Scudo (2011) - Automobiel FIAT - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis Scudo (2011) FIAT in PDF-formaat.
| Producttype | Auto (bestelwagen/personenbus) |
| Merk | Fiat |
| Model | Scudo |
| Bouwjaar | 2011 |
| Lengte | 4600 mm |
| Breedte | 1900 mm |
| Hoogte | 1900 mm |
| Gewicht (ledig) | 1700 kg |
| Brandstoftype | Diesel |
| Motorinhoud | 1997 cc |
| Vermogen | 120 pk (88 kW) |
| Transmissie | Handgeschakeld, 6 versnellingen |
| Aantal zitplaatsen | 5 tot 9 |
| Laadvermogen | 1000 kg |
| Trekgewicht (geremd) | 2000 kg |
| Bandenspanning voor | 2,5 bar |
| Bandenspanning achter | 2,8 bar |
| Motorolie | 5W-30 (volledig synthetisch) |
| Koelvloeistof | Rood/roze koelvloeistof op basis van ethyleenglycol |
| Brandstoftankinhoud | 80 liter |
| Aantal pagina's handleiding | 210 |
| Taal handleiding | Nederlands |
| Formaat handleiding | PDF (downloadbaar) |
Veelgestelde vragen - Scudo (2011) FIAT
Gebruikersvragen over Scudo (2011) FIAT
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Automobiel in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding Scudo (2011) - FIAT en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. Scudo (2011) van het merk FIAT.
GEBRUIKSAANWIJZING Scudo (2011) FIAT
Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze voor de Fiat SCUDO.
Wij hebben dit boekje samengesteld om u de kwaliteiten van deze auto volledig te laten benutten.
Wij raden u aan alle hoofdstukken door te lezen voordat u voor de eerste keer met de auto gaat rijden. Dit instructieboekje bevat informatie, tips en aanwijzingen die u zullen helpen de technische kwaliteiten van uw Fiat SCUDO volledig te benutten.
Wij raden u aan om de aanwijzingen en tips bij de onderstaande symbolen aandachtig te lezen:

veiligheid van de inzittenden;

conditie van de auto;

bescherming van het milieu.
In de bijgevoegde "Service- en garantiehandleiding" vindt u de extra service van Fiat:
□ het garantiecertificaat en de bijbehorende voorwaarden
□ een overzicht van de speciale aanvullende service voor cliënten.
Veel leesplezier en goede reis!
Hoewel in dit instructieboekje alle uitvoeringen van de Fiat SCUDO beschreven worden, dient u zich aan de informatie te houden met betrekking tot de uitrusting, de motoruitvoering en het model van de auto die u gekocht hebt.
ABSOLUUT LEZEN!
BRANDSTOF TANKEN

Tank uitsluitend diesel voor motorvoertuigen conform de Europese specificatie EN590.
Het gebruik van andere producten of mengsels kan de motor onherstelbaar beschadigen en het vervallen van de garantie tot gevolg hebben.
MOTOR STARTEN

Controleer of de handrem is aangetrokken; zet de versnellingspook in vrij; trap het koppelingspedaal volledig in, maar trap het gaspedaal niet in; draai vervolgens de start-/contactsleutel in stand M en wacht tot de waarschuwingslampjes en 00 doven; draai de start-/contactsleutel in stand D en laat de sleutel los zodra de motor aanslaat.
PARKEREN BOVEN BRANDBARE MATERIALEN

Onder normale bedrijfsomstandigheden bereikt de katalysator hoge temperaturen. Parkeer daarom niet boven gras, droge bladeren, dennennaalden of ander brandbaar materiaal: brandgevaar.
BESCHERMING VAN HET MILIEU

De auto is uitgerust met een diagnosesysteem, dat continu controles uitvoert op de componenten die van invloed zijn op de uitlaatgasemissie zodat overmatige vervuiling van het milieu wordt voorkomen.
Als u na aanschaf van uw auto accessoires wilt monteren die stroom verbruiken (waardoor de accu langzaam kan ontladen), wendt u dan tot het Fiat Servicenetwerk. Deze kan controleren of de elektrische installatie van de auto geschikt is voor het extra stroomverbruik.

CODE-card
Bewaar deze op een veilige plaats, maar niet in de auto. Wij raden u aan de elektronische code van de CODE-card altijd bij u te hebben.

GEPROGRAMMEERD ONDERHOUD
Goed onderhoud van de auto is de beste manier om de prestaties en de veiligheid van de auto gedurende langere tijd te garanderen. Daarbij wordt het milieu ontzien en blijven de kosten laag.

IN HET INSTRUCTIEBOEKJE...
... treft u informatie, tips en belangrijke waarschuwingen aan voor het juiste gebruik, de rijveiligheid en het onderhoud van uw auto. Let in het bijzonder op de symbolen ⚠ (veiligheid van personen) ⚡ (milieubehoud) ⚢ (conditie van de auto).

DASHBOARD EN BEDIENINGSELEMENTEN
DASHBOARD......5
SYMBOLEN 6
FIAT CODE 6
DE SLEUTELS 7
DIEFSTALALARM 10
START-/CONTACTSLOT 12
INSTRUMENTENPANEEL 13
INSTRUMENTEN 14
DISPLAY....15
ONDERHOUDSMETER.... 16
TRIP COMPUTER.... 17
ZITPLAATSEN VOOR 17
ZITPLAATSEN ACHTER.... 20
OPSTELLING STOELEN 22
HOOFDSTEUNEN 23
STUURWIEL 24
SPIEGELS 25
VERWARMING EN VENTILATIE 27
AIRCONDITIONING, HANDBEDIEND .... 31
KLIMAATREGELING, AUTOMATISCH
AANWIJZINGEN VOOR HET LADEN.... 79
KOPLAMPEN 81
ABS 82
ESP 84
EOBD 87
PARKEERSENSOREN 88
AUTORADIO 89
EXTRA ACCESSOIRES 90
TANKEN MET DE AUTO....91
BESCHERMING VAN HET MILIEU 92
De aanwezigheid en de opstelling van de bedieningsorganen, de instrumenten en de controle-/waarschuwingslampjes kunnen per uitvoering verschillen.

- Verstelbare uitstroomopeningen zijkant - 2. Vaste uitstroomopeningen zijkant - 3. Linker hendel: bediening buitenverlichting - 4. Instrumentenpaneel - 5. Rechter hendel: bediening ruitenwissers voor/achter, tripcomputer - 6. Bedieningsknoppen op het dashboard - 7. Verstelbare luchtroosters midden - 8. Frontairbag passagierszijde (indien aanwezig) - 9. Dashboardkastje - 10. Autoradio (indien aanwezig) - 11. Bedieningsknoppen verwarming/ventilatie/airconditioning - 12. Bedieningshendel autoradio (indien aanwezig) - 13. Frontairbag bestuurderszijde - 14. Hendel stuurwielverstelling
SYMBOLLEN
Op of in de nabijheid van enkele onderdelen van uw auto zijn plaatjes met een bepaalde kleur aangebracht met daarop symbolen die uw aandacht vragen en die voorzorgsmaatregelen aangeven die u in acht moet nemen, als u met het betreffende onderdeel te maken krijgt.
FIAT CODE
Voor een nog betere bescherming tegen diefstal is de auto uitgerust met een elektronische startblokkering. Het systeem schakelt automatisch in als de start-/contactsleutel wordt uitgenomen.
In iedere sleutel zit een elektronische component gemonteerd die bij het starten van de motor een signaal ontvangt via een speciale antenne die in het start-/contactslot is ingebouwd. Het signaal wordt bij het starten omgezet in een gecodeerd signaal en vervolgens aan de regeleenheid van het CODE-systeem gezonden, die, als de code wordt herkend, het starten van de motor mogelijk maakt.
WERKING
Als u bij het starten van de motor de sleutel in stand M draait, dan stuurt het Fiat CODE-systeem een code naar de regeleenheid van de motor die, als de code wordt herkend, de blokkering van de functies opheft.
De code wordt alleen verzonden als de regeleenheid van het Fiat CODE-systeem de door de sleutel verzonden code heeft herkend.
Iedere keer als u de contactsleutel in stand S zet, schakelt de Fiat CODE de functies van de elektronische regeleenheid van de motor uit.
In dat geval raden wij u aan de sleutel in stand S en vervolgens in stand M te draaien; als de motor geblokkeerd blijft, probeer het dan opnieuw met de andere geleverde sleutels. Als de motor nog niet aanslaat, wendt u dan tot het Fiat Servicenetwerk.
BELANGRIJK Elke sleutel heeft een eigen code, die in de regeleenheid van het systeem moet worden opgeslagen. Voor het opslaan van nieuwe sleutels (maximaal acht) moet u zich tot het Fiat Servicenetwerk wenden.

Bij krachtige stoten kunnen de elektronische componenten in de sleutel beschadigd worden.
DE SLEUTELS
CODE-CARD fig. 2
Bij de auto worden twee sleutels geleverd en de CODE-card waarop staat aangegeven:
A de elektronische code; B de mechanische code van de sleutels die bij de bestelling van duplicaatsleutels aan het Fiat Servicenetwerk moet worden gemeld.
Wij raden u aan de elektronische code van de CODE-card A-fig. 2 altijd bij u te hebben.
BELANGRIJK Om schade aan de elektronische schakelingen in de sleutels te voorkomen, mogen de sleutels niet aan directe zonnestraling worden blootgesteld.



Ga voor het inklappen in de handgreep als volgt te werk:
☐ houd het knopje B ingedrukt en verplaats de metalen baard A; ☐ laat het knopje B los en draai de metalen baard A totdat hij op de juiste wijze is ingeklapt en vergrendeld.

Als de auto wordt verkocht, moeten alle sleutels en de CODE-card overhandigd worden aan de nieuwe eigenaar.
SLEUTEL MET AFSTANDSBEDIENING fig. 3/a
De metalen baard A bevindt zich in de handgreep en dient voor:
□ het start-/contactslot; □ de sloten van de portieren; □ het ont-/vergrendelen van de tank-dop.
Druk op het knopje B voor het uitklappen van de metalen baard.

ATTENTIE!
Druk het knopje B alleen in als de sleutel ver genoeg van het lichaam (speciaal de ogen) en van voorwerpen die snel beschadigen (bijvoorbeeld kledingstukken) is verwijderd. Laat de sleutel nooit onbeheerd achter om te voorkomen dat anderen, met name kinderen, de sleutel kunnen gebruiken en per ongeluk op de knop drukken.
Cabineportieren ontgrendelen

Als deze knop een keer wordt ingedrukt, worden uitsluitend de portieren van de cabine ontgrendeld.
De richtingaanwijzers knipperen twee keer. Door een tweede keer op deze knop te drukken, worden ook de zij- en achterdeuren ontgrendeld.
Deze selectieve ontgrendelwijze is ingesteld op het moment dat de auto wordt afgeleverd. Het onderscheid in de ontgrendeling tussen de cabine en de laadruimte kan op verzoek worden uitgeschakeld. Wendt u tot het Fiat Servicenetwerk.
Laadruimte ontgrendelen

Als u deze knop indrukt, ontgrendelen alle achterdeuren.
Dit onderscheid in de vergrendeling tussen de cabine en de laadruimte is een praktische beveiliging, waardoor de toegang tot een tijdelijk onbemand gedeelte van de auto kan worden afgesloten.
Centrale vergrendeling

Als deze knop een keer wordt ingedrukt, worden zowel de cabineportieren als de achterdeuren vergrendeld. De richtingaanwijzers knipperen een keer.
Als een voorportier geopend of niet goed gesloten is, dan wordt de centrale vergrendeling niet uitgevoerd.
Dead Lock (indien aanwezig)
Als u de knop op de afstandsbediening (indien aanwezig) twee keer binnen vijf seconden indrukt, schakelt het dead lock-systeem in (supervergrendeling van de portieren).
Als het dead lock-systeem wordt ingeschakeld, gaan de richtingaanwijzers ongeveer twee seconden branden.
Het dead lock-systeem verhindert de bediening van de handgrepen aan de binnen- en buitenzijde van de portieren.

ATTENTIE!
Zorg dat er geen personen in de auto zijn als de supervergrendeling is ingeschakeld.
BELANGRIJK: Als het dead lock-systeem vanuit het interieur van de auto is ingeschakeld, dan wordt overgeschakeld op de normale vergrendeling, zodra de motor wordt gestart.

Informatie van het lampje op het dashboard
Als u de portieren vergrendelt, gaat het lampje A-fig. 4 knipperen (bewakingsfunctie).
Als u de portieren vergrendelt en een of meerdere portieren zijn niet goed gesloten, dan gaat op het instrumentenpaneel het lampje branden.
Extra afstandsbedieningen bestellen
Het systeem kan maximaal 8 afstandsbedieningen herkennen. Als u in de loop der tijd een nieuwe afstandsbediening nodig hebt, kunt u zich tot het Fiat Servicenetwerk wenden. Neem dan de CODE-card, een identiteitsbewijs en het kentekenbewijs mee.
Batterij vervangen van de sleutel met afstandsbediening
Ga voor het vervangen van de batterij als volgt te werk:
Open met behulp van een schroevendraaier de twee helften A en B-fig. 6 op het door de pijl fig. 5 aangegeven punt; verwijder en vervang de batterij C-fig. 6; plaats de twee helften weer op elkaar en controleer of ze goed vastgeklikt zitten.

Lege batterijen zijn schadelijk voor het milieu. Ze moeten in een daarvoor bestemde chemobox of afvalbak worden gedeponeerd. Ze kunnen ook ingeleverd worden bij het Fiat Servicenetwerk, dat vervolgens voor de afvoer zorgt.

Afstandsbediening opnieuw initialiseren
Als de batterij is vervangen of als de accu (van de auto) losgekoppeld is geweest, dan moet de afstandsbediening op de volgende wijze worden geïntitialiseerd:
Wacht ten minste een minuut voordat de afstandsbediening wordt gebruikt en houd de afstandsbediening in stand A. Steek de sleutel met de afstandsbediening in het contactslot. Druk binnen tien seconden gedurende ten minste 5 seconden op een van de twee knoppen (A of B). Verwijder de sleutel met de afstandsbediening uit het contactslot. Wacht ten minste een minuut voordat de afstandsbediening wordt gebruikt. De afstandsbediening werkt nu weer.

De metalen baard A zit vast aan de sleutel.
De sleutel dient voor: □ het start-/contactslot; □ de sloten van de portieren; □ het ont-/vergrendelen van de tankdop.
DIEFSTALALARM (indien aanwezig)
Als de auto is uitgerust met het diefstalalarm, zijn er twee soorten beveiligingen:
□ omtrekbeveiliging (alarm wordt ingeschakeld als een voorportier of achterdeur wordt geopend); □ volumetrische beveiliging (alarm wordt ingeschakeld bij beweging in het interieur van de auto).
Inschakeling (compleet alarm met interieur- en omtrekbewaking)
□ Trek de sleutel uit het contactslot □ Verlaat de auto □ Druk op de knop Ⓤ (een keer of - voor dead lock - twee keer) □ Het bewakingslampje begint te knipperen.
Inschakeling (alarm alleen met omtrekbewaking)
□ Trek de sleutel uit het contactslot □ Druk binnen 10 seconden op de knop fig. 7a en houd de knop ingedrukt totdat het bewakingslampje permanent gaat branden. □ Verlaat de auto. □ Druk op de knop Ⓤ (een keer of - voor dead lock - twee keer) □ Het bewakingslampje begint te knipperen.

Alarm uitschakelen
Druk op knop Ⓤ om het diefstalalarm uit te schakelen, waarna het bewakingslampje dooft.
Hieronder worden alle met de sleutel in te schakelen functies samengevat (met en zonder afstandsbediening):
| Type sleutel | Ontgrendelen sloten | Sloten van buitenaf vergrendelen | Dead lock inschakelen (indien aanwezig) | Slot achterklep ontgrendelen (indien aanwezig) | Ruiten openen (indien van toepassing) | Ruiten sluiten (indien van toepassing) |
| Mechanische sleutel | Sleutel linksom draaien (bestuurderszijde en zijschuifdeur, indien aanwezig) | Sleutel rechtsom draaien (bestuurderszijde en zijschuifdeur, indien aanwezig) | - | - | - | - |
| Sleutel met afstandsbediening | Sleutel linksom draaien (bestuurderszijde en zijschuifdeur, indien aanwezig) | Sleutel rechtsom draaien (bestuurderszijde en zijschuifdeur, indien aanwezig) | - | - | - | - |
| Knop 🔒 kort indrukken | Knop 🔒 kort indrukken | Knop 🔒 twee keer indrukken | - | Knop 🔒 langer dan 2 seconden indrukken | Knop 🔒 langer dan 2 seconden indrukken | |
| Knipperen richtingaanwijzers (alleen met sleutel met afstandsbediening) | 2 x knipperen | 1 x knipperen | 3 x knipperen | 2 x knipperen | 2 x knipperen | 1 x knipperen |
BELANGRIJK Het openen van de ruiten is gekoppeld aan het commando voor ontgrendeling van de portieren; het sluiten van de ruiten is gekoppeld aan het commando voor vergrendeling van de portieren.
START-/CONTACTSLOT
De sleutel kan in 4 standen worden gedraaid fig. 8:
□ S: motor uit, sleutel uitneembaar, stuurslot ingeschakeld. □ A: enkele elektrische installaties werken. □ M: contact aan. Alle elektrische installaties werken. □ D: motor starten (stand zonder vergrendeling).

ATTENTIE!
Als het start-/contactslot is geforceerd (bijv. bij een po-
ging tot diefstal) moet u, voordat u weer met de auto gaat rijden, de werking van het slot laten controleren bij het Fiat Servicenetwerk.

Neem altijd de sleutel uit het contactslot als de auto wordt verlaten, om onbedoeld gebruik van de bedieningsknoppen/-hendels te voorkomen. Vergeet niet de handrem aan te trekken. Schakel de eerste versnelling in als de auto op een helling omhoog staat en de achteruit bij een helling omlaag (gezien vanuit de rijrichting). Laat kinderen nooit alleen achter in de auto.
STUURSLOT
Inschakelen
Zet de sleutel in stand S, trek de sleutel uit het start-/contactslot en draai het stuur totdat het vergrendelt.
Uitschakelen
Draai het stuur iets heen en weer, terwijl u de sleutel in stand M draait.

ATTENTIE!
ATTENTIE!

Verwijder de sleutel nooit uit het contactslot als de auto
nog in beweging is. Bij de eerste stuuruitslag blokkeert het stuur automatisch. Dit geldt in alle gevallen, ook als de auto gesleept wordt.

ATTENTIE!
Het is streng verboden om de-/montagewerkzaamheden
uit te voeren, waarvoor wijzigingen in de stuurinrichting of de stuurkolom vereist zijn (bijv. bij montage van een diefstalbeveiliging). Hierdoor kunnen de prestaties van het systeem, de garantie en de veiligheid in gevaar worden gebracht en voldoet de auto niet meer aan de typegoedkeuring.
INSTRUMENTENPANEEL
fig. 9 F0P0012m
A Snelheidsmeter B Brandstofmeter met waarschuwingslampje brandstofreserve C Koelvloeistoftemperatuurmeter met waarschuwingslampje voor te hoge koelvloeistoftemperatuur D Toerenteller E Multifunctioneel display
INSTRUMENTEN
De achtergrondkleur en de vormgeving van de instrumenten kunnen per uitvoering verschillen.
SNELHEIDSMETER fig. 10
Geeft de snelheid van de auto aan.
TOERENTELLER fig. 11/a
De toerenteller geeft het toerental per minuut van de motor aan.
BELANGRIJK De regeleenheid van de elektronische inspuiting blokkeert tijdelijk de toevoer van brandstof als de motor met te hoge toerentallen draait, waardoor het motorvermogen zal afnemen.
Bij stationair draaiende motor kan de toerenteller onder bepaalde omstandigheden een geleidelijke of herhaalde toerentalstijging aangeven.
Dit is een normaal verschijnsel dat kan optreden als bijvoorbeeld de airconditioning of de elektroventilateur wordt ingeschakeld. In deze gevallen dient een geringe toerentalstijging voor het behoud van de lading van de accu.
BRANDSTOFMETER B-fig. 11/b
De wijzer geeft de hoeveelheid brandstof aan die in de tank aanwezig is.


brandstoftank vol (zie de paragraaf "Tanken").
○ brandstoftank leeg.
Het waarschuwingslampje 📁 gaat branden als er nog ongeveer 7 liter brandstof aanwezig is.
Rijd niet met een bijna lege brandstoftank: door een onregelmatige brandstoftoevoer kan de katalysator beschadigen.

KOELVLOEISTOFTEMPERATUUR METER C-fig. 11/b
De wijzer geeft de temperatuur aan van de motorkoelvloeistof, zodra de koel-vloeistoftemperatuur hoger wordt dan ongeveer 50°C.
Bij normaal gebruik van de auto kan de wijzernaald op verschillende posities in het bereik staan, afhankelijk van de gebruik-somstandigheden van de auto.
○ Lage koelvloeistoftemperatuur. Hoge koelvloeistoftemperatuur.

Als de wijzernaald in het rode gebied komt, zet dan onmiddellijk de motor uit en wendt u tot het Fiat Service-netwerk.
netwerk.


Lichtsterkte instrumentenpaneel regelen: druk op de knop A-fig. 13
DISPLAY
Het display fig. 14 toont door middel van de betreffende lampjes (raadpleeg het hoofdstuk "Lampjes en berichten"):
☐ snelheidsbegrenzer / cruise-control; □ totaal aantal afgelegde km's of mijlen; □ motorolieniveaumeter; □ water in dieselfilter; □ voorgloeibougies.
Afhankelijk van de uitvoering, toont het display de actuele tijd.
Klokje instellen op het display op het instrumentenpaneel
Om de tijd op het display op het instrumentenpaneel in te stellen, moet u de knop A-fig. 15 als volgt bedienen:
□ als u de knop naar links draait, gaan de minuten knipperen; □ als u de knop naar rechts draait, wordt de waarde van de minuten verhoogd (als u de knop naar rechts gedraaid houdt, lopen de minuten snel door); □ als u de knop naar links draait, gaan de uren knipperen; □ als u de knop naar rechts draait, wordt de waarde van de uren verhoogd (als u de knop naar rechts gedraaid houdt, lopen de uren snel door); □ als u de knop naar links draait, kiest u de weergave: 24H of 12H; □ als u de knop naar rechts draait, kunt u de gewenste weergave kiezen; □ als u de knop naar links draait, is het instellen van het klokje beëindigd.
Na ongeveer 30 seconden toont het display de actuele tijd volgens de uitgevoerde instellingen, mits u geen andere instellingen hebt uitgevoerd.
Klokje instellen op het display op de middenconsole
Enkele uitvoeringen hebben een middenconsole met een display waarop de tijd wordt aangegeven. Raadpleeg voor het instellen van de tijd, de boordcomputer bij "Tijd en datum instellen".
ONDERHOUDSMETER
Deze geeft informatie over de onderhoudsintervallen in relatie tot het gebruik van de auto.
Werking
Als de sleutel in het contactslot wordt gestoken, dan wordt gedurende enkele seconden op het display een steeksleutel weergegeven, als symbool voor de onderhoudswerkzaamheden; op het display van de totaalkilometerteller wordt het aantal kilometers (naar beneden afgerond) aangegeven dat nog kan worden afgelegd tot de volgende servicebeurt. De onderhoudsintervallen worden berekend vanaf de laatste reset van de meter.
Het interval wordt bepaald m.b.v. twee parameters:
□ afgelegde afstand □ verstreken tijd na de laatste servicebeurt.

De resterende afstand kan worden beïnvloed door een tijdfactor op basis van de wijze waarop de bestuurder de auto gebruikt.
Afstand tot volgende servicebeurt groter dan 1.000 km
Bijvoorbeeld: er kan nog 4.800 km worden gereden tot de volgende servicebeurt. Nadat de contactsleutel in stand M is gedraaid, toont het display gedurende enkele seconden de volgende informatie:

Enkele seconden nadat de sleutel in stand M is gedraaid, wordt het motorolieniveau aangegeven, vervolgens begint de kilometerteller te werken en wordt de totaalkilometerstand en de dagtellerstand weergegeven.
Afstand tot volgende servicebeurt kleiner dan 1.000 km
Nadat de contactsleutel in stand M is gedraaid, knippert gedurende enkele seconden het steeksleutelsymbool voor het onderhoud en wordt het resterende aantal kilometers getoond:


OLIENIVEAUMETER
Als u de contactsleutel in stand M draait, geeft het instrument, na de weergave van het aantal kilometers dat nog kan worden afgelegd tot de volgende servicebeurt, tijdelijk het olieniveau in het motorcarter aan. Als het opschrift "OIL" knippert, er een geluidssignaal klinkt en een bericht verschijnt, dan is het olieniveau in de motor onvoldoende. Als het opschrift "OIL -" knippert, dan is er een storing in de olieniveausensor.
Interval tot volgende servicebeurt overschreden.

Nadat de contactsleutel in stand M is gedraaid, knippert gedurende enkele seconden het steeksleutelsymbool voor het onderhoud en wordt aan-
tal kilometers getoond dat na het verstrijken van het onderhoudsinterval is afgelegd.

Het steeksleutelsymbool blijft bij draaiende motor permanent branden totdat het onderhoud is uitgevoerd.
Eerste van de twee intervallen bereikt: het steeksleutelsymbool voor het onderhoud brandt ook als het interval van twee jaar is verstreken.
TRIPCOMPUTER
Met de tripcomputer kunnen, door herhaaldelijk op de knop fig. 16 aan het uiteinde van de hendel te drukken, achtereenvolgens de onderstaande gegevens worden getoond:
actieradius auto, huidig brandstofverbruik, afstand tot de bestemming, trip 1 (afgelegde afstand, gemiddeld brandstofverbruik, gemiddelde snelheid) en trip 2 (afgelegde afstand, gemiddeld brandstofverbruik, gemiddelde snelheid).
Deze informatie wordt weergegeven op het display van het CONNECT info-telematicasysteem.
Op nul zetten (reset): om de gegevens op nul te zetten; houd langer dan 2 seconden de knop ingedrukt die is afgebeeld in fig. 16.
Actieradius van de auto
Geeft de geschatte afstand aan die nog kan worden afgelegd met de brandstof in de brandstoftank, waarbij er van uit wordt gegaan dat het rijgedrag niet verandert.
Huidig verbruik
Geeft het gemiddelde brandstofverbruik aan dat berekend wordt over de laatst verstreken seconden van de rit.

Afstand tot de bestemming
Geeft de nog af te leggen afstand aan tot de ingestelde bestemming als het navigatiesysteem is ingeschakeld.
Afgelegde afstand
Geeft de afgelegde afstand aan, berekend vanaf het begin van de rit na de resetprocedure (gegevens op nul zetten).
Gemiddeld verbruik
Geeft het gemiddelde brandstofverbruik aan, berekend vanaf het begin van de rit na de resetprocedure (gegevens op nul zetten).
Gemiddelde snelheid
Geeft de gemiddelde snelheid aan, berekend vanaf het begin van de rit na de resetprocedure (gegevens op nul zetten).
ZITPLAATSEN VOOR

ATTENTIE!
Alle afstellingen mogen uitsluitend bij een stilstaande auto worden uitgevoerd.

De stoffen bekleding van uw auto is langdurig bestand tegen slijtage bij een normaal gebruik van de auto. Hevig en duurzaam wrijven met kledingaccessoires zoals metalen gespen, sier- en klittenbandsluitingen, moet absoluut worden vermeden, omdat door grote druk op een plek op de bekleding die plek kan slijten en de bekleding beschadigd wordt.

Verstellen in lengterichting fig. 17
Trek de hendel A omhoog en schuif de stoel naar voren of naar achteren: als u rijdt, moeten de armen licht gebogen zijn en de handen op de rand van het stuur rusten. Laat de hendel los en controleer of de stoel goed geblokkeerd is door hem naar voren en naar achteren te schuiven.

ATTENTIE!
Als u de hendel loslaat, moet altijd gecontroleerd worden of de stoel goed geblokkeerd is door te proberen de stoel naar voren en naar achteren te schuiven. Als de stoel niet is geblokkeerd, kan de stoel plotseling verschuiven, waardoor u de controle over de auto zou kunnen verliezen.

Bestuurdersstoel in hoogte verstellen fig. 17-18
Afhankelijk van de uitvoering en het type is de auto leverbaar met:
□ een passieve regeling: trek de hendel B omhoog, voorkom vervolgens dat het lichaam op de stoel steunt, zodat de stoel omhoog kan komen. □ een actieve regeling: beweeg de hendel D omhoog of omlaag totdat de gewenste stand is bereikt.
Verstellen van de rugleuning fig. 17
Verstel de rugleuning met de hendel C.

ATTENTIE!
Voor maximale veiligheid moet u de rugleuning rechtzetten, tegen de leuning aan gaan zitten en de gordel goed laten aansluiten op borst en bekken.

ATTENTIE!
Neem de stoelen niet uit elkaar en voer ook geen onderhouds- en/of reparatiewerkzaamheden uit: verkeerd uitgevoerde werkzaamheden kunnen de werking van de veiligheidssystemen in gevaar brengen; wend u altijd tot het Fiat Servicenetwerk.



TWEEZITSBANK VOOR (indien aanwezig)
De tweezitsbank is vast ingebouwd en voorzien van driepunts-veiligheidsgordels met rolautomaat.
Deze bank kan uitgerust zijn met een uitklapbare klep (fig. 22) die als werkblad gebruikt kan worden. Trek voor het gebruiken van het werkblad aan de lip.
Lendensteunverstelling (indien aanwezig) (fig. 18/a)
Bedien de hendel A om het steunvlak van de rugleuning aan te passen.
Stoelverwarming (indien aanwezig) (fig. 19)
Druk met de contactsleutel in stand M op de knop A of B (bestuurderszijde of passagierszijde) om de functie in of uit te schakelen. Bij inschakeling gaat het lampje op de knop branden.
ARMSTEUNEN VOOR (indien aanwezig) (fig. 20-21)
Op enkele uitvoeringen zijn tussen de voorstoelen twee armsteunen geplaatst. Handel als volgt om de gewenste instelling uit te voeren:
□ til de armsteun omhoog in stand A; □ klap de armsteun helemaal neer in stand B; □ til de armsteun vervolgens omhoog in de gewenste stand C.
ZITPLAATSEN ACHTER
Aparte stoel
Deze kan worden omgeklapt om de toegang tot de zitplaatsen achter te vergemakkelijken, en kan ook worden verwijderd.
Op enkele uitvoeringen kan de rugleuning van de stoel voorzien zijn van een steunvlak.
Om het te gebruiken, moet u de ontgrendelhendel A-fig. 23 bedienen en de rugleuning tot op de zitting begeleiden.

Voor het verwijderen en vervolgens weer monteren van de stoel, moet de rugleuning neergeklapt worden gehouden en plat tegen de zitting aanliggen, om ieder mogelijk contact te voorkomen met de scharniermechanismen van de stoel zelf.
Neerklappen/verwijderen aparte stoel
Trek de handgreep A-fig. 23 omhoog om de rugleuning neer te klappen.
Ga voor het verwijderen van de stoel als volgt te werk:
□ bedien de handgreep A-fig. 24 en begeleid de stoel naar voren, zoals in de figuur is afgebeeld;

□ til de stoel omhoog zodat de pennen loskomen uit de verankeringen en verwijder de stoel, waarbij de rugleuning goed neergeklapt moet zijn op de zitting.
TWEEZITSBANK
Afhankelijk van de uitvoering zijn er verschillende soorten:
□ tweezitsbank met vaste rugleuning; □ verwijderbare tweezitsbank met afzonderlijk neerklapbare rugleuningen; □ verwijderbare tweezitsbank met afzonderlijk verstelbare en tot tafel omklapbare rugleuningen.
NEERKLAPPEN, VERWIJDEREN EN WEER MONTEREN VAN DE ACHTERBANK

ATTENTIE!
Voor het verwijderen en vervolgens weer monteren van de achterbank, moet de rugleuning neergeklapt worden gehouden en plat tegen de zitting aanliggen, om ieder mogelijk contact te voorkomen met de scharniermechanismen van de bank zelf.

Trek aan de hendel A-fig. 25 om de rugleuning neer te klappen.
Ga voor het verwijderen van de bank als volgt te werk:
- laat de hoofdsteunen geheel zakken;

- klap de rugleuning neer zoals hiervoor beschreven;
- trek de hendel A-fig. 26 omhoog en klap de bank om;
- til de bank omhoog zodat de pennen loskomen uit de verankeringen en verwijder de bank, waarbij de rugleuning goed neergeklapt moet zijn op de zitting.
Ga voor het weer monteren van de bank als volgt te werk:
- til de bank omhoog en haak de pennen op de juiste wijze in de verankeringen op de vloer;
- begeleid de bank totdat deze automatisch in de bevestigingspunten achter vergrendelt.

ATTENTIE!
Zorg dat de verankeringen in de vloer altijd goed schoon zijn; de aanwezigheid van vreemde voorwerpen kan de juiste vergrendeling van de stoelen in gevaar brengen.

ATTENTIE!
Controleer voordat u gaat rijden of alle zitplaatsen in de rijrichting staan en goed geblokkeerd zijn. Alleen deze opstelling staat een doelmatig gebruik van de veiligheidsgordels toe.
OPSTELLINGEN VAN DE ZITPLAATSEN IN HET INTERIEUR
Afhankelijk van de uitvoering kan de opstelling van de zitplaatsen in het interieur worden gewijzigd m.b.v. de bevestigingen op de vloer.
In de volgende afbeeldingen staan enkele opstellingen afhankelijk van het type uitvoering.

fig. 27 - 4 zitplaatsen

fig. 30 - 7 zitplaatsen

fig. 28 - 5 zitplaatsen

fig. 31 - 8 zitplaatsen

fig. 29 - 6 zitplaatsen

fig. 32 - 9 zitplaatsen
BELANGRIJK Bij een andere opstelling van de zitplaatsen:
□ als de hoofdsteun wordt verwijderd, bevestig deze dan aan een steun □ controleer of de veiligheidsgordels bereikbaar blijven en eenvoudig door de inzittenden kunnen worden omgelegd ☐ inzittenden mogen nooit reizen op een zitplaats zonder correct afgestelde hoofdsteun en zonder omgelegde veiligheidsgordel
ATTENTIE fig. 32/a
Er mag niet worden gereden met een passagier:
☐ op de derde zitrij als de rugleuning van de tweede zitrij in de tafelstand is geplaatst; ☐ op de derde zitrij als de stoel/bank van de tweede zitrij is ingeklapt; ☐ op de middelste zitplaats als de zitplaats aan de rechter zijkant is ingeklapt.

□ trek de hoofdsteun omhoog totdat hij hoorbaar vergrendelt. Omlaag plaatsen: □ druk op de knop A-fig. 33 of A-fig. 34 en duw de hoofdsteun omlaag.

ATTENTIE!
De hoofdsteunen moeten zo worden ingesteld dat ze het hoofd ondersteunen en niet de nek. Alleen in dat geval bieden ze bescherming.


Voor het optimaal benutten van de hoofdsteun moet de rugleuning zo zijn ingesteld dat u rechtop zit en dat uw hoofd zich zo dicht mogelijk bij de hoofdsteun bevindt.
STUUR
Het stuurwiel kan zowel in lengterichting als in hoogte worden versteld.
Handel als volgt om de gewenste instelling uit te voeren:
□ ontgrendel de hendel A-fig. 35 door deze naar voren te drukken (stand 2); ☐ plaats het stuur in de gewenste stand; □ vergrendel de hendel A door hem naar het stuur te trekken (stand I).


ATTENTIE!
Het stuur mag alleen worden versteld als de auto stilstaat.

ATTENTIE!
Het is streng verboden om de- montage-/montagewerk-
zaamheden uit te voeren, waarvoor wijzigingen in de stuurinrichting of de stuurkolom vereist zijn (bijv. bij montage van een diefstalbeveiliging). Hierdoor kunnen de prestaties van het systeem, de garantie en de veiligheid in gevaar worden gebracht en voldoet de auto niet meer aan de typegoedkeuring.
SPIEGELS
De binnenspiegel is voorzien van een beveiligingsmechanisme, waardoor de spiegel bij een krachtig contact met een inzittende losschiet.
De binnenspiegel is verstelbaar met de hendel A-fig. 36:
□ normale stand
□ anti-verblindingsstand.

Dit is alleen mogelijk als de contactsleutel in stand M staat.
Handel als volgt om de gewenste instelling uit te voeren:
Met schakelaar A kiest u welke spiegel u wilt verstellen (links of rechts).
Met schakelaar B kunt u de spiegel in 4 richtingen verstellen.
Dit is alleen mogelijk als de contactsleutel in stand M staat.
Zet schakelaar A in de middenstand en verplaats vervolgens schakelaar B naar achteren.
BUITENSPIEGELS
Ontwaseming/ontdooiing (indien aanwezig)
De buitenspiegels zijn voorzien van verwarmingselementen die worden ingeschakeld als de achterruitverwarming wordt ingeschakeld (door op knop 134 te drukken).
WAARSCHUWING De functie is tijdgeschakeld en wordt na enige minuten automatisch uitgeschakeld.
Inklappen
Indien nodig (bijv. als de breedte van de spiegel een hindernis vormt in nauwe doorgangen) kunnen de buitenspiegels worden ingeklapt door ze van stand 1 (fig. 39) in stand 2 te zetten.

Tijdens het rijden moeten de spiegels altijd in stand 1 (fig. 39) staan.

ATTENTIE!
Het onderste gedeelte van de spiegel aan bestuurderszijde is bol, waardoor de afstandswaarneming enigszins wordt beïnvloed.

1. Vast luchtrooster boven 2. Verstelbare luchtroosters in het midden 3. Vaste luchtroosters aan zijkant 4. Verstelbare luchtroosters aan zijkant 5. Luchtroosters onder voor zitplaatsen voor 6. Luchtroosters boven voor zitplaatsen achter (indien aanwezig).


LUCHTROOSTERS IN HET MIDDEN EN AAN DE ZIJKANT (fig. 42-43)
De luchtroosters zijn verstelbaar in de door de pijlen aangegeven vier richtingen.
A Vast luchtrooster voor de zijruiten.
B Verstelbare luchtroosters aan de zijkant.
C Verstelbare luchtroosters in het midden.
De luchtroosters A zijn niet verstelbaar.

Om de luchtroosters B en C te gebruiken, moet u met de betreffende schuif de luchtroosters in de gewenste stand instellen.
BEDIENINGSKNOPPEN fig. 44
Draaiknop A voor de luchtverdeling
voor lucht uit de luchtroosters in het midden en aan de zijkanten;
* voor luchttoevoer naar de beenruimten en voor een iets lagere temperatuur uit de luchtroosters op het dashboard ("bilevel"-stand); √ voor verwarming bij lage buitentemperaturen: maximale luchtopbrengst naar de beenruimte; voor verwarming van de beenruimte en ontwaseming van de voorruit; W voor een snelle ontwaseming van de voorruit.
Draaiknop B dient voor inschakelen en regelen van de aanjager
0 = aanjager uit
1-2-3 = aanjagersnelheid
4 🌐 = aanjager op maximale snelheid
Draaiknop C voor regeling van de luchttemperatuur (menging van warme/koude lucht)
Rood gebied = warme lucht
Blauw gebied = koude lucht
Knop D voor in-/uitschakeling van de luchtrecirculatie
Als u op de knop drukt, schakelt de luchtrecirculatie in.
Als u na inschakeling van de luchtrecirculatie opnieuw op de knop drukt, wordt de luchtrecirculatie uitgeschakeld.
VENTILATIE VAN HET INTERIEUR
Ga voor een goede ventilatie in het interieur als volgt te werk:
□ draai de knop C in het blauwe vlak; □ schakel de recirculatie uit (indien ingeschakeld); □ draai de knop A in stand ↗; □ draai de draaiknop B op de gewenste snelheid.
VERWARMING VAN HET INTERIEUR
Ga als volgt te werk:
□ draai de knop C in het rode vlak; □ draai de knop A in de gewenste stand; □ draai de draaiknop B op de gewenste snelheid.
SNELLE VERWARMING VAN INTERIEUR
Ga voor snel verwarmen als volgt te werk:
□ draai de knop C in het rode vlak; □ schakel de recirculatie in (indien uitgeschakeld); □ draai de knop A in stand *; □ draai de knop B in stand 4 (maximale aanjagersnelheid).
Vervolgens kan een stand gekozen worden waarbij het comfort optimaal blijft. Druk op de knop D om de luchtrecirculatie uit te schakelen en het beslaan van de ruiten te voorkomen.
WAARSCHUWING Wacht bij een koude motor enige minuten totdat de koelvloeistof de optimale bedrijfstemperatuur heeft bereikt.
SNEL ONTWASEMEN/ ONTDOOIEN VOORRUITEN (VOORRUIT EN ZIJRUITEN)
Ga als volgt te werk:
□ draai de knop C in het rode vlak; □ schakel de recirculatie uit (indien ingeschakeld); □ draai de knop A in stand ; □ draai de knop B in stand 4 ⏻ (maximale aanjagersnelheid).
Nadat de ruiten ontwasemd zijn, kan een stand gekozen worden waarbij het comfort optimaal blijft.
Beslaan van de ruiten voorkomen
Als de luchtvochtigheid buiten heel hoog is en/of bij regen en/of bij grote temperatuurverschillen tussen de lucht in en buiten de auto moeten de volgende handelingen uitgevoerd worden, zodat wordt voorkomen dat de ruiten beslaan:
□ draai de knop C in het rode vlak; ☐ schakel de luchtrecirculatie uit (indien ingeschakeld) door de knop D in te drukken; □ draai de knop A in stand ⏻ met de mogelijkheid stand ⚡ in te schakelen als de ruiten niet beslaan; □ draai de knop B op de 2° snelheid.

(indien aanwezig) fig. 45
Druk op knop A om deze functie in te schakelen; de inschakeling wordt gesignaleerd door het branden van het lampje op de knop.
De functie is tijdgeschakeld en wordt na 20 minuten automatisch uitgeschakeld. U kunt de verwarming eerder uitschakelen door nogmaals de knop A in te drukken.
WAARSCHUWING Plak geen stickers of andere plaatjes op de elektrische weerstandsdraden aan de binnenzijde van de achterruit, om beschadiging van de achterruitverwarming te voorkomen.
RECIRCULATIE INSCHAKELEN fig. 44
Druk op de knop Ⓡ.
Wij raden u aan de recirculatiefunctie in te schakelen in de file of in tunnels. Hiermee wordt voorkomen dat vervuilde lucht het interieur bereikt. Het is niet raadzaam dit systeem langdurig te laten werken, omdat anders, vooral als u met meerdere personen in de auto zit, de kans aanzienlijk toeneemt dat de ruiten beslaan.
WAARSCHUWING Met de recirculatiefunctie kan, afhankelijk van de gekozen werking ("verwarmen" of "koelen") sneller het gewenste resultaat worden bereikt.
Het verdient aanbeveling om de recirculatiefunctie in te schakelen op regenachtige en koude dagen, om te voorkomen dat de ruiten beslaan.
AIRCONDITIONING, HANDBEDIEND (waar voorzien)
BEDIENINGSKNOPPEN fig. 46
Draaiknop A voor de luchtverdeling
voor lucht uit de luchtroosters in het midden en aan de zijkanten; *j voor luchttoevoer naar de beenruimten en voor een iets lagere temperatuur uit de luchtroosters op het dashboard ("bilevel"-stand); * / j voor verwarming bij lage buitentemperaturen: maximale luchtopbrengst naar de beenruimte; voor verwarming van de beenruimte en ontwaseming van de voorruit; W voor een snelle ontwaseming van de voorruit.
Draaiknop B dient voor inschakelen en regelen van de aanjager
0 = aanjager uit
1-2-3 = aanjagersnelheid
4 = aanjager op maximale snelheid

fig. 46 F0P0038m
Draaiknop C voor regeling van de luchttemperatuur (menging van warme/koude lucht)
Rood gebied = warme lucht
Blauw gebied = koude lucht
Knop D voor in-/uitschakeling van de luchtrecirculatie
Als u op de knop drukt, schakelt de luchtrecirculatie in.
Als u na inschakeling van de luchtrecirculatie opnieuw op de knop drukt, wordt de luchtrecirculatie uitgeschakeld.
Knop E voor het in-/uitschakelen van de airconditioning
Als de knop wordt ingedrukt (led op knop brandt), wordt de airconditioning ingeschakeld.
Als u nogmaals op de knop drukt (lampje op de knop gedoofd), schakelt de airconditioning uit.
VENTILATIE VAN HET INTERIEUR
Ga voor een goede ventilatie in het interieur als volgt te werk:
□ draai de knop C in het blauwe vlak; ☐ schakel de luchtrecirculatie uit door de knop D in te drukken; □ draai de knop A in stand ♦; □ draai de draaiknop B op de gewenste snelheid.
AIRCONDITIONING (koeling)
Ga voor snel koelen als volgt te werk:
□ draai de knop C in het blauwe vlak; ☐ schakel de luchtrecirculatie in door de knop D in te drukken; □ draai de knop A in stand ✦; ☐ schakel de airconditioning in door de knop E in te drukken; het lampje op de knop E gaat branden; □ draai de knop B in stand 4 🌐 (maximale aanjagersnelheid).
Regeling van de koeling
□ draai de knop C naar rechts voor verhoging van de temperatuur; ☐ schakel de luchtrecirculatie uit door de knop D in te drukken; □ draai de knop B voor verlaging van de aanjagersnelheid.
VERWARMING VAN HET INTERIEUR
Ga als volgt te werk:
□ draai de knop C in het rode vlak; □ draai de knop A op het gewenste symbool; □ draai de draaiknop B op de gewenste snelheid;
SNELLE VERWARMING VAN INTERIEUR
Ga voor snel verwarmen als volgt te werk:
□ draai de knop C in het rode vlak; ☐ schakel de luchtrecirculatie in (indien uitgeschakeld) door de knop D in te drukken; □ draai de knop A in stand *; □ draai de knop B in stand 4 ⚡ (maximale aanjagersnelheid).
Vervolgens kan een stand gekozen worden waarbij het comfort optimaal blijft en op de knop D worden gedrukt om de luchtrecirculatie uit te schakelen.
BELANGRIJK Bij een koude motor moet enige minuten worden gewacht totdat de vloeistof van het systeem de optimale bedrijfstemperatuur heeft bereikt.
SNEL ONTWASEMEN/ ONTDOOIEN VOORRUITEN (VOORRUIT EN ZIJRUITEN)
Ga als volgt te werk:
□ draai de knop C in het rode vlak; □ draai de knop B in stand 4 🌐 (maximale aanjagersnelheid); □ draai de knop A in stand ; ☐ schakel de luchtrecirculatie uit (indien ingeschakeld) door de knop D in te drukken;
Nadat de ruiten ontwasemd zijn, kan een stand gekozen worden waarbij het comfort optimaal blijft.
BELANGRIJK De airconditioning kan goed gebruikt worden om de ruiten sneller te ontwasemen, omdat de lucht wordt ontvochtigd. Stel de bedieningsorganen in zoals hiervoor beschreven en schakel de airconditioning in door de knop E in te drukken; het lampje op de knop gaat branden.
Beslaan van de ruiten voorkomen
Als de luchtvochtigheid buiten heel hoog is en/of bij regen en/of bij grote temperatuurverschillen tussen de lucht in en buiten de auto moeten de volgende handelingen uitgevoerd worden, zodat wordt voorkomen dat de ruiten beslaan:
□ draai de knop C in het rode vlak; ☐ schakel de luchtrecirculatie uit (indien ingeschakeld) door de knop D in te drukken; □ draai de knop A in stand ⏻ met de mogelijkheid stand ⚙ in te schakelen als de ruiten niet beslaan; □ draai de knop B op de 2 e snelheid.
BELANGRIJK De airconditioning is zeer bruikbaar om het beslaan van de ruiten te voorkomen bij een hoge luchtvochtigheid, omdat de in het interieur gevoerde lucht wordt ontvochtigd.

ONTWASEMING/ONTDOOIING ACHTERRUIT EN BUITENSPIEGELS
(indien aanwezig) fig. 47
Druk op knop A om deze functie in te schakelen; de inschakeling wordt gesignaleerd door het branden van het lampje op de knop.
De functie is tijdgeschakeld en wordt na 20 minuten automatisch uitgeschakeld. U kunt de verwarming eerder uitschakelen door nogmaals de knop A in te drukken.
WAARSCHUWING Plak geen stickers of andere plaatjes op de elektrische weerstandsdraden aan de binnenzijde van de achterruit, om beschadiging van de achterruitverwarming te voorkomen.
RECIRCULATIE INSCHAKELEN fig. 46
Druk op de knop
Wij raden u aan de recirculatiefunctie in te schakelen in de file of in tunnels. Hiermee wordt voorkomen dat vervuilde lucht het interieur bereikt. Het is niet raadzaam dit systeem langdurig te laten werken, omdat anders, vooral als u met meerdere personen in de auto zit, de kans aanzienlijk toeneemt dat de ruiten beslaan.
WAARSCHUWING Met de recirculatiefunctie kan, afhankelijk van de gekozen werking ("verwarmen" of "koelen") sneller het gewenste resultaat worden bereikt.
Het verdient aanbeveling om de recirculatiefunctie in te schakelen op regenachtige en koude dagen, om te voorkomen dat de ruiten beslaan.
ONDERHOUD VAN HET SYSTEEM
Tijdens de winter moet de airconditioning ten minste een keer per maand gedurende ongeveer 10 minuten worden ingeschakeld. Laat voor het zomerseizoen de werking van de airconditioning door het Fiat Servicenetwerk controleren.

De airconditioning maakt gebruik van het koelmiddel R134a. Bij lekkage is dit middel niet schadelijk voor het milieu. Gebruik in geen geval andere middelen, zoals R12, omdat anders de componenten van het systeem beschadigd kunnen worden.
AUTOMATISCHE TWEEZONE-KLIMAATREGELING (indien aanwezig)
BESCHRIJVING
De automatische tweezone-klimaatregeling regelt de temperatuur en de luchtverdeling in het interieur in twee zones: bestuurders- en passagierszijde. De temperatuurregeling is gebaseerd op de "gevoelstemperatuur": het systeem houdt doorlopend het comfort in het interieur constant en compenseert eventuele wijzigingen van de externe klimatologische omstandigheden, waaronder zonnestraling, die gemeten wordt met een sensor.
De automatisch gecontroleerde parameters en functies zijn:
□ luchttemperatuur bij de uitstroomopeningen aan bestuurders-/passagierszijde voor; □ luchtverdeling naar de uitstroomopeningen aan bestuurders-/passagierszijde voor; □ aanjagersnelheid (traploze regeling van de luchtstroom); □ inschakeling van de compressor (voor koelen en drogen van de lucht); □ luchtrecirculatie.
Deze functies kunnen handmatig worden gewijzigd, d.w.z. dat u het systeem kunt regelen door naar wens een of meer functies te selecteren en te wijzigen. Op deze manier worden de functies die handmatig zijn gewijzigd niet langer automatisch door het systeem geregeld. Het systeem grijpt alleen in om veiligheidsredenen. De handmatige instellingen hebben voorrang boven de automatische instellingen en blijven in het geheugen opgeslagen totdat de gebruiker de regeling weer overlaat aan de automatische werking door de knop AUTO in te drukken, behalve in de gevallen dat het systeem om veiligheidsredenen ingrijpt. De handmatige instelling van een functie beïnvloedt de regeling van de andere automatisch geregelde functies niet. De luchtopbrengst in het interieur is onafhankelijk van de snelheid van de auto omdat de luchtopbrengst elektronisch geregeld wordt door de aanjager. De luchttemperatuur in het interieur wordt altijd automatisch geregeld op basis van de ingestelde temperaturen op de displays van de bestuurder en de passagier voor (behalve als het systeem is uitgeschakeld of in enkele omstandigheden als de compressor is uitgeschakeld).
De volgende parameters en functies kunnen handmatig worden ingesteld en gewijzigd:
□ temperatuur bestuurders-/passagiers-zijde voor; □ aanjagersnelheid (traploze regeling); □ luchtverdeling in zeven standen (bestuurder/passagier voor); □ inschakelen van de compressor; □ niet gescheiden/gescheiden regeling; □ snelle ontwaseming/ontdooiing; □ luchtrecirculatie; □ achterruitverwarming; □ uitschakelen van het systeem.

A drukknop voor in-/uitschakelen airco-compressor; B drukknop voor inschakelen functie AUTO (automatische werking); C drukknop voor inschakelen functie (snelle ontdooiing/ontwaseming voorruit en zijruiten voor); D drukknop voor instelling luchtverdeling; E drukknop voor in-/uitschakelen lucht-recirculatie;
F drukknop voor in-/uitschakelen achterruitverwarming; G drukknop voor verlagen aanjagersnelheid; H drukknop voor verhogen aanjagersnelheid; I draaiknop voor regeling interieurtemperatuur passagierszijde; L display met informatie over airconditioning; M draaiknop voor regeling interieurtemperatuur bestuurderszijde.
GEBRUIK VAN DE KLIMAATREGELING
Het systeem kan op verschillende manieren worden ingeschakeld, maar wij raden u aan te beginnen met het indrukken van een van de knoppen AUTO en vervolgens de draaiknoppen te draaien om op het display de gewenste temperaturen in te stellen.
Omdat het systeem het klimaat in twee zones in het interieur regelt, kunnen de bestuurder en de passagier voor verschillende temperatuurwaarden instellen. Het maximaal toegestane verschil is 7°C.
Op deze wijze begint het systeem geheel automatisch te werken, zodat zo snel mogelijk de ingestelde temperaturen worden bereikt. Het systeem regelt de temperatuur, de luchthoeveelheid, de luchtverdeling in het interieur, de recirculatiefunctie en het inschakelen van de aircocompressor.
Tijdens de volledig automatische werking van het systeem, moeten alleen de volgende functies eventueel handmatig worden ingeschakeld:
☐ ), luchtrecirculatie, om de recirculatie altijd in- of uitgeschakeld te houden; □ voor een snelle ontwaseming/ontdooiing van de ruiten voor, de achterruit en de buitenspiegels; □ voor het ontwasemen/ontdooien van de achterruit en de buitenspiegels. □ + i voor het kiezen van de luchtverdeling tijdens de ventilatie.
Tijdens de volledig automatische werking van het systeem kunt u op ieder moment de ingestelde temperaturen, de luchtverdeling en de aanjagersnelheid wijzigen m.b.v. de desbetreffende knoppen: het systeem wijzigt automatische de instellingen om aan de nieuwe eisen te voldoen.
Draaiknoppen voor regeling luchttemperatuur M - I
Als u de knoppen naar rechts of naar links draait, verhoogt of verlaagt u de luchttemperatuur respectievelijk in het gedeelte linksvoor (draaiknop M) en rechtsvoor (draaiknop I) van het interieur. Omdat het systeem het klimaat in twee zones in het interieur regelt, kunnen de bestuurder en de passagier voor verschillende temperatuurwaarden instellen. Het maximaal toegestane verschil is 7°C. De ingestelde temperaturen worden op het display weergegeven dicht bij de knoppen. Als u de knop AUTO indrukt, wordt de automatische werking van de airconditioning ingeschakeld waardoor de temperatuur aan bestuurders- en passagierszijde verschillend kan zijn. Als de automatische werking is ingeschakeld en u opnieuw op de knop AUTO drukt, wordt de temperatuur aan bestuurders- en passagierszijde gelijkgesteld.
Als u de knoppen helemaal naar rechts of links draait, wordt respectievelijk de functie HI (maximale verwarming) of LO (maximale koeling) ingeschakeld.
Voor het uitschakelen van deze twee functies is het voldoende om de temperatuurknop te draaien en de gewenste temperatuur in te stellen.
Drukknop voor de luchtverdeling voor D
Als u op deze knop drukt, kunt u handmatig voor de linker- en de rechterzijde in het interieur een van de zeven instellingen voor de luchtverdeling kiezen:
* Lucht uit de luchtroosters van de voorruit en de zijruiten voor voor ontdooiing/ontwaseming van de ruiten. Lucht uit de luchtroosters in het midden en aan de zijkant van het dashboard voor een koele luchtstroom op het lichaam en het gezicht bij warm weer. * Luchtstroom naar de luchtroosters van de beenruimten voor en achter. Met deze luchtverdeling kan in een zo kort mogelijke tijd de lucht in het interieur worden verwarmd, omdat warme lucht opstijgt. Dit geeft snel een behaaglijk gevoel. * Lucht uit de luchtroosters van de voorruit en de zijruiten voor voor ontdooiing/ontwaseming van de ruiten. Lucht uit de luchtroosters in het midden en aan de zijkant van het dashboard voor een koele luchtstroom op het lichaam en het gezicht bij warm weer. * Luchtstroom naar de luchtroosters van de beenruimten voor en achter. Met deze luchtverdeling kan in een zo kort mogelijke tijd de lucht in het interieur worden verwarmd, omdat warme lucht opstijgt. Dit geeft snel een behaaglijk gevoel.
* Luchtstroom verdeeld over de luchtroosters in de beenruimten voor en achter (warmere lucht) en de uitstroomopeningen in het midden en aan de zijkant van het dashboard (koelere lucht). Deze luchtverdeling is bijzonder nuttig in de gematigde seizoenen (voor- en najaar) als de zon schijnt. Luchtstroom verdeeld over de luchtroosters in de beenruimten en de luchtroosters voor ontdooien/ontwasemen van de voorruit en de zijruiten voor. Deze luchtverdeling zorgt voor een goede verwarming van het interieur en voorkomt het eventuele beslaan van de ruiten.
De luchtverdeling, als deze handmatig is ingesteld, wordt aangegeven door een brandend lampje op de geselecteerde knoppen. Als een gecombineerde functie is ingesteld en op een knop wordt gedrukt, wordt die functie ook ingeschakeld. Als echter op een knop gedrukt wordt waarvan de functie reeds ingeschakeld is, wordt deze functie uitgeschakeld en gaat de betreffende led uit. Voor het hervatten van de automatische werking van de luchtverdeling na een handmatige instelling, moet de knop AUTO worden ingedrukt.
Als de bestuurder de luchtverdeling naar de voorruit kiest, wordt automatisch ook aan de passagierszijde de luchtverdeling naar de voorruit ingesteld. De passagier kan vervolgens een andere luchtverdeling kiezen door de betreffende knoppen in te drukken.
Drukknoppen voor regelen aanjagersnelheid G - H
Als u de knop G indrukt, dan wordt de aanjagersnelheid verlaagd en daarmee de hoeveelheid lucht die naar het interieur wordt gevoerd. Als u de knop H indrukt, dan wordt de aanjagersnelheid verhoogd en daarmee de hoeveelheid lucht die naar het interieur wordt gevoerd. Beide knoppen werken, waarbij het doel van het systeem blijft om de ingestelde temperatuur te handhaven.
De aanjagersnelheid wordt weergegeven door verlichte staafjes in het symbool van de aanjager op het display:
□ maximum aanjagersnelheid = alle staafjes verlicht;
□ minimum aanjagersnelheid = één staafje verlicht.
De aanjager kan worden uitgeschakeld, maar alleen als u de aircocompressor hebt uitgeschakeld met de knop A.
BELANGRIJK Voor het hervatten van de automatische werking van de aanjager na een handmatige instelling, moet de knop AUTO worden ingedrukt.
Knop AUTO (in-/uitschakelen automatische werking)
Als u de knop AUTO indrukt, regelt het systeem automatisch, in de betreffende zones, de hoeveelheid en de verdeling van de naar het interieur toegevoerde lucht en worden alle voorafgaande handmatige instellingen opgeheven. Als er een of meerdere handmatige instellingen zijn uitgevoerd (luchtrecirculatie, luchtverdeling, aanjagersnelheid of uitschakeling aircocompressor).
BELANGRIJK Als het systeem vanwege handmatige instellingen de gewenste temperatuur in de verschillende zones niet meer kan garanderen en handhaven, knippert de ingestelde temperatuur om aan te geven dat het systeem een probleem heeft gesignaleerd; na een minuut dooft het opschrift AUTO.
Voor het hervatten van de automatische werking van het systeem na een handmatige instelling (een of meerdere), moet de knop AUTO worden ingedrukt.
Als u bij automatische werking de knop AUTO opnieuw indrukt, wordt de temperatuur aan bestuurderszijde en aan passagierszijde voor automatisch gelijkgesteld, waardoor u in de twee zones dezelfde temperatuur en luchtverdeling kunt instellen met de draaiknop aan bestuurderszijde. Met deze functie kan de temperatuur in het interieur makkelijk geregeld worden als alleen de bestuurder in de auto zit. De gescheiden regeling van de temperatuur en de luchtverdeling wordt automatisch hervat, als u nogmaals de knop AUTO indrukt.
Drukknop in-/uitschakeling recirculatiefunctie E
De luchtrecirculatie wordt als volgt geregeld:
□ automatisch ingeschakeld, door een van de knoppen AUTO in te drukken; het symbool AUTO op het display brandt. □ handmatig ingeschakeld, door de knop E in te drukken; het symbool ⬇ verschijnt op het display; □ handmatig uitgeschakeld, door de knop E in te drukken; het symbool ⊙ op het display dooft.
BELANGRIJK Met de recirculatiefunctie kunnen de gewenste omstandigheden (verwarming of koeling van het interieur) sneller worden bereikt.
Het is echter niet raadzaam deze functie handmatig in te schakelen op regenachtige of koude dagen, omdat dan de ruiten aan de binnenzijde aanzienlijk sneller kunnen beslaan, vooral als de airconditioning niet is ingeschakeld.
Bij lage buitentemperaturen wordt de recirculatie uitgeschakeld (met luchttoevoer van buiten) om het beslaan van de ruiten te voorkomen.
Bij automatische werking wordt de recirculatie automatisch door het systeem geregeld op basis van de externe klimatologische omstandigheden.

ATTENTIE!
Bij lage buitentemperaturen raden wij u aan om de recirculatiefunctie niet te gebruiken, omdat hierdoor de ruiten sneller kunnen beslaan.
Bij lage buitentemperaturen raden wij u aan om de recirculatiefunctie niet te gebruiken, omdat hierdoor de ruiten sneller kunnen beslaan.
Drukknop voor in-/uitschakelen aircocompressor A
Als u de knop A/C indrukt, schakelt de aircocompressor in en kunnen op het display de letters A/C worden weergegeven om de inschakeling te bevestigen. Als u bij ingeschakelde compressor opnieuw op de knop A/C drukt, schakelt de aircocompressor uit en verdwijnen ook de letters van het display om de uitschakeling te bevestigen. Als u de aircocompressor uitschakelt, wordt de recirculatie uitgeschakeld om het eventuele beslaan van de ruiten te voorkomen. Als het systeem de ingestelde temperatuur echter niet meer kan handhaven, gaat de temperatuur knipperen en dooft ook het opschrift AUTO.
BELANGRIJK: Met uitgeschakelde airco-compressor is het niet mogelijk lucht in het interieur te voeren met een temperatuur die lager is dan de buitentemperatuur; bovendien kunnen (in bijzondere weersomstandigheden) de ruiten zeer snel beslaan omdat de lucht niet gedroogd kan worden.
Het uitschakelen van de compressor blijft ook opgeslagen als de motor wordt uitgeschakeld. U kunt de automatische regeling van de aircocompressor weer inschakelen door nogmaals de knop A/C in te drukken of de knop AUTO.
Als de compressor is uitgeschakeld, kan de aanjagersnelheid handmatig op nul worden gezet.
Als de compressor is ingeschakeld bij draaiende motor, kan de aanjagersnelheid niet lager zijn dan een minimale waarde (één staafje verlicht).
Drukknop voor snelle ontwaseming/ontdooiing van de voorruit en de zijruiten voor C
Als u deze knop indrukt, schakelt de klimaatregeling automatisch alle functies in die noodzakelijk zijn voor het snel ontdooien/ontwasemen van de voorruit en de zijruiten voor. Dat wil zeggen dat het systeem:
□ de aircocompressor inschakelt wanneer de weersomstandigheden dit toestaan; □ de luchtrecirculatie uitschakelt; □ de maximale luchttemperatuur HI op beide displays instelt; □ een aanjagersnelheid inschakelt op basis van de koelvloeistoftemperatuur om toevoer van nog te koude lucht voor de ontwaseming van de ruiten te beperken; □ de luchtstroom naar de luchtroosters voor de voorruit en de zijruiten voor leidt; □ de achterruitverwarming inschakelt.
BELANGRIJK: De functie voor snelle ontwaseming/ontdooiing van de ruiten blijft ongeveer 3 minuten ingeschakeld, nadat de koelvloeistoftemperatuur de juiste temperatuur heeft bereikt.
Als de functie voor snel ontdooien/ontwasemen is ingeschakeld, gaan het lampje op de betreffende knop en het lampje op de knop van de achterruitverwarming branden.
Als de functie voor maximaal ontwasemen/ontdooien is ingeschakeld, kunnen alleen de aanjagersnelheid en de uitschakeling van de achterruitverwarming handmatig worden geregeld. Als u de knop voor maximale ontdooiing/ontwaseming indrukt, of de knoppen voor de luchtrecirculatie of de uitschakeling van de compressor of de knop AUTO, schakelt het systeem de functie maximaal ontdooiing/ontwaseming uit en worden alle bedrijfsomstandigheden van voor het inschakelen van de functie hersteld.
Drukknop voor snelle ontwaseming/ontdooiing van de achterruit en de buitenspiegels (indien aanwezig) F
Als u deze knop indrukt, wordt de achterruitverwarming ingeschakeld.
Het lampje op de knop gaat branden als deze functie wordt ingeschakeld.
De functie schakelt na 20 minuten automatisch uit, of als opnieuw de knop wordt ingedrukt. De functie wordt ook uitgeschakeld als u de motor uitzet en blijft uitgeschakeld als u de motor opnieuw start.
BELANGRIJK Plak geen stickers of andere plaatjes op de elektrische weerstandsdraden aan de binnenzijde van de achterruit, om beschadiging van de achterruitverwarming te voorkomen.
Systeem uitschakelen (A/C) A
Het systeem schakelt uit als u op de knop A drukt. Bij uitgeschakeld systeem zijn de omstandigheden van de klimaatregeling:
□ zijn de temperatuurdisplays gedoofd; ☐ is de recirculatie ingeschakeld, waarbij geen lucht van buiten binnenkomt; ☐ is de aircocompressor uitgeschakeld; □ is de aanjager uitgeschakeld.
Ook als het systeem is uitgeschakeld, kan de achterruitverwarming worden in-/uitgeschakeld.
BELANGRIJK De regeleenheid van de klimaatregeling slaat de ingestelde temperaturen in het geheugen op voordat het systeem wordt uitgeschakeld. Als u vervolgens op een willekeurige knop drukt (behalve de knop van de achterruitverwarming), worden de functies weer hersteld. Als de functie van de ingedrukte knop niet was ingeschakeld voor de uitschakeling, dan wordt deze functie ook geactiveerd; als deze daarentegen was ingeschakeld, blijft de functie gehandhaafd.
Als u de volledig automatische werking van het systeem weer wilt inschakelen, druk dan op de knop AUTO.
HULPVERWARMING (indien aanwezig)
Dit systeem zorgt voor een snellere verwarming van het interieur bij koud weer.
De uitschakeling van de verwarming vindt automatisch plaats als het gewenste comfort is bereikt.
Automatische tweezone-klimaatregeling
De hulpverwarming schakelt automatisch in nadat u de contactsleutel in stand MAR hebt gezet.
Handmatig regelbare verwarming en airconditioning
De hulpverwarming wordt automatisch ingeschakeld als u de draaiknop M of I in het rode gebied draait en de aanjager ten minste op de eerste snelheid inschakelt (met de knop D).
BELANGRIJK De hulpverwarming werkt alleen bij een lage buitentemperatuur en een lage koelvloeistoftemperatuur.
BELANGRIJK De hulpverwarming wordt niet ingeschakeld als de accu onvoldoende is opgeladen.
DRIEZONE-AIRCONDITIONING (indien aanwezig)

![graph TD A["Leaf 1"] --> B["Leaf 2"] C["Leaf 3"] --> B D["Leaf 4"] --> B style A fill:#f9f,stroke:#333 style B fill:#ccf,stroke:#333 style C fill:#cfc,stroke:#333 style D fill:#fcc,stroke:#333](/content/2026/06/1158624/images/b4a4b7477454cb172d30ca218e6cb015ec5b66f4b84557cd3a1aa2e8d032fa9d.jpg)
VERSTEL- EN REGELBARE LUCHTROOSTERS VOOR DE TWEEDE EN DERDE RIJ STOELEN fig. 49-50
A Verstelbare luchtroosters voor ventilatie van de tweede rij stoelen. B Verstelbare luchtroosters voor ventilatie van de derde rij stoelen.
Luchtroosters gebruiken: open de luchtroosters in de door de pijl aangegeven richting en zet ze in de gewenste stand.

BEDIENINGSKNOPPEN fig. 51
Draaiknop A voor regeling van de luchttemperatuur (menging van warme/koude lucht)
Rode gebied = warme lucht.
Blauwe gebied = koude lucht.
Draaiknop B dient voor inschakelen en regelen van de aanjager
0 = aanjager uit 1-2-3 = aanjagersnelheid 4 = aanjager op maximale snelheid

Druk op de knop A-fig. 52 om de air-conditioning in te schakelen.
Bij inschakeling gaan het lampje B-fig. 52 op de knop zelf en het lampje C-fig. 51 op het schakelaarpaneel gelijktijdig branden.
Druk opnieuw op de knop A-fig. 52 om de airconditioning uit te schakelen (beide lampjes doven om de uitschakeling te bevestigen).
VENTILATIE VAN HET INTERIEUR
Ga voor een goede ventilatie in het interieur als volgt te werk:
□ draai de knop A in het blauwe vlak; □ schakel de recirculatie uit; □ draai de draaiknop B op de gewenste snelheid.
AIRCONDITIONING (koeling)
Ga voor snel koelen als volgt te werk:
□ draai de knop A in het blauwe vlak; □ schakel de recirculatie in; ☐ schakel de airconditioning in door de knop A-fig. 52 in te drukken; het lampje B op de knop gaat branden; □ draai de knop B in stand 4 ♣ (maximale aanjagersnelheid).
Regeling van de koeling
□ draai de knop A in het blauwe vlak; □ schakel de recirculatie uit; □ draai de knop B voor verlaging van de aanjagersnelheid.
VERWARMING VAN HET INTERIEUR
Ga als volgt te werk:
□ draai de knop A in het rode vlak; □ draai de draaiknop B op de gewenste snelheid.
SNELLE VERWARMING VAN INTERIEUR
Ga voor snel verwarmen als volgt te werk: □ draai de knop A in het rode vlak; □ schakel de recirculatie in; □ draai de knop B in stand 4 ♣ (maximale aanjagersnelheid).
Vervolgens kan een stand gekozen worden waarbij het comfort optimaal blijft en de luchtrecirculatie worden uitgeschakeld.
BELANGRIJK Bij een koude motor moet enige minuten worden gewacht totdat de vloeistof van het systeem de optimale bedrijfstemperatuur heeft bereikt.
BUITENVERLICHTING
Met de linker hendel fig. 53 kunt u de buitenverlichting in- en uitschakelen.
Als u de buitenverlichting inschakelt worden het instrumentenpaneel en de bedieningsknoppen op het dashboard verlicht.
Draai de draaiknop A in stand 0.
BUITENVERLICHTING fig. 53
Dit wordt ingeschakeld als de draaischakelaar A van stand 0 in stand ⚙️ wordt gezet.
DIMLICHTEN fig. 53
De verlichting wordt ingeschakeld als u de draaiknop A van stand - in stand 1/30 zet.
Op het instrumentenpaneel gaat het lampje branden.
GROOTLICHT fig. 54
De verlichting wordt ingeschakeld als u de draaiknop A in stand 3D/3D zet en de hendel naar het stuur trekt.
Op het instrumentenpaneel gaat het controlelampje Ⓔ branden.
Als de hendel opnieuw naar het stuurwiel wordt getrokken, dooft het grootlicht.


GROOTLICHTSIGNAAL fig. 54
Trek de hendel naar het stuurwiel (1e onvergrendelde stand), ongeacht de stand van de draaiknop. Op het instrumentenpaneel gaat het controlelampje Ⓔ branden.

MISTLAMPEN VOOR
(indien aanwezig)
□ draai de draaiknop B in de richting van de pijl: □ eerste impuls, onvergrendelde stand, inschakeling mistlampen voor; op het instrumentenpaneel gaat het controle-lampje ≠0 branden. □ tweede impuls, onvergrendelde stand, inschakeling mistachterlichten Ⓓ.

Uitschakelen fig. 56:
□ draai de draaiknop B in de richting van de pijl, onvergrendelde stand.
De mistlampen voor en de mistachterlichten schakelen automatisch uit als de verlichting wordt uitgeschakeld of als uitsluitend de buitenverlichting weer wordt ingeschakeld ⚙. Als u de mistachterlichten weer wilt inschakelen, moet u dus de vorige handeling herhalen.
Als de motor opnieuw wordt gestart, gaat automatisch dezelfde verlichting branden, die was ingeschakeld op het moment dat de motor werd uitgezet.
BELANGRIJK Doof bij goed zicht de mistachterlichten omdat ze hinderlijk kunnen zijn voor weggebruikers achter u.
BELANGRIJK De mistlampen voor, de mistachterlichten en het grootlicht kunnen ook worden ingeschakeld als de contactsleutel in stand S staat of is uitgenomen. Bij geopende portieren klinkt er een akoestisch signaal als de verlichting is ingeschakeld.

RICHTINGAANWIJZERS fig. 57
Ga als volgt te werk:
□ omhoog (stand I): gaan de rechter richtingaanwijzers branden;
□ omlaag (stand 2): gaan de linker richtingaanwijzers branden.
Op het instrumentenpaneel knippert het lampje → of ←
De richtingaanwijzers schakelen automatisch uit als met de auto weer rechtuit wordt gereden.
Als dat nodig is kunnen de richtingaanwijzers kort worden ingeschakeld (bijv.: bij het wisselen van rijbaan); zet hiervoor de hendel omhoog of omlaag, zonder de vergrendelde stand te bereiken.
Zodra u de hendel loslaat, gaat deze automatisch terug.
Follow me home (indien aanwezig)
Met deze functie wordt een bepaalde periode ingesteld (45 seconden) waarin de ruimte voor de auto wordt verlicht; de functie wordt ingeschakeld door bij contactslot in stand S of verwijderde sleutel de linker hendel in de richting van het dashboard te drukken. Deze functie wordt ingesteld door de hendel binnen 2 minuten na het uitschakelen van de motor te bedienen.
Als de auto is uitgerust met automatisch inschakelende buitenverlichting en dimlicht, wordt de functie follow me home automatisch ingeschakeld als een portier wordt geopend.

SCHEMERSENSOR (automatische koplampen) (indien aanwezig)
Deze sensor is in staat om de verschillen in sterkte van het omgevingslicht waar te nemen op basis van de ingestelde gevoeligheid: hoe hoger de gevoeligheid, hoe minder buitenlicht er nodig is om de verlichting in te schakelen.
Inschakelen fig. 58
Draai de draaiknop in stand AUTO: op deze manier gaan, afhankelijk van de sterkte van het omgevingslicht, tegelijkertijd de buitenverlichting en de dimlichten automatisch branden.
Uitschakelen fig. 58
Zet de draaiknop terug in stand O; bij uitschakeling van de functie verschijnt er een bericht op het display.
De schemersensor is niet in staat om mist te signaleren. Daarom moet bij mist de verlichting handmatig worden ingeschakeld.
RUITEN REINIGEN
Met de rechter hendel fig. 59 kunt u de ruitenwissers/-sproeiers en achterruitwisser/-sproeier (indien aanwezig) bedienen.
RUITENWISSERS/SPROEIERS
Deze werken uitsluitend als de contact-sleutel in stand M staat.
De draaiknop van de rechter hendel kan in vier standen worden gezet:
0 ruitenwissers uitgeschakeld;
I wissen met interval;
I langzaam continu wissen;
2 snel continu wissen.
Tijdelijk wissen (een slag): als u de hendel loslaat, springt deze direct weer in stand 0 en schakelen de ruitenwissers automatisch uit.
Als u de hendel iets naar het stuur trekt (onvergrendelde stand), schakelen de ruitensproeiers in, ongeacht de stand van de draaiknop. Als het dimlicht of grootlicht brandt, gaan gelijktijdig ook de koplampsproeiers (indien aanwezig) werken. Vervolgens voeren de ruitenwissers een cyclus van drie slagen uit.

Om het onderhoud (bijvoorbeeld het reinigen van de voorruit of het vervangen van de wisserbladen) eenvoudiger uit te kunnen voeren, gaan de ruitenwissers in een verticale stand staan als de hendel naar beneden wordt bewogen binnen 60 seconden nadat de contactsleutel in stand S is gezet of is uitgenomen; de ruitenwissers kunnen nu omhoog worden geklapt voor het vervangen van de rubbers of voor het reinigen.
BELANGRIJK Om eventuele schade aan de carrosserie te voorkomen, mogen de ruitenwissers uitsluitend omhoog worden geklapt als ze eerst in verticale stand zijn gezet volgens de hiervoor beschreven procedure.

Gebruik de ruitenwisser niet om lagen sneeuw of ijs van de voorruit te verwijderen. In die omstandigheden grijpt, als de
ruitenwissers te zwaar worden belast, de beveiliging in, die ervoor zorgt dat de ruitenwissers enkele seconden worden uitgeschakeld. Als hierna de werking niet wordt hervat (ook na een herstart van de auto met de contactsleutel), wendt u dan tot het Fiat Servicenetwerk.
REGENSENSOR (indien aanwezig)
De regensensor bevindt zich achter de achteruitkijkspiegel, staat in contact met de voorruit en zorgt ervoor dat de frequentie van de slagen van de ruitenwissers, tijdens het wissen met interval, automatisch wordt aangepast aan de hoeveelheid regen op de ruit.
WAARSCHUWING Houd de ruit in de omgeving van de sensor schoon.
Als de regensensor fig. 60 aanwezig is:
0 Ruitenwissers uitgeschakeld.
I Wissen met interval. 1 Langzaam continu wissen. 2 Snel continu wissen.
AUTO Inschakeling regensensor (automatische werking). Als de hendel wordt losgelaten, keert deze terug naar stand 0.
De regensensor (indien aanwezig) is een elektronische voorziening voor de ruitenwissers en zorgt ervoor dat de frequentie van de slagen van de ruitenwissers, tijdens het wissen met interval, automatisch wordt aangepast aan de hoeveelheid regen op de ruit.

De regensensor wordt automatisch ingeschakeld als u de rechter hendel in stand AUTO zet en heeft een regelbereik dat geleidelijk varieert van stilstaande ruitenwissers (geen enkele slag) bij een droge ruit, tot de eerste snelheid (langzaam continu wissen) bij veel regenval.
Als de regensensor wordt ingeschakeld, maken de ruitenwissers 1 slag.
Als de ruitensproeiers worden bediend bij ingeschakelde regensensor, werkt het normale reinigingsprogramma. Daarna hervat de regensensor zijn normale automatische werking.
Zet voor het uitschakelen van de regensensor de hendel van de ruitenwissers in stand 1, 1 of 2. Bij uitschakeling van de functie verschijnt er een melding op het display.
Voor het inschakelen van de regensensor moet de hendel in een andere stand worden gezet en daarna in stand AUTO.

ATTENTIE!
Schakel de regensensor niet in als de auto in een wastunnel wordt gereinigd.

ATTENTIE!
Voor het reinigen van de voorruit moet altijd worden gecontroleerd of het systeem is uitgeschakeld.
De regensensor kan de volgende speciale omstandigheden die van invloed zijn op de gevoeligheid van de sensor signaleren en zichzelf aanpassen:
□ vuil op het controle-oppervlak (zoutaanslag, vuil enz.); □ waterstrepen veroorzaakt door versleten wisserbladen; □ verschil tussen dag en nacht (het zicht wordt 's nachts sterker gehinderd door vocht op de ruit).

ATTENTIE!
Schakel het systeem niet in als er ijs op de voorruit zit.
Als u de hendel iets naar het stuur trekt (onvergrendelde stand), schakelen de ruitensproeiers in, ongeacht de stand van de draaiknop. Als het dimlicht of grootlicht brandt, gaan gelijktijdig ook de koplamp-sproeiers (indien aanwezig) werken. Vervolgens voeren de ruitenwissers een cyclus van drie slagen uit.

Achterruitwisser (indien aanwezig) fig. 61
De werking kan alleen plaatsvinden als het contactslot in stand M staat.
□ Draai de knop A van stand 0 in stand □.
Als de ruitenwissers zijn ingeschakeld en u de achteruit inschakelt, schakelt de achterruitwisser automatisch in voor maximaal zicht achter.
Achterruitsproeier (indien aanwezig) fig. 61
De werking kan alleen plaatsvinden als het contactslot in stand M staat.
Draai de draaiknop A van stand in stand (onvergrendelde stand) om de achterruitsproeier in te schakelen.
Gelijktijdig voert de ruitenwisser een cyclus van drie slagen uit.

Gebruik de achterruitwisser niet om opgehoopte sneeuw of ijs van de achterruit te verwijderen. In die omstandigheden grijpt, als de achterruitwisser te zwaar wordt belast, de beveiliging in, die ervoor zorgt dat de wisser enkele seconden wordt uitgeschakeld. Als hierna de werking niet wordt hervat (ook na een herstart van de auto met de contactsleutel), wendt u dan tot het Fiat Servicenetwerk.

KOPLAMPSPROEIERS (indien aanwezig) fig. 62
De "verzonken" koplampsproeiers zijn in de voorbumper van de auto gemonteerd en treden in werking als u, bij ingeschakeld dimlicht, de ruitensproeiers inschakelt.
BELANGRIJK Controleer regelmatig of de koplampsproeiers schoon en in goede staat zijn.

Deze houdt de door de bestuurder gewenste snelheid aan. Dit is een hulpmiddel tijdens het rijden dat de door de bestuurder ingestelde snelheid constant aanhoudt, mits het verkeer vlot doorstroomt, maar niet op steile hellingen.
Het systeem kan ingesteld en ingeschakeld worden als de auto sneller rijdt dan 40 km/h en de vierde versnelling of hoger ingeschakeld is.
Als de auto is uitgerust zowel met een snelheidsbegrenzer als met cruise-control (afhankelijk van het land van kentekenregistratie en de motoruitvoering), dan kunnen beide functies niet gelijktijdig ingeschakeld worden.
De cruise-control toont op het instrumentenpaneel informatie over de werking en de geprogrammeerde snelheid:
Gekozen functie, aanduiding voor "Cruise-Control".
Functie uitgeschakeld, OFF (bijvoorbeeld bij 107 km/h).
Functie ingeschakeld (bijvoorbeeld bij 107 km/h).
Snelheid van de auto hoger (bijvoorbeeld 118 km/h), de ingestelde snelheid knippert.
Melding van een storing in de werking, OFF - de streepjes knipperen.

Functie selecteren
Zet de knop in de stand CRUISE. De cruise-control is gekozen, maar nog niet ingeschakeld en er is nog geen snelheid geprogrammeerd.



Snelheid voor het eerst programmeren en inschakelen
Bedien het gaspedaal om de gewenste snelheid te bereiken.
Druk op de knop SET - of SET +.
De snelheid is geprogrammeerd en ingeschakeld, waarna de auto deze snelheid aanhoudt.

Tijdelijke overschrijding van de snelheid
Dit is mogelijk door gas te geven, waardoor tijdelijk met een hogere dan de ingestelde snelheid kan worden gereden. De geprogrammeerde waarde knippert.
Als het gaspedaal wordt losgelaten, dan gaat de auto weer met de geprogrammeerde snelheid rijden.



Uitschakelen (OFF)
Druk de knop in of trap het rem- of koppelingspedaal in.

Opnieuw inschakelen
Druk op de knop als de cruise-control was uitgeschakeld terwijl er een snelheid is geprogrammeerd.
De auto gaat met de laatst geprogrammeerde snelheid rijden.
Ook kan de procedure "Snelheid voor het eerst programmeren" opnieuw worden uitgevoerd.

118 MPH km/h
Geprogrammeerde snelheid wijzigen
Er zijn twee mogelijkheden om de geprogrammeerde snelheid te verhogen:
Zonder gebruik van het gaspedaal:
□ druk op de knop Set +.
Kort indrukken verhoogt de snelheid met 1 km/h.
Ingedrukt houden verhoogt de snelheid in stappen van 5 km/h.
M.b.v. het gaspedaal:
□ verhoog de snelheid tot de gewenste snelheid □ druk op de knop Set + of Set -.
Geprogrammeerde snelheid verlagen:
□ druk op de knop Set -.
Kort indrukken verlaagt de snelheid met 1 km/h.
Ingedrukt houden verlaagt de snelheid in stappen van 5 km/h.

Functie uitschakelen
Zet de draaiknop in stand 0 of verwijder de contactsleutel uit het contactslot.
Geprogrammeerde snelheid wissen
Als de auto stilstaat en de contactsleutel uitgenomen is, dan wordt de snelheid uit het geheugen van het systeem gewist.
Storingen in de werking
De geprogrammeerde snelheid wordt gewist en vervangen door drie streepjes.
Wendt u tot het Fiat Servicenetwerk om het systeem te laten controleren.
Correct gebruik
Let op als de geprogrammeerde snelheid wordt gewijzigd door de knop ingedrukt te houden, omdat de snelheid snel verhoogd of verlaagd kan worden.
Gebruik de cruise-control niet tijdens het rijden op gladde wegen of in druk verkeer. Op steile afdalingen kan de cruise-control niet verhinderen dat de auto sneller dan de geprogrammeerde snelheid gaat rijden.
De cruise-control vormt in geen enkele situatie een ontheffing voor het negeren van de wettelijke snelheidslimieten of een vervanging voor de waakzaamheid en verantwoordelijkheid van de bestuurder. Voorkom dat de werking van de pedalen wordt gehinderd:
- controleer of de vloermat correct geplaatst is
- plaats niet meerdere vloermatten op elkaar.

SNELHEIDSBEGRENZER (indien aanwezig)
Deze bestaat uit een instelmogelijkheid voor de snelheid die de bestuurder niet wil overschrijden. De instelling is mogelijk bij draaiende motor en stilstaande of rijdende auto. De programmeerbare minimumsnelheid is 30 km/h.
De bestuurder kan de snelheid van de auto met de voet op het gaspedaal regelen. Echter, een weerstandspunt in de gaspedaalslag geeft aan dat de geprogrammeerde snelheid is bereikt. Door het gaspedaal voorbij dit weerstandspunt in te trappen kan de geprogrammeerde snelheid worden overschreden.
Om de begrenzer weer te kunnen gebruiken, moet u het gaspedaal geleidelijk loslaten en langzamer dan de geprogrammeerde snelheid gaan rijden.
Als de auto is uitgerust zowel met een snelheidsbegrenzer als met cruise-control (afhankelijk van het land van kentekenregistratie en de motoruitvoering), dan kunnen beide functies niet gelijktijdig ingeschakeld worden.
De instelling is mogelijk bij draaiende motor zowel bij een stilstaande als een rijdende auto.
De begrenzer toont op het instrumentenpaneel informatie over de werking en de geprogrammeerde snelheid:

Gekozen functie, weergave van het symbool "Snelheidsbegrenzer".

Functie uitgeschakeld, laatst geprogrammeerde snelheid - OFF (bijvoorbeeld 107 km/h).

Functie ingeschakeld (bijvoorbeeld bij 107 km/h).

Snelheid van de auto hoger (bijvoorbeeld 118 km/h), de ingestelde snelheid knippert.

Melding van een storing in de werking, OFF - de streepjes knipperen.

Zet de knop in de stand LIMIT. De begrenzer is geselecteerd, maar nog niet ingeschakeld. Het display toont de laatst geprogrammeerde snelheid.

Snelheid programmeren
De instelling is mogelijk bij draaiende motor zonder de begrenzer in te schakelen.
Geprogrammeerde snelheid verhogen:
Druk op de knop Set +.
Kort indrukken verhoogt de snelheid met 1 km/h.
Ingedrukt houden verhoogt de snelheid in stappen van 5 km/h.
Geprogrammeerde snelheid verlagen:
Druk op de knop Set -.
Kort indrukken verlaagt de snelheid met 1 km/h.
Ingedrukt houden verlaagt de snelheid in stappen van 5 km/h.

De begrenzer schakelt in bij de eerste keer indrukken van de knop, nogmaals indrukken schakelt de begrenzer uit (OFF).

Geprogrammeerde snelheid overschrijden
Een lichte druk op het gaspedaal heeft geen effect om de geprogrammeerde snelheid te overschrijden; het gaspedaal moet hiervoor krachtig tot voorbij het weerstandspunt worden ingetrapt. De begrenzer schakelt tijdelijk uit en de geprogrammeerde snelheid gaat knipperen.
Om de begrenzer weer te kunnen gebruiken moet de snelheid van de auto worden verlaagd tot onder de geprogrammeerde snelheid.
Knipperende snelheidsinstelling
De weergegeven snelheid knippert:
□ bij overschrijding van het weerstandspunt in de gaspedaalslag □ als de begrenzer een snelheidsverhoging niet kan verhinderen door de vorm van het wegdek of als de auto op een steile helling rijdt □ bij snel accelereren.
Functie uitschakelen
Zet de draaiknop in stand 0 of verwijder de contactsleutel uit het contactslot om het systeem uit te schakelen. De laatst geprogrammeerde snelheid blijft opgeslagen.

Storingen in de werking
De geprogrammeerde snelheid wordt gewist en vervangen door drie streepjes.
Wendt u tot het Fiat Servicenetwerk om het systeem te laten controleren.
Correct gebruik
De begrenzer vormt in geen enkele situatie een ontheffing voor het negeren van de wettelijke snelheidslimieten of een vervanging voor de waakzaamheid en verantwoordelijkheid van de bestuurder. Blijf alert op de vorm van het wegdek en bij snelle acceleratie.
Voorkom dat de werking van de pedalen wordt gehinderd:
- controleer of de vloermat correct geplaatst is, — plaats niet meerdere vloermatten op elkaar.
PLAFONDVERLICHTING
De plafondverlichting I (fig. 64) wordt bediend door drie schakelaars A, B en C. Met schakelaar B in de middelste stand worden de lampjes in- of uitgeschakeld bij het openen of sluiten van een van de portieren.
Met schakelaar B naar rechts geschoven, blijven de lampjes altijd ingeschakeld.
Met schakelaar B naar links geschoven, blijven de lampjes altijd uitgeschakeld.
Als u schakelaar A naar links schuift en schakelaar C naar rechts, gaan de betreffende lampjes aan de zijkant D en F branden.
De plafondlampjes 2 (fig. 65) worden bediend door schakelaar A.
Met de schakelaar in de middelste stand wordt lampje B in- of uitgeschakeld bij het openen of sluiten van een van de portieren.
Met schakelaar A naar links geschoven, blijft het lampje altijd uitgeschakeld; als de schakelaar naar rechts wordt geschoven, blijft het lampje altijd ingeschakeld.


BELANGRIJK: Controleer voordat u de auto verlaat of beide schakelaars in de middelste stand staan. Op deze manier doven de lampjes van de plafondverlichting bij het sluiten van de portieren, en voorkomt u dat de accu ontlaadt.
Regeling ingeschakelde tijd plafondverlichting
Om het in- en uitstappen vooral in het donker te vergemakkelijken, zijn er 2 brandduurregelingen.
BRANDDUURREGELING BIJ HET INSTAPPEN
De plafondlampjes gaan op de volgende manier tijdelijk branden:
□ als de voorportieren worden ontgrendeld;
□ als een van de zijdeuren wordt geopend;
□ als de portieren worden gesloten.
De werking van de brandduurregeling wordt onderbroken als de contactsleutel in stand M wordt gedraaid.
BRANDDUURREGELING BIJ HET UITSTAPPEN
Als de contactsleutel uit het start-/contactslot wordt verwijderd, gaan de plafondlampjes op de volgende manier tijdelijk branden:
□ na het uitzetten van de motor;
□ als een van de zijdeuren wordt geopend;
□ als een portier wordt gesloten.
De brandduurregeling schakelt automatisch uit als de portieren worden vergrendeld.
BEDIENINGSORGANEN
Deze worden ingeschakeld als op knop A wordt gedrukt, onafhankelijk van de stand van het contactslot.
Als ze zijn ingeschakeld, knippert het lampje in de knop. Gelijktijdig gaan op het instrumentenpaneel de controlelampjes ⇔ en ➔ branden.

Druk voor uitschakeling nogmaals op de knop.
Het gebruik van de waarschuwingsknipperlichten is afhankelijk van de wegenverkeerswet van het land waarin u rijdt. Houdt u aan de voorschriften.

ESP-SYSTEEM (indien aanwezig) UITSCHAKELEN
Als u op de knop fig. 67 op de middenconsole drukt, wordt het ESP-systeem uitgeschakeld.
Als het systeem is uitgeschakeld, brandt het lampje op de knop permanent.
Het systeem schakelt weer in:
□ automatisch, boven 50 km/h.
□ handmatig, door de knop nogmaals in te drukken.
Als het ESP in werking treedt, dan knippert het lampje op de knop.
Zie voor meer informatie de paragraaf "ESP-systeem" in dit hoofdstuk.

ACHTERRUITVERWARMING (indien aanwezig)
Druk op de knop fig. 68 voor inschakeling.
Als de achterruit is ingeschakeld, treedt een tijdregeling in werking waardoor het systeem automatisch na ongeveer 20 minuten wordt uitgeschakeld.

PORTIERVERGRENDELING
U kunt de centrale portiervergrendeling inschakelen door de knop fig. 69 op de middenconsole in te drukken, onafhankelijk van de stand van de contactsleutel.
Het lampje op de knop gaat branden als deze functie wordt ingeschakeld.
Druk de knop nogmaals in om de portieren te ontgrendelen.

KINDERVEILIGHEIDSSLOT INSCHAKELEN
(indien aanwezig)
Als u op de knop fig. 70 op de middenconsole drukt, onafhankelijk van de stand van de contactsleutel, wordt het kinderveiligheidsslot ingeschakeld.
In dat geval kunnen de zijschuifdeuren niet vanuit het interieur worden geopend maar alleen vanaf de buitenzijde.
Het lampje op de knop gaat branden als deze functie wordt ingeschakeld.
Druk nogmaals op de knop om het systeem uit te schakelen.

U kunt de centrale vergrendeling van de zijschuifdeuren en achterdeuren inschakelen door de knop fig. 71 op de middenconsole in te drukken, onafhankelijk van de stand van de contactsleutel.
Het lampje op de knop gaat branden als deze functie wordt ingeschakeld.
Druk de knop nogmaals in om de deuren te ontgrendelen.
PARKEERSENSOREN (indien aanwezig) UITSCHAKELEN
Als u op de knop fig. 72 op de middenconsole drukt, wordt de werking van de parkeersensoren uitgeschakeld.
Als het systeem is uitgeschakeld, brandt het lampje op de knop.
Druk nogmaals op de knop om ze weer in te schakelen.
BELANGRIJK De instelling voor de parkeersensoren (in- of uitgeschakeld) wordt opgeslagen in het systeem bij het uitzetten van de motor.
INTERIEURBEWAKING VAN DIEFSTALARM
(indien aanwezig) UITSCHAKELEN
Als u op de knop fig. 73 op de middenconsole drukt, wordt de bewegingsdetectie van het diefstalalarm in het interieur uitgeschakeld.
Alleen de omtrekbeveiliging blijft dan ingeschakeld.
Als het systeem is uitgeschakeld, brandt het lampje op de knop.
Zie voor meer informatie de paragraaf "Diefstalalarm" in dit hoofdstuk.
BRANDSTOFONDERBREEKSCHAKELAAR
Deze veiligheidsschakelaar, die geregeld wordt door de regeleenheid van het airbagsysteem, werkt bij een botsing (ongeacht de richting) van een bepaalde omvang, waardoor de toevoer van brandstof wordt gestopt en de motor afslaat.
Op het instelbare multifunctionele display verschijnt een bericht als de brandstofnoodschakelaar inschakelt.

ATTENTIE!
Als u na een ongeval een brandstoflucht ruikt of merkt dat het brandstofsysteem lekt, herstel dit systeem dan niet, zodat brand wordt voorkomen.
Als u geen brandstoflekkage waarneemt en de auto kan nog verder rijden, ga dan als volgt te werk om de brandstoftoevoer weer te herstellen:
□ draai de sleutel in stand S; □ neem de contactsleutel uit, steek de sleutel weer in het contactslot en start de motor op de normale wijze.
INTERIEURUITRUSTING
DASHBOARDKASTJE fig. 74-75
Trek aan de handgreep A-fig. 74 om het dashboardkastje te openen.
In de klep zitten uitsparingen waarin u als de auto stilstaat bekers en blikjes kunt plaatsen, en een pennenhouder.
Het dashboardkastje is voorzien van een slot. U kunt het slot met de contactsleutel bedienen.
OPBERGVAKKEN
Boven de zonnekleppen bevinden zich opbergvakken voor het snel opbergen van lichte voorwerpen (bijv. documenten, wegenkaarten enz.).
Afhankelijk van het uitrustingsniveau kunnen de opbergvakken zijn voorzien van een klep A-fig. 76/a.
BELANGRIJK Het opbergvak is ontworpen voor een belasting tot maximaal 3 kg per zijde. Plaats er geen zwaardere voorwerpen in en houdt u er niet aan vast. Gebruik de handgrepen aan de zijkant voor ondersteuning.


Het middelste vak sluit aan bij de "opbergtunnel" voor het vervoer van lange en lichte voorwerpen (elektriciteitspijpen, kunststof leidingen enz.): wendt u tot het Fiat Servicenetwerk.


PASSENVAK
Beschikbaar afhankelijk van het uitrustingsniveau van de auto.


In de voorportieren bevinden zich twee opberg/documentenvakken fig. 79.

TAFELTJE MET BLIKJESHOUDERS EN DOCUMENTENKLEM (indien aanwezig)
Als u de lip A-fig. 77 van de rugleuning van de middelste zitplaats voor in de richting van de pijl trekt, heeft u een tafeltje A-fig. 78 met blikjeshouders B en een documentenklem C.
OPBERGVAK OP DASHBOARD
Op het dashboard, tegenover de passagiersstoel, bevindt zich een opbergvak A-fig. 80.
FLESSENHOUDER
Aan weerszijden van het dashboard zijn twee verzonken flessenhouders geplaatst A-fig. 81. Om ze te gebruiken, moet u op de klepjes drukken zoals in de figuur is aangegeven.




Druk voor het inschakelen van de aansteker de knop B-fig. 84 in, als de contactsleutel in stand M staat.
Na ongeveer 15 seconden keert de knop automatisch terug naar de beginpositie en is de sigarenaansteker gereed voor gebruik.
WAARSCHUWING Controleer altijd of de aansteker na het indrukken ook uitschakelt.

OPBERGVAKKEN OP RUGLEUNING (indien aanwezig)
De rugleuningen van de stoelen kunnen voorzien zijn van opbergvakken fig. 82 voor het opbergen van lichte voorwerpen (bijvoorbeeld: documenten, wegenkaarten enz.).
BEKERHOUDERS (indien aanwezig)
Als u de rugleuning van de middelste zitplaats van de tweede rij neerklapt, zijn er twee bekerhouders bereikbaar fig. 83.

ATTENTIE!
De aansteker wordt erg heet.
Gebruik de sigarenaansteker voorzichtig en voorkom dat de aansteker gebruikt wordt door kinderen: brandgevaar en/of brandwonden.
ASBAK
Open het klepje A-fig. 85 door het naar achteren te trekken. De asbak bestaat uit een uitneembare kunststof houder.
Uitnemen: druk op de bevestigingshaak B-fig. 86 en begeleid de asbak omlaag.
Terugplaatsen: pak de onderkant vast en duw de asbak omhoog totdat hij vergrendelt.

BELANGRIJK Gebruik de asbak niet als prullenbak voor papiertjes; als deze in contact komen met smeulende peuken kan er brand ontstaan.
ZONNEKLEPPEN fig. 87
De zonnekleppen zitten aan beide zijden naast de achteruitkijkspiegel. Ze kunnen zowel voor de voorruit als tegen de zijruit worden gedraaid.
De zonnekleppen zijn voorzien van een spiegeltje (indien aanwezig).
Om het spiegeltje (indien aanwezig) te gebruiken, moet het klepje A (bepaalde uitvoeringen) worden geopend.

STEKKERDOZEN (indien aanwezig)
Afhankelijk van de uitvoering kunnen de stekkerdozen zich op verschillende plaatsen in het interieur bevinden.
Open voor gebruik de dop A-fig. 88.

In enkele uitvoeringen is een vaste scheidingswand aanwezig fig. 89 tussen de laadruimte en de bestuurdersstoel om de bestuurder tijdens het rijden te beschermen voor de lading in de laadruimte.
PORTIEREN
Open een portier alleen wanneer de omstandigheden veilig zijn.
Voorportieren fig. 90
Bij het openen van de portieren en bij uitgenomen sleutel, hoort u een akoestisch signaal als de buitenverlichting nog brandt. Het akoestische signaal stopt als u de verlichting uitschakelt, de portieren sluit of als u de motor start.
Bij het openen van een van de voorportieren en met de contactsleutel in het contactslot, hoort u een akoestisch signaal als een van de twee portieren niet goed gesloten is; tegelijkertijd gaat het lampje op het instrumentenpaneel branden.
Het slot ontgrendelen: steek de metalen baard van de sleutel in het slot en draai de sleutel linksom.
Het slot vergrendelen: steek de metalen baard van de sleutel in het slot en draai de sleutel rechtsom.

In geheel geopende stand worden de zij-schuifdeuren door een vangmechanisme opengehouden: om de deur te vergrendelen, moet u de deur tegen de aanslag drukken; om de deur te ontgrendelen moet u de deur krachtig naar voren trekken.
Zorg er in ieder geval voor dat de geopende deur op de juiste wijze is vastgehaakt aan het vangmechanisme.
Het slot ontgrendelen: steek de metalen baard van de sleutel in het slot en draai de sleutel linksom.
Het slot vergrendelen: steek de metalen baard van de sleutel in het slot en draai de sleutel rechtsom.

Open de linker zijschuifdeur niet tijdens het tanken, omdat hierdoor het tankluikje beschadigd kan raken.

De zijschuifdeuren kunnen zijn voorzien van ruiten (indien van toepassing).
De ruiten kunnen vanuit het interieur geopend worden. Om de ruiten te openen, moet u de twee nokken A-fig. 91 naar elkaar toe drukken en de ruit openschuiven terwijl u de nokken ingedrukt houdt, totdat de gewenste openingsstand is bereikt. Als de ruiten geopend zijn, controleer dan of ze vergrendeld zijn.

ATTENTIE!
Als de auto op een steile helling omlaag geparkeerd staat, laat de auto dan niet met de schuifdeur in het vangmechanisme geblokkeerd open staan: als u tegen de deur stoot, kan deze losraken en naar voren schuiven.

ATTENTIE!
Als de auto wordt geparkeerd met geopende schuifdeuren, controleer dan of deze goed in het vangmechanisme geblokkeerd zijn.
Achterdeuren
De twee achterdeuren zijn ieder voorzien van een klemveer die de opening van de deur tot 90 graden beperkt.

ATTENTIE!
Het systeem van klemveren is ontwikkeld voor een beter gebruikscomfort; bij een botsing of een windstoot kunnen de veren loshaken en kunnen de deuren onverwacht dichtvallen.

ATTENTIE!
Als de auto wordt geparkeerd met 90° geopende achterdeuren, dan bedekken de achterdeuren de achterlichten. Om het overige verkeer dat de geparkeerde auto van achteren nadert, te attenderen op de mogelijk niet opgemerkte stilstaande auto, moet een gevarendriehoek of een ander in het betreffende land voorgeschreven waarschuwingsmiddel worden gebruikt.


Achterdeuren van buitenaf ontgrendelen
Draai de sleutel in stand 2 (fig. 92) en trek de handgreep in de richting van de pijl om deur A te openen.
Om vervolgens deur B te kunnen openen, moet handgreep C (fig. 93) in de richting van de pijl worden verplaatst.

Het is mogelijk de openingshoek van de twee deuren te vergroten om makkelijker in en uit te laden. Hiervoor moeten de klemveren A (fig. 94) worden losgehaakt, zoals afgebeeld, waardoor de deuren ongeveer 180 graden kunnen worden geopend.

ATTENTIE!
Als de deuren 180 graden geopend zijn, zijn ze niet meer
vergrendeld. Open de deuren niet 180 graden als de auto op een helling staat of bij veel wind.
Achterdeuren van buitenaf vergrendelen
Sluit de twee deuren en draai de sleutel in stand 1 (fig. 92).

Achterklep (indien aanwezig)
Om het slot van de achterklep te ontgrendelen, moet u de elektrische handgreep bedienen die in fig. 95 is aangegeven.
Noodbediening van achterklep
Om de achterklep vanuit het interieur te kunnen openen bij een storing in de portiervergrendeling, moet als volgt te werk worden gegaan:
□ klap de achterstoelen om (zie de paragraaf "Zitplaatsen" in dit hoofdstuk) om

toegang te krijgen tot het slot aan de binnenzijde;
□ steek een schroevendraaier in de opening in het slot en ontgrendel het openingsmechanisme B-fig. 96.

CENTRALE PORTIERVERGRENDELING
Van buitenaf
Gebruik de afstandsbediening voor het ver-/ontgrendelen van de auto.
Van binnenuit fig. 97

Als de knop A een keer wordt ingedrukt, worden de portieren/deuren al vergrendeld.
Door de knop nogmaals in te drukken worden alle sloten ontgrendeld.
Deze knop werkt niet als de auto van buitenaf is vergrendeld m.b.v. de afstandsbediening of de sleutel.

Overvalbeveiliging
Het systeem vergrendelt de portieren automatisch zodra de auto sneller dan 10 km/h rijdt.
In-/uitschakelen
Houd bij contactsleutel in stand M de knop A even ingedrukt om de functie in of uit te schakelen.
Laadruimte
(indien aanwezig) fig. 98
Door het indrukken van knop B kunnen de achterdeuren worden ver-/ontgrendeld. Deze functie is ingesteld op het moment dat de auto wordt afgeleverd. Het onderscheid in de ontgrendeling tussen de cabine en de laadruimte kan op verzoek worden uitgeschakeld. Wendt u tot het Fiat Servicenetwerk.

KINDERVEILIGHEIDSSLOT
Hierdoor kunnen de zijschuifdeuren niet van binnenuit geopend worden.
Druk voor inschakeling op de knop A-fig. 99 op het schakelaarpaneel op de middenconsole.
Het lampje op de knop A gaat branden als dit systeem wordt ingeschakeld.
Het systeem blijft ook ingeschakeld na het elektrisch ontgrendelen van de portieren.

ATTENTIE!
Schakel dit systeem altijd in als u kinderen vervoert.

ATTENTIE!
Controleer nadat u het veiligheidsslot bij beide achterportieren hebt ingeschakeld, of het slot daadwerkelijk is ingeschakeld door aan de handgreep aan de binnenzijde van de portieren te trekken.
ROLHOES VOOR AFDEKKEN BAGAGERUIMTE (indien aanwezig)
Om de rolhoes te gebruiken, moet u de handgreep A-fig. 100 vastpakken en de rolhoes uit de rolautomaat B uitrollen en bevestigen aan de betreffende borgingen.
Indien de rolautomaat moet worden verwijderd: maak de twee uiteinden los uit de zittingen door op de knop A-fig. 101 te drukken.


RUITBEDIENING
In de armsteun van het portier aan bestuurderszijde zijn de twee bedieningsknoppen gemonteerd waarmee u, als de contactsleutel in stand M staat, de zijruiten bedient:
A openen/sluiten ruit linksvoor;
B openen/sluiten zijruit rechtsvoor;
In de armsteun van het voorportier aan passagierszijde bevindt zich de knop A-fig. 102 (indien aanwezig) voor de bediening van de bijbehorende ruit.


ATTENTIE!
Het systeem voldoet aan de 2000/4/EU-normen en is gericht op de bescherming van de inzittenden wanneer deze ledematen door de geopende ruit steken.


ATTENTIE!
Onzorgvuldig gebruik van de elektrische ruitbediening kan
gevaarlijk zijn. Controleer voor en tijdens het bedienen van de ruit altijd of de passagiers niet gewond kunnen raken door de bewegende ruiten; direct door contact met de ruit of door voorwerpen die door de ruit worden mee gesleept of geraakt. Verwijder altijd de sleutel uit het contactslot als u de auto verlaat om te voorkomen dat een onverwachtse inschakeling van de elektrische ruitbediening gevaar oplevert voor de achtergebleven passagiers.
WERKING
Handmatige bediening
Druk op de knop of trek aan de knop zonder het weerstandspunt te passeren. De ruit stopt zodra de knop wordt losgelaten.
Druk op de knop of trek aan de knop tot voorbij het weerstandspunt. De ruit opent of sluit volledig nadat de knop is losgelaten: door de knop nogmaals te bedienen stopt de beweging van de ruit.
De elektrische ruitbediening wordt uitgeschakeld:
- 45 seconden nadat de sleutel uit het contactslot is genomen.
- als een van de voorportieren wordt geopend en de contactsleutel uit het slot is genomen.
ANTI-LETSELBEVEILIGING
Als de auto met dit systeem is uitgerust, wordt tijdens het sluiten van de ruit een obstakel geraakt, dan wordt de ruit gestopt en weer iets geopend. Als de ruit tijdens het sluiten onverwacht opent, druk dan op de knop totdat de ruit volledig is geopend. Trek binnen 4 seconden aan de knop totdat de ruit volledig gesloten is.
Tijdens deze procedure is het beveiligingssysteem niet actief.
Anti-letselbeveiliging opnieuw initialiseren
Als de accu losgekoppeld is geweest, moet de beveiligingsfunctie opnieuw worden geïnitieerd.
Open de ruit volledig en sluit de ruit vervolgens. De ruit sluit geleidelijk telkens een paar centimeter iedere keer als de knop wordt ingedrukt. Herhaal de handeling totdat de ruit volledig gesloten is.
Houd de knop ten minste een seconde ingedrukt, nadat de ruit volledig gesloten is.
Tijdens deze procedure is het beveiligingssysteem niet actief.
MOTORKAP
BELANGRIJK Controleer of de armen van de ruitenwissers tegen de ruit aanstaan voordat u de motorkap optilt.
Openen van de motorkap:
- til het beschermdeksel A-fig. 104 van de hendel naast de bestuurdersstoel omhoog;
- trek de hendel B-fig. 105 in de richting van de pijl;
- druk op de haak C-fig. 106 van de motorkap;
- til de motorkap op en trek gelijktijdig de steunstang D-fig. 107 uit de klem E;
- steek het uiteinde van de stang D in een van de twee zittingen F-fig. 107 van de motorkap.
Motorkap sluiten:
- houd de motorkap met een hand omhoog, trek met de andere hand de stang uit de zitting en plaats de steunstang terug in de klem;




- laat de motorkap tot op ongeveer 20 cm van de motorruimte zakken, laat de motorkap vallen en controleer of de motorkap goed is gesloten door de motorkap op te tillen. De motorkap mag niet alleen door de beveiliging vergrendeld zijn. Druk in dit laatste geval de motorkap niet dicht, maar til hem opnieuw op en herhaal de handeling.
WAARSCHUWING Controleer altijd of de motorkap goed is gesloten om te voorkomen dat deze tijdens het rijden open-gaat.

ATTENTIE!
Om veiligheidsredenen moet de motorkap tijdens het rijden altijd goed gesloten zijn. Controleer daarom altijd of de motorkap goed vergrendeld is. Als u tijdens het rijden merkt dat de motorkap niet goed is vergrendeld, stop dan onmiddellijk en sluit de motorkap op de juiste wijze.
IMPERIAAL/SKIDRAGER
De bevestigingspunten zijn voorbereid in de groot op het dak van de auto.
Bevestig de steunen van de imperiaal/skidrager in de daarvoor bestemde schroefdraadgaten, zoals afgebeeld in fig. 108.

Als de steunstang verkeerd geplaatst wordt, kan de motorkap onverwacht dichtvallen.

ATTENTIE!
Controleer na enkele kilometers opnieuw of de bevestigingen nog goed vastzitten.

ATTENTIE!
Verdeel de lading gelijkmatig en houd tijdens de rit rekening met een verhoogde zijwindgevoeligheid.

ATTENTIE!
Voer deze handelingen alleen uit bij een stilstaande auto.

Houd u strikt aan de wettelijke regels betreffende de maximale afmetingen.

Overschrijd nooit het maximum draagvermogen (zie het hoofdstuk "Technische gegevens").
Als de auto is uitgerust met een diefstalalarm, dan wordt een niet goed gesloten motorkap aangegeven door een brandend lampje in combinatie met een geluidssignaal en een melding op het display.
WAARSCHUWING U dient zich strikt aan de montagevoorschriften te houden die bij de set zijn geleverd. De montage moet altijd door deskundige personen worden uitgevoerd.
WIELOPHANGING MET LUCHTVERING
Enkele uitvoeringen kunnen als optie zijn uitgerust met achterwielophanging met luchtvering.
Afhankelijk van de uitvoering kan de rijhoogte handmatig of automatisch worden geregeld.
HANDMATIGE REGELING
De bedieningsknoppen (fig. 109) bevinden zich rechtsachter in de auto.
Hoogteverstelling
De hoogteverstelling wijzigt van een maximum hoogte via een tussenhoogte naar een minimum hoogte. Als de twee uitersten, maximum of minimum, worden bereikt, dan klinken er 3 "biep"-geluiden.
Als twee keer op knop A (als de auto op de minimum hoogte staat) of knop B (als de auto op de maximum hoogte staat) wordt gedrukt, dan regelt het systeem de rijhoogte automatisch op de tussenstand.

Bij stilstaande auto met draaiende of uitgezette motor, kan het gewenste niveau worden ingesteld.
Bij uitgezette motor is de handmatige regeling alleen een beperkt aantal keren beschikbaar.

Voordat u bij geopende portieren overgaat tot handmatige regeling, moet u ervoor zorgen dat u rond de auto genoeg ruimte hebt om deze handeling uit te voeren.
noeg ruimte hebt om deze handeling uit te voeren.
BELANGRIJK Voer deze handelingen altijd uit bij stilstaande auto en:
□ gesloten voorportieren en zijdeuren; □ aangetrokken handrem; □ zonder het rempedaal in te trappen.
Eerste gebruik
Druk om het systeem te initialiseren 2 seconden op de knop C-fig. 109.
Storingen in de werking
Als u de knoppen bedient en de niveauregeling werkt niet, dan klinken er 3 akoestische signalen om een storing in het systeem aan te geven. De storing kan de volgende oorzaken hebben:
□ het rempedaal is ingetrapt en de contactsleutel staat in stand M; □ de handmatige regeling van het systeem is te vaak gebruikt; □ de accu is niet voldoende opgeladen (of is volledig leeg); □ een defect in de wielophanging met luchtvering.
Als het akoestische signaal blijft klinken, wendt u dan tot het Fiat Servicenetwerk.
De bedieningsknoppen fig. 110 bevinden zich rechtsachter in de auto.
Bij wielophanging met automatisch geregelde luchtvering wordt de hoogte van de auto automatisch aangepast aan de lading. Het lampje op het instrumentenpaneel knippert als de hoogteafstelling niet optimaal is en gecorrigeerd moet worden: in dat geval moet u de motor laten draaien zonder gas te geven totdat het lampje dooft (optimale niveauregeling).
Onder bepaalde omstandigheden kan de niveauregeling tijdelijk niet uitgevoerd worden:
□ als een of meer portieren/deuren geopend zijn; □ als de auto geremd wordt gehouden (ingetrapt rempedaal, bijvoorbeeld voor een rood verkeerslicht).
Systeem uitschakelen en weer inschakelen
Systeem uitschakelen: houd de knop A-fig. 110 ingedrukt totdat u een akoestisch signaal hoort. Er klinkt tweemaal een akoestisch signaal en het lampje op de knop A gaat branden om de uitschakeling te bevestigen.

fig. 110
Als het systeem is uitgeschakeld, kunt u het systeem weer inschakelen (uitsluitend bij stilstaande auto) door de knop A-fig. 110 ingedrukt te houden, totdat u een akoestisch signaal hoort. Er klinkt tweemaal een akoestisch signaal en het lampje op de knop A dooft om de inschakeling te bevestigen.

ATTENTIE!
Schakel de automatische regeling uit voor:
□ verwisselen van een wiel □ bij transport van de auto, op een vrachtauto, trein, veerboot enz.
AANWIJZINGEN VOOR HET LADEN
De auto is ontworpen en goedgekeurd op basis van vastgestelde maximum gewichten (zie de tabellen "Gewichten" in het hoofdstuk "Technische gegevens"):
□ leeggewicht; □ nuttig laadvermogen; □ totaalgewicht; □ maximum voorasbelasting; □ maximum achterasbelasting; □ aanhangergewicht.

ATTENTIE!
De opgegeven maximum gewichten mogen NOOIT
WORDEN OVERSCHREDEN. Let in het bijzonder op het maximum toegestane gewicht op de voor- en achteras bij het laden van de auto (in het bijzonder bij speciale opbouwconstructies).

Door een onregelmatig wegdek of krachtig remmen kan de lading ongewenst verschuiven, waardoor gevaar kan ontstaan voor de bestuurder en de passagiers: zorg er daarom voor dat de lading goed vastzit voordat u vertrekt. Hiervoor kunnen de haken op de laadvloer fig. 111 gebruikt worden. Gebruik voor het vastzetten van de lading metalen kabels, touwen of spanbanden, die stevig genoeg zijn om de lading op zijn plaats te houden.

ATTENTIE!
Ook als de auto schuin staat of op een helling, kunnen bij het openen van de achterdeuren of van de zijdeur losse voorwerpen onverwachts naar buiten schuiven.

ATTENTIE!
Als u reservebrandstof in een jerrycan wilt vervoeren, dan dient u zich aan de geldende wetgeving te houden. Gebruik alleen een goedgekeurde jerrycan en bevestig deze op de juiste wijze aan de ladingsjorogen. Toch zal bij een ongeval de kans op brand groter zijn.
Naast deze voorzorgsmaatregelen van algemene aard, kan door het opvolgen van enkele eenvoudige tips de veiligheid, het rijcomfort en de levensduur van de auto verbeterd worden:
□ verdeel de lading gelijkmatig over de laadvloer: indien de lading op een plaats geconcentreerd is, gebruik dan de laadvloer tussen de twee assen; □ bedenk dat hoe lager de lading ligt, hoe lager het zwaartepunt van de auto komt te liggen. Hierdoor rijdt u veiliger; plaats daarom altijd de zwaarste lading onderop; □ bedenk ten slotte dat het dynamische rijgedrag van de auto beïnvloed wordt door het vervoerde gewicht: hoe hoger het gewicht des te langer de remweg van de auto, vooral bij hoge snelheid.
KOPLAMPEN
KOPLAMPEN AFSTELLEN
Goed afgestelde koplampen zijn belangrijk voor het comfort en de veiligheid van uzelf en de overige weggebruikers. Voor optimaal zicht en zichtbaarheid moeten de koplampen op de juiste wijze zijn afgesteld. Wendt u voor controle of afstelling tot het Fiat Servicenetwerk.

KOPLAMPVERSTELLING
De stand kan worden geregeld als de contactsleutel in stand M staat en de dimlichten zijn ingeschakeld. Als de auto beladen is, helt hij achterover. Het gevolg is dat de lichtbundel meer naar boven schijnt. De stand van de koplampen moet nu worden gecorrigeerd.
Koplampen afstellen fig. 112
Zet de regelknop fig. 112 op een stand die overeenkomt met de vervoerde lading, zoals in onderstaande tabel is aangegeven.
Stand 0 - een of twee personen op de voorstoelen;
Stand I - vijf personen;
Stand 2 - vijf personen + bagage in de bagageruimte;
Stand 3 - acht personen + bagage in de bagageruimte of bestuurder + maximale lading in de bagageruimte.
BELANGRIJK: Controleer de afstelling van de koplampen telkens als het gewicht van de lading wijzigt.
MISTLAMPEN VOOR AFSTELLEN (indien aanwezig)
Wendt u voor controle of afstelling tot het Fiat Servicenetwerk.
KOPLAMPEN AFSTELLEN
Goed afgestelde koplampen zijn belangrijk voor het comfort en de veiligheid van uzelf en de overige weggebruikers.
Bovendien zijn er wettelijke voorschriften met betrekking tot de koplampafstelling.
Voor optimaal zicht en zichtbaarheid moeten de koplampen op de juiste wijze zijn afgesteld.
Wendt u voor controle of afstelling tot het Fiat Servicenetwerk.
ABS
Als u niet eerder in een auto met ABS hebt gereden, raden wij u aan het systeem eerst een paar keer uit te proberen op een glad wegdek. Verlies hierbij de veiligheid niet uit het oog en houdt u aan de wetgeving van het land waarin u zich bevindt. Bovendien raden wij u aan de volgende aanwijzingen aandachtig te lezen.
Het ABS dat geïntegreerd is in het remsysteem, voorkomt dat tijdens het remmen de wielen blokkeren, ongeacht de conditie van het wegdek en de pedaaldruk, en verhindert daarmee het doorslippen van een of meerdere wielen. Hierdoor blijft de auto bestuurbaar, zelfs bij noodstops.
Het systeem wordt gecompleteerd met een elektronische remdrukverdeling EBD (Electronic Braking force Distribution), die de remdruk verdeelt tussen de voor- en achterwielen.
BELANGRIJK: Voor een maximale werking van het remsysteem is een inrijperiode nodig van ongeveer 500 km (bij een nieuwe auto of nadat de remblokken/-schijven zijn vervangen): tijdens deze periode moet bruusk, herhaaldelijk of langdurig remmen worden voorkomen.

ATTENTIE!
Het ABS maakt zoveel mogelijk gebruik van de grip maar kan deze niet vergroten. Daarom moet op gladde wegen altijd voorzichtig worden gereden en mogen er geen onnodige risico's worden genomen.
ACTIVERING VAN HET SYSTEEM
Als het ABS in werking is getreden, merkt de bestuurder dit aan een trilling in het rempedaal, die gepaard gaat met enig geluid: dit geeft aan dat het noodzakelijk is uw snelheid aan te passen aan de beschikbare grip op het wegdek.

ATTENTIE!
Als het ABS in werking treedt, dan is de grip van het wegdek beperkt: verlaag uw snelheid en pas deze aan aan de beschikbare grip.
STORINGSMELDINGEN
Storing in ABS
Bij een storing brandt het waarschuwingslampje (ABS) op het instrumentenpaneel en verschijnt er een melding op het multifunctionele display (indien aanwezig), (zie het hoofdstuk "Lampjes en berichten").
In dat geval blijft het remsysteem normaal werken, maar zonder de mogelijkheden van het ABS. Rijd voorzichtig naar de dichtstbijzijnde werkplaats van het Fiat Servicenetwerk om het systeem te laten controleren.
Storing in EBD
Bij een storing branden de waarschuwingslampjes (8), (1) en STOP op het instrumentenpaneel en verschijnt er een melding (indien aanwezig) op het multifunctionele display (zie het hoofdstuk "Lampjes en berichten").
In dit geval kunnen bij krachtig remmen de achterwielen vroegtijdig blokkeren waardoor de auto kan slippen. Rijd zeer voorzichtig naar de dichtstbijzijnde werkplaats van het Fiat Servicenetwerk om het systeem te laten controleren.

ATTENTIE!
Als alleen het waarschuwingslampje (1) op het instrumentenpaneel brandt,
Als alleen het waarschuwingslampje (1) op het instrumentenpaneel gaat branden (op het multifunctionele display (indien aanwezig) verschijnt ook een melding), stop dan onmiddellijk en wendt u tot het Fiat Servicenetwerk. Als er vloeistof lekt uit het hydraulische systeem, wordt de werking van zowel het conventionele remsysteem als het ABS in gevaar gebracht.
BRAKE ASSIST
(remregeling bij noodstops geïntegreerd in ESP) (indien aanwezig)
Dit systeem, dat niet kan worden uitgeschakeld, herkent noodstops (op basis van de snelheid waarmee het rempedaal wordt ingetrapt) en verhoogt de druk in het remcircuit aanzienlijk, waardoor sneller en krachtiger door het systeem wordt geremd.
De Brake Assist wordt, bij uitvoeringen die zijn uitgerust met ESP, uitgeschakeld bij een storing in het ESP (lampje ▲ brandt).

ATTENTIE!
Als het ABS in werking treedt, merkt u dat aan een trilling in het rempedaal. Verlaag de remdruk niet maar houd het rempedaal juist goed ingetrapt; op deze manier hebt u de kortste remweg in relatie tot de conditie van het wegdek.
ESP-SYSTEEM
Dit systeem bewaakt de stabiliteit van de auto als de wielen hun grip verliezen, waardoor de auto beter op koers blijft.
De werking van het ESP is uitermate nuttig als de grip op het wegdek wisselt.
Naast het ESP- en ASR-systeem beschikt de auto ook over MSR (regeling van het afremmen op de motor tijdens terugschakelen) en HBA (automatische remdrukverhoger bij noodstops) (indien aanwezig).
ACTIVERING VAN HET SYSTEEM
Bij activering gaat het lampje B-fig. 113 op de knop knipperen om de bestuurder er op te wijzen dat de auto de stabiliteit en de grip dreigt te verliezen.

ESP-SYSTEEM UITSCHAKELEN
Als u op de knop A-fig. 113 op de middenconsole drukt, wordt het ESP-systeem uitgeschakeld.
Als het systeem is uitgeschakeld, brandt het lampje op de knop permanent.
Het systeem schakelt weer in:
□ automatisch, boven 50 km/h
□ handmatig, door de knop nogmaals in te drukken.
STORINGSMELDINGEN
Bij een storing in het ESP wordt het systeem automatisch uitgeschakeld en gaat het lampje Ⓐ op het instrumentenpaneel continu branden. Bovendien verschijnt een melding op het display (zie hoofdstuk "Lampjes en berichten"). Wendt u in dat geval zo snel mogelijk tot het Fiat Servicenetwerk.

ATTENTIE!
De prestaties van het ESP-systeem mogen de bestuurder er niet toe verleiden onnodige en onverantwoorde risico's te nemen. De rijstijl moet altijd zijn aangepast aan het wegdek, het zicht en het verkeer. De verantwoordelijkheid voor de verkeersveiligheid ligt altijd en overal bij de bestuurder.
ASR-SYSTEEM (Antislip Regulator)
Het ASR-systeem controleert de trekkracht van de auto en grijpt automatisch in als een of beide aangedreven wielen dreigen door te slippen.
Afhankelijk van de oorzaak van het doorslippen, worden er twee verschillende regelsystemen geactiveerd:
□ als beide aangedreven wielen doorslippen, vermindert het ASR-systeem het motorvermogen; □ als slechts een aangedreven wiel doorslipt, zorgt het ASR-systeem ervoor dat het wiel automatisch wordt afgeremd.
Het ASR-systeem is vooral nuttig onder de volgende omstandigheden:
☐ doorslippen van het binnenste wiel in bochten, door verandering van de wielbelasting of door te felle acceleratie; □ te hoog vermogen naar de wielen, ook in samenhang met de condities van het wegdek; □ acceleratie op gladde wegen en bij sneeuw en ijzel; □ verlies van grip op natte weggedeelten (aquaplaning).

ATTENTIE!
Voor de juiste werking van het ESP- en ASR-systeem is
Het is noodzakelijk dat de banden van alle wielen van hetzelfde merk en type zijn. De banden moeten in perfecte conditie zijn en de voorgeschreven afmetingen hebben.
MSR-systeem (regeling van motorremwerking)
Dit systeem, dat geïntegreerd is in de ASR, verhoogt bij bruusk terugschakelen het motorkoppel, zodat overmatige vertraging van de aangedreven wielen wordt voorkomen. Dit heeft vooral voordelen op een wegdek met weinig grip, waarop de stabiliteit van de auto snel verloren kan gaan.
In-/uitschakeling van het systeem
Het ASR-systeem schakelt automatisch in als de motor wordt gestart.
Als het ESP-systeem wordt uitgeschakeld, wordt automatisch ook het ASR-systeem uitgeschakeld.
Tijdens het rijden kan de ASR worden uitgeschakeld en vervolgens weer worden ingeschakeld door de knop A op het schakelaarpaneel op het dashboard in te drukken (fig. 119).
Als het systeem wordt uitgeschakeld, gaat het lampje B (fig. 119) op de knop branden en verschijnt er een melding op het multifunctionele display (indien aanwezig).
Als het ASR-systeem tijdens het rijden wordt uitgeschakeld, schakelt het automatisch weer in als de auto opnieuw wordt gestart.
Als u met sneeuwkettingen rijdt, dan kan het nuttig zijn om het ASR-systeem uit te schakelen: onder deze omstandigheden levert het doorslaan van de aangedreven wielen juist meer trekkracht op.

ATTENTIE!
De prestaties van het systeem mogen de bestuurder er niet toe verleiden onnodige en onverantwoorde risico's te nemen. De rijstijl moet altijd zijn aangepast aan het wegdek, het zicht en het verkeer. De verantwoordelijkheid voor de verkeersveiligheid ligt altijd en overal bij de bestuurder.
Voor de juiste werking van het ASR-systeem is het noodzakelijk dat de banden van alle wielen van hetzelfde merk en type zijn. De banden moeten in perfecte conditie zijn en de voorgeschreven afmetingen hebben.
STORINGSMELDINGEN
Bij een storing in het ASR-systeem wordt het systeem automatisch uitgeschakeld en gaat het lampje op het instrumentenpaneel continu branden (zie het hoofdstuk "Lampjes en berichten"). Wendt u in dat geval zo snel mogelijk tot het Fiat Servicenetwerk.
EOBD-SYSTEEM
Met het EOBD-systeem (European On Board Diagnosis) kan een doorlopende diagnose worden uitgevoerd op die componenten op de auto die van invloed zijn op de emissie.
Bovendien meldt het systeem, door het branden van het lampje op het instrumentenpaneel (zie het hoofdstuk "Lampjes en berichten") dat de betreffende componenten defect zijn.
Het doel is:
□ de werking van het systeem controleren; □ signaleren wanneer door een storing de emissies boven de wettelijk vastgestelde drempelwaarde uitkomen; □ signaleren wanneer het noodzakelijk is defecte componenten te vervangen.
Het systeem beschikt verder nog over een diagnosestekker die, als deze verbonden is met speciale apparatuur, het mogelijk maakt, de door de regeleenheid opgeslagen storingscodes en de specifieke parameters voor de diagnose en werking van de motor, te lezen. Deze controle kan ook worden uitgevoerd door de verkeerspolitie.
BELANGRIJK Na het verhelpen van de storing moet het Fiat Servicenetwerk voor een complete controle van het systeem, tests uitvoeren op een testbank en, zonodig, een proefrit maken die eventueel een langere afstand kan omvatten.

Als u de contactsleutel in stand M draait en het lampje gaat niet branden of het gaat branden of knipperen tijdens het rijden, wendt u dan zo snel mogelijk tot het Fiat Servicenetwerk. De werking van het lampje kan worden gecontroleerd met behulp van speciale apparatuur van de verkeerspolitie. Houdt u aan de wetgeving van het land waarin u rijdt.
PARKEERSENSOREN (indien aanwezig)
Deze bevinden zich in de achterbumper van de auto fig. 114 en attenderen de bestuurder via een repeterend geluidssignaal op de aanwezigheid van obstakels achter de auto.
Druk voor uitschakeling van de parkeersensoren op de knop A-fig. 115 op het schakelaarpaneel op de middenconsole. Als het systeem is uitgeschakeld, brandt het lampje B op de knop.
Druk voor inschakeling de knop A nogmaals in.
Als de afstand tot het obstakel achter de auto kleiner wordt, neemt de frequentie van het geluidssignaal toe.
BELANGRIJK De instelling voor de parkeersensoren (in- of uitgeschakeld) wordt opgeslagen bij het uitzetten van de motor.

Als bij ingeschakelde sensoren de achteruit wordt ingeschakeld, klinkt er automatisch een onderbroken geluidssignaal.
De frequentie van het geluidssignaal:
□ neemt toe als de afstand tot het obstakel kleiner wordt; ☐ klinkt ononderbroken als de afstand tot het obstakel minder is dan ongeveer 30 cm en stopt onmiddellijk als de afstand tot het obstakel groter wordt; □ blijft constant als de gemeten afstand onveranderd blijft, terwijl, als deze situatie zich voordoet bij de sensoren aan de zijkant, het signaal na 3 seconden onderbroken wordt, om bijvoorbeeld signalen te voorkomen als u langs een muur rijdt.

STORINGSMELDINGEN
Een storing in de parkeersensoren wordt tijdens het inschakelen van de achteruit aangegeven door een geluidssignaal, een brandend waarschuwingslampje B-fig. 115 en een melding op het display.
Schakel de parkeersensoren uit als u een aanhanger trekt.

Voor een juiste werking van het systeem mag er geen modder, vuil, sneeuw of ijs op de sensoren zitten. Wees voorzichtig bij het reinigen van de sensoren om krassen of beschadigingen te voorkomen; gebruik geen droge, grove of harde doek. De sensoren moeten worden gereinigd met schoon water, waaraan eventueel autoshampoo is toegevoegd.

ATTENTIE!
De verantwoordelijkheid tijdens het parkeren en andere gevaarlijke handelingen ligt altijd en overal bij de bestuurder. Controleer als u de auto parkeert of zich geen personen (in het bijzonder kinderen) of dieren in de buurt van de auto bevinden. De parkeersensoren moeten als een hulpmiddel voor de bestuurder beschouwd worden. De bestuurder moet tijdens eventueel gevaarlijke parkeermanoeuvres altijd volledig zijn aandacht behouden, ook als de manoeuvres met lage snelheid worden uitgevoerd.
ALGEMENE OPMERKINGEN
□ Controleer tijdens parkeermanoeuvres of zich geen obstakels boven of onder de sensor bevinden. Obstakels die zich dicht bij de auto bevinden, worden onder bepaalde omstandigheden niet door het systeem gesignaleerd en kunnen dus de auto beschadigen of zelf beschadigd worden. De metingen van de sensoren kunnen beïnvloed worden/zijn door beschadiging van de sensoren zelf, door vuil, sneeuw of ijs op de sensoren of door ultrasone systemen (bijv. luchtdrukremmen van vrachtwagens of pneumatische hamers) die zich in de nabijheid bevinden.
AUTORADIO
(indien aanwezig)
Raadpleeg voor de werking van de autoradio met CD- of MP3 CD-speler (indien aanwezig) het supplement dat bij dit instructieboekje is geleverd.
INBOUWVOORBEREIDING AUTORADIO (indien aanwezig)
Zie voor de in uw auto geinstalleerde autoradio en de bijbehorende audio-installatie, het supplement "Autoradio" dat bij dit instructieboek is geleverd.

ATTENTIE!
Laat de aansluiting op de inbouwvoorbereiding in de auto uitsluitend door het Fiat Servicenetwerk uitvoeren. Zo bent u verzekerd van het beste resultaat en wordt voorkomen dat de rijveiligheid in gevaar wordt gebracht.
EXTRA ACCESSOIRES
Als u na aanschaf van uw auto accessoires wilt monteren die constante voeding nodig hebben (autoradio, anti-diefstalsatellietbewaking, enz.), of accessoires die de elektrische installatie zwaar belasten, wendt u dan tot het Fiat Servicenetwerk. Deze kan u de meest geschikte installaties aanraden uit Fiat Lineaccessori en controleren of de elektrische installatie van de auto geschikt is voor het extra stroomverbruik of dat het noodzakelijk is een accu met een grotere capaciteit te monteren.
ELEKTRISCHE/ELEKTRONISCHE SYSTEMEN MONTEREN
De elektrische/elektronische systemen die na aankoop van de auto en binnen de aftersales-service worden gemonteerd, moeten voorzien zijn van het merkteken:


Fiat Auto S.p.A. autoriseert de montage van zend-/ontvangstapparatuur op voorwaarde dat de montagewerkzaamheden op de juiste wijze bij een gespecialiseerd bedrijf worden uitgevoerd, waarbij de aanwijzingen van de fabrikant in acht moeten worden genomen.
BELANGRIJK Als door de montage van systemen de kenmerken van de auto worden gewijzigd, kan het kentekenbewijs worden ingenomen door de bevoegde instanties en eventueel de garantie komen te vervallen bij defecten die veroorzaakt zijn door de bovengenoemde modificatie of op defecten die direct of indirect daarvan het gevolg zijn.
Fiat Auto S.p.A. is op geen enkele wijze verantwoordelijk voor schade die het gevolg is van de installatie van accessoires die niet door Fiat Auto S.p.A. zijn geleverd of aanbevolen en die niet conform de geleverde instructies zijn geïnstalleerd.
RADIOZENDAPPARATUUR EN MOBILE TELEFOONS
Radiozendapparaten (mobiele telefoons, 27 mc en dergelijke) mogen alleen in de auto worden gebruikt met een aparte antenne aan de buitenkant van de auto.
BELANGRIJK Het gebruik van dergelijke apparaten in de auto (zonder buitenantenne) kan niet alleen schadelijk zijn voor de gezondheid van de inzittenden, maar kan ook storingen in de elektrische systemen van de auto veroorzaken. Hierdoor wordt de veiligheid in gevaar gebracht.
Bovendien wordt de zend- en ontvangstkwaliteit aanzienlijk beperkt door de isolerende eigenschappen van de carrosserie.
Houdt u bij het gebruik van mobiele telefoons (GSM, GPRS, UMTS) met het officiële EU-keurmerk, strikt aan de instructies die door de fabrikant van de mobiele telefoon zijn bijgeleverd.
BRANDSTOF TANKEN
Werking bij lage temperaturen
Bij lage buitentemperaturen kan de vloeibaarheid van de dieselbrandstof verminderen door de vorming van paraffine, waardoor het brandstofsysteem niet meer goed werkt.
Om dit probleem te voorkomen wordt er, afhankelijk van het seizoen, dieselbrandstof geleverd die speciaal voor de zomer, voor de winter en voor zeer lage temperaturen (bergachtige/koude gebieden) is ontwikkeld. Als dieselbrandstof wordt getankt die niet toereikend is voor de gebruikstemperatuur, raden wij aan de dieselbrandstof te mengen met het vorstbeveiligingsmiddel TUTELA DIESEL ART in de verhouding die in de gebruiksaanwijzing van het middel is aangegeven. Doe eerst het middel in de tank en voeg daarna de dieselbrandstof toe.
Als de auto lange tijd wordt gebruikt/stilstaat in bergachtige/koude gebieden, is het raadzaam dieselbrandstof te tanken die ter plaatse beschikbaar is.
In dat geval is het bovendien raadzaam een hoeveelheid brandstof in de tank te houden die groter is dan 50% van de nuttige inhoud.


Gebruik uitsluitend dieselbrandstof voor motorvoertuigen die voldoet aan de Europese specificatie EN590. Het gebruik van andere producten of mengsels kan de motor onherstelbaar beschadigen en het vervallen van de garantie tot gevolg hebben. Mocht u onverhoopt een ander type brandstof tanken, dan mag de motor niet worden gestart en moet de brandstoftank worden afgetapt. Ook als de motor slechts kort heeft gedraaid, moet naast de brandstoftank, ook alle brandstof uit de brandstofleidingen worden afgetapt.

ATTENTIE!
Kom niet dicht bij de vulopening met open vuur of een brandende sigaret: brandgevaar. Houd uw hoofd ook niet dicht bij de vulopening om te voorkomen dat u schadelijke dampen inademt.
Tankinhoud
Om te zorgen dat de tank volledig gevuld wordt, moet u twee keer bijvullen nadat het vulpistool voor de eerste keer afslaat. Vul niet nog een keer bij om storingen in het brandstofsysteem te voorkomen.
TANKDOP fig. 116
Om te tanken moet u het klepje A openen, de contactsleutel in het slot steken en linksom draaien en vervolgens de dop B losdraaien.
Door de hermetische afsluiting van de tank kan de druk in de tank iets verhoogd zijn. Het is daarom normaal als u bij het losdraaien van de tankdop een sissend geluid hoort.
Haak tijdens het tanken de dop C aan het klepje.

Open de linker zijschuifdeur niet tijdens het tanken, omdat hierdoor het tankluikje beschadigd kan raken.

Handopvoerpomp voor diesel
Als de brandstoftank is leeggereden, dan moet het brandstofcircuit worden gevuld:
☐ giet ten minste 5 liter diesel in de tank; ☐ bedien de handopvoerpomp, die onder de motorkap onder een bescherming is geplaatst, totdat er brandstof in de doorzichtige slang verschijnt; ☐ start de motor m.b.v. de startmotor, totdat de motor aanslaat.
BESCHERMING VAN HET MILIEU
De emissiereductiesystemen voor dieselmotoren zijn:
☐ oxidatiekatalysator; ☐ uitlaatgasrecirculatie-systeem (EGR); ☐ roetfilter (DPF) (indien van toepassing).

ATTENTIE!
Onder normale bedrijfsomstandigheden bereikt het roetfilter (DPF) (indien aanwezig) hoge temperaturen. Parkeer daarom niet boven brandbare materialen (gras, droge bladeren, dennennaalden enz.): brandgevaar.

ATTENTIE!
Onder normale bedrijfsomstandigheden bereikt de katalysator hoge temperaturen. Parkeer daarom niet boven brandbare materialen (gras, droge bladeren, dennennaalden enz.): brandgevaar.
DPF-ROETFILTER (DIESEL PARTICULATE FILTER) (indien aanwezig)
Het DPF-roetfilter (Diesel Particulate Filter) is een mechanisch filter in het uitlaatsysteem dat de partikels in het uitlaatgas van dieselmotoren opvangt.
Het roetfilter vangt bijna de totale hoeveelheid roetdeeltjes op, waardoor voldaan wordt aan de huidige/toekomstige wettelijke normen.
Tijdens het normale gebruik van de auto registreert de inspuitregeleenheid een aantal gegevens met betrekking tot het gebruik (gebruiksduur, type traject, bereikte temperatuur enz.) en berekent de hoeveelheid verzameld roet in het filter. Omdat het filter de roetdeeltjes verzamelt, moet het periodiek worden geregenereerd (schoongemaakt) door de roetdeeltjes te verbranden.
De regeneratieprocedure wordt geregeld door de regeleenheid van de motor op basis van de hoeveelheid opgevangen roetdeeltjes en de bedrijfsomstandigheden van de auto. Tijdens de regeneratie kan het volgende worden waargenomen: een beperkte toerentalverhoging, inschakeling van de elektroventilateur, een beperkte toename van de rook uit de uitlaat en een hogere temperatuur bij de uitlaat. Dit zijn geen storingen en deze situatie heeft geen invloed op het milieu of het gedrag van de auto.
VEILIGHEID
VEILIGHEIDSGORDELS....94
S.B.R.-SYSTEEM 96
GORDELSPANNERS....96
KINDEREN VEILIG VERVOEREN....99
MONTAGEVOORBEREIDING VOOR
"ISOFIX UNIVERSEEL"-KINDERZITJE 105
FRONTAIRBAGS 106
ZIJ-AIRBAGS 109
VEILIGHEIDSGORDELS
GEBRUIK VAN DE VEILIGHEIDSGORDELS fig. I
Ga goed rechtop zitten, steun tegen de rugleuning en leg dan de gordel om.
Trek de gordel uit en maak de gordel vast door de gesp A in de sluiting B te drukken, totdat deze hoorbaar blokkeert.
Als tijdens het uittrekken van de gordel de rolautomaat blokkeert, laat dan de gordel een stukje teruglopen en trek de gordel vervolgens weer geleidelijk uit.
Druk, om de gordel los te maken, op de knop C. Begeleid de gordel tijdens het teruglopen, zodat wordt voorkomen dat de gordelband draait.
Via de oprolautomaat wordt de lengte van de gordel automatisch aangepast aan het postuur van de drager en wordt toch voldoende bewegingsvrijheid geboden.
Als de auto op een steile helling staat, kan de rolautomaat blokkeren; dit is een normaal verschijnsel. Bovendien blokkeert de rolautomaat als u de gordel snel uittrekt. Hij blokkeert ook bij hard remmen, botsingen en bij hoge snelheden in bochten.
De achterbank is voorzien van driepunts-veiligheidsgordels met rolautomaat.

Druk tijdens het rijden niet op de knop C-fig. I.

ATTENTIE!
Bedenk dat achterpassagiers die geen gordel dragen, tij-
dens een ernstig ongeval niet alleen zelf aan gevaar worden blootgesteld maar ook gevaar opleveren voor de inzittenden voor.

ATTENTIE!
Controleer of de rugleuning aan beide zijden goed ver-
grendeld is om te voorkomen dat in geval van bruusk remmen, de rugleuning naar voren klapt en de passagiers verwondt.

HOOGTEVERSTELLLING VAN DE VEILIGHEIDSGORDELS fig. 4

ATTENTIE!
De veiligheidsgordels mogen alleen worden versteld als de staat.
De hoogte van de gordel moet altijd worden aangepast aan het postuur van de inzittende. Zo wordt de kans op letsel bij een ongeval verkleind. De gordel is goed afgesteld als hij over de schouder halverwege tussen nek en uiteinde van de schouder ligt.
De gordel is goed afgesteld als hij over de schouder halverwege tussen nek en uiteinde van de schouder ligt.
Druk om de hoogte in te stellen op de knop A en schuif de beugel omhoog of omlaag.

ATTENTIE!
Controleer na het afstellen altijd of de beugel in een van de posities is geblokkeerd. Laat los en trek aan de gordel, zo bevestigingspunt blokkeert, og niet heeft plaatsgevonden.

De driepunts-veiligheidsgordel van de middelste aparte zitplaats kan zijn uitgerust met een rolautomaat A-fig. 5.

ATTENTIE!
Bedenk dat achterpassagiers die geen gordel dragen tijdens een ernstig ongeval, niet alleen zelf een verhoogd risico lopen, maar ook gevaar opleveren voor de inzittenden voor.
SBR-SYSTEEM
De auto is uitgerust met het SBR-systeem (Seat Belt Reminder), dat bestaat uit een akoestisch waarschuwingssysteem dat, samen met het brandende lampje op het instrumentenpaneel, de bestuurder en de passagier voor waarschuwt als de veiligheidsgordel niet is omgelegd.
De zoemer kan tijdelijk (totdat de motor wordt uitgezet) op de volgende wijze worden uitgeschakeld:
□ maak de veiligheidsgordel aan bestuurders- en passagierszijde vast;
□ draai de contactsleutel in stand M:
□ wacht langer dan 20 seconden en maak dan ten minste een van de veiligheidsgordels los.
Wendt u tot het Fiat Servicenetwerk om het systeem uit te schakelen.
GORDELSPANNERS
Voor een nog effectievere bescherming zijn de voorste veiligheidsgordels van de auto voorzien van gordelspanners. Dit systeem trekt bij een heftige frontale en zijdelingse botsing de gordel enige centimeters aan. Op deze wijze worden de inzittenden veel beter op hun plaats gehouden en wordt de voorwaartse beweging beperkt.
Het blokkeren van de veiligheidsgordels geeft aan dat de gordelspanner in werking is geweest; de gordel wordt niet meer opgerold, ook niet als hij wordt begeleid.
BELANGRIJK: Voor een maximale bescherming door de gordelspanner moet de veiligheidsgordel zo worden omgelegd dat hij goed aansluit op borst en bekken.
Tijdens de werking van de gordelspanner kan er een beetje rook ontsnappen. Deze rook is niet schadelijk en duidt niet op brand.
De gordelspanner behoeft geen enkel onderhoud of smering.
Elke verandering van de oorspronkelijke staat zal de doelmatigheid verminderen.
Als de gordelspanner door extreme natuurlijke omstandigheden (overstromingen, vloedgolven) met water en modder in contact is geweest, dan moet de spanner worden vervangen.

ATTENTIE
De gordelspanner werkt slechts eenmaal. Als de gordelspanners hebben gewerkt, moet u zich tot het Fiat Servicenetwerk wenden om ze te laten vervangen. De geldigheid van het systeem staat vermeld op een plaatje dat zich in het dashboardkastje bevindt: laat het systeem voor het verstrijken van deze termijn door het Fiat Servicenetwerk vervangen.

Werkzaamheden in de buurt van de gordelspanners, waarbij stoten, sterke trillingen of verhitting optreden (maximaal 100°C gedurende ten hoogste 6 uur), kunnen de gordelspanners beschadigen of activeren: bij die omstandigheden horen niet trillingen die voortgebracht worden door een slecht wegdek of door contacten met kleine obstakels zoals trottoirs. Als er iets aan de gordelspanners moet gebeuren, dient u zich tot het Fiat Servicenetwerk te wenden.
TREKKRACHTBEGRENZERS
Om de bescherming van de inzittenden bij een ongeval te vergroten, zijn de oprolautomaten van de gordels voorzien van trekkrachtbegrenzers die tijdens een frontale aanrijding de piekbelasting op de borst en schouders beperken.

De bestuurder is verplicht zich te houden aan de wettelijke voorschriften met betrekking tot het verplichte gebruik van de veiligheidsgordels (en de inzittenden erop attent te maken). Leg de veiligheidsgordel altijd om voordat u vertrekt.

Ook vrouwen die in verwachting zijn moeten een gordel dragen: ook voor hen (zowel voor de aanstaande moeder als het kind) is de kans op letsel bij een ernstig ongeval kleiner als ze een gordel dragen.

Uiteraard moeten zwangere vrouwen het onderste deel van de gordel meer naar beneden omleggen, zodat de gordel onder de buik langs loopt (fig. 6).

ATTENTIE!
De gordelband mag nooit gedraaid zijn. Het diagonale gordelgedeelte moet via het midden van de schouder schuin over de borst liggen. Het horizontale gordelgedeelte moet over het bekken (fig. 5) en niet over de buik liggen. Gebruik geen voorwerpen (wasknijpers, klemmen enz.) die een goed aansluiten van de gordel op het lichaam verhinderen.

ATTENTIE!
Voor maximale veiligheid moet u de rugleuning rechtop zetten, tegen de leuning aan gaan zitten en de gordel goed laten aansluiten op borst en bekken. Draag altijd veiligheidsgordels zowel voor als achter in de auto! Rijden zonder veiligheidsgordels vergroot het risico op ernstig letsel of dodelijke afloop bij een ongeval.

ATTENTIE!
Het is streng verboden onderdelen van de veiligheidsgordels of gordelspanners te demonteren of open te maken. Werkzaamheden aan de veiligheidsgordels en gordelspanners moeten worden uitgevoerd door gekwalificeerd personeel. Wendt u altijd tot het Fiat Servicenetwerk.

ATTENTIE!
Als de gordel aan een zware belasting wordt blootgesteld (bijvoorbeeld tijdens een ongeval), dan moet de gordel samen met de verankeringen, bevestigingspunten en de gordelspanners worden vervangen. Ook als de schade niet zichtbaar is, dan kan de gordel toch verzwakt zijn.

ATTENTIE!
Iedere gordel dient slechts ter bescherming van één enkel
Iedere gordel dient slechts ter bescherming van een enkel persoon: gebruik de gordel niet voor een kind dat bij een volwassene op schoot zit, waarbij de gordel beiden zou moeten beschermen. Er mag geen enkel voorwerp tussen de gordel en het lichaam van de inzittende worden geplaatst.
HOE U DE VEILIGHEIDSGORDELS IN OPTIMALE STAAT HOUDT
Voor het juiste onderhoud van de veiligheidsgordels moeten de volgende aanwijzingen zorgvuldig worden opgevolgd:
Zorg dat de gordel goed uitgetrokken en niet gedraaid is; controleer ook of de oprolautomaat zonder haperingen werkt. Vervang de gordels na een ongeval, ook al zijn ze ogenschijnlijk niet beschadigd. Vervang de gordels ook als de gordelspanners in werking zijn geweest. U kunt de gordels met de hand wassen met warm water en een neutrale zeep. Spoel ze uit en laat ze in de schaduw drogen. Gebruik geen bijtende, blekende of kleurende middelen. Vermijd het gebruik van alle chemische producten die het weefsel van de gordel kunnen aantasten. Voorkom dat vocht in de oprolautomaat komt: de werking van de oprolautomaten is alleen gegarandeerd, als ze niet nat zijn geweest. Vervang de gordels bij tekenen van slijtage of beschadigingen.
KINDEREN VEILIG VERVOEREN
Voor optimale bescherming bij een ongeval moeten alle inzittenden zittend reizen en beschermd worden door goedgekeurde veiligheidssystemen.
Dit geldt met name voor kinderen.
Dit is een wettelijk voorschrift volgens richtlijn 2003/20/EU in alle lidstaten van de Europese Unie.
Het hoofd van kleine kinderen is in verhouding met de rest van het lichaam groter en zwaarder dan dat van volwassenen, terwijl spieren en botstructuur nog niet volledig zijn ontwikkeld. Daarom moeten kleine kinderen door andere systemen beschermd worden dan door de veiligheidsgordels.
De resultaten van het onderzoek over de optimale bescherming van kleine kinderen zijn opgenomen in de Europese ECE/R44-voorschriften die wettelijk verplicht zijn. De systemen zijn onderverdeeld in vijf groepen:
Groep 0 gewicht tot 10 kg
Groep 0 + gewicht tot 13 kg
Groep I gewicht 9-18 kg
Groep 2 gewicht 15-25 kg
Groep 3 gewicht 22-36 kg
Zoals u ziet is er een gedeeltelijke overlapping tussen de groepen; daarom zijn in de handel systemen verkrijgbaar die geschikt zijn voor verschillende gewichtsgroepen.
Alle systemen moeten zijn voorzien van de typegoedkeuring en van een goed vastgehecht plaatje met het controlemerk, dat absoluut niet mag worden verwijderd.
Kinderen met een lengte van meer dan 1,50 m worden, met betrekking tot de veiligheidssystemen, gelijkgesteld met volwassenen en moeten dan ook normaal de veiligheidsgordels omleggen.
In het Fiat Lineaccessori-programma zijn kinderzitjes opgenomen voor elke gewichtsgroep. Wij raden u deze kinderzitjes aan omdat ze speciaal ontworpen en ontwikkeld zijn voor de Fiat-modellen.

ATTENTIE!
Monteer absoluut geen kinderzitje achterstevoren op de passagiersstoel voor als de airbag aan passagierszijde is ingeschakeld. Als bij een ongeval de airbag in werking treedt (opblaast), kan dit ernstig letsel en zelfs de dood tot gevolg hebben, ongeacht de zwaarte van het ongeluk. Wij raden u aan kinderen altijd in een geschikt kinderzitje op de zitplaatsen achter te vervoeren, omdat die plaatsen bij een ongeval de meeste bescherming bieden.

ATTENTIE!
ZEER GEVAARLIJK: Monteer absoluut geen kinderzitje achterstevoren op de passagiersstoel voor als de frontairbag aan passagierszijde is ingeschakeld. Als bij een

ongeval de airbag in werking treedt (opblaast), kan dit ernstig letsel en zelfs de dood tot gevolg hebben. Wij raden u aan kinderen altijd op de zitplaatsen achter te vervoeren, omdat die plaatsen bij een ongeval de meeste bescherming bieden. Kinderzitjes mogen beslist nooit op de voorstoel gemonteerd worden bij auto's die zijn uitgerust met een airbag aan passagierszijde. Als bij een ongeval de airbag in werking treedt (opblaast), kan dit ernstig letsel en zelfs de dood tot gevolg hebben, ongeacht de zwaarte van het ongeluk.

Baby's tot 13 kg moeten in wiegjes worden vervoerd die achterstevoren zijn geplaatst, waardoor het achterhoofd wordt gesteund en bij plotseling remmen de nek niet wordt belast.
Het wiegje moet op zijn plaats worden gehouden door de veiligheidsgordel van de auto (fig. 9) en het kind moet op zijn beurt worden beschermd door de gordel van het wiegje zelf.

Kinderen met een gewicht tussen 9 en 18 kg moeten worden vervoerd in kinderzitjes met een kussen die naar voren zijn gekeerd, waarbij de veiligheidsgordel van de auto zowel het kinderzitje als het kind op zijn plaats moet houden (fig. 10).

GROEP 2
Kinderen met een gewicht tussen 15 en 25 kg kunnen direct door de veiligheidsgordels van de auto worden beschermd (fig. 11). Kinderen moeten zo in de kinderzitjes worden geplaatst, dat het diagonale gordelgedeelte schuin over de borst en niet langs de nek ligt. Het horizontale gordelgedeelte moet over het bekken en niet over de buik van het kind liggen.

ATTENTIE!
De afbeeldingen dienen alleen ter illustratie van de bevestiging. Houdt u voor de montage van het kinderzitje aan de instructies. De fabrikant is verplicht deze instructies bij te leveren.

ATTENTIE!
Er bestaan kinderzitjes die geschikt zijn voor de gewichtsgroepen 0 en 1. Deze kinderzitjes hebben aan de achterzijde een aansluiting voor bevestiging aan de veiligheidsgordels van de auto en hebben zelf gordels om het kind te beschermen. Vanwege het gewicht kan het gevaarlijk zijn als ze verkeerd worden gemonteerd (bijvoorbeeld als een kussen tussen het kinderzitje en de veiligheidsgordels van de auto wordt geplaatst). Houdt u voor de montage strikt aan de bijgeleverde instructies.

ATTENTIE!
De afbeelding dient alleen ter illustratie van de bevestiging. Houdt u voor de montage van het kinderzitje aan de instructies. De fabrikant is verplicht deze instructies bij te leveren.

GROEP 3
Bij kinderen met een gewicht tussen 22 en 36 kg is de borstomvang van dien aard dat de kinderen gewoon tegen de rugleuning kunnen steunen en niet meer in een kinderzitje hoeven te worden vervoerd.
In fig. 12 wordt een voorbeeld gegeven van de juiste positie van het kind op de achterbank.
Kinderen die langer zijn dan 1,50 m kunnen net zoals volwassenen de veiligheidsgordels omleggen.

ATTENTIE!
De afbeelding dient alleen ter illustratie van de bevestiging.
Houdt u voor de montage van het kinderzitje aan de instructies. De fabrikant is verplicht deze instructies bij te leveren.
GESCHIKTHEID VAN DE ZITPLAATSEN VOOR HET GEBRUIK VAN KINDERZITJES
De Fiat Scudo voldoet aan de nieuwe Europese 2000/3/EU-richtlijnen voor de montage van kinderzitjes op de verschillende plaatsen in de auto. Zie de volgende tabel:
| ZITPLAATSEN VAN EERSTE ZITRIJ | GEWICHT VAN HET KIND EN RICHTLEEFTIJD | ||||
| Minder dan 13 Kg (groep 0 en 0+) | Van 9 tot 18 kg (groep 1) | Van 5 tot 25 kg (groep 2) | Van 22 tot 36 kg | ||
| AIRBAG PASSAGIERSZIJDE UITGESCHAKELD | Aparte stoelpassagierszijde | U | U | U | U |
| Bank zijzitplaatspassagierszijde | U | U | U | U | |
| Bank middelstezitplaats | X | L | L | L | |
| STOELEN TWEEDE/DERDE RIJ | GEWICHT VAN HET KIND EN RICHTLEEFTIJD | ||||
| Minder dan 13 Kg (groep 0 en 0+) | Van 9 tot 18 kg Van (groep 1) (groep 2) | 5 tot 25 kg Van 22 groep 3) | tot 36 kg | ||
| AIRBAG PASSA-GIERSZIJDE UITGESCHAKELD | Zitplaatsen aan zijkant | U | U | U | U |
| Middelste zitplaats | U | U | U | U | |
Legenda
U: geschikt voor "Universele" kinderzitjes overeenkomstig de Europese ECE/R44-voorschriften voor de aangegeven "groepen".
X: geen enkel kinderzitje
L: geschikt voor kinderzitjes die speciaal ontworpen zijn voor de vermelde groep. Deze kinderzitjes zijn opgenomen in het Fiat Lineaccessori-programma.
Hieronder zijn de richtlijnen voor een veilig vervoer van kinderen aangegeven:
1) Plaats het kinderzitje bij voorkeur op een van de zitplaatsen achter omdat deze plaatsen bij een ongeval de meeste bescherming bieden. 2) Als de airbag aan passagierszijde buiten werking wordt gesteld, moet altijd gecontroleerd worden of het betreffende gele lampje op het instrumentenpaneel continu brandt. 3) Houdt u bij de montage van het kinderzitje strikt aan de instructies. De fabrikant is verplicht deze instructies bij te leveren. Bewaar de instructies samen met het instructieboekje in de auto. Monteer geen gebruikte kinderzitjes waarvan de gebruiksaanwijzingen ontbreken.
4) Controleer of de gordels goed zijn vastgemaakt door aan de gordelband te trekken; 5) Ieder veiligheidssysteem is bedoeld voor slechts een kind: vervoer nooit twee kinderen in een systeem. 6) Controleer altijd of de gordel niet langs de nek van het kind loopt. 7) Zorg er tijdens de rit voor dat het kind geen afwijkende houding aanneemt of de gordels losmaakt. 8) Vervoer kinderen nooit in uw armen, ook geen pasgeboren kinderen. Niemand is sterk genoeg om ze bij een ongeval vast te houden. 9) Na een ongeval moet het zitje door een nieuw exemplaar worden vervangen.

ATTENTIE!
Monteer absoluut geen kinderzitje achterstevoren op de
passagiersstoel voor als de airbag aan passagierszijde is ingeschakeld. Als bij een ongeval de airbag in werking treedt (opblaast), kan dit ernstig letsel en zelfs de dood tot gevolg hebben, ongeacht de zwaarte van het ongeluk. Wij raden u aan kinderen altijd op de zitplaatsen achter in een geschikt kinderzitje te vervoeren, omdat die plaatsen bij een ongeval de meeste bescherming bieden.
MONTAGEVOORBEREIDING VOOR "ISOFIX UNIVERSEEL"-KINDERZITJE
De auto is voorbereid op de montage van "Isofix Universeel"-kinderzitjes; een nieuw gestandaardiseerd Europees systeem voor het vervoeren van kinderen.
In fig. 13 is een voorbeeld gegeven van het kinderzitje.
Het Isofix Universeel-kinderzitje is er voor drie gewichtsgroepen: 1.
Vanwege het verschillende bevestigingssysteem, moet het kinderzitje aan de daarvoor bestemde onderste metalen beugels A-fig. 14 worden bevestigd. Deze bevinden zich tussen de rugleuning en zitting van de achterbank. Bevestig daarna de bovenste riem (bij het kinderzitje geleverd) aan de beugel A-fig. 15 aan de achterkant van de rugleuning ter hoogte van het zitje.
Er kan ook een mengvorm worden gekozen, een traditioneel kinderzitje en een "Isofix Universeel"-kinderzitje.
Bedenk dat bij Isofix Universeel-kinderzitjes, alle zitjes gebruikt kunnen worden die goedgekeurd zijn volgens de ECE R44/03-richtlijn "Isofix Universeel".

In het Fiat Lineaccessori-programma is een "Duo Plus" "Isofix Universeel"-kinderzitje beschikbaar.
Zie voor meer informatie over de montage en/of het gebruik van het kinderzitje, het "Instructieboekje" dat bij het kinderzitje wordt geleverd.

Monteer het kinderzitje alleen als de auto stilstaat. Het
kinderzitje is op de juiste wijze aan de beugels bevestigd als u het hoort vergrendelen. Houdt u in ieder geval aan de instructies voor de montage, de demontage en de plaatsing. De fabrikant van het kinderzitje is verplicht deze instructies bij te leveren.
GESCHIKTHEID VAN DE ZITPLAATSEN VOOR HET GEBRUIK VAN DE ISOFIX UNIVERSEEL KINDERZITJES
In de volgende tabel worden, conform de Europese wetgeving ECE 16, de mogelijkheden weergegeven van de montage van de Isofix Universeel-kinderzitjes op de stoelen die zijn uitgerust met Isofix-beugels.
Gewichtsgroep Opstelling Klasse- Plaats Isofix kinderzitje indelingIsofix zijkant achter
| Groep | van 9 tot 18 kg | In de rijrichting | B | IUF |
| In de rijrichting | BI | IUF | |
| In de rijrichting | A | IUF |
IUF: geschikt voor Isofix-kinderzitjes uit de universele klasse (met een derde bevestigingspunt boven) die in de rijrichting bevestigd moeten worden en goedgekeurd zijn voor het gebruik door die gewichtsgroep.
FRONTAIRBAGS
De auto is uitgerust met frontairbags, aan bestuurders- en passagierszijde, en een knie-airbag aan bestuurderszijde (indien aanwezig).
De frontairbags (bestuurder en passagier) en de knie-airbag aan bestuurderszijde (indien aanwezig) beschermen de inzittenden voor bij middelzware en zware frontale botsingen, door het opblazen van een luchtkussen tussen de inzittende en het stuurwiel of het dashboard.
Als de airbags niet worden geactiveerd bij andere soorten botsingen (zijdelings, van achter, over de kop slaan enz.), betekent dit niet dat het systeem niet goed functioneert.
Bij een frontale botsing zorgt een regeleenheid ervoor, indien nodig, dat het kussen wordt opgeblazen. Het kussen blaast onmiddellijk op, waardoor het lichaam van de inzittenden voor wordt opgevangen en de kans op letsel beperkt wordt. Direct daarna loopt het kussen weer leeg.
De frontairbags (bestuurder en passagier) en de knie-airbag aan bestuurderszijde (indien aanwezig) zijn geen vervanging voor de veiligheidsgordels, maar een aanvulling. Draag dus altijd veiligheidsgordels. Bovendien is het dragen van veiligheidsgordels wettelijk verplicht in Europa (en in de meeste landen daarbuiten).
Als de frontairbags volledig opgeblazen zijn, vullen zij het grootste deel van de ruimte tussen het stuurwiel en de bestuurder en het dashboard en de voorpassagier.
Bij een ongeval kan een inzittende die geen veiligheidsgordel heeft omgelegd, in contact komen met een airbag die nog niet volledig opgeblazen is. Hierdoor wordt de inzittende minder door de airbag beschermd.
Het is mogelijk dat de frontairbags in de volgende gevallen niet worden geactiveerd:
□ bij frontale botsingen, met een ander deel van de auto dan het front, tegen makkelijk vervormbare objecten (bijv. als het voorspatbord tegen de vangrail komt, grindhopen); als de auto onder andere auto's of veiligheidsvoorzieningen schuift (bijvoorbeeld onder vrachtwagens of de vangrail); omdat geen enkele aanvullende bescherming wordt geboden op de veiligheidsgordels. Als de airbags in deze gevallen niet geactiveerd worden, betekent dit niet dat het systeem niet goed functioneert.

ATTENTIE!
Plaats geen stickers of andere objecten op het stuurwiel, op het deksel van de airbagmodule aan de passagierszijde of op de zijranden van de hemelbekleding. Plaats geen voorwerpen op het dashboard aan de passagierszijde (bijv. een mobiele telefoon), omdat deze het correct openen van de airbag aan passagierszijde kunnen hinderen en de inzittenden ernstig kunnen verwonden.
Bij lichte frontale aanrijdingen (waarbij de werking van de veiligheidsgordel voldoende is) worden de airbags niet geactiveerd. Daarom is het gebruik van de veiligheidsgordels absoluut noodzakelijk, want de gordel houdt de inzittende bij een zijdelingse botsing in de juiste positie en voorkomt dat de inzittende uit de auto wordt geslingerd bij zware botsingen.
FRONTAIRBAG AAN BESTUURDERSZIJDE (fig. 16)
Deze bestaat uit een opblaasbaar kussen dat in een daarvoor bestemde ruimte in het midden van het stuurwiel is geplaatst.

(indien aanwezig) (fig. 17)
Deze bestaat uit een opblaasbaar kussen met een groter volume dan dat aan bestuurderszijde. Het kussen is in een daarvoor bestemde ruimte in het dashboard geplaatst.

ATTENTIE!
ZEER GEVAARLIJK: Monteer absoluut geen kinderzitje achterstevoren op de passagiersstoel voor als de airbag aan passagierszijde is ingeschakeld (ON). Als bij een ongeval de airbag wordt geactiveerd, kan het kind hierdoor dodelijke verwondingen oplopen. Als er geen andere mogelijkheid is, moet in ieder geval de airbag aan passagierszijde uitgeschakeld worden als het kinderzitje op de passagiersstoel voor wordt geplaatst. Bovendien moet de passagiersstoel zo ver mogelijk naar achteren zijn geschoven om te voorkomen dat het kinderzitje eventueel in aanraking komt met het dashboard. Ook als het niet wettelijk verplicht is, raden wij u aan, voor een optimale bescherming van de volwassenen, de airbag onmiddellijk weer in te schakelen zodra er geen kinderen meer vervoerd worden.

fig. 18 F0P0115m
FRONTAIRBAG EN SIDEBAG (indien aanwezig) AAN PASSAGIERSZIJDE HANDMATIG UITSCHAKELEN
Als het absoluut noodzakelijk is een kind op de passagiersstoel voor te vervoeren, moeten de frontairbag en de sidebag (indien aanwezig) aan passagierszijde worden uitgeschakeld.
De schakelaar (fig. 18) bevindt zich op de rand van het dashboardkastje; open het klepje van het dashboardkastje om de schakelaar te bereiken.
Draai met de contactsleutel het slot van de schakelaar in stand OFF om de airbag uit te schakelen of in stand ON om de airbag in te schakelen.
Het waarschuwingslampje op het dashboard blijft continu branden totdat de frontairbag en de zij-airbag (sidebag) (indien aanwezig) aan passagierszijde opnieuw worden ingeschakeld.
ZIJ-AIRBAGS
De auto is uitgerust met zij-airbags voor (Side Bags voor) aan bestuurders- en passagierszijde (indien aanwezig) voor bescherming van borst-bekken en headbags voor en achter (Window Bags) (indien aanwezig).
De zij-airbags (indien aanwezig) beschermen de inzittenden bij middelzware en zware zijdelingse aanrijdingen, door het opblazen van een luchtkussen tussen de inzittende en de interieurdelen aan de zijkant van de auto.
Als de zij-airbags niet worden geactiveerd bij andere soorten botsingen (frontaal, van achter, over de kop slaan enz.), betekent dit niet dat het systeem niet goed functioneert.
Bij een zijdelingse aanrijding zorgt de centrale regeleenheid ervoor, indien nodig, dat het kussen opblaast. Het kussen blaast onmiddellijk op, waardoor het lichaam van de inzittenden wordt opgevangen en de kans op letsel wordt beperkt. Direct daarna loopt het kussen weer leeg.
De zij-airbags (indien aanwezig) zijn geen vervanging voor de veiligheidsgordels, maar een aanvulling. Draag dus altijd veiligheidsgordels. Bovendien is het dragen van veiligheidsgordels wettelijk verplicht in Europa (en in de meeste landen daarbuiten).

Deze sidebags zijn kussens die zich snel opblazen en bevinden zich in de rugleuning van de voorstoelen, en hebben tot doel de borstkas en het bekken van de inzittenden te beschermen bij middelzware en zware zijdelingse aanrijdingen.

HEADBAGS (WINDOWBAGS) fig. 20 (indien aanwezig)
De headbag is een "gordijn"-systeem en bevindt zich aan de rechter- en aan de linkerzijde in de hemelbekleding aan de zijkant en is afgedekt met een afwerklijst.
De headbags bieden bescherming aan het hoofd van de inzittenden voor en achter tijdens een zijdelingse botsing, dankzij het grote effectieve oppervlak van de kussens.
BELANGRIJK De inzittende wordt bij een zijdelingse botsing optimaal door het systeem beschermd als hij/zij in de juiste positie in de stoel zit. Hierdoor kunnen de zij-airbags op de juiste wijze worden opgeblazen.
BELANGRIJK De frontairbags en/of zij-airbags kunnen ook worden geactiveerd bij krachtige stoten tegen de onderzijde van de carrosserie, bijvoorbeeld bij zware botsingen tegen drempels of stoepranden of obstakels op het wegdek of als de auto terecht komt in grote gaten of verzakkingen in het wegdek.
BELANGRIJK Als de airbags in werking treden, ontsnapt een beetje rook. Deze rook is niet schadelijk en duidt niet op brand; bovendien kan het oppervlak van het opgeblazen kussen en het interieur van de auto bedekt zijn met een laagje poeder: dit poeder kan de huid en de ogen irriteren. Als u hiermee in aanraking bent gekomen, moet u zich met neutrale zeep en water wassen.
De geldigheidsduur van de pyrotechnische lading en van het spiraalmechanisme is vermeld op het betreffende plaatje in het dashboardkastje. Laat ze voor het verstrijken van deze termijn door het Fiat Servicenetwerk vervangen.
BELANGRIJK Na een ongeval waarbij een of meerdere veiligheidssystemen zijn geactiveerd, dient u contact op te nemen met het Fiat Servicenetwerk om de geactiveerde systemen te laten vervangen en de werking van het systeem te laten controleren.
Alle controlewerkzaamheden, reparaties en vervanging van de airbag moeten door het Fiat Servicenetwerk worden uitgevoerd.
Aan het einde van de lange levensduur van uw auto, moet u contact opnemen met het Fiat Servicenetwerk om het systeem buiten werking te laten stellen. Bovendien moet bij verkoop van de auto de nieuwe eigenaar op de hoogte gesteld worden van het gebruik en de instructies, en moet hij het instructieboekje ontvangen.
BELANGRIJK: Het in werking treden van de gordelspanners, de frontairbags en de zij-airbags voor wordt door de elektronische regeleenheid bepaald, afhankelijk van het type ongeval. Als een van deze onderdelen niet in werking treedt, dan duidt dat niet op een storing in het systeem.

ATTENTIE!
Steun niet met het hoofd, de armen of de ellebogen tegen
het portier, de ruiten of in het gebied van de headbag (Window Bag) om verwondingen tijdens het opblazen te voorkomen.

ATTENTIE!
Steek nooit het hoofd, de armen of de ellebogen uit het
raam.
ALGEMENE OPMERKINGEN

ATTENTIE!
Als u de contactsleutel in stand M draait en het lampje gaat niet branden of blijft branden tijdens het rijden, dan is er mogelijk een storing in de veiligheidssystemen; in dat geval kunnen de airbags of gordelspanners niet geactiveerd worden bij een ongeval of, in een zeer beperkt aantal gevallen, niet op de juiste wijze geactiveerd worden. Voordat u verder rijdt, dient u contact op te nemen met het Fiat Servicenetwerk om het systeem direct te laten controleren.

ATTENTIE!
Bedek de rugleuning van de stoelen voor en achter niet met hoezen of kleden die niet zijn voorbereid op het gebruik met sidebags.

ATTENTIE!
Reis niet met voorwerpen op schoot of voor de borst en houd vooral geen pijp, potlood, enz. in de mond. Bij een ongeval waarbij de airbag in werking treedt, kan dit ernstig letsel veroorzaken.

ATTENTIE!
Rijd altijd met beide handen op de stuurwielrand, zodat bij het in werking treden van de airbag, het systeem niet wordt gehinderd door obstakels. Rijd niet met voorover gebogen lichaam, maar ga goed rechtop zitten en steun tegen de rugleuning.

ATTENTIE!
Als de contactsleutel in stand M staat, kunnen, ook bij uitgezette motor, de airbags inschakelen als de auto stilstaat en de auto frontaal wordt aangereden door een andere auto. Daarom mogen, ook als de auto stilstaat, absoluut geen kinderen op de passagiersstoel voor worden geplaatst. Als de contactsleutel echter in stand S staat, wordt bij een ongeval geen enkel beveiligingssysteem (airbag of gordelspanners) geactiveerd; als een systeem niet in werking treedt, betekent dit niet dat het systeem niet goed werkt.

ATTENTIE!
Laat bij diefstal of een poging tot diefstal, bij beschadiging of als de auto bij een overstroming onder water is geweest, het airbagsysteem door het Fiat Servicenetwerk controleren.

ATTENTIE!
Als u de contactsleutel in stand M draait, gaat het lampje 2 (met de frontairbag aan passagierszijde ingeschakeld) enkele seconden knipperen, om u eraan te herinneren dat de airbag aan passagierszijde bij een botsing wordt geactiveerd. Hierna moet het lampje doven.

ATTENTIE!
De stoelen mogen niet met water worden afgenomen of met stoom worden gereinigd (met de hand of in een automatisch wasapparaat).

ATTENTIE!
De frontairbag treedt in werking als de botsing zwaarder
is dan een botsing waarbij alleen de gordelspanners worden geactiveerd. Bij aanrijdingen die tussen deze twee drempelwaarden in liggen, treden alleen de gordelspanners in werking.

ATTENTIE!
Haak geen harde voorwerpen aan de kledinghaakjes of steunhandgrepen.

ATTENTIE!
De airbag is geen vervanging voor de veiligheidsgordels,
maar een aanvulling. Omdat de frontairbags niet worden geactiveerd bij frontale botsingen bij lage snelheid, bij zijdelingse aanrijdingen en als de auto van achter wordt aangereden of over de kop slaat, worden in deze gevallen de inzittenden uitsluitend door de veiligheidsgordels beschermd. De gordels moeten dus altijd gedragen worden.
STARTEN EN RIJDEN
MOTOR STARTEN 114
PARKEREN 116
GEBRUIK VAN DE HANDGESCHAKELDE
VERSNELLINGSBAK 117
BRANDSTOFBESPARING 118
WINTERBANDEN 121
SNEEUWKETTINGEN 121
AUTO LANGERE TIJD STALLEN 122
MOTOR STARTEN
De auto is uitgerust met een elektronische startblokkering: zie bij startproblemen de paragraaf "Fiat CODE" in het hoofdstuk "Dashboard en bediening".
Direct na het starten van de motor, vooral als de auto langere tijd niet is gebruikt, kan de motor iets meer geluid produceren. Dit geluid, dat niet schadelijk is voor de werking van de motor, wordt veroorzaakt door de hydraulische klepstoters: het distributiesysteem van de auto dat bijdraagt aan een vermindering van de onderhoudswerkzaamheden.

Het verdient aanbeveling om gedurende de eerste kilometers niet de maximale prestaties van uw auto te eisen (bijv. snel rijden, langdurig rijden met hoge snelheden, krachtig remmen enz.).

Laat de contactsleutel niet in het contactslot zitten als de motor stilstaat, zodat de accu niet onnodig wordt ontladen.

ATTENTIE!
Het is zeer gevaarlijk om de motor in afgesloten ruimten te laten draaien. De motor verbruikt zuurstof en produceert kooldioxide, koolmonoxide en andere giftige stoffen.
De motor verbruikt zuurstof en produceert kooldioxide, koolmonoxide en andere giftige stoffen.

ATTENTIE!
Houd er rekening mee dat de rem- en de stuurbekrachtiging niet werken, als de motor stilstaat, waardoor meer kracht nodig is voor de bediening van het rempedaal en het stuur.
STARTPROCEDURE
Ga als volgt te werk:
□ trek de handrem aan; □ zet de versnellingspook in de vrijstand; □ draai de contactsleutel in stand M: op het instrumentenpaneel gaat het controlelampje 00 branden; □ wacht tot het lampje 00 gedoofd is. Hoe warmer de motor, hoe sneller het lampje dooft; □ trap het koppelingspedaal geheel in, zonder het gaspedaal in te trappen; □ draai de contactsleutel in stand D direct nadat het lampje 00 gedoofd is. Als u te lang wacht, zijn de voorgloeibougies weer afgekoeld. Laat de sleutel los zodra de motor is aangeslagen.
Als de motor bij de eerste poging niet aanslaat, moet u de sleutel terugdraaien in stand S voordat u opnieuw start.
Als met de contactsleutel in stand M het lampje 700 op het display blijft branden, raden wij u aan de sleutel in stand S te draaien en vervolgens weer in stand M; als het lampje nog steeds blijft branden, probeer het dan met de andere geleverde sleutels.
BELANGRIJK Laat de start-/contactsleutel niet in stand M staan als de motor is uitgezet.

Als het lampje 00 gedurende 60 seconden gaat knipperen na het starten of tijdens een langdurige startpoging, dan
duidt dat op een storing in het voorgloeisysteem. Als de motor aanslaat, kunt u de auto op de gewone manier gebruiken, maar wendt u zo snel mogelijk tot het Fiat Servicenetwerk.
Ga als volgt te werk:
□ rijd rustig weg, laat de motor niet met hoge toerentallen draaien en trap het gaspedaal niet bruusk in; verlang de eerste kilometers geen maximale prestaties. Wij raden u aan te wachten tot de wijzernaald van de koelvloeistoftemperatuurmeter begint te bewegen.

Houd er rekening mee dat de rem- en de stuurbekrachtiging niet werken zolang de motor niet is aangeslagen, waardoor recht nodig is voor de bediening van het rempedaal en het stuur.

Probeer auto's nooit te starten door ze aan te duwen, te slepen of van een helling af te laten rijden. Op die wijze kan
er onverbrande brandstof in de katalysator komen, waardoor deze onherstelbaar wordt beschadigd.
MOTOR UITZETTEN
Draai de contactsleutel in stand S terwijl de motor stationair draait.
BELANGRIJK Het is beter om de motor na een zware rit even "op adem" te laten komen. Zet de motor niet onmiddellijk uit, maar laat hem even stationair draaien. Hierdoor kan de temperatuur in de motorruimte dalen.

Gasgeven voordat u de motor uitzet heeft geen enkel nut, verspilt brandstof en is, vooral voor motoren met turbo, schadelijk.
PARKEREN
Ga als volgt te werk:
□ zet de motor uit en trek de handrem aan; ☐ schakel een versnelling in (de eerste als de weg omhoog loopt, de achteruit als de weg omlaag loopt) en zet de voorwielen iets uitgestuurd.
Als de auto op een steile helling staat, blokkeer de wielen dan met stenen of wiggen. Laat de contactsleutel nooit in het contactslot zitten omdat hierdoor de accu ontlaadt. Neem bovendien de sleutel altijd uit het contactslot als u de auto verlaat.

ATTENTIE!
Laat kinderen nooit alleen achter in de auto. Neem de sleutel altijd uit het contactslot als u de auto verlaat en neem de sleutel mee.

De handrem is aan de linkerzijde van de bestuurdersstoel geplaatst.
Om de handrem in te schakelen, moet u de hendel omhoog trekken zodat de auto blokkeert. Op een vlakke ondergrond hoort de auto geblokkeerd te zijn als de handrem vier of vijf tanden is aangetrokken. Op sterke hellingen en bij een beladen auto moet de handrem negen of tien tanden worden aangetrokken.
BELANGRIJK Als dit niet het geval is, laat dan het Fiat Servicenetwerk de handrem afstellen.
Als de handrem is aangetrokken en de contactsleutel in stand M staat, gaat op het instrumentenpaneel het waarschuwingslampje (1) branden.
Handrem uitschakelen:
□ trek de hendel iets omhoog en druk op ontgrendelknop A; □ druk op de knop A en laat de hendel zakken. Het lampje ⚠ op het instrumentenpaneel dooft.
Om onverwachtse bewegingen van de auto te voorkomen, moet bij het bedienen van de handrem het rempedaal worden ingetrapt.

Als de auto is uitgerust met wielophanging met luchtvering en u de auto parkeert, moet u altijd controleren of er
voldoende ruimte is boven het dak en rond de auto. De auto kan automatisch worden verhoogd (of verlaagd) op basis van eventuele temperatuurwisselingen of wijzigingen in de lading.
GEBRUIK VAN DE HANDGESCHAKELDE VERSNELLINGSBAK
Om de versnellingen in te schakelen, moet u het koppelingspedaal geheel intrappen en vervolgens de versnellingspook in de gewenste stand plaatsen (het schakelschema staat op de knop van de pook).
BELANGRIJK De achteruit kan alleen bij een stilstaande auto worden ingeschakeld. Wacht bij een draaiende motor en een geheel ingetrapt koppelingspedaal minstens 2 seconden, voordat u de achteruit inschakelt. Hiermee wordt voorkomen dat de tandwielen beschadigen.

fig. 2 - Versnellingsbak met 5 versnellingen
Versnellingsbak met 5 versnellingen fig. 2
Om de achteruit R vanuit de vrijstand in te schakelen, moet u de pook naar rechts en vervolgens naar achteren plaatsen.
Versnellingsbak met 6 versnellingen fig. 2/a
Ga als volgt te werk om de achteruit R vanuit de vrijstand in te schakelen: trek de schuifring onder de knop omhoog en verplaats de pook naar links en vervolgens naar voren.

fig. 2/a - Versnellingsbak met 6 versnellingen

ATTENTIE!
Om op de juiste wijze te schakelen, moet u het koppelingspedaal geheel intrappen. Daarom mag er niets onder het pedaal liggen dat dit kan verhinderen: let erop dat de vloermatten niet zijn dubbelgevouwen, waardoor de slag van de pedalen kan worden beperkt.
Om op de juiste wijze te schakelen, moet u het koppelingspedaal geheel intrappen. Daarom mag er niets onder het pedaal liggen dat dit kan verhinderen: let erop dat de vloermatten niet zijn dubbelgevouwen, waardoor de slag van de pedalen kan worden beperkt.

Laat uw hand tijdens het rijden niet op de pookknop rusten omdat door de uitgeoefende druk, ook als deze licht is, de interne onderdelen van de versnellingsbak na verloop van tijd kunnen slijten.
Laat uw hand tijdens het rijden niet op de pookknop rusten omdat door de uitgeoefende druk, ook als deze licht is, de interne onderdelen van de versnellingsbak na verloop van tijd kunnen slijten.
BRANDSTOFBESPARING
Hierna volgen enkele nuttige tips, waardoor het brandstofverbruik zo laag mogelijk blijft en de uitstoot van schadelijke uitlaatgassen zoveel mogelijk beperkt wordt.
ALGEMENE OPMERKINGEN
Onderhoud van de auto
Zorg voor een goed onderhoud van de auto door de controles en afstellingen die in het "Geprogrammeerd Onderhoudsschema" staan vermeld, te laten uitvoeren.
Banden
Controleer regelmatig, ten minste een keer per maand, de spanning van de banden: als de spanning te laag is, wordt de weerstand groter en neemt het verbruik toe.
Overbodige bagage
Rijd niet met een overbeladen bagageruimte. Het gewicht van de auto (vooral in stadsverkeer) en de wieluitlijning hebben grote invloed op het brandstofverbruik en de stabiliteit.
Imperiaal/skidrager
Verwijder de imperiaal of skidrager als u deze niet gebruikt. Deze accessoires verminderen de aerodynamica van de auto, waardoor het brandstofverbruik toeneemt. Gebruik voor het vervoer van volumineuze voorwerpen bij voorkeur een aanhanger.
Stroomverbruikers
Gebruik de elektrische installaties alleen als u ze nodig hebt. De achterruitverwarming, de verstralers, de ruitenwissers en de aanjager van het ventilatie-/verwarmingssysteem vragen veel stroom, waardoor het brandstofverbruik toeneemt (tot aan 25% in stadsverkeer).
Airconditioning
De airconditioning gebruikt zeer veel energie, waardoor het brandstofverbruik sterk toeneemt (tot gemiddeld 20%): gebruik wanneer de buitentemperatuur het toelaat, bij voorkeur de functies van het ventilatiesysteem.
Het gebruik van niet goedgekeurde aerodynamische accessoires kan de aerodynamica negatief beïnvloeden, waardoor het brandstofverbruik zal toenemen.
RIJSTIJL
Starten
Laat de motor als de auto stilstaat, niet warmdraaien met stationair toerental en ook niet met een hoog toerental: onder deze omstandigheden warmt de motor veel langzamer op, terwijl het verbruik en de schadelijke uitlaatgasemissie toenemen. Het is beter om rustig weg te rijden en geen hoge toerentallen te gebruiken: op deze manier warmt de motor sneller op.
Overbodige handelingen
Trap het gaspedaal niet in als u stilstaat voor een stoplicht of voordat u de motor afzet. Deze handeling heeft evenals het overschakelen met tussengas, geen enkel nut. Het kost brandstof en verhoogt de uitstoot van schadelijke uitlaatgassen.
Keuze van de versnellingen
Gebruik, als het verkeer en de weg het toelaten, de hoogste versnelling. Het inschakelen van een lage versnelling voor een snelle acceleratie verhoogt het brandstofverbruik.
Bij het oneigenlijke gebruik van een hoge versnelling neemt het verbruik en de schadelijke uitlaatgasemissie toe. Bovendien slijt de motor hierdoor sneller.
Maximumsnelheid
Het brandstofverbruik neemt aanzienlijk toe bij een hogere snelheid. Rijd daarom zoveel mogelijk met een gelijkmatige snelheid, vermijd overbodig remmen en optrekken. Dit kost brandstof en verhoogt de uitstoot van schadelijke uitlaatgassen.
Acceleratie
Met vol gas optrekken kost veel brandstof en verhoogt de uitstoot van schadelijke uitlaatgassen: het is beter geleidelijk op te trekken en het toerental, waarbij het maximum koppel wordt geleverd, niet te overschrijden.
GEBRUIKSOMSTANDIGHEDEN
Koude start
Bij korte ritten en regelmatig koud starten bereikt de motor niet de optimale bedrijfstemperatuur. Hierdoor neemt niet alleen het brandstofverbruik toe (van 15 tot aan 30% in stadsverkeer), maar ook de uitstoot van uitlaatgassen.
Verkeerssituatie en conditie van het wegdek
Op een drukke weg, bijvoorbeeld bij file-rijden, waarbij overwegend lage versnellingen worden gebruikt, of in de stad waar zich veel verkeerslichten bevinden, zal het brandstofverbruik aanzienlijk hoger zijn. Bochtige trajecten, bergwegen en een slecht wegdek verhogen eveneens het brandstofverbruik.
Stilstaan in het verkeer
Als u langere tijd stilstaat (bijv. spoorwegovergangen), is het raadzaam de motor uit te zetten.
TREKKEN VAN AANHANGERS
BELANGRIJKE TIPS
Voor het trekken van aanhangwagens of caravans moet de auto uitgerust zijn met een trekhaak van een goedgekeurd type en een adequate elektrische installatie.
Om schade aan het elektrische systeem van de auto te voorkomen, moet een speciale regeleenheid voor de aanhanger worden geïnstalleerd.
De montage van de trekhaak moet door gespecialiseerd personeel worden uitgevoerd. Ook moet documentatie worden overhandigd m.b.t. het rijden met een aanhanger.
Monteer zo nodig speciale en/of extra achteruitkijkspiegels, waarmee u voldoet aan de geldende verkeerswetgeving.
Let er op dat het maximum klimvermogen van de auto door het gewicht van een aanhanger wordt beperkt. Bovendien wordt de remweg langer en is meer tijd nodig om in te halen.
Schakel een lage versnelling in tijdens het afdalen om te voorkomen dat u constant moet remmen.
Het gewicht van de aanhanger dat op de trekhaak rust, moet worden afgetrokken van het laadvermogen van de auto.
Om er zeker van te zijn dat u het maximum toelaatbaar aanhangergewicht niet overschrijdt (aangegeven op de typegoedkeuring), moet u er rekening mee houden dat het maximum betrekking heeft op het totale gewicht van de aanhangwagen of caravan, inclusief accessoires en bagage.
Houdt u aan de snelheidsbeperkingen die voor auto's met aanhanger gelden. U mag in geen geval sneller rijden dan 100 km/h.

ATTENTIE!
Het ABS werkt niet op het remsysteem van de aanhanger.
Wees daarom extra voorzichtig op gladde wegen.

ATTENTIE!
Voer in geen geval modificaties aan het remsysteem van de auto uit. Het remsysteem van de aanhanger moet geheel onafhankelijk van het hydraulisch remsysteem van de auto worden bediend.
TREKHAAK MONTEREN
De trekhaak moet door gespecialiseerd personeel aan de carrosserie worden bevestigd, waarbij de richtlijnen die hierna zijn opgenomen, moeten worden aangehouden.
WINTERBANDEN
Gebruik winterbanden die dezelfde maat hebben als de standaard geleverde banden.
Het Fiat Servicenetwerk kan u adviseren welke band het meest geschikt is voor het doel waarvoor u deze wilt gebruiken.
De specifieke eigenschappen van winterbanden verminderen aanzienlijk als de profieldiepte minder is dan 4 mm. In dat geval is het veiliger ze te vervangen.
Door de specifieke eigenschappen van winterbanden zijn de prestaties onder niet-winterse omstandigheden of wanneer er lange afstanden op de snelweg worden gereden, minder dan die van de standaard gemonteerde banden. Beperk het gebruik van winterbanden tot die omstandigheden waarvoor ze zijn goedgekeurd.
BELANGRIJK Als u winterbanden gebruikt waarvan de maximum toegestane snelheid lager is dan de topsnelheid van de auto (met een marge van 5%), dan dient u in het interieur van de auto een voor de bestuurder duidelijk zichtbaar waarschuwingsplaatje te plaatsen met de maximum toegestane snelheid wanneer met die winterbanden wordt gereden (overeenkomstig de EU-normen).
Monteer op alle vier de wielen dezelfde banden (zelfde merk en profieldiepte) voor meer veiligheid tijdens het rijden en remmen en voor een betere bestuurbaarheid.
Keer de draairichting van de banden niet om.

LET OP
Bij winterbanden met de indicatie "Q" geldt een maximumsnelheid van 160 km/h; bij winterbanden met de indicatie "T" geldt een maximumsnelheid van 190 km/h; bij winterbanden met de indicatie "H" geldt een maximumsnelheid van 210 km/h. Deze maximumsnelheden zijn in overeenstemming met de huidige voorschriften.
SNEEUWKETTINGEN
Het gebruik van sneeuwkettingen is afhankelijk van de voorschriften van het land waar wordt gereden.
De sneeuwkettingen mogen alleen op de voorwielen gemonteerd worden (aangedreven wielen). Wij raden u het gebruik aan van sneeuwkettingen uit het Fiat Lineaccessori-programma.
Controleer na enkele tientallen meters rijden of de kettingen nog goed gespannen zijn.
BELANGRIJK: Geef bij gemonteerde sneeuwkettingen voorzichtig gas om het doorslippen van de aangedreven wielen te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierdoor wordt het breken van de kettingen voorkomen en daarmee beschadiging van de carrosserie en de mechanische onderdelen.

ATTENTIE!
Beperk de snelheid als u sneeuwkettingen gebruikt; rijd niet harder dan 50 km/h. Vermijd kuilen, stoepranden en andere obstakels en rijd, om de auto en het wegdek niet te beschadigen, geen lange stukken op onverharde wegen.
AUTO LANGERE TIJD STALLEN
Tref de volgende maatregelen als de auto enkele maanden niet wordt gebruikt:
□ zet de auto in een overdekte, droge en zo mogelijk goed geventileerde ruimte; □ schakel een versnelling in; □ zorg ervoor dat de handrem is aangetrokken; □ maak de minklem los van de accu en controleer de acculading. Gedurende het stallen moet deze controle iedere drie maanden worden herhaald. Laad de accu op als de optische meter een donkere kleur heeft zonder een groen middenstuk; □ maak de gespoten plaatdelen schoon en behandel ze met een beschermende was; □ reinig en conserveer de glimmende metalen delen met daarvoor geschikte middelen; □ smeer de wisserrubbers van de ruitenwissers en achterruitwisser in met talkpoeder en laat ze los van de ruit staan; □ zet de ruiten een klein stukje open;
□ dek de auto af met een stoffen of een ademende kunststof hoes. Gebruik geen dichte plastic hoes, omdat het in en op de auto aanwezige vocht dan niet kan verdampen. □ breng de bandenspanning + 0,5 bar boven de normaal voorgeschreven spanning en controleer deze regelmatig; □ als u de accukabels niet loskoppelt, moet de lading iedere maand gecontroleerd worden en laad de accu op als de optische meter een donkere kleur heeft zonder groen middenstuk; □ tap het koelsysteem van de motor niet af.
BELANGRIJK: Als de auto is uitgerust met een diefstalalarm, schakel dan het alarm uit met de afstandsbediening.
LAMPJES EN BERICHTEN
ALGEMENE OPMERKINGEN.... 124
TE LAAG REMVLOEISTOFNIVEAU.... 124
AANGETROKKEN HANDREM.... 124
STORING AIRBAG.... 125
TE HOGE KOELVLOEISTOFTEMPERATUUR ...... 125
ACCU WORDT NIET VOLDOENDE OPGELADEN. 126
TE LAGE MOTOROLIEDRUK/TE HOGE
MOTOROLIETEMPERATUUR 126
Als het lampje gaat branden, verschijnt er bij bepaalde uitvoeringen ook een bijbehorende melding op het instrumentenpaneel en/of klinkt een geluidssignaal. Deze meldingen zijn beknopt en uit voorzorg en moeten als een aanvulling worden gezien en niet als alternatief voor de informatie in dit instructieboekje. Wij raden u daarom aan dit instructieboekje goed door te lezen. Houdt u bij een storing altijd aan de aanwijzingen die in dit hoofdstuk beschreven worden.
BELANGRIJK De storingsmeldingen die op het display verschijnen, zijn onderverdeeld in twee categorieën: ernstige storingen en minder ernstige storingen.
De ernstige storingen worden langdurig "cyclisch" herhaald.
De minder ernstige storingen worden gedurende een kortere tijd "cyclisch" herhaald.
MELDINGEN EN LAMPJES OP HET INSTRUMENTENPANEEL

TE LAAG REMVLOEISTOFNIVEAU (rood)
AANGETROKKEN HANDREM (rood)
Als u de contactsleutel in stand M draait, gaat het lampje branden. Na enkele seconden moet het lampje doven.
Te laag remvloeistofniveau
Het lampje gaat branden als het remvloeistofniveau in het reservoir onder het minimum niveau is gedaald, bijvoorbeeld door lekkage in het remsysteem.

ATTENTIE!
Als het lampje Ⓔ tijdens het rijden gaat branden (op en-
Bij sommige uitvoeringen verschijnt ook een melding op het display. Stop dan onmiddellijk en neem contact op met het Fiat Servicenetwerk.
Handrem aangetrokken
Het lampje gaat branden wanneer de handrem wordt aangetrokken.
Als de auto in beweging is, hoort u bij sommige uitvoeringen ook een geluidssignaal.
BELANGRIJK: Als het lampje tijdens het rijden gaat branden, controleer dan of de handrem niet is aangetrokken.

STORING AIRBAGSYSTEEM (rood)
Wanneer u de contactsleutel in stand M draait, gaat het lampje branden. Na enkele seconden moet het lampje doven.
Als het lampje continu blijft branden, duidt dit op een storing in het airbagsysteem.

LET OP!
Als u de contactsleutel in stand M draait en het lampje gaat niet branden of blijft branden tijdens het rijden, dan is er mogelijk een storing in de veiligheidssystemen. In dat geval kunnen de airbags of gordelspanners mogelijk niet worden geactiveerd bij een ongeval, of in zeer zeldzame gevallen niet op de juiste wijze worden geactiveerd. Voordat u verder rijdt, dient u contact op te nemen met het Fiat Servicenetwerk om het systeem direct te laten controleren.

LET OP!
Een defect lampje (lampje gedoofd) wordt aangegeven doordat het lampje voor de uitgeschakelde frontairbag aan passagierszijde langer dan de normale 4 seconden knippert.

TE HOGE KOELVLOEISTOFTEMPERATUUR (rood)
Wanneer u de contactsleutel in stand M draait, gaat het lampje branden. Na enkele seconden moet het lampje doven.
Als het lampje gaat knipperen, dan is het koelvloeistofniveau van de motor te laag.
Het lampje gaat branden als de motor te warm is.
Als het lampje gaat branden, moeten de volgende maatregelen worden genomen:
□ Bij normale rij-omstandigheden:
Stop de auto, zet de motor uit en controleer of het niveau van de koelvloeistof in het reservoir niet onder het MIN-merkteken staat. Als dit wel het geval is, wacht dan enkele minuten zodat de motor kan afkoelen, open vervolgens langzaam en voorzichtig de dop, vul koelvloeistof bij en controleer of de koelvloeistof tussen het MIN- en MAX-merkteken staat. Controleer ook of er geen vloeistof weglekt. Als bij het starten van de motor het lampje opnieuw gaat branden, wendt u dan tot het Fiat Servicenetwerk.
□ Als de auto onder zware bedrijfsomstandigheden wordt gebruikt (bijvoorbeeld het bergopwaarts trekken van een aanhanger of bij volbeladen auto): verlaag de snelheid en breng, als het lampje blijft branden, de auto tot stilstand. Wacht 2 tot 3 minuten met draaiende motor en geef iets gas voor een snellere circulatie van de koelvloeistof. Zet vervolgens de motor uit. Controleer het vloeistofniveau zoals hiervoor beschreven.
BELANGRIJK: Bij zware bedrijfsomstandigheden is het raadzaam de motor enkele minuten te laten draaien met iets ingetrapt gaspedaal voordat u de motor uitzet.

ACCU WORDT NIET VOLDOENDE OPGELADEN (rood)
Als u de contactsleutel in stand M draait, gaat het lampje branden. Het moet doven nadat de motor is gestart (als de motor stationair draait, kan het voorkomen dat het lampje iets later dooft).
Als het lampje permanent blijft branden, wendt u dan onmiddellijk tot het Fiat Servicenetwerk.
Als het lampje blijft knipperen: dan staat de auto in de "economische modus", waarbij enkele niet direct noodzakelijke functies zijn uitgeschakeld.

TE LAGE MOTOROLIEDRUK / TE HOGE MOTOROLIETEMPERATUUR (rood)
Als u de contactsleutel in stand M draait, gaat het lampje branden. Het moet doven nadat de motor is gestart.

ATTENTIE!
Als het lampje tijdens het rijden gaat branden, zet onmiddellijk de motor uit en wendt u tot het Fiat Servicenetwerk.

ATTENTIE!
Als het lampje knippert, wendt u zich dan onmiddellijk tot het Fiat Servicenetwerk voor de verversing van de motorolie en het uitschakelen van het betreffende lampje op het instrumentenpaneel.
lijk tot het Fiat Servicenetwerk voor de verversing van de motorolie en het uitschakelen van het betreffende lampje op het instrumentenpaneel.

STORING ELEKTRISCHE STUURBEKRACHTIGING
Als u de contactsleutel in stand M draait, gaat het lampje branden. Na enkele seconden moet het lampje doven.
Als het lampje blijft branden, werkt de elektrische stuurbekrachtiging niet meer en is meer kracht nodig voor het draaien van het stuur: wendt u tot het Fiat Servicenetwerk.

NIET GOED GESLOTEN PORTIEREN (rood)
Het lampje gaat (bij bepaalde uitvoeringen) branden, als een of meer portieren niet goed gesloten zijn.
Als het lampje brandt, controleer dan of de portieren van de cabine, de achterdeuren, de zijdeuren en de motorkap goed gesloten zijn.
Als de auto in beweging is met geopende portieren, dan klinkt er een akoestisch signaal.

NIET OMGELEGDE VEILIGHEIDSGORDELS (rood)
Het lampje op het instrumentenpaneel gaat continu branden als bij stilstaande auto de veiligheidsgordel aan bestuurderszijde niet goed is omgelegd. Als de auto rijdt en de veiligheidsgordels voor zijn niet goed omgelegd, dan gaat het lampje knipperen en klinkt tegelijkertijd een akoestisch signaal (zoemer). Op enkele uitvoeringen kan boven de binnenspiegel een display aanwezig zijn. Dit display geeft door middel van twee lampjes aan als de veiligheidsgordel aan bestuurders- of passagierszijde niet is omgelegd.


STORING EBD (rood) (geel)
Als tegelijkertijd de lampjes (1) en (ABS) gaan branden bij draaiende motor, dan geeft dit een storing in de EBD aan of is dit systeem niet beschikbaar; in dat geval kunnen tijdens krachtig remmen de achterwielen snel blokkeren, waardoor de auto kan gaan slippen. Rijd zeer voorzichtig naar de dichtstbijzijnde werkplaats van het Fiat Servicenetwerk om het systeem te laten controleren.

STORING IN INSPUITSYSTEEM (geel)
Als u onder normale omstandigheden de contactsleutel in stand M draait, gaat het lampje branden. Het lampje moet uitgaan als de motor is gestart.
Als het lampje blijft branden of tijdens het rijden gaat branden, dan duidt dit op een storing in het inspuitsysteem. Dit kan tot gevolg hebben dat de prestaties verminderen, de auto slechter gaat rijden en het brandstofverbruik toeneemt.
U kunt onder deze omstandigheden doorrijden zonder te veel van de motor te eisen of met hoge snelheid te rijden. Wendt u in dit geval zo snel mogelijk tot het Fiat Servicenetwerk.

AIRBAG PASSAGIERSZIJDE UITGESCHAKELD (geel)
Het lampje 2 brandt als de frontairbag aan passagierszijde is uitgeschakeld.
Als u bij ingeschakelde frontairbag aan passagierszijde de contactsleutel in stand M draait, gaat het lampje 2 ongeveer 4 seconden branden en vervolgens 4 seconden knipperen. Hierna moet het lampje doven.

ATTENTIE!
Het lampje 2 geeft bovendien eventuele storingen van het lampje aan. Dit wordt weergegeven met een knipperend lampje ook als de 4 seconden al zijn verstreken. In dit geval kan het lampje geen storingen in de airbag-gordelspannersystemen aangeven. Voordat u verder rijdt, dient u contact op te nemen met het Fiat Servicenetwerk om het systeem direct te laten controleren.

STORING ABS (geel)
Als u de contactsleutel in stand M draait, gaat het lampje branden. Na enkele seconden moet het lampje doven.
Het lampje gaat branden als het systeem defect of niet beschikbaar is. In dat geval blijft het remsysteem normaal werken, maar zonder de mogelijkheden van het ABS. Rijd voorzichtig verder en wendt u zo snel mogelijk tot het Fiat Servicenetwerk.

STOP (rood)
Dit lampje gaat branden gelijktijdig met een willekeurig ander
waarschuwingslampje

ATTENTIE!
Als dit lampje brandt: stop de auto op een veilige plaats, de sleutel uit het contactslot en wendt u tot het Fiat Servicenetwerk.

BRANDSTOFRESERVE (geel)
Als u de contactsleutel in stand M draait, gaat het lampje branden. Na enkele seconden moet het lampje doven.
Als het lampje brandt, tank dan zo snel mogelijk.
BELANGRIJK Als het lampje knippert, dan is er een storing in het systeem. Wendt u in dit geval tot het Fiat Servicenetwerk om het systeem te laten controleren.

Het lampje gaat branden als de mistachterlichten worden ingeschakeld.

ALGEMENE STORINGSMELDING (geel)
Het lampje gaat knipperen als er een niet ernstige storing wordt gevonden. Het gaat constant branden bij een ernstige storing. In alle gevallen verschijnt er een melding op het display.
Afhankelijk van de ernst van de storing, raden wij u contact op te nemen met het Fiat Servicenetwerk.
Als het niveau van het brandstofadditief voor het roetfilter (uitvoeringen met DPF roetfilter) het minimum niveau bereikt: het lampje gaat branden, er klinkt een akoestisch signaal en er verschijnt een melding op het display. Wendt u tot het Fiat Servicenetwerk.

STORING ESP (geel)
Als u de contactsleutel in stand M draait, gaat het lampje branden. Na enkele seconden moet het lampje doven.
Als het lampje knippert, dan slippen de wielen door. In dit geval past het systeem de aandrijving aan, waardoor de koersstabiliteit van de auto wordt verbeterd. Als het lampje continu brandt (lampje op de knop ESP OFF gedoofd), dan is er een storing in het systeem. In dit geval moet de bandenspanning worden gecontroleerd en/of contact worden opgenomen met het Fiat Servicenetwerk. Als het lampje continu brandt (lampje op de knop ESP OFF brandt), dan is het systeem uitgeschakeld.
Opmerking Als het lampje knippert tijdens het rijden, dan geeft dit aan dat het ESP in werking is getreden.

VERSLETEN REMBLOKKEN (geel)
Het lampje op het instrumentenpaneel gaat branden als de remblokken voor versleten zijn; laat deze in dat geval zo snel mogelijk vervangen.

MISTLAMPEN VOOR (groen)
Het lampje gaat branden als de mistlampen voor worden ingeschakeld.

DIMLICHT (groen)
Het lampje gaat branden als het dimlicht wordt ingeschakeld.

ACHTERWIELOPHANGING MET LUCHTVERING (rood) (indien aanwezig)
Het lampje knippert als de gemeten rijhoogte afwijkt van de optimale hoogte. In dat geval moet u: bij automatische regeling, langzaam rijden (circa 10 km/h) totdat het lampje dooft. Bij handmatige regeling moet de normale rijhoogte worden ingesteld, omdat deze instelling in de hoogste of laagste stand staat.
Bij een storing in de hoogteregeling van de luchtvering blijft het lampje continu branden na het starten van de motor of tijdens het rijden. In dat geval moet u: de auto onmiddellijk stilzetten en u tot het Fiat Servicenetwerk wenden.

RICHTINGAANWIJZER LINKS (groen - knipperend)
Het lampje gaat branden als de richtingaanwijzerhendel omlaag wordt gezet of, tegelijkertijd met het lampje van de rechter richtingaanwijzer, als de drukknop voor de waarschuwingsknipperlichten wordt ingedrukt.

RICHTINGAANWIJZER RECHTS (groen - knipperend)
Het lampje gaat branden als de richtingaanwijzerhendel omhoog wordt gezet of, tegelijkertijd met het lampje van de linker richtingaanwijzer, als de drukknop voor de waarschuwingsknipperlichten wordt ingedrukt.

GROOTLICHT (blauw)
Het lampje gaat branden als de verlichting wordt ingeschakeld.
MELDINGEN EN LAMPJES OP HET DISPLAY
Lampje Melding
![]() | CRUISE-CONTROL | Als u de contactsleutel in stand M draait, gaat het lampje branden. Na enkele seconden moet het lampje doven. Het lampje brandt als de Cruise-control is ingeschakeld. |
![]() | SNELHEIDSBEGREN-ZER | Het lampje brandt als de snelheidsbegrenzer is ingeschakeld. |
![]() | VOORGLOEI-INSTALLATIE | Als u de contactsleutel in stand M draait, gaat het lampje branden. Het lampje dooft als de voorgloeibougies de vooraf ingestelde temperatuur hebben bereikt. Start de motor, zodra het lampje gedoofd is.BELANGRIJK Bij een hoge buitentemperatuur kan het lampje zeer kort branden. |
![]() | WATER IN BRANDSTOFFILTER | Als u de contactsleutel in stand M draait, gaat het lampje branden. Na enkele seconden moet het lampje doven. Het lampje gaat branden als er water in het dieselfilter zit.[IMAGE]Water in het brandstofsysteem kan het inspuitsysteem ernstig beschadigen en de motor kan onregelmatig gaan draaien. Als het lampje gaat branden, wendt u dan zo snel mogelijk tot het Fiat Servicenetwerk om het systeem te laten af-tappen. Als het lampje direct na het tanken gaat branden, bestaat de mogelijkheid dat er tijdens het tanken water in de brandstoftank is gekomen: zet in dat ge-val onmiddellijk de motor uit en wendt u tot het Fiat Servicenetwerk. |
![]() | GEPROGRAMMEERD ONDERHOUD | Als u de contactsleutel in stand M draait, gaat het lampje branden. Na enkele seconden moet het lampje doven. Het lampje gaat branden als er een onderhoudsbeurt moet worden uitge-voerd. |
NOODGEVALLEN
In geval van nood raden wij u aan het gratis nummer te bellen dat in de Service- en garantiehandleiding vermeld staat. U kunt ook de site www.fiat.com raadplegen voor de dichtstbijzijnde vestiging van het Fiat Servicenetwerk.
MOTOR STARTEN 134
WIEL VERWISSELEN 135
SNELLE BANDENREPARATIESET FIX & GO...... 138
GLOEILAMP VERVANGEN 139
GLOEILAMP BUITENVERLICHTING VERVANGEN. 141
Als de accu leeg is, kan de motor worden gestart met een hulpaccu, die ten minste dezelfde capaciteit moet hebben als de lege accu.

ATTENTIE!
Deze startprocedure mag alleen worden uitgevoerd door deskundige personen, omdat onjuiste handelingen vonken kunnen veroorzaken. De vloeistof in de accu is giftig en corrosief. Vermijd het contact met de huid en de ogen. Kom ook niet dicht bij een accu met open vuur of een brandende sigaret en veroorzaak geen vonken.

Ga voor het starten als volgt te werk:
□ verbind de pluspolen (+ teken nabij de pool) van de beide accu's met een startkabel; □ sluit een tweede startkabel aan op de minpool (−) van de hulpaccu en op de massa-aansluiting ↓ op de motor of de versnellingsbak van de auto die gestart moet worden; □ start de motor; □ neem als de motor draait, de kabels in de omgekeerde volgorde los.
Als de motor na enkele pogingen niet aanslaat, blijf dan niet proberen maar wendt u tot het Fiat Servicenetwerk.
BELANGRIJK Verbind de minklemmen van de twee accu's niet direct met elkaar: eventuele vonken kunnen het explosieve gas ontsteken dat uit de accu kan ontsnappen. Als de hulpaccu is geïnstalleerd aan boord van een andere auto, mogen tussen deze auto en de auto met de lege accu niet per ongeluk metalen delen met elkaar in verbinding staan.
ROLLEND STARTEN
Probeer auto's nooit te starten door ze aan te duwen, te slepen of van een helling af te laten rijden. Op die wijze kan er onverbrande brandstof in de katalysator terechtkomen, waardoor deze onherstelbaar zal beschadigen.
BELANGRIJK: Houd er rekening mee dat de rem- en stuurbekrachtiging niet werken zolang de motor niet is aangeslagen, waardoor meer kracht nodig is voor de bediening van het rempedaal en het stuur.
WIEL VERWISSELEN
ALGEMENE AANWIJZINGEN
Voor het verwisselen van het wiel en voor het juiste gebruik van de krik en het reservewiel moeten de onderstaande voorzorgsmaatregelen in acht worden genomen.

ATTENTIE!
Attendeer het overige wegverkeer op de stilstaande auto.
o.m.v.: de waarschuwingsknipperlichten, de gevarendriehoek enz. Tijdens het verwisselen van een wiel moeten alle inzittenden de auto hebben verlaten, vooral als de auto zwaar beladen is, en op een veilige afstand van het verkeer wachten, totdat het wiel verwisseld is. Trek de handrem aan.

Voordat u een wiel verwisselt, moet u de wielophanging met luchtvering (indien aanwezig) uitschakelen. Raadpleeg de paragraaf "Wielophanging met luchtvering" in dit hoofdstuk.
Voordat u een wiel verwisselt, moet u de wielophanging
Schakel de luchtvering (indien aanwezig) uit. Raadpleeg de paragraaf "Wielophanging met luchtvering" in dit hoofdstuk.

ATTENTIE!
Het reservewiel behoort bij de auto waarbij het geleverd
is. Gebruik het reservewiel niet bij andere auto's en monteer geen reservewielen van andere auto's. De wielbouten zijn speciaal voor deze auto: gebruik de wielbouten niet bij andere auto's en gebruik geen wielbouten van andere auto's.

ATTENTIE!
Laat het verwisselde wiel zo snel mogelijk repareren en
monteren. Smeer voor montage de schroefdraad van de wielbouten niet met vet: de bouten kunnen loslopen.

ATTENTIE!
Door een verkeerde montage kan het wieldeksel tijdens
het rijden loslaten. Maak het ventiel absoluut niet open. Plaats geen enkel stuk gereedschap tussen velg en band. Controleer regelmatig de spanning van de banden en van het reservewiel en houdt u daarbij aan de waarden die beschreven staan in het hoofdstuk "Technische gegevens".

De krik dient uitsluitend voor het verwisselen van een wiel van de auto waarbij de krik geleverd is of voor auto's van hetzelfde model. Gebruik de krik niet voor het opkrikken van andere auto's. Gebruik de krik beslist nooit voor het uitvoeren van werkzaamheden onder de auto. Als de krik niet juist geplaatst wordt, kan de opgekrikte auto van de krik vallen. Op een sticker op de krik is het maximum hefvermogen aangegeven; de krik mag nooit voor een zwaardere last worden gebruikt.
De krik dient uitsluitend voor het verwisselen van een wiel.
van de auto waarbij de krik geleverd is of voor auto's van hetzelfde model. Gebruik de krik niet voor het opkrikken van andere auto's. Gebruik de krik beslist nooit voor het uitvoeren van werkzaamheden onder de auto. Als de krik niet juist geplaatst wordt, kan de opgekrikte auto van de krik vallen. Op een sticker op de krik is het maximum hefvermogen aangegeven; de krik mag nooit voor een zwaardere last worden gebruikt.
Ga voor het verwisselen van een wiel als volgt te werk:
□ de krik 1,76 kg weegt; □ de krik geen afstelwerkzaamheden vereist; □ de krik niet kan worden gerepareerd: bij een defect moet de krik door een krik van hetzelfde type worden vervangen; □ behalve de slinger geen enkel ander gereedschap op de krik gemonteerd mag worden.
Ga voor het verwisselen van een wiel als volgt te werk:
□ zet de auto stil op een plaats waar het verkeer niet in gevaar wordt gebracht en in alle veiligheid het wiel kan worden verwisseld. Zet de auto zo mogelijk op een vlakke en stevige ondergrond; □ zet de motor uit en trek de handrem aan; □ schakel de eerste versnelling of de achteruit in; □ trek het veiligheidshesje met reflecterende strepen aan (wettelijk verplicht in bepaalde landen) voordat u de auto verlaat; □ op enkele uitvoeringen moet de beschermklep A-fig. 2 worden verwijderd om de krik te bereiken; □ neem de slinger A-fig. 3 uit de houder; □ draai de blokkeerschroef B-fig. 3 los; □ draai met de slinger B-fig. 3 de blokkeerschroef van de reservewielhouder los fig. 4; □ maak de reservewielhouder los en neem het reservewiel uit; □ verwijder het wieldeksel (indien aanwezig) m.b.v. gereedschap uit de gereedschapset; □ draai de wielbouten van het te verwisselen wiel ongeveer een slag los; □ draai de slinger van de krik zo dat hij iets omhoog komt; □ plaats de krik op de daarvoor bestemde plaats, dicht bij het te verwisselen wiel;


□ controleer of de groef van de krik goed om de rand van de chassisbalk valt; waarschuw eventuele omstanders dat de auto wordt opgekrikt; zorg ervoor dat ze zich niet in de nabijheid van de auto bevinden en de auto vooral niet aanraken totdat de auto weer geheel op de grond staat;

Draai de slinger en krik de auto op, totdat het wiel enkele centimeters los van de grond is. Als u de slinger draait, moet u zorgen voor voldoende werkruimte, zodat u geen schaafwonden aan uw hand oploopt door contact met de grond. Ook de bewegende delen van de krik (schroefdraad en scharnieren) kunnen letsel veroorzaken: vermijd contact met deze onderdelen. Reinig uw handen zorgvuldig als deze met vet in contact zijn geweest.

BELANGRIJK Als u het gemonteerde velgtype wilt vervangen (lichtmetalen velgen in plaats van stalen of omgekeerd), moeten tevens alle wielbouten worden vervangen door bouten met een lengte die aangepast is aan het velgtype.
Het is raadzaam de vervangen wielbouten te bewaren voor als u in de toekomst het originele velgtype weer wilt monteren.
Verwijder het naafdekseltje m.b.v. het passende gereedschap dat bij de auto is geleverd. Draai de antidiefstalbout (uitvoeringen met lichtmetalen velgen) (een per wiel) los m.b.v. het passende gereedschap dat bij de auto is geleverd, draai vervolgens de overige wielbouten los en verwijder het wiel. Zorg ervoor dat de boutgaten en alle contactvlakken van het reservewiel schoon zijn en geen onzuiverheden bevatten, omdat hierdoor na verloop van tijd de wielbouten kunnen loslopen. Monteer het reservewiel, waarbij een van de pasgaten C-fig. 6 over de pen B moet vallen. Draai de 5 wielbouten handvast aan. Draai de slinger van de krik zodat de auto zakt, en verwijder de krik. Draai de wielbouten kruiselings vast, in de volgorde die in fig. 7 is aangegeven. Monteer het wieldeksel (indien aanwezig).
Ter afsluiting:
Plaats het verwisselde wiel in de reservewielhouder onder de laadvloer en draai de blokkeerschroef weer vast. Plaats de slinger en de krik op de juiste manier in de daarvoor bestemde houder. Plaats de gereedschaphouder terug in de daarvoor bestemde zitting en draai de blokkeerschroef vast. BELANGRIJK Controleer regelmatig de spanning van de banden, ook van het reservewiel.

Monteer het wieldeksel op de velg, waarbij het symbool zich ter hoogte van het ventiel moet bevinden.
SNELLE BANDENREPARATIESET FIX & GO
De snelle bandenreparatieset bestaat uit een compressor en een flacon (die de afdichtvloeistof bevat).

- Markeer de lekke band op de sticker met de snelheidsbeperking: plak de sticker vervolgens op het stuurwiel van de auto als herinnering dat het wiel slechts tijdelijk gebruikt mag worden.
- Bevestig de flacon I aan de compressor 2.
- Sluit de flacon I aan op het ventiel van de band die gerepareerd moet worden.
- Rol de slang van de compressor uit, voordat deze op de flacon wordt aangesloten.
- Sluit de stekker aan op een van de 12V-stekkerdozen in de auto.
- Druk op de knop A om de compressor in te schakelen totdat de bandenspanning 2,0 bar is. Als deze spanning niet wordt bereikt, dan kan de band niet worden gerepareerd.
- Koppel de compressor los en berg hem op.
- Rijd enkele kilometers met beperkte snelheid om het lek te dichten.
- Breng de band op de voorgeschreven spanning met behulp van de compressor overeenkomstig de voor de auto voorgeschreven procedure en controleer of het lek goed afgedicht is (geen drukverlies).
- Rijd met een beperkte snelheid (80 km/h). De band moet zo snel mogelijk geïnspecteerd en gerepareerd worden door een specialist.
De flacon moet na gebruik worden opgeborgen in de plastic zak die bij de set is geleverd, om vervuiling van de auto door vloeistofresten te voorkomen.

ATTENTIE!
Attentie: de gel in de flacon bevat ethyleenglycol; deze is schadelijk voor de gezondheid en irriterend voor de huid. Buiten het bereik van kinderen houden.
Laat de gebruikte fles niet in het milieu achter; lever hem in bij het Fiat Dealer-netwerk of een daarvoor aangewezen afvalverwerker.
De flacon is leverbaar via het FIAT Servicenetwerk.
GLOEILAMP VERVANGEN
ALGEMENE AANWIJZINGEN
Als een lamp niet brandt, controleer dan eerst of de zekering niet doorgebrand is, voordat u de lamp vervangt: zie voor de plaats van de zekeringen de paragraaf "Zekeringen vervangen" in dit hoofdstuk; controleer voordat u een lamp vervangt of de contacten niet zijn geoxideerd; vervang een defecte lamp door een exemplaar van hetzelfde type en vermogen; als u een gloeilamp in de koplamp hebt vervangen, controleer dan om veiligheidsredenen altijd of de afstelling nog goed is.

Halogeenlampen mag u uitsluitend aanraken op het metalen gedeelte. Als u de bol met uw vingers aanraakt, zal de lichtopbrengst van de lamp teruglopen en kan ook de levensduur beperkt worden. Als u de bol per ongeluk toch hebt aangeraakt, moet u de bol schoonwrijven met een doekje met alcohol en daarna laten drogen.

ATTENTIE!
Modificaties of reparaties aan de elektrische installatie moeten correct worden uitgevoerd en er moet rekening worden gehouden met de technische specificaties van het voertuig; anders kunnen storingen in de werking of zelfs brand veroorzaken.

ATTENTIE!
Halogeenlampen bevatten gas onder druk. Bij breuk kunnen er glassplinters wegschieten.
BELANGRIJK: Aan de binnenzijde kan de koplamp een beetje beslagen zijn: dit duidt niet op een defect, maar is een natuurlijk verschijnsel dat veroorzaakt wordt door een lage temperatuur en de luchtvochtigheidsgraad, en verdwijnt snel als de koplampen worden ingeschakeld. De aanwezigheid van druppels aan de binnenzijde van de koplamp duidt daarentegen op het binnendringen van water: wendt u tot het Fiat Servicenetwerk.
TYPEN GLOEILAMPEN
Op de auto zijn verschillende typen gloeilampen gemonteerd:

fig. 8 F0P0216m
A Glasfittinglampen: deze zijn voorzien van een klemfitting. Verwijder de lamp door de lamp uit de houder te trekken. B Lampen met bajonetfitting: verwijder de lamp uit de houder door hem iets in te drukken en linksom te draaien. C Buislampen: verwijder de lamp door hem uit de veercontacten los te maken. D Halogeenlampen: verwijder de lamp door de borgveer los te haken uit de zitting.
Lamp Zie fig. Type Vermogen
| Grootlicht | D | H4 | 55W |
| Dimlicht | D | H4 | 55W |
| Buitenverlichting voor | A | W5W | 5W |
| Mistlampen voor (indien aanwezig) | D | H4 | 55W |
| Richtingaanwijzers voor | B | PY21W (geel) | 21W |
| Richtingaanwijzers op flanken | A | WY5W (geel) | 5W |
| Richtingaanwijzers achter | B | PY21W (geel) | 21W |
| Achterlichten | B | P21/5W | 5W |
| Remlichten | B | P21/5W | 5W |
| Derde remlicht:– dubbele achterdeuren– dubbele achterdeuren (verhoogd dak)/achterklep | A | W5W | 5W |
| B | P21W | 21W | |
| Achteruitrijverlichting | - | P21W | 21W |
| Mistachterlicht | - | P21W | 21W |
| Kentekenplaatverlichting | A | W5W | 5W |
| Plafondverlichting voor met spotjes | C | 12V5W | 5W |
| Plafondverlichting achter | C | 12V5W | 5W |
GLOEILAMP BUITENVERLICHTING VERVANGEN
Zie voor het type lamp en het bijbehorende vermogen de vorige paragraaf "Gloeilamp vervangen".
KOPLAMPUNITS
In de koplampunits zijn de gloeilampen voor het dimlicht, het grootlicht, de buitenverlichting en de richtingaanwijzer opgenomen.
Gloeilamp vervangen:
□ trek aan de lip om het middelste deksel A te verwijderen; □ maak de stekker los; ☐ haak de borgveer van de lamp los; □ vervang de lamp, monteer het deksel A en controleer of het deksel goed vastzit.

fig. 9 F0P0178m
BUITENVERLICHTING fig. 9
Gloeilamp vervangen:
□ trek aan de lip om het middelste deksel A te verwijderen; □ neem de geklemd gemonteerde lamphouder uit en maak de stekker los; □ vervang de lamp, monteer het deksel A en controleer of het deksel goed vastzit.
RICHTINGAANWIJZERS VOOR fig. 10
Gloeilamp vervangen:
□ draai de lamphouder A linksom; □ neem de lamphouder uit en verwijder de lamp uit de lamphouder door hem iets in te drukken en linksom te draaien. □ Vervang de lamp, monteer de lamphouder A door hem rechtsom in de zitting te draaien en controleer of hij goed vastzit.

Wendt u voor het vervangen van een defecte mistlamp voor tot het Fiat Service-netwerk.

FLANKRICHTINGAANWIJZERS fig. 12
Gloeilamp vervangen:
□ duw tegen het lampenglas A zodat de interne borgveer wordt ingedrukt en trek de unit naar buiten; □ draai de lamphouder linksom, verwijder de geklemde lamp en vervang hem; ☐ plaats de lamphouder in het lampenglas door hem rechtsom te draaien; □ monteer de unit en controleer of de interne borgveer goed vastzit (geborgd).

Om de achterlichtunits los te maken en een gloeilamp te vervangen, moeten de twee achterdeuren 180° worden geopend (raadpleeg de paragraaf "Dubbele achterdeur" in het hoofdstuk "Dashboard en bediening").
Gloeilamp vervangen:
□ controleer welke lamp moet worden vervangen; □ draai de 2 bevestigingsmoeren A en B los; □ trek het lampenglas vanaf de buitenzijde los; ☐ houd de unit vast en maak de stekker los; □ buig de lippen naar buiten en trek de lamphouder los; □ verwijder de te vervangen lamp (met bajonetfitting) door hem iets in te drukken en linksom te draaien en vervang de lamp;
ACHTERLICHTUNITS
fig. 13
In de achterlichtunits zijn de gloeilampen voor de achterlichten, de remlichten, de richtingaanwijzers, de achteruitrijlichten en de mistachterlichten opgenomen.
DERDE REMLICHT
Met achterklep fig. 15
Gloeilamp vervangen:
□ open de achterklep; □ draai de bevestigingsschroeven A los; □ druk op het uiteinde van de borglip en verwijder het lampenglas met de lampen; □ maak de stekker los; □ trek de geklemde lamp los en vervang hem.
Met dubbele achterdeuren fig. 16
Gloeilamp vervangen:
draai de bevestigingsbouten A los m.b.v. een Torx™ T20-schroevendraaier; □ neem de lamphouder uit; □ trek de geklemde lamp los en vervang hem.


Uitvoering met verhoogd dak
□ draai de bevestigingsbouten A los m.b.v. een 8mm-sleutel; □ neem de lamphouder uit; □ trek de geklemde lamp los en vervang hem.

Gloeilamp vervangen:
Uitvoeringen met achterdeuren fig. 17
□ verwijder de interieurbekleding vanaf de binnenzijde van de auto; □ buig de lip naar buiten en trek de stekker los; □ verwijder de kunststof bescherming.
□ draai de lamphouder een kwart slag linksom; □ vervang de lamp.
Uitvoeringen met achterklep fig. 18
Verwijder het lampenglas A op het door de pijl aangegeven punt vanaf de buitenzijde van de auto.
Maak de lamp los uit de veercontacten aan de zijkant en vervang hem; controleer of de nieuwe lamp goed vastzit in de veercontacten.
Monteer het geklemde lampenglas.
Zie voor het type lamp en het bijbehorende vermogen de paragraaf "Gloeilamp vervangen".
PLAFONDVERLICHTING
Gloeilampen vervangen:
Verwijder het plafondlampje op de door de pijlen aangegeven punten; maak de lampen los uit de veercontacten aan de zijkant en vervang ze; controleer of de nieuwe lampen goed vastzitten in de veercontacten; plaats het plafondlampje in de zitting en controleer of het goed vastzit.


Het elektrische systeem wordt door zekeringen beveiligd: de zekering brandt door bij een storing of bij oneigenlijk gebruik van het systeem.
Als een elektrisch onderdeel niet werkt, controleer dan eerst of de zekering niet is doorgebrand: de verbindingsstrip A-fig. 21 mag niet onderbroken zijn. Is dit wel het geval, dan moet u de zekering vervangen door een exemplaar met dezelfde stroomsterkte (zelfde kleur).
B zekering in goede staat
C zekering met doorgebrande strip.
Gebruik voor het vervangen van een zekering, het tangetje A-fig. 21/a dat samen met de reservezekeringen op de achterzijde van het demontabele klepje B is geplaatst.

Vervang een defecte zekering nooit door ander materiaal.

fig. 21 F0P0236m

ATTENTIE!
Vervang een zekering nooit door een zekering met een andere stroomsterkte (ampère); GEVAAR.

ATTENTIE!
Als een hoofdzekering (MEGA-FUSE, MIDI-FUSE,
MAXI-FUSE) doorbrandt, wendt u dan tot het Fiat Servicenetwerk. Controleer, voordat u een zekering vervangt, of de contactsleutel uit het contactslot is genomen en alle stroomverbruikers uit staan en/of zijn uitgeschakeld.

Als de zekering opnieuw doorbrandt, wendt u dan tot het Servicenetwerk.

ATTENTIE!
Als een zekering van de veiligheidssystemen (airbagsysteem), de aandrijving (motormanagementsysteem van de versnellingsbak) of de stuurinrichting doorbrandt, wendt u dan tot het Fiat Servicenetwerk.

Kantel het opbergvak en trek het met kracht los om de zekeringen te bereiken.
Zekeringenkast op dashboard aan passagierszijde
VERBRUIKERS ZEKERING AMPÈRAGE
| Achterruitwisser | F1 | 15 |
| Vrij | F2 | - |
| Koplampverstelling, diagnosestekker, ESP-regeleenheid, ventilatie, additiefpomp roetfilter, stuurhoeksensor | F4 | 10 |
| Elektrische spiegel, ruitbediening passagierszijde | F5 | 30 |
| Voeding ruitbediening voor | F6 | 30 |
| Plafondverlichting, verlichting dashboardkastje | F7 | 5 |
| Multifunctioneel display, sirene diefstalalarm, autoradio, CD-Changer, Autotelefoon, optionalregeleenheid aanhanger beveiligingsregeleenheid carrosserie | F8 | 20 |
| Aansteker, stekkerdoos laadruimte | F9 | 10 |
| Elektronisch geregelde luchtvering achter, start-/contactslot, instrumentenpaneel | F10 | 30 |
| Diagnosestekker, regeleenheid diefstalalarm | F11 | 15 |
| Handsfreeset, regeleenheid airbag | F12 | 15 |
| Regeleenheid motor, regeleenheid aanhanger | F13 | 5 |
| Regensensor, automatische klimaatregeling, instrumentenpaneel, achterste aanjager in interieur (combi-uitvoering) | F14 | 15 |
| Portierver-/ontgrendeling | F15 | 30 |
| Vrij | F16 | - |
| Verwarming achterruit en buitenspiegels | F17 | 40/10 |

Open de motorkap en verschuif de steun voor het ruitensproeierreservoir om de bereikbaarheid te verbeteren. Haak het huis los en kantel het om, zodat de zekeringen bereikbaar zijn.
Zekeringenkast in motorruimte
VERBRUIKERS ZEKERING AMPÈRAGE
| Regeleenheid motor, brandstofsysteemen luchtinlaatsysteem, elektroventilateur | F1 | 20 |
| Claxon | F2 | 15 |
| Pomp ruitensproeiers voor en achter | F3 | 10 |
| Koplampsproeierpomp | F4 | 20 |
| Brandstoftoevoersysteem | F5 | 15 |
| Tweede contact rempedaal, stuurbekrachtiging | F6 | 10 |
| Start-/contactslot | F8 | 20 |
| Eerste contact rempedaal | F9 | 10 |
| Brandstoftoevoersysteem en luchtinlaatsysteem | F10 | 30 |
| Aanjager voor | F11 | 40 |
| Ruitenwissers voor | F12 | 30 |
| Optionalregeleenheid | F13 | 40 |
| Vrij | F14 | 30 |

fig. 24
Zekeringenkast in interieur (op accu)
VERBRUIKERS ZEKERING AMPÈRAGE
| Stoelverwarming | F1 | 30 |
| 12V-stekkerdoos van derde zitrij (combi-uitvoering) | F2 | - |
| Regeleenheid aanhanger en (indien aanwezig) beveiligingsregeleenheid voor carrosseriebouwers | F3 | 40/50 |
| Vrij | F4 | - |
| Sloten achterdeuren | F36 | 15 |
| Sloten achterdeuren | F37 | 10 |
| Achterruitwisser op achterdeur | F38 | 20 |
| Achterste aanjager in interieur (combi-uitvoering) | F39 | - |
| Inklapbare spiegels | F40 | 5 |
Haak het deksel van de accuhouder los. Koppel de rode accuklem (+) los.
Sluit het deksel na de werkzaamheden zeer zorgvuldig.

fig. 25
Extra zekeringenkast
VERBRUIKERS ZEKERING AMPÈRAGE
| Vrij | F1 | 15 |
| Contactrelais en impulsgever | F2 | 15 |
| Voeding aanhanger | F3 | 15 |
| Permanente voeding voor opbouwcomponenten | F4 | 15 |
| Waarschuwingsknipperlichten | F5 | 40 |
ACCU OPLADEN
BELANGRIJK De beschrijving voor het opladen van de accu dient slechts ter informatie. Wendt u bij voorkeur tot het Fiat Servicenetwerk om deze werkzaamheden uit te laten voeren.
We raden u aan de accu langzaam en met een lage stroomsterkte (ampérage) gedurende ca. 24 uur op te laden. Als u de accu snel oplaadt met een hoge stroomsterkte, kan de accu worden beschadigd.
Ga voor het opladen als volgt te werk:
Maak de klem van de minpool van de accu los; sluit de kabels van het laadapparaat aan op de accupolen; let hierbij op de polariteit; schakel de acculader in;
Aan het einde van het opladen: schakel eerst de acculader uit en koppel dan de accu los; sluit de klem weer aan op de minpool van de accu.

ATTENTIE!
De vloeistof in de accu is giftig en corrosief. Vermijd het
contact met de huid en de ogen. Het opladen van de accu moet worden uitgevoerd in een goed geventileerde ruimte, ver verwijderd van open vuur en vonkvormende apparaten: brand- en ontploffingsgevaar.

ATTENTIE!
Probeer een bevroren accu niet op te laden: eerst moet
de accu ontdooid worden, anders loopt u het risico dat de accu ontploft. Als de accu bevroren is geweest, moet door deskundig personeel worden gecontroleerd of de cellen niet beschadigd zijn en of de bak geen scheuren vertoont, waardoor de giftige en corrosieve vloeistof kan weglekken.
ECONOMISCHE MODUS
Als de motor stilstaat en de contactsleutel staat in stand M, dan kunnen bepaalde functies (ruitenwissers, ruitbediening, interieurverlichting, autoradio enz.) slechts gedurende maximaal dertig minuten worden gebruikt om een lege accu te voorkomen.
Zodra deze dertig minuten zijn verstreken, worden de ingeschakelde functies in stand-by gezet en het lampje van de accu gaat knipperen gecombineerd met een melding op het display.
Om deze functies weer klaar voor gebruik te maken, moet de motor worden gestart en enkele momenten draaien.
De tijd dat de functies weer beschikbaar zijn, zal het dubbele zijn van de tijd die de motor heeft gedraaid.
Echter deze tijd zal altijd tussen vijf en dertig minuten liggen.
Als de accu leeg is, kan de motor niet worden gestart.
SLEPEN VAN DE AUTO
Het sleepoog, dat bij de auto wordt geleverd, is in de motorruimte geplaatst, zoals in fig. 26 is afgebeeld.
SLEEPOOG BEVESTIGEN
Ga als volgt te werk:
□ open de motorkap en maak het oog A-fig. 26 los uit de zitting; □ verwijder het beschermklepje voor of achter B-fig. 27 m.b.v. de bijgeleverde schroevendraaier; □ draai het sleepoog geheel op de schroefdraadpen.

Start de motor niet als de auto wordt gesleept.

ATTENTIE!
Maak de schroefdraad zorgvuldig schoon, voordat u het
sleepoog op de schroefdraadpen draait. Controleer, voordat de auto wordt gesleept, of het sleepoog geheel op de schroefdraadpen is gedraaid.

ATTENTIE!
Schakel voordat de auto gesleept wordt, het stuurslot uit
(zie de paragraaf "Start-/contactslot" in het hoofdstuk "Dashboard en bediening"). Houd er tijdens het slepen rekening mee dat de rem- en stuurbekrachtiging niet werken als de motor niet draait, waardoor meer kracht nodig is voor de bediening van het rempedaal en het stuur. Gebruik voor het slepen geen elastische kabels en rijd zo gelijkmatig mogelijk. Controleer tijdens het slepen of de sleepkabel geen carrosseriedelen kan beschadigen. Houdt u bij het slepen van een auto aan de wettelijke voorschriften. Dit geldt zowel voor het slepen zelf als voor het gedrag naar andere weggebruikers.
ONDERHOUD EN ZORG
GEPROGRAMMEERD ONDERHOUD 154
GEPROGRAMMEERD ONDERHOUDSSCHEMA ..... 155
PERIODIEKE CONTROLES 157
ZWAAR GEBRUIK VAN DE AUTO.... 157
Doelmatig onderhoud is een beslissende factor voor een lange levensduur, de beste prestaties en een zo zuinig mogelijk gebruik van de auto.
Om dit te realiseren heeft Fiat een reeks controle- en onderhoudsbeurten samengesteld die iedere 30.000 km moeten worden uitgevoerd.
Onthoud echter dat het geprogrammeerd onderhoud niet volledig toereikend is om de auto in optimale staat te houden: zowel in de beginperiode voor de servicebeurt bij 30.000 kilometer als daarna, tussen twee servicebeurten in, moet regelmatig wat aandacht aan de auto worden geschonken. Controleer bijvoorbeeld regelmatig de bandenspanning en de vloeistofniveaus en vul deze laatste zo nodig bij.
BELANGRIJK De servicebeurten van het Geprogrammeerd Onderhoud zijn door de fabrikant voorgeschreven. Het niet uitvoeren van deze servicebeurten kan het vervallen van de garantie tot gevolg hebben.
De werkzaamheden van het Geprogrammeerd Onderhoud kunnen door alle vestigingen van het Fiat Servicenetwerk tegen vaste tarieftijden worden uitgevoerd.
Eventuele reparaties die nodig blijken tijdens het uitvoeren van de diverse inspecties en controles van het geprogrammeerd onderhoud, worden uitsluitend na toestemming van de klant uitgevoerd.
BELANGRIJK Het is raadzaam eventuele kleine defecten onmiddellijk door het Fiat Servicenetwerk te laten verhelpen en daarmee niet te wachten tot de volgende servicebeurt.
Als de auto vaak wordt gebruikt voor het trekken van aanhangers, moeten er kortere intervallen worden aangehouden voor de werkzaamheden van het geprogrammeerd onderhoud.
GEPROGRAMMEERD ONDERHOUDSCHEMA
De onderhoudsbeurten moeten iedere 30.000 km worden uitgevoerd
| x 1000 km | 30 60 | 90 120 | 150 180 | ||||
| Banden op conditie en slijtage controleren en bandenspanning eventueel herstellen | ● | ● | ● | ● | ● | ● | |
| Werking verlichting (koplamp-/achterlichtunits, richtingaanwijzers, waarschuwingsknipperlichten, laadruimte, waarschuwings-/controlelampjes enz.) controleren | ● | ● | ● | ● | ● | ● | |
| Werking ruitenwissers/-sproeiers voor/achter controleren en eventueel sproeiermonden afstellen | ● | ● | ● | ● | ● | ● | |
| Stand wisserbladen controleren en wisserbladen op slijtage controleren | ● | ● | ● | ● | ● | ● | |
| Remblokken op conditie en slijtage controleren en werking van remblokslijtagesensor voor en achter controleren (indien aanwezig) | ● | ● | ● | ● | ● | ● | |
| Remschoenen achter (trommelremmen) op conditie en slijtage controleren (indien aanwezig) | ● | ● | ● | ||||
| Visueel de conditie controleren van: buitenzijde carrosserie en bodemplaatbescherming, uitlaat, brandstof- en remleidingen, rubber delen (stofkappen, hoezen enz.) en rubber slangen van rem- en brandstofsysteem. | ● | ● | ● | ● | ● | ● | |
| Spanning van diverse aandrijfriemen voor hulporganen controleren (behalve uitvoeringen met automatische riemspanners) | ● | ● | |||||
| Slag van handrem controleren en eventueel afstellen | ● | ● | ● | ● | ● | ● | |
| Uitlaatgasemissie/roetuitstoot controleren | ● | ● | ● | ● | ● | ● | |
| Vergrendelmechanismen op vervuiling controleren en mechanismen smeren | ● | ● | ● | ● | ● | ● | |
| x 1000 km | 30 60 90 120 150 180 | ||||||
| Motorolie en oliefilter vervangen | ● | ● | ● | ● | ● | ● | |
| Dieselfilter aftappen | ● | ● | ● | ||||
| Dieselfilter vervangen | ● | ● | ● | ||||
| Luchtfilterelement vervangen | ● | ● | ● | ||||
| Vloeistofniveaus controleren en eventueel bijvullen (motorkoelsysteem, remsysteem, stuurbekrachtiging, ruitensproeiers enz.) | ● | ● | ● | ● | ● | ● | |
| Conditie van aandrijfriem(en) voor hulporganen visueel controleren | ● | ● | ● | ● | ● | ● | |
| Conditie van getande distributieriem visueel controleren | ● | ||||||
| Getande distributieriem vervangen (*) | ● | ||||||
| Insputing/ontsteking controleren (m.b.v. diagnosestekker) | ● | ● | ● | ● | ● | ● | |
| Remvloeistof vervangen (of elke 24 maanden) | ● | ● | ● | ||||
| Pollenfilter vervangen (of elke 24 maanden) | ● | ● | ● | ● | ● | ● | |
| Additiefniveau voor roetfilter bijvullen (voor versies/markten waar voorzien) | ● | ||||||
| Roetfilter vervangen (voor versies/markten waar voorzien) | ● | ||||||
(*) Of om de 5 jaar ongeacht de kilometerstand
PERIODIEKE CONTROLES
Iedere 1.000 km of voor een lange reis controleren en eventueel bijvullen:
□ niveau van de motorkoelvloeistof; □ niveau van de remvloeistof; □ niveau van de ruitensproeiervloeistof; □ conditie en spanning van de banden; □ werking verlichting (koplamp-/achterlichtunits, richtingaanwijzers, waarschuwingsknipperlichten enz.); □ werking ruitenwissers/-sproeiers en stand/slijtage wisserbladen voor en achter.
Iedere 3.000 km controleren en eventueel bijvullen: motorolieniveau.
Gebruik bij voorkeur producten van PETRONAS LUBRICANTS omdat die speciaal zijn afgestemd op de Fiat modellen (zie de "Vullingstabel" in het hoofdstuk "Technische gegevens").
ZWAAR GEBRUIK VAN DE AUTO
Als de auto overwegend onder zware bedrijfsomstandigheden rijdt, zoals:
□ trekken van aanhangers of caravans; □ rijden op stoffige wegen; □ veel korte ritten (minder dan 7-8 km) en bij buitentemperaturen onder nul; bij een vaak langdurig stationair draaiende motor of lange ritten bij lage snelheden (bijv. bij huis-aan-huis bezorging) of als de auto lang stilstaat; ☐ in stadsverkeer;
is het noodzakelijk de volgende controles vaker uit te voeren, dan in het onderhoudsschema staat aangegeven:
□ remblokken voor (schijfremmen) op conditie en slijtage controleren;
□ vergrendelmechanismen van de motorkap en laadruimte op vervuiling controleren en mechanismen smeren; visueel de conditie controleren van: motor, versnellingsbak, aandrijfassen, uitlaat, brandstof- en remleidingen, rubber delen (stofkappen, hoezen enz.) en rubber slangen van rem- en brandstofsysteem; □ acculading en niveau van het elektrolyt in de accu controleren; □ conditie van de aandrijfriemen voor de hulporganen visueel controleren; □ pollenfilter controleren en eventueel vervangen; ☐ luchtfilter controleren en eventueel vervangen.
NIVEAUS
CONTROLEREN

ATTENTIE!
Rook nooit tijdens werkzaamheden in de motorruimte: er kunnen licht ontvlambare gassen aanwezig zijn; brandgevaar.

Belangrijk; tijdens het bijvullen mogen de vloeistoffen met verschillende specificaties niet gemengd worden: als de specificaties van de vloeistoffen verschillen, kan de auto ernstig beschadigd worden.

- Motorkoelvloeistof - 2. Vloeistof voor ruitensproeiers voor/achter en koplampsproeiers - 3. Remvloeistof - 4. Motorolie - 5. Olie van stuurbekrachtiging
I. Motorkoelvloeistof 2. Vloeistof voor ruitensproeiers voor/achter en koplampsproeiers 3. Remvloeistof 4. Motorolie 5. Olie van stuurbekrachtiging 6. Zitting voor trechter motorolie.

fig. 2a - Uitvoeringen 120 en 140 Multijet
F0P0146m
I. Motorkoelvloeistof 2. Vloeistof voor ruitensproeiers voor/achter en koplampsproeiers 3. Remvloeistof 4. Motorolie 5. Olie van stuurbekrachtiging.

Controleer het oliepeil als de auto op een vlakke ondergrond staat en enige minuten (circa 5) na het uitzetten van de motor.
Het oliepeil moet altijd tussen het MIN- en MAX-merkteken op de oliepeilstok B staan.
Het verschil tussen het MIN- en MAX-merkteken komt overeen met ongeveer 1 liter.
Als het olieniveau dicht bij of onder het MIN-merkteken staat, moet via de olievulopening A motorolie tot aan het MAX-merkteken worden bijgevuld.
Het olieniveau mag nooit het MAX-merkteken overschrijden.

fig. 4b - Uitvoeringen 165 Multijet
MOTOROLIEVERBRUIK
Als richtlijn geldt een maximaal motorolieverbruik van ongeveer 400 gram per 1000 km.
De motor van een nieuwe auto moet nog worden ingereden. Dit betekent dat het motorolieverbruik pas na de eerste 5000 ÷ 6000 km stabiliseert.
BELANGRIJK Het motorolieverbruik hangt af van de rijstijl en de gebruiksomstandigheden van de auto.
BELANGRIJK Na het bijvullen of het verversen van de olie, moet u de motor enige seconden laten draaien, vervolgens de motor uitzetten en na enige minuten het oliepeil controleren.
Trechter voor het bijvullen van motorolie (uitvoeringen 120 Multijet en 140 Multijet) fig. 5
Om makkelijker olie bij te vullen is er op de uitvoeringen 120 Multijet en 140 Multijet een trechter A-fig. 5 geplaatst in de motorruimte.

ATTENTIE!
Wees bij het uitvoeren van werkzaamheden in de motorruimte extra voorzichtig als de motor nog warm is: gevaar voor verbranding. Onthoud dat bij een warme motor de elektroventilator onverwacht kan inschakelen: kans op verwonding. Pas op als u sjaals, dassen of loszittende kledingstukken draagt: deze kunnen door de bewegende onderdelen worden gegrepen.

Vul nooit olie bij met andere specificaties dan de olie waarmee de motor is gevuld.

Afgewerkte motorolie en het vervangen motoroliefilter bevatten stoffen die schadelijk zijn voor het milieu. Het is
raadzaam om het verversen van de olie en het vervangen van het oliefilter door het Fiat Servicenetwerk te laten uitvoeren. Het Fiat Servicenetwerk beschikt over de uitrusting voor het op milieuvriendelijke wijze en conform de wettelijke bepalingen verwerken van afgewerkte olie en oliefilters.

Het niveau van de koelvloeistof moet gecontroleerd worden bij een koude motor en moet tussen het MIN- en MAX-merkteken op het expansiereservoir staan.
Een te laag niveau bijvullen door een mengsel van gedemineraliseerd water en 50% PARAFLU UP van PETRONAS LUBRICANTS langzaam via de vulopening A van het expansiereservoir te gieten tot aan het MAX-merkteken.
Een mengsel van PARAFLU UP en gede-mineraliseerd water in een mengverhouding van 50% beveiligt tot een temperatuur van -35°C.

Het motorkoelsysteem is gevuld met PARAFLU UP -koel-vloeistof. Gebruik voor het eventueel bijvullen vloeistof met dezelfde specificaties als waarmee het motorkoelsysteem is gevuld. PARAFLU JP -koelvloeistof kan niet worden gemengd met welke andere koelvloeistof dan ook. Als dit toch gebeurt, mag de motor absoluut niet worden gestart en moet u zich tot het Fiat Servicenetwerk wenden.

ATTENTIE!
Het koelsysteem staat onder druk. Vervang de dop zo no-
Het koelsysteem staat onder druk. Vervang de dop zo nodig alleen door een exemplaar van hetzelfde type, anders kan de werking van het systeem in gevaar worden gebracht. Draai bij een warme motor de dop van het expansiereservoir nooit los: gevaar voor verbranding.

fig. 7
Controleer visueel het niveau van de vloeistof in het reservoir.

ATTENTIE!
Rijd niet met een leeg ruitensproeierreservoir: de ruitensproeiers zijn van fundamenteel belang voor een optimaal zicht.
Rijd niet met een leeg ruitensproeierreservoir: de ruitensproeiers zijn van fundamenteel belang voor een optimaal zicht.
RUITENSPROEIERVLOEISTOF fig. 7
Verwijder de dop A en vul vloeistof bij. Gebruik een mengsel van water en TUTELA PROFESSIONAL SC35 in de volgende mengverhouding:
30% TUTELA PROFESSIONAL SC35 en 70% water in de zomer.
50% TUTELA PROFESSIONAL SC35 en 50% water in de winter.
Bij temperaturen onder -20°C TUTELA PROFESSIONAL SC35 onverdund gebruiken.

ATTENTIE!
Enkele in de handel verkrijgbare ruitensproeiervloeistof-
Enkele in de handel verkrijgbare ruitensproeiervloeistoffen zijn licht ontvlambaar. In de motorruimte bevinden zich warme onderdelen die bij contact de vloeistof kunnen doen ontbranden.

fig. 8
REMVLOEISTOF fig. 8
Draai de dop A los en controleer of de vloeistof in het reservoir op het maximum niveau staat.
Het niveau mag nooit het MAX-merkteken overschrijden.
Voor het bijvullen mag uitsluitend remvloeistof worden gebruikt die voldoet aan de DOT4-specificaties. Het verdient aanbeveling TUTELA TOP 4 remvloeistof te gebruiken; dezelfde remvloeistof, waarmee het remsysteem door de fabriek is gevuld.
BELANGRIJK De remvloeistof is hygroscopisch (trekt water aan). Als de auto overwegend wordt gebruikt in gebieden met een hoge luchtvochtigheid, dan moet de vloeistof vaker worden vervangen dan in het "Onderhoudsschema" staat aangegeven.

Voorkom, als u de dop losdraait, contact tussen de zeer corrosieve vloeistof en de lak.
Als remvloeistof wordt ge-
morst, moet de lak onmiddellijk met water worden afgespoeld.

ATTENTIE!
De remvloeistof is giftig en zeer corrosief. Als per onge-
luk remvloeistof wordt gemorst, moeten de betreffende delen onmiddellijk worden gewassen met water en neutrale zeep en daarna met veel water worden afgespoeld. Bij inslikken dient onmiddellijk een arts te worden geraadpleegd.

ATTENTIE!
Het symbool Ⓐ op het reservoir geeft aan dat syntheti-
sche remvloeistof en geen minerale vloeistof moet worden gebruikt. Het gebruik van minerale vloeistoffen moet absoluut worden vermeden, omdat de rubbers in het remsysteem door deze vloeistoffen worden beschadigd.

ATTENTIE!
Voor de besteluitvoering wordt aangeraden de rem-
vloeistof om de twee jaar te vervangen.

Controleer de olie van de stuurbekrachtiging bij een koude motor en als de auto op een vlakke ondergrond staat. De olie moet tussen het MIN- en MAX-merkteken op het reservoir staan (fig. 9 en fig. 10).
Bij zeer warme olie kan het olieniveau boven het MAX-merkteken staan.
Indien nodig kan het niveau worden bijgevuld met olie, die dezelfde specificaties moet hebben als de reeds in het systeem aanwezige olie.

Voorkom dat de olie voor de stuurbekrachtiging in contact
komt met de warme delen van de motor: de olie is ontvlambaar.

Het olieverbruik van de stuurbekrachtiging is zeer laag; als na het bijvullen de olie binnen korte tijd weer moet worden
bijgevuld, moet het systeem door het Fiat Servicenetwerk op eventuele lekkage worden gecontroleerd.
LUCHTFILTER/POLLENFILTER
Laat het pollenfilter vervangen door het Fiat Servicenetwerk.
ACCU
De accu van de auto is "onderhoudsarm": onder normale omstandigheden hoeft het elektrolyt niet bijgevuld te worden met gedestilleerd water.
De accu is in het interieur geplaatst, op de vloer onder de passagiersstoel. De accu is bereikbaar nadat het beschermdeksel is verwijderd.
Het is raadzaam de accu door het Fiat Servicenetwerk te laten controleren/vervangen.
ACCULADING CONTROLEREN fig. 11
De acculading kan gecontroleerd worden door de kleur van de optische meter A (indien aanwezig) op het deksel van de accu te controleren.
Als de accu niet voorzien is van een controle-instrument voor de acculading en het elektrolytniveau (optische hydrometer), mogen de controlewerkzaamheden uitsluitend door deskundig personeel worden uitgevoerd.
Om de acculading te controleren, moet u de twee schroeven losdraaien en het deksel openen. Sluit na het controleren van de acculading, het deksel zorgvuldig, waarbij afknellingen en kortsluiting moeten worden voorkomen.
Zie de volgende tabel.

ATTENTIE!
De vloeistof in de accu is giftig en corrosief. Voorkom
contact met de huid en de ogen. Houd open vuur en vonkvormende apparaten verwijderd van de accu: brand- en ontploffingsgevaar.

ATTENTIE!
Als de accu werkt met een zeer laag vloeistofniveau,
ontstaat onherstelbare schade aan de accu en kan de accu openbarsten.


Onoordeelkundige montage van elektrische en elektronische apparatuur kan ernstige schade toebrengen aan de auto. Als u na aanschaf van uw auto accessoires wilt monteren (diefstalalarm, mobiele telefoon enz.), wendt u dan tot het Fiat Servicenetwerk, dat kan u de meest geschikte installaties aanraden en controleren of het noodzakelijk is een accu met een grotere capaciteit te monteren.
Helderwitte elektrolyt bijvullen: wendt u tot het Fiat Servicenetwerk.
Donkere kleur: accu onvoldoende geladen. Accu opladen zonder groen gebied (wendt u tot het Fiat Servicenetwerk).
Donkere kleur met groen gebied in het midden: elektrolytniveau en lading voldoende. Geen actie.
ACCU VERVANGEN
Als de accu vervangen wordt, moet een originele accu met dezelfde specificaties worden geïnstalleerd.
Als de accu vervangen wordt door een accu met andere specificaties, vervallen de onderhoudsintervallen die in het "Geprogrammeerd Onderhoudsschema" staan aangegeven.
Voor het onderhoud van de nieuwe accu dient u zich strikt te houden aan de aanwijzingen van de fabrikant van de accu.
BELANGRIJK: Wij raden u aan de acculading voor het begin van de winter te controleren, om de mogelijkheid van bevriezing van het elektrolyt te voorkomen. Voer deze controle vaker uit als de auto overwegend voor korte trajecten wordt gebruikt, of als accessoires zijn gemonteerd die permanent, ook bij uitgeschakeld contact, stroom verbruiken. Dit geldt in het bijzonder voor achteraf aangebrachte accessoires.

Accu's bevatten zeer schadelijke stoffen voor het milieu. Het is raadzaam om de accu door het Fiat Servicenetwerk te laten vervangen. Het Fiat Servicenetwerk beschikt over de uitrusting voor het op milieuvriendelijke wijze en conform de wettelijke bepalingen afvoeren van de accu.

ATTENTIE!
Als u de auto langere tijd stalt in extreem koude omstandigheden moet, om bevriezing te voorkomen, de accu worden verwijderd en op een verwarmde plaats worden bewaard.

ATTENTIE!
Bij werkzaamheden aan de accu of in de buurt van de accu, moet u uw ogen altijd beschermen met een speciale bril.
Om het snel ontladen van de accu te voorkomen en de levensduur te verlengen, dient u de volgende aanwijzingen nauwkeurig op te volgen:
□ wanneer u de auto parkeert, controleer dan of de portieren, deuren en de motorkap goed gesloten zijn. Hiermee wordt voorkomen dat de interieurverlichting blijft branden; □ schakel de interieurverlichting uit: de auto is in ieder geval uitgerust met een systeem voor automatische uitschakeling van de interieurverlichting; □ voorkom zoveel mogelijk het gebruik van stroomverbruikers als de motor uitstaat (autoradio, waarschuwings-knipperlichten enz.). ☐ voordat werkzaamheden aan de elektrische installatie van de auto worden uitgevoerd, moet eerst de minklem van de accupool worden losgemaakt; □ de klemmen moeten altijd goed zijn bevestigd.
BELANGRIJK Een accu die gedurende langere tijd minder dan 50% geladen is (optische meter donker zonder groen middenstuk), raakt door sulfatering beschadigd. Hierdoor loopt de capaciteit en het startvermogen terug.
Ook is de accu dan gevoeliger voor bevriezing (reeds bij temperaturen van circa -10°C). Als u de auto langere tijd niet gebruikt, zie dan "Auto langere tijd stallen" in het hoofdstuk "Starten en rijden".
Als u na aanschaf van uw auto accessoires wilt monteren die constante voeding nodig hebben (diefstalalarm enz.), of accessoires die de elektrische installatie zwaar belasten, raden wij u aan contact op te nemen met het Fiat Servicenetwerk. Deze kan u de meest geschikte installaties uit het Fiat Lineaccessori-programma aanraden en controleren of de elektrische installatie van de auto geschikt is voor het extra stroomverbruik of dat het noodzakelijk is een accu met een grotere capaciteit te monteren.
Enkele van deze stroomverbruikers blijven continu stroom verbruiken ook bij een uitgezette motor, waardoor de accu geleidelijk onlaadt.
WIELEN EN BANDEN
De spanning van de banden, inclusief het noodreservewiel, moet regelmatig, om de twee weken en voor een lange rit, worden gecontroleerd: de bandenspanning moet bij koude banden worden gecontroleerd.
Tijdens het rijden neemt de bandenspanning toe; zie voor de juiste waarde van de bandenspanning de paragraaf "Wielen" in het hoofdstuk "Technische gegevens".
Een onjuiste bandenspanning veroorzaakt een onregelmatige slijtage van de banden fig. 12:
A juiste spanning: gelijkmatige slijtage van het loopvlak. B te lage spanning: te grote slijtage aan de zijkanten van het loopvlak. C te hoge spanning: te grote slijtage in het midden van het loopvlak.
Banden moeten worden vervangen als de profieldiepte van het loopvlak minder is dan 1,6 mm. Houdt u echter altijd aan de bepalingen van het land waarin u rijdt.

BELANGRIJK
□ Voorkom bruusk remmen, met spinnende wielen optrekken, harde contacten tussen banden en stoepranden, kuilen en andere obstakels. Het langdurig rijden op een slecht wegdek kan de banden beschadigen; □ controleer de banden regelmatig op scheuren in de wangen en bulten of slijtplekken op het loopvlak. Als u deze gebreken constateert, wendt u dan tot het Fiat Servicenetwerk; □ rijd nooit met een te zwaar beladen auto: hierdoor kunnen de banden en de velgen ernstig beschadigd worden; □ stop zo snel mogelijk bij een lekke band en verwissel het wiel om beschadiging van de band, de velg, de wielophanging en de stuurinrichting te voorkomen;
☐ banden verouderen, ook als zij weinig of nooit gebruikt zijn. Scheurtjes in het loopvlak en op de wangen geven aan dat de band verouderd is. Banden die langer dan zes jaar onder een auto gemonteerd zijn, moeten dan ook door een specialist worden gecontroleerd. Dit geldt in het bijzonder voor het noodreservewiel; □ monteer nooit gebruikte banden of banden, waarvan de herkomst onbekend is; □ bij de montage van een nieuwe band moet ook het ventiel vernieuwd worden; om een gelijke slijtage van de banden op de vooras en de achteras te verkrijgen, is het raadzaam de banden om de 10.000 / 15.000 km van as te verwisselen. Hierbij moeten de banden aan dezelfde zijde van de auto gemonteerd blijven, zodat een omkering van de draairichting wordt voorkomen.

ATTENTIE!
Bedenk dat ook de wegligging afhankelijk is van een ndenspanning.

ATTENTIE!
Door een te lage bandenspanning wordt de band te heet, waardoor er onherstelbare inwendige schade aan de band kan ontstaan.

ATTENTIE!
Verwissel de banden niet kruiselings, waarbij de banden van de rechterzijde aan de linkerzijde en omgekeerd worden gemonteerd.

ATTENTIE!
Voer bij lichtmetalen velgen geen spuitwerkzaamheden uit die een temperatuur vereisen boven 150°C. De mechanische eigenschappen van de wielen kunnen hierdoor in gevaar worden gebracht.
RUBBER SLANGEN
Houd voor de rubber slangen van het rem- en brandstofsysteem zeer nauwkeurig de voorschriften van het "Onderhoudsschema" in dit hoofdstuk aan.
Ozon, hoge temperaturen en het gedurende langere tijd ontbreken van vloeistof in een systeem zorgen ervoor dat de slangen uitdrogen en scheuren, waardoor het betreffende systeem kan gaan lekken. Daarom is zorgvuldige controle noodzakelijk.
RUITENWISSERS/ ACHTERRUITWISSER
WISSERBLADEN
Maak de wisserbladen regelmatig schoon met een schoonmaakmiddel; wij raden TUTELA PROFESSIONAL SC 35 aan.
Vervang de wisserbladen als het rubber vervormd of versleten is. Het verdient aanbeveling ten minste één maal per jaar de wisserbladen te vervangen.
Met enkele simpele voorzorgsmaatregelen is het mogelijk beschadigingen van het rubber te voorkomen:
□ wanneer de temperatuur onder 0°C is gedaald, moet gecontroleerd worden of er geen ijs tussen wisserblad en ruit zit. Maak de wissers zo nodig vrij met een anti-vriesmiddel; □ verwijder eventueel opgehoopte sneeuw van de ruit: om de wisserbladen te beschermen en oververhitting van de ruitenwissermotor te voorkomen; □ schakel de ruitenwissers niet in op een droge ruit.

ATTENTIE!
Rijden met versleten ruitenwisserbladen is zeer gevaarlijk,
omdat ze het zicht onder slechte weersomstandigheden aanzienlijk beperken.
Ruitenwisserbladen vervangen (fig. 13)
Ga voor het vervangen van de ruitenwisserbladen als volgt te werk:
- druk binnen 60 seconden nadat de contactsleutel in stand S is gezet of is uitgenomen, de rechter hendel kort omlaag; de ruitenwissers gaan in de verticale stand staan en stoppen;
- verwijder het sproeierelement A dat op het wisserblad is geklemd;
- til de wisserarm B van de ruit en plaats het wisserblad onder een hoek van 90° ten opzichte van de arm, terwijl de arm omhoog gehouden wordt;
- druk op de lip C van de borging en druk gelijktijdig het wisserblad naar beneden om het los te maken van de wisserarm B;

fig. 13 F0P0349m
- Plaats het nieuwe wisserblad over de arm en druk het omhoog totdat de lip C in het uiteinde van de arm vastklikt.
- Controleer of het wisserblad goed geborgd is.

Om beschadiging van de voorruit te voorkomen, moet de wisserarm tijdens het vervangen van het wisserblad altijd van de ruit af staan. Klap na de vervanging van het wisserblad de wisserarm weer voorzichtig terug in de juiste stand op de voorruit.

fig. 14 F0P0350m
Wisserblad van achterruitenwisser vervangen (fig. 14)
Ga voor het vervangen van het ruitenwisserblad van de achterruitwisser als volgt te werk:
- Til de wisserarm A van de achterruit en plaats het wisserblad onder een hoek van 90° ten opzichte van de arm.
- Verwijder het geklemd gemonteerde wisserblad B in de richting van de pijl.
- Monteer het nieuwe wisserblad door de handelingen voor het verwijderen in omgekeerde volgorde uit te voeren; controleer of het wisserblad goed geborgd is.

Als de ruitensproeiers niet werken, controleer dan eerst het niveau in het ruitensproeiertankje (zie de paragraaf "Niveaus controleren" in dit hoofdstuk).
Controleer vervolgens of de ruitensproeiermonden niet verstopt zijn. Deze kunnen zo nodig met een speld worden doorgeprikt.
De stralen van de ruitensproeiers kunt u richten door de sproeiermonden af te stellen.
De stralen moeten op ongeveer 1/3 van de bovenkant van de ruit worden gericht.
Achterruit (achterruitsproeier)
De sproeiermond van de achterruitwisser is op de achterruitwisser zelf geplaatst.
CARROSSERIE
De belangrijkste oorzaken van roest zijn:
□ luchtverontreiniging;
□ zoutgehalte in de lucht en luchtvochtigheid (gebieden aan zee, warm en vochtig klimaat);
omgevings-/seizoensinvloeden.
Ook de invloed van schurende elementen, zoals stoffige omgeving, opwaaiend zand, modder en steenslag op de lak en de onderzijde moet niet worden onderschat.
Fiat heeft voor uw auto de beste technologische oplossingen toegepast om de carrosserie efficiënt tegen roest te beschermen.
De belangrijkste zijn:
□ de toepassing van aangepaste spuit-technieken en lakproducten die de auto de benodigde weerstand tegen roest en schurende elementen verlenen.
□ het gebruik van verzinkte (of voorbehandelde) plaatdelen met een hoge corrosiebestendigheid;
□ het aanbrengen van een gespoten beschermende waslaag op de onderzijde, in de wielkuipen, in de motorruimte en verschillende holle ruimtes, met een hoog beschermend vermogen;
□ het aanbrengen van een beschermende kunststof laag op kwetsbare delen: onderzijde van de portieren, binnenzijde van de spatborden, naden, randen enz.; toepassing van "open" holle ruimtes om condensvorming te voorkomen en binnendringend water af te voeren, waardoor roest van binnenuit wordt voorkomen.
CARROSSERIEGARANTIE
Bij de auto is de carrosserie tegen doorroesten van alle originele componenten van de carrosserie en van alle dragende delen gegarandeerd.
Voor de specifieke voorwaarden van deze garantie wordt verwezen naar de "Serviceen garantiehandleiding".
TIPS VOOR HET BEHOUD VAN DE CARROSSERIE
Lak
De lak heeft behalve een esthetische functie ook een beschermende functie.
Daarom moeten beschadigingen van de laklaag, zoals krassen, onmiddellijk worden bijgewerkt om roestvorming te voorkomen. Het bijwerken dient met de originele lak te worden uitgevoerd (zie "Plaatje met informatie over de carrosserielak" in het hoofdstuk "Technische gegevens").
Het normale onderhoud van de auto beperkt zich tot wassen, waarbij de frequentie afhankelijk is van het gebruik van de auto en van de omgeving. Het is raadzaam de auto vaker te wassen bij sterke luchtverontreiniging of bij het rijden over wegen met strooizout.
□ verwijder de antenne van het dak als u de auto in een wastunnel wast, om te voorkomen dat deze beschadigt; □ spoel de auto eerst met een waterstraal onder lage druk af; □ was de auto met een zachte spons met een oplossing van neutrale zeep; spoel daarbij de spons regelmatig uit; □ spoel de auto af met schoon water en droog de auto met warme lucht of een schone, zachte zeem.
De minder zichtbare delen zoals de randen van de portieren, achterklep, motorkap en de koplampranden moeten tijdens het drogen niet vergeten worden, omdat daar water kan blijven staan. Het verdient aanbeveling de auto na het wassen niet onmiddellijk binnen te zetten, maar de auto nog even buiten te laten staan, zodat waterresten buiten kunnen verdampen.
Was de auto nooit in de zon of als de motorkap nog warm is: de glans van de lak kan afnemen.
De kunststof carrosseriedelen kunnen op dezelfde wijze worden gewassen als de gespoten carrosseriedelen.
Parkeer de auto niet onder bomen, aangezien harsdruppels bij langere inwerking de lak kunnen beschadigen, waardoor de kans op roestvorming wordt vergroot.
BELANGRIJK Vogeluitwerpselen dienen zo snel en zo goed mogelijk van de lak verwijderd te worden, omdat door de agressieve bestanddelen de lak kan beschadigen.

Schoonmaakmiddelen verontreinigen het water. Daarom moet de auto bij voorkeur worden gewassen op een plaats
waar het afvalwater direct wordt opgevangen en gezuiverd.
Ruiten
Gebruik voor het schoonmaken van de ruiten een daarvoor geschikt schoonmaakmiddel. Gebruik een schone, zachte doek om krassen en beschadigingen te voorkomen.
BELANGRIJK Let er bij het schoonmaken van de binnenzijde van de achterruit op dat de elektrische weerstandsdraden van de achterruitverwarming niet worden beschadigd. Veeg voorzichtig in de richting van de draden.
Motorruimte
Laat de motorruimte na het winterseizoen zorgvuldig uitspuiten. Hierbij mag de waterstraal niet direct op de elektronische regeleenheden worden gericht en moeten de bovenste ventilatie-openingen goed beschermd worden, om beschadiging van de ruitenwissermotor te voorkomen. Laat deze werkzaamheden verzorgen door een gespecialiseerd bedrijf.
BELANGRIJK Voor het uitspuiten van de motorruimte moet de contactsleutel in stand S staan en de motor koud zijn. Controleer na het reinigen of de verschillende beschermingen (rubber kappen, deksels enz.) nog op hun plaats zitten en niet beschadigd zijn.
Koplampen
BELANGRIJK Gebruik voor het reinigen van het kunststof lampenglas van de koplampen geen aromatische producten (bijv. benzine) of ketonen (bijv. aceton).
INTERIEUR
Controleer af en toe of er onder de vloerbedekking geen water is blijven staan (dooiwater van sneeuwresten aan schoenen, lekkende paraplu's enz.), waardoor roestvorming op de bodem veroorzaakt zou kunnen worden.

ATTENTIE!
Gebruik nooit ontvlambare producten zoals petroleum of wasbenzine voor het reinigen van de interieurdelen van de auto. De elektrostatische lading die tijdens het reinigen door het wrijven ontstaat, kan brand veroorzaken.

ATTENTIE!
Bewaar nooit spuitbussen in de auto: ontploffingsgevaar. Spuitbussen mogen niet worden blootgesteld aan temperaturen boven 50°C. In de zomer kan de temperatuur in het interieur ver boven deze waarde oplopen.
STOELEN EN STOFFEN BEKLEDING
Verwijder stof met een zachte borstel of een stofzuiger. Voor een nog betere reiniging van de stoffen bekleding raden wij u aan de borstel vochtig te maken.
Reinig de zittingen met een vochtige spons en een oplossing van neutrale zeep.

De stoffen bekleding van uw auto is langdurig bestand tegen slijtage die ontstaat bij een normaal gebruik van de auto.
Hevig en/of langdurig wrijven met kledingaccessoires zoals metalen gespen, sierknopen en klittenbandsluitingen, moet echter absoluut worden vermeden omdat hierdoor grote druk ontstaat op een bepaalde plek op de bekleding, waardoor deze plek kan slijten en de bekleding beschadigd wordt.
KUNSTSTOF INTERIEURDELEN
Wij raden u aan om de kunststof interieurdelen op de normale manier te reinigen met een doek bevochtigd met water en een neutrale zeep zonder schuurmiddel. Voor het verwijderen van vet- of hardnekkige vlekken moeten speciale schoonmaakmiddelen zonder oplosmiddelen worden gebruikt, die geschikt zijn voor het reinigen van kunststof en die het visuele effect en de kleur van de componenten niet wijzigen.
BELANGRIJK Gebruik nooit alcohol of benzine om het glas van het instrumentenpaneel schoon te maken.
LEREN STUURWIEL / POOKKNOP
Reinig deze componenten uitsluitend met water en neutrale zeep.
Gebruik nooit alcohol of producten op basis van alcohol.
Voordat u speciale producten gebruikt voor het reinigen van de interieurdelen, moet u eerst de aanwijzingen op het etiket van het product lezen en controleren of het geen alcohol en/of substanties op basis van alcohol bevat.
Als tijdens het reinigen van de voorruit met speciaal daarvoor bestemde producten, per ongeluk druppels op het leer van het stuurwiel of de pookknop terechtkomen, moeten deze onmiddellijk worden verwijderd en het betreffende gebied met water en neutrale zeep worden afgenomen.
BELANGRIJK Wees zeer voorzichtig bij het gebruik van mechanische diefstalbeveiligingen op het stuurwiel om beschadiging van de leren bekleding te voorkomen.
TECHNISCHE GEGEVENS
IDENTIFICATIEGEGEVENS 174
MOTORCODES - CARROSSERIE-UITVOERINGEN 177
MOTOR 179
BRANDSTOFSYSTEEM 180
TRANSMISSIE 180
REMMEN 181
WIELOPHANGING 181
STUURINRICHTING 181
WIELEN 182
AFMETINGEN 185
AFMETINGEN VAN DE LAADRUIMTE.... 189
PRESTATIES 189
Het verdient aanbeveling kennis te nemen van de identificatiegegevens van de auto. De identificatiegegevens zijn op typeplaatjes ingeslagen; deze bevinden zich op de in fig. I aangegeven plaatsen:
I - typeplaatje met identificatiegegevens; 2 - chassisnummer; 3 - plaatje met informatie over de carrosserielak.

fig. I
TYPEPLAATJE MET IDENTIFICATIEGEGEVENS fig. 2
A - Naam van de fabrikant; B - Nummer nationale typegoedkeuring; C - Identificatiecode voertuigtype en chassisnummer; D - Max. toelaatbaar totaalgewicht van de auto; E - Max. toelaatbaar totaalgewicht van de auto met aanhanger; F - Max. toelaatbare voorasbelasting;
G - Max. toelaatbare achterasbelasting; H - Identificatiecode van het voertuigtype; I - Correctiewaarde voor uitlaatrookgasmeting; J - Chassisnummer.

Gebruik het platte uiteinde van de trekhaak om het klepje te openen.
PLAATJE MET INFORMATIE OVER DE CARROSSERIELAK EN DE BANDEN fig. 4
Het plaatje op de stijl van het bestuurdersportier vermeldt:
- velg- en bandenmaten;
- de door de fabrikant gehomologeerde bandenmerken;
- de bandenspanningen (de bandenspanning moet bij koude banden ten minste een keer per maand worden gecontroleerd):
- kleurcode van de lak.

fig. 4
MOTORCODES - CARROSSERIE-UITVOERINGEN
| Motor | Motorcode | Beschrijving | Zitplaatsen | Carrosserie-uitvoering |
| 90 Multijet | 9HU | Combi - Korte wielbasis | 5 / 6 | 270XXAIA AA270XXIA AA2 (*) |
| Combi - Korte wielbasis | 8 / 9 | 270XXAIA AB270XXAIA ABI (*) | ||
| Combi - Lange wielbasis | 5 / 6 | 270XXAIA AAL | ||
| Combi - Lange wielbasis | 8 / 9 | 270XXAIA ABL | ||
| Combi - Lange wielbasis - Verhoogd draagvermogen | 8 / 9 | 270KXAIA ABL | ||
| Bestel - Korte wielbasis - Laag dak - 10 Q | 2 / 3 | 270ZXAIA ZA | ||
| Bestel - Korte wielbasis - Laag dak -12 Q | 2 / 3 | 270ZXAIA WA | ||
| Bestel - Lange wielbasis - Laag dak -12 Q | 2 / 3 | 270ZXAIA WAL | ||
| Bestel - Lange wielbasis - Verhoogd dak -12 Q | 2 / 3 | 270ZXAIA ZA | ||
| Platformchassis - Lange wielbasis - 12 Q | 2 / 3 | 270ZXAIA ZA | ||
| Combi - Korte wielbasis - Cat. NI | 5 / 6 | 270ZXAIA ZA | ||
| Combi - Lange wielbasis - Cat. NI | 5 / 6 | 270ZXAIA ZA | ||
| 120 Multijet | RHK | Combi - Korte wielbasis | 5 / 6 | 270XXCIB AA270XXCIB AA2 (*) |
| Combi - Korte wielbasis | 8 / 9 | 270XXCIB AB270XXCIB ABI (*) | ||
| Combi - Lange wielbasis | 5 / 6 | 270XXCIB AAL270XXCIB AAL2 (*) | ||
| Combi - Lange wielbasis | 8 / 9 | 270XXCIB ABL270XXCIB ABL3 (*) | ||
| Combi - Lange wielbasis - Verhoogd draagvermogen | 8 / 9 | 270KXCIB ABL270KXCIB ABL4 (*) | ||
| Bestel - Korte wielbasis - Laag dak - 10 Q | 2 / 3 | 270ZXCIB ZA | ||
| Bestel - Korte wielbasis - Laag dak -12 Q | 2 / 3 | 270ZXCIB WA | ||
| Bestel - Lange wielbasis - Laag dak -12 Q | 2 / 3 | 270ZXCIB WAL | ||
| Bestel - Lange wielbasis - Verhoogd dak -12 Q | 2 / 3 | 270ZXCIB WBL | ||
| Platformchassis - Lange wielbasis - 12 Q | 2 / 3 | 270YXAIA ZAL | ||
| Combi - Korte wielbasis - Cat. NI | 5 / 6 | 270ZXAIA ZC | ||
| Combi - Lange wielbasis - Cat. NI | 5 / 6 | 270ZXAIA ZCL | ||
| Bestel - Korte wielbasis - 10 Q | 2 / 3 | 270ZXFIB ZA (*) | ||
| Bestel - Korte wielbasis - 12 Q | 2 / 3 | 270ZXFIB WA (*) | ||
| Bestel - Lange wielbasis - 12 Q | 2 / 3 | 270ZXFIB WAL (*) | ||
| Bestel - Lange wielbasis - Verhoogd dak 12 Q | 2 / 3 | 270ZXFIB WBL (*) |
(*) Uitvoering met DPF
| Motor | Motorcode | Beschrijving | Zitplaatsen | Carrosserie-uitvoering |
| 120 Multijet | RHK | Platformchassis - Lange wielbasis - 12 Q | 2 / 3 | 270YXFIB WAL (*) |
| Combi - Korte wielbasis - 10 Q | 5 / 6 | 270XXFIB AAI (*) | ||
| Combi - Lange wielbasis - 10 Q | 5 / 6 | 270XXFIB AALI (*) | ||
| Combi - Korte wielbasis - 10 Q | 8 / 9 | 270KXFIB ABI (*) | ||
| Combi - Lange wielbasis - 10 Q | 8 / 9 | 270KXFIB AB2 (*) | ||
| Combi - Korte wielbasis - 10 Q - Cat. NI | 5 / 6 | 270ZXFIB ZC (*) | ||
| Combi - Lange wielbasis - 10 Q - Cat. NI | 5 / 6 | 270ZXFIB ZCL (*) | ||
| 140 Multijet | RHR | Combi - Korte wielbasis | 5 / 6 | 270XXDIB AA270XXDIB AA2 (*) |
| Combi - Korte wielbasis | 8 / 9 | 270XXDIB AB270XXDIB ABI (*) | ||
| Combi - Lange wielbasis | 5 / 6 | 270XXDIB AAL270XXDIB AAL2 (*) | ||
| Combi - Lange wielbasis | 8 / 9 | 270XXDIB ABLI | ||
| Combi - Lange wielbasis - Verhoogd draagvermogen | 8 / 9 | 270KXDIB ABLI270KXDIB ABL4 (*)270KXDIB ABL5 (*) | ||
| Bestel - Korte wielbasis - Laag dak - 10 Q | 2 / 3 | 270ZXDIB ZA | ||
| Bestel - Korte wielbasis - Laag dak -12 Q | 2 / 3 | 270ZXDIB WA | ||
| Bestel - Lange wielbasis - Laag dak -12 Q | 2 / 3 | 270ZXDIB WAL | ||
| Bestel - Lange wielbasis - Verhoogd dak -12 Q | 2 / 3 | 270ZXDIB WBL | ||
| Platformchassis - Lange wielbasis - 12 Q | 2 / 3 | 270YXDIB ZAL | ||
| Combi - Korte wielbasis - Cat. NI | 5 / 6 | 270ZXDIB ZC | ||
| Combi - Lange wielbasis - Cat. NI | 5 / 6 | 270ZXDIB ZCL | ||
| 165 Multijet | RHH | Combi - Korte wielbasis | 8 / 9 | 270KXGIB AB |
| Combi - Lange wielbasis | 8 / 9 | 270KXGIB ABL | ||
| Combi - Lange wielbasis - Verhoogd draagvermogen | 8 / 9 | 270KXGIB ABLI | ||
| Bestel - Korte wielbasis - Laag dak - 10 Q | 2 / 3 | 270ZXGIB ZA | ||
| Bestel - Korte wielbasis - Laag dak -12 Q | 2 / 3 | 270ZXGIB WA | ||
| Bestel - Lange wielbasis - Laag dak -12 Q | 2 / 3 | 270ZXGIB WAL | ||
| Bestel - Lange wielbasis - Verhoogd dak -12 Q | 2 / 3 | 270ZXGIB WBL | ||
| Platformchassis - Lange wielbasis - 12 Q | 2 / 3 | 270YXGIB WAL | ||
| Combi - Korte wielbasis - Cat. NI | 5 / 6 | 270ZXGIB ZC | ||
| Combi - Lange wielbasis - Cat. NI | 5 / 6 | 270ZXGIB ZCL |
(*) Uitvoeringen met DPF
MOTOR
| ALGEMEEN | 90 Multijet | 120 Multijet | 140 Multijet | 165 Multijet | |
| Typecode | 9HU | RHK | RHR | RHH | |
| Cyclus | Diesel | Diesel | Diesel | Diesel | |
| Aantal en opstelling cilinders | 4 in lijn | 4 in lijn | 4 in lijn | 4 in linea | |
| Boring en slag mm | 75 x 88,3 | 85 x 88 | 85 x 88 | 85 x 88 | |
| Cilinderinhoud cm | 3 | 1560 | 1997 | 1997 | 1997 |
| Compressieverhouding | 18,0:1 | 17,5:1 | 17,5:1 | 16±0,4:1 | |
| Maximum vermogen (EU) kW | 66 | 88 | 100 | 120 | |
| pk | 90 | 120 | 136 | ||
| bijbehorend toerental /min | 4000 | 4000 | 4000 | 3750 | |
| Maximum koppel (EU) Nm | 180 | 300 | 320 | 340 | |
| bijbehorend toerental /min | kgm | 1750 | 2000 | 2000 | 2000 |
| Brandstof | Diesel voor motorvoertuigen (specificatie EN590) | Diesel voor motorvoertuigen (specificatie EN590) | Diesel voor motorvoertuigen (specificatie EN590) | Diesel voor motorvoertuigen (specificatie EN590) | |
BRANDSTOFSYSTEEM
Modificaties of reparaties aan het brandstofsysteem die niet correct worden uitgevoerd en waarbij geen rekening wordt gehouden met de technische specificaties van het systeem, kunnen storingen in de werking en zelfseroorzaken.
TRANSMISSIE
| Versnellingsbak | Vijf gesynchroniseerde versnellingen vooruit en een versnelling achteruit | Zes gesynchroniseerde versnellingen vooruit en een versnelling achteruit |
| Koppeling | Zelfstellend met koppelingspedaal zonder vrije slag | Zelfstellend met koppelingspedaal zonder vrije slag |
| Aandrijving | Voor | Voor |
REMMEN
| 90 Multijet - 120 Multijet - 140 Multijet - 165 Multijet | |
| Voetrem: | |
| - voor | schijfremmen (geventileerd voor bepaalde uitvoeringen) |
| - achter | schijfremmen of trommelremmen (enkele uitvoeringen) |
| Handrem | bediend met handremhefboom, werkend op de achterwielen |
BELANGRIJK Water, ijs en strooizout op de wegen kunnen zich afzetten op de remschijven waardoor de gewenste remvertraging iets later wordt bereikt.
WIELOPHANGING
| 90 Multijet - 120 Multijet - 140 Multijet - 165 Multijet | |
| Voor | onafhankelijke wielophanging, type McPherson |
| Achter | semi-onafhankelijk met door torsiebuis gekoppelde draagarmen met schroefveren/luchtvering (indien van toepassing) |
STUURINRICHTING
| 90 Multijet - 120 Multijet - 140 Multijet - 165 Multijet | |
| Type | tandheugel met elektrohydraulische bekrachtiging (hydraulisch op de uitvoering 90 Multijet) |
| Draaicirkel(tussen stoepranden) m | 12,18 (□) / 12,59 (○) |
(□) Uitvoering korte wielbasis
(○) Uitvoering lange wielbasis
WIELEN
VELGEN EN BANDEN
Geperst stalen of lichtmetalen velgen. Tubeless radiaalbanden. Op de typegoedkeuring zijn bovendien alle goedgekeurde banden aangegeven.
BELANGRIJK Als de gegevens in het instructieboekje afwijken van die van de typegoedkeuring, dient u zich altijd aan de gegevens van de typegoedkeuring te houden.
Voor de rijveiligheid is het noodzakelijk dat alle wielen zijn voorzien van banden van hetzelfde merk en hetzelfde type.
BELANGRIJK In tubeless banden mogen geen binnenbanden gebruikt worden.

Bijvoorbeeld: 215/60 R16 99T
215 = Nominale breedte (S, afstand in mm tussen de flanken).
60 = Hoogte/breedte-verhouding (H/S) (percentage).
R = Radiaalband.
16 = Diameter van de velg in inches (∅).
99 = Beladingsindex (draagvermogen).
T = Snelheidsindex.
BANDEN RIM PROTECTOR
fig. 5b

ATTENTIE!
Als op stalen velgen met integrale wieldeksels (met veer-
bevestiging) van de eerste montage afwijkende banden met een velgbescherming (rim protector) (zie fig. 5b) worden gemonteerd, dan mogen de wieldeksels NIET worden gemonteerd. Het gebruik van ongeschikte banden en wieldeksels kan leiden tot een onvoorzien dalende bandenspanning.

Maximum snelheid bij winterbanden
QM + S = max. 160 km/h.
TM + S = max. 190 km/h.
Beladingsindex (draagvermogen)
| 70 = 335 kg | 81 = 462 kg |
| 71 = 345 kg | 82 = 475 kg |
| 72 = 355 kg | 83 = 487 kg |
| 73 = 365 kg | 84 = 500 kg |
| 74 = 375 kg | 85 = 515 kg |
| 75 = 387 kg | 86 = 530 kg |
| 76 = 400 kg | 87 = 545 kg |
| 77 = 412 kg | 88 = 560 kg |
| 78 = 425 kg | 89 = 580 kg |
| 79 = 437 kg | 90 = 600 kg |
| 80 = 450 kg | 91 = 615 kg |
VERKLARING VAN DE CODERING OP DE VELGEN Bijvoorbeeld: 7J x 16 ET39
7 = breedte van de velg in inch 1.
J = velgbedprofiel (deel aan de zijkanten waarop de band steunt) 2.
16 = montagediameter in inches (deze correspondeert met die van de te monteren band) 3 = ∅.
ET39 = diepte van de velgbolling (afstand tussen het montagevlak van de velg op de naaf en het velghart).
| Banden Velgen | ||
| 90 Multijet | 215/65 R15 104R 6,5J × 15 ET38 | |
| 120 Multijet | 215/60 R16 99T | 7J × 16 ET39(○) |
| 140 Multijet 7J × 16 ET42 | ||
| 165 Multijet | 215/60 R16 103T 7J × 16 ET42 | |
(○) Lichtmetalen velg
De bandenspanning bij koude banden is afhankelijk van de uitvoering en uitrusting van de auto. De waarden staan aangegeven op het plaatje fig. 7 dat zich op de stijl van het bestuurdersportier bevindt: A - bandenspanning (onbelast); B - bandenspanning (bij maximum belading); C - bandenmaat; D - velgmaat; E - op de auto gemonteerd bandtype; F - identificatiecode voor de productiedag van de auto; G - leeg vakje; H - kleurcode van de carrosserielak; I - oplopend productienummer van de auto.

fig. 6
AFMETINGEN fig. 7 F0P0610m
De afmetingen zijn aangegeven in mm.
| AFMETINGEN | KORTE WIELBASIS | LANGE WIELBASIS | |
| A+B+C | Totale lengte: | 4805-4813 | 5135-5143 |
| N | Totale hoogte: | 1894 ÷ 1942 / 2204 ÷ 2276 (*) | |
| A | Wielbasis: | 3000 | 3122 |
| B | Oversteek voor: | 975 | |
| C | Oversteek achter: | 830-838 1038-1046 | |
| D | Totale breedte | ||
| – over carrosserie: | 1870 | ||
| – met stootrubbers: | 1895 | ||
| – met ingeklapte buitenspiegels: | 1986 | ||
| – met uitgeklapte buitenspiegels: | 2194 | ||
| E | Spoorbreedte voor: | 1562-1570 | |
| F | Spoorbreedte achter: | 1596-1604 | |
| G | Hoogte laadvloer | ||
| – wielophanging met schroefveren: | 562 ÷ 604 | ||
| – wielophanging met luchtvering: | 491 ÷ 500 | ||
(*) Uitvoeringen met verhoogd dak

fig. 8
F0P0611m
De afmetingen zijn aangegeven in mm.
| AFMETINGEN | ACHTERDEUREN | |
| N | Nuttige hoogte van de dubbele achterdeur: | 1272÷1630 (*) |
| O | Nuttige breedte | |
| - dubbele achterdeur: | 1237 | |
| - achterklep (indien aanwezig): | 1237 |

F0P0306m
De afmetingen zijn aangegeven in mm.
| AFMETINGEN | ZIJSCHUIFDEUR | |
| P | Hoogte: | 1293 ÷ 1301 (*) |
| Q | Breedte: | 924 |
(*) Uitvoeringen met verhoogd dak
AFMETINGEN VAN DE LAADRUIMTE
| KORTE WIELBASIS LANGE WIELBASIS | |
| Inwendige lengte laadvloer (mm): 2254 2584 | |
| Inwendige hoogte onder dak– maximum (mm): 1449 1750 (*) | |
| Inwendige maximum breedte (mm): 1600 | |
| Inwendige breedte tussen wielkuipen (mm): 1245 | |
| Minimum draaicirkel tussenstoepranden (mm): 1218 1259 |
(*) Uitvoering met verhoogd dak
PRESTATIES
Maximale snelheid na de inrijperiode in km/h.
Raadpleeg voor meer informatie de typegoedkeuring van de auto.
De lokale wetgeving van elk land ten aanzien van de trekgewichten moet beslist worden gerespecteerd. Voor informatie over het trekken van aanhangers en de maximaal toegestane gewichten: wendt u tot het Fiat Servicenetwerk.
Lading vervoeren
Het trekken van aanhangers is mogelijk mits het maximaal toegestane totaalgewicht niet wordt overschreden. In geen enkel geval mag het maximaal toelaatbare aanhangergewicht en het maximum totaal geladen gewicht, dat in de typegoedkeuring is vastgelegd, worden overschreden.
Respecteer het toegelaten aanhangergewicht van de auto.
| Motor | Uitvoering | Leeggewicht zitplaatsen | Maximaal toelaatbaar gewicht | Maximaal nuttig laadvermogen | Nuttig laadvermogen zonder bestuurder | Trekgewicht bij geremde aanhanger | |
| (kg) | (kg) | (kg) | (kg) | (kg) | |||
| 90 Multijet | Korte wielbasis (10Q) | 2 | 1661 | 2661 | 1000 | 925 | 1672 |
| 3 | 1673 | 2661 | 988 | 913 | 1672 | ||
| Korte wielbasis (12Q) | 2 | 1661 | 2861 | 1200 | 1125 | 1472 | |
| 3 | 1673 | 2861 | 1188 | 1113 | 1472 | ||
| Lange wielbasis (12Q) | 2 | 1680 | 2880 | 1200 | 1125 | 1453 | |
| 3 | 1692 | 2880 | 1188 | 1113 | 1453 | ||
| Verhoogd dak (12Q) | 2 | 1700 | 2900 | 1200 | 1125 | 1433 | |
| 3 | 1712 | 2900 | 1188 | 1113 | 1433 |
(*) Het maximum trekgewicht bij een geremde aanhanger kan hoger zijn mits de lading van het trekkende voertuig met een even groot gewicht wordt verlaagd, zodat wordt voorkomen dat het maximaal toegestane treingewicht wordt overschreden. Bij zeer hoge temperaturen kunnen de motorprestaties tijdens het rijden afnemen om schade aan de motor te voorkomen. Bij een buitentemperatuur boven 37°C moet het trekgewicht worden beperkt tot 700 kg. Bij het trekken van aanhangers is het verboden sneller te rijden dan 100 km (respecteer de lokaal geldende snelheidsbeperkingen).
| Motor | Uitvoering | Leegg Aawtalt zitplaatsen | Maximaal toelaatbaar gewicht(kg) | Maximaal nuttig laadvermogen(kg) | Nuttig laadvermogen zonder bestuurder(kg) | Trekgewicht bij geremde aanhanger(kg) | |
| (kg) | |||||||
| 120 Multijet | Korte wielbasis (10Q) | 2 | 1702 | 2702 | 1000 | 925 | 2000 |
| 3 | 1714 | 2702 | 988 | 913 | 2000 | ||
| Korte wielbasis (12 Q) | 2 | 1702 | 2902 | 1200 | 1125 | 2000 | |
| 3 | 1714 | 2902 | 1188 | 1113 | 2000 | ||
| Lange wielbasis (12Q) | 2 | 1732 | 2932 | 1200 | 1125 | 2000 | |
| 3 | 1744 | 2932 | 1188 | 1113 | 2000 | ||
| Verhoogd dak (12Q) | 2 | 1763 | 2963 | 1200 | 1125 | 1997 | |
| 3 | 1775 | 2963 | 1188 | 1113 | 1997 | ||
| Motor | Uitvoering | Leegg Aawtalt zitplaatsen | Maximaal toelaatbaar gewicht(kg) | Maximaal nuttig laadvermogen(kg) | Nuttig laadvermogen zonder bestuurder(kg) | Trekgewicht bij geremde aanhanger(kg) | |
| (kg) | |||||||
| 140 Multijet | Korte wielbasis (10Q) | 2 | 1717 | 2717 | 1000 | 925 | 2000 |
| 3 | 1729 | 2717 | 988 | 913 | 2000 | ||
| Korte wielbasis (12 Q) | 2 | 1717 | 2917 | 1200 | 1125 | 1863 | |
| 3 | 1729 | 2917 | 1188 | 1113 | 1863 | ||
| Lange wielbasis (12Q) | 2 | 1746 | 2946 | 1200 | 1125 | 1834 | |
| 3 | 1758 | 2946 | 1188 | 1113 | 1834 | ||
| Motor | Uitvoering | Aantal zitplaatsen | Leeggewicht (kg) | Maximaal toelaatbaar gewicht (kg) | Maximaal nuttig laadvermogen (kg) | Nuttig laadvermogen zonder bestuurder (kg) | Trekgewicht bij geremde aanhanger (kg) |
| 165 Multijet | Korte wielbasis (10Q) | 2 | 1731 | 2743 | 1012 | 937 | 2000 |
| 3 | 1743 | 2743 | 1000 | 925 | 2000 | ||
| Korte wielbasis (12Q) | 2 | 1731 | 2943 | 1212 | 1137 | 2000 | |
| 3 | 1743 | 2943 | 1200 | 1125 | 2000 | ||
| Lange wielbasis (12Q) | 2 | 1761 | 2973 | 1212 | 1137 | 2000 | |
| 3 | 1773 | 2973 | 1200 | 1125 | 2000 | ||
| Verhoogd dak (12Q) | 2 | 1772 | 2992 | 1220 | 1145 | 1803 | |
| 3 | 1784 | 2992 | 1208 | 1133 | 1803 |
COMBI-UITVOERING
Raadpleeg voor meer informatie de typegoedkeuring van de auto.
De lokale wetgeving van elk land ten aanzien van de trekgewichten moet beslist worden gerespecteerd. Voor informatie over het trekken van aanhangers en de maximaal toegestane gewichten: wendt u tot het Fiat Servicenetwerk.
Lading vervoeren
Het trekken van aanhangers is mogelijk mits het maximaal toegestane totaalgewicht niet wordt overschreden. In geen enkel geval mag het maximaal toelaatbare aanhangergewicht en het maximum totaal geladen gewicht, dat in de typegoedkeuring is vastgelegd, worden overschreden.
Respecteer het toegelaten aanhangergewicht van de auto.
| Motor | Uitvoering | Aantal zitplaatsen | Leeggewicht(kg) | Maximaal toelaatbaar gewicht(kg) | Maximaal nuttig laadvermogen(kg) | Nuttig laadvermogen zonder bestuurder(kg) | Trekgewicht bij geremde aanhanger(kg) |
| 90 Multijet | Korte wielbasis | 5 | 1733 | 2683 | 950 | 882 | 2000 |
| 6 | 1745 | 2683 | 938 | 870 | 2000 | ||
| 8 | 1811 | 2683 | 872 | 804 | 2000 | ||
| 9 | 1822 | 2683 | 861 | 793 | 2000 | ||
| Lange wielbasis | 5 | 1764 | 2714 | 950 | 882 | 2000 | |
| 6 | 1776 | 2714 | 938 | 870 | 2000 | ||
| 8 | 1842 | 2714 | 872 | 804 | 2000 | ||
| 9 | 1853 | 2714 | 861 | 793 | 2000 | ||
| Verstevigd | 8 | 1857 | 2852 | 996 | 928 | 2000 | |
| 9 | 1868 | 2852 | 984 | 916 | 2000 | ||
| 120 Multijet | Korte wielbasis | 5 | 1809 | 2759 | 950 | 882 | 2000 |
| 6 | 1821 | 2759 | 938 | 870 | 2000 | ||
| 8 | 1887 | 2759 | 872 | 804 | 2000 | ||
| 9 | 1898 | 2759 | 861 | 793 | 2000 | ||
| Lange wielbasis | 5 | 1841 | 2791 | 950 | 882 | 2000 | |
| 6 | 1853 | 2791 | 938 | 870 | 2000 | ||
| 8 | 1919 | 2791 | 872 | 804 | 2000 | ||
| 9 | 1930 | 2791 | 861 | 793 | 2000 | ||
| Verstevigd | 8 | 1948 | 2932 | 999 | 931 | 2000 | |
| 9 | 1959 | 2932 | 987 | 919 | 2000 | ||
| Motor | Uitvoering | Aantal zitplaatsen | Leeggewicht(kg) | Maximaal toelaatbaar gewicht(kg) | Maximaal nuttig laadvermogen(kg) | Nuttig laadvermogen zonder bestuurder(kg) | Trekgewicht bij geremde aanhanger(kg) |
| 140 Multijet | Korte wielbasis | 5 | 1824 | 2774 | 950 | 882 | 2000 |
| 6 | 1836 | 2774 | 938 | 870 | 2000 | ||
| 8 | 1902 | 2774 | 872 | 804 | 2000 | ||
| 9 | 1913 | 2774 | 861 | 793 | 2000 | ||
| Lange wielbasis | 5 | 1855 | 2805 | 950 | 882 | 2000 | |
| 6 | 1867 | 2805 | 938 | 870 | 2000 | ||
| 8 | 1933 | 2805 | 872 | 804 | 2000 | ||
| 9 | 1944 | 2805 | 861 | 793 | 2000 | ||
| Verstevigd | 8 | 1948 | 2946 | 999 | 931 | 2000 | |
| 9 | 1959 | 2946 | 987 | 919 | 2000 | ||
| Motor | Uitvoering | Aantal zitplaatsen | Leeggewicht (kg) | Maximaal toelaatbaar gewich (kg) | Maximaal nuttig laadvermogen (kg) | Nuttig laadvermogen zonder bestuurder (kg) | Trekgewicht bij geremde aanhanger (kg) |
| 165 Multijet | Korte wielbasis | 5 | 1853 | 2765 | 912 | 844 | 2000 |
| 6 | 1865 | 2765 | 900 | 832 | 2000 | ||
| 8 | 1909 | 2774 | 865 | 797 | 2000 | ||
| 9 | 1921 | 2774 | 853 | 785 | 2000 | ||
| Lange wielbasiso | 5 | 1884 | 2775 | 891 | 823 | 2000 | |
| 6 | 1896 | 2775 | 879 | 811 | 2000 | ||
| 8 | 1942 | 2805 | 863 | 795 | 2000 | ||
| 9 | 1954 | 2805 | 851 | 783 | 2000 | ||
| Verstevigd | 8 | 1957 | 2946 | 989 | 921 | 2000 | |
| 9 | 1969 | 2946 | 977 | 909 | 2000 |
VULLINGSTABEL
| 90 Multijet | 120 Multijet | 140 Multijet | 165 Multijet | Voorgeschreven brandstoffen en originele smeermiddelen | |
| Brandstoftank: liters inclusief een reserve van: liter | 808 | 808 | 808 | 808 | Diesel voor motorvoertuigen (specificatie EN590) |
| Koelsysteem motor: liter | 8 | 9 | 9 | 9 | Mengsel van water en 50% PARAFLUUP |
| Carter en filter: liter | 6,2 | 5,25 | 5,25 | 5,25 | SELENIA WR |
| Versnellingsbak/ differentieel: kg | 1,7 | 1,9 | 1,9 | 1,9 | TUTELA CAR MATRYX |
| Hydraulisch remcircuit met: ABS (met ESP) kg | 0,519 | 0,519 | 0,519 | 0,519 | TUTELA TOP 4 (*) |
| Vloeistofreservoir ruitensproeiers, achterruitsproeier, koplampsproeiers: liter | 7,5 | 7,5 | 7,5 | 7,5 | Mengsel van water en TUTELA PROFESSIONAL SC 35 |
(*) De remvloeistof moet ten minste iedere 2 jaar worden vervangen (bestel-uitvoering)
VLOEISTOFFEN EN SMEERMIDDELEN
SPECIFICATIES EN AANBEVOLEN PRODUCTEN
| Gebruik Specificaties van de vloeistoffen en smeermiddelen Smeermiddelen voor een correct functioneren van de auto | Vervangings-vloeistoffen (origineel) | interval | |
| Smeermiddelen voor dieselmotoren | Motorolie SAE 5W- 40 op synthetische basis met kwalificatie FIAT 9.55535-N2 | SELENIA WR | Volgens het Geprogrammeerde Onderhoudsschema |
Gebruik voor een correcte werking van de Multijet-uitvoeringen met DPF uitsluitend het originele type smeermiddel. In geval van nood, als het originele product niet beschikbaar is, vul dan maximaal 0,5 liter bij en wendt u zo snel mogelijk tot het Fiat Service-netwerk.
Als u niet de originele SAE 5W/40-producten gebruikt, moeten de smeermiddelen minimaal voldoen aan de specificaties ACEA B4 voor de dieselmotoren; in dit geval zijn de optimale prestaties van de motor niet gegarandeerd.
Het gebruik van producten die niet voldoen aan de specificaties ACEA B4 kan beschadigingen aan de motor veroorzaken die niet door de garantie gedekt worden.
Vraag bij gebruik onder extreem koude klimatologische omstandigheden het Fiat Servicenetwerk om het juiste product uit de PETRONÅS LUBRICANTS.
| Gebruik | Specificaties van de smeermiddelen en vloeistoffen voor een correct functioneren van de auto | Aanbevolen vloeistoffen en smeermiddelen | Toepassing |
| Olie en vetten voor krachtoverbren gingen | Synthetische SAE 75W- 85 olie die ruimschoots voldoet aan de specificaties API GL4 en MIL-L-2105 D LEV | TUTELA MATRYX | Mechanische versnellingsbakken en differentieels |
| Vet op basis van lithiumzepen, bevat molybdeenbisulfide, indringingsgetal NLGI 2 | TUTELA STAR 500 | Homokinetische koppelingen | |
| Olie voor stuurbekrachtiging.Voldoet ruimschoots aan de specificaties ATF DEXRON III | TUTELA GI/E | Elektrohydraulische stuurbekrachtiging | |
| Synthetische vloeistof voor hydraulische en elektrohydraulische systemen | TUTELA GI/R | Hydraulische stuurbekrachtiging | |
| Remvloeistof | Synthetische remvloeistof, F.M.V.S.S. nr. 116, DOT 4, ISO 4925, SAE J-1704, CUNA NC 956-01 | TUTELA TOP 4 | Hydraulisch remsysteem en koppelingbediening |
| Antivries voor radiateur | Roodgekleurd beschermingsmiddel met antivries op basis van glycol-monoethyleen voor koelsysteem, corrosiewerend met organische formule gebaseerd op de O.A.T.-technologie.Voldoet ruimschoots aan de specificaties CUNA NC 956-16, astm d 3306 | PARAFLU UP | Motorkoelsystemen Mengverhouding: 50% tot -35°C |
| Vloeistof voor ruitensproeiers voor/achter en koplampsproeiers | Mengsel van alcoholen, water en oppervlakte-actieve stoffen CUNA NC 956-II | TUTELA PROFESSIONAL SC 35 | Onverdund of met water gebruiken |
BRANDSTOFVERBRUIK
Het brandstofverbruik dat in de tabellen is opgenomen, is gemeten volgens een vastgestelde testmethode die in EU-normen is vastgelegd.
Het brandstofverbruik is gemeten volgens onderstaande procedure:
□ een stadsrit: opgebouwd uit een koude start gevolgd door een gesimuleerde, normale testrit in stadsverkeer;
□ een rit buiten de stad: waarbij veelvuldig wordt geaccelereerd in alle versnellingen en waarmee een normaal gebruik van de auto buiten de stad wordt gesimuleerd. De snelheid varieert tussen de 0 en 120 km/h; □ gecombineerd verbruik: hierbij telt de waarde van de stadsrit mee voor 37% en de waarde van de testrit buiten de stad voor 63%.
BELANGRIJK Het soort wegdek, verkeerssituatie, atmosferische omstandigheden, rijstijl, algemene conditie van de auto, uitrustingsniveau, gebruik van de airconditioning, lading van de auto, imperiaal op het dak en andere situaties die de aerodynamica kunnen beïnvloeden, leveren een ander brandstofverbruik op dan hier vermeld.
Brandstofverbruik volgens EU-normen 1999/100 (liter x 100 km) Motor 90 Multijet
| Uitvoering Combi Bestel | |||||||
| Zitplaatsen 5/68/92/3 | |||||||
| Uitvoering Laag dak Laag dak Laag dak Laag dak Hoog dak Korte wielbasis Lange wielbasis Korte wielbasis Lange wielbasis Korte wielbasis Lange wielbasis Lange wielbasis | |||||||
| Verbruik stadsverkeer | 8,4 | 8,4 | 8,4 | 8,4 | 8,4 | 8,4 | 8,6 |
| Verbruik buiten de stad | 6,6 | 6,6 | 6,6 | 6,6 | 6,6 | 6,6 | 6,8 |
| Verbruik gecombineerd | 7,2 | 7,3 | 7,3 | 7,3 | 7,2 | 7,2 | 7,5 |
Motor 120 Multijet
| Uitvoering Combi Bestel | |||||||
| Zitplaatsen 5 / 6 8 / 9 2 / 3 | |||||||
| Uitvoering Laag dak Laag dak Laag dak Laag dak Lakag dak Hoog dak Korte wielbasis Lange wielbasis Korte wielbasis Lange wielbasis Korte wielbasis Lange wielbasis Lange wielbasis | |||||||
| Verbruik stadsverkeer | 8,8 | 8,8 | 8,8 | 8,8 | 9,1 | 9,2 | 9,4 |
| Verbruik buiten de stad | 6,5 | 6,5 | 6,5 | 6,5 | 6,3 | 6,4 | 6,6 |
| Verbruik gecombineerd | 7,3 | 7,3 | 7,3 | 7,3 | 7,2 | 7,4 | 7,6 |
Motor 140 Multijet
| Uitvoering Combi Bestel | |||||||
| Zitplaatsen 5 / 6 8 / 9 2 / 3 | |||||||
| Uitvoering Laag dak Laag dak Laag dak Laag dak Lakag dak Hoog dak Korte wielbasis Lange wielbasis Korte wielbasis Lange wielbasis Korte wielbasis Lange wielbasis Lange wielbasis | |||||||
| Verbruik stadsverkeer | 8,8 | 8,8 | 8,8 | 8,8 | 9,2 | 9,2 | - |
| Verbruik buiten de stad | 6,5 | 6,5 | 6,5 | 6,5 | 6,4 | 6,4 | - |
| Verbruik gecombineerd | 7,3 | 7,3 | 7,3 | 7,3 | 7,4 | 7,4 | - |
| Motor | 165 Multijet | ||||||
| Uitvoering | Combi | Bestel | |||||
| Zitplaatsen 5/68/92/3 | |||||||
| Uitvoering | Laag dakKorte wielbasis | Laag dakLange wielbasis | Laag dakKorte wielbasis | Laag dakLange wielbasis | Laag dakPasso corto | Laag dakLange wielbasis | Hoog dakLange wielbasis |
| Verbruikstadsverkeer | 8,3 | 8,3 | 8,3 | 8,3 | 8,1 | 8,1 | 8,1 |
| Verbruikbuiten de stad | 6,4 | 6,4 | 6,4 | 6,4 | 6,2 | 6,2 | 6,6 |
| Verbruikgecombineerd | 7,1 | 7,1 | 7,1 | 7,1 | 6,9 | 6,9 | 7,1 |
CO₂-EMISSIE
De CO₂-emissie, vermeld in de volgende tabel, is gemeten op een gecombineerd traject.
Uitvoering Combi Bestel
| Zitplaatsen 5/68/92/3 | |||||||
| Uitvoering Laag dak Laag dak Laag dak Laag dak Laag dak Hoog dak Korte wielbasis Lange wielbasis Korte wielbasis Lange wielbasis Korte wielbasis Lange wielbasis Lange wielbasis | |||||||
| 90 Multijet | 191 | 194 | 194 | 194 | 191 | 191 | 198 |
| 120 Multijet | 194 | 194 | 194 | 194 | 194 | 196 | 200 |
| 140 Multijet | 194 | 194 | 194 | 194 | 196 | 196 | - |
| 165 Multijet | 185 | 185 | 185 | 185 | 181 | 181 | 186 |
Aanwijzingen voor het laden.... 79
ABS 82
Accu
– economische modus...... 151
- opladen.... 151
- starten met een hulpaccu .... 134
-technische specificaties 180
– vloeistofniveau.... 164
Achterruitverwarming 30-35-43
Achteruitrijlichten.... 143
Afmetingen.... 185
Afstandsbediening centrale portierver-/ontgrendeling.... 7
Airconditioning, handbediend...... 31
Asbak....67
Autoradio (Systeem)...... 89
Banden....184
– een lekke band.... 135
Bandenspanning (plaatje) 184
Brandstof
- brandstofmeter 14
– dop van de brandstoftank...... 91
Brandstofmeter 14
Brandstofnoodschakelaar.... 64
Brandstofverbruik.... 199
Buitenverlichting
— bediening 47
– gloeilamp achter vervangen ..... 143
– gloeilamp voor vervangen...... 141
Carrosserie
- onderhoud 170
- uitvoeringen.... 173
Centrale portiervergrendeling .... 72
CO₂-emissie via de uitlaat.... 201
Cruise-control.... 54
Dashboard 5
Dashboardkastje 65
Dieselfilter (aanwezigheid van water) 132
Dimlicht
— bediening.... 47
— gloeilamp vervangen.... 141
EOBD (systeem)...... 87
Extra accessoires.... 90
Fiat CODE 6
Frontairbags....106
Fix & Go.... 138
Gloeilamp (vervangen van een lamp). 139
Gordelspanners.... 96
Grootlicht
— bediening 47
– gloeilamp vervangen.... 141
Handrem.... 116
Hendels aan het stuur 47
Hoofdsteun.... 23
Identificatiegegevens 174
Imperiaal/skidrager
(montagevoorbereiding)...... 77
Instrumenten 14
Instrumentenpaneel 13
Interieur.... 172
Kentekenplaatverlichting.... 144
Kinderen veilig vervoeren 99
– ISOFIX-kinderzitje (montage)...... 105
Klokje 16
Koplampen
- koplampen afstellen.... 81
Koplampsproeiers 53
Koppeling.... 180
Krik....136
Lak....170
Lampjes en berichten.... 123
Lichtsterkteregelaar instrumentenpaneel 15
Luchtfilter 164
Luchtrecirculatie.... 31-36-41
Luchtroosters zijkant en midden...... 28
Luchtvering (wielophanging) 78
Mistlampen / mistachterlichten
— bediening 47
– gloeilamp vervangen.... 142-143
Motor
Motor starten
– motor opwarmen na het starten.. 115
- rollend starten.... 135
-start-/contactslot....12
– starten met een hulpaccu ...... 134
- startprocedure 114
– brandstofsysteem.... 180
- identificatiecode.... 177
— smeersysteem.... 197
Motorolieverbruik.... 160
Motorruimte.... 158
Niveau motorkoelvloeistof.... 161
Niveau motorolie.... 160
Niveau olie stuurbekrachtiging...... 163
Niveau remvloeistof 162
Niveau ruiten-/koplampsproeiervloeistof 162
Niveaus (controle van de).... 158
Niveaus controleren.... 158
Noodgevallen 133
Onderhoud van de auto
- geprogrammeerd onderhoud...... 154
– Onderhoudsschema.... 155
– Zwaar gebruik van de auto ..... 157
Ontwasemen
- achterruiten.... 30-34-38
- voorruit 28-32-38
- zijruiten voor 28-32-38
Parkeren.... 116
Periodieke controles.... 157
Portieren 69
Prestaties 189
Remlichten 143
Remmen
– vloeistofniveau.... 162
- voetrem 116
Richtingaanwijzers
— bediening.... 48
– gloeilamp achter vervangen...... 143
– gloeilamp op flanken vervangen..... 142
– gloeilamp voor vervangen...... 142
Ruitbediening.... 74
Ruiten
– reinigen.... 171
– schuifruiten.... 69
Ruitensproeiers
Ruitensproeiers 170
— bediening.... 50
– vloeistofniveau.... 162
Ruitenwissers
— bediening 50
- ruitensproeiers.... 170
– wisserbladen.... 168
Slepen van de auto 152
Sleutels 7
Smeermiddelen (specificaties).... 197
Sneeuwkettingen 121
Snelheid (maximum) 189
Snelheidsbegrenzer 57
Snelheidsmeter.... 14
Snelle bandenreparatieset 38
Spiegels
— binnenspiegel.... 25
- buitenspiegels.... 25
Startmotor.... 180
Stuurinrichting....181
Stuurslot.... 12
Stuurwiel.... 24
Symbolen....6
-algemene opmerkingen 97
- gebruik.... 94
— hoogteverstelling 95
- onderhoud 99
Ventilatie.... 27
Versnellingsbak
- gebruik van de handgeschakelde versnellingsbak.... 117
Verwarming en ventilatie 27
Vullingstabel 196
Waarschuwingsknipperlichten...... 61
Wiel (verwisselen).... 135
Wisserbladen voor/achter.... 168
Zekeringen.... 146
Zij-airbags 109
Zitplaatsen
- achter 20
– opstelling stoelen 22
- reinigen 172
- voor.... 17
Zonnekleppen.... 68
RICHTLIJNEN VOOR DE BEHANDELING VAN DE AUTO AAN HET EINDE VAN DE LEVENSDUUR
Al jaren werkt Fiat hard aan de bescherming van het milieu door de doorlopende verbetering van de productieprocessen en de ontwikkeling van producten die steeds milieuvriendelijker zijn. Om de cliënten de best mogelijke service te garanderen in overeenstemming met de milieunormen en conform de verplichtingen die voortvloeien uit de 2000/53/EU-richtlijn voor auto's die aan het einde van hun levensduur zijn, biedt Fiat aan haar cliënten de mogelijkheid de eigen auto* aan het einde van zijn levensduur in te leveren zonder extra kosten.
De Europese richtlijn voorziet er namelijk in dat de auto kan worden ingeleverd zonder kosten voor de laatste houder en/of eigenaar als de auto geen of een negatieve marktwaarde heeft. In vrijwel alle landen van de EU konden tot 1 januari 2007 alleen auto's zonder kosten worden teruggegeven die vanaf 1 juli 2002 op kenteken waren gezet; vanaf 2007 is het zonder kosten teruggeven van de auto niet meer afhankelijk van het jaar waarin de auto op kenteken is gezet, "indien het betrokken voertuig voorzien is van de essentiële voertuigonderdelen, met name motor en carrosserie, en geen afval bevat dat aan het afgedankte voertuig is toegevoegd".
Voor de afgifte van uw auto aan het einde van zijn levensduur kunt u zich zonder aanvullende verplichtingen tot het Fiat Servicenetwerk wenden of tot een van de inzamelings- en verwerkingsbedrijven die door Fiat zijn goedgekeurd. Dergelijke bedrijven zijn zorgvuldig uitgekozen en bieden een kwaliteitservice voor de inzameling, de verwerking en het hergebruik van onderdelen van buiten gebruik gestelde auto's met respect voor het milieu.
Voor informatie over de inzamelings- en verwerkingsbedrijven kunt u terecht bij het Fiat Servicenetwerk of bel het gratis nummer 00800 3428 0000 of raadpleeg de Fiat internetsite.
* Auto voor personenvervoer met maximaal 9 zitplaatsen, voor een maximaal toelaatbaar totaalgewicht van 3,5 t
SELÈNIA®
De bandenspanning bij koude banden is afhankelijk van de uitvoering en uitrusting van de auto. De waarden staan aangegeven op het plaatje dat zich op het linker voorportier bevindt (raadpleeg de paragraaf "Wielen" in het hoofdstuk "Technische gegevens").
Bij warme banden moet de bandenspanning 0,3 bar hoger zijn dan de voorgeschreven waarde. Controleer de spanning opnieuw bij koude banden.
MOTOROLIE VERVERSEN
| 90 Multijet 120 Multijet 140 Multijet 165 Multijet | ||||||||
| liter | kg | liter | kg | liter | kg | liter | kg | |
| Motorcarter en filter | 6,2 | - | 5,25 | - | 5,25 | - | 5,25 | - |
BRANDSTOFTANK (liters)
De dieselmotoren zijn uitsluitend geschikt voor dieselbrandstof voor motorvoertuigen (specificatie EN590).

De gegevens in deze publicatie zijn uitsluitend indicatief bedoeld.
Fiat behoudt zich het recht voor om op elk moment de in deze publicatie beschreven modellen om technische of commerciële redenen te wijzigen.
Wendt u voor nadere informatie tot het Fiat Servicenetwerk.
Gedrukt op milieuvriendelijk chloorvrij papier.




