Lybra (2011) - Automobiel LANCIA - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis Lybra (2011) LANCIA in PDF-formaat.
| Producttype | Auto |
| Merk | LANCIA |
| Model | Lybra (2011) |
| Brandstoftype | Loodvrije benzine (min. 95 RON) of diesel (EN590) |
| Inhoud brandstoftank | 60 liter (reserve 8 liter) |
| Motorvarianten | 1.6, 1.8, 2.0 benzine; 1.9 JTD, 2.4 JTD diesel |
| Transmissie | Handgeschakelde versnellingsbak |
| Veiligheidssystemen | Airbags voor (bestuurder en passagier), zij-airbags, ABS, elektronische remdrukverdeling (EBD), gordelspanners, Lancia CODE startblokkering, diefstalalarm (optioneel) |
| Stuurbekrachtiging | Elektrisch (aanwezig) |
| Airconditioning | Automatisch (optioneel) |
| Elektrische ruitbediening | Voor en achter (optioneel centraal bediend) |
| Brandstofverbruik (volgens EU 1999/100) | Zie tabel in handleiding (stad/buiten/gecombineerd) |
| CO2-uitstoot | 157-238 g/km (afhankelijk van motor en carrosserie) |
| Motorolieverversingsinterval | 20.000 km (met Selenia 20K) |
| Initiële inrijperiode | Eerste 5.000-6.000 km voor stabilisatie olieverbruik |
| Bandenspanning (koude toestand) | Zie label aan binnenkant brandstofklep of handleiding (bijv. 2,2 bar voor, 2,0 bar achter bij gemiddelde belading) |
| Koelvloeistof | Mengsel PARAFLU 11 en gedestilleerd water (50%, tot -35°C) |
| Remvloeistof | TUTELA TOP 4 (DOT 4) |
| Onderhoud | Geprogrammeerd onderhoud volgens schema in handleiding; jaarlijkse inspectie aanbevolen |
| Garantie | Zie SERVICE- EN GARANTIEHANDLEIDING (meegeleverd) |
| Afmetingen (L×B×H) | Niet gespecificeerd in handleiding; raadpleeg Lancia-dealer |
| Gewicht (leeg) | Niet gespecificeerd in handleiding; raadpleeg Lancia-dealer |
Veelgestelde vragen - Lybra (2011) LANCIA
Gebruikersvragen over Lybra (2011) LANCIA
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Automobiel in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding Lybra (2011) - LANCIA en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. Lybra (2011) van het merk LANCIA.
GEBRUIKSAANWIJZING Lybra (2011) LANCIA
Zeer geachte cliënt,
Wij feliciteren u met uw aankoop en bedanken u dat u voor een LANCIA hebt gekozen.
Wij hebben dit boekje samengesteld om u de kwaliteiten van deze auto volledig te laten benutten.
Wij raden u aan alle hoofdstukken goed door te lezen voordat u voor de eerste keer met de auto gaat rijden.
Dit instructieboekje bevat informatie, tips en aanwijzingen die u zullen helpen de technische kwaliteiten van uw LANCIA te benutten. U zult niet alleen de bijzondere eigenschappen ontdekken van uw LANCIA maar ook belangrijke aanwijzingen vinden voor de verzorging, het onderhoud, de rijveiligheid en het geprogrammeerd onderhoud.
In de SERVICE- EN GARANTIEHANDLEIDING vindt u naast het schema voor het geprogrammeerd onderhoud:
- het garantiecertificaat en de bijbehorende voorwaarden
- een overzicht van de speciale aanvullende service voor cliënten.
Wij zijn ervan overtuigd, dat u met behulp van dit instructieboekje spoedig met uw auto vertrouwd zult raken en dat uw nieuwe auto en de ondersteuning van de LANCIA-organisatie u volledig tevreden zullen stellen.
Veel leesplezier en goede reis!
VEILIG EN MILIEUBEWUST RIJDEN
Veiligheid en respect voor het milieu zijn de uitgangspunten geweest bij het ontwerpen van de Lybra.
Dankzij deze opvatting kon de Lybra strenge veiligheidstests het hoofd bieden en goed doorstaan. De Lybra voldoet aan de strengste eisen in zijn klasse. Bovendien is deze auto, naar alle waarschijnlijkheid, al voorbereid op de toekomstige normen.
Daarnaast is de Lybra door het doorlopende onderzoek naar nieuwe en doeltreffende bijdragen aan het behoud van het milieu, een auto die navolging verdient.
Alle uitvoeringen zijn uitgerust met emissiereductiesystemen die bijdragen aan de bescherming van het milieu, waardoor de uitstoot van schadelijke uitlaatgassen lager is dan de nu geldende normen.
Wij herinneren u er bovendien aan dat LANCIA hard heeft gewerkt een zeer ambitieus doel te bereiken: 100% recycling. Aan het einde van zijn lange levensduur kan de Lybra eenvoudig ontmanteld en al zijn onderdelen gerecycleerd worden.
Voor de natuur betekent dat een groot voordeel: niets gaat verloren, niets wordt gestort en er zijn minder nieuwe grondstoffen nodig.
BESCHERMING VAN HET MILIEU
De bescherming van het milieu is het uitgangspunt geweest in alle fasen van de ontwikkeling en productie van de Lybra. Het resultaat is zichtbaar in het gebruik van de materialen en de toepassing van systemen om de schadelijke effecten te voorkomen of drastisch te beperken.
De Lybra, uitgerust met systemen die bijdragen aan de bescherming van het milieu door beperking van de uitstoot van schadelijke uitlaatgassen, is klaar voor de start en voldoet aan de strengste internationale milieu-eisen.
GEBRUIK VAN MILIEUVRIENDELIJKE MATERIALLEN
Geen enkel onderdeel van de auto bevat asbest. De vulling van de stoelen en de airconditioning bevatten geen CFK's (chloorfluorkoolwaterstoffen), het gas dat waarschijnlijk de oorzaak is van het gat in de ozonlaag. De kleurstoffen en de corrosiewerende behandeling van de bouten en moeren zijn niet schadelijk voor het milieu; ze bevatten dus geen lucht- en bodemverontreinigend cadmium en/of chroom.
EMISSIEREDUCTIESYSTEMEN BIJ BENZINEMOTOREN
Drieweg-katalysator (katalysator)
Koolmonoxide, stikstofoxide en onverbrande koolwaterstoffen zijn de belangrijkste schadelijke bestanddelen in de uitlaatgassen.
De katalysator is een "mini-laboratorium" waarin een zeer hoog percentage van de bestanddelen tot onschadelijke stoffen wordt omgevormd.
Dit proces wordt uitgevoerd door zeer kleine deeltjes edelmetaal in het keramisch element dat wordt omgeven door een metalen huis.
Lambdasonde
Alle benzine-uitvoeringen zijn uitgerust met een lambdasonde. Deze zorgt voor de juiste mengselverhouding van lucht en benzine, wat zeer belangrijk is voor de juiste werking van de motor en de katalysator.
Benzinedamp-opvangsysteem
Het is onmogelijk, ook bij stilstaande motor, benzinedampen te voorkomen. Daarom “vangt” dit systeem de dampen in een speciaal actieve-koolfilter, waaruit de dampen bij draaiende motor vervolgens afgezogen en verbrand worden.
EMISSIEREDUCTIESYSTEMEN BIJ DIESELMOTOREN
Oxidatie-katalysator
De katalysator zet schadelijke bestanddelen in het uitlaatgas (koolmonoxide, onverbrande kool - waterstoffen zijn de belangrijkste) om in onschadelijke stoffen, waarmee tevens de rook en de typische dieselgeur verminderd worden.
De katalysator bestaat uit een roestvrijstalen huis, met daarin een honingraatvormig keramisch binnenwerk. Hierop zit edelmetaal dat voor de katalytische reactie zorgt.
Uitlaatgasrecirculatie-systeem (E.G.R. Cooled)
Dit systeem zorgt voor recirculatie, oftewel hergebruik, van een deel van de uitlaatgassen. Het percentage dat gerecirculeerd wordt, is afhankelijk van de bedrijfsomstandigheden van de motor.
Het systeem beperkt zonodig de uitstoot van stikstofoxiden.
SIGNALEN VOOR EEN CORRECT GEBRUIK VAN UW AUTO
De signalen die u op deze pagina ziet, zijn zeer belangrijk. Zij staan bij onderdelen in dit boekje waar we extra aandacht voor vragen.
Zoals u ziet, bestaat elk signaal uit een verschillend symbool. Zo wordt direct duidelijk om welk onderwerp het gaat:

Veiligheid van de inzittenden.
Attentie. Het niet of gedeeltelijk opvolgen van deze instructies kan gevaar opleveren voor de inzittenden.

Bescherming van het milieu.
Aanwijzing voor het juiste gedrag, zodat het gebruik van de auto zo min mogelijk schade aan het milieu op - levert.

Conditie van de auto.
Attentie. Het niet of gedeeltelijk opvolgen van deze instructies schaadt de conditie van de auto en zal in veel gevallen ook de garantie doen ver - vallen.
SYMBOLEN
Op of in de nabijheid van enkele onderdelen van uw Lybra zijn specifiek gekleurde plaatjes aangebracht met daarop symbolen die uw aandacht vragen en die voorzorgsmaatregelen aangeven die u in acht moet nemen als u met het betreffende onderdeel te maken krijgt.
Hierna volgen kort samengevat de symbolen die vermeld staan op de plaatjes die op uw Lybra zijn aangebracht met daarnaast het onderdeel waarop het symbool betrekking heeft.
Bovendien zijn de symbolen naar betekenis in groepen onderverdeeld: gevaar, verbod, waarschuwing en verplichting.
SYMBOLEN DIE GEVAAR AANDUIDEN

Accu
Corrosieve vloeistof.

Bobine
Hoge spanning.

Accu
Ontploffingsgevaar.

Riemen en poelies
Bewegende delen; niet dichtbij kommen met
lichaamsdelen of kledingstukken.

Ventilateur
Kan automatisch inscha - kelen, ook bij stilstaande

Slangen van de airconditioning
Niet openen. Gas onder

Expansiereservoir
Draai de knop niet los als de koelvloeistof nog heet
is.
VERBODSSYMBOLLEN

Accu
Niet dichtbij komen met open vuur.
Parkeer niet boven brandbare materialen. Raadpleeg
het hoofdstuk: "Voorzorgmaatregelen voor het behoud van de emissie - reductiesystemen".

Ruitenwissers
Gebruik uitsluitend de vloeistof die is aangegeven in de "Vullingstabel".

Accu
Houd kinderen op afstand.

Stuurbekrachtiging
niveau niet overschrijden. Gebruik uitsluitend de vloeistof die is aangegeven in de "Vullingstabel".

Motor
Gebruik uitsluitend de smeermiddelen die zijn aangegeven in de "Vullings -
tabel".

Hitteschilden - riemen - poelies - ventilateur
Niet aanraken.

Remcircuit
De vloeistof in het reservoir mag het maximum
niveau niet overschrijden. Gebruik uitsluitend de vloei stof die is aangegeven in de "Vullingstabel".

Auto rijdt op
milieuvriendelijke
benzine
Tank uitsluitend loodvrije benzine met een octaangetal van ten minste 95 R.O.N.
VERPLICHTINGSSYMBOLEN

Auto rijdt op diesel
Tank uitsluitend diesel-brandstof.

Accu
Bescherm de ogen.

Expansiereservoir
Gebruik uitsluitend de vloeistof die is aangegeven in de "Vullingstabel".

Accu
Krik
Raadpleeg het instructie- boekje.
INHOUD
WEGWIJS IN UW AUTO
Wij raden u aan dit hoofdstuk te lezen terwijl u comfortabel in uw nieuwe Lybra zit. Zo kunt u de in dit boekje beschreven delen direct herkennen en alles proberen.
Op deze manier raakt u in korte tijd vertrouwd met de bedieningsknoppen en de installaties waarmee uw Lybra is uitgerust. Wanneer u de motor start en de weg op gaat, zult u nog veel meer aardige eigenschappen van uw nieuwe auto ontdekken.
DASHBOARD.... 13
START-/CONTACTSLOT 14
LANCIA CODE 15
DIEFSTAL ALARM.... 18
ZITPOSITIE INSTELLEN 26
VEILIGHEIDSGORDELS 32
KINDEREN VEILIG VERVOEREN 35
De aanwezigheid en de opstelling van de instrumenten en de controlelampjes kunnen per uitvoering verschillen.

fig. 1
P4T0001
1) Luchtroosters voor lucht naar de zijruiten - 2) Uitstroomopeningen aan de zijkant - 3) Hoogteregelaar koplampen - 4) Instrumentenpaneel - 5) Lichtsterkteregelaar instrumentenpaneel - 6) Multifunctioneel scherm van het ICS: autoradio, klokje, boordcomputer (Trip) en check control - 7) Uitstroomopeningen in het midden - 8) Luchtrooster voor lucht naar de voorruit - 9) Airbag passagierszijde (indien aanwezig) - 10) Schakelaar voor uitschakelen van de airbag aan passagierszijde - 11) Dashboardkastje - 12) Beker-/blikjeshouder - 13) Schakelaar waarschuwingsknipperlichten - 14) Bedieningsorganen automatische airconditioning en schakelaar achterruitverwarming - 15) Asbak en aansteker - 16) Schakelaar mistlampen voor en achter - 17) Pasjeshouder - 18) Bedieningshendel voor de ruitenwissers/sproeiers voor en achter - 19) Start-/contactslot - 20) Claxon - 21) Bedieningshendel stuurwielverstelling - 22) Airbag bestuurderszijde - 23) Bedieningshendel buitenverlichting - 24) Opbergvakje/toegangsklepje zekeringenkastje - 25) Hendel voor ontgrendelen van de motorkap.
START-/CONTACTSLOT
De sleutel kan in 4 standen worden gedraaid (fig. 2):
STOP: motor uit, sleutel uitneembaar, stuurslot geblokkeerd. Enkele elektrische installaties werken (bijv. autoradio).
MAR: contact aan. Alle elektrische installaties werken.
AVV: starten van de motor.
PARK: motor uit, parkeerverlichting aan, sleutel uitneembaar, stuurslot geblokkeerd. Om de sleutel in stand PARK te draaien, moet knop A worden ingedrukt.
Verwijder de sleutel altijd uit het start-/contactslot als u de auto verlaat, om on- voorzichtig gebruik van de bedieningsknoppen te voorkomen. Vergeet niet de auto op de hand - rem te zetten, en schakel de eerste versnelling in als de auto op een helling omhoog staat. Schakel de achteruit in als de auto op een helling omlaag staat.
STUURSLOT
Inschakelen: zet de sleutel in stand STOP of PARK, trek de sleutel uit en draai het stuur totdat het vergrendelt.
Uitschakelen: draai het stuur iets heen en weer terwijl u de sleutel in stand MAR draait.

Verwijder de sleutel nooit uit het contactslot als de auto nog in beweging is.
Bij de eerste stuuruitslag blok - keert het stuur automatisch. Dit geldt in alle gevallen, ook als de auto gesleept wordt.

Als het start-/contactslot is geforceerd (bijv. bij een poging tot diefstal) moet u,
voordat u weer met de auto gaat rijden, de werking van het slot laten controleren bij een Lancia-dealer.

fig. 2
LANCIA CODE
Voor een nog betere bescherming tegen diefstal is de auto uitgerust met een elektronische startblokkering (Lancia CODE) die is goedgekeurd volgens de EU-normen 95/56. Het systeem schakelt automatisch in als de start-/contactsleutel wordt uitgenomen. In de handgreep van de sleutels zit een elektronisch component gemonteerd dat bij het starten van de motor een signaal ontvangt via een speciale antenne die in het start-/contactslot is ingebouwd. Dit signaal wordt omgezet in een ge-codeerd signaal en vervolgens naar de regeleenheid van de Lancia CODE gezonden, die, als de code wordt herkend, het starten van de motor mogelijk maakt.

Bij krachtige stoten of bij blootstelling aan direct zonlicht kunnen de elek-
tronische componenten in de sleutel beschadigd worden.
DE SLEUTELS (fig. 3)
Bij de auto worden geleverd:
twee sleutels A met afstandsbediening voor de centrale portiervergrendeling, het openen van de motorkap en het kofferdeksel, het ontgrendelen van het slot van de tankdop en de in-/uitschakeling van het diefstalalarm (indien aanwezig);
- twee sleutels B voor de uitschakeling van het diefstalalarm (indien aanwezig); zie voor de werking de para graaf "Diefstalalarm".
Knop 1 dient voor de centrale portiervergrendeling, het slot van de tankdop en het diefstalalarm (indien aanwezig).

fig. 3
Als op knop 1 wordt gedrukt, gaat het rode lampje 2 op de sleutel knipperen.
Als lampje 2 slechts één keer kort knippert, moet zo snel mogelijk de batterij van de afstandsbediening worden vervangen. Na het vervangen van de batterij werkt het lampje normaal als twee keer op knop 1 is gedrukt.
Door het indrukken van knop 3 worden, ook bij ingeschakelde centrale portiervergrendeling, de motor kap en het kofferdeksel ontgrendeld.
Sleutel A dient voor:
- het start-/contactslot;
- het slot van het portier aan be-stuurderszijde;
- het slot van het dashboardkastje;
het slot van het kofferdeksel;
- de sleutelschakelaar voor de uitschakeling van de airbag aan passagierszijde (indien aanwezig).
Samen met de sleutels hebt u een CODE-card (fig. 4) ontvangen waarop staat aangegeven:
E - de elektronische code voor het uitvoeren van een noodstart (zie "Noodstart" in het hoofdstuk "Noodgevallen");
F - de mechanische code van de sleu tels, die bij aanvraag van duplicaatsleutels aan de Lancia-dealer moet worden meegedeeld.
G en H - vakjes voor het aanbrengen van de codestickers van de afstands - bedieningen als de auto is uitgerust met het optionele "Diefstalalarm".
De codes op de CODE-card moeten op een veilige plaats worden opgeborgen, niet in de auto.

fig. 4
Wij raden u aan de elektronische code van de CODE-card altijd bij u te hebben omdat deze onmisbaar is voor het uitvoeren van een noodstart.

Als de auto wordt ver - kocht, moeten alle sleutels en de CODE-card over -
handigd worden aan de nieuwe eigenaar.
WERKING
Iedere keer als u de start-/contact-sleutel in stand STOP of PARK uit-neemt, schakelt de Lancia-CODE de functies van de elektronische regel - e enheid van de motor uit.
Als bij het starten van de motor de sleutel in stand MAR wordt gedraaid, stuurt de regeleenheid van de Lancia-CODE een code naar de regeleenheid van de motor die, als de code wordt herkend, de blokkering van de functies opheft. De geheime code, die meer dan 4 miljard combinaties heeft, wordt alleen verzonden als de regel - eenheid van het systeem de code, die door de zender in de sleutel wordt verzonden, heeft herkend via een in het start-/contactslot ingebouwde antenne.
1) Als de code wordt herkend, gaat het controlelampje op het instrumentenpaneel kort knipperen; het beveiligingssysteem heeft de door de sleutel gezonden code herkend en de startblokkering wordt opgeheven. Draai de sleutel in stand AVV om de motor te starten.
2) Als het lampje (samen met lampje) blijft branden, wordt de code niet herkend. In dat geval raden wij u aan de sleutel in stand STOP en vervolgens in MAR te draaien; als de motor geblokkeerd blijft, probeer het dan opnieuw met de andere geleverde sleutels.
Als de motor nog niet aanslaat, voer dan zelf een noodstart uit (zie "Noodstart" in het hoofdstuk "Noodgevallen") of wendt u tot een Lancia-dealer.
Tijdens het rijden met de contact-sleutel in stand MAR:
1) Als het controlelampje gaat branden, betekent dit dat het systeem zichzelf controleert (bijv. bij een vermindering van de spanning). Als u het systeem wilt controleren, moet u de auto stilzetten, de motor uitzetten en de contactsleutel in stand STOP en vervolgens opnieuw in stand MAR draaien: het controlelampje gaat branden en moet na ongeveer 1 seconde doven. Als het controlelampje blijft branden, dan moet de gehele procedure herhaald worden, waarbij de contactsleutel ten minste 30 seconden in stand STOP moet blijven. Als het controlelampje blijft branden, dient u contact op te nemen met de Lancia-dealer.
2) Als het lampje knippert, be- tekent dit dat de auto niet beveiligd wordt door de startblokkering. Wendt u onmiddellijk tot een Lancia- dealer om alle sleutels in het geheugen te laten opslaan.

Als ongeveer 2 seconden na het draaien van de contactsleutel in stand MAR, het controlelampje van de Lancia CODE opnieuw gaat knipperen met een interval van ongeveer een halve seconde, betekent dit dat de code van de sleutels niet is op - geslagen en de auto dus niet door de Lancia CODE wordt beveiligd tegen eventuele diefstalpogingen. Wendt u in dat geval tot een Lancia-dealer om alle sleutels in het geheugen te laten opslaan.
BELANGRIJK Bij een snelle start waarbij de contactsleutel direct van stand STOP in stand AVV wordt gedraaid, kan het gebeuren dat de code niet volledig wordt verzonden, waardoor de motor niet kan worden gestart: voer de startprocedure langzamer uit.
DUPLICAATSLEUTELS
Bedenk dat bij aanvraag van extra sleutels, zowel de nieuwe sleutels als de reeds in uw bezit zijnde sleutels opnieuw in het geheugen (tot een maximum van 7 sleutels) moeten worden ingevoerd. Wendt u onmiddellijk tot een Lancia-dealer en neem alle in uw bezit zijnde sleutels, de CODE-card, een identiteitsbewijs en de papieren van de auto mee. Het is mogelijk bij de Lancia-dealer een duplicaat van de CODE-card aan te vragen.
BELANGRIJK Als tijdens het opslaan van een nieuwe sleutelcode de reeds opgeslagen sleutelcodes niet opnieuw worden ingevoerd, worden ze uit het geheugen gewist, zodat eventueel verloren of gestolen sleutels niet meer gebruikt kunnen worden voor het starten van de motor.
BATTERIJEN VERVANGEN
Als u op knop 1 (fig. 3) drukt en lampje 2 knippert één keer kort, dan moet u zo snel mogelijk de batterijen van de afstandsbediening vervangen.
Ga voor het vervangen van de batterijen als volgt te werk:
1) Draai schroef A (fig. 5) los m.b.v. een schroevendraaier met een scherpe punt.
2) Verwijder het klepje B bij de inkeping.
3) Vervang de batterijen en let daarbij op de polariteit.
De batterijen moeten worden vervangen door exemplaren van hetzelfde type, die normaal in de handel verkrijgbaar zijn.
Na het vervangen van de batterij werkt het lampje normaal als twee keer op knop 1 is gedrukt.

Lege batterijen zijn schadelijk voor het milieu. Ze moeten bij een daarvoor
bestemd depot worden ingeleverd. Ze kunnen ook ingeleverd worden bij een Lancia-dealer. Die zorgt vervolgens voor de afvoer.
DIEFSTALALARM
(indien aanwezig)
Het op de auto gemonteerde diefstala-larm is goedgekeurd volgens de EU-normen 95/56 en bestaat uit:
- een zender met radiofrequentie (in de contactsleutel ingebouwd);
- een ontvanger met radiofrequentie;
- een elektronische regeleenheid met ingebouwde uitschakelbare sirene;
- uitschakelbare volumetrische sen- soren (in de plafondverlichting voor);
- een kantelsensor;
- een drukschakelaar motorkap;
- een drukschakelaar kofferdeksel/achterklep;
- een drukschakelaar portieren;
- een controlelampje;
- een schakelaar voor het uitschakelen van het systeem;
- een sleutel voor de sleutelschakelaar.
Het diefstalalarm wordt bediend via een ontvanger en in-/uitgeschakeld door de in de sleutel ingebouwde knop A (fig. 6) in te drukken, waardoor de geheime code wordt verzonden.
Het diefstalalarm, dat ook de centrale portiervergrendeling bedient, beveiligt tegen:
- het ongeoorloofd openen van portieren, motorkap en kofferdeksel (omtrekbeveiliging);

fig. 5

fig. 6
- het bedienen van het start-/contactslot;
- de aanwezigheid van bewegende lichamen in het interieur (volumetrische beveiliging);
- het proberen op te krikken van de auto;
- het doorknippen van de accu - kabels en de kabels van de sleutelschakelaar.
De werking van de sirene en de volumetrische beveiliging kunnen naar wens worden uitgeschakeld, volgens de hieronder vermelde aan wijzingen.
BELANGRIJK De startblokkering wordt uitgevoerd door de Lancia CODE en wordt automatisch ingeschakeld als de contactsleutel uit het slot wordt genomen.
AFSTANDSBEDIENING (fig. 6)
De in de contactsleutel ingebouwde afstandsbediening is uitgerust met een knop A en een rood lampje B; de knop schakelt de afstandsbediening in en het lampje knippert als de zender een code stuurt naar de ontvanger.
Deze code (type "rolling code") is gecodeerd door middel van een specifiek algoritme en dus bij iedere verzending verschillend.
Met de afstandsbediening met radio - frequentie kan het diefstalalarm op afstand (tot aan ongeveer 10 meter) worden ingeschakeld, zonder te richten en ook als de ruiten van de auto vuil zijn.
BELANGRIJK Als u op knop A drukt en lampje B knippert één keer kort, dan moet u zo snel mogelijk de batterijen van de afstandsbediening vervangen. Na het vervangen van de batterijen werkt het lampje normaal als twee keer op knop A is gedrukt.
ALARM INSCHAKELEN
Het alarm kan alleen worden ingeschakeld als de contactsleutel in stand STOP of PARK staat, of als hij is uitgenomen.
Druk om het alarm in te schakelen op knop A (fig. 6) op de contactsleutel en laat de knop weer los.
Met uitzondering van bepaalde markten, zendt de sirene een geluidssignaal ("BIEP") uit, knipperen, als de centrale portiervergrendeling wordt ingeschakeld, de richting aanwijzers ongeveer 3 seconden, en begint het rode lampje C (fig. 7) bij het stuurwiel te knipperen.

Het inschakelen van het alarm wordt voorafgegaan door een zelf - diagnose waarin het lampje C (fig. 7) met verschillende frequenties gaat knipperen:
- 4 keer knipperen in 1 seconde: geen enkele storing gesignaleerd;
- 8 keer knipperen in 1 seconde: portier/motorkap/kofferdeksel ge - opend of defecte sensor;
- constant branden: defecte volumetrische sensoren of defecte kantelsensor.
Bij een gesignaleerde storing, wordt het betreffende component niet meer beveiligd en zendt het systeem nog een "BIEP" uit.
Bewaking
Als na het inschakelen van het alarm, lampje C (fig. 7) gaat knippe-ren, betekent dit dat de bewakings - fase in werking is getreden.
Het lampje knippert zolang de bewakingsfase actief is.
BELANGRIJK De wijze waarop het diefstalalarm inschakelt, verschilt per land.
Zelfdiagnose en portieren, motorkap en kofferdeksel controleren
Als u na het inschakelen van het alarm een tweede "BIEP" hoort, moet u het systeem uitschakelen, controleren of de portieren, de motorkap en het kofferdeksel gesloten zijn en vervolgens het systeem weer inschakelen.
Als de portieren, de motorkap en het kofferdeksel niet goed gesloten zijn, worden ze niet door het diefstalalarm gecontroleerd.
Als bij goed gesloten portieren, motorkap en kofferdeksel het geluidssignaal wordt herhaald, betekent dit dat door de zelfdiagnose van het sys teem een storing is gesignaleerd in de werking van het systeem. Neem contact op met de Lancia-dealer.
ALARM INSCHAKELEN ZONDER SIRENE
Als u het geluidssignaal van de sirene wilt uitschakelen bij ingeschakeld diefstalalarm, dan moet u bij inschakeling van het systeem knop A (fig. 6) van de afstandsbediening 4 seconden indrukken.
Het systeem zendt dan, na de normale akoestische en zichtbare signalen, een snelle reeks van 5 "BIEPS" uit.
Als het systeem opnieuw wordt ingeschakeld, wordt automatisch de normale werking van de sirene weer ingeschakeld.
BELANGRIJK De hierboven be - schreven procedure moet iedere keer worden herhaald als het alarm wordt ingeschakeld en u opnieuw de sirene wilt uitschakelen.
ALARM INSCHAKELEN ZONDER VOLUMETRISCHE BEVEILIGING
De volumetrische beveiliging kan worden uitgeschakeld (als er bijvoorbeeld dieren aan boord zijn) door de volgende handelingen snel achter elkaar uit te voeren: draai de contact-sleutel van stand MAR in stand STOP en direct daarna weer in stand MAR en vervolgens opnieuw in stand STOP. Neem vervolgens de sleutel uit het slot. Het lampje op het stuurwiel gaat ongeveer 2 seconden branden om de uitschakeling te bevestigen.
U schakelt de volumetrische beveiliging weer in door de sleutel in stand MAR te draaien en langer dan 30 seconden te wachten.
Als u bij uitgeschakelde volumetrische beveiliging een elektrische installatie wilt gebruiken die werkt met de contactsleutel in stand MAR (bijv. de elektrische ruitbediening), dan moet de contactsleutel in stand MAR worden gedraaid, de installatie worden bediend en de sleutel binnen 30 seconden weer in stand STOP worden gedraaid. Op deze manier wordt de volumetrische bewaking niet opnieuw ingeschakeld.
ALARM AUTOMATISCH INSCHAKELEN (indien aanwezig)
In bepaalde markten kan het diefstalalarm worden geprogrammeerd met de functie "automatisch inschakelen".
Ongeveer 30 seconden na het ver- laten van de auto schakelt het alarm automatisch in, met uitzondering van de centrale portiervergrendeling. Dit wordt gesignaleerd aan de hand van de volgende opeenvolgende handelingen:
- contactsleutel van stand MAR in stand STOP draaien.
- openen en vervolgens weer sluiten van het laatste portier.
Bij het openen van een portier, de motorkap en het kofferdeksel wordt binnen 30 seconden de automatische inschakeling geblokkeerd. Als het portier, de motorkap of het kofferdeksel vervolgens weer gesloten worden, duurt het opnieuw 30 seconden voordat het alarm automatisch wordt ingeschakeld.
U schakelt het automatisch ingeschakelde alarm weer uit door knop A (fig. 6) op de contactsleutel in te drukken.
ALARM UITSCHAKELEN
U schakelt het alarm uit door de knop van de afstandsbediening in te drukken. Het systeem voert de volgende handelingen uit (met uitzondering van bepaalde markten):
- richtingaanwijzers knipperen twee keer (pijlen);
- twee korte geluidssignalen ("BIEP") van de sirene;
- blokkeren van de centrale portiervergrendeling.
BELANGRIJK Als na uit schakeling van het systeem het lampje in de auto blijft branden (maximaal 2 minuten of totdat de sleutel in stand MAR wordt gezet), moet het volgende onthouden worden:
als het lampje constant blijft branden, betekent dit dat de batterijen van de afstandsbediening leeg zijn en vervangen moeten worden;
als het lampje blijft knipperen, maar met verschillende intervallen dan die bij een normale signalering, betekent dit dat er geprobeerd is de auto open
te breken, waarbij het aantal keren knipperen de reden van het alarm aangeeft:
1 keer knipperen: rechter voorportier
2 keer knipperen: linker voorportier
3 keer knipperen: rechter achterportier
4 keer knipperen: linker achter - portier
5 keer knipperen: volumetrische sensoren of kantelsensor
6 keer knipperen: motorkap
7 keer knipperen: kofferdeksel/achterklep
8 keer knipperen: losmaken kabels voor het starten van de auto
9 keer knipperen: losmaken accu-kabels of doorknippen kabels van de sleutelschakelaar
10 keer knipperen: ten minste drie alarmoorzaken tegelijkertijd.
VOLUMETRISCHE BEVEILIGING
Om een correcte werking van de volumetrische sensoren te garanderen, mogen geen personen of dieren in de auto worden achtergelaten en moeten de ruiten en het opendak (indien aanwezig) volledig gesloten zijn. Contoleer bovendien of de portieren, de motorkap en het kofferdeksel op de juiste wijze gesloten zijn.
KANTELSENSOR
De kantelsensor meet iedere verandering in de hellingshoek van de auto en signaleert daardoor het geheel of gedeeltelijk optillen van de auto (bijv. bij het verwijderen van een wiel).
De sensor is in staat minimale ver- anderingen te meten in de hellings-hoek van de auto, zowel in lengte- als breedterichting. Veranderingen van minder dan 0,5°/min worden niet aangegeven. (bijv. bij het langzaam leeglopen van een band).
Als het alarm is ingeschakeld, kan het kofferdeksel geopend worden door knopje D (fig. 8) op de contactsleutel in te drukken.
In dit geval werkt het alarmsysteem op de volgende manier:
- uitschakeling van de volumetri- sche beveiliging;
- uitschakeling van de kantelsensor;
- uitschakeling druksensor motorkap/kofferdeksel.
Als de motorkap en het kofferdeksel weer gesloten worden, worden de uitgeschakelde functies weer ingeschakeld.

Als het systeem is ingeschakeld, gaat het alarm in de volgende gevallen af:
- als één van de portieren, de motor - kap of het kofferdeksel wordt ge - opend;
- als de accu wordt losgekoppeld of de voedingskabels van het diefsta - lalarm of van de sleutelschakelaar worden losgemaakt;
- als er iets in het interieur komt, bijv. bij het breken van de ruiten (volumetrische beveiliging).
- bij een startpoging (contactsleutel in stand MAR);
- als geprobeerd wordt de auto op te tillen.
Als het alarm in werking treedt, wordt de sirene geactiveerd (maximaal 3 keer gedurende 26 seconden), en knipperen de richtingaanwijzers ongeveer 4 à 5 minuten (alleen bepaalde landen). De manier waarop
het systeem werkt en het aantal cycli, kunnen per land verschillen.
Toch is een maximum aantal cycli voorzien voor de akoestische en zicht - bare signalen.
Na een alarmsignalering schakelt het systeem over naar de normale be wa - kingsfunctie.
ALARM ONDERBREKEN
Druk op de knop van de afstands - bediening om het alarm te onderbreken. Als dit niet lukt, kunt u het alarm uitschakelen met de sleutelschakelaar, zoals in de volgende para - graaf wordt beschreven.
DIEFSTALALARM BUITEN WERKING STELLEN (indien aanwezig)
Om het diefstalalarm volledig buiten werking te stellen (bijvoorbeeld bij onderhoudswerkzaamheden aan de elektrische installatie of als de accu van de auto vervangen moet worden, enz.), moet als volgt te werk worden gegaan:
open het geklemde dekseltje A (fig. 9);
verwijder het beschermdekseltje B (fig. 10) van de sleutelschakelaar;
steek de sleutel C (fig. 10) in het slot en draai deze linksom (stand OFF).

Om het systeem weer in te schakelen, draait u de sleutel rechtsom (stand ON).
Na het in- of uitschakelen van het alarm moet de sleutel uit het slot worden genomen en de sleutelschakelaar met het beschermdekseltje worden afgesloten.
BELANGRIJK Als de auto langere tijd niet wordt gebruikt (langer dan drie weken), is het raadzaam het diefstalalarm uit te schakelen om te voorkomen dat de accu wordt uitgeput. Bij uitgeschakeld diefstalalarm blijft het altijd mogelijk de centrale portiervergrendeling in- en uit te schakelen met de afstandsbediening.

fig. 10
BATTERIJEN VERVANGEN
Als knop A (fig. 6) op de sleutel wordt ingedrukt en het lampje B knippert één keer kort en het lampje C (fig. 7) bij het stuur blijft ongeveer 2 minuten constant branden (na uitschakeling van het systeem), dan moeten de batterijen van de afstands - bediening zo snel mogelijk worden vervangen.
Ga voor het vervangen van de bat- terijen als volgt te werk:
1) Draai schroef A (fig. 11) los m.b.v. een schroevendraaier met een scherpe punt.
2) Verwijder het klepje B bij de inkeping.
3) Vervang de batterijen en let daarbij op de polariteit.
De batterijen moeten worden vervangen door exemplaren van hetzelfde type, die normaal in de handel verkrijgbaar zijn.
Na het vervangen van de batterij werkt het lampje normaal als twee keer op knop A (fig. 6) is gedrukt.

Lege batterijen zijn schadelijk voor het milieu. Ze moeten bij een daarvoor bestemd depot worden ingeleverd. Ze kunnen ook ingeleverd worden bij een Lancia-dealer. Die zorgt vervolgens voor de afvoer.
EXTRA AFSTANDSBEDIE - NINGEN BESTELLEN
De ontvanger kan in totaal 8 af- standsbedieningen herkennen.
Als u extra exemplaren hebt aangeschaft, bedenk dan dat het programmeren voor alle afstandsbedieningen moet worden uitgevoerd als de auto nieuw is.
Hierna maakt het diefstalalarm het onmogelijk nieuwe zenders te programmeren. Zo wordt voorkomen dat derden een andere afstandsbediening "bekend maken" aan de regeleenheid.
Als u in loop der tijd een nieuwe afstandsbediening nodig hebt, kunt u zich tot een Lancia-dealer wenden. Neem dan alle in uw bezit zijnde sleu-
tels, de CODE-card, een identiteits - bewijs en de autopapieren mee.
Ministeriële goedkeuring
In overeenstemming met de wet -geving in ieder land ten aanzien van radiozendapparatuur:
-
zijn op de laatste pagina's, na het al- fabetisch register, de typegoedkeurin- gen voor de verschillende landen weergegeven;
- is voor de landen waar een zendmachtiging verplicht is, de typegoedkeuring op het component vermeld.
Afhankelijk van de uitvoering/markt kan de code ook zijn aangebracht op de zender en/of ontvanger.

fig. 11
ZITPOSITIE INSTELLEN

De bestuurdersstoel mag alleen worden afgesteld als de auto stilstaat.
VOORSTOELEN MET HANDBEDIENDE VERSTELLING (fig. 12-13-14)
Verstelling in lengterichting
Trek hendel A (fig. 12) omhoog en schuif de stoel naar voren of naar achteren. Als u rijdt, moeten de armen
licht gebogen zijn en de handen op het stuurwiel steunen. Laat de hendel los en controleer of de stoel goed geblokkeerd is door hem naar voren en naar achteren te schuiven. Als de stoel niet goed geblokkeerd is, kan deze onverwachts verschuiven, waardoor een gevaarlijke situatie kan ontstaan.
Hoogteverstelling
Trek of duw hendel B meerdere keren omhoog of omlaag om de stoel respectievelijk in een hogere of lagere stand te zetten.
Rugleuning verstellen
Draai knop C naar voren of naar achteren om de rugleuning rechtop te zetten of naar achteren te verplaatsen.
Lendensteun van de bestuurdersstoel verstellen (indien aanwezig)
De lendensteun zorgt voor een betere steun in de rug. Draai voor de gewenste instelling aan knop D (fig. 13).
Bij uitvoeringen met een airbag aan de zijkant kan de lendensteun van de bestuurdersstoel worden afgesteld met knop E (fig. 14).

fig. 12

De bestuurdersstoel mag alleen worden afgesteld als de auto stilstaat.
De elektrische verstelling werkt alleen als de contactsleutel in stand MAR staat (behalve de verstelling in lengterichting, hoogteverstelling en verstelling van de rugleuning bij de bestuurdersstoel).
Bedien de knoppen A en B (fig. 15):
voor verstelling in lengterichting (knop A)
voor de hoogteverstelling van de voor- en achterkant van de bestuurdersstoel en van alleen de achterkant van de passagiersstoel (knop A)

fig. 15
voor het verstellen van de rug-leuning (knop B).
Lendensteun van de bestuurdersstoel verstellen
Hiermee kan de steun in de rug ver - anderd worden voor meer comfort. Druk op de voorzijde van knop C (fig. 15) om de steun te vergroten en op de achterzijde om de steun te verlagen.
Stoelverwarming (indien aanwezig)
Druk op knop D (fig. 15) om de stoelverwarming in te schakelen; druk de knop nogmaals in voor uitschakeling.
Als de verwarming is ingeschakeld, branden de lampjes op de tunnel - console(A-fig. 16 bestuurdersstoel, B passagiersstoel).

fig. 16 fig. 17
Instellingen van de bestuurders - stoel opslaan (indien aanwezig) (fig. 17)
Met deze voorziening kunnen drie verschillende instellingen van de bestuurdersstoel en de buitenspiegels in het geheugen worden opgeslagen en opgeroepen.
De instellingen van de stoel en de buitenspiegels kunnen alleen worden opgeslagen als de contactsleutel in stand MAR staat.
Stel de positie van de bestuurdersstoel in met de hiervoor beschreven bedieningsknoppen en stel de stand van de buitenspiegels af.
Druk vervolgens gelijktijdig op knop "MEM" en op één van de oproeptoetsen "1", "2" of "3" waaronder een in-

stelling kan worden opgeslagen, tot- dat u een dubbel geluidssignaal hoort ter bevestiging.
Als u een nieuwe stand van de stoel of de buitenspiegels in het geheugen opslaat, wordt automatisch de vorige stand, die met dezelfde knop is opgeslagen, gewist.
Druk om de instelling op te roepen, bij geopend portier, op de gewenste knop "1", "2" of "3". De stoel verplaatst zich automatisch in de gewenste positie en u hoort een geluids - signaal ter bevestiging.
BELANGRIJKDe instelling van de lendensteun en de inschakeling van de stoelverwarming kunnen niet in het geheugen worden opgeslagen.
HOOFDSTEUNEN (fig. 18)
Om de veiligheid van de passagiers te vergroten kunnen de hoofdsteunen van de voorstoelen en de zijzitplaatsen achter afgesteld worden, zodat het hoofd op de juiste wijze wordt gesteund.
Let erop dat de hoofdsteunen zo zijn ingesteld dat ze het hoofd steunen en niet de nek. Alleen in deze positie bieden ze bescherming, wanneer de auto van achteren aangereden wordt.

Zitplaatsen voor (fig. 19)
De hoofdsteunen voor kunnen in hoogte worden versteld.
Houd voor de afstelling de onderkant van de hoofdsteun vast en houd gelijktijdig knop A ingedrukt. Verplaats vervolgens de hoofdsteun omhoog of omlaag in de gewenste stand.
De hoofdsteunen voor kunnen niet worden verwijderd.
Zijzitplaatsen achter (fig. 20)
Deze zijn in hoogte verstelbaar. Trek voor de afstelling de hoofdsteun van uit de ruststand omhoog, totdat hij hoorbaar vergrendelt. In deze stand kan, als knop A wordt ingedrukt, de hoofdsteun omhoog worden getrokken en afhankelijk van de lengte van de passagier in een van de standen worden vergrendeld. Om de hoofdsteun in ruststand terug te plaatsen, moet u knop A indrukken en de hoofdsteun omlaag duwen.

Zitplaats middenachter (fig. 21)
De hoofdsteun heeft een hoge en lage instelling.
Om de hoofdsteun te verhogen, moet u de hoofdsteun aan de onderkant vast pakken en volledig uittrekken, totdat hij hoorbaar vergrendelt.
Om de hoofdsteun te verlagen, moet u knop A indrukken en de hoofdsteun in de zitting terugduwen, totdat hij hoorbaar vergrendelt.
ARMSTEUN VOOR (fig. 22)
Deze is verstelbaar en kan worden op- of neergeklapt.
Voor het verstellen moet de armsteun iets omhoog worden geklapt en aan haak A worden getrokken.
In de armsteun is een opbergvakje geplaatst. Druk voor het openen van het dekseltje op knop B.
BELANGRIJK Als de armsteun geheel omhoog is geklapt, moet u erop letten dat niet per ongeluk knop B wordt ingedrukt, om te voorkomen dat de klep van het dashboardkastje wordt geopend en de inhoud naar buiten valt.
ARMSTEUN ACHTER (fig. 23)
Voor gebruik moet de armsteun worden neergeklapt zoals is afgebeeld. Gebruik hiervoor de handgreep op de armsteun.
Til de armsteun op om deze weer in de zitting te plaatsen.

Het stuurwiel kan horizontaal en verticaal versteld worden:
1) Zet hendel A in stand 1.
2) Stel het stuurwiel af (dichterbij of verderaf en hoger of lager).
3) Zet de hendel terug in stand 2 om het stuur weer te vergrendelen.
De achteruitkijkspiegel kan in 2 richtingen worden versteld. Zet hendel A in stand:
1) normale stand
2) anti-verblindingsstand.
De spiegel is uitgerust met een veilig - heidsvoorziening: de spiegel springt tijdens een botsing los.
Automatische regeling (indien aanwezig) (fig. 26)
De kleur van de spiegel wordt automatisch aangepast aan de dag of de nacht.

Verstel het stuur alleen als de auto stilstaat.

De elektrische verstelling is alleen mogelijk met de contactsleutel in stand MAR.
Draai voor het verstellen van een spiegel schakelaar A (fig. 27-28) in stand 1 (linker spiegel) of in stand 2 (rechter spiegel).
De gekozen spiegel kan met schakelaar A in 4 richtingen worden versteld.
Draai na het instellen schakelaar A in stand 0 om onverwachtse verplaatsingen te voorkomen.
Als de buitenspiegel problemen op - levert, kan de spiegel hand matig of automatisch (indien aanwezig) worden ingeklapt.
De buitenspiegels worden automa- tisch ingeklapt (indien aan wezig) als schakelaar A (fig. 28) in stand 3 wordt gedraaid. Om de spiegels weer in de normale stand te zetten, moet de schakelaar in stand 0 worden ge- draaid.

Als de breedte van de buitenspiegel problemen oplevert in een nauwe doorgang of in een automatische wastunnel, dan kunt u de spiegel van stand 1 in stand 2 klappen (fig. 29).
BELANGRIJK Door de bolling van de spiegel lijken objecten verder weg dan ze in werkelijkheid zijn.
Instellingen van de spiegels opslaan (indien aanwezig)
Op uitvoeringen die zijn uitgerust met elektrische stoelverstelling en een geheugen voor het opslaan van de instellingen van de bestuurdersstoel, wordt de stand van de buitenspiegels samen met de positie van de stoel in het geheugen opgeslagen.

(zitplaatsen voor en achter - fig. 30)
Maak de gordel vast door gesp A in sluiting B te drukken, totdat hij hoorbaar blokkeert.
Trek de veiligheidsgordel geleidelijk uit. Als de oprolautomaat blokkeert, laat dan de gordel een stukje terug - lopen en trek hem vervolgens weer geleidelijk uit.
Als de veiligheidsgordel aan bestuurderszijde niet is omgelegd en de contactsleutel in stand MAR wordt gedraaid, gaat op het instrumentenpaneel het waarschuwingslampje branden.
Druk op knop C om de gordel los te maken. Begeleid de gordel tijdens het teruglopen om te voorkomen dat de gordelband draait.
Via de rolautomaat wordt de lengte van de gordel automatisch aangepast aan het postuur van de drager, waarbij er voldoende bewegingsruimte overblijft. Als de auto op een steile helling staat, kan de rolautomaat blokkeren; dit is een normaal verschijnsel.
Bovendien blokkeert de rolautomaat als u de gordel snel uittrekt. Hij blokkeert ook bij hard remmen, botsingen en bij hoge snelheden in bochten.

Voor maximale bescherming moet u de rugleuning rechtop zetten, tegen de leu-
ning aan gaan zitten en de gordel goed laten aansluiten op borst en bekken.

fig. 30
HOOGTEVERSTELLING VAN DE VEILIGHEIDSGORDELS VOOR (fig. 31)
Pas de hoogte van de geleidebeugel van de veiligheidsgordels altijd aan het postuur van de inzittende aan. Zo wordt de kans op letsel bij een ongeval verkleind.
De gordel is goed afgesteld als hij over de schouder halverwege tussen nek en uiteinde van de schouder ligt.
De geleidebeugel kan in 5 standen worden gezet.

De hoogteverstelling van de veiligheidsgordels mag alleen worden uitgevoerd
als de auto stilstaat.

fig. 31
Omhoog
Trek beugel A omhoog in de gewenste stand.
Omlaag
Druk op knop B en schuif tegelijkertijd beugel A omlaag in de gewenste stand.
Controleer na het instellen altijd of de beugel A goed vergrendeld is door hem naar beneden te duwen zonder knop B in te drukken.

Controleer na het instellen altijd of de beugel goed vergrendeld is in één van een punten.
TREKKRACHTBEGRENZER OP DE VEILIGHEIDSGORDELS VOOR
Om de passieve veiligheid te vergro- ten, zijn de oprolautomaten van de veiligheidsgordels voor voorzien van een trekkrachtbegrenzer die de belas- ting op de schouders doseert als de gordel de inzittende op zijn plaats moet houden.
De veiligheidsgordels achter moeten worden omgelegd zoals is aangegeven in het schema (fig. 32).
Ga goed rechtop zitten, steun tegen de rugleuning en leg dan de gordel om.
Als de zitplaatsen achter niet worden bezet, gebruik dan de uitsparingen in de rugleuning van de achterbank om de sluitingen en de gordels op te bergen.

Bedenk dat achterpassagiers die geen gordel dragen tijdens een ernstig onpok gevaar opleveren voor passagiers.

De bestuurder is verplicht zich te houden aan de wettelijke voorschriften met betrekking tot het verplichte gebruik van de veiligheidsgordels (en de inzittenden erop attent te maken).

Draag altijd veiligheids - gordels zowel voorin als achterin. Rijden zonder
veiligheidsgordels vergroot het risico op ernstig letsel of dodelijke afloop bij een ongeval.

De gordelband mag nooit gedraaid zijn. Het diagonale gordelgedeelte moet via het midden van de schouder schuin over de borst liggen. Het horizontale gordelgedeelte moet over het bekken en niet over de buik liggen, zodat wordt voorkomen dat u tijdens een botsing onder de gordel uitschuift (fig. 33). Draag geen voorwerpen (sieraden, gespen, enz.) die een goed aansluiten van de gordel op het lichaam van de passagier verhinderen.
BELANGRIJK Het kinderzitje moet op de achterbank worden geplaatst (achter de passagiersstoel voor) omdat die plaats bij een ongeval de meeste bescherming biedt.
Ook vrouwen die in verwachting zijn moeten een gordel dragen: ook voor hen (zowel voor de aanstaande moeder als het kind) is de kans op letsel bij een ernstig ongeval groter als ze geen gordel dragen. Uiteraard moeten zwangere vrouwen het onderste deel van de gordel meer naar beneden omleggen, zodat de gordel onder de buik langs loopt (fig. 34).

Gebruik de gordel niet voor een kind dat bij een volwassene op schoot zit,
waarbij de gordel beiden zou moe- ten beschermen (fig. 35).
HOE U DE VEILIGHEIDS - GORDELS IN OPTIMALE STAAT HOUDT
1) Zorg dat de gordel goed uitgetrokken en niet gedraaid is.
2) Vervang de gordels na een ongeval, ook al zijn ze ogenschijnlijk niet beschadigd.
3) U kunt de gordels met de hand wassen met warm water en een neutrale zeep. Knijp ze uit en laat ze in de schaduw drogen. Gebruik geen bijtende, blekende of kleurende middelen. Vermijd het gebruik van alle chemische producten die het weefsel kunnen aan-tasten.
4) Voorkom dat er vocht in de oprol - automaat komt: de werking van de oprolautomaten is alleen gegarandeerd, als ze niet nat zijn geweest.
KINDEREN VEILIG VERVOEREN
Voor optimale bescherming bij een ongeval moeten alle inzittenden zit-tend reizen en beschermd worden door goedgekeurde veiligheidssyste-men.
Dit geldt met name voor kinderen.
Het hoofd van kleine kinderen is in verhouding met de rest van het lichaam groter en zwaarder dan dat van volwassenen, terwijl spieren en botstructuur nog niet volledig zijn ontwikkeld. Daarom moeten kleine kinderen door andere systemen beschermd worden dan door de veiligheidsgordels.

De resultaten van het onderzoek over de optimale bescherming van kleine kinderen zijn opgenomen in de Europese ECE/R44-voorschriften die wettelijk verplicht zijn. De systemen zijn onderverdeeld in vier groepen (fig. 36):
Groep 0 gewicht: 0-10 kg
Groep 1 gewicht: 9-18 kg
Groep 2 gewicht: 15-25 kg
Groep 3 gewicht: 22-36 kg
Zoals u ziet is er een gedeeltelijke overlapping tussen de groepen; daar - om zijn er in de handel systemen verkrijgbaar die geschikt zijn voor verschillende gewichtsgroepen.
Alle systemen moeten zijn voorzien van de typegoedkeuring en van een goed vastgehecht plaatje met het controlemerk, dat absoluut niet mag worden verwijderd.
Kinderen met een gewicht boven 36 kg of met een lengte van meer dan 1,50 m worden, met betrekking tot de veiligheidssystemen, gelijkgesteld met volwassenen en moeten dan ook normaal de veiligheidsgordels omleggen.
In het Lancia Lineaccessori-programma zijn kinderzitjes opgenomen voor elke gewichtsgroep, die speciaal ontworpen en ontwikkeld zijn voor de Lancia-modellen.
Wij raden u aan kinderen altijd op de zitplaatsen achter te vervoeren omdat die plaatsen bij een ongeval de meeste bescherming bieden. Monteer absoluut geen kinderzitje op de stoel van de passagier voor als deze is uitgerust met een airbag. Als bij een ongeval de airbag in werking treedt (opblaast), kan dit ernstig letsel en zelfs de dood tot gevolg hebben, onafhankelijk van de zwaarte van het ongeluk. Kinderen kunnen op de passagiersstoel voor worden vervoerd bij auto's die zijn uitgerust met een uitschakelbare airbag aan passagierszijde. In dit geval moet u er absoluut zeker van zijn dat de airbag is uitgeschakeld (het gele waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel moet branden).

fig. 36
GROEP 0 (fig. 37)
Baby's tot 10 kg moeten in wiegjes worden vervoerd die achterstevoren zijn geplaatst, waardoor het achter - hoofd wordt gesteund en bij abrupte snelheidswisselingen de nek niet wordt belast.
Het wiegje moet op zijn plaats worden gehouden door de veiligheids gordel en het kind moet op zijn beurt worden beschermd door de gordel van het wiegje zelf.

In de figuur worden slechts aanwijzingen ge geven voor de montage.
Houdt u voor de montage van het kinderzitje aan de instructies. De fabrikant is verplicht deze instructies bij te leveren.
GROEP 1 (fig. 38)
Kinderen vanaf 9 kg kunnen in kinderzitjes worden vervoerd die naar voren zijn gekeerd, waarbij de veiligheidsgordel van de auto zowel het kind als het kinderzitje op zijn plaats houdt.

In de figuur worden slechts aanwijzingen ge-geven voor de montage.
Houdt u voor de montage van het kinderzitje aan de instructies. De fabrikant is verplicht deze instructies bij te leveren.

Er bestaan kinderzitjes die geschikt zijn voor de gewichtsgroepen 0 en 1.
Deze kinderzitjes kunnen worden bevestigd aan de veiligheidsgordels achter en hebben zelf gordels om het kind te beschermen. Vanwege het gewicht kan het gevaarlijk zijn als ze verkeerd worden gemonteerd, waarbij een kussen tussen het kinderzitje en de veiligheidsgordels van de auto wordt geplaatst. Houdt u voor de montage strikt aan de bijgeleverde instructies.

Vanaf 15 kg kunnen kinderen direct door de veiligheidsgordels van de auto worden beschermd. Kinderen moeten zo in de kinderzitjes worden geplaatst, dat het diagonale gordelgedeelte schuin over de borst en niet langs de nek komt te liggen.

In de figuur worden slechts aanwijzingen ge-geven voor de montage.
Houdt u voor de montage van het kinderzitje aan de instructies. De fabrikant is verplicht deze instructies bij te leveren.

Vanaf 22 kg kunnen kinderen op een kussen vervoerd worden. De borst omvang is dan van dien aard dat de kinderen gewoon tegen de rugleuning kunnen steunen en niet meer in een kinderzitje hoeven te worden vervoerd.
Kinderen die langer zijn dan 1,50 m kunnen net zoals volwassenen de veilig heidsgordels omleggen.
Hieronder zijn de richtlijnen voor een veilig vervoer van kinderen aangegeven, waaraan u zich dient te houden:
1) Plaats het kinderzitje bij voorkeur op de achterbank omdat deze plaats bij een ongeval de meeste bescherming biedt.

2) Vervoer kinderen nooit op de stoel van de passagier voor als deze is uitgerust met een airbag.
3) Houdt u bij de montage van het kinderzitje strikt aan de instructies. De fabrikant is verplicht deze instructies bij te leveren. Bewaar de instructies samen met het instructieboekje in de auto. Monteer geen gebruikte kinderzitjes waarvan de gebruiksaanwijzingen ontbreken.
4) Controleer of de gordels goed zijn vastgemaakt door aan de gordelband te trekken.
5) In elk kinderzitje kan slechts één kind vervoerd worden; vervoer nooit twee kinderen in één zitje.
6) Controleer altijd of de gordel niet langs de nek van het kind loopt.
7) Zorg er tijdens de rit voor dat het kind geen afwijkende houding aanneemt of de gordel losmaakt.
8) Vervoer kinderen nooit in uw armen, ook geen pasgeboren kinderen. Niemand is sterk genoeg om ze bij een ongeval vast te houden.
9) Na een ongeval moet het zitje door een nieuw exemplaar worden vervangen.
GORDELSPANNERS
Voor een nog effectievere bescherming zijn de veiligheidsgordels voor van de Lybra voorzien van gordelspanners. Dit systeem wordt bij een heftige botsing door een sensor in werking gesteld en trekt gelijktijdig de gordel enige centimeters aan. Op deze wijze worden de inzittenden veel beter op hun plaats gehouden en wordt de voorwaartse beweging beperkt.
Het blokkeren van de veiligheids - gordel geeft aan dat de gordelspanner in werking is geweest; de gordel wordt niet meer opgerold, ook niet als hij wordt begeleid.
Tijdens het in werking treden van de gordelspanners kan er een beetje rook ontstaan. Deze rook is niet schadelijk en duidt niet op brand.
De gordelspanner behoeft geen enkel onderhoud of smering. Elke verandering van de oorspronkelijke staat zal de doelmatigheid verminderen. Als de gordelspanner door extreme natuurlijke omstandigheden (overstromingen, zeestormen) met water en modder in contact is geweest, dan moet hij worden vervangen.
Voor een maximale bescherming door de gordelspanners moet de veiligheidsgordel zo worden omgelegd dat hij goed aansluit op borst en bekken.

Het is streng verboden de gordelspanners te demonteren of open te maken.
Onderhoud van de gordelspanners moet worden uitgevoerd door gekwalificeerd personeel. Wendt uuitsluitend tot een Lancia-dealer.

Werkzaamheden in de buurt van de gordelspanners, waarbij stoten, sterke
trillingen of verhitting optreden (maximaal 100°C gedurende ten hoogste 6 uur), kunnen de gordelspanners beschadigen of activeren: bij die omstandigheden horen niet trillingen die voortgebracht worden door een slecht wegdek of door contacten met kleine obstakels zoals trottoirs. Als er iets aan de gordelspanners moet gebeuren, dient u zich tot een Lancia-dealer te wenden.

De gordelspanner kan slechts één keer worden gebruikt. Als de gordel-
spanner geactiveerd is geweest, moet u zich tot een Lancia-dealer wenden om de gordelspanner te laten vervangen. De gordelspanners hebben een geldigheid van 10 jaar. Als deze termijn is verstreken, dient u contact op te nemen met de Lancia-dealer.
AIRBAGS VOOR EN SIDE-BAGS
(indien aanwezig)
De auto is uitgerust met een airbag aan bestuurderszijde (fig. 41); als optional kunnen voor bepaalde uit -voeringen/markten een airbag aan de passagierszijde (fig. 42) en side-bags worden geleverd (fig. 43).

Beschrijving en werking
De airbag voor (bestuurder en passagier) is een veiligheidsvoorziening die onmiddellijk in werking treedt bij een frontale botsing.

De airbag bestaat uit een opblaas -baar luchtkussen dat in een daarvoor bestemde ruimte is geplaatst:
- in het midden van het stuurwiel aan bestuurderszijde;
- een luchtkussen met een groter volume boven het dashboardkastje aan passagierszijde.
De airbag voor (bestuurder en passagier) is een veiligheidsvoorziening die onmiddellijk in werking treedt bij een middelzware frontale botsing.
Bij een ongeval verwerkt een regel - eenheid de gegevens van een vertragingssensor en zorgt ervoor, indien nodig, dat het kussen wordt opge - blazen.
Het kussen blaast onmiddellijk op, waardoor het lichaam wordt opgevangen en de kans op letsel beperkt wordt. Direct daarna loopt het kussen weer leeg.
Bij een ongeval kan een inzittende die geen veiligheidsgordel heeft omgelegd in contact komen met een airbag die nog niet volledig opgeblazen is, waardoor de inzittende minder beschermd wordt. De airbag voor (bestuurder en pas-
sagier) is geen vervanging voor de veiligheidsgordels, maar een aanvulling. Draag dus altijd veilig - heidsgordels. Bovendien is het dragen van veiligheidsgordels wettelijk verplicht in Europa (en in de meeste landen daarbuiten).
Bij lichte frontale botsingen (waarbij de veiligheidsgordel de inzittende op zijn plaats houdt), wordt de airbag niet geactiveerd.
Bij botsingen tegen snel vervormbare of beweegbare objecten (zoals ver- keerspalen, sneeuw- of ijs-ophopingen, geparkeerde auto's, enz), bij aanrijdingen van achteren (zoals een aanrijding door een andere auto) en bij zijdelingse aanrijdingen tegen andere auto's of veiligheidsbarrières (bijvoorbeeld tegen de onderkant van de auto of de vangrail), wordt de airbag niet geactiveerd omdat geen enkele aanvullende bescherming wordt geboden ten opzichte van de veiligheids-gordels.
Als de airbag in deze gevallen niet geactiveerd wordt, betekent dit niet dat het systeem niet goed functioneert.
AIRBAG VOOR AAN PASSAGIERSZIJDE (indien aanwezig)
De airbag voor aan passagierszijde is ontwikkeld om de bescherming te verbeteren van een inzittende voor met omgelegde veiligheidsgordel.
Als de airbag volledig opgeblazen is, vult deze het grootste deel van de ruimte tussen het dashboard en de voorpassagier.


ZEER GEVAAR- LIJK: bij auto's die zijn uitgerust met een airbag aan passagierszijde mag geen kinderzitje op de voorstoel worden gemonteerd. Als er geen andere mogelijkheid is moet in ieder geval de airbag aan passagierszijde (indien aanwezig) uitgeschakeld worden als het kinderzitje op de passagiersstoel voor wordt geplaatst. Ook als het niet wettelijk verplicht is, raden wij u aan, voor een optimale bescherming van de volwassenen, de airbag onmiddellijk weer in te schakelen zodra er geen kinderen meer vervoerd worden.

Als het lampje na de testfase van 4 seconden knippert en het waarschuwingslampje storing airbag is gedoofd, dan betekent dit dat er een storing is in het waarschuwingslampje van de airbag zelf. Neem in dit geval zo spoedig mogelijk contact op met de Lancia-dealer.
Airbag voor aan passagierszijde uitschakelen (fig. 45)
Als het absoluut noodzakelijk is een kind op de passagiersstoel voor te vervoeren, kan de airbag voor aan passagierszijde worden uitgeschakeld.

U schakelt de airbag uit door de contactsleutel in de daarvoor bestemde sleutelschakelaar, rechts van het dashboard, te steken (fig. 45). De schakelaar is alleen bereikbaar bij geopend portier.

Bedien de schakelaar alleen als de motor uit staat en de contactsleutel is uit-
genomen.
De sleutelschakelaar (fig. 45) heeft twee standen:
1) Airbag voor passagierszijde ingeschakeld: (stand ON ⊗) lampje op het instrumentenpaneel is gedoofd; het is absoluut verboden kinderen op de passagierstoel voor te vervoeren.
2) Airbag voor passagierszijde uitgeschakeld: (stand OFF 📊) lampje op het instrumentenpaneel brandt; het is mogelijk kinderen op de passagiersstoel voor te vervoeren, waarbij ze beschermd moeten worden door passende universele systemen.
Het waarschuwingslampje 📋 op het dashboard blijft continu branden totdat de airbag aan passagierszijde opnieuw wordt ingeschakeld.
De uitschakeling van de airbag voor aan passagierszijde heeft geen invloed op de werking van de side-bag.
De sleutel kan bij geopend portier in beide standen in de schakelaar worden gestoken of worden uitgenomen.

Het waarschuwings lampje voor uitgescha kelde airbag aan passagierszijde voor geeft eventuele storingen aan in het waarschuwings - lampje van de airbag zelf. In dat geval is de situatie op het instrumentenpaneel als volgt:
- waarschuwingslampje storing airbag is gedoofd;
- waarschuwingslampje voor uitgeschakelde airbag aan passa giers - zijde knippert (langer dan de normale 4 seconden).
Zet de motor direct uit en wendt u tot de Lancia-dealer.
SIDE-BAG (indien aanwezig)
De side-bag beschermt de inzittenden voor bij een middelzware zijdelingse aanrijding.
De side-bag is in de rugleuning van de stoelen voor geplaatst, waardoor de airbag ten opzichte van de inzittende altijd de optimale positie inneemt, ongeacht de stand van de stoel.
Bij een zijdelingse aanrijding verwerkt een elektronische regel - eenheid de gegevens van een vertragingssensor en zorgt ervoor, indien nodig, dat het kussen opblaast.
Het kussen blaast onmiddellijk op en vult de ruimte tussen het portier van de auto en de inzittende voor. Direct daarna loopt het kussen weer leeg.
Bij lichte zijdelingse aanrijdingen (waarbij de veiligheidsgordel de inzit-tende op zijn plaats houdt), wordt de airbag niet geactiveerd.
De airbag is geen vervanging voor de veiligheidsgordels, maar een aanvulling.
Draag dus altijd veiligheidsgordels. Bovendien is het dragen van veiligheidsgordels wettelijk verplicht in Europa (en in de meeste landen daarbuiten).
De werking van de side-bag aan passagierszijde wordt niet uitgeschakeld als de airbag voor aan passagierszijde wordt uitgeschakeld, zoals beschreven in de vorige paragraaf. Zo wordt u bij een zijdelingse aanrijding beschermd, en ook het eventueel vervoerde kind.
BELANGRIJK De airbags voor en/of side-bags (indien aanwezig) kunnen worden geactiveerd bij zware botsingen of als de auto aan de onderzijde wordt geraakt, bijvoorbeeld bij zware botsingen tegen treden of stoepranden of obstakels op het wegdek of als de auto terecht komt in grote gaten of verzakkingen in het wegdek.
BELANGRIJK Als de airbag in werking treedt, ontsnapt er een beetje rook. Deze rook is niet schadelijk en duidt niet op brand; bovendien kan het oppervlak van het opgeblazen kussen en het interieur van de auto bedekt zijn met een laagje poeder -achtige stof: deze poeder kan de huid en de ogen irriteren. Als u hiermee in aanraking bent gekomen, moet u zich met neutrale zeep en water wassen.
BELANGRIJK Als het lampje tijdens het rijden gaat branden (melding van een storing), dient u zich onmiddellijk tot een Lancia-dealer te wenden om de storing te laten verhelpen.
Het airbagsysteem heeft een geldig -heid van 10 jaar. Als deze termijn is verstreken, moet contact worden opgenomen met de Lancia-dealer.
BELANGRIJK Na een ongeval waarbij de airbag in werking is getreden, dient u contact op te nemen met de Lancia-dealer om de airbag, de elektronische regeleenheid, de veiligheids-gordels, en de gordelspanners te laten vervangen en de werking van de elektrische installatie te laten controleren.
Alle controlewerkzaamheden, reparaties en de vervanging van de airbag moeten door een Lancia-dealer worden uitgevoerd.
Aan het einde van de lange levensduur van uw auto, moet u contact opnemen met een Lancia-dealer om het systeem buiten werking te laten stellen.
Bij verkoop van de auto moet de nieuwe eigenaar op de hoogte gesteld worden van het gebruik en de instructies, en moet hij het instructieboekje ontvangen.
BELANGRIJK Het in werking tre- den van de gordelspanners, de airbags voor en de side-bags wordt door de elektronische regeleenheid bepaald, afhankelijk van het type ongeval. Als een van deze onderdelen niet in werking treedt, dan duidt dat niet op een storing in het systeem.
ALGEMENE OPMERKINGEN
Als u de contactsleutel in stand MAR draait, gaat het lampje branden. Na ongeveer 4 seconden moet het lampje doven. Als het waarschuwings - lampje niet gaat branden, constant blijft branden of tijdens het rijden gaat branden, moet u onmiddellijk stoppen en contact opnemen met een Lancia-dealer.

Als u de contactsleutel in stand MAR draait, gaat het lampje (met de schakelaar voor uitschakeling van airbag voor aan passagierszijde in stand ON) ongeveer 4 seconden branden en vervolgens 4 seconden knipperen, om aan te geven dat de airbag en side-bag (indien aanwezig) aan passagierszijde bij een ongeval worden geactiveerd. Hierna moet het lampje doven.

Laat bij diefstal of een poging tot diefstal, bij beschadiging of als de auto bij een overstroming onder water is geweest, de airbag door een Lancia-dealer controleren.

Plak geen stickers of andere voorwerpen op het stuur of op de plek van de airbag aan de passagierszijde en de side-bags.
Reis niet met voorwerpen op schoot en houd vooral geen pijp, potlood, enz. in de mond. Bij een ongeval waarbij de airbag in werking treedt, kan dit ernstig letsel veroorzaken.

Rijd altijd met beide han- den op de stuurwielrand, zodat bij het in werking treden van de airbag, het systeem niet wordt gehinderd door obstakels die ernstig letsel kunnen ver oorzaken. Rijd niet met voor over gebogen lichaam, maar ga goed recht op zitten en steun tegen de rug leuning.

Als de contactsleutel in stand MAR staat, kunnen, ook bij uitgezette motor, de airbags inschakelen als de auto stilstaat en de auto frontaal wordt aangereden door een andere auto die met voldoende snelheid rijdt. Daarom mogen er ook als de auto stilstaat absoluut geen kinderen op de passagiersstoel voor worden ge- plaatst.
Als bij een stilstaande auto en met uitgenomen contactsleutel de airbags bij een ongeval niet in werking treden, betekent dit echter niet dat het systeem niet goed werkt.

Bij auto's die zijn uitge-rust met side-bags, mag de rugleuning van de stoel niet met water worden afgenomen of chemisch worden gereinigd in een automatisch wasapparaat.

Bij auto's met side-bags mag de rugleuning van de voorstoelen niet worden bedekt met hoezen of kleden.

De airbag is geen vervan- ging voor de veiligheids - gordels, maar een aanvulling. De inzittenden worden uit- sluitend door de veiligheidgordels beschermd bij frontale botsingen bij lage snelheid, bij zijdelingse aanrijdingen en als de auto over de kop slaat. De gordels moeten dus altijd gedragen worden.

De airbag treedt in werking als de botsing zwaarder is dan een botsing waarbij alleen de gordelspanners worden geactiveerd. Bij aanrijdingen die tussen die twee drempelwaarden in liggen, treden alleen de gordelspanners in werking.
INSTRUMENTENPANEEL
BENZINEMOTOR (fig. 46)

P4T0634
P4T0635
A Koelvloeistoftemperatuurmeter met waarschuwingslampje voor te hoge koelvloeistoftemperatuur - B Snelheidsmeter - C Display van kilometerteller (totaal/dagstand) - D Toerenteller - E Brandstofmeter met waarschuwingslampje van de reservebrandstof - F Controle- en waarschuwingslampjes - G Drukknop voor het op nul zetten van de dagstand.
INSTRUMENTEN
BELANGRIJK Na het uitzetten van de motor (sleutel in stand STOP), worden de snelheidsmeter en de toerenteller ongeveer 1 seconde gereset. Gedurende deze tijd gaan de wijzernaalden van de snelheidsmeter en de toerenteller iets heen en weer wat een licht getik veroorzaakt.
SNELHEIDSMETER (fig. 48)
Deze geeft de snelheid van de auto aan in km/h.
BELANGRIJK Afhankelijk van de motoruitvoering van de auto verschilt het meetbereik van de toerenteller.
TOERENTELLER (fig. 49-50)
De gevarenzone (met een steeds dichter wordende witte arcering) geeft aan dat de motor met extreem hoge toerentallen draait. Het is raadzaam deze toerentallen slechts kort aan te houden.
Als de motor met stationair toerental draait, kan de toerenteller geleidelijk of plotseling oplopen; dit is een normaal verschijnsel als het zich voordoet tijdens de normale werking, bijv. bij het inschakelen van de aircocompressor of de elektroventilateur. Een langzame wisseling in toerental dient vooral voor het behoud van de lading van de accu.
BELANGRIJK Afhankelijk van de motoruitvoering van de auto verschilt het meetbereik en de gevarenzone van de toerenteller.
BELANGRIJK De regeleenheid van de elektronische inspuiting sluit de brandstoftoevoer tijdelijk af als de motor met te hoge toerentallen draait, waardoor het motorver -mogen zal afnemen.

fig. 48

fig. 49 - benzine-uitvoering

fig. 50 - dieseluitvoering
KOELVLOEISTOF- TEMPERATUURMETER MET WAARSCHUWINGSLAMPJE VOOR TE HOGE KOELVLOEI- STOFTEMPERATUUR (fig. 51)
Het instrument geeft de temperatuur aan van de motorkoelvloeistof zodra de koelvloeistotemperatuur hoger wordt dan ongeveer 50°C.
Onder normale omstandigheden staat de wijzernaald van de koel - vloeistoftemperatuurmeter ongeveer in het midden van de schaal. Als de wijzernaald in de buurt komt van de maximale waarden, moet gas worden teruggenomen.
Als het lampje gaat branden, betekent dit dat de koelvloeistoftemperatuur te hoog is; het is in dat geval raadzaam de motor uit te zetten en contact op te nemen met de Lancia-dealer.
BELANGRIJK Als de wijzernaald in de buurt komt van de maximale waarden op de schaal, kan dit veroorzaakt worden door verstopping of opeenhoping van vuil op de buitenzijde van de radiateur.
In dat geval is het raadzaam om de radiateur te onderzoeken en eventuele verstoppingen te verwijderen en de buitenkant van de radiateur zo snel mogelijk grondig te reinigen.
BRANDSTOFMETER MET WAARSCHUWINGSLAMPJE VAN DE RESERVEBRANDSTOF (fig. 52)
Het waarschuwingslampje van de reservebrandstof gaat branden als er nog ongeveer 8 liter brandstof in de tank aanwezig is.
Rijd nooit met een bijna lege tank: een eventueel onregelmatige brandstoftoevoer kan de katalysator beschadigen.

fig. 51

fig. 52
DISPLAY KILOMETERTELLER (TOTAAL EN DAGSTAND) (fig. 53-54)
Op het display (fig. 53) worden weergegeven:
- op de eerste regel (6 cijfers) de totaalstand
- op de tweede regel (4 cijfers) de dagtellerstand.
Voor het op nul zetten van de dagstand moet knopje B (fig. 54) ten minste 1 seconde worden ingedrukt.
BELANGRIJK Als de accu wordt losgekoppeld, wordt de dagstand uit het geheugen gewist.
CONTROLE- EN WAARSCHUWINGS- LAMPJES
De lampjes branden in de volgende gevallen:

RICHTINGAANWIJZER LINKS (knipperend - groen)
Als u de hendel van de richting aanwijzers (pijlen) naar beneden plaatst en, samen met het lampje van de rechter richtingaanwijzer, als de waarschuwingsknipperlichten zijn ingeschakeld.

RICHTINGAANWIJZER RECHTS (knipperend - groen)
Als u de hendel van de richting aan - wijzers (pijlen) naar boven plaatst en, samen met het lampje van de linker richtingaanwijzer, als de waar schuwingsknipperlichten zijn ingeschakeld.

fig. 53

RICHTINGAAN - WIJZERS AANHANGER (groen)
Voor de aansluiting dient u contact op te nemen met de Lancia-dealer.
Deze gaan branden als er een elektrische verbinding is met een aanhanger en de hendel van de richtingaanwijzers wordt bediend of als de schakelaar van de waarschuwings - knipperlichten wordt ingedrukt.

VOORGLOEI- INSTALLATIE (jtd-uitvoeringen - geel)
Als u de contactsleutel in stand MAR draait. Het lampje dooft als de voorgloeibougies de juiste temperatuur hebben bereikt.
Start de motor zodra het lampje gedoofd is.
Als na het starten het lampje 30 seconden gaat knipperen, kan de motor op de normale wijze worden gestart. Neem echter zo spoedig mogelijk contact op met de Lancia-dealer om de storing te laten verhelpen.
Bij een hoge buitentemperatuur kan het lampje onmiddellijk gaan branden.

GROOTLICHT (blauw)
Als het grootlicht is ingeschakeld.

BUITENVERLICHTING (groen)
keerlichten zijn ingeschakeld of als u de contactsleutel in stand PARK draait.

ACCU WORDT NIET VOLDOENDE OPGELADEN (rood)
Als er een defect is in het laad - circuit van de dynamo.
Als u de contactsleutel in stand MAR draait, gaat het lampje branden. Het moet doven nadat de motor is gestart.

TE LAGE MOTOROLIE-DRUK (rood)
Als de motoroliedruk
onder de normale waarde zakt.
Als u de contactsleutel in stand MAR draait, gaat het lampje branden. Het moet doven nadat de motor is gestart.
Als de motor stationair draait, kan het voorkomen dat het lampje iets later dooft.
Als de motor zwaar belast is, kan het lampje gaan knipperen als de motor stationair draait. Het moet doven zodra u iets gas geeft.

Als het waarschuwings - lampje tijdens het rijden gaat branden, zet dan de
motor uit en neem contact op met de Lancia-dealer.

VEILIGHEIDS - GORDELS (rood)
Als de veiligheidsgordel aan bestuurderszijde niet goed is omgelegd.

VERSLETEN REM- BLOKKEN VOOR (rood)
Als de remblokken voor versleten zijn; laat in dit geval de remblokken zo snel mogelijk vervangen.
BELANGRIJK Omdat de auto is uitgerust met een slijtage-indicator voor de remblokken voor moet u, als de remblokken worden vervangen, ook de remblokken achter laten controleren.

STORING IN MOTORMANAGEMENT - SYSTEEM (EOBD) (geel)
(benzine-uitvoeringen)
Als u de contactsleutel in stand MAR draait, gaat het lampje branden. Het moet doven nadat de motor is gestart. Het lampje gaat eerst branden om de juiste werking ervan aan te geven.
Als het lampje blijft branden of tijdens het rijden gaat branden:
constant branden - defect in het inspuit-/ontstekingssysteem. Dit kan tot gevolg hebben dat de schadelijke uitlaatgasemissie toeneemt, de prestaties verminderen, de auto slechter gaat rijden en het brandstofverbruik toeneemt.
U kunt onder deze omstandigheden doorrijden zonder te veel van de motor te eisen of met hoge snelheid te rijden. Als er lang met een brandend waarschuwingslampje wordt doorgereden, kunnen beschadigingen ontstaan. Neem zo snel mogelijk contact op met de Lancia-dealer.
Het lampje dooft als de storing verdwijnt, maar de storing wordt door het systeem opgeslagen.
knipperend - mogelijke beschadiging van de katalysator (zie "EOBD" in dit hoofdstuk).
Als het lampje knippert, moet het gaspedaal worden losgelaten zodat de motor met lage toerentallen draait en het lampje niet meer knippert; u kunt met matige snelheid doorrijden waarbij rij-omstandig heden moeten worden vermeden die kunnen leiden tot het opnieuw gaan knipperen van het lampje. U dient zo snel mogelijk contact op te nemen met de Lancia-dealer.

Als u de contactsleutel in stand MAR draait en het lampje 📄gaat niet branden of het gaat branden of knipperen tijdens het rijden, dan dient u zo snel mogelijk contact op te nemen met de Lancia-dealer.

STORING IN INSPUITSYSTEEM (rood) (jtd-uitvoeringen)
Als er een storing is in het inspuit-systeem. Als u de contactsleutel in stand MAR draait, gaat het lampje branden. Het moet na ongeveer 4 seconden doven.
Als het lampje constant blijft branden of als het tijdens het rijden gaat branden, dan werkt het inspuitsysteem niet correct, waardoor de prestaties kunnen verminderen, de auto slecht rijdt en veel brandstof verbruikt.
U kunt onder deze omstandigheden doorrijden zonder te veel van de motor te eisen of met hoge snelheid te rijden. Neem zo spoedig mogelijk contact op met de Lancia-dealer.
Als u te lang doorrijdt met een brandend waarschuwingslampje kan dat schade veroorzaken, vooral als de motor onregelmatig draait of overslaat. Rijd slechts korte tijd en met een laag toerental.
Als het lampje onregelmatig en kort brandt, duidt dit niet op een storing.

STORING IN AIRBAG (rood)
Als u de contactsleutel in stand MAR draait, gaat het lampje branden. Het moet na ongeveer 4 seconden doven.
Het lampje gaat constant branden als er een storing is in de werking van de airbag.

Als het lampje niet dooft of gaat branden tijdens het rijden, moet de motor onmiddellijk worden uit-
gezet en zo spoedig mogelijk contact worden opgenomen met de Lancia-dealer.

DEFECT IN HET ANTI- BLOKKEERSYSTEEM (ABS) (GEEL)
Als u de contactsleutel in stand MAR draait, gaat het lampje branden. Het moet na ongeveer 4 seconden doven.
Als het ABS-systeem niet voldoende werkt, gaat het lampje branden. Het conventionele remsysteem blijft werken. Neem zo spoedig mogelijk contact op met de Lancia-dealer.

De auto is uitgerust met een elektronische remdrukverdeling (EBD). Als bij een draaiende motor de waarschuwingslampjes (2) en (1) gelijk tijdig gaan branden, dan is er een storing in het EBD-systeem; in dat geval kunnen bij hard remmen de achterwielen vroegtijdig blokkeren waardoor de auto kan gaan slippen. Rijd zeer voorzichtig naar de dichtst-bijzijnde Lancia-werkplaats om het systeem te laten controleren.

HANDREM AANGE- TROKKEN OF TE LAAG REMVLOEISTOF - NIVEAU (rood)
Als u de contactsleutel in stand MAR draait, gaat het lampje branden. Het moet na ongeveer 4 seconden doven.
Als het lampje gaat branden na de controlefase, dan is of het remvloeistofniveau in het reservoir onder het minimum niveau gedaald, bijvoorbeeld door lekkage in het remsysteem, of is de handrem aangetrokken.

Als het lampje tijdens het rijden gaat branden, moet gecontroleerd worden of de handrem niet is aangetrokken. Als het lampje blijft branden, terwijl de handrem niet is aangetrokken, moet u onmiddellijk stoppen en contact op - nemen met de Lancia-dealer.

WATER IN DIESEL- FILTER AANWEZIG (jtd-uitvoeringen - geel)
Het lampje gaat branden als er water in het dieselfilter aanwezig is.

Water in het brandstof- systeem kan het inspuit- systeem ernstig beschadigen en de motor kan onregel - matig gaan draaien. Als het lampje 📄 gaat branden, wendt u dan zo snel mogelijk tot de Lancia-dealer om het water te laten aftappen.

LANCIA CODE (geel)
In drie gevallen (met de contactsleutel in stand
MAR):
- Één keer knipperen - code van de sleutel herkend. Het is mogelijk de motor te starten.
- Constant branden - code van de sleutel niet herkend. Voer voor het starten van de motor een noodstart uit (zie hoofdstuk "Nood - gevallen").
- Knipperend - de auto wordt niet beveiligd door het systeem. Het is mogelijk de motor te starten.

CRUISE CONTROL (indien aanwezig - geel)
Het lampje op de bedieningshendel van de cruise-control gaat branden, met de schakelaar in stand ON, als het systeem in werking treedt.

AIRBAG PASSAGIERS - ZIJDE INGESCHAKELD (indien aanwezig - geel)
Het lampje gaat branden als de airbag aan passagierszijde is uitgeschakeld.

Als het lampje na de testfase van 4 seconden knippert en het waarschuwingslampje storing airbag is gedoofd, dan betekent dit dat er een storing is in het waarschuwingslampje van de airbag zelf. Neem in dit geval zo spoedig mogelijk contact op met de Lancia-dealer.

ALGEMEEN CHECK- WAARSCHUWINGS - LAMPJE (rood)
Als het elektronische controlesys - teem een storing vindt.
CHECK CONTROL
(fig. 55)
Het check control wordt aangestuurd door het instrumentenpaneel, en geeft eventuele storingen of meldingen door aan de bestuurder via de controle- en waarschuwingslampjes op het instrumentenpaneel zelf of via de waarschuwingslampjes en de opschriften op het multifunctionele scherm van het ICS.
Zie voor de werking van de controleen waarschuwingslampjes op het instrumentenpaneel, de betreffende paragraaf in dit hoofdstuk.
De storingen of meldingen worden door het check control met de bijbehorende symbolen op het multifunctionele scherm weergegeven op het moment dat ze geconstateerd worden, onaf hankelijk van de werking van het ICS.
Op uitvoeringen met het ICS- navigatiesysteem van Lancia (indien aanwezig), als het check control een melding stuurt op het moment dat het systeem in de stand-by stand staat (donker scherm), licht het scherm op en verschijnt het bij de melding behorende symbool op het laatst geselecteerde functiescherm.
1-Waarschuwingslampje defecte zekering/buitenverlichting
2 - Waarschuwingslampje defect mistachterlicht
3 - Waarschuwingslampje defect linker remlicht

fig. 55
4 - Waarschuwingslampje defect rechter remlicht
5 - Waarschuwingslampje defecte remlichten
6 - Waarschuwingslampje te laag koelvloeistofniveau
7 - Waarschuwingslampje te laag niveau ruitensproeiervloeistof
8 - Waarschuwingslampje te laag motoroliepeil (alleen dieseluitvoeringen)
9 - Waarschuwingslampje niet goed gesloten portieren en kofferdeksel/achterklep
10 - Waarschuwingslampje defect waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel
11 - Waarschuwingslampje defecte waarschuwingslampjes (∞) en (○) op het instrumentenpaneel (als deze lampjes gelijktijdig gaan branden, is er een storing in de elektronische remdrukregelaar EBD)
12 - Waarschuwingslampje storing check control
13 - Symbool niet goed gesloten portieren en kofferdeksel (Sedanuitvoering)
14 - Symbool niet goed gesloten portieren en achterklep (Station Wagon uitvoering)
15 - Waarschuwingslampje te laag motor oliepeil (alleen dieseluitvoeringen).
Het check control kan gelijktijdig naast elkaar twee waarschuwingen weer geven en bovendien eventueel het waarschuwingslampje 9 voor niet goed gesloten portieren, motor kap en achterklep.
Als er meer dan twee meldingen zijn, worden de betreffende waar - schu wings lampjes cyclisch iedere twee seconden weergegeven terwijl op de rechterkant van het scherm het rode opschrift CHECK verschijnt.
Het rode opschrift CHECK verschijnt ook als het waarschuwings - lampje van de defecte buitenverlichting 1 gaat branden.
Bij defecte mistachterlichten, defect linker remlicht en defect rechter remlicht wordt naast het betreffende waarschuwingslampje 2-3-4-5 ook altijd het waarschuwingslampje van de defecte buitenverlichting 1 weergegeven.
BELANGRIJK De waarschuwings - lampjes blijven weergegeven, ook als van functiescherm wordt veranderd, totdat de door het check control gesignaleerde storing is verholpen. De waarschuwingslampjes 1-8-10-11-12 hebben voorrang boven andere informatie van het check control.
MELDINGEN
Als bij het starten van de motor een storing wordt geconstateerd, wordt het branden van de waarschuwings - lampjes 1-10-11-12 voorafgegaan door de weergave op het scherm (ongeveer 5 seconden) van de volgende opschriften:
- DEFECTE VERLICHTING (waarschuwingslampje 1)
- LAMPJE STORING IN ABS (waarschuwingslampje 10)
- LAMPJE STORING IN EBD (waarschuwingslampje 11)
- GEEN SIGNAAL NAAR CHECK EN TRIP COMPUTER (waarschu - wingslampje 12).
MELDING NIET GOED GESLO- TEN PORTIEREN, MOTORKAP EN ACHTERKLEP (9-13-14)
Als u de contactsleutel in stand MAR draait, wordt het symbool 13 (Sedan-uitvoering) of 14 (Station Wagon) weergegeven aan de rechter - kant van het hoofdscherm, terwijl het waarschuwingslampje 9 links - onder wordt weergegeven.
Na ongeveer 1 minuut en als de portieren en het kofferdeksel/de achterklep nog ge opend zijn, verdwijnt het symbool 13 of 14 terwijl het waarschuwingslampje 9 blijft weergegeven.
Als de melding van niet goed gesloten portieren of kofferdeksel verschijnt op het moment dat het systeem in een ander functiescherm werkt, verschijnt alleen het waarschuwingslampje 9 linksonder op het scherm.
Als wordt teruggekeerd naar het hoofdscherm verschijnt opnieuw het symbool van de auto 13 of14 aan de rechterkant van het scherm, zoals hiervoor is beschreven.
MELDING TE LAAG MOTOR - OLIE PEIL EN DEFECT WAAR - SCHU WINGS LAMPJE (8-15) (alleen dieseluitvoeringen)
Als u de sleutel in stand MAR draait, wordt, enkele seconden na het scherm ⚙, het oliepeil ongeveer 10 seconden op het hoofdscherm van het display weergegeven.
Het motoroliepeil wordt alleen weergegeven als het op of onder het minimum niveau staat.
BELANGRIJK Het check control controleert het motoroliepeil alleen bij het starten van de motor en als er ten minste 20 minuten zijn verstreken nadat de motor voor de laatste keer is uitgezet.
Het motoroliepeil wordt weergegeven door middel van 6 verlichte streepjes met twee verschillende waarden en twee manieren van weergave:
- het motoroliepeil staat vlak boven het minimum niveau: eerste linker streepje rood of wit (afhankelijk van de uitvoering), tweede streepje wit, andere streepjes onverlicht.
- het motoroliepeil staat op het minimum niveau: eerste linker streepje rood of wit (afhankelijk van de uitvoering), andere streepjes onverlicht.
Als het motoroliepeil te laag is (0 of 1 streepje verlicht), gaat het waarschuwingslampje 8 branden. Het blijft ook weergegeven als er andere functieschermen worden opgeroepen.
Als er een storing is in de sensor van het motoroliepeil, knippert het waarschuwingslampje 15 ongeveer 5 seconden en gaat waarschuwingslampje 8 branden.
In alle omstandigheden waarin het motor oliepeil te laag is of er een storing is in de sensor van het motoroliepeil, verschijnt aan de rechterkant van het scherm gedurende enkele seconden ook het rode opschrift CHECK.
BELANGRIJK Het waarschuwings - lampje voor een te laag motoroliepeil 8 heeft voorrang op andere informatie van het check control.
ALGEMEEN CHECK-WAARSCHU - WINGS LAMPJE EN LAMPJE VOOR VERLICHTING ICS VAN LANCIA (fig. 56)
In de steun van de achteruitkijk - spiegel bevinden zich de waar schuwingslampjes A en B die de volgende functies hebben:
- het rode lampje A: als de contact-sleutel in stand MAR wordt gedraaid, gaat het lampje, in de controlefase van het check control, ongeveer 4 seconden branden. Als er een storing is, wat wordt aangegeven door het branden van het bijbehorende controlelampje en het waarschuwings lampje CHECK, dooft het lampje na on geveer 10 seconden;
- het groene lampje B: dient voor de "gedempte" nachtverlichting van de bedieningsorganen van het ICS van Lancia. Het lampje gaat branden als de contactsleutel in stand MAR wordt gedraaid (ongeveer 2 seconden nadat het rode lampje A is gaan branden).

fig. 56
ICS VAN VAN LANCIA MET MULTIFUNCTIONEEL DISPLAY
(zonder NAVIGATIESYSTEEM)

fig. 57
Het I.C.S. (Integrated Control System) van Lancia is een geïntegreerd bedienings- en informatiesysteem met een multifunctioneel 5" LCD-scherm (liquid cristal display), dat ook door de passagier gelezen kan worden.
Het multifunctionele scherm toont en regelt de volgende functies:
- Autoradio met cassettespeler en CD (indien aanwezig) (*)
- Analoog/digital klokje
- Boordcomputer (TRIP)
- Check control (*)
(*) Zie voor de beschrijving en de werking de betreffende paragraaf.
BEDIENINGSORGANEN
1 - Keuzetoetsen autoradio/cassettespeler/CD (indien aanwezig)
2 - Knop voor in- en uitschakeling ICS en autoradio en volume-/audio-regeling
3 - Knop voor selecteren en beves - tigen ICS-functies
4 - Toets voor weergave scherm van de autoradio-instellingen
5 - Keuzetoets voor taal, functies klokje en instelling snelheidslimiet
6 - Toets voor functies boordcomputer (TRIP)
7 - Toets voor traploze regeling lichtsterkte scherm.
IN-/UITSCHAKELEN
Het ICS schakelt automatisch in als u bij het starten van de motor de contactsleutel in stand MAR draait. Het schakelt uit als u de sleutel in stand STOP draait.
Als u op knop 2 (fig. 57) drukt bij uitgenomen contactsleutel, wordt alleen de radio ingeschakeld. Deze wordt na ongeveer 20 minuten automatisch uitgeschakeld.
LICHTSTERKTEREGELING DISPLAY
Na inschakeling kan het, afhankelijk van de temperatuur, enige minuten duren voordat de ingestelde lichtsterkte wordt bereikt.
Om de lichtsterkte te regelen moet, met in- of uitgeschakelde buitenverlichting, de knop LIGHT 7 ingedrukt worden gehouden: de lichtsterkte verloopt van maximum naar minimum en van minimum naar maximum in ongeveer 2 seconden, en blijft ongeveer 1 seconde op het minimum en maximum niveau.
BELANGRIJK Als de lichtsterkte op het minimum niveau staat, is het display onleesbaar.
Als de buitenverlichting wordt ingeschakeld, vermindert de lichtsterkte van het display automatisch en wordt de verlichting van de toetsen samen met de instrumentenpaneelverlichting geregeld.
Iedere keer als de motor wordt gestart, wordt zowel bij in- als uitgeschakelde buitenverlichting automatisch dezelfde lichtsterkte ingesteld als voor het uitzetten van de motor.
MULTIFUNCTIONEEL DISPLAY
Bij het starten toont het display ongeveer 4 seconden het LANCIA-embleem. Daarna verschijnt een nieuw scherm dat twee verschillende configuraties kan hebben (fig. 58-59) afhankelijk van de werking van het ICS.
Het scherm dat gewoonlijk wordt weergegeven, is in 4 gebieden onderverdeeld met de volgende informatie (fig. 58):
A – Informatie over de werking van de autoradio/CD (indien aanwezig) en het motoroliepeil (alleen diesel - uitvoeringen).
B – Analoog klokje en eventuele controle-/waarschuwingslampjes.

fig. 58
C – Datum, digitaal klokje en storingsmeldingen.
D – Symbol van de auto met waarschuwingslampjes voor niet goed gesloten portieren en koffer deksel/achterklep, functies boordcomputer (TRIP), SETUP-functie, functies autoradio en EXP-functies.
In gebied A verschijnt alleen informatie over de werking van de auto - radio als de radio is ingeschakeld; bij uitgeschakelde radio verschijnt het opschrift RADIO OFF. Als de CD-speler (indien aanwezig) is ingeschakeld, wordt het volgende weergegeven:
- het nummer van de geselecteerde CD (van 1 tot 6)
- het geselecteerde muziekstuk
- de speelduur van het geselecteer- de muziekstuk.
Het motoroliepeil (alleen dieseluit-voeringen) verschijnt als de veilig - heidslimiet is overschreden.
Als er eventueel controle-/waarschuwingslampjes in gebied B worden weergegeven, verschijnt het analoge klokje niet en wordt de tijd digitaal weergegeven in gebied C.
Als de ingestelde snelheidslimiet wordt overschreden, verschijnt in gebied B het opschrift LIMIET OVERSCHREDEN.
In gebied C worden de datum, het digitale klokje (als het analoge klokje niet wordt weergegeven door de aanwezigheid van controle-/waarschuwingslampjes) en de storingsmeldingen LAMPJE STORING IN ABS, LAMPJE STORING IN EBD, LAMPJE STORING IN ASR of DEFECTE BUITENVERLICHTING weergegeven. Deze opschriften worden ongeveer 5 seconden weergegeven bij inschakeling van het systeem of als er een storing wordt gesignaleerd. Hierna lichten de betreffende lampjes in gebied B op.
In gebied D verschijnen, afhankelijk van de werking van het systeem, het symbool van de auto met de controle-/waarschuwingslampjes voor niet goed gesloten portier en kofferdeksel/achterklep, de functie boordcomputer (TRIP), de SETUP-functie, de functies van de autoradio en de EXP-functies.
Bij een storing in de verbinding tussen het instrumentenpaneel en het ICS verschijnt het opschrift GEEN SIGNAAL NAAR CHECK EN BOORDCOMPUTER. Neem in dit geval contact op met de Lancia-dealer.
Als u op één van de toetsen HELP RADIO, SETUP of TRIP drukt, verschijnt het scherm (fig. 59) met de functie TERUG (✗) Dit scherm bestaat uit drie delen en kan de volgende informatie tonen:
E – Als u op de toets HELP RADIO 4 drukt, worden de audio-instellingen van de radio weergegeven: VOLUME / BASS / TREBLE / BALANCE / FADER / ZENDER 1-2-3-4-5-6 / FM 1-2-3 / LW / MW.

fig. 59
Als u op de toets SETUP 5 drukt, worden de volgende keuzemogelijkheden weergegeven:SNELHEIDS-LIMIET / TIJD INSTELLEN / DATUM INSTELLEN / WEKKER / BANDEN (SPANNING) (vaste waarde) / TAAL 1-2-3-4-5 / OFFICIELE TIJD ON-OFF.
Als u op de toets TRIP 6 drukt, worden de volgende waarden weergegeven: ACTIERADIUS / GEMIDDELD VERBRUIK / AFSTAND (aantal kilometers na het op nul zetten) / GEMIDDELDE SNELHEID / REISTIJD.
F - Digitaal klokje (als er geen controle-/waarschuwingslampjes aan wezig zijn) en waarschuwings lampjes (bij een storing).
G – Informatie over de werking van de radio of CD (bij ingeschakelde radio) of het opschrift RADIO OFF (bij uitgeschakelde radio).
Als u in het hoofdscherm met de verschillende menu's de functie TERUG, die in bepaalde schermen wordt weergegeven met het symbool, selecteert en bevestigt, keert u terug naar het hoofdscherm van het ICS. (fig. 58); als u in een scherm met submenu's de functie TERUG selecteert en bevestigt, keert u terug naar het vorige scherm.
Als deze functie wordt geselecteerd, wordt de pijl van de functie TERUG in bepaalde schermen wit.
SCHERMINSTELLINGEN (fig. 60)
Als u op de toets SETUP 5 (fig. 57) drukt, met de contactsleutel in stand MAR en na het verdwijnen van het LANCIA-embleem, verschijnt het scherm met de functies:
- WEKKER (afstellen) en ON/ OFF
- BANDEN (waarde van de voorgeschreven bandenspanning)
- OFFICIËLE TIJD ON/OFF
- ITALIAANS
- ENGELS
- FRANS
- Duits
- SPAANS.
Selecteer na het beëindigen van de instellingen de functie TERUG ( door knop 3 (fig. 57) te draaien en in te drukken voor bevestiging, om terug te keren naar het hoofdscherm.
Tijd instellen
Selecteer voor het instellen van de tijd de functie TIJD INSTELLEN (fig. 60) door knop 3 (fig. 57) te draaien en in te drukken voor bevestiging. Op het display verschijnt het scherm met de volgende velden (fig. 61):
Selecteer het veld A(uur) door knop 3 te draaien en in te drukken voor bevestiging.
Draai vervolgens knop 3 rechtsom om het ingestelde uur te verhogen en omgekeerd. Als het scherm de gewenste waarde toont, druk dan op knop 3 om de instelling te bevestigen.

fig. 61
Selecteer het veld B (minuten) door knop 3 te draaien en in te drukken voor bevestiging.
Draai vervolgens knop 3 rechtsom om de ingestelde minuten te verhogen en omgekeerd. Als het scherm de gewenste waarde toont, druk dan op knop 3 om de instelling te bevestigen.
Selecteer na de instelling het veld TERUG C door knop 3 te draaien en in te drukken voor bevestiging, om terug te keren naar het scherm SETUP (fig. 60).
Als het analoge klokje wordt ingesteld, wordt automatisch ook het digitale klokje ingesteld.
Inschakelen/uitschakelen van de officiële tijd
Met de functie OFFICIËLE TIJD ON/OFF kan van de officiële tijd naar de zomertijd worden overgeschakeld en omgekeerd zonder de instelling van het klokje te wijzigen.
Als u de functie OFFICIÈLE TIJD ON (☑ selecteert, wordt de instelling van het klokje met een uur verhoogd; als u de functie OFFICIÈLE TIJD OFF (☐ selecteert, wordt de ingestelde tijd verlaagd.
Selecteer OFFICIËLE TIJD om de functie in- of uit te schakelen √ □ met knop 3 en druk de knop in voor bevestiging.
Datum instellen
Selecteer voor het instellen van de datum de functie SET DATA (fig. 60) door knop 3 (fig. 57) te draaien en in te drukken voor bevestiging. Op het display verschijnt het scherm met de volgende velden (fig. 62):
- Dag A
- Maand B
- Jaar C
- TERUG D.

fig. 62
Selecteer het veld A (dag) door knop 3 te draaien en in te drukken voor bevestiging.
Draai vervolgens knop 3 rechtsom om de ingestelde dag te verhogen (van 1 tot 31) en omgekeerd (van 31 tot 1). Als het scherm de gewenste waarde toont, druk dan op knop 3 om de instelling te bevestigen.
Selecteer het veld B (maand) door knop 3 te draaien en in te drukken voor bevestiging.
Draai vervolgens knop 3 rechtsom om de ingestelde maand te verhogen (van 1 tot 12) en omgekeerd (van 12 tot 1). Als het scherm de gewenste waarde toont, druk dan op knop 3 om de instelling te bevestigen.
Selecteer het veld C (jaar) door knop 3 te draaien en in te drukken voor bevestiging.
Draai vervolgens knop 3 rechtsom om het ingestelde jaar te verhogen en omgekeerd. Als het scherm de gewenste waarde toont, druk dan op knop 3 om de instelling te bevestigen.
Selecteer na de instelling het veld TERUG D door knop 3 te draaien en in te drukken voor bevestiging, om terug te keren naar het scherm SETUP (fig. 60).
Wekker instellen en in-/uit- schakelen
Selecteer voor het instellen van de wekker de functie WEKKER (fig. 60) door knop 3 (fig. 57) te draaien en in te drukken voor bevestiging. Op het display verschijnt het scherm met de volgende velden (fig. 63):
- Uur A
- Minuten B
- TERUG C.

fig. 63
Selecteer het veld A(uur) door knop 3 te draaien en in te drukken voor bevestiging.
Draai vervolgens knop 3 rechtsom om het ingestelde uur te verhogen en omgekeerd. Als het scherm de gewenste waarde toont, druk dan op knop 3 om de instelling te bevestigen.
Selecteer het veld B (minuten) door knop 3 te draaien en in te drukken voor bevestiging.
Draai vervolgens knop 3 rechtsom om de ingestelde minuten te verhogen en omgekeerd. Als het scherm de gewenste waarde toont, druk dan op knop 3 om de instelling te bevestigen.
Selecteer na de instelling het veld TERUG C door knop 3 te draaien en in te drukken voor bevestiging, om terug te keren naar het scherm SETUP (fig. 60).
Selecteer de wekker door knop 3 te draaien en in te drukken voor bevestiging. Schakel vervolgens de wekker in of uit met de functie ON/OFF.
Als de wekker is ingeschakeld, verschijnt op het hoofdscherm het opschrift ON.
Als de wekker is ingeschakeld, gaat de wekker op de ingestelde tijd ongeveer 12 seconden af, ook bij uitgenomen contactsleutel.
Taalkeuze
Selecteer om de taal van het scherm van het display in te stellen, de betreffende taal met knop 3 (fig. 57) en druk de knop in voor bevestiging.
De beschikbare talen zijn ITALIAANS - ENGELS - FRANS -DUITS - SPAANS.
Snelheidslimiet
De functie SNELHEIDSLIMIET zorgt ervoor dat de bestuurder iedere keer door middel van een akoestisch en/of zichtbaar signaal wordt gewaarschuwd als de ingestelde snel heidslimiet wordt overschreden.
Selecteer de functie door knop 3 (fig. 57) en druk de knop in voor bevestiging.
Op het display verschijnt het scherm (fig. 64) met de volgende velden:
- Ingestelde snelheidslimiet in km/h A
- In- of uitschakeling van de ingestelde snelheidslimiet B

fig. 64
- In- of uitschakeling van het akoes tische signaal C
- TERUG D.
Selecteer het veld A (ingestelde snelheid) door knop 3 te draaien en in te drukken voor bevestiging.
Draai vervolgens knop 3 rechtsom om de ingestelde snelheid te verhogen en omgekeerd. Als het scherm de gewenste waarde toont, druk dan op knop 3 om de instelling te bevestigen.
Selecteer de functie SNELHEIDS - LIMIET door knop 3 te draaien en in te drukken voor bevestiging. Schakel de limiet vervolgens in of uit met de functie ON en OFF B.
Selecteer de akoestische waarschuwing door knop 3 te draaien en in te drukken voor bevestiging. Schakel de waarschuwing vervolgens in of uit met de functie ON en OFF C.
Als de functie SNELHEIDS LIMIET is ingeschakeld en de limiet wordt overschreden, voert het systeem het volgende uit:
- activering van de akoestische waarschuwing (als de betreffende functie ON C is ingeschakeld) gedurende ongeveer 4 seconden, als de snelheid niet onder de limiet van ten minste 5 km/h daalt;
- overschakeling van het hoofdscherm naar het functiescherm SNELHEIDSLIMIET (fig. 64) voor eventuele wijziging van de ingestelde waarde of in-/uitschakeling van de akoestische waarschuwing of de functie zelf;
- op het scherm verdwijnt het op - schrift LIMIET OVERSCHREDEN;
- activering, als de radio is ingeschakeld, van de functie MUTE (volume uitschakelen).
Het opschrift LIMIET OVER-SCHREDEN blijft weergegeven zo -lang als de snelheid niet onder de limiet van ten minste 5 km/h daalt of als de functie SNELHEIDS -LIMIET wordt uitgeschakeld.
Selecteer na het instellen van de functie het veld TERUG D door knop 3 te draaien en in drukken voor beves tiging, om terug te keren naar het scherm SETUP (fig. 60).
Bandenspanning
Als u met knop 3 (fig. 57) de functie BANDEN selecteert en bevestigt, verschijnen op het scherm de waarden van de bandenspanning, af hankelijk van de beladingsgraad.
BELANGRIJK De functie geeft geen aanwijzingen over de werkelijke bandenspanning. De bandenspanning moet daarom regelmatig worden gecontroleerd.
BOORDCOMPUTER (fig. 65)
Als u op de toets TRIP 6 (fig. 57) drukt, met de contactsleutel in stand MAR en na het verdwijnen van het LANCIA-embleem, verschijnt het scherm met de functies:
- ACTIERADIUS
- GEMIDDELD VERBRUIK (TRIP MODE)
- VERBRUIK OP HET MOMENT (KEY MODE)
- AFSTAND (aantal kilometers na het op nul zetten)
- REISTIJD (vanaf het vertrek of na het op nul zetten)
- KEY/TRIP
- TRIP OP NUL ZETTEN.
Als de functie TRIP is ingeschakeld (gegevens handmatig op nul zetten) kunnen de gegevens op nul worden gezet door in een ander functiescherm het veld TRIP OP NUL ZETTEN te selecteren en te bevestigen.
Druk na de instelling opnieuw op de toets TRIP 6 (fig. 57) om terug te keren naar het hoofdscherm of op de toets HELP RADIO 4 om naar het scherm van de radiofuncties te gaan of op de toets SETUP 5 om het scherm met de scherm-instellingen te openen.

fig. 65
BELANGRIJK Als u bij het starten van de motor de sleutel in stand MAR draait, verwerkt de boordcomputer de gegevens die noodzakelijk zijn voor het berekenen van de verschillende functies.
Tijdens deze fase die 30 seconden duurt, worden de actieradius, het gemiddeld verbruik, enz. niet meer op het scherm weergegeven.
Als u met knop 3 (fig. 57) de functie ACTIERADIUS selecteert en bevestigt, toont het scherm bij benadering de afstand (in km/h en met een resolutie van 1 km) die nog kan worden afgelegd met de nog in de tank aanwezige brandstof. Dit is berekend op basis van het gemiddelde verbruik van voor het inschakelen van de functie.
De actieradius wordt iedere 30 seconde door het systeem bijgewerkt. De berekening is tot op minder dan 1 km nauwkeurig.
BELANGRIJK Als de actieradius lager dan 50 km is en de auto op reservebrandstof rijdt, worden in plaats van de actieradius streepjes weergegeven. Als de actieradius lager dan 50 km is en de auto nog niet op reservebrandstof rijdt, wordt de waarde 50 continu weergegeven.
Om terug te keren naar het hoofdscherm van de boordcomputer (fig. 65) moet u met knop 3 (fig. 57) de functie TERUG selecteren en bevestigen.
Gemiddeld verbruik (zichtbaar in TRIP MODE) (fig. 67)
Als u met knop 3 (fig. 57) de functie GEMIDDELD VERBRUIK selecteert en bevestigt, toont het scherm het gemiddelde brandstofverbruik van de laatste 5 minuten (in l/100 km en met een resolutie van 0,1 l/100 km).

fig. 66
Het gemiddeld verbruik wordt iedere seconde door het systeem bijgewerkt. De berekening is tot op minder dan 0,1 l/100 km nauw -keurig.
Om terug te keren naar het hoofdscherm van de boordcomputer (fig. 65) moet u met knop 3 (fig. 57) de functie TERUG selecteren en bevestigen.
Verbruik op het moment (zichtbaar in KEY MODE)
Als u de functie VERBRUIK OP HET MOMENT selecteert en bevestigt, toont het scherm het gemiddelde brandstofverbruik van de laatste 5 minuten (in l/100 km).

fig. 67
AFSTAND (afstand traject) (fig. 68)
Als u met knop 3 (fig. 57) de functie AFSTAND selecteert en bevestigt, toont het scherm de afgelegde afstand (in km en met een resolutie van 0,1 km) na het op nul zetten van de boordcomputer (zie de paragraaf "Gegevens van de computer op nul zetten").
De afgelegde afstand wordt iedere seconde door het systeem bijgewerkt. De berekening is tot op minder dan 1 km nauwkeurig. De maximale waarde die wordt aangegeven is 25.000 km.
Om terug te keren naar het hoofdscherm van de boordcomputer (fig. 65) moet u met knop 3 (fig. 57) de functie TERUG selecteren en bevestigen.
Gemiddelde snelheid (fig. 69)
Als u met knop 3 (fig. 57) de functie GEMIDDELDE SNELHEID selecteert en bevestigt, toont het scherm de gemiddelde snelheid vanaf het begin van de reis (in km/h en met een resolutie van 0,1 km/h). De gemiddelde snelheid wordt alleen berekend als de motor draait.
De gemiddelde snelheid wordt iedere seconde door het systeem bijgewerkt. De berekening is tot op minder dan 0,1 km/l nauwkeurig.
Om terug te keren naar het hoofdscherm van de boordcomputer (fig. 65) moet u met knop 3 (fig. 57) de functie TERUG selecteren en bevestigen.
Reistijd (reisduur) (fig. 70)
Als u met knop 3 (fig. 57) de functie REISTIJD selecteert en bevestigt, toont het scherm de reistijd (in uren en minuten) na het op nul zetten van de boordcomputer (zie de paragraaf "Gegevens van de boordcomputer op nul zetten").
De reistijd wordt iedere minuut door het systeem bijgewerkt. De berekening is tot op minder dan 2 seconden nauwkeurig. De maximale waarde die wordt aangegeven is 99h en 59 s.
Om terug te keren naar het hoofdscherm van de boordcomputer (fig. 65) moet u met knop 3 (fig. 57) de functie TERUG selecteren en bevestigen.

fig. 68

fig. 69

fig. 70
Keuzemogelijkheid voor werking computer
Met de functies KEY en TRIP (fig. 71) kan één van de werkingen van het systeem worden ingesteld.
De belangrijkste verschillen tussen de twee functies zijn de manier waar op het scherm wordt weergegeven en de wijze waarop de gegevens op nul worden gezet.
Als u de functie KEY (KEY √) activeert, wordt iedere keer als de motor wordt gestart het scherm van de computer automatisch weergegeven en worden de gegevens op nul gezet.
Als u de functie TRIP (TRIP √) activeert, moeten de gegevens handmatig op nul worden gezet met de functie TRIP OP NUL ZETTEN en wordt het scherm van de computer pas weergegeven als op de toets TRIP 6 (fig. 57) wordt gedrukt.
Kies een werking door met knop 3 (fig. 57) de functie KEY of TRIP te selecteren en te bevestigen. Als u nogmaals op knop 3 drukt, wordt van de ene naar de andere werking overgeschakeld.

fig. 71
Gegevens van de computer op nul zetten
De gegevens van de computer kunnen op nul worden gezet door de functie TRIP OP NUL ZETTEN (fig. 71) met knop 3 (fig. 57) te selecteren en te bevestigen. Als deze functie wordt bevestigd, worden alle opgeslagen gegevens op nul gezet.
De functie TRIP OP NUL ZETTEN is alleen beschikbaar als de functie TRIP is geactiveerd.
Als de functie TRIP is ingeschakeld (gegevens handmatig op nul zetten) kunnen de gegevens op nul worden gezet door in een ander functiescherm het veld TRIP OP NUL ZETTEN te selecteren en te bevestigen.
AUTORADIO
(geïntegreerd in het ICS van Lancia zonder NAVIGATIESYSTEEM)

fig. 72
P4T0251
BEDIENINGSPANEEEL
1 - Voorkeuzetoets, PTY-program ma en functie volgend muziekstuk op CD
2 - Voorkeuzetoets, PTY-programma en functie muziekstukken op CD her - halen
3 - Voorkeuzetoets, PTY-programma en functie muziekstukken op CD wil- lekeurig weergeven
4 - Voorkeuzetoets en PTY-programma
5 - Voorkeuzetoets, PTY-programma en functie vorige CD selecteren
6 - Voorkeuzetoets, PTY-programma en functie volgende CD selecteren
7 - Keuzetoets radio, cassettespeler, CD-speler (indien geïnstalleerd)
8 - Keuzetoets AUDIO-functies (Bass/Treble/Balance/Fader/Volume). Op en-kele uitvoeringen kan onder het op-schrift AUDIO het opschrift MUTE staan
9 - Knop voor in- en uitschakeling: display, radio en volumeregeling
10 - Inschakeltoets LOUDNESS-functie (automatisch voor hifi-audio-systeem)
11 - Inschakeltoets Traffic Program en Alternative Frequency (voor ontvangst van RDS-programma's)
12 - Inschakeltoets functies: SCAN (opgeslagen zenders kort beluisteren), MSS (Music Search System) om een muziekstuk over te slaan of te herhalen
13 - Inschakeltoets IS-functie om een zender met optimale ontvangst te zoeken
14 - Inschakeltoets EXP-functie voor instellen van parameters voor de autoradio
15 - Knop voor het selecteren en bevestigen van functies en veldwaarden
16 - Keuzetoets zenderband (LW - MW - FM) en inschakeling AUTO-REVERSE cassette. Op enkele uitvoeringen kan onder het opschrift BAND het opschrift DIR staan in plaats van het afgebeelde symbool
17 - Toets voor zenderzoeken op hogere frequentie en snel vooruit spoelen van de cassette
18 - Toets voor zenderzoeken op lagere frequentie en snel achteruit spoelen van de cassette
19 - Keuzetoets Dolby/Mono
20 - Inschakeltoets functie maximale ontvangstgevoeligheid
21 - Inschakeltoets RADIO-scher-
men
22 - Toets LIGHT voor lichtsterkte-regeling DISPLAY
23 - Uitwerptoets audiocassette.
BEDIENINGSORGANEN OP HET STUURWIEL (fig. 73) (indien aanwezig)
Ook op het stuurwiel zijn de bedieningsknoppen van de belangrijkste functies van de autoradio geplaatst, zodat u tijdens het rijden de auto radio kunt bedienen zonder afgeleid te worden:

fig. 73
A - Druktoets verhogen volume
B - Druktoets MUTE (volume op nul zetten)
C - Druktoets verlagen volume
D - Druktoets voor zenderzoeken op hogere frequentie, snel vooruit spoelen van de cassette en weergave volgend muziekstuk op CD
E - Keuzetoets radio, cassettespeler, CD-speler (indien geïnstalleerd)
F - Druktoets voor zenderzoeken op lagere frequentie, snel achteruit spoelen van de cassette en weergave vorig muziekstuk op CD.
Volumeregeling
Druk op toets A om het volume te verhogen of op toets C om het te verlagen (zie de aanwijzingen in de paragraaf "Volumeregeling"). De functie van de toetsen is gelijk aan die van knop 9 (fig. 72) op het ICS van Lancia.
Volume op nul zetten (MUTE)
Druk op toets MUTE B om de functie voor het op nul zetten van het volume in of uit te schakelen. De functie van de toets is gelijk aan die van toets AUDIO 8 op het ICS van Lancia, en heeft betrekking op de functie MUTE.
Keuzemogelijkheid voor geluidsbron systeem (Radio, Cassette of Compact Disc)
Druk meerdere keren op toets MODE E om de functies Radio, Cassette (indien geplaatst), Compact Disc (indien de CD-speler is geïnstalleerd) en Phone (als de handsfree carkit/mobiele telefoon is geïnstalleerd) te kiezen.
De functie van toets MODE E is gelijk aan die van toets MODE 7 (fig. 72) op het ICS van Lancia.
Instellingen Radio, Cassette en Compact Disc
De toetsen D en F activeren de drie verschillende functies, afhankelijk van de met toets MODE E geselecteerde geluidsbron (Radio, Cassette of Compact Disc).
De functies van de toetsen zijn gelijk aan die van de toetsen 17 en 18 (fig. 72) op het ICS van Lancia, en hebben betrekking op de hierna vermelde functies.
1) Functie Radio: zenderafstemming
Druk op toets D of F om de zenders op de gekozen zenderband te zoeken.
2) Functie Cassette: snel vooruit/achteruit spoelen
Druk op toets D of op toets F om res pectievelijk de cassette snel vooruit of achteruit te spoelen (zie de aan - wijzingen in de paragraaf "Snel voor - uit/achteruit spoelen").
3) Compact Disc: volgend/vorig muziekstuk op CD selecteren
Druk op toets D of op toets F voor weergave van respectievelijk het volgende of vorige muziekstuk van de CD die wordt beluisterd (zie de aanwijzingen in de paragraaf "Muziekstuk selecteren of herhalen").
TIPS EN AANWIJZINGEN
Verkeersveiligheid
Wij raden u aan om bekend te raken met de verschillende functies van de autoradio (bijv. het opslaan van zenders) voordat u gaat rijden.

Een te hoog volume tij- dens het rijden kan zowel uw leven als het leven van anderen in gevaar brengen. Wij raden u dan ook aan om het volume altijd zo te regelen dat geluiden van buiten (bijv. claxons, sirenes van ambulance, brandweer, politie e.d.) hoorbaar blijven.
Ontvangstomstandigheden
Tijdens het rijden wisselen de ont- vangstomstandigheden voortdurend. De ontvangst kan gestoord worden door de aanwezigheid van bergen, ge- bouwen of bruggen, vooral als u ver verwijderd bent van de zender waarnaar u luistert.
BELANGRIJK Bij verkeersinformatie kan het volume aanzienlijk toenemen in vergelijking tot de normale weergave.
Voorzorgsmaatregelen en onderhoud
Zonder dat er speciale voorzorgs - maatregelen nodig zijn, is een lange levensduur van de speciaal ontworpen autoradio gegarandeerd. Raadpleeg bij storingen een Lancia-dealer.
Stel de cassettebandjes nooit bloot aan hitte en direct zonlicht en berg ze na gebruik altijd op in de cassette-doosjes.
Wij raden het gebruik aan van cas- settes van een goede kwaliteit en met een speelduur van maximaal 90 minuten, waardoor altijd een perfecte weergave is gegarandeerd.
Maak het display en het bedienings - paneel alleen met een zachte en anti- statische doek schoon. Schoonmaaken glansmiddelen kunnen het front beschadigen.
Vuil op de koppen van de cassette-speler kan na verloop van tijd een vermindering van de hoge-tonen - weergave veroorzaken.
Wij raden u daarom aan om de koppen regelmatig met een reinigingscassette schoon te maken.
Het oppervlak van de CD's mag niet met de vingers worden aangeraakt of stoffig worden; krassen op de CD's veroorzaken een onderbreking van de weergave.
Plaats geen beschadigde of vervormde CD's in de wisselaar.
Stel de CD's niet bloot aan warmte-bronnen of zonnestraling.
Als het oppervlak vuil is, kan de CD vanuit het midden naar de rand worden schoongemaakt met een zachte doek.
Toets Functie radio Functie cassettespeler Functie CD-wisselaar Functie PHONE-IN
| Kort 2 tot 4 sec. I> dan 4 sec. Kort > dan 2 sec. Kort > dan 2 sec. Kort > dan 2 sec. indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken in Indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukker indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukkenindrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrokken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukke indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken Indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken in Undrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indulkken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukkel in Undrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukke indukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken in Undrikken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukket in Undrikken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukket in Undirkken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukkan indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken INDUKEN IN DURKEN IN DURKEN IN DURKEN IN DURKEN IN DURKEN IN DURKEN IN DURKEN IN DURKEN IN DURKEN IN DURKEN IN DURKEN IN DURKEN IN DURKEN IN DURKEN IN DURKEN IN DURKEN IN DURKEN IN DURKEN IN DURKEN IN DURKEN IN DURKMEN IN DURKMEN IN DURKMEN IN DURKMEN IN DURKMEN IN DURKMEN IN DURKMEN IN DURKMEN IN DURKMEN IN DURKMEN IN DURKMEN IN DURKMEN IN DURKMEN IN DURKMEN IN DURKMEN IN DURKMEN IN DURKMEN IN DURKMEN IN DURKMEN IN DURKMEN IN DURKEN IN DURKMEN IN DURKMEN IN DURKMEN IN DURKMEN IN DURKMEN IN DURKMEN IN DURKMEN IN DURKMEN IN DURKMEN IN DURKMEN IN DURKMEN IN DURKMEN IN DURKMEN IN DURKMEN IN DURKMEN IN DURKMEN IN DURKMEN IN DURKMEN IN DURKEN IN DURKEN IN DURKEN IN DURKEN IN DURKEN IN DURKEN IN DURKEN IN DURKEN IN DURKEN IN DURKEN IN DURKEN IN DURKEN IN DURKEN IN DURKEN IN DURKEN IN DURKEN IN DURKEN IN DURKEN IN DURKEN IN DURKRIN IN DURKRIN IN DURKRIN IN DURKRIN IN DURKRIN IN DURKRIN IN DURKRIN IN DURKRIN IN DURKRIN IN DURKRIN IN DURKRIN IN DURKRIN IN DURKRIN IN DURKRIN IN DURKRIN IN DURKRIN IN DURKRIN IN DURKRIN IN DURKRIN IN DURKRIN IN DURKRITN IN DURKRITN IN DURKRITN IN DURKRITN IN DURKRITN IN DURKRITN IN DURKRITN IN DURKRITN IN DURKRITN IN DURKRITN IN DURKRITN IN DURKRITN IN DURKRITN IN DURKRITN IN DURKRITN IN DURKRITN IN DURKRITN IN DURRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN INDURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DUSKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATININ DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATTIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DULRRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN NDRKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN In DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATAIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DURKRATIN IN DUEKRATIN IN DUEKRATIN IN DUEKRATIN IN DUEKRATIN IN DUEKRATIN IN DUEKRATIN IN DUEKRATIN IN DUEKRATIN IN DUEKRATIN IN DUEKRATIN IN DUEKRATIN IN DUEKRATIN IN DUEKRATIN IN DUEKRATIN IN DUEKRATIN IN DUEKRATIN IN DUEKRATININ DUEKRATIN IN DUEKRATIN IN DUEKRATIN IN DUEKRATIN IN DUEKRATIN IN DUEKRATIN IN DUEKRATIN IN DUEKRATIN IN DUEKRATIN IN DUEKRATIN IN DUEKRATIN IN DUEKRATIN IN DUEKRATIN IN DUEKRATIN IN DUEKRATIN IN DUEKRATIN IN DUEKR | ||
(■) Frequenties in geheugen opslaan met de voorkeuzetoetsen 1÷6
(◆) Programmatype opslaan (PTY)
(□) Status ingeschakelde CD-functies
Toets Functie radio Functie cassettespeler Functie CD-wisselaar Functie PHONE-IN
(■) Frequenties in geheugen opslaan onder de voorkeuzetoetsen 1÷6 (♦) Programmatype opslaan (PTY) (□) Status ingeschakelde CD-functies (•) Keuzetoets
| Toets Functie radio Functie cassettespeler Functie CD-wisselaar Functie PHONE-INKort 2 tot 4 sec. > dan 4 sec. Kort > dan 2 sec. Kort > dan 2 sec. Kort > dan 2 sec.indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrokken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukken indrukke | |||||||||
| 17 | ▶ | AM: Automatisch zenderzoekenFM: LEARN SCAN FM SEARCH PTY: Volgend program-matype selecteren | AM: Handmatig zoekenFM: Keuze tussen IS SCAN en RDS SEARCH PTY: Autom. zoeken naar gese-lecteerd pro-grammatype (PTY) | FM: Handmatig zenderzoeken | Snel vooruit spoelenMet ingeschakeld MSS:muziekstuk overslaan/volgend muziekstuk zoeken | Volgend muziek-stuk selecteren | Snel vooruit spoelen | Snel terug-spoelen | |
| 18 | ◀ | AM: Automatisch zenderzoekenFM: LEARN SCAN FM SEARCH PTY: Vorig pro-grammatype selecteren | AM: Handmatig zoekenFM: Keuze tussen IS SCAN en RDS SEARCH PTY: Autom. zoeken naar ge-selecteerd program-matype (PTY) | FM: Handmatig zoeken | Snel achteruit spoelenMet ingeschakeld MSS: muziekstuk overslaan/begin van muziekstuk zoeken | Voorgaand muziekstuk selecteren | Snel terug-spoelen | ||
| 19 | DOLBY MONO | Keuzetoets STEREO/MONO | Keuze Dolby B ON/OFF | ||||||
| 20 | DX | Keuzetoets maximum ontvangst-gevoeligheid | |||||||
| 21 | HELP RADIO | Scherm met ra-dio-instellingen | |||||||
| 22 | LIGHT | Lichtsterkteregeling display | Lichtsterkte-regeling display | Lichtsterkte-regeling display | Lichtsterkteregeling display | Lichtsterkteregeling display | Lichtsterkteregeling display | Lichtsterkteregeling display | Lichtsterkteregeling display |
| 23 | ⚠️ | Klep openen Cassette uitwerpen | Klep openen Cassette uitwerpen | Klep openen Cassette uitwerpen | Klep openen Cassette uitwerpen | ||||
(■) Frequenties in geheugen opslaan met de voorkeuzetoetsen 1÷6
(◆) Programmatype opslaan (PTY)
(□) Status ingeschakelde CD-functies
ALGEMENE INFORMATIE
Diefstalbeveiliging
De autoradio is uitgerust met een diefstalbeveiliging die bestaat uit een geheime 4-cijferige code.
De diefstalbeveiliging zorgt ervoor dat de autoradio onbruikbaar wordt als deze bij diefstal uit het dashboard wordt weggenomen.
CODE-card
Op het registratiebewijs van de auto - radio zijn het model, het serienummer en de bijbehorende geheime code op- genomen.
Het serienummer komt overeen met het nummer dat op het apparaat is aangebracht.
De CODE-card vereenvoudigt bij eventuele diefstal de opsporing en geeft in combinatie met het eigendomsbewijs de verzekeringsmaatschappij de gelegenheid tot vervolging van de dader.
Bewaar de documenten altijd op een veilige plaats.
Veiligheid
Als de code is ingevoerd, wordt de autoradio elektronisch beveiligd bij onderbreking van de voeding van de autoradio.
U kunt de radio weer in bedrijf stellen door de geheime code in te voeren.
Display
Als de voeding wordt onderbroken nadat de code is ingevoerd, moet de tijd en de datum worden ingesteld.
Zie voor het uitvoeren van deze handeling en het instellen van de lichtsterkte van het display de paragraaf "ICS van Lancia met multifunctioneel display".
Werking met mobiele telefoon
De radio is voorbereid voor de aan-sluiting van een handsfree mobiele telefoon.
Tijdens de werking van de mobiele telefoon, wordt de geluidsweergave van de radio onderdrukt.
IN-/UITSCHAKELEN
De autoradio en het ICS schakelen automatisch in als bij het starten van de motor de contactsleutel in stand MAR wordt gedraaid. De autoradio schakelt uit als de contactsleutel in stand STOP wordt gedraaid.
Bij uitgeschakelde of uitgenomen contactsleutel schakelt de radio in als op knop 9 (fig. 72) wordt gedrukt. De autoradio schakelt na ongeveer 20 minuten automatisch uit. In dat geval kan de lichtsterkte van het display niet geregeld worden.
De wijze waarop de autoradio bij het starten van de motor in- of uitschakelt, kan worden gewijzigd met de IGN-functie (zie de paragraaf van de EXPERT-functies die geactiveerd kunnen worden door op toets 14 EXP) te drukken.
KNOP VOOR HET SELEC TE - REN/BEVESTIGEN VAN FUNC - TIES EN VELDWAARDEN (15)
Met knop 15 (fig. 72) rechts op het bedieningspaneel kunnen op elk scherm de afzonderlijke parameters geselecteerd en gewijzigd worden.
Als u de knop rechts- of linksom draait, gaat u van de ene naar de andere parameter.
Het opschrift bij de geselecteerde parameter wordt verlicht.
Als u de knop indrukt, wordt de keuze van de weergegeven parameter bevestigd.
VOLUMEREGELING
Volume
Het volume kan geregeld worden door knop 9 (fig. 72) te draaien. Als u de knop rechtsom/linksom draait, wordt het volume respectievelijk verhoogd/verlaagd.
Op het display verschijnt een regelaar met 16 streepjes, die geleidelijk oplichten als het volume wordt verhoogd. Ongeveer 5 seconden na de instelling verdwijnt de regelaar automatisch van het display.
Het volume kan ook worden ge - regeld met de toetsen op het stuurwiel A (fig. 73) (verhogen) en C (ver- lagen) (indien aanwezig).
Volumeregeling tijdens verkeersinformatie
Gebruik de TAVOL-functie (zie de paragraaf van de EXPERT-functies die geactiveerd kunnen worden door op toets 14 EXP te drukken).
Volumeregeling bij inschakelen
Gebruik de ONVOL-functie (zie de paragraaf van de EXPERT-functies die geactiveerd kunnen worden door op toets 14 EXP te drukken).
Snelheidsafhankelijke volumeregeling
Gebruik de SCVVOL-functie (zie de paragraaf van de EXPERT-functies die geactiveerd kunnen worden door op toets 14 EXP te drukken).
Volume op nul zetten (MUTE)
Druk langer dan 1 seconde op toets AUDIO 8 om het volume op nul te zetten.
Druk nogmaals langer dan 1 seconde op toets AUDIO 8 om het volume weer in te schakelen.
Volume op nul zetten tijdens een telefoongesprek
Gebruik de PHONE-functie (zie de paragraaf van de EXPERT-functies die geactiveerd kunnen worden door op toets 14 EXP te drukken).
OPROEPTOETS RADIO- INSTELLINGEN (21)
Als u op toets HELP RADIO 21 (fig. 72) drukt met de contactsleutel in stand MAR en na het verdwijnen van het LANCIA-embleem, verschijnt het scherm met de ingestelde radiofuncties en de bijbehorende waarden:
- VOLUME
- BASS
- TREBLE
- BALANCE
- FADER
- ZENDER 1
- ZENDER 2
- ZENDER 3
- ZENDER 4
- ZENDER 5
- ZENDER 6
- FM1
- FM2
- FM3
-LW
-MW.
Zie voor het instellen van de functies VOLUME, BASS, TREBLE, BALANCE en FADER de paragraaf "Geluidsniveau (AUDIO)".
De namen of frequenties van de 6 weergegeven zenders hebben betrekking op de geselecteerde zenderband (FM1 - FM2 - FM3 - LW - MW).
Als u de functie TERUG () selecteert en bevestigt, verschijnt het hoofdscherm op het display. Als u de functie TERUG selecteert, wordt de pijl wit.
GELUIDSNIVEAU (AUDIO) (8)
Als u langer dan 1 seconde op toets AUDIO 8 (fig. 72) drukt, met de sleutel in stand MAR en na het verdwijnen van het LANCIA-embleem, verschijnt het scherm (fig. 74) met de functies voor het geluidsniveau:
- BASS
- TREBLE
-BALANCE - FADER
- VOLUME.
Om van de ene naar de ander functie te gaan, moet herhaaldelijk op toets AUDIO 8 worden gedrukt.

fig. 74
De geactiveerde functie verschijnt rechts op het display, terwijl links - boven de waarde van de geselecteerde functie d.m.v. streepjes wordt weergegeven. Deze waarde kan worden veranderd door knop 9 (fig. 72) te draaien:
BASS: bassen regelen (waarde van -6 tot +6)
- TREBLE: hoge tonen regelen (waarde van -6 tot +6)
- BALANCE: verdeling van het geluid tussen de luidsprekers rechts en links in het interieur (waarde van 15 L - links tot 15 R - rechts)
FADER: verdeling van het geluid tussen de luidsprekers voor en achter in het interieur (waarde van15 R - achter tot 15 F - voor)
- VOLUME: volume regelen (van 0 tot 16).
Ongeveer 5 seconden na de laatste instelling verdwijnt automatisch het scherm van de AUDIO-functies.
BELANGRIJK Het systeem slaat de verschillende AUDIO-instellingen in het geheugen op tijdens het beluisteren van iedere audiobron (TAPE - RADIO - CD - PHONE) en roept ze weer op als de betreffende geluids - bron wordt gekozen.
Loudness-functie (LOUD) (10)
De LOUDNESS wordt in-/uitgeschakeld door op toets LOUD 10 (fig. 72) te drukken.
Als deze functie is ingeschakeld, verbetert de geluidskwaliteit bij een laag volume.
Als de functie is ingeschakeld, verschijnt op het display het opschrift "LOUD".
Op de uitvoeringen met hifi-systeem, wordt de Loudness-functie auto matisch ingeschakeld.
Functie Dolby/Mono (□□-MONO) (19)
De functie ☐-MONO wordt in-/uit-geschakeld door op toets ☐-MONO 19 (fig. 72) te drukken.
Het is raadzaam deze functie te gebruiken als op een zender is afgestemd die erg stoort, om de achtergrondruis te verminderen. Als de functie is ingeschakeld, verschijnt op het display het opschrift "STEREO".
Als de cassettespeler is ingeschakeld, is het raadzaam deze functie in te schakelen als de afgespeelde cassette van slechte kwaliteit is, om de achter - grondruis te verminderen. Als de functie is ingeschakeld, verschijnt op het display het symbool ☐☐.
De Dolby-ruisonderdrukking wordt gefabriceerd onder licentie van de Dolby Laboratories Licensing Corporation. Dolby en het "D"-symbool (☐) zijn door de Dolby Laboratories Licensing Corporation gedeponeerde handelsmerken.
KEUZEMOGELIJKHEID VOOR GELUIDSBRON (RADIO/CASSETTE/CD)
De gewenste geluidsbron kan worden ingeschakeld door op toets MODE 7 te drukken totdat de beschikbare mogelijkheden verschijnen. Druk vervolgens meerdere keren kort op de toets om de gewenste geluids - bron te kiezen:
- TAPE = cassettespeler
- CD = CD-speler (indien aanwezig)
- RADIO = afstemming op FM, MW en LW
PHONE = (alleen als de mobiele telefoon is geïnstalleerd).
Enkele seconden na de laatste keuze verdwijnt automatisch het scherm met de keuzemogelijkheid voor geluidsbron.
RADIO
Zenderbandkeuze
FM-zenderband: druk herhaaldelijk op toets BAND 16 totdat op het dis- play de gewenste zenderband "FM1", "FM2" of "FM3" verschijnt.
AM-zenderband: druk meerdere keren kort op toets BAND 16 totdat op het display het opschrift "MW" (middengolf) of "LW" (lange golf) verschijnt.
Last Station Memory
Nadat een zenderband is gekozen, is het mogelijk het laatste programmatype/de laatste zender waarop was afgestemd op deze zenderband te beluisteren (Last Station Memory).
Bij Last Station Memory slaat de installatie de instellingen op die voor het uitzetten van de installatie waren ingevoerd: geselecteerde zender, cassette, CD voor weergave bij de volgende inschakeling.
Ontvangst in stereo - FM
U ontvangt een uitzending in stereo als op het display het opschrift "STEREO" verschijnt.
Verkeersinformatie ontvangen (TP)
TP (Traffic Program) = RDS-zenders met verkeersinformatie.
TP-functie in-/uitschakelen
Druk om de functie in te schakelen kort op toets TP/AF 11 (fig. 72).
Als de functie is ingeschakeld, verschijnt op het display het opschrift "TP".
BELANGRIJK Als de zender waar - op is afgestemd geen RDS-zender is die verkeersinformatie kan uitzenden, wordt automatisch afgestemd op een zender die wel verkeersinformatie uitzendt.
Onderbreking van de verkeersinformatie
Druk kort op toets TP/AF 11. De mogelijkheid verkeersinformatie te ontvangen blijft echter bestaan.
Met het EON-systeem kan op radiozenders, waarop niet is afgestemd, verkeersinformatie worden ontvangen, en wordt de zender waarop was afgestemd onderbroken. Met de EON-functie kan tijdens het beluisteren van een zender, worden afgestemd op een andere zender van hetzelfde netwerk die verkeersinformatie uitzendt (alleen bij ingeschakelde TP-functie);
hierna wordt weer afgestemd op de oorspronkelijke zender.
BELANGRIJK De verkeersinformatie wordt op een laag volumeniveau weergegeven. Dit volume kan worden veranderd via het EXPERT-menu.
Als u alleen naar verkeersinformatie wilt luisteren, moet u de functie "ontvangst van verkeersinformatie-TP" d.m.v. toets TP/AF 11 inschakelen en het volume op nul zetten met knop 9 (fig. 72).
Tijdens het uitzenden van verkeers - informatie, wordt de eventuele weergave van een cassette of CD onderbroken.
Alternatieve frequentie (AF)
Als u naar een RDS-programma luis tert dat door meerdere zenders met verschillende frequenties wordt uitgezonden, dan stemt de autoradio automatisch af op de sterkste zender.
BELANGRIJK Als u zich in een slecht ontvangstgebied bevindt, kunnen de frequentiewisselingen herhaaldelijk door pauzes worden onder-
broken. In dat geval is het raadzaam de AF-functie uit te schakelen.
AF-functie uitschakelen
BELANGRIJK Deze functie kan alleen worden uitgeschakeld bij ontvangst van zenders met een alternatieve frequentie.
Druk ongeveer 3 seconden op toets TP/AF 11 totdat op het display het opschrift "AF —" verschijnt. Als u de knop loslaat, verschijnt op het display het opschrift "AF OFF" en wordt het opschrift "AF" niet meer op het dis- play weergegeven.
AF-functie inschakelen
Druk ongeveer 3 seconden op toets TP/AF 11 totdat op het display het opschrift "AF ON" verschijnt; laat vervolgens de toets los.
Op het display verschijnt het opschrift "AF".
Afstemmen op RDS-programma's (IS LEARN-functie)
Als de IS LEARN-functie wordt ingeschakeld, kunnen tot 30 programma's in het IS-geheugen (geheugen dat niet overeenkomt met de voor - keuzetoetsen) worden opgeslagen.
De opgeslagen programma's kunnen na elkaar worden opgeroepen.
Het IS-geheugen wordt gebruikt als u opnieuw de voorkeuzetoetsen wilt opslaan of als u in een ander ontvangstgebied komt en de al opge - slagen zenders niet wilt wissen.
Automatische IS LEARN-functie starten
Selecteer de zenderband "FM1", "FM2" of "FM3" door meerdere keren kort op toets BAND 16 (fig. 72) te drukken.
Druk op toets IS 13: op het display verschijnt het opschrift "IS ..." en het apparaat begint met zoeken.
BELANGRIJK Wacht altijd tot het automatisch zoeken (IS) beëindigd is. Als geen ontvangst mogelijk is, blijft de functie continu ingeschakeld, bijv. in een ondergrondse parkeergarage of bij een defecte antenne. U kunt het automatisch zoeken onderbreken door één van de voorkeuzetoetsen 1 t/m 6 in te drukken.
In het IS-geheugen kunnen maximaal 30 zenders met een optimale ontvangst worden opgeslagen.
Tijdens het intelligent automatisch zoeken (IS-functie) worden in het IS-geheugen eerst de RDS-zenders met programmacode opgeslagen en vervolgens de FM-zenders.
Inhoud van het IS-geheugen oproepen
Selecteer de IS-functie.
Druk ongeveer 3 seconden op toets 17 of 18 totdat op het display het opschrift "IS —" verschijnt.
Als u de knop loslaat verschijnt het opschrift "IS ON".
In dit geval wordt er gezocht naar zenders met programmacode.
Als u kort op toets 17 of 18 drukt, kunt u de zenders in de gewenste rich ting uit het geheugen oproepen. Tijdens het zenderzoeken verschijnt op het display het opschrift "IS-SCAN".
IS-functie uitschakelen.
Druk ongeveer 3 seconden op toets 17 of 18totdat op het display het opschrift "IS —" verschijnt.
Vervolgens verschijnt het opschrift "IS OFF".
Bij uitgeschakelde IS-functie wordt er met een oplopende frequentie gezocht.
Het automatisch zenderzoeken wordt beschreven in de betreffende paragraaf.
De laatste manier van zenderzoeken wordt in het geheugen opgeslagen ("IS ON" of "IS OFF").
Voorkeuzetoetsen 1, 2, 3, 4, 5, 6
Druk meerdere keren kort op toets BAND 16 en selecteer de zenderband FM1, FM2, FM3, MW of LW.
Zenderafstemming/RDS-programma
Als de geselecteerde RDS-zender (bijv. "FM1") al is opgeslagen onder één van de voorkeuzetoetsen 1 t/m 6, verschijnt op het display het betreffende cijfer, bijv. "3" voor de geheugenpositie 3.
Zenderafstemming/RDS-programma
Druk langer dan twee seconden op één van de voorkeuzetoetsen 1 t/m 6, totdat de zender niet meer hoorbaar is.
De AF-zenders worden samen met de zender opgeslagen.
RDS-zenders/programma's uit geheugen oproepen
Druk meerdere keren kort op toets BAND 16 en selecteer de zenderband FM1, FM2, FM3, MW of LW.
Druk kort op één van de voorkeuze- toetsen 1 t/m 6.
Ook als de voeding voor de auto - radio onderbroken is geweest en u opnieuw de voeding aansluit, worden de onder de voorkeuzetoetsen opgeslagen zenders niet gewist.
Afstemming op RDS-zenders/programma's met automatisch zenderzoeken
1) Druk meerdere keren kort op toets BAND 16 en selecteer de zender band: FM1, FM2, FM3, MW of LW.
Bij automatisch zenderzoeken op de zenderband FM 1, FM 2 of FM 3 moet de IS-functie zijn uitgeschakeld. Druk ongeveer 3 seconden op toets 17 of 18 totdat op het display het op - schrift "IS —" verschijnt. Vervolgens verschijnt het opschrift "IS OFF".
Er wordt automatisch tweemaal met verschillende ontvangstgevoeligheid op de FM-zenderband gezocht. Op de zenderband wordt eerst gezocht naar zenders met een sterk signaal (lokale zenders), de tweede keer wordt gezocht naar zenders met een zwak signaal (ontvangst op afstand). Tijdens het zoeken verschijnt op het display "DX".
2) Als u kort op toets 17 of 18 drukt, kunt u automatisch de zenders in de gewenste richting zoeken. Op het display verschijnt de bijbehorende frequentie (bijv. "99.40").
Wanneer een zender met een identificatiecode wordt gevonden, wordt deze code op het display weergegeven; is dit niet het geval, dan wordt alleen de frequentie weergegeven.
Als de geselecteerde RDS-zender (bijv. "FM1") al is opgeslagen onder één van de voorkeuzetoetsen 1 t/m 6 verschijnt op het display het betreffende cijfer, bijv. "3" voor de ge - heugenpositie 3.
3) Als u de geselecteerde zender onder één van de voorkeuzetoetsen wilt opslaan, volg dan de aanwijzingen
zoals beschreven in de vorige paragraaf "Voorkeuzetoetsen".
Handmatig zenderzoeken
1) Druk meerdere keren kort op toets BAND 16 en selecteer de zenderband: FM1, FM2, FM3, MW of LW.
2) Druk ongeveer 6 seconden op toets 17 of 18 totdat op het display het opschrift "MAN" verschijnt en de weergave van de frequentie verdwijnt (bijv. "MAN 100.60").
Als u toets 17 of 18 ingedrukt houdt, is er continu een snelle frequentiewisseling.
3) Kies met toets 17 of 18 de gewens te zoekrichting. Met toets 17 wordt de frequentie iedere keer verhoogd met 50 kHz in FM en met 1 kHz in AM. Met toets 18 wordt de frequentie iedere keer met de bovenstaande waarden verlaagd.
Als de geselecteerde RDS-zender (bijv. "FM1") al is opgeslagen onder één van de voorkeuzetoetsen 1 t/m 6, verschijnt op het display het betref-
fende cijfer, bijv. "3" voor de geheu-genpositie 3.
4) Als u de geselecteerde zender onder één van de voorkeuzetoetsen wilt opslaan, volg dan de aanwijzingen zoals beschreven in de vorige paragraaf "Voorkeuzetoetsen".
5) Handmatig zenderzoeken beëindigen: druk kort op één van de voorkeuzetoetsen 1 t/m 6.
BELANGRIJK Als gedurende 60 seconden geen enkele toets wordt ingedrukt, wordt het handmatig zenderzoeken automatisch beëindigd.
Zenders automatisch opslaan: Autostore
Automatisch opslaan onder de voorkeuzetoetsen 1 t/m 6 van de zenders met het sterkste signaal.
Druk meerdere keren kort op toets BAND 16 (fig. 72) en selecteer de zenderband: FM1, FM2, FM3, MW of LW.
Druk ongeveer 6 seconden op toets BAND 16 totdat op het display het opschrift "AS" en de frequentie verschijnen.
Als het zenderzoeken is beëindigd, wordt de zender met het sterkste sig -naal hoorbaar.
Programmatype (PTY)
Veel zenders die in stereo uitzenden, bieden op de FM-zenderband (FM1, FM2, FM3) de functie "Programmatype" (PTY). Tijdens een nieuws - bericht wordt bijvoorbeeld het op - schrift "NEWS" weergegeven.
Met de PTY-functie wordt alleen op zenders afgestemd die programma's met voorgeselecteerde PTY-code uitzenden (bijv. "POP").
Programmatype
Het programmatype van een bepaalde zender kan worden aangepast aan het uitgezonden programma.
NEWS Nieuws en actualiteiten
AFFAIRS Politiek en achtergronden
INFO Speciale informatieprogramma's
SPORT Sportuitzendingen
EDUCATE Cursussen en opleiding
DRAMA Hoorspelen en lezingen
CULTURE Cultuur, kerk en religie
SCIENCE Wetenschap
VARIED Diversen
POP Popmuziek
ROCK M Rockmuziek
LIGHT M Licht-klassiek
CLASSICS Klassieke muziek
OTHER M Muziekprogramma's die niet onder de andere categorieën val- len (bijv. dansmuziek)
WEATHER Weerberichten
FINANCE Economie
CHILDREN Kinderprogramma's
SOCIAL A Sociale informatie
RELIGION Religieuze/filosofische programma's
PHONE IN Inbel-programma's (verschillend van de functie "PHONE IN" die alleen wordt ingeschakeld bij de aansluiting van een hands free mobiele telefoon)
TRAVEL Toeristische informatie
LEISURE Vrije tijd en hobby's
JAZZ Jazzmuziek
COUNTRY Countrymuziek
NATIONAL Nationale programma's
OLDIES Golden Oldies
FOLK M Folkmuziek
DOCU Radiodocumentaires
NO PTY Identificatie van het programmatype ont-breekt
Automatisch zenderzoeken PTY
Er zijn twee mogelijkheden om het automatisch zenderzoeken te active- ren en een programmatype te selecte- ren.
1) Aan de 6 toetsen voor PTY-programma's (voorkeuzetoetsen 1 t/m 6 zijn 6 programmatypes toegekend. De ingestelde programmatypes kunnen naar wens worden gewijzigd.
2) U kunt een programmatype van de geheugenlijst selecteren en vervolgens het automatisch zenderzoeken starten.
De procedure wordt beschreven in de volgende paragrafen.
PTY-functie
1) PTY-functie inschakelen
Druk ongeveer 6 seconden op toets TP/AF 11, totdat op het display het opschrift "PTY ON" verschijnt. Daarna wordt het laatst geselecteerde programmatype weergegeven (bijv. "POP").
2) Programmatype instellen
Druk kort op één van de voorkeuzetoetsen 1 t/m 6. De automatische zoekfunctie PTY stemt automatisch af op de volgende zender die het voorgeselecteerde programma uitzendt en toont korte tijd het programmatype (bijv. "POP"). Daarna verschijnt de zender en het opschrift "PTY".
- of -
Druk herhaaldelijk op toets 17 of 18 totdat op het display het gewenste programmatype verschijnt.
Druk ongeveer 2 seconden op toets 17 of 18 totdat het automatisch zenderzoeken start (PTY). De automatische zoekfunctie PTY stemt automatisch af op de volgende zender die het voorgeselecteerde programma type uitzendt en toont het programma type (bijv. "POP") en het opschrift "PTY".
BELANGRIJK Als geen enkele zender het geselecteerde programmatype uitzendt, wordt afgestemd op de laatst geselecteerde zender en wordt de PTY-functie uitgeschakeld.
3) PTY-functie uitschakelen
Deze functie schakelt na 10 secon- den automatisch uit.
PTY-programma opslaan Voorkeuzetoetsen
De standaardinstelling is: 1 NEWS, 2 SPORT, 3 POP, 4 ROCK M, 5 CLASSICS en 6 EDUCATIE.
Onder iedere voorkeuzetoets kan een programmatype naar keuze worden opgeslagen:
1) PTY-functie inschakelen: Druk ongeveer 6 seconden op toets TP/AF 11, totdat op het display het opschrift "PTY ON" verschijnt en kies het ingestelde programmatype (bijv. "NEWS").
2) Druk herhaaldelijk op toets 17 of 18 totdat op het display het gewenste programmatype verschijnt.
3) Druk langer dan 2 seconden op één van de voorkeuzetoetsen.
Frequentieweergave van RDS-zenders
Op het display kan de frequentie worden weergegeven van de RDS-zender die u op dat moment ontvangt.
Druk kort op toets EXP 14.
In plaats van de naam van de zender wordt ongeveer 10 seconden de frequentie weergegeven.
Opgeslagen zenders kort beluisteren (SCAN)(12)
Met de SCAN-functie kunnen de zenders die met de IS-functie zijn opgeslagen, kort worden beluisterd. Elke zender wordt 10 seconden weergegeven.
Druk op toets SCAN 12 om deze functie in te schakelen.
Functie maximale ontvangstgevoeligheid (DX) (20)
Met de DX-functie wordt met maximale ontvangstgevoeligheid gezocht, waardoor automatisch op een lokale zender wordt afgestemd, onafhankelijk van de andere radio-functies.
De DX-functie wordt in-/uitgeschakeld door kort op toets DX 20 te drukken.
Als de functie is ingeschakeld, verschijnt op het display het opschrift "DX".
EXPERT-FUNCTIE (FUNCTIEPARAMETERS INSTELLEN) - EXP (14)
Om de bediening van de autoradio zo makkelijk mogelijk te maken, vindt u op het extra bedieningsniveau (EXPERT) enkele instellingen die u eenmalig of incidenteel kunt wijzigen.
De EXPERT-functie (fig. 75) wordt ingeschakeld als u op toets EXP 14 (fig. 72) drukt met de contactsleutel in stand MAR en na het verdwijnen van het LANCIA-embleem.
Druk om de EXPERT-functie uit te schakelen nogmaals op toets EXP 14.

fig. 75
Lijst van mogelijke EXPERT-instellingen (fig. 75)
- RDS CLOCK SYNC (SYNC ON/OFF) - RDS-synchronisatie van de klok in-/uitschakelen
- Min. volume verkeersinformatie instellen
- AUTO-LEARN TP (LRN ON/OFF) - Automatisch zoeken naar verkeersinformatie
- RDS REGION (REG ON/OFF) - Automatisch regional programma kiezen in-/uitschakelen
- RADIO-ON MAXIMUM VOLUME (ONVOL) - Volumebeperking bij inschakeling instellen
- BDLY ON/OFF - Booster vertraagd in-/uitschakelen (indien aanwezig)
- IGNITION LOGIC (IGN ON/OFF) - In-/uitschakeling via het start-/contactslot van de auto
- PHONE SETTING (PHONE ON/OFF) - Audio onderdrukken bij werkende telefoon met aangesloten handsfree-systeem
- PHONE AMPLIFICATION (PHONE 00/03) - Ontvangstgevoeligheid van de telefoon instellen (als u een handsfree-systeem installeert)
- SPEED-CONTROLLED VOLUME (SCVOL) - Snelheidsafhankelijke volumeregeling (SCV)
- THEFT-PROTECTION CODE (CODE) - Beveiligingscode inschakelen.
In het rechter deel van het display staan de aanwijzingen voor het instellen:
- functiebeschrijving;
- toetsen voor het wijzigen van de instelling 4 - 5 (fig. 72);
- keuzetoetsen nieuwe functie (17voor de volgende functie - 18 voor de vorige functie) (fig. 72).
In het linker deel van het display wordt de huidige status van de ge -selecteerde functie getoond.
Als de EXPERT-functie wordt opgeroepen, verschijnt eerst de laatst geselecteerde instelling.
Instelling kiezen en wijzigen
Selecteer met toets 17 of 18 (fig. 72) de instelling die u wilt controleren of wijzigen.
Als u bijvoorbeeld de volume - beperking bij inschakeling wilt wijzigen, moet u met toets 17 of 18 de functie ONVOL selecteren. Deze functie verschijnt op het display met de huidige instelling (bijv. ONVOL 13): u hoort de geselecteerde zender op het ingestelde volume.
Wijzig met toets 4 of 5 het volume en breng het op de gewenste waarde:
- toets 5: meer volume;
- toets 4: minder volume.
Als u herhaaldelijk de toets indrukt, kunt u de waarde geleidelijk veranderen; als u de toets langer indrukt, heeft u een snelle wijziging.
Als u klaar bent met de instelling, kunt u doorgaan met andere instellingen (te selecteren met 17 of 18) of de EXPERT-functie uitschakelen door op toets EXP 14 te drukken.
RDS-synchronisatie van de klok in-/uitschakelen
Selecteer de instelling RDS CLOCK SYNC (SYNC ON/OFF) (fig. 76):
- toets 5 = "SYNC ON". RDS-syn- chronisatie van de klok;
- toets 4 = "SYNC OFF". In gebieden waarin geen enkel RDS TIMER-signaal wordt ontvangen, kan de synchronisatie worden uitgeschakeld.
Vaak kan het signaal dat door de zenders wordt gezonden, verkeerd zijn.
Min. volume verkeersinformatie instellen
Selecteer de instelling TA VOLUME ADJUST (TAVOL) (waarde van 4 tot 31) (fig. 77):
- toets 4 = VOL - (minder volume);
- toets 5 = VOL + (meer volume).
Tijdens het instellen is het volume gelijk aan dat voor de verkeersinformatie.
Automatisch zoeken naar verkeersinformatie
Met "LRN OFF" (standaard) blijft de autoradio op de geselecteerde zender afgestemd, totdat het ontvangstsignaal bijna is weggevallen.
Met "LRN ON" stemt de autoradio af op een andere zender zodra het ontvangstsignaal zwakker wordt.
Als u zich in een gebied bevindt waarin de ontvangst van RDS-programma's met verkeersinformatie onzeker is, kan het zenderzoeken belemmerd worden.
Selecteer de instelling AUTO-LEARN TP (LRN ON/OFF) (fig. 78):
- toets 5 = "LRN ON" als u automatisch naar verkeersinformatie wilt zoeken;
- toets 4 = "LRN OFF" als u niet automatisch wilt zoeken naar ver -keersinformatie.

fig. 76

fig. 77

fig. 78
Automatisch regionaal programma kiezen in-/uitschakelen
Als het RDS-programma door diverse regionale zenders wordt uitgezonden, dan kiest de autoradio de zender met de beste ontvangst.
Selecteer de instelling RDS REGION (REG ON/OFF) (fig. 79):
- toets 5 = "REG ON" (functie ingeschakeld).
- toets 4 = "REG OFF" (functie uitgeschakeld).
Volumebeperking bij inschakelen
Selecteer de instelling RADIO-ON MAXIMUM VOLUME (ON VOL) (waarde van — tot 31) (fig. 80):
- toets 5: VALUE + (meer volume); - toets 4: VALUE - (minder volume).
Het geluidsniveau wordt alleen beperkt als bij het uitschakelen van de autoradio het volume hoger is dan de ingestelde waarde.
Booster vertraagd in- /uitschakelen (indien aanwezig)
Selecteer de instelling BDLY ON/OFF (fig. 81):
- toets 5 = "BDLY ON" (functie ingeschakeld);
- toets 4 = "BDLY ON" (functie uitgeschakeld).
Als de functie is ingeschakeld, wordt het "plop"-geluid bij in-/uitschakelen onderdrukt.

fig. 79

fig. 80

fig. 81
In-/uitschakelen via start-/contactslot van de auto
Selecteer de instelling IGNITION LOGIC (IGN ON/OFF) (fig. 82):
- toets 5 = "IGN ON" (functie ingeschakeld): het is mogelijk de auto radio in of uit te schakelen via het start-/contactslot van de auto.
- toets 4 = "IGN OFF" (functie uitgeschakeld): in-/uitschakeling alleen door middel van knop 9 (fig. 72).
Audio onderdrukken bij werkende telefoon met aangesloten handsfree-systeem
Selecteer de instelling PHONE SETTING (PHONE ON/OFF) en wijzig de instelling met toets 4 of 5 (fig. 83):
- "PHONE OFF": geen enkel gebruik van de telefoonaansluiting;
- "PHONE ON": als er wordt gebeld, wordt het geluid van de autoradio automatisch uitgeschakeld.
Voor de functie "PHONE ON" moet de aansluitvoet van de mobiele tele-foon zijn voorbereid met een PHONE MUTE aansluiting.
- "PHONE IN": Als er wordt gebeld, wordt er verbinding gelegd via de luidsprekers.
Voor de functie "PHONE IN" moet de mobiele telefoon zijn aangesloten op het handsfree-systeem (indien gemonteerd) van de mobiele telefoon zelf.
Ook als de autoradio is uitgeschakeld, kan er toch gebeld worden (in of out):
– de radio schakelt automatisch in;
- en de audio-instellingen zijn hetzelfde als bij het laatste telefoon - gesprek (BASS, TREBLE, FADER, BALANCE);
- de radio schakelt automatisch uit als het gesprek beëindigd is.
Ontvangstgevoeligheid mobiele telefoon (bij geïnstalleerd handsfree-systeem)
Aanpassing signaalsterkte bij ge- monteerd handsfree-systeem. Laat de signaalsterkte tijdens de installatie van een handsfree-systeem door de Lancia-dealer instellen.
Selecteer de instelling PHONE AM- PLIFICATION (PHONE 00/03) en wijzig de instelling met toets 4 of 5 (fig. 84):
- "PHONE 00": lage gevoeligheid;
- "PHONE 03": hoge gevoeligheid.

fig. 82

fig. 83
Snelheidsafhankelijke volumeregeling (SCV)
BELANGRIJK Om redenen van verkeersveiligheid verdient het aanbeveling deze instelling door de Lancia-dealer te laten uitvoeren.
Selecteer de instelling SPEEDCONTROLLED VOLUME (SCVOL) (waarde van — tot 34) (fig. 85):
- "SCVOL 19": standaardinstelling; - "SCVOL - -": functie uitgeschakeld;
- “SCVOL 34”: maximale werking.
Instelling wijzigen:
1) Auto stilstaand, motor uitgezet: stel het gewenste volume in met knop 9 (fig. 72).
2) Druk ongeveer 3 seconden op toets EXP 14 totdat op het display het opschrift "EXPERT" verschijnt.
3) Selecteer met toets 17 of 18 de instelling "SCVOL".
4) Bij hoge snelheid: stel met toets 4 of 5 de gewenste waarde in:
- toets 5: VOL + (meer volume);
- toets 4: VOL - (minder volume).
5) Druk langer dan 2 seconden op toets EXP 14.
Beveiligingscode activeren
Als op het display "CODE" verschijnt, dan is de beveiligingscode niet geactiveerd.
Als op het display "SAFE" verschijnt, dan is de beveiligingscode geactiveerd.
BELANGRIJK Zie voor uitgebreide instructies de volgende paragraaf.
BEVEILIGINGSCODE
De geheime code van de autoradio staat op de CODE-card (fig. 86). De beveiligingscode is niet door de fabrikant ingevoerd.
Als de code is ingevoerd, wordt de autoradio elektronisch beveiligd bij onderbreking van de voeding van de autoradio. U kunt de radio weer in bedrijf stellen door de betreffende code in te voeren.

fig. 84

fig. 85

fig. 86
Wanneer is de code geactiveerd
Selecteer de EXPERT-functie en druk op toets 17 of 18, totdat op het display de instelling THEFT-PROTECTION CODE met het opschrift "SAFE" of "CODE" (fig. 87) verschijnt:
- SAFE = Beveiligingscode actief
- CODE = Beveiligingscode niet actief.
Beveiligingscode activeren
1) Selecteer de EXPERT-functie en druk op toets 17 of 18, totdat op het display het opschrift "CODE" verschijnt.
2) Activeer de instelling door kort op toets 2 te drukken: op het display verschijnt: “- - - -”.

fig. 87
3) Voer de code in met de toetsen 2 t/m 5 (fig. 72).
Met toets 2 voert u het eerste cijfer van de geheime code in, met toets 3 het tweede, met toets 4 het derde en met toets 5 het vierde.
Als u bijvoorbeeld de code 1 7 0 3 moet invoeren, moet u één keer kort toets 2 indrukken: op het display verschijnt 1 - - - .
Ga verder met het invoeren van het tweede cijfer door 7 keer kort toets 3 in te drukken: op het display verschijnt 1 7 - - .
Voer nu het derde cijfer in door 10 keer kort toets 4 in te drukken: op het display verschijnt 170-.
Voer het laatste cijfer in door drie keer kort toets 5 in te drukken: op het display verschijnt 1703.
Als u de toets langer indrukt, wordt het cijfer met een eenheid verlaagd.
4) Code bevestigen: druk kort op toets EXP 14; op het display verschijnt het opschrift "SAFE" en de code is geactiveerd.
Druk om de EXPERT-functie uit te schakelen ongeveer 3 seconden op toets EXP 14.
Beveiligingscode buiten werking stellen
1) Selecteer de EXPERT-functie en druk op de toetsen 17 en 18; op het display verschijnt de instelling THEFT-PROTECTION CODE met het opschrift "SAFE".
2) Activeer de instelling door kort op toets 2 te drukken: op het display verschijnt "1 - - - -".
3) Voer de code (zie paragraaf "Beveiligingscode") in, zoals is beschreven in "Beveiligingscode activeren", door de toetsen 2 t/m 5 in te drukken.
4) Code bevestigen: druk kort op toets EXP 14 totdat op het display het opschrift "CODE" verschijnt. De code is niet meer geactiveerd.
BELANGRIJK Als u een verkeerde code invoert, dan blijft het opschrift "SAFE" op het display staan en moet de gehele procedure vanaf het begin worden herhaald. Houd rekening met de wachttijden die tussen de pogingen gelden (zie de paragraaf "Wacht - tijden").
In bedrijf stellen
Als de code is ingevoerd, wordt de autoradio elektronisch beveiligd bij onderbreking van de voeding van de autoradio (bijv. bij het loskoppelen van de accu tijdens onderhoudswerkzaamheden).
Ga als volgt te werk als de voeding weer is hersteld:
1) Schakel de autoradio in: op het display verschijnt het opschrift "SAFE" en na ongeveer 3 seconden verschijnt op het display "1 - - -". Het cijfer "1" geeft het aantal invoer - pogingen aan.
2) Voer de code (zie paragraaf "Beveiligingscode") in, zoals is beschreven in "Beveiligingscode active-ren", door de toetsen 2 t/m 5 in te drukken.
3) Druk om de code te bevestigen kort op toets EXP 14: op het display verschijnt tijdelijk het opschrift "SAFE". Na circa 3 seconden scha-kelt de radio in.
BELANGRIJK Als u een verkeerde code invoert, blijft het opschrift "SAFE" op het display staan en schakelt de radio niet in. De gehele procedure moet dan vanaf het begin worden herhaald.
Houd rekening met de wachttijden die tussen de pogingen gelden (zie de paragraaf "Wachttijden").
Wachttijden
Om de mogelijkheid uit te sluiten dat de code door proberen wordt gekraakt, wordt de wachttijd tussen twee pogingen steeds verlengd. Gedurende deze wachttijden kan de autoradio wel worden uitgeschakeld, maar zijn alle overige functies geblokkeerd.
Tijdens de wachttijd kan de auto - radio niet worden ingeschakeld, maar moet wel aangesloten blijven op de voeding.
Zolang het opschrift "SAFE" op het display staat, is de wachttijd nog niet verstreken.
De wachttijd is verstreken als op het display het cijfer van het aantal po- gingen staat: (bijv. "2 - - - -").
De volgende tabel geeft de wachttijd aan tussen de verschillende pogingen.
Het verdient aanbeveling om na de zesde poging contact op te nemen met een Lancia-dealer om de geheime code in te voeren of de code buiten werking te stellen.

CASSETTESPELER (TAPE)
Cassettespeler inschakelen
Plaats een cassette in de opening van het paneel van het ICS van Lancia. Op het display verschijnt het op schrift "TAPE A" of "TAPE B".
Als er al een cassette in de opening zit, druk dan herhaaldelijk op toets MODE 7 totdat op het display het opschrift "TAPE" verschijnt.
Draairichting omkeren
Druk kort op toets BAND 16.
Als het einde van de cassette is bereikt, wordt automatisch de andere zijde van de cassette weergegeven (functie AUTOREVERSE).
Op het display verschijnen de volgende symbolen:
"TAPE A" = bovenzijde van de cassette;
"TAPE B" = onderzijde van de cassette.
MSS-functie
Met deze functie kan het volgende muziekstuk of het begin van het huidige muziekstuk worden opgezocht.
Voor de MSS-functie dienen er pauzes van ten minste 3 seconden tussen de muziekstukken te zitten (ook geen gesproken aankondiging).
De MSS-functie reageert niet op zeer zachte passages in muziekstukken (bijv. in klassieke muziek), omdat deze als pauze worden gezien.
MSS-functie inschakelen
Druk op toets SCAN/MSS 12 tijdens het afspelen van de cassette. Op het display verschijnt het opschrift "MSS ON".
De MSS-functie start in de draai -richting van de cassette.
MSS-functie starten
Druk op toets 17 of 18 tijdens het afspelen van de cassette.
Druk voor het vooruit spoelen naar het volgende muziekstuk op toets 17.
Druk voor herhaling van het mu- ziekstuk op toets 18.
MSS-functie onderbreken
Druk op toets 17 of 18.
MSS-functie uitschakelen
Druk op toets SCAN/MSS 12 tijdens het afspelen van de cassette. Op het display verschijnt het opschrift "MSS OFF".
Snel vooruit/achteruit spoelen
Druk kort op toets 18 of 17. Op het display verschijnt het opschrift “<< WIND” of “WIND >>”.
Functie onderbreken
Druk kort op toets 18 of 17.
De cassette wordt automatisch weergegeven.
Cassettespeler uitschakelen
Druk op toets 23 (fig. 72): de cassette wordt uitgeworpen.
- of -
Als u op toets MODE 7drukt, schakelt de CASSETTESPELER over naar de CD-WISSELAAR (als er een CD-WISSELAAR aanwezig is) of naar de RADIO.
De keuze van de bron gaat op volg - orde: RADIO, CASSETTE, CD.
BELANGRIJK Als de functie snel vooruit/achteruit spoelen is ingeschakeld, wordt onmiddellijk van bron veranderd en wordt de functie van de cassettespeler beëindigd.
Algemene aanwijzingen
De weergave van de cassette wordt onderbroken als er verkeersinformatie wordt uitgezonden (bij ingeschakelde TP-functie).
BELANGRIJK U kunt de verkeers - informatie onderbreken op het moment dat de informatie wordt uitgezonden. Het blijft dan mogelijk eventuele volgende verkeersinformatie te beluisteren, door kort op toets TP/AF 11 te drukken.
CD-SPELER
De autoradio is voorbereid op de aansluiting van een CD-speler (die is opgenomen in het Lancia Lineaccessori-programma).

Wendt u voor het in- bouwen en aansluiten uit- sluitend tot een Lancia-
dealer.
De CD-speler van het Lancia Lineaccessori-programma wordt geleverd met een wisselaar die maximaal 6 Compact Discs kan bevatten.

Op multimedia-CD's zijn naast de audiosporen ook gegevens opgeslagen. Het afspelen van dit type CD's kan piepgeluiden op een zodanig volume opleveren, dat niet alleen de verkeersveiligheid in gevaar komt, maar waardoor ook de eindversterker en de luidsprekers beschadigd kunnen worden.
CD-wisselaar vullen
De CD-wisselaar bevat 6 houders die elk een Compact Disc kunnen bevatten.
Trek voor elke CD die u wilt beluis- teren een houder uit de wisselaar (fig. 88) en plaats daarin de CD (fig. 89).
Controleer of de Compact Disc op de juiste wijze, met de bedrukte zijde naar boven, is geplaatst: als dit niet het geval is, dan werkt de CD-speler niet.
Met de CD-speler kunnen geen 8 cm CD's worden afgespeeld, tenzij er in een hifi-winkel een speciale adapter is aangeschaft.
Wisselaar in de CD-speler plaatsen
Ga als volgt te werk:
- plaats de schuifklep A (fig. 90) helemaal naar rechts, totdat hij blokkeert;
- controleer of de knop B in stand "1" staat;

- plaats de wisselaar C (fig. 91) met de bedrukte zijde naar boven (zie pijl) in de CD-speler;
- sluit de schuifklep D (fig. 92) nadat de wisselaar is geplaatst, om binnendringing van vuil en stof in de CD-speler te voorkomen.
Wisselaar uit de CD-speler verwijderen
Ga als volgt te werk:
- plaats de schuifklep A (fig. 90) helemaal naar rechts, totdat hij blok - keert;
- druk op uitwerptoets (EJECT) E (fig. 93) op de CD-speler.

CD's uit de wisselaar verwijderen
Trek de betreffende houder uit de wisselaar en verwijder de CD.

fig. 92
WERKING VAN DE CD-SPELER CD-speler als geluidsbron kiezen
Druk kort en herhaaldelijk op toets MODE 7, totdat op het display het opschrift "CD" verschijnt.
CD kiezen
Druk kort en herhaaldelijk op toets 5 of 6, totdat op het display het num- mer van de gewenste CD verschijnt.
5: Vorige CD
6: Volgende CD

Muziekstuk kiezen of herhalen
Druk kort en herhaaldelijk op toets 17 of 18, totdat op het display het nummer van het gewenste muziekstuk verschijnt.
17: volgend muziekstuk
18 : herhaling van het huidige muziekstuk of vorige muziekstuk.
Alle muziekstukken van de gekozen CD kort (circa 10 seconden) beluisteren (SCAN)
Druk kort op toets SCAN/MSS 12: op het display verschijnt kort het opschrift "SCAN ON"
Druk om de functie te onderbreken kort op toets SCAN/ MSS 12: op het display verschijnt kort het opschrift "SCAN OFF".
Snel vooruit/achteruit zoeken (TRACK FAST)
Hiermee kunt u een muziekstuk "versneld" en met laag volume beluis- teren:
- VOORUIT: druk op toets 17 en houd de toets ingedrukt.
- TERUG: druk op toets 18 en houd de toets ingedrukt.
Muziekstuk herhalen (TRACK REPEAT)
Hiermee kunt u het beluisterde muziekstuk continu herhalen: druk op toets 1, op het display verschijnt het opschrift "TRK ON".
Als de TRACK REPEAT-functie is geactiveerd, kan altijd een ander muziekstuk worden gekozen.
Druk om de functie te onderbreken op toets 1: op het display verschijnt het opschrift "TRK OFF".
CD herhalen (REPEAT)
Druk voor herhaling van de CD op toets 2: op het display verschijnt het opschrift "RPT CD".
Als de functie is geactiveerd, kan altijd een andere CD worden gekozen.
Druk om de functie te onderbreken op toets 2: op het display verschijnt het opschrift "RPT MAG".
Muziekstukken in willekeurige volgorde beluisteren (TRACK RANDOM)
Druk om de functie te activeren op toets 3: op het display verschijnt het opschrift "RND ON". De muziekstukken op de geselecteerde CD worden in willekeurige volgorde afgespeeld.
Druk om de functie uit te schakelen op toets 3: op het display verschijnt het opschrift "RND OFF".
BELANGRIJK De functie TRACK RANDOM kan niet worden gecombineerd met de functies TRACK REPEAT en REPEAT.
CD-speler uitschakelen
Druk op toets MODE 7 om weer naar de radio of de cassettespeler te kunnen luisteren.
BELANGRIJK U kunt de verkeers - informatie onderbreken op het moment dat de informatie wordt uitgezonden. Het blijft dan mogelijk eventuele volgende verkeersinformatie te beluisteren, door kort op toets TP/AF 11 te drukken.
Weergave van de werking van de CD-speler
Druk kort op toets EXP 14. Op het display wordt aangegeven welke speciale functies gekozen zijn (bijv.: "TRK ON").
KLIMAATREGELING

1 - Luchtroosters voor ontwasemen of ontdooien van de voorruit.
2 - Luchtroosters voor ontwasemen of ontdooien van de zijruiten voor.
3 - Verstelbare en regelbare uit-
stroomopeningen in het midden.
4 - Verstelbare en regelbare uit-
stroomopeningen aan de zijkant
5 - Luchtroosters beenruimten voor.
6 - Luchtroosters beenruimten achter.
7 - Luchtroosters beenruimten achter.
De klimaatregeling in het interieur (verwarming, ventilatie en airconditioning - indien aanwezig) kan op één van de volgende manieren worden geregeld:
- handbediende klimaatregeling, door het selecteren van de functies met de bedieningsknoppen op het bedieningspaneel;
- automatische klimaatregeling, ge- regeld door de elektronische regel - eenheid van het systeem.
De lucht wordt in het interieur in gevoerd via een aantal uitstroomopeningen/luchtroosters op het dash-
board, op de panelen van de voorportieren, op de tunnelconsole en op de vloer, overeenkomstig het afgebeelde schema (fig. 94).
VERSTELBARE EN REGELBARE UITSTROOMOPENINGEN (fig. 95-96-97)
De uitstroomopeningen kunnen naar boven en naar beneden worden gekanteld en naar links en rechts met regelknop A.
De luchthoeveelheid wordt geregeld met regelknop B:

fig. 95
→ j = uitstroomopening volledig geopend.
● = uitstroomopening volledig ge- sloten.
In de panelen van de voorportieren bevinden zich vaste luchtroosters C (fig. 96) voor ontdooiing of ontwase- ming van de zijruiten voor.

fig. 96

1 - Display ingestelde interieurtemperatuur (bestuurderszijde).
2 - Draaiknop voor regeling van de interieurtemperatuur (bestuurders - zijde).
3 - Display ingestelde interieurtemperatuur (passagierszijde).
4 - Draaiknop voor regeling van de interieurtemperatuur (passagiers zijde).
5 - Toetsen voor de instellingen van de luchtverdeling.
6 - Toetsen voor het regelen van de aanjagersnelheid.
7 - Ingestelde luchtverdeling.
8 - Ingestelde aanjagersnelheid.
9 - Buitentemperatuur (in graden Celsius).
10 - Toets voor in-/uitschakeling maximale ontdooiing/ontwaseming voorruit, zijruiten voor, achterruit en buitenspiegels.
11 - Toets voor in-/uitschakeling achterruit- en spiegelverwarming.
12 - Toets voor handmatige in-/uit-schakeling luchtrecirculatie.
13 - Toets voor uitschakeling airco-compressor (indien aanwezig).
14 - Toets om de ingestelde temperatuur aan bestuurders- en passagiers - zijde te synchroniseren.
15 - Keuzetoets automatische werking van het systeem.
16 - Toets voor uitschakeling van het systeem.

De airconditioning (in-dien aanwezig) gebruikt koelmiddel "R134a". Bij
lekkage is dit middel niet schadelijk voor het milieu. Gebruik in geen geval andere middelen, omdat anders de componenten van het systeem beschadigd kunnen worden.
GEBRUIK VAN DE KLIMAATREGELING
Het systeem kan op verschillende manieren worden ingeschakeld, maar wij raden u aan te beginnen met het indrukken van de knop AUTO en vervolgens de gewenste temperatuur op het scherm in te stellen.
Op deze manier begint het systeem volledig automatisch te werken en wordt de ingestelde temperatuur zo snel mogelijk bereikt. Het systeem handhaaft de ingestelde temperatuur door regeling van de temperatuur, de luchthoeveelheid en de luchtverdeling in het interieur, en regelt de recirculatie en de inschakeling van de airco-compressor (indien aanwezig).
Tijdens de volledig automatische werking van het systeem zijn de enige vereiste handmatige handelingen, het eventuele inschakelen van de volgende functies:
- MONO, om de ingestelde temperatuur aan bestuurders- en passagiers - zijde te synchroniseren
- ECON, voor uitschakeling airco-compressor (indien aanwezig): onder deze omstandigheden werkt het sys- teem alleen als verwarming
- luchtrecirculatie, om de recirculatie altijd in- of uitgeschakeld te houden
- voor een snellere ontwase- ming/ontdooiing van de ruiten
- voor het ontwasemen/ontdooien van de achterruit en de buiten spiegels.
Tijdens de volledig automatische werking van het systeem kunt u op ieder moment de ingestelde temperatuur wijzigen: het systeem zal automatisch de eigen instellingen wijzigen en aanpassen aan de nieuwe vereisten.
Het is bovendien mogelijk de aan - jagersnelheid en de luchtverdeling te wijzigen met de betreffende toetsen:op deze manier schakelt het systeem over van de automatische werking naar de handmatige bediening, totdat u op - nieuw de toets AUTO indrukt.
Als één of meerdere functies handmatig zijn ingesteld, blijft de temperatuur van de in het interieur ingevoerde lucht automatisch door het sys teem geregeld, behalve bij uitgeschakelde compressor (indien aan wezig):in deze situatie kan de temperatuur van de in het interieur ingevoerde lucht niet lager zijn dan de buitentemperatuur.
BEDIENINGSKNOPPEN (fig. 98)
Draaiknop voor regeling van de luchttemperatuur (2, 4 - fig. 98)
Als u de knop naar links of naar rechts draait, verhoogt of verlaagt u de luchttemperatuur respectievelijk aan de linkerzijde (draaiknop 2) of aan de rechterzijde (draaiknop 4) van het interieur. De ingestelde temperaturen verschijnen op de schermen 1 en 3 onder de respectievelijke knoppen.
Als u knop 14 (MONO) indrukt, wordt de temperatuur aan bestuurders- en passagierszijde automatisch gesynchroniseerd, waarna u de temperatuur in de twee gedeelten met draaiknop 2 aan bestuurderszijde kunt regelen. Met deze functie kan de temperatuur in het interieur makkelijk geregeld worden, als alleen de bestuurder in de auto zit. De gescheiden temperatuurregeling wordt automatisch weer hervat als u draaiknop 4 bedient.
Als u de toets helemaal naar rechts of helemaal naar links draait, tot aan de uiterste waarden HI of LO, wordt respectievelijk de functie van de maximale verwarming of de maximale koeling ingeschakeld:
- Functie HI (maximale verwarming): wordt ingeschakeld door op het display een temperatuur in te stellen boven 32°C. Deze functie kan worden geactiveerd voor alleen de bestuurderszijde of de passagierszijde of voor beide zijden (ook door het selecteren van de functie MONO). Deze functie kan worden ingeschakeld als u de lucht in het interieur zo snel mogelijk wilt verwarmen, waarbij maximaal gebruik gemaakt wordt van de mogelijkheden van het systeem. Deze functie maakt gebruik van de maximale temperatuur van de verwarmings vloeistof, terwijl de luchtverdeling en de snelheid van de aanjager door het systeem worden ingesteld op basis van de omgevingsomstandigheden. Als de verwarmingsvloeistof niet warm genoeg is, schakelt het systeem niet onmiddellijk de maximale aan jagersnelheid in, om de invoer van te koude lucht in het interieur te beperken. Als deze functie is ingeschakeld zijn alle handmatige instellingen toegestaan. Voor het uitschakelen van de functie is het voldoende om de op het display ingestelde temperatuur te verlagen tot een waarde onder 32 °C.
- Functie LO (maximale koeling): wordt ingeschakeld door op het display een temperatuur in te stellen onder 18 °C. Deze functie kan worden geactiveerd voor alleen de bestuurderszijde of de passagierszijde of voor beide zijden (ook door het selecteren van de functie MONO).
Deze functie kan worden ingeschakeld als u de lucht in het interieur zo snel mogelijk wilt koelen, waarbij maximaal gebruik gemaakt wordt van de mogelijkheden van het systeem. Deze functie schakelt de verwarming uit, schakelt de luchtrecirculatie en de aircocompressor (indien aanwezig) in, terwijl de luchtverdeling en de snelheid van de aanjager worden ingesteld op basis van de omgevingsomstandigheden. Als deze
functie is ingeschakeld zijn alle handmatige instellingen toegestaan. Voor het uitschakelen van de functie is het voldoende om de op het display ingestelde temperatuur te verhogen tot een waarde boven 18 °C.
Toetsen voor het regelen van de aanjagersnelheid (6 - fig. 98)
Als u respectievelijk de bovenste of onderste toets indrukt, wordt de aanjagersnelheid verhoogd of verlaagd en daarmee de hoeveelheid lucht die in het interieur wordt ingevoerd. Zo wordt de gewenste temperatuur gehandhaafd.
De aanjagersnelheid wordt weergegeven door de verlichte streepjes op het display 8. Als u meerdere keren op de bovenste toets drukt, wordt de maximale aanjagersnelheid ingeschakeld (alle streepjes verlicht); als u meerdere keren op de onderste toets drukt, wordt de functie uitgeschakeld (geen enkel streepje verlicht).
BELANGRIJK Op uitvoeringen met airconditioning (indien aanwezig) kan de aanjager alleen worden uitgeschakeld als de aircocompressor al is uitgeschakeld met toets ECON. Voor het hervatten van de automatische werking van de aanjager na een handmatige instelling, moet toets AUTO worden ingedrukt.
Toetsen voor de instellingen van de luchtverdeling (5 - fig. 98)
Als u op één van de toetsen 5 drukt, kunt u handmatig één van de 5 instellingen voor de luchtverdeling in het interieur kiezen:
⇒ Lucht uit de uitstroomopeningen in het midden en aan de zijkant van het dashboard en uit de uit stroom - opening achter.
Lucht uit de luchtroosters van de beenruimten (warmere lucht), de uitstroomopeningen in het midden en aan de zijkant van het dashboard en uit de uitstroomopening achter (koelere lucht).
Deze luchtverdeling is bijzonder nuttig in de gematigde seizoenen (voor- en najaar) als de zon schijnt.
Lucht uit de luchtroosters van de verschillende beenruimten voor en achter.
Met deze luchtverdeling kan, doordat warme lucht stijgt, het interieur op de snelste manier worden verwarmd waarbij bovendien de koudste delen van het lichaam snel warm aanvoelen.
Lucht uit de luchtroosters van de beenruimten en de luchtroosters voor de ontdooing en ontwaseming van de voorruit en de zijruiten voor.
Deze luchtverdeling zorgt voor een goede verwarming van het interieur en voorkomt het eventuele beslaan van de ruiten.
Lucht uit de luchtroosters voor de ontdooiing en ontwaseming van de voorruit en de zijruiten voor.
BELANGRIJK Het systeem accepteert geen vorm van luchtverdeling die verschilt van de hiervoor beschreven combinaties. Als een vorm van lucht verdeling wordt gekozen die niet uitvoerbaar is, wordt alleen de belang rijkste functie van de ingedrukte toets geactiveerd.
De ingestelde luchtverdeling wordt op het display 7 weergegeven.
Als een gecombineerde functie is ingesteld, wordt na het indrukken van een toets alleen de belangrijkste functie van de ingedrukte toets geactiveerd. Als daarentegen een toets van een reeds ingestelde functie wordt ingedrukt, dan blijft de functie gehandhaafd.
Voor het hervatten van de automatische werking van de luchtverdeling na een handmatige instelling, moet toets AUTO worden ingedrukt.
Toets AUTO (automatische werking) (15 - fig. 98)
Als toets AUTO wordt ingedrukt, regelt het systeem automatisch de hoeveelheid en de verdeling van de in het interieur ingevoerde lucht en worden alle voorafgaande handmatige instellingen gewist. Dit wordt aangeven door het branden van het lampje op de toets.
Als het lampje op toets AUTO gedoofd is, geeft dit aan dat al één of meerdere handmatige instellingen zijn uitgevoerd en dat het systeem daarom niet volledig automatisch werkt (behalve de temperatuurregeling die per definitie automatisch is), of dat het systeem is uitgeschakeld (lampje op de toets OFF brandt).
Toets ECON (uitschakeling aircocompressor) (indien aanwezig) (13 - fig. 98)
Als toets ECON wordt ingedrukt, schakelt de aircocompressor uit. Dit wordt aangegeven door het branden van het lampje op de toets.
Als de aircocompressor wordt uitgeschakeld, dooft het lampje op de toets AUTO en wordt de automatische werking van de luchtrecirculatie blijvend uitgeschakeld (om het eventuele beslaan van de ruiten te voorkomen).
BELANGRIJK Met uitgeschakelde aircocompressor is het niet mogelijk lucht in het interieur in te voeren met een temperatuur die lager is dan de buitentemperatuur; bovendien kun- nen (in bijzondere omstandigheden) de ruiten zeer snel beslaan omdat de lucht niet gedroogd kan worden.
De uitschakeling van de aircocompressor blijft in het geheugen opgeslagen ook als de motor wordt uitgezet. Voor het opnieuw automatisch inschakelen van de aircocompressor moet toets ECON of toets AUTO worden ingedrukt (in dit laatste geval worden de andere handmatige instellingen gewist); het lampje op toets ECON dooft.
De automatische inschakeling van de aircocompressor wordt weer ingeschakeld, ook als de luchtrecirculatie handmatig wordt ingeschakeld (om het eventuele beslaan van de ruiten te voorkomen).
Bij uitgeschakelde compressor, kan de in het interieur ingevoerde lucht niet gekoeld worden. Er zijn nu twee mogelijkheden:
- als de buitentemperatuur lager is dan de ingestelde temperatuur, werkt
het systeem normaal en kan het de ingestelde temperatuur bereiken en handhaven, ook bij uitgeschakelde compressor;
- als de buitentemperatuur hoger is dan de ingestelde temperatuur, kan het systeem niet aan de wens voldoen. Dit wordt aangegeven door het drie keer knipperen van de buitentemperatuur op het display 1 en 3 van de ingestelde temperatuur.
Toets MONO (ingestelde temperaturen synchroniseren) (14 - fig. 98)
Als u toets MONO indrukt, wordt de temperatuur aan bestuurders- en passagierszijde automatisch gesynchroniseerd. Ook kunt u de temperatuur in de twee gedeelten synchroniseren door draaiknop 2 aan bestuurderszijde te draaien. Met deze functie kan de temperatuur in het interieur makkelijk geregeld worden, als alleen de bestuurder in de auto zit.
De gescheiden temperatuurregeling wordt automatisch weer hervat als de passagier draaiknop 4 bedient.
Toets voor in-/uitschakeling luchtrecirculatie (12 - fig. 98)
Er zijn drie mogelijkheden:
- automatische werking (lampje op de toets gedoofd);
- automatische inschakeling (recirculatie altijd ingeschakeld); het groene lampje op de toets brandt;
- automatische uitschakeling (recirculatie altijd uitgeschakeld met lucht toevoer van buiten); het gele lampje op de toets brandt.
Deze drie mogelijkheden kunnen worden ingeschakeld door meerdere keren op de recirculatietoets (12) te drukken.
Als de recirculatie-functie automatisch wordt geregeld, blijft het lampje op de recirculatietoets altijd gedoofd (er wordt niet weergegeven of de recirculatie is in- of uitgeschakeld, ON/OFF).
Bij de automatische werking wordt de recirculatie automatisch ingeschakeld, ook wanneer de luchtkwaliteitsensor de aanwezigheid van vervuilde lucht signaleert, bijvoorbeeld tijdens het rijden in de stad, in een file, in tunnels en als de ruitensproeiers worden ingeschakeld (met de typische zeepgeur).
Als de recirculatie handmatig is ingeschakeld (groene lampje = recirculatie, gele lampje = lucht van buiten), blijft het lampje op toets AUTO branden als alle andere functies (luchtverdeling, luchtopbrengst ...) automatisch blijven geregeld. Op dezelfde manier blijft als op toets AUTO wordt gedrukt, de recirculatie geregeld zoals u dat wilt.
BELANGRIJK Bij ingeschakelde recirculatie worden, afhankelijk van de werking van het systeem (voor verwarmen of koelen van het interieur), de gewenste instellingen sneller bereikt. Het is echter niet raadzaam deze functie handmatig in te schakelen op regenachtige of koude dagen omdat dan de ruiten aan de binnenzijde aanzienlijk sneller kunnen beslaan, vooral als de airconditioning niet is ingeschakeld.

Bij bepaalde weersomstandigheden (bijv: lage buitentemperatuur of hoge luchtvochtigheid) en als de recir- culatie in het interieur automa- tisch wordt geregeld, kunnen de ruiten beslaan. Druk in dit geval op de recirculatietoets, voor lucht- toevoer van buiten (gele lampje) en verhoog eventueel de luchtstroom naar de voorruit.
Toets voor snelle ontwaseming/ontdooiing van de ruiten (10 - fig. 98)
Als u deze toets indrukt, activeert de klimaatregeling, onafhankelijk van de werking van het systeem, automa tisch (ongeveer 180 seconden) alle functies die noodzakelijk zijn voor een snelle ontwaseming/ontdooiing van de voor-ruit en de zijruiten voor, namelijk:
- inschakeling aircocompressor (in-dien aanwezig)
-
uitschakeling luchtrecirculatie, indien ingeschakeld
-
instelling maximale luchttemperatuur (HI) op beide displays
- inschakeling maximale aanjagersnelheid
- lucht naar luchtroosters van de voorruit en de zijruiten voor
inschakeling verwarming van de achterruit en de buitenspiegels.
Als de functie voor maximale ontwa- seming/ontdooiing is ingeschakeld, gaan het lampje op de betreffende toets, het lampje op de toets van de achterruitverwarming en het gele lampje op de recirculatietoets bran- den. De lampjes op de toetsen ECON, AUTO en OFF doven daarentegen.
BELANGRIJK Als de motor nog niet op bedrijfstemperatuur is, wordt de maximale snelheid van de aan jager niet direct ingeschakeld, om toevoer van nog te koude lucht voor de ontwaseming van de ruiten, te beperken.
Als de functie voor maximale ont - waseming/ontdooiing is ingeschakeld, kunnen alleen de aanjagersnelheid en de uitschakeling van de achterruitverwarming handmatig worden ge- regeld.
Als u daarentegen opnieuw op de toets voor maximale ontwaseming/ ont - dooiing drukt of op de recirculatietoetsen ECON, AUTO of OFF, schakelt het systeem de functie voor maximale ontwaseming/ontdooiing uit, en worden de functies die hiervoor waren ingesteld weer geactiveerd en eventueel ook de laatst ingestelde functie.
Toets voor ontwaseming/ontdooiing achterruit en buitenspiegels (11 - fig. 98)
Als u op deze toets drukt, schakelt de ontwaseming/ontdooiing van de achterruit en de buitenspiegels in. Het lampje op de toets gaat branden als deze functie wordt ingeschakeld.
De functie schakelt na ongeveer 10 minuten automatisch uit, of als opnieuw de toets wordt ingedrukt. De functie wordt ook uitgeschakeld als u de motor uitzet en blijft uitgeschakeld als u de motor opnieuw start.
BELANGRIJK Plak geen stickers of andere plaatjes op de elektrische weerstandsdraden aan de binnenzijde van de achterruit, om beschadiging van de achterruitverwarming te voor - kommen.
Toets OFF (uitschakeling van het systeem) (16 - fig. 98)
Druk op toets OFF om de airconditioning uit te schakelen. Het lampje op de toets gaat branden.
Als de airconditioning is uitgeschakeld:
- zijn de lampjes op de recirculatie- toetsen ECON en AUTO gedoofd
- zijn de schermen van de ingestelde temperaturen donker
- is het middelste scherm donker, behalve als de buitentemperatuur wordt aangegeven
- is de recirculatie ingeschakeld, waarbij geen lucht van buiten binnenkomt
- is de aircocompressor (indien aanwezig) uitgeschakeld
- is de aanjager uitgeschakeld.
Ook bij uitgeschakeld systeem kan de achterruitverwarming op de normale manier worden in- of uitgeschakeld.
BELANGRIJK Als de airconditioning is uitgeschakeld, kunnen de ruiten bij bijzondere omstandigheden snel beslaan.
De regeleenheid van de klimaat -regeling slaat de instellingen van het sys teem in het geheugen op voordat het systeem wordt uitgeschakeld. Als u vervolgens op een willekeurige toets drukt (behalve de toets van de achter-ruitverwarming) worden de functies weer hersteld. Als de functie van de ingedrukte toets niet was ingeschakeld voor de uitschakeling, dan wordt deze functie ook geactiveerd; als deze daarentegen was ingeschakeld, blijft de functie gehand-haafd.
Als u de klimaatregeling opnieuw wilt inschakelen met dezelfde instellingen als voor het uitschakelen van het systeem, druk dan nogmaals op toets OFF.
Als u de volledig automatische werking van het systeem weer wilt inschakelen, druk dan op toets AUTO.
AKOESTISCH WAARSCHUWINGSSYSTEEM VOOR GLADHEID
De klimaatregeling is uitgerust met een akoestisch waarschuwingssystem. Als de buitentemperatuur daalt tot 3 °C of lager, zendt het systeem drie waarschuwingssignalen uit om de bestuurder te waarschuwen voor eventuele gladheid.
Het akoestische waarschuwingssys - teem treedt maar één keer in werking, behalve als de buitentemperatuur boven de 7 °C komt, waarna na on- geveer 15 minuten het systeem weer in werking kan treden. Als in dat ge- val de buitentemperatuur opnieuw daalt tot 3 °C of lager, wordt de akoes tische waarschuwingscyclus her - haald.
ALGEMENE INFORMATIE
De auto is uitgerust met een klimaat -regeling met gescheiden luchttemperatuurregeling voor bestuurders- en passagierszijde, die geregeld wordt door een elektronische regeleenheid.
Voor een optimale temperatuur - regeling in de twee ruimtes van het interieur, is het systeem ook uitgerust met een dubbele zonnestralingssensor.
Het systeem is uitgerust met een lucht kwaliteitsensor die automatisch de luchtrecirculatie kan inschakelen om de onaangename effecten van vervuilde lucht, tijdens het rijden in de stad, in de file en in tunnels, en door het inschakelen van de ruitensproeiers (zeepgeur), te verminderen.
De luchtkwaliteit wordt bovendien gegarandeerd door het pollenfilter met actieve kooldeeltjes. Hierin worden de in de lucht verspreide deeltjes twee keer gefilterd, waardoor de lucht schoner wordt.
De klimaatregeling controleert en regelt automatisch de volgende parameters en functies:
- temperatuur ingevoerde lucht in het interieur (gescheiden voor de bestuurders- en passagierszijde)
- aanjagersnelheid (traploze regeling)
- luchtverdeling
-in-/uitschakeling recirculatie
- in-/uitschakeling aircocompressor (indien aanwezig).
De luchtopbrengst in het interieur is onafhankelijk van de snelheid van de auto en wordt elektronisch geregeld door de aanjager.
Het is mogelijk de instelling van de volgende functies handmatig te ver - anderen:
- aanjagersnelheid (traploze regeling)
- luchtverdeling
- in-/uitschakeling recirculatie
- in/uitschakeling aircocompressor (indien aanwezig).
BELANGRIJK De handmatige instellingen hebben voorrang boven de automatische instellingen en blijven in het geheugen opgeslagen totdat de gebruiker de regeling weer overlaat aan het automatische systeem. De handmatig gekozen instellingen blijven opgeslagen als de motor wordt uitgezet en weer hersteld als de motor opnieuw wordt gestart.
De functies die niet handmatig zijn gewijzigd, blijven automatisch geregeld.
De luchttemperatuur in het interieur wordt altijd automatisch geregeld (behalve als het systeem is uitgeschakeld), op basis van de ingestelde temperaturen op de displays van de bestuurder en de passagier.
POLLENFILTER MET ACTIEVE KOOLDEELTJES
Het pollenfilter reinigt de lucht mechanisch via het elektrostatische principe, zodat de in het interieur ingevoerde lucht gezuiverd is en geen stofdeeltjes, pollen enz. bevat.
Door de actieve kooldeeltjes in het pollenfilter wordt ook de concentratie van luchtverontreinigende bestanddelen verminderd.
Het pollenfilter filtert de in het interieur ingevoerde buitenlucht (recirculatie uitgeschakeld).
Laat het filter ten minste één keer per jaar controleren door de Lancia-dealer, bij voorkeur aan het begin van het zomerseizoen.
Als de auto veel over stoffige wegen rijdt of bij geconcentreerde lucht -vervuiling, moet het pollenfilter vaker worden gecontroleerd en vervangen dan in het onderhoudsschema staat aangegeven.

Een niet tijdig vervangen filter kan het rendement van de klimaatregeling nlijk beperken.
HULPVERWARMING (alleen jtd-uitvoeringen - indien aanwezig)
De hulpverwarming ondersteunt de opwarming van de motorkoelvloeistof direct na het starten en tijdens het rijden voor een snellere verwarming van het interieur bij extreem lage buiten-temperaturen.
Het elektrische systeem werkt volledig automatisch en schakelt alleen in bij een draaiende motor.
BELANGRIJK De hulpverwarming schakelt in als de buitentemperatuur lager is dan 15°C en de temperatuur van de koelvloeistof lager is dan 65°C.
Om de accu niet te veel uit te putten, is de inschakeling van de verwarming op de verschillende vermogens afhankelijk van de door de regel eenheid vastgestelde voedingsspanning.
BELANGRIJK De hulpverwarming wordt ingeschakeld op basis van de temperatuur van de motorkoelvloeistof en kan, afhankelijk van de accuspanning, uitgeschakeld of beperkt worden.
Als de opwarmcyclus door de hulpverwarming op basis van de koelvloeistoftemperatuur en de accuspanning, is beeindigd, schakelt de hulpverwarming automatisch uit en schakelt pas weer in als de auto opnieuw wordt gestart, ook als de vloeistoftemperatuur opnieuw onder 65 °C daalt.
Met de linker hendel bedient u de buitenverlichting en de richting aanwijzers. De buitenverlichting werkt uitsluitend als de contactsleutel in stand MAR staat.
Als de buitenverlichting wordt ingeschakeld, gaan ook de instrumentenpaneelverlichting en de verschillende bedieningsknoppen branden en lichten de displays op het instrumentenpaneel en de tunnelconsole op.
Buitenverlichting (fig. 99)
Draai de schakelaar A van stand O in stand ⚙. Op het instrumenten - paneel gaat het controlelampje 200 branden.
Dimlicht (fig. 99)
Draai de schakelaar A van stand in stand.
Druk de hendel naar voren als de schakelaar in dimstand staat. Op het instrumentenpaneel gaat het controlelampje branden.
Het grootlicht wordt uitgeschakeld als u de hendel naar het stuur trekt.
Richtingaanwijzers (pijlen) - (fig. 101)
Plaats de hendel:
naar boven - rechter richtingaanwij- zer ingeschakeld
naar beneden - linker richting aan - wijzer ingeschakeld.
Op het instrumentenpaneel knippert het waarschuwingslampje ⇌ of →.
Als u de hendel in de middelste stand zet of als de auto weer rechtuit rijdt, schakelen de richtingaanwijzers automatisch uit. Als u kort richting aan wilt geven, drukt u de hendel iets naar boven of beneden zonder dat de hendel vergrendelt. Zodra u de hendel loslaat, gaat deze automatisch terug.

fig. 99

Grootlichtsignaal (fig. 102)
Trek de hendel naar het stuur. Op het instrumentenpaneel gaat het controlelampje Ⓔ branden.
BELANGRIJK Het grootlichtsignaal wordt gegeven met het grootlicht. Om bekeuringen te vermijden, dient u zich aan de geldende verkeers wetgeving te houden.
HENDEL RECHTS
Met de rechter hendel bedient u de ruitenwissers/-sproeiers en de kop -lampsproeiers.
Ruitenwissers (fig. 103)
Deze werken uitsluitend als de contactsleutel in stand MAR staat.
0 - Ruitenwissers uitgeschakeld.
1 - Ruitenwissers wissen met interval. In deze stand kunnen met schakelaar A de volgende instellingen worden geregeld (behalve bij uitvoeringen met regensensor):
■ = lang interval
■ = gemiddeld interval
■=gemiddeld-kort interval
= kort interval.
Op uitvoeringen met een regensen- sor kan de gevoeligheid van de sensor zelf worden geregeld met schakelaar A:
AUTO = automatische regeling van de gevoeligheid
■ = minimale gevoeligheid
■ = gemiddelde gevoeligheid
■ = maximale gevoeligheid.
2 - Langzaam continu wissen.
3 - Snel continu wissen.
4 - Tijdelijke werking: als u de hen- del loslaat, springt deze direct in stand 0 en schakelen de ruitenwissers automatisch uit.

Als u de hendel naar het stuur trekt (fig. 104), schakelen de ruitensproeiers in en gedurende enige seconden de ruitenwissers; na een pauze van 5 seconden maken de ruitenwissers een laatste slag. Als de ruitenwissers al zijn ingeschakeld, maken ze enkele slagen in de snelle continustand.
Koplampsproeiers (indien aanwezig)
Als u de hendel naar het stuur trekt (fig. 104) bij ingeschakeld dim- of grootlicht, dan schakelen ook de rui- tensproeiers in (fig. 105).

Regensensor (fig. 103) (indien aanwezig)
De regensensor is een elektronische voorziening in de ruitenwissers en zorgt ervoor dat de frequentie van de slagen van de ruitenwissers, tijdens het wissen met interval, automatisch wordt aangepast aan de hoeveelheid regen op de ruit.
Alle andere functies die met de rechter hendel worden bediend (uitschakeling ruitenwissers, continu wissen met lang of kort interval, tijdelijk wissen met kort interval, ruitensproeiers en koplampsproeiers) blijven onveranderd.
De regensensor schakelt automa tisch in als de rechter hendel in stand 1 wordt geplaatst en heeft een regelbereik dat oplopend varieërt van uitgeschakelde ruitenwissers (geen slagen) als de ruit droog is, tot ruitenwissers die ingeschakeld worden in de tweede continu snelheid (snel continu wissen) bij intense regen.
Als de ruitensproeiers worden bediend bij ingeschakelde regensensor (hendel in stand 1) werkt het normale reinigingsprogramma. Daarna hervat de regensensor zijn normale automatische werking.
Draai de contactsleutel in stand STOP om de regensensor uit te schakelen. Als de motor daarna wordt gestart (sleutel in stand MAR) schakelt de regensensor weer in als de hendel in stand 1 is blijven staan.
De gevoeligheid van de regensensor kan worden geregeld met schakelaar A (fig. 103):
AUTO = automatische regeling van de gevoeligheid
■ = minimale gevoeligheid
■ = gemiddelde gevoeligheid
■ = maximale gevoeligheid.
BEDIENINGSKNOPPEN
WAARSCHUWINGS - KNIPPERLICHTEN (fig. 106)
Druk op schakelaar A voor in- schakeling. De waarschuwingsknip- perlichten werken onafhankelijk van de stand van de contactsleutel.
Als dit systeem is ingeschakeld, gaan het symbool op de schakelaar en het controlelampje ⇔ ➔ op het instrumentenpaneel knipperen.
Druk opnieuw op de schakelaar om het systeem uit te schakelen.
BELANGRIJK Het gebruik van de waarschuwingsknipperlichten is af - hankelijk van de wetgeving van het land waarin u zich bevindt. Houdt u aan de voorschriften
MISTLAMPEN VOOR (fig. 107)
Druk bij ingeschakelde buitenver - lichting op knop A om de mistlampen voor in te schakelen.
Als de mistlampen voor zijn ingeschakeld, brandt het lampje op de knop.
Als u de contactsleutel in stand STOP draait, schakelen de mist lampen voor automatisch uit. De lampen schakelen pas weer in als na het starten opnieuw op knop A wordt gedrukt.
Druk opnieuw op de knop om de lampen uit te schakelen.
BELANGRIJK Houdt u bij het gebruik van de mistlampen aan de geldende verkeersvoorschriften. Het systeem voldoet aan de EU-normen.
Druk op knop A voor in-/uitschakeling. Het mistachterlicht werkt alleen als het dimlicht en/of de mistlampen voor zijn ingeschakeld.
Als het mistachterlicht is ingeschakeld, brandt het lampje op de knop.
Het mistachterlicht schakelt automatisch uit als u de motor uitzet of als u het dimlicht en/of de mistlampen voor uitschakelt.
Als u de motor weer start of bij mist het dimlicht weer inschakelt, moet u opnieuw op de knop drukken om het mistachterlicht weer in te schakelen.

BELANGRIJK Het mistachterlicht kan hinderlijk zijn voor de weggebruikers achter u. Doof daarom bij stukken met goed zicht het mistachterlicht.
BELANGRIJK Houdt u bij het gebruik van het mistachterlicht aan de geldende verkeersvoorschriften. Het systeem voldoet aan de EU-normen.
LICHTSTERKTE INSTRU - MENTEN PANEEL (fig. 109)
Draai met ingeschakelde buitenver- lichting draaiknop A omhoog of omlaag om respectievelijk de lichtsterkte van het instrumentenpaneel te ver- hogen of te verlagen.
ACHTERRUITVERWARMING (fig. 110)
Druk op knop A voor in-/uitschakeling, als de achterruitverwarming is ingeschakeld, brandt het lampje op de knop.
De achterruitverwarming schakelt na ongeveer 10 minuten automatisch uit.
Bij ingeschakelde achterruitverwarming, gaat ook de verwarming van de elektrisch bedienbare buitenspiegels werken.

Deze veiligheidsschakelaar springt omhoog bij een ongeval, waardoor de toevoer van brandstof wordt gestopt en de motor afslaat. Bovendien wordt hiermee voorkomen dat bij leidingbreuken tijdens een ongeval brandstof-lekkage ontstaat.
De veiligheidsschakelaar schakelt bij een ongeval ook de centrale portiervergrendeling uit (als de centrale portiervergrendeling was ingeschakeld), waardoor het interieur van buitenaf bereikbaar blijft.
Draai na een ongeval de contact-sleutel in stand STOP om te voorko-men dat de accu ontlaadt.

fig. 111
Als u na een ongeval een brandstoflucht ruikt of merkt dat het brandstof - sys teem lekt, druk dan de schakelaar niet weer terug, zodat brand wordt voorkomen.
Als u geen brandstoflekkage waarneemt en de auto kan nog verder rijden, druk dan op knop A naast de bestuurdersstoel om de brandstoftoevoer weer te herstellen.
HANDREM (fig. 112)
De handrem bevindt zich tussen de voorstoelen.
Om de handrem in te schakelen, moet u de hendel omhoog trekken. Op een vlakke ondergrond hoort de auto geblokkeerd te zijn als de handrem vier of vijf tanden is aangetrokken. Op steile hellingen en bij een beladen auto moet de handrem zeven of acht tanden worden aangetrokken.
BELANGRIJK Als dit niet het geval is, laat dan een Lancia-dealer de handrem afstellen.
Bij aangetrokken handrem en als de start-/contactsleutel in stand MAR staat, gaat op het instrumentenpaneel het waarschuwingslampje (①) branden.
Handrem uitschakelen:
1) Trek de hendel iets omhoog en druk op de ontgrendelknop A.
2) Houd de knop ingedrukt en laat de hendel zakken. Het waarschu - wings lampje Ⓔ dooft.
3) Om onverwachtse bewegingen van de auto te voorkomen, moet bij het bedienen van de handrem het rempedaal worden ingetrapt.

Om de versnellingen in te schakelen, moet u het koppelingspedaal geheel intrappen en vervolgens de versnellingspook in één van de in het schema aangegeven standen fig. 113 plaatsen (dit schema staat ook op de knop van de pook).
Om de achteruit in te schakelen (R), moet de auto stilstaan en de pook van uit de "vrij"-stand naar rechts en vervolgens naar achteren worden verplaatst.

Op enkele uitvoeringen moet voor het inschakelen van de achteruit, met de vingers van de hand waarmee u de pook vasthoudt, de schuifring A (fig. 113) onder de pookknop omhoog worden getrokken. Laat de schuifring los zodra de achteruit is ingeschakeld. Voor het uitschakelen van de achteruit hoeft de schuifring niet omhoog te worden getrokken.
Om op de juiste wijze te schakelen, moet u het koppelingspedaal geheel intrappen. Er mogen zich in de ruimte onder de pedalen geen voorwerpen bevinden die het geheel intrappen van de pedalen kunnen verhinderen. Let erop dat de vloermatten niet zijn dubbelgevouwen en zo de slag van de pedalen kunnen beperken.

De achteruit kan alleen worden ingeschakeld als de auto volledig stilstaat.
Wacht bij een draaiende motor en een geheel ingetrapt koppelings - pedaal minstens twee seconden voordat u de achteruit inschakelt om te voorkomen dat de tandwielen beschadigen.

Laat uw hand tijdens het rijden niet op de pook - knop rusten omdat door
de uitgeoefende druk, ook als deze licht is, de interne onderdelen van de versnellingsbak op den duur kunnen slijten.
AUTOMATISCHE SNELHEIDS - REGELAAR (CRUISE-CONTROL) (indien aanwezig)
ALGEMENE INFORMATIE
Dit elektronische systeem maakt het mogelijk een constante, vooraf ingestelde snelheid aan te houden, zonder het gaspedaal in te trappen. Op deze manier wordt het rijden, vooral op lange trajecten, minder vermoeiend omdat de ingestelde snelheid automatisch gehandhaafd blijft.
BELANGRIJK Het systeem kan alleen worden ingeschakeld bij een snelheid boven de 30 km/h.
De cruise-control mag uitsluitend worden gebruikt als de verkeersomstandigheden en het traject van dien aard zijn dat, over een voldoende lange afstand, in volledige veiligheid een constante snelheid kan worden aangehouden.
Het systeem schakelt in de volgende gevallen automatisch uit:
- door het intrappen van het rempedaal;
- door het intrappen van het koppelingspedaal.
BEDIENINGSKNOPPEN (fig. 114)
De cruise-control wordt bediend met schakelaar A, met draaiknop B en met knop C.
De schakelaar A heeft twee standen:
- OFF in deze stand is het systeem uitgeschakeld;
- ON in deze stand werkt het sys teem. Als het systeem begint te werken, gaat op het instrumentenpaneel het controlelampje CRUISE D branden.
Met draaiknop B kunt u de ingestelde snelheid van de auto opslaan en aanhouden of de ingestelde snelheid verhogen of verlagen.
Zet draaiknop B in stand (+) om de snelheid op te slaan of om de ingestelde snelheid te verhogen.

fig. 114
Zet draaiknop B in stand (−) om de ingestelde snelheid te verlagen.
Telkens als draaiknop B wordt bediend, wordt de snelheid ongeveer 1 km verhoogd of verlaagd. Als de draaiknop gedraaid wordt gehouden, verandert de snelheid continu. De nieuwe snelheid wordt automatisch opgeslagen.
Met knop C kan de opgeslagen snelheid worden opgeroepen.
BELANGRIJK Als de contactsleutel in stand STOP of de schakelaar A in stand OFF wordt gedraaid, wordt de opgeslagen snelheid gewist en het systeem uitgeschakeld.
Snelheid opslaan
Zet schakelaar A in stand ON en rijdt op een normale manier met de gewens- te snelheid. Zet draaiknop B ten min- ste drie seconden in stand (+) en laat de draaiknop daarna los. De snelheid van de auto blijft opgeslagen en het gas pedaal kan worden losgelaten.
De auto blijft vervolgens constant met de ingestelde snelheid rijden totdat zich één van de volgende omstandigheden voordoet:
- intrappen rempedaal;
- intrappen koppelingspedaal.
BELANGRIJK Indien nodig (bijvoorbeeld bij inhalen) kan de snelheid simpel verhoogd worden door het intrappen van het gaspedaal. Als u daarna het gaspedaal loslaat, wordt de opgeslagen snelheid weer aangehouden.
Opgeslagen snelheid oproepen
Als het systeem wordt uitgeschakeld, bijvoorbeeld door het intrappen van het rem- of koppelingspedaal, kan de opgeslagen snelheid op de volgende manier worden opgeroepen:
- geef geleidelijk gas totdat de snelheid ongeveer gelijk is aan de opgeslagen snelheid;
- schakel de versnelling in die ingeschakeld was op het moment van het opslaan van de snelheid (4 s of 5 e versnelling);
- druk op knop C.
Opgeslagen snelheid verhogen
De opgeslagen snelheid kan op twee manieren worden verhoogd:
- trap het gaspedaal in en sla de nieuwe snelheid op (houd draaiknop B langer dan 3 seconden gedraaid); of
- draai draaiknop B kort in stand (+): telkens als de draaiknop wordt gedraaid, wordt de snelheid iets verhoogd (ongeveer 1 km/h). Als de draaiknop gedraaid wordt gehouden, verandert de snelheid continu. Als de draaiknop B wordt losgelaten, wordt de nieuwe snelheid automatisch opgeslagen.
Opgeslagen snelheid verlagen
De opgeslagen snelheid kan op twee manieren worden verlaagd:
- schakel het systeem uit (bijvoorbeeld door het rempedaal in te trappen) en sla vervolgens de nieuwe snelheid op (zet draaiknop B ten minste drie seconden in stand (+);
of
- houd draaiknop B in stand (-) totdat de nieuwe snelheid is bereikt die automatisch blijft opgeslagen.
Opgeslagen snelheid wissen
De opgeslagen snelheid wordt automatisch gewist:
- als de motor wordt uitgezet; of
- als schakelaar A in stand OFF wordt gedraaid.

Als de cruise-control tijdens het rijden is ingeschakeld, zet dan nooit de versnellingspook in de "vrij"-stand of bij uitvoeringen met automatische versnellingsbak, de selectorhendel in stand N. Schakel de cruise-control uitsluitend in als de verkeersomstandigheden en de conditie van de weg dit veilig toestaan; d.w.z.: op rechte, droge wegen en autosnelwegen die in goede conditie verkeren en met een rustig verkeersbeeld. Schakel het systeem nooit in de stad of in druk verkeer in.

Het systeem kan alleen worden ingeschakeld bij een snelheid boven de 30 km/h.
Het systeem mag uitsluitend worden gebruikt, afhankelijk van de snelheid, in de 4e of 5e versnelling.
Op afdalingen kan bij ingeschakelde cruise-control de snelheid iets oplopen ten opzichte van de opgeslagen snelheid door de wijziging in de motorbelasting.

Bij een storing of een afwijkende werking van de cruise-control, moet scha - kelaar A in stand OFF worden gezet. Laat het systeem, na controle van de zekering, zo snel mogelijk bij een Lancia-dealer controleren.
Schakelaar A kan permanent in stand ON blijven staan, zonder risico op beschadiging van het systeem. Het verdient aanbeveling schakelaar A op stand OFF te zetten als het systeem niet wordt gebruikt, zodat het per ongeluk opslaan van snelheden wordt voorkomen.
INTERIEUR - UITRUSTING
Plafondverlichting voor (fig. 115)
De plafondverlichting bestaat uit twee lampjes met de bijbehorende schakelaar.
Als één van de portieren wordt ge - opend, met de schakelaar A in de linker stand (stand 0 - AUTO), gaan de beide lampjes en de plafondver - lichting achter branden.
Als de portieren gesloten worden, blijft de interieurverlichting nog ongeveer 7 seconden branden om het starten te vergemakkelijken.

fig. 115
De interieurverlichting dooft als de contactsleutel in stand MAR wordt gedraaid (bij gesloten portieren).
Als schakelaar A in de middelste stand 1 staat, is de interieurverlichting altijd gedoofd (stand OFF).
Als u schakelaar A naar rechts schuift (stand 2), blijven de beide lampjes altijd branden.
Met schakelaar B worden de lampjes afzonderlijk ingeschakeld.
Als u schakelaar B naar links schuift (stand 1), gaat het linker lampje branden. Als u de schakelaar naar rechts schuift (stand 2), gaat het rechter lampje branden.
Als schakelaar B in de middelste stand 0 staat, blijven de lampjes gedoofd.
BELANGRIJK Controleer voordat u de auto verlaat of schakelaar A in de linker stand staat en schakelaar B in de middelste stand. Op deze manier zullen de lampjes van de plafondverlichting doven na het sluiten van de portieren.
Als u vergeet om een portier te sluiten, zal na enkele seconden de interieurverlichting automatisch doven. Om de interieurverlichting opnieuw in te schakelen is het voldoende om een portier te openen en te sluiten.
Spiegelverlichting (fig. 116)
Als u de zonnekleppen voor de voorruit of zijruit draait, wordt de spiegelverlichting in de hemelbekleding zichtbaar.
Door de verlichting kunnen de spiegeltjes ook bij weinig licht gebruikt worden.
Om de verlichting in en uit te schakelen (met de contactsleutel in stand MAR) moet u op het rondje van het lampenglas A drukken.

Deze bevindt zich op de achterportierstijlen en gaat branden als u een portier opent. De plafondverlichting achter heeft een tijdschakeling.
De lampjes gaan branden of doven als u op het rondje van het lampenglas A drukt.
DASHBOARDKASTJE (fig. 118-119)
Het dashboardkastje is voorzien van een binnenverlichting en een klepje met slot. U kunt het slot ont-/ver-grendelen met de contactsleutel.
U kunt het klepje openen met het slot in stand 1 door aan hendel A te trekken.
Het slot wordt vergrendeld als u de sleutel in stand 2 draait.
Als het dashboardkastje wordt ge - opend, gaat de binnenverlichting B branden.

Rijd niet met een ge - opend dashboardkastje: dit kan de inzittende voor den bij een ongeval.

Beide worden door één klep afgesloten; deze kantelt open als op punt A wordt gedrukt.
Druk op de knop B om de aansteker in te schakelen; na ongeveer 15 seconden springt de knop automatisch terug en is de aansteker gereed voor gebruik.
De aansteker werkt uitsluitend als de contactsleutel in stand MAR staat.

De aansteker wordt erg heet. Gebruik de aansteker voorzichtig en voorkom gebruikt wordt door kinde- ico op brand of brandwon-
Verwijder voor het legen van de asbak het bakje C.
ASBAK ACHTER (fig. 122)
Voor de achterzitplaatsen is in het achterste deel van de middenconsole een asbak geplaatst.
Trek de asbak naar buiten om hem te openen.
Druk om de asbak uit te nemen op de middelste voor A en trek de asbak naar buiten.
Plaats de asbak eerst met de onderzijde in de houder, druk vervolgens op de middelste veer en druk de asbak in de zitting.

Controleer altijd of de aansteker na het in-drukken ook uitschakelt.

Deze bevindt zich in het midden van het dashboard.
Druk kort op de voorzijde om de houder te openen: de houder opent automatisch.
Druk de houder volledig in de zitting om hem te sluiten.
BEKER-/BLIKJESHOUDER (fig. 124)
Deze bevindt zich in het midden van het dashboard. Druk kort op de voorzijde om de houder te openen: de beker-/blikjeshouder opent automatisch.
Druk de houder volledig in de zitting om hem te sluiten.
MUNTENBAKJE (fig. 125)
Het muntenbakje A bevindt zich op de middenconsole.

Ze kunnen voor de voorruit of voor de zijruit worden gedraaid.
Om de zonnekleppen voor de zijruit te draaien, moeten ze uit de haken A worden losgemaakt.
Beide zonnekleppen zijn aan de binnenzijde voorzien van een spiegeltje met een afsluitschuifje B.
Boven de zonnekleppen bevinden zich twee lampjes C voor de verlichting van de spiegeltjes (zie voor de werking van de lampjes de paragraaf "Spiegelverlichting").

Opbergvakjes op het dashboard (fig. 127-128)
Op het dashboard bevindt zich in het midden vakje A (met verlichting) en aan de zijkant vakje B.
Opbergvakje achter (fig. 129)
In het achterste deel van de middenconsole bevindt zich het opbergvakje A.
Opbergvakjes in de portieren (fig. 130)
In de panelen van de voorportieren bevindt zich het opbergvak A.

De rugleuningen van de voorstoelen zijn aan de achterzijde voorzien van een documentenvak.
STEUNHANDGREPEN (fig. 132)
Bij het portier aan passagierszijde voor bevindt zich een steunhand - greep.
Bij beide achterportieren is een handgreep A geplaatst met een kle- dinghaakje B.
De handgrepen zijn uitgerust met een mechanisme waardoor de steunen langzaam weer in ruststand terug - keren.
ARMSTEUN VOOR MET OPBERGVAKJE (fig. 133)
Deze is verstelbaar en kan worden op- of neergeklapt.
Voor het verstellen moet de armsteun iets omhoog worden geklapt en aan haak A worden getrokken.
In de armsteun bevindt zich een opbergvakje. Druk voor het openen van het dekseltje op knop B.

STEKKERDOOS (fig. 134) (indien aanwezig)
Deze bevindt zich in het achterste deel van de middenconsole. Voor het gebruik van de stekkerdoos moet u dekseltje A openen.
De stekkerdoos wordt gevoed als de contactsleutel in stand MAR wordt gedraaid en kan alleen gebruikt worden voor accessoires met een maximum stroomverbruik van 15A (vermogen 180W).

Sluit geen accessoires op de stekkerdoos aan met een stroomverbruik dat hoger is dan de aangegeven maxi- male waarde.
Een langdurig stroomverbruik kan de accu uitputten, waardoor de motor niet meer gestart kan worden.

De elektrische bediening werkt alleen met de contactsleutel in stand MAR.

Onzorgvuldig gebruik van het opendak kan gevaarlijk zijn. Controleer voor en tijdens de bediening van de schakelaar altijd of de passagiers niet verwond kunnen worden door de beweging van het opendak zelf of door in beweging gebrachte voorwerpen. Verwijder altijd de contactsleutel uit het contactslot als u de auto verlaat, om te voor - komen dat het opendak per on - geluk in beweging wordt gebracht en zo gevaar kan opleveren voor de achtergebleven passagiers.

Open het dak niet bij sneeuw of ijs: het kan dan beschadigd worden.
OPENEN/SLUITEN (fig. 135-136)
Met schakelaar A bij de plafondver- lichting, kunt u het dak openen, slui- ten, en omhoog of dicht kantelen.
Zodra u de schakelaar loslaat, blijft het dak in de stand staan waarin het zich op dat moment bevindt.
Druk op de achterzijde van de schakelaar om het dak te openen; druk op de voorzijde om het dak te sluiten.
Bij het openen van het dak komt er een kleine spoiler B omhoog om de lucht werveling in het interieur te verminderen.
Als de auto is uitgerust met centrale ruitbediening wordt als u bij het sluiten van de portieren de sleutel in stand 2 (fig. 142) draait en de sleutel ten minste 2 seconden in deze stand houdt, het dak, als dit was geopend, automatisch gesloten.

Controleer regelmatig of de openingen aan de zij -kant C voor de waterafvoer stopt zijn.
SCHUIFPANEEL (fig. 137)
Bij gesloten of gedeeltelijk geopend dak kan het zonlicht getemperd worden door een schuifpaneel.
Gebruik de handgreep A om het schuifpaneel te openen of te sluiten.
Als het dak geopend wordt, wordt het schuifpaneel achter de hemelbe- kleding geschoven.
Als het dak gesloten wordt, schuift het paneel gedeeltelijk naar buiten totdat de handgreep bereikbaar is.

fig. 135
P4T0076

fig. 136

Het achterste deel van het dak kan alleen omhoog worden gekanteld als het dak volledig gesloten is. Druk op het voorste gedeelte van de knop A (fig. 135).
Als u op het achterste gedeelte van de knop drukt, sluit het achterste deel van het dak.
OPENEN BIJ EEN NOODGEVAL (fig. 139-140)
Bij een storing in het elektrische systeem moet klepje A van de plafondverlichting voor met een schroevendraaier in punt B worden losgewipt.
Steek de schroevendraaier in de zitting C en draai de schroevendraaier; op deze wijze kunt u het dak met de hand openen en sluiten.
Als het dak in de gewenste stand staat, draait u de schroevendraaier een halve slag terug, totdat u een klik hoort. Trek de schroevendraaier vervolgens uit de zitting.

fig. 139
PORTIEREN
CENTRALE PORTIERVERGRENDELING
Van buitenaf
Druk bij gesloten portieren op knopje A (fig. 141) op de handgreep van de sleutel of steek de sleutel in het slot van de bestuurdersportier.
Draai voor ontgrendeling de sleutel in stand 1 (fig. 142).
Draai voor vergrendeling de sleutel in stand 2.
Trek de handgreep omhoog om het ontgrendelde portier te openen.

BELANGRIJK Het diefstalalarm (indien aanwezig) schakelt niet in als u de portieren centraal vergrendelt door de sleutel in het slot van het portier te draaien.
Van binnenuit (fig. 143-144)
Druk bij gesloten portieren het knopje A aan de binnenzijde van één van de voorportieren naar beneden (voor vergrendeling) of trek het omhoog (voor ontgrendeling).
Met de knopjes aan de binnenzijde van de achterportieren ver- of ont-grendelt u uitsluitend het betreffende portier.
De achterportieren kunnen alleen van binnenuit worden geopend, als het kinderveiligheidsslot is uitgeschakeld.
Trek aan de handgreep B om het portier van binnenuit te openen. Als u aan de handgreep aan de binnenzijde van één van de voorportieren trekt, worden alle portieren ontgrendeld.
Bij iedere handgreep aan de binnenzijde, bevindt zich een lampje C dat gaat branden, waardoor de handgreep in het donker beter zichtbaar is.

BELANGRIJK De centrale portiervergrendeling werkt niet als één van de portieren niet goed gesloten is of als er een storing in het systeem is. Na enkele pogingen schakelt het systeem ongeveer 2 minuten uit. In deze 2 minuten kunt u de portieren met de hand ver- en ont-grendelen, zonder dat het elektrische systeem werkt. Na de 2 minuten is het systeem weer gereed. Als de oorzaak van de storing is opgelost, werkt het systeem weer normaal. Anders schakelt het systeem na enkele pogingen opnieuw uit.
CENTRALE RUITBEDIENING (indien aanwezig)
Als u de sleutel minstens twee seconden in stand 2 (fig. 142) houdt, worden ook de ruiten en het opendak, indien deze nog geopend waren, gesloten. Als u de sleutel loslaat, stopt het sluiten.
Als u de sleutel minstens twee seconden in stand 1 (fig. 142) houdt, worden alle ruiten geopend. Als u de sleutel loslaat, stopt het openen. Deze functie kan worden gebruikt als de auto in de zon heeft gestaan en erg warm is geworden.

fig. 142

Hierdoor kunnen de achterportieren van binnenuit niet geopend worden.
U schakelt het systeem in door de punt van de contactsleutel in opening A te steken en te draaien:
Stand 1 - kinderveiligheidsslot ingeschakeld.
Stand 2 - kinderveiligheidsslot uitgeschakeld.
Het kinderveiligheidsslot blijft ook ingeschakeld na het elektrisch ont-grendelen van de portieren.
BELANGRIJK Controleer na het in- schakelen van het veiligheidsslot of het slot daadwerkelijk is ingeschakeld door aan de handgreep aan de bin- nenzijde van het portier te trekken.

Schakel dit systeem altijd in als u kinderen vervoert. Zo wordt voorkomen dat ens het rijden de portieren .
DORPELVERLICHTING (fig. 146)
Aan de onderzijde van de voorportieren zit een dorpelverlichting.
Deze verlichting gaat gelijktijdig met de plafondverlichting voor branden.
RUITBEDIENING
Elektrische ruitbediening voor (fig. 147)
In het portier aan de bestuurders - zijde zijn drukschakelaars gemonteerd waarmee u, met de sleutel in stand MAR de zijruiten bedient:
A - zijruit linksvoor
B - zijruit rechtsvoor
C - zijruit linksachter (*)
D - zijruit rechtsachter (*)
E - schakelaar om de bedienings - knoppen op de achterportieren te blokkeren (*).
(*) = indien aanwezig

fig. 145

BELANGRIJK Als u bij gesloten portieren de contactsleutel in stand STOP draait (zonder hem uit te nemen), kunnen de zijruiten ongeveer 5 minuten bediend worden.
De werking van de bedieningsknoppen op de achterportieren wordt geblokkeerd als de schakelaar E omhoog wordt getrokken.
Als u de drukschakelaar aan bestuurderszijde indrukt, gaat de ruit automatisch open of dicht. De beweging stopt als de ruit aan het einde van zijn slag is (of als u nogmaals op de schakelaar drukt).
Als u de schakelaar kort indrukt, gaat de ruit een klein stukje open of dicht.
In het portier aan de passagierszijde is een schakelaar gemonteerd om aan die zijde de ruit te bedienen. De automatische werking van de ruit aan passagierszijde werkt alleen bij het openen, en volgens dezelfde logica die hierboven beschreven is.
Elektrische ruitbediening achter (fig. 148)
Bedien voor het openen of sluiten van de zijruiten achter de slinger F op de achterportieren.
Elektrische ruitbediening achter (fig. 149) (indien aanwezig)
In de armsteun van ieder portier zit een drukschakelaar om aan die zijde de ruit te bedienen.

Als u de schakelaar omhoog trekt, gaat de ruit dicht; als u de schakelaar indrukt, gaat de ruit open.
Met de schakelaars C en D (fig. 147) kunnen vanaf de bestuurdersplaats de zijruiten achter worden bediend.
Met schakelaar E (fig. 147) blokkeert u de bedieningsknoppen op de armsteunen van de portieren. De blok kering is ingeschakeld als de schakelaar omhoog is getrokken.

Onzorgvuldig gebruik van de elektrische ruitbediening kan gevaarlijk zijn. Controleer voor en tijdens het sluiten van een ruit altijd of de passagiers niet verwond kunnen worden door de beweging van de ruit zelf of door in beweging gebrachte voorwerpen. Verwijder altijd de sleutel uit het contact als u de auto verlaat, om te voorkomen dat een onverwachtse inschakeling van de elektrische ruitbediening gevaar oplevert voor de achtergebleven passagiers.
BAGAGERUIMTE
Trek voor het openen van het kofferdeksel de hendel A (fig. 150) omhoog of steek de sleutel in het slot B (fig. 151) en draai hem in stand 1.
Het slot vergrendelt als u het kofferdeksel sluit.
Gebruik voor het openen van het kofferdeksel de handgreep C boven het slot.
De vloerbedekking is omkeerbaar: de vloerbedekking kan worden verwijderd, omgedraaid en weer worden teruggeplaatst met de wasbare zijde naar boven gekeerd, wanneer u smerige voorwerpen vervoert.
Bij het gebruik van de bagageruimte mogen de maximale waarden niet worden overschreden (zie hoofdstuk "Technische gegevens"). Controleer bovendien of de bagage - ruimte goed geladen is en bevestig de lading eventueel met riemen of spanbanden aan de daarvoor bestemde ringen. Zo wordt voor - komen dat een voorwerp bij bruusk remmen naar voren schiet en letsel veroorzaakt.
BAGAGERUIMTE OPENEN MET AFSTANDSBEDIENING
Het kofferdeksel kan worden ge - opend door knopje D (fig. 152) op de contactsleutel in te drukken.
Het kofferdeksel kan ook worden geopend bij centraal vergrendelde portieren en ingeschakeld diefstal -alarm (indien aanwezig).
In dit geval werkt het alarmsysteem op de volgende manier:
- uitschakeling van de interieur-bewaking;
- uitschakeling van de kantelsensor;
- uitschakeling druksensor kofferdeksel.
Als het kofferdeksel weer wordt gesloten, worden de uitgeschakelde functies weer ingeschakeld.

Dit is alleen mogelijk bij een deelbare achterbank.
Zie voor de Station Wagon het be- treffende hoofdstuk.
Het is mogelijk de bagageruimte te vergroten door de deelbare achterbank gedeeltelijk (1/3 of 2/3) of geheel neer te klappen.
Gedeeltelijk neerklappen (1/3) (fig. 153)
Als alleen de linker zitting wordt neergeklapt, kunnen er twee personen op de achterbank worden vervoerd.
Gedeeltelijk neerklappen (2/3) (fig. 154)
Als alleen de rechter zitting wordt neergeklapt, kan er één persoon op de achterbank worden vervoerd.
Geheel neerklappen (fig. 155)
Als beide zitplaatsen achter worden neergeklapt, is de bagageruimte maximaal vergroot.

Bagageruimte vergroten
1) Trek de handgreep A (fig. 156) in het midden van iedere achterzitting in de rijrichting en klap de zitting naar voren in de richting van de pijl.
2) Verwijder de hoofdsteunen van de zitplaatsen achter (zie paragraaf "Hoofdsteunen" in dit hoofdstuk) en plaats ze in de daarvoor bestemde ruimte van de opgeklapte zitting (fig. 157).
3) Draai de hendel op de hoedenplank (fig. 158) om het slot van de rugleuningen te ontgrendelen:
stand 1 = rechter rugleuning
4) Plaats de veiligheidsgordels aan de zijkant en klap de rugleuningen neer, waardoor er een vlakke laad - vloer ontstaat in de bagageruimte.
Zitplaatsen achter in normale stand zetten
1) Plaats de veiligheidsgordels aan de zijkant, zet de rugleuning weer recht op en controleer of hij goed vast - gehaakt zit.
2) Klap vervolgens de zitting terug en let er daarbij op dat de veiligheids - gordels niet in elkaar gedraaid zitten tussen de rugleuning en de zitting.
3) Monteer de hoofdsteunen weer.
BELANGRIJK Als u zware voor - werpen vervoert en u 's nachts rijdt, moet u controleren of de hoogte - regelaars op de koplampen in de juiste stand staan (zie paragraaf "Koplampen" in dit hoofdstuk).
BAGAGE VASTZETTEN (fig. 159-160-161)
De vervoerde bagage kan met rie- men of spanbanden worden bevestigd aan de daarvoor bestemde ringen in de hoeken van de bagageruimte.
De ringen dienen ook voor de bevestiging van het bagagenet (als optional beschikbaar bij de Lancia-dealer).

Niet goed vastgezette bagage kan bij een ongeluk de passagiers ernstig ver -
wonden.
SKILUIK (fig. 162)
Het skiluik kan worden gebruikt voor het vervoer van lange voorwerpen (bijv. ski's) die vanuit de bagage ruimte door het luik kunnen worden gestoken.

fig. 160
1) Kantel de armsteun A omlaag.
2) Druk op de handgreep B en duw het klepje C naar beneden.
3) Maak de bekleding los (indien aanwezig).
Duw het luikje C in de richting van de bagageruimte om het te sluiten: de vergrendeling blokkeert automatisch.

1) Trek de hendel (rood) A (fig. 163) in de richting van de pijl.

Voer deze handeling alleen uit als de auto stilstaat.
2) Trek de hendel B (fig. 164) omhoog en maak de motorkap uit de veiligheidshaak los.
3) Til de motorkap op.

BELANGRIJK Het optillen van de motorkap wordt vergemakkelijkt door twee gasveren (fig.165). Wij raden u aan deze gasveren niet te demonteren en de motorkap tijdens het optillen te begeleiden.
Kom bij het uitvoeren van werkzaamheden in de motorruimte niet in de buurt van de elektroventilateur als de motor nog warm is: De elektroventilateur kan, ook bij uitgeschakeld contact, onverwachts inschakelen. Wacht totdat de motor is afgekoeld.
Motorkap sluiten:
1) Laat de motorkap vanaf een hoogte van ongeveer 20 cm dichtvallen: hij vergrendelt nu automatisch.
2) Controleer of de motorkap goed vergrendeld is en niet alleen door de veiligheidshaak wordt vastgehouden. Druk in dit laatste geval de motorkap niet dicht, maar til hem opnieuw op en herhaal de handeling.

fig. 164
Pas op als u sjaals, dassen of loszittende kledingstukken draagt: deze kunnen door de bewegende onder -delen worden gegrepen.
Controleer altijd of de motorkap goed vergrendeld is: probeer de motor-kap op te tillen om er zeker van te zijn dat hij goed vergrendeld is en niet alleen door de veiligheidshaak wordt vastgehouden.

De vergrendeling van het tankklepje wordt bediend door de centrale portiervergrendeling. In geval van nood kan het klepje ontgrendeld worden door aan lusje A (fig. 166) rechts in de bagageruimte te trekken (Sedan-uitvoering).
Bij de Station Wagon bevindt het Iusje A (fig. 167) zich in het servicevak rechts in de bagageruimte. Het Iusje is bereikbaar nadat het vakje met de handgreep is uitgetrokken en verwijderd. Door de hermetische afsluiting van de tank kan de druk in de tank iets verhoogd zijn. Het is daarom normaal als u bij het los-draaien van de tankdop een sissend geluid hoort.
Bij uitgeschakelde centrale portiervergrendeling, blijft het klepje gesloten. Om het klepje te openen moet u op de voorzijde, bij punt B (fig. 168) (aangegeven door een licht reliëf op het oppervlak zelf) drukken; trek vervolgens de achterzijde naar achteren en draai gelijktijdig het klepje naar buiten zoals aangegeven door de pijl, totdat het klepje geheel geopend is. De
tankdop zit via een koordje A (fig. 169) aan het tankklepje vast, zo- dat u de dop niet kunt verliezen.
Plaats tijdens het tanken de dop in de uitsparing op het klepje, zoals is afgebeeld.

Kom niet dicht bij de vul - opening met open vuur of een brandende sigaret: brandgevaar. Houd uw hoofd ook niet dichtbij de vulopening om te voorkomen dat u schadelijke dampen inademt.

fig. 166

De voorbereiding bestaat uit:
- antenne op het dak (fig. 170);

De antenne heeft een maximaal vermogen van 20W.
- bedrading voor de aansluiting van de antenne en elektrische voeding met de stekkers in de middenconsole, bij de handrem. Deze laatste bevat de aansluitingen met de autoradio voor
de functies TEL-IN (naar een tele-foon gesprek luisteren via de luidsprekers van de autoradio) en TEL-MUTE (het op nul zetten van het vo-lume van de autoradio bij een tele-foon gesprek).

De handsfree kit moet u zelf aanschaffen en geschikt zijn voor uw molefoon.
BELANGRIJK Bij de installatie van een mobiele telefoon moet het ingangsvolume worden ingesteld. Zie hiervoor de aanwijzingen in de paragraaf "Lijst van mogelijke Expert-instellingen" (PHONE SETTING en PHONE AMPLICATION) in het hoofdstuk "Autoradio".

Wendt u voor de installatie van de mobiele telefoon en de aansluiting op de
voorbereide bedrading uitsluitend tot de Lancia-dealer; deze kan het beste resultaat garanderen en elk mogelijk ongemak dat de veilig -heid van de auto in gevaar kan brengen, verhelpen.
INBOUWVOORBE - REIDING TELEPASS
(indien aanwezig)
De auto is uitgerust met een stekker (fig. 171) voor de aansluiting van een Telepass-transponder die via speciale verkoopkanalen verkrijgbaar is.
Wendt u voor de installatie van de Telepass tot de Lancia-dealer.

Zie voor de Station Wagon het be- treffende hoofdstuk.
De vier bevestigingsbeugels van de imperiaal/skidrager bevinden zich in de goot van het dak (twee per kant).
De bevestigingsbeugels zijn bereikbaar als u het afdichtrubber iets op -licht.
Bevestig de steunen van de imperiaal/skidrager aan de bevestigings - beugels.
BELANGRIJK Het afdichtrubber moet tegen de zijkanten van de dwars steunen rusten en niet op de bodem van de goot.

Controleer na enkele kilo meters opnieuw of de bevestigingsbouten nog astzitten.

Overschrijd nooit het maximum draagvermogen (zie hoofdstuk "Techni-gevens").

Goed afgestelde koplampen zijn belangrijk voor het comfort en de veiligheid van uzelf en de overige weggebruikers.
Bovendien zijn er wettelijke voorschriften.
Voor optimaal zicht en zichtbaar -heid moeten de koplampen op de juiste wijze zijn afgesteld.
Voor controle of afstelling kunt u zich tot een Lancia-dealer wenden.
KOPLAMPVERSTELLING
Als de auto beladen is, helt hij achter over. Het gevolg is dat de licht-bundel van de koplampen meer naar boven schijnt. De stand van de kop-lampen moet nu worden gecorrigeerd.

Controleer de afstelling van de koplampen telkens als het gewicht van de lading wijzigt.
Bedien de elektrische regelaar A (fig. 174):
Stand 0 - één of twee personen op de voorstoelen.
Stand 1 - vijf personen.
Stand 2 - vijf personen + bagage.
Stand 3 - bestuurder + maximale la- ding in de bagageruimte.
Als de auto is voorzien van automatische niveauregeling op de achterwielen, zet dan de elektrische regelaar A (fig. 174) in één van de volgende standen:

Stand 1 - één persoon + maximale lading in de bagageruimte.
Standen 2 en 3 - niet gebruiken.
Stand 0 - alle andere omstandigheden.
MISTLAMPEN VOOR AFSTELLEN
Vanaf de onderzijde van de auto kunt u met stelschroef A (fig. 175) de lichtbundel afstellen.
Voor controle of afstelling kunt u zich tot een Lancia-dealer wenden.

(benzine-uitvoeringen)
Het op de auto gemonteerde EOBD-systeem (European On Board Diagnosis) is conform de EU 98/69-richt lijnen (EURO 3).
Dit diagnosesysteem voert continu controles uit op de componenten die van invloed zijn op de emissies; bovendien kan de bestuurder door het branden van lampje op het instrumentenpaneel een vermindering in de werking van de componenten constateren.
Het doel is:
- de werking van het systeem controleren;
- signaleren wanneer door een storing de emissies boven de wettelijk vast - gestelde drempelwaarde uitkomen;
- signaleren wanneer het noodzakelijk is defecte componenten te vervangen.
Het systeem beschikt verder nog over een diagnosestekker die, als deze verbonden is met speciale apparatuur, het mogelijk maakt, de door de regel - eenheid opgeslagen storingscodes en de specifieke parameters voor de diag nose en werking van de motor, te lezen.

Als u de contactsleutel in stand MAR draait en het lampje 📁 gaat niet bran-
den of het gaat branden of knipperen tijdens het rijden, dan dient u zo snel mogelijk contact op te nemen met de Lancia-dealer.
BELANGRIJK Na het verhelpen van de storing moet de Lancia-dealer voor een complete controle van het systeem, tests uitvoeren op een testbank en, zonodig, een proefrit maken die eventueel een langere afstand kan omvatten.
ABS
ALGEMENE INFORMATIE
Het ABS (Anti-Blokkeer-Systeem) voorkomt dat tijdens het remmen de wielen blokkeren, ongeacht de conditie van het wegdek en de pedaaldruk, en verhindert daarmee het doorslippen van één of meerdere wielen. Hierdoor blijft de auto bestuurbaar en stabiel en wordt de remweg aanzienlijk verkort.
Als door de conditie van het wegdek (door water, ijzel, sneeuw, enz.) de grip op het wegdek vermindert, kan één van de wielen blokkeren en gaan slippen. Aangezien een geblokkeerd wiel niet meer de zijdelingse krachten kan opnemen die op de band worden uitgeoefend, zal de auto onbestuurbaar worden.
De auto is uitgerust met een elektronische remdrukverdeling EBD (Electronic Brakeforce Distribution). Het systeem zorgt door middel van de regeleenheid en de sensoren van het ABS voor een optimale verdeling van de remdruk tussen de voor- en achter -wielen.
WERKING
De centrale regeleenheid ontvangt en verwerkt de informatie van het rempedaal en van de 4 sensoren die bij de wielen zijn geplaatst en geeft de elektro-hydraulische unit de opdracht de remdruk op de remcilinders te verminderen, constant te houden of te verhogen. Zo wordt het blokkeren van de wielen voorkomen.
BELANGRIJK Tijdens het remmen kunnen lichte trillingen in het rem-pedaal worden gevoeld. Dit betekent dat het ABS in werking is getreden.

De auto is uitgerust met een elektronische remdrukverdeling (EBD). Als bij een draaiende motor tegelijker - tijd de waarschuwingslampjes (ABD) en (1)gaan branden, dan is er een storing in het EBD-systeem; in dat geval kunnen bij hard remmen de achterwielen vroegtijdig blokkeren waardoor de auto kan gaan slippen. Rijd zeer voorzichtig naar de dichtstbijzijnde Lancia-werkplaats om het systeem te laten controleren.
Als bij een draaiende motor alleen het waarschuwingslampje >gaat branden, dan is er een storing in het ABS-systeem. In dat geval werkt het conventionele remsystem op de normale manier, terwijl geen gebruik wordt gemaakt van het anti-blokkeersystem.Onder deze omstandigheden kan ook de werking van het EBD-systeem verminderen. Ook in dit geval raden wij u aan onmiddellijk en zeer voorzichtig naar de dichtst-bijzijnde Lancia-dealer te rijden, om het systeem te laten controle-ren.
Als het waarschuwings lampje (①) voor te laag rem-vloeistofniveau gaat branden, stop dan onmiddellijk de auto en raadpleeg een Lancia-dealer. Als er vloeistof lekt uit het hydraulische systeem, wordt de werking van zowel het conventionele rem-systeem als het ABS in gevaar ge-bracht.
De prestaties van het systeem vergroten in principe de actieve veiligheid, maar mogen de bestuurder er niet toe verleiden onnodige en onver -antwoorde risico's te nemen. De rijstijl moet altijd zijn aangepast aan de weersomstandigheden, het zicht en het verkeer.
Als u te sterk op de motor afremt (lage versnellingen bij weinig grip), kunnen de aangedreven wielen doorslippen. Het ABS werkt niet bij deze vorm van slippen.
De maximale remvertraging blijft uiteraard altijd afhankelijk van de grip van de banden op het wegdek. Bij sneeuw of ijs is de grip vanzelfsprekend veel minder, waardoor de remweg, ook met ABS, aanzienlijk langer zal zijn.
AUTORADIO
De auto is uitgerust met een complete autoradio.
De autoradio is geïntegreerd in het multifunctionele display en kan worden uitgerust met een CD-speler en een hifi-systeem.
ICS van Lancia (Integrated Control System) met navigatiesysteem (indien aanwezig)
De beschrijving van het ICS van Lancia bij de uitvoering met navigatiesysteem en specifieke werking van de autoradio vindt u in het bijgevoegde supplement, dat samen met het instructieboekje bij de auto wordt geleverd.
LUIDSPREKERS
Luidsprekers voor (fig. 176)
De luidsprekers voor bevinden zich in de voorportieren.
A - Tweeter (behalve uitvoeringen met BOSE hifi-systeem)
B - Woofer.
Luidsprekers achter (fig. 177)
De luidsprekers achter C bevinden zich in de achterportieren (alleen uitvoeringen met BOSE hifi-systeem).
Luidsprekers op de hoedenplank (fig. 178)
De auto is ook voorzien van luidsprekers D aan beide uiteinden van de hoedenplank.

fig. 176

CD-SPELER (indien aanwezig) (fig. 179)
De CD-speler is in de daarvoor bestemde ruimte links in de bagageruimte geplaatst, boven de ruimte voor de CD-speler van het ICS-navigatiesysteem van Lancia (indien aanwezig).
Open het klepje om de speler te bereiken door knop A te draaien.

Het hifi-audiosysteem bestaat uit:
- twee woofer luidsprekers (diameter 168 mm) met hoog uitgangsvermogen, gemonteerd in de voorportieren
- twee tweeter luidsprekers (diameter 50 mm) ingebouwd in de woofer luidsprekers op de voorportieren
- twee midrange luidsprekers (diameter 160 mm) met hoog uitgangs - vermogen en brede band, gemonteerd in de achterportieren
- één subwoofer luidspreker (diameter 230 mm) met hoog uitgangs - vermogen, ingebouwd in de hoedenplank (uitvoering Sedan)
- een bass box met een inhoud van 14 dm 3 rechts in de bagageruimte (uitvoering Station Wagon)
- een hifi-versterker met hoog uitgangsvermogen uit 5 kanalen, 4 van 25 W en 1 van 100 W, in klasse D met analoge equalizer.
Totaal muziekvermogen 300 W.
Het hifi-systeem is speciaal voor de Lybra ontwikkeld om de beste akoes-tische prestaties te leveren en een muziek concert zo levensecht te laten klinken op iedere plaats in het interieur.
Een van de belangrijke kenmerken van het systeem is de kristalheldere weergave van de hoge tonen en de volle en rijke bassen. Bovendien worden de klanken in het gehele interieur weergegeven, waardoor de inzittenden het gevoel van ruimtelijkheid krijgen zoals bij het beluisteren van levende muziek.
De componenten van het systeem zijn onder licentie gefabriceerd en ontwikkeld met de meest geavanceerde technologie. De bediening van de autoradio is echter eenvoudig zodat ook minder ervaren mensen het systeem op de beste manier kunnen gebruiken.
Dit hoofdstuk dient om de Lybra optimaal te gebruiken, hem niet te beschadigen en al zijn capaciteiten volledig te benutten. Wij geven u aanbevelingen "wat te doen, wat te laten en wat te vermijden" bij het rijden met de Lybra.
In de meeste gevallen gaat het om zaken die ook voor andere auto's belangrijk zijn. In andere gevallen gaat het specifiek om de werking van de Lybra. Daarom vragen wij ook voor dit hoofdstuk uw aandacht, zodat u de rij-eigenschappen en de werking leert kennen. Zo haalt u het beste uit uw Lybra.
MOTOR STARTEN.... 147
PARKEREN.... 150
TANKEN MET DE LYBRA.... 150
VEILIG RIJDEN.... 154
KOSTENBESPARING EN BEPERKING
VAN DE UITSTOOT VAN DE
SCHADELIJKE UITLAATGASSEN.... 158
ECONOMISCH EN MILIEUVRIENDELIJK
RIJDEN 160
TREKKEN VAN AANHANGERS.... 161
SNEEUWKETTINGEN 162
AUTO LANGERE TIJD STALLEN.... 163
PERIODIEKE CONTROLES EN VOOR
LANGE REIZEN.... 164
EXTRA ACCESSOIRES 164
SUGGESTIES VOOR
NUTTIGE ACCESSOIRES 165
MOTOR STARTEN

Het is gevaarlijk om de motor in een afgesloten ruimte te laten draaien. De motor verbruikt zuurstof en produceert koolmonoxide en andere giftige stoffen.
Direct na het starten van de motor, vooral wanneer de auto langere tijd niet gebruikt is, kan de motor iets meer geluid produceren. Dit geluid, dat niet schadelijk is voor de werking van de motor, wordt veroorzaakt door de hydraulische klepstoters: het dis- tri butiesysteem op de benzinemotor van de Lybra dat bijdraagt aan een vermindering van de onderhouds - werkzaamheden.
BENZINEMOTOR STARTEN
1) Zorg ervoor dat de handrem is aangetrokken.
2) Zet de versnellingspook in vrij.
3) Trap het koppelingspedaal geheel in, zonder het gaspedaal in te trappen.
4) Draai de start-/contactsleutel in stand AVV en laat hem los zodra de motor aanslaat.

Raak de hoogspannings - kabels (bougiekabels) nooit aan als de motor draait.
Als de motor bij de eerste poging niet aanslaat, moet u de sleutel terugdraaien in stand STOP en nogmaals starten.
Als met de start-/contactsleutel in stand MAR het controlelampje samen met het waarschuwingslampje blijft branden, raden wij u aan de sleutel in stand STOP te draaien en vervolgens weer in stand MAR; als het lampje nog steeds blijft branden, pro-beer het dan met de andere geleverde sleutels.
Als de motor nog niet aanslaat, voer dan zelf een noodstart uit (zie "Noodstart" in het hoofdstuk "Noodgevallen") of wendt u tot een Lancia-dealer.
BELANGRIJK Laat de contact - sleutel niet in stand MAR staan als de motor stilstaat.
DIESELMOTOR STARTEN
1) Zorg ervoor dat de handrem is aangetrokken.
2) Zet de versnellingspook in vrij.
3) Draai de contactsleutel in stand MAR. Op het instrumentenpaneel gaan de controlelampjes 00 en code branden.
4) Wacht tot het lampje → gedoofd is.
5) Wacht tot het lampje 00 gedoofd is. Hoe warmer de motor, hoe sneller het lampje dooft. Bij een warme motor kan het lampje zo snel doven dat dit niet wordt opgemerkt.
6) Trap het koppelingspedaal geheel in.
7) Draai de contactsleutel in stand AVV nadat het lampje 00 gedoofd is. Als u te lang wacht, zijn de voorgloeibougies weer afgekoeld.
Het minimum toerental wordt bij een koude motor automatisch verhoogd.

Als het lampje 00 na het starten ongeveer 30 seconden gaat knipperen, be- dit dat er een storing is in rgloeisysteem. U kunt op de manier de motor starten dient wel zo spoedig mo- contact op te nemen met een -dealer.
Als de motor bij de eerste poging niet aanslaat, moet u de sleutel terugdraaien in stand STOP en nogmaals starten.
Als met de start-/contactsleutel in stand MAR het controlelampje samen met het waarschuwingslampje blijft branden, raden wij u aan de sleutel in stand STOP te draaien en vervolgens weer in stand MAR; als het lampje nog steeds blijft branden, pro-beer het dan met de andere geleverde sleutels.
Als de motor nog niet aanslaat, wendt u dan tot een Lancia-dealer.
BELANGRIJK Laat de contact - sleutel niet in stand MAR staan als de motor stilstaat.
MOTOR OPWARMEN MOTOR NA HET STARTEN (benzine en diesel)
– Rijd rustig weg, laat de motor niet met hoge toerentallen draaien en trap het gaspedaal niet bruusk in.
- Verlang de eerste kilometers geen maximale prestaties. We raden u aan te wachten totdat de koelvloeistof een temperatuur van 50° ÷ 60°C heeft bereikt.
NOODSTART
Als de regeleenheid van de Lancia CODE de via de contactsleutel gezonden code niet herkent (controle-lampjes 📞 en 📞 op het instrumenten paneel branden constant), kan een noodstart worden uitgevoerd met de code die op de CODE-card ver-meld staat.
Zie het hoofdstuk "Noodgevallen".
ROLLEND STARTEN
Probeer auto's met katalysator nooit te starten door ze aan te duwen, te slepen of van een helling te laten rijden. Op die wijze kan er onverbrande brandstof in de katalysator terechtkomen, waardoor hij onherstelbaar zal beschadigen.
Houd er rekening mee dat de rem- en stuurbekrachting niet werken zolang de motor niet is aangeslagen, waardoor meer kracht nodig is voor de bediening van het rempedaal en het stuur.
MOTOR UITZETTEN
Draai de contactsleutel in stand STOP terwijl de motor stationair draait.
Gasgeven voordat u de motor uitzet heeft geen enkel nut, verspilt brandstof en is, vooral voor motoren met turbo-compressor, schadelijk.
BELANGRIJK Het is beter om de motor na een zware rit even "op adem" te laten komen. Zet de motor niet onmiddellijk uit, maar laat hem even stationair draaien. Hierdoor kan de temperatuur in de motorruimte dalen.
PARKEREN
Zet de motor uit, trek de handrem aan, schakel een versnelling in (de 1 e als de weg omhoog loopt, de achteruit als de weg omlaag loopt) en zet de voorwielen zo dat de auto, als de hand rem losschiet, snel tot stilstand komt.
Als de auto op een steile helling staat, blokkeer de wielen dan met stenen of wiggen.
Laat de contactsleutel nooit in stand MAR staan omdat hierdoor de accu uitgeput wordt.
Neem de sleutel altijd uit het contactslot als u de auto verlaat.
TANKEN MET DE LYBRA
BENZINE-UITVOERINGEN
Door de toepassing van emissie - reductiesystemen in de Lybra mag u uitsluitend loodvrije benzine tanken.
Om vergissingen te voorkomen is de diameter van de vulpijp van de tank kleiner, zodat het vulpistool voor loodhoudende benzine er niet in past.
Het octaangetal van de benzine moet minimaal 95 R.O.N. zijn.
Inhoud brandstoftank: 60 liter, inclusief een reserve van ongeveer 8 liter.

Tank met de Lybra nooit, niet in noodgevallen en ook niet een klein beetje, udende benzine. U zou de ator onherstelbaar bescha-

Een beschadigde katalysator laat schadelijke stoffen in het uitlaatgas achardoor het milieu wordt d.

Laat kinderen nooit alleen achter in de auto.

De dieselmotoren zijn uitsluitend geschikt voor dieselbrandstof voor motorvoertuigen (Europese specificaties EN590). Het gebruik van andere producten of mengsels kan de motor onherstelbaar beschadigen en het vervallen van de garantie tot gevolg hebben. Mocht u onver hoopt een ander type brandstof tanken, dan mag de motor niet worden gestart en moet de brandstoftank worden afgetapt. Ook als de motor slechts kort heeft gedraaid, moet naast de brandstoftank, ook alle brandstof uit de brandstofleidingen worden afgetapt.
Bij lage buitentemperaturen kan de vloeibaarheid van de dieselbrandstof verminderen door de vorming van paraffine, waardoor het dieselfilter verstopt kan raken.
Om dit probleem te voorkomen wordt er, afhankelijk van het seizoen, dieselbrandstof geleverd die speciaal voor de zomer of voor de winter is ontwikkeld.
Bij buitentemperaturen die tussen de 0 en 15°C schommelen (bijvoorbeeld in het voor- en najaar), kan de door het tankstation geleverde dieselbrandstof niet toereikend blijken te zijn.
Gebruik in die omstandigheden, en vooral als de motor regelmatig wordt afgezet en weer wordt gestart bij lage buitentemperaturen (bijv. in de bergen), dieselbrandstof die speciaal voor de winter is ontwikkeld; in alle andere gevallen raden wij aan de dieselbrandstof te mengen met een speciaal vorstbeveiligingsmiddel in de verhouding die in de gebruiksaanwijzing van het middel is aangegeven. Vul de tank eerst met het middel en voeg daarna de dieselbrandstof toe.
U moet het vorstbeveiligingsmiddel door de dieselbrandstof mengen voordat de dieselbrandstof door de kou van samenstelling is veranderd. Het nader - hand toevoegen heeft geen enkel effect.
MOTOROLIE
Oliepeil controleren: zie de aanwijzingen in het hoofdstuk "Onderhoud van de auto".
Het verschik tussen het MIN- en MAX -merkteken op de peilstok komt overeen met ongeveer 1 liter.
Gebruik SAE 10W-40 of SAE 5W-30 olie voor benzinemotoren.
Gebruik SAE 10W-40 of SAE 5W-40 olie voor dieselmotoren.
Zie voor andere gegevens het hoofdstuk "Technische gegevens".
KOELVLOEISTOF
Bijvullen met een mengsel van 50% water en 50% PARAFLU 11 . Zie voor andere gegevens het hoofdstuk "Technische gegevens".
BOUGIES
| 1.6 | LANCIA RC10YCC |
| LANCIA BKR5EZ | |
| Champion RC10YCC | |
| NGK BKR5EZ | |
| 1.8 | LANCIA RC10YCC |
| LANCIA BKR6EZ | |
| Champion RC10YCC | |
| NGK BKR6EZ | |
| 2.0 | LANCIA RC8BYC |
| Champion RC8BYC |
GLOEILAMP TYPE VERMOGEN
| Dimlicht | H7 | 60W |
| Grootlicht | H7 | 55W |
| Parkeerlichten voor | H6W | 6W |
| Richtingaanwijzers voor | PY21W | 21W |
| Richtingaanwijzers op voorspatbord | PY5W | 5W |
| Richtingaanwijzers achter | PY21W | 21W |
| Mistlampen voor | H3 | 55W |
| Achterlichten | R10W | 10W |
| Remlichten | P21W | 21W |
| Derde remlicht (sedan) | 2.3W | 2.3W |
| Derde remlicht (SW) | H21W | 21W |
| Achteruitrijlichten | P21W | 21W |
| Mistachterlicht | P21W | 21W |
| Kentekenplaatverlichting | C5W | 5W |
| Plafondverlichting voor | W5W | 5W |
| Spiegelverlichting | C10W | 10W |
| Plafondverlichting achter aan de zijkant en middenachter (SW) | C10W | 10W |
| Dashboardkastje | C5W | 5W |
| Bagageruimteverlichting (sedan) | C5W | 5W |
| Bagageruimteverlichting (SW) | C10W | 10W |
| Portieren | W5W | 5W |
BANDENSPANNING IN KOUDE TOESTAND (bar)
(■) Optional (*) Maximaal gewicht in de bagageruimte van de auto met neergeklapte achterbank (1 persoon + 350 kg).
Bij warme banden moet de in de tabel aangegeven waarde van de bandenspanning met 0,3 bar verhoogd worden.
VEILIG RIJDEN
Tijdens het ontwerpen van de Lybra heeft Lancia veel aandacht besteed aan de optimale veiligheid voor de inzittenden. Desalniettemin blijft het gedrag van de bestuurder van doorslaggevende betekenis voor de veiligheid op de weg.
Hierna vindt u enkele eenvoudige tips en aanbevelingen om onder diverse omstandigheden veilig te rijden. Hoewel u de meeste natuurlijk al kent, is het toch de moeite waard ze aandachtig te lezen.
VOOR U WEGRIJDT
- Controleer of de verlichting goed werkt.
- Zet de stoel, het stuur en de achteruitkijkspiegels in de juiste stand.
- Zet de hoofdsteunen zo, dat ze het hoofd steunen en niet de nek.
- Controleer of de slag van de pedalen niet beperkt wordt (door matten enz.).
- Pas de hoogte van de veiligheids - gordels zorgvuldig aan het eigen
postuur aan (zie de aanwijzingen in het hoofdstuk "Wegwijs in uw auto - veiligheidsgordels").
- Controleer of eventuele kinder-zitjes (stoeltjes, wiegjes, enz.) goed be-vestigd zijn.
- Stuw eventuele bagage zorgvuldig in de bagageruimte om te voorkomen dat bij bruusk remmen voorwerpen door het interieur schieten.
- Plaats op het dashboard geen voorwerpen of kaarten die in de voorruit kunnen weerspiegelen.
- Gebruik geen zware maaltijden voor een reis. Een lichte maaltijd draagt ertoe bij goede reflexen te behouden. Vermijd vooral het gebruik van alcohol. Het gebruik van bepaalde medicijnen kan de rijvaardigheid beïnvloeden: lees aandachtig de bijgevoegde gebruiksaanwijzing.
- Voer regelmatig controles uit. Zie hiervoor de paragraaf "Periodieke controles en voor lange reizen" in dit hoofdstuk.
TIJDENS DE RIT
- De eerste regel van veilig rijden is voorzichtigheid.
- Voorzichtigheid houdt ook in, dat u alert bent op fouten en onvoorzichtigheden van anderen.
- Houdt u altijd strikt aan de geldende verkeersregels van elk land waarin u rijdt en houdt u vooral aan de maximum snelheden.
- Controleer ook altijd of naast uzelf ook alle overige inzittenden de veiligheidsgordel dragen en dat de kinderen in passende zitjes worden vervoerd. Dieren dienen bij voorkeur in een van het interieur afgescheiden gedeelte te worden vervoerd.

Rijden onder invloed van alcohol, verdovende middelen, of bepaalde medicijnen is zeer gevaarlijk voor uzelf en voor anderen.

Draag altijd veiligheids - gordels, zowel voorin als achterin en zorg ervoor dat kinderen in passende zitjes worden vervoerd. Rijden zonder veilig heidsgordels vergroot het risico op ernstig letsel of dodelijke afloop bij een ongeval.
– Lange reizen moeten in optimale conditie worden gestart.
- Rijd niet te lang achter elkaar, maar las pauzes in en gebruik die om een beetje te bewegen en weer op krachten te komen.
- Zorg voor een constante luchtverversing in het interieur.
- Rijd nooit van een helling af met een afgezette motor: u kunt dan niet op de motor afremmen en de rem- en stuurbekrachtiging werken niet, waar door u krachtiger op de rem moet trappen en aan het stuur moet draaien.
- Rijd nooit van een helling af met de versnellingspook in de vrij-stand: op deze manier kan niet op de motor worden afgeremd.
IN HET DONKER RIJDEN
Enkele belangrijke tips voor het rijden in het donker:
- Rijd extra voorzichtig: rijden in het donker vergt veel meer concentratie.
- Beperk de snelheid, vooral op onverlichte wegen.
- Stop bij de eerste tekenen van slaperigheid: doorrijden levert gevaar op voor uzelf en voor anderen. Ga pas weer rijden na voldoende rust.
-
Bewaar een veilige afstand, groter dan overdag, van de auto's die voor u rijden. Het is moeilijk om de snelheid van andere auto's te schatten als alleen de lichten te zien zijn.
-
Controleer of de koplampen goed staan afgesteld: als ze te laag staan, wordt uw zicht beperkt en raakt u sneller vermoeid. Als ze te hoog staan, kunnen ze andere weggebruikers hinderen.
- Gebruik het grootlicht alleen buiten de stad en als u zeker weet dat u andere weggebruikers niet hindert.
- Doof het grootlicht (indien ingeschakeld) als u een tegenligger ziet en passeer met dimlicht.
– Houd alle lampen schoon. - Let buiten de stad op overstekende dieren.
MET REGEN RIJDEN
Regen en natte wegen leveren gevaar op.
Op natte wegen zijn alle manoeuvres moeilijker, omdat de wrijving tussen de banden en het wegdek aanzienlijk minder is. Het gevolg is dat de remweg aanmerkelijk langer is en dat de grip op het wegdek minder is.
Enkele tips voor het rijden met regen:
- Beperk de snelheid en bewaar een grotere afstand van de auto's die voor u rijden.
- Als het erg hard regent, wordt ook het zicht beperkt. Ontsteek in dat geval, ook overdag, het dimlicht, om de zichtbaarheid voor anderen te vergroten.
-
Rijd niet met hoge snelheid door plassen en houd het stuur stevig vast. Als u met hoge snelheid door een plas rijdt, kunt u de controle over de auto verliezen ("aquaplaning").
-
Zet de bedieningsknoppen van de ventilatie op ontwasemen (zie hoofdstuk "Wegwijs in uw auto"), zodat u een goed zicht houdt.
- Controleer regelmatig de conditie van de ruitenwisserbladen.
IN DE MIST RIJDEN
- Vermijd, indien mogelijk, het rijden in dichte mist.
Tips bij nevel, mist of kans op mist-banken: - Beperk uw snelheid.
- Ontsteek, ook overdag, het dimlicht, het mistachterlicht of de eventuele mistlampen voor. Gebruik niet het grootlicht.
BELANGRIJK Doof bij stukken met goed zicht de mistachterlichten om de weggebruikers achter u niet te hinderen.
- Denk eraan dat mist de wegen ook nat maakt, waardoor manoeuvres moeilijker uit te voeren zijn en de remweg langer is.
- Houd ruim afstand van de auto's voor u.
- Voorkom zoveel mogelijk abrupte snelheidswisselingen.
- Vermijd zoveel mogelijk het inhalen van andere voertuigen.
- Als u plotseling moet stoppen (bij een defect, door sterke vermindering van het zicht enz.), tracht dan toch buiten de rijstrook te stoppen. Zet vervolgens de waarschuwingsknipperlichten aan en, zo mogelijk, de dimlichten. Druk in een rustig ritme op de claxon als u een andere auto denkt te zien.
IN DE BERGEN RIJDEN
- Rem zoveel mogelijk op de motor af en rijd in een lage versnelling berg - afwaarts. Daarmee voorkomt u dat de remmen oververhit raken.
- Rijd nooit van een heuvel af met afgezette motor of met de versnellingspook in de vrij-stand, en absoluut nooit met uitgenomen contactsleutel.
- Rijd met een matige snelheid, en vermijd het "afsnijden" van bochten.
- Denk eraan dat bergopwaarts inhalen veel langzamer gaat en dat de weg daarom langer vrij moet zijn. Als u wordt ingehaald terwijl u berg - opwaarts rijdt, geef de passerende auto dan de ruimte.
MET SNEEUW EN IJS RIJDEN
Enkele tips voor het rijden met sneeuw en ijs:
– Rijd met zeer matige snelheid.
- Monteer sneeuwkettingen als u op besneeuwde wegen rijdt; zie de paragraaf "sneeuwkettingen" in dit hoofdstuk.
- Rem bij voorkeur op de motor af en vermijd bruusk remmen.
- Als uw auto niet voorzien is van ABS, pas dan op dat de wielen niet blokkeren. U voorkomt dit door de druk op het rempedaal zorgvuldig te doseren.
- Vermijd snel optrekken en plotse- ling van richting veranderen.
- In de winter kan op schijnbaar droge wegen toch ijs liggen. Let daar - om vooral goed op de delen van de weg die door de aanwezigheid van bomen of rotsen weinig zon krijgen, waardoor ijs kan blijven liggen.
- Houd ruim afstand van de auto's voor u.
MET ABS RIJDEN
Het ABS is een voorziening op het remsysteem dat twee belangrijke voor delen biedt:
1) Het voorkomt het blokkeren en daarmee het slippen van de wielen bij een noodstop en in omstandigheden waarbij de grip op het wegdek beperkt is.
2) Het houdt de auto tijdens het remmen bestuurbaar. Hierdoor kunt u tijdens het remmen obstakels ontwijken of van richting veranderen, mits de grip van de banden dit toelaat.
Het beste gebruik van ABS:
- Bij een noodstop of bij verminderde grip voelt u een lichte trilling in het rempedaal: dit is het signaal dat het ABS werkt. Laat het pedaal niet los, maar blijf het ingetrapt houden zodat het remsysteem continu werkt.
- Het ABS voorkomt het blokkeren van de wielen, maar verhoogt de grip van de banden op het wegdek niet. Houd daarom ook met auto's met ABS een veilige afstand van de auto's die voor u rijden en beperk de snelheid voor u een bocht inrijdt.
- Het ABS dient om de bestuurbaarheid van de auto te verbeteren, en niet om harder te rijden.
KOSTENBESPARING EN BESCHERMING VAN HET MILIEU
Hierna volgen enkele nuttige tips, waardoor de kosten van de auto zo laag mogelijk blijven en de uitstoot van schadelijke uitlaatgassen zoveel mogelijk beperkt wordt.
ALGEMENE OPMERKINGEN
Onderhoud van de auto
Doelmatig onderhoud is een beslissende factor voor een lange levens duur, de beste prestaties en een zo zuinig mogelijk gebruik van de auto. Laat daarom de bougies, de vloeistof-niveaus, de lucht-/brandstofffilters, de inspuitventielen, enz, regelmatig controleren en eventueel afstellen, zoals in het onderhoudsschema is aangegeven.
Banden
Controleer regelmatig, ten minste één keer per maand, de spanning van de banden. Als de spanning te laag is, wordt de weerstand groter en neemt het verbruik toe. Bovendien slijten hierdoor de banden sneller en ver- slechtert de wegligging van de auto, waardoor de veiligheid in gevaar kan worden gebracht.
Overbodige bagage
Rijd niet met een te zwaar beladen bagageruimte. Het gewicht van de auto (vooral in stadsverkeer) en de wieluitlijning hebben grote invloed op het brandstofverbruik en de stabilitieit.
Imperiaal/skidrager
Verwijder de imperiaal of skidrager als u deze niet meer gebruikt. Ze verminderen de aërodynamica van de auto, waardoor het brandstofverbruik toeneemt. Gebruik voor het vervoer van volumineuze voorwerpen bij voorkeur een aanhanger.
Stroomverbruikers
Gebruik de elektrische installaties alleen als u ze nodig hebt. De achterruitverwarming, de verstralers, de ruitenwissers en de aanjager van het ventilatie-/verwarmingssysteem vragen veel stroom, waardoor het brandstofverbruik toeneemt (tot aan 25% in stadsverkeer).
Airconditioning
De airconditioning gebruikt zeer veel energie, waardoor de motor zwaar wordt belast en het brandstofverbruik sterk toeneemt (met gemiddeld 20%). Gebruik wanneer de buitentemperatuur het toelaat bij voorkeur de functies van het ventilatiesysteem.
Aërodynamische accessoires
Het gebruik van niet goedgekeurde aërodynamische accessoires kan de aërodynamica negatief beïnvloeden, waardoor het brandstofverbruik zal toenemen.
RIJSTIJL
Het starten
Laat de motor als de auto stilstaat, niet warmdraaien met stationair toerental en ook niet met een hoog toerental: onder deze omstandigheden warmt de motor veel langzamer op, terwijl het verbruik en de schadelijke uitlaatgasemissie toenemen. Het is beter om rustig weg te rijden en geen hoge toerentallen te gebruiken. Op deze manier warmt de motor sneller op.
Overbodige handelingen
Trap het gaspedaal niet in als u stilstaat voor een stoplicht of voordat u de motor afzet. Deze handeling heeft evenals het overschakelen met tussengas geen enkel nut. Het kost brandstof en verhoogt de uitstoot van schadelijke uitlaatgassen.
Keuze van de versnellingen
Gebruik als het verkeer en de weg het toelaten de hoogste versnelling. Het inschakelen van een lage versnel- ling voor een snelle acceleratie, ver - hoogt het brandstofverbruik. Op dezelfde wijze neemt bij het oneigenlijke gebruik van een hoge versnelling, het verbruik en de schadelijke uitlaatgas - emissie toe. Bovendien slijt de motor hierdoor sneller.
Maximum snelheid
Het brandstofverbruik neemt aanzienlijk toe bij een hogere snelheid: als de snelheid wordt verhoogd van 90 naar 120 km/h, neemt het brandstofverbruik met ongeveer 30% toe. Rijd daarom zoveel mogelijk met een gelijkmatige snelheid, vermijd over bodig remmen en optrekken. Dit kost brandstof en verhoogt de uitstoot van schadelijke uitlaatgassen. Wij raden u daarom aan om rustig te rijden en een veilige afstand te bewaren van de auto's die voor u rijden, waardoor u tijdig kunt reageren op gevaarlijke situaties (bijv. kettingbotsingen).
Acceleratie
Met vol gas optrekken waarbij de motor met hoge toerentallen draait, kost veel brandstof en verhoogt de uitstoot van schadelijke uitlaatgassen. Het is beter geleidelijk op te trekken en geen maximale toerentallen te gebruiken.
GEBRUIKSOMSTANDIGHEDEN
Koude start
Bij korte ritten en regelmatig koud starten, bereikt de motor niet de optimale bedrijfstemperatuur. Hierdoor neemt niet alleen het brandstofverbruik toe (van 15 tot aan 30% in stadsverkeer) maar ook de uitstoot van schadelijke uitlaatgassen.
Verkeerssituatie en conditie van het wegdek
Op een drukke weg bijvoorbeeld bij filerijden, waarbij overwegend lage versnellingen worden gebruikt, of in de stad waar zich veel verkeerslichten bevinden, zal het brandstofverbruik aanzienlijk hoger zijn.
Bochtige trajecten, bergwegen en een slecht wegdek verhogen eveneens het brandstofverbruik.
Stilstaan in het verkeer
Als u langere tijd stilstaat (spoorweg - overgang), is het raadzaam de motor uit te zetten.
ECONOMISCH EN MILIEUVRIENDELIJK RIJDEN
De bescherming van het milieu is een van de uitgangspunten geweest bij de ontwikkeling van de Lybra. Het is niet voor niets dat de resultaten van zijn emissiereductiesystemen boven de geldende normen liggen.
Het milieu heeft recht op maximale aandacht van iedereen.
De automobilist kan door enkele simpele aanwijzingen op te volgen, voorkomen dat hij/zij onnodig schade aan het milieu toebrengt. Vaak wordt door die aanwijzingen ook het brandstofverbruik beperkt.
Over dit onderwerp vindt u hierna diverse nuttige tips, die een geheel vormen met de tips met het symbool die u in diverse hoofdstukken van dit boekje kunt vinden.
We vragen uw aandacht voor al deze tips.
VOORZORGSMAATREGELEN VOOR HET BEHOUD VAN DE EMISSIEREDUCTIESYSTEMEN
De correcte werking van deze systemen is niet alleen belangrijk voor het milieu, maar ook voor het rendement van de auto. Het in goede conditie houden van de systemen is de belang-rijkste voorwaarde voor milieubewust en economisch rijden.
De eerste eis is, dat u zich te allen tijde houdt aan het geprogrammeerd onderhoudsschema.
Gebruik voor de benzinemotoren uitsluitend loodvrije benzine.
Als het starten problemen oplevert, blijf dan niet proberen. Vermijd aanduwen, aanslepen of rollend starten: al deze handelingen kunnen de katalysator beschadigen. Maak bij een noodstart uitsluitend gebruik van een hulpaccu.
Als de motor tijdens het rijden "slecht loopt", rijd dan zeer rustig zo- dat de motor zo min mogelijk wordt belast en wendt u zo snel mogelijk tot een Lancia-dealer.
Als het waarschuwingslampje van de brandstofreserve brandt, tank dan zo snel mogelijk. Een laag brandstofni- niveau kan een onregelmatige brand- stoftoevoer veroorzaken, waardoor de temperatuur van de uitlaatgassen stijgt; hierdoor kan de katalysator ernstig beschadigen.
Laat de motor nooit, ook niet tijdens testwerkzaamheden, met losgenomen bougiekabels draaien.
Laat de motor voor vertrek niet warmdraaien met stationair toerental, behalve als de buitentemperaturen zeer laag zijn. Maar ook in dit laatste geval moet u de motor niet langer dan 30 seconden laten warmdraaien.

Onder normale bedrijfs - omstandigheden bereikt de katalysator hoge tempe- n. Parkeer daarom niet brandbare materialen (gras, bladeren, dennennaalden randgevaar.
Monteer geen andere hitteschilden en verwijder de op de katalysator en uitlaat gemonteerde schilden niet.
Spuit geen reinigings- of beschermingsmiddelen op de katalysator, de lambdasonde en het uitlaatsysteem.

Het negeren van deze aanwijzingen kan brandgevaar opleveren.
TREKKEN VAN AANHANGERS
BELANGRIJKE TIPS
Voor het trekken van aanhang wagens of caravans moet de auto uitgerust zijn met een trekhaak van een goedgekeurd type en een adequate elektrische installatie.
De montage van de trekhaak moet door gespecialiseerd personeel worden uitgevoerd. Ook moet documentatie worden overhandigd m.b.t. het rijden met een aanhanger.
Monteer speciale en/of extra achter - uitkijkspiegels, waarmee u voldoet aan de geldende verkeerswetgeving.
Let er op dat het maximum klimvermogen van de auto door het gewicht van een aanhanger of caravan wordt beperkt, de remweg langer wordt en dat u langer de tijd nodig heeft om in te halen.
Schakel een lage versnelling in tijdens het afdalen om te voorkomen dat u constant moet remmen.
Het gewicht van de aanhanger dat op de trekhaak rust, moet worden afgetrokken van het laadvermogen van de auto.
Om er zeker van te zijn dat u het maximum toelaatbaar aanhangergewicht niet overschrijdt, moet u er rekening mee houden dat het gewicht betrekking heeft op het totale gewicht van de aanhangwagen of caravan, inclusief accessoires en bagage.
Houdt u aan de snelheidsbeperkingen die voor auto's met aanhanger gelden.

Het ABS werkt niet op het remsysteem van de aan - hanger. Wees daarom ex- rzichtig op gladde wegen.

Voer in geen geval modificaties aan het remsysteem van de auto uit. Het teem van de aanhanger heel onafhankelijk van het leisch remsysteem van de worden bediend.
SNEEUW - KETTINGEN
Het gebruik van sneeuwkettingen is afhankelijk van de voorschriften van het land waar wordt gereden.
De sneeuwkettingen mogen alleen op de voorwielen gemonteerd worden (aangedreven wielen).
Gebruik uitsluitend sneeuwkettingen met een geringe dikte (de ketting mag maximaal 9 mm boven het profiel van de band uitsteken).
Voordat u overgaat tot de aankoop en montage van sneeuwkettingen, raden wij u aan contact op te nemen met de Lancia-dealer.
Controleer na enkele meters rijden of de kettingen nog goed gespannen zijn.
BELANGRIJK Omdat het reservewiel beperkte afmetingen heeft (noodreservewiel, indien aanwezig), is het niet geschikt voor de montage van een sneeuwketting. Als u een lekke voorband hebt, kunt u het reservewiel op de achteras plaatsen en het achterwiel op de vooras. Zo hebt u op de vooras twee normale wielen waarop u sneeuwkettingen kunt monteren.

Beperk de snelheid als u sneeuwkettingen gebruikt. Vermijd kuilen, stoepranden en andere obstakels en rijd, om de banden, de wielophanging en de stuurinrichting niet te beschadigen, geen lange stukken op sneeuwvrije wegen.
AUTO LANGERE TIJD STALLEN
Tref de volgende maatregelen als de auto enkele maanden niet wordt gebruikt:
- Zet de auto in een overdekte, droge en zo mogelijk goed geventi-leerde ruimte.
– Schakel een versnelling in. - Zorg ervoor dat de handrem is aangetrokken.
- Maak de accukabels los van de accu (koppel altijd eerste de min kabel los) en controleer de acculading. Controleer daarna de acculading iedere drie maanden. Laad de accu op als de spanning lager is dan 12,5 Volt.
BELANGRIJK Als de auto is uitgerust met een diefstalalarm, schakel het alarm dan uit met de afstands - bediening en stel het systeem buiten werking door de sleutelschakelaar in de stand "OFF" te draaien (zie "Diefstalalarm" in het hoofdstuk "Wegwijs in uw auto").
- Zorg ervoor dat de handrem is aangetrokken.
- Maak de gespoten plaatdelen schoon en behandel ze met een beschermende was.
- Reinig en conserveer de glimmende metalen delen met daarvoor geschikte middelen.
- Smeer de wisserrubbers van de ruitenwissers en achterruitwisser in met talkpoeder en laat ze los van de ruit staan.
- Zet de ruiten een klein stukje open.
- Dek de auto af met een stoffen of een ademende kunststof hoes. Gebruik geen dichte plastic hoes, omdat
het in en op de auto aanwezige vocht dan niet kan verdampen.
- Breng de bandenspanning +0,5 bar boven de normaal voorgeschreven spanning en controleer deze regel - matig.
- Controleer de acculading iedere maand.
- Tap het koelsysteem van de motor niet af.
PERIODIEKE CONTROLES EN VOOR LANGE REIZEN
Controleer regelmatig:
- bandenspanning en conditie van de banden
- niveau van het elektrolyt van de accu
- niveau van de motorolie
- niveau van de koelvloeistof en de conditie van het koelsysteem
- niveau van de remvloeistof
- niveau van de ruitensproeiervloeistof
- niveau van de olie van de stuur- bekrachtiging.
EXTRA ACCESSOIRES
RADIOZENDAPPARATUUR EN MOBILE TELEFOON
Mobiele telefoons en andere radio- zendapparaten (bijvoorbeeld 27 mc) mogen alleen in de auto worden ge- bruikt als er een aparte antenne aan de buitenkant van de auto wordt ge- monteerd.

Door het gebruik van een mobiele telefoon, een 27 mc-zender of gelijksoortige apparaten in de auto (zonder buitenantenne) ontstaan elektromagnetische velden die, versterkt door de reflectie in het interieur, niet alleen schadelijk voor de gezondheid van de inzittenden kunnen zijn, maar ook storingen in de elektrische systemen van de auto kunnen veroorzaken. Hierdoor wordt de veiligheid in gevaar gebracht. Bovendien wordt de zenden ontvangstkwaliteit aanzienlijk beperkt door de isolerende eigenschappen van de carrosserie.
SUGGESTIES VOOR NUTTIGE ACCESSOIRES
Onafhankelijk van de wettelijk verplichtingen, raden wij u aan het volgende aan boord te hebben (fig. 2):
- verbandtrommel met niet alcoholische, desinfecterende deppers, steriele gaaskompressen, verbandgaas, pleisters enz.,
- een brandblusser,
- een zaklamp,
- een schaar met afgeronde punten,
- werkhandschoenen.

De afgebeelde en beschreven voor - werpen zijn opgenomen in het Lancia Lineaccessori-programma.
NOODGEVALLEN
Wie in een noodsituatie verkeert, heeft di recte en concrete hulp nodig.
De volgende pagina's zijn speciaal gemaakt om u zonodig te helpen.
Zoals u ziet, worden er diverse kleine problemen behandeld; voor elk wordt beschreven wat u zelf kunt doen om het probleem te verhelpen. Bij eventuele grotere problemen is het echter nodig een Lancia-dealer te raadplegen.
Wij willen u eraan herinneren, dat u bij het instructieboekje ook de "SERVICE- EN GARANTIEHANDLEIDING" hebt ontvangen. Hierin staat exact beschreven welke service u in probleemsituaties van Lancia mag verwachten.
Wij raden u aan deze pagina's te lezen. Dan kunt u de informatie als het nodig is, snel vinden.
NOODSTART 167
STARTEN MET EEN HULPACCU.... 168
ROLLEND STARTEN.... 169
EEN LEKKE BAND 169
GLOEILAMP VERVANGEN.... 176
DEFECTE BUITENVERLICHTING.... 179
DEFECTE INTERIEURVERLICHTING...... 184
EEN DOORGEBRANDE ZEKERING...... 187
EEN LEGE ACCU.... 196
HET OPKRIKKEN VAN DE AUTO 196
HET SLEPEN VAN DE AUTO
OF EEN ANDERE AUTO.... 197
BIJ EEN ONGEVAL 198
NOODSTART
Als de Lancia CODE er niet in slaagt om de startblokkering op te heffen, blijven het controlelampje 📄 en het waarschuwingslampje 📋 branden en start de motor niet. Voor het starten van de motor is het nodig een noodstart uit te voeren.
Wij raden u aan om eerst de instructies goed te lezen voordat u de motor op deze wijze start.
Als er tijdens deze noodstartprocedure een vergissing wordt gemaakt, moet de contactsleutel in stand STOP worden gedraaid en de gehele procedure vanaf het begin (punt 1) worden herhaald.
1) Lees de 5-cijferige elektronische code die op de CODE-card staat vermeld.
2) Draai de contactsleutel in stand MAR.
3) Trap het gaspedaal geheel in en houd het ingetrapt. Het waarschu -wingslampje van het inspuitsysteem gaat ongeveer 8 seconden branden. Zodra het lampje is gedoofd, moet u het gaspedaal loslaten. Het waar schuwingslampje begint te knipperen.
4) Als het lampje evenveel keer heeft geknipperd als het eerste cijfer van de code op uw CODE-card, moet u het gaspedaal intrappen en ingetrapt houden totdat het lampje 4 seconden heeft gebrand. Zodra het lampje is gedoofd, moet u het gaspedaal loslaten.
5) Het lampje 📄 gaat weer knipperen: als het lampje evenveel keer heeft geknipperd als het tweede cijfer van de code op uw CODE-card, moet u het gaspedaal intrappen en ingetrapt houden.
6) Herhaal deze procedure voor de overige cijfers van de code op uw CODE-card.
7) Houd bij het laatste cijfer het gas-pedaal ingetrapt. Het lampje gaat 4 seconden branden. Zodra het lampje is gedoofd, moet u het gas-pedaal loslaten.
8) Als het lampje 📄 ongeveer 4 seconden snel gaat knipperen, is de procedure op de juiste wijze uitgevoerd.
9) Start de motor door de contact-sleutel van stand MAR in stand AVV draaien, zonder de sleutel in stand STOP te plaatsen.
Als het lampje blijft branden, draai dan de contactsleutel in stand STOP en herhaal de procedure vanaf punt 1).
BELANGRIJK Bij elke volgende startpoging van de motor moet deze noodstartprocedure worden herhaald. Wij raden u daarom aan om na het uitvoeren van een noodstart een Lancia-dealer te raadplegen.
STARTEN MET EEN HULPACCU
Als de accu leeg is, kan de motor worden gestart met een hulpaccu, die ten minste dezelfde capaciteit moet hebben als de lege accu (zie hoofdstuk "Technische gegevens").
Ga als volgt te werk:
1) Verbind de pluspolen A (fig. 1) en B van de accu's met een startkabel.
2) Sluit een tweede startkabel aan op de minpool C van de hulpaccu en het metalen uiteinde D van de massa - kabel van de auto met de lege accu.
BELANGRIJK Verbind de min - polen van de twee accu's niet rechtstreeks: eventuele vonken kunnen het explosieve gas ontsteken dat uit de accu kan ontsnappen. Als de hulpaccu is geïnstalleerd aan boord van een andere auto, mogen tussen deze auto en de auto met de lege accu niet per ongeluk metalen delen met elkaar in verbinding staan.
3) Start de motor.
4) Neem als de motor draait, de kabels in omgekeerde volgorde los: klem D, C, B en tenslotte A.
Als de motor na enkele pogingen niet aanslaat, blijf dan niet proberen maar wendt u tot een Lancia-dealer.

Voer deze procedure niet uit als u er geen ervaring mee hebt: Onjuiste handelingen kunnen leiden tot vonken en ernstige beschadiging van de accu en de elektrische installatie. Kom ook niet dichtbij een accu met open vuur of een brandende sigaret en veroorzaak geen vonken: brand- en ontploffingsgevaar.
Gebruik voor een noodstart beslist nooit een accul ader: de elektronische systemen kunnen beschadigen; in het bijzonder de regeleenheden van de ontsteking en de inspuiting.
ROLLEND STARTEN

Probeer auto's met katalysator nooit te starten door ze aan te duwen, te slepen of van een helling te laten rijden. Op die wijze kan er onverbrande brandstof in de katalysator terechtkomen, waardoor hij onherstelbaar zal beschadigen.

Houd er rekening mee dat de rem- en stuurbekrachtiging niet werken zolang
de motor niet is aangeslagen. U moet daarom krachtiger op de rem trappen en aan het stuur draaien.
EEN LEKKE BAND
Voor het verwisselen van het wiel en voor het juiste gebruik van de krik en het reservewiel (indien aanwezig) moeten de onderstaande voorzorgs - maatregelen in acht worden genomen. Attendeer het overige verkeer op de stilstaande auto m.b.v.: de waarschu - wingsknipperlichten, de gevaren-driehoek, enz.

Tijdens het verwisselen van een wiel moeten alle inzittenden de auto hebben verlaten, en op een veilige afstand van het verkeer wachten, toto dat het wiel verwisseld is.
Blokkeer de wielen met stenen of andere voorwerpen als de auto schuin op een helling of op een slecht wegdek staat.

Het reservewiel (indien aanwezig) is speciaal ont - worpen voor deze auto; monteer het wiel niet op andere modellen en monteer ook geen reservewielen van andere modellen op uw auto.

Het reservewiel is kleiner dan de normale wielen en mag uitsluitend gebruikt worden om de dichtstbijzijnde reparatiewerkplaats te bereiken, waar de lekke band gerepareerd kan worden. Tijdens het gebruik van het reservewiel mag u niet harder dan 80 km/h rijden.Op het reservewiel is een sticker aangebracht waarop de belangrijkste aanwijzingen en de beperkingen staan vermeld met betrekking tot het gebruik van het reservewiel . Deze sticker mag absoluut niet worden verwijderd of afgedekt.Op de sticker staan de volgende aanwijzingen in vier talen vermeld:
ATTENTIE! ALLEEN VOOR TIJ-DELIJK GEBRUIK! MAXIMAAL 80 KM/H!
VERVANG ZO SNEL MOGELIJK DOOR EEN NORMAAL WIEL. BEDEK DEZE AANWIJZINGEN NIET.
Op het reservewiel mag nooit een wieldeksel worden gemonteerd. Bij een gemonteerd reservewiel veranderen de rij-eigenschappen van de auto. Vermijd met vol gas optrek-ken, bruusk remmen en hoge snel-heden in de bochten.

Het reservewiel (indien aanwezig) heeft een levens - duur van maximaal 3.000
km. Na deze afstand moet het reservewiel vervangen worden door een ander wiel van hetzelfde type. Monteer nooit een normale band op de velg van het reservewiel.
Laat het verwisselde wiel zo snel mogelijk repareren en monteren. Het is niet toegestaan met twee of meer reservewielen te rijden.
Smeer de schroefdraad van de wielbouten niet met vet in voordat u ze monteert: de bouten kunnen loslopen.
De krik dient uitsluitend voor het verwisselen van een wiel van de auto waarbij hij geleverd is of voor auto's van hetzelfde model. Gebruik de krik niet voor het op -krikken van andere auto's en beslist nooit voor het uitvoeren van werkzaamheden onder de auto.
Als de krik niet juist geplaatst wordt, kan de opgekrikte auto van de krik vallen.

Op een sticker op de krik is het maximum hefvermo-gen aangegeven; de krik oit voor een zwaardere last gebruikt.
Het noodreservewiel (indien aanwezig) is niet geschikt voor de montage van sneeuwkettingen. Als u een lekke voorband (aangedreven wiel) heeft en er moet met sneeuwkettingen worden gereden, dan moet u een wiel van de achter - as afhalen en daarvoor in de plaats het noodreservewiel monteren. Op deze manier heeft u de beschikking over twee normale voor wielen waarop sneeuwkettingen gemonteerd kunnen worden en is deze noodsituatie opgelost.
Door een verkeerde montage kan het wieldeksel tijdens het rijden loslaten. Maak het ventiel absoluut niet open. Plaats geen enkel stuk gereedschap tussen velg en band.
Controleer regelmatig de spanning van de banden en van het reservewiel en houdt u daarbij aan de waarden die beschreven staan in het hoofdstuk "Technische gegevens".
WIEL VERWISSELEN
De richtlijnen geven aan dat:
- de krik 2,05 kg moet wegen
– de krik geen afstelwerkzaamheden mag vereisen - de krik bij beschadiging vervangen moet worden door een krik van hetzelfde type
- buiten de slinger geen enkel ander gereedschap op de krik gemonteerd mag kunnen worden.
De auto kan zijn uitgerust met een reservewiel met normale afmetingen (indien aanwezig).

Ga als volgt te werk voor het verwisselen van een wiel:
1) Stop de auto op een plaats waar het verkeer niet in gevaar wordt gebracht en in alle veiligheid het wiel kan worden verwisseld. Zet de auto zo mogelijk op een vlakke en stevige ondergrond.

2) Trek de handrem aan.
3) Schakel de eerste versnelling of de achteruit in.
4) Open het kofferdeksel, til de be- kleding op en haak deze aan de boven rand vast met de daarvoor bestemde riem A (fig. 2).
De vloerbedekking kan ook uit de bagageruimte worden verwijderd door de vloerbedekking naar achteren te trekken. Verwijder het vulstuk (fig. 3).
5) Draai de blokkeerschroef B (fig. 4) los, pak de gereedschaphouder C en het reservewiel D en plaats deze dicht bij het te verwisselen wiel.
6) Verwijder op uitvoeringen met metalen velgen het geklemde wieldeksel E (fig. 5) door het bij de gaten vast te pakken en naar buiten te trekken of door het met de platte kant van de bijgeleverde schroevendraaier aan de rand los te wippen.

7) Bij uitvoeringen met lichtmetalen velgen moet het geklemde wieldeksel worden verwijderd door de platte kant van de bijgeleverde schroevendraaier op de daarvoor bestemde plaats als hefboom te gebruiken. Schud vervolgens enige malen aan de bovenkant van de carrosserie, waardoor de velg los van de wielnaaf kan komen.

8) Draai de wielbouten ongeveer één slag los met behulp van de bijgeleverde sleutel (fig. 6).
9) Plaats de krik onder de auto, dicht bij het te verwisselen wiel, op de punten die staan aangegeven aan de onderkant van de portieren:
- punt 1 (fig. 7) voor het verwisse- len van een voorwiel;
- punt 2 (fig. 8) voor het verwisse-
len van een achterwiel.
10) Draai met het wieltje F (fig. 9) de krik iets omhoog en plaats vervolgens de krik onder de auto.
11) Bedien de krik met de hand totdat de groef G (fig. 9) van de krik goed in het profiel H van de chassisbalk zit.
12) Waarschuw eventuele omstanders dat de auto wordt opgekrikt; zorg ervoor dat ze zich niet in de nabijheid van de auto bevinden en de auto voor - al niet aanraken totdat deze weer geheel op de grond staat.
13) Draai de krik met slinger L (fig. 10) en krik de auto op, totdat het wiel enige centimeters los van de grond is. Als u de slinger draait, moet u zorgen voor voldoende werkruimte, zodat u geen schaafwonden aan uw hand oploopt door contact met de grond. Ook de bewegende delen van de krik (schroefdraad en scharnieren) kunnen

letsel veroorzaken: vermijd contact met deze onderdelen. Reinig uw handen zorgvuldig als deze met vet in contact zijn geweest.
14) Draai de wielbouten helemaal los en verwijder het wiel.
BELANGRIJK Om deze handeling te vergemakkelijken, kan de zeshoek aan de bovenkant van de handgreep van de bijgeleverde schroevendraaier worden gebruikt. Draai met het blad van de schroevendraaier (fig. 11).
15) Zorg ervoor dat de boutgaten en alle contactvlakken van het reservewiel schoon zijn en geen onzuiver heden bevatten, omdat hierdoor na verloop van tijd de wielbouten kunnen loslopen.
16) Monteer het reservewiel, waarbij de pasgaten in de velg over de centreerpennen M (fig. 12) van de naaf moeten vallen.
17) Draai de vier wielbouten handvast.
BELANGRIJK Om deze handeling te vergemakkelijken, kan de zeshoek aan de bovenkant van de handgreep van de bijgeleverde schroevendraaier worden gebruikt. Draai met het blad van de schroevendraaier (fig. 11).
18) Draai de slinger van krik zodat de auto zakt, en verwijder de krik (fig. 13).
19) Draai de wielbouten kruiselings vast, in de volgorde die aangegeven is (fig. 14).

20) Monteer het wieldeksel op het wiel met normale afmetingen met het ventiel N (fig. 15) in de daarvoor bestemde uitsparing en druk de randen van het wieldeksel aan, te beginnen bij het ventiel. Druk vervolgens het wieldeksel helemaal vast.
21) Plaats het verwisselde wiel, de krik en het gereedschap in de bagage - ruimte en maak ze op de juiste wijze vast.
22) Monteer de tussenvloer (fig. 3).
Haak voordat u de vloerbedekking laat zakken, de riem aan de bekleding zoals is afgebeeld (fig. 16).
BELANGRIJK Monteer geen wiel- deksel of naafdop op het reservewiel.
HET NORMALE WIEL MONTEREN
1) Volg de hiervoor beschreven procedure, krik de auto op en demonteer het reservewiel.
2) Zorg ervoor dat de boutgaten en alle contactvlakken van het reservewiel schoon zijn en geen onzuiverheden bevatten, omdat hierdoor na verloop van tijd de wielbouten kunnen loslopen.
3) Monteer het normale wiel, waarbij de pasgaten in de velg over de centreerpennen A (fig. 17) van de naaf moeten vallen.

4) Bij auto's met lichtmetalen velgen moet de bijgeleverde centreerpen B (fig. 18) op de wielnaaf worden geschroefd. Plaats vervolgens het wiel en draai de 3 bouten vast. Verwijder de pen B en draai de laatste bout vast.
5) Draai de bouten vast met de zes - hoek die zich boven in de handgreep van de bijgeleverde schroevendraaier bevindt en steek de steel van de schroeven draaier door de handgreep (fig. 19).
6) Laat de auto zakken en verwijder de krik.
7) Draai de wielbouten kruiselings vast, in de volgorde die is aangegeven (fig. 20).
8) Plaats het wieldeksel op de velg met het ventiel C (fig. 21) in de daarvoor bestemde uitsparing en druk de buitenste rand van het wieldeksel vast, te beginnen bij de delen die het dichtst bij het ventiel zitten, totdat het wieldeksel geheel vast zit.
9) Bij uitvoeringen met lichtmetalen velgen moet het wieldeksel licht worden aangedrukt.
BELANGRIJK Door een verkeerde montage kan het wieldeksel tijdens het rijden loslaten.

1) Plaats het verwisselde wiel op de daarvoor bestemde plek in de bagageruimte.
2) Druk de half geopende krik stevig in de houder om rammelen tijdens het rijden te voorkomen.
3) Berg het gebruikte gereedschap op in de houder.
4) Plaats de gereedschaphouder in het reservewiel en draai de blokkeerschroef B (fig. 4) vast.
5) Monteer het vulstuk (fig. 3).
GLOEILAMP VERVANGEN

Modificaties of reparaties aan de elektrische installatie die niet correct wortgevoerd en waarbij geen ing wordt gehouden met de sche specificaties van het m, kunnen storingen in de g en zelfs brandgevaar ver - en.

Wij raden u aan defecte gloeilampen, indien mogelijk, door een Lanciadealer te laten vervangen. De juiste werking en afstelling van de buitenverlichting zijn van essentieel belang voor de rijveiligheid en bovendien wettelijk verplicht.

Halogeenlampen mag u uitsluitend aanraken op het metalen gedeelte. Als u de bol met uw vingers aanraakt, zal de lichtopbrengst van de lamp teruglopen en kan ook de levens - duur beperkt worden. Als u de bol per ongeluk toch hebt aangeraakt, moet u hem schoonwrijven met een doekje met alcohol en daarna laten drogen.

Halogeenlampen bevatten gas onder druk. Bij breuk kunnen er glasrs wegschieten.
ALGEMENE AANWIJZINGEN
- Als een lampje niet brandt, controleer dan eerst of de zekering niet doorgebrand is, voordat u de lamp vervangt.
- Zie voor de plaats van de zekeringen de paragraaf "Een doorgebrande zekering" in dit hoofdstuk.
- Controleer voordat u een defecte lamp vervangt of de contacten niet zijn geoxideerd.
- Vervang een defecte lamp door een exemplaar van hetzelfde type en vermogen.
- Als u een gloeilamp in de koplamp hebt vervangen, controleer dan om veiligheidsredenen altijd of de afstelling nog goed is.
TYPEN GLOEILAMPEN
Op de auto zijn verschillende typen gloeilampen gemonteerd (fig. 22):
A Glasfittinglampen
Deze zijn voorzien van een klem-fitting. Verwijder de lampen door ze uit de houder te trekken.
B Gloeilampen met bajonetfitting
Verwijder de lampen uit de houder door ze iets in te drukken en linksom te draaien.
C Buislampen
Verwijder de lampen door ze uit de veercontacten los te maken.
D - E Halogeenlampen
Verwijder de lamp door de borg- veer los te haken.

fig. 22
GLOEILAMP TYPE VERMOGEN
| Dimlicht | E | H7 | 60W |
| Grootlicht | D | H7 | 55W |
| Parkeerlichten voor | B | H6W | 6W |
| Richtingaanwijzers voor | B | PY21W | 21W |
| Richtingaanwijzers op voorspatbord | A | PY5W | 5W |
| Richtingaanwijzers achter | B | PY21W | 21W |
| Mistlampen voor | D | H3 | 55W |
| Achterlichten | B | R10W | 10W |
| Remlichten | B | P21W | 21W |
| Derde remlicht (sedan) | - | 2.3W | 2.3W |
| Derde remlicht (SW) | B | H21W | 21W |
| Achteruitrijlichten | B | P21W | 21W |
| Mistachterlicht | B | P21W | 21W |
| Kentekenplaatverlichting | C | C5W | 5W |
| Plafondlampje voor | C | W5W | 5W |
| Spiegelverlichting | C | C10W | 10W |
| Plafondverlichting achter aan de zijkant en middenachter (SW) | C | C10W | 10W |
| Dashboardkastje | C | C5W | 5W |
| Bagageruimteverlichting (sedan) | C | C5W | 5W |
| Bagageruimteverlichting (SW) | C | C10W | 10W |
| Portieren | A | W5W | 5W |
Het dimlicht, het grootlicht en de parkeerverlichting bevinden zich in de koplampen voor.
Druk op de bovenste lip A (fig. 23) en verwijder het deksel B. Steek voor de montage van het deksel B eerst de lip C in de zitting en druk vervolgens op de bovenkant van het deksel totdat de lip A vastzit.
De opstelling van de gloeilampen is als volgt (fig. 24):
1 - Gloeilamp dimlicht
2 - Gloeilamp grootlicht
3 - Gloeilamp parkeerverlichting.
Gloeilamp dimlicht (fig. 25)
Halogeengloeilamp (type E, 12V-H7/60W) vervangen:
1) Trek de stekker los van de lamp.
2) Haak de borgveer A los en trek de lamp uit de fitting.
3) Plaats de nieuwe lamp, waarbij u erop moet letten dat de lip B op het metalen deel in de uitsparing van de reflector valt.
4) Haak de borgveer weer vast en sluit de stekker aan.

fig. 23

fig. 24

1) Trek de stekker los van de lamp.
2) Haak de borgveer A los en trek de lamp uit de fitting.
3) Plaats de nieuwe lamp, waarbij u erop moet letten dat de lippen B op het metalen deel in de uitsparingen van de reflector vallen.
4) Haak de borgveer weer vast en sluit de stekker aan.
Gloeilamp parkeerlichten (fig. 27)
Gloeilamp (type B, 12V-H6W) vervangen:
1) Verwijder de lamphouder A door hem aan de lip vast te pakken en iets te draaien, waardoor hij makkelijker uit de zitting kan worden genomen.
2) Verwijder de lamp B door hem iets in te drukken en linksom te draaien.
3) Monteer de nieuwe lamp en druk vervolgens de lamphouder weer in de zitting.
RICHTINGAANWIJZERS VOOR
Gloeilamp (type B, 12V-PY21W) vervangen:
1) Draai de lamphouder A (fig. 28) linksom en trek de lamphouder uit de zitting.
2) Verwijder de lamp B door hem iets in te drukken en linksom te draaien.
3) Vervang de lamp en monteer vervolgens de lamphouder in de richting aanwijzerunit.

fig. 26

fig. 27

1) Verwijder het deksel A door het linksom te draaien zonder de stekker los te trekken.
2) Trek de stekker B los van de lamp.
3) Haak de borgveer C los en trek de lamp uit de fitting.
4) Plaats de nieuwe lamp, waarbij u erop moet letten dat de lippen D op het metalen deel in de uitsparingen van de reflector vallen.
5) Haak de borgveer C vast en sluit de stekker B weer aan.
6) Monteer het deksel A door het rechts om te draaien.

RICHTINGAANWIJZERS OP VOORSPATBORD (fig. 32)
Gloeilamp (type A, 12V-PY5W) vervangen:
1) Druk met de hand het lampenglas in de richting 1, druk op de lip A en verwijder de unit aan de voorkant 2.
2) Draai het gloeilampje linksom en trek het uit de lamphouder B.
3) Trek het lampje C uit de houder en vervang het.
4) Plaats de nieuwe lamp in de lamphouder en monteer de unit, waarbij eerst de achterzijde in de zitting D moet worden geplaatst.

Achterlichten, richting aan - wijzers, remlichten, achter uit - rijlichten en mistachterlicht (fig. 33-34-35)
Gloeilamp vervangen:
1) Draai vanuit de bagageruimte aan knop A en til het beschermdeksel B omhoog.
2) Draai de schroef C en trek de lamphouder D uit de zitting.
3) Verwijder de gloeilampen door ze iets in te drukken en linksom te draaien.
E - Gloeilamp (type B, 12V-R10W) voor de achterlichten.
F - Gloeilamp (type B, 12V-P21W) voor de remlichten.
G - Gloeilamp (type B, 12V-PY21W) (oranje) voor de richting aanwijzers.
H - Gloeilamp (type B, 12V-P21W) voor het achteruitrijlicht (alleen rechter lichtunit).
Gloeilamp (type B, 12V-P21W) voor het mistachterlicht (alleen linker lichtunit).
4) Vervang de lampen en bevestig vervolgens de lamphouder D met de schroef C.
5) Laat het beschermdeksel B zakken en draai het vast met de knop A.

fig. 33

1) Draai de schroeven A los en verwijder de lampunit B.
2) Verwijder het lampje C door het uit de contacten aan de zijkant los te maken en vervang het lampje.
3) Bevestig de lamphouder B met de schroeven A.
DERDE REMLICHT (fig. 37-38-39)
Gloeilamp van het derde remlicht vervangen:
1) Pak de lampunit A bij de inkepingen aan de zijkant B vast en verwijder de unit door hem naar voren te trekken.
2) Trek de stekker C uit de zitting op de hoedenplank.
3) Maak de stekker los en houd de borgveer ingedrukt.
4) Verwijder de gloeilamp D uit het beschermdeksel E door het uit de zijsluitingen F los te maken.
5) Druk de nieuwe lamp in het beschermdeksel E totdat hij vasthaakt in de zijsluitingen F.
6) Sluit de stekker C weer aan en plaats deze in de zitting op de hoe-denplank.
7) Monteer de lampunit door de lippen G in de uitsparingen H op de hoe-denplank te steken en duw de unit helemaal in de zitting.

fig. 38
P4T0277
-

fig. 36

fig. 37

fig. 39
1) Licht met een schroevendraaier in punt A (fig. 40) het deksel B op.
2) Draai de schroeven C (fig. 41) los.
3) Verwijder het plafondlampje door het naar voren te drukken en uit de borgveer D (fig. 42) los te haken.
4) Til het geklemde deksel E omhoog.
5) Maak de lampjes F (fig. 43) los uit de contacten en vervang ze.
6) Plaats het deksel E weer in de zitting.
7) Monteer het plafondlampje: haak eerst de borgveer D vast en druk vervolgens op de voorzijde totdat de klemlipjes G (fig. 42) vasthaken.
BELANGRIJK Controleer als u het plafondlampje weer monteert of de elektrische bedrading op de juiste wijze is aangesloten.
8) Draai de schroeven C vast.
9) Monteer het deksel B: plaats eerst de voorzijde en druk volgens op de achterzijde totdat het deksel weer op zijn plaats zit.

1) Licht het plafondlampje met een schroevendraaier in punt A op.
2) Verwijder het lampje B door het los te maken uit de contacten en vervang het lampje.
3) Monteer het plafondlampje: plaats eerst de zijde C en druk vervolgens op de andere zijde totdat de borgveer D is vastgehaakt.
1) Licht het plafondlampje met een schroevendraaier in punt A op.
2) Verwijder het lampje B door het los te maken uit de contacten en vervang het lampje.
3) Monteer het plafondlampje: plaats eerst de zijde C en druk vervolgens op de andere zijde totdat de borgveer D is vastgehaakt.
VERLICHTING DASHBOARDKASTJE (fig. 46)
Gloeilamp (type C, 12V-C5W) vervangen:
1) Verwijder het lampenglas door met een schroevendraaier de borgveer A in te drukken.
2) Verwijder het lampje B door het los te maken uit de contacten aan de zijkant en vervang het lampje.
3) Monteer het lampenglas: plaats eerst de zijde C en druk vervolgens op de andere zijde totdat de borgveer A is vastgehaakt.

1) Verwijder het lampenglas door met een schroevendraaier de borgveer A in te drukken.
2) Verwijder het lampje B door het los te maken uit de contacten aan de zijkant en vervang het lampje.
3) Monteer het lampenglas: plaats eerst de zijde C en druk vervolgens op de andere zijde totdat de borgveer A is vastgehaakt.
DORPELVERLICHTING (fig. 48-49)
Gloeilamp (type A, 12V-W5W) vervangen:
1) Verwijder het lampenglas door met een schroevendraaier de borgveer A in te drukken.
2) Druk op beide zijden van het scherm B bij de bevestigingspunten en draai het scherm.
3) Vervang het geklemde lampje C.
4) Plaats het scherm B weer in de zitting.
5) Monteer het lampenglas: plaats eerst de zijde D en druk vervolgens op de andere zijde totdat de borgveer A is vastgehaakt.

fig. 47

ALGEMENE AANWIJZINGEN (fig. 50)
Als een elektrisch onderdeel niet werkt, controleer dan eerst of de zekering niet is doorgebrand. De verbindingsstrip mag niet onderbroken zijn. Is dit wel het geval, dan moet u de zekering vervangen door een exemplaar met hetzelfde ampérage (zelfde kleur).
A - Zekering in goede staat.
B - Zekering met doorgebrande strip.

De zekeringen kunnen met behulp van tangetje C worden uitgenomen.

Vervang een zekering nooit door een zekering met een hoger ampérage:
BRANDGEVAAR.
Controleer voordat u een zeker- ring vervangt of de contactsleutel uit het contactslot is genomen en alle stroomgebruikers uit staan en/of zijn uitgeschakeld.
Als de zekering opnieuw doorbrandt, raadpleeg dan een Lancia-dealer.
De componenten die door de zeker- ringen worden beveiligd, staan in de tabellen op de volgende pagina's aan- gegeven.
HOOFDZEKERINGEN (MIDI-FUSE en MAXI-FUSE)
De auto is uitgerust met diverse hoofdzekeringen (MIDI-FUSE en MAXI-FUSE). Deze zekeringen beveiligen afzonderlijk de verschillende componenten van het elektrische systeem, samen met de zekeringen van de individuele stroomverbruikers.
De hoofdzekeringen bevinden zich in de motorruimte, in een kastje op de pluspool van de accu en zijn daar direct mee verbonden (zie paragraaf "Zekeringen en relais in de motorruimte").

Als een hoofdzekering (MIDI-FUSE of MAXI-FUSE) doorbrandt, voer
dan geen enkele reparatie uit maar wendt u tot een Lancia-dealer.
De systemen die door de hoofdzekeringen worden beveiligd, staan in de tabellen op de volgende pagina's.
ZEKERINGEN EN RELAIS IN DE ZEKERINGENKAST
De zekeringen van de belangrijkste systemen bevinden zich in een zekeringenkastje onder het dashboard, links van het stuur.
De zekeringen zijn bereikbaar nadat het geklemde deksel A (fig. 51) is geopend.
Op enkele uitvoeringen zijn aan de binnenzijde van klepje A grafische symbolen aangebracht. Deze geven de belangrijkste elektrische componenten aan die door de betreffende zekering in de zekeringenkast of op de hulpsteun worden beveiligd.
In het zekeringenkastje bevindt zich een tangetje B (fig. 52) waarmee de zekeringen kunnen worden uitgenomen.

In het rechter deel van het zekeringenkastje zijn onder elkaar de reserve -zekeringen geplaatst C (fig. 52) met verschillend ampérage.
Het is raadzaam om na het vervangen van een zekering de reservevoorraad weer aan te vullen.
De systemen die door de zekeringen in de zekeringenkast worden beveiligd, staan in de tabellen op de volgende pagina's.

Om de relais bereiken (fig. 52) is het noodzakelijk het zekeringenkastje te verwijderen: wendt u tot een Lancia-dealer.
D - Relais claxon
E - Relais achterruitverwarming
F - Relais voor uitschakeling van cir- cuits bij het starten.
BELANGRIJK Voor de werking van enkele stroomverbruikers (grootlicht en parkeerverlichting) moeten zowel de zekering 13 fig. 52 als de specifieke zekering die de betreffende verbruiker beveiligt (bijv. voor dimlicht rechts, zekering 4 fig. 52 ) in goede staat zijn. Als de genoemde verbruikers niet werken, moet gecontroleerd worden of de zekering 13 fig. 52 en de zekeringen 4, 6, 7 en 8 niet zijn doorgebrand.

fig. 53fig. 51
ZEKERINGEN EN RELAIS OP DE HULPSTEUN (fig. 53)
De hulpsteun bevindt zich boven het zekeringenkastje. De zekeringen en relais zijn bereikbaar nadat het klepje A (fig. 51) is geopend.
G - Relais mistlampen voor (20A)
H - Doorschakelrelais dimlicht (20A)
I - Relais elektrische stoelbediening en stoelverwarming (50A).
ZEKERINGEN EN RELAIS IN DE MOTORRUIMTE
Op de houder voor de accu (fig. 54)
De relais zijn bereikbaar nadat het geklemde deksel A is verwijderd.
B - Relais 1 e snelheid elektroventi- lateur voor motorkoelsysteem
C - Relais 2 e snelheid elektroventilateur voor motorkoelsysteem (be halve uitvoeringen 1.6 met verwarming en 1.8 met verwarming).
In het kastje boven de accubak (fig. 55-56)
Open om de zekeringen te bereiken eerst het deksel A door de borgveren B naar voren te trekken en open vervolgens het geklemde deksel C.
In het zekeringenkastje bevindt zich een tangetje D waarmee de zekeringen kunnen worden uitgenomen.

De zekeringen zijn bereikbaar nadat de beschermdekseltjes A uit de bevestigingsshaken zijn losgemaakt.
B - Relais inspuitsysteem (30A)
C - Relais brandstofpomp (uitvoeringen 1.8 - 2.0: 20A), (uitvoeringen 1.9 jtd-2.4 jtd: 30A).
In het servicevak (fig. 58-59)
De zekeringen en relais zijn bereikbaar nadat het geklemde deksel A uit de borgveren B is losgehaakt.
Voor de montage van het deksel, moet u eerst het onderste deel plaatsen en vervolgens op de bovenrand drukken totdat het deksel vasthaakt in de borgingen B.
- Relais tijdschakeling koplamp - sproeiers
- Relais met dubbel contact voor richtingaanwijzers (pijlen) en centrale portiervergrendeling (uitvoeringen zonder diefstalalarm)
- Relais hulpverwarming (uitvoeringen 1.9 jtd - 2.4 jtd) (20A)

fig. 57

| Grootlicht rechts 1 10 fig. 52 | |||
| Grootlicht links 2 10 fig. 52 | |||
| Dimlicht rechts 4 10 fig. 52 | |||
| Dimlicht links 8 10 fig. 52 | |||
| Dimlicht rechts en links (toestemming relais) 13 10 fig. 52 | |||
| Parkeerverlichting rechtsvoor (toestemming vanaf het instr.paneel) 6 10 fig. 52 | |||
| Parkeerverlichting linksvoor (toestemming vanaf het instr.paneel) 7 10 fig. 52 | |||
| Parkeerverlichting rechtsachter (toestemming vanaf het instr.paneel) 7 10 fig. 52 | |||
| Parkeerverlichting linksachter (toestemming vanaf het instr.paneel) 6 10 fig. 52 | |||
| Achteruitrijlicht | 1 | 10 | fig. 53 |
| Achteruitrijlicht(bediening) | 1 | 10 | fig. 53 |
| Mistachterlicht | 6 | 10 | fig. 52 |
| Remlicht rechts 6 10 fig. 52 | |||
| Remlicht links | 7 10 fig. 52 | ||
| Derde remlicht 13 10 fig. 52 | |||
| Waarschuwingsknipperlichten | 14 | 10 | fig. 52 |
| Mislampen voor 9 15 fig. 53 | |||
| Kentekenplaatverlichting | 7 | 10 | fig. 52 |
| Richtingaanwijzers (pijlen) | 13 | 10 fig. 52 | |
| Richtingaanwijzers (pijlen) centrale portiervergrendeling | 14 | 10 | fig. 52 |
| INTERIEURVERLICHTING | ZEKERING AMPÈRAGE PLAATS | ||
| Plafondverlichting dashboardkastje | 12 | 10 fig. 52 | |
| Plafondverlichting zonnekleppen | 1 10 fig. 53 | ||
| Interieurverlichting voor en achter | 12 | 10 fig. 52 | |
| Dorpelverlichting | 12 | 10 | fig. 52 |
INTERIEURVERLICHTING ZEKERING AMPÈRAGE PLAATS
| Schakelaarverlichting op achterportieren 1 10 fig. 53 | |||
| Verlichting bedieningsknoppen op middenconsole 1 10 fig. 53 | |||
| Symboolverlichting op schakelaars 1 10 fig. 53 | |||
| Verlichting handgrepen achterportieren 1 10 fig. 53 | |||
| Verlichting dasboard en airconditioning 7 10 fig. 52 | |||
| Controlelampje grootlicht 2 10 fig. 52 |
SYSTEEM/COMPONENT EN GEBRUIKERS ZEKERING AMPÉRAGE PLAATS
| ABS | 2 | |||
| ABS (regeleenheid) 13 | 10 fig. 52 | |||
| Aansteker | 9 | 20 | fig. 52 | |
| Aansteker (toestemming relais) | 10 | 7,5 | fig. 53 | |
| Airbag | 3 | 10 | fig. 53 | |
| Voeding diagnosestekker 12 | 10 fig. 52 | |||
| Voeding elektronisch inspuitsysteem (uitvoeringen 1.8-1.9 jtd- 2.4 jtd) | 2 | 7,5 | fig. 57 | |
| Voeding elektronisch inspuitsysteem | 1 15 fig. 57 | |||
| Voeding elektronisch inspuitsysteem (uitvoering 2.0) | 2 15 fig. 57 | |||
| Diefstalalarm | 1 | 10 | fig. 53 | |
| Diefstalalarm (regeleenheid en ontvanger afstandsbediening) | 12 | 10 | fig. 52 | |
| Elektrische ruitbediening voor | 6 25 fig. 53 | |||
| Elektrische ruitbediening achter | 8 25 fig. 53 | |||
| Elektrische ruitbediening achter (regeleenheid) | 1 10 fig. 53 | |||
| Autoradio | 3 | 20 | fig. 52 | |
| 1 | 10 | fig. 53 | ||
SYSTEEM/COMPONENT EN GEBRUIKERS ZEKERING AMPÈRAGE PLAATS
| Bagageruimte (achterklep/kofferdeksel openen) 7 20 fig. 53 | |||
| Regeleenheid elektr. ruitbed. voor/centrale portiervergrendeling 1 10 fig. 53 | |||
| Elektronisch inspuitsysteem 4 7,5 fig. 53 | |||
| Centrale portiervergrendeling 3 20 fig. 52 | |||
| Claxon | 11 | ||
| Klimaatregeling (regeleenheid) 10 7,5 fig. 53 | |||
| Klimaatregeling (verlichting) | 7 10 fig. 52 | ||
| Aircocompressor | 5 | 20 | fig. 52 |
| Hoogteregelaar koplampen (toestemming) | 8 10 fig. 52 | ||
| Automatische hoogteregelaar koplampen (regeleenheid) | 1 10 fig. 53 | ||
| Cruise-control | 13 | 10 | fig. 52 |
| Elektroventilateur van motorkoelsysteem (toestemming relais) | 4 7,5 fig. 53 | ||
| HI-FI BOSE-systeem | 11 | 25 fig. 53 | |
| Schakelaar op koppeling (uitvoeringen 1.9 jtd - 2.4 jtd) | 1 10 fig. 53 | ||
| Ruitensproeiers | 10 | 20 | fig. 52 |
| Koplampsproeiers | 5 | 20 | fig. 52 |
| Koplampsproeiers (toestemming) | 8 10 fig. 52 | ||
| Koplampsproeiers (toestemming relais) | 10 7,5 fig. 53 | ||
| Achterruitsproeier (toestemming relais) | 10 7,5 fig. 53 | ||
| Achterruitverwarming (toestemming relais) | 10 7,5 fig. 53 | ||
| Achterruitverwarming (ontdooien) | 15 | 30 fig. 52 | |
| MAXI-FUSE: voeding voorgloei-installatie (uitvoeringen 1.9 jtd - 2.4 jtd) | 8 70 fig. 56 | ||
| MAXI-FUSE: voeding start-/contactslot (verbruikers via contactslot) | 2 30 fig. 56 | ||
| MAXI-FUSE: voeding elektroventilateurs motorkoelsysteem (uitvoeringen 1.6 met airco - 1.9 jtd - 2.4 jtd) | 6 40 fig. 56 | ||
SYSTEEM/COMPONENT EN GEBRUIKERS ZEKERING AMPÉRAGE PLAATS
| MAXI-FUSE: voeding elektroventilateurs motorkoelsysteem (uitvoeringen 1.6 met verwarming - 1.8 met verwarming) 7 30 fig. 56 | |||
| MAXI-FUSE: voeding elektroventilateurs motorkoelsysteem (uitvoeringen 1.8 met airco) 6 50 fig. 56 | |||
| MAXI-FUSE: voeding elektroventilateurs motorkoelsysteem (uitvoering 2.0) 6 60 fig. 56 | |||
| MAXI-FUSE: voeding elektroventilateurs motorkoelsysteem (uitvoeringen 1.9 jtd met airco - 2.4 jtd) 7 40 fig. 56 | |||
| MAXI-FUSE: voeding zekeringen en relais elektronisch inspuitsysteem 5 30 fig. 56 | |||
| MAXI-FUSE: voeding zekeringennr. 5-6-7-9-10-11-12-14-15 in zekeringenkast (fig. 52) 1 80 fig. 56 | |||
| MAXI-FUSE: voeding zekeringennr. 3-4-8 in zekeringenkast (fig. 52) en zekeringennr. 6-7-8-9-11-12-13-14 op hulpsteun (fig. 52) 3 70 fig. 56 | |||
| MAXI-FUSE: voeding van klimaatregeling | 4 40 fig. 56 | ||
| MIDI-FUSE: voeding extra-verwarming (uitvoeringen 1.9 jtd - 2.4 jtd) | 10 | 70 fig. 56 | |
| MIDI-FUSE: voeding ABS | 9 50 fig. 56 | ||
| Navigatiesysteem (display) | 1 10 fig. 53 | ||
| Stekkerdoos in de bagageruimte (SW) | 9 20 fig. 52 | ||
| Stekkerdoos in de bagageruimte (SW) (toestemming relais) | 10 | 7,5 | fig. 53 |
| Stekkerdoos in het interieur | 5 15 fig. 53 | ||
| Lichtsterkteregelaar instrumentenpaneel | 1 10 fig. 53 | ||
| Ontvanger afstandsbed. centrale portiervergrendeling/diefstalalarm | 1 10 fig. 53 | ||
| Brandstofvoorverwarming (uitvoeringen 1.9 jtd - 2.4 jtd) | - 20 fig. 59 | ||
| Elektrische verstelbare bestuurdersstoel met geheugen | 12 | 25 | fig. 53 |
| Elektrisch verstelbare passagiersstoel | 13 30 fig. 53 | ||
| Voorstoelen (verwarming) | 14 | 20 fig. 53 | |
SYSTEEM/COMPONENT EN GEBRUIKERS ZEKERING AMPÈRAGE PLAATS
| Elektrisch verstelbare stoelen (regeleenh. geheugen/buitenspiegels) 10 7,5 fig. 53 | |||
| Elektrische stoelverstelling (toestemming relais verstelling/verw.) 10 7,5 fig. 53 | |||
| Luchtkwaliteitsensor van de klimaatregeling 10 7,5 fig. 53 | |||
| Regensensor ruitenwissers 1 10 fig. 53 | |||
| Regensensor ruitenwissers (toestemming relais regeleenheid) 10 7,5 fig. 53 | |||
| ICS van LANCIA (display) 14 10 fig. 52 | |||
| Lancia CODE 4 7,5 fig. 53 | |||
| - | 7,5 | fig. 59 | |
| Automatisch dimmende achteruitkijkspiegel | 1 10 fig. 53 | ||
| Buitenspiegels (toestemming relais verwarming) | 10 7,5 fig. 53 | ||
| Buitenspiegels (verstellen) | 1 10 fig. 53 | ||
| Buitenspiegels (verwarming) | 15 30 fig. 52 | ||
| Instrumenten | 13 | 10 | fig. 52 |
| Mobiele telefoon (inbouwvoorbereiding) | 3 20 fig. 52 | ||
| 1 | 10 | fig. 53 | |
| Telepass | 1 | 10 | fig. 53 |
| Ruitenwissers/-sproeiers voor/achter en koplampsproeiers 10 20 fig. 52 | |||
| Ruitenwissers/-sproeiers voor/achter (SW) | 10 20 fig. 53 | ||
| Ruitenwissers/-sproeiers voor/achter (SW) (toestemming relais) | 10 7,5 fig. 53 | ||
| Opendak | 7 | 20 | fig. 53 |
| Opendak (toestemming) | 10 7,5 fig. 53 | ||
EEN LEGE ACCU
STARTEN MET EEN HULPACCU
Zie "Starten met een hulpaccu" in dit hoofdstuk.

Gebruik voor een noodstart beslist nooit een accu lader: de elektroni-
sche systemen kunnen beschadi- gen; in het bijzonder de regel - eenheden van de ontsteking en de inspuiting.
ACCU OPLADEN
We raden u aan de accu langzaam en met een laag ampèrage gedurende ca. 24 uur op te laden. Als u de accu langer oplaadt, kan hij worden beschadigd.
Ga als volgt te werk:
1) Maak de accuklemmen los van de accupolen.
BELANGRIJK Als de auto is uitgerust met een diefstalalarm, schakel het alarm dan uit met de afstandsbediening en stel het systeem buiten werking door de sleutelschakelaar in de stand "OFF" te draaien (zie "Diefstalalarm" in het hoofdstuk "Wegwijs in uw auto").
2) Sluit de klemmen van de accu - lader aan op de accupolen.
3) Schakel de acculader in.
4) Aan het einde van het opladen: schakel eerst de acculader uit en koppel dan de accu los.
5) Sluit de accuklemmen weer aan op de accupolen. Let daarbij op de polariteit.

De vloeistof in de accu is giftig en corrosief. Vermijd het contact met de huid of de ogen. Het opladen van de accu moet worden uitgevoerd in een goed geventileerde ruimte, ver verwijderd van open vuur en vonkvormende apparaten: branden ontploffingsgevaar.
HET OPKRIKKEN VAN DE AUTO
MET DE BOORDKRIK
Zie de paragraaf "Een lekke band" in dit hoofdstuk.

De krik dient uitsluitend voor het verwisselen van een wiel van de auto waarbij hij geleverd is. Andere werkzaamheden zoals bijv. het op - krikken van een andere auto zijn absoluut uitgesloten. Gebruik de krik in geen enkel geval voor het uitvoeren van werkzaamheden onder de auto. Als de krik niet juist geplaatst wordt, kan de opgekrikte auto van de krik vallen. Op een sticker op de krik is het maximum hefvermogen aangegeven; de krik mag nooit voor een zwaardere last worden gebruikt.
De richtlijnen geven aan dat:
– de krik geen afstelwerkzaamheden mag vereisen;
- de krik bij beschadiging vervangen moet worden door een krik van hetzelfde type;
- buiten de slinger geen enkel ander gereedschap op de krik gemonteerd mag kunnen worden.
MET DE GARAGEKRIK OF HEFBRUG
De auto mag uitsluitend worden opgekrikt door de hefarm van de krik of de hefarmen van de hefbrug onder de fronttraverse A (fig. 60) en achtertraverse B (fig. 61) te plaatsen. Hierbij moet een blokje met de juiste vorm en afmetingen worden gebruikt.

Let er goed op dat de rem- en brandstofleidingen en het profiel van de chassisbalken niet beschadigd worden.
HET SLEPEN VAN DE AUTO OF EEN ANDERE AUTO
BELANGRIJK Houdt u bij het slepen van de auto aan de wettelijke voorschriften.
De auto is voorzien van een bevestigingspunt aan de voorzijde (fig. 62) en aan de achterzijde (fig. 63) voor het sleepoog dat bij de auto wordt geleverd.
Om het oog te bevestigen moet met de punt van een schroevendraaier op punt A het luikje in de bumper worden verwijderd.

Maak de schroefdraad zorgvuldig schoon voordat u het sleepoog B op de schroef draadpen draait. Zorg ervoor dat het sleepoog geheel op de schroefdraadpen is gedraaid (ongeveer 11 slagen).

Houdt u bij het slepen van de auto aan de wettelijke voorschriften. Dit geldt zo -
wel voor het slepen zelf als voor het gedrag naar andere weggebruikers.
Draai voor het slepen de sleutel in stand MAR en vervolgens in stand STOP zonder de contactsleutel uit het slot te verwijderen. Als de contactsleutel uit het contactslot wordt genomen, schakelt automatisch het stuurslot in waardoor het onmogelijk wordt de auto te besturen.Houd er rekening mee dat de rem- en stuurbekrachtiging niet werken, zo- lang de motor niet is aangeslagen, waardoor meer kracht nodig is voor de bediening van het rempedaal en het stuur.Gebruik voor het slepen geen elastische kabels en rijd zo gelijkmatig mogelijk. Controleer tijdens het slepen of de sleepkabel geen carrosseriedelen kan beschadigen.

Start tijdens het slepen de motor niet.
BIJ EEN ONGEVAL
- Het is belangrijk altijd rustig te blijven.
- Als u niet direct bij het ongeval betrokken bent, stopt u dan op een afstand van ten minste een tiental meters van het ongeluk.
- Stop bij ongevallen op de snelweg zo mogelijk in de berm en laat de vlucht strook vrij.
- Zet de motor uit en schakel de waarschuwingsknipperlichten in.
- Verlicht als het donker is met de koplampen de plaats van het ongeval.
- Wees voorzichtig, voorkom het risico van een aanrijding.
- Geef het ongeval aan door de gevarendriehoek goed zichtbaar en op de wettelijk voorgeschreven afstand te plaatsen.
-
Waarschuw de hulpinstanties en geef zo duidelijk mogelijke informatie. Gebruik op de snelweg de daarvoor bestemde praatpalen.
-
Neem bij de betrokken auto's de contactsleutel uit.
- Als u brandstof of andere chemische producten ruikt, rook dan niet en doof sigaretten.
- Gebruik voor het blussen van branden, zelfs als deze klein zijn, de brandblusser, een wollen deken, zand of grond. Gebruik nooit water.
- Bij kettingbotsingen, in het bijzonder bij mist, is het risico om bij volgende botsingen betrokken te raken groot. Verlaat onmiddellijk de auto en zoek bescherming achter de vangrail.
- Probeer bij geblokkeerde portieren de auto niet te verlaten door de gelaagde voorruit in te slaan. De zijruiten en de achterruit kunnen makkelijker worden ingeslagen.
ALS ER GEWONDEN ZIJN
- Blijf altijd bij de gewonde. Ook de personen die niet direct bij het ongeval betrokken zijn, zijn verplicht hulp te bieden.
-
Blijf niet om de gewonde heen staan.
-
Stel de gewonde gerust over het tijdig komen van de hulp. Blijf bij de gewonde om eventuele paniekaanvalen te vermijden.
- Maak of snijd de veiligheidsgordel, die de gewonde op zijn plaats houdt, los.
- Geef niets te drinken aan de gewonde.
- De gewonde mag nooit worden verplaatst behalve in de gevallen die bij het volgende punt worden behandeld.
- Haal de gewonde uitsluitend uit de auto bij gevaar voor brand, verdrinking of naar beneden storten. Als u een gewonde uit de auto haalt: trek niet aan de ledematen, buig nooit het hoofd en houd, voor zover mogelijk, het lichaam in horizontale positie.
VERBANDTROMMEL (fig. 64)
De verbandtrommel moet ten minste bevatten:
- steriele gaasdeppers, om de wond te bedekken en schoon te maken
- verschillende soorten verband
- pleisters van verschillende af - metingen
- hechtpleister
- een pak hydrofiele watten
- een flesje jodium
- een pak zakdoekjes
- een schaar met afgeronde punten
- een pincet
- twee bloedstelpende zwachtels.
Wij raden u aan om naast de verbandtrommel ook een brandblusser en een deken aan boord te hebben.
Zowel de verbandtrommel als de brandblusser zijn opgenomen in het Lancia Lineaccessori-programma.

De Lybra is volledig nieuw, ook wat betreft het onderhoud. De eerste geprogrammeerde onder houdsbeurt is pas bij 20.000 km. Het blijft echter altijd nuttig om regelmatig wat aandacht aan de auto te schenken, bijvoorbeeld door het systematisch controleren van de vloeistofniveaus en de spanning van de banden.
Denk er altijd aan dat een goed onderhoud van de auto de beste manier is om de prestaties en de veiligheid van de auto gedurende langere tijd te garanderen. Daarbij wordt ook het milieu ontzien en blijven de exploitatiekosten laag.
Onthoud verder dat het nauwkeurig aanhouden van de onderhoudsnormen die aangegeven zijn met het symbool ▲e noodzakelijke voorwaarden vormen om de garantie te behouden.
GEPROGRAMMEERD ONDERHOUD 201
ONDERHOUDSSCHEMA.... 202
JAARLIJKS INSPECTIESCHEMA.... 204
AANVULLENDE WERKZAAMHEDEN.... 204
NIVEAUS CONTROLEREN.... 206
LUCHTFILTER 212
STOF-/POLLENFILTER 213
DIESELF FILTER.... 213
ACCU 214
Doelmatig onderhoud is een beslissende factor voor een lange levensduur, de beste prestaties en een zo zuinig mogelijk gebruik van de auto.
Om dit te realiseren heeft Lancia een reeks controle- en onderhoudsbeurten samengesteld die iedere 20.000 km moeten worden uitgevoerd.
BELANGRIJK De servicebeurten van het geprogrammeerd onderhoud zijn door de fabrikant voorgeschreven. Het niet uitvoeren van deze servicebeurten kan het vervallen van de garantie tot gevolg hebben.
De werkzaamheden van het ge-programmeerd onderhoud kunnen door alle Lancia-dealers tegen vaste tarief tijden worden uitgevoerd.
Eventuele reparaties die nodig blijken tijdens het uitvoeren van de diverse inspecties en controles van het geprogrammeerd onderhoud worden uitsluitend na toestemming van de klant uitgevoerd.
BELANGRIJK Het verdient aanbeveling eventuele kleine defecten onmiddellijk door de Lancia-dealer te laten verhelpen en daarmee niet te wachten tot de volgende servicebeurt.
ONDERHOUDSSCHEMA
| 20 | 40 | 60 | 80 | 100 | 120 | 140 | 160 | 180x | 1000 km | |||
| Banden op conditie en slijtage controleren en bandensp.event. herstellen | ● | ● | ● | ● | ● | ● | ● | |||||
| Werking verlichting (koplampen, richtingaanwijzers, waarschuwings-knipperlichten, bagageruimte, interieur, dashboardkastje, waarschuwings-/controlelampjes, enz.) controleren | ● | ● | ● | ● | ● | ● | ● | |||||
| Werking ruitenwissers/-sproeiers controleren en sproeiermonden afstellen Stand wisserbladen controleren en wisserbladen op slijtage controleren | ● | ● | ● | ● | ● | ● | ● | |||||
| Werking waarschuwingslampje voor versleten remblokken van de schijfremmen voor controleren | ● | ● | ● | ● | ● | ● | ● | |||||
| Remblokken achter op conditie en slijtage controleren (schijfremmen) | ● | ● | ● | ● | ● | ● | ● | |||||
| Visueel de conditie controleren van: buitenzijde carrosserie, bodemplaat-bescherming uitlaat, brandstof- en remleidingen, rubber delen (stof-kappen, hoezen, enz), en rubber slangen van het rem- en brandstofsysteem | ● | ● | ● | ● | ||||||||
| Conditie van diverse en/of poly-V-aandrijfriemen visueel controleren | ● | ● | ● | ● | ● | ● | ● | |||||
| Handrem controleren/afstellen | ● | ● | ● | |||||||||
| Klepspeling controleren/afstellen (jtd-motor) | ● | ● | ● | ● | ||||||||
| Uitlaatgasemissie/-rook controleren bij dieselmotoren (jtd-motor) | ● | ● | ● | ● | ● | |||||||
| Brandstofffilter vervangen (jtd-motor) | ● | ● | ● | ● | ||||||||
| ● | ● | ● | ● | ● | ● | ● | ||||||
| Benzinedamp-opvangsysteem controleren | ● | ● | ||||||||||
| Luchtfilter vervangen (benzinemotor) | ● | ● | ● | ● | ||||||||
| Luchtfilter vervangen (jtd-motor) | ● | ● | ● | ● | ● | ● | ● | |||||
| Vloeistofniveaus bijvullen (motorkoelsysteem, remsysteem, ruiten - sproeiers, accu, enz.) | ● | ● | ● | ● | ● | ● | ● | |||||
| Conditie van getande distributieriem visueel controleren | ● | ● | ||||||||||
| Getande distributieriem vervangen (*) (** ) | ● | |||||||||||
| Poly-V-aandrijfriem vervangen | ● | |||||||||||
| Bougies vervangen (benzinemotor) | ● | ● | ● | ● | ||||||||
| Inspuiting/ontsteking controleren (m.b.v. diagnosestekker) | ● | ● | ● | ● | ||||||||
| Niveau van versnellingsbak-/differentieelolie controleren | ● | ● | ||||||||||
| Motorolie verversen | ● | ● | ● | ● | ● | ● | ● | |||||
| Motoroliefilter vervangen | ● | ● | ● | ● | ● | ● | ● | |||||
| Remvloeistof vervangen (of elke 2 jaar) | ● | ● | ● | |||||||||
| Stof-/pollenfilter vervangen (of in ieder geval elk jaar) | ● | ● | ● | ● | ● | ● | ● |
(*) Of iedere 3 jaar bij zware gebruiksomstandigheden (koud klimaat, in stadsverkeer met langdurig stationair-draaiende motor. Of iedere 5 jaar, onafhankelijk van het aantal afgelegde kilometers.
(**) Vanwege de zeer veeleisende bedrijfsomstandigheden moet in Nederland bij uitvoeringen met een 1.8 of 2.0-motor de distributieriem om de 60.000 km of om de 36 maanden worden vervangen.
JAARLIJKS INSPECTIE - SCHEMA
Voor auto's waarmee jaarlijks minder dan 20.000 km wordt gereden (bijvoorbeeld ongeveer 10.000 km) is er een jaarlijks inspectieschema dat het volgende bevat:
- Banden op conditie en slijtage controleren en bandenspanning eventueel herstellen (inclusief het reservewiel)
- Werking verlichting (koplampen, richtingaanwijzers, waarschuwings - knipperlichten, bagageruimte, interieur, dashboardkastje, waarschu wings-/ con trolelampjes, enz.) controleren
- Werking ruitenwissers/-sproeiers controleren en sproeiermonden afstellen
- Stand wisserbladen controleren en wisserbladen op slijtage controleren
- Remblokken voor (schijfremmen) op conditie en slijtage controleren
- Visueel de conditie controleren van: motor, versnellingsbak, aandrijfassen, uitlaat, brandstof- en remleidingen,
rubber delen (stofkappen, hoezen, enz.) en rubber slangen van rem- en brandstofsysteem
- Acculading controlleren
- Visueel de conditie controleren van de diverse aandrijfriemen
-
Vloeistofniveaus controleren en eventueel bijvullen (motorkoelsysteem, remsysteem, ruitensproeiers, accu, enz.).
-
Motorolie verversen
- Motoroliefilter vervangen
- Stof-/pollenfilter vervangen
Iedere 1.000 km of voor een lange reis controleren en eventueel bijvullen:
- niveau van de koelvloeistof
- niveau van de remvloeistof/ - vloeistofniveau hydraulische koppelingbediening
-
niveau van de olie van de stuur- bekrachtiging
-
niveau van de ruitensproeiervloeistof
- conditie en spanning van de banden.
Gebruik bij voorkeur producten die speciaal zijn afgestemd op de LAN-CIA-modellen (zie "Vullingstabel" in het hoofdstuk "Technische gegevens").
Iedere 3.000 km het motoroliepeil controleren en eventueel bijvullen.

Belangrijk Tijdens het bijvullen mogen de vloeistoffen met verschillende
specificaties niet gemengd worden: als de specificaties van de vloeistoffen verschillen, kan de auto ernstig beschadigd worden.

Vertrouw het onderhoud in principe toe aan de Lancia-dealer toe. Als u toch zelf onderhoud of kleine reparaties verricht, controleer dan of u over het juiste speciale gereedschap en de noodzakelijke originele Lancia-onderdelen en de voorgeschreven bedrijfsvloeistoffen beschikt. Voer niet zelf onderhoudswerkzaamheden uit, als u daarmee geen ervaring
BELANGRIJK - Motorolie
Vervang de motorolie vaker dan in het onderhoudsschema staat aangegeven als de auto overwegend onder zware bedrijfsomstandigheden rijdt, zoals:
- trekken van caravans of aanhangers
- rijden op stoffige wegen
- veel korte ritten (minder dan 7-8 km) en bij buitentemperaturen onder nul
- veel langdurig stationair draaiende motor of lange ritten bij lage snelheden (bijv. bij gebruik als taxi of bij huis-aan-huis bezorging of als de auto lang stilstaat).
BELANGRIJK - Luchtfilter
Als de auto veel over stoffige wegen rijdt, moet het luchtfilter vaker worden vervangen dan in het onder houdsschema staat aangegeven.
Raadpleeg bij twijfel over de vervangingsinterval van motorolie en lucht filter in relatie tot het gebruik van de auto de Lancia-dealer.
BELANGRIJK - Dieselfilter
Door het gebruik van dieselbrandstof van mindere kwaliteit kan het noodzakelijk zijn het brandstofffilter vaker te vervangen dan in het onderhoudsschema is aangegeven. Een hortende motor kan een indicatie zijn dat het filter vervangen moet worden.
BELANGRIJK - Stof-/pollenfilter
Als de auto veel over stoffige wegen rijdt of bij geconcentreerde luchtvervuiling, moet het filter vaker worden vervangen; dit is vooral raadzaam als een beperking in de capaciteit van de ventilatie wordt geconstateerd.
BELANGRIJK - Accu
Wij raden u aan de acculading voor het begin van de winter te controle- ren, om eventuele bevriezing van het elektrolyt te voorkomen.
Voer deze controle vaker uit als de auto overwegend voor korte trajecten wordt gebruikt, of als er accessoires zijn gemonteerd die permanent, ook bij uitgeschakeld contact, stroom verbruiken. Dit geldt in het bijzonder voor achteraf aangebrachte accessoires.
Controleer de acculading (elektrolyt) vaker dan is voorgeschreven in het "Onderhoudsschema" in het hoofdstuk "Onderhoud van de auto", als de auto wordt gebruikt in warme klimaten of onder zeer zware bedrijfsomstandigheden.

Rook nooit tijdens werkzaamheden in de motorruimte: er kunnen licht
ontvlambare gassen aanwezig zijn; brandgevaar.
NIVEAUS CONTROLLEREN
1) motorolie - 2) accu - 3) remvloeistof - 4) ruitensproeiervloeistof - 5) koelvloeistof - 6) olie van de stuurbekrachtiging
1) motorolie - 2) accu - 3) remvloeistof - 4) ruitensproeiervloeistof - 5) koel-vloeistof - 6) olie van de stuurbe - krachtiging

fig. 1 - Uitvoering 1.6

fig. 2 - Uitvoering 1.8
1) motorolie - 2) accu - 3) remvloeistof - 4) ruitensproeiervloeistof - 5) koelvloeistof - 6) olie van de stuurbekrachtiging

fig. 3 - Uitvoering 2.0
1) motorolie - 2) accu - 3) remvloeistof - 4) ruitensproeiervloeistof - 5) koelvloeistof - 6) olie van de stuurbekrachtiging

fig. 4 - Uitvoering 1.9 jtd
1) motorolie - 2) accu - 3) remvloeistof - 4) ruitensproeiervloeistof - 5) koelvloeistof - 6) olie van de stuurbekrachtiging

fig. 5 - Uitvoering 2.4 jtd
MOTOROLIE (fig. 6-7-8-9-10)
Controleer het oliepeil als de auto op een vlakke ondergrond staat en enige minuten (circa 5) na het uitzetten van de motor.
Het oliepeil moet altijd tussen het MIN- en MAX- merkteken op de oliepeilstok staan.
Het verschil tussen het MIN- en MAX-merkteken komt overeen met ongeveer 1 liter.
Als het oliepeil dicht bij of onder het MIN-merkteken staat, moet er via de olievulopening motorolie tot aan het MAX-merkteken worden bijgevuld.
Het oliepeil mag nooit het MAX-merkteken overschrijden.

Wees bij het uitvoeren van werkzaamheden in de motorruimte extra voorzichtig als de motor nog warm is: gevaar voor verbranding. Onthoud dat bij een warme motor de elektroventilateur onverwachts kan inschakelen: kans op verwonding.
Op de uitvoering 1.6 moet, om de dop van de olievulpijp te verwijderen, de bovenkant worden opgetild en uitgetrokken.
De motor van een nieuwe auto moet nog worden ingereden. Dit betekent dat het motorolieverbruik pas na de eerste 5.000÷ 6.000km stabiliseert.

fig. 7 - Uitvoering 1.8

fig. 9 - Uitvoering 1.9 jtd

fig. 6 - Uitvoering 1.6

fig. 8 - Uitvoering 2.0

fig. 10 - Uitvoering 2.4 jtd

Vul nooit motorolie bij met andere specificaties dan de olie waarmee de motor is gevuld. Alleen de voorgeschreven half-synthetische motor -olie (zie "Specificaties van de smeermiddelen en vloeistoffen" in het hoofdstuk "Technische gegevens") is geschikt voor de lange intervallen tussen twee servicebeurten.
BELANGRIJK Na het bijvullen of het verversen van de olie de motor enige seconden laten draaien, vervolgens de motor uitzetten en na enige minuten het oliepeil controleren.

Afgetapte motorolie en gebruikte oliefilters bevatten stoffen die schadelijk zijn voor het milieu. Het is raadzaam om het verversen van de motor olie en het vervangen van het oliefilter door de Lancia-dealer te laten uitvoeren. De Lancia-dealer beschikt over de uitrusting voor het op milieuvriendelijke wijze en conform de wettelijke bepalingen verwerken van afgewerkte olie en oliefilters.
KOELVLOEISTOF VAN HET MOTORKOELSYSTEEM (fig. 11)

Draai bij een warme motor de dop van het expansiereservoir nooit los: gevaar voor verbranding.
Het niveau van de koelvloeistof moet gecontroleerd worden bij een koude motor en moet tussen het MIN- en MAX-merkteken op het expansie -reservoir staan.
Een te laag niveau bijvullen door langzaam via de vulopening A van het expansiereservoir, een mengsel van 50% gedestilleerd water en 50% PARA FLU te gieten.

BELANGRIJK Het koelsysteem staat onder druk. Vervang de dop zonodig alleen door een exemplaar van hetzelfde type, anders kan de werking van het systeem in gevaar worden gebracht.
VLOEISTOF VOOR RUITEN-/KOPLAMPSPROEIERS (fig. 12)
Om de ruiten-/koplampsproeier - vloeistof bij te vullen, de dop A verwijderen en de vulpijp B uittrekken. Gebruik een mengsel van water en DP1 in de volgende mengverhouding:
30% DP1 en 70% water in de zo-mer.
50% DP1 en 50% water in de winter.
Bij temperaturen onder -20°C DP1 onverdund gebruiken.

fig. 12
BELANGRIJK Rijd nooit met een leeg ruitensproeierreservoir: de ruitensproeiers zijn van fundamenteel belang voor een optimaal zicht.
OLIE VAN DE STUURBE - KRACH TIGING (fig. 13-14)
Het niveau van de olie moet gecontroleerd worden bij een koude motor en moet zich tussen het MIN- en MAX-merkteken op het expansiereservoir, bevinden.
Bij zeer warme olie kan de olie boven het MAX-merkteken staan.
Draai voor het bijvullen de dop A los en giet de olie in het reservoir.
BELANGRIJK Controleer of de olie dezelfde specificaties heeft als de olie in het reservoir.
Voorkom dat de olie van de stuurbekrachtiging in contact komt met warme delen van de motor: de olie is licht ontvlambaar. Het olieverbruik van de stuurbekrachtiging is zeer laag; als na het bijvullen de olie binnen korte tijd weer moet worden bijgevuld, moet het systeem door een Lancia-dealer op eventuele lekkage worden gecontroleerd.
REMVLOEISTOF/VLOEISTOF VAN DE HYDRAULISCHE KOPPELINGBEDIENING (fig. 15)
Controleer of de vloeistof nog op het MAX-merkteken staat.
Controleer regelmatig de werking van het waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel door (met de contactsleutel in stand MAR) op het deksel van het reservoir te drukken; het waarschuwingslampje Ⓞ moet dan gaan branden.
Voor het bijvullen mag uitsluitend remvloeistof worden gebruikt die voldoet aan de DOT 4-specificaties. Het verdient aanbeveling TUTELA TOP 4 remvloeistof te gebruiken, dezelfde remvloeistof waarmee het remsysteem door de fabriek is gevuld.
Draai dop A los en houd sensor B goed vast.

fig. 13 - Uitvoering 1.6

fig. 14 - Uitvoeringen 1.8-2.0 1.9 jtd - 2.4 jtd

fig. 15
Het vloeistofniveau in het reservoir mag nooit het MAX-merkteken overschrijden.
BELANGRIJK Remvloeistof is hygroscopisch (het trekt water aan). Daarom verdient het aanbeveling, als de auto overwegend wordt gebruikt in gebieden met een hoge luchtvochtigheid, de remvloeistof vaker te vervangen dan in het onderhoudsschema staat aangegeven.

Voorkom contact tussen de zeer corrosieve rem - vloeistof en de lak. Als er remvloeistof wordt gemorst, moet de lak onmiddellijk met water worden afgespoeld.

Het symbool Ⓞ op het reservoir geeft aan dat er synthetische remvloeistof en geen minerale vloeistof moet worden gebruikt. Het gebruik van vloeistoffen met andere specificaties moet absoluut worden vermeden, omdat de rubbers in het remsysteem door deze vloeistoffen kunnen worden beschadigd.
LUCHTFILTER
Het luchtfilter is verbonden met de systemen die de luchttemperatuur en luchthoeveelheid regelen. Deze sturen elektrische signalen naar de regeleenheid, die noodzakelijk zijn voor een correct functioneren van het inspuitings-/ontstekingssysteem.
Voor de juiste werking van de motor, een laag verbruik en een lage uitstoot van uitlaatgassen, is het daarom noodzakelijk dat het systeem altijd perfect functioneert.

De beschrijving van de procedure voor het vervangen van het luchtfilter, dient slechts ter informatie. Wij raden u aan het luchtfilter door de Lancia-dealer te laten vervangen.
Als het luchtfilter niet op de juiste wijze wordt vervangen en de ver -eiste voorzorgsmaatregelen niet in acht zijn genomen, kan de rij -veilig heid in gevaar worden gebracht.

Als veel over stoffige we- gen wordt gereden, moet het filter vaker worden vervangen dan in het onderhouds- schema staat aangegeven.

Als het filter wordt gereinigd kan het beschadigd worden, waardoor er ernstige schade aan de motor kan ontstaan.
VERVANGING (fig. 16)
Draai voor de vervanging van het filter de schroeven A los, verwijder het deksel B en neem het te vervangen filterelement uit.

Wendt u voor de vervanging van het stof-/pollenfilter (fig. 17) tot de Lancia-dealer.
Als de auto veel over stoffige wegen rijdt of bij geconcentreerde luchtvervuiling, moet het filter vaker worden vervangen; dit is vooral raadzaam als een beperking in de capaciteit van de ventilatie wordt geconstateerd.
DIESELFILTER
(Uitvoeringen 1.9 jtd - 2.4 jtd)
CONDENS AFTAPPEN (fig. 18)

Water in het brandstof - sys teem kan het inspuit - systeem ernstig beschadigen en de motor kan onregelmatig gaan draaien. Als het lampje gaat branden, wendt u dan zo snel mogelijk tot de Lancia-dealer om het water te laten aftappen.

De accu bevindt zich in de motor-ruimte bij punt 2 (fig. 1, 2, 3, 4, 5).
De accu van de Lybra is "onder houdsarm": onder normale gebruiks omstandigheden is het niet nodig ge- destilleerd water bij te vullen.
Zie voor het opladen van de accu het hoofdstuk "Noodgevallen".
ACCU VERVANGEN
Als de accu vervangen wordt, moet een originele accu met dezelfde specificaties worden geïnstalleerd.
Als de accu vervangen wordt door een accu met andere specificaties, vervallen de onderhoudsintervallen die in het "Onderhoudsschema" in dit hoofd stuk staan aangegeven; voor het onderhoud van de nieuwe accu dient u zich strikt te houden aan de aanwijzingen van de fabrikant van de accu.
Accu's bevatten zeer schadelijke stoffen voor het milieu. Het verdient aanbeveling een defecte accu door de Lancia-dealer te laten vervangen, omdat deze beschikt over de uitrusting voor het op milieuvriendelijke wijze en conform de wettelijke bepalingen, verwerken van defecte accu's.
VLOEISTOFNIVEAU VAN DE ACCU (elektrolyt) CONTROLLEREN
Het vloeistofniveau moet worden gecontroleerd (en eventueel bijgevuld) overeenkomstig de in het "Onder - houdsschema" aangegeven intervalen. Laat deze handelingen door een Lancia-dealer uitvoeren.
De vloeistof in de accu is giftig en corrosief. Vermijd het contact met de huid of de ogen. Houd open vuur en vonkvormende apparaten verwijderd van de accu: brand- en ontploffingsgevaar.
Onoordeelkundige montage van elektrische en elektronische apparatuur kan ernstige schade toebrengen aan de auto.
Wanneer u de auto parkeert, controleer dan of de portieren, de motor kap en het kofferdeksel goed gesloten zijn. De interieurverlichting moet gedoofd zijn.
Voorkom zoveel mogelijk het gebruik van stroomverbruikers als de motor uit staat (bijv. autoradio, waarschuwingsknipperlichten, enz.).
BELANGRIJK Een accu die gedurende langere tijd minder dan 50% geladen is, raakt door sulfatering beschadigd. Hierdoor loopt de capaciteit en het startvermogen terug. Ook is de accu dan gevoeliger voor bevriezing (bij temperaturen onder -10°C).
Als u de auto langere tijd niet gebruikt, zie "Auto langere tijd stallen" in het hoofdstuk "Correct gebruik van de auto".
Als u na aanschaf van uw auto accessoires wilt monteren die constante voeding nodig hebben (diefstalalarm, handsfree mobiele telefoon, navigatiesysteem met anti-diefstal-satellietbewaking, enz.), raden wij u aan contact op te nemen met de Lancia-dealer. Deze kan u de meest geschikte installaties uit het Lancia Lineaccessori programma aanraden en controleren of de elektrische installatie van de auto geschikt is voor het extra stroomverbruik of dat het noodzakelijk is een accu met een grotere capaciteit te monteren.
Deze stroomverbruikers blijven permanent stroom verbruiken ook bij een uitgenomen contactsleutel (gepar keerde auto, motor uitgezet), waardoor de accu geleidelijk kan ontladen.
Het totale energieverbruik van deze accessoires (standaard en achteraf gemonteerd accessoires) moet minder zijn dan 0,6 mA x Ah (van de accu), zoals in de volgende tabel staat vermeld:
| Accu van Maximaal toegestaan stroomverbruik |
| 50 Ah 30 mA |
| 60 Ah 36 mA |
| 70 Ah 42 mA |
Bedenk dat bij het inschakelen van grote stroomverbruikers zoals verwarming van het babyflesje, stofzuiger, mobiele telefoon, enz., bij een uit - gezette motor de accu sneller zal ont - laden.
BELANGRIJK Als aan boord van de auto extra systemen moeten worden geïnstalleerd, moet goed op de juiste aansluitingen worden gelet. Niet correcte elektrische verbindingen kunnen gevaarlijk zijn, vooral voor de elementaire elektronische systemen.
Bij bepaalde uitvoeringen kan de accu zijn uitgerust met een optische meter voor controle van het niveau van het elektrolyt en de acculading. De accu is "onderhoudsarm" en uitgerust met een controlemeter; onder normale gebruiksomstandigheden is het niet nodig gedestilleerd water bij te vullen. Daarom moet de juiste werking ervan regelmatig gecontroleerd worden m.b.v. de optische controlemeter op het deksel van de accu. De meter moet een donkere kleur hebben en een groen middenstuk.
Als de meter daarentegen een heldere lichte kleur heeft, of donker ge- kleurd is zonder groen middenstuk, dient u contact op te nemen met de Lancia-dealer.
Acculading controlleren
De acculading kan kwalitatief ge-controleerd worden door de kleur van de optische meter te controleren. Zie de volgende tabel of de sticker op de accu.
| Helderwitte kleur | Elektrolyt bijvullen | Wendt u tot de Lancia-dealer |
| Donkere kleur zonder groen middenstuk | Accu niet voldoende opgeladen | Opladen (het is raadzaam dit door de Lancia-dealer te laten uitvoeren) |
| Donkere kleur met groen middenstuk | Niveau elektrolyt en acculading onvoldoende | Geen enkele handeling |
Bij een normaal gebruik van de auto zijn speciale voorzorgsmaatregelen niet nodig.
Het is echter nodig de volgende aanwijzingen nauwkeurig op te volgen bij werkzaamheden aan de elektrische installatie of bij een noodstart:
- Koppel de accu nooit los van de elektrische installatie bij een draaiende motor.
- Koppel de accuklemmen los al - vorens de accu met een acculader op te laden. Moderne acculaders kunnen spanningen tot 20V leveren.
- Gebruik nooit een acculader voor het starten van de motor, maar gebruik een hulpaccu.
- Let op een goede aansluiting tussen de accu en de elektrische installatie, zowel wat betreft de juiste aansluitwijze als de juiste verbinding tussen de polen en de kabeluiteinden.
-
Neem de stekkers van de regeleenheden nooit los en sluit ze nooit aan als de contactsleutel in stand MAR staat.
-
Controleer de polariteit niet door middel van vonken.
- Neem de stekkers van de regel - eenheden los voor het uitvoeren van laswerkzaamheden aan de carrosserie. Verwijder de regeleenheden als de temperatuur boven de 80°C stijgt (bijzondere werkzaamheden aan de carrosserie, enz.).

Modificaties of reparaties aan de elektrische installatie die niet correct worden uitgevoerd en waarbij geen rekening wordt gehouden met de technische specificaties van het sys teem, kunnen storingen in de werking en zelfs brandgevaar ver - oorzaken.
BOUGIES
Schone en goede bougies (fig. 19) met de juiste warmtegraad zijn van doorslaggevend belang voor een goede werking, een lange levensduur en een lage uitstoot van schadelijke stoffen van de motor.
De informatie die de bougie levert aan een deskundige is een belangrijke bron voor het opsporen van de storing, ook als deze niet door de ontsteking wordt veroorzaakt. Het is daarom belangrijk dat bij storingen in de motorwerking de bougies worden gecontroleerd door een Lancia-dealer.

De bougies moeten bij de kilometerstanden worden vervangen die in het onderhoudsschema zijn aangegeven. Gebruik uitsluitend bougies van het voorgeschreven type. Bougies met een afwijkende warmtegraad kunnen motorstoringen veroorzaken.
| Bougies | |
| 1.6 | LANCIA RC10YCC |
| LANCIA BKR5EZ | |
| Champion RC10YCC | |
| NGK BKR5EZ | |
| 1.8 | LANCIA RC10YCC |
| LANCIA BKR6EZ | |
| Champion RC10YCC | |
| NGK BKR6EZ | |
| 2.0 | LANCIA RC8BYC |
| Champion RC8BYC |
WIELEN EN BANDEN
BANDENSPANNING
De spanning van de banden, inclusief het reservewiel, moet regelmatig, om de twee weken en voor een lange rit, worden gecontroleerd.
De bandenspanning moet bij koude banden worden gecontroleerd.
Tijdens het rijden neemt de banden-spanning toe (een natuurlijk verschijnsel). Houd er daarom rekening mee, dat bij een controle of oppompen van warme banden de spanning 0,3 bar hoger moet zijn dan bij koude banden.

Bedenk dat ook de weg - ligging afhankelijk is van een juiste bandenspanning.
Een onjuiste bandenspanning veroorzaakt een onregelmatige slijtage van de banden (fig. 20):
A - Juiste spanning: gelijkmatige slijtage van het loopvlak.
B - Te lage spanning: te grote slij-tage aan de zijkanten van het loop - vlak.
C - Te hoge spanning: te grote slijtage in het midden van het loopvlak.

Door een te lage banden- spanning wordt de band te heet, waardoor er onher-
stelbare inwendige schade aan de band kan ontstaan.
Banden moeten worden vervangen als de profieldiepte van het loopvlak minder is dan 1,6 mm. Houdt u echter altijd aan de bepalingen van het land waarin u rijdt.

Voorkom bruusk remmen, met spinnende wielen optrekken, enz.
Vermijd ook harde contacten tussen banden en stoepranden, kuilen, en andere obstakels. Het langdurig rijden op een slecht wegdek kan de banden beschadigen.
Controleer de banden regelmatig op scheuren in de wangen en bulten of slijtplekken op het loopvlak. Raadpleeg zonodig de Lancia-dealer.
Rijd nooit met een te zwaar beladen auto. Hierdoor kunnen de banden en de velgen ernstig beschadigd worden.
Stop zo snel mogelijk bij een lekke band en verwissel het wiel om beschadiging van de band, de velg, de wielophanging en de stuurinrichting te voorkomen.
Banden verouderen, ook als zij weinig of nooit gebruikt zijn. Scheurtjes in het loopvlak en op de wangen geven aan dat de band verouderd is.
Banden die langer dan zes jaar onder een auto gemonteerd zijn, moeten dan ook door een specialist worden
gecontroleerd. Dit geldt in het bijzonder voor het reservewiel.
Monteer nooit gebruikte banden of banden, waarvan de herkomst onbekend is.
De Lybra is voorzien van tubeless radiaalbanden zonder binnenband. In dit type band mag nooit een binnenband worden gemonteerd.
Bij de montage van een nieuwe band moet ook het ventiel vernieuwd worden.
Om een gelijke slijtage van de banden op de vooras en de achteras te verkrijgen, is het raadzaam de banden om de 10.000 ÷ 15.000 km van as te verwisselen. Hierbij moeten de banden aan dezelfde zijde van de auto gemonteerd blijven, zodat een om - kering van de draairichting wordt voorkomen.

Verwissel de banden niet kruiselings, waarbij de banden van de rechter-
zijde aan de linkerzijde en om- gekeerd worden gemonteerd.
RUBBER SLANGEN
Houd voor de rubber slangen van het rem-, stuurbekrachtigings- en brandstofsysteem zeer nauwkeurig de voorschriften van het geprogrammeerd onderhoudsschema aan.Ozon, hoge temperaturen en het gedurende langere tijd ontbreken van vloeistof in een systeem zorgen ervoor dat de slangen uitdrogen en scheuren, waardoor het betreffende systeem gaat lekken. Daarom is zorgvuldige controle noodzakelijk.
RUITENWISSERS
WISSERBLADEN
Maak de wisserbladen regelmatig schoon met een schoonmaakmiddel; wij raden DP1 aan.
Vervang de wisserbladen als het rubber vervormd of versleten is. Het verdient aanbeveling ten minste één maal per jaar de wisserbladen te vervangen.

Rijden met versleten rui- tenwisserbladen is gevaar- lijk, omdat ze het zicht onder extreme atmosferische omstandigheden aanzienlijk beperken.
Met enkele simpele voorzorgsmaat - regelen is het mogelijk beschadigingen van het rubber te voorkomen.
- Wanneer de temperatuur onder 0°C is gedaald, moet er gecontroleerd worden of er geen ijs tussen wisserblad en ruit zit. Verwijder zonodig het ijs met antivries.
- Verwijder eventueel opgehoopte sneeuw van de voorruit: om de wisserbladen te beschermen en oververhitting van de ruitenwissermotor te voorkomen.
- Schakel de ruitenwissers niet in op een droge uit.
Wisserbladen controleren
Voordat u de wisserbladen controleert, moeten de voorruit en de rubber delen (wisserbladen) zorgvuldig gereinigd worden met warm water en zeep of met ruitensproeiervloeistof DP1. De voorruit moet helemaal schoon en vetvrij zijn: als het nodig is, moet met sterkere vetverwijderende middelen worden ontvet (op basis van ammoniak).
Ook de wisserbladen moeten voor de controle perfect gereinigd zijn: reinig, indien noodzakelijk, alleen de randen met warm water en zeep.
1) Controleer of het rubber van het wisserblad niet vervormd of versleten is en of alle onderdelen van de wisserbladen nog heel zijn: als het rubber vervormd of versleten is, moeten beide wisserbladen vervangen worden.
2) Als de wisserbladen en de onderdelen in goede staat zijn, moet de controle worden voortgezet door het inschakelen van de ruitenwisser/sproeier: als de wisserbladen de voorruit goed reinigen, kunnen ze worden gehandhaafd, als de ruit niet goed gereinigd wordt, moeten de beide wisserbladen worden vervangen.
Wisserbladen vervangen (fig. 21)
Zie voor het vervangen van het wiserblad van de achterruitwisser van de Station Wagon het betreffende hoofdstuk.
Wisserbladen vervangen:
1) Trek de arm van de ruitenwisser omhoog.
2) Druk op de lip van de veerklem en trek het wisserblad A uit de arm B.

fig. 21
3) Monteer het nieuwe blad, waarbij het wisserblad goed in de wisserarm geborgd moet zijn.
BELANGRIJK Controleer na de vervanging of de wisserbladen goed in de wisserarm geborgd zijn.
RUITENSPROEIERS (fig. 22)
Als de ruitensproeiers niet werken, controleer dan eerst het niveau in het ruitensproeiertankje: zie "Niveaus controleren" in dit hoofdstuk. Controleer vervolgens of de ruitensproeiermonden niet verstopt zijn. Deze kunnen zonodig met een speld worden doorgeprikt.
De richting van de stralen A van de ruitensproeiers kunnen worden afgesteld. Stel de sproeiermonden zodanig af dat de stralen de ruit raken op het hoogste punt in de slag van de ruitenwissers.
KOPLAMP - SPROEIERS
(indien aanwezig)
Controleer regelmatig of de kop - lamp sproeiers schoon en in goede staat zijn (fig. 23).
De koplampsproeiers werken automatisch als het dim-/grootlicht brandt en de ruitensproeiers worden ingeschakeld.
AIRCONDITIONING
Schakel in de winter de airconditioning 1 keer per maand gedurende 10 minuten in.
Laat voor het zomerseizoen de werking van de airconditioning controleren door de Lancia-dealer.

Het systeem gebruikt koelmiddel R134a. Bij lekkage is dit middel niet schadelijk voor het milieu. Gebruik in geen geval het middel R12, omdat dit middel de componenten van het systeem beschadigt en omdat dit middel CFK's (chloorfluorkoolwaterstoffen) bevat.
CARROSSERIE
De belangrijkste oorzaken van roest zijn:
- luchtverontreiniging;
- zoutgehalte in de lucht en luchtvochtigheid (gebieden aan zee, warm en vochtig klimaat);
- omgevings-/seizoensinvloeden.
Ook de invloed van schurende elementen, zoals stoffige omgeving, opwaaiend zand, modder en steenslag op de lak en de onderzijde moet niet worden onderschat.
LANCIA heeft voor de Lybra de beste technologische oplossingen toegepast om de carrosserie efficiënt tegen roest te beschermen.
De belangrijkste zijn:
- De toepassing van aangepaste spuittechnieken en lakproducten die de auto de benodigde weerstand tegen roest en schurende elementen ver -lenen.
- Het gebruik van verzinkte (of voorbehandelde) plaatdelen met een hoge corrosiebestendigheid.
- Het aanbrengen van een gespoten beschermende waslaag op de onderzijde, in de wielkuipen, in de motorruimte en verschillende holle ruimtes, met een hoog beschermend vermogen.
- Het aanbrengen van een beschermende kunststof laag op kwetsbare delen: onderzijde van de portieren, binnenzijde van de spatborden, naden, randen enz.
- Toepassing van "open" holle ruimtes om condensvorming te voorkomen en binnendringend water af te voeren, waardoor roest van binnenuit wordt voorkomen.
CARROSSERIEGARANTIE
Bij de Lybra is de carrosserie tegen doorroesten van alle originele componenten van de carrosserie en van alle dragende delen gegarandeerd. Voor de specifieke voorwaarden van deze garantie wordt verwezen naar de "SERVICE- EN GARANTIEHANDLEIDING".
TIPS VOOR HET BEHOUD VAN DE CARROSSERIE
Lak
De lak heeft behalve een esthetische functie ook een beschermende functie.
Daarom moeten beschadigingen van de laklaag, zoals krassen, onmiddel- lijk worden bijgewerkt om roest - vorming te voorkomen.
Ook het bijwerken van metallic lak levert geen problemen op.
Het bijwerken dient met de originele lak te worden uitgevoerd (zie het hoofdstuk "Technische gegevens").
Het normale onderhoud van de auto beperkt zich tot wassen, waarbij de frequentie afhankelijk is van het gebruik van de auto en van de omgeving. Het is raadzaam de auto vaker te wassen bij sterke luchtverontreiniging of bij het rijden over wegen met strooizout.

Schoonmaakmiddelen verontreinigen het water. Daarom moet de auto bij voorkeur worden gewassen op een plaats waar het afvalwater direct wordt opgevangen en gezuiverd.
1) Verwijder de antenne van het dak om te voorkomen dat deze beschadigt in een autowasserette.
2) Spoel de auto eerst met een water straal onder lage druk af.
3) Was de auto met een zachte spons met een oplossing van neutrale zeep; spoel daarbij de spons regelmatig uit.
4) Spoel de auto af met schoon water en droog de auto met warme lucht of een schone, zachte zeem.
De minder zichtbare delen zoals de randen van de portieren, het kofferdeksel en de koplampranden moeten niet vergeten worden, omdat daar water kan blijven staan. Het verdient aanbeveling de auto na het wassen
niet onmiddellijk binnen te zetten, maar de auto nog even buiten te laten staan, zodat waterresten buiten kunnen verdampen.
Was de auto nooit in de zon of als de motorkap nog warm is: omdat dan de glans van de lak kan afnemen.
De kunststof carrosseriedelen kunnen op dezelfde wijze worden gewassen als de gespoten carrosseriedelen.
Parkeer de auto niet onder bomen, aangezien harsdruppels bij langere inwerking de lak kunnen beschadigen, waardoor de kans op roestvorming wordt vergroot.
BELANGRIJK Vogeluitwerpselen dienen zo snel en zo goed mogelijk van de lak verwijderd te worden, omdat door de agressieve bestanddelen de lak kan beschadigen.
Ruiten
Gebruik voor het schoonmaken van de ruiten een daarvoor geschikt schoonmaakmiddel. Gebruik een schone, zachte doek om krassen en beschadigingen te voorkomen.
BELANGRIJK Let er bij het schoon maken van de binnenzijde van de achterruit op, dat de elektrische weerstandsdraden van de achterruit-verwarming niet worden beschadigd. Veeg voorzichtig in de richting van de draden.
Motorruimte
Het verdient aanbeveling de motor- ruimte na het winterseizoen zorgvuldig te laten uitspuiten. Laat dit verzorgen door een gespecialiseerd bedrijf.
BELANGRIJK Voor het uitspuiten van de motorruimte moet het contactslot in stand STOP staan en de motor koud zijn. Controleer na het reinigen of de verschillende beschermingen (rubber kappen, deksels, enz.) nog op hun plaats zitten en niet beschadigd zijn.

Schoonmaakmiddelen verontreinigen het water. Daarom moet de auto bij voorkeur worden gewassen op een plaats waar het afvalwater direct wordt opgevangen en gezuiverd.
INTERIEUR
Controleer af en toe of er onder de vloerbedekking geen water is blijven staan (dooiwater van sneeuwresten aan schoenen, lekkende paraplu's, enz.), waardoor roestvorming op de bodem veroorzaakt zou kunnen worden.
STOELEN EN STOFFEN BEKLEDING SCHOONMAKEN
- Verwijder stof met een zachte borstel of een stofzuiger.
- Reinig de zittingen met een vochtige spons en een oplossing van neutrale zeep.
MET ALCANTARA BEKLEDE STOELEN SCHOONMAKEN
Alcantara kan op dezelfde wijze behandeld en gereinigd worden als de andere bekleding. Voor het reinigen van alcantara gelden dezelfde aan wijzingen als voor het reinigen van stoffen bekleding.
MET LEER BEKLEDE STOELEN SCHOONMAKEN
- Verwijder droog vuil met een zeemleer of een iets vochtige doek, zonder hard te drukken.
- Dep een vochtige vlek of vet met een droge en absorberende doek en wrijf daarbij niet. Behandel de plek vervolgens met een doek of zeem bevochtigd met water en een neutrale zeep.
- Als de vlek nog niet verwijderd is, behandel de vlek dan met een speciaal schoonmaakmiddel, waarbij de instructies op de verpakking strikt moeten worden opgevolgd.
BELANGRIJK Gebruik nooit alco - hol of producten op basis van alcohol.
KUNSTSTOF INTERIEURDELEN
Gebruik speciale reinigingsmiddelen om het visuele effect van de componenten niet te wijzigen.
BELANGRIJK Gebruik nooit alcohol of benzine om het glas van het instrumentenpaneel schoon te maken.

Bewaar nooit spuitbussen in de auto. Ontploffingsgevaar. Spuitbussen mogen worden blootgesteld aan temen boven 50°C. In de zomer temperatuur in het inteer boven deze waarde op -
LYBRA STATION WAGON
De beschrijvingen en afbeeldingen in dit hoofdstuk hebben uitsluitend betrekking op de Lybra SW. In dit hoofdstuk worden uitsluitend de onderwerpen behandeld die verschillen van de vorige hoofdstukken in dit boekje.
Met de Lybra SW bent u net zoals de Lybra sedan verzekerd van veiligheid, perfect rijplezier en milieubewust autorijden. Naast dit alles biedt de Lybra SW u iets extra's:met deze auto heeft u de beschikking over een zeer grote bagageruimte.
ACHTERRUITWISSER/-SPROEIER.... 227
Deze werkt uitsluitend als de contactsleutel in stand MAR staat.
Draai de schakelaar A in stand ⚙ om de achterruitwisser in te schakelen. De achterruitwisser wist met interval.
Als u de bedieningshendel B naar voren duwt, schakelt de achterruit-sproeier in; als u de hendel loslaat schakelt hij automatisch uit.
Als de achterruitsproeier wordt ingeschakeld, gaat automatisch ook de achterruitwisser enkele seconden werken.
Als u bij ingeschakelde ruitenwissers de achteruit inschakelt, gaat automatisch ook de achterruitwisser enkele seconden werken.
WISSERBLAD VERVANGEN (fig. 2)
Het wisserblad van de achter- ruitwisser moet samen met de wisser - arm vervangen worden.
1) Kantel het dopje A, draai de moer B los, waarmee de wisserarm aan de as is bevestigd, en neem de arm van de as.
2) Plaats de nieuwe wisserarm in de juiste stand en draai de moer zorg-vuldig vast.
3) Kantel het dopje dicht.

Als de achterruitsproeier niet werkt, controleer dan eerst het niveau in het ruitensproeiertankje: zie de aanwijzingen in het hoofdstuk "Onderhoud van de auto".
De sproeiermond kan worden afgesteld door met een schroevendraaier het huis A te verdraaien.

Als de schakelaar A in stand 0 staat, gaat bij het openen van de achterklep de plafondverlichting branden.
Als de schakelaar in de middelste stand 1 staat, blijft de plafondver - lichting altijd branden.
Als u de schakelaar naar links (stand 2) schuift, blijft de plafondverlichting altijd gedoofd.
BELANGRIJK Controleer voordat u de auto verlaat of de schakelaar van de plafondverlichting niet in stand 1 staat. Als de schakelaar bij geopende achterklep in stand 0 staat, gaat de plafondverlichting na ongeveer 15 minuten automatisch uit.
AUTORADIO
LUIDSPREKERS ACHTER (fig. 5)
De luidsprekers achter A bevinden zich aan de zijkanten van de bagageruimte.
ANTENNE
De antenne is op het dak van de auto geplaatst.
Het is raadzaam de antenne van het dak te verwijderen als de auto in een wastunnel wordt gereinigd, om te voor komen dat hij wordt beschadigd.
CD-SPELER - CD-SPELER VOOR ICS VAN LANCIA MET NAVIGATIESYSTEEM (fig. 6-7) (indien aanwezig)
De CD-speler A en de CD-speler B voor het ICS-navigatiesysteem van Lancia bevinden zich in een door een klep afgesloten ruimte links in de bagageruimte C.
Om de geklemde klep te verwijderen, moet u de klep openen door aan de handgreep D te trekken. Verwijder vervolgens de klep. Plaats om de klep terug te plaatsen eerst het onderste deel en druk vervolgens de klep stevig dicht.
In het bovenste deel van de ruimte E kunnen de CD's worden opgeborgen.

fig. 4

Het gebruik van de CD-speler staat beschreven in de paragraaf "Auto -radio" in dit boekje.
Voor het gebruik van het ICS van Lancia met navigatiesysteem en van de CD-speler voor het navigatie systeem wordt verwezen naar het betreffende supplement dat bij dit instructieboekje wordt geleverd.
BOSE HIFI-AUDIOSYSTEEM (indien aanwezig)
Subwoofer (fig. 8-9)
In de door een klep afgesloten ruimte rechts in bagageruimte A bevindt zich een bass box B met een volume van 14 dm³.
U kunt de klep openen door aan de handgreep C te trekken, waarna de klep volledig kan worden verwijderd.
Plaats om de klep terug te plaatsen eerst het onderste deel en druk vervolgens de klep stevig dicht.

fig. 8
AUTOMATISCHE NIVEAUREGELING OP DE ACHTER - WIELOPHANGING
(indien aanwezig)
In plaats van de conventionele schokdempers zijn bij de auto schokdempers met hydro-pneumatische niveauregeling (dankzij een in de schokdemper ingebouwd actief element) op de achterwielen gemonteerd.
Als de auto beladen is (passagiers, bagage), zakt de auto achterover en wijzigt de wielgeometrie, afhankelijk van de schokdemperafstelling en de lading. Zodra de auto wegrijdt, wordt de wielbeweging als gevolg van oneffenheden in het wegdek door de schokdempers gebruikt om de carrosserie weer op zijn oorspronkelijke rijhoogte te brengen. De rijhoogte is dus niet langer afhankelijk van de beladingsgraad.

fig. 7

De afstand die de schokdempers nodig hebben om de rijhoogte weer op de voorgeschreven waarde te brengen ligt tussen 300 en 1000 meter, afhankelijk van de conditie van het wegdek.
Het systeem zorgt er bovendien voor dat de koplampen altijd goed zijn af-gesteld.

Bij het gebruik van de bagageruimte mogen de maximale waarden niet worden overschreden (zie hoofdstuk "Technische gegevens"). De vervoerde lading en de wijze van belading beïnvloeden de wegligging, ook als de rijhoogte door het systeem constant wordt gehouden.
BAGAGERUIMTE

Bij het gebruik van de bagageruimte mogen de maximale gewichten niet worden overschreden (zie hoofdstuk "Technische gegevens"). Controleer bovendien of de bagageruimte goed geladen is en bevestig de lading eventueel met riemen of spanbanden aan de daarvoor bestemde ringen. Zo wordt voorkomen dat een voorwerp bij bruusk remmen naar voren schiet en letsel veroorzaakt.
OPENEN (fig. 10-11)
Trek voor het openen van de achter - klep schakelaar A omhoog of steek de sleutel in het slot B en draai de sleutel in stand 1.

Het slot vergrendelt als de centrale portiervergrendeling wordt bediend.
Gebruik voor het openen van de achterklep de handgreep C boven het slot.
ACHTERKLEP OPENEN MET AFSTANDSBEDIENING
De achterklep kan worden geopend door knopje D (fig. 12) op de contact-sleutel in te drukken.

fig. 11

De achterklep kan ook worden ge - opend bij centraal vergrendelde portieren en ingeschakeld diefstalalarm (indien aanwezig).
In dit geval werkt het alarmsysteem op de volgende manier:
- uitschakeling van de interieur- bewaking;
- uitschakeling van de kantelsensor;
- uitschakeling druksensor achter - klep.
Als de achterklep weer gesloten wordt, worden de uitgeschakelde functies weer ingeschakeld.
SLUITEN (fig. 13)
Gebruik voor het sluiten van de achterklep één van de handgrepen A.
STEKKERDOOS (fig. 14)
Deze bevindt zich links in de bagageruimte. Voor het gebruik van de stekkerdoos moet u dekseltje A openen.
De stekkerdoos wordt gevoed als de contactsleutel in stand MAR wordt gedraaid en kan alleen gebruikt worden voor accessoires met een maximum stroomverbruik van 15A (vermogen 180W).

Sluit geen accessoires op de stekkerdoos aan met een stroomverbruik dat
hoger is dan de aangegeven maxi- male waarde.
Een langdurig stroomverbruik kan de accu uitputten, waardoor de motor niet meer gestart kan worden.
BAGAGERUIMTEVERLICHTING (fig. 15)
De bagageruimteverlichting B bevindt zich rechts in de bagageruimte en gaat branden als de achterklep wordt geopend. De verlichting dooft als u de achterklep sluit of na enkele minuten als u de achterklep open laat. Als u in dit laatste geval de verlichting weer wilt inschakelen, moet u de achterklep sluiten en vervolgens weer openen.
OPBERGVAKKEN
Aan de zijkant van de bagageruimte bevinden zich twee open vakken met net C (fig. 14-15) voor het opbergen van voorwerpen.

Deze bevinden zich rechts en links in de bagageruimte. Het vak is als volgt bereikbaar: open het geklemde deksel A door aan de handgreep B te trekken en verwijder vervolgens het deksel. Plaats om de klep terug te plaatsen eerst het onderste deel en druk vervolgens de klep stevig dicht.
Het linker vak is bestemd voor de CD-speler en de CD-speler voor het ICS-navigatiesysteem van Lancia (in-dien aanwezig).
In het rechter vak is bij uitvoeringen met hifi-audiosysteem de subwoofer luidspreker geplaatst.
HOEDENPLANK (fig. 17)
Achter de rugleuning van de zit-

fig. 16
plaatsen achter bevindt zich de hoe- denplank A.
De hoedenplank kan worden neerge -klapt met de handgreep B om de bagageruimte vanuit het interieur te bereiken.
Als u de hoedenplank wilt verwijderen, moet u de hoedenplank neerklappen en de beide pennen aan de zijkant uit de zittingen C loshaken. Voor het terugplaatsen van de hoedenplank moeten de pennen weer in de zittingen C worden gestoken en de hoedenplank naar voren worden gedraaid om te controleren of hij goed vergrendeld is.

Bij een ongeval of plotse- ling remmen kunnen de voorwerpen op de hoedenplank naar voren in het interieur worden geslingerd, waardoor de inzittenden letsel kunnen oplopen.

De rolhoes A kan worden opgerold en verwijderd.
De hoes kan worden opgerold nadat de twee achterste pennen B uit de zittingen C zijn genomen en de klittenbandsluitingen aan de zijkant D los zijn getrokken.

U kunt de rolhoes verwijderen door hem op te rollen en de twee voorste pennen E te verwijderen.
Voor het terugplaatsen van de rolhoes moet u de voorste pennen weer insteken, de rolhoes uitvouwen en daarna de achterste pennen weer in de zittingen plaatsen.

Plaats geen zware voorwerpen op de rolhoes omdat deze de rolhoes kunnen been.

Bovendien kunnen bij plotseling remmen deze voorwerpen naar voren a geslingerd en de inzitten-wonden.

Het scheidingsnet tussen het interieur en de bagageruimte is opgeborgen in de dubbele oprolautomaat A. Het bovenste en onderste gedeelte van het net kunnen afzonderlijk worden bevestigd.
Haak het bovenste gedeelte van het net in de zittingen B die afgesloten zijn met de geklemde dekseltjes C.
Maak het onderste gedeelte vast aan de haken D.
De oprolautomaat kan vanuit de bagageruimte worden verwijderd nadat het bovenste en onderste gedeelte van het net weer zijn losgehaakt. U verwijdert de oprolautomaat door de knop aan de rechterzijde naar voren te draaien totdat het rode symbool

(driehoek) verdwijnt, en vervolgens eerst de rechter zijde van de oprol - automaat en daarna de linkerzijde op te tillen. Verwijder de oprolautomaat vanuit de bagageruimte (fig. 24).
Om de oprolautomaat terug te plaatsen moet eerst de linkerzijde en daarna de rechterzijde worden geplaatst. Draai vervolgens de knop naar achteren totdat hij blokkeert.

fig. 22

De vervoerde bagage kan met rie- men of spanbanden worden bevestigd aan de daarvoor bestemde ringen in de hoeken van de bagageruimte.
De ringen dienen ook voor de bevestiging van het bagagenet (als optional beschikbaar bij de Lancia-dealer).

Niet goed vastgezette bagage kan bij een ongeluk de passagiers ernstig ver - n.
OMKEERBARE VLOERBEDEKKING
De vloerbedekking is omkeerbaar: de vloerbedekking kan worden verwijderd, omgedraaid en weer worden teruggeplaatst met de wasbare zijde naar boven gekeerd, wanneer u smerige voorwerpen vervoert.

Het skiluik kan worden gebruikt voor het vervoer van lange voorwerpen (bijv. ski's) die vanuit de bagageruimte door het luik kunnen worden gestoken.
1) Kantel de armsteun A omlaag.
2) Druk op de handgreep B en duw het klepje C naar beneden.
3) Maak de bekleding los (indien aanwezig).
Duw het luikje C in de richting van de bagageruimte om het te sluiten: de vergrendeling blokkeert automatisch.

Het is mogelijk de bagageruimte te vergroten door de deelbare achterbank gedeeltelijk (1/3 of 2/3) of geheel neer te klappen.
Om de bagageruimte geheel te vergroten, moeten de rolhoes, de neer -klapbare hoedenplank en het scheidingsnet (indien aanwezig) worden verwijderd, volgens de instructies die in de betreffende paragrafen zijn aangegeven.
Gedeeltelijk neerklappen (1/3) (fig. 28)
Als alleen de linker zitting wordt neergeklapt, kunnen er twee personen op de achterbank worden vervoerd.
Gedeeltelijk neerklappen (2/3) (fig. 29)
Als alleen de rechter zitting wordt neergeklapt, kan er één persoon op de achterbank worden vervoerd.
Geheel neerklappen (fig. 30)
Als beide zitplaatsen achter worden neergeklapt, is de bagageruimte maximaal vergroot.

Bagageruimte vergroten
1) Trek de handgreep A (fig. 31) in het midden van iedere achterzitting in de rijrichting en klap de zitting naar voren in de richting van de pijl.
2) Verwijder de hoofdsteunen van de rugleuningen achter (zie paragraaf "Hoofdsteunen") en plaats ze in de daarvoor bestemde ruimte van de opgeklapte zitting (fig. 32).
3) De rugleuning kan ontgrendeld worden door de handgreep op de zij - kant van de rugleuningen omhoog te trekken:
B (fig. 33) = rechter rugleuning
C (fig. 34) = linker rugleuning.
4) Plaats de veiligheidsgordels aan de zijkant en klap de rugleuningen

neer, waardoor er een vlakke laad - vloer ontstaat in de bagageruimte.
Zitplaatsen achter in normale stand zetten
1) Plaats de veiligheidsgordels aan de zijkant, zet de rugleuning weer recht op en controleer of hij goed vast - gehaakt zit.
2) Klap vervolgens de zitting terug en controleer of de veiligheidsgordels niet gedraaid zitten tussen de zittingen en de rugleuningen.
3) Monteer de hoofdsteunen weer.
4) Monteer het scheidingsnet in het interieur (indien aanwezig), de hoe-denplank en de rolhoes weer zoals in de betreffende paragrafen is be - schreven.

BELANGRIJK Als u zware voor - werpen vervoert en u 's nachts rijdt, moet u controleren of de hoogteregelaars op de koplampen in de juiste stand staan (zie paragraaf "Koplampen").

Bij de Lybra SW kunnen als optional worden geleverd: een set traversen, voor het vervoeren van verschillende voorwerpen, en specifieke hulpstukken (skidrager, surfplankdrager, enz.).
De auto is voorbereid met drie sets bevestigingspunten voor de traversen.
Voor de montage van de traversen moet u de zes doppen A met een schroevendraaier in punt B, loswippen. Bevestig vervolgens de traversen met de daarvoor bestemde bouten.
Bewaar de doppen voor het afdekken van de bevestigingspunten als u de traversen verwijderd.

fig. 35
Voor de montage van de doppen A moet u eerst de lip C plaatsen en vervolgens op de andere zijde drukken totdat de doppen in de openingen geborgd zijn.

Controleer na enkele kilometers opnieuw of de bevestigingsbouten nog astzitten.

Overschrijd nooit het maximum draagvermogen (zie hoofdstuk "Techni-gevens").

Verwijder voor de montage van het sleepoog het luikje A (fig. 36) op de achterbumper. Steek hiervoor de punt van de schroevendraaier in de betreffende opening.
BELANGRIJK Voor alle andere informatie, waarschuwingen en te nemen voorzorgsmaatregelen bij het slepen van de auto of het slepen van een andere auto, wordt verwezen naar het hoofdstuk "Noodgevallen".
BELANGRIJKE AANWIJZINGEN BIJ HET TREKKEN VAN AANHANGERS
Houdt u aan de snelheidsbeperkingen die voor auto's met aanhanger gelden. U mag in geen geval harder rijden dan 100 km/h.
EEN LEKKE BAND
RESERVEWIEL EN GEREEDSCHAP
De auto kan zijn uitgerust met een reservewiel met normale afmetingen (indien aanwezig).
Het reservewiel, de krik en het gereedschap vindt u onder de vloerbedekking in de bagageruimte.
Open de achterklep, til de bekleding op en haak deze aan de bovenrand vast met de daarvoor bestemde riem A (fig. 37).
De vloerbedekking kan ook uit de bagageruimte worden verwijderd door de vloerbedekking naar achteren te trekken.
Verwijder het vulstuk B (fig. 38).
Draai de blokkeerschroef (handgreep) C (fig. 39) los, pak de gereedschaphouder D en het reservewiel E en plaats deze dicht bij het te verwisselen wiel.
BELANGRIJK Zie voor de beschrijving van de juiste werkwijze voor het verwisselen van een wiel en voor alle waarschuwingen en de te nemen

voorzorgsmaatregelen, het hoofdstuk "Noodgevallen".
Nadat het wiel verwisseld is, moet het verwisselde wiel, de krik en het gereedschap weer in de bagageruimte worden opgeborgen en op de juiste wijze worden bevestigd. Monteer het vulstuk B (fig. 38) op het wiel.
Haak voordat u de vloerbedekking laat zakken, de riem aan de bekleding zoals is afgebeeld (fig. 40).
Als de vloerbedekking uit de bagageruimte was verwijderd en u deze wilt terugplaatsen, moet u de voorste bevestigingslippen F (fig. 41) in de daarvoor bestemde zittingen in de bagageruimte plaatsen.

BELANGRIJK Lees voordat u een gloeilamp vervangt de opmerkingen en de voorzorgsmaatregelen in het hoofdstuk "Noodgevallen".
1) Licht het plafondlampje met een schroevendraaier in punt A (fig. 42) op.
2) Verwijder het lampje B (fig. 43) door het uit de contacten aan de zijkant los te maken en vervang het lampje.
3) Monteer het plafondlampje: plaats eerst de zijde C en druk vervolgens op de andere zijde totdat het lampje vastzit.

1) Verwijder het lampenglas door met een schroevendraaier de borgveer A in te drukken.
2) Verwijder het lampje B door het los te maken uit de contacten aan de zijkant en vervang het lampje.
3) Monteer het lampenglas: plaats eerst de zijde C en druk vervolgens op de andere zijde totdat de borgveer A is vastgehaakt.

Het lampje is van buitenaf bereik- baar bij geopende achterklep.
Gloeilamp (type B, 12V-H21W) vervangen:
1) Verwijder de drie dekseltjes A (fig. 45) door een schroevendraaier in de daarvoor bestemde zittingen te steken.
2) Draai de schroeven B (fig. 46) los en verwijder de unit C.
3) Draai de lamphouder D (fig. 47) linksom en trek hem uit de zitting.
4) Verwijder de lamp E (fig. 47) door hem iets in te drukken en links - om te draaien.
5) Monteer de nieuwe lamp door hem iets in te drukken en rechtsom te draaien.

6) Plaats de lamphouder D (fig. 47) en draai hem rechtsom.
7) Plaats het derde remlicht terug op de achterklep en bevestig de unit met de schroeven B (fig. 46).
8) Druk de dekseltjes A (fig. 45) in de zittingen van de schroeven.

Achterlichten, richting - aanwijzers, remlichten, achter - uit rijlicht en mistachterlicht
Gloeilamp vervangen:
1) Verwijder het deksel A (fig. 48) van het servicevak links of rechts in de bagageruimte door aan de handgreep B te trekken.

2) Verwijder de lichtunit door de moeren C (fig. 49) los te draaien met het uiteinde A (fig. 50) van de sleutel die bij de auto is geleverd, en trek de unit naar buiten zonder de stekker los te maken. Gebruik op uitvoeringen met hifi-audiosysteem het uiteinde B (fig. 50) van de sleutel om de moeren van de rechter unit los te draaien, en steek de punt in de adapter C (fig. 50) die ook bij de auto geleverd wordt.
3) Draai de schroeven D (fig. 51) los en verwijder de lamphouder E.
4) Verwijder de lamp door hem iets in te drukken en linksom te draaien en vervang de lamp (fig. 52).
F – Gloeilamp (type B, 12V-P21W) voor het achteruitrijlicht (alleen rechter lichtunit). Gloeilamp (type B, 12V-P21W) voor mistachterlicht (alleen linker unit).
G – Gloeilamp (type B, 12V-R10W) voor achterlicht.
H - Gloeilamp (type B, 12V-PY21W) (oranje) voor richting aanwijzer.
L - Gloeilamp (type B, 12V-P21W) voor remlicht.
5) Monteer de lamphouder E (fig. 51) en bevestig hem met de schroeven D (fig. 51).
6) Monteer de lichtunit en draai de moeren C (fig. 49) vast.
7) Monteer het deksel van het service vak door eerst het onderste deel te plaatsen en het deksel vervolgens aan te drukken.

fig. 51

De mensen die uit liefhebberij of vanwege hun beroep zeer geïnteresseerd zijn in motoren en techniek zullen waarschijnlijk op dit punt met lezen beginnen. Het volgende hoofdstuk is een rijke bron van gegevens, cijfers, formules en tabellen. Het is feitelijk het technische "menu" van de Lybra. Het menu, dat in technische taal, alle eigenschappen en specificaties behandelt van een auto die ontworpen is om de automobilist volledig tevreden te stellen.
IDENTIFICATIEGEGEVENS.... 243
MOTORCODES
CARROSSERIE-UITVOERINGEN 245
MOTOR....246
TRANSMISSIE 250
REMMEN....252
WIELOPHANGING.... 253
STUURINRICHTING 253
WIELUITLIJNING 253
WIELEN 254
ELEKTRISCHE INSTALLATIE 255
AFMETINGEN.... 256
PRESTATIES.... 258
GEWICHTEN.... 259
VULLINGSTABEL 261
SPECIFICATIES VAN DE SMEERMIDDELEN
EN VLOEISTOFFEN 264
BRANDSTOFVERBRUIK.... 266
CO2-EMISSIE VIA DE UITLAAT.... 267
BANDENSPANNING 268
IDENTIFICATIE- GEGEVENS
CHASSISNUMMER (A - fig. 1)
Het chassisnummer is op de rechter schokdempersteun ingeslagen.
Het is bereikbaar nadat de motor - kap is geopend en bevat de volgende gegevens:
- type van de auto
- oplopend productienummer.
MOTORCODE
De motorcode is in het cilinderblok ingeslagen, en bestaat uit het motor - type en een oplopend productie - nummer.
TYPEPLAATJE MET IDENTIFICATIEGEGEVENS
Het typeplaatje (fig. 2) is aange bracht op de fronttraverse in de motorruimte en bevat de volgende informatie (fig. 3):
A - Naam van de fabrikant
B - Nummer typegoedkeuring
C - Identificatiecode van het auto-type
D - Chassisnummer
E - Max. toelaatbaar totaalgewicht van de auto
F - Max. toelaatbaar totaalgewicht van de auto met aanhanger

G - Max. toelaatbare voorasbelasting
H - Max. toelaatbare achterasbelasting
I - Motortype
L - Code van de carrosserie-uitvoer-ring
M - Nummer voor de onderdelen
N - Correctiewaarde voor de uitlaat - rookgasmeting (dieseluitvoeringen)
PLAATJE MET INFORMATIE OVER DE CARROSSERIELAK
Het plaatje (fig. 4) is aangebracht op de binnenzijde van het kofferdeksel.
Het bevat de volgende informatie:
A - Fabrikant van de lak
B - Kleurbenaming
C - LANCIA kleurcode
D - Kleurcode voor bijwerken en overspuiten

fig. 3

fig. 4
MOTORCODES - CARROSSERIE-UITVOERINGEN
Typecode van de motor Code van de carrosserie-uitvoering
| Sedan Station Wagon Sedan Station Wagon | |||
| 1.6 182B6000 182B6000 839AXF1A 12 839BXF1A 13 | |||
| 1.8 839A7000 839A7000 839AXG1A 14 839BXG1A 15 | |||
| 2.0 185A8000 185A8000 839AXH1A 16 839BXH1A 17 | |||
| 1.9 jtd AR 37101 AR 37101 839AXI1A 18 | 839BXI1A 19 | ||
| 2.4 jtd | 839A6000 839A6000 839AXL1A 20 | 839BXL1A 21 | |
MOTOR
| 1.6 1.8 2.0 | |||||
| ALGEMEEN | |||||
| Typecode | 182B6000 | ||||
| Cyclus | Otto | ||||
| Aantal en opstelling cilinders 4 in lijn 4 in lijn 5 in lijn | |||||
| Aantal kleppen per cilinder 4 4 4 | |||||
| Boring en slag mm 80,5 x 78,4 82 x 82,7 82 x 75,65 | |||||
| Cilinderinhoud cm | 3 | 1.596 | 1.747 | 1.998 | |
| Compressieverhouding | 10,5 : 1 10,3 : 1 | 10,7 : 1 | |||
| Max. vermogen (EU): | kW | 76 | 96 110 | ||
| pk | 103 | 130 | 150 | ||
| min -1 | 5.750 | 6.300 | 6.500 | ||
| Max. koppel (EU): | Nm | 145 | 156 | 181 | |
| kgm | 14,9 | 15,8 | 18,5 | ||
| min -1 | 4.000 | 3.800 | 3.750 | ||
| DISTRIBUTIE | |||||
| Inlaat: | opent voor B.D.P. | 0° | - | - | |
| opent na B.D.P. | - | 3° | 9° | ||
| sluit voor B.D.P. | - | - | - | ||
| sluit na O.D.P. | 34° | 41° 49° | |||
| Uitlaat: | opent na B.D.P. | - | -- | ||
| opent voor O.D.P. | 24° | 32° | 40° | ||
| sluit voor B.D.P. | - | - | 0° | ||
| sluit na B.D.P. | 0° | 2° | - | ||
| Klepspeling voor controle van de distributie: | inlaat | mm | 0,45 | 0,45 | |
| uitlaat | mm | 0,45 | 0,45 | ||
| Klepspeling bij koude motor: | inlaat | mm | Hydraulische klepstoters | Hydraulische klepstoters | |
| uitlaat | mm | ||||
| 1.9 jtd 2.4 jtd | ||||
| ALGEMEEN | ||||
| Typecode | AR | |||
| Cyclus Diesel Diesel | ||||
| Aantal en opstelling cilinders 4 in lijn 5 in lijn | ||||
| Aantal kleppen per cilinder 2 2 | ||||
| Boring en slag mm 82 x 90,4 82 x 90,4 | ||||
| Cilinderinhoud cm | 3 | 1.910 2.387 | ||
| Compressieverhouding 18,45 : 1 18,45 : 1 | ||||
| Max. vermogen (EU): | kW | 81 | 103 | |
| pk | 110 | 140 | ||
| bijbehorend toerental | min -1 | 4.000 4.000 | ||
| Max. koppel (EU): | Nm | 275 | 304 | |
| kgm | 28,0 | 31,0 | ||
| bijbehorend toerental | min -1 | 2.000 1.800 | ||
| DISTRIBUTIE | ||||
| Inlaat: | opent voor B.D.P. | 0° | 0° | |
| opent na B.D.P. | - | - | ||
| sluit voor B.D.P. | - | - | ||
| sluit na O.D.P. | 32° | 32° | ||
| Uitlaat: | opent na B.D.P. | - | - | |
| opent voor O.D.P. | 40° | 40° | ||
| sluit voor B.D.P. | 2° | 2° | ||
| sluit na B.D.P. | - | - | ||
| Klepspeling voor controle van de distributie: | inlaat | mm | 0,50 | 0,50 |
| uitlaat | mm | 0,50 | 0,50 | |
| Klepspeling bij koude motor: | inlaat | mm | 0,30 | 0,30 |
| uitlaat | mm | 0,35 | 0,35 | |
Modificaties of reparaties aan het brandstofsysteem die niet correct worden uitgevoerd en waarbij geen rekening wordt gehouden met de technische specificaties van het sy - teem, kunnen storingen in de werking en zelfs brandgevaar ver - oorzaken.
Uitvoering 1.6
Geïntegreerde elektronische inspuiting en ontsteking: één regeleenheid regelt zowel inspuitduur van de inspuiting (benzinedosering) als de ontstekingsvervroeging met pingelsensor.
- Type: Multipoint gefaseerde sequentiële inspuiting.
– Luchtfilter: met verwisselbaar papieren element. - In brandstoftank ondergedompelde elektrische brandstofpomp.
– Benzinefilter in brandstoftank. - Insputdruk: 3 bar.
- Elektronische verwerking van gegevens die door de toerentalsensor
van de motor (speed), de temperatuursensor en de absolute-druksensor in het inlaatspruitstuk (density) worden gemeten.
- Mengselcorrectie: "closed loop" (informatie over het verloop van de verbranding via een lambdasonde).
- Stationair toerental (zelfregelend door middel van elektromotor): 800 ± 50 min -1 .
- Ontstekingsvolgorde 1 - 3 - 4 - 2.
- Bougies: LANCIA RC10YCC LANCIA BKR5EZ Champion RC10YCC NGK BKR5EZ
Uitvoering 1.8
Geïntegreerde elektronische inspuiting en ontsteking: één regeleenheid regelt zowel inspuitduur van de inspuiting (benzinedosering) als de ontstekingsvervroeging met pingelsensor.
- Type: Multipoint gefaseerde sequentiële inspuiting.
- Luchtfilter: met verwisselbaar papieren element.
– In brandstoftank ondergedompelde elektrische brandstofpomp.
– Benzinefilter in brandstoftank.
- Inspuitdruk: 3 bar.
- Directe meting van de hoeveelheid inlaatlucht met luchtkwantummeter met verwarmde draad.
- Mengselcorrectie: "closed loop" (informatie over het verloop van de verbranding via een lambdasonde).
- Stationair toerental: 825 ± 50 min-1
- Nokkenasversteller op de inlaat-nokkenas.
- Ontstekingsvolgorde: 1 - 3 - 4 - 2.
- Bougies:
LANCIA RC10YCC
LANCIA BKR6EZ
Champion RC10YCC
NGK BKR6EZ
Uitvoering 2.0
Geïntegreerde elektronische inspuiting en ontsteking: één regeleenheid regelt zowel inspuitduur van de inspuiting (benzinedosering) als de ontstekingsvervroeging met pingelsensor.
- Type: Multipoint gefaseerde sequentiële inspuiting.
- Luchtfilter: met verwisselbaar papieren element.
– In brandstoftank ondergedompelde elektrische brandstofpomp.
- Inspuitdruk: 3 bar.
Stoichiometrische dosering van het lucht-/brandstofmengsel op basis van:
- directe meting van de hoeveelheid inlaatlucht met luchtkwantummeter met verwarmde draad;
- mengselcorrectie: "closed loop" (informatie over het verloop van de verbranding via een lambdasonde).
- Stationair toerental: 700 ± 50 min1 .
- Ontstekingsvolgorde: 1 - 2 - 4 - 5 - 3.
- Bougies: LANCIA RC8BYC Champion RC8BYC
BRANDSTOFSYSTEEM
Uitvoeringen 1.9 jtd - 2.4 jtd

Modificaties of reparaties aan het brandstofsysteem die niet correct worden uitgevoerd en waarbij geen rekening wordt gehouden met de technische specificaties van het systeem, kunnen storingen in de werking en zelfs brandgevaar veroorzaken.
Directe dieselinspuiting met turbo-drukvulling en intercooler.
- Brandstofpomp: hoge-drukin-spuitpomp unijet; elektrische opvoerpomp in de tank.
- Inspuitvolgorde:
1.9 jtd: 1 - 3 - 4 - 2
2.4 jtd: 1 - 2-4 - 5-3.
- Stationair toerental:
1.9 jtd: 850 ± 20 min -1 .
2.4 jtd: 830 ± 20 min -1 .
- Luchtfilter: met verwisselbaar papieren element.
- Door uitlaatgas aangedreven turbo compressor met variabele leidschoepen en drukregelklep (wastegate).
- Turbodruk: 1 bar.
- E.G.R.-systeem, elektronisch gecontroleerd op basis van het toerental, motorbelasting en koelvloeistoftemperatuur.
SMEERSYSTEEM
Smering onder druk d.m.v. een tand wieloliepomp met ingebouwde oliedrukregelklep.
Reiniging van de motorolie in een fullflow-oliefilterelement.
KOELING
Koelsysteem met radiateur, centrifugale waterpomp en expansiereservoir.
Thermostaat met "by-pass"-regeling in het secundaire circuit voor de recirculatie van koelvloeistof van de motor naar de radiateur.
Elektroventilateur voor het koelen van de radiateur met in-/uitschakeling, geregeld door de regeleenheid van de motor.
TRANSMISSIE
KOPPELING
Zelfstellend met koppelingspedaal zonder vrije slag. Met hydraulische bediening.
HANDGESCHAKELDE VERSNELLINGSBAK EN DIFFERENTIEEL
Vijf gesynchroniseerde versnellingen vooruit en één versnelling achteruit.
Gesynchroniseerde versnelling achteruit bij de uitvoeringen 1.9 jtd en 2.4 jtd.
De overbrengingsverhoudingen van de versnellingsbak zijn:
Sedan 1.6 1.8 2.0 1.9 jtd 2.4 jtd
| 1a versn. | 3,909 | 3,909 | 3,909 | 3,800 | 3,800 |
| 2a versn. | 2,238 | 2,238 | 2,238 | 2,235 | 2,235 |
| 3a versn. | 1,520 | 1,520 | 1,520 | ||
| 4a versn. | 1,156 | 1,156 | 1,156 | ||
| 5a versn. | 0,971 | 0,971 | 0,946 | 0,707 | 0,763 |
| achteruit | 3,909 | 3,909 | 3,909 | 3,545 | 3,545 |
Station Wagon 1.6 1.8 2.0 1.9 jtd 2.4 jtd
| 1a versn. 3,909 3,909 3,909 3,800 3,800 | ||||
| 2a versn. 2,238 2,238 2,238 2,235 2,235 | ||||
| 3a versn. | 1,520 | 1,520 | 1,520 | 1,360 |
| 4a versn. | 1,156 | 1,156 | 1,156 | 0,971 |
| 5a versn. 0,971 0,971 0,946 0,707 0,763 | ||||
| achteruit 3,909 3,909 3,909 3,545 3,545 |
DIFFERENTIEEL
Rechte eindoverbrenging en differentieel ingebouwd in het versnellings -bakhuis.
Aandrijving van de voorwielen m.b.v. aandrijfassen die via homokinetische koppelingen verbonden zijn met het differentieel en de wielen.
De overbrengingsverhoudingen van het differentieel zijn:
Rechte eindreductie Aantal Tanden
| 1.6 3,823 65/17 | |
| 1.8 3,733 56/15 | |
| 2.0 3,733 56/15 | |
| 1.9 jtd 3,353 57/17 | |
| 2.4 jtd 3,111 56/18 |
REMMEN
VOETREM
Voor: schijfremmen met zwevende remtangen, en één remcilinder per wiel.
Achter: schijfremmen met zwevende remtangen.
Diagonaal gescheiden hydraulisch remsysteem.
Onderdrukrembekrachtiger van 8" met extra kamer (uitvoeringen 1.6 - 1.8 en 1.9 jtd). Onderdrukrembekrachtiger van 7" + 8" (uitvoeringen 2.0 en 2.4 jtd).
ABS: met 4 sensoren en 4 kanalen.
Automatisch zelfstellend mechanis me voor de speling van de remvoeringen.
Elektronische remdrukregeling, ge- regeld door het ABS.
HANDREM
De handrem werkt mechanisch d.m.v. een handremhefboom op de achterwielen.
WIELOPHANGING
VOORWIELOPHANGING
Onafhankelijke wielophanging, type McPherson met dwarsgeplaatste onderste wieldraagarmen.
Gedesaxeerde schroefveren en dubbelwerkende telescopische schokdempers.
Stabilisatorstang.
ACHTERWIELOPHANGING
Onafhankelijke BLG multilink-wiel - ophanging.
Schroefveren.
Telescopische dubbelwerkende schok - dempers onder gasdruk. Stabilisatorstang.
STUURINRICHTING
Samendrukbare, telescopische en energie-absorberende stuurkolom met hoogte- en lengteverstelling.
"For life" gesmeerd tandheugelstuurhuis.
Hydraulische stuurbekrachtiging:
Kogelgewrichten "for life" gesmeerd.
Minimum draaicirkel:
- uitvoeringen 1.6 - 1.8 - 1.9 jtd = 10,5 m
- uitvoeringen 2.0 - 2.4 jtd = 10,9 m.
Aantal stuuromwentelingen van aanslag tot aanslag: circa 2,5.
WIELUITLIJNING
Toespoor gemeten tussen de velg - randen van de wielen:
- voorwielen: - 1 ± 1 mm
- achterwielen: 2 ± 2 mm
De waarden zijn van toepassing op een onbelaste auto in rijklare staat.
Laat deze handeling door de Lancia-dealer uitvoeren. Deze beschikt over het speciale gereedschap dat voor deze handeling noodzakelijk is.
WIELEN
VELGEN EN BANDEN
Geperst stalen of lichtmetalen (optional) velgen.
Tubeless radiaalbanden.
Op de typegoedkeuring zijn bovendien alle goedgekeurde banden aangegeven.
Voor de rijveiligheid is het noodzakelijk dat u zich aan de voorge - schreven afmetingen houdt en dat alle wielen zijn voorzien van banden van hetzelfde merk en hetzelfde type.
BELANGRIJK In tubeless banden mogen geen binnenbanden gebruikt worden.
RESERVEWIEL
Geperst stalen velg.
Tubeless band.
Velgmaat Bandenmaat
4.00B x 15" H35 T125/80 R15 96M
Velgmaat Bandenmaat
| 1.6 - 1.9 jtd | 6J x 15H2 195/65 R15 91H | |
| 61/2J × 15H - 37 (●) 6J × 15H2 - 37 (■) | 205/60 R15 91V (■) | |
| 1.8 - 2.0 - 2.4 jtd | 6J x 15H2 195/65 R15 91V | |
| 61/2J × 15H - 37 (●) 6J × 15H2 - 37 (■) | 205/60 R15 91V (■) | |
(●) Bij enkele uitvoeringen (■) Optional
SNEEUWKETTINGEN
Maximale dikte van de sneeuwkettingen boven het profiel van de band: 9 mm.
Controleer na enkele meters rijden of de kettingen nog goed gespannen zijn.
WINTERBANDEN
| Velgmaat Bandenmaat | |
| 1.6 - 1.9 jtd 6J x 15H2 195/65 R15 91T (M + S) | |
| 1.8 - 2.0 - 2.4 jtd 6J x 15H2 195/65 R15 91H (M + S) | |
ELEKTRISCHE INSTALLATIE

Modificaties of reparaties aan het brandstofsysteem die niet correct worden
uitgevoerd en waarbij geen rekening wordt gehouden met de technische specificaties van het systeem, kunnen storingen in de werking en zelfs brandgevaar veroorzaken.
Spanning van de elektrische installatie: 12 Volt.
ACCU
Met min aan massa. Voor bepaalde landen kunnen zwaardere accu's zijn gemonteerd.
| Capaciteit bij ontlading Startstroomin 20 uur in koude toestand (-18°C) | ||
| 1.6 50Ah - 60Ah (*) | 250A - 380A (*) | |
| 1.8 - 2.0 | 50Ah - 60Ah (*) | 250A - 380A (*) |
| 1.9 jtd | 60Ah - 70Ah (*) | 380A - 450A (*) |
| 2.4 jtd | 70Ah | 450A |
(*) Als alternatief voor bepaalde uitvoeringen/landen (indien aanwezig)
DYNAMO
Gelijkrichter met diodes en ingebouwde elektronische spanningsregelaar. Het laden van de accu begint zodra de motor is aangeslagen.
| Nominale maximum laadstroom | |
| 1.6 80A - (80A of 90A met airconditioning) (105A als alternatief voor bepaalde uitvoeringen/landen (indien aanwezig) | |
| 1.8 - 2.0 100A - (100A met airconditioning) (120A als alternatief voor bepaalde uitvoeringen/landen (indien aanwezig) | |
| 1.9 jtd 85A of 100A - | (100A of 120A met airconditioning)(120A met hulpverwarming) |
| 2.4 jtd 120A | |
STARTMOTOR
| Nominaal vermogen | |
| 1.6 1,3 kW of 1,4 kW | |
| 1.8 - 2.0 1,1 kW | |
| 1.9 jtd 1,8 kW of 2,0 kW | |
| 2.4 jtd 2,1 kW |
AFMETINGEN
De hoogte heeft betrekking op een onbelaste auto. Afmetingen in mm.
Inhoud van de bagageruimte (VDA-norm): 420 dm³

fig. 5
P4T0027
De hoogte heeft betrekking op een onbelaste auto. Afmetingen in mm.
Inhoud van de bagageruimte onder de rolhoes van de bagageruimte (VDA-norm):
- achterbank in normale stand: 420 dm 3
- met neergeklapte achterbank: 800 dm 3
Totale inhoud: 1.300 dm³

fig. 6 (•) Hoogte auto compleet met allesdragers: 1578 mm
P4T0028
PRESTATIES
Max. snelheid na de inrijperiode van de auto in km/h
| Sedan 1 | ° | 2° | 3° | 4° | 5° | AR |
| 1.6 | 48 | |||||
| 1.8 | 54 | |||||
| 2.0 | 55 | |||||
| 1.9 jtd 36 62 102 143 187 39 | ||||||
| 2.4 jtd 39 67 110 154 205 42 |
| Station Wagon 1 | ° | 2° | 3° | 4° | 5° | AR |
| 1.6 | 48 | |||||
| 1.8 | 54 | |||||
| 2.0 | 55 | |||||
| 1.9 jtd 36 62 102 143 187 39 | ||||||
| 2.4 jtd 39 67 110 154 205 42 |
GEWICHTEN (in kg)
| 1.6Sedan Station Wagon | 1.6Sedan Station Wagon | 1.8Sedan Station Wagon | 1.8Sedan Station Wagon | 2.0 | 2.0 | |
| Rijklaar gewicht (met volle reservoirs, reservewiel, gereedschap en accessoires): 1.250 1.290 1.300 1.340 1.350 1.390 | ||||||
| Nuttig laadvermogen (*) inclusief bestuurder: 520 525 520 525 | 520 | 525 | ||||
| Max. toelaatbaar gewicht (** ) | ||||||
| - vooras: | 1.050 1.050 | 1.050 1.050 | 1.050 1.050 1.050 | |||
| - achteras: | 1.050 1.050 | 1.050 1.050 | 1.050 1.050 1.050 | |||
| - totaal: | 1.770 1.815 | 1.820 1.865 | 1.870 1.915 | |||
| Gewicht van de aanhanger: - geremd | 1.400 1.400 | 1.400 1.400 | 1.400 1.400 1.400 | |||
| - ongeremd | 400 400 | 400 400 | 400 | 400 | ||
| Max. dakbelasting: | 50 | 80 | 50 | 80 | 50 | 80 |
| Max. gewicht op de trekhaak (geremde aanhanger): | 75 | 75 | 75 | 75 | 75 | 75 |
(*) Als er speciale accessoires zijn gemonteerd (opendak, trekhaak, enz.), dan stijgt het rijklaar gewicht, waardoor het totale laadvermo-gen met hetzelfde gewicht daalt.
(**) Maximum waarden die niet mogen worden overschreden. Het is de verantwoordelijkheid van de gebruiker dat de auto zodanig wordt beladen dat deze limieten niet worden overschreden.
1.9 jtd 1.9 jtd 2.4 jtd 2.4 jtd
Sedan Station Wagon Sedan Station Wagon
| Rijklaar gewicht (met volle reservoirs, reservewiel, gereedschap en accessoires): 1.310 1.350 1.370 1.410 | ||||
| Nuttig laadvermogen (*) inclusief bestuurder: 520 525 520 525 | ||||
| Max. toelaatbaar gewicht (***) | ||||
| - vooras: 1.050 1.050 1.050 1.050 | ||||
| - achteras: 1.050 1.050 1.050 1.050 | ||||
| - totaal: 1.830 1.875 1.890 1.935 | ||||
| Gewicht van de aanhanger: - geremd 1.400 1.400 1.400 1.400 | ||||
| - ongeremd 400 400 400 400 | ||||
| Max. dakbelasting: 50 80 | 50 | 80 | ||
| Max. gewicht op de trekhaak (geremde aanhanger): | 75 75 | 75 | 75 | |
(*) Als er speciale accessoires zijn gemonteerd (opendak, trekhaak, enz.), dan stijgt het rijklaar gewicht, waardoor het totale laadvermogen met hetzelfde gewicht daalt.
(**) Maximum waarden die niet mogen worden overschreden. Het is de verantwoordelijkheid van de gebruiker dat de auto zodanig wordt beladen dat deze limieten niet worden overschreden.
VULLINGSTABEL
| 1.6 | 1.8 | 2.0 | Voorgeschreven brandstof Aanbevolen producten | ||||
| liter kg | liter kg | liter kg | |||||
| Brandstoftank: | 60 | - | 60 | - | 60 | - | Loodvrije superbenzine met octaangetal van ten minste 95 R.O.N. |
| incl. een reserve van: | 8 | - | 8 | - | 8 | - | |
| Motorkoelsysteem: | 8,0 - | 6,81 -6,80 (*) | 8,6 - | Mengsel van gedestil. water en 50%PARAFLU 11 | |||
| (*) Met airconditioning: | |||||||
| Motorcarter: | 3,5 3,1 | 3,9 3,5 | 4,3 3,8 | SELENIA 20K (☐) | |||
| Carter en oliefilter: | 3,8 3,4 | 4,3 3,85 | 5,0 4,45 | ||||
| Versnellingsbak en differentieel: | 1,98 1,8 | 1,98 1,8 | 1,98 1,8 | TUTELA CAR ZC 75 SYNTH | |||
| Hydraulische stuurbekrachtiging: | 0,9 - | 0,9 - | 0,9 - | TUTELA GI/A | |||
| Homokinetische koppelingen en in stofhoezen (ieder): | - 0,095 | - 0,095 | - 0,095 | TUTELA MRM 2 | |||
| Hydraul. remcircuit met ABS: | 0,52 - | 0,56 - | 0,56 - | TUTELA TOP 4 | |||
| Reservoir ruitensproeiers voor en achter: | 4 | - | 4 | - | 4 | - | Mengsel van water en DP1 |
| Reservoir ruitensproeiers voor en achter en koplampsproeiers: | 5,5 - | 5,5 - | 5,5 - | Mengsel van water en DP1 | |||
(☐) Voor temperaturen onder -20°C raden wij het gebruik aan van SELENIA PERFORMER SAE 5W-30.
| 1.9 jtd | 2.4 jtd | Voorgeschreven brandstofAanbevolen producten | |||
| liter kg | liter kg | ||||
| Brandstoftank:incl. een reserve van: | 608 | - | 608 | - | Diesel voor motorvoertuigen(specificatie EN590) |
| Motorkoelsysteem:(*) Met airconditioning: | 6,85 –7,27 (*) | 7,4 – | Mengsel van gedestil. water en 50%PARAFLU 11 | ||
| Motorcarter:Carter en oliefilter: | 4,2 3,754,8 4,25 | 4,8 4,35,5 4,9 | SELENIA TURBO DIESEL (○) | ||
| Versnellingsbak en differentieel: | 1,98 1,8 | 1,98 1,8 | |||
| Hydraulische stuurbekrachtiging: | 0,9 – | 0,9 – | TUTELA CAR ZC 75 SYNTH | ||
| Homokinetische koppelingen enin stofhoezen (ieder): | - 0,095 | - 0,095 | TUTELA GI/A of TUTELA GI/A F7TUTELA MRM 2 | ||
| Hydraul. remcircuit met ABS: | 0,56 – | 0,56 – | TUTELA TOP 4 | ||
| Reservoir ruitensproeiersvoor en achter: | 4 | - | 4 | - | Mengsel van water enDP1 |
| Reservoir ruitensproeiers vooren achter en koplampsproeiers: | 5,5 – | 5,5 – | Mengsel van water enDP1 | ||
(○) Voor temperaturen onder -15°C raden wij het gebruik aan van SELENIA WR DIESEL SAE 5W-40.
OPMERKINGEN OVER HET GEBRUIK VAN VLOEISTOFFEN Olie
Smeersystemen nooit bijvullen met olie waarvan de specificaties afwijken van de in het systeem aanwezige olie.
Koelvloeistof
Een mengsel van PARAFLU 11 en gedestilleerd water in een mengverhouding van 50% beveiligt tot een temperatuur van -35°C.
Ruitensproeiervloeistof
Gebruik een mengsel van water en DP1 in de volgende mengverhouding:
30% DP1 en 70% water in de zo- mer.
50% DP1 en 50% water in de winter.
Bij temperaturen onder -20°C DP1 onverdund gebruiken.
MOTOROLIEVERBRUIK
De motor van een nieuwe auto moet nog worden ingereden. Dit betekent dat het motorolieverbruik pas na de eerste 5.000÷ 6.000 km stabiliseert.
BELANGRIJK Het motorolieverbruik hangt af van de rijstijl en de gebruiksomstandigheden van de auto.
SPECIFICATIES VAN DE SMEERMIDDELEN EN VLOEISTOFFEN
AANBEVOLEN PRODUCTEN EN HUN SPECIFICATIES
Gebruik Specificaties van de smeermiddelen en Aanbevolen smeer- Toepassing
| vloeistoffen voor een correct functioneren van de auto middelen en vloeistoffen | |||
| Smering voor benzinemotoren | Multigrade motorolieSAE 10W-40 op synthetische basis voldoet ruimschoots aan de specificaties ACEA A3-96, CCMC G5 en API SJ | SELENIA 20K | ![]() |
| Multigrade motorolieSAE 5W-30 op synthetische basis voldoet ruimschoots aan de specificaties ACEA A1 en API SJAanbevolen voor temperaturen onder -20°C | SELENIAPERFORMER | ||
| Smering voor dieselmotoren | Multigrade motorolieSAE 10W-40 voldoet ruimschoots aan de specificaties ACEA B3 en API CD | SELENIATURBO DIESEL | |
| Multigrade motorolie SAE 5W-40 op synthetische basis vol-doet ruimschoots aan de specificaties ACEA B3 en API CFAanbevolen voor temperaturen onder -15°C | SELENIAWR DIESEL | ||
Gebruik Specificaties van de smeermiddelen en Aanbevolen smeer- Toepassing vloeistoffen voor een correct functioneren van de auto middelen en vloeistoffen
| Olie en vetten voor krachtoverbrengingen | SAE 75W-80 EPolie op synthetische basis. Voldoet ruimschoots aan de speci-ficaties API GL-5, MIL-L-2105 D LEV | TUTELA CARZC 75 Synth | Mechanische versnel-lingsbak en differen-tieel |
| Vet op basis van lithiumzepen, indringingsgetal: NLGI = 2, bevat molybdeensulfide | TUTELA MRM 2 | Homokinetische koppelingen | |
| Remvloeistof | Synthetische remvloeistof, NTHSA nr. 116 DOT 4, ISO 4925, SAE J-1703, CUNA NC 956-01 | TUTELA TOP 4 | Hydraulisch remsysteemen koppelingbediening |
| Anti-vries voor radiateur | Beschermingsmiddel met anti-vries op basis van glycol - monoethyleen corrosiewerend CUNA NC 956-16 | PARAFLU11 | Mengverhouding: 50% tot -35°C |
| Toevoeging voor dieselbrandstof | Toevoeging voor dieselbrandstof met beschermende werking voor dieselmotoren | diesel mix | Vermengen met diesel - olie (25 cm 3 per 10 liter) |
| Vloeistof voor ruitensproeiers voor/achter en koplampsproeiers | Mengsel van alcohol, water en oppervlakte-actieve stoffen CUNA NC 956-II | DP1 | Onverdund of met water gebruiken |
BRANDSTOF - VERBRUIK
Het brandstofverbruik dat in de tabellen is opgenomen, is gemeten volgens een vastgestelde testmethode die in EU-normen is vastgelegd.
Het brandstofverbruik is gemeten tijdens:
- een stadsrit: opgebouwd uit een koude start gevolgd door een gesimuleerde, normale testrit in stadsverkeer;
- buitenweg: waarbij veelvuldig wordt geaccelereerd in alle versnellingen en waarmee een normaal gebruik van de auto buiten de stad wordt gesimuleerd. De snelheid varieert tussen de 0 en 120 km/h;
- gecombineerd verbruik: voor het bepalen van het gecombineerde brandstofverbruik telt de waarde van de stadsrit mee voor 37% en de waarde van de testrit buiten de stad voor 63%.
BELANGRIJK Het soort wegdek, bedrijfsomstandigheden, verkeerssituatie, atmosferische omstandigheden, algemene conditie van de auto, uitrustingsniveau, gebruik van de airconditioning, lading van de auto, imperiaal op het dak en de aanwezigheid van andere accessoires die de aërodynamica kunnen beïnvloeden, kunnen in de praktijk een brandstofverbruik opleveren, dat afwijkt van de resultaten die tijdens de hierboven beschreven tests zijn bereikt (zie "Kostenbesparing en beperking van de uitstoot van schadelijke uitlaatgassen" in het hoofdstuk "Correct gebruik van de auto".
BRANDSTOFVERBRUIK VOLGENS EU-normen 1999/100 (liter x 100 km)
Stadsverkeer Buitenweg Gecombineerd
De CO 2 -emissie via de uitlaat is gemeten op een gemiddeld gecombineerd traject. De maximale waarden zijn in onderstaande tabel weergegeven.
CO 2 -EMISSIE VOLGENS EU-normen 1999/100 (g/km) 1.6 1.8 2.0 1.9 jtd 2.4 jtd
| Sedan | Station Wagon | Sedan | Station Wagon Wagon | Sedan | Station Wagon | Sedan | Station Wagon | Sedan | Station |
| 194 | 197 | 198 | 206 | 233 | 238 | 157 | 162 | 179 | 182 |
BANDENSPANNING
BANDENSPANNING IN KOUDE TOESTAND (bar)
(■) Optional
Bij warme banden moet de in de tabel aangegeven waarde van de bandenspanning met 0,3 bar verhoogd worden.
Station Wagon
Bandenmaat Bij gemiddelde belading Bij volle belading Reservewiel
(■) Optional
Bij warme banden moet de in de tabel aangegeven waarde van de bandenspanning met 0,3 bar verhoogd worden.
(*) Maximaal gewicht in de bagageruimte van de auto met neergeklapte achterbank (1 persoon + 350 kg).
ACCESSOIRES MONTEREN
Speciaal voor de Lybra heeft Lancia een serie afgestemde en beproefde accessoires ontworpen. Deze accessoires zijn eenvoudig in gebruik, betrouwbaar en functioneel, zodat zowel het gebruikscomfort als de veiligheid onder alle omstandigheden zijn gegarandeerd.
Zo heeft Lancia, om het sportieve karakter van de Lybra te benadrukken, lichtmetalen velgen, met leer beklede sportsturen en spoilers ontworpen die goed aansluiten bij de vormgeving van de auto en waarmee een persoonlijk en sportief accent wordt aangebracht.
Voor het veilig vervoeren van uw kinderen is er in het Lancia Lineaccessori programma een reeks kinderzitjes opgenomen, die voldoen aan de huidige Europese normen.
U vindt alle leverbare accessoires terug in de speciale catalogus bij uw Lancia-dealer. Het personeel van Lancia staat klaar om al uw vragen uitgebreid te beantwoorden.
Op de volgende pagina's zijn schema's en beschrijvingen opgenomen voor het juist monteren van een aantal accessoires. De montage moet altijd door deskundige personen worden uitgevoerd.
Lancia heeft het personeel van de dealer via speciale trainingen voor de Lybra opgeleid.
TREKHAAK.... 271
TREKHAAK
TREKHAAK MONTEREN
De trekhaak moet door gespecialiseerd personeel aan de carrosserie worden bevestigd waarbij de richtlijnen die hierna zijn opgenomen, moeten worden aangehouden. Deze richtlijnen worden eventueel aangevuld door extra informatie van de fabrikant van de trekhaak.
De te installeren trekhaak moet voldoen aan de huidige EU-normen 94/20 en daarop volgende wijzigingen.
Voor iedere uitvoering moet een trek haak worden gebruikt die geschikt is voor het maximale aanhan-
gergewicht van de auto waarop de trekhaak wordt bevestigd.
Voor de elektrische aansluiting moet een gestandaardiseerde stekker worden gebruikt die kan worden bevestigd op de daarvoor bestemde steun op de trekhaak.
Voor de elektrische aansluiting moet een 7- of 13-polige 12VDC stekkerverbinding (CUNA/UNI- en ISO/ DIN-normen) worden gebruikt, waarbij eventuele aanwijzingen van de fabrikant van de auto en/of van fabrikant van de trekhaak moeten worden opgevolgd.
Een eventuele elektrisch geregelde rem (of bijv. een elektrische lier, enz) moet rechtstreeks op de accu worden aangesloten met een kabel met een diameter van 2,5 mm 2 .
Naast de op het schema aangegeven aansluitingen, is slechts een aansluiting voor een eventuele elektrisch geregelde rem toegestaan en één voor een 15W gloeilamp voor de binnenverlichting van de caravan.
MONTAGESCHEMA
De trekhaak (fig. 1) moet op de punten aangegeven met bevestigd worden met in totaal 6 bouten M8x30
(waarvan vijf zeskantbouten en 1 inbusbout)
,3 bouten M12x35
, 2 bouten M8x30
(al op de auto aanwezig)
en 2 inbusbouten M10x110
Het stalen verstevigingsstuk 1 moet een minimum dikte hebben van 8 mm, de stalen verstevigingsstukken 2 en 3 moeten een minimum dikte hebben van 6 mm.

fig. 1
BELANGRIJK Het is verplicht om op dezelfde hoogte als de trekkogel een (goed zichtbaar) plaatje van voldoende afmetingen en kwaliteit aan te brengen met de volgende tekst:
MAX. GEWICHT OP KOPPELING 75 kg.

Na de montage van de trekhaak moeten de bout- gaten worden afgedicht om komen dat uitlaatgassen in erieur kunnen dringen.
- met optische hydrometer .....215
- ruitensproeier....221
- vloeistofniveau ....210
- wisserblad vervangen ....227
- bediening 227
Achteruitrijlichten
- gloeilamp vervangen (sedan) ......182
- gloeilamp vervangen (SW) 240
Afmetingen 256-257
Afstandsbediening met radiofrequentie (type-goedkeuring) 277
Airbags voor en side-bags 40
Airconditioning, automatisch ....100
- onderhoud van het systeem ....221
Antenne autoradio (SW) ......228
Armsteun achter met opbergvak .....126
Armsteun voor en achter....29
Asbak....123
Auto langere tijd stallen 163
op achterwielen SW 229
Automatische snelheidsregelaar
(Cruise-control) 118
Autoradio
- beschrijving en werking 68
- cassettespeler .....93
- CD-speler 85-145-228
- hifi-audiosysteem 145-229
- luidsprekers 144
- luidsprekers achter (SW) ......228
Bagageruimte (inhoud)......256-257
- bagage vastzetten 135-235
- bagageruimteverlichting....231
- openen en sluiten ....133-230
- vergroten (sedan) 134
- vergroten (SW) 235
Bagageruimteverlichting (sedan)
- gloeilamp vervangen....186
Bagageruimteverlichting (SW)
- gloeilamp vervangen....239
Banden 268-269
- bandenmaat....254
- bandenspanning .....153-268-269
- bij een lekke band....169-238
- tips voor het behoud......218
- winterbanden....254
Batterijen afstandsbediening ....18-24
Bedieningsknoppen....114
Bij een ongeval 198
Bougies 152-217
Brandstof
- brandstof-noodschakelaar ....116
- brandstofmeter....47
- brandstofverbruik....266-267
- dop van de brandstoftank....138
- tanken met de Lybra 150
Brandstof-noodschakelaar....116
Brandstofmeter....47
Brandstoftank
- inhoud ......261-262
- tankdop 138
Brandstofverbruik 266-267
Buitenverlichting
- bediening....111
- gloeilamp achter vervangen (sedan) .....182
- gloeilamp achter vervangen (SW)......240
- gloeilamp voor vervangen......179
C
- onderhoud 222
- uitvoeringen....245
Centrale portiervergrendeling ....129
- centrale ruitbediening....130
Chassisnummer 243
Check Control....54
- check-waarschuwingslampje ....56
Check-controlelampje en verlichting bedie-
ningsorganen 56
CO 2 -emissie bij de uitlaat ....267
Controle- en waarschuwingslampjes ......48
Controlelampje bedieningsorganen .....56
Cruise-control....118
D dashboard 13
Dashboardkastje....122
Derde remlicht
- gloeilamp vervangen (sedan) ......183
- gloeilamp vervangen (SW) 240
Diefstalalarm 18
- afstandsbediening....19
- batterijen afstandsbediening vervangen ..24
- ministeriële goedkeuring ......25-277
- uitschakelen 20-23
Dieselfilter
- condens aftappen ....213
Differentieel
- lichtbundel afstellen ....141
Dop van de brandstoftank....138
Dorpelverlichting
- gloeilamp vervangen....186
Dynamo 255
Economisch en milieubewust rijden .....160
Elektrische ruitbediening ....131
- centrale ruitbediening....130
Elektrische ruitbediening achter .....132
Elektrische installatie
Gebruik van de auto en praktische tips 146
Gereedschap 171-238
Gewichten 259-260
Gloeilamp (vervangen) 176
- algemene aanwijzingen....177
- typen....152-177-178
Goedkeuring afstandsbediening....277
Gordelspanners....39
Grootlicht
- bediening ....111
- gloeilamp vervangen......179
Grootlichtsignaal (bediening) ......112
H andrem ......116-252
Hendels aan het stuur
Inbouwvoorbereiding mobiele telefoon ....139
Inbouwvoorbereiding Telepass ....139
Instrumenten 46
- lichtsterkteregeling....115
Instrumentenpaneel 45
- lichtsterkteregeling....115
Interieur (onderhoud) ......224
Interieurverlichting 121
- gloeilamp plafondverlichting
achter vervangen ....185
- gloeilamp plafondverlichting
voor vervangen ....184
Kentekenplaatverlichting
- gloeilamp vervangen....183
Kilometerteller 48
Kinderen (veilig vervoeren)......35
Kinderveiligheidsslot....131
Klimaatregeling ....98
Koelvloeistoftemperatuurmeter 47
Koplampen
- lichtbundel afstellen ....140
- mistlampen voor afstellen....141
- stand koplampen corrigeren ....140
Koplampsproeiers
- bediening....113
- koplampsproeiers ....221
- vloeistofniveau ....210
Kostenbesparing en beperking van uitstoot van
schadelijke uitlaatgassen ....158
- algemene aanwijzingen....158
- gebruiksomstandigheden ....159
- rijstijl....159
Krik (sedan)....171
Krik (SW)......238
Lak (tips voor het behoud van) ......222
Lancia CODE 15
Lichtbundel afstellen
- koplampen....141
- mistlampen voor ....141
Luchtfilter 212
- lichtbundel afstellen ....141
Mobiele telefoon 139
Motor
- brandstofsysteem 248-249
- distributie ......246-247
- identificatiecode 245
- inspuiting/ontsteking ......248
- koelsysteem 250
- motorcode 243
- smeersysteem 250
- motor opwarmen na het starten .....149
- motor uitzetten....149
- noodstart ....167
- rollend starten....149-169
- start-/contactslot ....14
- starten met een hulpaccu 168
Motorkap 136
Motorolie
- motorolieverbruik......263
- oliepeil controleren....209
- specificaties....264-265
Motoroliepeil....209
Motorolieverbruik....263
Muntenbakje....124
Niveau van de koelvloeistof van het motorkoelsysteem....210
Niveaus (controleren) 206
Noodgevallen 166
Oliepeil van de stuurbekrachtiging......211
Onderhoud van de auto....200
- aanvullende werkzaamheden ....204
- geprogrammeerd onderhoud......201
- jaarlijks inspectieschema ....204
- onderhoudsschema....202
Opbergvakken....125-231
Opendak....127
Opkrikken van de auto 196
Parkeren 150
Pasjeshouder....124
Periodieke controles en voor lange reizen..164
Plaatje met lakgegevens ....243
Plafondverlichting voor en achter
- bediening 121
- gloeilamp vervangen ....184-185
Plafondverlichting middenachter (SW) ....228
- gloeilamp vervangen....239
Portieren
- centrale portiervergrendeling ....129
- centrale ruitbediening....130
- dorpelverlichting ....131
- kinderveiligheidsslot....131
Prestaties 258
Regensensor (ruitenwissers)....113
Relais 187
Remlichten
- gloeilamp vervangen (sedan) .....182
- gloeilamp vervangen (SW) .....240
Remmen
- vloeistofniveau ....211
- voetrem 252
Remvloeistof/vloeistof koppeling-
bediening 211
Richtingaanwijzers (pijlen)
- bediening ....111
- gloeilamp achter vervangen (sedan) .....182
- gloeilamp achter vervangen (SW)......240
- gloeilamp op voorspatbord vervangen....181
- gloeilamp voor vervangen....180
Rolhoes (SW) 232
Rubber slangen....219
Ruiten (reinigen) 223
Ruitensproeiers
- bediening 112
- ruitensproeiers ....221
- vloeistofniveau ....210
Ruitenwissers
- bediening 112
- regensensor 113
- ruitensproeiers ......221
- wisserbladen ....219
Scheidingsnet in bagageruimte (SW) ....233
Skiluik 136-234
Slepen van de auto 197
Slepen van de auto (SW)......237
Sleutels....15
Smeermiddelen (specificaties) .....264-265
Sneeuwkettingen....162
Snelheid (maximum) 258
Snelheidsmeter 46
Spiegels
- achteruitkijkspiegel ....30
- buitenspiegels afstellen....31
- instellingen buitenspiegels opslaan ....31
Spiegelverlichting 121
Start-/contactslot 14
Startblokkering Lancia CODE ....15
Startmotor 255
Stekkerdoos (op de middenconsole) .....127
- hoofdsteunen 28
- instellingen opslaan 27
- met elektrische verstelling....27
- met handbediende verstelling .....26
- reinigen ....224
Stof-/pollenfilter 213
Stuurbekrachtiging - vloeistofniveau 211
Stuurinrichting 253
Stuurslot....14
Stuurwiel (afstellen) 30
Suggesties voor nuttige accessoires .....165
Symbolen 7
Trekken van aanhangers
- trekhaak monteren 271-272
- voorzorgsmaatregelen....161
Typeplaatje met identificatiegegevens .....244
Uitstroomopeningen, verstelbaar
en regelbaar 99
V eilig rijden
- in de bergen rijden ....157
- in de mist rijden....156
- in het donker rijden 155
- met ABS rijden....157
- met regen rijden....156
- met sneeuw en ijs rijden 157
- tijdens de rit....154
- voor u wegrijdt....154
Veiligheidsgordels
- algemene richtlijnen ....34
- gebruik ....32-33-34
- hoogteverstelling ....32
-
onderhoud 35
-
trekkrachtbegrenzer ....33
Velgen 254
Verlichting in dashboardkastje -
gloeilamp vervangen....185
Versnellingsbak -
gebruik van de handgeschakelde versnellingsbak......117
- overbrengingsverhoudingen ....251
Vloeistofniveau ruitensproeiers voor en achter en koplampsproeiers....210
Vullingstabel....261-262
Waarschuwingsknipperlichten .....114
Wegwijs in uw auto....12
Wielen - technische gegevens ....254
- tips voor het behoud......218
- verwisselen (sedan) 169
- verwisselen (SW) 238
Wielophanging achter (SW) - automatische niveauregeling
op achterwielen....229
Wielophanging 253
Wieluitlijning 253
Wisserbladen voor (vervangen)......220
Zekeringen 187
Zonnekleppen....124
RADIOGOLF-AFSTANDSBEDIENING:
MINISTERIËLE GOEDKEURING
| Internationale landencode | Land | Toelatingscode |
| A Oostenrijk CEPT LPD-D | ||
| B België – | ||
| CH Zwitserland BAKOM 99.0366.K.P. | ||
| D Duitsland TPS A 100 290 L | ||
| DK Denemarken CEPT SRD 1eDK | ||
| E Spanje E.D.G. TEL. 09 99 0473 | ||
| F Frankrijk 99 0220 PPL 0 | ||
| GR Griekenland | CEPT-LPD-GR YME | |
| I | Italië | – |
| IL | Israël | 290-1999 |
| IRL Ierland | IRL TRA 24/5/107/8 | |
| L | Luxemburg | L 2432/10540-01J |
| NL | Nederland CEPT LPD-D | |
| P Portugal ICP-037TC-99 | ||
| S Zweden Ue 990073 | ||
| SF Finland FI99080030 | ||
| SK Slowakije TU.R 256 SR 1999 2 | ||
Voor de landen waar een zendmachtiging verplicht is, staat de typegoedkeuring op de handgreep van de sleutel.

Uw nieuwe auto is ontwikkeld met Fiat-Lubrificanti smeermiddelen.
Lancia adviseert u dan ook om bij de eerstvolgende olieverversing Selenia motorolie te gebruiken.
35.000 Motorexperts in Europa adviseren Selenia voor een maximale bescherming van de motor in uw auto.
VRAAG UW DEALER NAAR SELENIA

SELENIA: DE PERFECTE KEUZE VOOR UW AUTO
De motor van uw nieuwe auto is ontwikkeld met Selenia 20K; een synthetische motorolie die voldoet aan de meest geavanceerde internationale specificaties.
Selenia 20K verbetert de eigenschappen van de motor en garandeert optimale prestaties en maximale bescherming.
SELENIA 20K
Top Quality Fuel Economy motorolie volgens API SJ-specificatie voor normale, turbo- of multikleps-motoren biedt de volgende voordelen:
brandstofbesparing tot 2% en maximale stabilitieit bij hoge temperaturen
SELENIA PERFORMER
Olie voor benzinemotoren die specifiek ontwikkeld is voor een optimale werking tijdens extreme klimatologische omstandigheden (koude start tot aan -35°C).
SELENIA TURBO DIESEL
Motorolie voor normale diesel-, turbodiesel- of multikleps-motoren. Voordelen:
- uitstekende vloeibaarheid bij lage temperaturen
- maximale stabiliteit bij hoge temperaturen
- optimale reiniging van de motor.
SELENIA WR DIESEL
Olie voor normale diesel-, turbodiesel- of multi-kleps-motoren die specifiek ontwikkeld is voor een optimale werking tijdens extreme klimatologische omstandigheden (koude start tot aan -35°C ).
ANALYSE VAN GEBRUIKTE MOTOROLIE: VISCOSITEITSTOENAME BIJ 40°C (*)

SELENIA 20K is afgestemd op de nieuwe generatie motoren en dank zij de uitstekende chemische stabiliteit kunnen de verversingsintervallen worden verlengd tot 20.000 km, waarbij een langdurige reiniging is gegarandeerd.
Verontreinig het milieu niet met afgewerkte olie.
Fiat Auto Nederland b.v.
BANDENSPANNING IN KOUDE TOESTAND (bar) Sedan Station Wagon
Bandenmaat Bij gemiddelde Bij volle Bij gemiddelde Bij volle Reservewiel belading belading belading belading
Bij warme banden moet de in de tabel aangegeven waarde van de bandenspanning met 0,3 bar verhoogd worden.
(*) Maximaal gewicht in de bagageruimte van de auto met neergeklapte achterbank (1 persoon + 350 kg).
MOTOROLIE VERVERSEN
Verontreinig het milieu niet met afgewerkte olie.
BRANDSTOFTANK (liters)
| 1.6 | 1.8 | 2.0 | 1.9 jtd | 2.4 jtd | |
| Inhoud van de brandstoftank | 60 | 60 | 60 | 60 | 60 |
| Brandstofreserve | 8 | 8 | 8 | 8 | 8 |
De benzinemotoren zijn uitsluitend geschikt voor loodvrije benzine met een octaangetal van ten minste 95 R.O.N.
De dieselmotoren zijn uitsluitend geschikt voor dieselbrandstof voor motorvoertuigen (specificatie EN590).
Druknummer 603.45.316 - XI/2000 - 2 e editie - Printed in the Netherlands
Eindredactie Satiz S.p.A.
Importeur voor België:
FIAT AUTO BELGIO
Genèvestraat 175
1140 Brussel

Importeur voor Nederland:
FIAT AUTO NEDERLAND B.V.
Hullenbergweg 1-3
1101 BW Amsterdam Zuidoost
