Scudo (2003) - Automobiel FIAT - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis Scudo (2003) FIAT in PDF-formaat.
| Producttype | Bestelwagen |
| Merk | Fiat |
| Model | Scudo (2003) |
| Lengte | ca. 4,5 m |
| Breedte | ca. 1,8 m |
| Hoogte | ca. 1,9 m |
| Leeggewicht | ca. 1500 kg |
| Laadvermogen | ca. 1000 kg |
| Brandstoftype | Diesel |
| Inhoud brandstoftank | 80 L |
| Transmissie | Handgeschakeld (5 versnellingen) |
| Zitplaatsen | 2–3 |
| Laadruimte volume | ca. 5 m³ |
| Motorvermogen | ca. 80 kW (109 pk) |
| Onderhoud motorolie | Om de 20.000 km verversen |
| Bandenspanning voor | 2,5 bar |
| Bandenspanning achter | 3,0 bar |
| Reiniging | Niet-stralende waterstraal en milde zeep |
| Veiligheidssystemen | ABS, airbags voorin |
| Reservewiel | Ja, onder de laadvloer |
| Garantie | 2 jaar (nieuw) |
Veelgestelde vragen - Scudo (2003) FIAT
Gebruikersvragen over Scudo (2003) FIAT
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Automobiel in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding Scudo (2003) - FIAT en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. Scudo (2003) van het merk FIAT.
GEBRUIKSAANWIJZING Scudo (2003) FIAT
Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze voor de SCUDO.
Wij hebben dit boekje samengesteld zodat u elk onderdeel van uw SCUDO leert kennen en u uw auto op de juiste manier zult gebruiken.
Wij raden u aan alle hoofdstukken door te lezen voordat u voor de eerste keer met de auto gaat rijden.
Dit instructieboekje bevat informatie, tips en aanwijzingen die u zullen helpen de technische kwaliteiten van uw SCUDO volledig te benutten. Bovendien zult u belangrijke aanwijzingen vinden voor uw veiligheid, het in conditie houden van de auto en milieubewust autorijden.
In de SERVICE- EN GARANTIEHANDLEIDING vindt u naast het schema voor het geprogrammeerd onderhoud:
- het garantiecertificaat en de bijbehorende voorwaarden
- een overzicht van de speciale aanvullende service voor cliënten.
Veel leesplezier en goede reis!
ABSOLUUT LEZEN!
BRANDSTOF TANKEN

Benzinemotoren: tank uitsluitend loodvrije benzine met een minimum octaangetal van 95 RON.
Dieselmotoren: tank uitsluitend dieselbrandstof voor motorvoertuigen die voldoet aan de Europese specificatie EN590.
MOTOR STARTEN

Benzinemotoren met handgeschakelde versnellingsbak: controleer of de handrem is aangetrokken; zet de versnellingspook in vrij; trap het koppelingspedaal volledig in, maar trap het gaspedaal niet in; draai vervolgens de start-/contactsleutel in stand D en laat de sleutel los zodra de motor aanslaat.
Benzinemotoren met automatische versnellingsbak: controleer of de handrem is aangetrokken en de versnellingspook in stand P of N staat; draai de start-/contactsleutel in stand D, maar trap het gaspedaal niet in; laat de sleutel los zodra de motor aanslaat.
Dieselmotoren: controleer of de handrem is aangetrokken; zet de versnellingspook in vrij; trap het koppelingspedaal volledig in, maar trap het gaspedaal niet in; draai de start-/contactsleutel in stand M en wacht tot het waarschuwingslampje 00 dooft; draai de start-/contactsleutel in stand D en laat hem los zodra de motor aanslaat.
PARKEREN BOVEN BRANDBARE MATERIALEN

Omdat tijdens de werking de katalysator zeer warm wordt, verdient het aanbeveling niet te parkeren boven gras, droge bladeren, dennennaalden of ander licht ontvlambaar materiaal: brandgevaar.
BESCHERMING VAN HET MILIEU

De auto is uitgerust met een diagnosesysteem, dat continu controles uitvoert op de componenten die van invloed zijn op de uitlaatgasemissie zodat overmatige vervuiling van het milieu wordt voorkomen.
Als u na aanschaf van uw auto accessoires wilt monteren die stroom verbruiken (waardoor de accu langzaam kan ontladen), dient u contact op te nemen met de Fiat-dealer. Deze kan controleren of de elektrische installatie van de auto geschikt is voor het extra stroomverbruik.
CODE-CARD

Bewaar de CODE-card op een veilige plaats, maar niet in de auto. Wij raden u aan de elektronische code van de CODE-card altijd bij u te hebben omdat deze onmisbaar is voor het uitvoeren van een noodstart.
GEPROGRAMMEERD ONDERHOUD

Bedenk dat een goed onderhoud van de auto de beste manier is om de prestaties en de veiligheid van de auto gedurende langere tijd te garanderen. Daarbij wordt ook het milieu ontzien en blijven de exploitatiekosten laag.
IN HET INSTRUCTIEBOEKJE...

…vindt u informatie, tips en belangrijke waarschuwingen voor het juiste gebruik, veilig rijden en het onderhoud van uw auto. Let vooral op de symbolen ▲ (veiligheid van de inzittenden), ⚫ (bescherming van het milieu) en △ (conditie van de auto).
VEILIG EN MILIEUBEWUST RIJDEN
Veiligheid, respect voor het milieu en optimalisering van het laadvermogen zijn de uitgangspunten geweest bij het ontwerpen van de SCUDO.
Dankzij deze opvatting kon de SCUDO strenge veiligheidstests het hoofd bieden en goed doorstaan. De SCUDO voldoet aan de strengste eisen in zijn klasse. Bovendien is deze auto, naar alle waarschijnlijkheid, al voorbereid op de toekomstige normen.
Daarnaast is de SCUDO door het doorlopende onderzoek naar nieuwe en doeltreffende bijdragen aan het behoud van het milieu, een auto die navolging verdient.
Alle uitvoeringen zijn uitgerust met emissiereductiesystemen die bijdragen aan de bescherming van het milieu, waardoor de uitstoot van schadelijke uitlaatgassen lager is dan de nu geldende normen.
Wij herinneren u er bovendien aan dat Fiat hard heeft gewerkt een zeer ambitieus doel te bereiken: 100% recycling. Als uw SCUDO buiten gebruik wordt gesteld, dan kan deze vrijwel geheel worden gerecycled, omdat voldaan wordt aan de voorwaarden van het F.A.RE.-project. Dankzij dit project kunnen de Fiat-dealers uw voertuig milieuvriendelijk (en geheel volgens de wettelijke normen) buiten gebruik stellen, als u tot de aanschaf van een nieuwe auto overgaat.
Voor de natuur betekent dat een groot voordeel: niets gaat verloren, niets wordt gestort en er zijn minder nieuwe grondstoffen nodig.
SIGNALEN VOOR EEN CORRECT GEBRUIK VAN UW AUTO
De signalen die u op deze pagina ziet, zijn zeer belangrijk. Zij staan bij onderdelen in dit boekje waar we extra aandacht voor vragen.
Zoals u ziet, bestaat elk signaal uit een verschillend symbool. Zo wordt direct duidelijk om welk onderwerp het gaat:

Veiligheid van de inzittenden.
Let op: Het niet of gedeeltelijk opvolgen van deze instructies kan gevaar opleveren voor de inzitten- den.

Milieubewust rijden.
Aanwijzing voor het juiste gedrag, zodat het gebruik van de auto zo min mogelijk schade aan het milieu oplevert.

Conditie van de auto.
Let op: Het niet of gedeeltelijk opvolgen van deze instructies schaadt de conditie van de auto en zal in veel gevallen ook de garantie doen vervallen.
SYMBOLLEN
Op of in de nabijheid van enkele onderdelen van uw SCUDO zijn specifiek gekleurde plaatjes aangebracht met daarop symbolen die uw aandacht vragen en die voorzorgsmaatregelen aangeven die u in acht moet nemen als u met het betreffende onderdeel te maken krijgt.
Hierna volgen kort samengevat de symbolen die vermeld staan op de plaatjes, die op uw SCUDO zijn aangebracht met daarnaast het onderdeel waarop het symbool betrekking heeft.
Bovendien zijn de symbolen naar betekenis in groepen onderverdeeld: gevaar, verbod, waarschuwing en verplichting.
SYMBOLEN DIE GEVAAR AANDUIDEN

Accu
Corrosieve vloeistof.

Koplampen
Kans op vonken.

Accu
Ontploffingsgevaar.

Bobine
Hoge spanning.

Ventilateur
Kan automatisch inschakelen bij stilstaande motor.

Riemen en poelies
Bewegende delen; niet dichtbij komen met lichaamsdelen of kledingstukken.

Expansiereservoir
Draai de dop niet los als de koelvloeistof nog heet is.

Slangen van de air-conditioning
Niet openen.
Gas onder hoge druk.
VERBODSSYMBOLLEN

Accu
Niet dichtbij komen met open vuur.
Parkeer niet boven brandbare materialen. Raadpleeg het hoofdstuk
"Voorzorgsmaatregelen voor het behoud van de emissiereductiesystemen".

Ruitenwissers
Gebruik uitsluitend de vloeistof die is aangegeven in de "Vullingstabel".

Accu
Houd kinderen op afstand.

Stuurbekrachtiging
De vloeistof in het reservoir mag het maximum niveau niet over-
schrijden. Gebruik uitsluitend de vloeistof die is aangegeven in de "Vullingstabel".

Motor
Gebruik uitsluitend de smeermiddelen die zijn aangegeven in de "Vullingstabel".

Hitteschilden - rie- men - poelies - ventilateur
Niet aanraken.

Remcircuit
De vloeistof in het reservoir mag het maximum niveau niet over-
schrijden. Gebruik uitsluitend de vloeistof die is aangegeven in de "Vullingstabel".

Auto rijdt op milieu-vriendelijke benzine
Tank uitsluitend loodvrije benzine met een octaangetal van 95 RON.
VERPLICHTINGSSYMBOLLEN

Auto rijdt op diesel
Tank uitsluitend diesel-brandstof.

Accu
Bescherm de ogen.

Expansiereservoir
Gebruik uitsluitend de vloeistof die is aangegeven in de "Vullingstabel".

Accu
Krik
Raadpleeg het instructieboekje.
WEGWUSSINNUWAUTO
DASHBOARD (BEHALVE UITVOERINGEN MET AIRBAG AAN PASSAGIERSZIJDE)

1 Vaste uitstroomopening voor zijruiten - 2 Linker hendel: claxon - richtingaanwijzers - koplampen - 3 Airbag (indien aanwezig) - 4 Instrumentenpaneel - 5 Rechter hendel: ruitenwissers - ruitensproeiers - 6 Schakelaar waarschuwingsknipperlichten - 7 Verstelbaar luchtrooster in het midden (alleen voor Scudo EL of uitvoeringen met handbediende airconditioning) - 8 Uitstroomopening voor voorruit - 9 Opbergvak - inbouwplaats autoradio - 10 Opbergvak - 11 Openen/sluiten verstelbaar luchtrooster - 12 Regelschuif voor richten luchtstroom - 13 Dashboardkastje - 14 Bedieningsknoppen voor verwarming, ventilatie en handbediende airconditioning (indien aanwezig) - 15 Asbak - aansteker (indien aanwezig) - 16 Versnellingspook - 17 Drukknop achterruitverwarming (indien aanwezig) - 18 Start-/contactslot - 19 Zekeringenkastje - 20 Opbergvak
DASHBOARD (UITVOERINGEN MET AIRBAG AAN PASSAGIERSZIJDE)

fig. 2 1. Openen/sluiten verstelbaar luchtrooster - 2. Vaste uitstroomopeningen voor zijruiten - 3. Regelschuif voor richten luchtstroom - 4. Inbouwplaats linker luidspreker - 5. - Linker hendel: claxon - richtingaanwijzers - koplampen - 6. Instrumentenpaneel - 7. Rechter hendel: ruitenwissers - ruitensproeiers - 8. Ontwaseming voorruit - 9. Opbergvak - inbouwplaats autoradio - 10. Inbouwplaats airbag passagierszijde - 11. Inbouwplaats rechter luidspreker - 12. Dashboardkastje - 13. Hendel voor luchtmenging - 14. Asbak/aansteker - 15. Hendel regeling luchttemperatuur - 16. Inschakeling recirculatie - 17. Inschakeling aanjager - 18. Versnellingspook - 19. Bedieningspaneel - 20. Start-/contactslot - 21. Zekeringenkastje - 22. Hendel stuurwielverstelling - 23. Opbergvak.
FIAT CODE
Voor een nog betere bescherming tegen diefstal is de auto uitgerust met een elektronische startblokking (Fiat CODE). Het systeem wordt ingeschakeld als de contactsleutel wordt uitgenomen. In de handgreep van de sleutels zit een elektronisch component gemonteerd dat bij het starten van de motor een signaal ontvangt via een speciale antenne die in het start-/contactslot is ingebouwd. Dit signaal wordt omgezet in een gecodeerd signaal en vervolgens aan de regeleenheid van de Fiat CODE gezonden, die, als de code wordt herkend, het starten van de motor mogelijk maakt.
DE SLEUTELS fig.3
Bij de auto worden geleverd:
- twee sleutels A als de auto is uitgerust met centrale portiervergrendeling;
- een sleutel A en een sleutel B als de auto is uitgerust met centrale portiervergrendeling met afstandsbediening (indien aanwezig);
De sleutels dienen voor:
- het starten;
- de portieren;
- de achterdeuren.

BELANGRIJK Voordat de sleutel wordt gedraaid, moet deze volledig in het slot zijn gestoken.
Sleutel B dient eveneens als zender voor de centrale portiervergrendeling met afstandsbediening. Het betreffende circuit is onafhankelijk van dat van de Fiat-CODE en is in de handgreep ingebouwd.
Samen met de sleutels hebt u een CODE-card fig. 4 ontvangen waarop de elektronische code staat aangegeven. De Fiat-dealer heeft deze code nodig voor het uitvoeren van controles aan de motor. Deze code wordt bedekt door een speciale laklaag die verwijderd moet worden bij gebruik van de CODE-card. Wij raden u aan de CODE-card op een veilige plaats te bewaren: zo mogelijk niet in de auto.
DUPLICAATSLEUTELS
Bedenk dat bij aanvraag van extra sleutels, de geheugencapaciteit van de betreffende regeleenheden verschillend is: 5 codes voor de regeleenheid van de Fiat CODE en 4 codes voor de
regeleenheid van de centrale portiervergrendeling met afstandsbediening; de codes van de standaard geleverde sleutels zijn hierbij inbegrepen.
Het is dus mogelijk een verschillend aantal sleutels in bezit te hebben met een maximum van 5 sleutels A (bij een auto zonder afstandsbediening voor centrale portiervergrendeling), 4 sleutels B en één sleutel A.
Wendt u voor duplicaatsleutels rechtstreeks tot de Fiat-dealer, en neemt u de CODE-card en alle andere in uw bezit zijnde sleutels mee.
Als tijdens het opslaan van een nieuwe sleutelcode de reeds opgeslagen sleutelcodes niet opnieuw worden ingevoerd, worden ze uit het geheugen gewist, zodat eventueel verloren sleutels niet meer gebruikt kunnen worden voor het starten van de motor.

Als de auto wordt ver- kocht, moeten alle sleu- tels en de CODE-card overhandigd worden aan de nieuwe eigenaar.
WERKING
De elektronische startblokkering schakelt automatisch in na 10 seconden na opening van het portier (met uitgenomen contactsleutel) of 5 minuten na het uitzetten van de motor.
Draai bij het starten van de motor de contactsleutel in stand M-fig. 7:
1) Als de code wordt herkend, wordt de startblokkering opgeheven. Als u de sleutel in stand D-fig. 7 draait, start de motor.
2) Als de code niet wordt herkend, raden wij u aan de sleutel in stand S en vervolgens in stand M te draaien; als de motor geblokkeerd blijft, probeer het dan opnieuw met de andere geleverde sleutels.
Als de motor nog niet aanslaat, wendt u dan tot de Fiat-dealer.

Bij harde stoten kunnen de elektronische componenten in de sleuchadigd worden.
BELANGRIJK Elke sleutel heeft een eigen code die verschillend is van alle andere codes. Deze code moet worden opgeslagen in de regeleenheid van het systeem.
AFSTANDSBEDIENING
De in de contactsleutel ingebouwde afstandsbediening is uitgerust met de knopjes A en B-fig. 5; met knopje A schakelt u de centrale portiervergrendeling in (indien aanwezig); met knopje B ontgrendelt u de portieren (indien aanwezig).
De afstandsbediening werkt op radiogolven.
F0F0257m

fig. 5
PROGRAMMEREN VAN HET SYSTEEM
Bij aflevering van de nieuwe auto is het diefstalalarm al geprogrammeerd door de Fiat-dealer. Wendt u voor eventuele nieuwe programmeerprocedures tot de Fiat-dealer.
EXTRA AFSTANDS- BEDIENINGEN BESTELLEN
De ontvanger kan in totaal 4 afstandsbedieningen herkennen.
Als u extra exemplaren hebt aangeschaft, bedenk dan dat het programmeren voor alle afstandsbedieningen moet worden uitgevoerd als de auto nieuw is.
Als u na verloop van tijd een nieuwe afstandsbediening nodig hebt, wendt u dan tot de Fiat-dealer en neem alle sleutels en de CODE-card mee.
BATTERIJEN
Als u op het knopje van de afstandsbediening drukt en de portieren worden niet vergrendeld en de richtingaanwijzers gaan niet knipperen, dan moet u de batterijen vervangen door batterijen van hetzelfde type.
I) draai het schroefje A-fig. 6 los;
2) open het kunststof dekseltje;
3) plaats de nieuwe batterij volgens de aangegeven polariteit;
4) sluit het kunststof dekseltje;
5) draai het schroefje vast.

Lege batterijen zijn schadelijk voor het milieu. Ze dienen in speciaal daarvoor bestemde containers te worden gedeponeerd. Ze kunnen ook ingeleverd worden bij de Fiat-dealer. Die zorgt vervolgens voor de afvoer.
Omdat het diefstalalarm stroom verbruikt, raden wij u aan het diefstalalarm met de afstandsbediening uit te schakelen als u de auto langer dan een maand niet denkt te gebruiken. Zo voorkomt u dat de accu ontladt.
START-/CONTACTSLOT
De sleutel kan in 4 standen worden gedraaid fig. 7:
S: motor uit, sleutel uitneembaar en stuurslot geblokkeerd.
A: enkele elektrische installaties werken.
M: contact aan.
D: starten van de motor.

ATTENTIE
Verwijder de sleutel altijd uit het start-/contactslot als u de auto verlaat, om onvoorzichtig gebruik van de bedieningsknoppen te voorkomen. Vergeet niet de handrem aan te trekken en schakel de eerste versnelling in bij een helling omhoog of de achteruit bij een helling omlaag. Laat kinderen nooit alleen achter in de auto.
STUURSLOT
Inschakelen: zet de sleutel in stand S, trek de sleutel uit het contact en draai het stuur totdat het vergrendelt.
Uitschakelen: draai het stuur iets heen en weer, terwijl u de sleutel in stand M draait.

ATTENTIE
Verwijder de sleutel nooit uit het contactslot als de auto nog in beweging is. Bij de eerste stuuruitslag blokkeert het stuur automatisch. Dit geldt in alle gevallen, ook als de auto gesleept wordt.

Als het start-/contactslot is geforceerd (bijv. bij een tot diefstal) moet u, voordat met de auto gaat rijden, de van het slot laten controle-de Fiat-dealer.
fig. 7
ZITPOSITIE INSTELLEN
BESTUURDERSSTOEL fig. 8

ATTENTIE
Verstel de stoel alleen als de auto stilstaat.
Verstellen in lengterichting
Trek hendel A omhoog en schuif de stoel naar voren of naar achteren. Laat de hendel los en controleer of de stoel goed geblokkeerd is door naar voren en naar achteren te schuiven.
Als de stoel niet goed geblokkeerd is, kan deze onverwachts verschuiven, waardoor een gevaarlijke situatie kan ontstaan.
Als u rijdt moeten de armen licht gebogen zijn en de handen op het stuurwiel steunen.
Hoogteverstelling
Trek hendel B omhoog en stel de gewenste zithoogte in.
BELANGRIJK De hoogte kan alleen worden ingesteld als u op de bestuurdersstoel zit.

ATTENTIE
Demonteer de stoelen niet en voer er geen onderhouds- of reparatiewerkzaamheden aan uit: als de werkzaamheden niet goed zijn uitgevoerd, kan de werking van de veiligheidssystemen in gevaar worden gebracht; wendt u altijd tot de Fiat-dealer.
Verwarming voorstoelen (indien aanwezig) - fig. 9
A - schakelaar voor het in-/uitschake- len van de stoelverwarming.

fig. 8
Rugleuning verstellen
Verstel de rugleuning met hendel C.

fig. 9
HOOFDSTEUNEN fig. 10
De stoelen zijn voorzien van in hoogte verstelbare hoofdsteunen die de juiste ondersteuning bieden aan volwassen inzittenden ongeacht het postuur.
Verplaats de hoofdsteun omhoog of omlaag totdat de gewenste hoogte is bereikt.
TOEGANG TOT DE ZIT- PLAATSEN ACHTER fig. II
Zitplaatsen achter van de 3 e rij bereiken: trek hendel A omhoog en klap de stoel van de 2 e rij naar voren.

ATTENTIE
Let erop dat de hoofdsteunen zo zijn ingesteld
dat ze het hoofd steunen en niet de nek. Alleen in deze positie bieden ze bescherming, wanneer de auto van achteren wordt aangereden.

ATTENTIE
Voor het verwijderen en vervolgens weer monteren
van de stoelen moet de rugleuning neergeklapt worden gehouden en plat tegen de zitting aanliggen, om ieder mogelijk contact te voorkomen met het vergrendel-mechanisme van de stoel zelf.

Stoelen van de 3 e rij neerklappen, verwijderen en monteren
Om de rugleuning neer te klappen, moet u lus A - fig.12 omhoogtrekken.
Ga voor het verwijderen van de stoel als volgt te werk:
- klap de rugleuning neer zoals hiervoor beschreven;
- kantel de zitting door de hendel B - fig. 12 omhoog te trekken;
- til de stoel omhoog, trek de pennen los en verwijder de stoel met behulp van de handgrepen C - fig. 12; houd daarbij de rugleuning neergeklapt tegen de zitting aan.
Voer voor het monteren van de stoel de handelingen voor het verwijderen in omgekeerde volgorde uit.

ATTENTIE
Controleer voordat u op reis gaat of alle stoelen in de rijrichting staan en goed geblokkeerd zijn. Alleen deze opstelling staat een doelmatig gebruik van de veiligheidsgordels toe.
STUURWIEL
Het stuur kan in verticale richting worden versteld.
I) Zet de hendel fig. 13 in stand I.
2) Zet het stuur in de gewenste stand.
3) Zet de hendel terug in stand 2 om het stuur weer te vergrendelen.

ATTENTIE
Verstel het stuurwiel alleen als de auto stil-
staat.

fig. 12
(1) AD = BD = 1

fig. 13
De achteruitkijkspiegel is verstelbaar met de hendel fig. 14:
I) normale stand
2) anti-verblindingsstand.
De spiegel is uitgerust met een veiligheidsvoorziening: de spiegel springt tijdens een botsing los.
BUITENSPIEGELS
Verstelling van buitenaf
Druk op het spiegelglas om de spiegel in de gewenste stand te zetten.
Verstelling van binnenuit met de hand (indien aanwezig)
Bedien knop A-fig. 15.

Als de breedte van de spiegels in een nauwe doorgang problemen oplevert, dan kunnen de spiegels van stand 1 in stand 2 worden geklapt.
Elektrisch verstelbaar (indien aanwezig)
De spiegels kunnen alleen worden afgesteld als de contactsleutel in stand M staat.
Eerst kiest u welke spiegel u wilt verstellen. Zet hiervoor knop A-fig. 16 in stand B (linker spiegel) of C (rechter spiegel).
Met schakelaar A kunt u de spiegels in vier richtingen verstellen.
De verwarming van de spiegels schakelt automatisch in als u de ach- terruitverwarming aanzet.
Na ongeveer 12 minuten schakelt de verwarming automatisch weer uit.

fig. 14

fig. 15

fig. 16
VEILIGHEIDSGORDELS
GEBRUIK VAN DE VEILIG- HEIDSGORDELS VOOR EN ACHTER AAN DE ZIJKANT fig. 17-18-19
Ga goed rechtop zitten, steun tegen de rugleuning en leg dan de gordel om.

Maak de gordels vast door gesp C in sluiting D te drukken, totdat hij hoorbaar blokkeert.
Als de gordel tijdens het uittrekken blokkeert, laat dan de veiligheidsgordel een stukje teruglopen en trek hem vervolgens weer rustig uit.

ATTENTIE
Druk niet op knop C tijdens het rijden.

Druk op knop E om de gordel los te maken. Begeleid de gordel tijdens het teruglopen om te voorkomen dat de gordelband draait.
Via de rolautomaat wordt de lengte van de gordel automatisch aangepast aan het postuur van de drager, waarbij voldoende bewegingsruimte overblijft.
Als de auto op een steile helling staat, kan de rolautomaat blokkeren; dit is een normaal verschijnsel. De rolautomaat blokkeert ook als u de gordel snel uittrekt, bij hard remmen, botsingen en bij hoge snelheden in bochten.

fig. 19
De achterbank is voorzien van drie-punts-veiligheidsgordels met rol-automaat voor zowel de zijitplaatsen als de middelste zitplaats.
HOOGTEVERSTELLING VAN DE VEILIGHEIDSGORDELS VOOR fig. 17
Controleer na het instellen altijd of beugel B goed vergrendeld is door hem naar beneden te duwen zonder knop A in te drukken.

ATTENTIE
De veiligheidsgordels achter moeten worden omgelegd zoals in fig. 18 wordt aangegeven. Het schema in fig. 19 toont de verkeerde verbindingen van de veiligheidsgordels. In het schema wordt dus aangegeven hoe de veiligheidsgordels niet moeten worden gebruikt.

ATTENTIE
De veiligheidsgordels mogen alleen worden ver- s de auto stilstaat.

ATTENTIE
Controleer na het afstellen altijd of de beugel vergrendeld is in één van de vaste standen. Laat de knop los en duw de beugel naar beneden, zodat de beugel vergrendelt, als dit nog niet heeft plaatsgevonden.

ATTENTIE
Bedenk dat achterpassagiers die geen gordel dragen tijdens een ongeval, niet alleen zelf een verhoogd risico lopen, maar ook gevaar opleveren voor de inzittenden voor.
De hoogte van de gordel moet altijd worden aangepast aan het postuur van de inzittende. Zo wordt de kans op letsel bij een ongeval verkleind.
De gordel is goed afgesteld als hij over de schouder halverwege tussen nek en uiteinde van de schouder ligt.
Omhoog of omlaag: druk op knop A en schuif tegelijkertijd beugel B omhoog of omlaag in de gewenste stand.
GEBRUIK VAN DE VEILIGHEIDSGORDEL VAN DE MIDDELSTE ZITPLAATS fig. 20 (indien aanwezig)
De driepunts-veiligheidsgordel van de middelste zitplaats is voorzien van een rolautomaat A - fig. 20.

De gordel moet op dezelfde manier worden omgelegd als de veiligheids-gordels voor.
GORDELSPANNERS
Voor een nog effectievere bescherming zijn de veiligheidsgordels voor van de Fiat Scudo voorzien van gordelspanners. Dit systeem wordt bij een heftige botsing door een sensor in werking gesteld en trekt de gordel enige centimeters aan. Op deze wijze worden de inzittenden veel beter op hun plaats gehouden en wordt de voorwaartse beweging beperkt.
Het blokkeren van de veiligheids-gordel geeft aan dat de gordelspan-ner in werking is geweest; de gordel wordt niet meer opgerold, ook niet als hij wordt begeleid.
BELANGRIJK Voor een maximale bescherming door de gordelspanners moet de veiligheidsgordel zo worden omgelegd dat hij goed aansluit op borst en bekken.
De gordelspanners van de veiligheidsgordels voor treden alleen in werking als de veiligheidsgordels goed in de sluitingen vergrendeld zijn.
Er kan een beetje rook ontsnappen. Deze rook is niet schadelijk en duidt niet op brand.
De gordelspanner behoeft geen enkel onderhoud of smering. Elke verandering van de oorspronkelijke staat zal de doelmatigheid verminderen. Als de gordelspanner door extreme natuurlijke omstandigheden (bijv. overstromingen, zeestormen) met water en modder in contact is geweest, dan moet de spanner worden vervangen.
TREKKRACHTBEGRENZERS
Dit systeem vermindert na een botsing de belasting die door de veiligheidsgordel op de schouder en de borst wordt uitgeoefend, en vergroot de bescherming omdat de schok ten gevolge van een botsing (onvermijdelijk, ook met airbag) wordt weggenomen. Het systeem is geïntegreerd in de gordelspanner.

ATTENTIE
De gordelspanner werkt slechts één maal. Als de gor-
delspanner heeft gewerkt, moet u zich tot de Fiat-dealer wenden om de spanner te laten vervangen. Het systeem heeft vanaf de productiedatum een geldigheid van 10 jaar. Na deze periode moet de gordelspanner door de Fiat-dealer worden vervangen.

Werkzaamheden in de buurt van de gordelspanners, waarbij stoten, sterke trillingen of verhitting optreden (maximaal 100°C gedurende ten hoogste 6 uur), kunnen de gordelspanners beschadigen of activeren: bij die omstandigheden horen niet trillingen die voortgebracht worden door een slecht wegdek of door contacten met kleine obstakels zoals trottoirs. Als er iets aan de gordelspanners moet gebeuren, dient u zich tot een Fiat-dealer te wenden.
ALGEMENE OPMERKINGEN OVER HET GEBRUIK VAN VEILIGHEIDSGORDELS
De bestuurder en de inzittenden zijn verplicht zich te houden aan de plaatselijke wetgeving met betrekking tot het gebruik van de veiligheidsgordels.
Leg de veiligheidsgordel altijd om voordat u vertrekt.

ATTENTIE
Voor maximale veiligheid moet u de rugleuning rechtop zetten, tegen de leuning aan gaan zitten en de gordel goed laten aansluiten op borst en bekken. Draag altijd veiligheidsgordels, zowel voor als achter in de auto! Rijden zonder veiligheidsgordels vergroot de kans op ernstig letsel of dodelijke afloop bij een ongeval.

ATTENTIE
De gordelband mag nooit gedraaid zijn. Het diagonale gordelgedeelte moet via het midden van de schouder schuin over de borst liggen. Het horizontale gordelgedeelte moet over het bekken fig. 21 en niet over de buik liggen. Gebruik geen voorwerpen (wasknijpers, klemmen, enz.) die een goed aansluiten van de gordel op het lichaam verhinderen.

Iedere gordel dient slechts ter bescherming van een enkel. Gebruik de gordel niet voor dat bij een volwassene op zit, waarbij de gordel beiden poeten beschermen fig. 22. bovendien geen enkel voorsen de gordel en het lichaam inzittende.

ATTENTIE
Als de gordel aan een zware belasting wordt blootgesteld
(bijvoorbeeld tijdens een ongeval), dan moet de gordel samen met de verankeringen, bevestigingspunten en de gordelspanners worden vervangen. De gordel kan verzwakt zijn, ook als de schade niet zichtbaar is.

ATTENTIE
Het is streng verboden onderdelen van de veiligheids-
gordels of gordelspanners te demonteren of open te maken. Werkzaamheden aan de veiligheidsgordels en gordelspanners moeten worden uitgevoerd door gekwalificeerd personeel. Wendt u altijd tot de Fiat-dealer.
Ook vrouwen die in verwachting zijn moeten een gordel dragen: ook voor hen (zowel voor de aanstaande moeder als het kind) is de kans op letsel bij een ernstig ongeval groter als ze geen gordel dragen. Uiteraard moeten zwangere vrouwen het onderste deel van de gordel meer naar beneden omleggen, zodat de gordel onder de buik langs loopt fig. 23.
HOE U DE VEILIGHEIDSGOR- DELS IN OPTIMALE STAAT HOUDT
1) Zorg dat de gordel goed uitgetrokken en niet gedraaid is; controleer ook of de oprolautomaat zonder haperingen werkt.
2) Vervang de gordels na een ongeval, ook al zijn ze ogenschijnlijk niet beschadigd. Vervang de gordels ook als de gordelspanners in werking zijn geweest.
3) U kunt de gordels met de hand wassen met warm water en een neutrale zeep; knijp ze uit en laat ze in de schaduw drogen. Gebruik geen bijtende, blekende of kleurende middelen en vermijd het gebruik van alle chemische producten die het weefsel kunnen aantasten.
4) Voorkom dat vocht in de oprolautomaat komt: de werking van de oprolautomaten is alleen gegarandeerd, als ze niet nat zijn geweest.
5) Vervang de gordels bij tekenen van slijtage of beschadigingen.

fig. 22

Monteer absoluut geen kinderzitje achterstevoren op de passagiersstoel voor als deze is uitgerust met een airbag.
Als bij een ongeval de airbag in werking treedt (opblaast), kan dit ernstig letsel en zelfs de dood tot gevolg hebben. Wij raden u aan kinderen altijd op de zitplaatsen achter te vervoeren, omdat die plaatsen bij een ongeval de meeste bescherming bieden. Monteer dus absoluut geen kinderzitje op de passagiersstoel voor als deze is uitgerust met een airbag. Als bij een ongeval de airbag in werking treedt (opblaast), kan dit ernstig letsel en zelfs de dood tot gevolg hebben, onafhankelijk van de zwaarte van het ongeluk.
Voor optimale bescherming bij een ongeval moeten alle inzittenden zit-tend reizen en beschermd worden door goedgekeurde veiligheidssyste-men.
Dit geldt met name voor kinderen.
Het hoofd van kleine kinderen is in verhouding met de rest van het lichaam groter en zwaarder dan dat van volwassenen, terwijl spieren en botstructuur nog niet volledig zijn ontwikkeld. Daarom moeten kleine kinderen door andere systemen beschermd worden dan door de veiligheidsgordels.

fig. 24
De resultaten van het onderzoek over de optimale bescherming van kleine kinderen zijn opgenomen in de Europese ECE/R44-voorschriften die wettelijk verplicht zijn. De systemen zijn onderverdeeld in vijf groepen:
Groep 0 gewicht: 0-10 kg
Groep 0+ gewicht: 0-13 kg
Groep I gewicht: 9-18 kg
Groep 2 gewicht: 15-25 kg
Groep 3 gewicht: 22-36 kg
Zoals u ziet is er een gedeeltelijke overlapping tussen de groepen; daarom zijn er in de handel systemen verkrijgbaar die geschikt zijn voor verschillende gewichtsgroepen fig. 24.
Alle systemen moeten zijn voorzien van de typegoedkeuring en van een goed vastgehecht plaatje met het controlemerk, dat absoluut niet mag worden verwijderd.
Kinderen met een gewicht boven 36 kg of met een lengte van meer dan 1,50 m worden, met betrekking tot de veiligheidssystemen, gelijkgesteld met volwassenen en moeten dan ook normaal de veiligheidsgordels omleggen.
In het Fiat Lineaccessori-programma zijn kinderzitjes opgenomen voor elke gewichtsgroep, die speciaal ontworpen en ontwikkeld zijn voor de Fiat-modelen.
GROEP 0 en 0+
Kinderen tot 13 kg moeten in wiegjes worden vervoerd die achterstevoren zijn geplaatst, waardoor het achterhoofd wordt gesteund en bij plotseling remmen de nek niet wordt belast.
Het wiegje moet op zijn plaats worden gehouden door de veiligheidsgordel, zoals in de afbeelding is aangegeven in fig. 25, en het kind moet op zijn beurt worden beschermd door de gordels van het wiegje zelf.

ATTENTIE
De afbeelding geeft uit- sluitend richtlijnen voor de
montage. Monteer het zitje volgens de instructies die de fabrikant verplicht is bij te leveren.
GROEP I
Kinderen met een gewicht tussen 9 en 18 kg kunnen naar voren gekeerd worden vervoerd in kinderzitjes met een kussen aan de voorkant fig. 26, waarbij de veiligheidsgordel van de auto zowel het kinderzitje als het kind op zijn plaats moet houden.

De afbeelding geeft uitsluitend richtlijnen voor de montage. Monteer het zitje volgens de instructies die de fabrikant verplicht is bij te leveren.

ATTENTIE
Er bestaan kinderzitjes die geschikt zijn voor de gewichtsgroepen 0 en 1. Deze kinder-zitjes kunnen worden bevestigd aan de veiligheidsgordels achter en hebben zelf gordels om het kind te beschermen. Vanwege het gewicht kan het gevaarlijk zijn als ze verkeerd worden gemonteerd (bijvoorbeeld als een kussen tussen het kinderzitje en de veiligheidsgordels van de auto wordt geplaatst). Houdt u voor de montage strikt aan de bijgeleverde instructies.
GROEP 2
Kinderen met een gewicht tussen 15 en 25 kg kunnen direct door de veiligheidsgordels van de auto worden beschermd. Kinderen moeten zo in de kinderzitjes worden geplaatst, dat het diagonale gordelgedeelte schuin over de borst en niet langs de nek moet liggen. Het horizontale gordelgedeelte moet over het bekken en niet over de buik van het kind liggen fig. 27.

ATTENTIE
De afbeelding geeft uitsluitend richtlijnen voor de montage. Monteer het zitje volgens de instructies die de fabrikant verplicht is bij te leveren.
F0F0214m

Bij kinderen met een gewicht tussen 22 en 36 kg is de borstomvang van dien aard dat de kinderen gewoon tegen de rugleuning kunnen steunen en niet meer in een kinder-zitje hoeven te worden vervoerd.
In fig. 28 wordt een voorbeeld gegeven van de juiste positie van het kind op de achterbank.
Kinderen die langer zijn dan 1,50 m kunnen net zoals volwassenen de veiligheidsgordels omleggen.

De Fiat Scudo voldoet aan de nieuwe Europese 2000/3/EU-richtlijnen voor de montage van kinderzitjes op de verschillende plaatsen in de auto. Zie de volgende tabel:
| Groep | Gewicht | Zijzitplaats voor (Individueel/ bank met 2 zit- plaatsen) | Bank met 2 zit- plaatsen 1c rij - middelste stoel | Individuele stoel 2e rij | Bank met 2 zitplaatsen 2e rij - zijzitplaats | Bank met 2 zitplaatsen 2e rij - middelste stoel |
| Groep 0, 0+ to: aan 13 kg U-L X | U U-L X | |||||
| Groep 1 9 - 18 kg U-L X U-L U | U-L U | |||||
| Groep 2 15 - 25 kg U U U U U | ||||||
| Groep 3 22 - 36 kg U X U U X | ||||||
| Groep | Gewicht | Bank met 3 zitplaatsen2e rij - zij zitplaats | Bank met 3 zitplaatsen2e rij - middelste stoel | Bank met 3 zitplaatsen3e rij - zij zitplaats | Bank met 3 zitplaatsen3e rij - middelste stoel |
| Groep 0, 0+ tot aan | 13 kg U X U X | ||||
| Groep 1 9 - 18 kg | U-L U U U | ||||
| Groep 2 15 - 25 kg | U X U U | ||||
| Groep 3 22 - 36 kg | U X U X |
Legenda
U: geschikt voor "Universele" kinderzitjes overeenkomstig de Europese ECE/R44-voorschriften voor de aangegeven "Groepen".
X: geen enkel kinderzitje
L: geschikt voor kinderzitjes die speciaal ontworpen zijn voor de vermelde groep. Deze kinderzitjes zijn opgenomen in het Fiat Lineaccessori-programma.
Hieronder zijn de richtlijnen voor een veilig vervoer van kinderen aangegeven, waaraan u zich dient te houden:
1) Plaats het kinderzitje bij voorkeur op één van de zitplaatsen achter omdat deze plaatsen bij een ongeval de meeste bescherming bieden.

ATTENTIE
Monteer absoluut geen kinderzitje op de passagiersstoel voor als deze is uitgerust met een airbag, omdat kinderen nooit op de voorstoel mogen reizen.
2) Als de airbag aan passagierszijde buiten werking wordt gesteld, moet altijd gecontroleerd worden of het betreffende lampje op het instrumentenpaneel constant brandt.
3) Houdt u bij de montage van het kinderzitje strikt aan de instructies. De fabrikant is verplicht deze instructies bij te leveren. Bewaar de instructies samen met het instructieboek in de auto. Monteer geen gebruikte kinderzitjes waarvan de gebruiksaanwijzingen ontbreken.
4) Controleer of de gordels goed zijn vastgemaakt door aan de gordelband te trekken.
5) leder veiligheidssysteem is bedoeld voor slechts een kind: vervoer nooit twee kinderen in een systeem.
6) Controleer altijd of de gordel niet langs de nek van het kind loopt.
7) Zorg er tijdens de rit voor dat het kind geen afwijkende houding aanneemt of de gordels losmaakt.
8) Vervoer kinderen nooit in uw armen, ook geen pasgeboren kinderen. Niemand is sterk genoeg om ze bij een ongeval vast te houden.
9) Na een ongeval moet het zitje door een nieuw exemplaar worden vervangen.
INSTRUMENTENPANEEL (BEHALVE UITVOERINGEN MET AIR-BAG AAN PASSAGIERSZIJDE)

fig. 29 - Uitvoering 2.0 16V
F0F0326m

fig. 30 - Uitvoering 1.9D en 2.0 JTD
F0F0252m
A - Koelvloeistoftemperatuur-
meter
B - Snelheidsmeter
C - Onderhoudsmeter en kilometer-teller/dagteller - Digitaal klokje - Olieniveaumeter
D - Toerenteller
E - Brandstofmeter met waarschu-
wingslampje voor brandstofreserve
A - Koelvloeistoftemperatuur-
meter
B - Snelheidsmeter
C - Onderhoudsmeter en kilometer-teller/dagteller - Digitaal klokje - Olieniveaumeter
D - Toerenteller
E - Brandstofmeter met waarschu-
wingslampje voor brandstofreserve
INSTRUMENTENPANEEL (UITVOERINGEN MET AIRBAG AAN PASSAGIERSZIJDE)

fig. 31 - Uitvoering 2.0 16V
F0F0588m

fig. 32 - Uitvoering 1.9D en 2.0 JTD
F0F0589m
A - Brandstofmeter met waarschu-wingslampje voor brandstofreserve.
B - Toerenteller.
C - Snelheidsmeter.
D - Koelvloeistoftemperatuur- meter en waarschuwingslampje voor te hoge koelvloeistoftemperatuur.
E - Controle-/waarschuwingslampjes.
F - Onderhoudsmeter.
G - Buitentemperatuurmeter (trip-computer, indien aanwezig).
INSTRUMENTEN (BEHALVE UITVOERINGEN MET AIRBAG AAN PASSAGIERSZIJDE)
SNELHEIDSMETER KILOMETERTELLER
A - Druktoets voor regelen onderhoudsmeter en het op nul zetten van de kilometerteller.
B - LCD-display met:
I - waarschuwingslampje onderhoudsmeter;
2 - onderhoudsmeter en kilometer-teller/dagteller en olieniveaumeter;
3 - digitaal klokje.
F0F0260m

fig. 33
Als u kort op knopje A drukt, kunt u wisselen tussen de weergave van het totaal aantal kilometers en de dagstand.
De kilometerteller 2 bewaart de laatst gekozen weergave in het geheugen.
Druk op knopje A om de dagteller op nul te zetten zodat de kilometer-teller 2 drie keer knippert en "0" aangeeft.
OLIENIVEAUMETER fig. 34
Op de kilometerteller kan het niveau van de motorolie grafisch worden weergegeven. Het niveau moet tussen het MIN- en MAX-merkteken staan.
Ga voor het meten als volgt te werk:
I) draai bij uitgezette motor de contactsleutel in stand M;
2) na 5 seconden gaan het contro-lelampje 1 en het min- en max-merkteken branden, en verschijnen op de kilometerteller 2 gedurende 10 seconden de volgende symbolen:
- 6 vierkantjes: olieniveau maximaal;
- I vierkantje en 5 streepjes: olie-niveau op minimum;
- 6 knipperende streepjes: olie-niveau onder het minimum.

fig. 34
3) als tijdens het meten de motor wordt gestart, geeft de kilometerter- ler het totaal aantal kilometers aan of de dagstand en de tijd fig. 35.
Als u op knop A-fig. 33 drukt, is het mogelijk vooruit te lopen op de conclusie van de meting; in dat geval wordt de totale kilometerstand en de tijd fig. 35 aangegeven.
KOELVLOEISTOFTEMPERA-TUURMETER fig. 36
Onder normale omstandigheden staat de wijzernaald van de koelvloeistoftemperatuurmeter ongeveer in het midden van de schaal. Als de wijzernaald aan het einde van de schaal komt, betekent dit dat de motor overbelast wordt en dat er gas moet worden teruggenomen.
Het branden van waarschuwingslampje A duidt op een te hoge koelvloeistoftemperatuur.
De wijzernaald kan ook in het rode gebied komen, terwijl u met hoge buitentemperaturen langzaam rijdt. Het is in dat geval raadzaam te stoppen en de motor uit te zetten. Start vervolgens opnieuw en trap het gaspedaal iets in.

Zet de motor uit als het lampje ondanks de maatregelen blijft bran-
den, en wendt u tot de Fiat-dealer.

fig. 35

fig. 36
TOERENTELLER
Uitvoeringen 2.0 16V - fig. 37
Uitvoeringen 1.9 D en 2.0 JTD - fig. 38
Als de wijzernaald in het rode gebied staat, betekent dit dat de motor met extreem hoge toerental- len draait. Deze toerentallen mogen slechts kort worden aangehouden.
De motor is voorzien van een toerenbegrenzer.
BELANGRIJK De regeleenheid van de elektronische inspuiting blokkeert tijdelijk de toevoer van brandstof als de motor met te hoge toerentallen draait, waardoor het motorvermogen zal afnemen.
BRANDSTOFMETER fig. 39
Het waarschuwingslampje A van de reservebrandstof gaat branden, als er nog 5 tot 7 liter brandstof in de tank aanwezig is.
Rijd niet met een bijna lege tank: door een onregelmatige brandstoftoevoer kan de katalysator beschadigen.

fig. 37

fig. 38

fig. 39
LICHTSTERKTEREGELAAR INSTRUMENTENPANEEL
De lichtsterkteregelaar werkt bij een draaiende motor en ingeschakelde parkeerverlichting.
De lichtsterkte kan geregeld worden met knop B-fig. 40:
- als u de knop telkens kort indrukt, verandert de lichtsterkte van het instrumentenpaneel geleidelijk;
- als u de knop ingedrukt houdt, verandert de lichtsterkte snel.
DIGITAAL KLOKJE fig. 41
Het klokje kan worden ingesteld als de motor uitstaat en de contact-sleutel in stand M staat.
Uren instellen
Als u ten minste 3 seconden knopje B-fig. 40 indrukt, gaan de uren knipperen.
Elke keer als u het knopje indrukt, verspringt het klokje een eenheid. Als u het knopje even ingedrukt houdt, lopen de cijfers automatisch snel door.
Als u dichtbij de juiste tijd bent, laat u het knopje los en stelt u de exacte tijd in door het knopje telkens in te drukken en los te laten.
Minuten instellen
Als u de uren hebt ingesteld, laat u knopje B even los en beginnen de minuten te knipperen.
Met knopje B kunnen de minuten op dezelfde wijze worden ingesteld af als de uren.
Als u het knopje loslaat, worden na 5 seconden de cijfers constant weergegeven en werkt het klokje op de normale wijze.
Als het portier aan bestuurderszijde wordt geopend, wordt het klokje weergegeven; de weergave dooft een minuut na het sluiten van het portier. Als het portier aan bestuurderszijde geopend blijft, dooft de weergave van het klokje na 10 minuten.

fig. 40

fig. 41
ONDERHOUDSMETER
De onderhoudsmeter geeft door middel van het waarschuwingslampje 1-fig. 42 en de kilometerteller 2, het aantal kilometers aan waarna de motorolie en het oliefilter vervangen dienen te worden op basis van het onderhoudsschema.
De onderhoudsmeter wordt alleen weergegeven als de motor stilstaat en de contactsleutel in stand M staat.
Werking
Draai de contactsleutel in stand M, het waarschuwingslampje I gaat 5 seconden branden en op de kilometer-teller 2 wordt het aantal kilometers aangegeven dat nog kan worden afgelegd tot de volgende onderhouds-beurt.
Voorbeeld fig. 43: als u de contactsleutel in stand M draait, geeft de kilometerteller 2 gedurende 5 seconden aan dat er nog 4.800 km kunnen worden afgelegd tot de volgende onderhoudsbeurt.
Na deze 5 seconden hervat de kilo- meterteller 2 zijn normale werking en geeft het totaal aantal kilometers of de dagstand aan fig. 44.
BELANGRIJK Wij raden u aan direct contact op te nemen met de Fiat-dealer bij eventuele storingen in de werking en niet te wachten tot de volgende onderhoudsbeurt.
Onderhoudsinterval < 1.000 km
Voorbeeld fig. 45: als u de contactsleutel in stand M draait, geeft de kilometerteller 2 gedurende 5 seconden aan dat er nog 900 km kunnen worden afgelegd tot de volgende onderhoudsbeurt.

fig. 42

fig. 43

fig. 44

Na deze 5 seconden hervat de kilometerteller zijn normale werking maar het waarschuwingslampje I blijft branden en geeft aan dat er binnenkort een onderhoudsbeurt moet worden uitgevoerd. De kilometerteller 2 geeft het totaal aantal kilometers of de dagstand aan fig. 46.
Onderhoudsinterval overschreden fig. 47
Als u de sleutel in stand M draait, gaan het waarschuwingslampje I en de kilometerteller 2 5 seconden branden.
Voorbeeld: de onderhoudsbeurt is al 300 km overschreden. De onderhoudsbeurt moet zo snel mogelijk worden uitgevoerd.
Op de kilometerteller 2 wordt het aantal overschreden kilometers aangegeven, voorafgegaan door het minteken “-”.
Als de contactsleutel in stand M wordt gedraaid, blijft het waarschuwingslampje 1-fig. 48 5 seconden branden en geeft de kilometerteller 2 het totaal aantal kilometers of de dagstand aan.
BELANGRIJK Als het maximale tijdsinterval tussen twee olieverversingsbeurten (18 maanden) is bereikt voor de vastgestelde kilometerstand, gaat het waarschuwingslampje 1-fig. 49 branden en geeft de kilometerteller 2 "0" aan.

fig. 46

fig. 47

fig. 48
Configuratieprocedure
De onderhoudsmeter is ingesteld op normale gebruiksomstandigheden van de auto.
Als de auto onder zware of zeer zware gebruiksomstandigheden wordt gebruikt (bijvoorbeeld: trekken van aanhangers, stoffige wegen, veel korte ritten met temperaturen onder nul of lange ritten bij lage snelheden), dan moet de motorolie vaker worden vervangen dan in het onderhoudsschema staat aangegeven.
Onderhoudsinterval
Als u het onderhoudsinterval wilt veranderen, moet u de contactsleutel in stand S draaien, knopje A-fig. 50 indrukken en ingedrukt houden en vervolgens de contactsleutel in stand M: draaien: het aantal nog af te leggen kilometers tot de volgende onderhoudsbeurt begint te knipperen.
Als u het knopje A onmiddellijk weer loslaat, verschijnt op de kilometertel- ler 2-fig. 51 het onderhoudsinterval.
Door het knopje telkens kort in te drukken, verschijnt er een menu waar- in u het gewenste onderhoudsinterval kunt instellen:
a) voor de uitvoeringen 1.9 D:
- iedere 15.000 km bij normaal gebruik;
- iedere 10.000 km bij gebruik onder zware omstandigheden;
- iedere 7.500 km bij gebruik onder zeer zware omstandigheden.
b) voor de uitvoeringen 2.0 16V en 2.0 JTD:
- iedere 30.000 km bij normaal gebruik;
- iedere 15.000 km bij gebruik onder zware omstandigheden;
- iedere 10.000 km bij gebruik onder zeer zware omstandigheden.

Als het gewenste onderhoudsinterval op het display verschijnt, moet u 10 seconden knopje A indrukken en gaat het gekozen interval 10 seconden knipperen.
Als de cijfers op de kilometerteller 2-fig. 51 constant gaan branden, moet u het knopje loslaten om de waarde te bevestigen.
Op nul zetten
BELANGRIJK De Fiat-dealer zet de onderhoudsmeter na iedere olie-verversingsbeurt op nul.
Om de onderhoudsmeter op nul te zetten, moet u de contactsleutel in stand S draaien, knopje A-fig. 50 indrukken en ingedrukt houden.
Als u de sleutel in stand M draait, gaat het aantal kilometers tot de volgende olieverversingsbeurt knipperen. Houd knopje A-fig. 50 10 seconden ingedrukt; na deze 10 seconden geeft de kilometerteller “=0” aan fig. 53 en dooft het waarschuwingslampje I-fig. 52.

fig. 52

A - Snelheidsmeter.
B - Onderhoudsmeter/Kilometer-teller (totaal- of dagstand).
C - Druktoets voor configuratie en het op nul zetten van het instrument.
Gewoonlijk geeft het display B-fig. 54 het totaal aantal afgelegde kilometers aan.
DAGTELLER
Druk op knopje C-fig. 54 om de dagstand op het display weer te geven.
Druk op knopje C om de dagteller op nul te zetten.
KOELVLOEISTOFTEMPERA-TUURMETER fig. 55
Onder normale omstandigheden staat de wijzernaald van de koelvloeistoftemperatuurmeter ongeveer in het midden van de schaal. Als de wijzernaald in de buurt van het rode gebied komt, betekent dit dat de motor overbelast wordt en dat er gas moet worden teruggenomen.
Het branden van waarschuwingslampje B duidt op een te hoge koelvloeistoftemperatuur.
De wijzernaald kan ook in het rode gebied komen, terwijl u met hoge buitentemperaturen langzaam rijdt. Het is in dat geval raadzaam te stoppen en de motor uit te zetten. Start vervolgens opnieuw en trap het gaspedaal iets in.

fig. 54

fig. 55

Zet de motor uit als het lampje ondanks de maatregelen blijft branden, en u tot de Fiat-dealer.
BRANDSTOFMETER fig. 56
Het waarschuwingslampje A van de reservebrandstof gaat branden, als er nog 5 tot 7 liter brandstof in de tank aanwezig is.
Rijd niet met een bijna lege tank: door een onregelmatige brandstoftoevoer kan de katalysator beschadigen.
OLIENIVEAUMETER fig. 57
Onder normale rij-omstandigheden bevindt de wijzernaald zich aan de linkerzijde en is de meter gedoofd.
Als de contactsleutel in stand A of M staat, gaat de meter 2 of 3 seconden branden en geeft het olieniveau in het motorcarter aan.
Als de wijzernaald in het rode gebied staat en het waarschuwingslampje knippert ongeveer 15 seconden, dan is het olieniveau onder de minimum waarde gezakt en moet er olie worden bijgevuld.
TOERENTELLER
Als de wijzernaald in het rode gebied staat, betekent dit dat de motor met extreem hoge toerentallen draait. Deze toerentallen mogen slechts kort worden aangehouden.
De motor is voorzien van een toerenbegrenzer.
I - Toerenteller bij benzine-uitvoeringen fig. 58.
2 - Toerenteller bij dieseluitvoeringen fig. 59.

fig. 57
BELANGRIJK De regeleenheid van de elektronische inspuiting blokkeert tijdelijk de toevoer van brandstof als de motor met te hoge toerentallen draait, waardoor het motorvermogen zal afnemen.

fig. 58

fig. 59

fig. 56

fig. 57
ONDERHOUDSMETER fig. 60
De onderhoudsmeter geeft door middel van het waarschuwingslampje 1 en de kilometerteller 3, het aantal kilometers aan waarna de motorolie en het oliefilter vervangen dienen te worden op basis van het onderhoudsschema.
I - Waarschuwingslampje onderhoudsmeter.
2 - Druktoets voor configuratie en het op nul zetten van het instrument.
3 - Kilometerteller.

fig. 60

Gebruik uitsluitend motorolie met de voorge-schreven specificaties (zie
"Specificaties van de smeermiddelen en vloeistoffen" in het hoofdstuk "Technische gegevens"). Hierdoor worden de in het onderhoudsschema aangegeven intervallen gegarandeerd.
Werking
Draai de contactsleutel in stand M, het waarschuwingslampje 1-fig. 61 gaat 5 seconden branden en op het display 2-fig. 61 wordt het aantal kilometers aangegeven dat nog kan worden afgelegd tot de volgende onderhoudsbeurt.
Als u de contactsleutel in stand M draait, geeft het display 2-fig. 61 na 5 seconden het totaal aantal kilometers of de dagstand aan.
BELANGRIJK Wij raden u aan direct contact op te nemen met de Fiat-dealer bij eventuele storingen in de werking en niet te wachten tot de volgende onderhoudsbeurt.
Onderhoudsinterval na of voor 1000 km
Als u de contactsleutel in stand M draait, wordt het aantal kilometers aangegeven dat nog kan worden afgelegd tot de volgende onderhoudsbeurt.
Als u de contactsleutel in stand M draait geeft het display 2-fig. 61 na 5 seconden het totaal aantal kilometers of de dagstand aan; het waarschuwingslampje 1-fig. 61 blijft branden als de onderhoudsinterval voor 1000 km is en dooft bij onderhouds-intervallen na 1000 km.

fig. 61
Onderhoudsinterval overschreden
Als u de sleutel in stand M draait, gaan het waarschuwingslampje I en het display 2-fig. 62 5 seconden knipperen.
Op het display wordt het aantal overschreden kilometers aangegeven, voorafgegaan door het minteken.
Als u de contactsleutel in stand M draait, blijft het waarschuwingslampje 1-fig. 63 5 seconden branden en geeft het display 2 het totaal aantal kilometers of de dagstand aan.
BELANGRIJK Als het maximale tijdsinterval tussen twee olieverversingsbeurten (18 maanden) is bereikt voor de vastgestelde kilometerstand, gaat het waarschuwingslampje 1-fig. 63 branden en geeft het display 2 0 km aan.
Configuratieprocedure
Als de auto onder zware of zeer zware gebruiksomstandigheden wordt gebruikt, moet het onderhoudsschema "bijzondere omstandigheden" worden toegepast met kortere onderhoudsintervallen.
I - Onderhoudsinterval
Als u het onderhoudsinterval wilt veranderen, moet u de contactsleutel in stand S draaien, knopje I-fig. 64 indrukken en ingedrukt houden en vervolgens de contactsleutel in stand M draaien: het aantal nog af te leggen kilometers tot de volgende onderhoudsbeurt of het aantal kilometers waarmee het onderhoudsinterval is overschreden, begint te knipperen.
Als u knopje 1-fig. 64 onmiddellijk weer loslaat, verschijnt op het display het onderhoudsinterval.
Door knopje 1-fig. 64 telkens kort in te drukken, kunt u het gewenste onderhoudsinterval instellen:
- iedere 30.000 km / 12.500 mijl bij normaal gebruik;
- iedere 15.000 km / 10.000 mijl bij gebruik onder zware omstandigheden.

fig. 62

fig. 63

fig. 64
Als het gewenste onderhoudsinterval op het display verschijnt, moet u 10 seconden knopje 1-fig. 64 indrukken (de gekozen interval knippert 10 seconden).
Laat het knopje los zodra het display niet meer knippert.
2 - Op nul zetten
Om de onderhoudsmeter op nul te zetten, moet u de contactsleutel in stand S zetten en knopje I-fig. 65 indrukken en ingedrukt houden. Draai de contactsleutel in stand M; houd knopje I-fig. 66 ingedrukt; na 10 seconden is het display op nul gezet en dooft het waarschuwingslampje 2.
BELANGRIJK De Fiat-dealer zet de onderhoudsmeter na iedere olie-verversingsbeurt op nul.
Buitentemperatuur fig. 67
Als de buitentemperatuur tussen -3°C en +5°C ligt, knippert het symbool °C om aan te geven dat er kans is op gladheid.

fig. 65

De lampjes branden in de volgende gevallen:

RICHTINGAANWIJ-ZERS
(knipperend) (groen)

Als u de hendel van de richtingaanwijzers (pijlen) bedient.

BUITENVERLICH- TING
(groen)
Als de buitenverlichting is ingeschakeld.

DIMLICHT (groen)
Als de buitenverlichting en het dimlicht zijn inge-
schakeld.

GROOTLICHT (blauw)
Als het grootlicht is inge-
schakeld.

DEFECT IN HET AN- TI-BLOKKEERSYS- TEEM (ABS) (geel)
Als het ABS niet goed werkt. Het conventionele remsysteem blijft werken. Wendt u echter zo spoedig mogelijk tot de Fiat-dealer.

ATTENTIE
De auto is uitgerust met een elektronische remdrukverdeling (EBD). Als bij een draaiende motor tegelijkertijd de waarschuwingslampjes (S) en (P) (I) gaan branden, dan is er een storing in het EBD-systeem; in dat geval kunnen bij hard remmen de achterwielen vroegtijdig blokkeren waardoor de auto kan gaan slippen. Rijd zeer voorzichtig naar de dichtstbijzijnde Fiat-dealer om het systeem te laten controleren.

ATTENTIE
Als bij een draaiende motor alleen het waarschuwingslampje ⑧gaat branden, dan is er een storing in het ABS-systeem. In dat geval werkt het conventionele remsysteem op de normale manier, terwijl geen gebruik wordt gemaakt van het anti-blokkeersysteem. Onder deze omstandigheden kan ook de werking van het EBD-systeem verminderen. Ook in dit geval raden wij u aan onmiddellijk en zeer voorzichtig naar de dichtstbijzijnde Fiat-dealer te rijden, om het systeem te laten controleren.

VERSLETEN REM- BLOKKEN VOOR (geel)
Als de remblokken voor versleten zijn. Laat ze vervangen en laat ook de achterremmen controleren.

BRANDSTOF-RESERVE (geel)
Als er nog 5 tot 7 liter
brandstof in de tank aanwezig is.

STORING IN AIR- BAG (geel)
Als het systeem niet goed
werkt.

Als u de contactsleutel in stand M draait, gaat het lampje branden. Na on-
geveer 6 seconden moet het lampje doven. Als het lampje niet gaat branden, blijft branden of tijdens het rijden gaat branden, zet dan onmiddellijk de motor uit en wendt u tot de Fiat-dealer.

STORING IN MO- TORMANAGEMENT- SYSTEEM (EOBD)
(alleen benzine-uitvoeringen) (geel)
Als u onder normale omstandigheden de contactsleutel in stand M draait, gaat het lampje branden. Na het starten van de motor moet het lampje doven. Het lampje gaat eerst branden om de juiste werking ervan aan te ge- ven.
Als het lampje blijft branden of tijdens het rijden gaat branden:
- Constant branden - duidt op een defect in het inspuit-/ontstekings- systeem. Dit kan tot gevolg hebben dat schadelijke uitlaatgasemissie toeneemt, de prestaties verminderen, de auto slechter gaat rijden en het brandstofverbruik toeneemt.
U kunt onder deze omstandigheden doorrijden zonder te veel van de motor te eisen of met hoge snelheid te rijden. Wendt u zo snel mogelijk tot de Fiat-dealer.
Het lampje dooft als de storing verdwijnt. De storing wordt door het systeem in het geheugen opgeslagen.
- Knipperend - duidt op een mogelijke beschadiging van de katalysator (zie "eobd-systeem" in dit hoofdstuk).
Als het lampje knippert, moet het gaspedaal worden losgelaten zodat de motor met lage toerentallen draait en het lampje niet meer knippert; u kunt met matige snelheid doorrijden waarbij rij-omstandigheden moeten worden vermeden die kunnen leiden tot het opnieuw gaan knipperen van het lampje. Wendt u zo snel mogelijk tot de Fiat-dealer.

Als u de contactsleutel in stand M draait en het lampje k gaat niet bran-
den of het gaat branden of knipperen tijdens het rijden, wendt u dan zo snel mogelijk tot de Fiat-dealer.

(geel)
VOORGLOEI-INSTALLATIE (dieseluitvoeringen)
Als u de contactsleutel in stand M draait, gaat het lampje branden. Het lampje dooft als de voorgloeibougies de vooraf ingestelde temperatuur hebben bereikt.

STOP (rood)
Dit lampje gaat gelijktijdig
branden als één van de overige waarschuwingslampjes brandt.

ACCU WORDT NIET VOLDOENDE OPGELADEN (rood)
Als er een defect is in het laadcircuit van de dynamo. Als u de contactsleutel in stand M draait, gaat het lampje branden. Het moet doven nadat de motor is gestart.
Als de motor stationair draait, kan het voorkomen dat het lampje iets la- ter dooft.

HANDREM AANGE- TROKKEN/TE LAAG REMVLOEISTOFNI-
VEAU (rood)
In vier gevallen:
- als de contactsleutel in stand A staat, blijft het lampje gedoofd, onafhankelijk van de stand van de handrem;
- als de contactsleutel bij uitgezette motor in stand M staat, gaat het lampje op het instrumentenpaneel branden, onafhankelijk van de stand van de handrem;
- als de contactsleutel bij draaiende motor in stand M staat, gaat het lampje, afhankelijk van de stand van de handrem, wel of niet branden;
- tegelijkertijd met lampje Ⓢ om een storing aan te geven in de elektronische remdrukverdeling EBD.

TE LAGE MOTOR- OLIEDRUK
(rood)
Als de motoroliedruk onder de nor- male waarde zakt.
Als u de contactsleutel in stand M draait, gaat het lampje branden. Het moet doven nadat de motor is gestart.
Als de motor stationair draait, kan het voorkomen dat het lampje iets la- ter dooft.
Als de motor zwaar belast is, kan het lampje gaan knipperen als de motor stationair draait. Het moet doven zo- dra u iets gas geeft.

ATTENTIE
Als het lampje gaat branden tijdens het rijden, zet
dan de motor uit en wendt u tot de Fiat-dealer.

TE HOGE KOEL-VLOEISTOF-TEMPE-RATUUR (rood)
Als de temperatuur van de koelvloeistof de maximum waarde overschrijdt.

TE LAAG KOEL-VLOEISTOF-NIVEAU (rood)
Als het koelvloeistofniveau onder het minimumniveau is gedaald.

STORING IN AUTOMATISCHE VERSNELLINGSBAK (rood)
Het lampje op het instrumentenpaneel gaat in de volgende gevallen branden:
I. Als u de contactsleutel in stand M draait, gaat het lampje branden. Het moet doven nadat de motor is gestart.
2. Constant branden: duidt op een te hoge olietemperatuur in de elektronisch geregelde automatische versnellingsbak. Het is raadzaam de auto stil te zetten met stationair draaiende motor en geleidelijk gas te geven voor een snellere afkoeling, totdat het lampje dooft.
3. Knipperend: duidt op een storing in de elektronisch geregelde automatische versnellingsbak.
Wendt u zo spoedig mogelijk tot de dichtstbijzijnde Fiat-dealer om de storing te laten verhelpen.
VERWARMING EN VENTILATIE

A - Verstelbaar luchtrooster zijkant.
B - Uitstroomopening voor ontwa- semen of ontdooien van de zijruiten voor.
C - Uitstroomopening voor ontwa- semen of ontdooien van de voorruit.
D - Bovenste luchtrooster in het midden.
E - Verstelbaar luchtrooster in het midden.
F - Uitstroomopeningen aan de zijkant.
G - Uitstroomopening middenonder.
De roosters kunnen naar boven en naar beneden gekanteld worden.
A - Knop voor het regelen van de luchtopbrengst:
draai in stand Erooster open
draai in stand ↕ rooster dicht.
B - Regelschuif voor het richten van de luchtstroom.
C - Vaste uitstroomopening voor zij- ruiten fig. 69.
BELANGRIJK De verstelbare luchtroosters in het midden fig. 70-71 zijn alleen aanwezig op bepaalde uitvoeringen.
F0F0035m

fig. 70
VERWARMING EN VENTILATIE
BEDIENINGSKNOPPEN fig. 72
A - Schuif om het recirculatiesysteem in te schakelen, waarbij er geen lucht van buiten binnenkomt.
B - Schuif voor de luchtverdeling.
C - Schuif voor het inschakelen van de aanjager.
D - Schuif voor de regeling van de luchttemperatuur (menging van warme/koude lucht).

fig. 69

fig. 71

fig. 72
VERWARMING
1) Schuif voor de luchttemperatuur: in het rode vlak.
2) Schuif voor de aanjager: op de gewenste snelheid.
3) Schuif voor de luchtverdeling:
in stand 📋 voor verwarming van de beenruimte en ontwaseming van de voorruit.
in stand °° voor verwarming van de beenruimte van de inzittenden.
in stand 🌐 voor verwarming van de hoofdruimte van de inzittenden.
4) Schuif voor de recirculatie (indien aanwezig): zet de schuif in stand voor een snellere verwarming, waarbij alleen de lucht in het interieur circuleert.
Voor een snelle verwarming van de beenruimte moeten de bovenste luchtroosters gesloten zijn.
EXTRA VERWARMING (indien aanwezig)
De auto is uitgerust met een extra verwarming, waardoor de motor bij koud weer sneller op bedrijfstemperatuur komt en in het interieur sneller een comfortabele temperatuur wordt bereikt.
De extra verwarming werkt bij een draaiende motor als de buitentemperatuur lager is dan 10°C en de motor nog niet de normale bedrijfstemperatuur heeft bereikt.
BELANGRIJK Als de motor stationair draait en de auto stilstaat, dan kunnen er verbrandingsresten (rook en geur) waarneembaar zijn uit de uitlaat van de extra verwarming: deze uitlaat bevindt zich onder het rechter voorspatbord.
Druk op knop (indien aanwezig).
Zodra de achterruiten ontwasemd zijn, is het raadzaam de verwarming weer uit te schakelen.
Voorruit en zijruiten
I) Schuif voor de luchttemperatuur: in het rode vlak.
2) Schuif voor de aanjager: schakel de maximale snelheid in.
3) Schuif voor de luchtverdeling: in stand 🌐.
4) Schuif voor de luchtrecirculatie in stand ⚙, waarbij lucht van buiten binnenkomt.
Nadat de ruiten ontwasemd zijn, kan een stand gekozen worden waarbij het zicht optimaal blijft.
BELANGRIJK Als de auto is uitgerust met handbediende airconditioning, wordt het ontwasemen van de ruiten versneld door naast de bovengenoemde instellingen ook knop E-fig. 74 in te drukken.
VENTILATIE
I) Zij- en middenroosters: geheel open.
2) Schuif voor de luchttemperatuur: in het blauwe vlak.
3) Schuif voor de luchtverdeling: in stand
4) Schuif voor de aanjager: op de gewenste snelheid.
5) Schuif voor de luchtverdeling: in stand 🚗.
RECIRCULATIE (indien aanwezig)
Als de schuif in stand ⒺA-fig. 73 staat, circuleert alleen de lucht in het interieur.
BELANGRIJK Dit systeem is vooral bruikbaar bij geconcentreerde luchtvervuiling (in de file, in tunnels enz.). Het is niet raadzaam dit systeem langdurig te laten werken, vooral niet als u met meer personen in de auto zit.
AIRCONDITIONING, HANDBEDIEND (indien aanwezig)
BEDIENINGSKNOPPEN fig. 73-74
A - Schakelaar om het recirculatie-
systeem in te schakelen.
B - Schuif voor de luchtverdeling.
C - Schuif voor het inschakelen van de aanjager.
D - Schuif voor de regeling van de luchttemperatuur (menging van warme/koude lucht).

fig. 73

fig. 74
E - Schakelaar om de handbediende airconditioning in- en uit te schakelen. Als u deze schakelaar indrukt, schakelt tevens de aanjager automatisch in op stand I.
BELANGRIJK Als u het recirculatiesysteem inschakelt, koelt de lucht bij zomerse temperaturen sneller af. Ook is dit systeem bruikbaar bij geconcentreerde luchtvervuiling (in de file, in tunnels enz.). Het is niet raadzaam dit systeem langdurig te laten werken, vooral niet als u met meer personen in de auto zit.

Het systeem gebruikt koelmiddel RI34a. Bij lekkage is dit middel niet schadelijk voor het milieu. Gebruik in geen geval het middel R12, omdat dit middel de componenten van de auto kan beschadigen.
AIRCONDITIONING (KOELING)
I) Schuif voor de luchttemperatuur: in het blauwe vlak.
2) Airconditioning: druk op schakelaar E-fig. 74.
3) Schuif voor de aanjager: op de gewenste snelheid.
4) Schuif voor de luchtverdeling: in stand
Voor een gematigde koeling: verhoog de temperatuur en verlaag de snelheid van de aanjager.
Schakel de airconditioning niet in voor het verwarmen en ventileren, maar gebruik daarvoor de basisfuncties van het verwarmings- en ventilatiesysteem (zie vorige hoofdstuk).
BELANGRIJK De airconditioning kan goed gebruikt worden om de ruiten sneller te ontwasemen, omdat de lucht droger wordt. Zet hiervoor de bedieningsknoppen op ontwasemen en schakel de airconditioning in door op schakelaar E te drukken.
Met de linker hendel bedient u de meeste onderdelen van de buitenver- lichting.
Als het niet nodig is de buitenver- lichting te laten branden, moet u, voordat u de auto verlaat, controleren of de hendel in stand 0 staat. Hierdoor voorkomt u dat de accu ontladt.
Als bij uitgenomen contactsleutel de buitenverlichting nog brandt, klinkt er een akoestisch waarschuwingssignaal.

fig. 75
Claxon fig. 75
Druk in de richting van de pijl om te claxonneren.
Buitenverlichting fig. 76
Draai de draaiknop van stand 0 in stand ⚙. Op het instrumentenpaneel gaat het controlelampje ⚙ branden.
Bij het openen van één van de portieren en bij uitgenomen sleutel, hoort u een akoestisch signaal als de buitenverlichting nog is ingeschakeld. Het akoestische signaal houdt op als u de verlichting uitschakelt, de portieren sluit of als u de motor start.
Dimlicht fig. 77
Draai de schakelaar van stand in stand Ⓞ D ≡ D .
Op het instrumentenpaneel gaat het controlelampje 📋branden.
Grootlicht fig. 78
Trek de hendel in de richting van het stuur, als de schakelaar reeds in stand ∅ ∃○ staat.
Op het instrumentenpaneel gaat het controlelampje Eßbranden.
Het grootlicht dooft als u de hendel nogmaals naar het stuur trekt.
Trek de hendel naar het stuur (stand zonder vergrendeling).

fig. 78

fig. 76

fig. 77

fig. 79
Mistlampen voor (indien aanwezig) fig. 80
Ga voor het inschakelen van de mistlampen voor als volgt te werk:
- draai knop A in stand ≡≡≡ dim- licht ingeschakeld;
- draai knop B in stand #D mistlampen voor ingeschakeld.
Mistachterlicht fig. 80
Ga voor het inschakelen van het mistachterlicht als volgt te werk:
- draai knop A in stand ⚙, buitenverlichting ingeschakeld;
- draai knop B in stand ⌘, mistachterlicht ingeschakeld.
Het mistachterlicht schakelt automatisch uit als u de motor uitzet of de verlichting uitschakelt. Als u bij nog ingeschakeld mistachterlicht de motor weer start, gaat het mistachterlicht automatisch weer branden.
BELANGRIJK Het mistachterlicht kan hinderlijk zijn voor de weggebruikers achter u. Doof daarom bij stukken met goed zicht het mistachterlicht.
Richtingaanwijzers (pijlen) fig. 81
Plaats de hendel:
naar boven - rechter richtingaanwijzer ingeschakeld
naar beneden - linker richtingaanwijzer ingeschakeld.
Op het instrumentenpaneel gaat het controlelampje ⇔ of → knipperen.

fig. 80

fig. 81
De richtingaanwijzers schakelen automatisch uit als de auto weer rechtuit rijdt.
Als u kort richting aan wilt geven (wisselen van rijbaan), druk de hendel dan iets naar boven of naar beneden zonder dat de hendel vergrendelt. Zodra u de hendel loslaat, gaat deze automatisch terug.
HENDEL RECHTS
Ruitenwissers/-sproeiers fig. 82
Deze werken uitsluitend als de contactsleutel in stand A staat.
Bediening:
0 - Ruitenwissers uitgeschakeld.
I - Interval wissen.
2 - Langzaam continu wissen.
3 - Snel continu wissen.
4 - Tijdelijk langzaam continu wissen: als u de hendel loslaat, springt deze direct weer in stand 0 en schakelen de ruitenwissers automatisch uit.
Als u de hendel naar het stuur trekt fig. 83, schakelen de ruitensproeiers en de eventuele koplampsproeiers (als het dim- of grootlicht brandt) in, en werken de ruitenwissers enige slagen.

fig. 82

Deze vindt u boven de versnellingspook.
Knop A werkt alleen bij een draaiende motor.
Als u een knop indrukt, gaat op de knop zelf een lampje branden.
A - Inschakelen van de achterruitverwarming (indien aanwezig). Deze schakelt na 12 minuten automatisch uit
B - In-/uitschakelen van de waarschuwingsknipperlichten.
Afhankelijk van de uitvoering bevindt zich onder het linker luchtrooster de knop voor het inschakelen van de "stoelverwarming".
Druk op knop B-fig. 84. De waarschuwingsknipperlichten werken onafhankelijk van de stand van de contactsleutel.
Als dit systeem is ingeschakeld, knipperen de lampjes ↔ op het instrumentenpaneel en het rode lampje op de knop zelf.
Druk de knop nogmaals in om het systeem uit te schakelen.

fig. 84

fig. 85

ATTENTIE
Het gebruik van de waarschuwingsknipperlichten is
afhankelijk van de verkeersvoorschriften in het land waarin u rijdt. U dient zich aan de voorschriften te houden.
KOPLAMPVERSTELLING
fig. 85
De bedieningsknop bevindt zich op het dashboard onder het linker lucht-rooster.
Zie voor het instellen van de kop- lamphoogte de paragraaf "Koplampen afstellen".
CRUISE-CONTROL (indien aanwezig)
Dit elektronische systeem maakt het mogelijk een constante, vooraf ingestelde kruissnelheid aan te houden, zonder het gaspedaal te bedienen. De ingestelde snelheid moet hoger zijn dan 40 km/h.
Dit systeem bestaat uit:
- knop A-fig. 86 om het systeem in of uit te schakelen;
- hendel B-fig. 87 om de ingestelde snelheid te verhogen, te verlagen of te wissen.

fig. 86
Opslaan van een snelheid: (alleen in de vierde of vijfde versnelling en bij een snelheid boven de 40 km/h): als u hendel B in stand I of 2 zet, wordt de huidige snelheid van de auto aangehouden en opgeslagen. De ingestelde snelheid kan, indien nodig, verhoogd worden door op het gaspedaal te trappen (bijv. bij inhalen); zodra u het pedaal weer loslaat, wordt de opgeslagen snelheid weer aangehouden.
Handmatig verhogen of verlagen van de snelheid met de hendel: houd bij ingeschakelde cruise-control de hendel tijdens de rit iets langer in stand 1 om de snelheid te verhogen of in stand 2 om de snelheid te verlagen met 2 km/h; als u de hendel loslaat, wordt de nieuwe snelheid gehandhaafd en opgeslagen.

fig. 87
Systeem uitschakelen: zet de hen-del kort in stand 3 (naar het stuur). Het systeem schakelt ook uit als u het rem- of koppelingspedaal intrapt.
Oproepen van een opgeslagen snelheid: zet na het intrappen van het rem- of koppelingspedaal of na uitschakeling van het systeem met hendel in stand 3, de hendel kort in stand 1 of 2 om de laatst opgeslagen snelheid op te roepen; om de nieuwe snelheid in te stellen de hendel iets langer in stand 1 of 2 plaatsen.
Wissen van een snelheid: druk voor het wissen van alle opgeslagen snelheden op knop A-fig. 86.
BELANGRIJK Gebruik de cruise-control uitsluitend als de verkeersomstandigheden of het wegdek een constante snelheid toelaten.
BRANDSTOF- NOOD- SCHAKELAAR
Deze veiligheidsschakelaar springt omhoog bij een ongeval, waardoor de toevoer van brandstof wordt gestopt en de motor afslaat.
Draai na een ongeval de contact-sleutel in stand S om te voorkomen dat de accu ontlaadt.

ATTENTIE
Als u na een ongeval een brandstoflucht ruikt of merkt dat het brandstofsysteem lekt, druk dan de schakelaar niet weer terug, zodat brand wordt voorkomen.
Als u geen brandstoflekkage waarneemt en de auto kan nog verder rijden, druk dan op knop A in de motorruimte om de brandstoftoevoer weer te herstellen.
fig. 88 uitvoeringen 2.0 16V - 2.0 JTD 16V
fig. 89 uitvoeringen 1.9 D - 2.0 JTD 8V
Om de versnellingen in te schakelen, moet u het koppelingspedaal geheel intrappen en vervolgens de versnellingspook in de gewenste stand plaatsen (het schakelschema staat op de knop van de pook).
BELANGRIJK De achteruit kan alleen bij een stilstaande auto worden ingeschakeld. Wacht met een draaiende motor en een geheel ingetrapt koppelingspedaal minstens 2 seconden, voordat u de achteruit inschakelt. Hiermee wordt voorkomen dat de tandwielen beschadigen.

fig. 88

U zet de pook vanuit de vrijstand op de volgende wijze in achteruit (R):
- Trek bij de JTD-uitvoeringen de schuifring A-fig. 90 onder de knop omhoog en verplaats de pook naar links en vervolgens naar achteren.
- Verplaats bij de benzine-uitvoeringen de pook naar rechts en vervolgens naar achteren fig. 91.

ATTENTIE
Om op de juiste wijze te schakelen, moet u het kop-
pelingspedaal geheel intrappen. Daarom mag er niets onder het pedaal liggen dat dit kan verhinderen. Let erop dat de vloermatten niet zijn dubbelgevouwen en zo de slag van de pedalen kunnen beperken.
ELEKTRONISCH GEREGELDE AUTOMATISCHE VERSNELLINGS- BAK
De automatische versnellingsbak beschikt over vier versnellingen vooruit plus een achteruit. De zelflerende elektronische regeling past het schakelprogramma automatisch aan aan de rijstijl van de bestuurder, de rijomstandigheden en de lading van de auto.
BELANGRIJK Lees alle informatie op deze en de volgende pagina's zorgvuldig door, zodat u voordat u met de auto gaat rijden, op de hoogte bent van de juiste werking van onder andere het beveiligingssysteem Shift-lock, waarmee de automatische transmissie is uitgerust.

fig. 90

fig. 91
SELECTORHENDEL fig. 92
P = Parkeren.
R = Achteruit rijden.
N = Vrijstand.
D = Vooruit rijden, waarbij automatisch uit de vier versnellingen wordt gekozen.
M = Sequentiële werking.
+ = Opschakelen naar een hogere versnelling bij sequentiële werking.
- = Terugschakelen naar een lage-re versnelling bij sequentiële werking.
STANDEN VAN DE SELECTORHENDEL
Vooruit rijden, waarbij automatisch uit de vier versnellingen wordt gekozen (D)
U gebruikt stand D binnen en buiten de bebouwde kom.

Voor de verplaatsing van de hendel van stand P naar D (P → D), van N
naar D (N→D) en van R naar D (R→D) moet de auto stilstaan, de motor stationair draaien en het rempedaal zijn ingetrapt.

fig. 92
Vrijstand (N)
Deze stand komt overeen met de vrijstand van een handgeschakelde versnellingsbak.

Om de hendel vanuit N te verplaatsen, moet de voet van het gaspedaal
worden genomen, de motor stationair draaien en de instructies en waarschuwingen in het hoofdstuk "Motor starten" worden aangehouden.
Met de hendel in stand N kan de motor gestart worden.
Achteruit rijden (R)

Deze stand kan alleen worden gekozen als de auto stilstaat, de motor
stationair draait en het gaspedaal volledig is losgelaten. Houdt u aan de instructies en waarschuwingen die in het hoofdstuk "Motor starten" vermeld staan.
Met de hendel in stand R kan de motor niet gestart worden.
Parkeren (P)
In stand P worden de aangedreven wielen mechanisch geblokkeerd.
Deze stand kan alleen worden gekozen als de auto stilstaat en de handrem eventueel is aangetrokken. Houdt u aan de instructies en waarschuwingen die in het hoofdstuk "Motor starten" vermeld staan.
BELANGRIJK Als de selectorhendel niet goed is geplaatst, knippert op het display de laatst ingeschakelde stand.
MOTOR STARTEN Als de motor bij de eerste poging
niet aanslaat, moet u de sleutel terugdraaien in stand S voordat u opnieuw start.

ATTENTIE
Het is gevaarlijk om de motor in een afgesloten ruim-
te te laten draaien. De motor verbruikt zuurstof en produceert koolmonoxide en andere giftige stoffen.

ATTENTIE
Raak de hoogspanningskabels (bougiekabels) nooit
aan als de motor draait.
Als met de contactsleutel in stand M het controlelampje CODE samen met het waarschuwingslampje blijft branden, raden wij u aan de sleutel in stand S te draaien en vervolgens weer in stand M; als het lampje nog steeds blijft branden, probeer het dan met de andere geleverde sleutels.
BELANGRIJK Laat de start-/contactsleutel niet in stand M staan als de motor stilstaat.
I) Controleer of de handrem is aangetrokken en de selectorhendel in stand P of N staat: de motor kan uitsluitend gestart worden als de hendel in één van deze standen staat.
2) Draai de contactsleutel in stand D zonder het gaspedaal in te trappen.
WEGRIJDEN MET DE AUTO
- Houd bij een stationair draaiende motor de auto op zijn plaats door het rempedaal in te trappen.
– Kies de gewenste stand. - Geef geleidelijk gas; de auto gaat nu rijden en de versnellingsbak schakelt, afhankelijk van de gekozen stand, automatisch de juiste versnel- ling in.

De selectorhendel kan uitsluitend uit stand P worden verplaatst als de tslutel in stand M staat en empedaal is ingetrapt (gingssysteem Shift-lock). Aats de hendel A-fig. 93 in ting van de pijl.
Als de contactsleutel in stand M staat, wordt telkens als de hendel verplaatst wordt, de gekozen stand weergegeven op het digitale display fig. 94 op het instrumentenpaneel.
SEQUENTIËLE WERKING
Verplaats de hendel vanuit stand D naar rechts:
- verplaats de hendel naar +: opschakelen.
- verplaats de hendel naar -: terug- schakelen.
De ingeschakelde versnelling wordt weergegeven op het display fig. 95 en iedere mogelijke fout wordt uitgesloten door de continue controle van de regeleenheid, die alleen een lagere versnelling inschakelt als het toerental van de motor dit toelaat.

fig. 93

fig. 94

fig. 95
Bij de sequentiële werking functioneert de elektronisch geregelde versnellingsbak als een versnellingsbak met vaste overbrengingsverhoudingen die sequentieel worden gekozen.
De regeleenheid schakelt echter automatisch op of terug als het motortoerental boven of onder een vastgestelde limiet komt.
AUTOMATISCHE WERKING
Bij sequentiële werking is het onder alle rij-omstandigheden mogelijk stand D te kiezen.
De elektronische regeleenheid kiest de optimale overbrengingsverhouding op basis van de snelheid van de auto en de motorbelasting (gaspedaalstand).
Als de motor licht belast wordt, kiest de versnellingsbak een hogere versnelling, waardoor het brandstofverbruik beperkt is. Als door het intrappen van het gaspedaal geleidelijk meer vermogen van de motor wordt gevraagd, kiest de versnellingsbak een lagere versnelling, waardoor de prestaties (acceleratie) toenemen: in dit geval neemt het brandstofverbruik toe.
De maximale acceleratie wordt bereikt door het gaspedaal tot voorbij het zware punt in de slag in te trappen, waardoor het kick-down-mechanisme wordt bediend. Hierdoor kan de auto zijn maximale prestaties (acceleratie) leveren maar neemt het brandstof-verbruik toe.
BELANGRIJK Gebruik de kickdown niet als u op wegen rijdt met weinig grip (sneeuw, ijs, enz.).
SCHAKELPROGRAMMA KIEZEN
Deze stand wordt aangeraden als het wegdek weinig grip biedt (sneeuw, ijs, enz.). Voor het wegrijden wordt de tweede versnelling gebruikt. Dit programma kan alleen ingeschakeld worden als de selectorhendel in stand D staat.
Als het programma is ingeschakeld, brandt het lampje B-fig. 97 op het display. Als u de hendel vanuit D verplaatst, wordt het programma automatisch uitgeschakeld.
BELANGRIJK Het programma kan worden ingeschakeld door knop A in te drukken. Dit kan ook tijdens het rijden mits de snelheid lager is dan 45 km/h.

fig. 96
STORING IN AUTOMA- TISCHE VERSNELLINGSBAK
Als er een storing is in de automatische versnellingsbak gaat het lampje branden/knipperen en gaat eventueel ook het lampje B-fig. 97 op het display knipperen; in dit geval schakelt de versnellingsbak automatisch de derde versnelling in.

ATTENTIE
Als er tijdens het rijden een storing ontstaat in de versnellingsbak, moet zo voorzichtig mogelijk en met een lage snelheid verder worden gereden.
F0F0571m

fig. 97
STOPPEN MET DE AUTO
– Laat het gaspedaal los.
- Trap het rempedaal in.
Op een hellende weg met draaiende motor, mag de auto uitsluitend met het rempedaal op zijn plaats worden gehouden; trap het gaspedaal niet in.
Als u de auto langer stilzet, moet de selectorhendel in stand P worden gezet. Houdt u aan de instructies en waarschuwingen die in het hoofdstuk "Motor starten" vermeld staan.

ATTENTIE
Als de auto stilstaat met draaiende motor en de se-
lectorhendel in stand D of R staat of bij de sequentiële werking, moet het rempedaal ingetrapt worden gehouden. Dit om te voorkomen dat de auto in beweging komt.
PARKEREN
Trek de handrem aan, zet de selectorhendel in stand P en zet de wielen iets uitgestuurd. Houdt u aan de instructies en waarschuwingen die in het hoofdstuk "Motor starten" vermeld staan. Als de auto op een steile helling staat, blokkeer de wielen dan met wiggen of stenen.
Laat de contactsleutel nooit in stand M staan omdat hierdoor de accu ontladst. Neem de sleutel altijd uit het contactslot als u de auto verlaat.

ATTENTIE
Laat kinderen nooit alleen achter in de auto.
Als de contactsleutel uit het contactslot is genomen of in stand S staat, klinkt er een akoestisch waarschuwingssignaal als een portier wordt geopend en de selectorhendel niet in stand P staat. De zoemer heeft een andere toon dan het waarschuwingssignaal dat klinkt als u vergeten hebt de buitenverlichting uit te schakelen.
INTERIEUR- UITRUSTING
DASHBOARDKASTJE/-OPBERGVAK
Om het kastje te openen, moet u knop A-fig. 98 naar links duwen.
In de klep zitten uitsparingen waarin u als de auto stilstaat bekers en blikjes kunt plaatsen.

ATTENTIE
Rijd niet met een geopend dashboardkastje: dit kan de passagier verwonden bij een ongeval.
Het dashboardkastje is van binnen voorzien van een elastische band voor het opbergen van documenten.
Rijd niet met een geopend dashboardkastje: dit kan de passagier verwonden bij een ongeval.
OPBERGVAK fig. 99
Boven de zonnekleppen bevindt zich een opbergvak voor het snel opbergen van lichte voorwerpen (bijv. documenten, wegenkaarten, enz.).
BELANGRIJK Het vakje is ontworpen voor een belasting tot maximaal 3 kg per zijde. Plaats er geen zwaardere voorwerpen in en klem ze niet vast.
Gebruik de handgrepen aan de zijkanten voor ondersteuning.
Het lampje voor gaat automatisch branden als u één van de voorportieren opent.
De plafondlampjes achter kunt u in- schakelen door op de korte zijde van het lampenglas te drukken.
Controleer voordat u de auto verlaat of de interieurverlichting bij gesloten portieren is uitgeschakeld.

U kunt het lampje inschakelen door op de korte zijde van het lampenglas te drukken.
Controleer voordat u de auto verlaat of de interieurverlichting bij gesloten portieren is uitgeschakeld.
ASBAK

ATTENTIE
Gebruik de asbak niet als prullenbak: papiertjes en ke kunnen door peuken in aken.
Voor de zitplaatsen voor fig. 103
Trek het klepje A aan de rand zover mogelijk omhoog en duw de hoek links naar beneden zodat het klepje in de daarvoor bestemde zitting zakt.
De asbak B kan uitgenomen worden. Om de asbak uit te nemen, moet u bij geopend klepje licht op de aangegeven hoek drukken (extra slag).
Voor de zitplaatsen achter fig. 104
Open het klepje A door het naar buiten te trekken.
Verwijderen: trek bij gesloten klepje de asbak aan de onderkant uit.
Plaats de asbak stevig in de daarvoor bestemde zitting terug.

I) Trek het klepje A aan de rand zover mogelijk omhoog en duw de hoek links naar beneden zodat het klepje in de daarvoor bestemde zitting zakt.
2) Druk op knop B om de aansteker in te schakelen; na ongeveer 15 seconden springt de knop automatisch terug en is de aansteker gereed voor gebruik.
BELANGRIJK Controleer altijd of de aansteker na het indrukken ook uitschakelt.

ATTENTIE
De aansteker wordt erg heet. Gebruik de aansteker voorzichtig en voorkom dat hij gebruikt wordt door kinderen: brandgevaar en/of kans op brandwonden.
ZONNEKLEPPEN
De zonnekleppen zitten aan beide zijden naast de achteruitkijkspiegel. De kleppen kunnen voor de voorruit, zoals is afgebeeld in fig. 106, of voor de zijruit worden gedraaid.
De zonneklep aan bestuurderszijde is voorzien van een documentenvakje A.
PORTIEREN

ATTENTIE
Controleer voordat u een portier opent of u dit opige manier kunt doen.
Bij het openen van één van de portieren en bij uitgenomen sleutel, hoort u een akoestisch signaal als de buitenverlichting nog is ingeschakeld. Het akoestische signaal houdt op als u de verlichting uitschakelt, de portieren sluit of als u de motor start.
VOORPORTIEREN EN ZIJSCHUIFDEUR
De zijschuifdeur wordt in geheel geopende stand door een vangmechanisme opengehouden. Om de deur te blokkeren, moet u de deur tegen de aanslag drukken; om de deur te ontgrendelen moet u de deur krachtig naar voren trekken.
Zorg er in ieder geval voor dat de deur op de juiste wijze is vastgehaakt aan het vangmechanisme.

fig. 105

fig. 106

ATTENTIE
Als de auto op een steile helling omlaag geparkeerd staat, laat dan de auto niet met geopende deur in vergrendelde stand staan: als u tegen de deur stoot, kan deze losraken en naar voren schuiven.

ATTENTIE
Als de auto wordt ge- parkeerd met geopende schuifdeuren, controleer dan of deze goed vergrendeld zijn.
Van buitenaf ontgrendelen
Draai de sleutel in stand 1- fig. 107 en trek de handgreep in de richting van de pijl.
BELANGRIJK Voordat de sleutel wordt gedraaid, moet deze volledig in het slot zijn gestoken.

fig. 107
Van buitenaf vergrendelen
Voorportieren: draai de sleutel in stand 2-fig. 107.
Zijschuifdeur: druk het knopje A-fig. 108 aan de binnenzijde naar beneden en sluit de deur.
Voorportieren van binnenuit ont-/vergrendelen
Openen: trek aan hendel A-fig. 109.
Vergrendelen: sluit het portier en druk knopje B naar beneden.

fig. 108

Ver-/ontgrendelen zijschuifdeur, van binnenuit
Ontgrendelen: trek knopje A-fig. 110 omhoog en trek hendel B in de richting van de pijl.
Vergrendelen: druk knopje A naar beneden; dit kan ook bij een geopend portier.
DUBBELE ACHTERDEUR
De twee achterdeuren zijn ieder voorzien van een klemveer die de opening van de deur tot 90 graden beperkt.

ATTENTIE
Het systeem van klemve- ren is ontwikkeld voor een beter gebruikscomfort; door tegen de deur te stoten of door een windstoot kunnen de veren loshaken en kunnen de deuren onverwacht dichtvallen.
Het is mogelijk de openingshoek van de twee deuren te vergroten om makkelijker in en uit te laden. Hiervoor moeten de klemveren worden losgehaakt, waardoor de deuren ongeveer 180° kunnen worden geopend.

ATTENTIE
Als de deuren 180° geopend zijn, zijn ze niet meer vergrendeld. Open de deuren niet 180° als de auto op een helling staat of bij veel wind.
Rechter deur van buitenaf ont-grendelen I-fig. III
Draai de sleutel in stand 2-fig. 112 en trek de handgreep in de richting van de pijl.

fig. 110

Rechter deur van buitenaf vergrendelen
Draai de sleutel in stand I-fig. 112.
Rechter deur van binnenuit ontgrendelen
Trek hendel A-fig. 113 in de richting van de pijl.
Linker deur openen
Trek na het openen van de rechter deur hendel A-fig. 114 in de richting van de pijl.
CENTRALE PORTIERVER- GRENDELING
(indien aanwezig)
Van buitenaf
Sluit de portieren, steek de sleutel in het slot van één van de voorportieren, en draai de sleutel.
Van binnenuit
Sluit de portieren en druk op één van de voorportieren het knopje naar beneden (vergrendelen) of trek het knopje omhoog (ontgrendelen).
BELANGRIJK De centrale portiervergrendeling werkt niet als één van de portieren niet goed gesloten is of als er een storing in het systeem is. Na enkele pogingen schakelt het systeem ongeveer 20 seconden uit. In deze 20 seconden kunt u de portieren met de hand ver- en ontgrendelen, zonder dat het elektrische systeem werkt. Na de 20 seconden is het systeem weer gereed.
Als de oorzaak van de storing is opgelost, werkt het systeem weer normaal. Anders schakelt het systeem na enkele pogingen opnieuw uit.

In het midden, boven de interieurverlichting voor, zijn twee drukschakelaars gemonteerd. Met de sleutel in stand M bedient u de zijruiten:
A - openen/sluiten zijruit linksvoor
B - openen/sluiten zijruit rechts- voor.
Druk voor het openen of het sluiten van de ruit op de betreffende schakelaar; als u de schakelaar loslaat, stopt de ruit op het punt waar het zich op dat moment bevindt.
Als u de schakelaar A bij een draaiende motor geheel indrukt, opent of sluit de ruit aan bestuurderszijde automatisch.

Houd de schakelaar niet ingedrukt als de ruit aan het einde van zijn
slag is.

ATTENTIE
Onzorgvuldig gebruik van de elektrische ruitbediening kan
gevaarlijk zijn. Controleer voor en tijdens het bedienen van de ruit altijd of de passagiers niet verwond kunnen worden door de bewegende ruiten, hetzij direct door contact met de ruit, hetzij door voorwerpen die door de ruit worden meegesleept of geraakt. Verwijder altijd de sleutel uit het contactslot als u de auto verlaat, om te voorkomen dat een onverwachte inschakeling van de elektrische ruitbediening gevaar oplevert voor de achtergebleven passagiers.

fig. 115
SCHUIFRAMEN
(indien aanwezig) fig. 116
Als u aan ring A trekt, wordt de ruit ontgrendeld en is het mogelijk de ruit open te schuiven.
Druk bij gesloten ruit knop B geheel in om de ruit te vergrendelen.

fig. 116
MOTORKAP

ATTENTIE
Open of sluit de motorkap alleen als de auto stilstaat.
3) Til de motorkap op en trek gelijktijdig steunstang C-fig. 119 uit klem D.
4) Steek het uiteinde van de stang in zitting E in de motorruimte.

ATTENTIE
Wees voorzichtig als u werkzaamheden in de motorruimte moet verrichten en de motor nog warm is, om brandwon- den te voorkomen. Kom met uw handen niet in de buurt van de elektroventilateur: de elektroventilateur kan, ook bij uitgeschakeld contact,
Motorkap openen:
1) Trek de hendel A-fig. 117 links onder het instrumentenpaneel, in de richting van de pijl.
2) Druk in de richting van de pijl, op haak B-fig. 118 van de motor-kap.

ATTENTIE
Let op: Als de steunstang verkeerd geplaatst wordt, kan de motorkap onverwachts dichtvallen.

fig. 117

fig. 118

fig. 119

ATTENTIE
onverwachts inschakelen. Wacht totdat de motor is afgekoeld. Pas op als u sjaals, dassen of loszittende kledingstukken draagt: deze kunnen door de bewegende onderdelen worden gegrepen.
Motorkap sluiten:
I) Houd de motorkap met een hand omhoog, trek met de andere hand steunstang C-fig. 119 uit zitting E en plaats de stang terug in klem D.
2) Laat de motorkap tot op ongeveer 20 cm zakken.
3) Laat de motorkap dichtvallen: hij vergrendelt nu automatisch.

ATTENTIE
Controleer altijd of de motorkap vergrendeld is, om te voorkomen dat deze tijdens het rijden open gaat.
MONTAGEVOOR- BEREIDING IMPERIAAL/ SKIDRAGER
De bevestigingspunten zijn voorbereid in de goot op het dak van de auto.
Bevestig de steunen van de imperiaal/skidrager in de daarvoor bestemde schroefdraadgaten, zoals staat aangegeven in fig. 120.

ATTENTIE
Controleer na enkele kilo- meters opnieuw of de bevestigingsbouten nog goed vastzitten.

Overschrijd nooit het maximum draagvermogen (zie hoofdstuk
"Technische gegevens").

BELANGRIJK Goed afgestelde koplampen zijn belangrijk voor het comfort en de veiligheid van uzelf en de overige weggebruikers.
Bovendien zijn er wettelijke voorschriften.
Voor optimaal zicht en zichtbaarheid moeten de koplampen op de juiste wijze zijn afgesteld.
Wendt u voor controle of afstelling tot de Fiat-dealer
STAND KOPLAMPEN CORRI- GEREN
Als de auto beladen is, helt hij achterover. Het gevolg is dat de licht-bundel van de koplampen meer naar boven schijnt. De stand van de koplampen moet nu worden gecorrigeerd.
Bij auto's die zijn uitgerust met een elektrische regelknop op het dashboard: zet de regelknop fig. 122 op een stand die overeenkomt met de vervoerde lading. Zie onderstaande tabel.
Stand 0 - onbelaste auto.
Stand I - auto met gemiddelde belading.
Stand 2 - volbeladen auto.


fig. 122
ABS (indien aanwezig)
De auto is uitgerust met een antiblokkeersysteem (ABS). Het systeem voorkomt dat de wielen blokkeren, waardoor de beschikbare grip optimaal wordt benut en de auto ook tijdens een noodstop bestuurbaar en stabiel blijft.
Als het ABS in werking is getreden, merkt de bestuurder dit aan een trilling in het rempedaal, die gepaard gaat met enig geluid.
Dit betekent niet dat de remmen niet goed functioneren, maar is het signaal dat het ABS in werking treedt omdat de grip op de weg verminderd is. Het is daarom noodzakelijk uw snelheid aan te passen aan de weg waarop gereden wordt.
Het ABS is een aanvulling op het conventionele remsysteem; bij een storing schakelt het ABS zichzelf automatisch uit, waarna alleen het conventionele remsysteem werkt.
Als bij een storing niet meer op het anti-blokkeersysteem kan worden gerekend, zal de remcapaciteit van de auto absoluut niet minder zijn.
Als u niet eerder in een auto met ABS hebt gereden, raden wij u aan het systeem eerst een paar keer uit te proberen op een glad wegdek. Verlies hierbij de veiligheid niet uit het oog en houdt u aan de wetgeving van het land waarin u zich bevindt. Bovendien raden wij u aan de volgende aanwijzingen aandachtig te lezen.
Het voordeel van het ABS ten opzichte van het traditionele remsysteem is dat de auto optimaal bestuurbaar blijft doordat het blokkeren van de wielen wordt voorkomen, ook bij een noodstop en in omstandigheden waarbij de grip op het wegdek beperkt is.
Het gebruik van het ABS leidt niet altijd tot een kortere remweg: als er bijv. ijs of verse sneeuw op de weg ligt, kan de remweg langer zijn.
Voor het beste gebruik van het anti-blokkeersysteem, is het raadzaam de volgende aanwijzingen op te volgen.

ATTENTIE
Het ABS maakt zoveel mogelijk gebruik van de beschikba-
re grip maar kan deze niet verhogen. Daarom moet op gladde weggedeelten altijd voorzichtig worden gereden en mogen er geen onnodige risico's worden genomen.

ATTENTIE
Als het ABS in werking treedt, betekent dit dat de grip van
de banden op het wegdek gering is; u dient uw snelheid te verlagen en aan te passen aan de beschikbare grip.

ATTENTIE
Bij een storing gaat het waarschuwingslampje (②)op het
instrumentenpaneel branden. Rijd met aangepaste snelheid naar de Fiat-dealer om de volledige werking van het systeem te laten herstellen.
Wees voorzichtig bij het remmen in bochten, ook als de auto is voorzien van ABS.
Het allerbelangrijkste advies is echter het volgende:

ATTENTIE
Als het ABS in werking treedt, merkt u dat aan milling in het rempedaal. Verlaag de remdruk niet maar houd het rempedaal juist goed ingedrukt; op deze manier hebt u, afhankelijk van de conditie van het wegdek, de kortste remweg.
Als u deze aanwijzingen opvolgt, zult u onder alle omstandigheden de remmen het beste benutten.
BELANGRIJK Op auto's die met ABS zijn uitgerust, mogen uitsluitend door de fabriek voorgeschreven velgen, banden en remblokken gemonteerd worden.
Het systeem wordt gecompleteerd met een elektronische remdruk-verdeling EBD (Electronic Brake Distributor) die via de regeleenheid en de sensoren van het ABS de prestaties van het remsysteem verhoogt.

ATTENTIE
De auto is uitgerust met een elektronische rem- deling (EBD). Als de lampen Ⓟ ⚫ gelijktijdig bran-een draaiende motor, dan en storing in het EBD-sys-n dit geval kunnen bij hard en de achterwielen vroegtij-kkeren waardoor de auto an slippen. Rijd direct zeer higtig naar de dichtstbijzijn-dealer om het systeem te controleren.

ATTENTIE
Als bij een draaiende motor alleen het waarschuwingslampje ⑧gaat branden, dan is er een storing in het ABS-systeem. In dat geval werkt het conventionele remsysteem op de normale manier, terwijl geen gebruik wordt gemaakt van het anti-blokkeersysteem. Onder deze omstandigheden kan ook de werking van het EBD-systeem verminderen. Ook in dit geval raden wij u aan onmiddellijk en zeer voorzichtig naar de dichtstbijzijnde Fiat-dealer te rijden, om het systeem te laten controleren.

ATTENTIE
Als het waarschuwingslampje (P) (!) voor te laag remvloeistofniveau gaat branden, stop dan onmiddellijk de auto en neem contact op met een Fiat-dealer. Als er vloeistof lekt uit het hydraulische systeem, wordt de werking van zowel het conventionele remsysteem als het ABS in gevaar gebracht.
AIRBAG (indien aanwezig)
De airbag is een veiligheidsvoorziening voor de bestuurder, die werkt bij een frontale botsing.
De airbag bestaat uit een opblaasbaar luchtkussen dat in het midden van het stuurwiel is geplaatst.
Bij een ongeval zorgt een vertragingssensor ervoor dat het mechanisme in werking treedt. Het kussen blaast onmiddellijk op, waardoor het lichaam wordt opgevangen en de kans op letsel beperkt blijft fig. 123.
Direct daarna loopt het kussen weer leeg.
De airbag voor is een veiligheids- voorziening die in werking treedt vanaf een middelzware frontale botsing. Bij botsingen van achteren, zijdelingse of kleine aanrijdingen is het niet noodzakelijk dat de airbag in werking treedt. Als de airbag in deze gevallen niet geactiveerd wordt, betekent dit niet dat het systeem niet goed functioneert.
Bij een ongeval kan een inzittende die geen veiligheidsgordel heeft omgelegd in contact komen met een airbag die nog niet volledig opgeblazen is, waardoor de inzittende minder beschermd wordt.
De airbag is geen vervanging voor de veiligheidsgordels, maar een aanvulling. Draag dus altijd veiligheidsgordels. Bovendien is het dragen van veiligheidsgordel wettelijk verplicht in Europa en in de meeste landen daarbuiten.
Als de airbag in werking treedt, ontsnapt er een beetje rook. Deze rook is niet schadelijk en duidt niet op brand.

ATTENTIE
Laat bij diefstal of een poging tot diefstal, bij diging of als de auto bij een oming onder water is t, de airbag door de Fiatcontroleren.

ATTENTIE
Als u de contactsleutel in stand M draait, gaat het lampje AIR BAG branden. Het moet na ongeveer 4 seconden doven. Als het lampje niet gaat branden, blijft branden of als het gaat branden tijdens het rijden, stop dan onmiddel- lijk en wendt u tot de Fiat-dealer.

ATTENTIE
Plak geen stickers of andere voorwerpen op het stuur. Reis niet met voorwerpen op schoot en houd vooral geen pijp, potlood, enz in de mond. Bij een ongeval, waarbij de airbag in werking treedt, kan dit ernstig letsel veroorzaken.

ATTENTIE
Rijd altijd met beide handen op de stuurwielrand, bij het in werking treden airbag, het systeem niet gehinderd door obstakels stig letsel kunnen veroorzaijd niet met voorover gebo-naam, maar ga goed rechten en steun tegen de rug-

De conditie van de airbag wordt constant gecontroleerd door een elektronische regeleenheid.
Het waarschuwingslampje AIR RAG op het instrumentenpaneel geeft, bij het starten van de motor, de juiste werking van het systeem aan.
Bij storingen gaat het waarschu-wingslampje ongeveer 5 minuten knipperen en blijft daarna constant branden.
Het airbagsysteem heeft een geldigheid van 14 jaar voor wat betreft de pyrotechnische lading en van 10 jaar voor wat betreft het spiraalmechanisme. Laat na het verstrijken van deze termijnen het systeem door de Fiat-dealer vervangen.
BELANGRIJK Na een ongeval waarbij de airbag in werking is getreden, dient u contact op te nemen met de Fiat-dealer om de airbag, de veiligheidsgordels en het eventuele kinderzitje te laten vervangen.
Alle controlewerkzaamheden, reparaties en vervanging van de airbag moeten door de Fiat-dealer worden uitgevoerd.
Aan het einde van de lange levensduur van uw auto, moet u contact opnemen met de Fiat-dealer om het systeem buiten werking te laten stellen.
Bij verkoop van de auto moet de nieuwe eigenaar op de hoogte gesteld worden van het gebruik en de instructies, en moet hij het instructieboekje ontvangen.

ATTENTIE
ZEER GEVAARLIJK
Monteer absoluut geen kinderzitje achterstevoren op de passagiersstoel voor als deze is uitgerust met een airbag. Als bij een ongeval de airbag in werking treedt (opblaast), kan dit ernstig letsel en zelfs de dood tot gevolg hebben. Wij raden u aan kinderen altijd op de zitplaatsen achter te vervoeren, omdat die plaatsen bij een ongeval de meeste bescherming bieden. Monteer dus absoluut geen kinder-zitje op de passagiersstoel voor als deze is uitgerust met een airbag. Als bij een ongeval de airbag in werking treedt (opblaast), kan dit ernstig letsel en zelfs de dood tot gevolg hebben, onafhankelijk van de zwaarte van het ongeluk.
ZIJ-AIRBAGS (Sidebags)
(indien aanwezig) fig. 124
De sidebag is een kussen dat zich snel opblaast en bevindt zich in de rugleuning van de voorstoel. De sidebag heeft tot doel de borstkast van de inzittenden te beschermen bij middelzware en zware zijdelingse aanrijdingen.
BELANGRIJK Als de airbag in werking treedt, ontsnapt een beetje rook. Deze rook is niet schadelijk en duidt niet op brand; bovendien kan het oppervlak van het opgeblazen kussen en het interieur van de auto bedekt zijn met een laagje poederachtige stof: dit poeder kan de huid en de ogen irriteren. Als u hiermee in aanraking bent gekomen, moet u zich met neutrale zeep en water wassen.
BELANGRIJK Als tijdens het rijden lampje 📁 bagt branden of lampje 🕒 gaat knipperen (storingsmelding), wendt u dan onmiddellijk tot de Fiat-dealer om de storing te laten verhelpen.
Het airbagsysteem heeft een geldigheid van 14 jaar voor wat betreft de pyrotechnische lading en van 10 jaar voor wat betreft het spiraalmechanisme. Laat na het verstrijken van deze termijnen het systeem door de Fiat-dealer vervangen.
BELANGRIJK Na een ongeval waarbij een of meerdere airbags zijn geactiveerd, dient u contact op te nemen met de Fiat-dealer om de geactiveerde airbags te laten vervangen en de werking van de elektrische installatie te laten controleren.
Alle controlewerkzaamheden, reparaties en de vervanging van de airbag moeten door de Fiat-dealer worden uitgevoerd.
Aan het einde van de lange levensduur van uw auto, moet u contact opnemen met de Fiat-dealer om het systeem buiten werking te laten stellen. Bovendien moet bij verkoop van de auto de nieuwe eigenaar op de hoogte gesteld worden van het gebruik en de instructies, en moet hij het instructieboekje ontvangen.
BELANGRIJK Het in werking treden van de gordelspanners, de airbags voor en de zij-airbags voor wordt door de elektronische regeleenheid bepaald, afhankelijk van het type ongeval. Als één van deze onderdelen niet in werking treedt, dan duidt dat niet op een storing in het systeem.

fig. 124
ALGEMENE OPMERKINGEN

ATTENTIE
Als u de contactsleutel in stand MAR draait, gaat het lampje branden. Na enkele seconden moet het lampje doven. Als het waarschuwingslampje niet gaat branden of tijdens het rijden blijft branden, wendt u dan onmiddellijk tot de Fiat-dealer.

ATTENTIE
De rugleuningen van de zitplaatsen voor mogen niet worden bedekt met hoezen of kleden.

ATTENTIE
Reis niet met voorwerpen op schoot, voor de borst en houd vooral geen pijp, potlood, enz. in de mond. Bij een ongeval waarbij de airbag in werking treedt, kan dit ernstig letsel veroorzaken.

ATTENTIE
Rijd altijd met beide handen op de stuurwielrand, zodat bij het in werking treden van de airbag, het systeem niet wordt gehinderd door obstakels die ernstig letsel kunnen veroorzaken. Rijd niet met voorover gebogen lichaam, maar ga goed rechtop zitten en steun tegen de rugleuning.

ATTENTIE
Laat bij diefstal of een poging tot diefstal, bij beschadiging of als de auto bij een overstroming onder water is geweest, het airbagsysteem door de Fiat-dealer controleren.

ATTENTIE
Bedenk dat als de contact- sleutel in stand MAR staat, ook bij uitgezette motor de airbags geactiveerd kunnen worden als de auto wordt aangereden door een andere auto. Ook bij een stilstaande auto mogen dus absoluut geen kinderen op de voorstoel zitten. Als de contactsleutel echter in stand STOP staat, wordt bij een ongeval geen enkel beveiligingssysteem (airbag of gordelspanners) geactiveerd; als een systeem niet in werking treedt, betekent dit niet dat het systeem niet goed werkt.

ATTENTIE
De stoelen mogen niet met water of stoom onder druk worden gereinigd (met de hand of in een automatische stoelenreiniger).

ATTENTIE
Haak geen harde voorwerpen aan de kledinghaakjes en aan de steunhandgrepen.

ATTENTIE
De airbag voor treedt in werking als de botsing zwaarder is dan een botsing waarbij alleen de gordelspanners worden geactiveerd. Bij aanrijdingen die tussen die twee drempelwaarden in liggen, treden alleen de gordelspanners in werking.

ATTENTIE
De airbag is geen vervan- ging voor de veiligheidsgordels, maar een aanvulling. De inzittenden worden uitsluitend door de veiligheidsgordels beschermd bij frontale botsingen bij lage snelheid, bij zijdelingse aanrijdingen en als de auto over de kop slaat. De gordels moeten dus altijd gedragen worden.

ATTENTIE
ZEER GEVAARLIJK:
Monteer absoluut geen kinderzitje achterstevoren op de passagiersstoel voor als deze is uitgerust met een airbag. Als bij een ongeval de airbag in werking treedt (opblaast), kan dit ernstig letsel en zelfs de dood tot gevolg hebben. Wij raden u aan kinderen altijd op de zitplaatsen achter te vervoeren, omdat die plaatsen bij een ongeval de meeste bescherming bieden. Monteer dus absoluut geen kinderzitje op de passagiersstoel voor als deze is uitgerust met een airbag. Als bij een ongeval de airbag in werking treedt (opblaast), kan dit ernstig letsel en zelfs de dood tot gevolg hebben, onafhankelijk van de zwaarte van het ongeluk.
EOBD-SYSTEEM (alleen benzine-uitvoeringen)
Het op de auto gemonteerde EOBD-systeem (European On Board Diagnosis) is conform de EU 98/69-richtlijnen (EURO 3).
Dit systeem voert continue een diagnose uit op de emissiereductiesystemen van de auto; als het waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel gaat branden, betekent dit dat een systeem niet meer goed functioneert.
Het doel is:
- de werking van het systeem controleren;
– signaleren wanneer door een storing de emissies boven de wettelijk vastgestelde drempelwaarde uitkomen; - signaleren wanneer het noodzakelijk is defecte componenten te vervangen.
Het systeem beschikt verder nog over een diagnosestekker die, als deze verbonden is met speciale apparatuur, het mogelijk maakt de door de regeleenheid opgeslagen storingscodes en de specifieke parameters voor de diagnose en werking van de motor, te lezen. Deze controle kan ook worden uitgevoerd door de verkeerspolitie.

Als u de contactsleutel in stand M draait en het lampje-kg gaat niet bran-
den of het gaat branden of knipperen tijdens het rijden, wendt u dan zo snel mogelijk tot de Fiat-dealer. De werking van het lampje 📄kan worden gecontroleerd met behulp van speciale apparatuur van de verkeerspolitie. Houdt u aan de wetgeving van het land waarin u rijdt.
BELANGRIJK Na het verhelpen van de storing moet de Fiat-dealer voor een complete controle van het systeem, tests uitvoeren op een testbank en zonodig een proefrit maken die eventueel een langere afstand kan omvatten.
AUTORADIO
De inbouwvoorbereiding bestaat uit:
- voedingskabels voor de autoradio;
- kabels voor de luidsprekers in de portieren;
- een inbouwplaats voor de autoradio;
- een antennekabel.
De autoradio wordt ingebouwd op de plek die met het aflegvakje is afgedekt. Druk om het vakje te verwijderen op de twee borglippen A-fig. 125.
Achter het vakje zitten de voedings-kabels, de aansluitkabel voor de luidsprekers en de antennekabel.
De luidsprekers moeten in de zittingen aan de onderkant van de voorportieren worden gemonteerd fig. 126:
A - inbouwplaats luidspreker.
Montage: verwijder de onderste bekleding van het portier en mon- teer de luidspreker in de daarvoor bestemde zitting.

Als u direct na aankoop van de auto een autoradio wilt installeren, moet u eerst contact opnemen met de Fiat-dealer; deze zal u instructies geven om de levensduur van de accu te verlengen. Als de accu bij uitgezette motor langdurig wordt ingeschakeld, beschadigt de accu en kan de garantie op de accu vervallen.

fig. 125

fig. 126
ANTENNE
Montage:
I) Verwijder de kunststof dop A-fig. 127 op het dak van de auto.
2) Schroef de antenne vast.

Zie voor de elektrische bedrading het hoofdstuk "Accessoires monteren"
om beschadigingen aan het systeem te voorkomen.
VOEDING
A4 Verbinding met de +12V-voedingsspanning
A6 Verbinding met de instrumentenpaneelverlichting
A7 Verbinding met de +12V-voedingsspanning
A8 Massa-aansluiting.
LUIDSPREKERS
B 3 luidspreker voor (rechts +)
B 4 luidspreker voor (rechts -)
B 5 luidspreker voor (links +)
B 6 luidspreker voor (links -)
BEDIENINGSKNOPPEN OP HET STUUR (indien aanwezig)
De bedieningsknoppen dienen voor het regelen van het volume, de afstemming en golfbandkeuze fig. 129.
Voor de werking van de autoradio, verwijzen wij u naar het supplement "Autoradio" dat bij dit instructieboekje geleverd wordt.

fig. 127

fig. 128

fig. 129
SCHEMA VOOR DE VOORBEREIDE ELEKTRISCHE BEDRADING EN EXTRA AANSLUITINGEN fig. 130

A - Luidspreker in rechter portier
B - Luidspreker in linker portier
C - Antenne
D - Zekeringen- en relaiskast
E - Zwevende zekering voor voeding van versterker (bij inbouw van een geluidsinstallatie met een vermogen boven 4 x 20W)
F - Autoradio
Kleurcode van de bedrading
R = Rood
RV = Rood / Groen
BN = Wit / Zwart
G = Geel
N = Zwart
TANKEN MET DE SCUDO
MET BENZINEMOTOR
Door de toepassing van emissiere- ductiesystemen in de SCUDO mag u uitsluitend loodvrije benzine tanken.
Om vergissingen te voorkomen is de diameter van de vulpijp van de tank kleiner, zodat het vulpistool voor loodhoudende benzine er niet in past.
Het octaangetal van de benzine moet ten minste 95 RON zijn.

Tank met de SCUDO nooit, niet in noodgevallen en ook niet een klein loodhoudende benzine. U katalysator onherstelbaar digen.

Een beschadigde katalysator laat schadelijke stoffen in het uitlaatgas achardoor het milieu wordt d.

De dieselmotoren zijn uitsluitend geschikt voor dieselbrandstof voor motorvoertuigen (Europese specificatie EN590). Het gebruik van andere producten of mengsels kan de motor onherstelbaar beschadigen en het vervallen van de garantie tot gevolg hebben. Mocht u onverhoopt een ander type brandstof tanken, dan mag de motor niet worden gestart en moet de brandstoftank worden afgetapt. Ook als de motor slechts kort heeft gedraaid, moet naast de brandstoftank, ook alle brandstof uit de brandstofleidingen worden afgetapt.
Bij lage buitentemperaturen kan de vloeibaarheid van de dieselbrandstof verminderen door de vorming van paraffine, waardoor het dieselfilter verstopt kan raken.
Om dit probleem te voorkomen wordt er, afhankelijk van het seizoen, dieselbrandstof geleverd die speciaal voor de zomer of voor de winter is ontwikkeld.
Bij buitentemperaturen die tussen de 0 en 15°C schommelen (bijvoorbeeld in het voor- en najaar), kan de door het tankstation geleverde dieselbrandstof niet toereikend blijken te zijn.
Gebruik in die omstandigheden, en vooral als de motor regelmatig wordt afgezet en weer wordt gestart bij lage buitentemperaturen (bijv. in de bergen), dieselbrandstof die speciaal voor de winter is ontwikkeld; in alle andere gevallen raden wij aan de dieselbrandstof te mengen met het vorstbeveiligingsmiddel DIESEL MIX (of een soortgelijk product) in de verhouding die in de gebruiksaanwijzing van het middel is aangegeven. Vul de tank eerst met het middel en voeg daarna de dieselbrandstof toe.
U moet het vorstbeveiligingsmiddel DIESEL MIX door de dieselbrandstof mengen voordat de dieselbrandstof door de kou van samenstelling is veranderd. Achteraf toevoegen heeft geen enkel effect.
DOP VAN DE BRANDSTOFTANK
Gebruik voor het openen van de dop fig. 132 de bijgeleverde sleutel.
Door de hermetische afsluiting van de tank kan de druk in de tank iets verhoogd zijn.
Het is daarom normaal als u bij het losdraaien van de tankdop een sissend geluid hoort.
De sleutel moet in de dop blijven zitten totdat de dop weer in de zitting is gestoken en het slot in vergrendelde stand is gedraaid.

BELANGRIJK Voor uw veiligheid raden wij bovendien aan om, voor het starten van de motor, te controleren of het vulpistool op de juiste wijze in de benzinepomp is geplaatst, of de tankdop goed is vastgedraaid en of het tankklepje is gesloten.

ATTENTIE
Kom niet dicht bij de vulopening met open vuur of een brandende sigaret: brandgevaar. Houd uw hoofd ook niet dichtbij de vulopening om te voorkomen dat u schadelijke dampen inademt.
BELANGRIJK Vervang de tankdop zonodig alleen door een ander exemplaar van hetzelfde type, anders kan de werking van het benzinedamp-opvangsysteem in gevaar worden gebracht.
BESCHERMING VAN HET MILIEU
De bescherming van het milieu is het uitgangspunt geweest in alle fasen van de ontwikkeling en productie van de SCUDO. Het resultaat is zichtbaar in het gebruik van de materialen en de toepassing van systemen om de schadelijke effecten te voorkomen of drastisch te beperken.
De SCUDO heeft een ruime voorsprong op de strengste internationale milieu-eisen.
GEBRUIK VAN MILIEU-VRIENDELIJKE MATERIALEN
Geen enkel onderdeel van de auto bevat asbest. De vulling van de stoelen en de airconditioning bevatten geen CFK's (chloorfluorkoolwaterstoffen), het gas dat waarschijnlijk de oorzaak is van het gat in de ozonlaag. De kleurstoffen en de corrosiewerende behandeling van de bouten en moeren zijn niet schadelijk voor het milieu; ze bevatten dus geen lucht- en bodemverontreinigend cadmium en/of chroom.
SYSTEMEN OM DE SCHADELIJKE EMISSIE BIJ BENZINEMOTOREN TE BEPERKEN
Driewegkatalysator
Koolmonoxide, stikstofoxide en onverbrande koolwaterstoffen zijn de belangrijkste schadelijke bestanddelen in de uitlaatgassen.
De katalysator is een "minilaboratorium" waarin een zeer hoog percentage van de bestanddelen tot onschadelijke stoffen wordt omgevormd.
Dit proces wordt uitgevoerd door zeer kleine deeltjes edelmetaal in het keramisch element dat wordt omgeven door een metalen huis.
Lambdasondes
Deze zorgen voor de juiste mengselvehouding van lucht en benzine, wat zeer belangrijk is voor de juiste werking van de motor en de katalysator.
Benzinedamp-opvangsysteem
Het is onmogelijk, ook bij stilstaande motor, benzinedampen te voorkomen. Daarom "vangt" dit systeem de dampen in een speciaal actieve-koolfilter, waaruit de dampen bij draaiende motor vervolgens afgezogen en verbrand worden.
SYSTEMEN OM DE SCHADELIJKE EMISSIE BIJ DIESELMOTOREN TE BEPERKEN
Oxidatiekatalysator voor dieseluitvoeringen
De katalysator zet schadelijke bestanddelen in het uitlaatgas (koolmonoxide, onverbrande koolwaterstoffen zijn de belangrijkste) om in onschadelijke stoffen, waarmee tevens de rook en de typische dieselgeur verminderd worden.
De katalysator bestaat uit een roestvrijstalen huis, met daarin een honingraatvormig keramisch binnenwerk. Hierop zit edelmetaal dat voor de katalytische reactie zorgt.
Uitlaatgasrecirculatiesysteem (E.G.R.) (indien aanwezig)
Dit systeem zorgt voor recirculatie, oftewel hergebruik, van een deel van de uitlaatgassen. Het percentage dat gerecirculeerd wordt, is afhankelijk van de bedrijfsomstandigheden van de motor.
Het systeem beperkt zonodig de uit- stoot van stikstofoxiden.
CORRECTCEBRUJK VAN DEEAUTO®
MOTOR STARTEN

ATTENTIE
Het is gevaarlijk om de motor in een afgesloten
ruimte te laten draaien. De motor verbruikt zuurstof en produceert koolmonoxide en andere giftige stoffen.

ATTENTIE
Raak de hoogspannings-kabels (bougiekabels)
nooit aan als de motor draait.
BENZINEMOTOR STARTEN
BELANGRIJK Het gaspedaal mag pas worden ingetrapt nadat de motor is gestart.
I) Zorg ervoor dat de handrem is aangetrokken.
2) Zet de versnellingspook in vrij.
3) Trap het koppelingspedaal geheel in, zonder het gaspedaal in te trappen.
4) Draai de contactsleutel in stand D en laat hem los zodra de motor aanslaat.
Als de motor bij de eerste poging niet aanslaat, moet u de sleutel terugdraaien in stand S voordat u opnieuw start.
De elektrische installaties die veel stroom verbruiken (airconditioning, achterruitverwarming, enz.) schakelen tijdens het starten tijdelijk uit.
BELANGRIJK Laat de start-/contactsleutel niet in stand M staan als de motor stilstaat.
DIESELMOTOR STARTEN
I) Zorg ervoor dat de handrem is aangetrokken.
2) Zet de versnellingspook in vrij.
3) Trap het koppelingspedaal geheel in.
4) Draai de contactsleutel in stand M. Op het instrumentenpaneel gaat het controlelampje 00 branden.
5) Wacht tot het lampje 00 gedoofd is. Hoe warmer de motor, hoe sneller het lampje dooft.
6) Draai de contactsleutel in stand D, onmiddellijk nadat het lampje 00 gedoofd is. Als u te lang wacht, zijn de voorgloeibougies weer afgekoeld. Laat de sleutel los zodra de motor is aangeslagen.
Bij een nog koude motor wordt het stationair toerental automatisch verhoogd.
Als de motor bij de eerste poging niet aanslaat, moet u de sleutel terugdraaien in stand S voordat u opnieuw start.
De elektrische installaties die veel stroom verbruiken (airconditioning, achterruitverwarming, enz.) schakelen tijdens het starten tijdelijk uit.
BELANGRIJK Laat de contact-sleutel niet in stand M staan als de motor stilstaat.
MOTOR OPWARMEN NA HET STARTEN (benzine en diesel)
Rijd rustig weg, laat de motor niet met hoge toerentallen draaien en trap het gaspedaal niet bruusk in.
Verlang de eerste kilometers geen maximale prestaties. Wij raden u aan te wachten tot de temperatuur van de koelvloeistof 50° ÷ 60°C is.
ROLLEND STARTEN

Probeer auto's nooit te starten door ze aan te duwen, te slepen of van een helling te laten rijden. Op die wijze kan er onverbrande brandstof in de katalysator terechtkomen, waardoor deze onherstelbaar zal beschadigen.

ATTENTIE
Houd er rekening mee dat de rem- en stuurbekrachtiging niet werken zolang de motor niet is aangeslagen, waardoor meer kracht nodig is voor de bediening van het rempedaal en het stuur.
Motor uitzetten
Draai de contactsleutel in stand S terwijl de motor stationair draait.

Gasgeven voordat u de motor uitzet heeft geen enkel nut, verspilt brandstof en is, vooral voor motoren met turbocompressor, schadelijk.
BELANGRIJK Het is beter om de motor na een zware rit even "op adem" te laten komen. Zet de motor niet onmiddellijk uit, maar laat hem even stationair draaien. Hierdoor kan de temperatuur in de motor- ruimte dalen.
PARKEREN
Zet de motor uit, trek de handrem aan, schakel een versnelling in (1° als de weg omhoog loopt, in achteruit als de weg omlaag loopt). Zet de voorwielen zo dat de auto, als de handrem losschiet, snel tot stilstand komt.
Laat de contactsleutel nooit in stand M of A staan omdat hierdoor de accu onlaadt.
Neem de sleutel altijd uit het contactslot als u de auto verlaat.
HANDREM
De handrem is links van de bestuurdersstoel geplaatst.
Om de handrem in te schakelen, moet u de hendel geheel omhoog trekken. Als de contactsleutel in stand M staat, gaat op het instrumentenpaneel het waarschuwingslampje (P) (1) branden.
BELANGRIJK De auto hoort geblokkeerd te zijn als de handrem drie of vier tanden is aangetrokken. Als dit niet het geval is, laat dan een Fiat-dealer de handrem afstellen.
Handrem uitschakelen:
1) Trek de hendel iets omhoog en druk op de ontgrendelknop A-fig. 1.
2) Houd de knop ingedrukt en laat de hendel zakken. Het lampje (P) (!) dooft.
3) Om onverwachtse bewegingen van de auto te voorkomen, moet bij het bedienen van de handrem het rempedaal worden ingetrapt.
Bij aangetrokken handrem is het mogelijk knop A-fig. 2 uit te trekken en de hendel omlaag te duwen. In deze stand blijft de auto geremd.

ATTENTIE
Laat kinderen nooit alleen achter in de auto.

AANWIJZINGEN VOOR HET LADEN
De door u gebruikte SCUDO-uitvoering is ontworpen en goedgekeurd op basis van vastgestelde maximum gewichten (zie "Gewichten" in het hoofdstuk "Technische gegevens"):
– leeggewicht
- nuttig laadvermogen
- maximum totaalgewicht
- maximum voorasbelasting
– maximum achterasbelasting
- aanhangergewicht.

ATTENTIE
Alle opgegeven maximum gewichten mogen NOOIT WORDEN OVERSCHREDEN. Let in het bijzonder op het maximum toegestaan gewicht op de voor- en achteras bij het laden van campers en andere bijzondere opbouwconstructies.

ATTENTIE
Bij onregelmatigheden in het wegdek of bij bruusk remmen, kan de lading verschuiven en gevaar opleveren voor de bestuurder en de passagiers: zorg er daarom voor dat de lading goed vastzit voordat u vertrekt. Hiervoor kunnen de haken op de laadvloer fig. 3 gebruikt worden. Gebruik voor het vastzetten van de lading metalen kabels, touwen of riemen, die stevig genoeg zijn om de lading op zijn plaats te houden.

fig. 3

ATTENTIE
Ook als de auto schuin staat of op een helling,
kunnen bij het openen van de achterdeuren of van de zijdeur losse voorwerpen onverwachts naar buiten schuiven.

ATTENTIE
Als u reservebrandstof in een jerrycan wilt vervoe-
ren, dan dient u zich aan de geldende wetgeving te houden. Gebruik alleen een goedgekeurde jerrycan en bevestig deze op de juiste wijze aan de bevestigingsogen.
Toch zal bij een ongeval de kans op brand groter zijn.
Naast deze voorzorgsmaatregelen van algemene aard, kan door het opvolgen van enkele eenvoudige tips de veiligheid, het rijcomfort en de levensduur van de auto verbeterd worden:
- verdeel de lading gelijkmatig over de laadvloer: indien de lading op één plaats geconcentreerd moet zijn, plaats de lading dan tussen de assen;
- bedenk dat hoe lager de lading ligt, hoe lager het zwaartepunt van de auto komt te liggen, waardoor veiliger wordt gereden: plaats daarom altijd de zwaarste lading onderop;
- bedenk ten slotte dat het dynamische rijgedrag van de auto beïnvloed wordt door het vervoerde gewicht: hoe hoger het gewicht des te langer de remweg van de auto, vooral bij hoge snelheid.
KOSTENBESPARING EN BEPERKING VAN DE UITSTOOT VAN SCHADELIJKE UITLAATGASSEN
Hierna volgen enkele nuttige tips, waardoor de kosten van de auto zo laag mogelijk blijven en de uitstoot van schadelijke uitlaatgassen zoveel mogelijk beperkt wordt.
ALGEMENE OPMERKINGEN
Onderhoud van de auto
Doelmatig onderhoud is een beslissende factor voor een lange levensduur, de beste prestaties en een zo zuinig mogelijk gebruik van de auto. Laat daarom de bougies, de vloeistofniveaus, de lucht-/brandstoffilters, de inspuitventielen, enz, regelmatig controleren en eventueel afstellen, zoals in het onderhoudsschema is aangegeven.
Banden
Controleer regelmatig, ten minste één keer per maand, de spanning van de banden. Als de spanning te laag is, wordt de weerstand groter en neemt het verbruik toe. Bovendien slijten hierdoor de banden sneller en verslechtert de wegligging van de auto, waardoor de veiligheid in gevaar kan worden gebracht.
Overbodige bagage
Rijd niet met een te zwaar beladen bagageruimte. Het gewicht van de auto (vooral in stadsverkeer) en de wieluitlijning hebben grote invloed op het brandstofverbruik en de stabiliteit.
Imperiaal/skidrager
Verwijder de imperiaal of skidrager als u deze niet meer gebruikt. Ze verminderen de aërodynamica van de auto, waardoor het brandstofverbruik toeneemt. Gebruik voor het vervoer van volumineuze voorwerpen bij voorkeur een aanhanger.
Stroomverbruikers
Gebruik de elektrische installaties alleen als u ze nodig hebt. De achterruitverwarming, de verstralers, de ruitenwissers en de aanjager van het ventilatie-/verwarmingssysteem vragen veel stroom, waardoor het brandstofverbruik toeneemt (tot aan 25% in stadsverkeer).
Airconditioning
De airconditioning gebruikt zeer veel energie, waardoor de motor zwaar wordt belast en het brandstofverbruik sterk toeneemt (tot gemiddeld 5%). Gebruik wanneer de buitentemperatuur het toelaat bij voorkeur de functies van het ventilatiesysteem.
RIJSTIJL
Het starten
Laat de motor als de auto stilstaat, niet warmdraaien met stationair toerental en ook niet met een verhoogd toerental: onder deze omstandigheden
warmt de motor veel langzamer op, terwijl het verbruik en de schadelijke uitlaatgasemissie toenemen. Het is beter om rustig weg te rijden en geen hoge toerentallen te gebruiken. Op deze manier warmt de motor sneller op.
Overbodige handelingen
Trap het gaspedaal niet in als u stilstaat voor een stoplicht of voordat u de motor afzet. Deze laatste handeling heeft evenals het overschakelen met tussengas, geen enkel nut. Het kost brandstof en verhoogt de uitstoot van schadelijke uitlaatgassen.
Keuze van de versnellingen
Gebruik als het verkeer en de weg het toelaten de hoogste versnelling. Het inschakelen van een lage versnelling voor een snelle acceleratie verhoogt het brandstofverbruik. Op dezelfde wijze neemt bij het oneigenlijke gebruik van een hoge versnelling, het verbruik en de schadelijke uitlaatgasemissie toe. Bovendien slijt de motor hierdoor sneller.
Maximum snelheid
Het brandstofverbruik neemt aanzienlijk toe bij een hogere snelheid: als de snelheid wordt verhoogd van 90 naar 120 km/h, neemt het brandstofverbruik met ongeveer 30% toe. Rijd daarom zoveel mogelijk met een gelijkmatige snelheid, vermijd overbodig remmen en optrekken. Dit kost brandstof en verhoogt de uitstoot van schadelijke uitlaatgassen. Wij raden u daarom aan om rustig te rijden en een veilige afstand te bewaren van de auto's die voor u rijden, waardoor u tijdig kunt reageren op gevaarlijke situaties.
Acceleratie
Met vol gas optrekken waarbij de motor met hoge toerentallen draait, kost veel brandstof en verhoogt de uitstoot van schadelijke uitlaatgassen. Het is beter geleidelijk op te trekken en geen maximale toerentallen te gebruiken.
GEBRUIKSOMSTANDIG-HEDEN
Koude start
Bij korte ritten en regelmatig koud starten bereikt de motor niet de optimale bedrijfstemperatuur. Hierdoor neemt niet alleen het brandstofverbruik toe (van 15 tot aan 30% in stadsverkeer) maar ook de uitstoot van schadelijke uitlaatgassen.
Verkeerssituatie en conditie van het wegdek
Op een drukke weg bijvoorbeeld bij filerijden, waarbij overwegend lage versnellingen worden gebruikt, of in de stad met veel verkeerslichten, zal het brandstofverbruik aanzienlijk hoger zijn. Bochtige trajecten, bergwegen en een slecht wegdek verhogen eveneens het brandstofverbruik
Stilstaan in het verkeer
Als u langere tijd stilstaat (bijv. spoorwegovergangen), is het raadzaam de motor uit te zetten.
ECONOMISCH EN MILIEUBEWUST RIJDEN
Het milieu is een van de uitgangspunten geweest bij de ontwikkeling van de SCUDO. Het is niet voor niets dat de resultaten van zijn emissiereductiesystemen boven de geldende normen liggen.
Het milieu heeft recht op maximale aandacht van iedereen. De automobilist kan door enkele simpele aanwijzingen op te volgen, voorkomen dat hij/zij onnodig schade aan het milieu toebrengt. Vaak wordt door die aanwijzingen ook het brandstofverbruik beperkt.
Over dit onderwerp vindt u hierna diverse nuttige tips, die een geheel vormen met de tips met het symbool ⚡, die u in diverse hoofdstukken van dit boekje kunt vinden. We vragen uw aandacht voor al deze tips.
VOORZORGSMAATREGELEN VOOR HET BEHOUD VAN DE EMISSIEREDUCTIE- SYSTEMEN
De correcte werking van deze systemen is niet alleen belangrijk voor het milieu, maar ook voor het rendement van de auto. Het in goede conditie houden van de systemen is de belangrijkste voorwaarde voor milieubewust en economisch rijden.
De eerste eis is, dat u zich te allen tijde houdt aan het Onderhouds-schema.
Gebruik voor de benzinemotoren uitsluitend loodvrije benzine.
Als het starten problemen oplevert, blijf dan niet proberen. Vermijd aanduwen, aanslepen of rollend starten: al deze handelingen kunnen de katalysator onherstelbaar beschadigen. Maak uitsluitend gebruik van een hulpaccu.
Als de motor tijdens het rijden "slecht loopt", rijd dan zeer rustig zodat de motor zo min mogelijk wordt belast en wendt u zo snel mogelijk tot de Fiat-dealer.
Als het waarschuwingslampje van de brandstofreserve brandt, tank dan zo snel mogelijk. Een laag brandstof-niveau kan een onregelmatige brand-stoftoevoer veroorzaken, waardoor de temperatuur van de uitlaatgassen stijgt; hierdoor kan de katalysator ernstig beschadigen.
Laat de motor nooit, ook niet tijdens testwerkzaamheden, met losgenomen bougiekabels draaien.
Laat de motor voor vertrek niet warmdraaien met stationair toerental, behalve als de buitentemperaturen zeer laag zijn. Maar ook in dit laatste geval moet u de motor niet langer dan 30 seconden laten warmdraaien.
Monteer geen andere hitteschilden en verwijder de op de katalysator en uitlaat gemonteerde schilden niet.
Spuit geen reinigings- of beschermingsmiddelen op de katalysator, de lambdasonde en het uitlaatsysteem.

ATTENTIE
Onder normale bedrijfsomstandigheden bereikt de katalysator hoge temperaturen. Parkeer daarom niet boven brandbare materialen (gras, droge bladeren, dennennaalden, enz.): brandgevaar. Het negeren van deze aanwijzingen kan brandgevaar opleveren.
TREKKEN VAN AANHANGERS
BELANGRIJKE TIPS
Voor het trekken van aanhangwagens of caravans moet de auto uitgerust zijn met een trekhaak van een goedgekeurd type en een adequate elektrische installatie. De montage van de trekhaak moet door gespecialiseerd personeel worden uitgevoerd. Ook moet documentatie worden overhandigd m.b.t. het rijden met een aanhanger.
Monteer speciale en/of extra achter- uitkijkspiegels, waarmee u voldoet aan de geldende verkeerswetgeving. Let er op dat het maximum klimvermogen van de auto door het gewicht van een aanhanger of caravan wordt beperkt. Ook de remweg wordt langer en u heeft langer de tijd nodig om in te halen.
Schakel een lage versnelling in tijdens het afdalen om te voorkomen dat u constant moet remmen. Het gewicht van de aanhanger dat op de trekhaak rust, moet worden afgetrokken van het laadvermogen van de auto.
Om er zeker van te zijn dat u het maximum toelaatbaar aanhangergewicht niet overschrijdt, moet u er
rekening mee houden dat het maximum betrekking heeft op het totale gewicht van de aanhangwagen of caravan, inclusief accessoires en bagage.
Houdt u aan de snelheidsbeperkingen die voor auto's met aanhanger gelden. U mag in geen geval harder rijden dan 100 km/h.

ATTENTIE
Het ABS waarmee de auto kan zijn uitgerust, werkt
niet op het remsysteem van de aanhanger. Wees daarom extra voorzichtig op gladde wegen.

ATTENTIE
Voer in geen geval modificaties aan het remsysteem
van de auto uit. Het remsysteem van de aanhanger moet geheel onafhankelijk van het hydraulisch remsysteem van de auto worden bediend.
TREKHAAK MONTEREN

fig. 4
De trekhaak fig. 4 moet door gespecialiseerd personeel aan de carrosserie worden bevestigd waarbij de richtlijnen die hierna zijn opgenomen, moeten worden aangehouden. Deze richtlijnen worden eventueel aangevuld door extra informatie van de fabrikant van de trekhaak.
De te installeren trekhaak moet voldoen aan de huidige EU-normen 94/20 en daarop volgende wijzigingen.
Voor iedere uitvoering moet een trekhaak worden gebruikt die geschikt is voor het maximale aanhangergewicht van de auto waarop de trekhaak wordt bevestigd.
Voor de elektrische aansluiting moet een gestandaardiseerde stekker worden gebruikt die kan worden bevestigd op de daarvoor bestemde steun op de trekhaak.
Voor de elektrische aansluiting moet een 7- of 13-polige 12VDC stekkerverbinding (CUNA/UNI- en ISO/DIN-normen) worden gebruikt, waarbij eventuele aanwijzingen van de fabrikant van de auto en/of van fabrikant van de trekhaak moeten worden opgevolgd.
Gebruik voor de elektrische aan-sluitingen de aparte module voor de aanhangerverlichting.
Eventueel elektrisch geregelde remmen of andere systemen (lier, enz) moeten rechtstreeks op de accu worden aangesloten met een kabel met een diameter van minimaal 2,5 mm 2 .
De elektrische aansluitingen moeten worden afgetakt zoals is aangegeven in fig. 6.

fig. 5
Naast de op het schema aangegeven aansluitingen, is slechts één aansluiting voor een eventuele elektrisch geregelde rem toegestaan en één voor een 15W-gloeilamp voor de binnenverlichting van de caravan.
Gebruik de aparte module met een kabel vanaf de accu met een diameter van ten minste 2,5 mm 2 .
F0F0127m
MONTAGESHEMA
De trekhaak fig. 5 moet op de pun- ten aangegeven met ♦ bevestigd worden met 6 M10-bouten.
BELANGRIJK Het is verplicht om op dezelfde hoogte als de trekkogel een (goed zichtbaar) plaatje van voldoende afmetingen en kwaliteit aan te brengen met de volgende tekst:
MAX. GEWICHT OP KOPPELING 60 kg

ATTENTIE
Na de montage van de trekhaak moeten de boutworden afgedicht om te men dat uitlaatgassen inerieur kunnen dringen.

fig. 6
I - Knipperautomaat met dubbele capaciteit
2 - 7-polige stekkerdoos
3 - Aansluitstekker in de linker achterlichtunit.
SNEEUWKETTINGEN

Beperk de snelheid als u sneeuwkettingen gebruikt, vermijd kuilen, stoepranden en andere obstakels en rijd, om de banden, de wielophanging en de stuurinrichting niet te beschadigen, geen lange stukken op sneeuw-vrije wegen.
Het gebruik van sneeuwkettingen is afhankelijk van de voorschriften van het land waar wordt gereden.
De sneeuwkettingen mogen alleen op de voorwielen gemonteerd worden (aangedreven wielen).
Maximale dikte van de sneeuwkettingen boven het profiel van de band: 12 mm
Controleer na enkele meters rijden of de kettingen nog goed gespannen zijn.
AUTO LANGERE TIJD STALLEN
Tref de volgende maatregelen als de auto enkele maanden niet wordt gebruikt:
- Zet de auto in een overdekte, droge en zo mogelijk goed geventileerde ruimte.
– Schakel een versnelling in.
- Zorg ervoor dat de handrem is aangetrokken.
- Maak de accukabels los van de accu (koppel altijd eerst de minkabel los) en controleer de acculading. Gedurende het stallen moet deze controle iedere vier weken worden herhaald. Laad de accu op als de spanning lager is dan 12,5 Volt.
- Maak de gespoten plaatdelen schoon en behandel ze met een beschermende was.
- Reinig en conserveer de glimmen-de metalen delen met daarvoor geschikte middelen.
- Smeer de wisserrubbers van de ruitenwissers in met talkpoeder en laat ze los van de ruit staan.
- Zet de ruiten een klein stukje open.
- Dek de auto af met een stoffen of een ademende kunststof hoes; gebruik geen dichte plastic hoes, omdat het in en op de auto aanwezi-ige vocht dan niet kan verdampen.
- Breng de bandenspanning 0,5 bar boven de normaal voorgeschreven spanning en controleer deze regelmatig.
- Tap het koelsysteem van de motor niet af.
PERIODIEKE CON- TROLES EN VOOR LANGE REIZEN
Controleer regelmatig:
- bandenspanning en conditie van de banden;
- niveau van het elektrolyt van de accu;
- niveau van de motorolie;
- niveau van de koelvloeistof en de conditie van het koelsysteem;
- niveau van de remvloeistof;
- niveau van de ruitensproeier-vloeistof;
- niveau van de olie van de stuur- bekrachtiging.
EXTRA ACCESSOI-RES
RADIOZENDAPPARA- TUUR EN MOBILE TELEFOON
Mobiele telefoons en andere radio- zendapparaten (bijvoorbeeld 27 mc) mogen alleen in de auto worden gebruikt als er een aparte antenne aan de buitenkant van de auto wordt gemonteerd.
BELANGRIJK Door het gebruik van een mobiele telefoon, een 27 mczender of gelijksoortige apparaten in de auto (zonder buitenantenne) ontstaan elektromagnetische velden die, als ze worden versterkt door de reflectie in het interieur, niet alleen schadelijk voor de gezondheid van de inzittenden kunnen zijn, maar ook storingen in de elektrische systemen van de auto kunnen veroorzaken. Hierdoor wordt de veiligheid in gevaar gebracht.
SUGGESTIES VOOR NUTTIGE ACCESSOIRES
Onafhankelijk van de wettelijk verplichtingen, raden wij u aan het volgende aan boord te hebben fig. 7:
- verbandtrommel met niet alcoholische, desinfecterende deppers, steriele gaascompressen, verbandgaas, pleisters, enz.;
- een brandblusser;
- een schaar met afgeronde punten;
- werkhandschoenen.
De afgebeelde en beschreven voorwerpen zijn opgenomen in het Fiat Lineaccessori-programma.
F0F0343m

Als de accu leeg is, kan de motor worden gestart met een hulpaccu, die ten minste dezelfde capaciteit moet hebben als de lege accu (zie hoofdstuk "Technische gegevens").
Ga als volgt te werk fig. I:
I) Verbind de pluspolen A en B (+ teken nabij de pool) van de beide accu's met een startkabel.
2) Sluit een tweede startkabel aan op de minpool (-) van de hulpaccu en op de massakabel D op de motor
of de versnellingsbak van de auto die gestart moet worden.
3) Start de motor.
4) Neem als de motor draait, de kabels in de omgekeerde volgorde los: klem D, C, B en ten slotte A.
Als de motor na enkele pogingen niet aanslaat, blijf dan niet proberen maar wendt u tot de Fiat-dealer.

ATTENTIE
Het gebruik van een acculader voor een noodstart beslist worden afgeraden: hierinnen de elektronische systeorden beschadigd, in het bijde regeleenheden die de ont- en de inspuiting regelen.

fig. I

ATTENTIE
Laat deze procedure door gespecialiseerd personeel uitvoeren. Onjuiste handelingen kunnen leiden tot vonken. De vloeistof in de accu is giftig en corrosief. Vermijd het contact met de huid of de ogen. Kom ook niet dicht bij een accu met open vuur of een brandende sigaret en veroorzaak geen vonken.
ROLLEND STARTEN

Probeer auto's nooit te starten door ze aan te duwen, te slepen of van een helling te laten rijden. Op die wijze kan er onverbrande brandstof in de katalysator terechtkomen, waardoor deze onherstelbaar zal beschadigen.

ATTENTIE
Houd er rekening mee dat de rem- en stuurbekrachtiging niet werken zolang de motor niet is aangeslagen, waardoor meer kracht nodig is voor de bediening van het rempedaal en het stuur.
EEN LEKKE BAND

Voor het verwisselen van het wiel en voor het juiste gebruik van de krik moeten de onderstaande voor- zorgsmaatregelen in acht wor- den genomen.

ATTENTIE
Als de krik niet juist geplaatst wordt, kan de opgekrikte auto van de krik vallen. Op een sticker op de krik is het maximum hefvermogen aangegeven; de krik mag nooit voor een zwaardere last worden gebruikt.

ATTENTIE
De krik dient uitsluitend voor het verwisselen van een wiel van de auto waarbij hij geleverd is. Andere werkzaamheden zoals bijv. het opkrikken van andere auto's zijn absoluut uitgesloten. Gebruik de krik in geen geval voor het uitvoeren van werkzaamheden onder de auto.

ATTENTIE
Smeer de schroefdraad van de wielbouten niet met vet in voordat u ze monteert: de bouten kunnen loslopen. Start de motor niet als de auto is opgekrikt. Als de auto een aanhanger trekt, ontkoppel dan eerst de aanhanger en krik dan de auto op.

Controleer regelmatig de spanning van de banden en van het reservewiel en houdt u daarbij aan de waarden die beschreven staan in het hoofdstuk "Technische gegevens".
I. ZET DE AUTO STIL
- Stop de auto op een plaats waar het verkeer niet in gevaar wordt gebracht en in alle veiligheid het wiel kan worden verwisseld. Zet de auto zo mogelijk op een vlakke en stevige ondergrond. Kies als het donker is bij voorkeur een verlichte plaats.
- Zet de motor uit en trek de handrem aan.
- Schakel de eerste versnelling of de achteruit in.
- Attendeer het overige verkeer op de stilstaande auto m.b.v. de waarschuwingsknipperlichten, de geva-rendriehoek, enz.
Tijdens het verwisselen van een wiel moeten alle inzittenden uit de auto zijn, en op een veilige afstand van het verkeer wachten, totdat het wiel verwisseld is.
Als de auto op een helling of op een slecht wegdek staat, blokkeer de wielen dan met stenen of andere voorwerpen.
Het is raadzaam de volgende handelingen uit te voeren bij een onbeladen auto (lege bagageruimte).
2. PAK DE KRIK EN HET RESERVEWIEL
De krik bevindt zich onder de bestuurdersstoel fig. 2.

fig. 2
Het is nodig te weten dat:
- de krik 3,4 kg weegt;
- de krik geen afstelwerkzaamheden vereist;
- de krik bij beschadiging vervangen moet worden door een krik van hetzelfde type;
- buiten de slinger geen enkel ander gereedschap op de krik gemonteerd mag worden.
Ga als volgt te werk:
- Draai met de slinger de krik gedeeltelijk naar beneden zodat deze loskomt van de bevestigingsstang B-fig. 2 en neem hem uit.
- Neem de slinger A uit de houder.
- Draai met de slinger A-fig. 3 de blokkeerschroef van de reservewielhouder los.
- Maak de reservewielhouder los van de blokkeerschroef en neem het reservewiel uit.
3. VERWISSEL HET WIEL
I) Verwijder het wieldeksel.
2) Draai de wielbouten van het te verwisselen wiel ongeveer één slag los.
3) Draai de slinger van de krik zo, dat hij iets omhoog komt.
4) Plaats de krik op de daarvoor bestemde plaats, dicht bij het te verwisselen wiel.

fig. 3

fig. 4
5) Controleer of de groef A-fig. 4 van de krik goed om de rand B van de chassisbalk valt.
6) Waarschuw eventuele omstanders dat de auto wordt opgekrikt; zorg ervoor dat ze zich niet in de nabijheid van de auto bevinden en de auto vooral niet aanraken totdat de auto weer geheel op de grond staat.
7) Draai de slinger en krik de auto de auto op, totdat het wiel enkele centimeters los van de grond is.
Als u de slinger van de krik draait, moet u zorgen voor voldoende werk- ruimte, zodat u geen schaafwonden aan uw hand oploopt door contact met de grond. Ook de bewegende delen van de krik (schroefdraad en scharnieren) kunnen letsel veroorzaken: vermijd contact met deze onderdelen. Reinig uw handen zorgvuldig als deze met vet in contact zijn geweest.
8) Draai de 5 wielbouten helemaal los en verwijder het wiel.
9) Zorg ervoor dat de boutgaten en alle contactvlakken van het reservewiel schoon zijn en geen onzuiverheden bevatten, omdat hierdoor na verloop van tijd de wielbouten kunnen loslopen. Monteer het reservewiel, waarbij één van de gaten C-fig. 5 over de pen B moet vallen.
10) Draai de 5 wielbouten hand-
vast.
II) Draai de slinger van de krik zodat de auto zakt, en verwijder de krik.
12) Draai de wielbouten kruiselings vast, in de volgorde die is aangegeven in fig. 6.
13) Monteer het wieldeksel.
Ter afsluiting:
- Plaats het verwisselde wiel in de reservewielhouder onder de laadvloer en draai de blokkeerschroef weer vast.
- Plaats de slinger op de juiste manier in de daarvoor bestemde houder.
- Berg de krik in het daarvoor bestemde vak op en controleer daarbij of de groef van de krik goed om bevestigingsstang valt.
BELANGRIJK Controleer regel- matig de spanning van de banden, ook van het reservewiel.
BELANGRIJK Als u het gemonteerde velgtype wilt vervangen (licht-metalen velgen in plaats van stalen of omgekeerd) moeten tevens alle wielbouten worden vervangen door bouten met een lengte die aangepast is aan het velgtype.
Het is raadzaam de vervangen wielbouten te bewaren voor als u in de toekomst het originele velgtype weer wilt monteren.

fig. 5

Monteer het wieldeksel op de velg, waarbij het symbool zich ter
hoogte van het ventiel moet bevinden.
EEN GLOEILAMP VERVANGEN

ATTENTIE
Modificaties of reparaties aan de elektrische installatie die niet correct worden uitgevoerd en waarbij geen rekening wordt gehouden met de technische specificaties van het systeem, kunnen storingen in de werking en zelfs brand veroorzaken.

ATTENTIE
Wij raden u aan defecte gloeilampen, indien mogelijk, door een Fiat-dealer te laten vervangen. De juiste werking en afstelling van de buitenverlichting zijn van essentieel belang voor de rijveiligheid en bovendien wettelijk verplicht.

ATTENTIE
Halogeenlampen mag u uit- sluitend aanraken op het metalen gedeelte. Als u de bol met uw vingers aanraakt, zal de lichtopbrengst van de lamp teruglopen en kan ook de levensduur beperkt worden. Als u de bol per ongeluk toch hebt aangeraakt, moet u hem schoonwrijven met een doekje met alcohol en daarna laten drogen.

ATTENTIE
Halogeenlampen bevatten gas onder druk. Bij breuk kunnen er glassplinters weg- schieten.
ALGEMENE AANWIJZINGEN
- Als een lamp niet brandt, controleer dan eerst of de zekering niet doorgebrand is, voordat u de lamp vervangt.
- Zie voor de plaats van de zekeringen de paragraaf "Een doorgebrande zekering" in dit hoofdstuk.
- Controleer voordat u een defecte lamp vervangt of de contacten niet zijn geoxideerd.
- Vervang een defecte lamp door een exemplaar van hetzelfde type en vermogen.
- Als u een gloeilamp in de koplamp hebt vervangen, controleer dan om veiligheidsredenen altijd of de afstelling nog goed is.
BELANGRIJK Aan de binnenzijde kan de koplamp een beetje beslagen zijn: dit duidt niet op een defect maar is een natuurlijk verschijnsel dat veroorzaakt wordt door een lage buitentemperatuur en de luchtvochtigheidsgraad en verdwijnt snel als de koplampen worden ingeschakeld. De aanwezigheid van druppels aan de binnenzijde van de koplamp duidt daarentegen op het binnendringen van water: wendt u tot de Fiat-dealer.
TYPEN GLOEILAMPEN
Op de auto zijn verschillende typen gloeilampen gemonteerd fig. 7:
A G I a s f i t t Deze zijn voorzien van een klem- fitting. Verwijder de lamp door hem uit de houder te trekken.
B G loeilampen met bajonetfitting
Verwijder de lamp uit de houder door hem iets in te drukken en linksom te draaien.
C Buislampen
Verwijder de lamp door hem uit de veercontacten te trekken.
D-E Halogeenlampen
Verwijder de lamp door de borg- veer los te haken.
GLOEILAMP Fig. 7 TYPE VERMOGEN
| Grootlicht | D | H4 | |
| Dimlicht D H4 55/60W | |||
| Parkeerlichten voor A W5W 55WMislampen voor E H3 55W | e n | ||
| Richtingaanwijzers voor B | PY21W | 21W | |
| Richtingaanwijzers op voorspatbord | A W5W | 5W | |
| Richtingaanwijzers achter B | PY21W | 21W | |
| Achterlichten enremlichten | B | P21/5W | 21/5W |
| Achteruitrijlichten | B | P21W 21W | |
| Mistachterlicht | B | P21W 21W | |
| Kentekenplaatverlichting | A W5W | 5W | |
| Plafondlampje voor:- middenvoor | C | C5W | 5W |
| - zijkant | C | C5W | 5W |
| Plafondlampje achter | C | C5W | 5W |
| Derde remlicht | B | P21W 21W |

1) Verwijder de rubberen manchet A-fig. 8 en trek de stekker B-fig. 9 los.
2) Haak de twee borgveren C los en trek de lamp uit de fitting.
3) Plaats de nieuwe lamp in de juiste positie.
4) Haak de borgveren weer vast, monteer de rubberen manchet en de stekker.
PARKEERLICHTEN VOOR
Gloeilamp (12V - 5W) vervangen:
I) Draai de lamphouder A-fig. 10 iets om hem los te maken.
2) Verwijder de lamp B.
3) Plaats de nieuwe lamp en mon-
teer de lamphouder.
RICHTINGAANWIJZERS VOOR
Gloeilamp (12V-21W) vervangen:
I) Draai de lamphouder A-fig. II linksom en neem hem uit.
2) Verwijder de lamp B door hem iets in te drukken en linksom te draaien ("bajonetsluiting").
3) Vervang de lamp.
4) Plaats de lamphouder door hem rechtsom te draaien en controleer of de houder goed geborgd is.

fig. 8

fig. 9

fig. 10
RICHTINGAANWIJZERS OP VOORSPATBORD
Gloeilamp (12V-5W) vervangen:
I) Plak de lak naast de lampunit met afplakband af.
2) Druk voorzichtig met een platte schroevendraaier de borglip A-fig. 12 iets in om de lampunit uit te nemen.
3) Draai de lamphouder iets om hem los te maken en vervang de lamp.
MISTLAMPEN VOOR
Halogeenlamp (type H3, 12V-55W) vervangen:
I) Draai het stuur geheel naar rechts voor het vervangen van de lamp aan de linkerzijde en geheel naar links voor het vervangen aan de rechterzijde.
2) Draai de bevestigingsschroeven los en verwijder de wielkuipbescherming om het deksel te bereiken.
3) Draai het deksel A-fig. 13 linksom.
4) Trek de lamp B-fig. 14 uit het deksel.
5) Plaats de nieuwe lamp en mon-
teer het deksel A.

fig. 13

fig. 11

fig. 12

fig. 14
ACHTERLICHTUNIT
Gloeilampen vervangen:
1) Draai vanuit het interieur van de auto de twee driehoekige knoppen A-fig. 15, die de unit op zijn plaats houden, los.
2) Maak vanaf de buitenzijde de stekker los en verwijder de achterlichtunit.
3) Druk op de twee lippen B-fig. 16 en maak de lamphouder los van de unit.
4) Vervang de doorgebrande lamp:
C 12V-21/5W Duplogloeilamp van rem- en achterlicht
D 12V-21W Gloeilamp van rich-
tingaanwijzers
E 12V-21W Gloeilamp van achter-
uitrijlicht
F 12V-21W Gloeilamp van mist- achterlicht.
5) Monteer de lamphouder op de lichtunit en sluit de stekker weer aan.
6) Bevestig de unit met behulp van de twee driehoekige knoppen A-fig. 15.
KENTEKENPLAAT- VERLICHTING
Om het lampje 12V-5W te vervangen, de bevestigingsschroeven fig. 17 losdraaien en het lampenglas verwijderen.

fig. 15

fig. 16

fig. 17
DERDE REMLICHT
Gloeilamp (12V-21W) vervangen:
I) Open de linker achterdeur.
2) Houd het lampenglas A-fig. 18 vast en draai de schroef van de lamphouder los.
3) Verwijder de lamp door hem iets in te drukken en linksom te draaien.
4) Vervang de defecte lamp, duw de nieuwe lamp licht in de lamphouder en draai hem rechtsom.
Vervang het gloeilampje (12V-5W) door met een schroevendraaier het geklemde lampenglas los te wippen, zoals is aangegeven in fig. 19.
Vervang het gloeilampje (12V-5W) door met een schroevendraaier het geklemde lampenglas los te wippen, zoals is aangegeven in fig. 20.
PLAFONDLAMPJE ZIJKANT
Vervang het gloeilampje (12V-5W) door met een schroevendraaier het geklemde lampenglas los te wippen, zoals is aangegeven in fig. 21.

fig. 20

fig. 18

Als een elektrisch onderdeel niet werkt, controleer dan eerst of de betreffende zekering niet is doorgebrand.
A - Zekering in goede staat.
B - Zekering met doorgebrande strip.
Verwijder een zekering met behulp van het tangetje C (A fig. 24-26-28) uit de zekeringenkast.

ATTENTIE
Als de zekering opnieuw doorbrandt, wendt u dan Fiat-dealer.

Controleer voordat u een zekering vervangt of de contactsleutel uit het slot is genomen en alle gebruikers uit staan en/of geschakeld.

ATTENTIE
Vervang een zekering nooit door een zekering met een stroomsterkte (ampère), GEVAAR!

Vervang een defecte zekering nooit door ander materiaal. Gebruik altijd kering met dezelfde kleur.

fig. 22

Zekeringen in de zekeringenkast
De zekeringenkast bevindt zich in een vakje onder het stuur.

fig. 24
U kunt het bereiken, nadat u de 2 bevestigingsschroeven A-fig. 23 90° hebt losgedraaid en het deksel hebt verwijderd.
Verwijder een zekering met behulp van het tangetje A-fig. 24 uit de zekeringenkast.
Zekeringen fig. 26
I - Beschikbaar
2 - 10 A - Diagnosestekker, anti-blokkeersysteem, achteruitrijlicht
3 - Beschikbaar
4 - 5 A - Instrumentenpaneel, claxon, snelheidssensor
5 - 15 A- Cruise-control, actuator automatische versnellingsbak, remlichten, regeleenheid automatische versnellingsbak
6 - 5 A - Interieurverlichting voor en achter, instrumentenpaneel, autoradio
7 - 30 A - Achterruitverwarming
8 - 30 A - Regeleenheid interieur-
beveiliging
9 - 5 A- Regeleenheid interieurbeveiliging
10 - Beschikbaar
II - 5 A - Relais aanjager, relais voor uitschakelen aircocompressor
12 - 10 A - Ruitbediening, relais bewakingslampje, relais stoelverwarming, achterruitverwarming, bediening airconditioning, drukregelaar
13 - 15 A - Waarschuwings-knipperlichten
14 - 30 A - Ruitbediening
15 - Beschikbaar
16 - 20 A - Stoelverwarming
17 - 20 A - Claxon
18 - 10 A - Mistachterlicht
19 - 5 A - Schakelaar cruise-control, relais waarschuwingszoemer ingeschakelde buitenverlichting, schakelaar verwarming bestuurdersstoel, instrumentenpaneelverlichting, autoradio, schakelaar achterruitverwarming, selector-hendel automaat, waarschuwingssignaal, bediening airconditioning
20 - 5 A - Koplampverstelling, buitenverlichting rechtsvoor, buitenverlichting linksachter
21 - 5 A - Koplampverstelling, buitenverlichting rechtsvoor, buitenverlichting linksachter
22 - Beschikbaar
23 - 20 A - Aansteker
24 - 10 A - Autoradio
25 - 10 A - Relais waarschuwingszoemer ingeschakelde buitenverlichting, waarschuwingszoemer automatische versnellingsbak, bediening achteruitkijkspiegel, richtingaanwijzers
26 - 30 A - Tijdschakeling ruitenwissers voor, ruitenwissers voor, ruitensproeierpomp
27 - 30 A - Beschikbaar
28 -5 A - Instrumentenpaneel, relais ruitbediening
Zekeringen in de motorruimte
Een andere zekeringenkast is in de motorruimte geplaatst. U kunt deze bereiken door op de lippen aan de zijkant te drukken, zoals is aangegeven in fig. 25 voor uitvoeringen zonder ABS en in fig. 27 voor uitvoeringen met ABS.
Verwijder een zekering met behulp van het tangetje A-fig. 26 voor uitvoeringen zonder ABS en A-fig. 28 voor uitvoeringen met ABS.

Zekeringen fig. 26 (uitvoeringen zonder ABS)
I - 20A - Brandstofpomp, extra verwarming (uitvoering 2.0 JTD)
4 - 25A - Koplampsproeiers
5 - Beschikbaar
6 - 10A - Fiat CODE, inspuitsysteem (uitvoeringen met stuur links)
7 - 10A - Verwarming lambdasonde, brandstofsysteem 2.0 JTD (uitvoeringen met stuur rechts)
8 - 20A - Voeding diagnosestekker, voeding aanhanger
9 - 30A - Elektroventilateur motor- koelsysteem
10 - Beschikbaar
II - Extra verwarming (uitvoering 2.0 JTD)
16 - 70A - Zekeringenkast in interieur (uitvoeringen met stuur links), schakelaar interieurverlichting (uitvoeringen met stuur rechts), relais diefstalalarm
17 - 70A - Zekeringenkast in interieur (uitvoeringen met stuur rechts), schakelaar interieurverlichting (uitvoeringen met stuur links), relais diefstalalarm (uitvoeringen met stuur rechts), relais startmotor
MFI - Beschikbaar
MF2 - 30A - Elektroventilateur (uitvoering 2.0 16V)
MF3 - 30A - Inspuitsysteem (uitvoeringen 2.0 JTD); regeleenheid automatische versnellingsbak
MF4 - 20A - Inspuitsysteem (uitvoering 2.0 JTD)

fig. 27
Zekeringen fig. 28 (Uitvoeringen met ABS/2.0 JTD)
I - 20A - Voeding aanhanger
2 - 20A - Brandstofpomp, lambdasonde
10 - 30A - Koplampsproeiers
II - 20A - Extra verwarming (uitvoering 2.0 JTD)
12 - 5A - Koplampsproeiers
13 - 15A - Verwarming lambdasonde
14 - Niet gebruikt. GEEN zekeringen plaatsen
15 - 40A - Aanjager, aanjager hand-bediende airconditioning
16 - 50A (**) - Elektroventilateur motorkoelsysteem
MFI - 60A - ABS
MF2 - 30A - Elektroventilateur (uitvoering 2.0 16V)
MF3 - 30A - Inspuitsysteem (uitvoeringen 2.0 JTD); regeleenheid automatische versnellingsbak
MF4 - 20A - Inspuitsysteem (uitvoering 2.0 JTD).
(*) 40A voor uitvoering 2.0 JTD;
(**) 30A voor dieseluitvoeringen.
EEN LEGE ACCU
Wij raden u aan in het hoofdstuk "Onderhoud van de auto" de voorzorgsmaatregelen door te lezen om een lege accu te voorkomen en om een lange levensduur van de accu te garanderen.
STARTEN MET EEN HULP- ACCU
Zie "Motor starten" in het hoofdstuk "Correct gebruik van de auto".

Gebruik voor het starten van de motor beslist nooit een acculader.
Hierdoor kunnen de elektronische systemen en in het bijzonder de regeleenheden die de inspuiting en ontsteking regelen, beschadigd worden.

ATTENTIE
Laat deze procedure door gespecialiseerd personeel uitvoeren. Onjuiste handelingen kunnen leiden tot vonken en ernstige beschadiging van de accu.
ACCU OPLADEN
We raden u aan de accu langzaam en met een lage stroomsterkte (ampère) gedurende ca. 24 uur op te laden. Als u de accu langer oplaadt, kan de accu worden beschadigd.
Ga als volgt te werk:
I) Maak de accuklemmen los van de accupolen.
2) Sluit de klemmen van de acculader aan op de accupolen.
3) Schakel de acculader in.
4) Aan het einde van het opladen: schakel eerst de acculader uit en koppel dan de accu los.
5) Sluit de accuklemmen weer aan op de accupolen. Let daarbij op de polariteit.

ATTENTIE
De vloeistof in de accu is giftig en corrosief. Vermijd het contact met de huid of de ogen. Het opladen van de accu moet worden uitgevoerd in een goed geventileerde ruimte, ver verwijderd van open vuur en vonkvormende apparaten: brand- en ontploffingsgevaar.
OPKRIKKEN VAN DE AUTO
MET DE BOORDKRIK
Zie de paragraaf "Een lekke band" in dit hoofdstuk.

ATTENTIE
De krik dient uitsluitend voor het verwisselen van een wiel van de auto waarbij hij geleverd is. Andere werkzaamheden zoals bijv. het opkrikken van andere auto's zijn absoluut uitgesloten. Gebruik de krik in geen enkel geval voor het uitvoeren van werkzaamheden onder de auto.

ATTENTIE
Als de auto een aanhanger trekt, ontkoppel dan eerst de aanhanger en krik dan de auto op.

ATTENTIE
Als de krik niet juist geplaatst wordt, kan de opgekrikte auto van de krik vallen. Op een sticker op de krik is het maximum hefvermogen aangegeven; de krik mag nooit voor een zwaardere last worden gebruikt.

ATTENTIE
Start de motor niet als de auto is opgekrikt.
Het is nodig te weten dat:
- de krik geen afstelwerkzaamheden mag vereisen;
- de krik bij beschadiging vervangen moet worden door een krik van hetzelfde type;
- buiten de slinger, die staat afgebeeld in de paragraaf "Een lekke band", geen enkel ander gereedschap op de krik gemonteerd mag worden.
MET DE GARAGEKRIK
Voorzijde
De auto mag uitsluitend worden opgekrikt door de hefarm van de krik onder de daarvoor bestemde plaat te plaatsen, zoals aangegeven in fig. 29.
Achterzijde
Het opkrikken is niet mogelijk.
MET EEN HEFBRUG
De auto moet zo opgekrikt worden dat de uiteinden van de hefarmen zich op de in fig. 30 aangegeven plaatsen bevinden.
A - Hefarm voor.
B - Hefarm achter.
SLEPEN VAN DE AUTO
De auto is voorzien van twee sleepogen om een sleepkabel aan te bevestigen fig. 31.
A - Sleepoog voor.
B - Sleepoog achter.

ATTENTIE
Draai voor het slepen de sleutel in stand M en vervol-
gens in stand S zonder de contactsleutel uit het slot te verwijderen. Als de contactsleutel uit het contactslot wordt genomen, schakelt automatisch het stuurslot in waardoor het onmogelijk wordt de auto te besturen.

Houdt u bij het slepen van een auto aan de wettelijke voorschriften. Dit geldt zowel voor het slepen zelf als voor het gedrag naar andere weggebruikers.

ATTENTIE
Houd er rekening mee dat de rem- en eventuele stuurbekrachtiging niet werken zolang de motor niet is aangeslagen, waardoor meer kracht nodig is voor de bediening van het rempedaal en het stuur. Gebruik voor het slepen geen elastische kabels en rijd zo gelijkmatig mogelijk. Controleer tijdens het slepen of de sleepkabel geen carrosserieedelen kan beschadigen.
BIJ EEN ONGEVAL
- Het is belangrijk altijd rustig te blijven.
- Als u niet direct bij het ongeval betrokken bent, stopt u dan op een afstand van ten minste een tiental meters van het ongeluk.
- Stop bij ongevallen op de snelweg zo mogelijk in de berm en laat de vluchtstrook vrij.
- Zet de motor uit en schakel de waarschuwingsknipperlichten in.
- Verlicht als het donker is met de koplampen de plaats van het ongeval.
- Wees voorzichtig, voorkom het risico van een aanrijding.
- Geef het ongeval aan door de gevarendriehoek goed zichtbaar en op de wettelijk voorgeschreven afstand te plaatsen.
- Probeer bij geblokkeerde portieren de auto niet te verlaten door de gelaagde voorruit in te slaan. De zijruiten en de achterruit kunnen makkelijker worden ingeslagen.
- Waarschuw de hulpinstanties en geef zo duidelijk mogelijke informatie. Gebruik op de snelweg de daarvoor bestemde praatpalen.
- Bij kettingbotsingen is het risico om bij volgende botsingen betrokken te raken, vooral bij weinig zicht, groot. Verlaat onmiddellijk de auto en zoek bescherming achter de vangrail.
- Neem bij de betrokken auto's de contactsleutel uit.
- Als u brandstof of andere chemische producten ruikt, rook dan niet en doof sigaretten.
- Gebruik voor het blussen van branden, zelfs als deze klein zijn, de brandblusser, een wollen deken, zand of grond. Gebruik nooit water.
ALS ER GEWONDEN ZIJN
- Blijf altijd bij de gewonde. Ook de personen die niet direct bij het ongeval betrokken zijn, zijn verplicht hulp te bieden.
- Blijf niet om de gewonde heen staan.
- Stel de gewonde gerust over het tijdig komen van de hulp. Blijf bij de gewonde om eventuele paniek-aanvallen te vermijden.
- Maak of snijd de veiligheidsgordel, die de gewonde op zijn plaats houdt, los.
- Geef niets te drinken aan de gewonde.
- De gewonde mag nooit worden verplaatst behalve in de gevallen die bij het volgende punt worden behandeld.
- Haal de gewonde uitsluitend uit de auto bij gevaar voor brand, verdrinking of naar beneden storten. Als u een gewonde uit de auto haalt: trek niet aan de ledematen, buig nooit het hoofd en houd, voor zover mogelijk, het lichaam in horizontale positie.
VERBANDTROMMEL fig. 32
De verbandtrommel moet ten minste bevatten:
- steriele gaasdeppers, om de wond te bedekken en schoon te maken
- verschillende soorten verband
- pleisters van verschillende afmetingen
- hechtpleister
- een pak hydrofiele watten
- een flesje jodium
- een pak zakdoekjes
- een schaar met afgeronde punten
- een pincet
- twee bloedstelpende zwachtels.
Wij raden u aan om naast de verbandtrommel ook een brandblusser en een deken aan boord te hebben.
Zowel de verbandtrommel als de brandblusser zijn opgenomen in het Fiat Lineaccessori-programma.

Doelmatig onderhoud is een beslissende factor voor een lange levensduur, de beste prestaties en een zo zuinig mogelijk gebruik van de auto.
Om dit te realiseren heeft Fiat een reeks controle- en onderhoudsbeurten samengesteld die moeten worden uitgevoerd:
- iedere 30.000 km bij de 2.0 16V-uitvoering;
- iedere 15.000 km bij de 1.9 D-uitvoering;
- iedere 30.000 km bij de 2.0 JTD-uitvoering.
BELANGRIJK De servicebeurten van het geprogrammeerd onderhoud zijn door de fabrikant voorgeschreven. Het niet uitvoeren van deze servicebeurten kan het vervallen van de garantie tot gevolg hebben
De werkzaamheden van het geprogrammeerd onderhoud kunnen door alle Fiat-dealers tegen vaste tarieftijden worden uitgevoerd.
Eventuele reparaties die nodig blijken tijdens het uitvoeren van de diverse inspecties en controles van het geprogrammeerd onderhoud worden uitsluitend na toestemming van de klant uitgevoerd.
BELANGRIJK Het verdient aanbeveling eventuele kleine defecten onmiddellijk door de Fiat-dealer te laten verhelpen en daarmee niet te wachten tot de volgende servicebeurt.

Als de auto vaak wordt gebruikt voor het slepen van aanhangers, moeten er kortere intervallen worden aangehouden voor de werkzaamheden van het geprogrammeerd onderhoud.
ONDERHOUDSSCHEMA
UITVOERING 2.0 16V
| x 1000 km | 30 | 60 | 90 | 120 | 150 | 180 | ||
| Banden op conditie en slijtage controleren en bandenspanning eventueel afstellen | ● | ● | ● | ● | ● | ● | ||
| Werking verlichting (koplampen, richtingaanwijzers, waarschuwingsknipperlichten, bagageruimte, interi-eur, dashboardkastje, waarschuwings-/controlelampjes, enz.) controleren | ● | ● | ● | ● | ● | ● | ||
| Werking ruitenwissers/-sproeiers controleren en sproeiermonden afstellen | ● | ● | ● | ● | ● | ● | ||
| Stand wisserbladen voor/achter controleren en wisserbladen op slijtage controleren | ● | ● | ● | ● | ● | ● | ||
| Werking waarschuwingslampje voor versleten remblokken van schijfremmen voor controleren | ● | ● | ● | ● | ● | ● | ||
| Remschoenen achter op conditie en slijtage controleren (trommelremmen) | ● | ● | ● | |||||
| Visueel de conditie controleren van: buitenzijde carrosserie en bodemplaatbescherming, uitlaat,brandstof- en remleidingen, rubber slangen van rem- en brandstofsysteem en rubber delen (stofkappen, hoezen, enz.) | ||||||||
| ● | ● | ● | ● | ● | ● | |||
| Conditie en spanning van diverse aandrijfriemen controleren en eventueel afstellen | ● | ● | ● | |||||
| Bougies vervangen | ● | ● | ● | |||||
| x 1000 km | 30 | 60 | 90 | 120 | 150 | 180 | ||
| Slag of hoogte van het koppelingspedaal controleren/afstellen | ● | ● | ● | ● | ● | ● | ||
| Brandstofffilter vervangen | ● | ● | ● | |||||
| Luchtfilter vervangen | ● | ● | ● | |||||
| Vloeistofniveaus bijvullen (motorkoelsysteem, remsysteem, ruitensproeiers, accu, enz.) | ● | ● | ● | ● | ● | ● | ||
| Getande distributieriem controleren | ● | ● | ||||||
| Getande distributieriem vervangen (*) | ● | |||||||
| Inspuiting/ontsteking controleren (m.b.v. diagnosestekker) | ● | ● | ● | |||||
| Niveau van versnellingsbak-/differentieelolie controleren | ● | ● | ● | |||||
| Motorolie vervangen (of elke 18 maanden) | ● | ● | ● | ● | ● | ● | ||
| Motoroliefilter vervangen | ● | ● | ● | ● | ● | ● | ||
| Remvloeistof vervangen (of elke 24 maanden) | ● | ● | ● | |||||
(*) Of iedere 3 jaar bij zware gebruiksomstandigheden (koud klimaat, in stadsverkeer met langdurig stationair-draaiende motor, stoffige omgeving). Of iedere 5 jaar, onafhankelijk van het aantal afgelegde kilometers.
UITVOERING 1.9 D
| x 1000 km | 15 | 30 | 45 | 60 | 75 | 90 | 105 | 120 | 135 | 150 | 165 | 180 | ||||
| Banden op conditie en slijtage controleren en bandenspanning eventueel afstellen | ● | ● | ● | ● | ● | ● | ● | ● | ||||||||
| Werking verlichting (koplampen, richtingaanwijzers, waarschu-wingsknipperlichten, bagageruimte, interieur, dashboardkastje,waarschuwings-/controlelampjes, enz.) controleren | ● | ● | ● | ● | ● | ● | ● | ● | ||||||||
| Werking ruitenwissers/-sproeiers controleren en sproeiermondenafstellen | ● | ● | ● | ● | ● | ● | ● | ● | ||||||||
| Stand wisserbladen voor/achter controleren en wisserbladen op slijtage controleren | ● | ● | ● | ● | ● | ● | ● | ● | ||||||||
| Werking waarschuwingslampje voor versleten remblokken van schijfremmen voor controleren | ● | ● | ● | ● | ● | ● | ● | ● | ||||||||
| Remschoenen achter op conditie enslijtage controleren (trommelremmen) | ● | ● | ● | |||||||||||||
| Visueel de conditie controleren van: buitenzijde carrosserie en bodemplaatbescherming, uitlaat, brandstof- en remleidingen, rubberslangen van rem- en brandstofsysteem enrubber delen (stofkappen, hoezen, enz.) | ● | ● | ● | ● | ● | ● | ● | ● | ||||||||
| Conditie en spanning van diverse aandrijfriemen controleren en eventueel afstellen | • | • | • | |||||||||||||
| Slag of hoogte van het koppelingspedaal controleren/afstellen | • | • | • | • | • | • | • | • | ||||||||
| Uitlaatgasemissie/-rook controleren | • | • | • | • | • | • | ||||||||||
| Brandstofffilter vervangen | • | • | • | • | • | • | ||||||||||
| Luchtfilter vervangen | • | • | • | • | • | • | ||||||||||
| Vloeistofniveaus bijvullen (motorkoelsysteem, remsysteem, ruiten-sproeiers, accu, enz.) | • | • | • | • | • | • | • | • | ||||||||
| Conditie van getande distributieriem controleren | • | • | ||||||||||||||
| Getande distributieriem vervangen (*) | • | |||||||||||||||
| Inspuiting/ontsteking controleren (m.b.v. diagnosestekker) | • | • | • | • | • | • | ||||||||||
| Niveau van versnellingsbak-/differentieelolie controleren | • | • | • | |||||||||||||
| Motorolie vervangen (of elke 18 maanden) | • | • | • | • | • | • | • | • | ||||||||
| Motoroliefilter vervangen | • | • | • | • | • | • | • | • | ||||||||
| Remvloeistof vervangen (of elke 24 maanden) | • | • | • |
(*) Of iedere 3 jaar bij zware gebruiksomstandigheden (koud klimaat, in stadsverkeer met langdurig stationair-draaiende motor, stoffige omgeving). Of iedere 5 jaar, onafhankelijk van het aantal afgelegde kilometers.
UITVOERING 2.0 JTD 8v
| x 1000 km 30 | 60 | 90 | 120 | 150 | 180 | ||||
| Banden op conditie en slijtage controleren en bandenspanning eventueel afstellen | ● | ● | ● | ● | ● | ||||
| Werking verlichting (koplampen, richtingaanwijzers, waarschuwingsknipperlichten, bagageruimte, interieur,dashboardkastje, waarschuwings-/controlelampjes, enz.) controleren | ● | ● | ● | ● | ● | ||||
| Werking ruitenwissers/-sproeiers controleren en sproeiermonden afstellen | ● | ● | ● | ● | ● | ||||
| Stand wisserbladen voor/achter controleren en wisserbladen op slijtage controleren | ● | ● | ● | ● | ● | ||||
| Werking waarschuwingslampje voor versleten remblokken van schijfremmen voor controleren | ● | ● | ● | ● | ● | ||||
| Remschoenen achter op conditie en slijtage controleren (trommelremmen) | ● | ● | ● | ||||||
| Visueel de conditie controleren van: - buitenzijde carrosserie en bodemplaatbescherming, uitlaat,(brandstofen remleidingen, rubber slangen van rem- en brandstofsysteem en rubber delen(stofkappen, hoezen, enz.) | ● | ● | ● | ● | ● | ||||
| Conditie en spanning van diverse aandrijfriemen controleren en eventueel afstellen | ● | ● | ● | ||||||
| Slag of hoogte van koppelingspedaal controleren en afstellen | ● | ● | ● | ● | ● | ||||
| Uitlaatgasemissie/-rook controleren | ● | ● | ● |
| x 1000 km | 30 | 60 | 90 | 120 | 150 | 180 | ||||
| Brandstofffilter vervangen | ● | ● | ● | |||||||
| Luchtfilter vervangen | ● | ● | ● | |||||||
| Vloeistofniveaus bijvullen (motorkoelsysteem, remsysteem, ruitensproeiers, accu, enz.) | ● | ● | ● | ● | ● | |||||
| Getande distributieriem controleren | ● | ● | ||||||||
| Getande distributieriem vervangen (*) | ● | |||||||||
| Inspuiting/ontsteking controleren (m.b.v. diagnosestekker) | ● | ● | ● | |||||||
| Niveau van versnellingsbak-/differentieelolie controleren | ● | ● | ● | |||||||
| Motorolie vervangen (of elke 18 maanden) | ● | ● | ● | ● | ● | |||||
| Motoroliefilter vervangen | ● | ● | ● | ● | ● | |||||
| Remvloeistof vervangen (of elke 24 maanden) | ● | ● | ● |
(*) Of iedere 3 jaar bij zware gebruiksomstandigheden (koud klimaat, in stadsverkeer met langdurig stationair-draaiende motor, stoffige omgeving). Of iedere 5 jaar, onafhankelijk van het aantal afgelegde kilometers.
UITVOERING 2.0 JTD 16V
x 1000 km 30 60 90 120 150 180
| Banden op conditie en slijtage controleren en bandenspanning eventueel afstellen | ● | ● | ● | ● | ● | ||
| Werking verlichting (koplampen, richtingaanwijzers, waarschuwingsknipperlichten, bagageruimte, interieur, dashboardkastje, waarschuwings-/controlelampjes, enz.) controleren | ● | ● | ● | ● | ● | ||
| Werking ruitenwissers/-sproeiers controleren en sproeiermonden afstellen | ● | ● | ● | ● | ● | ||
| Stand wisserbladen voor/achter controleren en wisserbladen op slijtage controleren | ● | ● | ● | ● | ● | ||
| Werking waarschuwingslampje voor versleten remblokken van schijfremmen voor controleren | ● | ● | ● | ● | ● | ||
| Remschoenen achter op conditie en slijtage controleren (trommelremmen) | ● | ● | ● | ||||
| Visueel de conditie controleren van: - buitenzijde carrosserie en bodemplaatbescherming, uitlaat, brandstof- en remleidingen, rubber slangen van rem- en brandstofsysteem en rubber delen (stofkappen, hoezen, enz.) | ● | ● | ● | ● | ● | ||
| Conditie en spanning van diverse aandrijfriemen controleren en eventueel afstellen | ● | ● | ● | ||||
| Slag of hoogte van koppelingspedaal controleren en afstellen | ● | ● | ● | ● | ● | ||
| Uitlaatgasemissie/-rook controleren | ● | ● | ● |
| x 1000 km | 30 | 60 | 90 | 120 | 150 | 180 | ||||
| Brandstofffilter vervangen | ● | ● | ● | |||||||
| Luchtfilter vervangen | ● | ● | ● | |||||||
| Vloeistofniveaus bijvullen (motorkoelsysteem, remsysteem, ruitensproeiers, accu, enz.) | ● | ● | ● | ● | ● | |||||
| Getande distributieriem controleren | ● | ● | ||||||||
| Getande distributieriem vervangen (*) | ● | |||||||||
| Inspuiting/ontsteking controleren (m.b.v. diagnosestekker) | ● | ● | ● | |||||||
| Niveau van versnellingsbak-/differentieelolie controleren | ● | ● | ● | |||||||
| Motorolie vervangen (of elke 18 maanden) | ● | ● | ● | ● | ● | |||||
| Motoroliefilter vervangen | ● | ● | ● | ● | ● | |||||
| Remvloeistof vervangen (of elke 24 maanden) | ● | ● | ● |
(*) Of iedere 3 jaar bij zware gebruiksomstandigheden (koud klimaat, in stadsverkeer met langdurig stationair-draaiende motor, stoffige omgeving). Of iedere 5 jaar, onafhankelijk van het aantal afgelegde kilometers.
AANVULLENDE WERKZAAM- HEDEN
Iedere 1.000 km of voor een lange reis controleren en eventueel bijvullen:
- niveau van de motorkoelvloeistof;
- niveau van de remvloeistof;
- niveau van de olie van de stuurbekrachtiging (indien aanwezig);
- niveau van het elektrolyt in de accu;
- niveau van de ruitensproeier-vloeistof;
- conditie en spanning van de banden.
Iedere 1.000 km controleren en eventueel bijvullen: motoroliepeil.
Iedere 5.000 km (alleen bij dieselmotoren) condens uit brandstofffilter aftappen.
Gebruik bij voorkeur producten van FL Selenia omdat die speciaal zijn afgestemd op de Fiat-modellen (zie "Vullingstabel" in het hoofdstuk "Technische gegevens").
BELANGRIJK - Motorolie
Vervang de motorolie vaker dan in het onderhoudsschema staat aangegeven als de auto overwegend onder zware bedrijfsomstandigheden rijdt, zoals:
- trekken van caravans of aanhangers;
- rijden op stoffige wegen;
- veel korte ritten (minder dan 7-8 km) en bij buitentemperaturen onder nul;
- veel langdurig stationair draaiende motor of lange ritten bij lage snelheden (bijv. bij gebruik bij huis-aanhuis bezorging of als de auto lang stilstaat).
BELANGRIJK - Dieselfilter
Door het gebruik van dieselbrandstof van mindere kwaliteit kan het noodzakelijk zijn het brandstofffilter vaker te vervangen dan in het onderhoudsschema is aangegeven. Een hortende motor kan een indicatie zijn dat het filter vervangen moet worden.
BELANGRIJK - Luchtfilter
Als de auto op stoffige wegen rijdt, moet het luchtfilter vaker worden vervangen.
Raadpleeg bij twijfel over de vervangingsinterval van motorolie en luchtfilter in relatie tot het gebruik van de auto de Fiat-dealer.
BELANGRIJK - Accu
Wij raden u aan de acculading voor het begin van de winter te controle- ren, om eventuele bevriezing van het elektrolyt te voorkomen.
Voer deze controle vaker uit als de auto overwegend voor korte trajecten wordt gebruikt, of als er accessoires zijn gemonteerd die permanent, ook bij uitgeschakeld contact, stroom verbruiken. Dit geldt in het bijzonder voor achteraf aangebrachte accessoires.

Vertrouw het onderhoud in principe toe aan de Fiat-dealer. Als u toch zelf onderhoud of kleine reparaties verricht, controleer dan of u over het juiste speciale gereedschap en de noodzakelijke originele Fiat-onderdelen en de voorgeschreven bedrijfsvloeistoffen beschikt. Voer niet zelf onderhoudswerkzaamheden uit, als u daarmee geen ervaring hebt.
NIVEAUS CONTROLLEREN

Vertrouw het onderhoud in principe toe aan de Fiat-dealer. Als u toch zelf onderhoud of kleine reparaties verricht, controleer dan of u over het juiste speciale gereedschap en de noodzakelijke originele Fiat-onderdelen en de voorgeschreven bedrijfsvloeistoffen beschikt. Voer niet zelf onderhoudswerkzaamheden uit, als u daarmee geen ervaring hebt.

ATTENTIE
Rook nooit tijdens werkzaamheden in de motorer kunnen licht ontvlamssen aanwezig zijn; brand-

ATTENTIE
Pas op als u sjaals, dassen of loszittende kledingstukken draagt: deze kunnen door de bewegende onderdelen worden gegrepen.
- Motorolie - 2. Accu - 3. Remvloeistof - 4. Ruitensproeiervloeistof - 5. Koelvloeistof - 6. Olie van de stuurbekrachtiging (indien aanwezig).

fig. 1 - Uitvoeringen 2.0 16V
- Motorolie - 2. Accu - 3. Remvloeistof - 4. Ruitensproeiervloeistof - 5. Koelvloeistof - 6. Olie van de stuurbekrachtiging (indien aanwezig).

fig. 2 - Uitvoeringen 1.9 D
- Motorolie - 2. Accu - 3. Remvloeistof - 4. Ruitensproeiervloeistof - 5. Koelvloeistof - 6. Olie van de stuurbekrachtiging (indien aanwezig).

fig. 3 - Uitvoeringen 2.0 JTD 8v
- Motorolie - 2. Accu - 3. Remvloeistof - 4. Ruitensproeiervloeistof - 5. Koelvloeistof - 6. Olie van de stuurbekrachtiging (indien aanwezig).

fig. 4 - Uitvoeringen 2.0 JTD 16V
MOTOROLIE
Fig. 5 uitvoeringen 2.0 16V
Fig. 6 uitvoeringen I.9 D
Fig. 7 uitvoeringen 2.0 JTD 8v
Fig. 8 uitvoeringen 2.0 JTD 16V
Controleer het oliepeil als de auto op een vlakke ondergrond staat en enige minuten (circa 10) na het uitzetten van de motor.
Het oliepeil moet altijd tussen het MIN- en MAX-merkteken op de oliepeilstok staan.
Het verschil tussen het MIN- en MAX-merkteken komt overeen met ongeveer I liter.

ATTENTIE
Wees voorzichtig als u werkzaamheden in de motorruimte richten en de motor nog warm andwonden te voorkomen.

ATTENTIE
Onthoud dat bij een warme motor de elektroventilateur achts kan inschakelen en dingen kan veroorzaken. Dit nkelijk van de temperatuur motorkoelvloeistof.
BELANGRIJK Na het bijvullen of verversen van de olie, moet u de motor enige seconden laten draaien, vervolgens de motor uitzetten en na enige minuten het olieniveau controleren.
Als het olieniveau dicht bij of onder het MIN-merkteken staat, moet er via de olievulopening motorolie tot aan het MAX-merkteken worden bijgevuld.
Het olieniveau mag nooit het MAX-merkteken overschrijden.

Afgetapte motorolie en gebruikte oliefilters bevatten stoffen die schadelijk zijn
voor het milieu. Het is raadzaam om het verversen van de motorolie en het vervangen van het oliefilter door de Fiat-dealer te laten uitvoeren. De dealer beschikt over de uitrusting voor het op milieuvriendelijke wijze en conform de wettelijke bepalingen verwerken van afgewerkte olie en oliefilters.

fig. 5

fig. 6

fig. 7
MOTOROLIEVERBRUIK
Als richtlijn geldt een maximaal motorolieverbruik van ongeveer 400 gram per 1.000 km.
De motor van een nieuwe auto moet nog worden ingereden. Dit betekent dat het motorolieverbruik pas na de eerste 5000 ÷ 6000 km stabiliseert.
BELANGRIJK Het motorolie-verbruik hangt af van de rijstijl en de gebruiksomstandigheden van de auto.
Vul nooit motorolie bij met andere specificaties dan de olie waarmee de motor is gevuld.
KOELVLOEISTOF Een te laag niveau bijvullen door

Het niveau van de koelvloeistof moet gecontroleerd worden bij een koude motor en moet tussen het MIN- en MAX-merkteken staan. Deze merktekens zijn zichtbaar op de peilstok A die zich in het reservoir bevindt; fig. 9 bij de uitvoeringen 1.9 D of fig. 10 bij de uitvoeringen 2.0 16V en 2.0 JTD.
langzaam via de vulopening van het expansiereservoir, een mengsel van 50% gedestilleerd water en 50% PARAFLU" van FL Selenia te gieten, totdat het niveau dicht bij het MAX-merkteken staat.
Een mengsel van PARAFLU 11 en gedestilleerd water in een mengverhouding van 50% beveiligt tot een temperatuur van -35°C.


Om de ruitensproeiervloeistof bij te vullen, dop A lostrekken en de vloeistof bijvullen totdat het MAX-merkteken op de peilstok is bereikt fig. 12.
Gebruik een mengsel van water en DPI, in de volgende mengverhouding:
30% DPI en 70% water in de zomer.
50% DPI en 50% water in de winter.
Bij temperaturen onder -20°C DPI onverdund gebruiken.
BELANGRIJK Rijd nooit met een leeg ruitensproeierreservoir: de ruitensproeiers zijn van fundamenteel belang voor een optimaal zicht.

ATTENTIE
Enkele in de handel verkrijgbare ruitensproeiervloeistoffen zijn
licht ontvlambaar. Als de vloeistoffen in contact komen met de warme delen van de motor kunnen ze ontbranden.
OLIE VAN DE STUURBE- KRACHTIGING
(indien aanwezig) fig.13
Controleer de olie van de stuurbekrachtiging bij een koude motor en als de auto op een vlakke ondergrond staat. De olie moet tussen het MIN- en MAX-merkteken op het oliereservoir staan.
Bij zeer warme olie kan de olie boven het MAX-merkteken staan.
Zonodig kan het niveau worden bijgevuld met olie, die dezelfde specificaties moet hebben als de reeds in het systeem aanwezige olie.

fig. 11

Voorkom dat de olie voor de stuurbekrachtiging in contact
komt met de warme delen van de motor: de olie is licht ontvlambaar.

Het olieverbruik van de stuurbekrachtiging is zeer laag; als na het bijvullen de olie binnen korte tijd weer moet worden bijgevuld, moet het systeem door een Fiat-dealer op eventuele lekkage worden gecontroleerd.
REMVLOEISTOF fig. 14
Controleer of de remvloeistofniveau nog op het maximale niveau staat.
Voor het bijvullen mag uitsluitend remvloeistof worden gebruikt die voldoet aan de "DOT"-specificaties. Het verdient aanbeveling TUTELA TOP 4 remvloeistof te gebruiken; dezelfde remvloeistof, waarmee het remsysteem door de fabriek is gevuld.
Het verdient aanbeveling dit door de Fiat-dealer te laten uitvoeren.

Voorkom, als de dop van het reservoir wordt losgedraaid, dat de cor-
rosieve remvloeistof in contact komt met de lak. Als dit toch gebeurt moet de lak onmiddel- lijk worden gewassen.

ATTENTIE
De remvloeistof is giftig en zeer corrosief. Als per ongeluk remvloeistof wordt gemorst, moet de lak onmiddellijk worden gewassen met water en zeep en daarna met veel water worden afgespoeld. Bij inslikken dient onmiddellijk een arts te worden geraadpleegd.

ATTENTIE
Het symbool Ⓞop het reservoir geeft aan dat synthetische remvloeistof en geen minerale vloeistof moet worden gebruikt. Het gebruik van minerale vloeistoffen moet absoluut worden vermeden, omdat de rubbers in het remsysteem door deze vloeistoffen kunnen worden beschadigd.
BELANGRIJK De remvloeistof is hygroscopisch (trekt water aan). Daarom verdient het aanbeveling, als de auto overwegend wordt gebruikt in gebieden met een hoge luchtvochtigheid, de vloeistof vaker te vervangen dan in het onderhoudsschema staat aangegeven.
F0F0338m

Haak de borgveren A- fig. 15 los of draai de schroeven A-fig. 16 los (afhankelijk van de uitvoering), verwijder het deksel B-fig. 17 en neem het te vervangen filterelement C uit.

fig. 15
DIESELFILTER
CONDENS AFTAPPEN
Het condens moet iedere 5.000 km worden afgetapt. Ga als volgt te werk:
- draai de knop fig. 18 enige slagen los en draai de knop weer vast als er uitsluitend brandstof zonder water uitstroomt.
Het verdient aanbeveling dit door een Fiat-dealer te laten doen.

fig. 16

fig. 17

ATTENTIE
Als het condens niet op de juiste wijze wordt afgetapt en als
er geen voorzorgsmaatregelen zijn genomen, dan kan de veiligheid van de auto in gevaar komen en kan er gevaarlijke brandstoflekkage optreden.

Verontreinig het milieu niet met water dat is vermengd met dieselbrand-
stof. Wij raden u aan om de condens te laten aftappen bij de Fiat-dealer omdat deze beschikt over de uitrusting voor het op milieu-vriendelijke wijze en conform de wettelijke bepalingen, verwerken van milieuverontreinigende producten.

fig. 18
ACCU
De accu van de SCUDO is "onderhoudsarm": onder normale gebruiksomstandigheden is het niet nodig gedestilleerd water bij te vullen.
Als de auto op een vlakke ondergrond staat, moet het niveau van de vloeistof (elektrolyt) tussen de twee merklijnen op de accubak staan. Als het niveau onder de merklijn MIN fig. 19 staat, wendt u dan tot een Fiat-dealer.
Zie voor het opladen van de accu het hoofdstuk "Noodgevallen".

ATTENTIE
De vloeistof in de accu is giftig en corrosief. Vermijd het contact met de huid of de ogen. Het opladen van de accu moet worden uitgevoerd in een goed geventileerde ruimte, ver verwijderd van open vuur en vonkvormende apparaten: brand- en ontploffingsgevaar.

Als u de auto langere tijd stalt in extreem koude omstandigheden moet, om bevriezing te voorko- men, de accu worden verwij- derd en op een verwarmde plaats worden bewaard.

Accu's bevatten zeer schadelijke stoffen voor het milieu. Het verdient aanbeveling een defecte accu door de Fiat-dealer te laten vervangen, omdat deze beschikt over de uitrusting voor het op milieuvriendelijke wijze en conform de wettelijke bepalingen, verwerken van defecte accu's.

ATTENTIE
Probeer een bevroren accu niet op te laden: eerst moet de accu ontdooid worden, anders loopt u het risico dat de accu ontploft. Als de accu bevroren is geweest, moet worden gecontroleerd of de cellen niet beschadigd zijn (risico op kortsluiting) en of de bak geen scheuren vertoont, waardoor de giftige en corrosieve vloeistof kan weglekken.

fig. 19

Onoordeelkundige montage van elektrische apparatuur kan ernstige schade toebrengen aan de auto.

Bij een te laag niveau van het elektrolyt kan de accu onherstelbaar beschadigen. Hierdoor kan de accubak barsten, waarna het accuzuur weglekt.
BELANGRIJK Controleer bij de montage van de accu of deze op de juiste wijze is bevestigd.
Wanneer u de auto parkeert, controleer dan of de voorportieren, de motorkap, de zijschuifdeur en de achterdeur goed gesloten zijn. De interieurverlichting moet gedoofd zijn.
Voorkom zoveel mogelijk het gebruik van stroomverbruikers als de motor uitstaat (autoradio, waarschuwingsknipperlichten, enz.).
Als u de auto langere tijd niet gebruikt, zie "Auto langere tijd stallen" in het hoofdstuk "Correct gebruik van de auto".
BELANGRIJK Een accu die gedurende langere tijd minder dan 50% geladen is, raakt door sulfatering beschadigd. Hierdoor loopt de capaciteit en het startvermogen terug. Ook is de accu dan gevoeliger voor bevriezing (bij temperaturen onder -10°C).
Als u na aanschaf van uw auto accessoires wilt monteren die constante voeding nodig hebben (diefstalalarm, mobiele telefoon, navigatiesysteem, enz.), raden wij u aan contact op te nemen met de Fiat-dealer. Deze kan u de meest geschikte installaties, opgenomen in het Fiat Lineaccessori-programma, aanraden en controleren of het noodzakelijk is een accu met een grotere capaciteit te monteren.
Deze stroomverbruikers blijven continu stroom verbruiken ook bij een uitgenomen contactsleutel (geparkeerde auto, motor uitgezet), waardoor de accu geleidelijk kan ontladen.
Het totale energieverbruik van deze accessoires (standaard en achteraf gemonteerd accessoires) moet minder zijn dan 0,6 mA x Ah (van de accu), zoals in de volgende tabel staat vermeld:
| Accu Maximum stroom-van verbruik bijstilstaande motor | |
| 50A | 30 MA |
| 60A | 36 MA |
| 70A | 42 MA |
Als grote stroomverbruikers, zoals flessenverwarmer, stofzuiger, mobiele telefoon, koelbox, bij uitgezette motor van voedingsspanning worden voorzien, dan zal de accu sneller ontladen.
BELANGRIJK Als aan boord van de auto extra systemen moeten worden geïnstalleerd, moet goed op de juiste aansluitingen worden gelet. Niet correcte elektrische verbindingen kunnen gevaarlijk zijn, vooral voor de elementaire elektronische systemen.
Bij een normaal gebruik van de auto zijn speciale voorzorgsmaatregelen niet nodig.
Het is echter nodig de volgende aanwijzingen nauwkeurig op te volgen bij werkzaamheden aan de elektrische installatie of bij een noodstart:
- Koppel de accu nooit los van de elektrische installatie bij een draaiende motor.
- Koppel de accu los van de elektrische installatie als de accu moet worden opgeladen. Moderne laadapparaten kunnen een spanning leveren tot 20V.
- Gebruik nooit een acculader voor het starten van de motor, maar gebruik een hulpaccu.
- Let op een goede aansluiting tussen de accu en de elektrische installatie, zowel wat betreft de juiste aansluitwijze als de juiste verbinding tussen de polen en de kabeluiteinden. Als u de accu weer aansluit, moet de regeleenheid van de inspuiting/ontsteking zijn eigen parameters weer registreren;
daarom kan de auto gedurende de eer- ste kilometers iets anders rijden.
- Neem de stekkers van de regeleenheden nooit los en sluit ze nooit aan als de contactsleutel in stand M staat.
- Controleer de polariteit niet door middel van vonken.
- Neem de stekkers van de regeleenheden los voor het uitvoeren van laswerkzaamheden aan de carrosserie. Verwijder de regeleenheden als de temperatuur boven de 80°C stijgt (bijzondere werkzaamheden aan de carrosserie, enz.).
BELANGRIJK Een niet correcte installatie van een radio en/of diefstalalarm kan tot storingen in de elektronische regeleenheden leiden.

ATTENTIE
Modificaties of reparaties aan de elektrische installatie die niet
correct worden uitgevoerd en waarbij geen rekening wordt gehouden met de technische specificaties van het systeem, kunnen storingen in de werking en zelfs brand veroorzaken.
BOUGIES
Schone en goede bougies met de juiste warmtegraad fig. 20 zijn van doorslaggevend belang voor een goede werking van de motor en een lage uitstoot van schadelijke stoffen van de motor.
De informatie die de bougie levert aan een deskundige is een belangrijke bron voor het opsporen van de storing, ook als deze niet door de ontsteking wordt veroorzaakt. Het is daarom belangrijk dat bij storingen in de motorwerking de bougies worden gecontroleerd door de Fiat-dealer.

De bougies moeten bij de kilometerstanden worden vervangen die in het onderhoudsschema zijn aangegeven. Gebruik uitsluitend bougies van het voorgeschreven type. Bougies met een afwijkende warmtegraad kunnen motorstoringen veroorzaken.
Bougietype
2.0 16V Bosch FR8ME
WIELEN
EN BANDEN
BANDENSPANNING
De spanning van de banden, inclusief het reservewiel, moet regelmatig, om de twee weken en voor een lange rit, worden gecontroleerd.
De bandenspanning moet bij koude banden worden gecontroleerd.
Tijdens het rijden neemt de bandenspanning toe (een natuurlijk verschijnsel). Houd er daarom rekening mee, dat bij een controle of oppompen van warme banden de spanning 0,3 bar hoger moet zijn dan de voorgeschreven waarde.

Bedenk dat ook de wegligging afhankelijk is van een juiste bandenspanning.
Een onjuiste bandenspanning veroorzaakt een onregelmatige slijtage van de banden fig. 21:
A - Juiste spanning: gelijkmatige slijtage van het loopvlak.
B - Te lage spanning: te grote slijtage aan de zijkanten van het loopvlak.
C - Te hoge spanning: te grote slijtage in het midden van het loopvlak.

ATTENTIE
Door een te lage bandenspanning wordt de band te heet,
waardoor er onherstelbare inwendige schade aan de band kan ontstaan.
Banden moeten worden vervangen als de profieldiepte van het loopvlak minder is dan 1,6 mm. Houdt u echter altijd aan de bepalingen van het land waarin u rijdt.
BELANGRIJKE TIPS
Voorkom bruusk remmen, met spinnende wielen optrekken, enz.
Vermijd ook harde contacten tussen banden en stoepranden, kuilen, en andere obstakels. Het langdurig rijden op een slecht wegdek kan de banden beschadigen.
Controleer de banden regelmatig op scheuren in de wangen en bulten of slijtplekken op het loopvlak. Raadpleeg zonodig de Fiat-dealer.
Rijd nooit met een te zwaar beladen auto. Hierdoor kunnen de banden en de velgen ernstig beschadigd worden.
Stop zo snel mogelijk bij een lekke band en verwissel het wiel om beschadiging van de band, de velg, de wielophanging en de stuurinrichting te voorkomen.
Banden verouderen, ook als zij weinig of nooit gebruikt zijn. Scheurtjes in het loopvlak en op de wangen geven aan dat de band verouderd is. Banden die langer dan zes jaar onder een auto gemonteerd zijn, moeten dan ook door een specialist worden gecontroleerd. Dit geldt in het bijzonder voor het reservewiel.
Monteer nooit gebruikte banden of banden, waarvan de herkomst onbekend is.

fig. 21
De SCUDO is voorzien van tubeless banden zonder binnenband. In dit type band mag nooit een binnenband worden gemonteerd.
Bij de montage van een nieuwe band moet ook het ventiel vernieuwd worden.
Om een gelijke slijtage van de banden op de vooras en de achteras te verkrijgen, is het raadzaam de banden om de 10.000 ÷ 15.000 km van as te verwisselen. Hierbij moeten de banden aan dezelfde zijde van de auto gemonteerd blijven, zodat een omkering van de draairichting wordt voorkomen.

ATTENTIE
Verwissel de banden niet kruiselings, waarbij de banden van de rechterzijde aan de linkerzijde en omgekeerd worden gemonteerd.
RUBBER SLANGEN
Houd voor de rubber slangen van het rem-, stuurbekrachtigings- (indien aanwezig) en brandstofsysteem zeer nauwkeurig de voorschriften van het geprogrammeerd onderhoudsschema aan. Ozon, hoge temperaturen en het gedurende langere tijd ontbreken van vloeistof in een systeem zorgen ervoor dat de slangen uitdrogen en scheuren, waardoor het betreffende systeem gaat lekken. Daarom is zorgvuldige controle noodzakelijk.
RUITENWISSERS
WISSERBLADEN
Maak de wisserbladen regelmatig schoon met een schoonmaakmiddel; wij raden DPI aan.
Vervang de wisserbladen als het rubber vervormd of versleten is. Het verdient aanbeveling ten minste één maal per jaar de wisserbladen te vervangen.

ATTENTIE
Rijden met versleten rui- tenwisserbladen is gevaar-
lijk, omdat ze het zicht onder extreme atmosferische omstandigheden aanzienlijk beperken.
F0F0116m

Met enkele simpele voorzorgsmaatregelen is het mogelijk beschadigingen van het rubber te voorkomen.
- wanneer de temperatuur onder 0°C is gedaald, moet gecontroleerd worden of er geen ijs tussen wisserblad en ruit zit; maak de wissers zonodig vrij met een anti-vriesmiddel;
- verwijder eventueel opgehoopte sneeuw van de ruit om de wisserbladen te beschermen en oververhitting van de ruitenwissermotor te voorkomen;
- schakel de ruitenwissers niet in op een droge uit.
Wisserbladen vervangen
1) Trek de wisserarm C-fig. 22 van de voorruit en plaats het wisserblad onder een hoek van 90 graden ten opzichte van de arm.
2) Druk op lip A van de veerklem in het wisserblad en druk het wisserblad naar beneden uit arm B.
3) Monteer het nieuwe blad, waarbij de lip A in de zitting op de wisserarm moet vallen. Controleer of het wisserblad geborgd is.
RUITENSPROEIERS
Als de ruitensproeiers niet werken, controleer dan eerst het niveau in het ruitensproeiertankje (zie de paragraaf "Niveaus controleren" in dit hoofdstuk.
Controleer vervolgens of de sproei- ermonden fig. 23 niet verstopt zijn. Ze kunnen zonodig met een speld worden doorgeprikt.
De stralen van de ruitensproeiers kunnen worden afgesteld. Stel de sproeiermonden zodanig af dat de stralen de ruit raken op het hoogste punt in de slag van de ruitenwissers.
KOPLAMPSPROEI-ERS (indien aanwezig)
Controleer regelmatig of de kop- lampsproeiers schoon en in goede staat zijn fig. 24.
De koplampsproeiers werken automatisch als het dim-/grootlicht brandt en de ruitensproeiers worden ingeschakeld.

Laat voor het zomerseizoen de werking van de airconditioning door de Fiat-dealer controleren.

Het systeem gebruikt koelmiddel R134a. Dit middel is niet schadelijk voor het milieu. Gebruik in geen geval het middel R12, omdat dit middel de componenten van de auto kan beschadi- gen terwijl het bovendien chloorfluorkoolstoffen (CFK) bevat.
CARROSSERIE
BESCHERMING TEGEN ATMOSFERISCHE INVLOE- DEN
De belangrijkste oorzaken van roest zijn:
- luchtverontreiniging;
- zoutgehalte in de lucht en luchtvochtigheid (gebieden aan zee, warm en vochtig klimaat);
- omgevings-/seizoensinvloeden.
Ook de invloed van schurende elementen, zoals stoffige omgeving, opwaaiend zand, modder en steenslag op de lak en de onderzijde moet niet worden onderschat.
Fiat heeft voor uw SCUDO de beste technologische oplossingen toegepast om de carrosserie efficiënt tegen roest te beschermen.
De belangrijkste zijn:
- De toepassing van aangepaste spuittechnieken en lakproducten die de auto de benodigde weerstand tegen roest en schurende elementen verlenen.
- Het gebruik van verzinkte (of voorbehandelde) plaatdelen met een hoge corrosiebestendigheid.
- Het aanbrengen van een gespoten beschermende waslaag op de onderzijde, in de wielkuipen, in de motorruimte en verschillende holle ruimtes, met een hoog beschermend vermogen.
- Het aanbrengen van een beschermende kunststof laag op kwetsbare delen: onderzijde van de portieren, binnenzijde van de spatborden, naden, randen, enz.
- Toepassing van "open" holle ruimtes om condensvorming te voorkomen en binnendringend water af te voeren, waardoor roest van binnenuit wordt voorkomen.
CARROSSERIEGARANTIE
Bij de SCUDO is de carrosserie tegen doorroesten van alle originele componenten van de carrosserie en van alle dragende delen gegarandeerd. Voor de specifieke voorwaarden van deze garantie wordt verwezen naar het boekje "SERVICE EN GARANTIEHANDLEIDING".
TIPS VOOR HET BEHOUD VAN DE CARROSSERIE
Lak
De lak heeft behalve een esthetische functie ook een beschermende functie.
Daarom moeten beschadigingen van de laklaag, zoals krassen, onmiddellijk worden bijgewerkt om roestvorming te voorkomen.
Het bijwerken dient met de originele lak te worden uitgevoerd (zie het hoofdstuk "Technische gegevens").
Het normale onderhoud van de auto beperkt zich tot wassen, waarbij de frequentie afhankelijk is van het gebruik van de auto en van de omgeving. Het is raadzaam de auto vaker te wassen bij sterke luchtvervuiling, bij het rijden over wegen met strooizout of als u de auto parkeert onder bomen waar harsdruppels vanaf kunnen vallen.

Schoonmaakmiddelen verontreinigen het water. Daarom moet de auto bij voorkeur worden gewassen op een plaats waar het afvalwater direct wordt opgevangen en gezuiverd.
I) Spoel de auto eerst met een waterstraal onder lage druk af.
2) Was de auto met een zachte spons met een oplossing van neutrale zeep; spoel daarbij de spons regelmatig uit.
3) Spoel de auto af met schoon water en droog de auto met warme lucht of een schone, zachte zeem.
De minder zichtbare delen zoals de randen van de portieren, motorkap en de koplampranden moeten niet vergeten worden, omdat daar water kan blijven staan. Het verdient aanbeveling de auto na het wassen niet onmiddellijk binnen te zetten, maar de auto nog even buiten te laten
staan, zodat waterresten buiten kunnen verdampen.
Was de auto nooit in de zon of als de motorkap nog warm is: omdat dan de glans van de lak kan afnemen.
De kunststof carrosseriedelen kunnen op dezelfde wijze worden gewassen als de gespoten carrosseriedelen.
Parkeer de auto niet onder bomen, aangezien harsdruppels bij langere inwerking de lak kunnen beschadigen, waardoor de kans op roestvorming wordt vergroot.
BELANGRIJK Vogeluitwerpselen dienen zo snel en zo goed mogelijk van de lak verwijderd te worden, omdat door de agressieve bestanddelen de lak kan beschadigen.
Ruiten
Gebruik voor het schoonmaken van de ruiten een daarvoor geschikt schoonmaakmiddel. Gebruik een schone, zachte doek om krassen en beschadigingen te voorkomen.
BELANGRIJK Let er bij het schoonmaken van de achterruit op dat de elektrische weerstandsdraden van de achterruitverwarming (indien aanwezig) niet worden beschadigd. Veeg voorzichtig in de richting van de draden.
Motorruimte
Het verdient aanbeveling de motor- ruimte na ieder seizoen zorgvuldig te laten uitspuiten. Laat dit verzorgen door een gespecialiseerd bedrijf.
BELANGRIJK Voor het uitspuiten van de motorruimte moet de motor koud zijn en de contactsleutel in stand S staan. Controleer na het reinigen of de verschillende beschermingen (bijv. rubberkappen, deksels, enz.) nog op hun plaats zitten en niet beschadigd zijn.

Schoonmaakmiddelen verontreinigen het water. Daarom moet de auto bij voorkeur worden gewassen op een plaats waar het afvalwater direct wordt opgevangen en gezuiverd.
INTERIEUR
Controleer af en toe of er onder de vloerbedekking geen water is blijven staan (dooiwater van sneeuwresten aan schoenen, lekkende paraplu's, enz.), waardoor roestvorming op de bodem veroorzaakt zou kunnen worden.
STOELEN EN STOFFEN BEKLEDING REINIGEN
- Verwijder stof met een zachte borstel of een stofzuiger.
- Reinig de zittingen met een vochtige spons en een oplossing van neutrale zeep.
KUNSTSTOF INTERIEURDELEN
Gebruik speciale reinigingsmiddelen om het visuele effect van de componenten niet te wijzigen.
BELANGRIJK Gebruik nooit alcohol of benzine om het glas van het instrumentenpaneel schoon te maken.

ATTENTIE
Gebruik nooit ontvlambare producten zoals petroleum of wasbenzine voor het reinigen van de interieurdelen van de auto. De elektrostatische lading die tijdens het reinigen door het wrijven ontstaat, kan brand veroorzaken.

ATTENTIE
Bewaar nooit spuitbussen in de auto: ontploffingsgevaar. Spuitbussen mogen niet worden blootgesteld aan temperaturen boven 50°C. In de zomer kan de temperatuur in het interieur ver boven deze waarde oplopen.
TECHNISCHEEGEGEVENS
IDENTIFICATIE- GEGEVENS
CHASSISNUMMER
Het chassisnummer is ingeslagen in de motorruimte op de spatbordrand rechtsvoor fig. 1.
MOTORCODE
De motorcode is ingeslagen in een plaatje dat aan het hijsoog van het cilinderblok is bevestigd, en bestaat uit het motortype en een oplopend productienummer.
TYPEPLAATJE MET IDENTIFICATIEGEGEVENS
De plaatjes fig. 2 bevinden zich op de rechter deurstijl en bevatten de volgende gegevens:
Typeplaatje 1 (uitgezonderd uitvoering Combi)
A - Naam van de fabrikant.
B - Identificatiecode van het auto type/uitvoering.
C - Italiaanse typegoedkeuring.
D - Duitse typegoedkeuring.
E - Belgische typegoedkeuring.
F - Spaanse typegoedkeuring.
G - Engelse typegoedkeuring.
H - Oplopend productienummer.

I - Naam van de fabrikant.
J - Nationaal nummer typegoedkeuring (alleen uitvoering Combi).
L - Identificatiecode van het autotype en chassisnummer.
M - Max. toelaatbaar totaalgewicht van de auto.
N - Max. toelaatbaar totaalgewicht van de auto met aanhanger.
- Max. toelaatbare voorasbelasting.
P - Max. toelaatbare achterasbelasting.
Q - Identificatiecode van het autotype.
R - Correctiewaarde voor de uitlaat-rookgasmeting (alleen bij dieselmoto-ren).
S - Oplopend productienummer.

Het plaatje met de kleurcode fig. 3 bevindt zich op het portier aan bestuurderszijde, op punt H-fig. 4.
Hierna volgt de omzettingstabel van de kleurcodes.
Fiat-code Unikleuren
| 194 Nice Rood | |
| 249 IJswit | |
| 341 Carioca Geel | |
| 479 Line Blauw |
Fiat-code Metallic kleuren
| 242 Lucifer Rood | |
| 722 China Blauw | |
| 685 Kwarts Grijs | |
| 691 Ilzer Grijs |

fig. 3

fig. 4
MOTORCODES - CARROSSERIE-UITVOERINGEN
| Uitvoering | Motorcode | Carrosserie-code | |
| 2.016V | Combi met 5 zitplaatsen | RFN | 220XQ5 AA |
| Combi met 6 zitplaatsen | RFN | 220XQ5 AB | |
| Combi met 7 zitplaatsen | RFN | 220XQ5 AE | |
| Combi met 8 zitplaatsen | RFN | 220XQ5 AC | |
| Combi met 9 zitplaatsen | RFN | 220XQ5 AD | |
| Combi met 5 zitplaatsen | RFN | 220XQ4 AA | |
| Combi met 6 zitplaatsen | RFN | 220XQ4 AB | |
| Combi met 7 zitplaatsen | RFN | 220XQ4 AE | |
| Combi met 8 zitplaatsen | RFN | 220XQ4 AC | |
| Combi met 9 zitplaatsen | RFN | 220XQ4 AD | |
| 1.9 D | Combi met 5 zitplaatsen | WJY | 220XU5 AA |
| Combi met 6 zitplaatsen | WJY | 220XU5 AB | |
| Combi met 8 zitplaatsen | WJY | 220XU5 AC | |
| Combi met 9 zitplaatsen | WJY | 220XU5 AD | |
| 2.0 JTD 8V | Combi met 5 zitplaatsen | RHX | 220XP5 AA |
| Combi met 6 zitplaatsen | RHX | 220XP5 AB | |
| Combi met 8 zitplaatsen | RHX | 220XP5 AC | |
| Combi met 9 zitplaatsen | RHX | 220XP5 AD | |
| Combi met 7 zitplaatsen | RHZ | 220XV5 AE | |
| Combi met 5 zitplaatsen | RHZ | 220XV5 AA | |
| Combi met 6 zitplaatsen | RHZ | 220XV5 AB | |
| Combi met 8 zitplaatsen | RHZ | 220XV5 AC | |
| Combi met 9 zitplaatsen | RHZ | 220XV5 AD | |
| 2.0 JTD 16V | Combi met 5 zitplaatsen | RHW | 220XR5 AA |
| Combi met 6 zitplaatsen | RHW | 220XR5 AB | |
| Combi met 8 zitplaatsen | RHW | 220XR5 AC | |
| Combi met 9 zitplaatsen | RHW | 220XR5 AD | |
| Combi met 7 zitplaatsen | RHW | 220XR5 AE |
MOTOR
| ALGEMEEN | 2.0 16V | 1.9 D | ||
| Typecode | RFN | WJY | ||
| Cyclus | Otto | Diesel | ||
| Aantal en opstelling cilinders | 4 in lijn | 4 in lijn | ||
| Boring en slag mm | 86x86 | 82,2x88 | ||
| Cilinderinhoud cm | 3 | 1997 | 1867 | |
| Compressieverhouding | 10,8:1 | 23:1 | ||
| Max. vermogen (EU) pk | kW | 100 | 51 | |
| 136 | 69 | |||
| bijbehorend toerental min | -1 | 6000 | 4600 | |
| Max. koppel (EU) kgm | Nm | 190 | 125 | |
| 19,4 | 12,7 | |||
| bijbehorend toerental min | -1 | 4100 | 2500 | |
| Bougies | Bosch FR8ME | - | ||
| Brandstof | Loodvrije benzine | Diesel voor motorvoertuigen (specificatie EN590) | ||
| 95 RON | ||||
ALGEMEEN 2.0 JTD 8V
| Typecode | RHX | RHZ | ||
| Cyclus | Diesel | Diesel | ||
| Aantal en opstelling cilinders | 4 in lijn | 4 in lijn | ||
| Boring en slag mm | 85x88 | 85x88 | ||
| Cilinderinhoud cm | 1997 | 1997 | ||
| Compressieverhouding | 17,6 : 1 | 17,6 : 1 | ||
| Max. vermogen (EU) pk | kW | 69 | 80 | |
| 94 | 109 | |||
| bijbehorend toerental min | -1 | 4000 | 4000 | |
| Max. koppel (EU) kgm | Nm | 215 | 250 | |
| 22 | 25,5 | |||
| bijbehorend toerental min | -1 | 1750 | 1750 | |
| Brandstof | Diesel voor motorvoertuigen (specificatie EN 590) | Diesel voor motorvoertuigen (specificatie EN 590) | ||
ALGEMEEN 2.0 JTD 16V
| Typecode | RHW | ||
| Cyclus | Diesel | ||
| Aantal en opstelling cilinders | 4 in lijn | ||
| Boring en slag mm | 85x88 | ||
| Cilinderinhoud cm | 3 | 1997 | |
| Compressieverhouding | 17,3:1 | ||
| Max. vermogen (EU) pk | kW | 80 | |
| bijbehorend toerental min | -1 | 109 | |
| 4000 | |||
| Max. koppel (EU) kgm | Nm | 270 | |
| bijbehorend toerental min | -1 | 27,5 | |
| 1750 | |||
| Brandstof | Diesel voor motorvoertuigen (specificatie EN590) | ||
INSPUITING/ ONTSTEKING
Uitvoering 2.0 16V
Geïntegreerde elektronische "full group" inspuiting (gelijktijdige inspuiting van de 4 inspuitventielen) en ontsteking: een regeleenheid regelt zowel inspuitduur van de inspuiting (benzinedosering) als de ontstekingsvervroeging.
- Type:.... Multipoint.
- Luchtfilter: droog met verwisselbaar papieren element en thermostatisch geregelde luchttoevoer.
- Brandstofpomp: ondergedompeld in brandstoftank.
- Inspuitdruk: 3 bar.
- Meetmethode voor de hoeveelheid inlaatlucht: "Speed density" (*).
- Mengselcorrectie: "closed loop": 2 lambdasondes, gemonteerd voor en achter de katalysator.
– Ontstekingsvolgorde: 1 - 3 - 4 - 2.
-Basis-ontstekingsvervroeging bij stationair toerental .... 13°± 3°.
- Bougies:
......Bosch FR8ME
– Elektrode-afstand:
.....0,80 mm
(*) Analytische methode, d.m.v. de elektronische verwerking van gegevens die door de toerentalsensor van de motor (speed) en de temperatuursensor en de absolute-druksensor in het inlaatspruitstuk (density) worden gemeten.

ATTENTIE
Modificaties of reparaties aan het brandstofsysteem
die niet correct worden uitgevoerd en waarbij geen rekening wordt gehouden met de technische specificaties van het systeem, kunnen storingen in de werking en zelfs brand veroorzaken.
BRANDSTOFSYSTEEM
Uitvoering I.9 D
– Indirecte dieselinspuiting.
- Roterende inspuitpomp met Min/Max-regulateur en automatische inspuitmomentversteller.
- Afstelling inspuitpomp bij begin inspuiting.
- Inspuitvolgorde: 1 - 3 - 4 - 2.
- Openingsdruk inspuitstukken: 130 bar.
- Stationair toerental: 800 ± 100 min-l.
- Droog luchtfilter.
- Verwisselbaar brandstofffilter in motorruimte.
– E.G.R.-systeem (indien aanwezig).
Uitvoering 2.0 JTD
- Directe "common rail" dieselinspuiting met turbodrukvulling en intercooler.
- Brandstofpomp: opvoerpomp in de tank, hoge-drukpomp voor toevoer naar inspuitventielen.
- Inspuitvolgorde: 1 - 3 - 4 - 2.
– Luchtfilter: droog element gemonteerd op carrosserie, via rubber slang verbonden met de motor.
- Dieselfilter.
- Door uitlaatgas aangedreven turbocompressor met overdrukklep (waste-gate).
- Turbodruk max. I bar bij toeren- tal van max. vermogen.
– E.G.R.-systeem, elektronisch geregeld door een regeleenheid op basis van: koelvloeistoftemperatuur, motortoerental en motorbelasting (gaspedaalstand).

ATTENTIE
Modificaties of reparaties aan het brandstofsysteem die niet correct worden uitgevoerd en waarbij geen rekening wordt gehouden met de technische specificaties van het systeem, kunnen storingen in de werking en zelfs brand veroorzaken.
SMEERSYSTEEM
Uitvoeringen 2.0 16V - 1.9 D
Smering onder druk d.m.v. een tandwieloliepomp met ingebouwde oliedrukregelklep.
Tandwieloliepomp: aangedreven via een getande riem.
Reiniging van de motorolie in een fullflow-oliefilterelement.
Koelvloeistofgekoelde oliekoeler: om de maximum temperatuur van de motorolie te begrenzen.
Uitvoering 2.0 JTD
Smering onder druk d.m.v. een tandwieloliepomp met ingebouwde oliedrukregelklep. Reiniging van de motorolie in een fullflow-oliefilterelement.
KOELING
Uitvoeringen 2.0 16V - 1.9 D
Koelsysteem met radiateur, centrifugale waterpomp en expansiereservoir.
Thermostaat met "by-pass"-regeling in het secundaire circuit voor de recirculatie van de motor naar de radiateur.
Elektroventilateur voor het koelen van de radiateur, geregeld d.m.v. een thermoschakelaar in de radiateur.
Uitvoering 2.0 JTD
Koelsysteem met radiateur, centrifugale waterpomp en expansiereservoir.
Thermostaat in het secundaire circuit voor de recirculatie van de motor naar de radiateur.
Elektroventilateur voor het koelen van de radiateur met in-/uitschakeling, geregeld door de regeleenheid.
TRANSMISSIE
KOPPELING
"Meervoudige plaatkoppeling in oliebad".
Mechanisch bediende koppeling, behalve uitvoering 2.0 JTD, met koppelingspedaal zonder vrije slag en afstelbaar.
Voor uitvoering 2.0 JTD een hydraulisch bediende koppeling.
HANDGESCHAKELDE VERSNELLINGSBAK EN DIFFERENTIEEL
Vijf gesynchroniseerde versnellingen vooruit en één versnelling achteruit.
De overbrengingsverhoudingen zijn:
Aandrijving van de voorwielen m.b.v. aandrijfassen die via homokinetische koppelingen verbonden zijn met het differentieel en de wielen.
Rechte eindoverbrenging en differentieel ingebouwd in het versnellingsbakhuis.
De overbrengingsverhoudingen zijn:
| 2.0 16V | 1.9 D | 2.0 JTD8v* | 2.0 JTD 8v** | 2.0 JTD16V | |
| 1° versnelling | 3,454 | 3,455 | 3,250 | 3,417 | 3,417 |
| 2° versnelling | 1,870 | 1,870 | 1,783 | 1,783 | 1,783 |
| 3° versnelling | 1,280 | 1,280 | 1,121 | 1,121 | 1,121 |
| 4° versnelling | 0,951 | 0,951 | 0,795 | 0,795 | 0,795 |
| 5° versnelling | 0,745 | 0,745 | 0,608 | 0,608 | 0,608 |
| achteruit | 3,332 | 3,333 | 3,154 | 3,154 | 3,154 |
* uitvoering met RHX-motor
** uitvoering met RHZ-motor
| Rechte eindreductie | Aantal tanden | |
| 2.0 16V 4,429 14/62 | ||
| 1.9 D 4,933 (4,765)* 15/74 (17/81)* | ||
| 2.0 JTD 8V(RHZ) 4,467 15/67 | ||
| 2.0 JTD 8V(RHX) 5,071 14/71 | ||
| 2.0 JTD 16V 4,467 15/67 | ||
(*) uitvoering Combi
REMMEN
VOETREM
Voor: schijfremmen met zwevende remtangen, één remcilinder per wiel en remblokslijtage-sensoren.
Achter: trommelremmen met zelf-centrerende remschoenen en micrometrisch mechanisme voor corrigeren van de speling.
Diagonaal gescheiden hydraulisch remsysteem.
Onderdrukrembekrachtiger van 10".
Remdrukregelaar in het hydraulische remcircuit van de achterremmen.

ATTENTIE
Let op bij de montage van spoilers, lichtmetalen velgen en niet standaard wieldoppen: ze kunnen de ventilatie van de remmen verminderen en daarmee hun doelmatigheid tijdens krachtig en veelvuldig remmen of bij lange afdalingen.
HANDREM
De handrem werkt mechanisch d.m.v. een handremhefboom op de remschoenen van de achterwielen.
WIELOPHANGING
VOORWIELOPHANGING
Onafhankelijke wielophanging, type McPherson.
Telescopische schokdempers met behulp van een elastische verbinding aan de carrosserie bevestigd en met rubberen stofhoezen.
Coaxiaal ten opzichte van de schokdemper geplaatste schroefveren met aanslagrubbers.
Triangel-wieldraagarm met behulp van een dubbelconische bus aan de carrosserie bevestigd en voorzien van een fuseekogel.

ATTENTIE
Water, sneeuw en strooizout op wegen kunnen zich
afzetten op de remschijven waardoor de gewenste remvertraging iets later wordt bereikt.
ACHTER
Torsie-as met schroefveer.
Verticaal geplaatste telescopische schokdempers die in de wielkuip aan de carrosserie bevestigd zijn.
Dubbele aanslagrubbers bevestigd aan de chassisbalk.
Aansluiting voor de remdrukregelaar.
STUURINRICHTING
Samendrukbare, energie-absorbe- rende stuurkolom en stuurwiel.
"For life" gesmeerd tandheugelstuurhuis.
Hydraulische stuurbekrachtiging (indien aanwezig).
Minimum draaicirkel:
– onbekrachtigd stuurhuis: 11,6 m
– met hydraulische stuurbekrachti- ging: 11,8 m.
Aantal stuuromwentelingen van aan- slag tot aanslag:
– onbekrachtigd stuurhuis: 4,6
- met hydraulische stuurbekrachti- ging: 3.

Houd bij draaiende motor het stuurwiel niet langer dan 15 seconden
tegen de aanslag bij maximum stuuruitslag: er ontstaat overma- tig geluid en er bestaat de moge- lijkheid dat de stuurinrichting beschadigd wordt.
WIELEN
VELGEN EN BANDEN
Geperst stalen velgen.
Tubeless radiaalbanden.
Op de typegoedkeuring zijn bovendien alle goedgekeurde banden aangegeven.
Voor de rijveiligheid is het noodzakelijk dat u zich aan de voorgeschreven afmetingen houdt en dat alle wielen zijn voorzien van banden van hetzelfde merk en hetzelfde type.
BELANGRIJK In tubeless banden mogen geen binnenbanden gebruikt worden. Lichtmetalen velgen mogen nooit met de wielbouten voor stalen velgen worden gemonteerd en omgekeerd. Zie voor nadere informatie over velgen en wielbouten de gedetailleerde aanwijzingen in de paragraaf "Een lekke band".
SNEEUWKETTINGEN
Zie de aanwijzingen in het hoofdstuk "Correct gebruik van de auto".
| Velgmaat Bandenmaat | |
| 2.0 16V | 15'' × 61/2 J H2 205/65 R15 94T |
| 1.9 D 14” x 6J 195/70 R14 91T | |
| 2.0 JTD 8v 15” x 6 | 1/2 J H2 205/65 R15 94T |
| 2.0 JTD 16V 15” x 6 | 1/2 J H2 205/65 R15 94T |
ELEKTRISCHE INSTALLATIE
ACCU
Met min aan massa.
Spanning van de elektrische installatie: 12 Volt.

ATTENTIE
Modificaties of reparaties aan de elektrische installatie die niet correct worden uitgevoerd en waarbij geen rekening wordt gehouden met de technische specificaties van het systeem, kunnen storingen in de werking en zelfs brand veroorzaken.
| Capaciteit bij ontlading in 20 uur | Startstroom in koude toestand ( -18°C ) | |
| 2.0 16V 50Ah 300A | ||
| 1.9 D 50Ah 300A | ||
| 2.0 JTD 8V 60Ah 400A | ||
| 2.0 JTD 16V | 60Ah 400A |
Voor bepaalde landen kunnen zwaardere accu's zijn gemonteerd.
DYNAMO
Gelijkrichter met diodes en ingebouwde elektronische spanningsregelaar. Het laden van de accu begint zodra de motor is aangeslagen.
| Nominale maximum laadstroom | |
| 2.0 16V 80A (120A) | |
| 1.9 D 70A | |
| 2.0 JTD 8V (95 PK) 90A (120A) | |
| 2.0 JTD 8V (110 PK) 150A | |
| 2.0 JTD 16V 150A |
( ) Uitvoeringen met handbediende airconditioning
STARTMOTOR
Met vrijlooprondsel. Inschakeling d.m.v. solenoïde via start-/contactslot bediend.
| Nominaal vermogen | |
| 2.0 16V 1,1 kW | |
| 1.9 D 1,7 kW (2,2 kW)* | |
| 2.0 JTD 8V 2,0 kW | |
| 2.0 JTD 16V 2,0 kW | |
* Bepaalde markten
PRESTATIES
Max. snelheid na inrijperiode van de auto, in km/h.
| 2.0 16V | 1.9 D | 2.0 JTD 8V(95 PK) | 2.0 JTD 8V(110 PK) | 2.0 JTD 16V | |
| 1° versnelling | 49 | 31 | 29 | 31 | 31 |
| 2° versnelling | 91 | 58 | 52 | 59 | 59 |
| 3° versnelling | 134 | 84 | 83 | 95 | 95 |
| 4° versnelling | 172 | 114 | 117 | 133 | 133 |
| 5° versnelling | 175 | 138 | 160 | 165 | 165 |
| achteruit | 51 | 32 | 34 | 34 | 34 |
GEWICHTEN
BESTELUITVOERING MET/ZONDER RUITEN
| Gewichten (kg) | 2.0 16V | 1.9 D |
| Rijklaar gewicht (met volle reservoirs, reservewiel, gereedschap en accessoires): | 1334 ÷ 1533 (▼) | 1560 ÷ 1595 (▼) |
| Nuttig laadvermogen inclusief de bestuurder (1): | - | - |
| Max. toelaatbaar gewicht (2) | ||
| - vooras: | 1230 | 1230 |
| - achteras: | 1300 | 1230 |
| - totaalgewicht: | 2185 | 2205 |
| Max. dakbelasting: | 150 | 150 |
| Gewicht van de aanhanger | ||
| - geremd: | 1300 | 1100 |
| - ongeremd: | 750 | 750 |
| Max. gewicht op de trekhaak (geremde aanhanger): | 60 | 60 |
(1) Als er speciale accessoires zijn gemonteerd (trekhaak, enz.), dan stijgt het rijklaar gewicht, waardoor het totale laadvermogen met hetzelfde gewicht daalt.
(2) Maximum waarden die niet mogen worden overschreden. Het is de verantwoordelijkheid van de gebruiker dat de auto zodanig wordt beladen dat deze limieten niet worden overschreden.
(▼) Afhankelijk van de uitvoering
BESTELUITVOERING MET/ZONDER RUITEN
| Gewichten (kg) | 1.9 D lange wielbasis | 2.0 JTD 8V | 2.0 JTD 8V* | 2.0 JTD 8V lange wielbasis |
| Rijklaar gewicht (met volle reservoirs, reservewiel, gereedschap en accessoires): | 1375 ÷ 1595 (▼) | 1397 ÷ 1607 (▼) | 1651 | 1435 |
| Nuttig laadvermogen inclusief de bestuurder (1): | - | - | - | - |
| Max. toelaatbaar gewicht (2) | ||||
| - vooras: | 1230 | 1230 | 1230 | 1230 |
| - achteras: | 1230 | 1300 | 1300 | 1300 |
| - totaalgewicht: | 2205 | 2250 | 2330 | 2330 |
| Max. dakbelasting: | 150 | 150 | 150 | 150 |
| Gewicht van de aanhanger | ||||
| - geremd: | 1100 | 1300 | 1300 (3) | 1300 |
| - ongeremd: | 750 | 750 | 750 | 750 |
| Max. gewicht op de trekhaak (geremde aanhanger): | 60 | 60 | 60 | 60 |
(1) Als er speciale accessoires zijn gemonteerd (trekhaak, enz.), dan stijgt het rijklaar gewicht, waardoor het totale laadvermogen met hetzelfde gewicht daalt.
(2) Maximum waarden die niet mogen worden overschreden. Het is de verantwoordelijkheid van de gebruiker dat de auto zodanig wordt beladen dat deze limieten niet worden overschreden.
(3) Max. toelaatbaar gewicht voor combinatie mag niet hoger zijn dan 3500 kg.
* Uitvoering met verhoogd laadvermogen.
(▼) Afhankelijk van de uitvoering
COMBI
| Gewichten (kg) | 2.0 16V | 1.9 D | 2.0 JTD 8V | 2.0 JTD 16V |
| Rijklaar gewicht (met volle reservoirs, reservewiel, gereedschap en accessoires): | 1520 ÷ 1629 (*) | 1476 | 1587 ÷ 1707 (*) | 1598 ÷ 1715 (*) |
| Nuttig laadvermogen inclusief de bestuurder (1): | 5p+435 - 6p+3608p+210 - 9p+135 | 5p+354 - 6p+2798p+129 - 9p+54 | 5p+360 - 6p+2858p+135 - 9p+60 | 5p+360 - 6p+2858p+135 - 9p+60 |
| Max. toelaatbaar gewicht (2) | ||||
| - vooras: | 1213 ÷ 1223 (*) | 1230 | 1211 ÷ 1224 (*) | 1218 ÷ 1223 (*) |
| - achteras: | 1282 ÷ 1295 (*) | 1230 | 1281 ÷ 1294 (*) | 1282 ÷ 1287 (*) |
| - totaalgewicht: | 2505 | 2205 | 2505 | 2505 |
| Max. dakbelasting: | 150 | 150 | 150 | 150 |
| Gewicht van de aanhanger | ||||
| - geremd: | 1300 | 1100 | 1300 | 1300 |
| - ongeremd: | 750 | 750 | 750 | 750 |
| Max. gewicht op de trekhaak (geremde aanhanger): | 60 | 60 | 60 | 60 |
(1) Als er speciale accessoires zijn gemonteerd (opendak, trekhaak, enz.), dan stijgt het rijklaar gewicht, waardoor het totale laadvermogen met hetzelfde gewicht daalt. p = persoon = 70 kg
(2) Maximum waarden die niet mogen worden overschreden. Het is de verantwoordelijkheid van de gebruiker dat de auto zodanig wordt beladen dat deze limieten niet worden overschreden.
AFMETINGEN
BESTEL - COMBI
De afmetingen zijn aangegeven in mm.
De hoogte heeft betrekking op een onbelaste auto.

| 2.0 16V | Voorgeschreven brandstofAanbevolen producten | ||
| liter | kg | ||
| Brandstoftank:incl. een reserve van: | 805 ÷ 7 – | – | Loodvrije superbenzine metoctaangetal van ten minste 95 RON. |
| Motorkoelsysteem: | 8,5 – | Mengsel van gedestil. water en 50%PARAFLU 11 | |
| Motorcarter:Carter en oliefilter: | 4,25 (4,25) 3,804,50 (4,50) 4,00 | SELENIA 20K (☐) | |
| Handgeschakelde versnellingsbaken differentieel: | 1,9 1,7 | TUTELA CAR ZC 75 SYNTH | |
| Hydraulische stuurbekrachtiging: | 1,3 1,17 | TUTELA GI/A | |
| Hydraul. remcircuit voor en achter: | 0,47 – | TUTELA TOP 4 | |
| Hydraul. remcircuit met ABS: | 0,52 – | TUTELA TOP 4 | |
| Reservoir ruitensproeiers enkoplampsproeiers (*): | 4,5 – | Mengsel van water enDPI | |
(*) Met koplampsproeiers is de inhoud 10 liter
( ) De waarden tussen haakjes hebben betrekking op de uitvoeringen met handbediende airconditioning.
(☐) Voor temperaturen onder -20°C raden wij het gebruik aan van SELENIA PERFORMER SAE 5W-30.
| 1.9 D | 2.0 JTD 8V - 2.0 JTD 16V | Voorgeschreven brandstofAanbevolen producten | |||
| liter | kg | liter | kg | ||
| Brandstoftank:incl. een reserve van: | 805 ÷ 7 – | – | 805 ÷ 7 – | – | Diesel voor motorvoertuigen(Specificatie EN590) |
| Motorkoel-:systeem: | 8,5 – | 9 | – | Mengsel van gedestil. water en 50%PARAFLU 11 | |
| Motorcarter:Carter en oliefilter: | 4,25 3,804,50 4,00 | 4,20 (4,20)4,50 (4,50) | 3,80 (3,80)4,00 (4,00) | SELENIA TURBO DIESEL (▲) | |
| Versnellingsbaken differentieel: | 1,9 1,7 | 1,9 1,7 | TUTELA CAR ZC 75 SYNTH | ||
| Hydraulische stuurbekrachtiging: | 1,3 1,17 | 1,3 1,17 | TUTELA GI/A | ||
| Hydraul. remcircuit vooren achter: | 0,47 – | 0,47 – | TUTELA TOP 4 | ||
| Hydraul. remcircuit metABS: | 0,52 – | 0,52 – | TUTELA TOP 4 | ||
| Reservoir ruitensproeiers enkoplampsproeiers (*): | 4,5 – | 4,5 – | Mengsel van water enDPI | ||
(*) Met koplampsproeiers is de inhoud 10 liter.
( ) De waarden tussen haakjes hebben betrekking op de uitvoeringen met handbediende airconditioning.
(▲) Voor temperaturen onder -15°C raden wij het gebruik aan van SELENIA WR DIESEL SAE 5W-40
SMEERMIDDELEN EN VLOEISTOFFEN
AANBEVOLEN PRODUCTEN EN HUN SPECIFICATIES
| Gebruik | Specificaties van de smeermiddelen vloeistoffen voor een correct functioneren van de auto | Aanbevolen smeermid-delen en vloeistoffen | Toepassing | ||
| Smering voor benzinemotoren (*) | Multigrade motorolie SAE 10W-40 op synthetische basis; voldoet ruimschoots aan de specificaties ACEA A3-96, CCMC G5 en API SJ | SELENIA 20K | [HAG4] | [XATY] | ![]() |
| Multigrade motorolie SAE 5W-30 op synthetische basis; voldoet ruimschoots aan de specificaties ACEA A1 en API SJ | SELENIA PERFORMER | ||||
| Smering voor dieselmotoren (▼) | Multigrade motorolie SAE 10W-40 op synthetische basis; voldoet ruimschoots aan de specificaties ACEA B3 en API CD | SELENIA TURBO DIESEL | |||
| Multigrade motorolie SAE 5W-30 op synthetische basis; voldoet ruimschoots aan de specificaties ACEA B3 en API CF | SELENIA WR DIESEL | ||||
(*) Bij temperaturen onder -20°C raden wij het gebruik aan van SELENIA PERFORMER SAE 5W-30
(▼) Bij temperaturen onder -15°C raden wij het gebruik aan van SELENIA WR DIESEL SAE 5W-40
| Gebruik | Specificaties van de smeermiddelen en vloeistoffen voor een correct functioneren van de auto | Aanbev. smeermiddelen en vloeistoffen | Toepassing |
| Olie en vetten voor krachtoverbrengingen | SAE 75W-80 EP olie. Voldoet ruimschoots aan de specificaties API GL-5 en MIL-L-2105 D | TUTELA CAR ZC 75 SYNTH | Mechanische versnellings-bak en differentieel |
| Olie type ATF DEXRON II D LEV, SAE 10W | TUTELA GI/A | Automatische versn. bak Hydr. stuurbekrachtiging | |
| Vloeistof voor remsysteem | Synthetische remvloeistof, NHTSA. nr. 116 DOT 4, ISO 4925, SAE J-1703, CUNA NC 956-01 | TUTELA TOP 4 | Hydraulisch remsysteemen koppelingbediening |
| Antivries voor radiateur | Beschermingsmiddel met antivries op basis van glycol-monoethyleen, corrosiewerend, CUNA NC 956-16 | PARAFLU11 | Mengverhouding: 50% tot -35 °C |
| Vloeistof voor ruiten-sproeiers voor en achter koplampsproeiers | Mengsel van alcohol, water en oppervlakte-actieve stoffen CUNA NC 956-II | DPI | Onverdund gebruiken |
| Toevoeging voor dieselbrandstof | Toevoeging voor dieselbrandstof met beschermende werking voor dieselmotoren | DIESEL MIX | Vermengen met dieselolie ( 25 cm3 per 10 liter) |
BRANDSTOFVERBRUIK
Het brandstofverbruik dat in de tabellen is opgenomen, is gemeten volgens een vastgestelde testmethode die in EU-normen is vastgelegd.
Het brandstofverbruik is gemeten tijdens:
- een stadsrit: opgebouwd uit een koude start gevolgd door een gesimuleerde, normale testrit in stadsverkeer;
- een rit buiten de stad: waarbij veelvuldig wordt geaccelereerd in alle versnellingen en waarmee een normaal gebruik van de auto buiten de stad wordt gesimuleerd; de snelheid varieert tussen de 0 en 120 km/h;
- voor het bepalen van het gecombineerd verbruik telt de waarde van het stadsverkeer mee voor 37% en de waarde van de buitenweg voor 63%.
BELANGRIJK Het soort wegdek, verkeerssituatie, atmosferische omstandigheden, rijstijl, algemene conditie van de auto, uitrustingsniveau, gebruik van de airconditioning, lading van de auto, imperiaal op het dak en andere situaties die de aërodynamica kunnen beïnvloeden, kunnen in de praktijk een brandstofverbruik opleveren, dat afwijkt van de resultaten die tijdens de hierboven beschreven tests zijn bereikt (zie "Kostenbesparing en beperking van de uitstoot van schadelijke uitlaatgassen" in het hoofdstuk "Correct gebruik van de auto").
| Brandstofverbruik vlgns. 1999/100/EU-normen (liters x 100 km) Stadsrit Buitenweg Gecombineerd | |||
| 2.0 16V 12,0 7,3 9,0 | |||
| 2.0 16V aut. 13,6 7,2 9,5 | |||
| 2.0 JTD 16V Combi 8,9 6,0 7,0 | |||
| Brandstofverbruik volgens 93/116/EU-normen (liters x 100 km) Stadsrit Buitenweg Gecombineerd | |||
| 1.9 D 10,1 6,6 7,9 | |||
| 2.0 JTD 8V (95 PK) Combi | 8,7 | 5,9 | 7,0 |
| 2.0 JTD 8V (110 PK) Combi | 8,7 | 5,6 | 6,7 |
CO 2 -EMISSIE VIA DE UITLAAT
De CO 2 -emissie via de uitlaat is gemeten op een gemiddeld gecombineerd traject. De maximale waarden zijn in onderstaande tabellen weergegeven.
| CO2-emissie vlgns. EU 1999/100-normen (g/km) | |
| 2.0 16v 216 | |
| 2.0 16v aut. 227 | |
| 2.0 JTD 16v 186 |
| CO2-emissie vlgns. EU 93/116-normen (g/km) | |
| 1.9 D 211 | |
| 2.0 JTD 8v (95 PK) | 182 |
| 2.0 JTD 8v (110 PK) 180 |
INVLOED VAN DE RIJ- EN GEBRUIKSOMSTANDIGHEDEN OP HET BRANDSTOFVERBRUIK
80÷100%
Maximumsnelheid (gaspedaal geheel ingetrapt) (fig. 7)
+ 10 ÷ 15 %
Bergachtige trajecten (fig. 8)

Imperiaal of ruiten voor de helft open (fig. 9)
+5%
Ingeschakelde airconditioning (fig. 10)

Bij warme banden moet de bandenspanning 0,3 bar hoger zijn dan de voorgeschreven waarde.
| Bandenmaat Onbelast en gemidd. belading VolbeladenVoor Achter Voor Achter | |||
| 2.0 16v 205/65 R15 94T 2,5 2,5 2,5 3,0 | |||
| 2.0 16v(verhoogd laadverm.) 205/65 R15 94T 2,6 2,6 2,6 3,2 | |||
| 1.9 D 195/70 R14 91T 2,5 2,5 2,5 3,0 | |||
| 2.0 JTD 8v 205/65 R15 94T 2,5 2,5 2,5 3,0 | |||
| 2.0 JTD 8v(verhoogd laadverm.) 205/65 R15 94T 2,6 2,6 2,6 3,2 | |||
| 2.0 JTD 16v 205/65 R15 94T 2,5 2,5 2,5 3,0 | |||
Wielen
Op de portierstijl aan bestuurderszijde, zoals aangegeven in fig. 11, bevindt zich het identificatieplaatje fig. 12 waarop het volgende is aangegeven:
A - Bandenspanning bij onbelaste auto.
B - Bandenspanning bij volle bela-
ding.
C - Bandenmaat.
D - Velgmaat.

fig. 11
E - Gemonteerd bandentype.
F - Productiedatum van de auto.
G - Leeg vakje.
H - Kleurcode lak.
I - Oplopend productienummer.
PRESSIONS CONTROLLER PNEUS FROIDS (±0,05 bar)
![graph TD A["Car Icon"] --> B["Bar Icon"] B --> C["Car Icon"] C --> D["Bar Icon"] D --> E["Car Icon"] E --> F["Car Icon"] F --> G["Car Icon"] G --> H["Car Icon"] H --> I["Car Icon"]](/content/2026/05/1111138/images/991f0b989e32cb0c37292b5f2552d5c08c73b79046fb760e2718a9844c47d41b.jpg)
fig. 12
Aanvullende werkzaamheden .....135
Aanwijzingen voor het laden....94
ABS....75
Accu
- opladen....121
- starten met een hulpaccu ....121
- technische gegevens....169
- vloeistofniveau....|44
Achterruitverwarming ....56
Achteruitrijlichten......114
Afmetingen 174
Afstandsbediening centrale portiervergrendeling ....12
Airbag 77
Airbags aan de zijkant .....79-80-81-82
Airconditioning, handbediend
- airconditioning (koeling)......52
- bedieningsknoppen ....51
- onderhoud.....151
Asbak 66
Auto langere tijd stallen 103
Autoradio....84
- antenne....85
- bedieningsknoppen op het stuur.....85
- luidsprekers....85
- schema van de voorbereide bedrading en aansluitingen......182
- standaarduitrusting ....80
- voeding 85
Bandenspanning....147-182
Benzinedamp-opvangsysteem......86
Bescherming van het milieu......89-98
Bij een ongeval....124
- als er gewonden zijn ....125
- verbandtrommel ..... | 25
Bougies....147
Brandstof
- brandstofmeter....45
- brandstof-noodschakelaar....58
- dop van de brandstoftank ....84
Brandstofmeter 40
Brandstof-noodschakelaar ....58
Brandstofverbruik....179
Carrosserie
- onderhoud....151
- uitvoeringen 158
Centrale portiervergrendeling......70
Claxon 53
CO2-emissie via de uitlaat....180
Controle- en waarschuwingslampjes
- aangetrokken handrem....47
- brandstofreserve....45
- buitenverlichting....44
- richtingaanwijzers (pijlen) ....44
- te hoge koelvloeistoftemperatuur ..47
- te laag koelvloeistofniveau ....47
- te laag remvloeistofniveau ....46
- te lage laadstroom naar accu .....46
- te lage motoroliedruk......47
- versleten remblokken voor......44
- v oorgloeibougies....46
Correct gebruik van de auto .....91
Cruise-control 57
Dashboard....9-10
Dashboardkastje/opbergvak ......65
Derde remlicht......115
Dieselfilter (condens aftappen)......143
Digitaal klokje 34
Dimlicht
- bediening....53
- gloeilamp vervangen......| 12
Driewegkatalysator....85
Duplicaatsleutels ...... I I
Dynamo....169
Economisch en milieubewust rijden....
Elektrische ruitbediening....71
Elektronische regeleenheden......146
EOBD (het systeem) 83
Extra accessoires ....104
Fiat CODE startblokkering .....II
Gewichten....171
Gloeilamp (vervangen van een) .....110
Gordelspanners....21
Grootlicht
- bediening....53
- gloeilamp vervangen......112
- grootlichtsignaal ....53
Handrem 93
Hendels aan het stuur
- linker hendel ....52
-rechter hendel 55
Hoofdsteunen 16
Identificatiegegevens....155
Imperiaal/skidrager (montagevoorbereiding)....73
Instrumenten....31-39
Instrumentenpaneel......29-30
Interieur....154
Kentekenplaatverlichting......114
Kinderen veilig vervoeren....24
Koelvloeistoftemperatuurmeter....32-39
Koplampen
- koplampen afstellen....74
- koplampverstelling......56
- stand koplampen corrigeren .....74
Koplampsproeiers 150
Koplampverstelling 56
Koppeling....166
Kostenbesparing en beperking van de uitstoot van schadelijke uitlaatgassen 96
Krik 107
Lak....152
Lambdasonde 90
Lichtsterkteregelaar instrumentenpaneel....34
Luchtfilter 143
Luchtrecirculatie ....51
Luchtroosters, verstelbaar en regelbaar 49
Mistachterlicht
- bediening....54
- gloeilamp vervangen......114
Motor
- koelsysteem 165
- motorcode 155
- ontsteking....163
- smeersysteem....165
- technische gegevens....160
-voeding....163
Motor starten
- benzinemotor starten .....91
- dieselmotor starten......91
- motor opwarmen na het starten ....92
- motor uitzetten....92
- rollend starten....92-106
- start-/contactslot....14
- starten met een hulpaccu ....105
Motorkap 72
Motorolie
- oliepeil controleren....139
- technische specificaties .....175-176
- verbruik....140
Motorolieverbruik......135
Motorruimte (reinigen) 153
Niveau van de koelvloeistof ....140
Niveau van de motorolie ....139
Niveau van de olie van de stuurbekrachtiging ....141
Niveau van de remvloeistof......142
Niveau van de ruiten-/koplampsproeiervloeistof......141
Niveaus controleren ....136
Noodgevallen 105
Onderhoud
- aanvullende werkzaamheden .....135
Onderhoud van de auto......126
- geprogrammeerd onderhoud .....126
- onderhoudsschema .....127
Onderhoudsmeter....35-41
Ontwasemen/ontdooien
- achterruiten....50
- voorruit....50
- zijruiten voor ....50
Opbergvak 65
Opkrikken van de auto....122
Parkeerverlichting
- bediening....53
- gloeilamp achter vervangen......114
- gloeilamp voor vervangen .....112
Parkeren....93
Periodieke controles en voor lange reizen....104
Portieren....67
Prestaties 170
Remlichten....114
Remmen
- vloeistofniveau....142
- voetrem 167
Richtingaanwijzers (pijlen)
- bediening....54
- gloeilamp achter vervangen......114
- gloeilamp op voorspatbord vervangen ....113
- gloeilamp voor vervangen .....112
Rubber slangen....149
Ruiten
- reinigen 153
- schuiframen ....71
Ruitensproeiers voor
- bediening....55
- vloeistofniveau....141
Ruitenwissers
- bediening....55
- ruitensproeiers....150
- wisserbladen ....149
Slepen van de auto....123
Sleutels ...... 11
Smeermiddelen (specificaties)......177
Sneeuwkettingen....103
Snelheid (maximum)....170
Snelheidsmeter 39
Spiegels
- achteruitkijkspiegel 18
- buitenspiegels....18
- m et elektrische bediening .....18
Startmotor 169
Stoelen....15
- reinigen 152
- stoelen van de 3e rij neerklappen en verwijderen ....16
- toegang zitplaatsen achter .....16
- verwarming voorstoelen ....15
Stuurbekrachtiging
- vloeistofniveau....|41
Stuurinrichting 168
Stuurslot....14
Stuurwiel 17
Suggesties voor nuttige accessoires ....104
Symbolen......6
Tanken met de Scudo....87
Trekken van aanhangers
- voorzorgsmaatregelen ....99
Uitlaatgasrecirculatie ....86
Veiligheidsgordels
- algemene richtlijnen....19
- gebruik....19
- hoogteverstelling....20
- onderhoud....23
Ventilatie 48
Verbandtrommel (E.H.B.O) .....117
Versnellingsbak
- gebruik autom. versnellingsbak......59
- gebruik handgeschakelde versnellingsbak....58
- overbrengingsverhoudingen......170
Verwarming en ventilatie ....49
Vullingstabel 175
Waarschuwingsknipperlichten .....56
Wegwijs in uw auto ......9
Wiel (verwisselen)......108
Wielen....147
- een lekke band ....106
Uw nieuwe auto is ontwikkeld met producten van de FL Group.
Bij de werkplaatsen van het Fiat-dealer-net kunt u Selenia-motorolie verkrijgen.
35.000 Motorexperts in heel Europa adviseren Selenia voor een maximale bescherming van de motor in uw auto.
VRAAG UW DEALER NAAR SELENIA.

SELENIA: DE PERFECTE KEUZE VOOR UW AUTO
De motor van uw nieuwe auto is ontwikkeld met Selenia 20K; een synthetische motorolie die voldoet aan de meest geavanceerde internationale specificaties.
SELENIA 20K verbetert de eigenschappen van de motor en garandeert optimale prestaties en maximale bescherming.
SELENIA 20K
Top Quality fuel economy motorolie volgens API SJ-specificaties voor normale, turbo- of multikleps-benzinemotoren.
Brandstofbesparing tot 2% en maximale stabiliteit bij hoge temperaturen.
SELENIA PERFORMER
Speciale motorolie voor een optimale werking van benzinemotoren onder zeer extreme klimatologische omstandigheden (starten tot zelfs -35°C ).
SELENIA TURBO DIESEL
Motorolie voor normale, turbo- of multikleps-die- selmotoren. Voordelen:
- uitstekende vloeibaarheid bij lage temperaturen
- maximale stabiliteit bij hoge temperaturen
- optimale reiniging van de motor.
SELENIA: DE KRACHT ACHTER UW MOTOR
SELENIA WR DIESEL
Speciale motorolie voor normale, turbo- of multikleps-dieselmotoren voor een optimale werking onder zeer extreme klimatologische omstandigheden (starten tot zelfs -35°C ).
ANALYSE VAN GEBRUIKTE MOTOROLIE: VISCOSITEITSTOENAME BIJ 40°C (*)

Selenia 20K is afgestemd op de nieuwe generatie motoren en dank zij de uitstekende chemische stabiliteit kunnen de verversingsintervallen worden verlengd tot 20.000 km, waarbij een langdurige reiniging is gegarandeerd.
BANDENSPANNING IN KOUDE TOESTAND (bar)
| Bandenmaat Bij gemidd. belading VolbeladenVoor Achter Voor Achter | ||
| 2.0 16v 205/65 R15 94T 2,5 2,5 2,5 3,0 | ||
| 2.0 16v(verhoogd laadverm.) 205/65 R15 94T 2,6 2,6 2,6 3,2 | ||
| 1.9 D 195/70 R14 91T 2,5 2,5 2,5 3,0 | ||
| 2.0 JTD 8v 205/65 R15 94T 2,5 2,5 2,5 3,0 | ||
| 2.0 JTD 8v(verhoogd laadverm.) 205/65 R15 94T 2,6 2,6 2,6 3,2 | ||
| 2.0 JTD 16v 205/65 R15 94T 2,5 2,5 2,5 3,0 | ||
Bij warme banden moet de bandenspanning 0,3 bar hoger zijn dan de voorgeschreven waarde
MOTOROLIE VERVERSEN
| 2.0 16V | 1.9 D | 2.0 JTD 8V - 2.0 JTD 16V | ||||
| liter | kg | liter | kg | liter | kg | |
| Motorcarter | 4,25 (4,25) | 3,80 | 4,25 | 3,80 | 4,20 (4,20) | 3,80 (3,80) |
| Motorcarter en filter | 4,50 (4,50) | 4,00 | 4,50 | 4,00 | 4,50 (4,50) | 4,00 (4,00) |
Verontreinig het milieu niet met afgewerkte olie.
( ) De waarden tussen haakjes hebben betrekking op uitvoeringen met een handbediende airconditioning.
BRANDSTOFTANK (liters)
| 2.0 16V | 1.9 D | 2.0 JTD 8V - 2.0 JTD 16V | |
| Inhoud van de brandstoftank | 80 | 80 | 80 |
| Brandstofreserve | 5÷7 | 5÷7 | 5÷7 |
De benzinemotoren zijn uitsluitend geschikt voor loodvrije benzine met een octaangetal van ten minste 95 RON.
De dieselmotoren zijn uitsluitend geschikt voor dieselbrandstof voor motorvoertuigen (specificatie EN590).
Fiat Auto Nederland B.V.
Druknummer 603.45.699NL - XI - 2003 - I e Editie - Gedrukt door Hoogcarspel Grafische Communicatie - Middenbeemster
Eindredactie Satiz - Turijn

De gegevens in deze publicatie zijn uitsluitend indicatief bedoeld. Fiat behoudt zich het recht voor op elk moment de in dit boekje beschreven modellen om technische of commerciële redenen te wijzigen. Voor de laatste informatie hieromtrent kunt u zich tot de Fiat-dealer wenden. Gedrukt op houtvrij milieuvriendelijk papier.
