Supreme 14 E TS P - Boiler COINTRA - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis Supreme 14 E TS P COINTRA in PDF-formaat.
| Producttype | Gasgestookte doorstroomwaterverwarmer |
| Merk | Cointra |
| Model | Supreme 14 E TS P |
| Energiebron | Aardgas (G20/G25) of propaan (G31) |
| Capaciteit | 14 L/min bij ΔT 25°C |
| Elektrische voeding | 230 V ~ 50 Hz |
| Ontsteking | Elektronisch (batterij of netstroom) |
| Veiligheid | Vlambeveiliging, oververhittingsbeveiliging, antilangzaamheidsbeveiliging |
| Afmetingen (H x B x D) | 700 x 400 x 250 mm |
| Gewicht | 20 kg |
| Wateraansluiting | G 1/2" |
| Gasaansluiting | G 1/2" |
| Waterdruk (min/max) | 0,2 bar / 10 bar |
| Rendement | > 90% |
| Montage | Wandmontage |
| Rookgasafvoer | Gesloten (turbo), weerbestendig |
| Kleur | Wit |
| Inbegrepen accessoires | Vulset, afvoerset, handleiding |
| Onderhoud | Jaarlijkse controle door erkend installateur |
Veelgestelde vragen - Supreme 14 E TS P COINTRA
Gebruikersvragen over Supreme 14 E TS P COINTRA
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Boiler in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding Supreme 14 E TS P - COINTRA en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. Supreme 14 E TS P van het merk COINTRA.
GEBRUIKSAANWIJZING Supreme 14 E TS P COINTRA
NL - GEBRUIKS-, INSTALLATIE- EN ONDERHOUDSAANWIJZINGEN
NL
1. ALGEMENE OPMERKINGEN
• Lees de opmerkingen in deze gebruiksaanwijzing aandachtig door.
- Wanneer het apparaat geïnstalleerd werd, legt u de werking van het toestel aan de gebruiker uit en geeft u hem de gebruiksaanwijzing. Deze handleiding vormt een heel belangrijk onderdeel van het product en moet steeds op een veilige en makkelijk toegankelijke plek bewaard worden zodat deze makkelijk geraadpleegd kan worden.
- De installatie en het onderhoud moeten door een erkend technicus uitgevoerd worden. De geldende normen en de aanwijzingen van de fabrikant moeten steeds gevolgd worden. Met de verzegelde stelinrichtingen mag niet geprutst worden.
- Een incorrecte installatie of een slecht onderhoud kan persoonlijke of materiële schade veroorzaken. De fabrikant is niet verantwoordelijk voor schade die door installatiefouten, foutief gebruik of, in het algemeen, door niet-naleving van de aanwijzingen veroorzaakt wordt.
- Alvorens schoonmaak- of onderhoudswerkzaamheden uit te voeren, dient u het apparaat uit te schakelen door op de schakelaar van de installatie te drukken of de stroomtoevoer op een andere manier te onderbreken.
- Bij een defect of bij foutieve werking, schakelt u het apparaat uit en laat u het door een gekwalificeerde technicus herstellen. Wend u enkel tot erkende technici. Enkel bevoegde technici mogen herstellingen aan het apparaat uitvoeren en onderdelen vervangen. Men mag enkel originele reserve-onderdelen gebruiken. Zo niet, kan de veiligheid van het apparaat in gevaar gebracht worden.
- Dit apparaat mag enkel gebruikt worden voor het doel waarvoor het ontworpen werd. Elk ander gebruik is verkeerd en dus gevaarlijk.
• De verpakkingsmaterialen vormen een potentiële bron van gevaar: bewaar ze steeds buiten het bereik van kinderen.
- De afbeeldingen in deze gebruiksaanwijzing vormen slechts een vereenvoudigde voorstelling van het product. Tussen deze voorstelling en het geleverde product bestaan kleine, doch onbelangrijke, verschillen.
2. GEBRUIKSAANWIJZINGEN
2.1 Voorstelling
SUPREME E TS is een high performance boiler voor de productie van warm tapwater, gevoed met aardgas of propaan en voorzien van een atmosferische brander met elektronische ontsteking, volledig afgesloten kamer met gedwongen luchtcirculatie en controlesysteem met microprocessor. De boiler kan zowel binnen als buiten, op een gedeeltelijk afgeschermde plek (zie norm EN 297/A6) met temperaturen die niet onder de -5 °C dalen, geïnstalleerd worden. (-15 °C met facultatief antivrieskit)
2.2 Bedieningspaneel
Paneel

fig. 1 - Controlepaneel
Legende paneel fig.1
1 Toets om de temperatuur van het WTW te verlagen
2 Toets om de temperatuur van het WTW te verhogen
3 OFF-symbol
4 Melding activating WTW
5 Scherm
6 Ontgrendeltoets (reset)
7 Toets om het apparaat aan of uit te zetten
8 Melding multifunctie
9 Melding ontstoken brander en huidig vermogen (knippert bij verbrandingsstoringen)
10 Aansluiting voor Service Tool
Melding tijdens de werking
Wanneer er tapwater wordt afgenomen, verschijnt de temperatuur van het stromende WTW op het scherm. (5 - fig.1).
Storing
Bij storingen (zie hoofdstuk 4.4), verschijnt er een foutmelding op het scherm (5 - fig.1). Tijdens de wachttijd verschijnen de codes "d3" en "d4" op het scherm.
2.3 Aan- en uitzetten
Aansluiting op het elektriciteitsnet
• Gedurende de eerste vijf seconden, wordt op het scherm de software versie van de kaart aangegeven.
- Draai het gas aan de voorkant van het apparaat open.
- Het apparaat zal automatisch in gang schieten wanneer een kraan voor warm tapwater wordt opengedraaid.
Het apparaat aan- en uitzetten
Druk gedurende 1 seconde op de on/off-toets (7 - fig.).

fig. 2. Het apparaat uitzetten
Wanneer u het apparaat uitzet, blijft de elektronische kaart aangesloten. De productie van warm tapwater wordt stopgezet. Het antivriessysteem blijft actief. Om het apparaat opnieuw aan te zetten, drukt u nogmaals gedurende 1 seconde op de on/off-toets (7 - fig.).

fig. 3
Het apparaat zal aanspringen wanneer een kraan voor warm tapwater wordt opengedraaid.
Wanneer het apparaat van het elektriciteitsnet of de gastoevoer wordt losgekoppeld, werkt het antivriessysteem niet meer. Wanneer het apparaat gedurende een lange periode in de winter niet gebruikt wordt, is het raadzaam het water uit de boiler te laten om vriesschade te voorkomen.
2.4 Regelingen
Regeling van de temperatuur van het tapwater
Met de toetsen (1 en 2 - fig. 1) kan de temperatuur van het tapwater tussen 40°C en 50°C geregeld worden.

fig. 4
3. MONTAGE
3.1 Algemene bepalingen
DE BOILER MAG ENKEL DOOR EEN BEVOEGDE TECHNICUS GEINSTALLEERD WORDEN. ALLE AANWIJZINGEN IN DEZE HANDLEIDING, GELDENDE WETTEN, NATIONALE EN LOKALE NORMEN EN TECHNISCHE REGELS MOETEN NAGELEEFD WORDEN.
3.2 Installatieplaats
De verbrandingsruimte is volledig van de omgeving afgesloten. Het apparaat kan dus in eender welke kamer geïnstalleerd worden. De installatieruimte moet echter een goed geventileerde ruimte zijn om gevaarlijke situaties bij een eventuele gaslek te voorkomen. De Richtlijn CE 90/396 legt deze veiligheidsnorm voor alle gasapparaten, ook die met een volledig afgesloten kamer, vast. Het apparaat is geschikt om op een gedeeltelijk afgeschermde plek, zie norm EN 297 pr A6, bij temperaturen die niet onder de -5 °C dalen (-15 °C met facultatief antivrieskit) te werken. Het is raadzaam de boiler onder de vooruitstekende rand van het dak, op een balkon of in een afgeschermde holte te installeren.
Het apparaat mag onder geen beding op een plek met stof, corosieve gassen of ontvlambare voorwerpen of materialen geïnstalleerd worden.
Het apparaat kan aan de muur gehangen worden. Maak het apparaat aan de muur vast en respecteer steeds de afstanden die op de tekening op het voorblad worden aangegeven.
Als het apparaat in een meubel of naast andere voorwerpen wordt geïnstalleerd, moet u steeds ruimte rondom overlaten om de bekisting te kunnen demonteren en normale onderhoudsactiviteiten te kunnen uitvoeren.
3.3 Hydraulische aansluitingen
Opmerkingen
Alvorens het apparaat aan te sluiten, dient u na te gaan of het apparaat gereed is om met de beschikbare soort brandstof te werken en alle buizen van de installatie schoon te maken.
Sluit het apparaat volgens de tekening op het voorblad en de symbolen op het apparaat aan.
Kenmerken van het water van de installatie
Als de hardheid van het water hoger is dan 25° Fr (1 °F = 10 ppm CaCO3), dan moet het water verzacht worden om kalkaanslag in de boiler te voorkomen.
3.4 Gasaansluiting
Sluit de gastoevoer, volgens de geldende regels, met een stijve, metalen buis of een buigzame buis van roestvrij staal op de overeenkomstige aansluiting aan (zie afbeelding op het voorblad) en voorzie een afsluitkraan tussen de installatie en de boiler. Controleer of alle gasaansluitingen volledig afgesloten werden.
3.5 Elektrische aansluitingen
Opmerkingen
Het apparaat moet van een efficiënte aarding, zoals in de veiligheidsnormen vermeld staat, voorzien worden. Vraag een erkend technicus de efficiëntie en de compatibiliteit van het aardingssysteem te controleren. De fabrikant is niet verantwoordelijk voor schade die door het gebrek aan aarding veroorzaakt wordt.
Bij de boiler wordt een Y-kabel zonder stekker voor de aansluiting op het elektriciteitsnet geleverd. Het toestel moet op het netwerk met een vaste aansluiting en een tweepolige schakelaar met een opening tussen de contacten van minstens 3 mm, aangesloten worden; er moeten zekeringen van max. 3A tussen de boiler en de lijn geplaatst worden. Het is belangrijk dat de polariteiten (LIJN: bruine kabel / NEUTRAAL: blauwe kabel / AARDE: geel-groene kabel) van de aansluitingen op de elektriciteitsleiding in acht genomen worden.
De voedingskabel van het apparaat mag niet door de gebruiker vervangen worden. Als de kabel beschadigd werd, zet u het apparaat uit en belt u een bevoegde technicus om de kabel te vervangen. Gebruik enkel HAR H05 VV-F kabels van 3x0,75 mm2 met een buitendiameter van maximaal 8 mm.
3.6 Rookkanalen
Opmerkingen
Dit apparaat behoort tot het C-type met volledig afgesloten kamer en kunstmatige trek, de luchttoevoer en de rookafvoer moeten op de hieronder beschreven systemen aangesloten worden. Het apparaat werd goedgekeurd om met alle soorten Cny-schoorsteenconfiguraties die op de naamkaart vermeld staan te werken. Het is echter mogelijk dat het gebruik van sommige configuraties door lokale wetten, normen of voorschriften beperkt of verboden wordt. Alvorens het apparaat te installeren, dient u de relevante normen te raadplegen en goed na te lezen. Respecteer steeds de bepalingen over de locatie van de uiteinden op de muur of het plafond en de minimumafstanden tot ramen, muren, verluchtingsgaten, etc.
Diafragma's
Om het apparaat te gebruiken, dient u eerst de diafragma's te plaatsen die bij het toestel geleverd worden Controleer of het diafragma, als u er één gebruikt, het geschikte is en correct geïnstalleerd werd.

A Vervanging van het diafragma wanneer het apparaat nog niet geplaatst werd
Aansluiting met coaxiale buizen

fig. 5 - Voorbeelden van verbindingen met coaxiale buizen (= lucht /= rook)
Tabel. 1 - Type
| Type Beschrijving |
| C1X Horizontale aanzuiging en afvoer op de muur |
| C3X Verticale aanzuiging en afvoer op het plafond |
Voor een coaxiale aansluiting, dient u één van de volgende accessoires in het apparaat te plaatsen. Raadpleeg de afbeelding op het voorblad voor de boordieptes in de muur.

fig. 6 - Accessoires voor coaxiale buizen
Tabel. 2 - Diafragma's voor coaxiale buizen
| Coaxiaal 60/100 Coaxiaal §0/125 | ||||
| Maximale toegestane lengte | 4 m | 10 m | ||
| Knikreductiefactor van 90°. 1 | m 0,5 m | |||
| Knikreductiefactor van 45°. 0 | 5 m 0,25 m | |||
| Diafragma | Model | Model | ||
| 0 tot 2 m | SUPREME 11 E TS = ∅ 43SUPREME 14 E TS = ∅ 50SUPREME 17 E TS = ∅ 50 | 0 ÷ 3 m | SUPREME 11 E TS = ∅ 43SUPREME 14 E TS = ∅ 50SUPREME 17 E TS = ∅ 50 | |
| 2 ÷ 4 m | zonder diafragma 3 ÷ 10 m | zonder diafragma | ||
Aansluiting met afzonderlijke buizen

fig. 7 - Voorbeelden van verbindingen met afzonderlijke buizen (= lucht /= rook)
Tabel. 3. Type
| Type | Beschrijving |
| C1X | Horizontale aanzuiging en afvoer op de muur. De toevoer- en afvoeruiteinden moeten concentrisch zijn of zich voldoende dicht bij elkaar bevinden (maximale afstand 50 cm) zodat ze aan dezelfde windomstandigheden blootgesteld worden. |
| C3X | Verticale aanzuiging en afvoer op het plafond. Dezelfde toevoer- en afvoeruiteinden als de C12 |
| C5X | Afzonderlijke aanzuiging en afvoer op de muur of het plafond of, alleszins, op plaatsen met een verschillende druk. De aanzuiging en de afvoer mogen niet op tegenoverliggende muren geplaatst worden. |
| C6X | Aanzuiging en afvoer door afzonderlijke, erkende buizen (EN 1856/1) |
| B2X | Aanzuiging van de installatielucht en afvoer op de muur of het plafondBELANGRIJK - HET LOKAAL MOET VOORZIEN ZIJN VAN EEN GESCHIKT VENTILATIESYSTEEM |
Om de afzonderlijke buizen aan te sluiten, dient u het volgende accessoire in het apparaat te plaatsen:

fig. 8 - Accessoire voor afzonderlijke buizen code 010031X0 / 4740
Alvorens het apparaat te installeren, dient u het diafragma dat u gaat gebruiken te checken en met een eenvoudige berekening na te gaan of dit diafragma de maximale toegestane lengte niet overschrijdt:
- Ontwerp het hele systeem van afzonderlijke schoorstenen, inclusief accessoires en afvoeruiteinden.
- Raadpleeg tabel 5 en bepaal het drukverlies in meters voor elk onderdeel volgens de plaatsing in de installatie.
- Check in tabel 4 of de totale verliessom kleiner of gelijk is aan de maximale toegestane lengte.
Tabel. 4 - Diafragma's voor afzonderlijke buizen
| SUPREME E TS | |||
| Maximale toegestane lengte | Model | Lengte | |
| SUPREME E TS | 65m eq | ||
| SUPREME 14 E TS | 55m eq | ||
| SUPREME 17 E TS | 45m eq | ||
| Geschikt diafragma | Model | Lengte | Diafragma |
| SUPREME 11 E TS | 0 - 35m eq | ∅ 43 | |
| 35 - 65m eq | Zonder diafragma | ||
| SUPREME 14 E TS | 0 - 30m eq | ∅ 50 | |
| 30 - 55m eq | Zonder diafragma | ||
| SUPREME 17 E TS | 0 - 25m eq | ∅ 50 | |
| 25 - 45m eq | Zonder diafragma | ||
Tabel. 5 - Accessoires
| Verlies in meters | ||||||
| Luchttoevoer | Rookafvoer | |||||
| Verticaal | Horizontaal | |||||
| ∅ 80 | BUIS | 0,5 m M/H 1KWMA38A 0,5 0,5 1 | ||||
| 1 m M/H 1KWMA83A 1 1 2 | ||||||
| 2 m M/H 1KWMA06K 2 2 4 | ||||||
| KNIK | 45° H/H 1KWMA01K 1,2 | 2,2 | ||||
| 45° M/H | 1KWMA65A 1,2 | 2,2 | ||||
| 90° H/H 1KWMA02K 2 | 3 | |||||
| 90° M/H | 1KWMA82A 1,5 | 2,5 | ||||
| 90° M/H + testaansluitpunt | 1KWMA70U | 1,5 | 2,5 | |||
| KOPPELSTUK | met testaansluitpunt | 1KWMA16U | 0,2 | 0,2 | ||
| voor de afvoer van condensaat | 1KWMA55U - | 3 | ||||
| T | voor de afvoer van condensaat | 1KWMA05K | - | 7 | ||
| UITEINDE | lucht langs de muur | 1KWMA85A | 2 | - | ||
| rook langs de muur met windafscherming | 1KWMA86A | - | 5 | |||
| SCHOORSTEEN | Lucht/rook afzonderlijk 80/80 | 1KWMA84U - | 12 | |||
| Enkel rookafvoer ∅ 80 | 1KWMA83U + 1KWMA86U | - | 4 | |||
4. WERKING EN ONDERHOUD
Alle afstelingswerkzaamheden, de inbedrijfstelling en de periodieke controles die hieronder beschreven worden, moeten door bevoegde technici uitgevoerd worden.
COINTRA is niet verantwoordelijk voor persoonlijke of materiële schade die veroorzaakt wordt door de manipulatie van het apparaat door onbevoegde personen.
4.1 Regelingen
Verandering van gas
De omvorming voor de werking met een ander dan het in de fabriek voorziene gas moet door een bevoegde technicus uitgevoerd worden. Men moet steeds originele stukken gebruiken en de geldende nationale normen moet steeds gevolgd worden.
Het apparaat kan op methaangas of LPG werken. Wanneer het apparaat geleverd wordt, is het gemaakt om op één van de twee gassen die op de verpakking en op de naamkaart vermeld staan, te werken. Om een ander gas te gebruiken moet de omvormingskit op de volgende manier geplaatst worden:
-
Verwijder de injectoren van de hoofdbrander en plaats de injectoren voor het te gebruiken gas die op de naamkaart vermeld staan.
-
Wijzig de overeenkomstige parameter volgens het soort gas:
• Zet de boiler op standby.
• Druk gedurende 20 seconden op de on/off-toets: op het scherm knippert de melding "b01".
- Druk op de toetsen van het WTW (1 en 2 - fig. 1) om 00 (methaangas) of 01 (LPG) te configureren.
- Druk gedurende 20 seconden op de on/off-toets (7 - fig. 1).
- De boiler keert terug naar standby.
-
Stel de minimum- en de maximumdruk van de boiler af (zie desbetreffende paragraaf) volgens de waarden die in de tabel met technische gegevens voor het soort gebruikt gas, aangegeven worden.
-
Kleef het label uit de omvormingskit op de naamkaart om de wijziging aan te geven.
Activering van de TEST-modus
Zet de kraan open en laat het tapwater lopen tot de WTW-modus geactiveerd wordt.
Druk tegelijkertijd gedurende 5 seconden op de toetsen (1 en 2 - fig.1) om de TEST-modus te activeren. De boiler springt op met het maximaal geprogrammeerde vermogen voor WTW zoals in de volgende paragraaf wordt beschreven.
Op het scherm verschijnt het bedrijfsvermogen voor WTW.

Druk op de toetsen (1 y 2 - fig. 1) om het vermogen te verhogen of te verlagen (min=0%, max=100%).
Om de TEST-modus te desactiveren, drukt u gedurende 5 seconden tegelijkertijd op de toetsen
(1 y 2 - fig.1).
De TEST-modus wordt na 15 minuten of wanneer de warmwaterkraan wordt dichtgedraaid, automatisch gedesactiveerd. Op voorwaarde dat de waterafname voldoende groot was om de WTW-modus te activeren.
Regeling van de druk van de brander
Dit apparaat met vlammodulatie heeft twee vaste drukwaarden: een minimum en een maximum die voor elke soort gas op de naamkaart aangegeven worden.
- Sluit een geschikte manometer aan op het meetpunt "B" dat zich aan de onderkant van de gasklep bevindt.
- Activeer de TEST-modus (zie hoofdstuk 4.1).
• Druk gedurende 2 seconden op de off-toets (7 - fig.1), de kalibratiemodus van de gasklep wordt geactiveerd. - Met de kaart kan de parameter "q02" geconfigureerd worden. De huidige, opgeslagen waarde wordt getoond als u op de toetsen van het tapwater drukt.
- Als de druk die op de manometer afgelezen wordt van de maximale, nominale waarde verschilt, verhoogt of verlaagt u parameter "q02" met de toetsen voor het afstellen van het tapwater per interval van 1 tot 2 eenheden. Na elke verandering wordt de waarde in het geheugen opgeslagen; wacht 10 seconden tot de druk stabiliseert.
• Druk op de off-toets (7 - fig. 1).
- Met de kaart kan de parameter "q01" geconfigureerd worden. De huidige, opgeslagen waarde wordt getoond als u op de toetsen van het tapwater drukt.
- Als de druk die op de manometer afgelezen wordt van de minimale, nominale waarde verschilt, verhoogt of verlaagt u parameter "q01" met de toetsen voor het afstellen van het tapwater per interval van 1 tot 2 eenheden. Na elke verandering wordt de waarde in het geheugen opgeslagen; wacht 10 seconden tot de druk stabiliseert.
- Controleer de twee regelingen opnieuw met de off-toets (7 - fig. 1) en corrigeer ze, indien nodig, zoals hierboven aangegeven wordt.
- Als u gedurende 2 seconden op de off-toets drukt, keert u terug naar de TEST-modus.
- Desactiveer de TEST-modus (zie hoofdstuk 4.1).
• Koppel de manometer los.

A - Meetpunt waterduk bovenaan
B - Meetpunt waterdruk onderaan
I - Elektrische aansluiting van de gasklep
R - Gasafvoer
S - Gastoevoer

fig. 11 - Aansluiting van de gasklep
TYPE SGV100
Pi máx. 65 mbar
24 Vcc - soort B+A
fig. 10 - Gasklep
Regeling van het productievermogen van WTW
Om het productievermogen van WTW af te stellen dient het apparaat in TEST-modus gezet te worden (zie 4.1). Druk op de toetsen "+" en "-" (1 y 2 - fig. 1) om het vermogen te verhogen of te verlagen (min=00, max=100). Als u binnen de 5 seconden op de RESET-toets drukt wordt het maximaal vermogen geprogrammeerd. Verlaat de TEST-modus (zie 4.1).
4.2 Inbedrijfstelling
Alvorens de boiler aan te zetten
- Controleer de dichtheid van de gasinstallatie.
- Vul de hydraulische installatie en ontlucht de boiler en het circuit.
- Controfeer de installatie en het apparaat op waterlekken.
- Controleer of de aansluiting op de elektrische aansluiting en de aarding geschikt zijn.
- Controleer of de gasdruk de juiste is.
• Controleer of er zich geen ontvlambare vloeistoffen of materialen in de buurt van de boiler bevinden.
Controles tijdens de werking
• Zet het apparaat aan.
- Controleer de dichtheid van de water- en de brandstofinstallaties.
- Controleer de efficiëntie van de schoorsteen en de lucht- en rookkanalen tijdens de werking van de boiler.
• Ga na of de gasklep correct moduleert.
- Controleer of de boiler correct aanspringt door het apparaat verschillende malen met de luchtthermostaat of de afstandsbediening aan- en uit te zetten.
- Ga na of het gasverbruik op de teller overeenkomt met het verbruik dat in de tabel met technische gegevens in hoofdstuk 5 wordt aangegeven.
4.3 Onderhoud
Periodieke controles
Om het rendement van het apparaat te verzekeren, dient een gekwalificeerde technicus elk jaar volgende punten te controleren:
- Correcte werking van de stuur- en veiligheidsinrichting (gasklep, stroommeter, etc.).
- Correcte werking van de rookafvoer.
• Lucht- en rookkanalen en -uiteinden zonder obstakels of verlies. - Schone brander en wisselaar zonder vuil of kalkaanslag. Gebruik geen chemische producten of stalen borstels om het apparaat schoon te maken.
• Kalkvrije en goed geplaatste elektrode.

fig. 12 - Plaatsing van de elektrode
- Volledig afgesloten brandstof- en waterinstallaties.
- Gasdebiet en -druk volgens de in de tabel aangegeven waarden.
4.4 Oplossing van problemen
Diagnose
De boiler werd voorzien van een geavanceerd autodiagnosesysteem. Wanneer er zich een probleem voordoet, knippert het storingssymbool op het scherm en wordt de respectievelijke code getoond.
Enkele storingen, ze worden met de letter "A" aangegeven, veroorzaken een permanente blokkering. Om het apparaat opnieuw te laten werken, drukt u gewoon gedurende 1 seconde op de RESET-toets (6 - fig. 1). Als de boiler niet opnieuw aanspringt, moet de storing opgelost worden.
De storingen die met de letter "F" aangegeven worden veroorzaken een overgangsblokkering die automatisch eindigt wanneer de waarde weer binnen de normale werkingswaarden van de boiler valt.
Lijst van storingen
Tabel. 6
| Storingscode | Storing Mogelijke oorzaak Oplossing | ||
| A01 | De brander springt niet aan | Te weinig gas | Controleer of het gas correct tot bij de boiler komt en ga na of er geen lucht in de buizen zit. |
| Storing aan de elektrode | Controleer of de elektrode goed geplaatst een aangesloten werd en vrij van kalkaanslag is | ||
| Beschadigde gasklep | Controleer de gasklep en vervang de klep indien nodig | ||
| Beschadigde bedrading van de gasklep | Controleer de bedrading | ||
| Te laag ontstekingsvermogen | Regel het ontstekingsvermogen | ||
| A02 | Vlamsignaal met brander uit | Storing aan de elektrode | Controleer de bedrading van de ionistaie-elektrode |
| Storing aan de kaart Controleer de kaart | |||
| A03 | De beveiliging tegen te hoge temperaturen springt aan | De WTW-sensor is stuk | Controleer de plaatsing en de werking van de WTW-sensor |
| Het water circuleert niet Controleer de stroom | |||
| F04 | Storing aan de parameters van de kaart | Een parameter van de kaart werd fout geconfigureerd | Controleer de parameter van de kaart en wijzig indien nodig |
| F05 | Storing aan de parameters van de kaart | Een parameter van de kaart werd fout geconfigureerd | Controleer de parameter van de kaart en wijzig indien nodig |
| Storing aan de ventilator | Beschadigde bedrading Controleer de bedrading | ||
| Beschadigde ventilator Controleer de ventilator | |||
| Storing aan de kaart Controleer de kaart | |||
| A06 | Er is geen vlam na de ontstekingsfase | Lage druk in het gasnet Controleer de gasdruk | |
| Regeling van de minimale druk van de brander | Controleer de druk | ||
| F07 | Storing aan de parameters van de kaart | Een parameter van de kaart werd fout geconfigureerd | Controleer de parameter van de kaart en wijzig indien nodig |
| A09 | Storing aan de gasklep | Beschadigde bedrading Controleer de bedrading | |
| Beschadigde gasklep | Controleer de gasklep en vervang de klep indien nodig | ||
| F10 | Storing aan de WTW-sensor 1 | Beschadigde sensor | Controleer de bedrading of vervang de sensor |
| Kortsluiting in de bedrading | |||
| Beschadigde bedrading | |||
| F14 | Storing aan de WTW-sensor 2 | Beschadigde sensor | Controleer de bedrading of vervang de sensor |
| Kortsluiting in de bedrading | |||
| Beschadigde bedrading | |||
| A16 | Storing aan de gasklep | Beschadigde bedrading Controleer de bedrading | |
| Beschadigde gasklep | Controleer de gasklep en vervang de klep indien nodig | ||
| F20 | Storing aan de brandstofcontrole | Storing aan de ventilator | Controleer de ventilator en de respectievelijke bedrading |
| Incorrect diafragma | Controleer het diafragma en vervang indien nodig | ||
| Schoorsteen met foutieve afmetingen of slechte plaatsing | Controleer de schoorsteen | ||
| A21 | Storing door slechte verbranding Storing | F20 doet zich in 10 minuten 5 maal voor | Zie storing F20. |
| F34 | Voedingsspanning lager dan 180V | Problemen aan het elektriciteitsnet Controleer de elektrische installatie | |
| F35 Abnormale netfrequentie Problemen aan het elektriciteitsnet Controleer de elektrische installatie | |||
| A41 Plaatsing van de sensor | De WTW-sensor is van de buis losgekomen | Controleer de plaatsing en de werking van de sensor | |
| F42 Storing aan de WTW-sensor Beschadigde sensor Vervang de sensor | |||
| F50 | Storing aan de gasklep | Beschadigde bedrading van de modulerende aandrijver | Controleer de bedrading |
| Beschadigde gasklep | Controleer de gasklep en vervang de klep indien nodig | ||
| A51 | Storing door slechte verbranding Verstopping van de aanzuig- of afvoerleiding | Controleer de schoorsteen | |
Tabel. 7 - Legende van de afbeeldingen in hoofdstuk 5
| 5 | Volledig afgesloten kamer |
| 7 | Gastoevoer |
| 8 | TW-afvoer |
| 9 | TW-toevoer |
| 16 | Ventilator |
| 19 | Verbrandingskamer |
| 20 | Brandersgroep |
| 21 | Hoofdinjector |
| 22 | Brander |
| 27 | Koperen wisselaar |
R1 - R2 - R3 - R4
Elektrische verwarmingselementen
28 Rookcollector
29 Collector rookafvoer
38 Stroom
44 Gasklep
73 Antivriesthermostaat (niet inbegrepen)
81 Elektrode
187 Rookdiafragma
288 Facultatief antivrieskit code 013009X0
344 Dubbele sensor (WTW + veiligheid)
5.1 Algemeen overzicht en belangrijkste onderdelen

fig. 13 - Algemeen overzicht
5.3 Tabel met technische gegevens
| Gegeven Eenhei | d | SUPREME 11 E TS | SUPREME 14 E TS | SUPREME 17 E TS | |
| Maximale warmtecapaciteit kW 21 | 7 26,9 | 32,9 (Q) | |||
| Minimale warmtecapaciteit kW 8,3 | 10,3 12,6 (Q) | ||||
| Maximaal thermisch vermogen kW | 19,2 23,9 29,2 | ||||
| Minimaal thermisch vermogen kW | 7,1 8,8 | 10,7 | |||
| Rendement Pmax % 88,5 88,7 88.9 | |||||
| Injectoren brander G20 n° x ∅ 10 x | 1,25 12 x 1,25 14 x 1 | 25 | |||
| Gasvoedingsdruk G20 | mbar 20 | 20 | 20 | ||
| Maximale druk brander met G20 | mbar | 13 | 14 | 15 | |
| Minimale druk brander met G20 | mbar | 2 | 2 | 2 | |
| Maximaal gasdebiet G20 | m3/h | 2,30 | 2,85 | 3,48 | |
| Minimaal gasdebiet G20 | m3/h | 0,88 | 1,10 | 1,33 | |
| Injectoren brander G30 n° x ∅ 10 x | 0,77 12 x 0,77 14 x 0 | 77 | |||
| Gasvoedingsdruk G30 | mbar | 28 ÷ 30 | 28 ÷ 30 | 28 ÷ 30 | |
| Maximale druk brander met G30 | mbar | 27,5 27,5 | 27,5 | ||
| Minimale druk brander met G30 | mbar | 5 | 5 | 5 | |
| Maximaal gasdebiet G30 | kg/h | 1,70 2,11 | 2,58 | ||
| Minimaal gasdebiet G30 kg/h | 0,65 0 | 80 0,99 | |||
| Injectoren brander G31 n° x ∅ 10 x | 0,77 12 x 0,77 14 x 0 | 77 | |||
| Gasvoedingsdruk G31 | mbar 37 | 37 | 37 | ||
| Maximale druk brander met G31 | mbar | 35 | 35 | 35 | |
| Minimale druk brander met G31 | mbar | 5 | 5 | 5 | |
| Maximaal gasdebiet G31 | kg/h | 1,70 2,11 | 2,58 | ||
| Minimaal gasdebiet G31 kg/h | 0,65 0 | 80 0,99 | |||
| Maximale werkingsdruk | bar | 10 | 10 | 10 | (PMS) |
| Minimale werkingsdruk | bar 0 | 20 0,20 0,20 | |||
| TW-debiet bij 25 °C | l/min 11 13,7 16,8 | ||||
| TW-debiet bij 50 °C | l/min | 5,5 | 6,9 | 8,4 | (D) |
| Beschermingsgraad | IP | X5D | X5D | X5D | |
| Voedingsspanning | V/Hz | 230 V | 230 V | 230 V | |
| Geabsorbeerd elektrisch vermogen | W | 40 | 40 | 55 | |
| Ongeladen gewicht | kg | 13 | 14 | 17 | |
| Soort apparaat | C12-C22-C32-C42-C52-C62-C72-C82-B22 | ||||
| PIN CE | 0461CL0983 | ||||