priOn - Domotica Busch-Jaeger - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis priOn Busch-Jaeger in PDF-formaat.
Gebruikersvragen over priOn Busch-Jaeger
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Domotica in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding priOn - Busch-Jaeger en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. priOn van het merk Busch-Jaeger.
GEBRUIKSAANWIJZING priOn Busch-Jaeger
KNX Technisch Handboek Busch-priOn®
Busch-priOn®

text_image
1 (4/18) HIUPTMEN 19.7°C Airlock BUSCH JACERInnovatief en intuïtief
Bedieningselementen, die zo nog niet bestonden. Een apparaat dat uitblinkt door vormschoonheid en prestaties: een voorbeeld vormt het 8,9 cm-TFT-display, het informatieve bestanddeel van een inbouwcombinatie. Het menu kan aan elk gebouw individueel worden aangepast en biedt op elk moment een overzicht van de stroomverbruikers. Hier kunt u de verwarming regelen, het licht dimmen, of omvangrijke scènes oproepen, die tegelijk een veelvoud aan vooraf gedefinieerde acties uitvoeren. Begrijpelijke symbolen leiden ook de ongeoefende gebruiker in weinig stappen naar het doel. Door de indeling van de functies over individuele bereiken, zoals licht, verwarming of jaloezie, vindt ieder hier intuïtief zijn weg. Maar de mogelijkheden van de Busch-priOn® blijven niet beperkt tot het regelen van de klassieke gebouwentechniek. Het display kan ook voor de aansturing van muziek benut worden.
De combinatie van druk-/draaiknop en display vertegenwoordigt een alles omvattende bedieningsfilosofie. De definitie van een primaire functie maakt het gebruik wel heel eenvoudig. De primaire functie wordt afgebeeld als u bij het display komt (daartoe is een speciale benaderingssensor ingebouwd) of bij een druk op de draaiknop. In principe kan elke gewenste schakel-, dim-, jaloezie-, scène- of sequentiefunctie die in het apparaat aanwezig is als primaire functie worden vastgelegd. Pas wanneer de menutoets wordt aangeraakt, gaat het scherm over op het kringmenu. Hier kunnen tot 8 items per symbool afgebeeld worden. Door het draaien aan de druk-/draaiknop kan de gebruiker de gewenste functie naar de voorgrond halen. Voor het gemarkeerde symbool wordt een bijbehorende tekst onder het symbool afgebeeld (bijv. systeeminstellingen, ruimtebesturing kantoor, ruimtesturing woonkamer, etc.). Door het indrukken van de druk- / draaiknop gaat het scherm over op het betreffende lijstmenu, dat uit wel 15 verschillende functies kan bestaan. De gebruiker kan deze functies door te draaien aan de druk-/draaiknop doorbladeren. Door deze in te drukken wordt dan de functie geselecteerd.
1 Veiligheidsaanwijzingen....9
2 Maattekeningen 10
3 Raamloze veelvoud 11
4 Combinaties naar wens 12
5 Geen gewoon KNX-bedieningselement 13
6 De juiste aankoppeling....16
7 Eenvoudige montage 17
8 Bediening kamerthermostaat....18
8.1 Display ruimtemperatuurregelaar....18
8.1.1 Standaardaanzicht 18
8.1.2 Streefwaarden....18
8.2 Bedrijfsmodi 19
9 Bediening kamerthermostaat (alleen 6351/08-825 + 6344-101 [vanaf updateversie 0.1.6.0])......20
9.1 Busch-priOn 8,89cm display 6344-xxx-101....20
9.1.1 Bediening....20
9.1.2 Bedieningsfuncties 21
9.1.3 Informatieregel 22
9.1.4 Busch-priOn afsluitlijst boven met display 6351/08-825....22
9.2 Combinatie met 3-voudig bedieningselement 6342-xxx-101....23
9.2.1 Bediening....23
9.3 Combinatie met 1-voudig 6341-xxx-101....24
9.3.1 Bediening....24
9.3.2 Bedrijfsmodi 25
10 Plannerondersteuning RTR....26
10.1 Bedrijfsmodi 26
10.1.1 Modusomschakeling 1 bit....26
10.1.2 Bedrijfsmodusomschakeling 1 byte....27
10.1.3 Bewaking 28
10.1.4 Externe temperatuurregistratie....28
10.1.5 Kalibratie 29
10.2 Regelaar 29
10.2.1 2-punts regelaar....30
10.2.2 Permanente regelaar 30
10.2.3 PWM-regelaar....31
10.2.4 Fan Coil....31
10.2.5 Regelparameters bij PWM- en permanente regelaar (fan coil) 31
10.2.6 Tweetraps verwarmen / koelen 32
10.3 Streefwaarden....32
10.3.1 Afhankelijke streefwaarden 32
10.3.2 individuele streefwaarden 33
10.3.3 Minimum afstand....33
10.4 Fan coil algemeen....34
10.5 Compensatie....35
10.5.1 Zomercompensatie 35
10.5.2 Wintercompensatie 36
11 Beschrijvingen van toepassingen....37
11.1 Schakelen, wip geheel 37
11.2 Schakelen, wip links / rechts 37
11.3 Dimmen, wip geheel.... 37
11.4 Objecten schakelen, wip links / rechts 38
11.5 Jaloezie, wip geheel....38
11.6 Jaloezie, wip links / rechts....38
11.7 Waardezender, wip geheel 39
11.8 Waardezender, wip links / rechts 39
11.9 Waardezender, 2 objecten, wip links / rechts....40
11.10 Waardedimsensor, wip geheel....40
11.11 Lichtscène-nevenpost met geheugenfunctie....41
11.12 Standenschakelaar, wip geheel 41
11.13 Standenschakelaar, wip links / rechts 42
11.14 Meervoudige bediening, wip links / rechts....42
11.16 KT-Bedrijfsmodus instellen 44
11.17 Mediabesturing CD-speler 45
11.18 Mediabesturing radio....46
11.19 Mediabesturing videospeler 47
11.20 Countdowntimer 47
11.21 Weektimer....48
11.22 Wekker 49
11.23 Meldingen 50
11.24 Tekst voor titel....50
11.25 Apparaatblokkering 51
11.26 KT-instellingen 51
11.27 Sequentieactor-instellingen....51
11.28 Jaloezie-actor....52
11.29 Schakelactor toepassing....52
11.30 Bewegingsschakelaar 53
11.31 LED-functie 55
11.32 Alarmfunctie 55
11.33 Geheugenfunctie lichtscènes 55
11.34 Vertraging 56
11.35 Trappenhuisverlichting 57
11.46 Prioriteit....64
12 Applicatie-/parameterbeschrijvingen ruimtetemperatuurregeling 6351/08-825 + 6344-101 [vanaf updateversie 0.1.6.0....65]
12.1 Applicatie 'RTR'......65
12.1.1 Algemeen – apparaatfunctie 65
12.1.2 Algemeen – regelaarfunctie 65
12.1.3 Algemeen – bedrijfsmodus na reset....66
12.1.4 Algemeen – extra functies....66
12.1.5 Algemeen – cyclisch ‘in werking’ zenden (min)....67
12.1.6 Regeling verwarmen 67
12.1.7 Regeling verwarmen – soort stelgrootte....67
12.1.8 Regeling verwarmen – soort verwarming....68
12.1.9 Regeling verwarmen – P-aandeel (x 0,1°C)....68
12.1.10 Regeling verwarmen – I-aandeel (min.) 69
12.1.11 Regeling verwarmen – geavanceerde instellingen....69
12.1.12 Basisstand verwarmen....69
12.1.13 Basisstand verwarmen – statusobject verwarmen 69
12.1.14 Basisstand verwarmen – werking stelgrootte....69
12.1.15 Basisstand verwarmen – hysteresis (x 0,1°C)....70
12.1.16 Basisstand verwarmen – stelgrootteverschil voor zenden stelgrootte verwarmen....70
12.1.17 Basisstand verwarmen – cyclisch zenden van stelgrootte (min) 70
12.1.18 Basistand verwarmen – PWM-cyclus verwarmen (min)....71
12.1.19 Basisstand verwarmen – max. stelgrootte (0..255)....71
12.1.20 Basisstand verwarmen – basisbelasting min. stelgrootte (0..255) 71
12.1.21 Regeling extra stand verwarmen 71
12.1.22 Regeling extra stand verwarmen – soort stelgrootte 72
12.1.23 Regeling extra stand verwarmen – soort extra verwarming 73
12.1.24 Regeling extra stand verwarmen – P-aandeel (x 0,1°C) 73
12.1.25 Regeling extra stand verwarmen – I-aandeel (min) 74
12.1.26 Regeling extra stand verwarmen – temperatuurverschil t.o.v. basisstand (x 0,1°C) ..... 74
12.1.27 Regeling extra stand verwarmen – geavanceerde instellingen 74
12.1.28 Extra stand verwarmen 74
12.1.29 Extra stand verwarmen – werking stelgrootte 74
12.1.30 Extra stand verwarmen – hysteresis (x 0,1°C)....75
12.1.31 Extra stand verwarmen – stelgrootteverschil voor zenden stelgrootte verwarmen 75
12.1.35 Regeling koelen – soort stelgrootte....77
12.1.36 Regeling koelen – soort koeling 78
12.1.37 Regeling koelen – P-aandeel (x 0,1°C)....78
12.1.38 Regeling koelen – I-aandeel (min.) 78
12.1.39 Regeling koelen – geavanceerde instellingen....79
12.1.40 Basisstand koelen....79
12.1.41 Basisstand koelen – statusobject koelen 79
12.1.42 Basisstand koelen – werking stelgrootte 79
12.1.43 Basisstand koelen – hysteresis (x 0,1°C)....79
12.1.44 Basisstand koelen – cyclisch zenden van stelgrootte (min) 80
12.1.45 Basisstand koelen....81
12.1.46 Basisstand koelen – max. stelgrootte (0..255) 81
12.1.47 Basisstand koelen – basisbelasting min. stelgrootte (0..255)....81
12.1.48 Regeling extra stand koelen 82
12.1.49 Regeling extra stand koelen – soort koeling 83
12.1.50 Regeling extra stand koelen – P-aandeel (x 0,1°C) 83
12.1.51 Regeling extra stand koelen – I-aandeel (min)....83
12.1.52 Regeling extra stand koelen – geavanceerde instellingen 84
12.1.53 Extra stand koelen 84
12.1.54 Extra stand koelen – werking stelgrootte 84
12.1.55 Extra stand koelen – hysteresis (x 0,1°C) 84
12.1.56 Extra stand koelen – stelgrootteverschil voor zenden stelgrootte koelen....85
12.1.57 Extra stand koelen – cyclisch zenden van stelgrootte (min) 85
12.1.58 Extra stand koelen – max. stelgrootte (0..255).... 85
12.1.59 Extra stand koelen – basisbelasting min. stelgrootte (0..255)....86
12.1.60 Instellingen basisbelasting 86
12.1.61 Instellingen basisbelasting – basisbelasting min. stelgrootte > 0 ....86
12.1.62 Gecombineerd verwarmen en koelen 86
12.1.63 Gecombineerd verwarmen en koelen – omschakeling verwarmen/koelen 87
12.1.64 Gecombineerd verwarmen en koelen – bedrijfsmodus na reset 87
12.1.65 Gecombineerd verwarmen en koelen – uitgave stelgrootte verwarmen en koelen 87
12.1.66 Gecombineerd verwarmen en koelen – uitgave stelgrootte extra stand verwarmen en koelen ...... 88
12.1.67 Instellingen gewenste waarde 88
12.1.68 Instellingen gewenste waarde – gewenste waarde verwarmen comfort = gewenste waarde koelen comfort....88
12.1.69 Instellingen gewenste waarden – hysteresis voor omschakeling verwarmen/koelen (x 0,1°C)......89
12.1.70 Instellingen gewenste waarden – ingestelde temperatuur comfort verwarmen en koelen (°C)......89
12.1.71 Instellingen gewenste waarden – ingestelde temperatuur comfort verwarmen (°C) 89
12.1.72 Instellingen gewenste waarden – verlaging stand-by verwarmen (°C)......89
12.1.73 Instellingen gewenste waarden – verlaging eco verwarmen (°C)....90
12.1.74 Instellingen gewenste waarden – ingestelde temperatuur vorstbeveiliging (°C) 90
12.1.75 Instellingen gewenste waarden – ingestelde temperatuur comfort koelen (°C)....90
12.1.76 Instellingen gewenste waarden – verhoging stand-by koelen (°C)....90
12.1.77 Instellingen gewenste waarden – verhoging eco koelen (°C)....91
12.1.78 Instellingen gewenste waarden – ingestelde temperatuur hittebescherming (°C)....91
12.1.79 Instellingen gewenste waarden – displayelement toont 91
12.1.80 Instellingen gewenste waarden – displayelement toont 91
12.1.81 Instellingen gewenste waarden – actuele ingestelde waarde zenden....92
12.1.82 Instellingen gewenste waarden – cyclisch zenden van actuele ingestelde temperatuur (min)......92
12.1.83 Wijziging gewenste waarde....92
12.1.84 Wijziging gewenste waarde – max. handmatige verhoging bij verwarming (0 - 15°C)....92
12.1.85 Wijziging gewenste waarde – max. handmatige verlaging bij verwarming (0 - 15°C) ...... 92
12.1.86 Wijziging gewenste waarde – max. handmatige verhoging bij koelen (0 - 15°C)....93
12.1.87 Wijziging gewenste waarde – max. handmatige verlaging bij koelen (0 - 15°C)....93
12.1.88 Wijziging gewenste waarde – resetten handmatige verstelling bij ontvangst van een ingestelde basiswaarde....93
12.1.89 Wijziging gewenste waarde – resetten van de handmatige verstelling bij wissel van bedrijfsmodus .... 94
12.1.90 Wijziging gewenste waarde – resetten van de handmatige verstelling via object 94
12.1.91 Wijziging gewenste waarde – plaatselijke bediening blijvend opslaan....94
12.1.92 Temperatuurdetectie – ingangen temperatuurdetectie....94
12.1.93 Temperatuurdetectie – ingangen gewogen temperatuurdetectie 95
12.1.94 Temperatuurdetectie – weging interne meting (0..100%)....95
12.1.95 Temperatuurdetectie – weging externe meting (0..100%)....95
12.1.96 Temperatuurdetectie – weging externe meting 2 (0..100%)....95
12.1.97 Temperatuurdetectie – cyclisch zenden van actuele werkelijke temperatuur (min)....96
12.1.98 Temperatuurdetectie – waardeverschil voor zenden van de werkelijke temperatuur (x 0,1°C)....96
12.1.99 Temperatuurdetectie – vergelijkingswaarde voor interne temperatuurmeting (x 0,1°C)....96
12.1.100 Temperatuurdetectie – bewakingstijd temperatuurdetectie (0 = geen bewaking) (min) 96
12.1.101 Temperatuurdetectie – bedrijfsmodus bij storing....97
12.1.102 Temperatuurdetectie – stelgrootte bij storing (0 - 255)....97
12.1.103 Alarmfuncties 97
12.1.104 Alarmfuncties – condenswateralarm 97
12.1.105 Alarmfuncties – dauwpuntalarm....98
12.1.106 Alarmfuncties – temperatuur vorstalarm HVAC- en RHCC-status (°C)....98
12.1.107 Alarmfuncties – temperatuur hittealarm RHCC-status (°C) 98
12.1.108 Fan-coil instellingen – ventilatorstanden 98
12.1.109 Fan-coil instellingen – ventilatorstanden – aantal ventilatorstanden 98
12.1.110 Fan-coil instellingen – ventilatorstanden – formaat standenuitgave 99
12.1.111 Fan-coil instellingen – ventilatorstanden – standenuitgave 99
12.1.112 Fan-coil instellingen – ventilatorstanden – laagste handmatig instelbare stand....99
12.1.113 Fan-coil instellingen – ventilatorstanden – uitlezing standenstatus.... 100
12.1.114 Fan-coil instellingen verwarmen.... 100
12.1.115 Fan-coil instellingen verwarmen – ventilatorstand 1-5 tot stelgrootte (0 - 255) verwarmen...... 100
12.1.116 Fan-coil instellingen verwarmen – ventilatorstandbeperking verwarmen bij ecobedrijf 100
12.1.117 Fan-coil instellingen verwarmen – max. ventilatorstand verwarmen bij ecobedrijf 101
12.1.118 Fan-coil instellingen koelen.... 101
12.1.119 Fan-coil instellingen koelen – ventilatorstand 1-5 tot stelgrootte (0 - 255) koelen.... 101
12.1.120 Fan-coil instellingen koelen – ventilatorstandbeperking koelen bij ecobedrijf 101
12.1.121 Fan-coil instellingen koelen – max. ventilatorstand koelen bij ecobedrijf 101
12.1.122 Zomercompensatie 102
12.1.123 Zomercompensatie – zomercompensatie 102
12.1.124 Zomercompensatie – (laagste) begintemperatuur voor zomercompensatie (°C).... 103
12.1.125 Zomercompensatie – offset ingestelde temperatuur bij begin zomercompensatie (x 0,1°C)...... 103
12.1.126 Zomercompensatie – (hoogste) eindtemperatuur voor zomercompensatie (°C).... 103
12.1.127 Zomercompensatie – offset ingestelde temperatuur bij einde zomercompensatie (x 0,1°C).... 104
12.2 Communicatieobjecten – KT 105
12.2.1 Stelgrootte verwarmen 105
12.2.2 Extra stand verwarmen 105
12.2.3 Stelgrootte koelen 105
12.2.4 Extra stand koelen 106
12.2.5 Regeling aan/uit 106
12.2.6 Werkelijke temperatuur 107
12.2.7 Externe werkelijke temperatuur.... 107
12.2.8 Externe werkelijke temperatuur 2....107
12.2.9 Storing werkelijke temperatuur.... 108
12.2.10 Lokale werkelijke temperatuur 108
12.2.11 Actuele ingestelde waarde 109
12.2.12 Bedrijfsmodus 109
12.2.13 Bedrijfsmodus overlappend.... 110
12.2.14 Raamcontact.... 110
12.2.15 Aanwezigheidsmelder 111
12.2.16 Status verwarmen 111
12.2.17 Status koelen 111
12.2.18 Basisbelasting.... 112
12.2.19 Omschakelen verwarmen/koelen.... 112
12.2.20 Fan-coil handmatig.... 113
12.2.21 Fan-coil stand 113
12.2.22 Status fan-coil stand.... 114
12.2.23 Ventilatorstand 1 114
12.2.24 Ventilatorstand 2 114
12.2.25 Ventilatorstand 3 114
12.2.26 Ventilatorstand 4 114
12.2.27 Ventilatorstand 5 115
12.2.28 Ingestelde basiswaarde 115
12.2.29 Handmatige gewenste waarden resetten.... 115
12.2.30 Dauwpuntalarm....115
12.2.31 Condenswateralarm 116
12.2.32 Buitentemperatuur voor zomercompensatie 116
12.2.33 Zomercompensatie actief.... 117
12.2.34 Gewenste waarde bereikt 117
12.2.35 Fahrenheit 117
12.2.36 Display-verlichting....118
12.2.37 Aan/uit vraag 118
12.2.38 Indicatie gewenste waarde.... 118
12.2.39 Gewenste waarde opvragen 118
12.2.40 Gewenste waarde bevestigen 119
12.2.41 Verwarmen/koelen vraag 119
12.2.42 Ventilatorstand handm. opvragen 119
12.2.43 Ventilatorstand opvragen 119
12.2.44 Ventilatorstand bevestigen 120
12.2.45 Regelaarstatus RHCC.... 120
12.2.46 Regelaarstatus HVAC 120
12.2.47 In werking....120
KNX Technisch Handboek Busch-priOn®
1 Veiligheidsaanwijzingen

Werkzaamheden aan het 230 V net mogen alleen door vakpersoneel worden verricht! Voorafgaand aan de montage of demontage moet de netspanning worden uitgeschakeld! Als de installatie- en bedieningsinstructies niet opgevolgd worden, dan kan dit leiden tot brand of andere gevaren!

Aansprakelijkheidsbeperking
Ondanks de controle van de inhoud van deze gedrukte tekst op overeenstemming met de hard- en software zijn afwijkingen niet volkomen uitgesloten. Daarom kunnen we hiervoor geen garantie geven. Noodzakelijke correcties worden verwerkt in nieuwe versies van het handboek. We verzoeken u uw verbeteringsvoorstellen aan ons mee te delen.
KNX Technisch Handboek Busch-priOn®
2 Maattekeningen
Inbouw-display 8,9 cm met bedieningselement, BuschpriOn®

text_image
107 71 71 25 15Montageraam voor Busch-priOn® 6346/12-101

text_image
56 213 84 100 11Inbouw-bedieningselement Busch-priOn® 6340-xxx-101

text_image
71 107 15Inbouw-draaibedieningselement 6341-xxx-101

text_image
71 107 25Inbouw-bewegingsmelder Busch-priOn® 6345-xxx-101

text_image
107 31 713 Raamloze veelvoud
Individualiteit kenmerkt Busch-priOn® niet alleen bij de programmering van de individuele schakelvlakken: Ook de samenstelling van Busch-priOn® combinaties valt als uiterst flexibel te omschrijven. Want Busch-priOn® is niet aan montageramen gebonden - veeleer worden tot 3 individuele elementen op een montageraam bevestigd en tenslotte van boven en van onderen van afsluitlijsten voorzien. Bij de bedieningselementen kunt u uit 4 kleuren kiezen: studiowit, glas wit, glas zwart en edelstaal staan tot uw beschikking. Ook de afsluitlijsten zijn in deze kleuren verkrijgbaar. Bij het uiterlijk van het display (style sheets) kunt u kiezen tussen zwart, blauw en zilver.
Modulair concept

Deze dienen niet alleen voor de uiterlijke schoonheid, naar keuze bevatten zij ook een temperatuursensor voor de thermostaat, een infrarood interface voor de afstandsbediening en een naderingssensor, om het scherm of de LED van de bedieningselementen te activeren als u het apparaat benadert. Deze IR / benaderingsvariant is alleen verkrijgbaar in zwart glas - niet in de andere kleuren. Meer informatie over de ruimtethermostaat met de Busch-priOn® vindt u in onze brochure over verwarmen, airconditioning en ventilatie.
4 Combinaties naar wens
De bedieningselementen en afsluitlijsten van de Busch-priOn® kunnen in kleur en functies vrij worden gecombineerd. Tot 3-voudige combinaties zijn mogelijk, waarbij steeds een enkele busaankoppelaar voldoende is.
| Artikelnummer Montageraam | ||||
| 1-voudig | 2-voudig | 3-voudig | ||
| Afsluitlijst boven IR / benadering 6350-825-101 • • • | ||||
| Afsluitlijst boven met display, IR / benadering 6351-825-101 • • • | ||||
| Afsluitlijst boven met display, IR / benadering 6351/08-825 • • • | ||||
| Afsluitlijst boven standaard 6348-101 • • • | ||||
| 1-voudig bedieningselement, 6340-101 • • • | ||||
| 3-voudig bedieningselement 6342-101 • • • | ||||
| 1-voudig draaibedieningselement | 6341-101 • • • | |||
| Bewegingsschakelaar | 6345-101 • • • | |||
| 8,9 cm display incl. bedieningselement | 6344-101 | - | • | • |
| Afsluitlijst onder temperatuur | 6352-101 • • • | |||
| Afsluitlijst onder standaard | 6349-101 • • • | |||
| Busaankoppelaar | 6120/12 | • | - | - |
| Power-busaankoppelaar en netadapter, voor montage op DIN-rail | 6120/13 + 6358 | • | • | • |
| Netaankoppelaar | 6920/12 | • | - | - |
| Power-netaankoppelaar | 6920/13 | • • • | ||
| Schakelaktor voor inbouwdoosmontage | 6354 | - | • | • |
| Dimaktor 1-voudig voor inbouwdoosmontage | 6355 | - | • | • |
| Jaloezie-/serieactor voor inbouwdoosmontage | 6356 | - | • | • |
| Jaloezie-/serieactor voor inbouwdoosmontage | 6920/40 | • | • | - |

5 Geen gewoon KNX-bedieningselement
De individuele toetsen van de Busch-priOn® kunnen individueel geprogrammeerd worden, zoals dat bij de KNX gebruikelijk is. De toepassingen omvatten daarbij schakelen, dimmen en jaloezie tot aan scènes toe. Ook logische functies zijn mogelijk. Als een display wordt ingezet, worden daardoor meer functies mogelijk. Hier kunnen bijvoorbeeld week-timer, meldings- en multimediatopassingen worden geïntegreerd. Bovendien kunt u door toekenning van interne groepsadressen andere toepassingen realiseren. Het gebruiksmenu is configureerbaar in 19 talen.
Toepassingen
| Toepassing Vlakbedienings- | element | Draaibedienings-element | 8,9 cm TFT display met bedieningselement | Bewegingsmelder | Aantal pagina's |
| Schakelen wip geheel ● - - - Pagina 37 | |||||
| Schakelen, wip links / rechts ● - ● - Pagina 37 | |||||
| Dimmen, wip geheel ● - - - Pagina 37 | |||||
| Objecten schakelen, wip links / rechts ● ● - Pagina 38 | |||||
| Jaloezie, wip geheel ● - - - Pagina 38 | |||||
| Jaloezie, wip links / rechts | ● ● ● - Pagina 38 | ||||
| Waardezender, wip geheel | ● - - - Pagina 39 | ||||
| Waardezender, wip links / rechts | ● ● ● - Pagina 39 | ||||
| Waardezender, 2 objecten, wip links / rechts | ● - - - Pagina 40 | ||||
| Waardedimsensor, wip geheel ● - ● - Pagina 40 | |||||
| Lichtscène-nevenpost met geheugenfunctie | ● - ● - Pagina 41 | ||||
| Standenschakelaar, wip geheel | ● - - - Pagina 41 | ||||
| Standenschakelaar, wip links / rechts | ● - - - Pagina 42 | ||||
| Meervoudige bediening, wip links / rechts | ● - - - Pagina 42 | ||||
| Kort-lang bediening, wip links / rechts | ● - - - Pagina 44 | ||||
| KT-Bedrijfsmodus instellen | ● - ● - Pagina 44 | ||||
| Mediabesturing CD-speler | - | - ● - Pagina 45 | |||
| Mediabesturing radio | - | - ● - Pagina 46 | |||
| Mediabesturing videospeler | - | - ● - Pagina 47 | |||
| Countdowntimer | - | - ● - Pagina 47 | |||
| Weektimer | - | - ● - Pagina 48 | |||
| Wekker | - | - ● - Pagina 49 | |||
| Meldingen | - | - ● - Pagina 50 | |||
| Tekst voor titel | - | - ● - Pagina 50 | |||
| Apparaatblokkering | - | - ● - Pagina 51 | |||
| KT-instellingen | - | - | ^1 | - Pagina 51 | |
| Sequentieactor-instellingen | - | - ● - Pagina 51 | |||
| Jaloezietoepassing | ● ● | ● | ^2 | - Pagina 52 | |
| Schakelactor toepassing | ● ● ● - Pagina 52 | ||||
| Bewegingsmelder | - | - - ● | Pagina 53 | ||
| LED-functie | ● ● ● - Pagina 55 | ||||
| Alarmfunctie | ● ● - - Pagina 55 | ||||
| Geheugenfunctie lichtscenario's | ● ● ● - Pagina 55 |
1 Alleen in combinatie met afsluitlijst onder "Temperatuurvoeler" of een andere externe voeler. Busch-priOn® beschikt over 1 interne kamerthermostaat.
2 Alleen in combinatie met jaloezie- / serie-actor 6356.
Algemene functies
| Functie Vlak- | bedienings-element | Draai-bedienings-element | 8,9 cm TFT display met bedienings-element | Bewegings-melder | Aantal pagina's |
| Vertraging • • • • Pagina 56 | |||||
| Trappenhuisverlichting • • • • Pagina 57 | |||||
| Lichtscène-actorinstellingen • • • • Pagina 58 | |||||
| Sequentie • • • • Pagina 58 | |||||
| Preset • • • • Pagina 59 | |||||
| Telegram cyclisch • • • • Pagina 59 | |||||
| Knipperen • • • • Pagina 60 | |||||
| Logica • • • • Pagina 60 | |||||
| Poort • • • • Pagina 61 | |||||
| Min-/Max-waardegever • • • • Pagina 62 | |||||
| Drempelwaarde / Hysteresis | • • • • | Pagina 63 | |||
| PBM-omzetter | • • • • | Pagina 63 | |||
| Prioriteit | • • • • | Pagina 63 |

text_image
JAP-PRON Busch-priOn BUSCH-JAGENBusch-priOn® 2-voudige combinatie, Glas zwart

®
Draaibedieningselement, Glas zwart

Afsluitlijst boven
+ 3-voudig bedieningselement, Draaibedieningselement
Glas zwart
Afsluitlijst boven
Glas zwart

Busch-priOn®
Afsluitlijst boven
Draaibedieningselement
Glas zwart
S

Busch-priOn® Wächter 180 UP, glas zwart
Busch-priOn® kan ideaal worden gecombineerd met het schakelaarprogramma carat®. Deze serie overtuigt met oppervlakken van hetzelfde

6 De juiste aankoppeling
Maximale aantal Busch-priOn® apparaten per TP-Iijn
| Aantal display-combinaties per lijn | Gezamenlijk aantal combinaties1 | Gezamenlijk aantal TP-Power-BAU's 6120/13 per lijn |
| 0 0 + 60 60 | ||
| 1 1 + 59 60 | ||
| 2 2 + 58 60 | ||
| 3 3 + 57 60 | ||
| 4 4 + 56 60 | ||
| 5 5 + 55 60 | ||
| 6 6 + 54 60 | ||
| 7 7 + 53 60 | ||
| 8 8 + 52 60 | ||
| 9 9 + 51 60 | ||
| 10 10 + 45 | 55 | |
| 11 11 + 37 | 48 | |
| 12 12 + 30 | 42 | |
| 13 13 + 22 | 35 | |
| 14 14 + 15 | 29 | |
| 15 15 + 7 | 22 | |
| 16 16 + 0 | 16 |
1 samengesteld uit display-combinaties plus 1 - tot 3-voudige combinaties zonder display met afsluitlijsten.
Achter elke Busch-priOn® combinatie wordt maar een bus-aankoppeling gemonteerd. Bij een enkelvoudig bevestigingsframe is een standaard aankoppeling voldoende. Pas bij toepassing van het tweevoudige bevestigingsframe moet de sterkere Power-aankoppeling worden toegepast.
De TP (twisted pair) variant heeft hiertoe een externe netadapter nodig. De betreffende apparaten-combinaties staan vermeld in de linker tabel. De Powernet-variant van de Power-aankoppeling volstaat zonder een dergelijke netadapter en beschikt over een 230 V-aansluiting voor voeding en datacommunicatie.
Standaard aankoppeling TP Standaard aankoppeling PN

Het bevestigingsframe dient voor de opname en de aansluiting van de individuele bedieningselementen, van het 8,9 cm-TFT-display, de afsluitlijst en de inbouw-aankoppeling. De positionering van de bedieningselementen bij meervoudige combinaties is vrij te kiezen. Als afsluiting moet boven en onder een speciale lijst gemonteerd worden. Uw materiaal kan van dat van de module afwijken. De montage van het bevestigingsframe vindt plaats door het vastschroeven met de inbouw-aankoppeling en bij meervoudige combinaties ook met de wand.
Door het anti-fingerprint oppervlak is Busch-priOn® in edelstaal bijzonder ongevoelig en behoudt het zijn edele oppervlak ook bij gebruik. Glazen oppervlakken en aansluitlijsten horen bij de serie carat®.

text_image
Busch-priOn® Glas zwart 1104.10 HAUFTRNO Jahvusie Busch-jagier 1104.10 HAUFTRNO Jahvusie Busch-jagier 1104.10 HAUFTRNO Jahvusie Busch-priOn® Studiowit 1104.10 HAUFTRNO Jahvusie Busch-jagier 1104.10 HAUFTRNO Jahvusie Busch-priOn® Edelstaal Busch-jagier 1104.10 HAUFTRNO Jahvusie Busch-jagier 1104.10 HAUFTRNO Jahvusie Busch-jagier Glas wit8 Bediening kamerthermostaat
8.1 Display ruimtemperatuurregelaar
8.1.1 Standaardaanzicht
Bedrijfstoestand Bedrijfsmodus

Werkelijke of streeftemperatuur
Het display van de ruimtetemperatuurregelaar toont hetzij de huidige ruimtetemperatuur of de streefwaarde voor de temperatuur aan, afhankelijk van de parametrering. Aan de linkerzijde van het display wordt de huidige bedrijfstoestand, aan de rechterzijde van het display wordt de huidige bedrijfsmodus afgebeeld.
8.1.2 Streefwaarden
Streefwaarde Streefwaarde voor koelen

text_image
29.5 29.5 25.5| ○ Temperatuur -● Vorige streefwaarde | ○ Temperatuur +● Volgende streefwaarde |
| ○ Comfort/Standby● Aan/Uit | ○ FanCoil |
○ Korte druk
● Lange druk
In het instelniveau dat door eenmalig indrukken van de extra toets wordt bereikt, kunnen de streefwaarden voor Verwarmen en/of Koelen worden gewijzigd.
De betreffende streefwaarden staan rechts van het betreffende symbool voor verwarmen en koelen.
De waarde op de felle achtergrond kan worden gewijzigd.
De verstelling vindt plaats met de bovenste wip van het bedieningselement. Kort indrukken van de linkerzijde verlaagd de streefwaarde, kort indrukken van de rechterzijde verhoogt de streefwaarde. Door een lange druk op de toets verspringt de selectie naar de volgende streefwaarde. Deze kan nu door een korte druk op de toets ook worden versteld. Na een instelbare tijd verspringt het display terug naar het standaard scherm.
8.2 Bedrijfsmodi

Standby: de standby-bedrijfsmodus verlaagt de temperatuur tijdens afwezigheid onder het niveau van de comfort-bedrijfsmodus. Zo kan energie bespaard worden, tegelijkertijd koelt de ruimte ook tijdens langere afwezigheid niet volledig af.

Comfort: de comfort-bedrijfsmodus regelt de temperatuur, zodat deze voor de bewoner tijdens aanwezigheid het aangenaamste is. Deze instelling kan tijdgestuurd of door een telegram worden opgeroepen.

Dauwpunt: als door een dauwpuntsensor het betreffende telegram wordt ontvangen, dan zal de ruimtetemperatuurregelaar het betreffende symbool afbeelden en niet verder koelen maar slechts tegen hitte beschermen.

Alarm: het alarm kan vrij geparametreerd worden. Het alarm kan bijvoorbeeld verschijnen als een externe temperatuurvoeler geen waarden zendt.

Aan/uit: De kamerthermostaat kan in- en uitgeschakeld worden. Als de thermostaat is uitgeschakeld verschijnt dit pictogram op het scherm. Het apparaat werkt in de vorstbeschermingsmodus.

Nachtverlaging: tijdens de nacht kan de temperatuur verlaagd worden. Dat spaart energie en is comfortabel voor de nachtrust. De volgende morgen wordt automatisch opnieuw verwarmd, zodat bij het opstaan een aangename temperatuur is bereikt.

Vorstbescherming: indien als parameter ingesteld, zal de vorstbescherming de temperatuur zo regelen, dat deze niet onder een gewenste waarde daalt. Het is de laagste streefwaarde.

Hittebescherming: indien als parameter ingesteld, zal de hittebescherming de temperatuur zo regelen, dat deze niet boven een gewenste waarde stijgt. Het is de hoogste streefwaarde.

Condensaat: tijdens de werking van een fan coil (ventilatorconvector) verzamelt er zich onder bepaalde omstandigheden condenswater dat in een reservoir wordt opgevangen. Als de fan coil een telegram uitzendt als dit reservoir is gevuld dan verschijnt het symbool voor condensaatmodus. De ruimtetemperatuurregelaar schakelt automatisch over op hittebescherming.
9 Bediening kamerthermostaat
(alleen 6351/08-825 + 6344-101 [vanaf updateversie 0.1.6.0])
9.1 Busch-priOn 8,89cm display 6344-xxx-101
Bij het 8,89display moet de bestaande kamerthermostaat door een nieuwe 'Unified KT' worden vervangen.
De update naar de nieuwe 'Unified KT' vindt plaats via de SD-kaartslot van het apparaat.

Opmerking
De ruimtetemperatuurregelaarfuncties zijn niet compatibel zodat de gebruiker de KT na een update opnieuw parametreren en in bedrijf nemen moet.
9.1.1 Bediening
De KT wordt bediend door het oproepen van de gewenste regelaar uit het lijstmenu. De functie wordt met behulp van het draaibedieningselement gekozen. Bevestiging door het indrukken van het draaibedieningselement.
9.1.2 Bedieningsfuncties
De volgende functie zijn voor de gebruiker beschikbaar:
| Display Functie | ||
| 21,0 °C | Wijziging gewenste waarde | Om de ingestelde temperatuur te wijzigen, moet deze met het draaibedieningselement worden gekozen en door indrukken worden bevestigd.Door het draaibedieningselement te draaien kan de gewenste waarde worden gewijzigd.De wijziging wordt door bediening van het draaibedieningselement toegepast.De actieve modus (verwarmen of koelen) wordt met de bijbehorende kleur blauw of oranje weergegeven.Als de wijziging binnen de geparametreerde hysteresis verwarmen/koelen blijft, is de verlichting wit. Als de drempelwaarde over- of onderschreden wordt, wordt dit met de kleur oranje (verwarmen) of blauw (koelen) op het display met de gewenste waarde weergegeven. |
| ECO-modus Als de ECO-modus is gekozen, kan deze door op het draaibedieningselement te drukken worden geactiveerd. Daarbij wisselt de weergave naar het ECO-symbol. - De overige functies van de KT zijn geblokkeerd.- Deactiveren door het draaibedieningselement weer in te drukken of te draaien. Het beeldscherm wisselt weer naar de volledige weergave. | ||
| UIT Door het indrukken van het draaibedieningselement de functie kiezen en bevestigen.Daarbij wisselt de weergave naar het UIT-symbol. | ||
| Fan-coil Door het indrukken van het draaibedieningselement de fan-coilfunctie kiezen en bevestigen.- Door het draaibedieningselement te draaien wordt de ventilatorstand handmatig aangepast. De wijziging wordt door indrukken van het draaibedieningselement toegepast. | ||
| Omschakeling verwarmen/koelen | Omschakeling verwarmen/koelen kiezen. Door het draaibedieningselement te toggelen wordt naar keuze tussen de functie verwarmen en koelen geschakeld. De functie wordt aangegeven met het bijbehorende symbool. | |
| Alarmfuncties | De alarmfuncties worden in het midden van het display met het bijbehorende symbool grijs weergegeven. De plaatselijke bediening is geblokkeerd. De blokkering wordt visueel aangegeven met het blokkeringsteken linksboven in het venster. Deactivering uitsluitend door het opheffen van het alarm. | |
| Vorst-/hittebeveiliging | ||
| Condenswater | ||
| Dauwpunt | ||
| Comfortmodus | ||
| Stand-bymodus | ||
| ECO-modus | ||
KNX Technisch Handboek Busch-priOn®
9.1.3 Informatieregel
Links in de informatieregel wordt de status van de interne regelaar weergegeven. De actieve bedrijfsmodus bijvoorbeeld ECO wordt via het symbool groen weergegeven. De status verwarmen of koelen wordt met de bijbehorende kleur, blauw of oranje, aangegeven.
9.1.4 Busch-priOn afsluitlijst boven met display 6351/08-825
De afsluitlijst is aangevuld met het draaibedieningselement 1-voudig 6341-xxx-101 voor de bediening van de kamerthermostaat. Via de parameterinstelling wordt gekozen tussen 3-voudig bedieningselement en 1-voudig draaibedieningselement. Het 1-voudig draaibedieningselement kan met een 2-voudig montageraam met andere modules uit het Busch-priOn®-productpalet worden gecombineerd. Bij gebruik van een 1-voudig montageraam in combinatie van een draaibedieningselement beschikt de combinatie alleen over een zuivere kamerthermostaat met draaibediening en afsluitlijst met display. Voor een plaatselijke temperatuurmeting moet de afsluitlijst onder met temperatuurvoeler worden gebruikt.
9.2 Combinatie met 3-voudig bedieningselement 6342-xxx-101 9.2.1 Bediening
De bediening gebeurt door het indrukken van de extra impulsdrukker op de afsluitlijst. Het apparaat schakelt naar het niveau voor de KT-wijziging. Deze omschakeling wordt aangegeven met een omgekeerde weergave van de ingestelde temperatuur (wit met zwarte cijfers). Na een wachttijd van 3 seconden of door de extra impulsdrukker nog een keer in te drukken wordt teruggeschakeld naar het eerste bedieningsniveau.
De volgende functie zijn voor de gebruiker beschikbaar:
| Display Functie | ||
| 21,0 °C | Wijziging gewenste waarde | De gewenste waarde wordt aangepast met de bovenste bedieningswip links/rechts. |
| ECO-modus Als de ECO-modus is gekozen, kan deze door op het draaibedieningselement te drukken worden geactiveerd. Daarbij wisselt de weergave naar het ECO-symbol. - De overige functies van de KT zijn geblokkeerd. - Deactiveren door het draaibedieningselement weer in te drukken of te draaien. Het beeldscherm wisselt weer naar de volledige weergave. | ||
| UIT Door de middelste linkerhelft van de bedieningswip te bedienen wordt het apparaat uitgeschakeld. De functie wordt in het midden van het display aangegeven met het bijbehorende symbool. - Deactiveren alleen door het opnieuw bedienen van de linker bedieningswip. | ||
| Fan-coil Bij een fan-coil vindt de bediening plaats met de onderste linkerhelft van de bedieningswip. De actieve ventilatorstand wordt in het midden van het display weergegeven. Wijziging vindt plaats door de bedieningswip nog een keer te bedienen totdat de gewenste handmatige ventilatorstand is geselecteerd. Dit wordt weergegeven in het midden van het display met een ventilatorsymbool en de actieve ventilatorstand. | ||
| Omschakeling verwarmen/koelen | Met de bedieningswip rechtsonder kan de gebruiker omschakelen tussen verwarmen en koelen (mits geparametreerd). | |
| Alarmfuncties | De alarmfuncties worden in het midden van het display met het bijbehorende symbool weergegeven. De plaatselijke bediening is op het KT-bedieningsniveau geblokkeerd. Deactivering uitsluitend door het opheffen van het alarm. | |
| Vorst-/hittebeveiliging | ||
| Condenswater | ||
| Dauwpunt | ||
| Comfortmodus | ||
| Stand-bymodus | ||
| ECO-modus | ||
9.3 Combinatie met 1-voudig 6341-xxx-101
9.3.1 Bediening
De KT wordt bediend door het oproepen van de gewenste regelaar uit het lijstmenu. De functie wordt met behulp van het draaibedieningselement gekozen. Bevestiging door het indrukken van het draaibedieningselement.
De volgende functie zijn voor de gebruiker beschikbaar:
| Display Functie | ||
| 21,0 °C | Wijziging gewenste waarde | De actuele ingestelde waarde wordt direct aangegeven. Door het draaibedieningselement te draaien kan de gewenste waarde worden gewijzigd. De wijziging wordt na een wachttijd toegepast. De actieve modus (verwarmen of koelen) wordt met het bijbehorende symbool links naast de gewenste waarde weergegeven, tegelijkertijd wordt via de gekleurde verlichting van het draaibedieningselement de bijbehorende functie aangegeven.Als de wijziging binnen de geparametreerde hysteresis verwarmen/koelen blijft, is de verlichting wit. Als de drempelwaarde over- of onderschreden wordt, wordt dit met de kleur oranje (verwarmen) of blauw (koelen) op het draaibedieningselement weergegeven. |
| ECO-modus De ECO-modus | Wordt geactiveerd door het indrukken van het draaibedieningselement.Daarbij wisselt de weergave naar het ECO-symbool.- De overige functies van de KT zijn geblokkeerd.- Deactiveren door het draaibedieningselement weer in te drukken of te draaien. Het beeldscherm wisselt weer naar de volledige weergave. Het draaibedieningselement wordt groen verlicht. | |
| UIT De functie wordt gekozen | Door het draaibedieningselement in te drukken of te draaien totdat de gewenste functie UIT op het display met het bijbehorende symbool wordt weergegeven. Door indrukken wordt de UIT-functie geactiveerd. Daarbij wisselt de weergave naar het UIT-symbool.- De overige functies van de KT zijn geblokkeerd.- De regelaar wordt ingeschakeld door nog een keer indrukken. Het beeldscherm wisselt weer naar de volledige weergave.- Het draaibedieningselement wordt wit verlicht. | |
| 1 | Fan-coil | De functie wordt gekozen door het draaibedieningselement in te drukken of te draaien totdat de gewenste functie Fan-Coil op het display met het bijbehorende symbool wordt weergegeven. Door indrukken wordt de fan-coilfunctie geactiveerd. De actieve ventilatorstand wordt in het midden van het display weergegeven. Wijziging vindt plaats door het draaibedieningselement te draaien totdat de gewenste handmatige ventilatorstand is geselecteerd. Dit wordt weergegeven in het midden van het display met een ventilatorsymbool en de actieve ventilatorstand:- Bevestigen door nog een keer indrukken of na een wachttijd.- Het draaibedieningselement wordt wit verlicht. |
| Omschakeling verwarmen/koelen | De functie wordt gekozen door het draaibedieningselement in te drukken of te draaien totdat de gewenste functie Omschakeling verwarmen/koelen op het display met het bijbehorende symbool wordt weergegeven. Door het draaibedieningselement te toggelen wordt naar keuze tussen de functie verwarmen en koelen geschakeld. De functie wordt aangegeven met het bijbehorende symbool.- Het draaibedieningselement wordt wit verlicht. | |
| Alarmfuncties | De alarmfuncties worden in het midden van het display met het bijbehorende symbool weergegeven. De plaatselijke bediening is geblokkeerd. Deactivering uitsluitend door het opheffen van het alarm. | |
| Vorst-/hittebeveiliging | ||
| Condenswater | ||
| Dauwpunt | ||
| Comfortmodus | ||
| Stand-bymodus | ||
| ECO-modus | ||
9.3.2 Bedrijfsmodi
| Comfort De comfort-bedrijfsmodus regelt de temperatuur, zodat deze voor de bewoner tijdens aanwezigheid het aangenaamste is. Deze instelling kan tijdgestuurd of door een telegram worden opgeroepen. | |
| Stand-by: De stand-by-bedrijfsmodus verlaagt de temperatuur tijdens afwezigheid onder het niveau van de comfort-bedrijfsmodus. Zo kan energie worden bespaard. Tegelijkertijd koelt de ruimte ook tijdens langere afwezigheid niet volledig af. | |
| Dauwpunt: Als door een dauwpuntsensor een bepaald telegram wordt ontvangen, geeft de kamerthermostaat het bijbehorende symbool weer en koelt niet verder af, maar beschermt alleen tegen hitte. | |
| Alarm: Het alarm kan vrij geparametreerd worden. Het alarm kan bijvoorbeeld verschijnen als een externe temperatuurvoeler geen waarden zendt. | |
| Aan/uit: De kamerthermostaat kan in- en uitgeschakeld worden. Als de regeling uitgeschakeld is, verschijnt dit symbool op het display. Het apparaat werkt dan in de vorstbeschermingsmodus. | |
| Vorstbescherming: Indien geparametreerd regelt de vorstbescherming de temperatuur zo dat deze niet onder een gewenste waarde daalt. Het is de laagste gewenste waarde.Hittebescherming: Indien geparametreerd, regelt de hittebescherming de temperatuur zo dat deze niet boven een gewenste waarde stijgt. Het is de hoogste gewenste waarde. | |
| Condensaat: Tijdens de werking van een fan-coil kan er onder bepaalde omstandigheden condenswater ontstaan dat in een reservoir wordt opgevangen. Als de fan-coil een telegram stuurt bij gevuld reservoir, verschijnt het symbool voor condensaatmodus. De kamerthermostaat schakelt automatisch over op hittebescherming. | |
| ECO: De ECO-mode verlaagt de temperatuur tot de geparametreerde instelling. Zo kan energie worden bespaard. Tegelijkertijd koelt de ruimte ook tijdens langere afwezigheid niet volledig af. |
10 Plannerondersteuning RTR
10.1 Bedrijfsmodi
De kamerthermostaat beschikt over de volgende vier bedrijfsmodi:
- Vorstbeveiligingsmodus (bij verwarmen): De temperatuurregeling is buiten bedrijf; er wordt alleen verwarmd als de kamertemperatuur zover gedaald is dat er bevriezingsgevaar bestaat voor de verwarmingsinstallatie. Hittebeschermingsmodus (bij koelen): de temperatuurregeling is buiten bedrijf; er wordt alleen gekoeld als de kamertemperatuur zover gestegen is, dat het gebruik van de ruimte vrijwel onmogelijk is geworden.
- Comfortmodus (bij verwarmen en koelen): de gewenste waarde voor de kamertemperatuur is op een waarde ingesteld die 'het normale gebruik' van de ruimte bij een aangename temperatuur mogelijk maakt.
6351/08-825 + 6344-101 [vanaf updateversie 0.1.6.0]:
De comfortmodus is bij handmatige bediening altijd actief (primaire functie).
- Stand-bymodus (bij verwarmen): De kamertemperatuur wordt zover verlaagd (bijvoorbeeld bij tijdelijke afwezigheid), dat stookkosten bespaard worden, maar dat de comforttemperatuur weer snel kan worden bereikt. Stand-bymodus (bij koelen): De kamertemperatuur wordt zover verhoogd (bijvoorbeeld bij tijdelijke afwezigheid), dat energiekosten kunnen worden bespaard maar dat de comforttemperatuur weer snel kan worden bereikt.
6351/08-825 + 6344-101 [vanaf updateversie 0.1.6.0]:
De stand-bymodus kan niet meer op het apparaat worden ingesteld. Deze wordt alleen nog via de KNX-bus geactiveerd. Weergave op display met symbool.
- Nachtmodus (bij verwarmen en koelen): Tijdens de nachtelijke uren worden ruimtes voor een langere tijd niet gebruikt; de kamertemperatuur wordt op een voorde nacht aangename waarde ingesteld en kan 's ochtends relatief snel weer op de gewenste comforttemperatuur worden gebracht.
6351/08-825 + 6344-101 [vanaf updateversie 0.1.6.0]:
In plaats van het nachtbedrijf is nu de ECO-mode beschikbaar. Deze kan ook plaatselijk wordt geactiveerd. Weergave met symbool op display.
Tussen deze bedrijfsmodi kan door schakeltelegrammen (parameter 'Omschakeling bedrijfsmodus': '1 bit (3x)') of door 1-byte waardetelegrammen (parameter "Omschakeling bedrijfsmodus": '1 byte (2x)') worden omgeschakeld.
10.1.1 Modusomschakeling 1 bit
De vorst-/hittebescherming heeft de hoogste prioriteit, dat wil zeggen dat in dit geval niet naar een andere bedrijfsmodus kan worden omgeschakeld. Hiertoe moet de vorst-/hittebescherming eerst weer worden gedeactiveerd, bijvoorbeeld door het sluiten van een geopend raam. De volgende hogere prioriteit heeft het nachtbedrijf, daarna volgt het comfortbedrijf. Als geen van de drie genoemde bedrijfsmodi actief is, bevindt de kamerthermostaat zich in stand-by.
6351/08-825 + 6344-101 [vanaf updateversie 0.1.6.0]:
De modusomschakeling 1 bit is hiervoor niet beschikbaar!
10.1.2 Bedrijfsmodusomschakeling 1 byte
Bij de bedrijfsmodusomschakeling via 1 byte worden twee 1-byte communciatieobjecten ter beschikking gesteld.
De beide 1-byte communicatieobjecten hebben verschillende gedragswijzen bij de ontvangst van een telegram. Een object evalueert de ontvangen telegrammen "normaal". Dat betekent dat als bijvoorbeeld een comforttelegram wordt ontvangen de ruimtetemperatuurregelaar in de comfortmodus schakelt. Als een nachttelegram wordt ontvangen, schakelt de ruimtetemperatuurregelaar naar de nachtmodus. Dit object wordt bijvoorbeeld door tijdschakelklokken aangestuurd.
Het tweede object ("Bedrijfsmodusomschakeling OMO") kan het eerste kortstondig "overschrijven". Dat betekent dat als bijvoorbeeld een vorst-/hittebescherming-telegram wordt ontvangen, schakelt de ruimtetemperatuurregelaar om in de bedrijfsmodus vorst-/hittebescherming. Als de vorst- of hittebescherming door ontvangst van een vernieuwd telegram gereset, dan activeert de ruimtetemperatuurregelaar de bedrijfsmodus, die op het "normale" object aanligt. Daarmee is deze dus in staat om de bedrijfsmodi te onthouden. Dit object wordt bijv. door binaire ingangen, die raamcontacten detecteren, aangestuurd.
Voor beide 1-byte communicatieobjecten gelden de volgende regels:
0 = auto (alleen bij "Bedrijfsmodusomschakeling OMO")
1 = comfort
2 = stand-by
3 = nacht
4 = vorst-/hittebeveiliging
5 - 255 = niet toegestaan
KNX Technisch Handboek Busch-priOn®
10.1.3 Bewaking
De parameter "Bewaking temperatuurmeting" legt vast of de interne en, indien aangesloten, de externe temperatuurvoeler bewaakt moeten worden. Dit betekent dat de ruimtetemperatuurregelaar binnen een instelbaar tijd ("Bewakingstijd externe temperatuur" en " Bewakingstijd buitentemperatuur") minstens een telegram met de huidige temperatuur op het daarbij behorende communicatieobject moet ontvangen.
Als tijdens de bewakingstijd geen telegram wordt ontvangen, gaat de ruimtetemperatuurregelaar ervan uit, dat de meetvoeler voor de buitentemperatuur of de externe temperatuur defect is, of niet meer op de bus aangesloten.
De ruimtetemperatuurregelaar schakelt daarop zijn regeling uit en zendt een vooraf gedefinieerde regelgrootte ("Regelgrootte bij fout temperatuurmeting") uit, zodat de te regelen ruimte niet te koud of oververhit kan raken. Deze regelgrootte wordt zolang uitgezonden tot de ruimtetemperatuurregelaar temperatuurtelegram via de bus ontvangt en de regeling weer geactiveerd wordt.
10.1.4 Externe temperatuurregistratie
In ruimtes, zoals bijvoorbeeld kantoortuinen, kan het moeilijk zijn om met slechts één ruimtetemperatuurregelaar een in de gehele ruimte goede regeling te bereiken. Voor zulke gevallen, is het mogelijk de ruimte in zones onder te verdelen met extra temperatuurvoelers.
Om te zorgen dat het temperatuurwaarde van de extra temperatuurvoelers ook in de ruimtetemperatuurregelaar kan worden verwerkt, moet de parameter "Ruimtetemperatuurmeting" op "Intern en extern" worden ingesteld. Bovendien kan daarna nog een weging aan de intern en extern gemeten temperatuur worden toegevoegd. De wegingsinstellingen hangen af van de plaatselijke omstandigheden. Voorzover de ruimtetemperatuurregelaar en de extra temperatuurvoelers zich op dezelfde afstand tot de verwarmingen bevinden, bij platte radiatoren, moet de instelling "50% / 50%" goede resultaten bij de regeling opleveren.
10.1.5 Kalibratie
Als de gemeten temperatuur vervalst wordt, bijvoorbeeld door de eigen opwarming van de busaankoppelaar, dan kan een "Kalibratiewaarde ruimtetemperatuurmeting" worden ingesteld.
Als een aanvullende externe temperatuurwaarde uitlezing werd geactiveerd en de gemeten waarde door koude- of warmte-invloeden vervalst wordt, kan hiervoor eveneens een kalibratiewaarde worden ingevoerd.
10.2 Regelaar
De ruimtetemperatuurregelaar kan alleen voor "Verwarmen" en alleen voor "Koelen" of voor "Verwarmen en koelen" worden gebruikt.
Voorzover de ruimtetemperatuurregelaar moet verwarmen en koelen, kan het omschakelen van verwarmen op koelen, of van koelen op verwarmen automatisch door de ruimtetemperatuurregelaar plaatsvinden. Daarbij detecteert de regelaar zelfstandig of juist een regelgrootte voor verwarmen of koelen moet worden uitgezonden. Als geen automatische omschakeling is gewenst, kan het omschakelen tussen verwarmen en koelen door een externe, centrale bediening via het 1-bit object "omschakeling verwarmen/koelen" plaatsvinden. Bij deze instelling zijn de verwarmings- of koelsymbolen tijdens de betreffende modus permanent zichtbaar. Het object wordt via de parameter "Omschakelen tussen verwarmen en koelen" vrijgeschakeld.
De regelgrootte, die voor verwarmen en/of koelen wordt uitgezonden, kan hetzij op een gemeenschappelijk communicatieobject "Regelgrootte verwarmen/koelen" of op twee individuele communicatieobjecten "Stelgrootte verwarmen" en "Stelgrootte koelen" plaatsvinden. Bij de benutting van een gemeenschappelijk object is het eventueel nodig aan de actor te melden of het gaat om een regelgrootte voor verwarmen of koelen. Daartoe kan via de parameter "Omschakelen tussen verwarmen en koelen" met de instelling "Automatisch en zenden" een 1-bit communicatieobject "Omschakelen verwarmen/koelen" vrijgeschakeld worden. Bij activering van de bedrijfsmodus Verwarmen wordt een "1" op de bus gezonden, bij activering van de bedrijfsmodus Koelen een "0".
Een gemeenschappelijk communicatieobject voor verwarmen en koelen is nodig voor de aansturing van twee-buizensystemen, dat wil zeggen dat het verwarmen en koelen over dezelfde leiding plaatsvindt. Twee individuele communicatieobjecten worden ingezet voor vier-buissystemen. Daarbij vindt het verwarmen en koelen plaats via afzonderlijke leidingen.
De parameter "Aantal uitgangskanalen" legt vast of een object ("1 kanaal (twee-buissysteem) bij verwarmen en koelen") of twee objecten ("2 kanalen (vier-buissysteem) bij verwarmen en koelen)" moet/moeten worden afgebeeld.
Voor verwarmen en koelen kunnen steeds eigen regelingtypen worden geparametreerd. Een van de volgende regelingtypen kan geselecteerd worden.
- 2-punts
- PWM
- Continu
- Fan Coil
Hierna worden de individuele regelmogelijkheden nauwkeurig beschreven.
KNX Technisch Handboek Busch-priOn®
10.2.1 2-punts regelaar
Een 2-punts regelaar heeft twee uitgangstoestanden, die afhankelijk van de huidige waarde veranderen. Als de huidige waarde boven de geparametreerde streefwaarde ligt, wordt de regelgrootte "0" op de bus gezonden. Als de huidige waarde onder de geparametreerde streefwaarde ligt, wordt de regelgrootte "1" uitgezonden.
Een 2-punts regelaar moet worden ingezet, als de regelgrootte alleen tussen de twee toestanden AAN en UIT moet wisselen, zoals bijvoorbeeld een elektrothermische klep die op een schakelactor aangesloten is. Een 2-punts regelaar kan bij grotere veranderingen in de toegevoerde waarden de regel afwijkingen snel compenseren, maar komt daarbij nooit tot rust.
Om snelle veranderingen van de uitgangstoestanden te vermijden, hebben de 2-punts regelaars altijd in ingebouwde hysteresis, die om de streefwaarde schommelt. De hysteresis kan in verschillende grootten geparametreerd worden. Als bijvoorbeeld tijdens de verwarmingsmodus de streefwaarde bij 21°C ligt en de hysteresis bij 1,0 K, dat schakelt de regelaar in bij het onderscheiden van 20,5°C en bij het overschrijden van 21,5°C weer uit. De in te stellen parameter "Hysteresis" richt zich enerzijds naar hoe snel de verwarming een ruimte kant verwarmen, of hoe snel de koeling een ruimte afkoelt, en anderzijds naar hoe de mensen de temperatuur in de ruimte ervaren. De hysteresis moet niet te klein gekozen worden omdat anders de aangestuurde regelklep te vaak opent en sluit. De hysteresis mag ook niet te groot gekozen worden omdat anders de temperatuurschommelingen in de ruimte te groot worden.
10.2.2 Permanente regelaar
Een permanente regelaar bezit een zich constant wijzigende regelgrootte, die waarden tussen 0 en 100% kan aannemen. Bij KNX wordt dit regelgrootte signaal geconverteerd in een 1-byte waarde, dat wil zeggen, de regelgrootte 0% komt overeen met de waarde "0" en de regelgrootte 100% komt overeen met de waarde "255".
Via een permanente regelaar met 1-byte grote regelgrootte kunnen bijvoorbeeld regelkleppen met elektromotor worden bediend. Deze zetten via een ingebouwde motor de ontvangen waarde direct om in de kleppositie. Zo kan optimaal geregeld worden.
Maar de 1-byte regelgrootte van een permanente regelaar kan ook aan KNX-verwarmingsactoren gestuurd worden, die het 1-byte signaal omzetten in een PWM-grootte. Hiermee kunnen elektrothermische kleppen worden aangestuurd. Hierbij kan het eventueel zinvol zijn, het dynamiek bereik te beperken, omdat de elektrothermische kleppen een bepaalde tijd nodig hebben om te openen en te sluiten. Dit kan gebeuren met de parameters "Minimale regelgrootte" of "Maximale regelgrootte". Als bijvoorbeeld een maximale regelgrootte van 80% wordt opgegeven, zendt de regelaar bij het overschrijden van een regelgrootte van 204 automatisch altijd de waarde 255 uit.
Om onnodige belasting van de bus te voorkomen, kan worden ingesteld hoe groot de wijziging van de regelgrootte wezen moet voordat deze op de bus mag worden uitgezonden. De instelling vindt plaats in procenten. Het uitzenden van de stelgrootte, voorzover deze niet is gewijzigd, wordt door een cyclustijd bepaald. Deze cyclustijd moet niet te klein gekozen worden (bijvoorbeeld om de 10 min.).
10.2.3 PWM-regelaar
De PWM-regelaar bezit dezelfde continue regeling als een permanente regelaar. Nu wordt bij een PWM-regelaar de 1-byte regelgrootte (0...255) in een Aan-/Uitschakelverhouding (0 en 1) omgevormd. Als bijvoorbeeld een regelgrootte van 70% moet worden uitgegeven dan zal bij een vooraf ingestelde cyclusduur van 10 min de inschakeltijd 7 min en de uitschakeltijd 3 min bedragen.
Hierdoor worden de voordelen van de continue regeling (regelen op de gewenste streefwaarde, geen uitschieters) op de aandrijvingen overgedragen die alleen voor Aan-/Uitschakelsignalen zijn gebouwd, zoals bijvoorbeeld elektrotechnische aandrijvingen.
Om de regeleigenschappen van het verwarmings-/koelsysteem te optimaliseren, kan de "Cyclusduur PWM-regelgrootte" worden ingesteld. Voor een zinvolle instelling van de cyclusduur moet rekening gehouden worden met de aard van de verwarming of koeling evenals de toegepaste regelklep. Hiertoe kunt u de volgende aanbevelingen opvolgen:
- Elektrothermische regelklep
Het openen van een elektrothermische regelklep duurt ca. 2-3 minuten. Een kortere cyclusduur als 15 minuten is daarom niet zinvol.
• Vloerverwarming
De tijdconstante van vloerverwarming is zeer hoog. Daarom is een cyclusduur van 20 minuten voldoende. - Warm water verwarming
Hierbij worden geregeld elektrothermische aandrijvingen gebruikt. Een cyclusduur van 15 minuten zorgt voor goede regelresultaten.
• Elektro-convectorverwarming
Cyclusduren tussen 10 en 15 minuten worden aanbevolen, afhankelijk van de omstandigheden van de betreffende ruimten.
10.2.4 Fan Coil
Met de optie Fan Coil bij "Regelingtypen" vindt de uitgave van regelgrootten plaats op dezelfde manier als beschreven onder permanente regelaar.
Bovendien bestaat met Fan Coil de mogelijkheid bij een Fan Coil actor ventileerstanden via een 1-byte of drie 1-bit communicatieobjecten aan te sturen.
Door het bijschakelen van de ventilatortstanden wordt de ruimte overeenkomstig sneller verwarmd of afgekoeld.
Welke ventileerstand bij welke regelgrootte actief moet zijn, wordt op een afzonderlijk tabblad "Fan coil verwarmen" of "Fan coil koelen" vastgelegd. Daarbij moet worden opgelet dat de Drempelwaarde stand 1 altijd kleiner moet zijn dan Drempelwaarde stand 2, die ook kleiner moet wezen dan Drempelwaarde stand 3.
10.2.5 Regelparameters bij PWM- en permanente regelaar (fan coil)
Bij continu geregelde en bij schakelende PWM-regelaars kunnen de vooraf ingestelde regelparameters via het installatietype van de verwarmings- of koelinstallatie worden toegepast. Als andere regelparameters nodig zijn, kunt u deze via vrije parametrering afzonderlijk instellen. De vrije parametrering moet alleen gebruikt worden als u over voldoende ervaring beschikt in de regeltechniek.
Met de instelling "Vrije parametrering" kunnen het "Proportionele bereik (Xp)" en de "Nasteltijd (Tn)" worden ingesteld. Het proportionele bereik ligt onder en boven de ingestelde streefwaarde en bepaalt de snelheid van de regeling. De nasteltijd bedraagt het drievoudige van de vertragingstijd. De vertragingstijd wordt bepaald door de tangenten van de opwarmcurve van de ruimte. In principe geldt voor beide instellingen, dat hoe trager het volledige systeem is, hoe groter de waarden geparametreerd moeten worden.
10.2.6 Tweetraps verwarmen / koelen
In bepaalde gevallen (vloerverwarming) kan het nodig zijn voor de verwarmingsregeling een krachtige extra stand te installeren, om de kamer snel te kunnen opwarmen. De ruimtetemperatuurregelaar beschikt over de instelling vooraf "Extra stand verwarmen actief" via een tweede verwarmingssysteem met een schakelende regeling, die met de 1-byte waarden 0% en 100% stuurt.
Met de parameters "Afstand extra stand" en "Hysteresis (eenzijdig)" wordt bepaald wanneer de extra stand in- en uitschakelt. Als bijvoorbeeld voor de extra stand de streefwaarde 18 °C is en de hysteresis 0,5 K (eenzijdig) dan schakelt de regelaar bij 18 °C in en bij 18,5 °C weer uit.
Analoog gelden voor de extra stand koelen dezelfde instellingen als voor de extra stand verwarmen, alleen dat bij koelen bij overschrijding van een instelbare temperatuur een aanvullende koeling wordt ingeschakeld, zodat de ruimte sneller gekoeld wordt.
Omdat bepaalde regelkleppen bij een 1-bit waarde van "1" resp. een 1-byte waarde van "255" sluiten (stroomloos geopend) en bij "0" overeenkomstig openen, kan de werking van de regelgrootte via "Stelgrootte omkeren" gewijzigd worden zes.
10.3 Streefwaarden
De ruimtetemperatuurregelaar kan met afhankelijke of individuele streefwaarden functioneren. Beide varianten worden hierna afzonderlijk toegelicht.
10.3.1 Afhankelijke streefwaarden
Bij afhankelijke streefwaarden bestaan twee basisstreefwaarden, één voor verwarmen ("Verwarmen streefwaarde comfortmodus") en een voor koelen ("Koelen streefwaarde comfortmodus").
Op deze basisstreefwaarden hebben de volgende instellingen betrekking: "... verlaging Standby/Nachtmodus" of "... verhoging Standby/Nachtmodus". Dit betekent, dat als bijvoorbeeld voor het "Verwarmen streefwaarde comfortmodus" 21 °C is ingesteld en bij "Verwarmen streefwaarde verlaging standby" 2 K werd vastgelegd, de streefwaarde voor verwarmen in standby-modus met 2 K tot 19 °C wordt verlaagd. Als bij "Verwarmen streefwaarde verlaging nachtmodus" 4k is vastgelegd, dan ligt de streefwaarde voor verwarmen bij nachtmodus op 17 °C.
De afhankelijkheid van de streefwaarden blijft ook na een handmatige streefwaarden verschuiving in stand. Als de gebruiker bijvoorbeeld een handmatige streefwaarden verschuiving van de geparametreerd de temperatuur "Verwarmen streefwaarde comfortmodus" met 1 K naar boven op 22 °C heeft uitgevoerd, wordt deze waarde bij activering van de standby-modus met 2 K tot 20 °C verlaagd. Bij oproep van de nachtmodus wordt de waarde met 4 K verlaagd, zodat de streefwaarde 18 °C bedraagt.
Een handmatige wijziging van de geparametreerde streefwaarden kan door de gebruiker worden uitgevoerd via de twee toetsen "Temperatuur verhogen" of "Temperatuur verlagen". De omwisseling tussen "Verwarmen streefwaarde comfortmodus" en "Koelen streefwaarde comfortmodus" vindt plaats door lang indrukken van de toets (ca. 1 s.) op de toets "Temperatuur omhoog" op de streefwaarde verwarmen en op de toets "Temperatuur omlaag" op de streefwaarde koelen. De twee ingestelde streefwaarden voor verwarmen en koelen kunnen, ook zonder de ETS, zo vaak als gewenst, over de bus gewijzigd worden. Hiertoe moet een 2-byte temperatuurwaarde aan het communicatieobject "Basisstreefwaarde – Regeling" gezonden worden. Afhankelijk van het feit of nu juist verwarmen of koelen actief is, wordt de waarde als "Verwarmen streefwaarde comfortmodus" of "Koelen streefwaarde comfortmodus" opgeslagen. De ontvangen waarden worden in het geheugen van het apparaat geschreven en blijven ook bij uitval en terugkeer van de busspanning behouden. Hiermee is het mogelijk bij een verandering van het gebruik van de ruimte, bijvoorbeeld via een visualisering nieuwe basisstreefwaarden aan het apparaat te zenden.
Het hoeft niet opnieuw geparametreerd te worden. Bij een handmatige wijziging en afhankelijke streefwaarden wordt rekening gehouden met de betrekking tot de basisstreefwaarde. Hiermee wordt vastgelegd, of de basisstreefwaarde betrekking heeft op de comfort-temepratuur voor verwarmen, voor koelen of op de gemiddelde temperatuur tussen verwarmen en koelen.
Standaard ingesteld is "streefwaarde verwarmen", in regio's waarin de koelfunctie op de voorgrond staat is het zinvol de parameter in "streefwaarde koelen" te wijzigen. Dit vereenvoudigt het instellen van de ruimtetemperatuurregelaar met betrekking tot de verhoging van de streefwaarden koelen (standby-temperatuur koelen en nachtverlaging koelen).
10.3.2 individuele streefwaarden
Als individuele streefwaarden worden toegepast, worden voor iedere bedrijfsmodus individuele streefwaarden geparametreerd ("Verwarmen streefwaarde comfortmodus", "Verwarmen streefwaarde standby", "Verwarmen streefwaarde nachtmodus, Koelen streefwaarde comfortmodus", "Koelen streefwaarde standby" en "Koelen streefwaarde nachtmodus"). Anders dan bij de afhankelijke streefwaarden, blijven de individuele streefwaarden ook na een handmatige verschuiving van de streefwaarden behouden. Als de gebruiker bijvoorbeeld een handmatige streefwaarden verschuiving van de geparametreerd de temperatuur "Verwarmen streefwaarde comfortmodus" naar boven of naar beneden uitvoert, wordt bij activering van de standby-modus altijd de geparametreerd de waarde "Verwarmen streefwaarde standby" opgeroepen. Dat wil zeggen, er worden altijd alleen de vast opgeslagen streefwaarden voor de individuele bedrijfsmodi opgeroepen. Een handmatige wijziging van de geparametreerde streefwaarden kan door de gebruiker worden uitgevoerd via de twee toetsen "Temperatuur verhogen" of "Temperatuur verlagen". De omwisseling tussen "Verwarmen streefwaarde comfortmodus" en "Koelen streefwaarde comfortmodus" vindt plaats door lang indrukken van de toets (ca. 1 s.) op de toets "Temperatuur omhoog" op de streefwaarde verwarmen en op de toets "Temperatuur omlaag" op de streefwaarde koelen. De ingestelde streefwaarden kunnen voor elke bedrijfsmodus, ook zonder de ETS, zo vaak als gewenst over de bus gewijzigd worden. Daartoe moet een 2-byte temperatuurwaarde aan het betreffende communicatieobject "Streefwaarde verwarmen comfort", "Streefwaarde verwarmen standby", "Streefwaarde verwarmen nachtmodus", "Streefwaarde vorstbescherming", "Streefwaarde koelen comfort", "Streefwaarde koelen standby", "Streefwaarde koelen nachtmodus" of "Streefwaarde hittebescherming" gezonden worden. De ontvangen waarden worden in het geheugen van het apparaat geschreven en blijven ook bij uitval en terugkeer van de busspanning behouden. Hiermee is het mogelijk bij een verandering van het gebruik van de ruimte, bijvoorbeeld via een visualisering nieuwe streefwaarden aan het apparaat te zenden. Het hoeft niet opnieuw geparametreerd te worden.
10.3.3 Minimum afstand
De instelbare parameter "Minimum afstand tussen verwarmen en koelen" is zowel bij de afhankelijke als ook bij de individuele streefwaarden actief.
De minimum afstand ligt altijd tussen "Verwarmen streefwaarde comfortmodus" en "Koelen streefwaarde comfortmodus".
Deze dient als een bufferzone zodat de twee streefwaarden elkaar niet kunnen overlappen.
Voorbeeld:
Er zijn twee individuele streefwaarden gekozen. De "Verwarmen streefwaarde comfortmodus" ligt bij 21 °C en de "Koelen streefwaarde comfortmodus" is op 26 °C ingesteld. De dode zone tussen verwarmen en koelen bedraagt 3 K. Als alleen streefwaardeverschuiving naar boven wordt uitgevoerd, wordt ook de dode zone naar boven verschoven. Als de verschuiving een temperatuur van 23 °C overschrijdt, zal de "Koelen streefwaarde comfortmodus" ook naar boven verschuiven, zodat altijd een minimum afstand van 3 K tussen verwarmen en koelen gegarandeerd blijft.
Bij een streefwaardeverschuiving Koelen omlaag, wordt ook de dode zone omlaag verschoven. Als de verschuiving een temperatuur van 24 °C overschrijdt, dan zal de "Verwarmen streefwaarde comfortmodus" omlaag verschuiven, zodat ook in dit geval de minimum afstand wordt aangehouden.
10.4 Fan coil algemeen
Ventilatorconvectoren, die ook wel worden aangeduid als fan coil-eenheden, worden voor decentrale verwarming en koeling ingezet. Zij worden in de ruimte gemonteerd en via een centraal verwarmings- en koelsysteem bediend. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen systemen met twee of vier buizen. In een fan coil-eenheid zitten ventilatoren met meerdere standen, die een snelle aanpassing van de ruimte temperatuur aan de individuele wensen mogelijk maken. De ruimtetemperatuurregelaar fan coil met display kan tot drie ventileerstanden handmatig of automatisch aansturen.
De aansturing van de ventilatorstand kan op drie manieren plaatsvinden:
- via 1-bit waarden,
Dat wil zeggen, er wordt voor elke ventileerstand een eigen 1-bit communicatieobject "Fan coil stand ... schakelen" beschikbaar gesteld. Dit is nodig voor "normale" schakelactoren. (Bij gebruik van KNX-schakelactoren en fan coil-eenheden moeten de aansluitaanwijzingen van de fan coil-eenheid in acht genomen worden).
• via 1-byte object als getalswaarde 0-3
dat wil zeggen er is een 1-byte communicatieobject "Ventileerstand handmatig 1 byte", dat met een overeenkomstig communicatieobject van een fan coil actor wordt verbonden. Daarbij betekenen de waarden 0 = UIT 1 = Stand 1 2 = Stand 2 3 = Stand 3
- via 1-byte object als permanente waarde 0-100 %,
Dat wil zeggen, er is een 1-byte communicatieobject "Ventileerstand handmatig 1 byte", dat met een overeenkomstig communicatie object van een fan coil actors wordt verbonden. Bij een handmatige omschakeling van de standen worden drempelwaarden uitgezonden, die op het tabblad verwarmen of koelen staan ingesteld. Bij verwarming worden de drempelwaarden voor verwarmen uitgezonden, bij koeling worden de drempel waarden voor het koelen uitgezonden. Om te zorgen, dat een fan coil-eenheid de ventileerstanden ook schakelt, moeten de parameters van de bijbehorende fan coil actor overeenkomstig worden ingesteld.
Via de parameter "Statusbyte ventilatorstand uitlezen" kan een 1-byte communicatieobject "Status bedrijfstoestand fan coil" vrijgeschakeld worden dat met een betreffend object van een fan coil actor gekoppeld is. Hierdoor kan de ruimtetemperatuurregelaar fan coil uitlezen welke ventileerstand bij fan coil actor werkelijk actief is. Het displayelement stemt overeen met de waarde van het communicatieobject (0 = UIT, 1 = Stand 1, 2 = Stand 2, 3 = Stand 3).
De parameter "Statusbyte bedrijf uitlezen" activeert een 1-bit communicatieobject "In bedrijf ontvangen – Actorbewaking".
Op dit object kunnen cyclisch telegrammen van de fan coil actor worden ontvangen en uitgelezen. Daarmee kan de ruimtetemperatuurregelaar controleren of de fan coil actor nog in bedrijf is en zich laten aansturen. Als de fan coil actor een probleem heeft en geen cyclische telegrammen meer kan uitzenden dan toont de ruimtetemperatuurregelaar dit aan met het symbool voor "Storing" op het display. Als de storing bij de fan coil actor wordt opgelost en weer cyclische telegrammen ontvangen worden, wordt de "Storing" van het display verwijderd en functioneert de ruimtetemperatuurregelaar weer "normaal".
Bij de instelling van de cyclusduur "In bedrijf" in de fan coil actor moet erop gelet worden, dat dit minstens tweemaal zo groot gekozen wordt als de bewakingstijd in de ruimtetemperatuurregelaar ("Zendcyclusduur van de actor in s"). Een zinvolle cyclusduur bij de actor is ca. 60 s. met een bewakingstijd van 120 s. bij de ruimtetemperatuurregelaar.
Om bijvoorbeeld in hotelkamers een te hoog geluidsniveau tijdens de rustfase in de nacht te voorkomen, kan een "Standbegrenzing bij nachtmodus" worden ingesteld. Dit betekent dat tijdens de nachtmodus automatisch niet hoger dan de ingestelde ventileerstand wordt geschakeld. Bij het omwisselen naar een andere bedrijfsmodus kunnen weer alle ventileerstanden worden aangestuurd.
Via de parameter "Standbegrenzing bij nachtmodus" kan een begrenzing op "Stand 2" of "Stand 1" worden uitgevoerd of kan de ventilatie volledig gedeactiveerd worden.
10.5 Compensatie
De ruimtetemperatuurregelaar fan coil met display beschikt over twee compensatiemogelijkheden: zomer- en wintercompensatie. Beide mogelijkheden worden hierna toegelicht.
10.5.1 Zomercompensatie
Om energie te sparen en om het temperatuurverschil bij het betreden van een gebouw met airconditioning binnen aangename grenzen te houden, zou 's zomers de kamertemperatuur afhankelijk van de buitentemperatuur moeten worden verhoogd (zomercompensatie volgens DIN 1946). De verhoging van de ruimtetemperatuur vindt plaats door aanpassing van "Koelen streefwaarde comfortmodus".
Het verhogen van de kamertemperatuur betekent echter niet dat de kamer moet worden verwarmd, maar dat de kamertemperatuur zonder koeling tot een bepaalde ingestelde waarde verhoogd moet worden. Daarmee wordt voorkomen dat bijvoorbeeld bij een buitentemperatuur van 35 °C een bestaande airconditioning blijft proberen om de kamertemperatuur op 24 °C te verlagen.
De activering van de zomercompensatie vereist de aanwezigheid van een buitentemperatuur-voeler die zijn gemeten waarde aan de KNX zendt en zo door de ruimtetemperatuurregelaar met display kan worden uitgelezen.
Voor de zomercompensatie bestaan de parameters:
- "Zomercompensatie laagste buitentemperatuurwaarde",
- "Zomercompensatie hoogste buitentemperatuurwaarde",
- "Zomercompensatie laagste streefwaarde-offset"
- "Zomercompensatie hoogste streefwaarde-offset"
Via de laagste en hoogste buitentemperatuurwaarde wordt vastgelegd vanaf en tot welke temperatuurwaarde een correctie van de streefwaarde moet worden uitgevoerd.
Met de laagste en hoogste streefwaarde-offset wordt vastgelegd, met hoeveel Kelvin de in de parameters of door de gebruiker via een handmatige verschuiving vastgelegde streefwaarde tijdens de zomercompensatie moet worden aangepast.
Typische waarden voor de zomercompensatie zijn:
- 20 °C: laagste buitentemperatuurwaarde
- 32 °C: hoogste buitentemperatuurwaarde
• 0 K: laagste streefwaarde-offset
• 4 K: hoogste streefwaarde-offset
Dit betekent dat een vloeiende streefwaardeverhoging van 0 tot 4 K plaatsvindt, als de buitentemperatuur stijgt van 20 °C tot 32 °C.
Voorbeeld:
In het volgende diagram staat voor "Koelen streefwaarde comfort" 25 °C geparametreerd. Bij een stijgende buitentemperatuur wordt de geparamtreerd de streefwaarde vanaf een buitentemperatuur van 20 °C vloeiend van 25 °C naar 29 °C verhoogd. De 29 °C wordt bij een buitentemperatuur van 32 °C bereikt. Daarna wordt de streefwaarde bij verder stijgende buitentemperatuur niet meer verhoogd.
Opmerking:
Bij actieve compensatie wordt CO op het display van de ruimtetemperatuurregelaar afgebeeld.
10.5.2 Wintercompensatie
Voor meer behaaglijkheid en om het temperatuurverschil bij het betreden van een ruimte met grote ramen binnen aangename grenzen te houden, zou in de winter de kamertemperatuur afhankelijk van de buitentemperatuur moeten worden verhoogd (wintercompensatie). De ruimtetemperatuur wordt verhoogd door aanpassing van 'Verwarmen gewenste waarde comfortmodus'.
Net als bij de zomercompensatie is voor de activering van de wintercompensatie een buitentemperatuurvoeler nodig, die de gemeten waarde naar de KNX stuur en zodoende door de kamerthermostaat met display kan worden uitgelezen.
Voor de wintercompensatie zijn de volgende parameters beschikbaar:
- 'Wintercompensatie laagste buitentemperatuurwaarde',
- 'Wintercompensatie hoogste buitentemperatuurwaarde',
- 'Wintercompensatie laagste offset gewenste waarde'
- 'Wintercompensatie hoogste offset gewenste waarde'.
Via de laagste en hoogste buitentemperatuurwaarde wordt vastgelegd vanaf en tot welke temperatuurwaarde de gewenste waarde moet worden gecorrigeerd.
Met de laagste en hoogste offset van de gewenste waarde wordt vastgelegd, met hoeveel Kelvin de in de parameters of door de gebruiker via een handmatige verschuiving vastgelegde gewenste waarde tijdens de wintercompensatie moet worden aangepast.
Typische waarden voor de wintercompensatie zijn:
- 0 °C: laagste buitentemperatuurwaarde
- 10 °C: hoogste buitentemperatuurwaarde
• 4 K: laagste offset ingestelde waarde - 0 K: hoogste offset ingestelde waarde
Dat betekent dat de gewenste waarde vloeiend wordt verhoogd van 0 tot 4 K plaatsvindt als de buitentemperatuur van 10°C naar 0°C daalt.
Voorbeeld:
In het volgende diagram is voor 'Verwarmen gewenste waarde comfort' 21 °C geparametreerd. Bij een dalende buitentemperatuur wordt de geparametreerde gewenste waarde vanaf een buitentemperatuur van 10 °C vloeiend van 21 °C naar 25 °C verhoogd. De 25 °C wordt bij een buitentemperatuur van 0 °C bereikt. Daarna wordt de gewenste waarde bij verder dalende buitentemperatuur niet meer verhoogd.
Aanwijzing:
Bij actieve compensatie wordt 'CO' op het display weergegeven.
6351/08-825 + 6344-101 [vanaf updateversie 0.1.6.0]:
Wintercompensatie is hiervoor niet beschikbaar!
11 Beschrijvingen van toepassingen
(zonder ruimtetemperatuurregeling 6351/08-825 + 6344-101 [vanaf updateversie 0.1.6.0] -> zie apart hoofdstuk)

6351/08-825 + 6344-101 [vanaf updateversie 0.1.6.0]:
Bij gebruik van een native ETS-applicatie zijn niet alle 'Algemene functies' (logica's) voor de gebruiker beschikbaar. Dit is alleen bij de PowerTool het geval.
11.1 Schakelen, wip geheel
Met de toepassing "Schakelen, wip geheel" wordt bij het aanraken van de rechter- of linkerzijde van de wip een schakeltelegram verzonden.
De toepassing "Schakelen, wip geheel" detecteert daarbij of de wip aan de linker- of de rechterzijde ingedrukt wordt.
Objecten schakelen, wip geheel
| Nr. | Objectnaam Datatype Flags | ||
| 0 | Schakelen 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, W, T, U |
11.2 Schakelen, wip links / rechts
Met de toepassing "Schakelen, wip links / rechts" wordt bij het indrukken / of het loslaten van de wip een schakeltelegram verzonden. "Wip links / rechts" detecteert niet, of de wip aan de linker- of de rechterzijde wordt ingedrukt. De toepassing stelt voor de rechter- en linkerzijde van de wip steeds een eigen set parameters en communicatie-objecten beschikbaar.
De toepassing maakt het mogelijk, via een zijde van de wip een schakelfunctie te realiseren en de andere zijde van de wip te voorzien van een andere "toetsgebonden" functie.
Objecten schakelen, wip links / rechts
| Nr. | Objectnaam Datatype Flags | ||
| 0 | Schakelen 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, W, T, U |
11.3 Dimmen, wip geheel
Met de toepassing "Dimmen, wip geheel" beschikt een wip over communicatie-objecten om te schakelen en te dimmen. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen kort en lang indrukken van de toets.
De toepassing "Dimmen, wip geheel" detecteert of de wip aan de linker- of de rechterzijde ingedrukt wordt. Of bij een bediening aan de linker- of aan de rechterzijde in- of uitgeschakeld resp. lichter of donkerder gedimd wordt, is via de parameter "Werking van de wip voor ..." instelbaar.
Objecten dimmen, wip geheel
| Nr. | Objectnaam Datatype Flags | ||
| 0 | Schakelen 1 Bit EIS2 / DPT 1.001 C, W, T, U | ||
| 1 | Relatief dimmen 4 Bit EIS2 / DPT 3.007 C, T |
KNX Technisch Handboek
Busch-priOn®
11.4 Objecten schakelen, wip links / rechts
Met de toepassing "Dimmen, wip links / rechts" bezit een wip communicatie-objecten om mee te schakelen of te dimmen.
Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen kort (schakelen) en lang (dimmen) indrukken van de toets.
De toepassing "Dimmen, wip links / rechts" detecteert niet of de wip aan de linker- of aan de rechterzijde ingedrukt wordt. De toepassing stelt voor de rechter- en linkerzijde van de wip steeds een eigen set parameters en communicatie-objecten beschikbaar.
De toepassing maakt het mogelijk, via een zijde van de wip een schakelfunctie te realiseren en de andere zijde van de wip te voorzien van een andere "toetsgebonden" functie.
Objecten schakelen, wip links / rechts
| Nr. | Objectnaam Datatype Flags | ||
| 0 | Schakelen 1 Bit EIS2 / DPT 1.001 C, W, T, U | ||
| 1 | Relatief dimmen 4 Bit EIS2 / DPT 3.007 C, T |
11.5 Jaloezie, wip geheel
Met de toepassing "Jaloezie, wip geheel" kunnen door kort, resp. lang indrukken van de wip, jaloezie-aansturing en/of lamellenverstelling van aangesloten jaloezie-actoren bediend worden. Een korte druk op de toets verzendt een commando voor de lamellenverstelling - resp. een stopcommando, een lange druk op de toets verzendt een stuurcommando.
Voor de besturing onthoudt de zijde van de wip, die van de toepassing "Jaloezie, wip geheel" voorzien is, steeds de laatst uitgevoerde actie. Voorbeeld: als u een jaloezie laat zakken en met een korte druk op de toets op halve hoogte stopt, dan zal de jaloezie na een hierop volgend lang indrukken van de toets omhoog gaan.
Objecten jaloezie, wip geheel
| Nr. | Objectnaam Datatype Flags | ||
| 0 | Verstellen (1 Bit) 1 Bit EIS7 / DPT 1.008 C, T | ||
| 0 | Verstellen (1 Byte) 1 Byte EIS6 / DPT 5.001 C, T | ||
| 1 | Stureh (1 Bit) 1 Bit EIS7 / DPT 1.007 C, T | ||
| 1 | Stureh (1 Byte) | 1 Byte EIS6 / DPT 5.001 C, T |
11.6 Jaloezie, wip links / rechts
Met de toepassing "Jaloezie, wip links / rechts" kunnen door kort, resp. lang indrukken van de wip, commando's voor jaloezie-aansturing en/of lamellenverstelling aan aangesloten jaloezie-actoren verzonden worden. Een korte druk op de toets verzendt een commando voor de sturing, een lange druk op de toets verzendt een stopcommando.
De toepassing "Jaloezie, wip links / rechts" stelt voor de rechter- of linkerzijde van de wip steeds een eigen set parameters en communicatie-objecten beschikbaar. Daardoor is het mogelijk, via een zijde van de wip een jaloezie aan te sturen en de andere zijde van de wip van een andere "Wip links / rechts" functie te voorzien.
Voor de besturing onthoudt de zijde van de wip, die van de toepassing "Jaloezie, wip links / rechts" wordt voorzien, steeds de laatst uitgevoerde handeling. Voorbeeld: als u een jaloezie laat zakken en met een korte druk op de toets op halve hoogte stopt, dan zal de jaloezie na een hierop volgend lang indrukken van de toets omhoog gaan.
Objecten jaloezie, wip links / rechts
| Nr. | Objectnaam Datatype | Flags | ||
| 0 | Verstellen (1 Bit) | 1 Bit | EIS7 / DPT 1.007 C, W, T, U | |
| 0 | Verstellen (1 Byte) | 1 Byte | EIS6 / DPT 5.001 | C, W, T, U |
| 1 | Sturen (1 Bit) | 1 Bit | EIS7 / DPT 1.008 C, W, T, U | |
| 1 | Sturen (1 Byte) | 1 Byte EIS6 / DPT 5.001 | C, W, T, U |
11.7 Waardezender, wip geheel
Met de toepassing "Waardezender, wip geheel" wordt bij het aanraken van de rechter- of linkerzijde van de wip een schakeltelegram met een voorgedefinieerde waarde verzonden.
De toepassing "Waardezender, wip geheel" detecteert daarbij of de wip aan de linker- of aan de rechterzijde bediend wordt.
Objecten waardezender, wip geheel
| Nr. | Objectnaam Datatype Flags | ||
| 0 | Waarde schakelen (1 Bit) 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, W, T, U | ||
| 0 | Waarde schakelen (1 Byte 0..100 %) 1 Byte EIS6 / DPT 5.001 C, W, T, U | ||
| 0 | Waarde schakelen (1 Byte 0..255) 1 Byte EIS14 / DPT 5.010 C, W, T, U | ||
| 0 | Waarde schakelen (2 Byte Float) 2 Byte EIS5 / DPT 9.xxx C, W, T, U | ||
| 0 | Waarde schakelen (2 Byte Signed) 2 Byte EIS10 / DPT 7.001 C, W, T, U | ||
| 0 | Waarde schakelen (2 Byte Unsigned) | 2 Byte EIS10 / DPT 8.001 | C, W, T, U |
| 0 | Waarde schakelen (4 Byte Float) | 4 Byte EIS9 / DPT 14.xxx | C, W, T, U |
| 0 | Waarde schakelen (4 Byte Signed) | 4 Byte EIS11 / DPT 13.001 | C, W, T, U |
| 0 | Waarde schakelen (4 Byte Unsigned) | 4 Byte EIS11 / DPT 12.001 | C, W, T, U |
11.8 Waardezender, wip links / rechts
Met de toepassing "Waardezender, wip links / rechts" wordt bij het aanraken en / of bij het loslaten van de wip een telegram met een vooraf gedefinieerde waarde verzonden.
De toepassing "Waardezender, wip links / rechts" detecteert niet, of de wip aan de linker of de rechterzijde bediend wordt.
De toepassing stelt voor de rechter- en linkerzijde van de wip een eigen set parameters en communicatie-objecten beschikbaar.
De toepassing maakt het mogelijk, via een zijde van de wip een schakelfunctie te realiseren en de andere zijde van de wip te voorzien van een andere "toetsgebonden" functie.
Objecten waardezender, wip links / rechts
| Nr. | Objectnaam Datatype Flags | ||
| 0 | Schakelen (1 Bit) | 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, W, T, U | |
| 0 | Schakelen (1 Byte 0..100 %) | 1 Byte EIS6 / DPT 5.001 | C, W, T, U |
| 0 | Schakelen (1 Byte 0..255) | 1 Byte EIS14 / DPT 5.010 C, W, T, U | |
| 0 | Schakelen (2 Byte Float) | 2 Byte EIS5 / DPT 9.xxx C, W, T, U | |
| 0 | Schakelen (2 Byte Signed) | 2 Byte EIS10 / DPT 8.001 C, W, T, U | |
| 0 | Schakelen (2 Byte Unsigned) | 2 Byte EIS10 / DPT 7.001 | C, W, T, U |
| 0 | Schakelen (4 Byte Float) | 4 Byte EIS9 / DPT 14.xxx C, W, T, U | |
| 0 | Schakelen (4 Byte Signed) | 4 Byte EIS11 / DPT 13.001 | C, W, T, U |
| 0 | Schakelen (4 Byte Unsigned) | 4 Byte EIS11 / DPT 12.001 | C, W, T, U |
11.9 Waardezender, 2 objecten, wip links / rechts
Met de toepassing "Waardezender, 2 objecten, wip links / rechts" kunnen bij een indrukken en/of bij het loslaten van de wip twee telegrammen met voorgedefinieerde waarden door twee verschillende communicatie-objecten verzonden worden.
De toepassing "Waardezender, 2 objecten, wip links / rechts" stelt voor de rechter- en linkerzijde van de wip steeds een eigen set parameters en communicatie-objecten beschikbaar.
De toepassing maakt het mogelijk door een zijde van de wip te bedienen bijv. een schakelfunctie en een waarde met een zwevend decimaalteken uit te zenden, en de andere zijde van de wip te voorzien van een "toetsgebonden" functie.
Objecten waardezender, 2 objecten, wip links / rechts
| Nr. | Objectnaam Datatype Flags | ||
| 0 | Schakelen (stijgende helling) (1 Bit) 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, W, T, U | ||
| 0 | Schakelen (stijgende helling) (1 Byte 0..100 %) 1 Byte EIS6 / DPT 5.001 C, W, T, U | ||
| 0 | Schakelen (stijgende helling) (1 Byte 0..255) 1 Byte EIS14 / DPT 5.010 C, W, T, U | ||
| 0 | Schakelen (stijgende helling) (2 Byte Float) 2 Byte EIS5 / DPT 1.xxx C, W, T, U | ||
| 0 | Schakelen (stijgende helling) (2 Byte Signed) 2 Byte EIS10 / DPT 8.001 C, W, T, U | ||
| 0 | Schakelen (stijgende helling) (2 Byte Unsigned) | 2 Byte EIS10 / DPT 7.001 | C, W, T, U |
| 0 | Schakelen (stijgende helling) (4 Byte Float) | 4 Byte EIS9 / DPT 14.xxx | C, W, T, U |
| 0 | Schakelen (stijgende helling) (4 Byte Signed) | 4 Byte EIS11 / DPT 13.001 | C, W, T, U |
| 0 | Schakelen (stijgende helling) (4 Byte Unsigned) | 4 Byte EIS11 / DPT 12.001 | C, W, T, U |
| 1 | Schakelen (dalende helling) (1 Bit) | 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 | C, W, T, U |
| 1 | Schakelen (dalende helling) (1 Byte 0..100 %) | 1 Byte EIS6 / DPT 5.001 | C, W, T, U |
| 1 | Schakelen (dalende helling) (1 Byte 0..255) | 1 Byte EIS14 / DPT 5.010 | C, W, T, U |
| 1 | Schakelen (dalende helling) (2 Byte Float) | 2 Byte EIS5 / DPT 9.xxx | C, W, T, U |
| 1 | Schakelen (dalende helling) (2 Byte Signed) | 2 Byte EIS10 / DPT 7.001 | C, W, T, U |
| 1 | Schakelen (dalende helling) (2 Byte Unsigned) | 2 Byte EIS10 / DPT 8.001 | C, W, T, U |
| 1 | Schakelen (dalende helling) (4 Byte Float) | 4 Byte EIS9 / DPT 14.xxx | C, W, T, U |
| 1 | Schakelen (dalende helling) (4 Byte Signed) | 4 Byte EIS11 / DPT 13.001 | C, W, T, U |
| 1 | Schakelen (dalende helling) (4 Byte Unsigned) | 4 Byte EIS11 / DPT 12.001 | C, W, T, U |
11.10 Waardedimsensor, wip geheel
Met de toepassing "Waarde-dimsensor, wip geheel" is het mogelijk via een druk op de wip een waardetelegram van 1 byte te verzenden.
Elk indrukken van de linker- of rechterzijde van de wip zal daarbij een waarde van 1 byte (procentueel of waarden van 0 tot 255) verhogen of verlagen. De waarde van 1 byte kan aan 1 byte helderheidswaarde-objecten van dimactoren gekoppeld worden. Op deze wijze kan via de wip een dimactor met waarde-telegrammen lichter of donkerder gedimd worden.
Objecten waarde-dimsensor, wip geheel
| Nr. | Objectnaam Datatype Flags | ||
| 0 | Waarde | 1 Byte / EIS6/14 / DPT 5.001 / DPT 5.010 | C, W, T, U |
11.11 Lichtscène-nevenpost met geheugenfunctie
Via de toepassing "Lichtscène-nevenpost" wordt bij het indrukken van de wip een vooraf gedefinieerd lichtscène-nummer opgeroepen.
De toepassing "Lichtscène-nevenpost met geheugenfunctie" stelt voor de rechter- of linkerzijde van de wip steeds een eigen set parameters en communicatie-objecten beschikbaar.
De toepassing maakt het mogelijk, via een zijde van de wip een lichtscène op te roepen en de andere zijde van de wip te voorzien van een "toetsgebonden" functie.
Met een lange druk op de toets heeft de gebruiker de mogelijkheid een commando voor het opslaan van de lichtscène te geven.
Objecten lichtscène-nevenpost met geheugenfunctie
| Nr. Objectnaam Datatype Flags | ||
| 0 Schakelen 1 Byte EIS1 / DPT 1.001 C, W, T, U |
11.12 Standenschakelaar, wip geheel
De toepassing "Standenschakelaar, wip geheel" maakt het mogelijk trapsgewijs te schakelen. Dit betekent, dat de gebruiker bij elke nieuwe druk op de rechter- of linkerzijde van de wip verschillende schakelprocedures kan activeren.
Voorbeeld:
Eerste maal indrukken (rechter zijde van de wip) schakelt licht 1 aan.
Tweede maal indrukken (rechter zijde van de wip) schakelt licht 1 uit en licht 2 aan.
Derde maal indrukken (rechter zijde van de wip) schakelt licht 2 uit en licht 3 aan.
Vierde maal indrukken (linker zijde van de wip) schakelt licht 3 uit en licht 2 aan.
Vijfde maal indrukken (linker zijde van de wip) schakelt lichte 2 uit en licht 1 aan.
etc.
De toepassing detecteert, of de wip aan de linker- of rechterzijde werd ingedrukt. Afhankelijk van de instelling kan zodoende een stand omhoog of omlaag worden.
Er kunnen tot vijf schakelstanden worden geactiveerd.
Objecten standenschakelaar, wip geheel
| Nr. | Objectnaam Datatype Flags | ||
| 0 | Schakelen stand 1 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, W, T | ||
| 1 | Schakelen stand 2 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, W, T | ||
| 2 | Schakelen stand 3 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, W, T | ||
| 3 | Schakelen stand 4 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, W, T | ||
| 4 | Schakelen stand 5 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, W, T |
11.13 Standenschakelaar, wip links / rechts
De toepassing "Standenschakelaar, wip links / rechts" maakt het mogelijk. Dat betekent, dat de gebruiker bij iedere nieuwe druk op de wip verschillende schakelprocedures kan activeren.
Voorbeeld:
Eerste maal indrukken schakelt licht 1 aan.
Tweede maal indrukken schakelt licht 1 uit en licht 2 aan.
Tweede maal indrukken schakelt licht 2 uit en licht 3 aan.
Tweede maal indrukken schakelt licht 3 uit en licht 1 aan.
etc.
Er kunnen tot vijf schakelstanden worden geactiveerd.
De toepassing "Standenschakelaar, toetsgebonden" stelt voor de rechter- of linkerzijde van de wip steeds een eigen set parameters en communicatie-objecten beschikbaar.
De toepassing maakt het mogelijk, via een zijde van de wip een schakelfuncties te realiseren en de andere zijde van de wip te voorzien van een andere "toetsgebonden" functie.
Objecten standenschakelaar, wip links / rechts
| Nr. Obj | ectnaam Datatype Flags | ||
| 0 Schakelen stand 1 | 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, W, T | ||
| 1 Schakelen stand 2 | 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, W, T | ||
| 2 Schakelen stand 3 | 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, W, T | ||
| 3 Schakelen stand 4 | 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, W, T | ||
| 4 Schakelen stand 5 | 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, W, T |
11.14 Meervoudige bediening, wip links / rechts
Met de toepassing "Meervoudige bediening" wip links / rechts" kan tussen een enkelvoudige, tweevoudige, drievoudige, viervoudige of vijfvoudige wipbediening onderscheiden worden. Voor elke bediening, enkelvoudig, tweevoudig, drievoudig, viervoudig of vijfvoudig, kunnen verschillende waarden verzonden worden.
De toepassing "Meervoudige bediening, wip links / rechts" stelt voor de rechter of linker zijde van de wip steeds een eigen set parameters en communicatie-objecten beschikbaar. Daardoor is het mogelijk, via een zijde van de wip een meervoudige bediening te realiseren en de andere zijde van de wip van een andere "toetsgebonden" functie te voorzien.
Objecten meervoudige bediening, wip links / rechts
| Nr. | Objectnaam Datatype Flags | ||
| 0 | Schakelen 1 meervoudige bediening (1 Bit) 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, W, T | ||
| 0 | Schakelen 1 meervoudige bediening (1 Byte 0..100 %) 1 Byte EIS6 / DPT 5.001 C, W, T | ||
| 0 | Schakelen 1 meervoudige bediening (1 Byte 0..255) 1 Byte EIS14 / DPT 5.010 C, W, T | ||
| 0 | Schakelen 1 meervoudige bediening (2 Byte Float) 2 Byte EIS5 / DPT 9.xxx C, W, T | ||
| 0 | 2 Byte EIS10 / DPT 8.001 | C, W, T | |
| 0 | 2 Byte EIS10 / DPT 7.001 | C, W, T | |
| 0 | 4 Byte EIS9 / DPT 14.xxx | C, W, T | |
| 0 | 4 Byte EIS11 / DPT 13.001 | C, W, T | |
| 0 | 4 Byte EIS11 / DPT 12.001 | C, W, T |
Objecten meervoudige bediening wip links / rechts, vervolg
| Nr. | Objectnaam Datatype Flags | ||
| 1 | Schakelen 2 meervoudige bediening (1 Bit) 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, W, T | ||
| 1 | Schakelen 2 meervoudige bediening (1 Byte 0..100 %) 1 Byte EIS6 / DPT 5.001 C, W, T | ||
| 1 | Schakelen 2 meervoudige bediening (1 Byte 0..255) 1 Byte EIS14 / DPT 5.010 C, W, T | ||
| 1 | Schakelen 2 meervoudige bediening (2 Byte Float) 2 Byte EIS5 / DPT 9.xxx C, W, T | ||
| 1 | Schakelen 2 meervoudige bediening (2 Byte Signed) 2 Byte EIS10 / DPT 8.001 C, W, T | ||
| 1 | Schakelen 2 meervoudige bediening (2 Byte Unsigned) 2 Byte EIS10 / DPT 7.001 C, W, T | ||
| 1 | 4 Byte EIS9 / DPT 14.xxx | C, W, T | |
| 1 | Schakelen 2 meervoudige bediening (4 Byte Signed) | 4 Byte EIS11 / DPT 13.001 | C, W, T |
| 1 | Schakelen 2 meervoudige bediening (4 Byte Unsigned) | 4 Byte EIS11 / DPT 12.001 | C, W, T |
| 2 | Schakelen 3 meervoudige bediening (1 Bit) 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, W, T | ||
| 2 | Schakelen 3 meervoudige bediening (1 Byte 0..100 %) 1 Byte EIS6 / DPT 5.001 C, W, T | ||
| 2 | Schakelen 3 meervoudige bediening (1 Byte 0..255) 1 Byte EIS14 / DPT 5.010 C, W, T | ||
| 2 | Schakelen 3 meervoudige bediening (2 Byte Float) 2 Byte EIS5 / DPT 9.xxx C, W, T | ||
| 2 | Schakelen 3 meervoudige bediening (2 Byte Signed) 2 Byte EIS10 / DPT 8.001 C, W, T | ||
| 2 | Schakelen 3 meervoudige bediening (2 Byte Unsigned) 2 Byte EIS10 / DPT 7.001 C, W, T | ||
| 2 | Schakelen 3 meervoudige bediening (4 Byte Float) | 4 Byte EIS9 / DPT 14.xxx | C, W, T |
| 2 | Schakelen 3 meervoudige bediening (4 Byte Signed) | 4 Byte EIS11 / DPT 13.001 | C, W, T |
| 2 | Schakelen 3 meervoudige bediening (4 Byte Unsigned) | 4 Byte EIS11 / DPT 12.001 | C, W, T |
| 3 | Schakelen 4 meervoudige bediening (1 Bit) 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, W, T | ||
| 3 | Schakelen 4 meervoudige bediening (1 Byte 0..100 %) 1 Byte EIS6 / DPT 5.001 C, W, T | ||
| 3 | Schakelen 4 meervoudige bediening (1 Byte 0..255) 1 Byte EIS14 / DPT 5.010 C, W, T | ||
| 3 | Schakelen 4 meervoudige bediening (2 Byte Float) 2 Byte EIS5 / DPT 9.xxx C, W, T | ||
| 3 | Schakelen 4 meervoudige bediening (2 Byte Signed) 2 Byte EIS10 / DPT 8.001 C, W, T | ||
| 3 | Schakelen 4 meervoudige bediening (2 Byte Unsigned) 2 Byte EIS10 / DPT 7.001 C, W, T | ||
| 3 | Schakelen 4 meervoudige bediening (4 Byte Float) | 4 Byte EIS9 / DPT 14.xxx | C, W, T |
| 3 | Schakelen 4 meervoudige bediening (4 Byte Signed) | 4 Byte EIS11 / DPT 13.001 | C, W, T |
| 3 | Schakelen 4 meervoudige bediening (4 Byte Unsigned) | 4 Byte EIS11 / DPT 12.001 | C, W, T |
| 4 | Schakelen 5 meervoudige bediening (1 Bit) 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, W, T | ||
| 4 | Schakelen 5 meervoudige bediening (1 Byte 0..100 %) 1 Byte EIS6 / DPT 5.001 C, W, T | ||
| 4 | Schakelen 5 meervoudige bediening (1 Byte 0..255) 1 Byte EIS14 / DPT 5.010 C, W, T | ||
| 4 | Schakelen 5 meervoudige bediening (2 Byte Float) 2 Byte EIS5 / DPT 9.xxx C, W, T | ||
| 4 | Schakelen 5 meervoudige bediening (2 Byte Signed) | 2 Byte EIS10 / DPT 8.001 | C, W, T |
| 4 | Schakelen 5 meervoudige bediening (2 Byte Unsigned) 2 Byte EIS10 / DPT 7.001 C, W, T | ||
| 4 | Schakelen 5 meervoudige bediening (4 Byte Float) | 4 Byte EIS9 / DPT 14.xxx | C, W, T |
| 4 | Schakelen 5 meervoudige bediening (4 Byte Signed) | 4 Byte EIS11 / DPT 13.001 | C, W, T |
| 4 | Schakelen 5 meervoudige bediening (4 Byte Unsigned) | 4 Byte EIS11 / DPT 12.001 | C, W, T |
11.15 Kort-lang-bediening, wip links / rechts
Met de toepassing "Kort-lang-bediening, wip links / rechts" kunnen, bij kort en/of lang indrukken van de wip, verschillende waarden verzonden worden.
De toepassing "Korte-lange-bediening, wip links / rechts" detecteert niet, of de wip op de linker of op de rechter zijde bediend wordt. De toepassing stelt voor de rechter- en linkerzijde van de wip steeds een eigen set parameters en communicatie-objecten beschikbaar.
De toepassing maakt het mogelijk via een zijde van de wip twee aparte functies die via een korte of. lange toetsdruk opgeroepen worden, beschikbaar te stellen, en de andere zijde van de wip te voorzien van een andere "toetsgebonden" functie.
Objecten kort-lang-bediening, wip links / rechts
| Nr. | Objectnaam Datatype Flags | ||
| 0 | Verstellen (1 Bit) 1 Bit EIS7 / DPT 1.007 C, W, T, U | ||
| 0 | Verstellen (1 Byte) 1 Byte EIS6 / DPT 5.001 C, W, T, U | ||
| 1 | Sturen (1 Bit) 1 Bit EIS7 / DPT 1.008 C, W, T, U | ||
| 1 | Sturen (1 Byte) 1 Byte EIS6 / DPT 5.001 C, W, T, U |
11.16 KT-Bedrijfsmodus instellen
Met de toepassing "KT-bedrijfsmodus instellen" kan via het indrukken van een zijde van de wip een bedrijfsmodus omschakeling bij gekoppelde thermostaten uitgevoerd worden.
De toepassing biedt daartoe afhankelijk van de instelling van de parameter "Objecttype voor uitvoer" hetzij drie 1-bit communicatie-objecten "Bedrijfsmodus Comfort" "Bedrijfsmodus Nacht" en "Bedrijfsmodus Vorst" of een 1-byte communicatie-object "Bedrijfsmodus" aan.
De optie "1 bit" dient voor het aansturen van ruimtethermostaten, die 1-bit communicatie-objecten voor het omschakelen van bedrijfsmodi bezitten. De optie "1 byte" dient voor hte aansturen van ruimtethermostaten, die een 1-byte communicatie-object naar de KNX bedrijfsmodus-omschakeling bezitten. In dit geval betekenen de waarden
0 = Auto
1 = Comfort
2 = Standby
3 = Nacht
4 = Vorst- / Hittebescherming
Via een 1-bit communicatie-object "Vrijgave" kan de functie tijdelijk geblokkeerd worden.
Objecten KT-bedrijfsmodus instellen
| Nr. | Objectnaam Datatype Flags | ||
| 0 | Vrijgave 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, W, U | ||
| 1 | Bedrijfsmodus Comfort (1 Bit) 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, T | ||
| 2 | Bedrijfsmodus Nacht (1 Bit) 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, T | ||
| 3 | Bedrijfsmodus Vorst (1 Bit) | 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, T | |
| 4 | Bedrijfsmodus (1 Byte) | 1 Byte / DPT 20.102 | C, T |
11.17 Mediabesturing CD-speler
Met de toepassing "Mediabesturing CD-speler" is het mogelijk een CD-speler via de bus op afstand te bedienen.
Op het display worden daartoe vervolgens symbolen voor "Aan/Uit", "CD keuze", "Player-besturing" en "Volume" afgebeeld. Via de druk- / draaibedieningsknop komt de gebruiker in een submenu ("CD keuze", "CD-spelerbesturing" en "Volume") of hij schakelt door op de knop te drukken direct aan of uit.
In het submenu "CD-spelerbesturing" worden op het display symbolen voor start, stop, vooruit spoelen etc. afgebeeld. Door het draaien aan de Druk- / Draaibedieningsknop kan de gebruiker de gewenste functie selecteren (markeren) en door op de knop te drukken activeren. Het submenu "CD-keuze" werkt op dezelfde manier.
Als het volume geregeld moet worden, wordt op het display een speciaal volumesymbool afgebeeld, dat de gebruiker signaleert: een draaiing naar rechts verhoogt het volume, een draaiing naar links vermindert het volume. Er kan daarbij geen terugmelding door de gekoppelde actor afgebeeld worden.
Afhankelijk van de functie worden telegrammen naar de besturing van de CD-speler op de communicatie-objecten voor "CD Aan, Uit", "CD Keuze", "CD Play", "CD Stop", "CD Pause", "CD Titel terug", "CD Titel vooruit" en "CD Volume" verzonden. Bovendien kan via nog een 1-bit communicatie-object "Vrijgave" de functie tijdelijk geblokkeerd worden.
Aanwijzing:
Deze functie is alleen zinvol te gebruiken, als een passend aanvullend apparaat, zoals bijv. de Coldewey mediabox, voor de aansturing van de CD-speler als ontvanger van het verzonden telegram gebruikt wordt.
Objecten mediabesturing CD-speler
| Nr | Objectnaam Datatype Flags | ||
| 0 | Vrijgave 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, W, U | ||
| 1 | CD Aan, Uit 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, W, T, U | ||
| 2 | CD Keuze 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, T | ||
| 3 | CD Play 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, T | ||
| 4 | CD Stop 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, T | ||
| 5 | CD Pause 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, T | ||
| 6 | CD Titel terug 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, T | ||
| 7 | CD Titel vooruit 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, T | ||
| 8 | CD Volume 4 Bit EIS2 / DPT 3.007 C, T |
KNX Technisch Handboek
Busch-priOn®
11.18 Mediabesturing radio
Met de toepassing "Mediabesturing radio" is het mogelijk de radio via de bus op afstand te besturen.
Op het display worden daartoe vervolgens symbolen voor "Aan/Uit", "Zenderkeuze" en "Volume" afgebeeld. Via de druk-/draaibedieningsknop komt de gebruiker in een submenu ("Zenderkeuze" en "Volume") of hij schakelt door op de knop te drukken direct aan of uit.
In het submenu "Zenderkeuze" beeldt het display de op te roepen zenders af. Door te draaien aan de
Druk-/Draaibedieningsknop kan de gebruiker de gewenste zender selecteren (markeren) en door een druk op de knop oproepen.
Als het volume geregeld moet worden, wordt op het display een speciaal volumesymbool afgebeeld, dat de gebruiker signaleert: een draaiing naar rechts verhoogt het volume, een draaiing naar links vermindert het volume. Er kan daarbij geen terugmelding door de gekoppelde actor afgebeeld worden.
Afhankelijk van de functie worden telegrammen naar de radiobesturing op de communicatie-objecten voor "Radio Aan, Uit", "Zenderkeuze" en "Radiovolume" verzonden.
Bovendien kan via nog een 1-bit communicatie-object "Vrijgave" de functie tijdelijk geblokkeerd worden.
Aanwijzing:
De functie is allen zinvol te gebruiken, als een passende actor (audio-actor) voor de radiobesturing als ontvanger van de verzonden telegrammen gebruikt wordt.
Objecten mediabesturing radio
| Nr | Objectnaam Datatype Flags | ||
| 0 | Vrijgave 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, W, U | ||
| 0 | Radio Aan, Uit 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, W, T, U | ||
| 0 | Zenderselectie 1 Bit EIS14 / DPT 5.010 C, T | ||
| 0 | Radiovolume (Radiogeluidssterkte) 4 Bit EIS2 / DPT 3.007 C, T |
11.19 Mediabesturing videospeler
Met de toepassing "Mediabesturing Videospeler" is het mogelijk een videospeler via de bus op astand te besturen.
Op het Display worden daartoe vervolgens symbolen voor "Aan/Uit", "Spelerbesturing" en "Volume" afgebeeld. Via de druk-/draaibedieningsknop komt de gebruiker in een submenu ("Spelerbesturing" en "Volume") of hij schakelt door op de knop te drukken direct aan of uit.
In het submenu "Spelerbesturing" worden op het display symbolen voor Start, Stop, Vooruit spoelen etc. afgebeeld. Door het draaien aan de Druk- / Draaibedieningsknop kan de gebruiker de gewenste functie selecteren (markeren) en door op de knop te drukken activeren.
Als het volume geregeld moet worden, wordt op het display een speciaal volumesymbool afgebeeld, dat aan de gebruiker signaleert: een draaiing naar rechts verhoogd het volume een draaiing naar links vermindert het volume.
Er kan daarbij geen terugmelding door de gekoppelde actor afgebeeld worden.
Afhankelijk van de functie worden telegrammen voor de besturing van de videospeler op de communicatie-objecten voor "Video Aan, Uit", "Video Play", "Video Stop", "Video Pause", "Video terugspoelen", "Video vooruitspoelen" en "Videovolume" verzonden. Bovendien kan via een ander 1-bit communicatie-object "Vrijgave" de functie tijdelijk geblokkeerd worden.
Aanwijzing:
De functie is alleen zinvol te gebruiken, als een passende actor (video-actor) voor de besturing van de videospeler als ontvanger van de verzonden telegrammen gebruikt wordt.
Objecten mediabesturing videospeler
| Nr | Objectnaam Datatype Flags | ||
| 0 | Vrijgave 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, W, U | ||
| 1 | Video Aan, Uit 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, W, T, U | ||
| 2 | Video Play 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, T | ||
| 3 | Video Stop 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, T | ||
| 4 | Video Pause 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, T | ||
| 5 | Video vooruitspoelen (Video terugspoelen) 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, T | ||
| 6 | Video terugspoelen (Video vooruitspoelen) 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, T | ||
| 7 | Video Volume 4 Bit EIS2 / DPT 3.007 C, T |
11.20 Countdowntimer
Via de wek-of timerfunctie bestaat de mogelijkheid een akoestisch signaal op een bepaald tijdstip, bijv. na afloop van een ingevoerde tijd over het ruimtecontrolepaneel te activeren.
De toepassing "GUI_countdowntimer" biedt een countdown timerfunctie. Hiermee bestaat de mogelijkheid een akoestisch signaal na afloop van een ingevoerde tijd via de interne luidsprekers weer te geven. De tijd (tot 12 u 59 min) wordt door de gebruiker met de druk-/draaibedieningsknop ingesteld. Na afloop van de ingestelde tijd wordt op het apparaat een signaalgeluid gegenereerd dat via de druk-/draaibedieningsknop kan worden bevestigd.
Via een 1-bit communicatie-object "Timerstatus" wordt bij het starten van de timer de ingestelde "Waarde bij start timer"
(AAN of UIT) verzonden. Bij afloop van de timer wordt de ingestelde "Waarde bij afloop timer" (AAN of UIT) verzonden.
Objecten countdowntimer
| Nr | Objectnaam Datatype Flags | ||
| 0 | Verstellen (1 Bit) 1 Bit EIS7 / DPT 1.007 C, W, T, U | ||
| 0 | Verstellen (1 Byte) 1 Byte EIS6 / DPT 5.001 C, W, T, U | ||
| 1 | Sturen (1 Bit) | 1 Bit EIS7 / DPT 1.008 C, W, T, U | |
| 1 | Sturen (1 Byte) | 1 Byte EIS6 / DPT 5.001 | C, W, T, U |
KNX Technisch Handboek
Busch-priOn®
11.21 Weektimer
Met de toepassing "GUI_weektimer" is het mogelijk gedefinieerde schakeltijden die in het apparaat opgeslagen zijn op te roepen. Via de druk-/draaibedieningsknop kan de gebruiker tot vier verschillende programma's op het display oproepen en bewerken.
Voor de aansturing van diverse actoren kunt u de grootte van de communicatie-objecten "Waarde" voor ieder individueel programma afzonderlijk onder de parameter "Objecttype" instellen.
Bij elk programma kunnen tot vier tijdblokken worden vastgelegd. D.w.z. vier schakeltijden (stuartijden), waarop, op het bijbehorende communicatie-object "Waarde" voorgedefinieerde waarden verzonden worden.
Ter bepaling van de individuele schakeltijden, grijpt de toepassing terug op de systeemtijd van het apparaat. De huidige tijd kan via het 3-byte communicatie-object "Tijd" van de apparaatinstellingen bijgesteld worden (zie Apparaatinstellingen).
Objecten weektimer
| Nr Objec | ctnaam Datatype Flags | ||
| 0 Afwezigheid 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, W, T, U | |||
| 1...4 Waarde 1 [2...4] (1 bit schakelen) 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, T | |||
| 1...4 Waarde 1 [2...4] (1 bit sturen) 1 Bit EIS7 / DPT 1.008 C, T | |||
| 1...4 Waarde 1 [2...4] (1 byte lichtscène-nummer) 1 Byte / DPT 18.001 C, T | |||
| 1...4 Waarde 1 [2...4] (1 Byte 0..100 %) 1 Byte EIS6 / DPT 5.001 C, T | |||
| 1...4 Waarde 1 [2...4] (1 Byte 0..255) | 1 Byte EIS14 / DPT 5.010 | C, T | |
| 1...4 Waarde 1 [2...4] (2 Byte Float) | 2 Byte EIS5 / DPT 9.xxx C, T | ||
| 1...4 Waarde 1 [2...4] (2 Byte Unsigned) | 2 Byte EIS10 / DPT 7.001 | C, T | |
11.22 Wekker
Met de wekkertoepassing is het mogelijk, alarmtijden (wektijden) te definiëren. De tijden worden door de gebruiker met de druk- / draaiknop ingesteld. Bij het bereiken van het ingestelde tijdstip wordt op het apparaat een geluidssignaal gegeven dat via de druk- / draaiknop kan worden bevestigd.
Via een communicatie-object kunnen bij het bereiken van de wektijd ook andere functies in de wekfunctie geïntegreerd worden. Bovendien bestaat de mogelijk een voorafgaand telegram te zenden, d.w.z. een telegram dat voor het bereiken van de wektijd verzonden wordt. Voor de aansturing van diverse actoren kunt u de grootte van de communicatie-objecten "Schakelen" en "Voorijlend schakelen" onder de parameter "Objecttype" instellen.
Objectenwekker
| Nr | Objectnaam Gegevenstype Flags | ||
| 0 | Bevestiging 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, W, U | ||
| 1 | Snooze (slaapmodus) 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, W, U | ||
| 2 | Schakelen (1 bit schakelen) 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, T | ||
| 2 | Schakelen (1 bit sturen) 1 Bit EIS7 / DPT 1.008 C, T | ||
| 2 | Schakelen(1 Byte 0..100 %) 1 Byte EIS6 / DPT 5.001 C, T | ||
| 2 | Schakelen (scène-oproep) 1 Byte / DPT 18.001 C, T | ||
| 2 | Schakelen (1 Byte 0..255) 1 Byte EIS14 / DPT 1.010 C, T | ||
| 2 | Schakelen (2 Byte Unsigned) | 2 Byte EIS10 / DPT 7.001 C, T | |
| 2 | Schakelen (temperatuurafhankelijk) | 2 Byte EIS5 / DPT 9.001 | C, T |
| 2 | Schakelen (temperatuurabsoluut) | 2 Byte EIS5 / DPT 9.001 C, T | |
| 3 | Schakelen voorijlend (1 bit schakelen) | 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, T | |
| 3 | Schakelen voorijlend (1 bit sturen) | 1 Bit EIS7 / DPT 1.008 | C, T |
| 3 | Schakelen voorijlend (1 Byte 0..100 %) | 1 Byte EIS6 / DPT 5.001 | C, T |
| 3 | Schakelen voorijlend (scene-oproep) | 1 Byte / DPT 18.001 C, T | |
| 3 | Schakelen voorijlend (1 Byte 0..255) | 1 Byte EIS14 / DPT 5.010 | C, T |
| 3 | Schakelen voorijlend (2 Byte Unsigned) | 2 Byte EIS10 / DPT 7.001 | C, T |
| 3 | Schakelen voorijlend (temperatuurafhankelijk) | 2 Byte EIS5 / DPT 9.001 | C, T |
| 3 | Schakelen voorijlend (temperatuurabsoluut) | 2 Byte EIS5 / DPT 9.001 | C, T |
11.23 Meldingen
Op het display kunnen meldingen afgebeeld en via de ingebouwde luidspreker(s) akoestisch weergegeven worden. Dit kunnen vooraf gedefinieerde systeemmeldingen, zoals bijv. "Opslagmedium werd verwijderd", of vrij definieerbare meldingen zijn. Er kunnen maximaal tien meldingen (meldingsteksten) aangemaakt worden. De afgebeelde meldtekst is beperkt tot 48 tekens.
Elke melding krijgt een prioriteit toegekend (waarschuwingstrap), die de weergave van het meldingenvenster bepaalt.
Aanwijzingen en wekkermeldingen worden met een groene balk gemarkeerd. Waarschuwingen bezitten een rode balk en alarmmeldingen verschijnen geheel rood.
Een of meer actieve meldingen worden op het display afgebeeld, zodra de gebruiker het kringmenu opent. Pas nadat alle openstaande meldingen met "OK" bevestigd zijn, verdwijnt het kringmenu. De volgorde, waarin de meldingen worden gegeven is instelbaar.
Als een melding actief wordt, terwijl een gebruiker het apparaat bedient dan wordt deze onmiddellijk afgebeeld. Bij actieve primaire functie worden actieve meldingen in de statusregel met een knipperend symbool afgebeeld. Daarbij wordt afhankelijk van de prioriteit van de melding een ander symbool toegepast. Indien meer meldingen actief zijn wordt steeds het meldingssymbool met de hoogste prioriteit afgebeeld.
Objecten meldingen
| Nr Objectnaam Gegevenstype Flags | ||
| 0 Melding 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, W, U | ||
| 1 Bevestiging 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, W, T |
11.24 Tekst voor titel
De tekst- / waardeweergave moet van een zinvolle beschrijvende tekst voorzien worden, zodat de gebruiker op het display kan zien welke weergave het betreft. Voorbeeld: "Buitentemperatuur", "Windsnelheid", "Slaapkamerraam open" etc. De beschrijvende tekst wordt bij het doorbladeren op het display afgebeeld en verschijnt linksboven als de functie gemarkeerd is.
Objectentekst voor titel
| Nr | Functie Objectnaam Gegevenstype Flags | |||
| 0 | Tekst / Waarde 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, W, U | |||
| 0 | Tekst / Waarde 1 Byte EIS6 / DPT 5.001 C, W, U | |||
| 0 | Tekst / Waarde 1 Byte EIS14 / DPT 5.010 C, W, U | |||
| 0 | Tekst / Waarde 1 Byte EIS14 / DPT 6.010 C, W, U | |||
| 0 | Tekst / Waarde 2 Byte EIS5 / DPT 9.xxx C, W, U | |||
| 0 | Tekst / Waarde 2 Byte EIS10 / DPT 8.018 C, W, U | |||
| 0 | Tekst / Waarde 2 Byte EIS10 / DPT 7.001 C, W, U | |||
| 0 | Tekst / Waarde 1 Bit EIS9 / DPT 14.xxx C, W, U | |||
| 0 | Tekst / Waarde 1 Bit EIS6 / DPT 5.001 C, W, U | |||
| 0 | Tekst / Waarde 1 Byte EIS14 / DPT 5.010 C, W, U | |||
| 0 | Tekst / Waarde 1 Byte EIS14 / DPT 6.010 C, W, U | |||
| 0 | Tekst / Waarde 1 Byte EIS5 / DPT 9.xxx C, W, U | |||
| 0 | Tekst / Waarde 2 Byte EIS10 / DPT 8.018 C, W, U | |||
| 0 | Tekst / Waarde 2 Byte EIS10 / DPT 7.001 C, W, U | |||
| 0 | Tekst / Waarde 1 Byte EIS9 / DPT 14.xxx C, W, U | |||
11.25 Apparaatblokkering
De bediening van het display uit het kringmenu, resp. de oproep van afzonderlijke functies, kan met behulp het invoeren van een PIN tegen ongewenste toegang worden beveiligd. Door invoer van de juiste PIN wordt het apparaat weer bedienbaar.
Als een functie van een PIN-beveiliging is voorzien, wordt dit met een slotsymbool voor de functiebeschrijving op het display afgebeeld.
Aanwijzing:
Er kan altijd maar een PIN per apparaat worden toegekend. Na invoer van een verkeerde PIN kan de nieuwe invoer zo vaak als gewenst herhaald worden.
11.26 KT-instellingen
Met de toepassing "KT-instellingen" kunnen de voorinstellingen van de interne ruimtethermostaat worden uitgevoerd. De ruimtethermostaat kan worden ingesteld op "Verwarmen", "Koelen", als ook op "Verwarmen en koelen". Ook bestaat de mogelijkheid, fan-coil actoren aan te sturen.
11.27 Sequentieactor-instellingen
Met de toepassing "Sequentieactor-instellingen" is het mogelijk, via het indrukken van de drukknop / draaiknop meerdere telegrammen met verschillende waarden in een voorgedefinieerde reeks na elkaar over hetzelfde object te verzenden.
De afbeelding van een sequentie op het display is aan de weergave van een scène gekoppeld. In tegenstelling tot de scène bezit de toepassing "Sequentieactor-instelling" maar één communicatie-object, waarop tot twaalf individuele waarden achtereen op twaalf vast ingestelde tijden verzonden worden. De tijden kunnen van 1 s. tot 12 uur vrij ingesteld worden. De toepassing "Sequentieactor-instellingen" wordt gebruikt om bijv. showrooms aan te sturen.
Als sequenties geconfigureerd zijn, worden ze samen met scènes onder het menupunt "Scènes" vermeld en kunnen ze daar gestart worden.
Het bewerken van de waarden en vertragingstijden vindt plaats onder het menupunt "Scènes".
Via de functie "Sneldoorlopen" kunnen de helderheidswaarden versneld bediend worden. De vertragingstijd bedraagt dan constant 3 s van waarde tot waarde.
Objecten sequentieactor-instellingen
| Nr | Objectnaam Gegevenstype Flags | ||
| 0 | Vrijgave 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, W, T | ||
| 1 | Sequentiewaarde (1 Bit) 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, T | ||
| 1 | Sequentiewaarde (1 Byte 0..100 %) 1 Byte EIS6 / DPT 5.001 C, T | ||
| 1 | Sequentiewaarde (1 Byte 0..255) 1 Byte EIS14 / DPT 5.010 C, T | ||
| 1 | Sequentiewaarde (1 byte lichtscène-nummer) 1 Byte / DPT 18.001 C, T | ||
| 1 | Sequentiewaarde (2 Byte Float) | 2 Byte EIS5 / DPT 9.xxx C, T | |
| 1 | Sequentiewaarde (2 Byte Unsigned) | 2 Byte EIS10 / DPT 7.001 | C, T |
| 2 | Sequentie start-stop | 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, W, U | |
| 3 | Sequentiestatus | 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, T |
11.28 Jaloezie-actor
Met de toepassing "Jaloezie-actor" wordt de jaloezie-actor (inbouw-schakelactor tweevoudig) aangestuurd.
Daartoe beschikt de toepassing twee 1-bit communicatie-objecten "Sturen" en "Verstellen". Bovendien kan de jaloezie via de 1 byte communicatie-objecten "Positie" en "Lamellenpositie" in een gedefinieerde positie gestuurd worden.
Opdat er na het herstel van de busspanning geen ongedefinieerde toestand ontstaat, is het gedrag instelbaar.
Bovendien bestaat de mogelijkheid een "Status terugmelding" te activeren. Hiermee kan de jaloezie-actor zijn actuele toestand uitzenden.
Objecten jaloezie-actor
| Nr | Objectnaam | Gegevenstype | Flags | ||
| 0 | Sturen | 1 Bit EIS7 / DPT 1.008 C, W | |||
| 1 | Verstellen | 1 Bit EIS7 / DPT 1.007 C, W | |||
| 1 | Stop | 1 Bit / DPT 1.017 C, W | |||
| 2 | Positie | 1 Byte EIS5 / DPT 5.001 C, W | |||
| 3 | Lamellenpositie | 1 Byte EIS5 / DPT 5.001 C, W | |||
| 4 | Windalarm | 1 Bit / DPT 1.005 C, W | |||
| 5 | Regenalarm | 1 Bit / DPT 1.005 C, W | |||
| 6 | Vorstalarm | 1 Bit / DPT 1.005 C, W | |||
| 7 | Statussturen | 1 Bit EIS7 / DPT 1.008 C, R, T | |||
| 8 | Statuspositie | 1 Byte EIS5 / DPT 5.001 C, R, T | |||
| 9 | Statuslamellenpositie | 1 Byte EIS5 / DPT 5.001 C, R, T |
11.29 Schakelactor toepassing
Met de toepassing "Schakelactor-toepassing" wordt de inbouw-schakelactor aangestuurd.
Daartoe bezit de toepassing een 1-bit communicatie-objekt "Schakelobject". Afhankelijk van de instelling van de parameter "Relais karakteristiek", wordt het relaiscontact na ontvangst van een AAN- of UIT-telegram geopend of gesloten.
Opdat er na uitval van de busspanning en aansluitend herstel daarvan geen ongedefinieerde toestand ontstaat, is het gedrag instelbaar.
Bovendien bestaat de mogelijkheid nog een 1-bit communicatie-object "Status terugmelding" te activeren. Hiermee kan de schakelactor zijn actuele toestand uitzenden. Of bij een gesloten of een geopend relaiscontact een AAN- of UIT-telegram verzonden wordt, hangt af van de instellingen van de parameters "Relaiskarakteristiek" en "Status terugmelding inverteren" af.
Objecten schakelactor toepassing
| Nr Objectnaam Gegevenstype Flags | |||
| 0 Schakelobject | 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, W | ||
| 1 Status-terugmelding | 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, T | ||
11.30 Bewegingsschakelaar
De applicatie 'bewegingsschakelaar' kan enerzijds telegrammen naar de bus sturen als een beweging in het detectiebereik wordt herkend. Bovendien kunnen bij ontvangst van telegrammen op het 1-bit communicatieobject 'ingang voor externe impulsdrukker' telegrammen naar de bus worden gezonden. Zo kan het apparaat ook door andere KNX-apparaten worden aangestuurd alsof een beweging herkend wordt. Wanneer een telegram wordt uitgezonden hangt vooral af van de ingestelde modus. De bewegingsschakelaar kan in de bedrijfsmodi 'Melden', 'Automatisch uitschakelen', 'Automatisch inschakelen' of 'Automatisch' werken.
In de bedrijfsmodus 'Melden' is de bewegingsschakelaar in staat telegrammen cyclisch naar het 1-bit communicatieobject 'Beweging starten' te sturen.
In de bedrijfsmodus 'Automatisch uitschakelen' moet de bewegingsschakelaar handmatig worden ingeschakeld via de ontvangst van een AAN-telegram op het object 'Ingang voor externe impulsdrukker'. Het uitschakelen vindt plaats na de ingestelde nalooptijd vanaf de laatste detectie of handmatig.
In de bedrijfsmodus 'Automatisch inschakelen"' schakelt de bewegingsschakelaar automatisch in bij de detectie van een beweging. Het uitschakelen vindt plaats door ontvangst van een UIT-telegram op het object 'Ingang voor externe impulsdrukker'.
Aanwijzing: na 6 uur schakelt de bewegingsschakelaar automatisch uit.
In de bedrijfsmodus 'Automatisch' schakelt de bewegingsschakelaar automatisch in bij de detectie van een beweging. Het uitschakelen vindt plaats na de ingestelde nalooptijd vanaf de laatste detectie of door ontvangst van een UIT-telegram op het object 'Ingang voor externe impulsdrukker'. Bij handmatig uitschakelen wordt de bewegingsdetectie via de interne sensor voor de geparametreerde dode tijd onderdrukt.
Met het 1-bit communicatieobject 'Omschakeling ingang voor externe impulsdrukker' kan de bewegingsschakelaar permanent actief worden geschakeld. Deze functie kan bijvoorbeeld bij de reiniging worden gebruikt om alle bewegingsschakelaars in te schakelen, ook als er geen beweging is gedetecteerd.
Als de bewegingsschakelaar in een bedrijfsmodus met nalooptijd werkt, kan deze via een apart communicatieobject tijdens de werking worden aangepast. Daarmee is het mogelijk in de ochtend andere nalooptijden te gebruiken dan in de avond.
Om ervoor te zorg dat na uitval en herstel van de busspanning geen ongedefinieerde toestand ontstaat kan het gedrag bij terugkeer van de busspanning worden geparametreerd.
De bewegingsschakelaar kan via een vrijgaveobject worden geblokkeerd.
De bewegingsschakelaar kan afhankelijk of onafhankelijk van de helderheid schakelen. De schakeldrempel voor de lichtsensor kan worden ingesteld met behulp van de instellingsparameters. Bovendien is het mogelijk de schakeldrempel voor de helderheid met communicatieobjecten en de bus te wijzigen.
KNX Technisch Handboek
Busch-priOn®
Objecten bewegingsschakelaar
| Nr. | Objectnaam Gegevenstype Flags | ||
| 0 | Vrijgave 1 bit EIS1 / DPT 1.001 K, S, A | ||
| 1 | Nalooptijd 2 byte / DPT 7.005 K, S, A | ||
| 2 | Nevenpostingang 1 bit EIS1 / DPT 1.001 K, S, A | ||
| 3 | Ingang aktorstatus 1 bit EIS1 / DPT 1.001 K, S, A | ||
| 4 | Lichtofnafhankelijke detectie 1 bit EIS1 / DPT 1.001 K, S, A | ||
| 5 | Externe helderheid 2 byte EIS 5 / DPT 9.004 K, S, A | ||
| 6 | Helderheidsdrempel extern 2 byte EIS 5 / DPT 9.004 K, S, A | ||
| 7 | Helderheidsdrempel intern 1 byte EIS 5 / DPT 9.004 K, S, A | ||
| 8 | Led-uitgang 1 bit EIS 1 / DPT 1.001 K, S, A | ||
| 9 | Beweging schakelen 1 bit EIS 1 / DPT 1.001 K, Ü | ||
| 9 | Beweging schakelen 1 byte EIS 5 / DPT 5.001 K, Ü | ||
| 9 | Beweging schakelen 1 byte EIS 6 / DPT 5.010 K, Ü | ||
| 10 | Beweging starten 1 byte EIS 1 / DPT 1.001 K, Ü | ||
| 11 | Omschakeling ingang voor externe impulsdrukker 1 bit EIS 1 / DPT 1.001 K, S, A | ||
| 13 | Ingang voor externe impulsdrukker 1 bit EIS 1 / DPT 1.001 K, S, A |
11.31 LED-functie
Met de toepassing "LED-functie" kan de LED van de wipschakelaar voor oriëntatieverlichting, voor statusindicatie of voor functie-indicatie benut worden. De LED kan in verschillende kleuren branden. Voor alarmindicatie en / of scène-opslagaanduiding kan de LED ook knipperen.
Objecten LED-functie
| Nr Objectnaam Gegevenstype Flags | ||
| 0 Status (1 Bit) 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, W, U | ||
| 0 Status (1 Byte 0..100 %) 1 Bit EIS6 / DPT 5.001 C, W, U | ||
| 1 Dag- / nachtbedrijf (1 Bit) 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, W, U | ||
| 2 Benadering (1 Bit) 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, W, U | ||
| 3 Alarm (DPT_Alarm) 1 Bit / DPT_Alarm C, W, U | ||
| 4 Scène-opslag (DPT_Scene_Control) 1 Byte / DPT 18.001 C, W, U |
11.32 Alarmfunctie
Als de alarmfunctie actief geschakeld wordt, kan de LED via een 1-bits-communicatie object "Alarm" tijdens de status- of functie-indicatie gaan knipperen (1 Hz).
Als op het 1-bits communicatie object "Alarm" een AAN-telegram ontvangen wordt, zal de LED knipperen. Ontvangt het object een UIT-telegram dan zal de LED niet meer knipperen.
De LED knippert daarbij met dezelfde kleur en helderheid, die over de statusfunctie of functie-indicatie werd gegeven.
De alarmfunctie zou bijv. kunnen dienen om de gebruiker een windalarm te melden, zodat deze weet dat het bedienen van de jaloezieën op het moment niet mogelijk is. Een andere toepassing zou de signalering van een open deur kunnen zijn als de gebruiker een rolscherm naar beneden zou willen sturen.
Aanwijzing:
Als de LED alleen als oriëntatielicht dient, zal deze niet knipperen. Dit geldt ook als tijdens het knipperen op de oriëntatieverlichting wordt omgeschakeld, d.w.z. dan houdt de LED onmiddellijk op met knipperen.
11.33 Geheugenfunctie lichtscènes
Als de "Geheugenfunctie lichtscènes" actief geschakeld wordt, kan de LED met een 1-byte communicatieobject "Scèneopslag" tijdens de status- of functie-indicatie gaan knipperen (3 Hz).
Als op het 1-bits communicatie-object "Scène-opslag" een scène-opslagtelegram wordt ontvangen, zal de LED 3 s knipperen en daarna zelfstandig ophouden te knipperen.
De LED knippert daarbij altijd met dezelfde kleur en helderheid, die via de statusfunctie of functie-indicatie zijn vastgelegd. Aanwijzing:
Als de LED alleen als oriëntatielicht dient zal deze niet knipperen. Dit geldt ook als tijdens het knipperen wordt omgeschakeld op de oriëntatiebelichting.
KNX Technisch Handboek
Busch-priOn®
11.34 Vertraging
Met de toepassing "Vertraging" kunnen via het object "Ingang" telegrammen ontvangen worden. Met een ingestelde vertragingstijd worden de ontvangen telegrammen op het object "Uitgang" verzonden.
Voor de verschillende toepassingsgevallen zijn de parameters van de objecttypen voor "Ingang" en "Uitgang" gezamenlijk in te stellen.
Objecten vertraging
| Nr. | Objectnaam Gegevenstype Flags | ||
| 0 | Ingang (1 Bit) 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, W | ||
| 0 | Ingang (1 Bit) 1 Bit EIS7 / DPT 1.008 C, W | ||
| 0 | Ingang (1 Bit) 1 Bit EIS7 / DPT 1.007 C, W | ||
| 0 | Ingang (1 Byte 0..100 %) 1 Byte EIS6 / DPT 5.001 C, W | ||
| 0 | Ingang (1 Byte 0..255) 1 Byte EIS14 / DPT 5.010 C, W | ||
| 0 | Ingang (2 Byte Float) 2 Byte EIS5 / DPT 9.xxx C, W | ||
| 0 | Ingang (2 Byte Signed) 2 Byte EIS10 / DPT 8.001 C, W | ||
| 0 | Ingang (2 Byte Unsigned) | 2 Byte EIS10 / DPT 7.001 C, W | |
| 0 | Ingang (4 Byte Float) 4 Byte EIS9 / DPT 14.xxx C, W | ||
| 0 | Ingang (4 Byte Signed) 4 Byte EIS11 / DPT 13.001 C, W | ||
| 0 | Ingang (4 Byte Unsigned) | 4 Byte EIS11 / DPT 12.001 C, W | |
| 1 | Uitgang (1 Bit) | 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, T | |
| 1 | Uitgang (1 Bit) | 1 Bit EIS7 / DPT 1.008 C, T | |
| 1 | Uitgang (1 Bit) | 1 Bit EIS7 / DPT 1.007 C, T | |
| 1 | Uitgang (1 Byte 0..100 %) | 1 Byte EIS6 / DPT 5.001 C, T | |
| 1 | Uitgang (1 Byte 0..255) | 1 Byte EIS14 / DPT 5.010 C, T | |
| 1 | Uitgang (2 Byte Float) | 2 Byte EIS5 / DPT 9.xxx C, T | |
| 1 | Uitgang (2 Byte Signed) | 2 Byte EIS10 / DPT 7.001 C, T | |
| 1 | Uitgang (2 Byte Unsigned) | 2 Byte EIS10 / DPT 7.001 C, T | |
| 1 | Uitgang (4 Byte Float) | 4 Byte EIS9 / DPT 14.xxx C, T | |
| 1 | Uitgang (4 Byte Signed) | 4 Byte EIS11 / DPT 13.001 C, T | |
| 1 | Uitgang (4 Byte Unsigned) | 4 Byte EIS11 / DPT 12.001 C, T | |
| 2 | Vertragingstijd (2 Byte) 2 Byte EIS10 / DPT 7.001 C, R, W |
11.35 Trappenhuisverlichting
Met de toepassing "Trappenhuisverlichting" kunnen schakeltelegrammen of waardetelegrammen van een nalooptijd worden voorzien.
De toepassing beeldt daartoe volgens de parameterinstelling verschillende communicatie-objecten af:
- een 1-bit object voor in- en uitgang
Als via het object "Ingang / Uitgang" een AAN-telegram wordt ontvangen, wordt de nalooptijd onmiddellijk gestart. Er kan een nalooptijd worden ingesteld van 00:10 min tot 88:45 min, instelbaar in stappen van 0,1 s. Na afloop van de nalooptijd zal het object "Ingang / Uitgang" een UIT-telegram verzenden.
- twee 1-bit objecten voor in- en uitgang
- twee 1-byte objecten voor in- en uitgang
Als via het object "Ingang" een telegram wordt ontvangen, wordt de nalooptijd onmiddellijk gestart en een telegram van dezelfde waarde van het op de ingang ontvangen telegram op het object "Uitgang" verzonden. Er kan een nalooptijd worden ingesteld van 00:10 min tot 88:45 min, instelbaar in stappen van 0,1 s. Na afloop van de nalooptijd zal het object "Ingang / Uitgang" een UIT-telegram verzenden (1 bit) resp. een telegram met de waarde "0" (1 byte) uitzenden.
Via twee extra communicatie-objecten is het mogelijk de nalooptijd en de voorafgaande waarschuwingstijd bij uitschakeling opnieuw in te voeren. De ontvangen waarden worden in het geheugen van het apparaat opgeslagen en blijven ook bij spanningsuitval en aansluitend herinschakeling van de spanning behouden.
Object trappenhuisverlichting
| Nr. | Objectnaam Gegevenstype Flags | ||
| 0 | Ingang (1 Bit) 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, W | ||
| 0 | Ingang (1 Byte) 1 Bit EIS14 / DPT 5.010 C, W | ||
| 0 | Ingang_Uitgang (1 Bit) 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, W, T | ||
| 1 | Nalooptijd (2 Byte) 2 Byte EIS10 / DPT 7.001 C, R, W | ||
| 2 | Uitschakelwaarschuwing (2 Byte) | 2 Byte EIS10 / DPT 7.001 | C, R, W |
| 3 | Uitgang (1 Bit) | 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, T | |
| 3 | Uitgang (1 Byte) | 1 Bit EIS14 / DPT 5.010 C, T |
Met de toepassing "Lichtscène-actor" is het mogelijk, scènes, die in het apparaat zijn opgeslagen, via de ontvangst van een scènenummer op het 1-byte communicatie-object "Scène-oproep" op te roepen. Er kunnen maximaal acht scènes met tot acht actor-objecten aangemaakt worden.
Voor de aansturing van diverse actoren kunt u de grootte van de actorgroep communicatie-objecten onder de parameter "Type actorgroep" instellen.
De gebruiker heeft de mogelijkheid, scènes zelf op te slaan. Daartoe moet een betreffend geheugentelegram ontvangen worden (zie beschrijving van de individuele parameter(s)).
Met de toepassing "Sequentie" is het mogelijk meerdere telegrammen met verschillende waarden in een vooraf gedefinieerde reeks (sequentie) na elkaar over hetzelfde object te verzenden.
In tegenstelling tot scène bezit de toepassing "Sequentie" maar één communicatie-object, waarop tot twaalf individuele waarden achtereen op twaalf vast ingestelde tijden verzonden worden. De tijden kunnen van 1 s. tot 12 uur vrij ingesteld worden. De toepassing "Sequentie" wordt gebruikt om bijv. showrooms aan te sturen.
Via een vrijgave-object kan de functie tijdelijk geblokkeerd worden.
Objecten sequentie
| Nr. | Objectnaam | Gegevenstype | Flags |
| 0 | Waarde sequentie (1 bit schakelen) | 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 | C, W, T, U |
| 0 | Waarde sequentie (1 Byte 0..100 %) | 1 Byte EIS6 / DPT 5.001 | C, W, T, U |
| 0 | Waarde sequentie (1 Byte 0..255) | 1 Byte EIS14 / DPT 5.010 | C, W, T, U |
| 0 | Waarde sequentie (1 byte lichtscène nummer) | 1 Byte / DPT 18.001 | C, W, T, U |
| 0 | Waarde sequentie (2 Byte Float) | 2 Byte EIS5 / DPT 9.xxx | C, W, T, U |
| 0 | Waarde sequentie (2 Byte Unsigned) | 2 Byte EIS10 / DPT 7.001 | C, W, T, U |
| 1 | Sequentie start | 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 | C, W |
| 2 | Sequentiestatus | 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 | C, T |
| 4 | Vrijgave | 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 | C, W |
11.38 Preset
De toepassing "Preset" stelt een ingangs- en een uitgangs- communicatie-object beschikbaar. Bij ontvangst van een schakeltelegram op het 1-bit ingangsobject wordt onmiddellijk een telegram op het 1-byte uitgangsobject verzonden. Daarbij kan een vooraf ingestelde procentuele waarde of als alternatief een lichtscène-nummer verzonden worden.
Objecten preset
| Nr Objectnaam Gegevenstype Flags | ||
| 0 Ingang (1 Bit) 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, W | ||
| 0 Uitgang (1 Byte 0..100 %) 1 Byte EIS6 / DPT 5.001 C, T | ||
| 0 Uitgang (1 byte lichtscène-nummer) 1 Byte / DPT 18.001 C, T |
Via de toepassing "Telegram cyclisch" wordt na ontvangst van een telegram op het object "Ingang" een telegram met dezelfde inhoud op het object "Uitgang" cyclisch verzonden.
Voor de verschillende toepassingsgevallen zijn de parameters van de objecttypen voor "Ingang" en "Uitgang" gezamenlijk in te stellen.
De tijden voor het cyclische verzenden op het object "Uitgang" zijn instelbaar.
Via een aanvullend object "Vrijgave" is het mogelijk de functie tijdelijk te blokkeren.
Objecten telegram cyclisch
| Nr. | Objectnaam Gegevenstype Flags | ||
| 0 | Ingang (1 bit schakelen) | 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 | C, W |
| 0 | Ingang (1 bit alarm) | 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 | C, W |
| 0 | Ingang (1 Byte 0..100 %) | 1 Byte EIS6 / DPT 5.001 | C, W |
| 0 | Ingang (1 Byte 0..255) | 1 Byte EIS14 / DPT 5.010 | C, W |
| 0 | Ingang (2 Byte Float) | 2 Byte EIS5 / DPT 9.xxx | C, W |
| 0 | Ingang (2 Byte Signed) | 2 Byte EIS10 / DPT 8.001 | C, W |
| 0 | Ingang (2 Byte Unsigned) | 2 Byte EIS10 / DPT 7.001 | C, W |
| 0 | Ingang (2 byte temperatuur) | 2 Byte EIS5 / DPT 9.001 | C, W |
| 0 | Ingang (4 Byte Float) | 4 Byte EIS9 / DPT 14.xxx | C, W |
| 0 | Ingang (4 Byte Signed) | 4 Byte EIS11 / DPT 13.001 | C, W |
| 0 | Ingang (4 Byte Unsigned) | 4 Byte EIS11 / DPT 12.001 | C, W |
| 1 | Uitgang (1 bit schakelen) | 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 | C, T |
| 1 | Uitgang (1 bit alarm) | 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 | C, T |
| 1 | Uitgang (1 Byte 0..100 %) | 1 Byte EIS6 / DPT 5.001 | C, T |
| 1 | Uitgang (1 Byte 0..255) | 1 Byte EIS14 / DPT 5.010 | C, T |
| 1 | Uitgang (2 Byte Float) | 2 Byte EIS5 / DPT 9.xxx | C, T |
| 1 | Uitgang (2 Byte Signed) | 2 Byte EIS10 / DPT 8.001 | C, T |
| 1 | Uitgang (2 Byte Unsigned) | 2 Byte EIS10 / DPT 7.001 | C, T |
| 1 | Uitgang (2 byte temperatuur) | 2 Byte EIS5 / DPT 9.001 | C, T |
| 1 | Uitgang (4 Byte Float) | 4 Byte EIS9 / DPT 14.xxx | C, T |
| 1 | Uitgang (4 Byte Signed) | 4 Byte EIS11 / DPT 13.001 | C, T |
| 1 | Uitgang (4 Byte Unsigned) | 4 Byte EIS11 / DPT 12.001 | C, T |
| 2 | Vrijgave | 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 | C, W |
KNX Technisch Handboek
Busch-priOn®
11.40 Knipperen
Om een knippersequentie op het uitgangsobject in werking te stellen moet van te voren een telegram op het ingangsobject ontvangen worden.
Via de parameter "Knipperen" wordt vastgelegd of de knipperfrequentie met AAN- of een UIT-telegram op het ingangsobject wordt gestart. Als alternatief kan de knippersequentie ook bij een "Toestandsomschakeling" gestart worden, d.w.z. als het ingangssignaal zich wijzigt van "0" op "1" of van "1" op "0" verandert.
Objecten knipperen
| Nr. | Objectnaam Gegevenstype Flags | ||
| 0 | Ingang 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, W | ||
| 1 | Uitgang 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, T |
11.41 Logica
Objectenlogica
| Nr. | Objectnaam Gegevenstype Flags | ||
| 0 | Uitgang (1 Bit) 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, W, T | ||
| 0 | Uitgang (1 Byte) 1 Byte EIS14 / DPT 5.010 C, W, T | ||
| 1 | Ingang 1 (1 Bit) 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, W, U | ||
| 1 | Ingang 1 (1 Byte) 1 Byte EIS14 / DPT 5.010 C, W, U | ||
| 2 | Ingang 2 (1 Bit) 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, W, U | ||
| 2 | Ingang 2 (1 Byte) 1 Byte EIS14 / DPT 5.010 C, W, U | ||
| 3 | Ingang 3 (1 Bit) 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, W, U | ||
| 3 | Ingang 3 (1 Byte) 1 Byte EIS14 / DPT 5.010 C, W, U | ||
| 4 | Ingang 4 (1 Bit) 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, W, U | ||
| 4 | Ingang 4 (1 Byte) 1 Byte EIS14 / DPT 5.010 C, W, U | ||
| 5 | Ingang 5 (1 Bit) 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, W, U | ||
| 5 | Ingang 5 (1 Byte) 1 Byte EIS14 / DPT 5.010 C, W, U | ||
| 6 | Ingang 6 (1 Bit) 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, W, U | ||
| 6 | Ingang 6 (1 Byte) 1 Byte EIS14 / DPT 5.010 C, W, U | ||
| 7 | Ingang 7 (1 Bit) 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, W, U | ||
| 7 | Ingang 7 (1 Byte) 1 Byte EIS14 / DPT 5.010 C, W, U | ||
| 8 | Ingang 8 (1 Bit) 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, W, U | ||
| 8 | Ingang 8 (1 Byte) 1 Byte EIS14 / DPT 5.010 C, W, U | ||
| 9 | Ingang 9 (1 Bit) 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, W, U | ||
| 9 | Ingang 9 (1 Byte) 1 Byte EIS14 / DPT 5.010 C, W, U | ||
| 10 | Ingang 10 (1 Bit) | 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, W, U | |
| 10 | Ingang 10 (1 Byte) | 1 Byte EIS14 / DPT 5.010 C, W, U |
11.42 Poort
Met de toepassing "Poort" kunnen bepaalde signalen worden gefilterd en kan de signaalstroom tijdelijk geblokkeerd worden.
De functie heeft drie communicatie-objecten: "Stuuringang", "Ingang" en "Uitgang".
Het ingangs- resp. uitgangsobject kan diverse groottes aannemen.
Met de instelling "niet toegewezen" kan de bitgrootte vrij worden toegekend. Dat betekent, dat het/de eerste interne of externe groepsadres/actie, dat/die wordt toegewezen en al aan een willekeurig ander communicatie-object gekoppeld is, de grootte bepaalt.
De besturing kan van "Ingang naar uitgang" of ook van "Uitgang naar ingang" plaatsvinden in zoverre als de stuuringang dit toelaat. De vrijgave over de stuuringang kan via een AAN- of UIT-telegram plaatsvinden.
Als bijvoorbeeld de instelling "Stuuringang" op "AAN-telegram" wordt gezet, worden alleen telegrammen van de ingang naar de uitgang geleid, als de stuuringang tevoren een AAN-telegram heeft ontvangen.
Bovendien is het mogelijk, signalen via de instelling "Filterfunctie" te blokkeren. Er wordt hetzij "niets uitgefilterd" of het signaal "AAN uitgefilterd" resp. het signaal "UIT uitgefilterd". Deze functie wordt bijv. altijd noodzakelijk als van een sensor alleen het AAN-telegram interessant is en deze in zijn toepassingsprogramma geen filterfunctionaliteit aanbiedt.
Objecten Poort
| Nr. Objectnaam Gegevenstype Flags | ||
| 0 Ingang - C, W, T | ||
| 1 Uitgang - C, W, T | ||
| 2 Stuuringang 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, W |
11.43 Min-/Max-waardegever
Met de toepassing "Min-/Maxwaardegever" kunnen tot acht ingangswaarden met elkaar worden vergeleken. De toepassing kan op de uitgang de hoogste ingangswaarde, de laagste ingangswaarde of het gemiddelde van alle ingangswaarden melden.
Voor de meest diverse toepassingen kan de grootte van de ingangsobjecten en bijgevolg ook de grootte van het uitgangsobject aangepast worden. U kunt kiezen uit de volgende objecttypen:
- 1 byte 0..100 %, ter vergelijking van procentuele waarden
- 1 byte 0..255, ter vergelijking van decimale waarden tussen 0 en 255
- 2 byte float, ter vergelijking van 2-byte waarden met een zwevend decimaalteken (fysieke waarden zoals temperatuur, helderheidswaarde, etc.)
- 2 byte signed, ter vergelijking van decimale waarden tussen -32.768 en +32.767
- 2 byte unsigned, ter vergelijking van decimale waarden tussen 0 en 65.535
- 4 byte float, ter vergelijking van 4-byte waarden met een zwevend decimaalteken (fysieke waarden zoals versnelling, elektrische stroom, arbeid, etc.)
- 4 byte signed, ter vergelijking van decimale waarden tussen -2.147.483.648 en 2.147.483.647
- 4 byte unsigned, ter vergelijking van decimale waarden tussen 0 en 4.294.967.295
Aanwijzing:
Bij gehele getallen wordt de gemiddelde waarde afgerond
Objecten min- / maxwaardegever
| Nr. | Objectnaam Gegevenstype Flags | ||
| 0 | Uitgang (1 Byte 0..100 %) 1 Byte EIS6 / DPT 5.001 C, T | ||
| 0 | Uitgang (1 Byte 0..255) 1 Byte EIS14 / DPT 5.010 C, T | ||
| 0 | Uitgang (2 Byte Float) 2 Byte EIS5 / DPT 9.xxx C, T | ||
| 0 | Uitgang (2 Byte Signed) 2 Byte EIS10 / DPT 8.001 C, T | ||
| 0 | Uitgang (2 Byte Unsigned) 2 Byte EIS10 / DPT 7.001 C, T | ||
| 0 | Uitgang (4 Byte Float) 4 Byte EIS9 / DPT 14.xxx C, T | ||
| 0 | Uitgang (4 Byte Signed) 4 Byte EIS11 / DPT 13.001 C, T | ||
| 0 | Uitgang (4 Byte Unsigned) 4 Byte EIS11 / DPT 12.001 C, T | ||
| 1...10 | Ingang 1 [2...10] (1 Byte 0..100 %) | 1 Byte EIS6 / DPT 5.001 | C, W |
| 1...10 | Ingang 1 [2...10] (1 Byte 0..255) | 1 Byte EIS14 / DPT 5.010 | C, W |
| 1...10 | Ingang 1 [2...10] (2 Byte Float) | 2 Byte EIS5 / DPT 9.xxx | C, W |
| 1...10 | Ingang 1 [2...10] (2 Byte Signed) | 2 Byte EIS10 / DPT 8.001 | C, W |
| 1...10 | Ingang 1 (2 Byte Unsigned) | 2 Byte EIS10 / DPT 7.001 C, W | |
| 1...10 | Ingang 1 [2...10] (4 Byte Float) | 4 Byte EIS9 / DPT 14.xxx | C, W |
| 1...10 | Ingang 1 [2...10] (4 Byte Signed) | 4 Byte EIS11 / DPT 13.001 | C, W |
| 1...10 | Ingang 1 [2...10] (4 Byte Unsigned) | 4 Byte EIS11 / DPT 12.001 | C, W |
11.44 Drempelwaarde / Hysteresis
Met de toepassing "Drempelwaarde / Hysteresis" kunnen waardetelegrammen op een ingangscommunicatie-object ontvangen en vergeleken worden met in het apparaat ingevoerde drempelwaarden.
Bij overschrijding van de bovenste of onderschrijding van de onderste drempelwaarde worden van te voren gedefinieerde waarden op het communicatie-object "Uitgang" verzonden. De grootte van het object is voor diverse toepassingen instelbaar Via een vrijgave-object kan de functie tijdelijk geblokkeerd worden.
Als de waarde van de onderste drempel boven de waarde voor de bovenste drempel ligt, wordt de functie niet uitgevoerd.
Objecten drempelwaarde / Hysteresis
| Nr. | Objectnaam Gegevenstype Flags | ||
| 0 | Ingang (1 Byte 0..100 %) 1 Byte EIS6 / DPT 5.001 C, W | ||
| 0 | Ingang (1 Byte 0..255) 1 Byte EIS14 / DPT 5.010 C, W | ||
| 0 | Ingang (2 Byte Float) 2 Byte EIS5 / DPT 9.xxx C, W | ||
| 0 | Ingang (2 Byte Signed) 2 Byte EIS10 / DPT 8.001 C, W | ||
| 0 | Ingang (2 Byte Unsigned) 2 Byte EIS10 / DPT 7.001 C, W | ||
| 0 | Ingang (4 Byte Float) 4 Byte EIS9 / DPT 14.xxx C, W | ||
| 0 | Ingang (4 Byte Signed) 4 Byte EIS11 / DPT 12.001 C, W | ||
| 0 | Ingang (4 Byte Unsigned) 4 Byte EIS11 / DPT 13.001 C, W | ||
| 1 | Uitgang (1 Bit) 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, T | ||
| 1 | Uitgang (1 Byte 0..100 %) 1 Byte EIS6 / DPT 5.001 C, T | ||
| 1 | Uitgang (1 Byte 0..255) 1 Byte EIS14 / DPT 5.010 C, T | ||
| 2 | Vrijgave 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, W |
11.45 PBM-omzetter
Met de toepassing "PBM-omzetter" kan een 1-byte ingangssignaal via een equivalente pulsbreedte-modulatie in een 1-bitssignaal of in een 1-byte-signaal worden omgezet. Deze functie is bijvoorbeeld nodig als een ruimtethermostaat een constante stelwaarde afgeeft, die een schakelende verwarmingsactor (voor elektrothermische stelaandrijvingen) bestuurt. De functie van de 1 byte grote aansturing is nodig als de ruimtethermostaat alleen constante stelgroottes kan zenden, of een constante stelgrootte voor andere functies (zoals centrale voorloop thermostaat) nodig is.
Ook bestaat de mogelijkheid een geforceerde stand te activeren. De geforceerde stand dient om bij bepaalde voorvallen, zoals bijv. het openen van een venster of bij het dauwpuntalarm, een aan te sturen verwarmingsactor in een bepaalde stand te sturen.
Als de "Storingsmelding" wordt geactiveerd, staat er nog een communicatie-object "Storing" ter beschikking. Een storing treedt op als het object "Ingang" binnen een bepaalde tijd geen telegram meer heeft ontvangen. Mogelijke oorzaken daarvoor kunnen bijvoorbeeld zijn, dat de betreffende ruimtethermostaat uitvalt of bij een lijnoverschrijdende functie de telegrammen de koppeling niet meer passeren. In dit geval wordt op het communicatie-object "Storing" een AAN-telegram verzonden en het object "Ingang" neemt de "Waarde bij storing" aan.
Via een aanvullend object "Vrijgave" is het mogelijk de functie tijdelijk te blokkeren.
Objecten PBM-omzetter
| Nr. | Objectnaam Gegevenstype Flags | ||
| 0 | Ingang (1 Byte) | 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 | C, W |
| 1 | Uitgang (1 Bit) | 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 | C, T |
| 1 | Uitgang (1 Byte 0..100 %) | 1 Byte EIS6 / DPT 5.001 C, T | |
| 2 | Vrijgave | 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 | C, W |
| 3 | Storing | 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 | C, T |
| 4 | Geforceerde stand | 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 | C, W |
11.46 Prioriteit
De toepassing "Prioriteit" beschikt over 3 communicatie-objecten, een 1-bit object "Ingang schakelen", een 2-bit object "Ingangsprioriteit" en een 1-bit object "Uitgang". De op de "Ingang schakelen" ontvangen telegrammen worden afhankelijk van de toestand van het "Ingangsprioriteit" object aan de "Uitgang" doorgegeven.
Het 2-bit object "Ingangsprioriteit" kan vier verschillende waarden ontvangen en onderscheiden (0, 1, 2 en 3). Hierover wordt het object "Uitgang" geforceerd bestuurd. Daarbij worden drie verschillende toestanden onderscheiden:
- "Ingangsprioriteit" heeft de waarde "3": de waarde, die op de "Ingang schakelen" aanligt, is zonder betekenis. De "Uitgang" is geforceerd ingeschakeld en heeft de waarde "1".
- "Ingangsprioriteit" heeft de waarde "2". De waarde, die op "Ingang schakelen" aanligt, is zonder betekenis. De "Uitgang" is geforceerd bestuurd uitgeschakeld en heeft de waarde "0".
- "Ingangsprioriteit" heeft de waarde "1" of "0". De "Uitgang" wordt niet geforceerd bestuurd. De "Ingang schakelen" wordt met de toestandsbit van het prioriteitsobject OF gekoppeld en aan de "Uitgang" doorgegeven.
Tijdens de geforceerde besturing worden wijzigingen van het object "Ingang schakelen" opgeslagen, ook als de actuele toestand aan het object "Uitgang" zich hierdoor niet onmiddellijk wijzigt. Als de geforceerde besturing wordt beëindigd, volgt de verzending van een telegram aan de "Uitgang" die overeenstemt met de actuele waarde van het object "Ingang schakelen".
Objecten Prioriteit
| Nr. | Objectnaam Gegevenstype Flags | ||
| 0 | Ingang schakelen 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, W | ||
| 1 | Ingang prioriteit 2 Bit EIS8 / DPT 2.001 C, W | ||
| 2 | Uitgang 1 Bit EIS1 / DPT 1.001 C, T |
12
Applicatie-/parameterbeschrijvingen ruimtetemperatuurregeling 6351/08-825 + 6344-101 [vanaf updateversie 0.1.6.0
12.1 Applicatie 'RTR'
12.1.1 Algemeen – apparaatfunctie
Opties: Enkel apparaat
Masterapparaat
Slaveapparaat
- Enkel apparaat: het apparaat wordt in een ruimte afzonderlijk als kamerthermostaat ingezet.
- Masterapparaat: in een ruimte bevinden zich minimaal twee kamerthermostaten. Eén apparaat moet daarbij het masterapparaat en andere als slave-apparaten/temperatuursensoren worden geparametreerd. Het masterapparaat moeten via de als zodanig gemarkeerde communicatieobjecten met de slave-apparaten worden verbonden. Het masterapparaat voert de temperatuurregeling uit.
- slave-apparaat/temperatuursensor: in een ruimte bevinden zich minimaal twee kamerthermostaten. Eén apparaat moet daarbij het masterapparaat en andere als slave-apparaten/temperatuursensoren worden geparametreerd. De slave-apparaten moeten via de als zodanig gemarkeerde communicatieobjecten worden verbonden met het masterapparaat. Het slave-apparaat bediend de ruimtetemperatuurregelaarfuncties van de master.
12.1.2 Algemeen – regelaarfunctie
Opties: Verwarmen
Verwarmen met extra stand
Koelen
Koelen met extra stand
Verwarmen en koelen
Verwarmen en koelen met extra standen
- Verwarmen: voor het gebruik van een warmtegestuurde regeling van een afzonderlijke ruimte. Er wordt op een geparametreerde gewenste temperatuurwaarde geregeld. Voor de optimale regeling kunnen 'regelaartype' en 'soort verwarming' worden geparametreerd.
- Verwarmen met extra stand: naast de onder Verwarmen beschreven regelaarfunctie kan met de extra stand een extra verwarmingscircuit worden aangestuurd. Zo'n extra stand wordt bijvoorbeeld gebruikt voor het snel opwarmen van een badkamer met vloerverwarming via een verwarmbaar handdoekenrek.
- Koelen: voor het gebruik van een koudegestuurde regeling van een afzonderlijke ruimte. Er wordt op een geparametreerde gewenste temperatuurwaarde geregeld. Voor de optimale regeling kunnen 'regelaartype' en 'soort koeling worden geparametreerd.
-
Koelen met extra stand: naast de onder Koelen beschreven regelaarfunctie kan met de extra stand een extra koelapparaat worden aangestuurd. Een dergelijke extra stand wordt bijvoorbeeld gebruikt voor het snel afkoelen van een ruimte via een extra koelaggregaat.
-
Verwarmen en koelen: voor het gebruik van systeem met twee of vier leidingen waarmee een ruimte verwarmd of gekoeld wordt. Daarbij wordt tussen verwarmen en koelen omgeschakeld via een centrale omschakeling (tweeleidingensysteem) of handmatig en/of automatisch via de ruimtetemperatuurregelaar voor een individuele ruimte (vierleidingensysteem).
- Verwarmen en koelen met extra stand: naast de verwarmings- en koelfuncties kan steeds een extra stand met een standalone regelaartype worden geparametreerd.

Opmerking
Deze parameter is alleen beschikbaar als de parameter 'Apparaatfunctie' op 'Enkel apparaat' of 'Masterapparaat' staat.
12.1.3 Algemeen – bedrijfsmodus na reset
Opties: Comfort
Stand-by
Ecobedrijf
Koelen met extra stand
Vorst-/hittebeveiliging
In de bedrijfsmodus na reset werkt het apparaat na een herstart zolang totdat eventueel een nieuwe bedrijfsmodus door bediening van het apparaat of communicatieobjecten worden ingesteld. Deze bedrijfsmodus moet tijdens de planningsfase worden gedefinieerd. Bij een onjuist gedefinieerde bedrijfsmodus kunnen en comfortbeperkingen en een hoger energieverbruik ontstaan.
- Comfort: als de ruimtetemperatuur niet automatisch verlaagd en de ruimte daarom onafhankelijk van de toepassing gebruikt wordt.
- Stand-by: als de ruimte automatisch bijvoorbeeld met een aanwezigheidsmelder afhankelijk van de toepassing wordt gebruikt.
- Ecobedrijf: als de ruimte automatisch of handmatig afhankelijk van de toepassing wordt gebruikt.
- Vorst-/hittebeveiliging:als in de ruimte alleen de gebouwbeschermingsfunctie na reset nodig is.

Opmerking
Deze parameter is alleen beschikbaar als de parameter 'Apparaatfunctie' op 'Enkel apparaat' of 'Masterapparaat' staat.
12.1.4 Algemeen - extra functies
Opties: Nee
ja
- Deze parameter schakelt extra functies en communicatieobjecten vrij, bijvoorbeeld raamcontact en aanwezigheidsmelder.
12.1.5 Algemeen – cyclisch 'in werking' zenden (min)
Opties: Instelmogelijkheid tussen 5 – 3000 minuten
- Het communicatieobject 'in werking' dient ter informatie, dat de regelaar nog werkt. Er wordt cyclisch de waarde '1' verzonden. De cyclus voor het zenden wordt via deze parameter ingesteld. Als het cyclische telegram uitblijft, is de functie van het apparaat gestoord en kan de klimatisering van de ruimte door een dwangsturing gewaarborgd blijven. Hiertoe moeten de installatie en/of de aktor echter over de functie 'dwangsturing' beschikken.

Opmerking
Deze parameter is alleen beschikbaar, als de parameter 'extra functies' op 'ja' staat.
12.1.6 Regeling verwarmen

Opmerking
Alleen beschikbaar als de parameter ‘apparaatfunctie’ ofwel op ‘enkel apparaat’ of ‘masterapparaat’ en de parameter ‘regelaarfunctie’ ofwel op ‘verwarmen’, ‘verwarmen met extra stand’, ‘verwarmen en koelen’ of ‘verwarmen en koelen met extra standen’ staat.
12.1.7 Regeling verwarmen – soort stelgrootte
Opties: 2-punts 1 bit, uit/aan
2-punts 1 byte, 0/100%
PI continu, 0-100%
PI PWM, aan/uit
Fan-coil
Via het regelaartype wordt de regelingsklep voor de aansturing gekozen.
- 2-punts 1 bit, uit/aan: de 2-punts regeling is het eenvoudigste type regeling. De regelaar schakelt in als de ruimtetemperatuur onder een bepaald niveau (ingestelde temperatuurwaarde min hysteresis) gedaald is en uit op het moment dat een bepaalde waarde (ingestelde temperatuurwaarde plus hysteresis) wordt overschreden. De in- en uitschakelcommando's worden als 1 bit-commando's verzonden.
- 2-punts 1 byte, 0/100%: hier gaat het eveneens om een tweepunts-regeling zoals hierbij. De in- en uitschakelcommando's worden echter in 1-byte-waarden (0 % / 100 %) verzonden.
-
PI continue, 0-100%: de PI-regelaar past de uitgangsgrootte tussen 0% en 100% aan het verschil tussen werkelijke en gewenste waarde aan en zorgt ervoor dat de ruimtetemperatuur precies op de gewenste waarde kan worden geregeld. Hij geeft de stelgrootte als een 1-byte-waarde (0 ... 100 %) op de bus. Om de busbelasting te reduceren, wordt de stelgrootte alleen verstuurd als deze met een eerder vastgelegd percentage is gewijzigd t.o.v. de als laatste verstuurde waarde. Daarnaast kan de stelgrootte cyclisch worden verzonden.
-
PI PWM, aan/uit: hier gaat het eveneens om een PI-regelaar. De uitvoer vindt plaats als 1-bit-commando. Daarvoor wordt de berekende stelgrootte omgezet in een puls-pauzesignaal.
- Fan-coil: de fan-coil-regelaar werkt als een PI-continuregelaar. Bovendien is een gescheiden aansturing van de ventilator van de fan-coil-eenheid (bijvoorbeeld de ventilatorstanden 1 ... 3) mogelijk.
12.1.8 Regeling verwarmen – soort verwarming
Opties: PI continu, 0 – 100% en PI PWM, aan/uit:
Fan-coil:
- Oppervlak (bijvoorbeeld vloerverwarming) 4°C 200 min
■ Convector (bijvoorbeeld radiator) 1,5°C 100min
■ Vrije configuratie
■ Fan-coil 4°C 90min
- Vrije configuratie
Er zijn meerdere voorgeparametreerde verwarmingstypen (oppervlakteverwarming, convectorverwarming of fan-coil) voor de gebruiker beschikbaar.
- Als het benodigde verwarmingstype niet beschikbaar is, kunnen via de vrije configuratie individuele parameters worden ingesteld.

Opmerking
Deze parameter is alleen beschikbaar als de parameter 'soort stelgrootte' ofwel op 'PI continu, '0 - 100%', 'PI PWM, aan/uit' of 'fan-coil' staat.
12.1.9 Regeling verwarmen – P-aandeel (x 0,1°C)
Opties: Instelmogelijkheid tussen 10 – 100
Het P-aandeel staat voor het proportionele bereik van een regeling. Deze schommelt om de gewenste waarde en heeft de functie bij een PI-regeling de snelheid van de regeling te beïnvloeden. Hoe lager de ingestelde waarde, hoe sneller de regeling reageert. De waarde moet echter niet te laag worden ingesteld, omdat anders het gevaar van overschrijding kan ontstaan. Er kan een P-aandeel van 0,1 ... 25,5 K worden ingesteld.

Opmerking
Deze parameter is alleen beschikbaar als de parameter 'soort stelgrootte' ofwel op 'PI continu, '0 - 100%', 'PI PWM, aan/uit' of 'fan-coil' staat. Bovendien moet de parameter 'soort verwarming' op 'vrije configuratie' staan.
12.1.10 Regeling verwarmen - I-aandeel (min.)
Opties: Instelmogelijkheid tussen 0 – 255
Het I-aandeel staat voor de nasteltijd van een regeling. Het integrale aandeel zorgt ervoor dat de kamertemperatuur langzaam de gewenste waarde nadert en deze uiteindelijk ook bereikt. Afhankelijk van het gebruikte installatietype moet de nasteltijd verschillende groottes aannemen. In principe geldt dat hoe trager het totale systeem is, hoe langer de nasteltijd wordt.

Opmerking
Deze parameter is alleen beschikbaar als de parameter 'soort stelgrootte' ofwel op 'PI continu, '0 - 100%', 'PI PWM, aan/uit' of 'fan-coil' staat. Bovendien moet de parameter 'soort verwarming' op 'vrije configuratie' staan.
12.1.11 Regeling verwarmen – geavanceerde instellingen
Opties: Nee
ja
- Deze parameter schakelt extra functies en communicatieobjecten vrij, bijvoorbeeld 'basisstand verwarmen'.
12.1.12 Basisstand verwarmen

Opmerking
Niet beschikbaar als de parameter 'geavanceerde instellingen' onder 'regeling verwarmen' op 'ja' staat.
12.1.13 Basisstand verwarmen – statusobject verwarmen
Opties: Nee
ja
- De parameter schakelt het communicatieobject 'status verwarmen' vrij.
12.1.14 Basisstand verwarmen – werking stelgrootte
Opties: normaal
invers
Met werking stelgrootte wordt de stelgrootte aangepast aan stroomloos geopende (normaal) of stroomloos gesloten (invers) kleppen.
- normaal: waarde 0 betekent 'klep gesloten'
- invers: waarde 0 betekent 'klep geopend'
12.1.15 Basisstand verwarmen – hysteresis (x 0,1°C)
Opties: Instelmogelijkheid tussen 3 – 255
De hysteresis van de tweepunts regelaar geeft de schommelingsbreedte van de regelaar om de gewenste waarde aan. Het onderste schakelpunt ligt bij 'gewenste waarde min hysteresis' en de bovenste bij 'gewenste waarde plus hysteresis'.

Opmerking
Deze parameter is alleen beschikbaar als de parameter 'soort stelgrootte' ofwel op '2-punts 1 bit, aan/uit' of '2-punts 1-byte, 0/100%' staat.
12.1.16 Basisstand verwarmen – stelgrootteverschil voor zenden stelgrootte verwarmen
Opties: 2 %
5%
10%
De stelgroottes van de continue PI-regelaar 0 ... 100 % worden niet na iedere berekening verstuurd, maar alleen als uit de berekening een waardeverschil t.o.v. de laatste verstuurde waarde resulteert waarbij het versturen bovendien zinvol is. Dit waardeverschil kan hier worden ingevoerd.

Opmerking
Deze parameter is alleen beschikbaar als de parameter 'soort stelgrootte' ofwel op 'PI continu, 0 - 100%', 'PI PWM, aan/uit' of 'fan-coil' staat.
12.1.17 Basisstand verwarmen – cyclisch zenden van stelgrootte (min)
Opties: Instelmogelijkheid tussen 1 – 60 minuten
De door het apparaat gebruikte actuele stelgrootte kan cyclisch naar de bus worden verzonden.

Opmerking
Deze parameter is alleen beschikbaar als de parameter 'soort stelgrootte' ofwel op '2-punts 1 bit, aan/uit', '2-punts 1-byte, 0/100%', 'PI continu, 0-100%' of 'fan-coil' staat.
12.1.18 Basistand verwarmen – PWM-cyclus verwarmen (min)
Opties: Instelmogelijkheid tussen 1 – 60 minuten
Bij PI PWM, aan/uit worden de procentuele stelgroottes omgezet in een puls-pauzesignaal. Dat betekent dat een gekozen PWM-cyclus overeenkomstig de stelgrootte in een aan- en een uit-fase wordt opgedeeld. Daardoor betekent een stelgrootte-uitvoer van 33% bij een PWM-cyclus van 15 min. Een aan-fase van vijf minuten en een uit-fase van 10 minuten. De tijd voor een PWM-cyclisch kan hier worden opgegeven.

Opmerking
Deze parameter is alleen beschikbaar als de parameter 'soort stelgrootte' op 'PI PWM, aan/uit' staat.
12.1.19 Basisstand verwarmen – max. stelgrootte (0..255)
Opties: Instelmogelijkheid tussen 0 – 255
De maximale stelgrootte van de PI-regelaar geeft de maximale waarde aan die de regelaar uitgeeft. Als een maximale waarde lager dan '255' wordt gekozen, wordt deze waarde niet overschreden, ook als de regelaar een hogere stelgrootte berekend heeft.

Opmerking
Deze parameter is alleen beschikbaar als de parameter 'soort stelgrootte' ofwel op 'PI continu, 0-100%', 'PI PWM, aan/uit' of 'fan-coil' staat.
12.1.20 Basisstand verwarmen – basisbelasting min. stelgrootte (0..255)
Opties: Instelmogelijkheid tussen 0 – 255
De minimale stelgrootte van de PI-regelaar geeft de minimale waarde aan die de regelaar uitgeeft. Als de minimale waarde groter dan nul is gekozen, wordt deze waarde niet onderschreden, ook als de regelaar een lagere stelgrootte heeft berekend. Met deze parameter kan de instelling van een basisbelasting worden gerealiseerd bijvoorbeeld voor het gebruik van een vloerverwarming. Ook als de regelaar de stelgrootte nul berekent, wordt de vloerverwarming met het verwarmingsmedium doorstroomt, om een afkoeling van de vloer te vermijden. Onder 'instellingen basisbelasting' kan verder worden ingesteld, of deze basisbelasting permanent actief moet zijn of via het object 'basisbelasting' moet worden geschakeld.

Opmerking
Deze parameter is alleen beschikbaar als de parameter 'soort stelgrootte' ofwel op 'PI continu, 0-100%', 'PI PWM, aan/uit' of 'fan-coil' staat.
12.1.21 Regeling extra stand verwarmen

Opmerking
Alleen beschikbaar als de parameter ‘apparaatfunctie’ ofwel op ‘enkel apparaat’ of ‘masterapparaat’ en de parameter ‘regelaarfunctie’ ofwel op ‘verwarmen met extra stand’ of op ‘verwarmen en koelen met extra standen’ staat.
12.1.22 Regeling extra stand verwarmen – soort stelgrootte
Opties: 2-punts 1 bit, uit/aan
2-punts 1 byte, 0/100%
PI continu, 0-100%
PI PWM, aan/uit
Fan-coil
Via het regelaartype wordt de regelingsklep voor de aansturing gekozen.
- 2-punts 1 bit, uit/aan: de 2-punts regeling is het eenvoudigste type regeling. De regelaar schakelt in als de ruimtetemperatuur onder een bepaald niveau (ingestelde temperatuurwaarde min hysteresis) gedaald is en uit op het moment dat een bepaalde waarde (ingestelde temperatuurwaarde plus hysteresis) wordt overschreden. De in- en uitschakelcommando's worden als 1 bit-commando's verzonden.
- 2-punts 1 byte, 0/100% : hier gaat het eveneens om een tweepunts-regeling zoals hierbij. De in- en uitschakelcommando's worden echter in 1-byte-waarden (0 % / 100 %) verzonden.
- PI continue, 0-100%: de PI-regelaar past de uitgangsgrootte tussen 0% en 100% aan het verschil tussen werkelijke en gewenste waarde aan en zorgt ervoor dat de ruimtetemperatuur precies op de gewenste waarde kan worden geregeld. Hij geeft de stelgrootte als een 1-byte-waarde (0 ... 100 %) op de bus. Om de busbelasting te reduceren, wordt de stelgrootte alleen verstuurd als deze met een eerder vastgelegd percentage is gewijzigd t.o.v. de als laatste verstuurde waarde. Daarnaast kan de stelgrootte cyclisch worden verzonden.
- PI PWM, aan/uit: hier gaat het eveneens om een PI-regelaar. De uitvoer vindt plaats als 1-bit-commando. Daarvoor wordt de berekende stelgrootte omgezet in een puls-pauzesignaal.
- Fan-coil: de fan-coil-regelaar werkt als een PI-continuregelaar. Bovendien is een gescheiden aansturing van de ventilator van de fan-coil-eenheid (bijvoorbeeld de ventilatorstanden 1 ... 3) mogelijk.
12.1.23 Regeling extra stand verwarmen – soort extra verwarming
Opties: PI continu, 0-100% en PI PWM, aan/uit:
Fan-coil:
- Oppervlak (bijvoorbeeld vloerverwarming) 4°C 200 min
- Convector (bijvoorbeeld radiator) 1,5°C 100min
■ Vrije configuratie
■ Fan-coil 4°C 90min
■ Vrije configuratie
Er zijn meerdere voorgeparametreerde verwarmingstypen (oppervlakteverwarming, convectorverwarming of fan-coil) voor de gebruiker beschikbaar.
- Als het benodigde verwarmingstype niet beschikbaar is, kunnen via de vrije configuratie individuele parameters worden ingesteld.

Opmerking
Deze parameter is alleen beschikbaar als de parameter 'soort stelgrootte' ofwel op 'PI continu, 0-100%', 'PI PWM, aan/uit' of 'fan-coil' staat.
12.1.24 Regeling extra stand verwarmen – P-aandeel (x 0,1°C)
Opties: Instelmogelijkheid tussen 10 – 100
Het P-aandeel staat voor het proportionele bereik van een regeling. Deze schommelt om de gewenste waarde en heeft de functie bij een PI-regeling de snelheid van de regeling te beïnvloeden. Hoe lager de ingestelde waarde, hoe sneller de regeling reageert. De waarde moet echter niet te laag worden ingesteld, omdat anders het gevaar van overschrijding kan ontstaan. Er kan een P-aandeel van 0,1 ... 25,5 K worden ingesteld.

Opmerking
Deze parameter is alleen beschikbaar als de parameter 'soort stelgrootte' ofwel op 'PI continu, 0-100%', 'PI PWM, aan/uit' of 'fan-coil' staat. Bovendien moet de parameter 'soort extra verwarming' of 'vrije configuratie' staan.
12.1.25 Regeling extra stand verwarmen – I-aandeel (min)
Opties: Instelmogelijkheid tussen 0 – 255
Het I-aandeel staat voor de nasteltijd van een regeling. Het integrale aandeel zorgt ervoor dat de kamertemperatuur langzaam de gewenste waarde nadert en deze uiteindelijk ook bereikt. Afhankelijk van het gebruikte installatietype moet de nasteltijd verschillende groottes aannemen. In principe geldt dat hoe trager het totale systeem is, hoe langer de nasteltijd wordt.

Opmerking
Deze parameter is alleen beschikbaar als de parameter 'soort stelgrootte' ofwel op 'PI continu, 0-100%', 'PI PWM, aan/uit' of 'fan-coil' staat. Bovendien moet de parameter 'soort extra verwarming' of 'vrije configuratie' staan.
12.1.26 Regeling extra stand verwarmen – temperatuurverschil t.o.v. basisstand (x 0,1°C)
Opties: Instelmogelijkheid tussen 0 – 255
De ingestelde temperatuur van de extra stand wordt afhankelijk van de actueel ingestelde temperatuur van de basisstand als verschil gedefinieerd. De waarde beschrijft de gewenste waarde vanaf welke de extra stand gaat werken.
12.1.27 Regeling extra stand verwarmen – geavanceerde instellingen
Opties: Nee ja
Deze parameter schakelt extra functies en communicatieobjecten vrij, bijvoorbeeld 'extra stand verwarmen'.
12.1.28 Extra stand verwarmen

Opmerking
Niet beschikbaar als de parameter ‘geavanceerde instellingen’ onder ‘regeling extra stand verwarmen’ op ‘ja’ staat.
12.1.29 Extra stand verwarmen – werking stelgrootte
Opties: normaal invers
Met werking stelgrootte wordt de stelgrootte aangepast aan stroomloos geopende (normaal) of stroomloos gesloten (invers) kleppen.
- normaal: waarde 0 betekent 'klep gesloten'
- invers: waarde 0 betekent 'klep geopend'
12.1.30 Extra stand verwarmen – hysteresis (x 0,1°C)
Opties: Instelmogelijkheid tussen 3 – 255
De hysteresis van de tweepunts regelaar geeft de schommelingsbreedte van de regelaar om de gewenste waarde aan. Het onderste schakelpunt ligt bij 'gewenste waarde min hysteresis' en de bovenste bij 'gewenste waarde plus hysteresis'.

Opmerking
Deze parameter is alleen beschikbaar als de parameter 'soort stelgrootte' ofwel op '2-punts 1 bit, aan/uit' of '2-punts 1-byte, 0/100%' staat.
12.1.31 Extra stand verwarmen – stelgrootteverschil voor zenden stelgrootte verwarmen
Opties: 2 %
5%
10%
De stelgroottes van de continue PI-regelaar 0 ... 100 % worden niet na iedere berekening verstuurd, maar alleen als uit de berekening een waardeverschil t.o.v. de laatste verstuurde waarde resulteert waarbij het versturen bovendien zinvol is. Dit waardeverschil kan hier worden ingevoerd.

Opmerking
Deze parameter is alleen beschikbaar als de parameter 'soort stelgrootte' ofwel op 'PI continu, 0-100%', 'PI PWM, aan/uit' of 'fan-coil' staat.
Opties: Instelmogelijkheid tussen 1 – 60 minuten
De door het apparaat gebruikte actuele stelgrootte kan cyclisch naar de bus worden verzonden.

Opmerking
Deze parameter is alleen beschikbaar als de parameter 'soort stelgrootte' ofwel op '2-punts 1 bit, aan/uit', '2-punts 1-byte, 0/100%', 'PI continu, 0-100%' of 'fan-coil' staat.
Extra stand verwarmen - max. stelgrootte (0..255)
Opties: Instelmogelijkheid tussen 0 – 255
De maximale stelgrootte van de PI-regelaar geeft de maximale waarde aan die de regelaar uitgeeft. Als een maximale waarde lager dan '255' wordt gekozen, wordt deze waarde niet overschreden, ook als de regelaar een hogere stelgrootte berekend heeft.

Opmerking
Deze parameter is alleen beschikbaar als de parameter 'soort stelgrootte' ofwel op 'PI continu, 0-100%', 'PI PWM, aan/uit' of 'fan-coil' staat.
12.1.33 Extra stand verwarmen – basisbelasting min. stelgrootte (0..255)
Opties: Instelmogelijkheid tussen 0 – 255
De minimale stelgrootte van de PI-regelaar geeft de minimale waarde aan die de regelaar uitgeeft. Als de minimale waarde groter dan nul is gekozen, wordt deze waarde niet onderschreden, ook als de regelaar een lagere stelgrootte heeft berekend. Met deze parameter kan de instelling van een basisbelasting worden gerealiseerd bijvoorbeeld voor het gebruik van een vloerverwarming. Ook als de regelaar de stelgrootte nul berekent, wordt de vloerverwarming met het verwarmingsmedium doorstroomt, om een afkoeling van de vloer te vermijden. Onder 'instellingen basisbelasting' kan verder worden ingesteld, of deze basisbelasting permanent actief moet zijn of via het object 'basisbelasting' moet worden geschakeld.

Opmerking
Deze parameter is alleen beschikbaar als de parameter 'soort stelgrootte' ofwel op 'PI continu, 0-100%', 'PI PWM, aan/uit' of 'fan-coil' staat.
12.1.34 Regeling koelen

Opmerking
Alleen beschikbaar als de parameter ‘apparaatfunctie’ ofwel op ‘enkel apparaat’ of ‘masterapparaat’ en de parameter ‘regelaarfunctie’ ofwel op ‘koelen, ‘koelen met extra stand’, ‘verwarmen en koelen’ of ‘verwarmen en koelen met extra standen’ staat.
12.1.35 Regeling koelen – soort stelgrootte
| Opties: 2-punts 1 bit, uit/aan |
| 2-punts 1 byte, 0/100% |
| PI continu, 0-100% |
| PI PWM, aan/uit |
| Fan-coil |
Via het regelaartype wordt de regelingsklep voor de aansturing gekozen.
- 2-punts 1 bit, uit/aan: de 2-punts regeling is het eenvoudigste type regeling. De regelaar schakelt in als de ruimtetemperatuur onder een bepaald niveau (ingestelde temperatuurwaarde min hysteresis) gedaald is en uit op het moment dat een bepaalde waarde (ingestelde temperatuurwaarde plus hysteresis) wordt overschreden. De in- en uitschakelcommando's worden als 1 bit-commando's verzonden.
- 2-punts 1 byte, 0/100%: hier gaat het eveneens om een tweepunts-regeling zoals hierbij. De in- en uitschakelcommando's worden echter in 1-byte-waarden (0 % / 100 %) verzonden.
- PI continue, 0-100%: de PI-regelaar past de uitgangsgrootte tussen 0% en 100% aan het verschil tussen werkelijke en gewenste waarde aan en zorgt ervoor dat de ruimtetemperatuur precies op de gewenste waarde kan worden geregeld. Hij geeft de stelgrootte als een 1-byte-waarde (0 ... 100 %) op de bus. Om de busbelasting te reduceren, wordt de stelgrootte alleen verstuurd als deze met een eerder vastgelegd percentage is gewijzigd t.o.v. de als laatste verstuurde waarde. Daarnaast kan de stelgrootte cyclisch worden verzonden.
- PI PWM, aan/uit: hier gaat het eveneens om een PI-regelaar. De uitvoer vindt plaats als 1-bit-commando. Daarvoor wordt de berekende stelgrootte omgezet in een puls-pauzesignaal.
- Fan-coil: de fan-coil-regelaar werkt als een PI-continuregelaar. Bovendien is een gescheiden aansturing van de ventilator van de fan-coil-eenheid (bijvoorbeeld de ventilatorstanden 1 ... 3) mogelijk.
12.1.36 Regeling koelen – soort koeling
Opties: PI continu, 0-100% en PI PWM, aan/uit:
- Oppervlak (bijvoorbeeld koelplafond) 5°C 240min
■ Vrije configuratie
Fan-coil:
■ Fan-coil 4°C 90min
■ Vrije configuratie
Er zijn twee voorgeprogrammeerde koeltypen (oppervlak of fan-coil) beschikbaar voor de gebruiker.
Als het benodigde koeltype niet beschikbaar is, kunnen via de vrije configuratie individuele parameters worden ingesteld.

Opmerking
Deze parameter is alleen beschikbaar als de parameter 'soort stelgrootte' ofwel op 'PI continu, 0-100%', 'PI PWM, aan/uit' of 'fan-coil' staat.
12.1.37 Regeling koelen - P-aandeel (x 0,1°C)
Opties: Instelmogelijkheid tussen 10 – 100
Het P-aandeel staat voor het proportionele bereik van een regeling. Deze schommelt om de gewenste waarde en heeft de functie bij een PI-regeling de snelheid van de regeling te beïnvloeden. Hoe lager de ingestelde waarde, hoe sneller de regeling reageert. De waarde moet echter niet te laag worden ingesteld, omdat anders het gevaar van overschrijding kan ontstaan. Er kan een P-aandeel van 0,1 ... 25,5 K worden ingesteld.

Opmerking
Deze parameter is alleen beschikbaar als de parameter 'soort stelgrootte' ofwel op 'PI continu, 0-100%', 'PI PWM, aan/uit' of 'fan-coil' staat. Bovendien moet de parameter 'soort koeling of 'vrije configuratie' staan.
12.1.38 Regeling koelen - I-aandeel (min.)
Opties: Instelmogelijkheid tussen 0 – 255
Het I-aandeel staat voor de nasteltijd van een regeling. Het integrale aandeel zorgt ervoor dat de kamertemperatuur langzaam de gewenste waarde nadert en deze uiteindelijk ook bereikt. Afhankelijk van het gebruikte installatietype moet de nasteltijd verschillende groottes aannemen. In principe geldt dat hoe trager het totale systeem is, hoe langer de nasteltijd wordt.

Opmerking
Deze parameter is alleen beschikbaar als de parameter 'soort stelgrootte' ofwel op 'PI continu, 0-100%', 'PI PWM, aan/uit' of 'fan-coil' staat. Bovendien moet de parameter 'soort koeling of 'vrije configuratie' staan.
12.1.39 Regeling koelen – geavanceerde instellingen
Opties: Nee
ja
- Deze parameter schakelt extra functies en communicatieobjecten vrij, bijvoorbeeld 'basisstand koelen'.
12.1.40 Basisstand koelen

Opmerking
Niet beschikbaar als de parameter ‘geavanceerde instellingen’ onder ‘regeling koelen op ‘ja’ staat.
12.1.41 Basisstand koelen – statusobject koelen
Opties: Nee
ja
De parameter schakelt het communicatieobject 'status koelen vrij.
12.1.42 Basisstand koelen – werking stelgrootte
Opties: normaal
invers
Met de werking van de stelgrootte wordt de stelgrootte aangepast aan stroomloos geopende (normaal) of stroomloos gesloten (invers) kleppen.
- normaal: waarde 0 betekent 'klep gesloten'
- invers: waarde 0 betekent 'klep geopend'
12.1.43 Basisstand koelen – hysteresis (x 0,1°C)
Opties: Instelmogelijkheid tussen 3 – 255
De hysteresis van de tweepunts regelaar geeft de schommelingsbreedte van de regelaar om de gewenste waarde aan. Het onderste schakelpunt ligt bij 'gewenste waarde min hysteresis' en de bovenste bij 'gewenste waarde plus hysteresis'.

Opmerking
Deze parameter is alleen beschikbaar als de parameter 'soort stelgrootte' ofwel op '2-punts 1 bit, aan/uit' of '2-punts 1-byte, 0/100%' staat.
Basisstand koelen – stelgrootteverschil voor zenden stelgrootte koelen
Opties: 2 %
5%
10%
De stelgroottes van de continue PI-regelaar 0 ... 100 % worden niet na iedere berekening verstuurd, maar alleen als uit de berekening een waardeverschil t.o.v. de laatste verstuurde waarde resulteert waarbij het versturen bovendien zinvol is. Dit waardeverschil kan hier worden ingevoerd.

Opmerking
Deze parameter is alleen beschikbaar als de parameter 'soort stelgrootte' ofwel op 'PI continu, 0-100%', 'PI PWM, aan/uit' of 'fan-coil' staat.
12.1.44 Basisstand koelen – cyclisch zenden van stelgrootte (min)
Opties: Instelmogelijkheid tussen 1 – 60 minuten
De door het apparaat gebruikte actuele stelgrootte kan cyclisch naar de bus worden verzonden.

Opmerking
Deze parameter is alleen beschikbaar als de parameter 'soort stelgrootte' ofwel op '2-punts 1 bit, aan/uit', '2-punts 1-byte, 0/100%', 'PI continu, 0-100%' of 'fan-coil' staat.
12.1.45 Basisstand koelen

Opmerking
Niet beschikbaar als de parameter 'geavanceerde instellingen' onder 'regeling koelen op 'ja' staat.
12.1.46 Basisstand koelen – max. stelgrootte (0..255)
Opties: Instelmogelijkheid tussen 0 – 255
De maximale stelgrootte van de PI-regelaar geeft de maximale waarde aan die de regelaar uitgeeft. Als een maximale waarde lager dan '255' wordt gekozen, wordt deze waarde niet overschreden, ook als de regelaar een hogere stelgrootte berekend heeft.

Opmerking
Deze parameter is alleen beschikbaar als de parameter 'soort stelgrootte' ofwel op 'PI continu, 0-100%', 'PI PWM, aan/uit' of 'fan-coil' staat.
12.1.47 Basisstand koelen – basisbelasting min. stelgrootte (0..255)
Opties: Instelmogelijkheid tussen 0 – 255
De minimale stelgrootte van de PI-regelaar geeft de minimale waarde aan die de regelaar uitgeeft. Als de minimale waarde groter dan nul is gekozen, wordt deze waarde niet onderschreden, ook als de regelaar een lagere stelgrootte heeft berekend. Met deze parameter kan de instelling van een basisbelasting worden gerealiseerd bijvoorbeeld voor het gebruik van een oppervlakkoeling. Ook als de regelaar de stelgrootte nul berekent, wordt het koeloppervlak met het koelmedium doorstroomt, om een opwarming van de ruimte te vermijden. Onder 'instellingen basisbelasting' kan verder worden ingesteld, of deze basisbelasting permanent actief moet zijn of via het object 'basisbelasting' moet worden geschakeld.

Opmerking
Deze parameter is alleen beschikbaar als de parameter 'soort stelgrootte' ofwel op 'PI continu, 0-100%', 'PI PWM, aan/uit' of 'fan-coil' staat.
12.1.48 Regeling extra stand koelen

Opmerking
Alleen beschikbaar als de parameter ‘apparaatfunctie’ ofwel op ‘enkel apparaat’ of ‘masterapparaat’ en de parameter ‘regelaarfunctie’ ofwel op ‘koelen met extra stand’ of op ‘verwarmen en koelen met extra standen’ staat.
Opties: 2-punts 1 bit, uit/aan
2-punts 1 byte, 0/100%
PI continu, 0-100%
PI PWM, aan/uit
Fan-coil
Via het regelaartype wordt de regelingsklep voor de aansturing gekozen.
- 2-punts 1 bit, uit/aan: de 2-punts regeling is het eenvoudigste type regeling. De regelaar schakelt in als de ruimtetemperatuur onder een bepaald niveau (ingestelde temperatuurwaarde min hysteresis) gedaald is en uit op het moment dat een bepaalde waarde (ingestelde temperatuurwaarde plus hysteresis) wordt overschreden. De in- en uitschakelcommando's worden als 1 bit-commando's verzonden.
- 2-punts 1 byte, 0/100%: hier gaat het eveneens om een tweepunts-regeling zoals hierbij. De in- en uitschakelcommando's worden echter in 1-byte-waarden (0 % / 100 %) verzonden.
- PI continue, 0-100%: de PI-regelaar past de uitgangsgrootte tussen 0% en 100% aan het verschil tussen werkelijke en gewenste waarde aan en zorgt ervoor dat de ruimtetemperatuur precies op de gewenste waarde kan worden geregeld. Hij geeft de stelgrootte als een 1-byte-waarde (0 ... 100 %) op de bus. Om de busbelasting te reduceren, wordt de stelgrootte alleen verstuurd als deze met een eerder vastgelegd percentage is gewijzigd t.o.v. de als laatste verstuurde waarde. Daarnaast kan de stelgrootte cyclisch worden verzonden.
- PI PWM, aan/uit: hier gaat het eveneens om een PI-regelaar. De uitvoer vindt plaats als 1-bit-commando. Daarvoor wordt de berekende stelgrootte omgezet in een puls-pauzesignaal.
- Fan-coil: de fan-coil-regelaar werkt als een PI-continuregelaar. Bovendien is een gescheiden aansturing van de ventilator van de fan-coil-eenheid (bijvoorbeeld de ventilatorstanden 1 ... 3) mogelijk.
12.1.49 Regeling extra stand koelen – soort koeling
Opties: PI continu, 0-100% en PI PWM, aan/uit:
- Oppervlak (bijvoorbeeld koelplafond) 5°C 240min
■ Vrije configuratie
Fan-coil:
■ Fan-coil 4°C 90min
■ Vrije configuratie
Er zijn twee voorgeprogrammeerde koeltypen (oppervlak of fan-coil) beschikbaar voor de gebruiker.
Als het benodigde koeltype niet beschikbaar is, kunnen via de vrije configuratie individuele parameters worden ingesteld.

Opmerking
Deze parameter is alleen beschikbaar als de parameter 'soort stelgrootte' ofwel op 'PI continu, 0-100%', 'PI PWM, aan/uit' of 'fan-coil' staat.
12.1.50 Regeling extra stand koelen – P-aandeel (x 0,1°C)
Opties: Instelmogelijkheid tussen 10 – 100
Het P-aandeel staat voor het proportionele bereik van een regeling. Deze schommelt om de gewenste waarde en heeft de functie bij een PI-regeling de snelheid van de regeling te beïnvloeden. Hoe lager de ingestelde waarde, hoe sneller de regeling reageert. De waarde moet echter niet te laag worden ingesteld, omdat anders het gevaar van overschrijding kan ontstaan. Er kan een P-aandeel van 0,1 ... 25,5 K worden ingesteld.

Opmerking
Deze parameter is alleen beschikbaar als de parameter 'soort stelgrootte' ofwel op 'PI continu, 0-100%', 'PI PWM, aan/uit' of 'fan-coil' staat. Bovendien moet de parameter 'soort koeling of 'vrije configuratie' staan.
12.1.51 Regeling extra stand koelen - l-aandeel (min)
Opties: Instelmogelijkheid tussen 0 – 255
Het I-aandeel staat voor de nasteltijd van een regeling. Het integrale aandeel zorgt ervoor dat de kamertemperatuur langzaam de gewenste waarde nadert en deze uiteindelijk ook bereikt. Afhankelijk van het gebruikte installatietype moet de nasteltijd verschillende groottes aannemen. In principe geldt dat hoe trager het totale systeem is, hoe langer de nasteltijd wordt.

Opmerking
Deze parameter is alleen beschikbaar als de parameter 'soort stelgrootte' ofwel op 'PI continu, 0-100%', 'PI PWM, aan/uit' of 'fan-coil' staat. Bovendien moet de parameter 'soort koeling of 'vrije configuratie' staan.
KNX Technisch Handboek Busch-priOn®
12.1.52 Regeling extra stand koelen – geavanceerde instellingen
Opties: Nee
ja
Deze parameter schakelt extra functies en communicatieobjecten vrij, bijvoorbeeld 'extra stand verwarmen'.
12.1.53 Extra stand koelen

Opmerking
Niet beschikbaar als de parameter 'geavanceerde instellingen' onder 'regeling extra stand koelen op 'ja' staat.
12.1.54 Extra stand koelen – werking stelgrootte
Opties: normaal
invers
Met werking stelgrootte wordt de stelgrootte aangepast aan stroomloos geopende (normaal) of stroomloos gesloten (invers) kleppen.
- normaal: waarde 0 betekent 'klep gesloten'
- invers: waarde 0 betekent 'klep geopend'
12.1.55 Extra stand koelen – hysteresis (x 0,1°C)
Opties: Instelmogelijkheid tussen 3 – 255
De hysteresis van de tweepunts regelaar geeft de schommelingsbreedte van de regelaar om de gewenste waarde aan. Het onderste schakelpunt ligt bij 'gewenste waarde min hysteresis' en de bovenste bij 'gewenste waarde plus hysteresis'.

Opmerking
Deze parameter is alleen beschikbaar als de parameter 'soort stelgrootte' ofwel op '2-punts 1 bit, aan/uit' of '2-punts 1-byte, 0/100%' staat.
12.1.56 Extra stand koelen – stelgrootteverschil voor zenden stelgrootte koelen
Opties: 2 %
5%
10%
De stelgroottes van de continue PI-regelaar 0 ... 100 % worden niet na iedere berekening verstuurd, maar alleen als uit de berekening een waardeverschil t.o.v. de laatste verstuurde waarde resulteert waarbij het versturen bovendien zinvol is. Dit waardeverschil kan hier worden ingevoerd.

Opmerking
Deze parameter is alleen beschikbaar als de parameter 'soort stelgrootte' ofwel op 'PI continu, 0-100%', 'PI PWM, aan/uit' of 'fan-coil' staat.
12.1.57 Extra stand koelen – cyclisch zenden van stelgrootte (min)
Opties: Instelmogelijkheid tussen 1 – 60 minuten
De door het apparaat gebruikte actuele stelgrootte kan cyclisch naar de bus worden verzonden.

Opmerking
Deze parameter is alleen beschikbaar als de parameter 'soort stelgrootte' ofwel op '2-punts 1 bit, aan/uit', '2-punts 1-byte, 0/100%', 'PI continu, 0-100%' of 'fan-coil' staat.
12.1.58 Extra stand koelen – max. stelgrootte (0..255)
Opties: Instelmogelijkheid tussen 0 – 255
De maximale stelgrootte van de PI-regelaar geeft de maximale waarde aan die de regelaar uitgeeft. Als een maximale waarde lager dan '255' wordt gekozen, wordt deze waarde niet overschreden, ook als de regelaar een hogere stelgrootte berekend heeft.

Opmerking
Deze parameter is alleen beschikbaar als de parameter 'soort stelgrootte' ofwel op 'PI continu, 0-100%', 'PI PWM, aan/uit' of 'fan-coil' staat.
12.1.59 Extra stand koelen – basisbelasting min. stelgrootte (0..255)
Opties: Instelmogelijkheid tussen 0 – 255
De minimale stelgrootte van de PI-regelaar geeft de minimale waarde aan die de regelaar uitgeeft. Als de minimale waarde groter dan nul is gekozen, wordt deze waarde niet onderschreden, ook als de regelaar een lagere stelgrootte heeft berekend. Met deze parameter kan de instelling van een basisbelasting worden gerealiseerd bijvoorbeeld voor het gebruik van een oppervlakkoeling. Ook als de regelaar de stelgrootte nul berekent, wordt het koeloppervlak met het koelmedium doorstroomt, om een opwarming van de ruimte te vermijden. Onder 'instellingen basisbelasting' kan verder worden ingesteld, of deze basisbelasting permanent actief moet zijn of via het object 'basisbelasting' moet worden geschakeld.

Opmerking
Deze parameter is alleen beschikbaar als de parameter 'soort stelgrootte' ofwel op 'PI continu, 0-100%', 'PI PWM, aan/uit' of 'fan-coil' staat.
12.1.60 Instellingen basisbelasting

Opmerking
Alleen beschikbaar als de parameter ‘apparaatfunctie’ ofwel op ‘enkel apparaat’ of ‘masterapparaat’ en de parameter ‘regelaarfunctie’ ofwel op ‘verwarmen met extra stand’, ‘koelen met extra stand’, ‘verwarmen en koelen’ of ‘verwarmen en koelen met extra standen’ staat.
12.1.61 Instellingen basisbelasting – basisbelasting min. stelgrootte > 0
Opties: Altijd actief
Activeren via object
Deze functie wordt gebruikt als in het gewenste bereik, bijvoorbeeld bij een vloerverwarming, de vloer over een basiswarmte moet beschikken. De hoogte van de minimale stelgrootte geeft aan hoeveel verwarmingsmedium door het geregelde bereik stroomt, ook als de stelgrootteberekening van de regelaar een lagere waarde zou aangeven.
- altijd actief: hiermee kan worden ingesteld of de grondbelasting permanent actief moet zijn en via het object 'basisbelasting' moet worden geschakeld.
- activeren via object: als deze parameter is geselecteerd kan via het object 'basisbelasting' de functie basisbelasting, dus de minimale stelgrootte met een waarde groter dan nul geactiveerd (1) of gedeactiveerd (0) worden. Als deze geactiveerd is, wordt altijd minimaal met de minimale stelgrootte het verwarmingsmedium door de installatie geleid. Als deze gedeactiveerd is, kan de stelgrootte door de regelaar tot nul worden verlaagd.
12.1.62 Gecombineerd verwarmen en koelen

Opmerking
Alleen beschikbaar als de parameter 'apparaatfunctie' ofwel op 'enkel apparaat' of 'masterapparaat' en de parameter 'regelaarfunctie' ofwel op 'verwarmen en koelen of op 'verwarmen en koelen met extra standen' staat.
12.1.63 Gecombineerd verwarmen en koelen – omschakeling verwarmen/koelen
Opties: Automatisch
Alleen via object
Lokaal / via nevenpost en via object
Met deze functie kan tussen de verwarmings- en koelmodus van het apparaat worden geschakeld.
- automatisch: bijvoorbeeld vierleidingensystemen waarmee op ieder moment kan worden omgeschakeld tussen verwarmen en koelen. Het apparaat wisselt automatisch tussen verwarmen en koelen en de daarbij behorende gewenste waarde. Het object 'omschakeling verwarmen/koelen' is zendend.
- alleen via object: bijvoorbeeld voor tweeleidingensystemen die in de winter in de verwarmingsmodus en in de zomer in de koelmodus worden gezet. De omschakeling tussen verwarmen en koelen en naar de bijbehorende gewenste waarde vindt plaats via het bijbehorende communicatieobject. Deze functie wordt gebruikt als een centrale omschakeling van de regelaars voor de individuele ruimtes nodig is. Het object 'omschakeling verwarmen/koelen' is ontvangend.
- lokaal / via de nevenpost en via het object: bijvoorbeeld vierleidingensystemen waarmee op ieder moment kan worden omgeschakeld tussen verwarmen en koelen. De omschakeling tussen verwarmen en koelen en naar de bijbehorende gewenste waarde vindt plaats door het handmatig kiezen van de gebruiker van de ruimte of via het object 'omschakeling verwarmen/koelen' via de bus. Het object 'omschakeling verwarmen/koelen' is zendend en ontvangend.
12.1.64 Gecombineerd verwarmen en koelen – bedrijfsmodus na reset
Opties: Koelen
Verwarmen
Na een busspaningsuitval, een reset van de installatie of het monteren van het apparaat aan de busaankoppelaar start het apparaat in de geparametreerde 'bedrijfsmodus na reset'. Door de onder 'omschakeling verwarmen/koelen' ingestelde mogelijkheden kan de bedrijfsmodus tijdens de werking worden gewijzigd.
12.1.65 Gecombineerd verwarmen en koelen – uitgave stelgrootte verwarmen en koelen
Opties: Via 1 object
Via 2 objecten
Via deze parameter wordt ingesteld of de stelgrootte via één of twee objecten aan de airco-aktor wordt verstuurd. Als de airco-aktor afzonderlijke stelgrootte-ingangen voor verwarmen en koelen heeft of als er afzonderlijke aktoren worden gebruikt, moet de optie 'via 2 objecten' worden gekozen. Als de individuele aktor slechts één object heeft dat zowel de stelgrootte voor verwarmen als de stelgrootte voor koelen ontvangt, moet de optie 'via 1 object' worden gekozen.
12.1.66 Gecombineerd verwarmen en koelen – uitgave stelgrootte extra stand verwarmen en koelen
Opties: Via 1 object
Via 2 objecten
Via deze parameter wordt ingesteld of de stelgrootte via één of twee objecten aan de airco-aktor wordt verstuurd. Als de airco-aktor afzonderlijke stelgrootte-ingangen voor verwarmen en koelen heeft of als er afzonderlijke aktoren worden gebruikt, moet de optie 'via 2 objecten' worden gekozen. Als de individuele aktor slechts één object heeft dat zowel de stelgrootte voor verwarmen als de stelgrootte voor koelen ontvangt, moet de optie 'via 1 object' worden gekozen.

Opmerking
Deze parameter is alleen beschikbaar als de parameter 'regelaarfunctie' op
'verwarmen en koelen met extra standen' staat.
12.1.67 Instellingen gewenste waarde

Opmerking
Deze parameter is alleen beschikbaar als de parameter 'apparaatfunctie' op
'enkel apparaat' of 'masterapparaat' staat.
12.1.68 Instellingen gewenste waarde – gewenste waarde verwarmen comfort = gewenste waarde koelen comfort
Opties: Nee
ja
Met deze parameter wordt de werkwijze van de wijziging gewenste waarde geparametreerd.
- ja: het apparaat heeft één gewenste waarde voor verwarmen en koelen in de comfort,odus. De omschakeling naar verwarmen vindt plaats bij onderschrijding van de gewenste waarde minus hysteresis. De omschakeling naar verwarmen vindt plaats bij overschrijding van de gewenste waarde plus hysteresis. De hysteresis kan worden geparametreerd.
- nee: de functie heeft twee afzonderlijke gewenste waarden voor verwarmen en koelen in de comfortmodus. Het apparaat geeft steeds de actieve gewenste waarde aan. De omschakeling tussen verwarmen en koelen vindt plaats via de parameterinstelling 'omschakelen verwarmen/koelen'.

Opmerking
Deze parameter is alleen beschikbaar als de parameter 'regelaarfunctie' op
'verwarmen en koelen' of 'verwarmen en koelen met extra standen' staat.
12.1.69 Instellingen gewenste waarden – hysteresis voor omschakeling verwarmen/koelen (x 0,1°C)
Opties: Instelmogelijkheid tussen 5 – 100
De parameter legt de enkelzijde hysteresis vast voor de omschakeling tussen verwarmen en koelen als 'gewenste waarde verwarmen comfort = gewenste koelen comfort' actief is. Als de ruimtetemperatuur de gewenste temperatuurwaarde plus hysteresis overschrijdt vindt de omschakeling naar koelen plaats. Als de ruimtetemperatuur daalt tot onder de ingestelde temperatuurwaarde minus hysteresis, wordt er omgeschakeld naar verwarmen.

Opmerking
Deze parameter is alleen beschikbaar als de parameter 'gewenste waarde verwarmen comfort = gewenste waarde koelen comfort' op 'ja' staat.
12.1.70 Instellingen gewenste waarden – ingestelde temperatuur comfort verwarmen en koelen (°C)
Opties: Instelmogelijkheid tussen 10 – 40
Vastleggen van de comforttemperatuur voor verwarmen en koelen bij afwezigheid.

Opmerking
Deze parameter is alleen beschikbaar als de parameter 'regelaarfunctie' op 'verwarmen en koelen' of 'verwarmen en koelen met extra standen' staat.
12.1.71 Instellingen gewenste waarden – ingestelde temperatuur comfort verwarmen (°C)
Opties: Instelmogelijkheid tussen 10 – 40
Vastleggen van de comforttemperatuur voor verwarmen bij afwezigheid.

Opmerking
Deze parameter is alleen beschikbaar als de parameter 'regelaarfunctie' op 'verwarmen' of 'verwarmen met extra stand' staat.
12.1.72 Instellingen gewenste waarden – verlaging stand-by verwarmen (°C)
Opties: Instelmogelijkheid tussen 10 – 40
Vastleggen van de temperatuur bij afwezigheid in de verwarmingsmodus. Bij apparaten met display wordt deze modus aangegeven met het stand-by-symbol.

Opmerking
Deze parameter is alleen beschikbaar als de parameter 'regelaarfunctie' op 'verwarmen', 'verwarmen met extra stand', 'verwarmen en koelen' of op 'verwarmen en koelen met extra standen' staat.
12.1.73 Instellingen gewenste waarden – verlaging eco verwarmen (°C)
Opties: Instelmogelijkheid tussen 0 – 15
Vastleggen van de temperatuur bij afwezigheid in de verwarmingsmodus. Bij apparaten met display wordt deze modus aangegeven met het eco-symbol.
12.1.74 Instellingen gewenste waarden – ingestelde temperatuur vorstbeveiliging (°C)
Opties: Instelmogelijkheid tussen 5 – 15
Gebouwbeschermingsfunctie tegen koude. Bij apparaten met display wordt deze modus aangegeven met het vorstbeveiliging-symbol. De handmatige bedienings is geblokkeerd.

Opmerking
Deze parameter is alleen beschikbaar als de parameter 'regelaarfunctie' op 'verwarmen', 'verwarmen met extra stand', 'verwarmen en koelen' of op 'verwarmen en koelen met extra standen' staat.
12.1.75 Instellingen gewenste waarden – ingestelde temperatuur comfort koelen (°C)
Opties: Instelmogelijkheid tussen 10 – 40
Vastleggen van de comforttemperatuur voor koelen bij afwezigheid.

Opmerking
Deze parameter is alleen beschikbaar als de parameter 'regelaarfunctie' op 'koelen' of 'koelen met extra stand' staat.
12.1.76 Instellingen gewenste waarden – verhoging stand-by koelen (°C)
Opties: Instelmogelijkheid tussen 0 – 15
Vastleggen van de temperatuur bij afwezigheid in de koelmodus. Bij apparaten met display wordt deze modus aangegeven met het stand-by-symbol.

Opmerking
Deze parameter is alleen beschikbaar als de parameter 'regelaarfunctie' op 'koelen, 'koelen met extra stand', 'verwarmen en koelen' of op 'verwarmen en koelen met extra standen' staat.
12.1.77 Instellingen gewenste waarden – verhoging eco koelen (°C)
Opties: Instelmogelijkheid tussen 0 – 15
Vastleggen van de temperatuur bij afwezigheid in de koelmodus. Bij apparaten met display wordt deze modus aangegeven met het eco-symbol.

Opmerking
Deze parameter is alleen beschikbaar als de parameter 'regelaarfunctie' op 'koelen, 'koelen met extra stand', 'verwarmen en koelen' of op 'verwarmen en koelen met extra standen' staat.
12.1.78 Instellingen gewenste waarden – ingestelde temperatuur hittebescherming (°C)
Opties: Instelmogelijkheid tussen 27 – 45
Gebouwbeschermingsfunctie tegen hitte. Bij apparaten met display wordt deze modus aangegeven met het hittebescherming-symbol. De handmatige bedienings is geblokkeerd.

Opmerking
Deze parameter is alleen beschikbaar als de parameter 'regelaarfunctie' op 'koelen, 'koelen met extra stand', 'verwarmen en koelen' of op 'verwarmen en koelen met extra standen' staat.
12.1.79 Instellingen gewenste waarden – displayelement toont
Opties: Actuele ingestelde waarde
Relatieve gewenste waarde
Op het display wordt naar keuze de absolute of de relatieve gewenste waarde aangegeven.
- actuele ingestelde waarde: de gewenste waarde wordt bij apparaten met display als absolute temperatuur weergegeven, bijvoorbeeld 21,0 °C.
- relatieve ingestelde waarde: de gewenste waarde wordt bij apparaten met display als relatieve waarde weergegeven, bijvoorbeeld - 5 °C.. + 5 °C.
12.1.80 Instellingen gewenste waarden – displayelement toont
Opties: Actuele ingestelde waarde
Relatieve gewenste waarde
Op het display wordt naar keuze de absolute of de relatieve gewenste waarde aangegeven.
- actuele ingestelde waarde: de gewenste waarde wordt bij apparaten met display als absolute temperatuur weergegeven, bijvoorbeeld 21,0 °C.
- relatieve ingestelde waarde: de gewenste waarde wordt bij apparaten met display als relatieve waarde weergegeven, bijvoorbeeld - 5 °C.. + 5 °C.
12.1.81 Instellingen gewenste waarden – actuele ingestelde waarde zenden
Opties: cyclisch en bij verandering
alleen bij verandering
De actuele ingestelde waarde kan cyclisch en bij wijziging of alleen bij wijziging naar de bus verzonden worden.
12.1.82 Instellingen gewenste waarden – cyclisch zenden van actuele ingestelde temperatuur (min)
Opties: Instelmogelijkheid tussen 5 – 240
Hiermee wordt de tijd vastgelegd, waarna de actuele ingestelde waarde automatisch wordt uitgezonden.

Opmerking
Deze parameter is alleen beschikbaar als de parameter 'actuele ingestelde waarde zenden' op 'alleen bij wijziging' staat.
12.1.83 Wijziging gewenste waarde

Opmerking
Deze parameter is alleen beschikbaar als de parameter 'apparaatfunctie' op 'enkel apparaat' of 'masterapparaat' staat.
12.1.84 Wijziging gewenste waarde – max. handmatige verhoging bij verwarming (0 - 15°C)
Opties: Instelmogelijkheid tussen 0 – 15
Door deze waarde kan een beperking van de handmatige verhoging in de verwarmingsmodus worden gerealiseerd.

Opmerking
Deze parameter is alleen beschikbaar als de parameter 'regelaarfunctie' op 'verwarmen', 'verwarmen met extra stand', 'verwarmen en koelen' of op 'verwarmen en koelen met extra standen' staat.
12.1.85 Wijziging gewenste waarde – max. handmatige verlaging bij verwarming (0 - 15°C)
Opties: Instelmogelijkheid tussen 0 – 15
Door deze waarde kan een beperking van de handmatige verlaging in de verwarmingsmodus worden gerealiseerd.

Opmerking
Deze parameter is alleen beschikbaar als de parameter ‘regelaarfunctie’ op ‘verwarmen’, ‘verwarmen met extra stand’, ‘verwarmen en koelen’ of op ‘verwarmen en koelen met extra standen’ staat.
12.1.86 Wijziging gewenste waarde – max. handmatige verhoging bij koelen (0 - 15°C)
Opties: Instelmogelijkheid tussen 0 – 15
Door deze waarde kan een beperking van de handmatige verhoging in de koelmodus worden gerealiseerd.

Opmerking
Deze parameter is alleen beschikbaar als de parameter 'regelaarfunctie' op 'koelen, 'koelen met extra stand', 'verwarmen en koelen' of op 'verwarmen en koelen met extra standen' staat.
12.1.87 Wijziging gewenste waarde – max. handmatige verlaging bij koelen (0 - 15°C)
Opties: Instelmogelijkheid tussen 0 – 15
Door deze waarde kan een beperking van de handmatige verlaging in de koelmodus worden gerealiseerd.

Opmerking
Deze parameter is alleen beschikbaar als de parameter 'regelaarfunctie' op 'koelen, 'koelen met extra stand', 'verwarmen en koelen' of op 'verwarmen en koelen met extra standen' staat.
12.1.88 Wijziging gewenste waarde – resetten handmatige verstelling bij ontvangst van een ingestelde basiswaarde
Opties: Nee
ja
Als via het object 'ingestelde basiswaarde' een nieuwe waarde wordt ontvangen, wordt door het activeren van de parameter de handmatige verstelling gewist en de nieuwe gewenste waarde beschikbaar besteld.
Als de parameter gedeactiveerd is, wordt de handmatige verstelling bij de ingestelde basiswaarde opgeteld. Voorbeeld: oude ingestelde basiswaarde 21°C + handmatige verstelling 1,5°C = 22,5°C. Object ontvangt een nieuwe ingestelde basiswaarde van 18 °C plus oude handmatige verstelling van 1,5°C = 19,5°C.
12.1.89 Wijziging gewenste waarde – resetten van de handmatige verstelling bij wissel van bedrijfsmodus
Opties: Nee
ja
Als het apparaat naar een nieuwe bedrijfsmodus wisselt, wordt bij geactiveerde parameter de handmatige verstelling gewist en de geparametreerde ingestelde temperatuur van de bedrijfsmodus plus een eventuele verschuiving via het object met de ingestelde basiswaarde overgenomen. Voorbeeld: comforttemperatuur 21°C plus handmatige verstelling van 1,5°C=22.5°C. Wisselen naar eco met geparametreerde temperatuur 17°C. Het apparaat regelt op 17°C, omdat de handmatige verstelling wordt gewist.
Bij gedeactiveerde parameter wordt er bij de nieuwe bedrijfsmodus rekening gehouden met de handmatige waarde-instelling. Voorbeeld: comforttemperatuur 21°C plus handmatige verstelling van 1,5°C=22.5°C. Wisselen naar eco met geparametreerde temperatuur van 17°C regelt het apparaat op 18,5 °C, omdat de handmatige verstelling opgeteld wordt.
12.1.90 Wijziging gewenste waarde – resetten van de handmatige verstelling via object
Opties: Nee
ja
Bij activering kan via een afzonderlijk object de handmatige waarde-instelling op ieder moment worden gewist. Toepassingsvoorbeeld: resetten van de handmatige verstelling van alle zich in een kantoorgebouw bevindende apparaten met een klok in het systeem.
12.1.91 Wijziging gewenste waarde – plaatselijke bediening blijvend opslaan
Opties: Nee
ja
Bij activering worden de handmatige instellingen van gewenste waarde en eventueel ventilatorstand, evenals de waarde van het object 'basisbelasting' in het apparaat opgeslagen en na een reset weer geactiveerd. Als het apparaat opnieuw wordt geprogrammeerd worden ook de opgeslagen gewenste waarden gewist.
12.1.92 Temperatuurdetectie – ingangen temperatuurdetectie
Opties: Interne meting
Externe meting
Gewogen meting
De ruimtetemperatuur kan op het apparaat gemeten of middels het communicatieobject via de bus verzonden worden. Daarnaast is er de gewogen meting waarbij tot drie temperatuurwaarden (1 x intern, 2 x extern) als gemiddelde waarde als ingangsgrootte voor de regeling dienen.
12.1.93 Temperatuurdetectie – ingangen gewogen temperatuurdetectie
Opties: Interne en externe meting
2 x externe meting
Interne en 2x externe meting
Vastlegging van de ingangen van de temperatuurdetectie van de gewogen meting, die als gemiddelde waarde als ingangsgrootte voor de regeling dienen.

Opmerking
Deze parameter is alleen beschikbaar als de parameter 'ingangen temperatuurdetectie' op 'gewogen meting' staat.
12.1.94 Temperatuurdetectie – weging interne meting (0..100%)
Opties: Instelmogelijkheid tussen 0 – 15
Vastlegging van de weging van de interne meting van 0 - 100 %.

Opmerking
Deze parameter is alleen beschikbaar als de parameter ‘ingangen gewogen temperatuurdetectie’ op ‘interne en externe meting’ of ‘interne en 2x externe meting’ staat.
12.1.95 Temperatuurdetectie – weging externe meting (0..100%)
Opties: Instelmogelijkheid tussen 0 – 15
Vastlegging van de weging van de externe meting van 0 - 100 %.

Opmerking
Deze parameter is alleen beschikbaar als de parameter ‘ingangen gewogen temperatuurdetectie’ op ‘interne en externe meting’ of ‘2x externe meting’ of ‘interne en 2x externe meting’ staat.
12.1.96 Temperatuurdetectie – weging externe meting 2 (0..100%)
Opties: Instelmogelijkheid tussen 0 – 15
Vastlegging van de weging van de externe meting 2 van 0 - 100 %. Moet samen met de weging van de externe meting (0..100%) resulteren in 100 %.

Opmerking
Deze parameter is alleen beschikbaar als de parameter 'ingangen gewogen temperatuurdetectie' op '2x externe meting' of 'interne en 2x externe meting' staat.
12.1.97 Temperatuurdetectie – cyclisch zenden van actuele werkelijke temperatuur (min)
Opties: Instelmogelijkheid tussen 5 – 240
De door het apparaat gebruikte werkelijke temperatuur kan cyclisch naar de bus worden verzonden.
12.1.98 Temperatuurdetectie – waardeverschil voor zenden van de werkelijke temperatuur (x 0,1°C)
Opties: Instelmogelijkheid tussen 1 – 100
Als de temperatuurwijziging groter is dan het geparametreerde verschil tussen gemeten en de laatste verzonden werkelijke temperatuur, wordt de gewijzigde waarde verzonden.
12.1.99 Temperatuurdetectie – vergelijkingswaarde voor interne temperatuurmeting (x 0,1°C)
Opties: Instelmogelijkheid tussen 1 – 100
Iedere plaats van inbouw heeft andere fysieke voorwaarden (binnen- of buitenwand, lichtbouw of massieve wand etc.). Om de op de plaats van inbouw heersende werkelijke temperatuur als meetwaarde van het apparaat te gebruiken, moet op de plaats van inbouw door een externe vergeleken en/of geijkte thermometer een temperatuurmeting worden uitgevoerd. Het verschil tussen de op het apparaat aangegeven werkelijke temperatuur en de door het externe meetapparaat bepaalde werkelijke temperatuur moet als 'vergelijkingswaarde' in het parameterveld worden ingevuld.

Opmerking
- De vergelijkingsmeting zou direct na de inbouw van het apparaat moeten plaatsvinden. Het apparaat moet zich eerst aanpassen aan de omgevingstemperatuur voordat de vergelijking kan plaatsvinden. De vergelijkingsmeting moet kort voor of na de ingebruikneming van de ruimte worden herhaald.
- Deze parameter is alleen beschikbaar als de parameter 'ingangen temperatuurdetectie' op 'interne meting' of 'gewogen meting' staat.
12.1.100 Temperatuurdetectie – bewakingstijd temperatuurdetectie (0 = geen bewaking) (min)
Opties: Instelmogelijkheid tussen 0 – 120
Als binnen de geparametreerde tijd geen temperatuur wordt gemeten, schakelt het apparaat naar de storingsmodus. Hij stuurt een telegram via het object 'storing werkelijke temperatuur (master)' naar de bus en stelt bedrijfsmodus en stelgrootte bij storing in.
12.1.101 Temperatuurdetectie – bedrijfsmodus bij storing
Opties: Koelen
Verwarmen
Als de meting van de werkelijke temperatuur uitvalt, kan het apparaat de bedrijfsmodus verwarmen/koelen niet meer zelf bepalen. Daarom wordt hier de bedrijfsmodus gekozen die het beste past voor de bescherming van het gebouw.

Opmerking
Deze parameter is alleen beschikbaar als de parameter 'regelaarfunctie' op 'verwarmen en koelen' of 'verwarmen en koelen met extra standen' staat.
12.1.102 Temperatuurdetectie - stelgrootte bij storing (0 - 255)
Opties: Instelmogelijkheid tussen 0 – 255
Als de meting van de werkelijke temperatuur uitvalt, kan het apparaat de stelgrootte niet meer zelf bepalen. Daarom wordt een stelgrootte gekozen die voldoende is voor de bescherming van het gebouw.
12.1.103 Alarmfuncties

Opmerking
Deze parameter is alleen beschikbaar als de parameter ‘apparaatfunctie’ op ‘enkel apparaat’ of ‘masterapparaat’ staat.
12.1.104 Alarmfuncties - condenswateralarm
Opties: Nee
ja
Bij gebruik van een fan-coil kan tijdens de werking condenswater ontstaan door te sterke afkoeling of een te hoge luchtvochtigheid. Het daarmee gepaard gaande condensaat wordt meestal in een bak opgevangen. Om de container te beschermen tegen overlopen en zo het apparaat en/of het gebouw te beschermen tegen schade, meldt deze de overschrijding van de maximale vulstand aan het object 'condenswateralarm' (alleen ontvangend). Daardoor schakelt de regelaar naar een beschermingsfunctie. Deze wordt op displayapparaten aangegeven met een bijbehorend symbool. De plaatselijke bediening is geblokkeerd. Bediening is pas weer mogelijk nadat het alarm gedeactiveerd is.

Opmerking
Deze parameter is alleen beschikbaar als de parameter 'regelaarfunctie' op 'koelen, 'koelen met extra stand', 'verwarmen en koelen' of op 'verwarmen en koelen met extra standen' staat.
12.1.105 Alarmfuncties – dauwpuntalarm
Opties: Nee
ja
Bij gebruik van koelmachines kan er tijdens de werking dauwwater ontstaan aan de koelmiddelleidingen door een sterke afkoeling en/of te hoge luchtvochtigheid. De dauwmelder meldt de dauworming via het object 'dauwpuntalarm' (alleen ontvangend). Daardoor schakelt de regelaar naar een beschermingsfunctie. Deze wordt bij apparaten met display met het bijbehorende symbool aangegeven. De plaatselijke bediening is geblokkeerd. Bediening is pas weer mogelijk nadat het alarm gedeactiveerd is.

Opmerking
Deze parameter is alleen beschikbaar als de parameter 'regelaarfunctie' op 'koelen, 'koelen met extra stand', 'verwarmen en koelen' of op 'verwarmen en koelen met extra standen' staat.
12.1.106 Alarmfuncties – temperatuur vorstalarm HVAC- en RHCC-status (°C)
Opties: Instelmogelijkheid tussen 0 – 15
De objecten RHCC-statue en HVAC-status en beschikken over een vorstalarm-bit. Als de ingangstemperatuur van de regelaar daalt tot onder de hier geparametreerde temperatuur, wordt de vorstalarm-bit in de statusobjecten ingesteld. Als de temperatuur wordt overschreden, wordt deze weer teruggezet.
12.1.107 Alarmfuncties – temperatuur hittealarm RHCC-status (°C)
Opties: Instelmogelijkheid tussen 25 – 70
Het object RHCC-status beschikt over een hittealarm-bit. Als de ingangstemperatuur van de regelaar stijgt tot boven de hier geparametreerde temperatuur, wordt de hittealarm-bit in het statusobject ingesteld. Als de temperatuur wordt onderschreden, wordt deze weer teruggezet.
12.1.108 Fan-coil instellingen – ventilatorstanden

Opmerking
Deze parameter is alleen beschikbaar als de parameter ‘apparaatfunctie’ op ‘enkel apparaat’ of ‘masterapparaat’ staat, en de parameter ‘soort stelgrootte’ op ‘fan-coil’ staat.
12.1.109 Fan-coil instellingen – ventilatorstanden – aantal ventilatorstanden
Opties: 3 standen
5 standen
Met de parameter wordt het aantal ventilatorstanden aangegeven die de aktor voor de aansturing van de fan-coil-ventilator moet gebruiken.
12.1.110 Fan-coil instellingen – ventilatorstanden – formaat standenuitgave
Opties: 0..5
0..255
1 bit m van n
1 bit 1 van n
- 0..5: de standenwaarden (0..3 of 0..5) worden in het formaat 1 byte als tellerwaarden 0..3 resp. 0..5 uitgegeven.
- 0..255: de standenwaarden (0..3 of 0..5) worden als percentage uitgegeven. Voorbeeld ventilator met 5 standen: de standenwaarde 1 wordt uitgegeven met 20%, de standenwaarde 5 met 100%.
- 1 bit m uit n: de standenwaarden (0..3 of 0..5) worden met 1-bit-objecten uitgegeven. Er bestaan net zoveel objecten als ventilatorstanden. Bijvoorbeeld voor stand 2 worden de 1 bit ventilatorstand-objecten 1 en 2 met de waarde 1 uitgegeven, de andere ventilatorstand-objecten met de waarde 0.
- 1 bit 1 uit n: de standenwaarden (0..3 of 0..5) worden met 1-bit-objecten uitgegeven. Er bestaan net zoveel objecten als ventilatorstanden. Bijvoorbeeld voor stand 2 wordt alleen het 1 bit ventilatorstand-object 2 met de waarde 1 uitgegeven. De andere ventilatorstand-objecten met de waarde 0.
12.1.111 Fan-coil instellingen – ventilatorstanden – standenuitgave
Opties: Bij handmatige bediening en automaat
Alleen bij handmatige bediening
Met deze parameter wordt ingesteld wanneer de ventilatorstandenwaarden worden uitgegeven: ofwel alleen bij de handmatige instelling van ventilatorstanden of ook in de automatische modus. Deze instelling hangt af van de mogelijkheden van de fan-coil-aktor. Als in de automatische modus de ventilatorstanden door de aktor zelf worden aangestuurd uit de afleiding van de stelgrootte, moet optie 'alleen bij handmatige bediening' worden gekozen, anders de andere optie.
12.1.112 Fan-coil instellingen – ventilatorstanden – laagste handmatig instelbare stand
Opties: Stand 0
Stand 1
Met deze parameter wordt de laagste ventilatorstand gekozen die door een bediening aan het apparaat kan worden ingesteld. Bij het kiezen van de stand 0 is het verwarmings-/koelsysteem niet meer in werking (ventilatorstand en klepaansturing 0), zolang het actuele bedrijf en de bedrijfsmodus behouden blijven. Om schade aan het gebouw te vermijden wordt de stand 0 na 18 uur gedeactiveerd en het apparaat teruggeschakeld naar de automatische modus.
12.1.113 Fan-coil instellingen – ventilatorstanden – uitlezing standenstatus
Opties: Nee
ja
De actuele ventilatorstand voor de aansturing van een fan-coil-aktor ontvangt de regelaar ofwel door bepaling uit de standenwaardentabel onder "fan-coil-instellingen verwarmen" of "fan-coil-instellingen koelen" of door terugmelding van de fan-coil-aktor. Als hier de optie 'ja' wordt gekozen, wordt het object 'status fan-coil stand' voor de ontvangst van de ventilatorstand door de fan-coil-aktor vrijgeschakeld.
12.1.114 Fan-coil instellingen verwarmen

Opmerking
Deze parameter is alleen beschikbaar als de parameter ‘apparaatfunctie’ op ‘enkel apparaat’ of ‘masterapparaat’ staat, en de parameter ‘soort stelgrootte’ op ‘fan-coil’ staat. Bovendien moet de parameter ‘regelaarfunctie’ ofwel op ‘verwarmen’, ‘verwarmen met extra stand’, ‘verwarmen en koelen’ of op ‘verwarmen en koelen met extra standen’ staan.
12.1.115 Fan-coil instellingen verwarmen – ventilatorstand 1-5 tot stelgrootte (0 - 255) verwarmen
Opties: Instelmogelijkheid tussen 0 – 255
Hier worden de stelgroottes van de regelaar aan de ventilatorstanden toegewezen. Deze toewijzing wordt gebruikt als de ventilatorstanden samen met de stelgrootte worden verzonden.

Opmerking
- Deze standeninstellingen moeten op die in de fac-coilaktor worden afgesteld..
- De instelling van de ‘soort stelgrootte’ als ‘fan-coil’ bij de regelingsparameters is alleen voor de basisstand of de extra stand zinvol. De parametrering van basis- en extra stand als fan-coil is niet zinvol, omdat alleen de aansturing per fan-coil-aktor voor verwarmen en koelen wordt ondersteund.
- De parameters ‘ventilatorstand 4-5 tot stelgrootte (0 - 255) verwarmen’ zijn alleen beschikbaar als de parameter ‘aantal ventilatorstanden’ op ‘5 standen’ staat.
12.1.116 Fan-coil instellingen verwarmen – ventilatorstandbeperking verwarmen bij ecobedrijf
Opties: Nee
ja
Bij omschakeling naar ecobedrijf vindt hierbij altijd een beperking van de ventilatorstanden plaats.
12.1.117 Fan-coil instellingen verwarmen – max. ventilatorstand verwarmen bij ecobedrijf
Opties: Instelmogelijkheid tussen 0 – 5
Vastlegging van de maximaal mogelijke ventilatorstand bij omschakeling naar ecobedrijf.
12.1.118 Fan-coil instellingen koelen

Opmerking
Deze parameter is alleen beschikbaar als de parameter ‘apparaatfunctie’ op ‘enkel apparaat’ of ‘masterapparaat’ staat, en de parameter ‘soort stelgrootte’ op ‘fan-coil’ staat. Bovendien moet de parameter ‘regelaarfunctie’ ofwel op ‘koelen, ‘koelen met extra stand’, ‘verwarmen en koelen’ of op ‘verwarmen en koelen met extra standen’ staan.
12.1.119 Fan-coil instellingen koelen – ventilatorstand 1-5 tot stelgrootte (0 - 255) koelen
Opties: Instelmogelijkheid tussen 0 – 255
Hier worden de stelgroottes van de regelaar aan de ventilatorstanden toegewezen. Deze toewijzing wordt gebruikt als de ventilatorstanden samen met de stelgrootte worden verzonden.

Opmerking
- Deze standeninstellingen moeten op die in de fac-coilaktor worden afgesteld..
- De instelling van de ‘soort stelgrootte’ als ‘fan-coil’ bij de regelingsparameters is alleen voor de basisstand of de extra stand zinvol. De parametrering van basis- en extra stand als fan-coil is niet zinvol, omdat alleen de aansturing per fan-coil-aktor voor verwarmen en koelen wordt ondersteund.
- De parameters 'ventilatorstand 4-5 tot stelgrootte (0 - 255) koelen zijn alleen beschikbaar als de parameter 'aantal ventilatorstanden' op '5 standen' staat.
12.1.120 Fan-coil instellingen koelen – ventilatorstandbeperking koelen bij ecobedrijf
Opties: Nee
ja
Bij omschakeling naar ecobedrijf vindt hierbij altijd een beperking van de ventilatorstanden plaats.
12.1.121 Fan-coil instellingen koelen – max. ventilatorstand koelen bij ecobedrijf
Opties: Instelmogelijkheid tussen 0 – 5
Vastlegging van de maximaal mogelijke ventilatorstand bij omschakeling naar ecobedrijf.
12.1.122 Zomercompensatie

Opmerking
Deze parameter is alleen beschikbaar als de parameter ‘apparaatfunctie’ op ‘enkel apparaat’ of ‘masterapparaat’ staat.
12.1.123 Zomercompensatie – zomercompensatie
Opties: Nee
ja
Om energie te sparen en om het temperatuurverschil bij het betreden en verlaten van een gebouw met airconditioning binnen aangename grenzen te houden, zou in de zomer bij hoge buitentemperaturen een te sterke verlaging van de kamertemperatuur moeten worden voorkomen (zomercompensatie volgens DIN 1946). De verhoging van de kamertemperatuur vindt plaats via de aanpassing van de ingestelde koeltemperatuur.
Het verhogen van de kamertemperatuur betekent echter niet dat de kamer moet worden verwarmd, maar dat de kamertemperatuur zonder koeling tot een bepaalde ingestelde waarde verhoogd moet worden. Daarmee wordt voorkomen dat bijvoorbeeld bij een buitentemperatuur van 35 °C een bestaand aircosysteem blijft proberen om de kamertemperatuur op 24 °C te verlagen.
De activering van de zomercompensatie vereist de aanwezigheid van een buitentemperatuur-voeler die de gemeten waarde naar de bus stuurt en door de kamerthermostaat met display kan worden uitgelezen.
Voor de zomercompensatie bestaan de parameters:
• ‘Zomercompensatie laagste buitentemperatuurwaarde’,
• ‘Zomercompensatie hoogste buitentemperatuurwaarde’,
- 'Zomercompensatie laagste offset ingestelde waarde',
- ‘Zomercompensatie hoogste offset ingestelde waarde’
Boven de 'hoogste buitentemperatuurwaarde' bedraagt de minimale ingestelde temperatuur voor koelen de buitentemperatuur minus de 'hoogste offset ingestelde waarde'. Onder de 'laagste buitentemperatuurwaarde' bedraagt de minimale ingestelde temperatuur voor koelen niet beïnvloed door de buitentemperatuur. Tussen de 'laagste' en de "hoogste buitentemperatuur" wordt de minimale ingestelde temperatuur voor koelen afhankelijk van de buitentemperatuur glijdend door de geparametreerde ingestelde temperatuur van de buitentemperatuur min 'laagste offset' op de waarde buitentemperatuur minus 'hoogtse offset ingestelde waarde' aangepast.
Typische waarden voor de zomercompensatie zijn_
- 21 °C: laagste buitentemperatuurwaarde
- 32 °C: hoogste buitentemperatuurwaarde
■ 0 K: laagste offset gewenste waarde
■ 6 K: hoogste offset gewenste waarde
Dat betekent dat een geleidelijke verhoging van de minimale ingestelde waarde voor koelen op de buitentemperatuur minus offset ingestelde waarde van 0 tot 6 K plaatsvindt als de buitentemperatuur van 21 °C naar 32 °C stijgt.
Voorbeeld:
Bij oplopende buitentemperatuur wordt de minimale ingestelde waarde voor koelen vanaf een buitentemperatuur van 21 °C verhoogd. Bij 30 °C buitentemperatuur ligt de minimale ingestelde temperatuur voor koelen bij 25,1 °C, bij 31 °C buitentemperatuur bij 25,5 °C, bij 32 °C buitentemperatuur bij 26 °C, bij 33 °C buitentemperatuur bij 27 °C.
12.1.124 Zomercompensatie – (laagste) begintemperatuur voor zomercompensatie (°C)
Opties: Instelmogelijkheid tussen -127 – 127
Met de parameter wordt een waarde vastgelegd voor de laagste buitentemperatuurwaarde, tot welke temperatuurwaarde de instelwaardecorrectie (zomercompensatie) op grond van een te hoge buitentemperatuur wordt uitgevoerd.

Opmerking
Deze parameter is alleen beschikbaar, als de parameter 'zomercompensatie' op 'ja' staat.
12.1.125 Zomercompensatie – offset ingestelde temperatuur bij begin zomercompensatie (x 0,1°C)
Opties: Instelmogelijkheid tussen -127 – 127
Met de parameter wordt vastgelegd met hoeveel Kelvin de ingestelde waarden tijdens de zomercompensatie verhoogd moet worden als de laagste buitentemperatuurwaarde is bereikt.
Typische waarden voor de zomercompensatie zijn_
- 20 °C: laagste buitentemperatuurwaarde
- 32 °C: hoogste buitentemperatuurwaarde
- 0 K: laagste offset gewenste waarde
■ 4 K: hoogste offset gewenste waarde
Dat betekent dat er een vloeiende verhoging van de gewenste waarde van 0 ... 4 K plaatsvindt als de buitentemperatuur van 20°... 32 °C stijgt.

Opmerking
Deze parameter is alleen beschikbaar, als de parameter 'zomercompensatie' op 'ja' staat.
12.1.126 Zomercompensatie – (hoogste) eindtemperatuur voor zomercompensatie (°C)
Opties: Instelmogelijkheid tussen -127 – 127
Met de parameter wordt een waarde vastgelegd voor de hoogste buitentemperatuurwaarde, vanaf welke de instelwaardecorrectie (zomercompensatie) op grond van een te hoge buitentemperatuur wordt uitgevoerd.

Opmerking
Deze parameter is alleen beschikbaar, als de parameter 'zomercompensatie' op 'ja' staat.
12.1.127 Zomercompensatie - offset ingestelde temperatuur bij einde zomercompensatie (x 0,1°C)
Opties: Instelmogelijkheid tussen -127 – 127
Met de parameter wordt vastgelegd met hoeveel Kelvin de ingestelde waarden tijdens de zomercompensatie verhoogd moet worden als de hoogste buitentemperatuurwaarde is bereikt.
Typische waarden voor de zomercompensatie zijn_
- 20 °C: laagste buitentemperatuurwaarde
- 32 °C: hoogste buitentemperatuurwaarde
■ 0 K: laagste offset gewenste waarde - 4 K: hoogste offset gewenste waarde
Dat betekent dat er een vloeiende verhoging van de gewenste waarde van 0 ... 4 K plaatsvindt als de buitentemperatuur van 20°C tot 32 °C stijgt.

Opmerking
Deze parameter is alleen beschikbaar, als de parameter 'zomercompensatie' op 'ja' staat.
12.2 Communicatieobjecten - KT
12.2.1 Stelgrootte verwarmen
| Nummer Naam Objectfunctie Gegevenstype | |||
| 1 | Stelgrootte verwarmen(stelgrootte verwarmen/koelen) | Uitgang 1. Schakelen | 2. Procent (0..100%) |
Beschrijving
- Met het object wordt een schakelende ventielklep bediend, bijvoorbeeld een thermo-elektrische ventielklep die door een schakel-/verwarmingsaktor wordt aangestuurd.
- Met het object wordt een ventielklep met continue ingangsgrootte (0..100%) aangestuurd, bijvoorbeeld een elektromotorische ventielklep.
12.2.2 Extra stand verwarmen
| Nummer Naam Objectfunctie Gegevenstype | |||
| 2 | Extra stand verwarmen (extra stand verwarmen/koelen) | Uitgang 1. Schakelen | 2. Procent (0..100%) |
Beschrijving
- Met het object wordt een schakelende ventielklep bediend, bijvoorbeeld een thermo-elektrische ventielklep die door een schakel-/verwarmingsaktor wordt aangestuurd.
- Met het object wordt een ventielklep met continue ingangsgrootte (0..100%) aangestuurd, bijvoorbeeld een elektromotorische ventielklep.

Opmerking
De extra stand kan ook als parallele tweede verwarmingsstand worden gebruikt. Daarvoor moet het temperatuurverschil met de basisstand op 0 °C worden geparametreerd.
12.2.3 Stelgrootte koelen
| Nummer Naam Objectfunctie Gegevenstype | |||
| 3 | Stelgrootte koelen | Uitgang | 1. Schakelen2. Procent (0..100%) |
Beschrijving
- Met het object wordt een schakelende ventielklep bediend, bijvoorbeeld een thermo-elektrische ventielklep die door een schakel-/verwarmingsaktor wordt aangestuurd.
- Met het object wordt een ventielklep met continue ingangsgrootte (0..100%) aangestuurd, bijvoorbeeld een elektromotorische ventielklep.
12.2.4 Extra stand koelen
| Nummer Naam Objectfunctie Gegevenstype | |||
| 4 | Extra stand koelen | Uitgang | 1. Schakelen2. Procent (0..100%) |
Beschrijving
- Met het object wordt een schakelende ventielklep bediend, bijvoorbeeld een thermo-elektrische ventielklep die door een schakel-/verwarmingsaktor wordt aangestuurd.
- Met het object wordt een ventielklep met continue ingangsgrootte (0..100%) aangestuurd, bijvoorbeeld een elektromotorische ventielklep.

Opmerking
De extra stand kan ook als parallelle tweede koelstand worden gebruikt. Daarvoor moet het temperatuurverschil met de basisstand op 0 °C worden geparametreerd.
12.2.5 Regeling aan/uit
| Nummer Naam Objectfunctie Gegevenstype | |||
| 5 | 1. Regeling aan/uit | Uitgang | Schakelen |
| 2. Regeling aan/uit (master) | Uitgang | Schakelen | |
| 3. Regeling aan/uit (slave) | Uitgang | Schakelen | |
Bij ontvangst van een 0-telegram wisselt de regelaar naar de UIT-modus en regelt op de gewenste waarde van de vorst-/hittebeveiliging. Bij het herinschakelen van de regelaar worden de overige bedrijfsmodusobjecten opgevraagd, om de bedrijfsmodus te bepalen.

Opmerking
Bij punt 2:
Bij geactiveerde functie regelaar AAN/UIT in master-/slavebedrijf moet het object regeling AAN/UIT (master) met dit object worden verbonden.
Bij punt 3:
Bij geactiveerde functie regelaar AAN/UIT in master-/slavebedrijf moet het object regeling AAN/UIT (slave) met dit object worden verbonden.
12.2.6 Werkelijke temperatuur
| Nummer Naam Objectfunctie Gegevenstype | |||
| 6 1. Werkelijke temperatuur Uitgang | 2-byte-zwevendekommawaar de | ||
| 2. Werkelijke temperatuur gewogen | Uitgang | 2-byte-zwevendekommawaar de | |
- Het object geeft de met de vergelijkingswaarde aangepaste, gemeten (ruimte-)temperatuur uit.
- Het object geeft de temperatuurwaarde uit die uit de detectie en weging van interne en tot twee externe temperaturen wordt berekend.

Opmerking
Een externe temperatuurmeting voor de ruimteregeling is eventueel bij grotere ruimtes en/of vloerverwarmingen zinvol.
12.2.7 Externe werkelijke temperatuur
| Nummer Naam Objectfunctie Gegevenstype | ||
| 7 Externe werkelijke temperatuur Ingang | 2-byte-zwevendekommawaar de |
2-byte-communicatieobject voor de detectie van een via de KNX-bus beschikbaar gestelde externe temperatuurwaarde
12.2.8 Externe werkelijke temperatuur 2
| Nummer Naam Objectfunctie Gegevenstype | ||
| 8 Externe werkelijke temperatuur 2 Ingang | 2-byte-zwevendekommawaar de |
2-byte-communicatieobject voor de detectie van nog een via de KNX-bus beschikbaar gestelde externe temperatuurwaarde
12.2.9 Storing werkelijke temperatuur
| Nummer Naam Objectfunctie Gegevenstype | |||
| 9 | 1. Storing werkelijke temperatuur | Uitgang Schakelen | |
| 2. Storing werkelijke temperatuur (master) | Uitgang Schakelen | ||
| 3. Storing werkelijke temperatuur (slave) | Uitgang Schakelen | ||
Als één van de geparametreerde ingangstemperaturen langer dan de bewakingstijd niet beschikbaar zijn, wisselt de regelaar naar de storingsmodus. De storingsmodus wordt met de waarde 1 naar de bus verzonden.

Opmerking
Bij punt 2:
Voor het weergeven van de storingsmodus moet dit object met het object 'storing werkelijke temperatuur (slave)' worden verbonden.
Bij punt 3:
Voor het weergeven van de storingsmodus moet dit object met het object ‘storing werkelijke temperatuur (slave)’ worden verbonden.
12.2.10 Lokale werkelijke temperatuur
| Nummer Naam Objectfunctie Gegevenstype | |||
| 10 | Lokale werkelijke temperatuur | Uitgang | Schakelen |
Onzichtbaar!
12.2.11 Actuele ingestelde waarde
| Nummer Naam Objectfunctie Gegevenstype | ||
| 11 Actuele ingestelde waarde Uitgang | 2-byte-zwevendekommawaar de |
Het object geeft de actuele ingestelde temperatuurwaarde uit, die uit de geparametreerde ingestelde temperatuur in de actuele bedrijfsmodus en het actuele bedrijf, de handmatige verstelling van de ingestelde temperatuur en door wijziging van de ingestelde basistemperatuur via het object van de ingestelde basiswaarde resulteert. Het object is uitsluitend zendend.
12.2.12 Bedrijfsmodus
| Nummer Naam Objectfunctie Gegevenstype | ||
| 12 1. Bedrijfsmodus In-/uitgang HVAC-modus | ||
| 2. Bedrijfsmodus (master) In-/uitgang HVAC-modus | ||
| 3. Bedrijfsmodus (slave) In-/uitgang HVAC-modus |
Het object 'bedrijfsmodus' ontvangt de in te stellen bedrijfsmodus als 1-byte-waarde. Daarbij betekent de waarde 1 'comfort', de waarde 2 'stand-by', de waarde 3 'economy' en de waarde 4 'vorst-/hittebeveiliging'.
De ingestelde temperatuur van de regelaar wordt behalve door de handmatige waarde-instelling en de aanpassing van de ingestelde basiswaarde door de objecten 'bedrijfsmodus overlappend', 'condenswateralarm', 'dauwalarm', 'raamcontact', 'aanwezigheidsmelder' en 'bedrijfsmodus' (lijst in aflopende prioriteit) bepaald.

Opmerking
Punt 2:
Bij actieve bedrijfsmodus in master-/slavebedrijf moet het object bedrijfsmodus (slave) met dit object worden verbonden.
Punt 3:
Bij actieve bedrijfsmodus in master-/slavebedrijf moet het object bedrijfsmodus (master) met dit object worden verbonden.
12.2.13 Bedrijfsmodus overlappend
| Nummer Naam Objectfunctie Gegevenstype | |||
| 13 | Bedrijfsmodus overlappend | Ingang | HVAC-modus |
| Bedrijfsmodus overlappend (master/slave) | Ingang HVAC-modus | ||
Het object ‘bedrijfsmodus overlappend’ ontvangt de in te stellen bedrijfsmodus als 1-byte-waarde. Daarbij betekent de waarde 0 ‘overlapping inactief, de waarde 1 ‘comfort’, de waarde 2 ‘stand-by’, de waarde 3 ‘economy’ en de waarde 4 ‘vorst-/hittebeveiliging’.
De ingestelde temperatuur van de regelaar wordt behalve door de handmatige waarde-instelling en de aanpassing van de ingestelde basiswaarde door de objecten 'bedrijfsmodus overlappend', 'condenswateralarm', 'dauwalarm', 'raamcontact', 'aanwezigheidsmelder' en 'bedrijfsmodus' (lijst in aflopende prioriteit) bepaald.

Opmerking
Punt 2:
Bij actief master-/slavebedrijf moet het object 'bedrijfsmodus overlappend' van master en slave met het groepsadres van de zender worden verbonden.
12.2.14 Raamcontact
| Nummer Naam Objectfunctie Gegevenstype | ||
| 14 1. Raamcontact Ingang Schakelen | ||
| 2. Raamcontact (master/slave) Ingang Schakelen |
Het object signaleert met de waarde 1 aan de regelaar dat een raam geopend is. Als er geen ander object met een hogere prioriteit aanwezig is, wordt met de melding 'raamcontact' de regelaar op de gewenste waarde vorst-/hittebeveiliging ingesteld. De ingestelde temperatuur van de regelaar wordt behalve door de handmatige waarde-instelling en de aanpassing van de ingestelde basiswaarde door de objecten 'bedrijfsmodus overlappend', 'condenswateralarm', 'dauwalarm', 'raamcontact', 'aanwezigheidsmelder' en 'bedrijfsmodus' (lijst in aflopende prioriteit) bepaald.

Opmerking
Punt 2:
Bij actief master-/slavebedrijf moet het object 'raamcontact (master/slave)' van master en slave met het groepsadres van de zender worden verbonden.
12.2.15 Aanwezigheidsmelder
| Nummer Naam Objectfunctie Gegevenstype | |||
| 15 1. Aanwezigheidsmelder Ingang Schakelen | |||
| 2. Aanwezigheidsmelder (master/slave) | Ingang Schakelen | ||
Het object signaleert met de waarde 1 aan de regelaar dat er zich personen in de ruimte bevinden. Als er geen ander object met een hogere prioriteit aanwezig is, wordt met 'aanwezigheidsmelder' de regelaar op de gewenste comfortwaarde ingesteld. De ingestelde temperatuur van de regelaar wordt behalve door de handmatige waarde-instelling en de aanpassing van de ingestelde basiswaarde door de objecten 'bedrijfsmodus overlappend', 'condenswateralarm', 'dauwalarm', 'raamcontact', 'aanwezigheidsmelder' en 'bedrijfsmodus' (lijst in aflopende prioriteit) bepaald.

Opmerking
Punt 2:
Bij actief master-/slavebedrijf moet het object ‘aanwezigheidsmelder’ van master en slave met het groepsadres van de zender worden verbonden.
12.2.16 Status verwarmen
| Nummer Naam Objectfunctie Gegevenstype | ||
| 16 Status verwarmen Uitgang Schakelen |
De kamerthermostaat stuurt via het object 'status verwarmen' een AAN-telegram op het moment dat hij zich in de actieve verwarmingsmodus bevindt. Als de regeling zich in de inactieve zone tussen verwarmen en koelen bevindt of in de koelmodus, stuurt de kamerthermostaat een UIT-telegram naar het 'status verwarmen'-object.
12.2.17 Status koelen
| Nummer Naam Objectfunctie Gegevenstype | ||
| 17 Status koelen Uitgang Schakelen |
De kamerthermostaat stuurt via het object 'status koelen een AAN-telegram op het moment dat hij zich in de actieve koelmodus bevindt. Als de regeling zich in de inactieve zone tussen verwarmen en koelen bevindt of in de verwarmingsmodus, stuurt de kamerthermostaat een UIT-telegram naar het 'status koelen'-object.
12.2.18 Basisbelasting
Nummer Naam Objectfunctie Gegevenstype
16 Basisbelasting In-/uitgang Schakelen
Het object activeert met de waarde 1 een geparametreerde basisbelasting, d.w.z. een minimale stelgrootte die groter is dan nul. Met de waarde 0 wordt de basisbelasting uitgeschakeld. Bij uitgeschakelde basisbelasting kan bij het bereiken van de ingestelde temperatuur de stelgrootte ondanks de geparametreerde minimale waarde eventueel tot nul worden teruggezet.

Opmerking
Een deactivering van de basisbelasting is zinvol bij een vloerverwarming in de zomer, omdat door het opheffen van de basisbelasting energie kan worden bespaard.
12.2.19 Omschakelen verwarmen/koelen
Nummer Naam Objectfunctie Gegevenstype
| 17 | Omschakeling verwarmen/koelen | In-/uitgang | Schakelen |
- Automatisch: als er tussen verwarmen en koelen een automatische omschakeling door de kamerthermostaat plaatsvindt, wordt via dit object de informatie over de actuele status verwarmen (0) of koelen (1) aan de KNX-bus beschikbaar gesteld. Het object is zendend.
- Alleen via object: In de kamerthermostaat vindt de omschakeling tussen verwarmen en koelen uitsluitend via dit 1-bit-communicatieobject plaats. Daarbij wordt met de waarde (0) de verwarmingsmodus en met de waarde (1) de koelmodus geactiveerd. Het object is ontvangend.
3.. Handmatig of via object: In de kamerthermostaat vindt de omschakeling tussen verwarmen en koelen door een ingreep van de gebruiker of via het 1-bit-communicatieobject plaats. De informatie over de status verwarmen (0) of koelen (1) is beschikbaar voor de KNX-bus. Het object is zendend en ontvangend.
| Nummer Naam Objectfunctie Gegevenstype | |||
| 18 1. Fan-coil handmatig Uitgang Schakelen | |||
| 2. Fan-coil handmatig (master) | Uitgang | Schakelen | |
| 3. Fan-coil handmatig (slave) Uitgang Schakelen | |||
Door het 1-bit-communicatieobject kan een fan-coil-aktor in de handmatige of terug in de automatische ventilatormodus worden gezet. In de automatische fan-coil modus van de fan-coil-aktor wordt het ventilatortoerental in de fan-coil-aktor uit de stelgrootte bepaald. In de handmatige ventilatormodus kan de bediener van de kamerthermostaat het ventilatortoerental naar eigen wens instellen. De instelling blijft actief totdat deze weer teruggezet wordt. Een uitzondering vormt de ventilatorstand 0: om schade aan het gebouw te vermijden, wordt 18 uur na het selecteren van de ventilatorstand 0 de automatisch modus weer geactiveerd.

Opmerking
Punt 2:
Bij geactiveerde fan-coil handmatig in het master-/slavebedrijf moet het object fan-coil handmatig (slave) met dit object worden verbonden.
Punt 3:
Bij geactiveerde fan-coil handmatig in het master-/slavebedrijf moet het object fan-coil handmatig (master) met dit object worden verbonden.
12.2.21 Fan-coil stand
| Nummer Naam Objectfunctie Gegevenstype | ||
| 19 1. Fan-coil stand Uitgang | 2-byte-zwevendekommawaar de | |
| 2. Fan-coil stand (master) Uitgang | 2-byte-zwevendekommawaar de | |
| 3. Fan-coil stand (slave) Uitgang | 2-byte-zwevendekommawaar de |
Via het 1-byte-communicatieobject wordt de ventilatorstand in de fan-coil-aktor gekozen. Het kan worden ingesteld of de informatie over de ventilatorstand alleen in de handmatige of ook in de automatische ventilatorstand-modus wordt overgedragen. Selecteerbare formaten voor het 1-byte-communicatieobject zijn de ventilatorstanden (0..5) of een procentwaarde (0..100%), die in de fan-coil aktor op een ventilatorstand wordt teruggerekend.

Opmerking
Punt 2:
Bij geactiveerde fan-coil stand in het master-/slavebedrijf moet het object fan-coil stand (slave) met dit object worden verbonden.
Punt 3:
Bij geactiveerde fan-coil stand in het master-/slavebedrijf moet het object fan-coil stand (slave) met dit object worden verbonden.
12.2.22 Status fan-coil stand
Nummer Naam Objectfunctie Gegevenstype
20 Status fan-coil stand In-/uitgang
2-byte- zwevendekommawaar de
Via het object 'status fac-coil stand' ontvangt de kamerthermostaat de ventilatorstand die de fan-coil-aktor op dat moment uitvoert.
12.2.23 Ventilatorstand 1
Nummer Naam Objectfunctie Gegevenstype
21 Ventilatorstand 1 Uitgang Schakelen
Via het 1-bit communicatieobject wordt de actieve toestand (1) van de ventilatorstand uitgegeven, de andere ventilatorstanden zijn afhankelijk van de parametrering gedeactiveerd (0). Als de ventilatorstand inactief is, bevindt zich de waarde (0) op het object.
12.2.24 Ventilatorstand 2
Nummer Naam Objectfunctie Gegevenstype
22 Ventilatorstand 2 Uitgang Schakelen
Via het 1-bit communicatieobject wordt de actieve toestand (1) van de ventilatorstand uitgegeven, de andere ventilatorstanden zijn afhankelijk van de parametrering gedeactiveerd (0). Als de ventilatorstand inactief is, bevindt zich de waarde (0) op het object.
12.2.25 Ventilatorstand 3
Nummer Naam Objectfunctie Gegevenstype
23 Ventilatorstand 3 Uitgang Schakelen
Via het 1-bit communicatieobject wordt de actieve toestand (1) van de ventilatorstand uitgegeven, de andere ventilatorstanden zijn afhankelijk van de parametrering gedeactiveerd (0). Als de ventilatorstand inactief is, bevindt zich de waarde (0) op het object.
12.2.26 Ventilatorstand 4
Nummer Naam Objectfunctie Gegevenstype
24 Ventilatorstand 4 Uitgang Schakelen
Via het 1-bit communicatieobject wordt de actieve toestand (1) van de ventilatorstand uitgegeven, de andere ventilatorstanden zijn afhankelijk van de parametrering gedeactiveerd (0). Als de ventilatorstand inactief is, bevindt zich de waarde (0) op het object.
12.2.27 Ventilatorstand 5
Nummer Naam Objectfunctie Gegevenstype
25 Ventilatorstand 5 Uitgang Schakelen
Via het 1-bit communicatieobject wordt de actieve toestand (1) van de ventilatorstand uitgegeven, de andere ventilatorstanden zijn afhankelijk van de parametrering gedeactiveerd (0). Als de ventilatorstand inactief is, bevindt zich de waarde (0) op het object.
12.2.28 Ingestelde basiswaarde
Nummer Naam Objectfunctie Gegevenstype
26 Ingestelde basiswaarde Ingang
2-byte- zwevendekommawaar de
Via het 2-byte-communicatieobject kan de geparametreerde ingestelde basiswaarde via de KNX-bus gewijzigd/aangepast worden. Met parameters kan worden ingesteld of de hier ontvangen waarde als 'gewenste waarde verwarmen comfort', 'gewenste waarde koelen comfort' of 'gemiddelde waarde tussen verwarmen en koelen comfort' moet worden geïnterpreteerd.
12.2.29 Handmatige gewenste waarden resetten
Nummer Naam Objectfunctie Gegevenstype
27 Handmatige gewenste waarden resetten Ingang Schakelen
Via het 1-bit communicatieobject wordt de op het apparaat ingestelde wijziging gewenste waarde gereset.
12.2.30 Dauwpuntalarm
Nummer Naam Objectfunctie Gegevenstype
28 Dauwpuntalarm Ingang Schakelen
Via het 1-bit communicatieobject wordt de regelaar in de dauwpunt-alarmmodus gezet. Daarmee wordt de actuele ingestelde waarde op de gewenste waarde van de hittebescherming ingesteld, zodat een beschadiging van de bouwsubstantie door dauwvorming wordt vermeden.

Opmerking
Het beschermingsmechanisme is alleen in de koelmodus actief. Hij blijft zolang actief totdat hij de door waarde (0) wordt opgeheven. Bij actief alarm is de handmatige bediening van de regelaar geblokkeerd. De informatie wordt met een symbool op het bedieningsapparaat gevisualiseerd.
12.2.31 Condenswateralarm
| Nummer Naam Objectfunctie Gegevenstype | ||
| 29 1. Condenswateralarm Ingang Schakelen | ||
| 2. Condenswateralarm (master/slave) | Ingang Schakelen |
Via het 1-bit communicatieobject wordt de regelaar in de condenswater-alarmmodus gezet. Daarmee wordt de actuele ingestelde waarde op de gewenste waarde van de hittebescherming ingesteld, zodat een beschadiging van de bouwsubstantie door overlopen van de condensaat-opvangbak wordt vermeden.

Opmerking
Punt 1:
Het beschermingsmechanisme is alleen in de koelmodus actief. Hij blijft zolang actief totdat hij de door waarde (0) wordt opgeheven. Bij actief alarm is de handmatige bediening van de regelaar geblokkeerd. De informatie wordt met een symbool op het apparaat gevisualiseerd.
Punt 2:
- Het beschermingsmechanisme is alleen in de koelmodus actief. Hij blijft zolang actief totdat hij de door waarde (0) wordt opgeheven. Bij actief alarm is de handmatige bediening van de regelaar geblokkeerd. De informatie wordt met een symbool op het apparaat gevisualiseerd.
- Bij actief master-/slavebedrijf moeten de objecten condenswateralarm (master/slave) met de alarmgever worden verbonden.
12.2.32 Buitentemperatuur voor zomercompensatie
| Nummer Naam Objectfunctie Gegevenstype | |||
| 30 | Buitentemperatuur voor zomercompensatie | Ingang | 2-byte-zwevendekommawaar de |
Om energie te sparen en om het temperatuurverschil bij het betreden van een gebouw met airconditioning binnen aangename grenzen te houden, zou in de zomer de verlaging van kamertemperatuur door koelende airco-apparatuur afhankelijk van de buitentemperatuur moeten worden beperkt (zomercompensatie). Zo wordt voorkomen dat bijvoorbeeld bij een buitentemperatuur van 35 °C een bestaand airco-systeem blijft proberen om de kamertemperatuur op 24 °C te verlagen.
Deze functie kan alleen worden gebruikt met een buitentemperatuursensor. Hiervoor moet via het 2-byte communicatieobject de actuele buitentemperatuur beschikbaar worden gesteld aan de regelaar.
12.2.33 Zomercompensatie actief
| Nummer Naam Objectfunctie Gegevenstype | |||
| 31 | Zomercompensatie actief | Uitgang | Schakelen |
Via het 1-bit communicatieobject wordt via de bus weergegeven of de zomercompensatie actief (1) of inactief (0) is. Als deze actief is, wordt de ingestelde temperatuur voor de koelmodus door de zomercompensatiefunctie verhoogd. Een daling van de ingestelde temperatuur voor de koelmodus tot onder de waarde die door de geparametreerde zomercompensatiefunctie is berekend is niet mogelijk. Een verhoging van de ingestelde temperatuur voor de koelmodus is altijd mogelijk.
12.2.34 Gewenste waarde bereikt
| Nummer Naam Objectfunctie Gegevenstype | |||
| 32 | Gewenste waarde bereikt | Uitgang | Schakelen |
Via het 1-bit-communicatieobject wordt door de waarde (1) het bereiken van het op het apparaat ingestelde gewenste waarde in comfortbedrijf als informatie op de KNX-bus verzonden. De functie wordt door het activeren van het comfort- en aanwezigheidsbedrijf gestart. Als het bereiken van de ingestelde temperatuur door het instellen van een andere bedrijfsmodus of door het verstellen op een nieuwe gewenste waarde gestoord, dan wordt de waarde (0) verzonden.
12.2.35 Fahrenheit
| Nummer Naam Objectfunctie Gegevenstype | |||
| 33 | 1. Fahrenheit In-/uitgang Schakelen | ||
| 2. Fahrenheit (master) In-/uitgang Schakelen | |||
| 3. Fahrenheit (slave) | In-/uitgang | Schakelen | |
De weergave van de temperatuur op het display kan van Celsius (°C) in Fahrenheit (°F) worden gewijzigd. De omrekening van Celsius naar Fahrenheit vindt daarbij altijd plaats op de displayeenheid, omdat naar de KNX-bus uitsluitend Celsius-waarden worden verzonden. De waarde (0) zorgt voor de temperatuurweergave in Celsius de waarde (1) in Fahrenheit.

Opmerking
Punt 2:
Bij actief Fahrenheit-object in het master-/slavebedrijf moet het object Fahrenheit (slave) met dit object worden verbonden.
Punt 3:
Bij actief Fahrenheit-object in het master-/slavebedrijf moet het object Fahrenheit (master) met dit object worden verbonden.
12.2.36 Display-verlichting
Nummer Naam Objectfunctie Gegevenstype
34 Display-verlichting In-/uitgang Schakelen
Via het 1-bit-communicatieobject wordt door de waarde (1) de display-verlichting geactiveerd met de waarde (0) gedeactiveerd.

Opmerking
Deze functie wordt vooral gebruikt in ruimtes waarin de verlichting 's nachts als storend ervaren wordt, bijvoorbeeld in hotel- of slaapkamers.
12.2.37 Aan/uit vraag
Nummer Naam Objectfunctie Gegevenstype
35 1. Aan/uit vraag (master) Ingang Schakelen
- Aan/uit vraag (slave) Ingang Schakelen
Het 1-bit communicatieobject moet met het bijbehorende slave-communicatieobject voor de synchronisatie van de apparaten in master-/slavebedrijf worden verbonden.
12.2.38 Indicatie gewenste waarde
Nummer Naam Objectfunctie Gegevenstype
36
-
Indicatie gewenste waarde (master)
-
Indicatie gewenste waarde (slave)
In-/uitgang
In-/uitgang
2-byte- zwevendekommawaar de
2-byte- zwevendekommawaar de
Het 2-byte communicatieobject moet met het bijbehorende slave-communicatieobject voor de synchronisatie van de apparaten in master-/slavebedrijf worden verbonden.
12.2.39 Gewenste waarde opvragen
Nummer Naam Objectfunctie Gegevenstype
37
-
Gewenste waarde opvragen (master)
-
Gewenste waarde opvragen (slave)
Ingang Procent (0..100%)
Ingang Procent (0..100%)
Het 1-byte communicatieobject moet met het bijbehorende slave-communicatieobject voor de synchronisatie van de apparaten in master-/slavebedrijf worden verbonden.
12.2.40 Gewenste waarde bevestigen
| Nummer Naam Objectfunctie Gegevenstype | |||
| 38 | 1. Gewenste waarde bevestigen (master)) | In-/uitgang Procent (0..100%) | |
| 2. Gewenste waarde bevestigen (slave) | In-/uitgang Procent (0..100%) | ||
Het 1-byte communicatieobject moet met het bijbehorende slave-communicatieobject voor de synchronisatie van de apparaten in master-/slavebedrijf worden verbonden.
12.2.41 Verwarmen/koelen vraag
| Nummer Naam Objectfunctie Gegevenstype | |||
| 39 | 1. Verwarmen/koelen vraag (master) | Ingang Schakelen | |
| 2. Verwarmen/koelen vraag (slave) | Ingang Schakelen | ||
Het 1-bit communicatieobject moet met het bijbehorende slave-communicatieobject voor de synchronisatie van de apparaten in master-/slavebedrijf worden verbonden.
12.2.42 Ventilatorstand handm. opvragen
| Nummer Naam Objectfunctie Gegevenstype | |||
| 40 | 1. Ventilatorstand handm. opvragen (master) | Ingang Schakelen | |
| 2. Ventilatorstand handm. opvragen (slave) | Ingang Schakelen | ||
Het 1-bit communicatieobject moet met het bijbehorende slave-communicatieobject voor de synchronisatie van de apparaten in master-/slavebedrijf worden verbonden.
12.2.43 Ventilatorstand opvragen
| Nummer Naam Objectfunctie Gegevenstype | |||
| 41 | 1. Ventilatorstand opvragen (master) | Ingang Procent (0..100%) | |
| 2. Ventilatorstand opvragen (slave) | Ingang Procent (0..100%) | ||
Het 1-byte communicatieobject moet met het bijbehorende slave-communicatieobject voor de synchronisatie van de apparaten in master-/slavebedrijf worden verbonden.
12.2.44 Ventilatorstand bevestigen
| Nummer Naam Objectfunctie Gegevenstype | |||
| 42 | 1. Ventilatorstand bevestigen (master) | In-/uitgang Procent (0..100%) | |
| 2. Ventilatorstand bevestigen (slave) | In-/uitgang Procent (0..100%) | ||
Het 1-byte communicatieobject moet met het bijbehorende slave-communicatieobject voor de synchronisatie van de apparaten in master-/slavebedrijf worden verbonden.
12.2.45 Regelaarstatus RHCC
| Nummer Naam Objectfunctie Gegevenstype | ||
| 43 Regelaarstatus RHCC Uitgang | 2-byte-zwevendekommawaar de |
Het communicatieobject geeft de bedrijfsmodus verwarmen/koelen, de actieve/inactieve modus, vorst- en hittealarm en storing (uitval van de meting van de werkelijke temperatuur) volgens specificatie voor de RHCC (Room Heating Cooling Controller)-status uit.
12.2.46 Regelaarstatus HVAC
| Nummer Naam Objectfunctie Gegevenstype | |||
| 44 | 1. Regelaarstatus HVAC | Uitgang | Procent (0..100%) |
| 2. Regelaarstatus HVAC (master) | Uitgang Procent (0..100%) | ||
| 3. Regelaarstatus HVAC (slave) Uitgang Procent (0..100%) | |||
Het communicatieobject geeft het actuele bedrijf, de bedrijfsmodus verwarmen/koelen, de actieve/inactieve modus, het vorstalarm en het dauwpuntalarm volgens specificatie voor de HVAC (Heating Ventilation Air Conditioning)-status uit.

Opmerking
Punt 2:
Bij actief master-/slavebedrijf moet het object HVAC-status (slave) met dit object worden verbonden.
Punt 3:
Bij actief master-/slavebedrijf moet het object HVAC-status (master) met dit object worden verbonden.
12.2.47 In werking
| Nummer Naam Objectfunctie Gegevenstype | ||
| 45 In werking Uitgang Schakelen |
Via het 1-bit communicatieobject stuurt de regelaar cyclisch een 'levensteken'. Dit signaal kan voor de bewaking van het apparaat, bijvoorbeeld via een visualisering worden gebruikt.
KNX Technisch Handboek Busch-priOn®
Contact
Een onderneming van de ABB-groep
Wij behouden ons te allen tijde het recht voor technische wijzigingen en wijzigingen van de inhoud van dit document aan te brengen zonder voorafgaande melding. Bij bestelingen gelden de overeengekomen gedetailleerde opgaven. ABB aanvaardt geen enkele verantwoordelijkheid voor eventuele fouten of onvolledige gegevens in dit document.
Wij behouden ons alle rechten op dit document en de zich daarin bevindende thema's en afbeeldingen voor. Vermenigvuldiging, bekendmaking aan derden of toepassing van de inhoud, ook als uittreksel, is zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van ABB verboden.
Copyright© 2015 Busch-Jaeger Elektro GmbH Alle rechten voorbehouden