedrijfsmodus verschijnt het bericht "Motor actief Zet contact uit" op het instrumentenpaneel en klinkt er een pieptoon indien:
- de autogordel van de bestuurder niet is vastgemaakt;
- de motorkap is open (afhankelijk van de auto);
- het bestuurdersportier open is.
Voorwaarden voor het stoppen van de motor

De auto moet stilstaan, met de hendel in stand P bij een auto met een automatische transmissie. Op Hybrid voertuigen, verschijnt het bericht READY op het instrumentenpaneel.
Druk met de kaart in de auto op de knop 1: de motor wordt uitgeschakeld. Op Hybrid voertuigen, verdwijnt het bericht READY van het instrumentenpaneel.
De stuurkolom vergrendelt bij het openen van het bestuurdersportier of bij het vergrendelen van de auto.
Als de kaart niet in het interieur aanwezig is of als de kaartaccu leeg is als de auto stilstaat en u de motor wilt uit-
STARTEN, STOPPEN VAN DE MOTOR
zetten, verschijnt het bericht "Kaart afwezig druk lang START" op het instrumentenpaneel: druk ten minste drie seconden op de knop 1. Als de kaart zich niet meer in het interieur bevindt, controleert u of u deze kunt ophalen voordat u de knop ingedrukt houdt. Zonder de kaart kunt u de auto niet opnieuw starten.
Als de motor is gestopt, blijven de op dat moment ingeschakelde accessoires (radio, enz.) ongeveer 10 minuten werken.
Als het bestuurdersportier geopend wordt, schakelen de accessoires uit.

Zet het contact nooit af voordat de auto stilstaat. Als de motor niet meer draait, zijn er geen stuuren rembekrachtiging meer. Ook werken veiligheidsvoorzieningen, zoals airbags en gordelspanners, niet meer.

Parkeer de auto niet of blijf niet met draaiende motor staan op een plaats waar de uitlaat zich boven brandbaar materiaal bevindt. Onder ongunstige omstandigheden (droogte, harde wind) kan brand ontstaan als de hete uitlaat in contact komt met gras of bladeren.

Controleer, als u de auto verlaat en vooral als u de kaart bij u hebt, of de motor volledig is uitgeschakeld.

Zet altijd het contact uit als u iets gaat doen onder de motorkap.
Functie Stop and Start
Dit systeem zorgt voor een lager brandstofverbruik en vermindert de uit-stoot van broeikasgassen. Het systeem wordt automatisch ingeschakeld wanneer de auto begint te rijden.
Tijdens het rijden stopt het systeem de verbrandingsmotor (standby) wanneer de auto tot stilstand komt.
Het controlelampje het instrumentenpa

chijnt op
Omstandigheden waarbij de motor op stand-by wordt gezet
de auto heeft na de laatste stilstand gereden.
Voor auto's met automatische versnellingsbak:
- de versnellingsbak staat in stand D of N;
en
- het rempedaal wordt (voldoende hard) ingedrukt;
Afhankelijk van de auto, als het waar-
schuwingslampje

pert en
het bericht "Rempedaal indrukken" verschijnt op het instrumentenpaneel, geeft dit aan dat het rempedaal onvoldoende is ingedrukt;
en
- het gaspedaal wordt niet ingedrukt; en
STARTEN, STOPPEN VAN DE MOTOR
- de snelheid is nul.
De motor blijft op stand-by staan wanneer stand P inschakelt, of wanneer stand N inschakelt terwijl de parkeerrem is aangetrokken en het rempedaal wordt losgelaten.
Voor auto's met een handgeschakel- de versnellingsbak:
- De versnellingshendel staat in de neutrale stand (neutraal);
en
- het koppelingspedaal wordt losgelaten;
Als het controlelampje K. pert, moet het koppelingspedaal volledig worden losgelaten.
Voor alle auto's:
Het waarschuwingslampje (A) het instrumentenpaneel gaat branden wanneer de motor op stand-by staat. De uitrusting van de auto blijven in werking terwijl de motor stilstaat.
De stuurbekrachtiging werkt mogelijk niet meer als de motor naar stand-by gaat.
In dat geval werkt deze pas weer als de motor niet meer in stand-by is of als de snelheid hoger is dan ongeveer 1 km/u (bij afdalen, helling enz.).

Wanneer de motor op stand-by wordt gezet, wordt de automatische parkeerrem (afhankelijk
van de auto) niet automatisch vastgezet.

Rijd niet met de auto wanneer de motor op stand-by staat (het waar-
schuwingslampje

wordt op het instrumentenpaneel weergegeven).

Voordat de auto wordt verlaten, moet de motor worden afgezet (niet in stand-by) → 165, → 167.
Verhinderen dat de motor op stand-by wordt gezet
In bepaalde omstandigheden, zoals bij invoegen op een kruispunt, is het mogelijk om bij geactiveerd systeem de motor draaiende te houden om snel te kunnen starten.
Voor auto's met automatische versnellingsbak:
Laat de auto stilstaan, maar druk niet te hard op het rempedaal.
Voor auto's met een handgeschakel- de versnellingsbak:
Houd het koppelingspedaal ingedrukt.

Als u brandstof wilt tanken, zet u de motor uit (dus niet alleen in de stand-by bij
voertuigen met de functie Stop and Start): u moet het contact
→ 165, → 167 uitzetten.
Risico van brand.
Stand-by uitschakelen
Voor auto's met automatische versnellingsbak:
- bij openen van het bestuurdersportier of
- als de bestuurdersgordel niet is vast-gemaakt;
of
- als het rempedaal wordt losgelaten en stand D wordt ingeschakeld; of
STARTEN, STOPPEN VAN DE MOTOR
- als het rempedaal wordt losgelaten, stand N is ingeschakeld en de parkeerrem is losgezet;
of - als het rempedaal opnieuw wordt ingetrapt, stand P of stand N is ingeschakeld of als de parkeerrem is aangetrokken → 175;
of - het gaspedaal wordt ingedrukt; of
- als de stand R is ingeschakeld. of
- als, afhankelijk van de auto, de versnellingshendels in de handmatige modus (M) zijn ingeschakeld.
Voor auto's met een handgeschakel- de versnellingsbak:
- als het bestuurdersportier wordt geopend, zonder dat daarbij een versnel- ling is ingeschakeld en het koppelingspedaal niet is ingedrukt;
of
- als de bestuurdersgordel wordt los-gemaakt zonder dat een versnelling ingeschakeld en het koppelingspedaal niet is ingedrukt;
of
- de versnellingsbak staat in stand neutraal en het koppelingspedaal wordt lichtjes ingedrukt;
of
- de versnelling is ingeschakeld en het koppelingspedaal is volledig ingedrukt.
Bijzonderheid: afhankelijk van de au-
to kan het controlelampje

rende enkele seconden verschijnen als u het contact uitzet met de motor op stand-by.

Voor auto's met een handgeschakelde versnellingsbak:
Het herstarten kan worden onderbroken als het koppelingspedaal te snel wordt losgelaten terwijl een versnelling wordt ingeschakeld.
Omstandigheden waarbij de motor niet op stand-by wordt gezet
Onder bepaalde omstandigheden kan het systeem de motor niet op stand-by zetten, speciaal als:
- het bestuurdersportier niet is gesloten;
- de autogordel van de bestuurder niet is vastgemaakt;
-
de achteruitversnelling is ingeschakeld;
– de motorkap niet is vergrendeld; -
de buitentemperatuur is te hoog of te laag;
– de accu onvoldoende geladen is; - het verschil tussen de temperatuur in de auto en de ingestelde temperatuur van de thermostatische airconditioning te groot is;
– de Parkeerhulp in werking is;
– de hoogte is te groot; - de helling is te steil voor auto's met automatische transmissie.
- de functie "Helder zicht" is ingeschakeld → 300;
– de motortemperatuur is te laag; - de luchtzuiveringscyclus wordt vernieuwd;
- ...
Het waarschuwingslampje

schijnt op het instrumentenpaneel om u te waarschuwen dat de stand-by-functie van de motor onbeschikbaar is.

De motor moet worden uitgeschakeld (niet op stand-by gezet) voordat er werkzaamheden in de
motorruimte worden uitgevoerd.
U moet het contact uitzetten
→ 165, → 167
STARTEN, STOPPEN VAN DE MOTOR
Bijzonderheid van het automatisch weer starten van de motor
Onder bepaalde omstandigheden kan de motor vanzelf weer starten om uw veiligheid en uw comfort te waarborgen.
Dit kan gebeuren wanneer:
- de buitentemperatuur is te hoog of te laag;
- de functie "Helder zicht" is ingeschakeld → 300;
– de accu onvoldoende geladen is; - de rijsnelheid van de auto hoger is dan 5 km/u (bij afdalen);
- het rempedaal herhaaldelijk wordt ingedrukt of er is een remsysteem vereist;
- ...
Het schuwingslampje op het instrumentenpaneel licht op om u te melden dat de motor automatisch opnieuw wordt gestart.

Voordat de auto wordt verlaten, moet de motor worden afgezet (niet in stand-by) → 165, → 167.
Inschakelen, uitschakelen van de functie

Druk de schakelaar 1 in om de functie uit te schakelen: Het bericht "Stop & Start uitgeschakeld" verschijnt op het instrumentenpaneel en het controle-lampje van schakelaar 1 brandt.
Met nog een keer indrukken schakelt het systeem weer in. Het bericht "Stop & Start actief" verschijnt op het instrumentenpaneel en het controlelampje van schakelaar 1 gaat uit.
Het systeem wordt automatisch opnieuw ingeschakeld bij elke start van het voertuig door het indrukken van de startknop → 167.
Storingen
Als het bericht "Stop & Start controle- ren" verschijnt op het instrumentenpa- neel samen met het controlelampje van de schakelaar 1, geeft dit aan dat het systeem is gedeactiveerd.
Raadpleeg voor de exacte gegevens de merkdealer.

Speciale opmerking: wan- neer de motor op stand-by staat, zal het eenmaal in-
drukken van de schakelaar 1 de motor automatisch opnieuw starten.
VERSNELLINGSSCHAKELAAR
VERSNELLINGSHENDEL

(bij stilstaande auto)
Auto met een handgeschakelde versnellingsbak schakel de stand Neutraal en daarna Achteruit in.
Bekijk de tekening op de knop 1 van de hendel en trek de ring 2 omhoog tegen de knop om de achteruitversnel-ling in te schakelen.
Auto's met automatische versnel- lingsbak: → 175.
De achteruitrijlichten gaan branden, zodra de achteruitversnelling is ingeschakeld en het contact aanstaat.
B: versnelling vooruit met meer regeneratief remmen (afhankelijk van de auto)
P: parkeren, knop 2
70879

text_image
3 D 130 128 km/h 130 ECO x1000 0 1 2 3 4 5 6 7 572 km ECODe weergave 3 op het instrumentenpaneel geeft gekozen stand van de keuzehendel 1 aan.

Controleer of het controlelampje P op het instrumentenpaneel en het rode controlelampje dat in de knop 2 is ingebouwd, worden weergegeven voordat u de auto verlaat.
Risico dat de auto wegrolt.
Werkzaamheden
Start de stilstaande auto met de selectiehendel 1 in stand P.
VERSNELLINGSSCHAKELAAR
Bij Hybrid-uitvoeringen verschijnt het bericht READY op het instrumentenpaneel.
Met uw voet op het rempedaal schakelt u uit de stand P naar de stand D.
De versnellingshendel mag alleen in stand D, B of R worden gezet als de auto stilstaat en de motor draait, met het rempedaal ingedrukt en het gaspedaal niet.
Het waarschuwingslampje READY op het instrumentenpaneel geeft aan dat het Hybrid systeem werkt en rijklaar is → 165, → 167.
Werkzaamheden

Zet de selectiehendel 1 een of twee klikken vooruit of achteruit in de gewenste stand (R, N, D of B). Als u de hendel loslaat, gaat deze naar een stabiele positie.
De gekozen stand verschijnt op het instrumentenpaneel.
Als bepaalde omstandigheden het schakelen in de weg staan, knippert de gewenste stand op het instrumentenpaneel.
Inschakelen van stand P

Om de stand P in te schakelen, met stilstaande auto, lopende motor of het contact aan, drukt u op de knop 2 om de stand P in te schakelen. Het waarschuwingslampje op de knop 2 licht oranje op zodra de versnellingsbak in de stand Parkeren P is geschakeld.
Stand uitschakelen P
Druk met stilstaande auto en lopende motor op het rempedaal en zet de keuzehendel 1 voor- of achterwaarts in de gewenste stand. Het waarschuwingslampje 2 in de knop verdwijnt.
Als het rempedaal niet volledig wordt ingetrapt, worden het bericht "Rempedaal indrukken" en het waarschu-
VERSNELLINGSSCHAKELAAR
wingslampje

rgegeven op
Opmerking:
- Als de bestuurder zijn portier opent om uit te stappen en als de stand P niet is ingeschakeld, klinkt een geluidssignaal en verschijnt het bericht "P niet ingeschakeld" op het instrumentenpaneel.
- Het controlelampje schijnt iedere keer als u het rempedaal moet indrukken om de stand van de versnelingshendel te wijzigen.
Om Neutraalstand in te schakelen (N)
Houd voor inschakelen van de stand N met stilstaande auto en draaiende motor de keuzehendel 1 een klik naar voren of naar achteren gedurende ongeveer twee seconden ingedrukt, afhankelijk van de ingeschakelde versnel-ling.
Om de versnelling vooruit in te schakelen (stand D)
Zet, met stilstaande auto en lopende motor, de keuzehendel 1 twee klikken omhoog om stand D in te schakelen. Als een van deze voorwaarden niet wordt voldaan, knippert D gedurende ongeveer 5 seconden en verschijnt de
boodschap "Rempedaal indrukken" gedurende ongeveer 15 seconden op het instrumentenpaneel.
In de meeste rijomstandigheden hoeft u de versnellingshendel niet meer te gebruiken: er wordt automatisch op het juiste moment geschakeld naar een geschikt toerental omdat het automatisch systeem rekening houdt met de belasting van de auto, het wegprofiel en de geselecteerde rijstijl.
Opmerking: als de motor draait, de auto ongeveer 0 tot 4 km/u rijdt en in stand N of R staat, moet u het rempe- daal intrappen om de auto in stand D te zetten. Dit is nuttig bij parkeerma- noeuvres waarbij meermaals moet worden geschakeld tussen vooruit- en achteruitversnelling.
Zuinig rijden
Laat de selecteurhendel voor normaal gebruik in stand D staan. Als het gaspedaal iets wordt ingedrukt, schakelt de transmissie bij een lage snelheid naar de volgende versnelling.
Accelereren en inhalen
Druk het gaspedaal snel en diep in (voorbij het zware punt van het pedaal).
Hierdoor wordt, binnen de mogelijkheden van de motor, teruggeschakeld naar de optimale versnelling.
Rijden in de modus B
Deze modus maakt rijden mogelijk met sterker regeneratief remmen.
Bij loslaten van het gaspedaal gebruikt de auto regeneratief remmen om de auto af te remmen.
Zo genereert de elektromotor meer stroom om de tractieaccu op te laden.
In de modus B werkt regeneratief remmen minder als de accu koud of volledig opgeladen is.

Het remmen op de motor kan in geen geval het indrukken van het rempe-daal vervangen.
Om de achteruitversnelling in te schakelen (R-stand)
Zet, met stilstaande auto en lopende motor, de keuzehendel 1 twee klikken vooruit om stand R in te schakelen.
Als het rempedaal niet wordt ingedrukt, klinkt er een geluidssignaal, knippert de weergave van de huidige stand R gedurende ongeveer vijf seconden op het instrumentenpaneel en verschijnt gedurende ongeveer 15 seconden het bericht "Rempedaal indrukken".
VERSNELLINGSSCHAKELAAR
Opmerking: als de motor draait en de auto met een snelheid van ongeveer 0 tot 4 km/u rijdt en de stand N of D ingeschakeld is, hoeft het rempedaal niet te worden ingetrapt om de stand R in te schakelen. Dit is nuttig bij parkeermanoeuvres waarbij meermaals moet worden geschakeld tussen vooruit- en achteruitversnelling.
Hendels 4 en 5 voor overschakelen naar een andere versnelling

Afhankelijk van de auto kunnen de hendels 4 en 5 worden gebruikt om de versnelling te wijzigen als de hendel 1 in stand D staat.
4: naar een lagere versnelling schakelen.
5: naar een hogere versnelling schakelen.
De standen P, N en R kunnen niet worden gekozen via de hendels.
Opmerking: bij Hybrid-G 4x4-uitvoeirngen worden de hendels op het stuur niet geactiveerd wanneer de auto volledig elektrisch rijdt. Het waarschu-
wingslampje FV chijnt groen op het instrumentenpaneel→ 30.
Stand handgeschakeld
Tijdens het rijden in stand D kunt u met peddels 4 en 5 op het stuurwiel overschakelen naar handgeschakelde modus. Afhankelijk van de auto zijn twee handmatige rijstijlen beschikbaar:
- de "tijdelijke" handmatige modus kan worden gebruikt om schakelen te forceren door kort op een van de twee hendels te drukken. De rijstijlmodus D en versnelling verschijnen op het instrumentenpaneel.
Opmerking: De versnellingsbak gaat automatisch terug naar de automatische modus D als de ingeschakelde versnelling niet meer optimaal voor de prestaties van de auto is of als er al enige tijd geen actie op een peddel is geweest.
- activeer de permanente hand- schakelmodus door een van de ped-
dels ingedrukt te houden. De rijstijlmodus M en versnelling verschijnen op het instrumentenpaneel.
Opmerking: afhankelijk van de auto keert het systeem terug naar de automatische modus door de peddels rechts in te drukken en vast te houden of door de tip-hendel 1 een of twee extra klikken naar achteren te zetten.
In alle gevallen:
— om terug te schakelen drukt u op de linkerhendel;
- Voor een hogere versnelling drukt u op de rechterhendel.
Opmerking: afhankelijk van de display stellen de indicatoren "+" en "-" of

en

om een hogere elling te kiezen
Opmerking: bij HybridG 4x4-uitvoeringen is het in permanente handmatige modus niet mogelijk om naar de volledig elektrische modus over te schakelen.
Bijzondere gevallen
In sommige gevallen (zoals ter bescherming van de motor, bij werking van het elektronisch stabiliteitsprogramma (ESC), enz.) wordt door "het automatische systeem" de juiste versnelling gekozen.
VERSNELLINGSSCHAKELAAR
Ook kan, om verkeerde manoeuvres te voorkomen, het schakelen worden geweigerd. In dit geval knippert de aanduiding van de versnelling enkele seconden om u te waarschuwen.
Bijzondere gevallen
- Als het wegtype of de weersomstandigheden (steile helling omhoog of omlaag, diepe sneeuw, zand of modder) het moeilijk maken om in automatische modus te blijven rijden: Hiermee voorkomt u dat de versnellingsbak herhaaldelijk automatisch schakelt bij heuvelopwaarts rijden en kunt u remmen op de motor tijdens lange afdalingen.
- Om te voorkomen dat de motor afslaat in zeer koud weer, wacht u best enkele seconden voordat u stand P of N verlaat en de hendel in stand D/ B of R zet.
Parkeren van de auto
Bij auto's met hendel 1, wordt de stand P automatisch ingeschakeld, samen met de automatische handrem (indien aanwezig), wanneer:
– de motor wordt uitgeschakeld;
- de veiligheidsgordel van de bestuurder wordt losgemaakt en de auto stilstaat;
- het bestuurdersportier wordt geopend en de auto stilstaat.
P verschijnt op het instrumentenpaneel en het controlelampje P in de knop is aan.
Aangezien stand P automatisch wordt ingeschakeld wanneer de motor stopt, moet u in sommige gevallen (bijv. in sommige wasstraten) stand N inschakelen:
- druk met draaiende motor op de knop P, zet de keuzehendel 1 een klik vooruit of achteruit en schakel de motor uit.
- Zet met de motor uit en het contact aan de keuzehendel 1 een klik vooruit of achteruit en schakel de motor uit.
Bij de volgende keer starten van de motor wordt de stand P automatisch ingeschakeld aan de hand van de eerder beschreven gevallen.

Stand P mag alleen worden ingeschakeld als de auto stilstaat.

Bij het bergop rijden moet u het gaspedaal loslaten om de auto te stoppen en de ebruiken.
Risico van oververhitting van de automatische versnellingsbak.

Om veiligheidsredenen mag u nooit het contact uitzetten voordat de auto compleet stilstaat.
Onderhoudsintervallen
Raadpleeg het onderhoudsdocument voor uw auto of neem contact op met een merkdealer om na te gaan of peri-odiek onderhoud noodzakelijk is voor de automatische transmissie.
Als de transmissie geen onderhoud nodig heeft, hoeft geen olie te worden bijgevuld.
Storingen
- Als tijdens het rijden het bericht "Controleer auto.transmissie" verschijnt, is er een storing.
Raadpleeg zo snel mogelijk uw merk-dealer.
VERSNELLINGSSCHAKELAAR
- Als tijdens het rijden het bericht "Oververhitting auto.transmissie" op het instrumentpaneel verschijnt, stop dan zo snel mogelijk om de versnellingsbak te laten afkoelen en wacht totdat het bericht verdwijnt;
Zorg bij een motorstoring of een elektrische storing (accustoring) die van invloed is op de werking van de automatische versnellingsbak dat de auto goed stil blijft staan.

Bij het manoeuvreren kan de auto aan de onderkant ergens tegenaan rijden (bijvoorbeeld: con-
tact met een paaltje, een trottoir of ander stadsmeubilair) waar- door schade kan ontstaan aan de auto (bijvoorbeeld: vervorming van een as), het elektrische circuit of de tractiebatterij.
Raak de onderdelen van het circuit of eventuele lekken of vloeistoffen niet aan.
Om ieder risico van een ongeluk te voorkomen, moet u uw auto door een merkdealer laten contro- leren.
Risico van ernstig letstel of mogelijk dodelijke elektrische schok.
PARKEERREM
Vastzetten van de automatische par- keerrem
Bij stilstaande auto kunt u de auto blokkeren met behulp van de automatische parkeerrem:
- door te drukken op de knop voor starten/stoppen van de motor 1 of door te draaien aan de contactsleutel 2 (sleutel in de stand "Stop en stuurslot actief" A);
of
- als de bestuurdersgordel niet is vastgemaakt;
of
- bij het openen van het bestuurder- sportier;
of
- bij auto's met een automatische transmissie, als stand P van de transmissie is ingeschakeld.
In alle andere gevallen, bijvoorbeeld wanneer de motor afslaat of op stand-by gaat vanwege de functie Stop and Start → 171 wordt de elektronische parkeerrem niet automatisch geactiveerd. De handbediening moet dan gebruikt worden.
Voor bepaalde modellen in sommige landen wordt de rem niet automatisch vastgezet. Zie de informatie over "Handbediening".

De activatie van de elektronische handrem wordt bevestigd door het bericht "Parkeerrem aangetrokken" en
het waarschuwingslampje (P) het instrumentenpaneel en door het aangaan van het controlelampje3 op de schakelaar 4.
Na het stilzetten van de motor, dooft het controlelampje 3na enkele minuten na het vastzetten van de automatische parkeerrem en het waarschu-
wingslampje (P) uit bij het vergrendelen van de auto.

Controleer, voordat u de auto verlaat, of de automatische parkeerrem in- derdaad is vastgezet.
Om de uitschakeling van de handrem te bevestigen, gaat het controlelampje 3 op de schakelaar 4 aan en verschijnt het waar-
schuwingslampje (P) et instrumentenpaneel totdat de deuren op slot zijn.
Opmerking: in sommige situaties (automatische parkeerrem defect, handmatig ontgrendelen van de automati-
PARKEERREM
sche parkeerrem enz.), klinkt er een piep en verschijnt de melding "Parkeerrem aantrekken" op het instrumentenpaneel om aan te geven dat de automatische parkeerrem is losgezet.
- met stilstaande motor: bij het openen van het bestuurdersportier; - met motor uit (bijvoorbeeld als de motor afslaat): bij het openen van een voorportier.
In dit geval trekt u en laat u de schakelaar 4 weer los om de elektronische parkeerrem aan te trekken.
De parkeerrem automatisch vrij zetten
De parkeerrem wordt vrijgezet zodra de auto wordt gestart door te acceleren of, bij auto's met een automatische versnellingsbak, met het contact aan, bij het schakelen van stand P naar stand R, N of D.
Handbediend

text_image
62051 ③ 123 ④U kunt de elektronische parkeerrem met de hand bedienen.
Handmatig vastzetten van de automatische parkeerrem
Trek aan schakelaar 4. Het controle-lampje 3 en het waarschuwingslampje
op het instrumentenpaneel gaan aan.

Druk om de parkeerrem los te zetten op de schakelaar 1 zonder de pedalen in te trappen of draai de contactsleutel 2 naar de stand "Aan" B om het contact van de auto in te schakelen. Druk op het rempedaal en druk vervolgens op schakelaar 4: het controlelampje 3 op de schakelaar gaat uit en het waar-
schuwingslampje (P) wijnt van het instrumentenpaneel.
PARKEERREM

Controleer, voordat u de auto verlaat, of de automatische parkeerrem in- derdaad is vastgezet.
Om de uitschakeling van de handrem te bevestigen, gaat het controlelampje 3 op de schakelaar 4 aan en verschijnt het waar-
schuwingslampje (P) et instrumentenpaneel totdat de deuren op slot zijn.
Kortstondige stop

Om de elektronische parkeerrem handmatig te activeren (als u moet stoppen voor een verkeerslicht of bij stilstaande auto met draaiende motor enzovoort): trek aan de schakelaar 4 en laat los. Het loszetten is automatisch zodra de auto weer gaat rijden.

text_image
62142 ① ② B ABijzondere gevallen
Parkeren op een helling
Als u wilt parkeren op een helling of terwijl u een caravan of een aanhangwagen trekt, moet u enkele seconden aan de schakelaar 4 trekken voor een maximale remwerking.
Parkeren met geloste elektronische parkeerrem

Zorg ervoor dat het voertuig stabiel staat, voordat u de parkeerrem deactiveert.
De toepassing parkeerrem moet gede- activeerd zijn om te parkeren met ge- loste elektronische parkeerrem.
Dat doet u zo:
- schakel een versnelling in of kies stand P: de aandrijfwielen worden mechanisch vergrendeld door de aandrijfas.
- stop de motor door te drukken op de start/stopknop 1 of door aan de contactsleutel 2 te draaien;
- maak de gordel van de bestuurders-stoel los;
– open het bestuurdersportier; - los de elektronische parkeerrem handmatig (zie "Elektronische parkeerrem handmatig lossen"). Zorg ervoor dat het voertuig stabiel is;
- sluit het bestuurdersportier. Vergren- del indien nodig het voertuig.
Uitvoering met automatische transmissie
Bij bestuurdersportier open of slecht gesloten en draaiende motor, wordt het automatisch loszetten uit veiligheidsoverwegingen gedeactiveerd, (dit
PARKEERREM
om te voorkomen dat de auto alleen zonder bestuurder weg rolt). De melding "Parkeerrem hand- matig vrijgeven" verschijnt op het instrumentenpaneel als de bestuurder het gaspedaal indrukt.

Verlaat uw auto nooit voordat u de versnel- lingshendel in stand P hebt gezet en de motor
hebt afgezet. Als u namelijk gas geeft terwijl een versnelling is ingeschakeld, kan de stilstaande auto gaan rijden.
Kans op ongevallen.

Als het bericht "Elektr. storing" of "Controleer accu" of "Storing rem-systeem" verschijnt,
blokkeert u de auto door de eerste versnelling te selecteren (bij een handgeschakelde versnellingsbak), of de stand P te selecteren (bij een automatische versnellingsbak) of door gedurende ongeveer 10 seconden te trekken aan de schakelaar 4.
Blokkeer de wielen van het voertuig als de helling en de omstandigheden dit vereisen.
Risico dat de auto wegrolt.
Raadpleeg een merkdealer.
Storingen
- Bij een storing verschijnt het waar-
schuwingslampje in- strumentenpaneel, samen met het be- richt "Controleer parkeerrem" en soms
het waarschuwingslampje (P)
Raadpleeg snel een merkdealer.
- Bij een storing van de elektronische parkeerrem gaat het waarschuwings-
lampje 5704n, samen met het bericht "Parkeerrem storing", een geluidssignaal en in sommige gevallen
het waarschuwingslampje

U moet direct stoppen zonder het overige verkeer in gevaar te brengen.

Als er geen visueel of geluidssignaal terug komt, geeft het een storing van het instrumen-
tenpaneel weer. U moet direct stoppen zonder het overige verkeer in gevaar te brengen. Zorg dat de auto inderdaad goed gestopt is en neem contact op met een merkdealer.
PARKEERREM
handrem

Trek de hendel 2 iets omhoog waarna u de knop 1 indrukt en de hendel omlaag duwt.
Het waarschuwingslampje

het instrumentenpaneel gaat uit.
Het rode waarschuwingslampje verschijnt op het instrumentenpaneel en er klinkt een pieptoon als u rijdt met een niet goed geloste parkeerrem (bij een snelheid hoger dan 10 km/u).

Bij een botsing tegen de onderkant van de auto (bijvoorbeeld contact met een paaltje, een
stoeprand of ander straatmeubilair) kunt u de auto beschadigen (bijvoorbeeld vervorming van een as, enz).
Om ieder risico van een ongeluk te voorkomen, moet u uw auto door een merkdealer laten controleren.
Vastzetten
Trek de hendel 2 omhoog en contro- leer of de auto goed blijft stilstaan.
Het controlelampje (P) et instrumentenpaneel licht op.

Tijdens het rijden moet de handrem helemaal vrij gezet zijn (rood waarschuwingslampje
uit), risico van oververhitting of beschadiging.

Bij stilstaande auto kan het nodig zijn, afhanke- lijk van de helling en de belasting van de auto,
de handrem minstens twee extra tanden vaster zetten en een ver- snelling in te schakelen (1 ^e of achteruitversnelling voor de auto's met handgeschakelde versnel- lingsbak) of stand P voor de auto's met automatische trans- missie.
BIJZONDERHEDEN VERSIES MET DIESELMOTOR
Toerental van de dieselmotor
Om schade aan de motor te voorkomen, mag het motortoerental tijdens het rijden nooit hoger zijn dan 4.500 tpm, ongeacht welke versnelling is ingeschakeld.
Als het bericht "Controleer lucht verontreiniging" verschijnt en de waar-
schuwingslampjes


oplichten, raadpleeg dan snel een merkdealer.
Afhankelijk van de gebruikte brandstofsoort, kan er soms witte rook ontstaan tijdens het rijden.
Dit wordt veroorzaakt door het automatisch reinigen van het roetfilter en heeft geen gevolgen voor het rijgedrag van de auto
Als de tank is leeg gereden
Wanneer de tank is gevuld nadat de brandstof volledig was afgetapt, moet het brandstofcircuit → 157 worden ontlucht, voordat de motor wordt gestart.

text_image
A Ex 1 x,xx 70986Label met de opaciteit van motorgassen
U vindt de informatie 1 op het label A in de motorruimte.
1 Dieseluitstoot.
Voorzorgen in de winter
Om problemen bij vorst te voorkomen:
- zorg dat de accu steeds goed gela- den is;
- zorg dat de brandstoftank altijd vrijwel vol is om condensatie van waterdamp in de tank tegen te gaan.

Parkeer de auto niet of blijf niet met draaiende motor staan op een plaats waar de uitlaat
zich boven brandbaar materiaal bevindt. Onder ongunstige omstandigheden (droogte, harde wind) kan brand ontstaan als de hete uitlaat in contact komt met gras of bladeren.
Roetfilter
Het roetfilter wordt gebruikt bij de behandeling van uitlaatgassen van dieselmotoren.
Het waarschuwingslampje

het instrumentenpaneel geeft, afhankelijk van de auto, aan dat het filter is verstopt en moet worden schoongemaakt.
Doe dit zo: blijf rijden wanneer het
waarschuwingslampje

schijnt, afhankelijk van de verkeersomstandigheden en de maximumsnelheid, totdat het dooft. Laat het motor-toerental indien mogelijk niet lager zakken dan 2000 tpm.
BIJZONDERHEDEN VERSIES MET DIESELMOTOR
Na ongeveer 10 tot 20 minuten zou het waarschuwingslampje moeten doven.
De weergave van het instrumentenpaneel kan gecombineerd zijn met een hoger motortoerental en een hogere werking van het koelcircuit om het roetfilter te reinigen.
Opmerking: Het waarschuwingslampje verschijnt mogelijk weer als de verkeersomstandigheden met betrekking tot het reinigen van het filter zich niet volledig voordoen. Als de auto stilstaat of als het motortoerental zakt tot onder 2000 tr/min voordat het controlelampje verdwijnt, moet de handeling wellicht worden herhaald.

Voor regeneratie van het roetfilter is om de 200 km een lange autorit nodig van eens 20 minuten, op een weg.
Als het filter verzadigd raakt, verschijnt
het waarschuwingslampje afhankelijk van de auto, het waarschu-
wingslampje 3 het instrumen- tenpaneel, plus het bericht "Controleer
inspuitsysteem". Raadpleeg in dat ge- val een erkende dealer.
Als het waarschuwingslampje STOP en afhankelijk van de auto het waar-
schuwingslampje 📄chijnt samen met het bericht "Risico op motor-schade", stop dan de auto, zet de motor uit en neem contact op met een erkende dealer.

Voor uw eigen veiligheid dwingt het waarschu-
wingslampje STOP
onmiddellijk te stoppen zonder het verkeer in gevaar te brengen. Stop de motor en start deze niet opnieuw. Roep de hulp in van een merkdealer.
BIJZONDERHEDEN VERSIES MET BENZINEMOTOR
Onder bepaalde omstandigheden, zoals:
- lang doorrijden als het waarschu- wingslampje brandstofreserve brandt; - gebruiken van loodhoudende benzi- ne;
- het gebruik van niet door de fabrikant goedgekeurde toevoegingen aan de motorolie of de benzine.
Of bij het optreden van storingen zoals:
- een defecte ontsteking, brandstofgebrek of losse bougiekabel waardoor de ontsteking overslaat en de auto met horten en stoten rijdt; - vermogensverlies,
hierdoor kan de katalysator oververhit raken waardoor deze minder effectief wordt of onherstelbaar wordt beschadigd, en ook andere delen van de auto kunnen te heet worden.
Indien u één van de hiervoor genoemde storingen constateert, dient u uw auto zo spoedig mogelijk door een merkdealer te laten herstellen.
Door de in het onderhoudsdocument voorgeschreven onderhoudsbeurten door uw merkdealer uit te laten voeren, kunt u dergelijke storingen voorkomen.
Bij startmoeilijkheden
Blijf niet proberen om te motor te starten (door op de startknop te drukken of de auto te duwen of te slepen) zonder dat u de oorzaak van de storing vaststelt en verhelpt om schade aan de katalysator of de startmotor en voortijdige slijtage van de accu te voorkomen.
Ga niet door met starten maar roep de hulp in van een merkdealer en laat de storing verhelpen.

Parkeer de auto niet of blijf niet met draaiende motor staan op een plaats waar de uitlaat
zich boven brandbaar materiaal bevindt. Onder ongunstige omstandigheden (droogte, harde wind) kan brand ontstaan als de hete uitlaat in contact komt met gras of bladeren.
Roetfilter
Het roetfilter wordt gebruikt bij de behandeling van uitlaatgassen van de benzinemotor.
Het waarschuwingslampje

het instrumentenpaneel geeft, afhankelijk van de auto, aan dat het filter is verstopt en moet worden schoongemaakt. Om het reinigen nadat het

waarschuwingslampje is gaan branden, rij tussen ongeveer 50 en 110 km/u, rekening houdend met de verkeersomstandigheden en de snel-heidsbeperkingen, totdat het lampje dooft.
Na ongeveer 5 tot 20 minuten zou het waarschuwingslampje moeten doven.
Opmerking: het waarschuwingslampje kan na 20 minuten uitgaan als niet volledig is voldaan aan de rijcondities voor het reinigen van het filter.
Als de auto stopgezet is voordat het controlelampje gedoofd is, moet u de handeling opnieuw uitvoeren vanaf het begin.
Als het filter verzadigd raakt, verschijnt
het waarschuwingslampje

afhankelijk van de auto, het waarschu-
wingslampje 30 et instrumentenpaneel, plus het bericht "Controleer inspuitsysteem". Raadpleeg in dat geval een erkende dealer.
BIJZONDERHEDEN VERSIES MET BENZINEMOTOR
Als het waarschuwingslampje STOP en afhankelijk van de auto het waar-
schuwingslampje 3 chijnt samen met het bericht "Risico op motor-schade", stop dan de auto, zet de motor uit en neem contact op met een erkende dealer.

Voor uw eigen veiligheid dwingt het waarschu-
wingslampje STOP
onmiddellijk te stoppen zonder het verkeer in gevaar te brengen. Stop de motor en start deze niet opnieuw. Roep de hulp in van een merkdealer.
MILIEU
Uw auto is ontwikkeld met een zo groot mogelijke aandacht voor het milieu gedurende zijn hele bestaan: bij zijn fabricage, tijdens zijn gebruik en ten slotte als hij gesloopt wordt.
Fabricage
De fabricage van uw auto vindt plaats in een fabriek die stappen onderneemt tot vermindering van de milieueffecten op de leefomgeving en de natuur (vermindering van wateren energieverbruik, lichten geluidsoverlast, wateren luchtverontreiniging, scheiden van afval en terugwinnen van materialen uit afvalstoffen).
Emissies
Uw auto is ontworpen om minder broeikasgassen (CO2) uit te stoten tijdens gebruik en daardoor minder brandstof te verbruiken (bijvoorbeeld, voor een dieselauto is 140 g/km (gelijk aan 5,3 l/100 km), terwijl voor een benzineauto 100 g/km (gelijk aan 4,2 l/100 km).
Bovendien zijn de auto's uitgerust met een antiluchtverontreinigingssysteem, zoals een katalysator, een lambdasonde om de uitlaatgassen te reinigen. Een benzinedampfilter voorkomt dat de uit de tank afkomstige benzine-
damp in de atmosfeer terecht komt enz.
Bij sommige auto's met een dieselmotor is dit systeem aangevuld met een roetfilter waardoor de uitstoot van roetdeeltjes verminderd wordt.
Denk zelf ook aan het milieu
- Onderdelen en voertuigen mogen aan het einde van hun levensduur niet worden weggegooid. Zij moeten worden overgedragen aan een instantie die aan de milieunormen voldoet.
- Versleten onderdelen en componenten die tijdens routineonderhoud aan het voertuig worden vervangen, zoals banden of olie (geleegde of gevulde tanks), moeten worden ingeleverd bij speciale inzamelpunten.
- Versleten elektrische en elektronische onderdelen die worden vervangen (zoals batterijen) mogen niet als afval worden weggegooid. Breng ze naar een erkende dealer of raadpleeg uw plaatselijke overheid voor informatie over geschikte recyclingfaciliteiten.

- Om de recycling van uw voertuig aan het einde van zijn levensduur te optimaliseren, kunt u contact opnemen met een erkende dealer of de website van de fabrikant bezoeken om doorverwezen te worden naar inzamelpunten die respect voor het milieu garanderen en voldoen aan de lokale wetgeving.
Kringloop
Uw auto is voor minstens 85% recycleerbaar en voor minstens 95% recupereerbaar.
Om deze doelstellingen te behalen, is een groot aantal onderdelen van de auto ontworpen om gerecycled te wor-
MILIEU
den. De materialen en constructies zijn zorgvuldig ontworpen om:
- deze componenten eenvoudig te verwijderen en opnieuw te verwerken door gespecialiseerde bedrijven;
- een circulaire economie te bevorderen (hergebruik, recycling, terugwinning, enz.)
Dit geldt met name voor accu's van elektrische voertuigen.
Om grondstoffen te sparen, bevat uw voertuig diverse onderdelen die zijn gemaakt van gerecyclede kunststoffen of hernieuwbare materialen.
TIPS VOOR ONDERHOUD EN MINDER LUCHTVERONTREINIGING
Uw auto voldoet aan de eisen voor recycling aan het einde van de gebruiksduur, die van kracht werden in 2015.
Bepaalde onderdelen van uw auto zijn ontworpen om later gerecycled te worden.
Deze onderdelen zijn gemakkelijk te verwijderen zodat ze ingezameld en in recyclingbedrijven herverwerkt kunnen worden.
Door zijn ontwerp, door de fabrieksaf- stellingen en door zijn matig verbruik is uw auto in overeenstemming met de wettelijke bepalingen over luchtverontreiniging in ons land. Hij produceert zo weinig mogelijk schadelijke uitlaatgassen en rijdt zo zuinig mogelijk. Maar de luchtverontreiniging en het verbruik van uw auto hangen ook van u af. Let op dat hij goed wordt onderhouden en goed wordt gebruikt
Onderhoud
Overtreding van de bepalingen inzake luchtverontreiniging is strafbaar.
Voor een goede werking van het uitlaatsysteem en het handhaven van de emissiewaarden mogen er alleen originele merkonderdelen gebruikt worden voor het brandstofen uitlaatsysteem van uw auto.
Laat uw auto controleren en afstellen door een erkende dealer, in overeen-
stemming met de instructies in het onderhoudsprogramma van uw auto: de erkende dealer beschikt over alle gereedschappen om de oorspronkelijke afstellingen van uw auto te garanderen.
Afstelling van de motor
- Bougies: voor het verkrijgen van de optimale omstandigheden waarbij een laag verbruik, een hoog rendement en goede prestaties samengaan, is het beslist noodzakelijk dat de door ons voorgeschreven bougies worden gebruikt.
Laat steeds bougies van het juiste merk en type met de juiste elektrodenafstand monteren. Raadpleeg hiervoor een merkdealer.
- Luchtfilter, brandstofffilter: een vervuild filterelement vermindert het rendement. Laat het vervangen.
- Contact en stationair toerental: geen aanpassing nodig.
Controle van de uitlaatgassen
Het controlesysteem van de uitlaatgassen waarschuwt bij een storing in de werking van het antiluchtverontreinigingssysteem.
Een dergelijke storing kan leiden tot een verhoogde uitstoot van schadelijke
uitlaatgassen en schade aan mechanische organen.

Dit waarschuwingslampje op het mentenpaneel geeft mogelijke gen in het systeem aan:
Dit gaat branden als u het contact aan zet en dooft na het starten van de motor.
- Als het continu brandt, moet u zo snel mogelijk een erkende Dealer raadplegen.
- Als het knippert, moet u vaart verminderen tot het knipperen ophoudt. Raadpleeg zo snel mogelijk uw merk-dealer.

→ 160.
TIPS VOOR HET RIJDEN, ZUINIG RIJDEN
Het brandstofverbruik is, samen met het energieverbruik voor de Hybrid-uitvoeringen, goedgekeurd in overeenstemming met de voorgeschreven standaardmethoden.
Deze methoden zijn voor alle autofabrikanten hetzelfde en maken het mogelijk om auto's met elkaar te vergelijken.
Het werkelijke verbruik is afhankelijk van de gebruiksomstandigheden, de uitrusting en de rijstijl.
Raadpleeg voor een optimaal brandstofverbruik onderstaande aanbevelingen.
Afhankelijk van het voertuig zijn er verschillende functies beschikbaar om u te helpen het brandstof- of energieverbruik te verminderen:
- de toerenteller;
- het waarschuwingslampje voor over- schakelen naar de volgende versnel- ling;
- het indicatielampje rijstijl;
- de trajectbalans en tips voor zuinig rijden via het bedieningsscherm;
– acceleratie-indicator Eco; - stand ECO;
– de functie Stop and Start → 171.
Hybrid uitvoeringen hebben ook een verbruiksmeter.
Deze informatie wordt aangevuld door het navigatiesysteem als de auto hier-mee is uitgerust.
Op het instrumentenpaneel A of B
Afhankelijk van de auto, kan de informatieweergave worden ingedeeld en gepersonaliseerd aan de hand van de personaliseringsstijl van het instrumentenpaneel die is gekozen met het multimediascherm.

text_image
Eco 110 km/h 0 1 2 3 4 5 6 7 8 47410 km 342.1 km +1000 ECO 490 km 62316Controlelampje overschakelen 1
Afhankelijk van de auto geeft een waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel het beste moment aan om naar een hogere of lagere versnel-
ling te schakelen om het brandstofverbruik zo laag mogelijk te houden:

schakel een hogere versnelling
in;

schakel een lagere versnelling
in.
Als u deze indicator regelmatig volgt, daalt het brandstofverbruik van uw auto.

text_image
Eco 110 km/h 0 1 2 3 4 5 6 7 8 x1000 eco ② 62298 B 510 kmIndicatielampje rijstijl 2
Dit lampje informeert u, na activering, in real time over uw rijstijl. U wordt gewaarschuwd door de indicator 2.
TIPS VOOR HET RIJDEN, ZUINIG RIJDEN
Hoe meer blaadjes de indicator 2 weergeeft, hoe soepeler en zuiniger u rijdt.
Als u deze indicator regelmatig volgt, daalt het brandstofverbruik van uw auto.
Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van het multimediasysteem voor meer informatie.

Afhankelijk van het voertuig geeft deze in realtime aan of uw acceleratie matig is of sterk.
U wordt gewaarschuwd door de indicator 3:
- groen: acceleratie is matig en correct;
- wit: acceleratie is te groot;
- grijs: acceleratie is te groot.
Opmerking: Het is niet mogelijk om tegelijkertijd de rijstijlindicator 2 en de indicator acceleratie Eco 3 weer te geven.
Op het multimediascherm

Nadat de motor is uitgezet, verschijnt op het multimediascherm 4 de optie "Trajectbalans", waarmee u informatie over uw laatste rit kunt bekijken.
Het geeft aan:
- algemene score;
- Score-evolutie;
- Afstand zonder brandstofverbruik.
Een algemene melding van 0 tot 100 geeft u de mogelijkheid om uw prestaties als zuinige bestuurder in te schatten.
Hoe hoger het cijfer, hoe lager het brandstofverbruik.
De tips voor zuinig rijden worden u ge- geven om uw prestaties te verbeteren.
Het opslaan van uw voorkeurstrajecten geeft u de mogelijkheid om uw prestaties onderling te vergelijken en ze te vergelijken met de prestaties van andere gebruikers van de auto.
Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van het multimediasysteem voor meer informatie.
De modus ECO
De ECO-modus is een functie die het brandstofverbruik zo laag mogelijk houdt.
Dit heeft invloed op bepaalde rijwerkingen (acceleratie, schakelen, snelheidsregelaar, deceleratie, enz).
De beperkte versnelling leidt tot brandstofbesparing in een stedelijke omgeving.
TIPS VOOR HET RIJDEN, ZUINIG RIJDEN

text_image
ECO 62048 ⑤ ⑦ ⑥ 62128(afhankelijk van de auto)(afhankelijk van de auto)
Schakel de functie in
Afhankelijk van de auto kan de functie worden ingeschakeld:
- door te drukken op schakelaa5 bij de 4x2-versie;
- door de keuzeschakelaa6 naar stand ECO 7 te draaien bij de 4x4-versie;
– op het multimediascherm (zie de multimedia-instructies).
Het controlelampje Eco-chijnt op het instrumentenpaneel om de inschakeling te bevestigen.
Tijdens het rijden kan de ECO-modus tijdelijk worden uitgezet om de motor weer op volle kracht te laten werken.
Druk daartoe het gaspedaal diep in.
De ECO-modus wordt weer ingeschakeld zodra u de druk op het gaspedaal vermindert.
Uitschakelen van de functie
Afhankelijk van de auto kan de functie worden uitgeschakeld:
- door te drukken op schakelaa5 bij de 4x2-versie;
- door de keuzeschakelaaf naar een andere stand te draaien bij de 4x4-versie;
Het controlelampje ECO et instrumentenpaneel gaat uit om de uitschakeling te bevestigen.
econometer
63118

text_image
Eco E-Save READY km/h charge eco power 490 km EV(op het instrumentenpaneel)
Aan de verbruiksmeter kunt u meteen het energieverbruik van uw auto zien.
Blauwe gebruikszone "Energiete-rugwinning" C
Wanneer u tijdens het rijden het gaspedaal loslaat of het rempedaal indrukt, genereert de elektromotor tijdens het afremmen elektriciteit die wordt gebruikt om af te remmen en de tractiebatterij op te laden.
Gebruikszone "Energieverbruik" D
De kleur van de laadmeter varieert:
- Groen: de volledig elektrische modus; de tractiebatterij levert de energie
TIPS VOOR HET RIJDEN, ZUINIG RIJDEN
waarmee de elektromotor het voertuig aandrijft.
- Wit: Hybrid tractiemodus; de tractiebatterij en/of de verbrandingsmotor leveren de energie om het voertuig aan te drijven.
De aanwezigheid en weergave van deze informatie is afhankelijk van de gekozen sfeerinstelling.
Het laadniveau van de tractie-batterij op peil houden: "E-Save"

text_image
62949 E-Sew 8Druk de schakelaar 8 in om de functie in te schakelen:

text_image
Eco E-Save READY km/h charge eco power 490 km EV ⑨ 63118Het waarschuwingslampje 9 verschijnt op het instrumentenpaneel om de in-schakeling te bevestigen.
Deze modus zorgt dat de tractiebatterij voldoende lading houdt voor een bergweg of een lange helling op een snelweg.
Druk de schakelaar 8 in om de functie uit te schakelen: Het waarschuwingslampje 9 op het instrumentenpaneel gaat uit om de uitschakeling te bevestigen.
Tips voor het rijden en Eco-rijden

- Rijd rustig tot de motor zijn bedrijfstemperatuur heeft bereikt; dit is beter dan warmdraaien bij stilstaande auto.
Auto's uitgerust met handmatige 4x4 transmissie
Op horizontale ondergrond, met onbelaste auto, is het raadzaam in de tweede versnelling weg te rijden.
TIPS VOOR HET RIJDEN, ZUINIG RIJDEN
- Rijden met hoge snelheid stimuleert het brandstofverbruik van het voer-tuig enorm.
Voorbeelden (bij constante snelheid):
- vertragen van ongeveer 130 km/u naar 110 km/u bespaart rond de 20% brandstof;
-
vertragen van 90 km/u naar 80 km/u bespaart ongeveer tot 10% brandstof.
-
Bij een dynamische rijstijl waarbij u vaak en krachtig versnelt en vertraagt, zal de tijdswinst niet opwegen tegen de gemaakte brandstofkosten.
- Laat het toerental van de motor in de lagere versnellingen niet te ver oplopen. Kies indien mogelijk altijd de hoogste versnelling.
– Rijd bij een stoplicht kalm weg. - Rem zo weinig mogelijk. Regel de snelheid van de auto met het gaspedaal door voor een obstakel of een bocht tijdig gas terug te nemen.
- Geef op een helling geen gas bij. Houd het gaspedaal bij voorkeur in dezelfde stand.
- Bij een moderne auto is het niet nodig bij het schakelen tweemaal te ontkoppelen of voor het stoppen van de motor nog even gas te geven.
– Diepe plassen, overstromingen:

Rijd niet door als het water op hoger staat dan de onderrand velgen.

Hindert het rijden
Gebruik aan de bestuur- derskant matten die ge- schikt zijn voor de auto
en zet deze vast aan de vooraf geïnstalleerde onderdelen. Controleer regelmatig of ze goed vastzitten. Stapel niet meerdere matten op elkaar.
Gevaar van hakende pedalen.
Het thermische comfort
Het is normaal dat het brandstofverbruik van de auto stijgt bij gebruik van de verwarming (vooral wanneer de buitentemperatuur onder nul daalt) of airconditioning.

62137

De aanwezigheid van het label E in de auto geeft aan dat uw auto een grotere bodemspe-
ling heeft dan een normale personenauto. Dat heeft tot gevolg dat het zwaartepunt hoger ligt en de gevoeligheid voor kantelen groter is tijdens plotselinge of grote bewegingen en in een scherpe bocht met een te hoge snelheid. Wees ook meer alert als de auto geladen is (in het bijzonder met lading op het dak).
Controleer of alle passagiers van de auto hun gordel goed om hebben.

4x2 uitvoeringen
De auto mag niet ge- bruikt worden in terrein- modus.

text_image
61316 + - +Banden
- Door een te lage bandenspanning neemt het verbruik toe.
- Om het brandstofverbruik te optimaliseren, stelt u de hoogste bandenspanning in of de aanbevolen spanning die op de rand van het bestuurdersportier 355wordt weergegeven.
- Indien banden worden gemonteerd die niet zijn voorgeschreven, kan het verbruik stijgen.

text_image
+ 4 %Tips voor het gebruik
- Gebruik bij voorkeur de ECO-modus.
- Ook het opwekken van elektriciteit kost brandstof. Schakel alleen die elektrische apparaten in die u nodig hebt. Maar veiligheid voor alles: rijd met de lichten aan zodra het zicht minder wordt (zien en gezien worden).
- Gebruik de ventilatieroosters. Bij 100 km/u met openstaande ruiten stijgt het verbruik met 4%.
- Vul de tank niet tot aan de rand, dit voorkomt overstromen.
- Bij auto's die zijn uitgerust met een niet-automatische airconditioning, schakelt u de airconditioning uit als deze niet nodig is.
TIPS VOOR HET RIJDEN, ZUINIG RIJDEN
Tips voor zuinig rijden en minder luchtverontreiniging:
Open bij zeer warm weer of als de auto in de zon heeft gestaan enkele minuten de portieren voordat u start, zo- dat de hete lucht uit de auto kan ont- snappen.
- Rijd niet met een leeg imperiaal op uw auto.
- Gebruik een aanhangwagen voor het vervoer van grote voorwerpen.
- Gebruik een goedgekeurde dakspoi- ler als u met een caravan op reis gaat en stel de spoiler in de juiste stand af.
- Gebruik uw auto zo weinig mogelijk op korte afstanden; de motor bereikt dan niet de optimale temperatuur.
WAARSCHUWING BIJ VERLIES VAN BANDENSPANNING


text_image
61319 TPW 1 2Wanneer de auto ermee is uitgerust, waarschuwt dit systeem voor verlies van spanning in een of meerdere banden.
Het systeem kan worden geïdentificeerd door de sticker 1 in de auto.

De werking van de startvergrendeling
Dit systeem detecteert een verlies van spanning in een van de banden door tijdens het rijden de snelheid van de banden te meten.
Het waarschuwingslampje 2 blijft aan om de bestuurder te waar- schuwen dat de druk te laag is (lage bandenspanning, lekke band, enz.).

Deze functie is een extra hulp tijdens het rijden.
Deze functie neemt niet de taak van de bestuur-
der over. De bestuurder moet altijd opletten en blijft verantwoordelijk.
Controleer de bandenspanning, inclusief het reservewiel, één keer per maand.
Werkingsomstandigheden
Om een betrouwbare waarschuwing te geven in geval van aanzienlijk drukverlies, moet het systeem worden gereset
WAARSCHUWING BIJ VERLIES VAN BANDENSPANNING
met een bandenspanning die gelijk is aan een van de spanningen die op het bandenspanningslabel staan vermeld (referentiewaarden) → 355.
Resetten moet altijd gebeuren na controle van de bandenspanning in de vier banden als deze koud zijn.
In de volgende situaties bestaat het risico dat het systeem te traag of niet correct werkt:
- systeem niet gereset na het oppompen van de banden of na elke andere verrichting aan de wielen
- Onjuiste reset van systeem: andere bandenspanning dan de aanbevolen spanning;

De bandenspanning moet worden gecontroleerd voor- dat de resetprocedure gestart.
Het systeem geeft geen waar- schuwing als de druk niet over- eenkomt met de aanbevolen druk.
- aanzienlijke wijziging van de belading of verdeling van de belading aan één kant van de auto
-
sportief rijden en aanzienlijk versnelen
-
rijden op een besneeuwd of glad wegdek
- rijden met sneeuwkettingen
- monteren van maar één nieuwe band
- gebruik van banden die niet door de merkdealer goedgekeurd zijn

Een plots verlies van bandenspanning (klapband...) wordt mogelijk niet door het em worden opgespoord.
Procedure voor resetten van de referentieniveaus voor bandenspanning
Deze gebeurt:
- na elke keer opnieuw op spanning brengen of resetten van de banden-spanning;
- na het verwisselen van een wiel;
- na het verwisselen van een band (dit wordt echter afgeraden);
De bandenspanning moet afgestemd zijn op het huidige gebruik van de auto (onbelast, belast, rijden op de autosnelweg...). Let op de bandenspanning (inclusief die van het reservewiel).
Controleer minstens één keer per maand en vóór een lange rit de bandenspanning (raadpleeg de sticker op
de zijkant van het bestuurdersportier → 355).
Resetprocedure via het multimedia-scherm 3

De resetprocedure moet worden uitgevoerd terwijl de auto stilstaat en het contact is ingeschakeld.
Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van het multimediasysteem voor meer informatie.
WAARSCHUWING BIJ VERLIES VAN BANDENSPANNING

Voor uw eigen veiligheid dwingt het waarschu-
wingslampje STOP
onmiddellijk te stoppen zonder het verkeer in gevaar te brengen.
WAARSCHUWING BIJ VERLIES VAN BANDENSPANNING
Mogelijke berichten
De onderstaande tabel toont de mogelijke berichten voor de bandenresetprocedure.
| Tree-plank | Berichten Interpretatie |
| - Bandendrukinit. bij stilstand | Het bericht verschijnt onderweg. Als u de spanning van de vier banden wilt resetten, stop dan de auto. |
| 1 Bandendrukinit. lang drukken | Om de spanning van de vier banden te resetten houdt u, terwijl de auto stilstaat, de schakelaar "OK" ingedrukt totdat het bericht "Als druk OK is ingedrukt houden" wordt weergegeven. |
| 2 Als druk OK is ingedrukt houden | Het bericht knippert om aan te geven dat het systeem de resetprocedure heeft geregistreerd. Als de spanning van de vier banden correct is ingesteld op de waarden die worden aanbevolen op het bandenspanningslabel → 355, houd dan de schakelaar "OK" ingedrukt totdat het bericht "Operatie uitgevoerd" verschijnt. |
| 3 Operatie uitgevoerd | De resetprocedure is succesvol afgerond. U kunt nu rijden. |
WAARSCHUWING BIJ VERLIES VAN BANDENSPANNING
Corrigeren van de bandenspanning
De spanningen van de vier banden moeten koud worden ingesteld (raadpleeg het label op de zijkant van het bestuurdersportier).
Indien u de bandenspanning niet bij koude banden kunt controleren, moet u de opgegeven waarden met 0,2 tot 0,3 bar (3 PSI) verhogen.
Verlaag nooit de spanning van een warme band.
Elke keer dat de banden worden opgepompt of de bandenspanning wordt gecorrigeerd, moet de referentiewaarde voor de bandenspanning worden gereset.
Vervangen van wielen/banden
Gebruik alleen apparatuur die is goed- gekeurd door het netwerk.
Zo niet dan treedt het systeem mogelijk te laat of niet correct in werking → 352.
Elke keer dat een wiel/band wordt verwisseld, moet de bandenspanning worden gecorrigeerd en moet de referentiewaarde voor de bandenspanning worden gereset.
Reservewiel
Zodra het aanwezige reservewiel op de auto is gemonteerd, moet de ban-
denspanning worden gecorrigeerd en moet de referentiewaarde voor de bandenspanning worden gereset.
Spuitbussen voor bandenreparatie en pompset
Gebruik alleen apparatuur die is goedgekeurd door het netwerk.
Zo niet dan treedt het systeem mogelijk te laat of niet correct in werking → 357.
Nadat de pompset voor de banden is gebruikt, corrigeert u de bandenspanning en reset u de referentiewaarde voor de bandenspanning.
WAARSCHUWING BIJ VERLIES VAN BANDENSPANNING
Bandenspanningsstoringen
De tabel hieronder vermeldt de waarschuwingsberichten die op het instrumentenpaneel verschijnen wanneer het systeem een bandenspanningsstoring detecteert.
De informatie op het instrumentenpaneel duidt op mogelijke bandenspanningsstoringen (bijv. een leeggelopen of lekke band).
| Waarschuwingslampjes Berichten Interpretatie | ||
gaat branden (niet knipperend). | Banden oppompen en initialiseren | Dit geeft aan dat er een te lage bandenspanning of lekke band is gedetecteerd. Controleer en stel de spanning van de vier banden in koude toestand in en reset het systeem. |
knippert en blijft dan branden. | Bandendruk aan- passen en init. | Dit geeft aan dat de reset niet is gelukt. Controleer de bandenspanning en stel deze opnieuw af voordat u de resetprocedure opnieuw start. |
knippert en blijft dan branden, samen met het waarschuwingslampje ![]() | Controleer TPW | Dit duidt op een storing in het systeem. Raadpleeg voor de exacte gegevens de merkdealer. |
knippert en blijft dan branden. | TPW niet beschikbaar | Dit geeft aan dat een reservewiel voor noodgevallen met een andere maat dan de andere vier wielen op de auto is gemonteerd. Het systeem blijft niet beschikbaar totdat een wiel van dezelfde maat als de andere wielen is gemonteerd en de resetprocedure is uitgevoerd. |
CORRECTIEMIDDELEN EN -HULPMIDDELEN VOOR DE BESTUURDER
Afhankelijk van de auto, kunnen deze bestaan uit:
- het antiblokkeersysteem (ABS);
- van het elektronische stabiliteitsprogramma (ESC) met onderstuurcontrole en tractiecontrole;
- de functie noodstopbekrachtiging met, afhankelijk van de auto, reman- ticipatie.
- hulp bij wegrijden op een helling;
- het regeneratief remsysteem
- afdalingssnelheidscontrole;

Deze functies zijn extra hulpmiddelen in kritieke situaties waarbij het rijgedrag van de auto aan- wordt. Deze functies kun- aak van de bestuurder nemen. De limieten van blijven onveranderd; ga dus niet harder rijden.
Deze functies kunnen dus in geen geval de oplettendheid of de verantwoordelijkheid van de bestuurder overnemen - de bestuurder moet altijd alert zijn op plotselinge gebeurtenissen die zich tijdens het rijden kunnen voordoen.
Antiblokkeersysteem (ABS)
Bij krachtig remmen voorkomt ABS het blokkeren van de wielen, zodat de remweg beheersbaar en de auto bestuurbaar blijft.
In deze situatie zijn uitwijkmanoeuvres tijdens het remmen mogelijk. Boven-dien verbetert dit systeem de remweg, met name op een weg met weinig grip (natte weg, enz.).
Als het systeem de remdruk voor u regelt, voelt u een lichte trilling in het rempedaal. Het ABS kan echter nooit de "fysieke" prestaties van de grip tussen de banden en het wegdek verbeteren. Blijf altijd de gebruikelijke voorzichtigheid in acht houden (afstand bewaren enz.).
Bijzonderheid van auto's met 4wiel-aandrijving
In de modus "OFF-ROAD" (LOCK) kan het systeem de wielen kort blokkeren om de remweg op zeer zachte ondergrond (sneeuw, modder, zand, enz.) te optimaliseren.

Bij krachtig remmen kunt u het rempedaal diep ingedrukt houden. Het is niet nodig "pompend" te remmen. Het ABS regelt de kracht in het rem- systeem.
Storingen:
- en worden wellicht
op het instrumentenpaneel en de berichten "Controleer ABS", "Controleer remsysteem" en "Controleer ESC" worden getoond: dit geeft aan dat de functies ABS, ESC en noodstopbekrachtiging zijn uitgeschakeld. Remmen is nog steeds mogelijk;
- ABS e (!) STOP
verschijnen op het instrumentenpaneel, samen met het bericht "Storing remsysteem": dit wijst op een storing in het remsysteem.
Neem in beide gevallen contact op met een merkdealer.
CORRECTIEMIDDELEN EN -HULPMIDDELEN VOOR DE BESTUURDER

Voor uw eigen veiligheid dwingt het waarschu-
wingslampje STOP
onmiddellijk te stoppen zonder het verkeer in gevaar te brengen. Stop de motor en start deze niet opnieuw. Raadpleeg een merk-dealer.

Het remsysteem werkt nog gedeeltelijk. Maar het is gevaarlijk om krachtig te remmen. U
moet direct stoppen zonder het overige verkeer in gevaar te brengen. Raadpleeg een merkdealer.
Noodstopbekrachtiging met elektronische remverdeler
Dit systeem is een aanvulling op het ABS dat zorgt voor het verminderen van de remweg van de auto.
De werking van de startvergrendeling
Het systeem herkent wanneer een noodstop wordt uitgevoerd. In zo'n noodsituatie ontwikkelt de rembe-
krachtiging zijn maximale kracht en kan de regeling door het ABS in werking komen
Het ABS-remsystem blijft werken zo- lang het rempedaal ingedrukt is.
Elektronisch stabiliteitsprogramma (ESC) met onderstuurcontrole en tractiecontrole
Elektronische stabiliteitscontrole (ESC)
Dit systeem helpt u de controle over de auto te behouden in kritieke rijsituaties (uitwijken voor een obstakel, verlies van grip op de weg in een bocht, enz.).
De werking van de startvergrendeling
Een sensor aan het stuur helpt om het door de bestuurder gewenste rijtraject te bepalen.
Andere sensoren in de auto registre- ren het werkelijke traject.
Het systeem vergelijkt de door de bestuurder gegeven bevelen en gekozen richting met de werkelijke verplaatsingsrichting van de auto en corrigeert deze laatste door, indien nodig, op bepaalde wielen te remmen en/of het motorvermogen aan te passen. Als het systeem in werking is, knippert het
controlelampje mentenpaneel.

et instru-
Storingen
Als het systeem een bedrijfsstoring signaleert, licht de waarschuwings-
lampjes 📁 en v schijnt, afhankelijk van de auto, het bericht "Controleer ESC" op het instrumentenpaneel. In dat geval wordt het elektronische stabiliteitsprogramma ESC met onderstuurcontrole en tractiecontrole uitgeschakeld.
Raadpleeg voor de exacte gegevens de merkdealer.
Onderstuurregeling
Dit verbetert de werking van het ESC bij sterk onderstuur van de auto (als de voorwielen hun grip verliezen).
Tractiecontrole
Dit systeem helpt het slippen van de aangedreven wielen te beperken en de auto bij het wegrijden, accelereren of decelereren op gladde wegen te controleren.
Blokkering vanESC
(afhankelijk van de auto)
CORRECTIEMIDDELEN EN -HULPMIDDELEN VOOR DE BESTUURDER

In bepaalde situaties (afgesloten weg of circuit, enz.) kunnen deze functies worden uitgeschakeld door schakelaar 1 ingedrukt te houden.
Het waarschuwingslampje dwijnt en het bericht "ESC uitgeschakeld" verschijnt op het instrumentenpaneel om u te waarschuwen.
U kunt deze functies op elk moment opnieuw inschakelen door kort te drukken op de schakelaar 1.
Opmerking: het systeem wordt automatisch opnieuw ingeschakeld:
- als de auto weer wordt gestart;
- als de rijmodus wordt gewijzigd
→ 212.
Als het waarschuwingslampje niet verschijnt, bevestigt dit dat het systeem opnieuw is ingeschakeld.

Na het uitschakelen van de ESC zijn de rijhulp-functies (Actieve noodstop, enz.) niet meer be-ir.
Tractiecontrole uit- en inschakelen (afhankelijk van de auto)

Bij het wegrijden op sneeuw, ijs of zachte ondergrond (modder, zand, grind) kan de antislip worden uitge-
schakeld vanaf het multimediascherm 2.
Als het systeem is uitgeschakeld, verschijnt het waarschuwingslampje

op het instrumentenpaneel.
Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van het multimediasysteem voor meer informatie.
Opmerking: het systeem wordt automatisch opnieuw ingeschakeld:
- als de auto rijdt sneller dan ongeveer 50 km/u;
- als de auto weer wordt gestart.
Als het waarschuwingslampje niet verschijnt, bevestigt dit dat het systeem opnieuw is ingeschakeld.

Als u de tractiecontrole uitschakelt, zijn bepaalde rijhulpfuncties (Actieve noodstop, enz.) tijde-
lijk niet beschikbaar.
Hulp bij wegrijden op een helling
Afhankelijk van de helling van de weg helpt dit systeem de bestuurder bij het wegrijden op een helling. Het voorkomt dat de auto achteruit rolt, door automa-
CORRECTIEMIDDELEN EN -HULPMIDDELEN VOOR DE BESTUURDER
tisch de remmen vast te zetten als de bestuurder het rempedaal loslaat om het gaspedaal te bedienen.
Werking van het systeem
Het werkt alleen als de versnellings-hendel niet in de neutrale stand staat (niet in N of P bij een automatische transmissie) en als de auto geheel stil staat (rempedaal ingedrukt).
Het systeem houdt de auto ongeveer 2 seconden stil. Daarna komen de remmen vrij (de auto rijdt naargelang de helling).
Wanneer het systeem een bedrijfsstoring signaleert, licht het waarschu-
wingslampje erschijnt afhankelijk van de auto het bericht "Controleer Hill Start Assist" op het instrumentenpaneel. Raadpleeg voor de exacte gegevens de merkdealer.

Het systeem van de hulp bij het wegrijden op een helling kan niet in alle gevallen totaal verhinde-
ren dat de achteruit rijdt (zeer steile helling, enz.).
De bestuurder kan altijd het rempedaal bedienen om het achteruitrijden van de auto te verhinderen.
De Hulp Bij Het Wegrijden Op Een Helling mag niet gebruikt worden om de auto langdurig stil te houden: gebruik het rempe- daal.
Deze functie is niet bedoeld om de auto permanent te laten stilstaan.
Gebruik indien nodig het rempe- daal om de auto te stoppen. De bestuurder moet bijzonder voorzichtig rijden op een glad opp- pervlak of bij weinig grip.
Gevaar van ernstige verwon- dingen.
Afdalingscontrole
(auto's met automatische transmissie)
Deze functie begrenst de rijsnelheid van de auto zonder dat het rempedaal wordt gebruikt (bij omlaagrijden van een steile helling).
Bij het vooruitrijden of achteruitrijden (D of R in positie) en wanneer het systeem een helling detecteert, kunt u automatisch de snelheid van de auto behouden door het gaspedaal of rempedaal los te laten.
In-/uitschakelen via het multimediascherm 2

Afhankelijk van de auto kunt u met het contact aan het systeem in- of uitschakelen via het multimediascherm 2:
CORRECTIEMIDDELEN EN -HULPMIDDELEN VOOR DE BESTUURDER
Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van het multimediasysteem voor meer informatie.
In- of uitschakelen met de knop 3

text_image
78846 3- Inschakelen: druk op knop3. Het
waarschuwingslampje 📁 chijnt wit op het instrumentenpaneel. - Uitschakelen: druk nogmaals op
de knop 3. Het controlelampje dooft.

De functie is klaar om in te grijpen tussen ongeveer 4 en 60 km/u zodra het systeem een helling detecteert.
Opmerking: als de snelheid van de auto ongeveer 60 km/u is, wordt het
systeem uitgeschakeld en verdwijnt
het waarschuwingslampje


Dit systeem werkt niet met de versnellingshendel in stand P voor auto's met
een automatische transmissie, of als de auto rijdt op een vlakke ondergrond.
Werkzaamheden
Deze functie wordt ingeschakeld als de auto rijdt met een snelheid van ongeveer 4 tot 30 km/u:
- het waarschuwingslampje groen op het instrumentenpaneel; - laat het gaspedaal los of trap het rempedaal in om de snelheid te behouden die op het instrumentenpaneel wordt weergegeven.
Opmerking: tijdens inschakeling van de afdalingscontrole, kan de snelheid van de auto worden verhoogd met het gaspedaal of verlaagd met het rempe- daal.
Deze functie grijpt niet in als de auto rijdt met een snelheid van ongeveer 30 tot 60 km/u:
het waarschuwingslampje wordt grijs weergegeven op het instrumentenpaneel. De snelheid bergaf wordt niet aangepast wanneer u het gaspedaal loslaat of het rempedaal indrukt.

Bij een storing in de af- dalingscontrole gebruikt u het rempedaal om de auto te stoppen.
De bestuurder moet bijzonder voorzichtig rijden op een glad oppervlak of bij weinig grip.
Gevaar van ernstige verwon- dingen.
Multi-Collision Braking verkleint het risico op een extra aanrijding na een ongeval, door uw voertuig tijdelijk tot stilstand te brengen.
De werking van de startvergrendeling
Als het airbagsysteem een aanrijding detecteert, worden de gordelspanners of airbags geactiveerd → 79 en activeert de functie "Multi-Collision Bra-
CORRECTIEMIDDELEN EN -HULPMIDDELEN VOOR DE BESTUURDER
king" het elektronische stabiliteitsprogramma (ESC) om de auto te remmen.
Multi-Collision Braking wordt tijdens bedrijf gedeactiveerd als:
- de bestuurder het gaspedaal stevig indrukt;
en/of
- als de remkracht die ontstaat doordat de bestuurder het rempedaal indrukt, groter is dan de kracht die ontstaat doordat het systeem automatische remmen activeert.
Opmerking: Multi-Collision Braking vereist de goede werking van het rem-systeem van uw voertuig.
Storingen
Als het systeem een storing detecteert, verschijnt het bericht "Controleer Postcollision" op het instrumentenpaneel en licht het waarschuwingslampje

op.
In dit geval is de functie gedeactiveerd. Raadpleeg voor de exacte gegevens de merkdealer.
TRANSMISSIE: 4-WIELAANDRIJVING

Het rijden met een auto in het terrein is niet te vergelijken met het rijden op de
weg. Om te kunnen profiteren van de mogelijkheden van uw auto in terrein, is het raadzaam een cursus 4x4-rijden met de auto te volgen.
Uw veiligheid en die van uw passagiers hangen af van u, van uw bekwaamheid en van uw voorzichtigheid tijdens het terreinrijden.

Als u in sneeuw, zand en/of modder rijdt, was dan uw auto, vooral de wielkasten
en de bodemplaat (onderbak van de motor achterin).
Dit is nodig om ophoping van zand, modder, enz. te voorkomen.
Keuzeschakelaar rijmodus

Afhankelijk van het type weg (verhard of niet) dat u neemt en de externe omstandigheden, kunt u kiezen uit vijf rijmodi:
- de modus "ECO" (standaardmodus bij starten van de auto indien deze ge- selecteerd is);
- de modus "AUTO" (standaardmodus elke keer dat de auto wordt ge-start, afhankelijk van de auto;
- De modus "SNOW";
- De modus "MUD-SAND";
- De modus "OFF-ROAD".
Alle modi zijn vooraf ingesteld. Elke modus biedt specifieke instellingen voor:
- stuurkracht;
- elektronische stabiliteitscontrole (ESC en tractiecontrole); - gevoeligheid van het gaspedaal en reactievermogen van de motor; - het motorkoppel, verdeeld over de voor- en achteras.
Draai aan de keuzeschakelaar 2 om de modus te selecteren die het beste past bij de rij- en wegomstandigheden. De ingeschakelde modus verschijnt op het instrumentenpaneel 1.

Bijzondere gevallen
Afhankelijk van de gekozen modus en de actuele gri-
pomstandigheden, kan de ESC ingrijpen en het motorvermogen verminderen om slippen van de aangedreven wielen te beperken. In sommige offroad-situaties is het mogelijk om de functie ESC uit te schakelen om het slippen van de wielen en de tractie van de auto handmatig te regelen.
De modus "ECO"
De modus "ECO" optimaliseert het brandstofverbruik.
Deze werkt in op bepaalde energieverbruikende voertuigsystemen (airco,
TRANSMISSIE: 4-WIELAANDRIJVING
enz.) en op de voertuigprestaties (versnellen, snelheidsregelaar, afremmen, enz.).
Gebruik deze modus op verharde wegen.

Om deze modus in te schakelen, draait u de keuzeschakelaar 2 naar de stand "ECO" 3: het lampje in de keuzeschakelaar gaat aan en het waar-
schuwingslampje "Eco dt weergegeven op het instrumentenpaneel 1 om te bevestigen dat dit is ingeschakeld.
De modus "ECO" verdeelt het motorkoppel automatisch tussen de voor- en achteras, afhankelijk van de wegomstandigheden en de snelheid van de auto.
Opmerking: tijdens het rijden (bijv. bij inhalen) is het mogelijk om tijdelijk het optimale acceleratievermogen van de motor terug te krijgen. Druk daartoe het gaspedaal diep in. de modus "ECO" wordt weer ingeschakeld zodra u de druk op het gaspedaal vermindert.
Om van modus te wisselen, draait u de keuzeschakelaar 2 naar een andere
stand. Het controlelampje "Eco dwijnt van het instrumentenpaneel 1 om de uitschakeling te bevestigen en de net gactiveerde modus verschijnt.
De modus "AUTO"
De modus "AUTO" is de standaardmodus voor onderweg.
Het is een veelzijdige modus, bedoeld voor alle gebruikelijke wegomstandigheden.
Het koppel wordt automatisch verdeeld over de assen op basis van de staat van de weg en snelheid.
Gebruik deze modus op verharde wegen of bij slepen (aanhanger, caravan, enz.).

Om deze modus te activeren, draait u de keuzeschakelaar 2 naar de stand "AUTO" 4: het lampje in de keuzeschakelaar gaat aan en het controle-lampje "AUTO" wordt weergegeven op het instrumentenpaneel 1 om te be-vestigen dat dit is ingeschakeld.
De modus "AUTO" verdeelt het motorkoppel automatisch tussen de voor- en achteras, afhankelijk van de wegomstandigheden en de snelheid van de auto.
Deze modus optimaliseert de wegligging.
Om van modus te wisselen, draait u de keuzeschakelaar 2 naar een andere stand. Het display "AUTO" verdwijnt van het instrumentenpaneel 1 om de
TRANSMISSIE: 4-WIELAANDRIJVING
uitschakeling te bevestigen, en de net geactiveerde modus verschijnt.
De modus "SNOW"
Met de modus "SNOW" kunt u het elektronische stabiliteitsprogramma van uw auto optimaliseren voor gladde wegen (sneeuw, ijs enz.).
Het elektronische stabiliteitsprogramma ESC en tractiecontrole-ingrepen worden ingeschakeld en de stuurkracht wordt verhoogd.
Gebruik deze werking op geasfal- teerde en gladde wegen.
Opmerking: het gebruik van de "SNOW"-modus is niet geschikt in be-paalde rijsituaties (op zachte onder-grond, diepe sneeuw, modder, zand enzovoort).

Om deze modus te activeren, draait u de keuzeschakelaar 2 naar de stand "SNOW" 5: het lampje in de keuzeschakelaar gaat branden.
Het waarschuwingslampje "SNOW" verschijnt op het instrumentenpaneel 1 om de inschakeling te bevestigen.
De modus "SNOW" verdeelt het motorkoppel automatisch tussen de voor- en achteras, afhankelijk van de wegomstandigheden en de snelheid van de auto.
Om van modus te wisselen, draait u de keuzeschakelaar 2 naar een andere stand. Het display "SNOW" verdwijnt van het instrumentenpaneel 1 om de uitschakeling te bevestigen, en de net geactiveerde modus verschijnt.
De modus "MUD-SAND"
Met de modus "MUD-SAND" kunt u vooruitgang boeken op zachte ondergrond in omstandigheden met verminderde grip (zand, modder, diepe sneeuw, enz.).
De functie "antislip" wordt aangepast om het motortoerental onder controle te houden en u te helpen uw auto vooruit te bewegen door de grond af te tasten naar een oppervlak met meer grip.
Gebruik deze modus alleen op verharde wegen en op zachte ondergrond.
Opmerking: in deze modus stopt de achterste elektromotor bij de Hybrid-G 4x4-uitvoeringen bij een snelheid van ongeveer 70 km/u. Het systeem schakelt automatisch over naar tweewiel-aandrijving.
TRANSMISSIE: 4-WIELAANDRIJVING

Om deze modus te activeren, draait u de keuzeschakelaar 2 naar de stand "MUD-SAND" 6: het lampje in de keuzeschakelaar verschijnt en het waarschuwingslampje "MUD-SAND" verschijnt op het instrumentenpaneel 1 om de activering te bevestigen.
De modus "MUD-SAND" verdeelt het motorkoppel over de voor- en achterwielen onder alle gripomstandigheden en onder bepaalde snelheidsomstandigheden.
Om van modus te wisselen, draait u de keuzeschakelaar 2 naar een andere stand. Het display "MUD-SAND" verdwijnt van het instrumentenpaneel 1 om de uitschakeling te bevestigen, en de net geactiveerde modus verschijnt.
De modus "OFF-ROAD" (LOCK)
De modus "OFF-ROAD" maximaliseert de prestaties van de auto in offroad-situaties (beschadigde wegen, moeilijke oversteekplaatsen, steile hellingen bergop en bergaf, enz.).
Gebruik deze modus alleen buiten berijdbare wegen en op moeilijk terrein.
Opmerking: in deze modus stopt de achterste elektromotor bij de Hybrid-G 4x4-uitvoeringen bij een snelheid van ongeveer 70 km/u. Het systeem schakelt automatisch over naar tweewiel-aandrijving.

Om deze modus te activeren, draait u de keuzeschakelaar 2 naar de stand "OFF-ROAD" 7: het controlelampje in de keuzeschakelaar verschijnt and het display "OFF-ROAD" en het oranje
waarschuwingslampje LCK chijnt op het instrumentenpaneel 1 om de activering te bevestigen.
De modus "OFF-ROAD" verdeelt het motorkoppel over de voor- en achterwielen onder alle gripomstandigheden en onder bepaalde snelheidsomstandigheden.
Om van modus te wisselen, draait u de keuzeschakelaar 2 naar een andere stand. Het display "OFF-ROAD" en het
waarschuwingslampje 4X4 LCK wijnen van het instrumentenpaneel 1 om de uitschakeling te bevestigen, en de net geactiveerde modus verschijnt.

De functies Actieve noodstop en Adaptieve snel-heidsregelaar Stop and Go et ingeschakeld in de mo-SNOW" en de modus "MUD-0" → 236 → 262.
TRANSMISSIE: 4-WIELAANDRIJVING
Bijzonderheden van de 4-wiel-aandrijving
Als het systeem een verschil in grootte tussen de voor- en achterwielen detecteert (bijv. te lage bandenspanning, sterke slijtage van een as, enz.), schakelt het "4-wheel drive"-systeem automatisch over naar de modus "2-wheel drive": het waarschuwingslampje
4X2 wordt weergegeven op het instrumentenpaneel 1 in combinatie met het bericht "4WD niet beschikbaar" en, afhankelijk van de auto, "4 wielaandrijving ongeschikte banden".
Opmerking: het vervangen van de banden kan een oplossing van dit probleem zijn. Gebruik altijd vier identieke banden (zelfde merk, zelfde structuur, enz.) en met evenveel slijtage.
In geval van overmatige belasting, afhankelijk van de auto, die leidt tot abnormale oververhitting van het systeem:
– wordt het waarschuwingslampje
4X2 weergegeven op het instrumentenpaneel 1 in combinatie met het bericht "4WD oververhit" (of 4x4)";
- als het slippen van de wielen doorgaat, gaat het systeem automatisch over naar de modus "2-wheel drive" om de mechanische delen te sparen.
In dat geval moet u zo snel mogelijk stoppen zodat het systeem kan afkoelen. Deze afkoeling kan enkele minuten duren.
Wanneer het 4x4-systeem weer operationeel is, verdwijnt het waarschu-
wingslampje 4X2 wordt het waar-
schuwingslampje 4X4 weergegeven op het instrumentenpaneel.
Antiblokkeersysteem van de wielen in de modus "OFF-ROAD"
Als de modus "OFF-ROAD" is ingeschakeld, schakelt de ABS automatisch over op de off-road-modus. In dit geval blokkeren de wielen met tussenpozen voor een betere wegligging en maken ze gebruik van het oppervlakmateriaal om de remweg op een zachte ondergrond te verkorten.
Wanneer de modus "OFF-ROAD" wordt geactiveerd:
- de wendbaarheid van de auto is beperkt tijdens het remmen. Deze modus wordt dus niet aanbevolen bij omstandigheden met weinig grip (bijvoorbeeld op ijs).
- afhankelijk van de auto kunt u een geluid horen. Dit is normaal en is geen storing in de werking.
Elektronische stabiliteitscontrole (ESC) en tractiecontrole tijdens off-road rijden
Deze functie werkt op het motorkoppel en remt de wielen die slippen. Het maakt het mogelijk om het motorkoppel over te dragen aan de wielen met de meeste grip. Dit is ook uitermate nuttig in geval van kruisen van een brug.
De antislip is aangepast aan de gekozen modus.
Alle ESC-functies worden automatisch ingeschakeld wanneer de snelheid van de auto hoger is dan ongeveer 50 km/u km/h of nadat de motor opnieuw is gestart of de knop "ESC" opnieuw is ingedrukt → 206.
Opmerking: het tractiecontrolesysteem wordt pas opnieuw geactiveerd nadat u de motor opnieuw hebt gestart of op de knop "ESC" hebt gedrukt.
Storingen
Wanneer het systeem een storing de- tecteert, schakelt het systeem automa- tisch over op de modus "2-wielaandrij- ving" en worden de waarschuwings-
lampjes 4X2 ho bent
"Controleer 4WD" op het instrumentenpaneel weergegeven.
TRANSMISSIE: 4-WIELAANDRIJVING
Rijd met matige snelheid zo snel mogelijk naar een merkdealer.
TRANSMISSIE: 4-WIELAANDRIJVING
Waarschuwingen

4-wielaangedreven systeem
- Ongeacht de geselecteerde modus, start de motor niet als alle vier de wielen niet op de grond staan.
- Draai de keuzeschakelaar niet tijdens het nemen van bochten, achteruitrijden of als de wielen overmatig door-
slippen.
- De modi "MUD-SAND" en "OFF-ROAD" zijn uitsluitend gereserveerd voor off-road rijden. Als u deze modi onder andere omstandigheden gebruikt, bestaat het risico dat de hanteerbaarheid vermindert en dat bepaalde mechanische delen van de auto worden beschadigd.
- Zorg er altijd voor dat op alle vier de wielen banden met identieke specificaties zijn gemonteerd (merk, maat, structuur, slijtage enz.). Het gebruik van banden met verschillende maten op de voor- en achterwielen en/of links en rechts kan ernstige gevolgen hebben voor de banden en mechanische rijonderdelen (versnellingsbak, tussenbak, coupler 4x4, achterdifferentieel enz.).
EXTRA RIJHULPMIDDELEN
My Safety
Met de functie My Safety kan een aan- tal rijhulpfuncties tegelijkertijd worden in- of uitgeschakeld.
Afhankelijk van de auto kunt u de functie "My Safety" op het multimedia-scherm of het instrumentenpaneel configureren door de rijhulpfuncties te selecteren die als groep moeten worden uitgeschakeld.
Werkzaamheden

Afhankelijk van de auto, beschikt deze modus over de volgende rijhulpfuncties:
- geluidswaarschuwing snelheidsverklikker→250;
- preventie verlaten rijstrook→ 220;
– detectie bestuurdersalertheid → 243; - waarschuwing voor afleiding van de bestuurder → 245;
- waarschuwing vermoeidheidsdetectie bestuurder → 248;
- dodehoekwaarschuwing → 227.
Wanneer de modus "ALL ON" is geactiveerd, gaan de controlelampjes op de knop 1 branden en wordt het bericht
"My Safety All ON geselecteerd" weergegeven op het instrumentenpaneel om dit te bevestigen. De rijhulpmiddelen die in deze modus beschikbaar zijn, worden geactiveerd.
"De modus Perso "
U kunt deze modus gebruiken voor het uitschakelen of opnieuw inschakelen van bepaalde rijhulpmiddelen die beschikbaar zijn in de modus "ALL ON", indien deze eerder zijn geconfigureerd via de instellingen "My Safety Perso".
Druk terwijl het contact aan staat tweemaal achter elkaar op de knop 1 om de modus "Perso" te activeren.
Nadat u voor een eerste keer op deze knop hebt gedrukt, verschijnt het bericht "Druk nogmaals My Safety Perso" op het instrumentenpaneel. Na de tweede keer drukken gaat het contro-lelampje op knop 1 uit. "Perso" modus is geactiveerd. Het bericht "My Safety Perso geselecteerd" verschijnt op het instrumentenpaneel.
Om terug te schakelen naar de modus "ALL ON", drukt u eenmaal op de knop 1. Het controlelampje in de knop 1 licht even op.

Afhankelijk van de auto en de tijdsduur na de laatste keer dat de motor is ge-
stopt, wordt de modus "ALL ON" opnieuw geactiveerd:
- bij het ontgrendelen van de auto
of - bij het openen van een portier; of
- bij het opnieuw starten van de motor.
Configuratie van My Safety Perso

Voer deze aanpassingen uitsluitend uit als de auto stilstaat.
EXTRA RIJHULPMIDDELEN
De "My Safety Perso" instellingen die zijn opgeslagen voor de modus "Perso" worden opgeslagen telkens wanneer de motor wordt ingeschakeld of wanneer de portieren worden vergrendeld.
Configuratie van het multimedia-scherm 2

Zie de gebruiksaanwijzing van het multimediasysteem voor informatie over de instellingen.
Preventie verlaten rijstrook

Met behulp van de informatie van de camera 1 activeert de functie een corrigerende actie op het besturingssysteem van de auto wanneer een doorgetrokken of onderbroken streep wordt overschreden of als de auto de berm nadert (bermplank, vangrail, stoep, ophoging, enz.) zonder dat de richtingaanwijzers zijn ingeschakeld.
Afhankelijk van de instelling, in het geval van het overschrijden van een onderbroken lijn zonder de richtingaanwijzers te activeren, de functie:
- waarschuwt de bestuurder zonder corrigerende maatregelen op het stuursysteem; of
- voert een corrigerende actie uit op het stuursysteem.
U kunt op elk moment de controle over de auto weer overnemen door aan het stuurwiel te draaien.
Plaats van de camera 1
Zorg ervoor dat de voorruit niet is be- dekt (door vuil, modder, condens enz.).
Deze functie is een extra hulp tijdens het rijden. Deze functie kan in geen geval de waakzaamheid en verantwoordelijkheid van de bestuurder vervangen; deze moet altijd de controle over zijn auto behouden.
EXTRA RIJHULPMIDDELEN
Afhankelijk van de auto, afhankelijk van de tijdsduur na de laatste keer dat de is gestopt, wordt de functie uw geactiveerd:
- bij het ontgrendelen van de auto
of - bij het openen van een portier; of
- bij het opnieuw starten van de motor.
Het systeem in-/uitschakelen via het multimediascherm 2

Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van het multimediasysteem voor meer informatie.
Het systeem in- en uitschakelen met de schakelaar 3 My Safety

De functie kannen worden in- en uitgeschakeld met de modus "Perso" van de functie "My Safety" → 219. Als de functie eerder is uitgeschakeld met behulp van de modus "Perso":
- De functie uitschakelen, als deze eerder is uitgeschakeld met de modus "Perso" van de functie "My Safety"
→ 219, drukt u tweemaal op schake- laar 3. Het waarschuwingslampje

wordt geel weergegeven op het mentenpaneel.
- Druk de schakelaar 3 eenmaal in om de functie opnieuw in te schake-
len. Het controlelampje schijnt op het instrumentenpaneel.

EXTRA RIJHULPMIDDELEN
Werkzaamheden

Wanneer de functie is geactiveerd, worden het waarschuwingslampje
en de linker- en rechterstreep 4 op het instrumentenpaneel grijs weergegeven.
De functie is klaar of in bedrijf wan- neer de rijsnelheid tussen ongeveer 65 km/h en 170 km/h en als het waar-
schuwingslampje 4000e indicatoren voor de linker- of rechterlijnstreep 4 wit op het instrumentenpaneel verschijnen.
De functie grijpt in als de auto:
- een berm nadert zonder de richting-aanwijzers te activeren;
- een doorgetrokken streep overschrijdt zonder dat de richtingaanwijzers te activeren;
- een onderbroken streep overschrijdt zonder de richtingaanwijzers te active-ren, als de instelling "Overschrijden onderbroken lijn" is geselecteerd.
In deze gevallen:
- activeert de functie een actie op de stuurinrichting van de auto om de ver- plaatsingsrichting van de auto te corri- geren;
en
- het gele waarschuwingslampje
verschijnt en de indicator 4 aan de kant van de overschreden streep gaat geel branden op het instrumentenpaneel.
Als de corrigerende actie op de stuur- inrichting onvoldoende is, gaan het ro-
de waarschuwingslampje 4 het controlelampje 4 aan de kant van de overschreden streep rood branden op het instrumentenpaneel. Dit gaat ge-paard met een trilling op het stuur.
Wanneer de instelling "Interventie met onderbroken streep" niet is geselecteerd, slaat de functie alarm als de auto een onderbroken streep overschrijdt zonder de indicatielampjes te
activeren en er geen berm dicht ge- noeg bij de streep is.
In dit geval waarschuwt de functie de bestuurder:
- door een trilling in het stuurwiel; en
— het rode waarschuwingslampje
verschijnt en de indicator 4 aan de kant van de overschreden streep gaat rood branden op het instrumentenpaneel.
Opmerking: bochten kunnen enigszins worden afgesneden zonder dat de functie wordt geactiveerd.
Bijzonderheid
"Houd controle" waarschuwing
- Als het systeem actief is en geen activiteit van de bestuurder op het stuurwiel meer detecteert, verschijnt het bericht "Houd controle" op het instrumentenpaneel, vergezeld van een piepsignaal en, afhankelijk van de auto, het
gele waarschuwingslampje dat de bestuurder de auto weer onder controle heeft.
- Als het systeem te lang in werking is geweest, verschijnt het bericht "Houd controle" op het instrumentenpaneel, samen met een pieptoon, en verschijnt
EXTRA RIJHULPMIDDELEN
het waarschuwingslampje

samen met het controlelampje 4 aan de kant van de betreffende streep, totdat de bestuurder de auto weer onder controle heeft.

U kunt de correctie van de verplaatsingsrichting op elk moment onderbreken door uurwiel te bewegen.
Functie tijdelijk niet beschikbaar/uitgeschakeld
Het systeem is tijdelijk niet beschikbaar of uitgeschakeld wanneer:
- de streep wordt zeer snel overschre- den;
- er wordt continu over een streep ge- reden;
- ongeveer vier seconden na het wisselen van baan;
- scherpe bochten;
- slecht zicht;
- een van de richtingaanwijzers wordt geactiveerd;
– de alarmknipperlichten inschakelen: - de achteruitversnelling inschakelen;
- sterke acceleratie;
- de rijstrookbreedte verandert;
-
werking van het antiblokkeersysteem van de wielen;
-
werking van het elektronische stabiliteitscontrolesysteem ESC;
- werking van het antiblokkeersysteem van de wielen.
Als de functie niet beschikbaar is,

wordt het waarschuwingslampje grijs op het instrumentenpaneel.
De functie wordt automatisch uitgeschakeld wanneer:
- het elektronisch stabiliteitsprogramma ESC is uitgeschakeld of defect;
- het antiblokkeersysteem niet goed werkt;
- Een trekhaak is elektrisch verbonden met de trekhaakaansluiting;
- het controlelampje STOP wordt weergegeven.
Wanneer de functie is gedeactiveerd,
wordt het waarschuwingslampje OFF geel weergegeven op het instrumen- tenpaneel.
Instellingen

Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van het multimediasysteem om de functieinstellingen van het multimediascherm 2 te bekijken:
- "Interventie met onderbroken streep": gebruik deze instelling om de respons van de functie te selecteren als de auto een onderbroken lijn overschrijdt zonder een van de richtingaanwijzers in te schakelen:
- geselecteerde instelling: de kan de stuurinrichting van de auto activeren om de verplaatsingsrichting van de auto te corrigeren;
- Instelling niet geselecteerd: De functie kan de bestuurder waarschuwen door middel van een trilling aan
EXTRA RIJHULPMIDDELEN
het stuurwiel zonder de baan van de auto te corrigeren.
- "Trilintensiteit": de functie "Voorkomen van het verlaten van de rijstrook" voor het trillingsniveau van het stuurwiel aanpassen;
- Afhankelijk van de auto, "Anticiperen op verlaten van rijstrook" of "Waarschuwing": pas het gevoeligheidsniiveau van de lijndetectie aan. Selecteer hiervoor:
- "Laat": streep gedetecteerd bij overschrijding;
- "Standaard": streep gedetecteerd bij naderen;
- "Vroeg": streep gedetecteerd in de buurt.
Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van het multimediasysteem voor meer informatie.
Storingen
Wanneer het systeem een storing de- tecteert:
- het waarschuwingslampje wordt grijs weergegeven op het instrumentenpaneel.
In sommige gevallen gaan deze vergezeld van:
- het bericht "Rijhulpsystemen niet beschikbaar";
of
- het bericht "Rijhulpsystemen controleren" of "Controleer camera voor".
Raadpleeg voor de exacte gegevens de merkdealer.
EXTRA RIJHULPMIDDELEN
Waarschuwingen

Deze functie is een extra hulp tijdens het rijden. Deze functie kan in geen geval de waakzaamheid en verantwoordelijkheid van de bestuurder vervangen; deze moet altijd de controle over zijn auto behouden.
Werkzaamheden/reparaties van het systeem
- Bij een botsing kan de uitlijning van de camera worden gewijzigd, wat gevolgen kan hebben voor de correcte werking. Schakel de functie uit en neem contact op met een erkende dealer.
- Alle werkzaamheden in de buurt van de camera (reparaties, vervangingen, aanpassingen aan de voorruit) moeten worden uitgevoerd door een vakman.
Enkel een erkende dealer mag aan het systeem werken.
Storingen van het systeem
Bepaalde omstandigheden kunnen het systeem storen of de correcte werking ervan verhinderen, zoals:
- bedekte voorruit (vuil, ijs, sneeuw, condensatie enz.);
- een complexe omgeving (tunnel enz.);
- slechte weersomstandigheden (sneeuw, regen, hagel, ijzel enz.);
– slecht zicht (nacht, mist enz.);
- de wegmarkeringen divers (wegwerkzaamheden enz.) of moeilijk te onderscheiden of onregelmatig zijn (bijv. vervaagde lijnen, te ver uit elkaar liggende lijnen, oneffen wegdek enz.);
- verblinding (felle zon, lichten van tegemoetkomende auto's enz.);
– de weg is smal, bochtig of golvend (scherpe bochten enz.);
- u rijdt dicht achter een andere auto op dezelfde rijstrook.
In dit geval kan de functie "Preventie verlaten rijstrook" niet correct of helemaal niet worden geactiveerd.
Risico van ongewenste, onjuiste correctie of geen correctie van de verplaatsingsrichting.
Uitschakelen van de functie
Schakel de functie uit indien:
- het gebied van de camera is beschadigd (aan de kant van de voorruit of de binnenspiegel);
- de weg is glad (sneeuw, ijzel, aquaplaning, kiezelsteentjes enz.);
EXTRA RIJHULPMIDDELEN
- De voorruit is gebarsten of vervormd (voer geen reparaties uit aan dit gedeelte van de voorruit; laat deze vervangen door een merkdealer);
- het voertuig trekt een aanhangwagen of caravan.
EXTRA RIJHULPMIDDELEN
Dodehoekwaarschuwing

Dit systeem waarschuwt de bestuurder als er zich een auto in het detectiegebied A bevindt.
Dit systeem schakelt in als de auto rijdt met een snelheid die tussen ongeveer 30 km/u en 140 km/u bedraagt.

Deze functie maakt gebruik van sensoren 1 die aan beide zijden in de voor- en achterbumpers zijn geïnstalleerd.
Bijzonderheid
Zorg ervoor dat de sensoren niet bedekt zijn (vuil, modder, sneeuw, ...). Indien een van de sensoren bedekt is, verschijnt de boodschap "Dode hoek assist reinig sensor" op het instrumentenpaneel. Reinig de sensoren.

Deze functie is een extra hulp die aangeeft dat er zich een auto in de dode hoek van uw auto be-
vindt.
Ze kan dus in geen geval de op- lettendheid of de verantwoordel- lijkheid van de bestuurder overne- men.
De bestuurder moet altijd op zijn hoede blijven voor plotselinge gebeurtenissen tijdens het rijden: let dus altijd op of er tijdens een manoeuvre een bewegend obstakel is (zoals een dier, kind, kinderwagen, fiets, enz.) of een klein of smal object zoals een steen of een paaltje in uw blinde hoek.
De functie in- en uitschakelen via het multimediascherm 2
EXTRA RIJHULPMIDDELEN

Zie de multimedia-instructies voor het in-/uitschakelen van de functie.
De functie in- of uitschakelen met de knop 3 "My Safety"

De functie kannen worden gedeactiveerd of geactiveerd vanuit de modus "Perso" in de functie "My Safety"
→ 219.
Als de functie eerder is uitgeschakeld met behulp van de modus "Perso":
- om de waarschuwingen uit te schakelen, drukt u twee keer op de knop 3. Het controlelampje van de toets 3 dooft.
- om de waarschuwingen opnieuw te activeren, drukt u één keer op de knop 3. Het controlelampje in de knop 3 licht op.
De detectiecapaciteit van het systeem volgt een standaardrijvakbreedte. Als u in een smalle rijstrook rijdt, kan het systeem auto's in andere rijstroken detecteren.
Waarschuwingslampje 4

text_image
④ B C D62258
Op beide spiegels 5 bevindt zich een waarschuwingslampje 4.
EXTRA RIJHULPMIDDELEN

Opmerking: maak de buitenspiegels 5 regelmatig schoon zodat de waarschuwingslampjes 4 zichtbaar blijven.
Werkzaamheden
Deze functie geeft een waarschuwing: - als de auto tussen 30 km/u en 140 km/u rijdt;
- als er zich een auto in de dodehoekzone bevindt die zich in dezelfde richting verplaatst als uw auto.
Als de auto een andere auto inhaalt, wordt de indicator 4 enkel ingeschakeld als de ingehaalde auto zich langer dan een seconde in de dode hoek bevindt.
Display B
De functie is ingeschakeld en detecteert geen enkele andere auto.
Display C
Eerste waarschuwing: het waarschu- wingslampje 4 geeft aan dat er een voertuig in de dode hoek is gedetec- teerd.
Display D
Als de richtingaanwijzer is ingeschakeld, knippert het waarschuwingslampje 4 als er een auto wordt gedetecteerd in de dodehoek aan de kant waarnaar u wilt sturen. Als u de richtingaanwijzer uitschakelt, schakelt de indicator terug naar de eerste waarschuwing (display C).

Vanwege de sensoren in de bumpers moet elke handeling (reparatie, vervanging, bijwerking van de lak, ...) worden uitgevoerd door een gekwalificeerde mon- teur.
Omstandigheden waarin de dode- hoekwaarschuwing niet werkt
— Als het object niet beweegt;
- als er veel verkeer is;
- als er een bocht in de weg zit:
- als de sensoren voorin en achterin tegelijkertijd een voorwerp opmerken (bijvoorbeeld een lange vrachtwagen);
Storingen
Wanneer het systeem een fout op- merkt, verschijnt de boodschap "Controleer Dode hoek assist" op het instrumentenpaneel. Roep de hulp in van een merkdealer.
Opmerking: als de motor is gestart, knippert het waarschuwingslampje 4, display B, knippert vier keer. Dit is normal.
EXTRA RIJHULPMIDDELEN
Waarschuwingen

- De detectiecapaciteit van het systeem volgt een standaardrijvakbreedte. Als u op een breed rijvak rijdt, kan het systeem geen auto's detecteren in de dode hoek.
- Bij zeer slechte weersomstandigheden (hevige regenval, sneeuw, enz.) kan het systeem tijdelijk worden ver-
stoord. Let op de rijomstandigheden.
Kans op ongevallen.

Deze functie is een extra hulp tijdens het rijden. Deze functie kan in geen geval de waakzaamheid en verantwoordelijkheid van de bestuurder vervangen; deze moet altijd de controle over zijn auto behouden.
De bestuurder moet zijn snelheid altijd aanpassen aan het verkeer, ongeacht de aanwijzingen van het systeem.
Het systeem mag in geen geval worden vergeleken met een hindernissensensor of een antibotsingssysteem.
Werkzaamheden/reparaties van het systeem
- In geval van een botsing kan de uitlijning van de radar worden gewijzigd, waardoor deze niet meer naar behoren werkt.
Schakel de functie uit en neem contact op met een erkende dealer. - Alle werkzaamheden in de buurt van de radars (reparaties, vervangingen, enz.) moeten door een vakman/vakvrouw worden uitgevoerd.
Enkel een erkende dealer mag aan het systeem werken.
Storingen van het systeem
Bepaalde omstandigheden kunnen het systeem storen of de correcte werking ervan verhinderen, zoals:
- complexe omgeving (metalen bruggen, tunnels, wegen met obstakels aan de zijkant enz.);
- slechte weersomstandigheden (sneeuw, hagel, ijzel enz.).
Risico van vals alarm of afwezigheid van waarschuwingen
Als het systeem abnormaal werkt, schakelt u dit uit en neemt u contact op met een erkende dealer.
EXTRA RIJHULPMIDDELEN

Beperkingen voor de werking van het systeem
- De radarzone moet schoon blijven en mag niet worden gewijzigd, om de goede werking van het systeem te waarborgen.
- Kleine voorwerpen die dichtbij de auto bewegen (motoren, fietsen, voetgangers, enz.) worden mogelijk niet door het systeem herkend.
- Als de auto bochten inrijdt, worden auto's op aangrenzende rijstroken tijdelijk mogelijk niet meer gedetecteerd.
- Het systeem reageert mogelijk niet als het snelheidsverschil met andere auto's meer dan 30 km/h is.
- Als de auto door een lang voertuig wordt ingehaald (bijv. een vrachtwagen die inhaalt met een soortgelijke snelheid als de auto) onderbreekt het systeem mogelijk de waarschuwing vóór het einde van het manoeuvre.
- De auto rijdt op een bochtige weg.
Uitschakelen van de functie
Schakel de functie uit indien:
- Het radargebied is beschadigd (achterbumper);
- de auto is uitgerust met een trekhaak.
EXTRA RIJHULPMIDDELEN
Waarschuwing veiligheidsaf-stand

Gebaseerd op de informatie van de camera 1 informeert deze functie de bestuurder over het tijdsinterval tussen de eigen auto en de voorligger zodat een veilige afstand tussen de twee auto's kan worden aangehouden.
De functie wordt geactiveerd wanneer de rijsnelheid tussen ongeveer 30 en 150 of 160 km/u liegt, afhankelijk van de auto.
Plaats van de camera 1
Zorg ervoor dat de voorruit niet is be- dekt (door vuil, modder, condens enz.).

Deze functie is een extra hulp tijdens het rijden.
Deze functie kan in geen geval de waakzaamheid en verantwoordelijkheid van de bestuurder vervangen; deze moet altijd de controle over zijn auto behouden.
In-/uitschakelen via het multimediascherm 2

Druk via de "Voertuig" wereld van uw multimediascherm 2 op het menu "Rijondersteuning".
De functie "Afstand volgen" activeren of deactiveren.

Telkens wanneer de auto wordt gestart, blijft de functie in de modus die is opge- toen de motor voor het werd uitgeschakeld.
Werkzaamheden

text_image
A B C D 3 78749Als deze functie actief is, wordt de indicator 3 op het instrumentenpaneel weergegeven. Deze informeert de bestuurder over de afstand tussen de eigen auto en de voorligger:
- A (grijs): de functie is niet actief;
EXTRA RIJHULPMIDDELEN
- A (groen): geen auto gedetecteerd;
- B (groen): het tijdsinterval is groter dan of gelijk aan ongeveer 2 seconden (de afstand tussen de twee voertuigen, aangepast aan uw snelheid);
- (geel): het tijdsinterval is ongeveer een of twee seconden (onvoldoende afstand tussen de twee voertuigen);
- D (rood): het tijdsinterval is ongeveer 1 seconde of minder (de afstand tussen de twee voertuigen is veel te kort).
Als het tijdsinterval tussen de twee auto's minder dan ongeveer 0,5 seconde bedraagt, blijft het waarschuwingslampje 3 op display D rood branden op het instrumentenpaneel.
In bepaalde omstandigheden wordt het tijdsinterval mogelijk niet getoond:
- in een bocht;
- bij het veranderen van rijstrook;
- als de voorligger ver genoeg of buiten bereik van de camera is.
EXTRA RIJHULPMIDDELEN
Waarschuwingen

Het interval wordt alleen getoond ter informatie: het systeem kan niet ingrijpen op de auto.
De functie is niet bestemd om gebruikt te worden in de stad of in dynamische rijomstandigheden (bochten, versnellingen, bruusk remmen...), maar wel in stabiele rijomstandigheden.
De functie heeft geen invloed op het remsysteem.
de camera moet schoon blijven en mag niet worden gemanipuleerd, om de goede werking van het systeem te waarborgen. Alle werkzaamheden in de buurt van de camera (reparaties, vervangingen, aanpassingen aan de voorruit) moeten worden uitgevoerd door een vakman.
EXTRA RIJHULPMIDDELEN

Deze functie is een extra hulp tijdens het rijden. Deze functie kan in geen geval de waakzaamheid en verantwoordelijkheid van de bestuurder vervangen; deze moet altijd de controle over zijn auto behouden.
Werkzaamheden/reparaties van het systeem
- Bij een botsing kan de uitlijning van de camera worden gewijzigd en dit kan gevolgen hebben voor de correcte werking. Schakel de functie uit en neem contact op met een erkende dealer.
- Alle werkzaamheden in de buurt van de camera (reparaties, vervangingen, aanpassingen aan de voorruit) moeten worden uitgevoerd door een vakman.
Enkel een erkende dealer mag aan het systeem werken.
Storingen van het systeem
- bedekte voorruit (vuil, ijs, sneeuw, condensatie enz.);
- een complexe omgeving (metalen brug, tunnel enz.);
- slechte weersomstandigheden (sneeuw, hagel, ijzel enz.).
– slecht zicht (nacht, mist enz.); - weinig contrast tussen de voorligger en de omgeving (bijvoorbeeld witte auto in de sneeuw enz.);
- verblinding (felle zon, lichten van tegemoetkomende auto's enz.);
- de weg is smal, bochtig en golvend (scherpe bochten enzovoort)
Risico van onjuiste vals alarm.
EXTRA RIJHULPMIDDELEN
Actieve noodrem

Met behulp van informatie van de camera 1 bepaalt het systeem de afstand tussen uw auto:
- de voorligger op dezelfde rijstrook; of
- eventuele tegenliggers, in het kader van een mogelijke verandering van richting;
of
- en auto's die haaks passeren;
of - en stilstaande auto's;
of
- voetgangers en fietsers in de nabijheid.
Het systeem informeert de bestuurder als er een risico bestaat op een frontale botsing om de juiste noodmanoeuvres mogelijk te maken (het rempedaal indrukken en/of het stuurwiel draaien).
Afhankelijk van het reactievermogen van de bestuurder kan het systeem helpen bij het remmen om schade te beperken of een botsing te voorkomen.
Het systeem is verder niet actief en geeft geen waarschuwing.

Deze functie is een extra hulp tijdens het rijden. Deze functie kan in geen geval de waakzaamheid
en verantwoordelijkheid van de bestuurder vervangen; deze moet altijd de controle over zijn auto behouden.

Met dit systeem wordt de auto maximaal afgeremd totdat deze zo nodig volle- Istaat.
Gebruik om veiligheidsredenen altijd de autogordel tijdens het rijden en controleer of alles goed vastzit, zodat de inzittenden niet kunnen worden geraakt door los-zittende voorwerpen.
Plaats van de camera 1
Zorg ervoor dat de voorruit niet is be- dekt (door vuil, modder, condens enz.).
Werkzaamheden
Wanneer er tijdens het rijden een risico op een aanrijding bestaat, moet het systeem:
- u waarschuwen voor een aanrijdingsgevaar: de melding "Obstakel gedetecteerd" verschijnt op het instrumentenpaneel in combinatie met een pieptoon.
Opmerking: als de bestuurder het rempedaal intrapt en het systeem nog steeds botsingsgevaar detecteert, kan de remkracht worden verhoogd als deze niet voldoende is om de botsing te voorkomen.
EXTRA RIJHULPMIDDELEN
- het remmen activeren: als de bestuurder niet op de waarschuwing reageert en de aanrijding dreigt, worden
het rode waarschuwingslampje en het bericht "Remmen" op het instrumentenpaneel weergegeven in combinatie met een pieptoon.
Opmerking:
- als de bestuurder gebruikmaakt van bedieningselementen van de auto (stuurwiel, pedalen enz.) kan het systeem de reactie hiervan vertragen of niet activeren;
- als het voertuig tot stilstand is gekomen door een actieve noodstop, blijft het voertuig korte tijd stilstaan. Na deze tijdslimiet moet de bestuurder de auto stationair houden door het rempedaal ingedrukt te houden;
- nadat het systeem het remmen heeft geactiveerd, wordt het bericht "Geav. Veiligheid geactiveerd" weergegeven.
In geval van noodmanoeuvre kunt u op elk moment stoppen met remmen door:
- door het gaspedaal kort in te drukken;
of
- aan het stuur te draaien als uitwijkmanoeuvre bij een botsing.
i Speciale waarschuwings- functies
Afhankelijk van de snelheid kunnen de waarschuwing en het remmen gelijktijdig geactiveerd worden.
De functie Actieve noodstop is niet actief in de modus "SNOW" of "MUD-
SAND" → 212 ".
Autodetectie
Detectie van voertuigen die op dezelfde rijstrook rijden
Het risico van een aanrijding met een voorligger op dezelfde rijstrook wordt door het systeem gedetecteerd wanneer:
- uw auto een snelheid heeft van ongeveer 8 tot 180 km/u.
Detectie van eventuele tegenliggers, in het kader van een mogelijke ver- andering van richting

text_image
61338 AWanneer u van richting wilt veranderen (bijv. A), worden tegenliggers door het systeem gedetecteerd wanneer:
- uw voertuig een snelheid heeft van ongeveer 8 tot 20 km/u;
- uw richtingaanwijzer is ingeschakeld.
Detectie van auto's die loodrecht de rijstrook oversteken
EXTRA RIJHULPMIDDELEN
Auto's die loodrecht de rijstrook oversteken, worden door het systeem ge-detecteerd wanneer:
- uw auto een snelheid heeft van ongeveer 20 tot 60 km/u.
Detectie van auto's die op de rijstrook stil staan
Stilstaande auto's worden door het systeem gedetecteerd wanneer:
- uw auto een snelheid heeft van ongeveer 8 tot 80 km/u.
Detectie van voetgangers en fiet- sers
Detectie van voetgangers en fiet- sers op dezelfde rijstrook
Het systeem detecteert voetgangers en fietsers wanneer:
- uw auto een snelheid heeft van ongeveer 8 tot 85 km/u.
Detectie van voetgangers en fiet- sers bij het veranderen van richting
Het systeem detecteert voetgangers en fietsers wanneer:
- uw voertuig een snelheid heeft van ongeveer 8 tot 20 km/u;
i Afhankelijk van de auto, afhankelijk van de tijdsduur na de laatste keer dat de motor is gestopt, wordt de functie opnieuw geactiveerd:
- bij het ontgrendelen van de auto
of
- bij het openen van een portier; of
- bij het opnieuw starten van de motor.
Het systeem in-/uitschakelen via het multimediascherm 2

Zie de multimedia-instructies voor het in-/uitschakelen van de functie.
Voer deze aanpassingen uitsluitend uit als de auto stilstaat.
Systeeminstellingen op het multi-mediascherm 2
Als de auto stilstaat, raadpleegt u de multimedia-instructies om toegang te krijgen tot de functie-instellingen op het multimediascherm 2:
EXTRA RIJHULPMIDDELEN
- "Waarschuwing": pas het gevoeligheidsniveau van de waarschuwing aan. Selecteer hiervoor:
Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van het multimediasysteem voor meer informatie.
Tijdelijk niet beschikbaar
Als het systeem een tijdelijke fout de- tecteert, verschijnt het controlelampje

of, afhankelijk van de auto, het
gele controlelampje

De mogelijke oorzaken zijn:
- Het systeem is tijdelijk inactief (door verblindende zon, dimlichten, slechte weersomstandigheden enzovoort). Het systeem werkt weer als het zicht verbetert.
- het systeem tijdelijk is onderbroken (bijvoorbeeld: de voorruit wordt bedekt door vuil, modder, sneeuw, condens enz.); In dat geval parkeert u de auto en zet u de motor uit. Maak de voorruit schoon. De volgende keer dat de motor wordt gestart, verdwijnen het controlelampje en het bericht na vijf of tien minuten rijden. als dit niet het geval is, is er mogelijk een andere oorzaak.
Neem contact op met een erkende dealer.
Storingen
Wanneer de functie een storing detecteert, licht het waarschuwingslampje

op of, afhankelijk van de auto,

licht het waarschuwingslampje geel op op het instrumentenpa
Raadpleeg voor de exacte gegevens de merkdealer.
EXTRA RIJHULPMIDDELEN
Waarschuwingen

Deze functie is een extra hulp tijdens het rijden. Deze functie kan in geen geval de waakzaamheid en verantwoordelijkheid van de bestuurder vervangen; deze moet altijd de controle over zijn auto behouden.
De activering van deze functie wordt mogelijk vertraagd of niet uitgevoerd als de bestuurder een actie uitvoert (op het stuurwiel, de pedalen, enz.).
Het systeem kan niet worden ingeschakeld wanneer:
- het elektronische stabiliteitsprogramma (ESC) is geactiveerd.
Werkzaamheden/reparaties van het systeem
- Bij een botsing kan de uitlijning van de camera worden gewijzigd, wat gevolgen kan hebben voor de correcte werking.
Schakel de functie uit en neem contact op met een erkende dealer.
- Alle werkzaamheden in de buurt van de camera (reparaties, vervangingen, aanpassingen aan de voorruit) moeten worden uitgevoerd door een vakman.
Enkel een erkende dealer mag aan het systeem werken.
EXTRA RIJHULPMIDDELEN

Storingen van het systeem
Bepaalde omstandigheden kunnen het systeem storen of de correcte werking ervan verhinderen, zoals:
- slechte weersomstandigheden (sneeuw, zware regen, hagel, ijzel, enz.).
– slecht zicht (nacht, mist enz.);
- slecht contrast tussen het object (auto, voetganger enzovoort) en de omgeving (bijvoorbeeld een voetganger met witte kleding in de sneeuw enzovoort);
- verblinding (felle zon, lichten van tegemoetkomende auto's, enz.);
- bedekte voorruit (vuil, ijs, sneeuw, condensatie enzovoort).
- ...
In deze omstandigheden kan het zijn dat het systeem niet reageert of per ongeluk remt.
Beperkingen voor de werking van het systeem
- Elke keer dat de auto wordt gestart, voert het systeem een kalibratie uit op basis van de omgeving van de auto. Het systeem kan daardoor ongeveer twee tot vijf minuten inactief zijn.
- een tegenligger veroorzaakt geen waarschuwing of actie van het systeem als niet wordt voldaan aan de voorwaarden vermeld in "Bijzonderheden van tegenliggers wanneer u van richting verandert" (zie vorige pagina's).
- De camera moet schoon blijven en mag niet worden gemanipuleerd, om de goede werking van het systeem te waarborgen;
- Het systeem reageert mogelijk niet zo goed op kleine voertuigen als op andere voertuigen;
- Het systeem werkt mogelijk niet goed bij een glad wegdek (regen, sneeuw, ijzel enz.). ;
-
om een correcte werking te garanderen, moet het systeem het volledige obstakel onderscheiden. Wat niet door het systeem kan worden gedetecteerd:
-
voetgangers/fietsers in het donker of bij weinig licht
- gedeeltelijk zichtbare voetgangers/fietsers;
- voetgangers die kleiner zijn dan ongeveer 80 cm;
- voetgangers die grote voorwerpen dragen;
- ...
In deze omstandigheden kan het zijn dat het systeem niet reageert of per ongeluk remt.
EXTRA RIJHULPMIDDELEN

Uitschakelen van de functie
Schakel de functie uit indien:
- de camerazone is beschadigd (bijv. de binnen- of buitenkant van de voorruit);
– de auto wordt gesleept (bij pech);
- De voorruit is gebarsten of vervormd (voer geen reparaties uit aan dit gedeelte van de voorruit; laat deze vervangen door een merkdealer);
- U rijdt niet op een geasfalteerde weg.
Als het systeem abnormaal werkt, schakelt u dit uit en neemt u contact op met een erkende dealer. Onderbreking van de functie
U kunt het actief remmen op elk moment onderbreken door het gaspedaal kort in te drukken of aan het stuur te draaien om uit te wijken om een botsing te voorkomen.
EXTRA RIJHULPMIDDELEN
Detectie bestuurdersalertheid
De detectie bestuurdersalertheid is een functie die het gedrag van de bestuurder analyseert (rijstijl, besturing van het voertuig, enz.) en waarschuwt als er een risico is op in slaap vallen.
Het houdt rekening met aanwijzingen zoals:
- stuurwielbewegingen;
- acties van de bestuurder op andere systemen (richtingaanwijzers, rempe-daal enz.)

Deze functie is een extra hulp tijdens het rijden, in geval van vermoeidheid.
De functie werkt niet op
het voertuig. Deze functie kan in geen geval de verantwoordelijkheid van de bestuurder tijdens het rijden vervangen.
De bestuurder moet altijd zijn snelheid aanpassen aan zijn of haar alertheid, aan de omgeving en aan de verkeersomstandigheden, ongeacht de aanwijzingen van het systeem.
Werkzaamheden

De functie is gereed om te waar- schuwen als:
- er enkele minuten zijn verstreken sinds de laatste stop van de auto; - de auto harder rijdt dan ongeveer 70 km/u;
Als er een signaal is van vermoeidheid of verminderde aandacht, wordt "Driver Alert Pas op" weergegeven op het instrumentenpaneel met een pieptoon.
Druk op de schakelaar 1 "OK" om de waarschuwing te wissen. Het is raadzaam om zo snel mogelijk te stoppen voor een pauze.
Na het verwijderen van het bericht blijft het systeem waakzaam en geeft het
indien nodig een nieuwe waarschu- wing.

De detectie bestuurdersa- lertheid bewaakt voortdu- rend de aandacht van de urder en kan per rit meerde- arschuwingen geven. vsteem wordt elke keer dat otor wordt gestart gereset.
Waarschuwing activeren/deactive- ren

Voer deze aanpassingen uitsluitend uit als de auto stilstaat.
EXTRA RIJHULPMIDDELEN

Afhankelijk van de auto en van de tijdsduur na de laatste keer dat de motor is gestopt, worden de waarschuwingen opnieuw geactiveerd:
- bij het ontgrendelen van de auto
of
- bij het openen van een portier; of
- bij het opnieuw starten van de motor.

Wanneer de waarschu- wingssignalen zijn gedeac- tiveerd, blijft het systeem de vermoeidheidstoestand van de bestuurder beoordelen.
Waarschuwingen in- en uitschake- len met de knop 2 "My Safety"

De waarschuwingen kunnen worden in- en uitgeschakeld vanaf de modus "Perso" in de functie "My Safety" → 219.
Als de waarschuwingen eerder zijn ge- deactiveerd met behulp van de modus "Perso":
- om de waarschuwingen uit te schakelen, drukt u twee keer op de knop 2. Het controlelampje van de toets 2 dooft.
- om de waarschuwingen opnieuw te activeren, drukt u één keer op de knop 2. Het controlelampje in de knop 2 licht op.
De waarschuwingen in-/uitschake- len via het multimediascherm 3

Zie de multimedia-instructies voor het in-/uitschakelen van de waarschuwingen.
Kies "ON" of "OFF".
Beperkingen van de werking van het systeem
Bepaalde omstandigheden kunnen het systeem verstoren of de correcte werking ervan verhinderen, bijvoorbeeld:
- bepaalde rijstijlen (onjuist rijgedrag);
- rijden op een weg in slechte staat;
- sterke zijwind;
- de klok is verkeerd geconfigureerd (afhankelijk van het voertuig) → 133;
EXTRA RIJHULPMIDDELEN
- kronkelende wegen;
- tractie van de aanhangwagen.
Storingen
Als het systeem een storing detecteert, verschijnt het bericht "Waakzaamh bewak. controleren" en het waarschu-
wingslampje tenpaneel.

et instrumen-
Laat het systeem door een merkdealer controleren.
Waarschuwing waakzaamheid bestuurder
Introductie

Deze functie is een extra hulp tijdens het rijden, in geval van afleiding. De functie werkt niet op het
voertuig. Deze functie kan in geen geval de verantwoordelijkheid van de bestuurder tijdens het rijden vervangen.
De bestuurder moet altijd zijn snelheid aanpassen aan zijn of haar alertheid, aan de omgeving en aan de verkeersomstandigheden, ongeacht de aanwijzingen van het systeem.

Het systeem analyseert het gezicht van de bestuurder via een camera 1 en waarschuwt bij detectie van afleiding.
Een afleiding is wanneer een bestuurder ongeveer drie seconden niet naar de weg kijkt of deze beweging meerdere keren achter elkaar herhaalt.
Opmerking: het systeem neemt geen beelden op en werkt in realtime.
Plaats van de camera 1
Zorg ervoor dat de camera niet bedekt is (met vuil, modder, sneeuw enz.) of is afgedekt.
EXTRA RIJHULPMIDDELEN
Werkzaamheden

Het systeem houdt continu de aandacht van de be-stuurder in de gaten en kan s een rit meerdere waar-vingen afgeven.

text_image
62148 ② XC ③De functie waarschuwt u wanneer de snelheid boven 20 km/u komt.
Bij afleiding verschijnt het bericht "Blijf gefocust op autorijden" op het instrumentenpaneel 2 en klinkt er een pieptoon.
Het is raadzaam om uw aandacht op de weg te houden en te anticiperen op eventuele incidenten.
Druk op schakelaar 3 OK om het waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel uit te schakelen. Na het uitschakelen van het bericht blijft het systeem afleidingen detecteren en geeft het indien nodig een nieuwe waarschuwing.
Voer deze aanpassingen uitsluitend uit als de auto stilstaat.

Afhankelijk van de auto, worden, op basis van de tijdsduur na de laatste keer e motor is gestopt, de waar- vingen opnieuw geactiveerd:
- bij het ontgrendelen van de auto
of
- bij het openen van een portier; of
- bij het starten van de motor.

Afhankelijk van de auto is het mogelijk dat het niet mogelijk is om waarschun uit te schakelen.
Afhankelijk van de auto, kunnen de waarschuwingen kunnen worden in- en uitgeschakeld met behulp van:
- de knop "My Safety";
- het multimediascherm.
EXTRA RIJHULPMIDDELEN
Waarschuwingen in- en uitschakelen met de knop 4 "My Safety"

De waarschuwingen kunnen worden in- en uitgeschakeld vanaf de modus "Perso" in de functie "My Safety" → 219.
Als de waarschuwingen eerder zijn ge- deactiveerd met behulp van de modus "Perso":
- om de geluidswaarschuwingen uit te schakelen, drukt u twee keer na elkaar op de knop 4. Het controlelampje van de toets 4 dooft.
- om de waarschuwingen opnieuw in te schakelen, drukt u één keer op de knop 4. Het controlelampje in de knop 4 licht op.
De waarschuwingen in-/uitschake- len via het multimediascherm 5

Zie de multimedia-instructies voor het in-/uitschakelen van de waarschuwingen.
Beperkingen van de werking van het systeem
Onder bepaalde omstandigheden kan het systeem worden gestoord, zoals:
- het dragen van bepaalde soorten brillen;
- als de camera wordt belemmerd, zelfs gedeeltelijk;
- als een deel van het gezicht van de bestuurder verborgen is (door een
haar, pet, chirurgisch masker, sjaal, enz.).
- een ongeschikte rijpositie (zoals te laag, te gekanteld, enz.) waardoor de camera het gezicht niet goed kan analyseren;
- ...
In deze omstandigheden kan het systeem geen waarschuwing active- ren of kan het een vroegtijdig of vals alarm activeren.
Storingen
Als het systeem een storing signaleert, verschijnt het bericht "Waakzaamh bewak. controleren" of, afhankelijk van de auto, "Aandachtscontrole niet beschikb. Gezicht niet gedetecteerd" op het instrumentenpaneel, samen met
het waarschuwingslampje

Controleer of de camera schoon is en/of verwijder eventuele gezichtsbedekking.
Zorg ervoor dat u correct zit.
Als het probleem aanhoudt, dient u een merkdealer te raadplegen.
EXTRA RIJHULPMIDDELEN
Waarschuwing vermoeidheids- detectie bestuurder
Introductie

Deze functie is een extra hulp tijdens het rijden, in geval van vermoeidheid. De functie werkt niet op het voertuig. Deze functie kan in geen geval de verantwoordelijkheid van de bestuurder tijdens het rijden vervangen.
De bestuurder moet altijd zijn snelheid aanpassen aan zijn of haar alertheid, aan de omgeving en aan de verkeersomstandigheden, ongeacht de aanwijzingen van het systeem.

Het systeem analyseert het gedrag van het gezicht van de bestuurder met behulp van de camera 1 en waarschuwt als de bestuurder in slaap dreigt te vallen.
Opmerking: het systeem neemt geen beelden op en werkt in realtime.
Plaats van de camera 1
Zorg ervoor dat de camera niet bedekt is (met vuil, modder, sneeuw enz.) of is afgedekt.
Werkzaamheden
Het systeem houdt continu de aandacht van de bestuurder in de gaten en kan tijdens een rit meerdere waarschuwingen afgeven.
Telkens als de motor wordt gestart of bij het wisselen van bestuurder, worden de systeeminstellingen na enkele minuten gereset.

De functie is gereed om te waar- schuwen als:
- er enkele minuten zijn verstreken sinds de laatste stop van de auto; - als de auto sneller dan ongeveer 20 km/u rijdt.
Als er een signaal is van vermoeidheid, wordt "Denk eraan om even te pauzeren" weergegeven op het instrumentenpaneel 2 met een pieptoon.
Als de bestuurder in slaap valt, wordt de melding "Vermoeidh. det. Neem een pauze" weergegeven op het instrumentenpaneel 2 samen met een pieptoon.
Het is raadzaam om zo snel mogelijk te stoppen en pauze te nemen.
Druk op schakelaar 3 OK om het waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel uit te schakelen. Na het uitschakelen van het bericht blijft het systeem vermoeidheid detecteren en geeft het indien nodig een nieuwe waarschuwing.
Voer deze aanpassingen uitsluitend uit als de auto stilstaat.
i Afhankelijk van de auto, worden, op basis van de tijdsduur na de laatste keer dat de motor is gestopt, de waarschuwingen opnieuw geactiveerd:
- bij het ontgrendelen van de auto
of
- bij het openen van een portier; of
- bij het starten van de motor.
Afhankelijk van de auto is het mogelijk dat het niet mogelijk is om waarschuwingen uit te schakelen.
Afhankelijk van de auto, kunnen de waarschuwingen worden in- en uitgeschakeld met behulp van:
- de knop "My Safety";
- het multimediascherm.
Waarschuwingen in- en uitschake- len met de knop 4 "My Safety"

De waarschuwingen kunnen worden in- en uitgeschakeld vanaf de modus "Perso" in de functie "My Safety" → 219.
Als de waarschuwingen eerder zijn ge- deactiveerd met behulp van de modus "Perso":
- om de geluidswaarschuwingen uit te schakelen, drukt u twee keer na elkaar op de knop 4. Het controlelampje van de toets 4 dooft.
- om de waarschuwingen opnieuw in te schakelen, drukt u één keer op de knop 4. Het controlelampje in de knop 4 licht op.
EXTRA RIJHULPMIDDELEN
De waarschuwingen in-/uitschake- len via het multimediascherm 5

Zie de multimedia-instructies voor het in-/uitschakelen van de waarschuwingen.
Beperkingen van de werking van het systeem
Onder bepaalde omstandigheden kan het systeem worden gestoord, zoals:
- het dragen van bepaalde soorten brillen;
- als de camera wordt belemmerd, zelfs gedeeltelijk;
- als een deel van het gezicht van de bestuurder verborgen is (door een
haar, pet, chirurgisch masker, sjaal, enz.).
- een ongeschikte rijpositie (zoals te laag, te gekanteld, enz.) waardoor de camera het gezicht niet goed kan analyseren;
- ...
In deze omstandigheden kan het systeem geen waarschuwing active- ren of kan het een vroegtijdig of vals alarm activeren.
Storingen
Als het systeem een storing signaleert, verschijnt het bericht "Waakzaamh bewak. controleren" of, afhankelijk van de auto, "Aandachtscontrole niet beschikb. Gezicht niet gedetecteerd" op het instrumentenpaneel, samen met
het waarschuwingslampje

Raadpleeg voor de exacte gegevens de merkdealer.
Controleer of de camera schoon is en/of verwijder eventuele gezichtsbedekking.
Zorg ervoor dat u correct zit.
Als het probleem aanhoudt, dient u een merkdealer te raadplegen.
Detectie van verkeersborden

Het systeem geeft op het instrumentenpaneel weer wat de maximumsnelheid is aan de hand van verkeersborden die langs de kant van de weg zijn gedetecteerd.
Deze functie maakt hoofdzakelijk gebruik van de informatie van de camera 1 op de voorruit, achter de achteruitkijkspiegel.
Afhankelijk van het land gebruikt het systeem ook informatie van een kaartabonnement om bepaalde borden (bebouwde kom, enz.) te interpreteren.
Het bord dat op het instrumentenpaneel wordt weergegeven, verandert wanneer het systeem een ander verkeersbord detecteert.
EXTRA RIJHULPMIDDELEN
Wanneer de snelheidsbegrenzer, de snelheidsregelaar of, afhankelijk van de auto, de Stop and Go adaptieve snelheidsregelaar is ingeschakeld, kunt u het instelpunt van de begrensde snelheid aanpassen aan de snelheidslimiet die door het systeem op het instrumentenpaneel wordt weergegeven (→ 256 → 259 → 262).
Als de gedetecteerde snelheidslimiet wordt overschreden, wordt het verkeersbord op het instrumentenpaneel aangepast om de bestuurder te informeren.
Plaats van de camera 1
Zorg ervoor dat de voorruit niet is be- dekt (door vuil, modder, condens enz.).
Bijzonderheden
Voor auto's met een kaartabonnement:
- als de auto in een land rijdt met andere snelheidseenheden dan die van de auto, wordt het snelheidsbord weergegeven in de eenheid van het desbetreffende land, samen met de omgerekende maximumsnelheid in de eenheid van het instrumentenpaneel van de auto.
- voor landen waar de maximumsnelheid op bepaalde soorten wegen wordt verlaagd bij regenweer, kan het sys-
teem de gedetecteerde maximumsnelheid wijzigen enkele seconden nadat de ruitenwissers van de voorruit zijn ingeschakeld.
Voor auto's zonder een kaartabonnement: wanneer u rijdt in een land waar de snelheidseenheden verschillen van die van uw auto, kunt u handmatig de bijbehorende snelheidseenheid op het instrumentenpaneel selecteren (bijv. kilometers veranderen in mijlen) om de passende informatie te verkrijgen → 126.
Opmerking: het systeem houdt geen rekening met uitzonderlijke snelheidsbeperkingen, bijvoorbeeld op dagen waarop de luchtverontreiniging piekt.
Werkzaamheden
Controlelampjes
78588

text_image
110 110 km/h 0 1 2 3 4 5 6 7 8 x1000 ECO 510 km ③ ② 47410 km 0.0 kmDe functie geeft de volgende waarschuwingslampjes weer:
- Verkeersborden met de maximumsnelheid en extra verkeersborden met de maximumsnelheid (snelheid op afrit met pijl, snelheid met een caravan, snelheidslimiet met aangegeven duur, enz.)
- Extra verkeersborden (begin en ein-de inhaalverbod).
Als de gedetecteerde snelheidslimiet wordt overschreden, gaat er een cirkel rond het verkeersbord knipperen (waarschuwingslampje 2), vergezeld, afhankelijk van de auto, van een pieptoon die gedurende enkele seconden klinkt om u te waarschuwen. Het lampje blijft zichtbaar op het instrumenten-
EXTRA RIJHULPMIDDELEN
paneel zolang de auto de gedetecteer- de maximumsnelheid overschrijdt.

Kaartabonnement
Detectie van verkeersbor- den is gekoppeld aan een abonnement.
Opmerking: Als er geen kaart voor een land is, verschijnt er een bericht op het multimediascherm om te informeren en om de kaart-informatie met betrekking tot het land te downloaden.
Raadpleeg de instructies bij het multimediasysteem om het abonnement te beheren.
Als er geen abonnement is, is het systeem beperkt tot het melden van de verkeersborden die de maximumsnelheid aangeven wanneer deze door de camera worden gedetecteerd.
Het systeem houdt geen rekening meer met informatie over de kaarten. De beschikbaarheid van de maximumsnelheid kan worden beïnvloed.
Voer deze aanpassingen uitsluitend uit als de auto stilstaat.

Afhankelijk van de auto en afhankelijk van de tijdsduur na de laatste keer dat de
motor is gestopt, worden de ge- luidswaarschuwingen opnieuw geactiveerd:
- bij het ontgrendelen van de auto of
- bij het openen van een portier; of
- bij het opnieuw starten van de motor.
In- of uitschakelen van de geluids-waarschuwing voor te hoge snel-heid met knop 4 "My Safety"

De geluidssignalen kunnen worden in- of uitgeschakeld via de modus "Perso" in de functie "My Safety" → 219.
Als de geluidswaarschuwing eerder is uitgeschakeld in de modus "Perso":
- om de geluidswaarschuwing uit te schakelen, drukt u twee keer op de knop 4. Het controlelampje van de toets 4 dooft.
- om de geluidswaarschuwing opnieuw in te schakelen, drukt u één keer op de knop 4. Het controlelampje in de knop 4 licht op.
De geluidswaarschuwing voor te hoge snelheid in- of uitschakelen vanaf het multimediascherm 5
EXTRA RIJHULPMIDDELEN

Zie de multimedia-instructies voor het in-/uitschakelen van de geluidswaarschuwing.
Kies "ON" of "OFF".
Verschil in maximumsnelheid of kruissnelheid
(afhankelijk van de auto)

Om het instelpunt Stop and Go van de snelheidsbegrenzer, snelheidsregelaar of adaptieve snelheidsregelaar aan te passen aan de gedetecteerde maximumsnelheden: druk kort schakelaar 6 om de snelheid van de auto aan te passen aan de maximumsnelheid die is aangegeven op het laatst gedetecteerde snelheidsbord.
Opmerking: in auto's met een kaar- tabonnement kunt u de snelheid van de auto automatisch aanpassen aan elke nieuwe maximumsnelheid die wordt aangegeven op de gedetecteer- de snelheidsborden. Houd hiervoor schakelaar 6 ongeveer twee seconden ingedrukt.
Tijdelijk niet beschikbaar
Als het systeem niet beschikbaar is om redenen die verband houden met de camera- of kaartgegevens, wordt het
symbool afhankelijk van de
auto, het symbool 📄eel weer- gegeven op het instrumentenpaneel. Als het probleem aanhoudt, moet u een erkende dealer raadplegen.
Het systeem kan de snelheidsbeperking niet detecteren:
- de voorruit niet schoon is;
- de camera verblind wordt door de zon;
- bij onvoldoende zicht (nacht, mist, enz.);
- als de verkeersborden onleesbaar (door sneeuw, enz.) of verborgen zijn (achter een andere auto of bomen);
- de kaartinformatie niet meer up-to-date is.
Opmerking: als de camera aan de voorkant is afgedekt, verschijnt het bericht "Camera voor geen zicht" op het instrumentenpaneel. Reinig de voorruit voor de camera.
Storingen
Als het systeem een storing signaleert,
wordt afhankelijk van de au-
EXTRA RIJHULPMIDDELEN
to, het gele

gegeven op het
instrumentenpaneel.
In sommige gevallen verschijnt ook het volgende bericht:
- « Rijhulpsystemen niet beschikbaar »;
of
- « Controleer camera voor » ;
of
Raadpleeg voor de exacte gegevens de merkdealer.
EXTRA RIJHULPMIDDELEN
Waarschuwingen

Deze functie is een extra hulp tijdens het rijden. Deze functie kan in geen geval de waakzaamheid en verantwoordelijkheid van de bestuurder vervangen; deze moet altijd de controle over zijn auto behouden.
De bestuurder moet altijd de snelheid aanpassen aan het verkeersreglement en aan de verkeersomstandigheden, ongeacht de aanwijzingen van het systeem.
Het systeem detecteert mogelijk niet alle snelheidsborden of interpreteert ze mogelijk verkeerd.
De bestuurder mag verkeersborden niet negeren die niet door het systeem worden gedetecteerd en moet prioriteit geven aan het naleven van de feitelijke verkeersborden en het verkeersreglement.
Bij slecht zicht (mist, sneeuw, vorst, enz.) geeft het systeem wellicht niet de juiste maximumsnelheid aan.
SNELHEIDSBEGRENZER
De snelheidsbegrenzer bestuurt de motor om ervoor te zorgen dat een door u gekozen rijsnelheid niet wordt overschreden; deze snelheid noemen we de limietsnelheid.
De snelheidsbegrenzerfunctie kan worden geactiveerd van 0 km/u tot 180 km/u.
Bedieningsknoppen

text_image
62916 ① ② ③ ④ ⑤ ⑥1 Schakelaar om de maximumsnelheid in te schakelen en te verhogen (SET/+).
2 Afhankelijk van de auto, activeringsschakelaar voor detectie van verkeersborden → 250.
3 Schakelaar voor het selecteren/de- selecteren van de rijhulpmiddelen, af- hankelijk van de auto:
- snelheidsregelaar;
- snelheidsbegrenzer;
- OFF.
4 Schakel de functie naar stand-by met de ingestelde maximumsnelheid opgeslagen in het geheugen (0).
5 Oproepen van de opgeslagen maximumsnelheid (RES).
6 Schakelaar om de maximumsnelheid in te schakelen en te verlagen (SET/-).
i Afhankelijk van de auto: als de modus "OFF" wordt ge- selecteerd voordat het contact wordt uitgeschakeld, wordt de functie "Snelheidsbegrenzer" standaard geactiveerd de volgen-de keer dat de auto wordt gestart.
U kunt de snelheidsbegrenzer koppelen aan de functie "Detectie van verkeersborden" → 250.
Rijden
Wanneer een maximumsnelheid is ingesteld maar nog niet is bereikt, gaat het rijden zoals bij een auto zonder de functie snelheidsbegrenzer.
Zodra de ingestelde snelheid is bereikt, zal de auto deze niet overschrijden - ook niet als u het gaspedaal verder indrukt - behalve in een noodgeval (zie "Ingestelde snelheid overschrijden").
Inschakelen

text_image
7 110 110 km/h 110 47410 km 0.0 km 510 kmDruk op schakelaar 3 totdat het lampje 7 op het instrumentenpaneel grijs oplicht. Het bericht "Begrenzer geselecteerd" verschijnt op het instrumentenpaneel, tezamen met streepjes om aan
SNELHEIDSBEGRENZER
te geven dat de functie snelheidsbegrenzer werkt en wacht tot een maximumsnelheid wordt opgeslagen.
Als u de huidige snelheid wilt opslaan, drukt u op de schakelaar 1 (SET/+) of schakelaar 6 (SET/-): de streepjes worden door de maximumsnelheid vervangen. Afhankelijk van de auto licht het waarschuwingslampje 7 wit op.
De minimale snelheid die wordt bespaard is 20 km/u of, afhankelijk van de auto, 30 km/u.

Let op: u moet de voeten dicht bij de pedalen te houden om te kunnen ingrijpen bij noodsituaties.
Verandering van de ingestelde maximum snelheid

text_image
62916 ① ② ③ ④ ⑤ ⑥U kunt de ingestelde maximum snelheid veranderen door (het achter elkaar indrukken of het lang ingedrukt houden) van:
- de schakelaar7 (SET/+) om de snelheid te verhogen;
- de schakelaar6 (SET/-) om de snelheid te verlagen.

De snelheidsbegrenzer heeft in geen enkel geval invloed op het remsysteem.
Sneller rijden dan de ingestelde snelheid
Het blijft altijd mogelijk de ingestelde maximumsnelheid te overschrijden. Ga als volgt te werk: druk het gaspedaal stevig in tot voorbij het weerstandspunt.
Gedurende het overschrijden knippert de maximumsnelheid op het instrumentenpaneel.
Laat vervolgens het gaspedaal los: de functie snelheidsbegrenzer treedt weer in werking zodra u langzamer rijdt dan de in het geheugen opgeslagen snelheid.
Onmogelijkheid om de ingestelde maximum snelheid vast te houden
Tijdens een steile afdaling kan de maximumsnelheid niet worden aangehouden: in dat geval knippert de ingestelde snelheid rood op het instrumentenpaneel en hoort u een piepsignaal met een regelmatig interval.

Als de functie snelheidsbegrenzer (na verschillende pogingen om deze in te schakelen) niet be-
schikbaar is, neemt u contact op met een merkdealer.
SNELHEIDSBEGRENZER
Onderbreken van de functie
De werking van de snelheidsbegrenzer wordt opgeschort als u drukt op de schakelaar 4 (O). De maximumsnelheid wordt opgeslagen en op het instrumentenpaneel grijs weergegeven.
Opnieuw inschakelen van de maximum snelheid
Als een snelheid is opgeslagen, kunt u deze oproepen door te drukken op de schakelaar 5.

Als de snelheidsbegrenzer is ingesteld op stand-by, druk op schakelaar 6 (SET
I-) of schakelaar 1 (SET/+) om de functie opnieuw te activeren, ongeacht de snelheid die in het geheugen is opgeslagen: de actuele snelheid van de auto wordt gebruikt.
Uitschakelen van de functie

text_image
62916 ① ② ③ ④ ⑤ ⑥De functie snelheidsbegrenzer wordt onderbroken:
- als u drukt op de schakelaaβ totdat OFF, het bericht "Rijhulpsystemen uitgeschakeld" wordt weergegeven op het instrumentenpaneel. In dit geval wordt er geen snelheid meer in het geheugen opgeslagen;

Afhankelijk van de auto wordt in dat geval de vol-
gende keer dat de motor
wordt gestart, de functie "Snelheidsbegrenzer" geactiveerd en wordt gewacht tot een snelheidslimiet is opgeslagen.
- u op de schakelaa3 drukt totdat
het lampje 📞e display verschijnt. In dit geval wordt de snelheidsregelaar geselecteerd en is er geen ingestelde snelheid.
SNELHEIDSREGELAAR
De snelheidsregelaar bestuurt de motor en het remsysteem om te zorgen dat een door u gekozen rijsnelheid wordt aangehouden; deze snelheid noemen we de kruissnelheid.
De snelheidsregelaar kan worden ge- activeerd vanaf 20 km/u of, afhankelijk van de auto, vanaf 30 km/u tot 180 km/ u.

De snelheidsregelaar heeft in geen enkel geval invloed op het remsysteem.
Bedieningsknoppen

text_image
62916 ① ② ③ ④ ⑤ ⑥1 Schakelaar om de kruissnelheid te activeren en te verhogen ( SET/+ ).
2 Afhankelijk van de auto, activeringsschakelaar voor detectie van verkeersborden → 250.
3 Schakelaar voor het selecteren/de-
selecteren van de rijhulpmiddelen, af-
hankelijk van de auto:
- snelheidsregelaar;
- snelheidsbegrenzer;
- OFF.
4 Functie op stand-by zetten (en de kruissnelheid op te slaan) (0).
5 Oproepen van de in het geheugen vastgelegde snelheid (RES).
6 Schakelaar om de kruissnelheid te activeren en te verlagen ( SET/- ).
i Afhankelijk van de auto: als de modus "OFF" wordt ge- selecteerd voordat het contact wordt uitgeschakeld, wordt de functie "Snelheidsbegrenzer" standaard geactiveerd de volgen-de keer dat de auto wordt gestart.

U kunt de snelheidsregelaar koppelen aan de functie "Detectie van verkeersn → 250.
Inschakelen

text_image
7 110 110 km/h 110 47410 km 0.0 km x1000 MTD 510 kmDruk op schakelaar 3 totdat het lampje 7 op het instrumentenpaneel grijs oplicht.
Het bericht "Regelaar geselecteerd" verschijnt op het instrumentenpaneel, samen met streepjes die aangeven dat de snelheidsregelaar actief is en klaar voor het opslaan van een ingestelde snelheid.
SNELHEIDSREGELAAR
Instellen van de snelheid

text_image
62916 ① ② ③ ④ ⑤ ⑥Terwijl de auto een constante snelheid van meer dan ongeveer 20 km/u of, afhankelijk van de auto, 30 km/u heeft, drukt u op schakelaar 6 (SET/-) of op schakelaar 1 (SET/+): de functie wordt geactiveerd en er wordt rekening gehouden met de huidige snelheid.
De streepjes worden vervangen door de ingestelde snelheid. De ingestelde snelheid is bevestigd wanneer de opgeslagen snelheid en het waarschuwingslampje 7 brandt groen.
Als u de functie wilt inschakelen bij een snelheid van minder dan 20 km/u of, afhankelijk van de auto, 30 km/u, verschijnt het bericht "Snelh. ongeldig" en blijft de functie uitgeschakeld.
Rijden
Als een snelheid in het geheugen is vastgelegd en de functie snelheidsregelaar is ingeschakeld, kunt u uw voet van het gaspedaal nemen.

Let op: u moet de voeten dicht bij de pedalen te houden om te kunnen ingrijpen bij noodsituaties.
Veranderen van de gekozen snelheid
U kunt de ingestelde snelheid veranderen door een aantal keren te drukken op:
- de schakelaa6 (SET/-) om de snelheid te verlagen;
- de schakelaar1 (SET/+ ) om de snelheid te verhogen.
Opmerking: Druk op een van de schakelaars en houd deze ingedrukt om de snelheid trapsgewijs te wijzigen.
Sneller rijden dan de gekozen snelheid
U kunt de snelheid van de auto altijd verhogen door het gaspedaal in te drukken.
Zo lang u te snel rijdt, knippert de ingestelde snelheid op het instrumentenpaneel om u te waarschuwen.
Laat daarna het gaspedaal los: na enkele seconden gaat uw auto automatisch weer met de oorspronkelijk ingestelde snelheid rijden.

Als de functie snelheidsregelaar niet meer beschikbaar is (na verschillende pogingen om deze
te activeren), neemt u contact op met een erkende dealer.
Onderbreken van de functie

text_image
62916 ① ② ③ ④ ⑤ ⑥SNELHEIDSREGELAAR
De functie wordt uitgeschakeld als u drukt op:
- druk op de schakelaar4 (0);
- het rempedaal;
- het koppelingspedaal langdurig wordt ingedrukt of als de auto langdurig in neutrale stand blijft op voertuigen met een handgeschakelde versnellingsbak;
- schakelen naar neutraalstand bij voertuigen met een automatische versnellingsbak.
De ingestelde snelheid wordt opgeslagen en op het instrumentenpaneel grijs weergegeven.
Oproepen van de ingestelde snelheid
Als een snelheid in het geheugen is opgeslagen, kan deze in de juiste omstandigheden (verkeersdrukte, staat van het wegdek, weersomstandigheden, enz.) worden opgeroepen. Druk op de schakelaar 5 (RES) als de rij-snelheid hoger is dan 20 km/u of, af-hankelijk van de auto, 30 km/u.
Als de snelheid is opgeslagen, verschijnt de kruissnelheid groen om de activering van de snelheidsregelaar te bevestigen. Afhankelijk van de auto gaat het controlelampje 7 branden.
N.B.: als de eerder opgeslagen snelheid veel hoger is dan de actuele snelheid, trekt de auto snel op naar deze hogere snelheid.
Als de snelheidsregelaar stand-by is, komt de regelaarfunctie weer in werking door een druk op de schakelaar 6 (SET/-) of schakelaar 1 (SET/+) ongeacht de snelheid die in het geheugen is opgeslagen: de actuele snelheid van de auto wordt gebruikt.
Uitschakelen van de functie

text_image
7 110 110 km/h 110 47410 km 0 1 2 3 4 5 6 7 8 ±1000 eco 0.0 km 510 km 62332De functie snelheidsregelaar wordt onderbroken:
- als u drukt op schakelaat totdat het bericht "Rijhulpsystemen uitgeschakeld" op het instrumentenpaneel verschijnt. In dit geval is er geen ingestelde snelheid:

Afhankelijk van de auto wordt in dat geval de volgende keer dat de motor wordt gestart, de functie "Snelheidsbegrenzer" geactiveerd en wordt gewacht tot een snelheidslimiet is opgeslagen.
- u op de schakelaa3 drukt totdat
het lampje 📞e display verschijnt. In dat geval wordt de snel-heidsbegrenzer geselecteerd en is er geen opgeslagen snelheid.
Het waarschuwingslampje 7 verdwijnt van het instrumentenpaneel om te bevestigen dat de functie gestopt is.
De snelheidsregelaar gebruikt informatie van een camera om de auto op een bepaalde ingestelde snelheid - de Stop and Go kruissnelheid - te houden, op een veilige afstand van uw voorligger.
Afhankelijk van de auto kan het systeem, wanneer de functie "Detectie van verkeersborden" is ingeschakeld
→ 250, de snelheid van uw auto aanpassen aan de snelheidslimietborden die door de camera worden herkend.
Als uw voorligger afremt, kan de Stop and Go snelheidsregelaar uw auto afremmen tot volledige stilstand en vervolgens weer laten vertrekken.
Het systeem laat uw auto versnellen en vertragen met behulp van de motor en het remsysteem.
Het maximumbereik van het systeem is ongeveer 140 meter. Dit kan variëren afhankelijk van de wegomstandigheden (hoogteverschillen, weersomstandigheden, enz.)
De functie Stop and Go adaptieve snelheidsregelaar kan worden ingeschakeld vanaf een snelheid van 0 km/h tot 160 km/h.
De functie wordt aangeduid met de
symbolen


Opmerking:
- de bestuurder moet zich houden aan de maximumsnelheden en veilige afstanden conform de wetgeving van het land waar hij rijdt.
- de Stop and Go adaptieve snelheidsregelaar kan de auto afremmen tot een derde van het remvermogen. Naargelang van de situatie moet de bestuurder mogelijk zelf harder remmen.

De Stop and Go adaptieve snelheidsregelaar kan geen noodstop activeren en heeft s een beperkte remcapaci-

Deze functie is een extra hulp tijdens het rijden.
Ook met deze extra rij- hulp is de bestuurder al-
tijd verplicht om zich aan de snel- heidslimieten en veilige afstanden te houden en alert te blijven.
De bestuurder moet altijd controle houden over de auto.
De bestuurder moet altijd zijn snelheid aanpassen aan de omgeving en aan de verkeersomstandigheden.
Gebruik de adaptieve snel-heidsregelaar buiten de be-bouwde kom, op brede wegen met zichtbare lijnen.
De snelheidsregelaar kan een beperkte werking hebben op een zeer bochtige of gladde weg (ijzel, aquaplaning, kiezelsteentjes) en bij slechte weersomstandigheden (mist, regen, zijwind, enz.).
Kans op ongevallen.
Plaats van de camera 1

Zorg ervoor dat de voorruit niet is be- dekt (door vuil, modder, condens enz.).
Bedieningsknoppen

text_image
67730 XC 4 5 3 6 2 8 72 Schakelaar om de kruissnelheid te activeren en te verlagen (SET/-).
3 Schakelaar om de kruissnelheid te activeren en te verhogen (SET/+).
4 Afhankelijk van de auto schakelt u over om de snelheidslimietdetectie → 250 in te schakelen.
5 Functie op stand-by zetten (en de kruissnelheid op te slaan) (0).
6 Schakelaar voor het selecteren/de-
selecteren van de rijhulpmiddelen, af-
hankelijk van de auto:
- de adaptieve snelheidsregelaar Stop
and Go


- snelheidsbegrenzer;
- OFF.
7 De volgafstand instellen.
8 Oproepen van de in het geheugen vastgelegde snelheid (RES).
i Afhankelijk van de auto: als de modus "OFF" wordt ge- selecteerd voordat het contact wordt uitgeschakeld, wordt de functie "Snelheidsbegrenzer" standaard geactiveerd de volgen-de keer dat de auto wordt gestart.
i Afhankelijk van uw auto kunt u de snelheidsregelaar koppelen aan de functie "Detectie van verkeersborden" door te drukken op de knop 4.
- Controlelampje van de adaptieve snelheidsregelaar.
- Opgeslagen kruissnelheid.
- Opgeslagen veilige afstand
- Voorligger.

De camera moet schoon blijven en mag niet worden gemanipuleerd, om de goede werking van
het systeem te waarborgen.
Inschakelen
Druk zo vaak als nodig op knop 6 om de adaptieve snelheidsregelaar Stop and Go te selecteren.
Het waarschuwingslampje 9 wordt grijs weergegeven en het bericht "Adapt. Regelaar geselecteerd" verschijnt op het instrumentenpaneel met streepjes om aan te geven dat de functie is ingeschakeld en wacht op het opslaan van een kruissnelheid.
Deze functie kan niet worden ingeschakeld als:
- de parkeerrem is ingeschakeld; - De functie Parkeerhulp is al ingeschakeld → 284.
Het bericht "Adaptieve regel. niet beschikbaar" verschijnt op het instrumentenpaneel.
Instellen van de snelheid
Als de auto stilstaat of rijdt met een constante snelheid, drukt u op de schakelaar 3 (SET/+) of 2 (SET/-) om de functie te activeren en de huidige snelheid op te slaan.
De kruissnelheid moet minstens 30 km/h zijn.
De streepjes worden vervangen door de kruissnelheid 10 en de werking van de snelheidsregelaar wordt bevestigd
door de weergave van de kruissnelheid in groen en een waarschuwings-
lampje 9

Als u probeert om de functie in te schakelen bij een snelheid van meer dan 160 km/h, verschijnt het bericht "Snelh. ongeldig" en blijft de functie uitgeschakeld.
Als er een kruissnelheid is opgeslagen en de regeling ingeschakeld is, kunt u uw voet van het gaspedaal nemen.
Opmerking: als de autosnelheid lager is dan ongeveer 30 km/u, gebruikt de functie een standaard kruissnelheid van ongeveer 30 km/u. De auto trekt op totdat de ingestelde kruissnelheid is bereikt.

Belangrijk: houd uw voeten altijd vlakbij de pedalen om voorbereid te zijn op alle mogelijke situa-
ties.
Snelheidsregelaar activeren met herkenning snelheidsbeperkingen

text_image
10 100 km/h D 47410 km 0.0 km 100 13 510 km 68367Als de auto is uitgerust met de functie "Verkeersborddetectie"→ 250, drukt u op schakelaar 4 om de snelheid van de auto aan te passen aan de snel-heidslimieten 13 die door de camera worden gedetecteerd.
Bij het passeren van het verkeersbord verandert de kruissnelheid 10 automatisch in de gedetecteerde snelheid 13.
De bestuurder moet altijd alert blijven op de door het systeem toegepaste snelheid en blijft verantwoordelijk voor de voertuigsnelheid.
Bewaking veilige afstand in- schakelen
Zodra de snelheidsregelaar is ingeschakeld, verschijnt de standaard veilige afstand 11 in het groen op het instrumentenpaneel.
De instelling van de volgafstand wordt door het systeem opgeslagen tussen elke activering van de adaptieve snel-heidsregelaar en voor de volgende startcyclus van de auto.
Als het systeem een voertuig detecteert in uw rijstrook, verschijnt de omtrek van een voertuig 12 boven de afstandsmeter 11 op het instrumentenpaneel.
De snelheid van uw auto wordt continu aangepast aan de snelheid van uw voorligger. Indien nodig remt uw auto (de remlichten gaan branden) om de afstand die het instrumentenpaneel aangeeft, te bewaren.
Opmerking: de grootte van de omtrek 12 varieert afhankelijk van de afstand tussen u en uw voorligger. Hoe groter de omtrek, hoe dichterbij uw voorligger.
De kruissnelheid instellen
U kunt de snelheid variëren door herhaaldelijk (kleine stappen) op schakelaar 2 of 3 te drukken of door (grote
stappen) deze schakelaars ingedrukt te houden:
- de schakelaar (SET/-β om de snelheid te verlagen;
- de schakelaar (SET/+)4 om de snelheid te verhogen.
De volgafstand instellen
78757

text_image
D 100 100 Basis 100 A B C D 310 km 0 km 0.0 kmU kunt op elk moment de veilige afstand ten opzichte van uw voorligger wijzigen door herhaaldelijk op de schakelaar 7 te drukken.
De horizontale afstandsmeter op het instrumentenpaneel duidt de beschikbare veilige afstanden aan:
- afstandsmeter: grote afstand (komt overeen met ongeveer 2,4 seconden);
- afstandsmeterB: middelgrote afstand 2 (komt overeen met ongeveer twee seconden);
- afstandsmeterC: middelgrote afstand 1 (komt overeen met ongeveer 1,6 seconden);
- afstandsmeterD: kleine afstand (komt overeen met ongeveer 1,2 seconden).
De geselecteerde afstandsmeter wordt groen.
De andere meters blijven grijs.
Opmerking: u moet de ingestelde afstand afstemmen op de verkeersdrukte, de lokale regelgeving en de weersomstandigheden.

De instelling van de volgafstand wordt door het systeem opgeslagen tussen el-
ke activering van de adaptieve snelheidsregelaar Stop and Go en voor de volgende startcyclus van de auto.
Sneller rijden dan de gekozen snelheid

text_image
10 80 D 80 km/h 47410 km 0.0 km 80 510 km 68366U kunt de kruissnelheid van de auto altijd verhogen door het gaspedaal in te drukken.
Als de tijdsperiode wordt overschreden, verschijnt de kruissnelheid 10 in het rood.
De afstandsmeter knippert als de afstand tussen uw auto en uw voorligger kleiner is dan de ingestelde veilige afstand: de functie "Veilige afstand" is niet langer actief.
Laat het gaspedaal los: de snelheidsregelaar en veilige afstand gaan automatisch terug naar de eerder gekozen instellingen.
Inhaalmanoeuvre
Als u uw voorligger wilt inhalen, wordt door het inschakelen van de richting-aanwijzer de functie veilige afstand tij-delijk uitgeschakeld, zodat de auto voldoende kan versnellen om de voorligger in te halen.
Stoppen en Starten
Als uw voorligger vertraagt, wordt de snelheid van uw auto aangepast, indien nodig tot volledige stilstand (bijv. in druk verkeer). De auto stopt op een paar meter van de voorligger. De functie Stop and Start kan de motor op stand-by zetten → 171.
Als de voorligger weer gaat rijden:
- als de auto niet langer dan ongeveer dertig seconden stilstond, trekt deze automatisch weer op zonder actie van de bestuurder.
Opmerking: de bestuurder moet tijdens het rijden altijd voorbereid zijn op plotselinge incidenten en blijft verantwoordelijk voor het besturen van de auto: als het systeem een voetganger rondom de auto detecteert, wordt het automatisch herstarten geblokkeerd tot de volgende stop;
- if the stop exceeds approximately thirty seconds, you must press the accelerator pedal or press switch 8 (RES) om de auto te laten vertrekken.
Het bericht "Druk op RES of geef gas om de regelaar te heractiveren" verschijnt ter bevestiging op het instrumentenpaneel.
Als de auto langer dan ongeveer drie minuten stilstond, wordt de automatische parkeerrem ingeschakeld en de Stop and Go snelheidsregelaar uitgeschakeld.
Het waarschuwingslampje 9

verdwijnt om te bevestigen dat de functie uitgeschakeld.
Onderbreken van de functie
U kunt de functie als volgt in stand-by zetten:
- druk op de schakelaar5 (0);
- druk tijdens het rijden op het rempe- daal.
De functie wordt uitgeschakeld door het systeem als:
- zet de automatische versnellingsbak op P, R of N;
- u maakt de veiligheidsgordel van de bestuurder los;
- een van de portieren of kleppen wordt geopend;
- op de start/stop-knop van de motor wordt gedrukt;
– de helling te steil is;
– de rijsnelheid van de auto hoger is dan 170 km/h;
- Bepaalde rijhulpmiddelen en correctiesystemen worden ingeschakeld (actieve noodstop, ABS, ESC enz.);
- Modus "SNOW" en "MUD-SAND" → 212.
In alle gevallen wordt stand-by bevestigd doordat de controlelampjes grijs worden en de melding "Adaptieve regelaar uitgeschakeld" verschijnt.

Als u de Stop and Go snelheidsregelaar in stand-by zet of uitschakelt, leidt dit niet tot een
snelle vertraging van de auto: als u wilt remmen, moet u het rempe-daal indrukken.
Stand-by afsluiten
- De parkeerrem is ingeschakeld.
- De functie "Actieve noodstop" activeert het remmen.
- De sensor is belemmerd (camera-blindheid gedetecteerd).
Op basis van de opgeslagen kruissnelheid
Als een snelheid in het geheugen is opgeslagen, kan deze in de juiste omstandigheden (verkeersdrukte, staat van het wegdek, weersomstandigheden, enz.) worden opgeroepen.
Druk op schakelaar 8 (RES) binnen het geldende snelheidsbereik. Als u de opgeslagen snelheid oproept, wordt het inschakelen van de regelaar bevestigd doordat de ingestelde snelheid groen oplicht.
Opmerking: als de opgeslagen snelheid veel hoger is dan de huidige snelheid, trekt de auto op naar deze hogere snelheid.
Op basis van de huidige snelheid
Als de snelheidsregelaar stand-by is, drukt u op schakelaar 2 (SET/-) of 3 (SET/+) om de functie Snelheidsregelaar weer in te schakelen, ongeacht de snelheid die in het geheugen is opgeslagen: de actuele snelheid van de auto wordt gebruikt.
In sommige situaties (u nadert een veel langzamer voertuig, er is een voorligger die snel van rijstrook wisselt, enz.) heeft het systeem wellicht geen tijd om te reageren.
Afhankelijk van de situatie geeft het systeem een geluidssignaal in combinatie met:
- de oranje waarschuwingE als de aandacht van de bestuurder vereist is; of
- de rode waarschuwingF samen met de melding "Remmen", als onmiddellijke actie van de bestuurder vereist is.
Reageer altijd gepast op alle waarschuwingen en voer de nodige manoeuvres uit.
Uitschakelen van de functie
De functie "Stop and Go adaptieve snelheidsregelaar" wordt onderbroken wanneer u schakelaar 6 indrukt om de adaptieve snelheidsregelaar uit te schakelen. In dit geval wordt er geen snelheid meer in het geheugen opgeslagen.
Het waarschuwingslampje 9 verdwijnt van het instrumentenpaneel om te bevestigen dat de functie niet langer actief is.
i Afhankelijk van de auto wordt in dat geval de volgende keer dat de motor wordt gestart, de functie "Snelheidsbegrenzer" geactiveerd en wordt gewacht tot een snelheidslimiet is opgeslagen.
Tijdelijk niet beschikbaar
Het grijze waarschuwingslampje 9

verdwijnt om te bevestigen dat
de functie automatisch is uitgeschakeld.
Zorg ervoor dat het gezichtsveld van de camera niet is belemmerd (door vuil, modder, sneeuw, enz.) of is bloot-gesteld aan een botsing.
In bepaalde geografische omstandigheden kan de functie worden gestoord, zoals:
- droge zones, tunnels, lange bruggen of weinig gebruikte wegen zonder wegmarkeringen, borden of bomen in de buurt;
- een militaire zone of een luchthaven.
Als u deze gebieden verlaat, zal de functie weer werken.
Als het bericht niet verdwijnt nadat de motor opnieuw wordt gestart, moet u altijd een merkdealer raadplegen.
Storingen
Als er een storing is in de werking van de "adaptieve snelheidsregelaar Stop and Go", verschijnt het bericht "Adapt. regelaar controleren" op het instrumentenpaneel en wordt de functie Stop and Go onderbroken.
Als er een storing is in één of meer onderdelen van het systeem, wordt de Stop and Go adaptieve snelheidsregelaar onderbroken.
Afhankelijk van het type storing verschijnt deze melding:
- Controleer camera voor samen met, afhankelijk van de auto, het waarschu-
wingslampje

- Controleer voertuig samen met, afhankelijk van de auto, het waarschu-
wingslampje

- Controleer camera/radar ;
Raadpleeg voor de exacte gegevens de merkdealer.
Beperkingen van de werking van het systeem

text_image
61352 GAutodetectie
Het systeem detecteert alleen voertui- gen (auto's, trucks, motoren) die in de- zelfde richting rijden als uw auto.
Een auto die invoegt in uw rijstrook (bijvoorbeeld G) wordt pas door het systeem herkend als deze volledig in de detectiezones van de camera en radar komt.
Het systeem kan de auto abrupt of geleidelijk laten afremmen.

text_image
61353 HWat niet door het systeem wordt ge- detecteerd:
- auto's die op kruispunten aankomen: afritten (voorbeeld H);
- auto's die aan de verkeerde kant van de weg rijden of die achteruit naar u toe rijden.

De adaptieve snelheidsregelaar mag alleen worden gebruikt op een autosnel- of een autoweg met meerdetroken en gescheiden rijrich-

text_image
61354 JDetectie in een bocht
Als u een bocht inrijdt, is de camera wellicht tijdelijk niet in staat een voorligger te detecteren (voorbeeld J).
Het systeem kan de auto laten versnellen.
Als u een bocht uitrijdt, kan de detectie van voorliggers verstoord of vertraagd worden.
Het systeem kan de auto abrupt of geleidelijk laten afremmen.

text_image
61355 KDetectie van voertuigen in aangrenzende rijstroken
Het systeem kan voertuigen detecteren die op een aangrenzende rijstrook rijden als:
- u rijdt een bocht in (voorbeeldK);
- u rijdt op een weg met smalle rijstroken;
- de snelheid van de auto's op de aangrenzende rijstrook lager is en als één van deze auto's te dicht bij een andere rijstrook rijdt.
Het systeem kan de auto ten on- rechte laten vertragen of afremmen.

text_image
61356 LAuto's die verborgen zijn door hoogteverschillen in de weg
Het systeem registreert geen auto's die op een helling omhoog of omlaag rijden wanneer ze verborgen worden door het terrein, of wanneer ze zich buiten de detectiezones van de camera bevinden.
Auto's buiten de detectiezones van de camera
Het systeem reageert laat of helemaal niet als de auto's zich buiten de detectiezones van de camera bevin-den, met name in deze gevallen:

text_image
61357 M- voertuigen die voorwerpen transporteren die langer zijn dan de lijn;
- voertuigen die niet in het midden van de rijstrook rijden;
- smalle auto's die zeer dichtbij zijn (voorbeeld M).
Stilstaande en langzaam rijdende voertuigen
Als uw snelheid hoger is dan ongeveer 50 km/u, detecteert het systeem geen:
- stilstaande auto's (voorbeeldV); - zeer langzaam rijdende voertuigen.
Als uw snelheid lager is dan ongeveer 50 km/u, reageert het systeem wellicht niet of zeer laat op:
- stilstaande auto's (voorbeeldV);
- zeer langzaam rijdende voertuigen;

text_image
61359 14 15 P- auto's die voor u rijder14 die van rijstrook veranderen of het ontdekken van een langzaam rijdende of stilstaande auto 15 (voorbeeld P); - stilstaande of langzaam rijdende voertuigen 16, wanneer u van rijstrook verandert (voorbeeld Q).

text_image
61360 Q 16Wees altijd klaar om de bediening van de auto over te nemen bij stilstaande of zeer langzaam rijdende auto's (voorbeeld N).
De adaptieve snelheidsregelaar kan geen noodstop activeren en heeft slechts een beperkte remcapaciteit.
Geen detectie van vaste obstakels en kleine objecten
Wat niet door het systeem wordt ge- detecteerd:
- voetgangers, fietsen, scooters, winkelwagens, caddies, enz.;
- dieren;
- vaste obstakels (tolpoorten, muren, enz.). (voorbeeld R).
Deze worden niet herkend door het systeem.
Ze kunnen geen alarm of reactie van het systeem activeren.

text_image
17 62484 18 SDetectie van voertuigen die met ho- ge snelheid in de rijstrook komen
Als uw voertuig wordt ingehaald door een ander voertuig dat met hoge snelheid 17 rijdt (motor, auto, enz.) en dit voertuig komt tijdelijk tussen u en uw voorligger 18, kan dit leiden tot overmatig accelereren, vertragen of remmen.
Deze functie is een extra hulp tijdens het rijden. Ook met deze extra rijhulp is de bestuurder altijd verplicht om zich aan de snelheidslimieten en veilige afstanden te houden en alert te blijven.
De bestuurder moet altijd controle houden over de auto.
De bestuurder moet altijd zijn snelheid aanpassen aan de omgeving en aan de verkeersomstandigheden, ongeacht de aanwijzingen van het systeem. Met uitzondering van lijnen die rijstroken aanduiden, worden verkeersaanduidingen (verkeerslichten, borden, zebrapaden, enz.) niet herkend door het systeem. Deze kunnen geen alarm of reactie van het systeem activeren.
Het systeem mag in geen geval worden vergeleken met een hindernissensor of een antibotsingssysteem.
De adaptieve snelheidsregelaar mag alleen worden gebruikt op een autosnelweg of een autoweg met meerdere rijstroken en gescheiden rijrichtingen.
Werkzaamheden/reparaties van het systeem
- Bij een botsing kan de uitlijning van de camera worden gewijzigd en dit kan gevolgen hebben voor de correcte werking. Schakel het systeem uit en neem contact op met een merkdealer.
- Alle werkzaamheden in de buurt van de camera (reparaties, vervangingen, aanpassingen aan de voorruit) moeten worden uitgevoerd door een vakman.
Enkel een erkende dealer mag aan het systeem werken.
Uitschakelen van de functie
Schakel de functie uit indien:
– de auto rijdt op een bochtige weg:
– de auto wordt gesleept (bij pech);
- de auto een aanhangwagen of caravan trekt;
- de auto bij een tolwegpoort, een gebied met wegwerkzaamheden of in een smalle rijstrook komt;
- de auto een zeer steile helling op- of afrijdt;
- het zicht is slecht (verblindend zonlicht, mist enz.);
- de auto rijdt op een glad wegdek (regen, sneeuw, grind, enz.);
- de weersomstandigheden zijn slecht (regen, sneeuw, zijwind, enz.);
- de camerazone is beschadigd (bijv. de binnen- of buitenkant van de voorruit);
- de voorruit is gebarsten of vervormd.
Als het systeem abnormaal werkt, schakelt u dit uit en neemt u contact op met een erkende dealer.

Storingen van het systeem
Bepaalde omstandigheden kunnen het systeem storen of de correcte werking ervan verhinderen, zoals:
— bedekte voorruit (door vuil, ijs, sneeuw, enz.);
- slechte weersomstandigheden (sneeuw, zware regen, hagel, ijzel, enz.);
– slecht zicht (nacht, mist enz.); - weinig contrast tussen de voorligger en de omgeving (bijvoorbeeld witte auto in de sneeuw enz.);
- verblinding (felle zon, lichten van tegemoetkomende auto's enz.);
- een smalle, bochtige of heuvelige weg (scherpe bochten enz.);
- een langzame auto met een groot verschil van snelheid;
- gebruik van matten die niet geschikt zijn voor de auto. Gebruik aan de bestuurderskant matten die geschikt zijn voor de auto en zet deze vast aan de vooraf geïnstalleerde onderdelen. Controleer regelmatig of ze goed vastzitten. Stapel niet meerdere matten op elkaar. Gevaar van hakende pedalen.
In deze gevallen kan het systeem ten onrechte grijpen.
Risico van onbedoeld remmen of versnelling.
Onvoorziene situaties kunnen gevolgen hebben voor de werking van het systeem. Bepaalde objecten of auto's die in de herkenningszone van de camera verschijnen, kunnen verkeerd worden geïnterpreteerd door het systeem. Dit kan leiden tot onterecht versnellen of vertragen.
U moet altijd uitkijken voor plotselinge gebeurtenissen die zich tijdens het rijden kunnen voordoen. Houd altijd de auto onder controle door uw voeten vlakbij de pedalen te houden, zodat u voorbereid bent op elke situatie.
PARKEERHULP
Achteruitrijcamera
Werkzaamheden

text_image
DACIA ① 70591Wanneer de achteruitversnelling is ingeschakeld, geeft de camera 1 aan de achterkant van de auto een beeld van de omgeving achter de auto op de multimediadisplay 2, samen met drie geleidelijnen 3, 4 of 5 (vast, bewegend en geleidelijnen aanhanger).

Dit systeem gebruikt verschillende geleidelijnen: bewegend voor de verplaatsingsrichting en vast voor de afstand. Als de rode zone bereikt is, gebruikt u de afbeelding van de bumper om nauwkeurig te stoppen.
Opmerking: zorg ervoor dat de achteruitrijcamera niet bedekt is (vuil, modder, sneeuw, condensatie, enz.).

text_image
61373 A B C 3 4 5Vaste geleidelijnen 3
De vaste tekening bestaat uit gekleurde markeringen A, B en C, die de afstand achter de auto aangeven:
- A (rood) op ongeveer 30 centimeter van de auto;
- B (geel) op ongeveer 70 centimeter van de auto;
- C (groen) op ongeveer 150 centimeter van de auto.
De tekening blijft staan en geeft de verplaatsingsrichting van de auto aan als de wielen in lijn zijn met de auto.
Bewegende geleidelijnen 4
Deze wordt in het blauw getoond op het multimediascherm 2. Dit duidt de verplaatsingsrichting van de auto aan, volgens de stand van het stuurwiel.
PARKEERHULP
Aanhanger geleidelijnen 5
Deze wordt in het blauw getoond op het multimediascherm 2. Deze geeft de verplaatsingsrichting van de dissel van de aanhanger aan afhankelijk van de stand van het stuurwiel. Hiermee kan de bestuurder de trekhaak zo dicht mogelijk bij de trekkop van de aanhanger plaatsen.
Als een aanhangwagen is aangesloten, drukt u in een vooruitversnelling op het menu "Camera" in de modus "Voertuig" op uw multimediascherm 2 om de camera 1 in staat te stellen gedurende ongeveer 30 seconden een beeld van de omgeving aan de achterkant te verzenden.
Instellingen

Druk op het multimediascherm 2, met de achteruitversnelling ingeschakeld, op de knop "Instellingen" om de geleidelijnen toe te voegen of te verwijderen en de instellingen van het camerabeeld aan te passen (helderheid, contrast enz.).
Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van het multimediasysteem voor meer informatie.

Zorg ervoor dat de camera niet bedekt is (vuil, modder, sneeuw, condens, enz.).
De functie "Zoom auto" function
Als er achter het voertuig een obstakel wordt gedetecteerd, schakelt de functie "Zoom auto" van de huidige weergave naar een bovenaanzicht van achteren.
Om de functie "Zoom auto" in of uit te schakelen raadpleegt u de gebruikershandleiding van de multimedia.

Het scherm geeft een om- gekeerd beeld, zoals in een spiegel.
De tekeningen zijn weergaven die op een vlakke ondergrond worden geprojecteerd. Deze informatie is niet geldig als deze wordt weergegeven op een verticaal object of een object op de grond.
De voorwerpen die op de rand van het scherm verschijnen kunnen vervormd zijn.
In geval van te veel licht (sneeuw, auto in de zon, enz.) kan het zicht van de camera gestoord zijn.
Als de bagageklep geopend of niet goed gesloten is, verschijnt de melding "Achterklep open".
Uitschakelen van het systeem
PARKEERHULP
Het systeem kan worden uitgeschakeld:
- wanneer de auto sneller rijdt sneller dan ongeveer 20 km/u;
- kort na het uitschakelen van de achteruitversnelling.
Storingen
Als de achteruitversnelling is ingeschakeld en het systeem een bedieningsfout detecteert, wordt het multimediascherm 2 tijdelijk zwart.
Dit kan komen door een storing die van invloed is op de camera of het scherm (helderheid, vast beeld, vertraagde communicatie, enz.).
Als de tijdelijke weergave van het zwarte scherm aanhoudt, neem dan contact op met een erkende dealer.

Deze functie is een (extra) hulpmiddel. De bestuurder moet altijd op-letten en blijft verant-
woordelijk.
De bestuurder moet altijd bedacht zijn op plotselinge gebeurtenissen tijdens het rijden: let dus bij het manoeuvreren altijd op uw blinde hoek en kijk of daar geen kleine, smalle obstakels (zoals een kind, dier, kinderwagen, fiets, steen, paaltje, enz.) zijn.
Het verschil tussen de geschatte afstand en de werkelijke afstand

Achteruit een steile helling oprijden
De vaste richtlijnen 3 tonen de afstanden dichterbij dan ze werkelijk zijn.
De voorwerpen die op het scherm worden getoond, zijn in werkelijkheid verder weg op de helling.
Als er op het scherm bijvoorbeeld een voorwerp op D wordt weergegeven is de werkelijk afstand E van het voorwerp.
PARKEERHULP

text_image
70519 F G 3 3 F GAchteruit een steile helling afrijden
De vaste richtlijnen 3 tonen de afstanden verder weg dan ze werkelijk zijn.
Daarom zijn de voorwerpen die op het scherm worden getoond in werkelijkheid dichterbij op de helling.
Als er op het scherm bijvoorbeeld een voorwerp op G wordt weergegeven is de werkelijk afstand F van het voorwerp.

Achteruitrijden richting een uitsteeksel
Positie H lijkt verder weg dan de positie J op het scherm. Maar positie H is op dezelfde afstand als positie K.
De verplaatsingsrichting die wordt aangegeven door de vaste en mobiele richtlijnen houden geen rekening met de hoogte van het voorwerp. Dus het risico bestaat dat de auto tegen het voorwerp botst als deze er in zijn achteruit naartoe K rijdt.
Multiview camera

text_image
① ② ② ③ 62263Indien aanwezig in de auto, kunnen de vier camera's 1, 2 en 3 in de voor-bumper, buitenspiegels en de achter-klep u helpen bij moeilijke manoeuvres.
PARKEERHULP

De camera's zenden vier afzonderlijke weergaven naar het scherm 4, waardoor het mogelijk wordt de omgeving van het voertuig te bekijken.
Opmerking: zorg ervoor dat de camera's niet worden afgedekt (door vuil, modder, sneeuw, condens enz.).

Deze functie is een (extra) hulpmiddel. De bestuurder moet altijd op-letten en blijft verant-
woordelijk.
De bestuurder moet altijd bedacht zijn op plotselinge gebeurtenissen tijdens het rijden: let dus bij het manoeuvreren altijd op uw blinde hoek en kijk of daar geen kleine, smalle obstakels (zoals een kind, dier, kinderwagen, fiets, steen, paaltje, enz.) zijn.
Inschakelen van het systeem
Met het contact aan kan het systeem worden ingeschakeld:
- in de automatische modus, wanneer u de achteruitversnelling inschakelt: het systeem wordt ingeschakeld en de camera in de achterklep verzendt een beeld van het gebied achter de auto op het scherm 4;
- in de handmatige modus te active- ren drukt u, met stilstaande auto en draaiende motor en de wereld "Voer- tuig" op het multimediascherm 4, op het menu "360° Camera". De beelden van de voorkant en van bovenaf ver- schijnen op het multimediascherm.
Opmerking: afhankelijk van de auto kunt u sommige parameters instellen via het scherm 4. Raadpleeg de multi-media-instructies.
Automatische modus

De automatische modus wordt geactiveerd wanneer de achteruitversnelling wordt ingeschakeld en op het scherm 4 de beelden van de achteruitrijcamera wordt weergegeven. Als er snel wordt geschakeld van de achteruit naar een versnelling vooruit, toont het scherm 4 het camerabeeld aan de voorkant.
De automatische werking is dan uitgeschakeld:
PARKEERHULP
- Door een andere cameraweergave te selecteren in het menu op het scherm 4;
- automatisch, zodra de snelheid ongeveer 12 km/u is;
- kort na het uitschakelen van de achteruitversnelling.
Handmatige modus
Om deze te activeren, selecteert u de gewenste cameraweergave in het menu op het scherm 4.
Er verschijnt ongeveer vijf seconden lang een bericht op het scherm 4 om de activering van de handmatige modus te bevestigen.
Handmatige modus wordt uitgeschakeld:
- automatisch zodra u ongeveer 20 km/u bereikt voor de frontcamera en 12 km/u voor de achteruitrijcamera;
- ongeveer 3 minuten na het uitschakelen van de achteruitversnelling, in handmatige modus;
- Door op de knop "Terug" te drukken na het uitschakelen van de achteruit, in de handmatige modus.
Achteruitrijcamera 3

text_image
DACIA ③ 70591Als de achteruitrijcamera automatisch of handmatig wordt geactiveerd, wordt het beeld van de camera weergegeven op het scherm 4.

text_image
61373 A B C 5 6 7Vaste geleidelijnen 5
De vaste tekening bestaat uit gekleurde markeringen A, B en C, die de afstand achter de auto aangeven:
- A (rood) op ongeveer 30 centimeter van de auto;
- B (geel) op ongeveer 70 centimeter van de auto;
- C (groen) op ongeveer 150 centimeter van de auto.
Het beeld verschijnt op het multimediascherm kan sneller lijken dan de werkelijkheid.
PARKEERHULP
Bewegende geleidelijn 6
(afhankelijk van de auto)
Deze wordt in het blauw getoond op het multimediascherm 4. Dit duidt de verplaatsingsrichting van de auto aan, volgens de stand van het stuurwiel.
Aanhanger geleidelijnen 7
Deze wordt in het blauw getoond op het multimediascherm 4. Deze geeft de verplaatsingsrichting van de dissel van de aanhanger aan afhankelijk van de stand van het stuurwiel. Hiermee kan de bestuurder de trekhaak zo dicht mogelijk bij de trekkop van de aanhanger plaatsen.
Als een aanhangwagen is aangesloten, drukt u in een vooruitversnelling op het menu "Camera" in de modus "Voertuig" op uw multimediascherm 4 om de camera 3 in staat te stellen gedurende ongeveer 30 seconden een beeld van de omgeving aan de achterkant te verzenden.
De functie "Zoom auto" function
Als er achter het voertuig een obstakel wordt gedetecteerd, schakelt de functie "Zoom auto" van de huidige weergave naar een bovenaanzicht van achteren.
Om de functie "Zoom auto" in of uit te schakelen raadpleegt u de gebruikershandleiding van de multimedia.

Het scherm geeft een om- gekeerd beeld, zoals in een spiegel.
De tekeningen zijn weergaven die op een vlakke ondergrond worden geprojecteerd. Deze informatie is niet geldig als deze wordt weergegeven op een verticaal object of een object op de grond.
De voorwerpen die op de rand van het scherm verschijnen kunnen vervormd zijn.
In geval van te veel licht (sneeuw, auto in de zon, enz.) kan het zicht van de camera gestoord zijn.
Als de bagageklep geopend of niet goed gesloten is, verschijnt de melding "Achterklep is open".
Camera voor 1

Als de camera voor automatisch of met de hand wordt ingeschakeld, verschijnt het camerabeeld op het scherm 4.
PARKEERHULP

text_image
63066 8 9 E DVaste geleidelijnen 8
De vaste geleidelijn omvat de gekleur- de markeringen D en E die de afstand voor de auto aangeven:
- D (geel) op ongeveer 70 centimeter van de auto;
- E (groen) op ongeveer 150 centimeter van de auto.

Het beeld verschijnt op het multimediascherm kan sneller lijken dan de werke-
lijkheid.
Bewegende geleidelijn 9
(afhankelijk van de auto)
282 - Rijden
Deze wordt in het blauw getoond op het multimediascherm 4. Dit duidt de verplaatsingsrichting van de auto aan, volgens de stand van het stuurwiel.
De functie "Zoom auto" function
Als er voor het voertuig een obstakel wordt gedetecteerd, schakelt de functie "Zoom auto" van de huidige weergave naar een bovenaanzicht van voren.
Zie de multimedia-instructies voor het in-/uitschakelen van de functie "Zoom auto"

Het scherm geeft een om- gekeerd beeld, zoals in een spiegel.
De tekeningen zijn weergaven die op een vlakke ondergrond worden geprojecteerd. Deze informatie is niet geldig als deze wordt weergegeven op een verticaal object of een object op de grond.
De voorwerpen die op de rand van het scherm verschijnen kunnen vervormd zijn.
In geval van te veel licht (sneeuw, auto in de zon, enz.) kan het zicht van de camera gestoord zijn.
Als de bagageklep geopend of niet goed gesloten is, verschijnt de melding "Achterklep is open".
PARKEERHULP
Zijcamera's 2

De camera's 2 die in de autospiegels zijn geïnstalleerd, sturen beelden van de zijkanten door naar het scherm 4. Om de gewenste cameraweergave te activeren, selecteert u deze op het scherm 4. Zie de instructies voor de multimedia-apparatuur voor meer informatie.
Het verschil tussen de geschatte
afstand en de werkelijke afstand

Een steile heling oprijden of in zijn achteruit richting een steile helling rijden
De vaste richtlijnen 5 tonen de afstanden dichterbij dan ze werkelijk zijn.
De voorwerpen die op het scherm worden getoond, zijn in werkelijkheid verder weg op de helling.
Als het scherm bijvoorbeeld een object weergeeft op F, is de werkelijke afstand van het object G.

Een steile heling afrijden of in zijn achteruit richting een steile neerwaartse helling rijden
De vaste richtlijnen 5 tonen de afstanden verder weg dan ze werkelijk zijn.
Daarom zijn de voorwerpen die op het scherm worden getoond in werkelijkheid dichterbij op de helling.
Als het scherm bijvoorbeeld een object weergeeft op J, is de werkelijke afstand van het object H.
PARKEERHULP

Rijden of achteruitrijden richting een uitstekend voorwerp.
Positie K lijkt verder dan positie L op het scherm. Positie K ligt echter op dezelfde afstand als positie M.
De verplaatsingsrichting die wordt aangegeven door de vaste en mobiele richtlijnen houden geen rekening met de hoogte van het voorwerp. Er bestaat dus een risico dat het voertuig tegen het object botst bij het achteruitrijden richting positie M.
Parkeerhulp
Introductie

Ultrasone sensoren, zoals aangegeven met pijlen 1, zijn in de bumpers gemonteerd om obstakels in de buurt van de auto te detecteren.
De functie waarschuwt de bestuurder via geluidssignalen en een display dat het gebied aangeeft waar het obstakel werd gedetecteerd.
Afhankelijk van de apparatuur detecteert het systeem obstakels voor, achter en aan de zijkanten van de auto.
Het systeem van de parkeerhulp wordt pas ingeschakeld als de auto langzamer dan ongeveer 10 km/uur rijdt.
Het systeem houdt geen rekening met sleep- of draagsystemen die niet door het systeem worden herkend.

Deze functie is een extra hulp tijdens het rijden. Deze functie kan nooit de oplettendheid en ver-
antwoordelijkheid van de bestuurder vervangen bij het achteruit manoeuvreren.
De bestuurder moet altijd bedacht zijn op plotselinge gebeurtenissen tijdens het rijden: let dus bij het manoeuvreren altijd op uw blinde hoek en kijk of daar geen kleine, smalle obstakels (zoals een kind, dier, kinderwagen, fiets, steen, paaltje, enz.) zijn.
PARKEERHULP

Bij het manoeuvreren kan de auto aan de onderkant ergens tegenaan rijden (bijvoorbeeld contact met een paaltje, een trottoir of ander stadsmeubilair) en daardoor beschadigd raken (bijvoorbeeld vervorming van een as). Om ieder risico van een ongeluk te voorkomen, moet u uw auto door een merkdealer laten controleren.
Locatie van de ultrasoonsensoren 1
Zorg ervoor dat de omgeving rond de ultrasone sensoren, aangeduid door de pijlen 1, niet worden afgedekt (door vuil, modder, sneeuw, een slecht gemonteerde kentekenplaat, etc.), geraakt, aangepast (inclusief lakwerk) of belemmerd door een accessoire aan de voorkant of (afhankelijk van het voertuig) de achterkant of zijkanten van uw voertuig.
Werkzaamheden

Op het scherm 2 wordt de omgeving van de auto weergegeven gepaard met geluidssignalen.
Afhankelijk van de apparatuur kan het nodig zijn om enkele meters af te leggen voordat de zijdetectie wordt geactiveerd.
Als alle zones een grijze achtergrond hebben, wordt de volledige omtrek van de auto bewaakt:
- displayA: de omgeving rondom de auto wordt geanalyseerd;
- displayB: de omgeving rond de auto is geanalyseerd.
Waarneming van obstakels

Het systeem is in staat om de meeste obstakels aan de achterkant te detecteren en, afhankelijk van de uitrusting, aan de voor- en zijkanten van de auto. De frequentie van het geluidssignaal neemt toe naarmate de auto een obstakel nadert, totdat het een ononderbroken pieptoon wordt als de auto zich op ongeveer 20 cm van een obstakel bevindt dat aan de zijkanten wordt gedetecteerd en ongeveer 30 cm voor een obstakel dat aan de voor- of achterkant wordt gedetecteerd.
Het gebied waar het obstakel is gedetecteerd, wordt weergegeven (display C). Afhankelijk van de auto wordt het gebied groen, oranje (of geel, afhankelijk van de auto) of rood weergegeven,
PARKEERHULP
ook afhankelijk van de nabijheid van het gedetecteerde obstakel.

Opmerking: als de rijrich- ting verandert tijdens een manoeuvre, wordt het risico n botsing met een obstakel lijk te laat gesignaleerd.
Speciaal geval van obstakels gedetecteerd aan de zijkant

Het systeem bepaalt de rijrichting aan de hand van de richting van de wielen en waarschuwt u voor het risico op botsing met een obstakel 3 aan de zijkant van de auto.
Als er een obstakel wordt gedetec- teerd naast de auto:
- weerklinkt er bij het risico op een botsing een geluidssignaal met een steeds hogere frequentie naargelang u het obstakel nadert, tot het geluidssignaal continu weerklinkt. Het gebied waar het obstakel 3 is gedetecteerd, wordt weergegeven (display D); - als er geen risico op een botsing bestaat, wordt er geen signaal afgegeven wanneer u het obstakel nadert. Afhankelijk van de auto wordt het gebied waar het obstakel 3 is gedetecteerd afgewisseld weergegeven.

Opmerking: als de rijrich- ting verandert tijdens een manoeuvre, wordt het risico n botsing met een obstakel lijk te laat gesignaleerd.
Het systeem in-/uitschakelen via het multimediascherm 4

Druk via de "Voertuig"-modus van uw multimediascherm 4 op het menu "Parkeerhulp".
Activeer of deactiveer zones die door de ultrasone detectoren worden be-streken.
Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van het multimediasysteem voor meer informatie.
Opmerking: afhankelijk van het voertuig kan de detectiezone "achter" niet worden gedeactiveerd.
Automatisch uitschakelen van de parkeerhulp
Het systeem schakelt uit:
PARKEERHULP
- als de auto sneller rijdt dan ongeveer 10 km/u;
- afhankelijk van het voertuig, als het voertuig langer dan ongeveer vijf seconden stilstaat en er een obstakel is gedetecteerd (bijvoorbeeld in een file, enz.);
- als de stand N of P is geselecteerd;
- wanneer een bedieningsfout wordt gedetecteerd.
Opmerking: afhankelijk van de auto, als deze is uitgerust met een trekhaak die door het systeem wordt herkend, wordt alleen de parkeerhulp achter uitgeschakeld.
Afstellen

Voer deze aanpassingen uitsluitend uit als de auto stilstaat.

Telkens wanneer de auto wordt gestart, wordt de activeringsstatus hersteld die is slagen toen de motor werd schakeld.
Instellingen aanpassen op het multi- mediascherm 4

Als de auto stilstaat, drukt u in de wereld "Voertuig" op uw multimediascherm 4 op het menu "Parkeerhulp". Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van het multimediasysteem voor meer informatie.
Het geluid van het systeem uitschakelen
(afhankelijk van de auto)
Schakel het geluid van de parkeerhulp in of uit.
Opmerking: als u het geluid dempt, wordt u bij het naderen van een obstakel alleen gewaarschuwd door het display.
Geluidsvolume van de parkeerhulp
Pas het volume van de parkeerhulp aan met behulp van de volumebalk.

Telkens wanneer de auto wordt gestart, wordt de activeringsstatus hersteld die is slagen toen de motor werd schakeld.
Bijzondere gevallen
U kunt geluidswaarschuwingen of, afhankelijk van de auto, de betreffende detectiezone handmatig deactiveren in het geval dat:
- er vóór de ultrasone sensoren een trekhaak of een aanhanger- of laadsysteem zit dat niet door het systeem wordt herkend;
- de ultrasone sensoren zijn beschadigd.
Opmerking: als het geluid is uitgeschakeld, blijven de displays u onregelmatig waarschuwen.
Storingen
Wanneer het systeem een storing de- tecteert:
- er klinkt elke keer bij het inschakelen van de achteruitversnelling ongeveer drie seconden lang een piepgeluid en verschijnt het bericht "Controleer par-
PARKEERHULP
keersensoren" op het instrumentenpaneel;
- of het systeem maakt geen geluid (tenzij opzettelijk uitgeschakeld) of er is geen display wanneer de achteruitversnelling is ingeschakeld.
Controleer of de ultrasone sensoren schoon zijn. Als de storing aanhoudt, raadpleeg dan een merkdealer.

Als de auto rijdt met een snelheid van minder dan ongeveer 10 km/u, kunnen
sommige geluidsbronnen (motorfiets, vrachtwagen, drilboor, enz.) de geluidssignalen van de parkeerhulp opwekken.
PARKEERHULP
Aanbevelingen

Werkzaamheden/reparaties van het systeem
- In geval van een botsing kan de uitlijning van de ultrasoonsensoren mogelijk worden gewijzigd, waardoor deze wellicht niet meer naar behoren werken. Schakel de functie uit en neem contact op met een erkende dealer.
- Alle werkzaamheden in de buurt van de ultrasoonsensoren (reparaties, vervangingen enz.) moeten worden uitgevoerd door een vakman.
Enkel een erkende dealer mag aan het systeem werken.
Storingen van het systeem
Bepaalde omstandigheden kunnen het systeem verstoren of de correcte werking ervan verhinderen, bijvoorbeeld:
- slechte weersomstandigheden (regen, sneeuw, hagel, ijzel, enz.);
- sommige soorten geluid (motorfiets, vrachtwagen, pneumatische boormachine enz.).
- montage van een niet-compatibele trekhaak of haak.
Risico van vals alarm of afwezigheid van waarschuwingen
Als het systeem zich abnormaal gedraagt, neem dan contact op met een erkende dealer.
Beperkingen voor de werking van het systeem
- De zones van de ultrasoonsensoren moeten schoon blijven en mogen niet worden gewijzigd, om de goede werking van het systeem te waarborgen.
- Kleine voorwerpen die dichtbij de auto bewegen (motoren, fietsen, voetgangers, enz.) worden mogelijk niet door het systeem herkend.
- Het systeem detecteert mogelijk geen obstakels die zich te dicht bij het voertuig bevinden.
- Het systeem geeft wellicht geen waarschuwing als de andere auto's of obstakels een snelheid hebben die aanzienlijk verschilt van de uwe.
- Als u tijdens een manoeuvre van richting verandert, kan dit het melden van obstakels vertragen.
NOODOPROEP
Introductie
Als de auto hiermee is uitgerust, worden de hulpdiensten via de noodoproepfunctie automatisch of handmatig verwittigd (kosteloos) bij een ongeval of als u onwel wordt, zodat ze zo snel mogelijk kunnen komen.
Opmerking: noodoproep is beschikbaar:
- in landen die onder telecommunicatie-infrastructuur type 2 G en type 3 G of, afhankelijk van de auto, type 4G vallen en over bijbehorende telematische nooddiensten beschikken die compatibel zijn met het systeem; - afhankelijk van de netwerkdekking in de geografische regio waar de auto wordt bestuurd.
Als u de functie voor noodoproep gebruikt om te melden dat u een ongeval hebt gezien, houdt dit in dat u stopt zodra de verkeersomstandigheden dit toestaan, zodat de hulpdiensten uw auto kunnen vinden en daarmee de locatie van het gemelde ongeval.
Houd u altijd aan de ter plaatse geldende wetgeving.
Gebruik de noodoproep alleen in een noodgeval, als u betrokken bent bij een ongeval of als u getuige bent van een ongeval of in fysieke nood bent.

2 Waarschuwingslampje systeemwerking/storing:
- rood: storing.
3 Waarschuwingslampje werking systeem:
- groen: in werking
(bijv. systeem en netwerk beschikbaar);
-uit: niet in werking
(bijv. netwerk niet beschikbaar);
- groen knipperend: verbinding actief.
4 Schakelaar.
5 Luidspreker

Een oproep verloopt altijd als volgt:
- de noodoproep wordt gestart;
- gegevens met betrekking tot het incident (plaatje van de fabrikant, tijdstip van de oproep, laatste locaties, richting van de auto, enz.) worden verzonden:
- er is spraakcommunicatie met de hulpdiensten;
NOODOPROEP
- indien nodig wordt een hulpdienst gebeld.
Er zijn twee modi voor de noodoproep:
- automatische modus;
- handmatige modus.
Automatische modus
Wanneer het systeem operationeel is, wordt de automatische modus geactiveerd.
De noodoproep wordt automatisch gedaan als de beschermende uitrusting (gordelspanners, airbag, enz.) werd geactiveerd vanwege een ongeval.

In geval van een ongeluk blijft u, als de plaats en het verkeer dit toestaan, dicht bij de auto om
eventuele oproepen van het call- center snel te kunnen beantwoor- den.
Handmatige modus

text_image
70522 ④ ⑥Handmatig een noodoproep doen:
- Druk kort op de klep4;
- druk deze naar beneden;
- druk op knop6 "SOS".
Als de knop per ongeluk is ingedrukt, kunt u het gesprek annuleren door de knop 6 ongeveer twee seconden ingedrukt te houden voordat de verbinding met het callcenter tot stand komt.
Zodra de oproep is ingesteld, kan alleen het callcenter deze beëindigen.
Storingen

text_image
70521 ① ② ③ ④In sommige gevallen werkt de noodop-roep niet (bijvoorbeeld bij een zwakke accu enz).
Wanneer het systeem een bedrijfsfout detecteert, verschijnt het waarschu-wingslampje 2 gedurende meer dan 30 minuten rood. Raadpleeg zo snel mogelijk een merkdealer.
NOODOPROEP

Het systeem werkt met een speciale accu. De accu gaat ongeveer 4 jaar mee
(het controlelampje 2 wordt rood om u te informeren).
Raadpleeg voor de exacte gege- vens de merkdealer.

Voor uw veiligheid en een goede werking van het systeem, moeten alle werkzaamheden aan de
accu (uitbouwen, loskoppelen enz.) worden uitgevoerd door een gespecialiseerd vakman.
Risico op brandwonden door elektrische schokken.
Houd u aan de vervangingsintervallen in het onderhoudsboekje. U mag deze niet overschrijden.
De accu is van een speciaal type.
Zorg dat deze wordt vervangen door een van hetzelfde type.
Raadpleeg een merkdealer.

Zonder de functie noodop-roep is het systeem niet te
volgen en zal niet constant
worden bewaakt. Gegevens worden voortdurend en automatisch gewist en het systeem slaat alleen de laatste drie locaties van de auto op.
Gegevens worden alleen verzonden in geval van een noodoproep.
Gegevens die worden verzonden naar het callcenter worden behandeld overeenkomstig de privacywetgeving die van toepassing is in het land waarin u zich bevindt. Het systeem slaat de activiteiten-geschiedenis maar voor 13 uur op.
De eigenaar van de auto heeft het recht zijn gegevens in te zien. Hij heeft het recht de gegevens te laten corrigeren, verwijderen of blokkeren.
VENTILATIEROOSTERS, VERWARMING EN AIRCONDITIONING
Ventilatieroosters: ventilatieroosters
Luchtuitgangen:

1 Ventilatierooster links.
2 Ontwasemingssleuf linkerruit.
3 Ontwasemingssleuven onder de voorruit.
4 Centrale ventilatieroosters
5 Bedieningspaneel
6 Ontwasemingssleuf rechterruit.
7 Ventilatierooster rechts.
8 Verwarmingsroosters bij de voetenruimtes voor.
9 Centrale ventilatieroosters voor de inzittenden achterin (afhankelijk van de auto).
VENTILATIEROOSTERS, VERWARMING EN AIRCONDITIONING
Centrale ventilatieroosters 4 en ventilatieroosters aan de zijkant 1 en 7

Openen: beweeg de knop 10 naar de buitenkant van de auto.
Sluiten: beweeg de knop 10 zo ver mogelijk naar de binnenkant van de auto.

Openen: beweeg de knop 11 naar de buitenkant van de auto.
Sluiten: beweeg de knop 11 zo ver mogelijk naar de binnenkant van de auto.

text_image
62946 DC 4 12Ventilatieroosters 4
Openen: beweeg de knop 12 naar de buitenkant van de auto.
Sluiten: beweeg de knop 12 zo ver mogelijk naar de binnenkant van de auto.

Stop niets in het ventilatiecircuit van de auto (bijvoorbeeld in geval van stank enz.).
Risico van schade of brand.
VENTILATIEROOSTERS, VERWARMING EN AIRCONDITIONING

Bevestig geen voorwerpen op de ventilatieroosters (bijv. telefoonhouder).
Risico van beschadiging.

Gebruik, om vieze geuren in uw auto tegen te gaan, alleen speciaal hiervoor be le systemen.
Raadpleeg voor de exacte gege- vens de merkdealer.
Achterstoelen
(afhankelijk van de auto)

text_image
70525 9 13 14 13Richting
Om de luchtstroom te richten, draait u de ventilatieroosters 9 met behulp van de knoppen 13.
Luchtstroom
Om de doorstroming van de ventilatie-roosters 9 te regelen, draait u de knop 14 naar de gewenste openingsstand:
- naar boven: maximaal debiet;
- naar beneden: gesloten.

Stop niets in het ventilatiecircuit van de auto (bijvoorbeeld in geval van stank enz.).
Risico van schade of brand.
Handbediende airconditioning
Bedieningsknoppen

text_image
1 2 3 4 5 6 7 OFF 5 15 14 13 12 11 10 9 8 7 AIC OFF- Indicator ventilatiesnelheid.
- Activeringsknop stuurwielverwarming.
- Activeringsknop stoelverwarming bestuurder.
- Activeringsknop voor stoelverwarming passagier.
- Aan-/Uit-schakelaar voorruitverwarming.
- Indicator luchtverdeling interieur.
- Uitschakelen van het systeem.
VENTILATIEROOSTERS, VERWARMING EN AIRCONDITIONING
- Regeling van de luchtverdeling in het interieur.
- Activeringsknop voor functie "A/C MAX".
- Luchtkringloop.
- Knop om de airconditioning in te schakelen.
- Ontdooien/ontwasemen van de achterruit en, afhankelijk van de auto, van de spiegels.
- Functie "Helder zicht".
- Regeling van de ventilatiesnelheid
- Regeling van de temperatuur van de lucht.
Inschakelen van het systeem
Wanneer de auto wordt gestart, keert het systeem terug naar het laatst gebruikte programma.
Het systeem werkt ook als de auto staat geparkeerd.
Zet de knop 14 op de gewenste ventilatiesnelheid.
Uitschakelen van het systeem
Druk op de knop 7:
- de handbediende airconditioning of verwarming stopt automatisch;
- draait de ventilateur in het interieur niet;
- - is er nog wel een beetje ventilatie als de auto rijdt (rijwind).
Deze stand wordt afgeraden onder normale omstandigheden.
Inen uitschakelen van de airconditioning
De knop 11 autoriseert de activering (waarschuwingslampje aan) of deactivering (waarschuwingslampje uit) van de airconditioning.
Het systeem kan niet worden ingeschakeld als het ventilatievermogen nul is.
Door het inschakelen van de airconditioning:
- gaat de temperatuur in het interieur omlaag;
- ontwasemen de ruiten sneller.
Aanbeveling: teneinde de actieradius van de auto te maximaliseren, moet u de airconditioning uitschakelen wanneer de buitentemperatuur comfortabel is.
Wijzigen van de verdeling van de lucht in het interieur

text_image
1 2 3 4 5 6 7 OFF 15 14 13 12 11 10 9 8 7 A/C OFFDruk eenmaal of meermaals op 8 om de luchtverdeling te kiezen. De geselecteerde luchtverdeling 6 verschijnt op het multimediascherm. De functie werkt in deze volgorde:

De lucht wordt naar de uit-
stroomsleuven onder de voorruit en de voorste zijruiten gevoerd.

De lucht wordt naar de roosters
van de zijruiten voorin, de ontwase- mingssleuven onder de voorruit en naar de voetenruimtes gevoerd.

De lucht wordt hoofdzakelijk
naar de ontwasemingsroosters in het dashboard geleid.

De lucht wordt naar de voeten-
ruimtes en de ventilatieroosters in het dashboard gevoerd.
VENTILATIEROOSTERS, VERWARMING EN AIRCONDITIONING

De luchtstroom komt voornamelijk via de ventilatieopeningen aan de voeten van de inzittenden (onder het dashboard en/of onder de voorstoelen).
Regeling van de temperatuur
Druk op de knop 15 en gebruik vervolgens het tabblad op het multimedia-scherm om de luchttemperatuur in te stellen. Hoe verder de aanwijzer in het rode gedeelte staat, hoe hoger de temperatuur.
Bij langdurig gebruik van de airconditioning, kan het te koud worden. Om de temperatuur te verhogen, drukt u op 15 en brengt u vervolgens het tabblad omhoog op het multimediascherm.
Regeling van de ventilatiesnelheid

text_image
1 2 3 4 5 6 7 OFF 15 14 13 12 11 10 9 8 7 A/C OFFNormaal zorgt het systeem automa- tisch voor de juiste ventilateursnelheid om de ingestelde temperatuur te berei- ken en te handhaven.
U kunt altijd de ventilatiesnelheid aanpassen door te drukken op knop 14
om de ventilatiesnelheid te verhogen of te verlagen.
Functie "helder zicht"
Druk op knop 13 en het ingebouwde waarschuwingslampje gaat branden.
Met deze functie worden de voorruit, de achterruit, de zijruiten voor en de buitenspiegels snel ontdooid en ontwasemd (afhankelijk van de auto). De functie activeert automatisch de air-conditioning (afhankelijk van de auto) en de achterruitverwarming.
Opmerking: hiermee wordt de luchtre-circulatie automatisch uitgeschakeld.
U schakelt deze functie uit door opnieuw op de toets 13 te drukken.

Sommige toetsen zijn voor- zien van een controlelamp- je dat de toestand van de e aangeeft.
Achterruitverwarming en -ontwase- ming
Druk op knop 12 en het ingebouwde waarschuwingslampje gaat branden. De achterruit wordt nu snel ontwa- semd en de elektrische buitenspiegels worden verwarmd (afhankelijk van de uitvoering).
U schakelt deze functie uit door opnieuw op de toets 12 te drukken. De verwarming schakelt na enige tijd automatisch uit.
De functie "A/C MAX"
De functie "A/C MAX" maakt het maximale potentieel van de airconditioning mogelijk. Deze functie kan van tijd tot tijd worden geactiveerd om het passagierscompartiment snel af te koelen.
De functie "A/C MAX" biedt de gebruiker het maximale vermogen van het airconditioningsysteem, zonder beperking of compromis met betrekking tot de akoestiek en het gevoel van zeer koude lucht op handen en gezicht.
Deze functie omvat automatische wijzigingen:
- temperatuur ingesteld op maximaal koud;
– luchtverdeling voor de inzittenden;
– luchtstroom op maximaal vermogen;
– inschakeling van de airconditioning;
- luchtkringloop.
Druk op de knop 9 om de functie te activeren. Het controlelampje op knop 9 gaat branden. Schakel de ECO-modus uit voor het beste resultaat.
Druk nogmaals op 9 om de functie uit te schakelen. Het controlelampje van de toets 9 dooft.
VENTILATIEROOSTERS, VERWARMING EN AIRCONDITIONING
Inschakelen van de luchtkringloop (isolatie van het interieur)

text_image
1 2 3 4 5 6 7 OFF 5 15 14 13 12 11 10 9 8 7 A/C OFFU kunt de recirculatiefunctie van tijd tot tijd activeren om het interieur te isole- ren van de buitenlucht, bijvoorbeeld wanneer u door een vervuild gebied rijdt.

Het ontwasemen/ontdooien heeft altijd voorrang boven de luchtkringloop.
Handmatig gebruik
Druk op knop 10 en het ingebouwde waarschuwingslampje gaat branden.
Bij langdurig gebruik van deze stand kunnen de ruiten aan de binnenkant beslaan of weer aanvriezen. Ook zal het in de auto, door gebrek aan frisse lucht, kunnen gaan stinken.
Opmerking: om te voorkomen dat de ruiten beslaan, kan het systeem de functie automatisch uitschakelen. Het in de knop 10 ingebouwde indicatie-lampje gaat uit.
U schakelt deze functie uit door op-nieuw op de toets 10 te drukken.

Door langdurig gebruik van de luchtkringloop kunnen de zijruiten en de voorruit
beslaan en kan de atmosfeer in het interieur minder aangenaam worden doordat er geen luchtverversing is. Druk daarom weer op de knop 10 om de toevoer van buitenlucht te herstellen zodra de omstandigheden dat toelaten.
Automatische airconditioning
Bedieningsknoppen

text_image
1 2 3 4 5 6 7 8 9 20.0° 4 AFC 20.0° 18 17 16 15 14 13 12 11 10 AUTO- Indicator temperatuurinstelpunt bestuurder.
-
Indicator ventilatiesnelheid.
-
Activeringsknop stuurwielverwarming.
- Activeringsknop stoelverwarming bestuurder.
- Knop om de airconditioning in te schakelen.
- Activeringsknop voor stoelverwarming passagier.
- Aan-/Uit-schakelaar voorruitverwarming.
- Indicator luchtverdeling interieur.
- Indicator voor het temperatuurinstelpunt van de passagier.
- Afstellen van de luchttemperatuur voor de passagier.
- Regeling van de luchtverdeling in het interieur.
- Activeringsknop voor functie "A/C MAX".
- Luchtkringloop.
- Activeringsknop voor airconditioning in AUTO-modus.
- Ontdooien/ontwasemen van de achterruit en, afhankelijk van de auto, van de spiegels.
- Functie "Helder zicht".
- De ventilatiesnelheid aanpassen en het systeem stopzetten.
VENTILATIEROOSTERS, VERWARMING EN AIRCONDITIONING
- Regeling van de luchttemperatuur voor de bestuurder.
Inschakelen van het systeem
Wanneer de auto wordt gestart, keert het systeem terug naar het laatst gebruikte programma.
Het systeem werkt ook als de auto staat geparkeerd.
Druk op de knop 14 om het systeem in te schakelen of zet de knop 17 in de gewenste ventilatiesnelheid.
Uitschakelen van het systeem
Druk op de knop 17 om deze in de stand "OFF" te zetten.
Inen uitschakelen van de airconditioning
De knop 5 kan worden gebruikt om de functie airconditioning in te schakelen (controlelampje aan) of uit te schakelen (controlelampje uit).
Het systeem kan niet worden ingeschakeld als het ventilatievermogen nul is.
Door het inschakelen van de airconditioning:
- gaat de temperatuur in het interieur omlaag;
- ontwasemen de ruiten sneller.
Aanbeveling: teneinde de actieradius van de auto te maximaliseren, moet u de functie airconditioning uitschakelen
wanneer de buitentemperatuur comfortabel is.
Automatische modus

text_image
1 2 3 4 5 6 7 8 9 20.0° 4 AIR 20.0° 18 17 16 15 14 13 12 11 10 AUTODe automatische klmaatregeling zorgt (behalve in extreme gevallen) voor een aangename temperatuur en goed zicht, bij een zo optimaal mogelijk brandstofverbruik.
Het systeem regelt de ventilatiesnelheid, luchtverdeling en luchtkringloop, en het in- of uitschakelen van de air-conditioning en verwarming.
Deze modus bestaat uit drie programma's:
AUTO: optimaliseert het geselecteerde comfortniveau volgens de externe omstandigheden. Druk op de knop 14.
SOFT: zorgt ervoor dat het gewenste temperatuurniveau soepeler en geruislozer wordt bereikt. Druk op de knop 14 en druk deze naar beneden om de modus SOFT in te schakelen.
FAST: verhoogt de luchtstroom in het interieur. Deze stand wordt in het bij-
zonder aangeraden voor meer comfort voor de passagiers achterin. Druk op de knop 14 en druk deze naar omhoog om de modus FAST in te schakelen.
Wijzigen van de verdeling van de lucht in het interieur
Druk één keer of herhaaldelijk op 11 om de luchtverdeling te selecteren. De geselecteerde luchtverdeling 8 wordt weergegeven op het multimedia-scherm. De functie werkt in deze volgorde:

De luchtstroom komt van de
ontwasemingssleuven onder de voor- ruit en de ontwasemingssleuven van de voorste zijruiten.

De lucht wordt naar de roosters
van de zijruiten voorin, de ontwase- mingssleuven onder de voorruit en naar de voetenruimtes gevoerd.

De luchtstroom komt voorname-
lijk uit de ventilatieroosters in het dashboard en de centrale ventilatieopeningen voor de achterpassagiers.

De lucht wordt naar de voeten-
ruimtes en de ventilatieroosters in het dashboard gevoerd.
VENTILATIEROOSTERS, VERWARMING EN AIRCONDITIONING

De luchtstroom komt voorname-
lijk via de ventilatieopeningen aan de voeten van de inzittenden (onder het dashboard en/of onder de voorstoelen).
Regeling van de temperatuur
Use controls 10 en 18 om de linker- en rechterkant onafhankelijk af te stellen.
Regeling van de ventilatiesnelheid

text_image
1 2 3 4 5 6 7 8 9 20.0° 4 AC 20.0° 18 17 16 15 14 13 12 11 10 AutoNormaal zorgt het systeem automatisch voor de juiste ventilateursnelheid om de ingestelde temperatuur te bereiken en te handhaven.
U kunt de ventilatiesnelheid nog steeds verhogen of verlagen door op de knop 17 te drukken.
Functie "helder zicht"
Druk op knop 16: het in de knop ingebouwde controlelampje gaat branden.
Met deze functie worden de voorruit, de achterruit, de zijruiten voor en de
buitenspiegels snel ontdooid en ontwa- semd. Hierdoor worden automatisch de functies airconditioning en de ach- terruitverwarming ingeschakeld.
Opmerking: hiermee wordt de luchtre-circulatie automatisch uitgeschakeld.
Opmerking: bij Mild Hybrid-uitvoeringen start het indrukken van de knop "Helder zicht" de verbrandingsmotor.
Als u deze functie uit wilt schakelen, drukt u opnieuw op de knop 14 of 16.

Sommige toetsen zijn voor- zien van een controlelamp- je dat de toestand van de
functie aangeeft.
Achterruitverwarming en -ontwase- ming
Druk op knop 15: het in de knop ingebouwde controlelampje gaat branden. De achterruit wordt nu snel ontwa-semd en de elektrische buitenspiegels worden verwarmd (afhankelijk van de uitvoering).
U schakelt deze functie uit door opnieuw op de knop 15 te drukken. De verwarming schakelt na enige tijd automatisch uit.
De functie "A/C MAX"
De functie "A/C MAX" maakt het maximale potentieel van de airconditioning mogelijk. Deze functie kan van tijd tot tijd worden geactiveerd om het passagierscompartiment snel af te koelen.
De functie "A/C MAX" biedt de gebruiker het maximale vermogen van het airconditioningsysteem, zonder beperking of compromis met betrekking tot de akoestiek en het gevoel van zeer koude lucht op handen en gezicht.
Deze functie omvat automatische wijzigingen:
- temperatuur ingesteld op maximaal koud;
— luchtverdeling voor de inzittenden;
– luchtstroom op maximaal vermogen;
— inschakeling van de airconditioning; - luchtkringloop.
Als u de functie wilt inschakelen, drukt u op knop 12. Het controlelampje in de knop 12 licht op. Schakel de ECO-modus uit voor het beste resultaat.
Als u de functie uit wilt schakelen, drukt u opnieuw op de knop 12. Het controlelampje van de toets 12 dooft.
Inschakelen van de luchtkringloop (isolatie van het interieur)
U kunt de recirculatiefunctie van tijd tot tijd activeren om het interieur te isole-
VENTILATIEROOSTERS, VERWARMING EN AIRCONDITIONING
ren van de buitenlucht, bijvoorbeeld wanneer u door een vervuild gebied rijdt.

Het ontwasemen/ontdooien heeft altijd voorrang boven de luchtkringloop.
Handmatig gebruik
Druk op knop 13: het in de knop ingebouwde controlelampje gaat branden.
Bij langdurig gebruik van deze stand kunnen de ruiten aan de binnenkant beslaan of weer aanvriezen. Ook zal het in de auto, door gebrek aan frisse lucht, kunnen gaan stinken.
Het wordt daarom aangeraden om terug te gaan naar de automatische werkingsstand door op de toets 13 te drukken zodra de luchtkringloop niet langer nodig is.
Opmerking: om te voorkomen dat de ruiten beslaan, kan het systeem de functie automatisch uitschakelen. Het controlelampje in de knop 13 gaat uit.
Als u deze functie uit wilt schakelen, drukt u opnieuw op de knop 13.

Door langdurig gebruik van de luchtkringloop kunnen de zijruiten en de voorruit beslaan en kan de atmosfeer in het interieur minder aangenaam worden door gebrek aan verse lucht. Druk daarom weer op de knop 13 om de toevoer van buitenlucht te herstellen zodra de omstandigheden dat toelaten.
Airconditioning: informatie en tips voor het gebruik
Tips voor het gebruik
In sommige gevallen, (airconditioning uit, luchtkringloop in werking, ventilatiesnelheid nul of laag, enz.) kunnen de ruiten van de auto beslaan.
Als de ruiten beslagen zijn, gebruikt u de functie Helder zicht om de ruiten te ontwasemen; zet daarna de airconditioning in de automatische stand om nieuwe condensatie te voorkomen.

Auto's uitgerust met de ECO-modus
Wanneer de modus ECO is ingeschakeld, bestaat de mogelijkheid dat de functie automatische airconditioning → 193 minder goed werkt.

Stop niets in het ventilatiecircuit van de auto (bijvoorbeeld in geval van stank enz.).
Risico van beschadiging of brand.
Brandstofverbruik
Het is normaal dat het brandstofverbruik hoger is (vooral in stadsverkeer) als u de airconditioning gebruikt.
Voor auto's met een airconditioning zonder automatische werkstand, zet het systeem uit, als u het niet meer nodig hebt.
Tips voor zuinig rijden en minder luchtverontreiniging
Rijd met open ventilatierooster en gesloten ruiten. Open bij zeer warm weer of als de auto in de zon heeft gestaan
VENTILATIEROOSTERS, VERWARMING EN AIRCONDITIONING
enkele minuten de portieren voordat u start, zodat de hete lucht uit de auto kan ontsnappen.
Onderhoud
Raadpleeg voor het interval van het controleren het onderhoudsboekje van uw auto.

Gebruik de airconditioning regelmatig, ook bij koud weer; laat de airco ten minenmaal per maand gedurengeveer 5 minuten draaien.
Storingen
Raadpleeg bij een storing altijd een merkdealer.
- Minder goede werking van ont-dooien, ontwasemen of airconditioning.
Dit kan het gevolg zijn van een ver- vuuild patroon van het interieurfilter.
- Er wordt geen gekoelde lucht geproduceerd.
Controleer of alle bedieningsorganen in de juiste stand staan en de zekeringen goed zijn. Als dit niet zo is moet u de werking stoppen.
Bijzonderheden van de Hybrid-uitvoeringen
De airconditioning van het voertuig wordt ook gebruikt om de tractiebatterij te koelen. Om de levensduur van de tractiebatterij van uw voertuig te verlengen.
Een langdurige daling van de efficiëntie van de airconditioning kan leiden tot voortijdige verslechtering van de tractiebatterij.
Water onder de auto
Maak u niet ongerust als er condenswater onder de auto druppelt, dit is normaal na langdurig gebruik van de airconditioning. Dit wordt veroorzaakt door condensatie.
Koelvloeistof


text_image
R-XXXXXX xxxx kg GWP xxxx CO₂eq x.xxxt XXX59952
Het koelvloeistofcircuit (waarvan sommige componenten hermetisch zijn afgesloten) kan fluorhoudende broeikasgassen bevatten.
Afhankelijk van de auto, u kunt de volgende informatie vinden op sticker A in de motorruimte.
De aanwezigheid en de plaats van de informatie op sticker A zijn afhankelijk van de auto.

Type airconditioningsvloei-
stof

(XXX) Type olie in het airco-
circuit
VENTILATIEROOSTERS, VERWARMING EN AIRCONDITIONING

Ontvlambaar product

Raadpleeg het instructieboek-
je

Onderhoud
| x,xxx kg | (1) Hoeveelheid airconditionings-vloeistof aanwezig in de auto. |
| GWP xxxx | (2) Global War-ming Potential of-tewel aardopwar-mingsvermogen (CO2-equiva-lent). |
| CO2 eq x.xxx t | (3) Gewicht en CO2-equivalent. |

Maak het airconditioningssysteem nooit open. Dit is gevaarlijk voor de ogen en de huid.

Zet altijd het contact uit als u iets gaat doen onder de motorkap → 165 → 167.
Aanvullende informatie
Afhankelijk van het label en afhankelijk van het type koelmiddel:
Koelvloeistof R-1234yf
- (1) 0,475 kg
- (2) GWP 0.501
- (3) 0,0002 ton
MULTIMEDIA-UITRUSTING
Multimediasysteem

De aanwezigheid en de plaats van deze uitrustingen zijn afhankelijk van de multimedia uitrusting van de auto.
- Multimediascherm.
- Multimedia-aansluitingen USB-C in de middenconsole.
- Accessoireaansluiting → 317.
- Bediening bij het stuurwiel.
- Spraakcommando.
- Multimedia-aansluitingen USB-C voor de passagiers achter.

Gebruik van de tele- foon
Houd u altijd aan de wet- telijke voorschriften met betrekking tot het gebruik van dit apparaat.
Multimedia-aansluitingen

kunnen worden gebruikt om accessoires op te laden met een maximaal vermogen van 15 Watt (5 Volt) per poort.
Opmerking: de multimedia-aansluitingen USB-C 2 kunnen ook worden gebruikt om gegevens over te dragen.

Sluit alleen accessoires aan met een vermogen van maximaal 12 watt. Risico van brand.
Als u een kabel van een accessoire aansluit op een USB-poort (bijv. een laadkabel van een smartphone), zorg er dan voor dat u deze ontkoppelt als deze niet langer nodig is. Risico op kortsluiting en beschadiging van de USB-poort bij contact tussen het uiteinde van de kabel en een metalen voorwerp (bijvoorbeeld sigarettenaansteker enzovoort).
Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van het multimedia-systeem voor meer informatie.
MULTIMEDIA-UITRUSTING
Geïntegreerde bediening van handsfree telefoon 7

text_image
70555 ⑦(voor telefoon en spraakbediening)

Gebruik van de tele- foon
Houd u altijd aan de wet- telijke voorschriften met
betrekking tot het gebruik van dit apparaat.
Inductielaadzone 8
(afhankelijk van de auto)

text_image
DC 77411 8 9Afhankelijk van het voertuig is zone 8 uitgerust met een magnetische voorziening 9→318.
Zorg er tijdens het rijden voor dat de beker die door de bekerhouder wordt vastgehouden, goed is afgesloten, zo- dat deze niet omvalt.
Risico op schade aan omringende elektrische en/of elektronische apparatuur in geval van het morsen van vloeistof.
Telefoonhouder A
(afhankelijk van de auto)

Plaats uw smartphone (of tablet) in de behuizing 10. Zorg ervoor dat deze stevig vastzit voor gebruik.
De behuizing 10 mag alleen worden gebruikt om tablets of smartphones in op te bergen.
MULTIMEDIA-UITRUSTING

Voer deze aanpassingen uitsluitend uit als de auto stilstaat.

Zorg ervoor dat de telefoon stevig op zijn plaats wordt gehouden in de telefoonhouder zodat deze ns plotseling afslaan of op de inzittenden terecht

Gebruik van de tele- foon Houd u altijd aan de wet- telijke voorschriften met ng tot het gebruik van dit t.
Afneembare telefoonhouder B
Op voertuigen waarop de afneembare telefoonhouder B kan worden geplaatst, volgt u deze instructies:

text_image
B 12 11 64839- druk op knop11 op telefoonhouder B;

- bevestig de basis12 van de telefoonhouder aan de houder voor meer-dere accessoires YouClip 13; - trek de klem16 naar rechts;

text_image
14 15 16 62179- plaats de telefoon in de telefoonhouder 15 door op de vaste klem 14 te drukken en laat vervolgens de klem 16 los zodat de telefoon stevig tussen de klemmen 14 en 16 wordt gehouden.
Als u de afneembare telefoonhouder B wilt verwijderen, drukt u op knop 11.
Opmerking: u kunt de kanteling van de telefoonhouder 15 handmatig in- stellen naar de gewenste stand.
Gebruik uitsluitend de door de technische dienst goedgekeurde telefoonhouder.
MULTIMEDIA-UITRUSTING

Zorg ervoor dat de voet van de telefoonhouder correct is bevestigd, en dat de telefoon stevig op
zijn plaats wordt gehouden in de telefoonhouder, zodat deze niet op de inzittenden terecht komt bij plotseling afslaan of remmen.

Voer deze aanpassingen uitsluitend uit als de auto stilstaat.

Gebruik van de tele- foon
Houd u altijd aan de wet- telijke voorschriften met
betrekking tot het gebruik van dit apparaat.
UITRUSTING INTERIEUR
Elektrische ruiten
Deze systemen werken met contact aan of contact uit tot het openen van een voorportier (begrensd tot ongeveer 3 minuten).


Verantwoordelijkheid van de bestuurder
Verlaat uw voertuig nooit met de kaart of sleutel
erin en met een kind, afhankelijke volwassene of huisdier in het voertuig, zelfs niet voor een korte tijd.
Zij kunnen zichzelf of anderen in gevaar brengen door de motor te starten of apparatuur te bedienen zoals de versnellingshendel of de ruitbediening.
In geval van beknelling van een lichaamsdeel draait u direct de bewegingsrichting van de ruit om door te drukken op de betreffende schakelaar.
Gevaar van ernstige verwondingen.
Elektrische ruitbediening met snel- toets

Druk of trek kort op/aan de schakelaar van de ruit tot deze niet verder kan: het raam gaat dan helemaal open of dicht. Een actie op de schakelaar stopt de werking van de ruit.
Let op: de achterruiten kunnen niet helemaal omlaag.
Gebruik vanaf de bestuurdersplaats de schakelaar:
1 voor de bestuurderskant;
2 voor de passagierskant voor;
3 en 5 voor de passagiers achter.
Veiligheid inzittenden
De bestuurder kan de werking van de ruitbediening achter uitschakelen door de schakelaar 4 in te drukken.
Er verschijnt een bevestigingsbericht op het instrumentenpaneel of, afhankelijk van de auto, gaat het controle-lampje in de schakelaar branden.
Vanaf de passagiersplaats voor

Druk op de schakelaar 6.
Opmerking: Als de ruit bijna volledig dicht is en dan op weerstand stuit (bijvoorbeeld een tak), stopt de ruit en schuift ze enkele centimeters terug.
UITRUSTING INTERIEUR

Leg nooit iets op de bovenkant van een halfgeopende ruit: risico van beschadiging e ruitbediening.
Voor de plaatsen achter

Druk op de schakelaar 7.

Wanneer u de ruiten sluit, moet u erop letten dat er geen enkel li- chaamsdeel (arm, hand,
enz.) uit het voertuig steekt.
Gevaar van ernstige verwon- dingen.
De elektrische ruitbediening werkt niet.
Het elektrische one-touch-raam heeft een thermische beveiliging: als u herhaaldelijk op de raamschakelaar drukt (meerdere bedieningen binnen enkele minuten), gaat het in de beveiligingsmodus (vergrendeling van het raam in de gesloten stand).
Wat kunt u doen:
- Gebruik de elektrische ruitschakelaar kort en met tussenpozen van ongeveer 30 seconden.
- Bij draaiende motor wordt de ruit ontgrendeld nadat de schakelaar van de elektrische ruitbediening circa 20 minuten niet is gebruikt.
Op afstand openen/sluiten van de ruiten
Als u, terwijl u de deuren van buitenaf ontgrendelt, de ontgrendelknop op de kaart ingedrukt houdt, gaan alle
ruiten met elektrische ruitbediening automatisch open.
Als u, terwijl u de deuren van buitenaf vergrendelt, de vergrendelknop op de kaart ingedrukt houdt, gaan alle ruiten met elektrische ruitbediening automatisch dicht.
Het is raadzaam het systeem alleen in te schakelen als de gebruiker de auto goed ziet en er niemand in de auto zit.

Wanneer u de ruiten sluit, moet u erop letten dat er geen enkel li- chaamsdeel (arm, hand,
enz.) uit het voertuig steekt.
Gevaar van ernstige verwon- dingen.
Storingen
Als het sluiten van de ruit niet goed werkt, schakelt het systeem over op de normale werking: u kunt dan de betrokken ruitschakelaar zo vaak als nodig bedienen tot de ruit helemaal sluit (de ruit gaat stap voor stap omhoog). Houd vervolgens de schakelaar één seconde ingedrukt (nog steeds aan de sluitkant) en laat de ruit dan helemaal openen en sluiten om het systeem te resetten.
UITRUSTING INTERIEUR
Indien nodig, raadpleeg uw merkdea- ler.
Elektrisch bediend open dak
Verschuiven van het gordijn 1 (afhankelijk van de auto)

text_image
70824 ① A ② BOpenen:
- Druk de knop2 naar achteren (beweging A) om het gordijn te openen en houd de knop ingedrukt totdat u de gewenste tussenstand bereikt of totdat deze volledig open is.
Sluiten:
- Druk de knop2 naar voren (beweging B) om het gordijn te sluiten en houd de knop ingedrukt totdat u de ge-
wenste tussenstand bereikt of totdat deze volledig gesloten is.
Verschuiven van het open dak (afhankelijk van de auto)

Raam op een kier: druk de knop 3 naar boven (beweging E) om het raam half te openen om het interieur te ventileren.
Stand "Comfort":
Dit is een openingsstand die het meeste comfort biedt met betrekking tot geluid en aerodynamische interferentie tijdens het rijden.
openen:
- Druk achteruit op knop ^3 (beweging C ) om het raam in de stand "Comfort" te openen.
sluiten:
- Druk de knop3 naar voren (beweging D) om het raam volledig te sluiten.
Dit is een stand voor het openen van een raam dat u eerder hebt gedefiniieerd.
openen:
- Druk de knop3 (langer dan twee seconden) naar achteren (beweging C) en druk deze vervolgens naar voren (beweging D) om het raam op de gewenste positie te stoppen.
sluiten:
- Druk de knop8 (langer dan twee seconden) naar voren (beweging ) om het raam volledig te sluiten. Als u het raam op een andere positie wilt stoppen, drukt u de knop naar achteren (beweging ).
Stand "Volledig":
Dit is om het raam volledig te openen of te sluiten.
openen:
- Druk vanuit de stand "Comfort" de knop 3 naar achteren (beweging C) om het raam volledig te openen.
UITRUSTING INTERIEUR
of
- In andere landen drukt u de knop3 (gedurende meer dan twee seconden) naar achteren (beweging C) om het raam volledig te openen. sluiten:
- Druk vanuit de stand "Comfort" de knop 3 naar voren (beweging C) om het raam volledig te sluiten.
of
- In andere landen drukt u de knop3 (gedurende meer dan twee seconden) naar voren (beweging D) om het raam volledig te sluiten.

Wanneer u het dak sluit, moet u erop letten dat er geen enkel lichaamsdeel (arm, hand enzovoort)
uit de auto steekt.
Gevaar van ernstige verwon- dingen.

Verantwoordelijkheid van de bestuurder
Laat nooit, ook niet heel even, een kind, een afhankelijke volwassene of een dier in de auto achter als u deze verlaat.
Een kind kan zichzelf of anderen in gevaar brengen door de motor te starten, door organen te bedienen zoals bijvoorbeeld de raambediening, of de portieren te vergrendelen.
Keer in geval van blokkering de rijrichting onmiddellijk om door knop 3 naar achteren (beweging C) of naar achteren (beweging D) te drukken.
Gevaar van ernstige verwon- dingen.
Open dak sluiten met afstandsbediening
Als u de vergrendelknop op de kaart ongeveer twee seconden ingedrukt houdt, worden de ramen en het open dak automatisch gesloten.
Het dak kan in geen enkele situatie verder worden geopend dan de zijruit.
Als het dak wordt geopend, wordt de zijruit ook in dezelfde mate geopend.
Het is raadzaam het systeem alleen in te schakelen als de gebruiker de auto goed ziet en er niemand in de auto zit. Controleer of het open dak goed is gesloten wanneer u uw voertuig verlaat:
Bijzonderheden
Uw auto is uitgerust met een krachtbegrenzer: als het dak weerstand ondervindt tijdens het sluiten (de tak van een boom enzovoort), stopt het dak en gaat dit weer een paar centimeter verder open.
Het is niet mogelijk om het open dak te openen als de buitentemperatuur lager is dan ongeveer -20°C.
Het dak sluiten is wel mogelijk.
Voorzorgsmaatregelen voor het gebruik
Het is verboden om het open dak te gebruiken als de dakdragers zich in een dwarse positie bevinden.
Laat u door een erkende dealer informeren over de verschillende toepassingsmogelijkheden:
- Controleer of het schuifdak goed is gesloten wanneer u uw voertuig verlaat;
UITRUSTING INTERIEUR
- Reinig het afdichtrubber van het dak eens per drie maanden met een product dat is goedgekeurd door onze technische dienst;
- Open het schuifdak niet onmiddel- lijk na een regenbui of een wasbeurt. Risico van beschadiging van het open dak.

Storingen
Herhaald gebruik van het open dak gedurende een korte periode kan de werking van het dak gedurende ongeveer 30 minuten blokkeren.
Als er een storing optreedt, neemt u contact op met een erkende dealer.
binnenverlichting
Kaartleeslampjes voorin

text_image
1 2 70562Aanraaklampen 1 of 2 om in te schakelen:
- een constant brandende verlichting; - onmiddellijk uitgaan van de verlichting.
Opmerking:
- Het is niet nodig om op de verlichting te drukken om de verlichting in of uit te schakelen. U hoeft alleen maar contact te maken;
- via het multimediascherm kunt u de leeslampjes laten in- of uitschakelen bij het openen van de portieren 132.
Kaartleeslampjes achter

Afhankelijk van de auto kunt u de volgende aanraakspots 3 of 4 indrukken:
UITRUSTING INTERIEUR
- een constant brandende verlichting; - onmiddellijk uitgaan van de verlichting.
Opmerking:
- Het is niet nodig om op de verlichting te drukken om de verlichting in of uit te schakelen. U hoeft alleen maar contact te maken;
- via het multimediascherm kunt u de leeslampjes laten in- of uitschakelen bij het openen van de portieren → 132.
Het ontgrendelen en het openen van de portieren en de achterklep zorgen voor het tijdelijk branden van de binnenlichten.
Verlichting dashboardkastje 5

Het lampje 5 gaat branden wanneer de klep wordt geopend.
Verlichting bagageruimte 6

Het lampje 6 gaat branden bij het openen van de bagageruimte.
UITRUSTING INTERIEUR

Automatische werking van de binnenverlichting (afhankelijk van de auto)
- als de portieren worden ont-grendeld met de afstandsbedie- ning gaat de binnenverlichting on- geveer 30 secondes branden;
- als een portier open blijft staan (of niet goed is gesloten), gaat de binnenverlichting uit na ongeveer 5 tot 10 minuten.
- als alle portieren zijn gesloten gaat de binnenverlichting geleidelijk uit als het contact wordt aangezet.
Zonneklep, spiegel, handgreep
Zonnekleppen 1

Zet de zonneklep 1 omlaag tegen de voorruit of maak deze los en draai deze tegen de zijruit.

Tijdens het rijden moet het klepje van de make-up spiegel gesloten zijn. Verwondingsgevaar
Make-up spiegels 2
Afhankelijk van de auto zijn de zonne-kleppen uitgerust met een make-up-spiegel.
Til de klep 4 omhoog. Afhankelijk van de auto gaat de verlichting 3 automatisch aan.
Opbergruimte voor zonneklep 5

Hierin kunt u kaartjes (bijvoorbeeld van een tolweg) bevestigen.
Handgrepen voor 6 en achter 7 (afhankelijk van de auto)
UITRUSTING INTERIEUR

Hieraan kan men zich vasthouden tijdens het rijden.
Gebruik deze niet bij het in- of uitstappen.
Accessoireaansluiting
Accessoireaansluiting 1 of, afhankelijk van de auto, 2

U kunt de aansluiting 1 of, afhankelijk van de auto. aansluiting 2 gebruiken. Deze is bedoeld voor aansluiting van accessoires die zijn goedgekeurd door onze technische dienst.

Sluit alleen accessoires aan met een vermogen van maximaal 120 watt (12 V).
Als verschillende accessoireaansluitingen tegelijk worden gebruikt, mag het totale vermogen van de aangesloten accessoires niet meer zijn dan 180 watt.
Risico van brand.
OPBERGRUIMTE, INDELING INTERIEUR
Opbergruimte in voorportieren 1

Laat geen voorwerpen op de vloer (vóór de be-stuurder) liggen. In geval van plotseling remmen
kunnen deze onder de pedalen terecht komen, waardoor de be- stuurder deze niet meer goed kan bedienen.
Bergruimte van de middenconsole 2

Opbergruimte middenconsole/inductielaadzone 3

text_image
DC 77411 ③ ④Afhankelijk van de auto is zone 3 uitgerust met een magnetische voorziening 4 dat uw smartphone op zijn plaats houdt, op voorwaarde dat deze is uitgerust met magnetische technologie of met een compatibele (magnetische) hoes. Dit systeem maakt een stabiele bevestiging mogelijk en optimaliseert het opladen van uw apparaat.
Afhankelijk van de auto informeert een controlelampje u over de laadstatus op basis van de kleur:
- groen wanneer het opladen is vol- tooid;
OPBERGRUIMTE, INDELING INTERIEUR
- geel wanneer de telefoon wordt opgeladen;
- knippert geel wanneer een metalen voorwerp wordt gedetecteerd in het inductielaadgebied.
Raadpleeg voor meer informatie over de inductielaadzone de gebruiksaanwijzing van het multimediasysteem.

Zorg er tijdens het rijden voor dat de beker die door de bekerhouder wordt vastgehouden, goed is afgesloten, zo- dat deze niet omvalt.
Risico op schade aan omringende elektrische en/of elektronische apparatuur in geval van het morsen van vloeistof.

Zorg vooral dat er niets (startkaart, USB-stick, SD-kaart, creditcard, juwelen, sleutels, munten, enz.) in de inductieoplaadzone 3 ligt terwijl de telefoon wordt opgeladen.
Verwijder magnetische kaarten of creditcards uit het telefoonhoesje voordat u de telefoon in de induc- tielaadzone 3 plaatst.

Voorwerpen die achterblijven in de inductielaadzone 3 kunnen oververhit raken. U wordt geadviseerd om deze in de daarvoor bestemde zones te plaatsen (opbergruimte, opbergruimte achter zonneklep enz.).

Let op dat er geen har- de, zware of scherpe voorwerpen in de "open" bergruimtes geplaatst zijn, zodat zij tegen de inzittenden geslingerd kunnen worden bij het rijden door een bocht, bij plotse-ling remmen of bij een botsing.
Plaatsing voor beker of asbak 5

Let op dat er geen har- de, zware of scherpe voorwerpen in de "open" bergruimtes geplaatst zijn, zodat zij tegen de inzittenden geslingerd kunnen worden bij het rijden door een bocht, bij plotse-ling remmen of bij een botsing.
Uitneembare bekerhouder 7

Een schuifmechanisme 6 biedt toegang tot de bekerhouder 7.
OPBERGRUIMTE, INDELING INTERIEUR

De bekerhouder is uitgeruste met haakjes om de beker op zijn plaats 7 te houden.
De bekerhouder 7 kan worden verwijderd om een opbergruimte te creëren.
Dashboardkastje passagiers- kant

Om te openen, trekt u aan de hand-greep 8.
In dit dashboardkastje passen documenten op A4-formaat, enz..
Aan de binnenkant van het klepje is een vakje bestemd voor pennen, kaarten enz.

Laat geen voorwerpen op de vloer (vóór de be-stuurder) liggen. In geval van plotseling remmen
kunnen deze onder de pedalen terecht komen, waardoor de bestuurder deze niet meer goed kan bedienen.
Opbergruimte van de midden- console 9
(afhankelijk van de auto)

Til het deksel van de armsteun 10 op.
OPBERGRUIMTE, INDELING INTERIEUR
Opbergruimte van de middenconsole 11
(afhankelijk van de auto)

Til het deksel van de armsteun 12 op.
Opbergvak 11 wordt geventileerd volgens de temperatuur die door de air-conditioning is ingesteld.
Opbergruimte van het achter- portier 13

Let op dat er geen har- de, zware of scherpe voorwerpen in de "open" bergruimtes geplaatst
zijn, zodat zij tegen de inzittenden geslingerd kunnen worden bij het rijden door een bocht, bij plotse-ling remmen of bij een botsing.
Opbergvakken in voorstoelen 14

Om toegang te krijgen tot de beker- houders 16 of de telefoonhouder 17, trekt u aan de riem 15.

Zorg er tijdens het rijden voor dat de beker die door de bekerhouder wordt vastden, goed is afgesloten, zoze niet omvalt.
Risico op schade aan omrin-gende elektrische en/of elektronische apparatuur in geval van het morsen van vloeistof.

Zorg er bij het sluiten van de armleuning voor dat er geen lichaamsdelen (armen, handen, vin-
gers, enz.) in de buurt van het vergrendelingsgebied zijn.
Risico van beknelling.

Let op bij het accelere- ren of het rijden in een bocht, dat de inhoud van de beker of het blikje niet
over de rand stroomt.
Risico van brandwonden als de vloeistof warm is en/of vlekken.
Telefoonhouder 17
Plaats uw smartphone in de behuizing om deze op zijn plaats te houden.

De behuizing mag alleen worden gebruikt om tablets of smartphones in op te
bergen.
OPBERGRUIMTE, INDELING INTERIEUR
Tassenhaken 18

Maximum gewicht per haak: 5 kg.
Houder voor meerdere accessoires YouClip 19, 20, 21 en 22
Afhankelijk van het voertuig zijn ze bedoeld om de kubus 23, de lamp 26, de tassenhaak 28 (in de bagageruimte) of accessoires goedgekeurd door de technische afdeling vast te maken. Neem voor alle advies contact op met een erkende dealer.

Zorg ervoor dat accessoires YouClip correct zijn bevestigd, zodat ze niet op de passagiers
kunnen worden geworpen tijdens plotseling draaien, remmen of bij een ongeval.

Om de basis op uitgeruste voertuigen te installeren, schuift u de basis 25 van de kubus van boven naar beneden op de multi-accessoirehouder 19 of 20.
Je kunt de kubus gebruiken als bekerhouder.
Om de kubus te verwijderen, schuift u de basis 25 van de kubus van onder naar boven op de multi-accessoirehouder.
Maximumgewicht per kubus: 0,5 kg.
Lamp 26

text_image
26 27 63858U kunt de lamp bevestigen aan de voet 24 van de kubus of aan een van de multi-accessoirehouders 19, 20, 21 of 22.
Druk op de knop 27 om de lamp in te schakelen.
Tassenhaak 28

U kunt de zakhaak bevestigen aan de voet 24 van de kubus of aan een van de multi-accessoirehouders 19, 20, 21 of 22.
Maximaal gewicht per haak aan de onderkant van de kubus: 1 kg.
Maximaal gewicht per haak op de basis 19: 2 kg.
Maximaal gewicht per haak op de basis 21: 5 kg.
TRANSPORT VAN GOEDEREN
Opbergkist
Bagage-afdekplaat
Uitrollen van de bagage-afdekplaat

text_image
① A B ② 71320Trek licht aan de handgreep 1 en plaats elk uiteinde van het afdekkapje in de uitsparing 3 (tussenstand).

Til vanuit de tussenstand het deksel op, trek licht aan de hendel 1 en plaats elk uiteinde van het deksel in de inkeping 4.

Leg geen zware of harde voorwerpen op de bagage-afdekplaat. Bij plotse-ling remmen of in geval
van een ongeluk kunnen rondslingerende spullen de inzittenden in gevaar brengen.

text_image
71321 ① ④Om de bagage-afdekplaat te verwijderen
Schuif het deel 2 (beweging A) en til tegelijkertijd de rechterkant van het oprolmechanisme op (beweging B).
Til daarna de linker kant van het oprolmechanisme op en verwijder het geheel.
Terugplaatsen van de bagage-afdek- plaat
Voor het terugplaatsen van de bagageafdekplaat, voert u deze handelingen in omgekeerde volgorde uit.
TRANSPORT VAN GOEDEREN
Opbergruimtes, Indeling bagage-ruimte
Losse bodemplaat 1

Op deze manier kan de rugleuning van de achterstoel naar voren worden gekanteld om een vlakke vloer te krijgen en de bagageruimte in twee afzonderlijke ruimtes in te delen.
De losse bodemplaat is geplaatst op de rail 2.
Maximaal toegestane be- lasting op de mobiele vloer in de geheven positie: 100 kg gelijkmatig verdeeld.

text_image
63074 ① ②Verlaagde stand
Hierdoor is er meer ruimte om spullen in de bagageruimte op te bergen en zware ladingen te vervoeren.
- Neem de losse bodemplaat weg; - plaats deze in de bagageruimte onder de rail 2.

Gecompartimenteerde positie
Hiermee kunt u de bagageruimte in twee afzonderlijke ruimten onderverde- len.
TRANSPORT VAN GOEDEREN
Vervoer van bagage
Let er bij het vervoer op dat de voor- werpen met hun langste zijde steunen tegen ofwel:

74875

de rugleuningen van de achterbank, voor normale ladingen (voorbeeld A);

74876

de rugleuningen van de voorstoelen met de rugleuningen van de achterstoelen neergeklapt als u grote voorwerpen moet vervoeren (bijvoorbeeld B).
Zorg ervoor dat de vervoerde voorwerpen gelijkmatig over de laadruimte worden verdeeld.
Als u voorwerpen op de neergeklapte rugleuning wilt plaatsen, moet u eerst de hoofdsteunen verwijderen voordat u de rugleuning neerklapt, zodat de rugleuning zo dicht mogelijk tegen het zit-kussen kan kantelen.

Plaats de zwaarste voor- werpen altijd direct op de vloer in een lage positie
→ 326/ Als de auto is uit-
gerust, gebruik dan de bevestigingspunten 1 op de vloer van de bagageruimte. De lading moet zo geplaatst zijn dat niets naar voren geslingerd kan worden in geval dat de bestuurder plotseling moet remmen. Maak de autogordels van de zitplaatsen achter vast, ook als deze niet bezet zijn.
TRANSPORT VAN GOEDEREN
Trekhaak

text_image
62285 A 4Maximale afstand A = 1140 mm.

Maximale kogeldruk op trekhaak, max. aanhan- germassa geremd en on- nd → 403.
Keuze en monteren van een trekhaak
Maximale massa van de trek-haak:
- Trekhaak (dwarsbalk en trekhaak) die oorspronkelijk niet op het voertuig is gemonteerd: de gehele trekhaak en bevestigingen mogen niet meer dan 23 kg wegen.
De verlichting of de kentekenplaat mogen niet worden geblokkeerd door de sleepuitrusting als deze niet in gebruik is.
Houd u in elk geval aan de voorschriften van het land waarin u zich bevindt.
Raadpleeg het montagevoorschrift van de uitrusting voor de montage en de voorwaarden voor het gebruik.
Bewaar dit montagevoorschrift bij dit instructieboekje.

Auto's gebruikt bij maximale belasting (maximaal toegelaten totaalmassa) en met
een aanhangwagen:
- De maximumsnelheid is 100 km/uur en de bandenspanning moet worden verhoogd met 0,2 bar → 403.
Kans op klapband.
Draaguitrusting
Voorzorgsmaatregelen voor het gebruik
(met gebruikmaking van de achter-klep)
Controleer de objecten en/of accessoires (fietsdragers, dakkoffers enzo-voort) op de dakdragers, voordat u de achterklep gebruikt: deze moeten op de juiste wijze zijn geplaatst en vastge- maakt en mogen de beweging van de achterklep niet hinderen.
TRANSPORT VAN GOEDEREN

Zorg ervoor dat de getrans- porteerd voorwerpen gelijk- matig worden verdeeld over adruimte voor de uitrusting.

Bij het bevestigen van dragende uitrusting (fietsendrager, bagagebox enz.) is het verboden om
deze tegen de spoiler of de achterklep te laten rusten. Om een drager te installeren op uw auto, neemt u contact op met een merkdealer.
Draaguitrusting op het dak

Het is verboden om enige draagvoorziening op het dak te bevestigen van voertuigen die niet akelijk zijn uitgerust met nale dakdragers.

Raadpleeg uw erkende dealer voor het kiezen van de uitrusting die aangepast uw auto. Montage moet ge- n volgens de montagevoor- ten van de fabrikant.
Bewaar dit montagevoorschrift bij dit instructieboekje.
Auto's met modulaire dakdragers

Als het voertuig ermee is uitgerust, kunt u met dit apparaat de dakdragers in lengterichting of dwarsstand plaatsen (draagpositie) of de longitudinale positie (standaardpositie).
Maximale belasting op dakdragers: 80 kg (met inbegrip van de dragende uitrusting).

text_image
② ④ ② C B ② ③ ② 62226Om de stangen dwars te plaatsen
- maak de draaikappen/ los en zet ze verticaal (beweging A);
- draai de bouter2 los met behulp van de momentsleutel 6 in het dashboardkastje;
TRANSPORT VAN GOEDEREN

- Til de staven op3 en 4 en plaats ze in dwarspositie 5. U doet dit door de drager 3 (beweging B) in de voorste stand en de drager 4 (beweging C) in de achterste stand te zetten.
Opmerking: zorg ervoor dat dragers 3 en 4 correct zijn geplaatst.

text_image
62174 D E 7- gebruik het gereedschap6 om de bouten 2 vast te draaien: de markeringen D en E op het gereedschap geven de verschuiving aan (markering 7);

text_image
6 62173 D E 8
- haal de bouter2 zover mogelijk aan met behulp van het gereedschap 6 totdat de markeringen D en E op het ge-
TRANSPORT VAN GOEDEREN
reedschap 6 samenvallen (markering 8);
- klik de draaikappen1 weer vast.
Opmerking: dragers 3 en 4 zijn niet onderling uitwisselbaar.

Het is streng verboden de dakdragers dwars te hebben staan (stand voor het dragen) wan-
neer de auto door een wasstraat gaat met draaiende borstels.

Dakdragers in de dwarsstand
- De maximale snelheid
moet worden beperkt tot 130 km/u.
- Controleer tijdens de rit de installatie en draai de bouten ongeveer elke 500 km aan.
Wanneer u de dragers niet in dwarsgeplaatst gebruikt, plaatst u de dragers in de lengterichting om het brandstofverbruik te optimaliseren en rijwind te voorkomen.

text_image
1 F 2 H 3 G 4 1 F 2 74877Om de dragers overlangs te plaatsen:
- maak de draaikappen/ los en zet ze verticaal (beweging F);
- draai de bouter2 los met behulp van de momentsleutel 6 in het dashboardkastje;
- zet de dragers3 en 4 hoger en plaats deze overlangs 9. Zet hiervoor
de drager 3 (beweging G) en drager 4 (beweging H) in de lengterichting.

text_image
② ⑨ ② 74994 ② ⑨ ②- haal de bouter2 zover mogelijk aan met behulp van een momentsleutel 6 totdat de markering D en E op het gereedschap 6 samenvallen (markering 8);
Opmerking: zorg ervoor dat dragers 3 en 4 correct zijn geplaatst.
TRANSPORT VAN GOEDEREN

text_image
6 62173 D E 8- klik de draaikappen1 weer vast. Opmerking: dragers 3 en 4 zijn niet onderling uitwisselbaar.

Controleer of de twee modulaire dakdragers correct zijn geplaatst en vergrendeld zijn.

De modulaire dakdra- gers zijn oorspronkelijk gemonteerd en goedge- keurd door onze Techni-
sche afdeling.
Ze zijn allebei voorzien van de bouten 2 en het gereedschap 6. Deze mogen alleen worden gebruikt om de dakdragers aan de auto te bevestigen.
Controleer regelmatig de staat van de modulaire dakdragers (correcte plaatsing, bevestigingspunten, bouten, enz.).
Gebruik ze niet als ze beschadigd zijn. Ga naar een erkende dealer. Neem in geval van verlies contact op met een erkende dealer.

Controleer of de objecten en/of accessoires (fietsenrek, dakkoffer enz.) op de modulaire
dakdragers correct zijn gepositioneerd, gelijkmatig zijn verdeeld en geborgd zijn.
Auto's met dakdragers

Indien de auto ermee is uitgerust kunt u bagage of extra uitrusting (fietsdra- ger, skidrager enz.) vervoeren:
- op dwarsdakdragers die op hun beurt aan de langsdakdragers moeten worden bevestigd 10;
- rechtstreeks op de overlangse dakdragers.
Maximale belasting op dakdragers: 80 kg (met inbegrip van de dragende uitrusting).
TRANSPORT VAN GOEDEREN
Spoiler F

Het is verboden voorwerpen en/of accessoires (fietsenrekken e.d.) aan de spoiler F te bevestigen.
TOEGANG TOT DE MOTOR, NIVEAUS
Motorkap

Trek, afhankelijk van de auto, aan de hendel 1 om te openen.

De motor moet worden uitgeschakeld (niet op stand-by gezet) voordat er werkzaamheden in de
motorruimte worden uitgevoerd.
U moet het contact uitzetten
→ 165, → 167

Let op bij werkzaamhe- den dicht bij de motor, deze kan nog warm zijn.
Bovendien kan de venti-
lateurmotor onverwacht gaan draaien. Het waarschuwingslamp-

motorruimte herin-
Risico van verwonding.

Controleer bij werkzaam- heden onder de motor- kap, of de schakelaar van de ruitenwisser in de
stand uit staat.
Risico van verwonding.

Activeer de motorstart- functie op afstand nooit en programmeer deze functie nooit voordat u
de motorkap opent of als de motorkap geopend is.
Risico op brandwonden of ernstige verwondingen.

Druk niet op de motor-kap, vanwege het risico dat deze onverwacht sluit.
Ontgrendelen van de veiligheids-haak van de motorkap
(afhankelijk van de auto)
TOEGANG TOT DE MOTOR, NIVEAUS

text_image
75397 ② ③
Om te ontgrendelen: maak de haak 2 los door de hendel 3 naar links te duwen terwijl u de motorkap optilt.
of
Til de motorkap lichtjes op en maak u de haak 2 vrij door de handgreep 3 naar links te duwen.
Motorkap openen
(afhankelijk van de auto)

text_image
75396 ⑤ ⑥ ⑦ DCNadat u de motorkap hebt opgetild en de veerpoot 5 hebt losgemaakt uit de houder 7, moet u voor uw veiligheid de veerpoot in de bevestiging 6 plaatsen.
of
Til de motorkap op en geleid deze; de motorkap wordt omhoog gehouden door twee veerpoten 4.
Sluiten van de motorkap
Controleer voordat u de motorkap sluit of er geen gereedschap of andere voorwerpen in de motorruimte zijn achtergebleven.
(afhankelijk van de auto)
Om de motorkap te sluiten, brengt u de veerpoot 5 weer in de bevestiging 7. Pak de motorkap in het midden vast en laat ze van een hoogte van 30 cm dichtvallen. De kap sluit vanzelf door zijn eigen gewicht.
of
Pak de motorkap in het midden vast en laat ze van een hoogte van 30 cm dichtvallen. De kap sluit vanzelf door zijn eigen gewicht.

Controleer de vergrendeling van de kap. Controleer of niets de vergrendeling belemmert
(steentje, doek, enz.).
TOEGANG TOT DE MOTOR, NIVEAUS

Zorg er na alle werkzaamheden in de motorruimte voor dat u niets vergeet (doeken, ge-
reedschap enz.).
Hierdoor kan de motor beschadigd raken of brand ontstaan.

Bij een botsing, zelfs een lichte, tegen de grille of de motorkap moet u zo snel mogelijk het ver-
grendelingssysteem van de motorkap laten controleren door een merkdealer.
Motorolie
Algemeen
Een verbrandingsmotor verbruikt olie voor het smeren en koelen van de bewegende delen in de motor. Het is normal dat u tussen twee onderhoudsbeurten olie moet bijvullen.
Indien u echter na de inrijperiode meer dan 0,5 liter olie per 1000 km moet bijvullen, moet u een erkende dealer raadplegen.
Controleer het oliepeil regelmatig en in ieder geval voor elke grote reis: vul indien nodig tijdig olie bij om ernstige schade aan de motor te voorkomen.
Aflezen van het oliepeil
De auto moet horizontaal staan en de motor mag geruime tijd niet hebben gedraaid.
Voor het exacte oliepeil en het controleren of het maximumpeil niet overschreden is (risico op schade aan motor), moet u de peilstaaf gebruiken.
Afhankelijk van de auto waarschuwt het display van het instrumentenpaneel uitsluitend als het oliepeil minimaal is.

text_image
62172 A B C A B- Haal de peilstaaf eruit en veeg hem af met een droge en niet pluizende doek;
- steek de peilstaaf weer zo diep mogelijk in zijn houder, (als de motor een "peildop" C, heeft, draait u deze geheel vast);
- verwijder de peilstok opnieuw;
- Lees het niveau: het mag nooit onder "MINI" A vallen noch "MAXI" B overschrijden.
Als u het peil heeft gelezen, moet u de peilstaaf terugplaatsen tegen de aan-slag of de peildop geheel vastdraaien.
TOEGANG TOT DE MOTOR, NIVEAUS

Gebruik een trechter of bescherm het gedeelte rond te vulopening om te voorkomen dat er motorolie op een warm gedeelte van de motorruimte of een gevoelig onderdeel (d.z.w. elektrische onderdelen) terechtkomt. Risico op brand.

Overschrijding van het maximumpeil van de motorolie Het maximumpeil B mag nooit worden overschreden: dit kan leiden tot schade aan de motor en het antiluchtverontreinigingssysteem. Als het niveau "MAXI" wordt overschreden, mag u de auto niet starten en neemt u contact op met een merkdealer.

Voordat u iets doet onder de motorkap, moet u het contact afzetten → 165 of → 167.
Bijvullen, tanken, olie verversen
(Bij)vullen
De auto moet horizontaal geparkeerd staan en de motor moet stilstaan en koud zijn (bijvoorbeeld voordat u 's morgens wegrijdt).

De motor moet worden uitgeschakeld (niet op stand-by gezet) voordat er werkzaamheden in de motorruimte worden uitgevoerd. U moet het contact uitzetten
→ 165, → 167

Vul nooit bij tot boven het peil "MAXI" en vergeet niet de dop 1 en de peilstaaf 2 weer terug te plaatsen.

text_image
62880 ① ② 1.2 TCe
text_image
78701 ① ② 1.2 TCe- Maak de dopf los; - vul bij (afhankelijk van de motor is het verschil tussen de markeringen
TOEGANG TOT DE MOTOR, NIVEAUS
"MINI" en "MAXI" op de peilstaaf 2 (1,5 tot 2 liter);
- wacht 20 minuten om de olie naar beneden te laten zakken in de motor; - controleer het peil met de peilstok2 (zoals hiervoor is beschreven.
Als u het peil heeft gelezen, moet u de peilstaaf terugplaatsen tegen de aan-slag of de peildop geheel vastdraaien.

text_image
62882 ① ② 1.5 dCi
text_image
67732 ① ②
Overschrijding van het maximumpeil van de motorolie
Het maximumpeil mag nooit worden overschreden: dit kan leiden tot schade aan de mo- tor en het antiluchtverontreini- gingssysteem.
Als het niveau "MAXI" wordt overschreden, mag u de auto niet starten; neem contact op met een merkdealer.
Motorolie verversen
Interval: raadpleeg het onderhoudsboekje van uw auto.
Inhoud bij verversen
Raadpleeg het onderhoudsboekje van uw auto of neem contact op met een merkdealer.
Controleer het motoroliepeil altijd met behulp van de peilstaaf zoals hiervoor is uitgelegd (het mag nooit lager dan het minimumpeil of hoger dan het maximumpeil van de peilstaaf zijn).
Soort motorolie
Raadpleeg het onderhoudsboekje van uw auto.

De motor moet worden uitgeschakeld (niet op stand-by gezet) voordat er werkzaamheden in de
motorruimte worden uitgevoerd.
U moet het contact uitzetten
→ 165, → 167
TOEGANG TOT DE MOTOR, NIVEAUS

Motorolie bijvullen
Gebruik een trechter of bescherm het gedeelte rond te vulopening om te voorkomen dat er motorolie op een warm gedeelte van de motor- ruimte of een gevoelig onderdeel (d.z.w. elektrische onderdelen) terechtkomt.
Risico op brand.

Laat de motor nooit in een afgesloten ruimte draaien: uitlaatgassen zijn giftig.

Controleer bij werkzaamheden onder de motorkap, of de schakelaar van de ruitenwisser in de stand uit staat.
Risico van verwonding.

Oliepeil bijvullen en/of controleren: let er bij het bijvullen of controle- ren van het oliepeil op dat er geen olie op de motoronderdelen lekt.
Vergeet niet de dop goed te sluiten en de peilstaaf terug te plaatsen om te voorkomen dat er olie op hete motoronderdelen spat.
Risico op brand.

Let op bij werkzaamheden dicht bij de verbrandingsmotor; deze kan nog warm zijn. Bovendien kan de ventilateurmotor on- verwacht gaan draaien. Het waar-
schuwingslampje torruimte herinner

mo-
Risico van verwonding.

Als het vloeistofpeil abnormaal is of herhaaldelijk daalt, raadpleeg dan een merkdealer.

Olie vervangen: let op bij het aftappen van hete olie dat u zich er niet aan brandt.
Koelvloeistof
Koelvloeistof voor de verbrandingsmotor

Met de motor uit en de auto
koud en op een vlakke ondergrond, moet het peil liggen tussen de markeringen "MINI" en "MAXI" op het koelvloeistofreservoir 1.
Vul bij een koude motor koelvloeistof bij, voordat het peil de markering "MI-NI" bereikt.
Regelmatige controle van het peil
Controleer regelmatig het koelvloeistofpeil (een gebrek aan koelvloeistof kan de verbrandingsmotor ernstig beschadigen).
Vul uitsluitend bij met door onze technische dienst goedgekeurde producten die zorgen voor:
- bescherming tegen bevriezen;
- een bescherming tegen corrosie van het koelcircuit.

Zolang de verbrandings- motor warm is, mag er niet worden gewerkt aan de motor en het koelsys-
teem.
Risico van brandwonden.
Interval voor het vervangen
Raadpleeg het onderhoudsboekje van uw auto.
340 - Onderhoud

De motor moet worden uitgeschakeld (niet op stand-by gezet) voordat er werkzaamheden in de
motorruimte worden uitgevoerd.
U moet het contact uitzetten
→ 165, → 167

Als het vloeistofpeil abnormaal is of herhaaldelijk daalt, raadpleeg dan een dealer.

Let op bij werkzaamheden dicht bij de verbrandingsmotor; deze kan nog warm zijn. Boven-
dien kan de ventilateurmotor on- verwacht gaan draaien. Het waar-
schuwingslampje moe motorruimte herinnert u hieraan.
Risico van verwonding.
Koelmiddel elektrisch tractiesysteem

Dit is een ander systeem dan bij de verbrandingsmotor. Het dient voor het koelen van de elektromotor.

De motor moet worden uitgeschakeld (niet op stand-by gezet) voordat er werkzaamheden in de
motorruimte worden uitgevoerd.
U moet het contact uitzetten
→ 165, → 167
Het peil aflezen
TOEGANG TOT DE MOTOR, NIVEAUS

Draai de dop van het koelvloeistofreservoir 2, met het contact uitgeschakeld en het voertuig op een vlakke ondergrond geparkeerd.
Als het koud is, moet het niveau zich tussen de markeringen "MIN" 3 en "MAX" 4 aan de binnenkant van de trechter bevinden.
Regelmatige controle van het peil
Controleer regelmatig het koelvloeistofpeil (het elektrisch systeem kan ernstig beschadigd worden door een gebrek aan koelvloeistof).
Als aanvulling nodig is, vraagt u een merkdealer om dit uit te voeren.

Zolang de verbrandings- motor warm is, mag er niet worden gewerkt aan de motor en het koelsys-
teem.
Risico van brandwonden.
Interval voor het vervangen
Raadpleeg het onderhoudsboekje van uw auto.

Als het vloeistofpeil abnormaal is of herhaaldelijk daalt, raadpleeg dan een dealer.

Let op bij werkzaamheden dicht bij de verbrandingsmotor; deze kan nog warm zijn. Bovende ventilateurmotor on- gaan draaien. Het waar-
schuwingslampje torruimte herinner

mo-
Risico van verwonding.
Peilen, filters
Remvloeistofpeil

Controleer regelmatig het peil van de remvloeistof en zeker als u bij het remmen een verschil, hoe gering ook, opmerkt.
Controle van het peil moet bij stilstaande motor en op horizontale ondergrond plaatsvinden.
TOEGANG TOT DE MOTOR, NIVEAUS

De motor moet worden uitgeschakeld (niet op stand-by gezet) voordat er werkzaamheden in de motorruimte worden uitgevoerd. U moet het contact uitzetten
→ 165, → 167
Peil
Het peil daalt normaal tegelijk met de slijtage van de remvoeringen maar mag nooit onder het merkteken "MINI" komen dat op het remvloeistofreservoir 1 is weergegeven.
Als u zelf de slijtage van de schijf en trommel wilt controleren, vraagt u de brochure met uitleg over de controle-methode op bij het netwerk of de website van de fabrikant.

Controleer bij werkzaamheden onder de motorkap, of de schakelaar van de ruitenwisser in de stand uit staat.
Risico van verwonding.
Vullen
Na werkzaamheden aan het hydraulische circuit moet de remvloeistof worden vervangen door een deskundige.
Gebruik hiervoor uitsluitend door onze technische dienst goedgekeurde remvloeistof uit een verzegelde verpakking.
Interval voor het vervangen
Raadpleeg het onderhoudsboekje van uw auto.

Als het vloeistofpeil abnormaal is of herhaaldelijk daalt, raadpleeg dan een dealer.

De motor moet worden uitgeschakeld (niet op stand-by gezet) voordat er werkzaamheden in de motorruimte worden uitgevoerd. U moet het contact uitzetten
→ 165, → 167
Ruitensproeier

Stilstaande motor, open de dop 2. Vul bij tot u de vloeistof ziet en zet de dop terug.
Dit reservoir voedt de ruitensproeiers voor en achter, als de auto hiermee uitgerust is.
Opmerking: controleer regelmatig het peil van het reservoir en vul dit bij voordat u begint aan een rit.
Vloeistof: u dient alleen ruitensproei- ervloeistof met antivries te gebruiken.
Wij adviseren u een merkdealer of een gekwalificeerde vakman te raadplegen.
TOEGANG TOT DE MOTOR, NIVEAUS
Opmerking: gebruik geen hard water (risico op beschadiging van de aanzuigpomp, kalkafzetting op de pomp en de sproeiers).
Sproeiers: Raadpleeg een merkdealer om de sproeiers van de voorruit op de juiste hoogte te richten.

Controleer bij werkzaamheden onder de motorkap, of de schakelaar van de ruitenwisser in de staat.
Risico van verwonding.

De motor moet worden uitgeschakeld (niet op stand-by gezet) voordat er werkzaamheden in de motorruimte worden uitgevoerd.
U moet het contact uitzetten
→ 165, → 167

Let op bij werkzaamheden dicht bij de verbrandingsmotor; deze kan nog warm zijn. Bovendien kan de ventilateurmotor on- verwacht gaan draaien. Het waar-
schuwingslampje no motorruimte herinnert u hieraan.
Risico van verwonding.
Filters
Het vervangen van de filters (luchtfilter, interieurfilter, brandstofffilter, etc.) maakt deel uit van het onderhoudsprogramma van uw auto.
Interval voor het vervangen van de onderdelen: raadpleeg het onderhoudsboekje van uw auto.
Interieurfilter
Als uw auto niet standaard uitgerust is met een interieurfilter, is het mogelijk er een later te installeren.
Ga naar een erkende dealer.
ACCU:
Accu:

De accu 1 is onderhoudsvrij. U mag de accu niet openen of er vloeistof aan toevoegen.

De accu 1 bevat zwavelzuur; vermijd contact met ogen, huid of kleding. Bij onverhoopt con- elen met veel water, raad- dien nodig, een arts.
Houd open vuur, hete voorwerpen en vonken weg van de accu-on- derdelen (explosiegevaar).
Afhankelijk van de auto, controleert een systeem continu de capaciteit van de accu. Als deze afneemt, verschijnt het bericht "Spaarstand 12V accu" op het instrumentenpaneel, gevolgd door "Accu zwak start de motor". Start in dat geval de motor, rijd met de auto of wacht tot de melding van het instrumentenpaneel verdwijnt.
Let op: na 5 tot 30 minuten gebruik van de auto met de motor uit kan het bericht "Spaarstand 12V accu" verschijnen om de gebruiker te waarschuwen dat de energieverbruikende functies (binnenverlichting, radio, navigatie, ventilatie, accessoirevoeding enz.) automatisch kunnen worden uitgeschakeld.
De laadstatus van uw batterij kan da- len, vooral als u uw voertuig gebruikt:
- voor korte ritten;
- in een stedelijke omgeving;
- bij lage temperatuur;
- na langdurig gebruik van stroomverbruikers (radio enz.) met het contact uit.

De motor moet worden uitgeschakeld (niet op stand-by gezet) voordat er werkzaamheden in de
motorruimte worden uitgevoerd.
U moet het contact uitzetten
→ 165, → 167

Let op bij werkzaamhe- den dicht bij de motor, deze kan nog warm zijn.
Bovendien kan de venti-
lateurmotor onverwacht gaan draaien. Het waarschuwingslamp-
je n°e motorruimte herinnert u hieraan.
Risico van verwonding.
ACCU:

Het A-label bevindt zich op batterij 1 onder de beschermkap B.

text_image
A ② ③ ④ 61476 ⑦ ⑥ ⑤Label A
Houd u aan de indicaties op de accu:
- 2 open vuur en roken verboden;
- 3 oogbescherming verplicht;
- 4 houd weg van kinderen;
- 5 explosieve stoffen.
- 6 raadpleeg de handleiding;
- 7 corrosieve stoffen.

Teneinde uw veiligheid en een goede werking van de elektrische uitrustingen van de auto te
waarborgen (lampen, ruitenwisser, rembekrachtiging), moet elk onderhoud aan de accu (demontering, loskoppeling...) verplicht worden uitgevoerd door een gespecialiseerd vakman.
Kans op brandwonden door elektrische schokken.
Houd u aan de vervangingsintervallen in het onderhoudsboekje. U mag deze niet overschrijden.
De accu is van een speciaal type.
Zorg dat deze wordt vervangen door een van hetzelfde type.
Raadpleeg een merkdealer.
Omdat de 48 V-accu luchtgekoeld is, is het normaal dat de klant in bepaalde
situaties een zacht ventilatiegeluid hoort, hoewel dit niet altijd het geval is.
12V-accu

De hulpaccu van "12 V" 1 bevindt zich aan de achterzijde van de auto Hybrid: deze levert het vermogen dat nodig is om het voertuig te ontgrendelen/ver-grendelen en om de apparatuur te bedienen.
U mag de accu niet openen of er vloeistof aan toevoegen.
De laadstatus van de hulpaccu van "12 V" 1 kan minder worden, vooral als u uw auto veel gebruikt:
- bij een lage buitentemperatuur;
ACCU:
- langdurig gebruik van vermogenverbruikende functies terwijl het contact is uitgeschakeld.
- na langdurig parkeren.

Voor uw veiligheid en voor de goede werking van de elektrische apparatuur in de auto (lam-
pen, ruitenwisser, ABS, enz.), elke ingreep aan de hulpaccu van "12 V" (demontage, loskoppeling, enz.) moet worden uitgevoerd door een gekwalificeerd specialist.
Risico op brandwonden door elektrische schokken.
U moet zich verplicht houden aan de vervangingsintervallen die worden aangegeven in het onderhoudsboekje zonder deze te overschrijden.
De accu is van een speciaal type. Zorg dat deze wordt vervangen door een van hetzelfde type.
Raadpleeg een merkdealer.
Label A

text_image
A ② ③ ④ 61476 ⑦ ⑥ ⑤Houd u aan de indicaties op de accu:
- open vuur en roken verboden;
- oogbescherming is verplicht;
- op afstand van kinderen houden;
- explosieve stoffen;
- raadpleeg de handleiding;
- corrosieve stoffen.

Het is verboden om de accu van "12 V" los te koppelen.
Risico op brandwon- den door elektrische schokken.
48 V hulpaccu

Afhankelijk van het voertuig zit er een hulpaccu 1 onder de passagiersstoel voorin of onder de bestuurdersstoel in een specifiek compartiment; de accu levert de nodige energie om bepaalde apparatuur te bedienen.
De hulpaccu 1 is onderhoudsvrij. U mag de accu niet openen of er vloeistof aan toevoegen.
ACCU:

text_image
A ② ③ ④ ⑤ 61479 ⑩ ⑨ ⑧ ⑦ ⑥Label A
De sticker A zit op de accu 1:
- 2 gevaarlijke elektrische spanning;
- 3 risico van explosie;
- 4 corrosieve stoffen;
- 5 open vuur en roken verboden;
- 6 niet weggooien als afval.
- 7 recycleerbare materialen;
- 8 oogbescherming verplicht;
- 9 raadpleeg de handleiding;
- 10 houd kinderen op afstand.
Opmerking: om de prestaties en goede werking te garanderen, wordt de hulpaccu 1 tijdens het rijden volledig opgeladen, met regelmatige tussenpozen (ongeveer eens per twee maanden).
In deze situatie kan het vermogen en/ of het remmen op de motor tijdelijk wat zwakker lijken. Dit is volkomen nor- maal.

Teneinde uw veiligheid en een goede werking van de elektrische uitrustingen van de auto te
waarborgen (lampen, ruitenwisser, rembekrachtiging), moet elk onderhoud aan de accu (demontering, loskoppeling...) verplicht worden uitgevoerd door een gespecialiseerd vakman.
Risico op brandwonden door elektrische schokken.
De accu is van een speciaal type. Zorg dat deze wordt vervangen door een van hetzelfde type. Raadpleeg een merkdealer.
Omdat de 48 V-accu luchtgekoeld is, is het normaal dat de klant in bepaalde situaties een zacht ventilatiegeluid hoort, hoewel dit niet altijd het geval is.
REINIGEN
Onderhoud van de carrosserie
Een goed onderhouden auto gaat langer mee. Daarom wordt aangeraden de buitenkant van de auto regelmatig te onderhouden.
Uw auto is op doelmatige wijze tegen roestvorming beschermd. Toch staat hij bloot aan de invloed van verschillende instellingen.
Agressieve stoffen in de lucht
- luchtverontreiniging (in steden en in industriegebieden);
- zilte lucht langs de kust, vooral bij warm weer,
- wisselende klimaatinvloeden en veranderingen in de vochtigheidsgraad (wegenzout in de winter, water waarmee de weg wordt schoongespoeld enz.),
Kleine beschadigingen in het dage- lijks gebruik
Schurende stoffen
Stof in de lucht, zand, modder, opspattende steentjes, enz.
Er zijn een aantal maatregelen nodig om de hierboven genoemde gevaren te bestrijden.
Wat u moet doen
Was uw auto regelmatig, met de motor uit, met door onze technische
diensten geselecteerde shampoos (nooit met schuurmiddelen). Spoel vooraf grondig af met een straalreiniger:
- aanslag van boomhars en luchtverontreiniging;
- modder uit de wielkuipen en onder de drempelkokers die anders lange tijd het vocht kunnen vasthouden;
- uitwerpselen van vogels, deze leiden tot een chemische reactie met de lak waardoor deze snel kan ontkleuren en zelfs loslaten;
Deze vlekken moet u meteen verwijderen, want zij kunnen later niet meer door poetsen worden verwijderd;
- zout dat op de gehele auto, maar vooral in de wielkuipen en onder de bodem achterblijft.
Ontdoe de auto regelmatig van plan- tenresten (hars, bladeren enz.).
Houd rekening met lokale voorschriften inzake het wassen van een auto (bijv. niet op de openbare weg).
Kleine beschadigingen van de lak moet u snel herstellen of laten herstellen zodat roest ook daar geen kans krijgt.
Laat uw merkdealer regelmatig de carrosserie inspecteren als de auto een plaatwerkgarantie heeft. Raadpleeg het onderhoudsboekje.
Houd bij het rijden op pas geasfalteerde wegen afstand van de andere auto's om beschadiging van lak en ruiten door opspattend grind te voorkomen.
Neem bij het wassen van het voertuig met een hogedrukreiniger de volgende voorzorgsmaatregelen:
- zorg ervoor dat de lak van uw voertuig, het gebied of het onderdeel dat u wilt reinigen compatibel is met dit type wasgoed;
- de door het apparaat geleverde druk moet lager zijn dan 100 bar;
- plaats de sproeikop tijdens het wassen op minimaal 15 cm van de auto en controleer of het waterdebiet lager is dan 15 liter per minuut;
- blijf niet hetzelfde gebied, de aangetaste punten of de afdichtingen wassen (gevaar voor beschadiging van de lak, losraken van afdichtingen enz.).
Mechanische onderdelen, scharnierende delen, enz. moeten na reiniging altijd opnieuw worden beschermd met een door onze technische diensten goedgekeurd product.

Bij de merkdealer vindt u een uitgebreid gamma speciale onderhoudsproducten.
REINIGEN
Wat u niet moet doen
De auto wassen in felle zon of als het vriest.
Vuil of insectenresten wegkrabben, zonder ze eerst met water los te weken.
De auto verwaarlozen zodat vuil zich kan ophopen.
Kleine beschadigingen niet (laten) bijwerken.
Verwijder geen vlekken met oplosmiddelen die niet door onze technische dienst worden aanbevolen. De lak kan hierdoor worden aangetast.
Rij door sneeuw en modder zonder de auto te wassen, met name de wielkui-pen en de bodemplaat.

Ontvetten of reinigen met behulp van een hogedrukreiniger of sproeiproduc- ten die niet door onze technische dienst zijn goedgekeurd.
- mechanische delen (bijv. de motor-ruimte)
- wielen (bijv. remsysteemcomponenten zoals remklauwen);
– onderkant carrosserie; -
- scharnierende delen (bijv. aan de portieren)
- gelakte plastic delen aan de buitenkant (bijv. bumpers)
Hierdoor kunnen oxidatie of storingen ontstaan.

Afhankelijk van de auto zien de kunststof onderde- len aan de buitenkant
(bumpers, enz.) er door hun ont-werp gespikkeld uit.
De aanwezigheid van witte stippen op de onderdelen is normaal.
Probeer ze niet te verwijderen door ze te wassen.
Bijzonderheid van auto's met matte lak
Voor dit type lak moeten bepaalde voorzorgsmaatregelen worden genomen.
Wat u moet doen
De auto overvloedig met de hand met water wassen en daarbij een zachte doek, spons, enz. gebruiken.
Wat u niet moet doen
Producten op basis van was gebruiken (opwrijven).
Te hard wrijven.
De auto wassen in een wasstraat.
Stickers op de lak plakken (risico op achterblijvende resten).

De auto reinigen met een hogedrukreiniger.
Rijden door een wasstraat
Om uw auto te onderhouden en schade te voorkomen, adviseren wij u de volgende instructies op te volgen, evenals die van de autowasstraat:
zet de schakelaar van de ruitenwisser weer in de uit-stand → 151.
sluit alle portieren en ramen;
controleer of alle buitenuitrusting (extra koplampen, enz.) correct op de auto is gemonteerd
verwijder de antenne als die aanwezig is;
vouw de deurspiegels in (indien mogelijk);
verwijder alle accessoires (dakstan-gen, fietsendrager, enz.)
Opmerking: vergeet, afhankelijk van de auto, na het wassen niet de antenne opnieuw te monteren door deze zo ver mogelijk vast te schroeven.
REINIGEN
Reinigen van de koplampen, achterlampen, de opname-elementen en camera's.
Veeg deze schoon met een zachte doek of poetskatoen.
Als dit onvoldoende is, bevochtig deze dan met wat zeepsop en veeg deze af met een zachte doek of poetskatoen.
Veeg de ruit tenslotte voorzichtig af met een droge zachte doek.
Gebruik geen reinigingsmiddelen op alcoholbasis of gereedschap zoals ijskrabbers.
Reinigen van stickers, decoratiefolie, enz.
Wat u moet doen
Veeg deze schoon met een zachte doek of poetskatoen.
Bevochtig met zeepsop en veeg schoon met een zachte doek of poets-katoen.
Veeg de ruit tenslotte voorzichtig af met een droge zachte doek.
Wat u niet moet doen
Producten op basis van alcohol gebruiken.
Gereedschap gebruiken (bijv. schra- per).
Te hard wrijven.

Reinig het gebied met een hogedruk-reiniger.
Onderhoud van de bekleding
Een goed onderhouden auto gaat langer mee. Daarom wordt aangeraden de binnenkant van de auto regelmatig te onderhouden.
Een vlek moet altijd snel behandeld worden.
Reinig de bekleding (ongeacht het soort vlek) met koud of lauwwarm zeepsop op basis van natuurlijke zeep.
Gebruik geen detergenten (afwas-middel, producten in poedervorm, producten op alcoholbasis enz.).
Gebruik een zachte doek.
Spoel het restant af en absorbeer dit.
Multimediascherm
Onderhoud van het scherm kan afhankelijk zijn van het type multimedia-apparatuur. Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van het multimediasysteem voor meer informatie.
Ruiten van instrumenten
(bv. van het dashboard, het klokje, de buitenthermometer, het radiopaneel ...)
Veeg deze schoon met een zachte doek of poetskatoen.
Als dat onvoldoende is, gebruik dan een in zeepsop gedrenkte doek (of poetskatoen) en veeg de ruit voorzichtig na met een andere vochtige doek of poetskatoen.
Veeg de ruit tenslotte voorzichtig af met een droge zachte doek.
Gebruik geen producten met alcohol en/of spuit vloeistoffen in dit gebied.
Autogordels
Deze moeten goed schoon worden gehouden.
Gebruik producten die door de merk-dealer worden geleverd of lauw zeepsop en een spons; veeg de gordels met een doek droog.
Er mogen geen wasmiddelen of kleurstoffen worden gebruikt.
Textiel (stoelen, deurbekleding ...)
Stofzuig het textiel regelmatig.
Vloeistofvlekken
Gebruik zeepsop.
REINIGEN
Absorbeer de vlek of duw er lichtjes op (nooit wrijven) met een zachte doek. Spoel daarna het restant af en absorbeer dit.
Vlekken van vaste of halfvaste sub- stanties
Verwijder restanten van vaste of half- vaste substanties onmiddellijk met behulp van een spatel (ga daarbij van- af de randen naar het midden van de vlek om te voorkomen dat deze wordt uitgesmeerd).
Reinig zoals aangegeven voor vloeistofvlekken.
Snoep en kauwgom verwijderen
Leg een ijsblokje op de vlek om deze te laten uitharden en ga daarna te werk zoals aangegeven voor vaste vlekken.

Raadpleeg de merkdealer voor advies over het onderhoud van het interieur en/of onbevredigend resultaat.
Verwijderen/terugplaatsen van oorspronkelijk in de auto aangebrachte afneembare uitrusting.
Als u afneembare uitrusting (bijv. mat- ten) verwijdert om het interieur te reinigen, moet u altijd zorgen dat u ze cor-
rect en aan de goede kant terugplaatst (leg de bestuurdersmat aan de kant van de bestuurder enz.) en dat u ze vastzet met de elementen die bij de uitrusting zijn geleverd (zet de bestuurdersmat vast met de daarvoor bestemde klemmen).
Controleer altijd, terwijl de auto nog stilstaat, of niets de besturing hindert (obstakel onder de pedalen, een hak die achter de mat blijft hangen, enzovoort).
Wat u niet moet doen
Plaats geen voorwerpen zoals deodorant, parfum, enz. bij de ventilatieroosters; deze kunnen de bekleding van het dashboard aantasten.

Gebruik van een hogedrukreiniger of sproeiproducten in het interieur van de auto:
- als geen bijzondere voorzorgsmaatregelen worden genomen, bestaat het gevaar dat elektrische en elektronische componenten in de auto defect raken.
BANDEN
Banden
Veiligheid van de banden – wielen
De banden vormen de enige verbinding tussen de auto en het wegdek, het is daarom van het grootste belang dat zij in goede staat verkeren. Houd u strikt aan de wettelijke voorschriften op dit gebied.


Voor uw veiligheid en voor naleving van de geldende wetgeving.
Als de banden vervangen moeten worden, mag dit alleen gebeuren door even grote banden van hetzelfde merk, met dezelfde eigenschappen en met hetzelfde profiel.
Ze moeten: ten minste hetzelfde laadvermogen en dezelfde maximumsnelheid als de oorspronkelijke banden hebben, ofwel voldoen aan de door de merkdealer gestelde eisen.
Als u deze instructies niet opvolgt, kunt u uw veiligheid in gevaar brengen en is uw auto mogelijk niet conform de voorschriften.
Risico op verlies van de contro- le over de auto.
Onderhoud van de banden

De banden moeten in goede staat verkeren en voldoende profiel hebben; de merken die door onze technische dienst zijn goedgekeurd, zijn voorzien van slijtagecontrolestiften 1, die op regelmatige afstanden over de omtrek van het loopvlak zijn verdeeld.
Als het loopvlak van een band tot aan deze stiften is weggesleten, worden de stiften zichtbaar 2 : het is dan nodig om deze band te vervangen omdat er dan nog slechts 1,6 mm profiel overblijft waardoor de band op een natte weg onvoldoende grip heeft.
Ook door overbelasting, door het langdurig snel rijden bij hoge buitentempe-
BANDEN
raturen en door het regelmatig rijden op slechte wegen, kunnen de banden worden beschadigd, waardoor de veiligheid in gevaar komt.

Door bestuurdersfouten, zoals "rijden tegen een stoeprand", kunnen de banden en de velgen be-
schadigen, en de voorwielen of achterwielen ontregelen. Laat in dat geval hun staat door een merkdealer controleren.
Bandenspanning
Houd u aan de bandenspanning (inclusief die van het reservewiel). Houd u aan de bandenspanningen, controleer deze minstens eenmaal per maand en vóór elke lange rit (raadpleeg de sticker op de zijkant van het bestuurdersportier → 355).

Te lage bandenspanning leidt tot vroegtijdige slijtage en abnormaal hete banden. Dit zijn fac-
toren die de veiligheid ernstig kunnen beïnvloeden en kunnen leiden tot:
- slechte wegligging; - het risico van een klapband of het loslaten van het loopvlak.
De bandenspanning is afhankelijk van de belading en de snelheid van de auto. Pas de druk aan de gebruiksomstandigheden → 355 aan.
Bandenspanning dient bij koude banden te worden gecontroleerd. Houd geen rekening met een hogere waarde bij warm weer of na rijden op een hoge snelheid.
Indien u de bandenspanning niet bij koude banden kunt controleren, moet u de opgegeven waarden met 0,2 tot 0,3 bar verhogen.
Verlaag nooit de spanning van een warme band.
Bijzonderheid
Afhankelijk van de auto, heeft deze een adapter die u op het ventiel moet plaatsen voordat u de band oppompt.

Uw auto heeft grote wielen.
Deze zijn extra gevoelig
voor onbalans. Raadpleeg
in geval van trillingen tijdens het rijden uw merkdealer.

Let op, als een ventiel- dopje ontbreekt of niet goed vastgezet is, kan er lucht uit de banden ont-
snappen en de bandenspanning afnemen.
Zorg altijd dat de ventieldopjes gelijk zijn aan de originele en dat ze helemaal vastgezet zijn.
BANDEN

Auto met waarschuwing bij verlies van banden-spanning
Bij een te lage bandenspanning (lekken, lekke band enz.) verschijnt het waarschuwingslampje

op het instrumentenpaneel
→ 200.
Reservewiel
→ 362 → 364.

VERWISSELEN VAN EEN WIEL
Het kan enkele minuten duren, afhankelijk van de
rijstijl, voordat het controlesysteem van de bandenspanning de nieuwe plaats van de wielen en de spanning heeft verwerkt, controleer de bandenspanning na elke ingreep.
Vervangen van de banden

Voor uw veiligheid en voor naleving van de geldende wetgeving.
Als de banden vervan-
gen moeten worden, mag dit alleen gebeuren door even grote banden van hetzelfde merk, met dezelfde eigenschappen en met hetzelfde profiel.
Ze moeten ofwel ten minste hetzelfde laadvermogen en dezelfde maximumsnelheid hebben als de oorspronkelijke banden, ofwel zijn geadviseerd door een merkdealer.
Als u deze instructies niet opvolgt, kunt u uw veiligheid in gevaar brengen en is uw auto mogelijk niet conform de voorschriften.
Risico op verlies van de contro- le over de auto.
Verwisselen van de wielen

flowchart
graph TD
A["Rectangle Block 1"] --> B["Rectangle Block 2"]
C["Rectangle Block 3"] --> D["Rectangle Block 4"]
E["Upward Arrow"] --> A
F["Upward Arrow"] --> C
G["Upward Arrow"] --> D
62284
Uitvoering 4x4
Het is raadzaam om de wielen regel- matig te wisselen voor een gelijkmati- ge slijtage van de banden.
Wissel de wielen om zoals aangegeven op bovenstaande tekening. Zie het onderhoudsdocument van uw auto voor informatie over onderhoudsintervallen.
Uitvoering 4x2
Dit wordt afgeraden.
De banden in de winter
Sneeuwkettingen
Sneeuwkettingen mogen uitsluitend rond de voorwielen worden gelegd.
BANDEN
Plaats sneeuwkettingen uitsluitend op de voorwielen.
Als een te grote bandenmaat is ge- mon- teerd, kunnen er geen sneeuw- kettingen worden gemonteerd.

Het gebruik van sneeuwkettingen is alleen mogelijk in combinatie met banden die even groot
zijn als de oorspronkelijk op uw auto gemonteerde banden.

18" wielen zijn niet geschikt voor sneeuwkettingen. Als u kettingen
wilt gebruiken, moet u
specifieke apparatuur gebruiken: raadpleeg een merkdealer.
Winterbanden
Voor een optimale grip van uw auto raden wij u aan deze banden op alle vier wielen te monteren.
Voorzichtig: deze banden hebben soms een pijl met de draairichting en een indicatie van de maximum snelheid die lager kan liggen dan de topsnelheid voor uw auto.
Spijkerbanden
Het gebruik van spijkerbanden is slechts onder bepaalde omstandigheden toegestaan.
Houd u aan de ter plaatse geldende voorschriften, en rijd niet sneller dan de daarmee toegelaten maximumsnelheid.
Deze banden moeten ten minste op beide wielen van de vooras of, afhankelijk van het land, op alle wielen van het voertuig worden gemonteerd.

Wij raden u in ieder geval aan een merkdealer te raadplegen. Hij weet als
geen ander welke voorzieningen het beste bij uw auto passen.
Uw bandenspanning
Label A

text_image
62027 AOpen het bestuurdersportier om het te lezen.
De bandenspanning dient bij koude banden te worden gecontroleerd.
Indien u de bandenspanning niet bij koude banden kunt controleren, moet u de opgegeven waarden met 0,2 tot 0,3 bar (of 3 PSI) verhogen. Verlaag nooit de spanning van een warme band.
De bandenspanning moet afgestemd zijn op het huidige gebruik van de auto (onbelast, belast, rijden op de autosnelweg...). Let op de bandenspanning (inclusief die van het reservewiel).
Praktische tips - 355
BANDEN
Controleer minstens één keer per maand en voor een grote reis de bandenspanning.
Afhankelijk van de auto elke keer dat de banden worden opgepompt of de bandenspanning wordt gecorrigeerd, moet u de referentiewaarde → 200 voor de bandenspanning resetten.

Auto met waarschuwing bij verlies van banden-spanning
Bij een te lage bandenspanning (lekken, lekke band enz.) verschijnt het waarschuwingslampje

op het instrumentenpaneel
→ 200.

text_image
A B C D E C D E G O F 62264De aanwezigheid en de plaats van de informatie op de sticker zijn afhankelijk van de auto.
B: bandenmaat van de auto.
C: voorziene rijsnelheid.
D: bandenspanning voor.
E: bandenspanning achter.
F: bandenspanning van het reserve-wiel.
G: bandenmaat van het reservewiel.

Auto's gebruikt bij maximale belasting (maximaal toegelaten totaalmassa) en met
een aanhangwagen:
- De maximumsnelheid is 100 km/uur en de bandenspanning moet worden verhoogd met 0,2 bar → 403
Kans op klapband.
Veiligheid van de banden en kettingmontage: voor informatie over het onderhoud en, afhankelijk van de uitvoering van de auto, het gebruik van sneeuwkettingen → 352.
BANDEN

Voor uw veiligheid en voor naleving van de geldende wetgeving.
Als de banden vervan-
gen moeten worden, mag dit alleen gebeuren door even grote banden van hetzelfde merk, met dezelfde eigenschappen en met hetzelfde profiel.
Ze moeten: ten minste hetzelfde laadvermogen en dezelfde maximumsnelheid als de oorspronkelijke banden hebben, ofwel voldoen aan de door de merkdealer gestelde eisen.
Als u deze instructies niet opvolgt, kunt u uw veiligheid in gevaar brengen en is uw auto mogelijk niet conform de voorschriften.
Risico op verlies van controle over de auto.
Pompset voor de banden

De set is uitsluitend bestemd en goedgekeurd voor het oppompen van banden van een auto die
met deze set uitgerust is.
In geen geval mag de set gebruikt worden voor het oppompen van banden van een andere auto of enig ander oppompbaar voorwerp (zwemband, boot, enz.).
Voorkom dat de huid in contact komt met de vloeistof tijdens de reparatiehandelingen. Als toch druppeltjes ontsnappen, moet u deze overvloedig afspoelen.
Houd de reparatieset uit de buurt van kinderen.
Gooi het lege reservoir niet in de natuur. Lever het in bij uw merk-dealer of bij een depot voor klein chemisch afval.
Het reservoir heeft een beperkte houdbaarheid die is aangegeven op zijn etiket. Controleer de houdbaarheidsdatum.
Ga bij een merkdealer langs om de pompslang en het reservoir met het reparatieproduct te laten vervangen.
BANDEN

De set repareert banden waarvan het loopvlak A beschadigd is door een voorwerp van minder dan 4 mm. Niet alle soorten lekkage kunnen worden gerepareerd; bijv. scheuren groter dan 4 mm, scheuren aan de zijkant van de band B, enz.
Controleer ook of de velg in goe- de staat is.
Verwijder niet het voorwerp dat de oorzaak is van de lekkage als dit nog in de band zit.

Gebruik de pompset niet als de band beschadigd is door het rijden met een lekke band.
Controleer dus zorgvuldig de zijkant van de banden voor het repareren.
Bovendien kan het rijden met zachte of zelfs platte (of lekke) banden de veiligheid in gevaar brengen en de band onbruikbaar maken.
Deze reparatie is tijdelijk.
Een lekke band moet altijd zo snel mogelijk worden onderzocht (en indien mogelijk gerepareerd) door een deskundige.
Voor het vervangen van een band die met behulp van deze set gerepareerd is, moet u de specialist op de hoogte brengen.
Tijdens het rijden kan een trilling gevoeld worden door de aanwezigheid van het product in de band.

Afhankelijk van de auto gebruikt u bij een lekke band de set C in de bagageruimte.

Auto met waarschuwing bij verlies van banden- spanning
Bij een te lage bandenspanning (lekken, lekke band enz.) verschijnt het waarschuwingslampje

op het instrumentenpaneel
→ 200.
BANDEN
62281

Met draaiende motor en handrem aangetrokken:
- ontkoppel alle accessoires die zijn aangesloten op de accessoireaansluitingen van het voertuig;
- ontkoppel bij voertuigen met een trekhaak indien nodig de trekhaakstekker;
- raadpleeg de info op de pompset-compressor in de bagageruimte van de auto en volg de gebruiksinstructies;
- pomp de band op tot de aanbevolen spanning → 355;
- stop na maximaal 15 minuten met pompen om de spanning af te lezen (op de manometer 2).
Opmerking: terwijl de container leegloopt (ongeveer 30 seconden),
geeft de manometer 2 kort een druk aan van max. 6 bar; daarna zakt de druk.
- spanning aanpassen: ga voor meer spanning door met oppompen. Verlaag de spanning door te drukken op de knop 1.
Indien de voorgeschreven waarde van 1,8 bar na 15 minuten niet is bereikt, is de reparatie niet mogelijk. Rijd niet met de auto. Ga naar een merkdealer.

Voordat u de set gebruikt zet u de auto aan de kant van de weg, ver ge-noeg van het verkeer,
schakelt u de alarmknipperlichten in, zet u de parkeerrem los, laat u alle inzittenden uit de auto stappen en zorgt u dat deze zich op veilige afstand van het verkeer bevinden.

Als u de auto stilzet in de berm van de weg, moet u de andere weggebruikers waarschuwen door
middel van de gevarendriehoek of op een andere wijze, volgens de regels van het land waar u bent.
Als de band correct is opgepompt, verwijdert u de set: schroef de pompaansluiting los van de fles om spatten te voorkomen, en bewaar de fles in een plastic verpakking om te voorkomen dat het product gaat lekken.
- Plak het etiket met de rijvoorschriften (onderaan op de fles) op een voor de bestuurder zichtbare plaats op het dashboard.
- Na het oppompen ontsnapt er nog steeds lucht uit de band. Rijd een kort stukje om het gat af te dichten.
- Berg de set op.
- Start onmiddellijk en rijd met een snelheid van 20 tot 60 km/h om het product gelijkmatig in de band te verdelen. Stop na 3 km en controleer de druk.
- Als de spanning hoger is dan 1,3 bar maar lager dan de voorgeschreven spanning (raadpleeg de sticker op de rand van het bestuurdersportier), corri-geer deze dan. Neem anders contact
BANDEN
op met een merkdealer: de band kan niet worden gerepareerd.
Voorzorgsmaatregel bij het gebruik van de set
De set mag niet langer dan 15 minuten aaneengesloten gebruikt worden;

In de voetenruimte van de bestuurder mogen geen objecten aanwezig zijn; bij plotseling rem-
men kunnen deze onder de pedalen terechtkomen en het gebruik ervan hinderen.
De fles moet na het eerste gebruik worden vervangen, ook al zit er nog vloeistof in.

Let op, als een ventiel- dopje ontbreekt of niet goed vastgezet is, kan er lucht uit de banden ont-
snappen en de bandenspanning afnemen.
Zorg altijd dat de ventieldopjes gelijk zijn aan de originele en dat ze helemaal vastgezet zijn.

Na een reparatie met behulp van de set, mag u niet verder dan 200 km rijden.
Verminder bovendien uw snelheid en rijd in elk geval niet sneller dan 80 km/u.
Het etiket dat u op een zichtbare plaats op het dashboard moet plakken, herinnert u hieraan.
Afhankelijk van het land of de plaatselijke voorschriften, moet een met de pompset gerepareerde band worden vervangen.
De gereedschappen

text_image
70498 ① ② ③De aanwezigheid van de gereedschappen in de gereedschapset is afhankelijk van de auto.
Afhankelijk van de auto, vindt u de gereedschapset op de volgende plaatsen:
- open de achterklep;
- til, afhankelijk van de auto, de losse bodemplaat op en/of de mat van de bagageruimte.
BANDEN

text_image
70496 A B 1 70492Wielmoersleutel 1
Hiermee kunt u de wielbouten en het sleepoog 3 vergrendelen of ontgrendelen.

text_image
70491 ③ CSleepoog 3 → 367.
Gereedschapssets A, B en C bevinden zich naast het reservewiel of bevinden zich in de opbergvakken aan de zijkant van de bagageruimte.

text_image
70444 ④ ⑤ D ②Krik 2
Om de krik te gebruiken, draait u, afhankelijk van de auto, de moer 4 aan het uiteinde van de stang 5 los en draait u deze naar boven (beweging D). Voordat u de krik weer terug plaatst, brengt u hem weer in de oorspronkelijke stand (plaats ook de wielmoersleutel weer terug).
Draai de moer 4 vast om de krik vast te zetten.
BANDEN

Voor uw veiligheid is het niet strikt verboden om een krik te gebruiken die niet door de fabrikant is aanbevolen.
De krik is specifiek voor het voertuig en wordt gebruikt om de wielen te verwisselen.
Het mag in geen geval worden gebruikt:
— op een ander voertuig;
- om een andere reparatie uit te voeren;
- om toegang te krijgen tot de onderkant van het voertuig.
Verwondingsgevaar Risico van beschadiging van de auto.

Laat nooit gereedschap in de auto rondslingeren. Dit is gevaarlijk als u plotseling moet remmen.
Plaats na gebruik de gereedschappen weer goed in hun steun en berg deze correct op in de houder om de kans op letsel te verkleinen.
In geval van een lekke band
Afhankelijk van het model bevat de auto:
- een bandenpompset → 357;
- een reservewiel of zelfherstellende banden.

Auto met waarschuwing bij verlies van banden-spanning
Bij een te lage bandenspanning (lekken, lekke band enz.) verschijnt het waarschuwingslampje

op het instrumentenpaneel
→ 200

- Laat het reservewiel regelmatig door uw dealer controlleren. Na verloop van tijd kan het door veroudering onbruikbaar worden.
Auto met een reservewiel dat afwijkt van de andere vier wie- len:
- Monteer nooit meer dan één re- servewiel op een auto.
- Vervang zo snel mogelijk het reservewiel door een wiel dat identiek is aan het originele wiel.
- Bij tijdelijk gebruik van dit reservewiel, mag de rijsnelheid niet hoger zijn dan de snelheid die op de sticker op het wiel aangegeven staat.
- De montage van dit wiel kan het rijgedrag van uw auto veranderen. Voorkom snel optrekken en krachtig remmen en verminder uw snelheid in bochten.
- Als u sneeuwkettingen moet gebruiken, monteer dan het reservewiel op de achteras en controleer de bandenspanning.
BANDEN

Als u de auto stilzet in de berm van de weg, moet u de andere weggebruikers waarschuwen door middel van de gevarendriehoek of op een andere wijze, volgens de regels van het land waar u bent.
Voertuigen met verbrandingsmotor 4x2 versie

text_image
① ② A 70493Opmerking: Belast bij afwezigheid van een reservewiel of een oppompset de banden de bodem van de bagageruimte niet. Afhankelijk van de auto, ligt de gereedschapset in de tray A onder de mat van de bagageruimte.
Voor meer informatie → 360.

text_image
1 3 4 A 70494
text_image
① ⑤ ⑥ A 70495Emergency spare wheel 3 of, afhan- kelijk van de auto, 5
Om erbij te kunnen komen:
– open de achterklep;
- til, afhankelijk van de auto, de losse bodemplaat op en de mat van de bagageruimte 1;
- afhankelijk van de auto, verwijdert u de gereedsschapsset 2;
- Draai de centrale bevestiging4 of 6 linksom los.
- Verwijder het reservewieß of 5.
Opmerking: plaats, afhankelijk van de auto, het lekke wiel niet in de reserve-wielhouder. Plaats het lekke wiel in de bagageruimte.
Voertuigen met verbrandingsmotor 4x4 versie

text_image
7 8 9 70490Reservewiel 8
Praktische tips - 363
BANDEN
Om erbij te kunnen komen:
- open de achterklep;
- til, afhankelijk van de auto, de mobiele bodemplaat en de mat van de bagageruimte 7 op;
- draai de centrale bevestiging9 linksom los;
- maak het reservewiel ^8 vrij.
Hybrid versie

text_image
70499 10 11 12Reservewiel 11
Om erbij te kunnen komen:
- open de achterklep;
- til, afhankelijk van de auto, de mobiele bodemplaat en de mat van de bagageruimte 10 op;
- draai de centrale bevestiging12 linksom los;
- maak het reservewie11 vrij.
Opmerking: Belast bij afwezigheid van een reservewiel of een oppompset de banden de bodem van de bagageruimte niet. Afhankelijk van de auto, bevindt de gereedschapset zich in de opbergvakken aan de zijkant van de bagageruimte
Voor meer informatie → 360.

Als u de auto stilzet in de berm van de weg, moet u de andere weggebrui-
kers waarschuwen door middel van de gevarendriehoek of op een andere wijze, volgens de regels van het land waar u bent.
VERWISSELEN VAN EEN
WIEL

Zet de auto stil op een horizontale, stroeve en
stevige ondergrond op veilige af- stand van het verkeer.
Zet de parkeerrem vast en schakel een versnelling in (eerste of achteruit, of P bij een automatische transmissie).
Laat alle inzittenden uit de auto stappen en houd ze op een veilige afstand van het verkeer.
Auto met krik en wielmoersleutel
Verwijder de wieldop (indien van toe-passing).
Ontgrendel de wielbouten met behulp van de wielmoersleutel 1.
Plaats de sleutel zo dat u deze naar beneden moet drukken.
Plaats de krik 2 horizontaal.
De kop van de krik moet in lijn liggen met de dorpel die het dichtst bij het betreffende wiel zit, zoals aangeduid met de pijl 3.

Als u de auto stilzet in de berm van de weg, moet u de andere weggebruikers waarschuwen door
middel van de gevarendriehoek of op een andere wijze, volgens de regels van het land waar u bent.
Start het krikken handmatig, met de steunplaat van de krik 4 in de iets ingesprongen gleuf onder de auto, tussen de twee inkepingen 5 en in de richting van de pijl 3;
Ga door met vastzetten om de onderkant van de krik goed neer te zetten (hij moet verticaal onder de auto staan en in één lijn staan met de kop van de krik ).
Draai de zwengel een paar slagen zo- dat het wiel vrijkomt van de grond.
Draai de wielbouten geheel los en neem het wiel van de naaf.
Plaats het reservewiel op de naaf en draai het wiel rond tot de gaten voor de wielbouten samenvallen met die van de naaf.
Controleer of het wiel goed tegen de naaf is gedrukt.
Laat de krik zakken.
Als het wiel op de grond rust, zet u de bouten goed vast, en moet u het vastzetten en de bandenspanning van het reservewiel zo snel mogelijk laten controleren.

Als u merkt dat een band lek is moet u direct stoppen en het reservewiel monteren.
Een lekke band moet zo snel mogelijk worden gerepareerd en vóór terugplaatsing door een deskundige worden onderzocht.

Auto met waarschuwing bij verlies van banden-spanning
Bij een te lage bandenspanning (lekken, lekke band enz.) verschijnt het waarschuwingslampje

op het instrumentenpaneel
→ 200.
BANDEN

Laat nooit gereedschap in de auto rondslingeren. Dit is gevaarlijk als u plotseling moet remmen.
Plaats na gebruik de gereedschappen weer goed in hun steun en berg deze correct op in de houder om de kans op letsel te verkleinen.

Voor uw veiligheid is het niet strikt verboden om een krik te gebruiken die niet door de fabrikant is
aanbevolen.
De krik is specifiek voor het voertuig en wordt gebruikt om de wie- len te verwisselen.
Het mag in geen geval worden gebruikt:
- op een ander voertuig;
- om een andere reparatie uit te voeren;
- om toegang te krijgen tot de onderkant van het voertuig.
Verwondingsgevaar
Risico van beschadiging van de auto.
PECHHULP
Slepen: pech
pechhulp
Zet vóór het slepen de hendel in de neutraalstand (stand N bij auto's met een automatische transmissie) en wacht ongeveer één minuut (bij de Hybrid versie); ontgrendel daarna de stuurkolom en zet de parkeerrem los. Voor auto's met een automatische transmissie moet u een beroep doen op een merkdealer als u de versnelingshendel niet in stand N kunt zetten.
Stuurkolomontgrendeling
Steek de sleutel in het contact en zet deze in stand "Aan" of druk, afhankelijk van de auto, met de kaart in het interieur, circa twee seconden op de startknop zonder op het rempedaal → 165 → 167 te drukken.
Zet de hendel terug in neutraal (stand N voor een auto met automatische transmissie).
De stuurkolom ontgrendelt en de accessoires ontvangen voeding; u kunt de verlichting gebruiken (richtingaanwijzers, remlichten enz.). In het donker moet de auto verlicht zijn. Afhankelijk van de auto "+APC permanent geactiveerd" op het instrumentenpaneel.
Als de bestuurdersgordel is vastge- maakt, maakt u deze los.
Open het bestuurdersportier.
Zet de parkeerrem vrij terwijl u het rempedaal intrapt → 181. Het waar-
schuwingslampje (P) wijnt van het instrumentenpaneel of, afhankelijk van de auto, het bericht "Parkeerrem los" wordt op het instrumentenpaneel weergegeven).
Sluit het bestuurdersportier en vergrendel de auto niet (afhankelijk van de auto moet de modus "+APC permanent geactiveerd" geactiveerd blijven); Wacht bij de Hybrid-versie ongeveer één minuut vóór slepen.
Afhankelijk van de auto, drukt u het slepen is voltooid gedurende meer dan twee seconden op de motorstartknop, zonder op het rempedaal te trappen (risico op ontlading van de accu). Het bericht "+APC permanent geactiveerd" verdwijnt van het instrumentenpaneel.
Houd u altijd aan de wettelijke bepalingen inzake het slepen.
Als u de sleepauto bestuurt, let dan op het toegestane maximumsleepgewicht voor uw auto→ 403 → 403.

- Gebruik een starre sleepstang. Indien u een touw of kabel gebruikt bij het slepen (als dit wettelijk toege- staan is), moet de auto die ge- sleept wordt nog kunnen remmen.
- een auto die gesleept wordt, moet te allen tijde bestuurbaar zijn.
- Accelereer en rem gelijkmatig en zonder schokken om te voorkomen dat de auto beschadigt.
- In elk geval is een maximale snelheid van 25 km/u raadzaam.
- Duw de auto niet aan als de stuurkolom is vergrendeld.
Sleepoog voor en achter
Deze sleeppunten mogen alleen gebruikt worden om de auto mee te slepen en in geen geval om de auto direct of indirect aan op te hijsen.
PECHHULP
Sleeppunt voor 2

text_image
70575 ① ② A ③Om toegang te krijgen tot het sleeppunt 2, maakt u de voorklep 1 los door een platte schroevendraaier of iets dergelijks in de uitsparing A onder de kap te steken.
Zet de sleephaak 3 helemaal vast: eerst zo ver mogelijk met de hand en vervolgens met de wielsleutel tot hij vergrendelt.
Gebruik alleen de sleepring 3 en de wielmoersleutel → 360.

Zorg ervoor dat het sleepoog correct is vast- geschroefd.
Risico om het gesleepte object te verliezen.
Sleepunt achter 5

text_image
71325 ③ B ④ ⑤Om toegang te krijgen tot het sleeppunt 5, maakt u de achterklep 4 los door een platte schroevendraaier of iets dergelijks in de uitsparing B onder de kap te steken.
Zet de sleephaak 3 helemaal vast: eerst zo ver mogelijk met de hand en vervolgens met de wielsleutel tot hij vergrendelt.
Gebruik alleen de sleepring 3 en de wielmoersleutel → 360.
De voorklep 1 of de achterklep 4 weer in elkaar zetten
Maak na gebruik het sleepoog 3 los en druk op het afdekkapje om dit te vergrendelen.

Bij stilstaande motor werken de stuur- en rembekrachtiging niet meer.

Laat nooit gereedschap in de auto rondslingeren. Dit is gevaarlijk als u plotseling moet remmen.
PECHHULP
Afslepen van een auto met vierwielaandrijving (4x4)

text_image
62974
U mag de auto met 4-wiel-aandrijving, ongeacht de gekozen werking, nooit slepen als een van deze 4 wielen de grond raakt (behalve bij pech in het terrein).
Verwijder de sleutel niet uit het contactslot of laat de kaart tijdens het slepen niet in het voertuig (afhankelijk van het voertuig).
Risico van blokkeren van de stuurkolom.

text_image
62975Pech in het terrein
Als uw auto vastzit in zand, sneeuw of modder, bevestig dan een flexibele trekinrichting (sleepriem of ander speciaal voor dit doel ontworpen apparaat) aan het voorste of achterste sleeppunt.

Montage moet gebeuren volgens de montagevoorschriften van de fabrikant. Als het vastloopt, kan de 4x4-auto alleen over korte afstanden worden gesleept. Risico van mechanische schade.

In geval van pech in terrein is het verboden een starre sleepstang te gebruiken om een vastzittende auto te slepen. Risico van mechanische schade.
Slepen van een auto met een automatische transmissie
Vervoer de auto op een plateau of sleep hem met beide voorwielen van de grond.
In uitzonderlijke omstandigheden en met uitzondering van Hybrid auto's, kunt u de auto met alle vier de wielen op de grond slepen, alleen vooruit, met de versnellingsbak in neutrale stand N over een maximale afstand van 80 km en niet sneller dan 25 km/u.
PECHHULP
Opmerking: neem als u de versnel- lingshendel niet in stand N kunt zetten contact op met een merkdealer.

Berg de gereedschappen op hun oorspronkelijke plaatsen in de bagageruimte op.
Laat nooit gereedschap in de auto rondslingeren. Dit is gevaarlijk als u plotseling moet remmen.
Accu: pechhulp
Om vonkvorming te voorkomen:
- Controleer of alle stroomverbruikers (binnenlichten enz.) zijn uitgeschakeld voordat u de accuklemmen losmaakt of aansluit.
- schakel de acculader uit voordat u deze aansluit op of losmaakt van de accu;
- plaats geen metalen voorwerpen op de accu; dit kan kortsluiting veroorza-ken tussen de accupolen.
- wacht minstens één minuut na het afzetten van de motor voordat u de accukabels losmaakt.
- sluit de accukabels weer aan nadat u alles terug hebt geplaatst.

Voordat u iets doet onder de motorkap, moet u het contact afzetten → 165 of → 167.
Aansluiting van een acculader
De lader moet compatible zijn met een accu met nominale spanning van 12 volt.
Ontkoppel de accu niet wanneer de motor draait. Houd u aan de voorschriften van de fabrikant van de acculader.

Voor sommige accu's gelden bijzonder laadvoorschriften. Ga naar uw merkdealer.
Voorkom elk risico op een vonk die onmiddellijk een explosie tot gevolg zou kunnen hebben. Zorg dat het opladen in een goed ge-ventileerde ruimte plaatsvindt.
Gevaar van ernstige verwon- dingen.

De accu bevat zwavelzuur. Vermijd daarom contact met de ogen, de huid of kleding. Bij on-
verhoopt contact spoelen met veel water. Indien nodig een arts raadplegen.
Houd open vuur, hete voorwerpen en vonken weg van de accu-on- derdelen (explosiegevaar).
Let op bij werkzaamheden dicht bij de motor, deze kan nog warm zijn. Bovendien kan de ventilateurmotor onverwacht gaan draaien. Het waarschuwingslampje

in de motorruimte herinnert van.
Verwondingsgevaar
Starten met starchulpkabels
Als u voor het starten van uw auto de accu van een andere auto moet gebruiken, koop dan startkabels (met groot oppervlak) bij een merkdealer of controleer, als u reeds startkabels heeft, of deze in goede staat verkeren.
Beide accu's moeten dezelfde spanning hebben: 12 volt. De hulpaccu
PECHHULP
moet minstens de capaciteit (ampère- uur, Ah) hebben van de ontladen accu.
Let erop dat de auto's elkaar niet raken (kortsluitingsgevaar als u de pluspolen met elkaar verbindt) en dat de ontladen accu goed aangesloten is. Zet het contact af van uw auto.
Start de motor van de hulpauto en laat deze met een middelmatig toerental draaien.
Opmerking: bij de Hybrid versie is de accu niet rechtstreeks toegankelijk; u moet de externe aansluitingen in de motorruimte gebruiken.

Gebruik uw elektrische Hy- brid voertuig niet om de
"12V"-accu van een andere
auto op te laden. Het elektrische vermogen in de 12V-hulpbatterij van een Hybrid voertuig is hier- voor ontoereikend.
Risico van beschadiging van de auto.

De accu bevat zwavelzuur. Vermijd daarom contact met de ogen, de huid of kleding. Bij on-
verhoopt contact spoelen met veel water. Indien nodig een arts raadplegen.
Houd open vuur, hete voorwerpen en vonken weg van de accu-on- derdelen (explosiegevaar).
Let op bij werkzaamheden dicht bij de motor, deze kan nog warm zijn. Bovendien kan de ventilateurmotor onverwacht gaan draaien. Het waarschuwingslampje

in de motorruimte herinnert aan.
Verwondingsgevaar
"12 V" accu in de motorruimte

text_image
71326 ① + A ② ③ ④ ⑤(versie met verbrandingsmotor)
Sluit de positieve kabel (+) A aan op de aansluiting (+) 1 van de ontladen accu en daarna op de aansluiting (+) 2 van de hulpaccu.
Sluit de negatieve kabel (-) B aan op de aansluiting (-) 3 van de hulpaccu en daarna op de aansluiting (-) 4 van de ontladen accu.
Start de motor op de normale wijze. Zodra deze start, koppelt u de kabels A en B in de omgekeerde volgorde los (4 - 3 - 2 - 1).
PECHHULP

Zorg ervoor dat er geen contact is tussen kabels A en B en dat positieve kabel A niet in contact komt met een metalen onderdeel in het voertuig dat de stroom levert.
Risico van ernstig letsel en/of beschadiging van de auto.

Afhankelijk van de auto is bij een accustoring (losge-koppelde of lege accu, enz.) een reset van de stuurbe- krachtiging vereist → 141.
De "12V"-accu aan de achterzijde van het voertuig

De accu is niet direct toegankelijk.
Gebruik de aansluiting 5 (+) en de aansluiting 6 (-) in de motorruimte.
Opmerking: open het deksel 7 van de aansluiting 5 (+) door op de knop 8 te drukken.

Het is verboden om de positieve kabel in de motorruimte los te koppe- len.
Risico van onbedoeld starten van de motor.
Risico van brandwonden door rondschietende vonken.
PECHHULP

text_image
71327 ⑤ ⑥ C D ⑩ ⑨Sluit de positieve kabel D aan op de aansluiting 5 (+) en daarna op de aansluiting 9 (+) van de accu die de stroom levert.
Sluit de negatieve kabel C aan op de aansluiting 10 (-) van de hulpaccu en daarna op de aansluiting 6 (-).
Trap het rempedaal en de startknop in. Zodra de motor is gestart, koppelt u de kabels C en D in de omgekeerde volgorde los (6 - 10 - 9 - 5).
Controleer na elke handeling van het afdekkapje 7, of het lipje 8 op het aansluitblok zit.

Zorg ervoor dat er geen contact is tussen kabels C en D en dat de positieve kabel D niet in con-
tact komt met een metalen onder- deel in het voertuig dat de stroom levert.
Risico van letsel en/of beschadiging van de auto.
KOPLAMPEN, LAMPEN: VERVANGEN VAN EEN LAMP
Verlichting buitenkant: vervangen van lampen
Koplampen: de lampen vervangen

text_image
70545 ① ③ ④ ⑤Grootlicht 1
(afhankelijk van de auto)

Maak het afdekplaatje A los.

Maak de stekker 2 los, verwijder het geheel uit de houder en neem de lamp eruit.
Lamptype:H7.
Noteer voordat u de lamp vervangt de positie ervan in de behuizing. Controleer na het vervangen of de vervangende lamp zich in exact dezelfde positie in de behuizing bevindt. Klem het kapje vast.
Dimlicht 3 (LED)
(afhankelijk van de auto)
Raadpleeg voor de exacte gegevens de merkdealer.
Dagrijverlichting/markeringslicht 4 (LED)
(afhankelijk van de auto)
Raadpleeg voor de exacte gegevens de merkdealer.
Richtingaanwijzer 5 (LED)
(afhankelijk van de auto)
Raadpleeg voor de exacte gegevens de merkdealer.
KOPLAMPEN, LAMPEN: VERVANGEN VAN EEN LAMP

Let op bij werkzaamheden dicht bij de motor, deze kan nog warm zijn. Bovendien kan de venti-
lateurmotor onverwacht gaan draaien. Het waarschuwingslamp-
je 10 de motorruimte herinnert u hieraan. Risico van verwonding.
Achterlichten: vervangen van een lamp
Richtingaanwijzers, rem- en marke- ringslichten

Open de achterklep en verwijder de kap A.

Draai de moer 1 los en verwijder de lichtunit 2 van de buitenkant.

text_image
62892 ② ③Maak de aansluiting 3 en de klemmetjes 4 los om de lamphouder 5 te verwijderen.

text_image
62893 ④ ⑤ ④Praktische tips - 375
KOPLAMPEN, LAMPEN: VERVANGEN VAN EEN LAMP

Zorg dat u altijd een doos met reservelampen en -zekeringen in de auto heeft,
deze is verkrijgbaar bij een merk- dealer.

De lampen staan onder druk en kunnen openbarsten bij het vervangen.
Risico van verwonding.

text_image
70485 6 7 5 8 7Remlichten 6 met LED
Dagrijverlichting/markeringslicht 7 (LED)
Richtingaanwijzer 8
Lamptype:WY16W.

Raak de uitlaat niet aan. Risico van brandwon- den.
Bij het monteren
Voor hermontage gaat u in omgekeerde volgorde te werk. Let op dat u de bedrading niet beschadigt en zet eerst de moer 1 vast.

(afhankelijk van de auto)
Ga naar de lamphouder onder de achterbumper en draai deze los naar de buitenzijde van de auto toe; verwijder de lamp.
Lamptype:P21W.
Bij het monteren
Ga bij het monteren te werk in omgekeerde volgorde en let op dat de bedrading niet wordt beschadigd. Controleer na het terugplaatsen van de lamp of deze goed is vergrendeld.
Vanwege de moeilijke bereikbaarheid adviseren wij om deze lampen te laten vervangen bij een merkdealer.

Derde remlicht 10 met LED
KOPLAMPEN, LAMPEN: VERVANGEN VAN EEN LAMP
Raadpleeg voor de exacte gegevens de merkdealer.

text_image
Dacia 11 70595Kentekenverlichting 11 (LED)
(afhankelijk van de auto)
Raadpleeg voor de exacte gegevens de merkdealer.

De lampen staan onder druk en kunnen openbarsten bij het vervangen.
Risico van verwonding.
Mistlichten voor 1 LED

Raadpleeg voor de exacte gegevens de merkdealer.
Mistachterlicht 2
(afhankelijk van de auto)

Ga naar de lamphouder onder de achterbumper en draai deze los naar het midden van de auto toe; verwijder de lamp.
Lamptype:P21W.

Raak de uitlaat niet aan. Risico op brandwon- den.
KOPLAMPEN, LAMPEN: VERVANGEN VAN EEN LAMP

Zorg dat u altijd een doos met reservelampen en -zekeringen in de auto hebt,
deze is verkrijgbaar bij uw merk- dealer.

De lampen staan onder druk en kunnen openbarsten bij het vervangen.
Verwondingsgevaar

Let op bij werkzaamheden dicht bij de motor, deze kan nog warm zijn.
Bovendien kan de venti-
lateurmotor onverwacht gaan draaien. Het waarschuwingslamp-

motorruimte herin- eraan.
Risico van verwonding.

Alle werkzaamheden (of wijzigingen) aan de elektrische installatie moeten worden uitgevoerd door
een merkdealer, aangezien de elektrische installatie (bedrading, onderdelen en vooral de dynamo) kan worden beschadigd door een verkeerde aansluiting. Bovendien beschikt uw merkdealer over de benodigde onderdelen.
Bij het monteren
Ga bij het monteren te werk in omgekeerde volgorde en let op dat de bedrading niet wordt beschadigd.
Controleer na het terugplaatsen van de lamp of deze goed is vergrendeld.
Vanwege de moeilijke bereikbaarheid adviseren wij om deze lampen te laten vervangen bij een merkdealer.
Zijknipperlichten: vervangen van een lamp

Aangezien de buitenspiegelkap moet worden verwijderd, kunt u de lamp best laten vervangen door een erkende dealer.
Toegang tot de lamp:
KOPLAMPEN, LAMPEN: VERVANGEN VAN EEN LAMP

text_image
71313 ③ A ②- maak de buitenspiegelkap2 voorzichtig los van de grondplaat 3 (beweging A).
- maak de schaal4 los met een platte schroevendraaier of iets dergelijks (beweging B);

text_image
63772 ⑤- draai de schroever5 los met een schroevendraaier;

- maak het dekse6 van het knipperlicht 1 los om toegang te krijgen tot de lamp;

text_image
7 8 71333Praktische tips - 379

text_image
71331 ④ BKOPLAMPEN, LAMPEN: VERVANGEN VAN EEN LAMP
- draai de lamphouder7 en trek de lamp 8 eruit.
Lamptype:WY5W.
Bij het monteren gaat u in omgekeerde volgorde te werk.
Zorg ervoor dat:
- Dat de lamphouder7 correct is uitgelijnd voordat u deze in de behuizing plaatst;
- de buitenspiegelkap2 goed vastklikt op de grondplaat 3.
Bij demontage en montage: let op dat u de bedrading en de omliggende componenten niet beschadigt.

De lampen staan onder druk en kunnen openbarsten bij het vervangen.
Verwondingsgevaar
Binnenverlichting: vervangen van een lamp
Kaartleeslampjes 1 en 2 met LED

text_image
70562 ① ②Raadpleeg voor de exacte gegevens de merkdealer.
Verlichting make-upspiegels 3

Raadpleeg voor de exacte gegevens de merkdealer.
Maak (met een platte schroevendraaier of iets soortgelijks) het lamphuis 3 los door het lipje aan de linkerkant van het lamphuis in te drukken.
Maak de betreffende lamp vrij.
Lamptype: W5W.
KOPLAMPEN, LAMPEN: VERVANGEN VAN EEN LAMP
Leeslampje achter 4 of, afhankelijk van de auto, 5 met LED

Raadpleeg voor de exacte gegevens de merkdealer.
Verlichting dashboardkastje 6) (afhankelijk van de auto)

Maak de lamp 6 los door op het lipje te drukken (met een platte schroevendraaier of iets dergelijks) door te drukken op het lipje 7 om de lamp naar de binnenkant van het dashboardkastje te kantelen.
Maak de stekker los.
Lamptype:W5W.
Verlichting bagageruimte 8)

Maak de lamp 8 los door op het lipje te drukken (met een platte schroevendraaier of iets dergelijks) door te drukken op het lipje 9 om de lamp naar de binnenkant van de bagageruimte te kantelen.
Maak de stekker los.
KOPLAMPEN, LAMPEN: VERVANGEN VAN EEN LAMP

text_image
62895 11 10Maak de kap 10 los om bij de lamp 11 te kunnen komen.
Gloeilamptype 11: W5W.

De lampen staan onder druk en kunnen openbarsten bij het vervangen.
Risico van verwonding.
RUITENWISSERBLADEN: VERVANGING
Ruitenwisserbladen 2

Zet de ruitenwissers in de onderhoudsstand B voordat u ze vervangt.

text_image
62911 1 AContact aan, motor afgezet:
- zet de hendel twee keer na elkaar in stand A (één wisbeweging): de rui- tenwisserbladen stoppen in onder- houdsstand B weg van de motorkap.
- druk stevig op de knop4 en verwijder daarna het blad naar boven toe.

text_image
61511 ② ④ ③Bij het monteren
Om het ruitenwisserblad 2 terug te plaatsten, klemt u deze in de houder in de arm 3 tot u een klik hoort. Controleer of het blad goed is vergrendeld.
Om de ruitenwisserbladen terug te zetten in de onderste stand terug moet u controleren of de ruitenwisserbladen zijn neergeklapt op de voorruit. Zet vervolgens de hendel 1 in stand A (één wisbeweging): de ruitenwisserbladen klappen dan in de motorkap bij het aanzetten van het contact.
RUITENWISSERBLADEN: VERVANGING

Let op de staat van de rui- tenwisserbladen. Hun le- vensduur hangt van u af:
- reinig de bladen en de voorruit regelmatig met water en zeep;
- gebruik ze niet op een droge voorruit;
- maak ze los van de voorruit als ze lange tijd niet zijn gebruikt.
Vervangen van het ruitenwisserblad achter 5

text_image
62217 ⑤ ⑥De hendel in de uit-stand (gedeactiveerd):
- til de ruitenwisserarm6 op;
- roteer het achterste ruitenwisserblad
5 (beweging C) tot het losklikt; - maak het achterste ruitenwisserblad 5 los door eraan te trekken.
Bij het monteren
Monteer het ruitenwisserblad in omgekeerde volgorde van losmaken. Controleer of het blad goed is vergrendeld.

Let op de staat van de rui- tenwisserbladen. Hun le- vensduur hangt van u af:
- reinig de bladen en de voorruit regelmatig met water en zeep;
- gebruik ze niet op een droge voorruit;
- maak ze los van de voorruit als ze lange tijd niet zijn gebruikt.

- Controleer bij vorst of de ruitenwisserbladen niet aan de ruit zijn vast-
gevroren voordat u wegrijdt; de wissermotor kan oververhitten.
- Let op de staat van de ruiten-wisserbladen.
Zodra hun werking afneemt moet u ze vervangen, ongeveer eens per jaar.
Bij het vervangen van het blad, let bij het verwijderen van het blad op, dat u hem niet op de ruit laat vallen: u zou de ruit kunnen breken.

Voordat u het blad van de achterste ruitenwisser vervangt, moet u nagaan of de schakelaar in uit-
stand staat (uitgeschakeld is).
Verwondingsgevaar
ZEKERINGEN
Zekeringkastje

Controleer de staat van de zekeringen als een elektrisch apparaat niet werkt.
Maak de klep A los met behulp van de groef 1 of, afhankelijk van de auto, maak de klep B los met behulp van de groef 2.
Tangetje 3

text_image
61644 ③Trek de zekering los met behulp van het tangetje 3 dat zich op de achterkant van de klep A of B bevindt.
U kunt de zekering uit het tangetje schuiven.
Gebruik niet de ongebruikte plaatsen op de zekeringplaat om reservezekeringen in te steken.
Zorg dat u altijd een doos met reservelampen en -zekeringen in de auto heeft, deze is verkrijgbaar bij een merk-dealer.
Controleer de betreffende zekering en vervang hem, indien nodig, door een zekering met hetzelfde amperage als de oorspronkelijke zekering.
Door een te sterke zekering kan de bedrading te heet worden en kan brand ontstaan als een elektrisch orgaan door een storing te veel stroom verbruikt.
ZEKERINGEN
Bestemming van de zekeringen (de aanwezigheid van de zekeringen hangt van het uitrustingsniveau van de auto af)
64824


- Verwarmde achteruitkijkspiegels
- Verwarmde stoel van bestuurder en passagier
- Tractie van de aanhangwagen
- Gemotoriseerde achterklep
- Elektrische verstelling bestuurders-stoel, rechts stuur
- Elektrische verstelling bestuurders-stoel, links stuur
- Achterruitenwisser en mistachter- lichten
- Alarmknipperlichten zonder MCB
- Remlichten zonder MCB
- Radio
- Achterruitverwarming
- 4x4-knop, handmatige airconditioning, radio, ECU-Gateway, binnenspiegel, veiligheidsgordel, verwarmde voorruit
- USB
- Accessoiresaansluiting in bagage-ruimte, trekhaak
- Alarmknipperlichten met MCB
- Afhankelijk van het voertuig, stoelverwarming
- Remlichten met MCB
-
One-touch ruiten voor de passagiersstoel voorin
-
USB
- Bediening achteruitkijkspiegel
- One-touch ruiten voor de rechter achterbank
- Met één druk op de knop elektrische ramen voor bestuurdersstoel
- One-touch-ruiten voor de linker-achterbank
- Extern en intern welkomstgeluid
- Binnenlicht
- Vooruitrusting voor accessoires
- Vooruitrusting voor accessoires
- 12 V-aansluiting, aansteker
- Verwarmd stuurwiel
- Ruitensproeiervloeistofpompschakelaar
- Elektrisch bediend open dak
- Knop voor assistentie bij parkeren
ACCESSOIRES INSTALLEREN EN GEBRUIKEN

Controleer vóór het installeren van een dergelijk accessoire (bij zenders/ontvangers vooral: frequentieband, vermogen, plaats van de antenne enz.) of dat geschikt is voor uw auto. Ga naar een erkende dealer.
Voordat u een accessoire op een stopcontact aansluit, moet u controleren of het maximaal toegestane vermogen
voor het stopcontact→ 306 → 317 niet wordt overschreden. Risico van brand.
Er mogen geen werkzaamheden aan het elektrische en/of elektronische circuit van het voertuig worden uitgevoerd, tenzij door een gekwalificeerde vakman. Een onjuiste aansluiting en/of installatie van de elektrische/elektronische accessoires die niet door de fabrikant zijn goedgekeurd, kan leiden tot:
- schade aan de elektrische en/of elektronische apparatuur;
- schade aan daarop aangesloten onderdelen;
- het verzamelen en gebruiken van voertuiggegevens;
- een inbreuk op privacy (wijziging of verwijdering van en/of ongeoorloofde toegang tot persoonsgegevens);
- annulering van de vergunning voor ingebruikneming.
Risico van ernstige ongevallen. Risico van inbreuk op privacy.
Als u op een later tijdstip elektrische apparatuur wilt installeren, moet u het vermogen en de positie van de bijbehorende zekering controleren.
De diagnoseaansluiting gebruiken
Het aansluiten van elektronische accessoires op de diagnoseaansluiting kan de elektronische systemen van het voertuig ernstig verstoren en/of inbreuk maken op uw privacy (wijziging of verwijdering van en/of ongeoorloofde toegang tot persoonsgegevens). Voor uw veiligheid is het raadzaam alleen door de fabrikant goedgekeurde elektronische accessoires te gebruiken: raadpleeg een merkdealer. Risico van ernstige ongevallen. Risico van inbreuk op privacy.
Achteraf inbouwen van accessoires
Raadpleeg een merkdealer als u accessoires op de auto wilt installeren. Om zeker te zijn dat uw auto goed werkt en om elk risico te vermijden dat uw veiligheid kan aantasten, raden wij u aan om door de constructeur goedgekeurde accessoires te gebruiken: deze zijn aan uw auto aangepast en alleen deze worden door de constructeur gegarandeerd.
Als u een antidiefstalstang gebruikt, bevestig deze dan uitsluitend op het rempedaal.
Hindert het rijden
ACCESSOIRES INSTALLEREN EN GEBRUIKEN
Gebruik aan de bestuurderskant matten die geschikt zijn voor de auto en zet deze vast aan de vooraf geïnstalleerde onderdelen. Controleer regelmatig of ze goed vastzitten. Stapel niet meerdere matten op elkaar. Gevaar van hakende pedalen.
STORINGEN
Onderstaande aanwijzingen helpen u eventuele storingen snel, maar voorlopig, te verhelpen. Laat de auto echter wel zo spoedig mogelijk door een merkdealer nakijken.
| Gebruik van de kaart MOGELIJKE OORZAKEN WAT TE DOEN | |
| De kaart kan geen portie-ren ontgrendelen of ver-grendelen. | Batterij van de card leeg. Vervang de batterij. U kunt nog steeds uw auto ver-grendelen/ontgrendelen en starten → 53 → 167. |
| Door het gebruik van apparaten die de dezelfde frequentie gebruiken als de card (mobiele telefoon, enz.). | Gebruik deze apparaten niet langer of gebruik de in-gebouwde sleutel → 61. |
| De auto bevindt zich in een sterk elektro-magnetisch veld.Accu van de auto ontladen. | Gebruik de sleutel die in de kaart is ingebouwd → 61. |
| De melding "Plaats de kaart in zone + START" verschijnt op het instrumentenpa-neel. | Plaats uw kaart op het symbool → 167 en druk ver-volgens op de startknop. |
| De motor van de auto is gestart. Terwijl de motor draait, is het niet mogelijk om de au-to te vergrendelen of ontgrendelen met de kaart. Zet het contact uit. | |
| Desynchronisatie van de kaart. Ontgrendel de bestuurdersdeur door de sleutel die in de kaart is ingebouwd in het deurslot → 61 te steken,plaats de kaart vervolgens op de daarvoor bestemde symbool → 167 en druk op de startknop om de kaart te synchroniseren. | |
| Met de afstandsbediening MOGELIJKE OORZAKEN WAT TE DOEN | |
| De afstandsbediening werkt niet voor het ontgrendelen of vergrendelen van de portieren. | Batterij van de afstandsbediening leeg. Gebruik de sleutel. |
STORINGEN
| Met de afstandsbediening MOGELIJKE OORZAKEN WAT TE DOEN | |
| Gebruik van apparaten die op dezelfdefrequentie als de afstandsbediening werken (mobiele telefoon, enz.). | Gebruik deze apparaten niet of gebruik de sleutel. |
| De auto bevindt zich in een sterk elektromagnetisch veld.Accu ontladen. | Vervang de batterij. U kunt nog steeds uw auto vergrendelen/ontgrendelen en starten → 61→ 57→ 165. |
| De motor van de auto is gestart. Terwijl de motor draait, is het niet moge- | lijk om de auto te vergrendelen of ont-grendelen met de sleutel. Zet het contact uit. |
| Desynchronisatie van de afstandsbedie-ning. | Ontgrendel het bestuurdersportier door de sleutel in het portierslot → 61 te ste-ken en start vervolgens de motor om de afstandsbediening → 165 te synchroni-seren. |
| U schakelt de startmotor in MOGELIJKE OORZAKEN WAT TE DOEN | ||
| De controlelampjes op het instrumen-tenpaneel gaan zwakker of niet bran-den, de startmotor draait niet. | Accuklemmen niet goed vastgezet,los of geoxideerd. | Vastzetten, aansluiten of reinigen indien geoxi-deerd. |
| Accu ontladen of defect. Sluit een andere batterij aan op de defecte bat-terij of vervang de batterij → 370 indien nodig.Duw de auto niet aan als de stuurkolom is ver-grendeld. | ||
| Circuit defect. Raadpleeg voor de exacte gegevens de merk-dealer. | ||
STORINGEN
| U schakelt de startmotor in MOGELIJKE OORZAKEN WAT TE DOEN | ||
| De motor wil niet starten. De voorwaarden voor het starten zijn niet vervuld.De handsfree-kaart werkt niet. ➔ 167. | Zie de paragraaf over ➔ 164 ➔ 165 ➔ 167. | |
| Hoog stationair toerental bij stilstaande auto en koude motor. | Bij een benzinemotor is dit is meestal geen storing. Het kan wor-den veroorzaakt door de stijgende temperatuur van de motor. | Het stationair toerental van de motor moet na ongeveer een minuut zakken. Zo niet dan is er mogelijk een andere oorzaak. Raadpleeg voor de exacte gegevens de merkdealer. |
| De motor weigert te stoppen.Elektronische storing. Druk vijf keer snel op de startknop. | Card niet gedetecteerd | Plaats uw kaart op het symbool ➔ 167 en druk vervolgens op de startknop. |
| De stuurkolom blijft vergrendeld. Stuurwiel geblokkeerd. Beweeg het stuurwielterwijl u de startknop van de motor indrukt (of, afhankelijk van de auto, de contactsleutel omdraait) ➔ 165 ➔ 167.Elektrische installatie defect. Raadpleeg voor de exacte gegevens de merk-dealer. | ||
| Tijdens het rijden MOGELIJKE OORZAKEN WAT TE DOEN | ||
| Trillingen. Banden te zacht, beschadigd of uit balans. Controleer de bandenspanning. Als dit niet de oor-zaak is, laat hun staat dan door een merkdealer con-troleren. | ||
| Witte rook uit de uitlaat. | Bij een dieselmotor hoeft dit geen storing te zijn. De rook ontstaat door de regeneratie van het roetfilter.Bij een benzinemotor is dit is meestal geen storing. Afhankelijk van de weersomstandig-heden (koud, vochtig enz.), kan er bij sterk accelereren rook ontstaan. | ➔ 186.Laat het toerental zakken en vermijd plots accelere-ren, zodat de rook geleidelijk verdwijnt. Zo niet dan is er mogelijk een andere oorzaak. Raadpleeg voor de exacte gegevens de merkdealer. |
392 - Praktische tips
STORINGEN
| Tijdens het rijden MOGELIJKE OORZAKEN WAT TE DOEN | ||
| Rook onder de motorkap. | Kortsluiting of lekkage van het koelcircuit. | Stop, zet het contact uit, ga bij de auto vandaan en roep de hulp in van een merkdealer. |
| Het waarschuwingslamp-je voor de oliedruk gaat branden:in een bocht of tijdens het remmendooft langzaam of blijft branden bij gas geven | Het peil is te laag. Motorolie bijvullen 336.Te lage oliedruk. Stop en roep de hulp in van een merkdealer | |
| Het sturen gaat zwaar. | Oververhitting van de bekrachtiging.Probleem met de elektrische bekrachti-gingsmotor.Storing in het hulpsysteem. | Rijd voorzichtig bij lage snelheid, let op de kracht die u moet zetten op het stuurwiel om de wielen te draai-en. Raadpleeg voor de exacte gegevens de merk-dealer. |
| De motor wordt te warm.De koelvloeistoftemperatuurmeter staat in de ge-varenzone en het waar-schuwingslampje | Koelventilateur defect. Zet de motor af en roep de hulp in van een merkdea-ler. | |
| STOPverschijnt.Koelvloeistoflekkage. | Controleer het koelvloeistofreservoir: er moet vloei-stof in zitten. Als het leeg is, raadpleeg zo snel mo-gelijk een merkdealer. | |
| De vloeistof in het expan-sievat borrelt. | Mechanische storing: koppakking opgebla-zen. | Zet de motor stil.Raadpleeg een merkdealer. |
STORINGEN

Radiateur: als er veel te weinig koelvloeistof is, mag deze niet worden bijgevuld met koude koelvloeistof wanneer de motor nog erg heet is. Na elke reparatie waarbij het koelsysteem geheel of gedeeltelijk is afgetapt, moet dit met nieuwe koelvloeistof worden bijgevuld. Gebruik hiervoor alleen door onze technische diensten goedgekeurde koelvloeistof.
| Elektrische apparaten MOGELIJKE OORZAKEN WAT TE DOEN | ||
| De ruitenwissers werken niet. Ruitenwisserbladen kleven. Scheid de ruitenwisserbladen van de voorruit voordat u de ruitenwissers gebruikt.Elektrische installatie defect. Raadpleeg voor de exacte gegevens de merkdealer.Zekering beschadigd. Vervang de zekering of laat deze vervangen ➔ 385. | ||
| De ruitenwisser stopt niet. Elektrische verstelling defect. Raadpleeg voor de exacte gegevens de merkdealer. | ||
| Knipperfrequentie te hoog. Defecte achterlamp. ➔ 374 | ||
| De knipperlichten werken niet. Elektrische installatie of schakelaar defect.Zekering beschadigd. | Raadpleeg voor de exacte gegevens de merkdealer.Vervang de zekering of laat deze vervangen ➔ 385. | |
| De koplampen schakelen niet in of niet uit. | Elektrische installatie of schakelaar defect.Zekering beschadigd. | Raadpleeg voor de exacte gegevens de merkdealer.Vervang de zekering of laat deze vervangen ➔ 385. |
| Condens in de koplampen of achterlichten. | Condens is een normaal verschijn-sel dat door variaties in tempera-tuur en vochtigheid kan worden veroorzaakt.In dat geval verdwijnen de sporen geleidelijk aan als de lichten bran-den. | |
STORINGEN
Elektrische apparaten MOGELIJKE OORZAKEN WAT TE DOEN
Het waarschuwingslampje van het niet dragen van de autogordels vooraan brandt niet in overeenstemming met het vastmaken van de autogordels.
Een voorwerp tussen de vloer en de stoel hindert de werking van het opname-element.
Verwijder elk voorwerp onder de stoelen vooraan.
INFORMATIE OVER DE AUTO
Identificatieplaatje

De gegevens op het constructeursplaatje A moeten bij correspondentie en bij het bestellen van onderdelen altijd worden vermeld.
De aanwezigheid en de plaats van de informatie zijn afhankelijk van de auto.
Plaat van de fabrikant A
- Naam van de fabrikant.
- Nummer van communautair ont-werp of registratienummer.
- Identificatienummer.
Afhankelijk van de auto wordt deze informatie ook vermeld op de mar- kering B. -
MMAC (Max. toegelaten totaalmassa)
-
MTR (Max. toegelaten treinmassa; volledig belaste auto, met aanhangwagen)
- MMTA (Max. toegelaten massa) ge- meten onder de vooras
- MMTA achteras.
- Zone gereserveerd voor gerelateerde of aanvullende items.
- Laknummer (kleurcode).
Technische informatie voor de hulpdiensten

De QR Code op het label A geeft hulpverleners via een tablet of smartphone direct toegang tot de tech-
INFORMATIE OVER DE AUTO
nische informatie die nodig is bij een ongeval.
Zorg dat sticker A altijd aanwezig en zichtbaar is, zowel op de voorruit als de achterruit.
Elke wijziging of beschadiging maakt toegang tot de informatie onmogelijk.

Identificatieplaatje en gegevens van de motor

flowchart
graph TD
A["000 0 000"] --> B["①"]
A --> C["②"]
D["0 000000"] --> E["③"]
De motoridentificatiegegevens in zone A moeten bij correspondentie en bij het bestellen van onderdelen altijd worden vermeld.
(de plaats is afhankelijk van het motor-type)
- Motortype.
- Indicenummer van de motor.
- Serienummer van de motor.

gegevens van de motor
| Uitvoeringen | 1.2 TCe Hybrid 1.5 dCi | ||||
| Type van de motor (zie motor-plaatje) | H5Ft H5P H5Ft 5DH K9K Turbo | ||||
| Cilinderinhoud (cm3) | 1 198 1 793 1 198 - 1 461 | ||||
| Soort brandstof Octaange-tal | BenzineHet is van essentieel belang loodvrije benzine te gebruiken met een octaangetal dat overeenkomt met het octaangetal dat is aangegeven op het etiket dat op de tankklep → 157is aangebracht. | - | DieselDe sticker in de tankdopklep geeft aan welke brand-stoffen toegestaan zijn. | ||
| Bougies | Gebruik uitsluitend de voor uw motor voorgeschreven bougietypes.Het type staat aangegeven op een sticker in de motorruimte. Is dat niet het geval, neem dan contact op met een merkdealer.Montage van een niet voorgeschreven bougietype kan tot ernstige motorschade lei-den. | - | - | ||
INFORMATIE OVER DE AUTO
| Uitvoeringen 1.2 TCe | Hybrid 1.5 dCi | ||||
| Type van de motor (zie motorplaatje) | H5Ft H5P H5Ft | 5DH K9K Turbo | |||
| Cilinderinhoud (cm3) | 1 198 | 1 793 | 1 198 | - | 1 461 |
| Soort brandstof Octaangetal | BenzineHet is van essentieel belang loodvrije benzine te gebruiken met een octaangetal dat overeenkomt met het octaangetal dat is aangegeven op het etiket dat op de tankklep → 157is aangebracht. | - | DieselDe sticker in de tankdopklep geeft aan welke brandstoffen toegestaan zijn. | ||
| Brandstof die voldoet aan de Europese norm en die compatibel is met de moto-ren van auto's verkocht in Europa (neem voor andere ge-vallen contact op met een merkdealer). | E5Loodvrije benzine die voldoet aan de norm EN 228 bevat tot 5% ethanol.E10Loodvrije benzine die voldoet aan de norm EN 228 bevat tot 10% ethanol. | - | B7Dieselbrandstof die voldoet aan de norm EN 590 bevat tot 7% methylesther vetzuur.B10Dieselbrandstof die voldoet aan de norm EN 16734 bevat tot 10% methylesther vetzuur.XTLParafome dieselbrandstof die vol-doet aan de norm EN 15940 bevat tot 7% methylesther vetzuur. | ||
INFORMATIE OVER DE AUTO
| Afmetingen | |
| A | 0,854 |
| B | 2,702 |
| C | 1,014 |
| D | 4,570 |
| E | 1,580 |
| F | 1.712 onbelast, met dak-dragers |
| G | 1,565 |
| H | 1,921 tot 2,069- 2.069 met uitgeklapte buitenspiegels- 1.921 met ingeklapte buitenspiegels |
INFORMATIE OVER DE AUTO
Massa's (in Kg)
De aangegeven massa's zijn van de basisuitvoering zonder opties: zij variëren naargelang de uitrusting van uw auto. Ga naar een merkdealer.
| Uitvoeringen 4x2 4x4 | ||
| Max. toegelaten totaalmassa (MMAC)Max. toegelaten treinmassa (MTR)Max. toegelaten massa (MMTA) | Gewichten aangegeven op de plaat van de fabrikant → 396. | |
| Aanhangwagenmassa geremd* verkregen door berekening: MTR - MMAC | ||
| Aanhangwagenmassa ongeremd* | 710 kg | 750 kg |
| Maximale kogeldruk op trekhaak* 75 kg | ||
| Maximaal toegelaten dakbelasting → 328 | ||
| *Aanhangwagengewicht (trekken van een caravan, boot, enz.)Het trekken van een aanhangwagen is verboden wanneer de berekening MTR - MMAC gelijk is aan nul, of wanneer de MTR gelijk is aan nul(of niet is vermeld) op de plaat van de fabrikant.- Respecteer de in het land toegelaten maximale massa's. Laat uw merkdealer een trekhaak monteren en de bedrading van de auto aanpassen.- In geval van een auto met aanhanger mag de max. toegelaten treinmassa (auto + aanhanger) nooit overschreden worden. Toch is toegestaan:- een overschrijding van de max. toegelaten massa MMTA gemeten onder de achteras tot 15%,- een overschrijding van de max. toegelaten totaalmassa MMAC tot 10% of 100 kg (tot de eerste van deze twee waarden is bereikt).In beide gevallen is de maximumsnelheid van de combinatie 80 km/h en moet de bandenspanning worden verhoogd met 0,2 bar (3 psi).- Het motorvermogen neemt af naarmate u hoger in de bergen rijdt. Wij adviseren u de maximale belasting met 10 % per 1 000 meter stijging te verminderen. | ||
INFORMATIE OVER DE AUTO
Wanneer de maximaal toegestane totale massa (MMAC) van de auto niet wordt bereikt, kan er max. 300 kg extra worden geladen op de geremde aanhangwagen tot de maximaal toegestane treinmassa (MTR) van de auto wordt bereikt.
ONDERDELEN EN REPARATIES
De originele onderdelen worden met de grootste zorg ontwikkeld en gecontroleerd. Zij voldoen dan ook aan dezelfde kwaliteits-normen als de onderdelen die in de fabriek worden gebruikt.
Door het gebruik van de originele onderdelen houdt u de prestaties van uw auto optimaal. Bovendien zijn reparaties die uitgevoerd zijn door een merkdealer met originele onderdelen gegarandeerd volgens de voorwaarden die achter op de reparatieopdracht staan.
ONDERHOUDSCOUPONS
VIN:
| Datum: Km: Factuurnr.: Toelichting/diversen | ||
| Type werkzaamheden: StempelOnderhoudsbeurt □............ □ | ||
| Plaatwerkcontrole:OK □ Niet OK* □ | ||
| Datum: Km: Factuurnr.: Toelichting/diversen | ||
| Type werkzaamheden: StempelOnderhoudsbeurt □............ □ | ||
| Plaatwerkcontrole:OK □ Niet OK* □ | ||
| Datum: Km: Factuurnr.: Toelichting/diversen | ||
| Type werkzaamheden; StempelOnderhoudsbeurt □............ □ | ||
| Plaatwerkcontrole:OK □ Niet OK* □ | ||
*Zie specifieke pagina
ONDERHOUDSCOUPONS
VIN:
| Datum: Km: Factuurnr.: Toelichting/diversen | ||
| Type werkzaamheden: StempelOnderhoudsbeurt □............ □ | ||
| Plaatwerkcontrole:OK □ Niet OK* □ | ||
| Datum: Km: Factuurnr.: Toelichting/diversen | ||
| Type werkzaamheden: StempelOnderhoudsbeurt □............ □ | ||
| Plaatwerkcontrole:OK □ Niet OK* □ | ||
| Datum: Km: Factuurnr.: Toelichting/diversen | ||
| Type werkzaamheden; StempelOnderhoudsbeurt □............ □ | ||
| Plaatwerkcontrole:OK □ Niet OK* □ | ||
*Zie specifieke pagina
ONDERHOUDSCOUPONS
VIN:
| Datum: Km: Factuurnr.: Toelichting/diversen | ||
| Type werkzaamheden: StempelOnderhoudsbeurt □............ □ | ||
| Plaatwerkcontrole:OK □ Niet OK* □ | ||
| Datum: Km: Factuurnr.: Toelichting/diversen | ||
| Type werkzaamheden: StempelOnderhoudsbeurt □............ □ | ||
| Plaatwerkcontrole:OK □ Niet OK* □ | ||
| Datum: Km: Factuurnr.: Toelichting/diversen | ||
| Type werkzaamheden; StempelOnderhoudsbeurt □............ □ | ||
| Plaatwerkcontrole:OK □ Niet OK* □ | ||
*Zie specifieke pagina
ONDERHOUDSCOUPONS
VIN:
| Datum: Km: Factuurnr.: Toelichting/diversen | ||
| Type werkzaamheden: StempelOnderhoudsbeurt □............ □ | ||
| Plaatwerkcontrole:OK □ Niet OK* □ | ||
| Datum: Km: Factuurnr.: Toelichting/diversen | ||
| Type werkzaamheden: StempelOnderhoudsbeurt □............ □ | ||
| Plaatwerkcontrole:OK □ Niet OK* □ | ||
| Datum: Km: Factuurnr.: Toelichting/diversen | ||
| Type werkzaamheden; StempelOnderhoudsbeurt □............ □ | ||
| Plaatwerkcontrole:OK □ Niet OK* □ | ||
*Zie specifieke pagina
ONDERHOUDSCOUPONS
VIN:
| Datum: Km: Factuurnr.: Toelichting/diversen | ||
| Type werkzaamheden: StempelOnderhoudsbeurt □............ □ | ||
| Plaatwerkcontrole:OK □ Niet OK* □ | ||
| Datum: Km: Factuurnr.: Toelichting/diversen | ||
| Type werkzaamheden: StempelOnderhoudsbeurt □............ □ | ||
| Plaatwerkcontrole:OK □ Niet OK* □ | ||
| Datum: Km: Factuurnr.: Toelichting/diversen | ||
| Type werkzaamheden; StempelOnderhoudsbeurt □............ □ | ||
| Plaatwerkcontrole:OK □ Niet OK* □ | ||
*Zie specifieke pagina
ONDERHOUDSCOUPONS
VIN:
| Datum: Km: Factuurnr.: Toelichting/diversen | ||
| Type werkzaamheden: StempelOnderhoudsbeurt □............ □ | ||
| Plaatwerkcontrole:OK □ Niet OK* □ | ||
| Datum: Km: Factuurnr.: Toelichting/diversen | ||
| Type werkzaamheden: StempelOnderhoudsbeurt □............ □ | ||
| Plaatwerkcontrole:OK □ Niet OK* □ | ||
| Datum: Km: Factuurnr.: Toelichting/diversen | ||
| Type werkzaamheden; StempelOnderhoudsbeurt □............ □ | ||
| Plaatwerkcontrole:OK □ Niet OK* □ | ||
*Zie specifieke pagina
PLAATWERKCONTROLE
De garantie blijft alleen van kracht na de reparatie die hieronder staat aangegeven.
VIN:
| Datum reparatie: Stempel | ![]() | |
| Uit te voeren plaatwerkreparatie: | ||
| Datum reparatie: Stempel | ![]() | |
| Reparatie nodig van: | ||
PLAATWERKCONTROLE
De garantie blijft alleen van kracht na de reparatie die hieronder staat aangegeven.
VIN:
| Datum reparatie: Stempel | ![]() | |
| Uit te voeren plaatwerkreparatie: | ||
| Datum reparatie: Stempel | ![]() | |
| Reparatie nodig van: | ||
PLAATWERKCONTROLE
De garantie blijft alleen van kracht na de reparatie die hieronder staat aangegeven.
VIN:
| Datum reparatie: Stempel | ![]() | |
| Uit te voeren plaatwerkreparatie: | ||
| Datum reparatie: Stempel | ![]() | |
| Reparatie nodig van: | ||
PLAATWERKCONTROLE
De garantie blijft alleen van kracht na de reparatie die hieronder staat aangegeven.
VIN:
| Datum reparatie: Stempel | ![]() | |
| Uit te voeren plaatwerkreparatie: | ||
| Datum reparatie: Stempel | ![]() | |
| Reparatie nodig van: | ||
PLAATWERKCONTROLE
De garantie blijft alleen van kracht na de reparatie die hieronder staat aangegeven.
VIN:
| Datum reparatie: Stempel | ![]() | |
| Uit te voeren plaatwerkreparatie: | ||
| Datum reparatie: Stempel | ![]() | |
| Reparatie nodig van: | ||
PLAATWERKCONTROLE
De garantie blijft alleen van kracht na de reparatie die hieronder staat aangegeven.
VIN:
| Datum reparatie: Stempel | ![]() | |
| Uit te voeren plaatwerkreparatie: | ||
| Datum reparatie: Stempel | ![]() | |
| Reparatie nodig van: | ||
PLAATWERKCONTROLE
De garantie blijft alleen van kracht na de reparatie die hieronder staat aangegeven.
VIN:
| Datum reparatie: Stempel | ![]() | |
| Uit te voeren plaatwerkreparatie: | ||
| Datum reparatie: Stempel | ![]() | |
| Reparatie nodig van: | ||
ALFABETISCHE INHOUDSOPGAVE
Symbolen
12V-accu, 346
4-wielaandrijving (4x4), 212
A
Aanvullende veiligheidsvoorzieningen, 87
AANVULLENDE VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN VOORIN, 79
Aanvullende voorzieningen achterin, 84
ABS, 206
Accessoireaansluiting, 317
Accu:, 344
Accu: storing, 370
ACHTERBANK, 73
Achterstoelen, 73
Achterstoelen: gebruiksmogelijkheden, 73
Achteruitrijcamera, 275
Achteruitrijradar, 284
Actieradius van de auto, 193
Adaptieve snelheidsregelaar, 262
Afstellen van het stuurwiel, 141
Airbag, 79, 84, 85, 87
Airbag : inschakelen van de passagiersairbag voor, 109
Airbag : uitschakelen van de passagiersairbag voorin, 109
Airbag opblaasbaar kussen, 87
Airbags : kinderveiligheid, 109
Airco: informatie en tips voor gebruik, 303
Antiblokkeersysteem: ABS, 206
Anti-diefstal (schakelaar), 164
Armsteun, 318
Armsteun voor, 70
Autogordels, 76, 79, 85, 87, 350
Autogordelspanners, 84
Automatische portiervergrendeling tijdens het rijden, 64
Automatische versnellingsbak (gebruik), 175, 181
B
Bagage-afdekplaat, 325
Bagageruimte, 65, 326
Batterijen van afstandsbediening voor portiervergrendeling, 57
Berichten op het instrumentenpaneel, 116, 181
Bescherming tegen corrosie, 348
Bestuurderspositie, 112
Bevestigingsmiddelen anders dan autogordels, 79, 84, 87
Bevestigingsmiddelen voor kinderen, 89, 89, 98, 104
Bevestigingssysteem voor kind, 89, 98, 104
Bijzonderheden: GPL versies, 40
Bijzonderheden van benzine-uitvoeringen, 188
Bijzonderheden van dieseluitvoeringen, 186
Binnenlicht, 314
binnenverlichting, 314
Binnenverlichting: vervangen van een lamp, 380
ALFABETISCHE INHOUDSOPGAVE
boordcomputer, 116
Brandstofbesparing, 193
Brandstoftank, 157
Brandstoftips voor zuinig rijden, 193
Brandstofverbruik, 193
buitentemperatuur, 133
Buitenverlichting, 145, 374, 375, 377
C
Claxon, 150
Claxon en lichtsignalen, 150
Configuratiemenu, 132
Controle-/waarschuwingslampjes, 116, 126, 135
Controlelampjes, 227
D
Dakdragerrek, 329
Dakdragers, 328
Dashboardkastje., 318
De juiste zithouding, 76, 76
De motor in stand-by zetten, 171
Detectie bestuurdersalertheid, 243
Detectie van verkeersborden: snelheidswaarschuwing, 251
De voertuiginstellingen aanpassen, 132
Dieselfilter, 157
Display, 126
Dodehoek: waarschuwing, 227
Dodehoekwaarschuwing, 227
Dop van brandstoftank, 157
Dop van reagenstank, 160
E
ECO-modus, 193
Energieverbruik, 126, 193, 195
ESC: elektronisch stabiliteitsprogramma, 206
Extra lampen, 377
F
Filter: roetfilter, 186
Fittingen, 318
Foutopsporing: batterij, 370
Functie Stop and Start, 171, 181
G
Geïntegreerde bediening van handsfree telefoon, 306
Geluidssignaal, 61
Geluidssignaal: portier of achterklep open, 61
Geluidssignaal: verlichting vergeten, 61
Gemotoriseerde achterklep, 65
Gordelspanners, 79
GPL, 40
ALFABETISCHE INHOUDSOPGAVE
H
Handbediende airconditioning, 297
Handgreep, 316
handrem, 175, 181
Handsfree kaart: batterij, 53
Handsfree kaart: gebruik, 49
Hellingstarthulp, 206
Het voertuig optillen: een wiel verwisselen, 362, 365
Hoedenplank, 325
Hoofdsteunen, 73
Hulpsystemen: rijhulp, 262
|
Indicatoren: richtingaanwijzers, 150
Inrijden, 164
Inschakelen achteruitversnelling, 175
Instellingen, 132
Instellingen autopersonalisering, 132
Instellingen configuratiemenu, 132
Instellingen rijpositie, 76
Instellingen van de voorstoelen, 70
Instrumentenpaneel, 116, 116, 126, 126, 132, 133, 135, 135, 145, 181
Isofix, 104
K
Kaart, 60
Kaart: batterij, 53
Kaart: gebruik, 47, 49
Kaart: handsfree, 47
Kaart: motor start niet in handsfree stand, 47
Kaart: noodsleutel, 47
Kaart: portieren vergrendelen/ontgrendelen, 47
Kinderzitje, hoogteverstelling, 89
Kinderzitjes, 89, 95, 98, 104
Klok, 133, 133
Knipperlichten, 150
Knop voor het starten/stoppen van de motor, 169
Koelvloeistof, 339
koplampen, 145
krik, 365
L
Lakwerk onderhoud, 348
Lampen vervangen, 375, 375, 375, 377, 377, 377
Lekke band, 362, 365
Lekke band: reservewiel, 362
Lichten: richtingaanwijzers, 150
Lichtsignalen, 145
Menu voor het personaliseren van de instellingen van de auto, 132
Milieu, 190
Montage van het kinderzitje, 95
Motorkap, 334
Motorolie, 336
Motorolie verversen, 337
Multimediapoort(en), 306
Multimediascherm schermen, 227, 232, 279
Multimedia-uitrusting, 306
Noodstopbekrachtiging, 206
O
Oliepeil van de motor:, 336, 337
Onderhoud, 192
Onderhoud: carrosserie, 348
Onderhoud: filters, 341
Onderhoud: interieurbekleding, 350
Onderhoud: mechanisch, 336, 341
Onderhoud van de bekleding, 350
Ontdooien-ontwasemen van de voorruit, 297, 300
Ontgrendelen van de portieren, 61
Ontwaseming van de achterruit, 297, 300
Opbergruimte, 318
Opbergruimtes/indeling: interieur, 318
Op de voorplaats(en), 70
Open dak, 47, 312
P
Parkeerhulp, 132, 275, 284
Parkeerrem, 181
Passagiersveiligheid: voorpassagier airbag, 109
Pechhulp accu, 370
Peilen:, 334, 336, 341
Peilstaaf motorolie, 336
Pompset voor de banden, 360
Portieren, 47, 60, 64
Portieren/kleppen openen/sluiten, 60
Portieren en kleppen, 60, 64
Portieren en kleppen vergrendelen, ontgrendelen, 61
Portieren openen, 60, 61
Portieren sluiten, 60, 61
Portieren vergrendelen, 47, 49, 60
Portieren vergrendelen/ontgrendelen, 60
Portiervergrendeling, 61
Praktische tips, 157, 352, 362, 365, 367, 375, 377, 383, 385
Preventie verlaten rijstrook, 220
ALFABETISCHE INHOUDSOPGAVE
R
Radio, 306
Reagens: bijvullen, 160
Reagens (tank), 160
Reagenskwaliteit, 160
Reagenstank, 160
Reiniging: binnenkant van het voertuig, 350
Reservewiel, 352, 362
Rijden, 164, 165, 169, 175, 181, 186, 188, 193, 200, 206, 212, 227, 232, 256, 259, 262, 263, 279, 284
Rijhulp, 227, 232, 251, 279
Rijhulpsystemen, 132, 227, 232, 251, 262, 279
Rijtips, 193
Ruime opbergruimtes, 318, 326
Ruiten, 310
Ruitensproeier, 151, 155
Ruitenwisserbladen, 151, 383
Ruitenwisserbladen: vervanging, 383
Ruitenwisserblad voor, 383
Ruitenwissers, 151, 155
S
Schakelen, 175
SCR: selectieve katalysator, 160
Sleepringen, 367
Slepen pechhulp, 367
Sleutel/afstandsbediening, 55
Sleutel/FM-afstandsbediening: gebruik, 55
Sleutels, 55
Snelheidsbegrenzer, 256
Snelheidsregelaar, 259, 262, 263
Snelheidsregelaar - snelheidsbegrenzer, 256, 259, 263
Soort brandstof, 157, 157
Soort motorolie, 337
Spiegels, 143, 316
Spoiler, 329
Spots, 314
Sproeiers, 151
Starten van de motor, 164, 165, 165, 169, 169, 171
Startschakelaar, 164, 181
Stilzetten van de motor, 165, 181
Stoelverwarming, 70, 73
Stoppen en Starten, 171
Storingen, 87, 181, 181, 262
Storingen: kaartbatterijen, 47
T
Tankdopklep, 157
Tanken van brandstof, 157
Tanklampje, 157
Telefoon, 306
Temperatuurregeling, 297, 300, 303
Toegang tot de auto, 60
Toegang tot de motorruimte, 334
Toevoegmiddel (reagens), 160
Tractiebatterijbereik, 193
ALFABETISCHE INHOUDSOPGAVE
Tractiecontrole, 206
U
Uw bandenspanning, 200, 355
V
Veilige afstanden, 232
Veiligheidsvoorzieningen bescherming zijkant, 84, 85
Ventilatie, 297, 300, 303
Ventilatie airco, 296
Ventilatieroosters, 294, 296
Ventilatierooster voorruit, 297, 300
Veranderen van brandstof tijdens het rijden, 40
Vergrendeling op afstand, 55
Verlichting: interieur, 314
Verlichting: lampen vervangen, 374
VERLICHTING EN SIGNALEN, 145
Vermogen: bereik, 193
VERSNELLINGSHENDEL, 175
Versnellingshendel van automatische versnellingsbak, 175
Versnellingsschakelaar, 175
Verstellen van de voorstoelen, 70
Vervangen van de ruitenwisserbladen voor, 383
Vervanging en reparatie, 405
Vervoer van kinderen, 89, 98, 104
Verwarmde voorruit, 297, 300
Verwarmd stuurwiel, 141
Verwarming, 294, 296, 296, 297, 297, 297, 300, 300, 300, 303, 303, 303
Verwarming en airconditioning, 294, 296, 297, 300
VERWISSELEN VAN EEN WIEL, 365
Visuele signalen, 150
Voetgangersclaxon, 26, 33
Volgafstand, 262
Volume van additieftank, 160
Volume van de brandstoftank, 157
Waarschuwing bij verlies van bandenspanning, 200
Waarschuwingslampjes instrumentenpaneel, 116, 181
Waarschuwingssignaal, 150
Waarschuwing veiligheidsafstand, 232
Waarschuwing vermoeidheidsdetectie bestuurder, 248
Waarschuwing voor te hoge snelheid, 251
Waarschuwing waakzaamheid bestuurder, 245
Wegrijden, 165
Wissen, 348
Z
Zekeringen, 385
Zonnekleppen, 316
Zuinig rijden, 135, 193

7.4 L/100
5.8 L/100
112.4 km
112.4 km
123.4 km/h

Laat zo snel mogelijk een onderhoudsbeurt uitvoeren.
gaat branden.
gaat branden.
gaat branden.
schijnen.
schijnen.
schijnen.
gaat branden (niet knipperend).
knippert en blijft dan branden.
knippert en blijft dan branden, samen met het waarschuwingslampje 
knippert en blijft dan branden.


