107 - Automobiel PEUGEOT - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis 107 PEUGEOT in PDF-formaat.
| Producttype | Stadsauto |
| Afmetingen (L x B x H) | 3430 x 1630 x 1470 mm |
| Gewicht (leeg) | Ongeveer 865 kg |
| Brandstoftype | Benzine |
| Motorinhoud | 998 cm³ |
| Vermogen | 50 kW (68 pk) |
| Transmissie | 5-versnellings handgeschakeld of 5-traps automaat |
| Aantal zitplaatsen | 4 |
| Bandenmaat | 155/65 R14 |
| Brandstoftankinhoud | 35 liter |
| CO2-uitstoot | Ongeveer 106 g/km |
| Veiligheidssystemen | ABS, airbags voor en zijkant, gordelspanners |
| Onderhoudsinterval | Elke 20.000 km of 1 jaar |
| Motorolie | 5W-30, 3,5 liter |
| Koplampen | H4 60/55W |
| Accu | 12V, 45 Ah |
| Laadvermogen dak | 75 kg |
| Trekgewicht ongeremd | 350 kg |
Veelgestelde vragen - 107 PEUGEOT
Gebruikersvragen over 107 PEUGEOT
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Automobiel in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding 107 - PEUGEOT en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. 107 van het merk PEUGEOT.
GEBRUIKSAANWIJZING 107 PEUGEOT
PEUGEOT 107

PEUGEOT
Service Box
http://public.servicebox.peugeot.com
Dankzij de internetsite SERVICE BOX, biedt PEUGEOT u de mogelijkheid uw boorddocumentatie gratis en eenvoudig online te raadplegen.
Met het gebruiksvriendelijke SERVICE BOX hebt u altijd toegang tot:
- uw Instructieboekje,
- het overzicht van de Boorddocumentatie.

Uw auto komt tot leven op interne
Beschik altijd over de meest recente informatie.
Surf naar http://public.servicebox.peugeot.com :
selecteer uw taal,
klik op de link in het vak "Toegang particulieren" om de Boorddocumentatie te raadplegen,
In het venster dat verschijnt, hebt u toegang tot alle instructieboekjes...
selecteer uw auto,
kies de carrosserievariant en vervolgens de verschijningsdatum van het instructieboekje,
klik tenslotte op de rubriek van uw keuze.

Belangrijke informatie:
Het monteren van elektrische uitrustingen of accessoires die niet onder een artikelnummer in het assortiment van Automobiles PEUGEOT voorkomen, kan storingen in het elektronisch systeem van uw auto veroorzaken. Wij verzoeken u hier rekening mee te houden en raden u aan contact op te nemen met een vertegenwoordiger van het merk PEUGEOT om u te laten informeren over het assortiment uitrustingen en accessoires voorzien van het betreffende artikelnummer.

PEUGEOT
Wij danken u voor uw keuze voor de 107.
Dit instructieboekje is ontwikkeld om u in de gelegenheid te stellen onder alle omstandigheden optimaal gebruik te maken van de mogelijkheden van uw 107.
In het eerste deel van het boekje is, na een gedetailleerde index, de belangrijkste informatie samengevat om u in korte tijd vertrouwd te maken met de bediening van uw 107.
Vervolgens komen alle details van uw 107 op het gebied van comfort, veiligheid en rijden uitgebreid aan bod, zodat u en uw passagiers maximaal van de auto kunnen genieten.
WELKOM
Uw auto kan, afhankelijk van het uitrustingsniveau en de specifieke kenmerken voor het land waarvoor uw auto bestemd is, slechts van een deel van de in dit instructieboekje vermelde uitrustingen zijn voorzien.

dit symbool geeft waarschu- wingen weer die u absoluut
dient te respecteren omwille van uw veiligheid en die van anderen en om schade aan uw auto te voorkomen.

Informatie:
dit symbool vestigt uw aan- dacht op aanvullende informa-
tie die u helpt de gebruiksmogelijkheden van uw auto optimaal te benutten.

Bescherming van het milieu:
dit symbool verschijnt bij ad- met betrekking tot de bescher- an het milieu.

Verwijzing:
dit symbool verwijst naar de bladzijde waar meer informatie over de desbetreffende functie is te vinden.
INHOUD
IN EEN OOGOPSLAG 4 → 16
2
AUDIO 24 → 32
■ Algemene functies 24
■ Radio 26
■ CD-speler / CD-wisselaar 30
4
TOEGANG TOT DE AUTO
48 → 54
■ Sleutels / Afstandsbediening 48
■ Portieren 50
■ Elektrisch bedienbare ruiten 50
■ Zijruiten achter 51
■ Achterklep 51
■ Voorzieningen in de bagageruimte 52
Brandstoftank 53
1
CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN 17 → 23
■ Toerenteller 17
■ Instrumentenpaneel 17
■ Controle-/waarschuwingslampjes 18
■ Kilometerteller 22
■ Meters 22
3
COMFORT 33 → 47
■ Ventilatie 33
■ Verwarming 34
■ Airconditioning 35
■ Spiegels 37
■ Stuurwiel verstellen 37
■ Voorstoelen 38
■ Achterbank 39
■ Kinderzitjes 40
■ ISOFIX-bevestigingen 44
■ Voorzieningen in het interieur 47
5
ZICHT 55→57
■ Lichtschakelaar 55
■ Ruitenwisserschakelaar 56
■Koplampen verstellen 57
■ Plafonnier 57
INHOUD
6
VEILIGHEID
58 → 64
■ Claxon 58
■ Alarmknipperlichten 58
■ Handrem 58
■ Brake-assist-system (BAS) 58
■ ABS, EBD, CSC 58
■ ASR en ESP 59
■ Autogordels 60
Airbags 62
8
ONDERHOUD
67→71
■ Motorkap openen 68
■ Benzinemotor 69
■ Niveaus controleren 70
■ Controles 71
10
TECHNISCHE GEGEVENS
86→89
■ Benzinemotor 86
■ Gewichten benzine 87
■ Afmetingen 88
■ Identificatie 89
7
RIJDEN
65→66
■ 2 Tronic versnellingsbak 65
9
PRAKTISCHE INFORMATIE
72→85
■ Wiel verwisselen 72
■ Lampen vervangen 74
■ Zekeringen vervangen 77
■ Accu 82
■ Matten 83
■ Autoradio/luidsprekers
inbouwen 83
■ Slepen van uw auto 84
■ Allesdragers monteren 84
■ Accessoires 85
INDEX
90 → 92
VISUELE INDEX
93 → 98
IN EEN OOGOPSLAG
OPENEN
Sleutel met afstandsbediening

A. Vergrendelen van de auto.
B. Ontgrendelen van de auto.
▶ 48
Handbediende centrale vergrendeling

C. Vergrendelen/ontgrendelen van de auto van binnenuit (bestuurderszijde).
Starten

- Stand STOP.
- Stand Accessoires (1e stand).
- Stand Aan (2e stand).
- Stand Starten.
IN EEN OOGOPSLAG
OPENEN
Brandstoftank

Open de brandstoftankklep, steek de sleutel in het slot en draai deze iets naar links en weer terug naar rechts. De sleutel staat weer in de oorspronkelijke stand en de tankdop is ontgrendeld.

Verwijder de sleutel en draai de dop los.
Draai de dop na het tanken weer helemaal rechtsom dicht tot de dop klikt en sluit de brandstoftankklep.
Inhoud brandstoftank: ongeveer 35 liter.
Minimumbrandstofniveau

53
Als dit blokje knippert in combinatie met een geluidssignaal, zit er nog ongeveer 5 liter brandstof in de tank.
Motorkap

- Ontgrendeling binnenzijde.
- Ontgrendeling buitenzijde.
- Motorkapsteun.
68
IN EEN OOGOPSLAG
INTERIEUR

Extra aansluiting voor draagbare apparatuur
Deze aansluiting is geschikt voor een groot aantal MP3-spelers, zo- dat u tijdens het rijden naar uw favoriete muziek kunt luisteren. Zie het hoofdstuk "Audio" voor de gebruiksvoorwaarden.
▶ 25
2 Tronic versnellingsbak
Bij deze elektronisch bediende handgeschakelde versnellingsbak met vijf versnellingen kunt u kiezen tussen het comfort van de automatische bediening en het plezier van het handmatig schakelen.
65
Handbediende airconditioning
Dit airconditioningssysteem zorgt voor een optimale luchtverdeling en temperatuur in het interieur.
▶ 35
IN EEN OOGOPSLAG
COCKPIT

- Hendel motorkapontgrendeling
- Koplampverstelling
- Uitschakelen airbag aan passagierszijde
- Verstelbaar en afsluitbaar zijventilatierooster
- Schakelaar verlichting en richtingaanwijzers
- Airbag bestuurder Claxon
- Zekeringkast dashboard (links en rechts onder de bekleding van het instrumentenpaneel)
- Toerenteller
- Bediening buitenspiegel passagierszijde
- Schakelaar ruitbediening passagierszijde
- Versnellingshendel
- Bekerhouder
- Hoogteverstelling stuurwiel
IN EEN OOGOPSLAG
COCKPIT

- Bediening buitenspiegel bestuurderszijde
- Instrumentenpaneel
- Ruitenwisserschakelaar
- Contact-/stuurslot
- Alarmknipperlichten
- Opbergvak
- Luchtverdeelrooster
- Voorruitontwaseming
- Airbag passagier
- Verstelbaar en afsluitbaar zijventilatierooster
- Opbergbox
- Autoradio
- Bedieningspaneel ventilatie, verwarming of airconditioning
- Opbergvak
- 12V-aansluiting (maximaal 120 W)
- Handrem
- Schakelaar ruitbediening bestuurderszijde
IN EEN OOGOPSLAG
COMFORT
Voorstoelen

- Verstellen van de hoek van de rugleuning.

- Toegang tot de achterbank. ▶ 38
IN EEN OOGOPSLAG
COMFORT
A. Schakelaar voor openen en sluiten.
Druk op de schakelaar A of trek hem omhoog.
50
Buitenspiegels

B. Hendel verstelling buitenspiegels.
Tijdens het parkeren kunnen de buitenspiegels handmatig worden in- en uitgeklapt.
▶ 37
Stuurwiel verstellen (met stuurbekrachtiging)

Ruitenwisserschakelaar

Ruitenwissers vóór
MIST Eén keer wissen.
OFF Uit.
INT Interval.
LO Normale snelheid (matige regenval).
HI Hoge snelheid (hevige neerslag).

Ruitenwisser en -sproeier achter
Ring C
▶ 56
IN EEN OOGOPSLAG
VENTILATIE
Verwarming

▶ 34
Airconditioning

▶ 35
Luchtrecirculatie / toevoer van buitenlucht
IN EEN OOGOPSLAG
VENTILATIE
Tips voor instellingen in het interieur
| Gewenste werking | Verwarming of handbediende airconditioning | ||||
| Luchtverdeling | Luchtopbrengst | Luchtrecirculatie/Toevoer van buitenlucht | Temperatuur | Handbediende airconditioning | |
| WARM | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() | |
| KOUD | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() | ON |
| ONTWASEMEN ONTDOOIIEN | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() | ON |
IN EEN OOGOPSLAG
CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN
Instrumentenpaneel

A. Toerenteller
B. Display
C. Brandstofniveaumeter
▶▶ 17
Controle-/waarschuwingslampjes

Als het contact wordt aangezet, gaan de oranje en rode controle- en waarschuwingslampjes branden.
Bij draaiende motor moeten deze lampjes weer uitgaan.
Raadpleeg de desbetreffende bladzijde als er lampjes blijven branden.
▶▶ 18
Optie ASR/ESP

Het elektronisch stabiliteitsprogramma (ASR/ESP) zorgt voor een optimale wegligging van de auto.
Raadpleeg de desbetreffende bladzijde voor meer informatie over de juiste werking.
59
IN EEN OOGOPSLAG
VEILIGHEID
Uitschakelen airbag aan passagierszijde

- Steek de sleutel in de schakelaar.
- Selecteer de stand "OFF".
- Houd de schakelaar in dezelfde stand en verwijder de sleutel.
Airbag aan passagierszijde uitgeschakeld

Het controlelampje blijft branden zolang de airbag aan passagierszijde is uitgeschakeld.
63
ISOFIX-bevestigingen

Uw auto voldoet aan de nieuwe ISOFIX-normen.
De achterzitplaatsen zijn uitgerust met de voorgeschreven ISOFIX-bevestigingen.
Elke zitplaats is voorzien van drie bevestigingsringen:
- twee onderste bevestigingsringen A, die zich tussen de rugleuning en de zitting van de zitplaats bevinden,
- één bovenste bevestigingsring B, de TOP TETHER-bevestiging, onder aan de achterzijde van de rugleuning.

De ISOFIX-kinderzitjes beschikken over twee sloten en/of een riem die eenvoudig aan deze ringen kunnen worden verankerd (zie stickers of markering op het metalen deel op de achterzijde van de rugleuning.
▶ 44
Waarschuwingslampje autogordel bestuurder niet vastgemaakt

Bij het aanzetten van het contact gaat dit waarschu-wingslampje knipperen zolang de bestuurder zijn autogordel niet heeft vastgemaakt.
Vanaf een snelheid van ongeveer 15 km/h knippert het waarschuwingslampje in combinatie met een geluidssignaal zolang de bestuurder zijn autogordel niet heeft vastgemaakt.
IN EEN OOGOPSLAG
RIJDEN
2 Tronic versnellingsbak

Starten van de auto
Trap als de handrem is aangetrokken het rempedaal in en selecteer de stand N om de motor te starten.
Houd het rempedaal ingetrapt en selecteer de stand R, E of M.
Zet de handrem vrij, laat het rempe- daal los en geef voorzichtig gas.
65
Selecteer met de selectiehendel de stand E.
De ingeschakelde versnelling verschijnt op het display van het instrumentenpaneel.
De versnellingsbak kiest voortdurend de meest geschikte versnelling.
66
Handmatige stand
Zet de selectiehendel in de stand M en beweeg de selectiehendel:
- naar achteren ("+") om op te schakelen,
- naar voren ("-") om terug te schakelen.
De ingeschakelde versnelling verschijnt op het display van het instrumentenpaneel.
▶ 66
Handgeschakelde versnellingsbak

Trap het koppelingspedaal helemaal in wanneer u schakelt.
Achteruitversnelling
Beweeg de versnellingspook helemaal naar rechts en dan naar achteren om de achteruitversnelling in te schakelen.
De achteruitversnelling kan uitsluitend worden ingeschakeld als de auto stilstaat en de motor stationair draait.
CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN

TOERENTELLER
Dicht bij het maximumtoerental: schakel, als de wijzer van de toeren-teller in het rode gebied komt, over naar de volgende versnelling.

INSTRUMENTENPANEEL
- Nulstelling dagteller
- Display pictogrammen
- Richtingaanwijzers
- Snelheidsmeter
-
Brandstofniveaumeter
-
Kilometerteller/dagteller
- Controlelampje mistachterlicht
- Controlelampje grootlicht
- Controlelampje dimlicht
- Schakelstandindicatie van de 2 Tronic versnellingsbak
CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN
CONTROLE-/WAARSCHUWINGSLAMPJES
| Controlelampje | brandt | Oorzaak | Acties / Opmerkingen | |
![]() | Handrem | permanent. | De handrem is aangetrokken of niet goed vrijgezet. | Zet de handrem vrij zodat het controlelampje uitgaat; trap het rempedaal in.Houd u aan de veiligheidsvoorschriften.Raadpleeg het hoofdstuk "Veiligheid" voor meer informatie over de handrem. |
![]() | STOP | permanent, in combinatie met een ander waarschuwingslampje. | Dit waarschuwingslampje brandt bij een te lage motoroliedruk of bij een te hoge koelvloeistoftemperatuur. | Zet de auto zo snel mogelijk stil op een veilige plaats.Zet het contact af en neem contact op met het PEUGEOT-netwerk of met een gekwalificeerde werkplaats. |
![]() | Motoroliedruk | permanent, in combinatie met het waarschuwingslampje STOP. | De motoroliedruk is te laag. | Zet de auto zo snel mogelijk stil op een veilige plaats.Parkeer de auto, zet het contact af en raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats. |
![]() | Remsysteem | permanent. | Het remvloeistofniveau is te laag. | Vul het niveau bij met een vloeistof voorzien van een artikelnummer van PEUGEOT.Als het probleem zich blijft voordoen, laat het systeem dan controleren bij het PEUGEOT-netwerk of bij een gekwalificeerde werkplaats. |
![]() | permanent, in combinatie met het waarschuwingslampje ABS. | Er is een storing in het remsysteem. | Zet de auto zo snel mogelijk op een veilige plaats stil. Zet het contact af en raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats. | |
CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN
| Controlelampje | brandt | Oorzaak | Acties / Opmerkingen | |
![]() | Antiblokkeersysteem (ABS) | permanent. | Er is een storing in het antiblokkeersysteem. | De normale remwerking blijft behouden.Rijd voorzichtig met lage snelheid en raadpleeg zo snel mogelijk het PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats. |
![]() | Elektronisch stabiliteitsprogramma (ESP/ASR) | permanent. | De ASR en/of het ESP zijn actief. | Deze functie verbetert de aandrijving en zorgt voor een betere koersstabiliteit. |
![]() | permanent. | Storing in de ASR of het ESP. | Laat het systeem controleren bij het PEUGEOT-netwerk of bij een gekwalificeerde werkplaats. | |
![]() | Koelvloeistoftemperatuur | permanent. | De temperatuur van de koelvloeistof is te hoog. | Zet de auto zo snel mogelijk stil op een veilige plaats.Wacht met het eventueel bijvullen van de koelvloeistof tot de motor is afgekoeld.Als het probleem zich blijft voordoen, raadpleeg dan het PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats. |
![]() | Airbags | tijdelijk. | Het lampje brandt gedurende enkele seconden en dooft als het contact wordt aangezet. | Het lampje moet doven zodra de motor wordt gestart.Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats als dit niet het geval is. |
![]() | knippert. | Er is een storing in minimaal een van de airbags. | De airbags worden bij een aanrijding mogelijk niet meer geactiveerd. Laat het systeem controleren bij het PEUGEOT-netwerk of bij een gekwalificeerde werkplaats. | |
CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN
| Controlelampje | brandt | Oorzaak | Acties / Opmerkingen | |
![]() | Uitschakelen passagiersairbag | permanent. | De schakelaar van de passagiersairbag staat in de stand "OFF".De frontairbag aan passagierszijde is uitgeschakeld.In dit geval kunt u een kinderzitje met de "rug in de rijrichting" plaatsen. | Zet de schakelaar in de stand "ON" om de frontairbag aan passagierszijde in te schakelen. Bevestig in dit geval op deze zitplaats geen kinderzitje met de "rug in de rijrichting". |
![]() | Laadstroom accu | permanent. | Er is een storing in het laadstroomcircuit van de accu (vervuilde of losgeraakte accuklemmen, aandrijfriem dynamo ontspannen of gebroken...). | Het lampje moet bij het starten van de motor uitgaan. Parkeer de auto op een veilige plek.Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats als dit niet het geval is. |
![]() | Elektrische stuurbekrachtiging | permanent. | Er is een storing met betrekking tot de elektrische stuurbekrachtiging. | Rijd voorzichtig en met lage snelheid.Laat het systeem controleren door het PEUGEOT-netwerk of door een gekwalificeerde werkplaats. |
![]() | Autogordel aan bestuurderszijde niet vastgemaakt (volgens uitvoering) | knippert, bij snelheden hoger dan 15 km/h in combinatie met een geluidssignaal. | De bestuurder heeft zijn autogordel niet vastgemaakt. | Trek aan de gordel en klik de gesp vast in de gesphouder. |
![]() | Emissieregeling | permanent. | Er is een storing in de emissieregeling. | Het waarschuwingslampje moet doven als de motor wordt gestart.Raadpleeg zo snel mogelijk het PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats als dit niet het geval is. |
CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN
1
| Controlelampje | brandt | Oorzaak | Acties / Opmerkingen | |
![]() | SensoDrive versnellingsbak | permanent. | De 2 Tronic versnellingsbak is defect. | Raadpleeg zo snel mogelijk het PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats. |
KILOMETERTELLER/DAGTELLER

Als het contact wordt aangezet, wordt afhankelijk van de geselecteerde weergave bij het afzetten van de motor, de kilometerteller of de dagteller weergegeven.
Druk op de knop 1 om afwisselend de kilometerteller en de dagteller weer te geven:
- bij de kilometerteller wordt "ODO" weergegeven,
- bij de dagteller wordt "TRIP" weergegeven.

Houd als de dagteller wordt weergegeven de knop 1 ingedrukt om de dagteller op nul te zetten.

De brandstofniveaumeter geeft de resterende hoeveelheid brandstof aan:
- 1/1 en zes blokjes: de brandstoftank is vol.
- R en een knipperend blokje: de brandstoftank is bijna leeg.
Te laag brandstofniveau
Als het brandstofniveau te laag is, gaat het laatste blokje knipperen in combinatie met een geluidssignaal.
U kunt, afhankelijk van de rijomstandigheden en de motoruitvoering, minder dan 50 km met de resterende hoeveelheid brandstof rijden.
De resterende hoeveelheid brandstof bedraagt nog ongeveer 5 liter.
Als het blokje sneller begint te knipperen, bedraagt de resterende hoeveelheid nog ongeveer 3 liter.

Als de auto is gestrand met een lege brandstoftank, moet minimaal 5 liter brandstof worden getankt.
CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN
SCHAKELSTANDINDICATOR
2 TRONIC VERSNELLINGSBAK

De aanduiding "E" verschijnt om aan te geven dat deze
stand is geselecteerd.
De aanduiding verdwijnt als de handgeschakelde stand wordt geselecteerd.

Selectiehendel in de handgeschakelde stand De aanduiding "M" verschijnt om aan te geven dat deze stand is geselecteerd.
De aanduiding verdwijnt als de stand EASY wordt geselecteerd.

"Neutral"
(Neutraalstand)

"Reverse"
(Achteruitversnelling)
Werking:

1e versnelling

2e versnelling

3e versnelling

4e versnelling

5e versnelling
Waarschuwingslampje "!"

Als dit lampje bij draaiende motor gaat branden, duidt dit op een storing in de 2 Tronic versnellingsbak.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats.
2
AUDIO
ALGEMENE FUNCTIES

Aan / uit

Druk, als het contact aan is of in de stand accessoires staat, op deze knop om de raschakelen.
Na het afzetten van de motor wordt de autoradio na 30 minuten automatisch uitgeschakeld om te voorkomen dat de accu ontladen raakt.
Instellen van de tijd

Druk langer dan 2 se- conden op deze knop; de tijdsweergave gaat knipperen:

- druk op deze knop om de uren in te stellen,
- druk op deze knop om de minuten in te stellen.
Als de knop gedurende enkele se- conden niet wordt ingedrukt, wordt de functie automatisch beëindigd.
Volumeregeling

Druk herhaaldelijk op de bovenzijde van deze toets om het geluidsvolume te verhogen en op de onderzijde van deze toets om het te verlagen.
Audio-instellingen

Druk herhaaldelijk op deze toets om achter-eenvolgens de bas- sen (BASS), de hoge
tonen (TREB), de geluidsverdeling voor/achter (FAD), en de balans links/rechts (BAL) in te stellen.

Stel de geselecteerde functie in met behulp van deze twee toetsen.
Als de toetsen gedurende enkele se- conden niet worden ingedrukt, wordt de functie automatisch beeindigd.
Aansluiting voor externe apparatuur

Het audiosysteem is voorzien van een aansluiting "AUX", waarop draagbare apparatuur (bijv. een MP3-speler)
kan worden aangesloten.

Sluit de apparatuur aan en druk op deze toets om de apparatuur te gebruiken.
Het geluidsvolume en de audio-instellingen van de apparatuur kunnen worden ingesteld met de toetsen van de autoradio.
Druk op de toets AM/FM om de functie AUX te onderbreken.
Bij het gebruik van een MP3-spe- ler: voor een goed geluidsniveau is het raadzaam het geluidsvolume van de radio aanzienlijk te verhogen (tus- sen 30 en 60).
2
AUDIO
RADIO

Stereo-ontvangst
Bij ontvangst van een stereo-uitzending wordt automatisch de stereoweergave geactiveerd en geeft het display de aanduiding "ST" weer. Bij een slechtere ontvangst van de zender gaat de radio over op de monoweergave en verdwijnt de aanduiding "ST".
Selecteren van de radiofunctie

Druk op deze toets.
Selecteren van het golfbereik

Druk achtereenvolgens op deze toets om het golfbereik FM1, FM2, FM3 of AM te selecteren.
Automatisch afstemmen

Druk twee keer op deze toets om de volgende zender te selecteren.
Druk kort op deze toets om alle beschikbare zenders van de FM-band gedurende drie seconden te beluisteren. Druk nogmaals op de toets om deze functie te annuleren.
Als de voorrang aan verkeersinformatie TA is geselecteerd, worden alleen zenders die verkeersinformatie uitzenden geselecteerd.
Handmatig afstemmen

Druk kort op een van deze twee toetsen om respectievelijk de volgende of vorige zender te selecteren.
Als de toets wordt vastgehouden, blijft de radio in de gekozen volgorde
frequencies afzoeken.
Het zoeken stopt zodra de toets wordt losgelaten.
Handmatig opslaan van zenders

Kies de gewenste zender.
Houd een van de voorkeuzetoetsen "1" t/m "6" langer dan 2 seconden ingedrukt.
Een geluidssignaal geeft aan dat de desbetreffende zender is opgeslagen.
2
AUDIO
Druk op deze toets. De autoradio slaat automatisch de 6 sterkste AM- en FM-
zenders in het gebied waar u zich bevindt op. De zenders worden opgeslagen op de AM-band en de FM3-band. Als alle gevonden zenders zijn opgeslagen, wordt dit aangegeven door twee geluidssignalen.

Als er minder dan 6 zenders worden gevonden, blijven de resterende geheugens
verschijnen er drie streepjes op het display van de autoradio.
Selecteren van een opgeslagen zender

Druk in het desbetreffende golfbereik kort op een van de toetsen "1" t/m "6" om de desbetreffende opgeslagen zender te selecteren.

Radio-ontvangst
De ontvangst van uw autora- dio wijkt af van de ontvangst
van uw radio thuis. De ontvangst van AM- (middengolf) en FM-zenders (frequentiemodulatie) kan door diverse oorzaken worden gestoord. Dit ligt niet aan de kwaliteit van het apparaat, maar aan de opbouw van de radiosignalen en de wijze van verzenden.
Bij AM-zenders kunnen er storingen optreden als er onder hoogspanningskabels, in tunnels of onder via-ducten wordt gereden.
Bij FM-zenders kunnen de afstand van de zender, de reflectie van het signaal door grote obstakels (bergen, gebouwen, enz.) en het zenderbereik oorzaak zijn van een mindere ontvangst.
RDS
Gebruik van de functie AF (alternatieve frequentie) op de FM-band
Het RDS (Radio Data System) biedt de mogelijkheid om naar een zender te luisteren, ongeacht de verschillende frequenties die voor deze zender gebruikt worden in de diverse regio's. De radio zoekt steeds de sterkste zender die hetzelfde programma uitzendt.

Druk herhaaldelijk op deze toets om de functie in of uit te schakelen.
Op het display verschijnt:
- "AF" als deze functie is ingeschakeld,
- "AF REG" als deze functie is ingeschakeld in combinatie met de regionale functie,
- "AF" (knipperend weergegeven) als deze functie wel ingeschakeld, maar niet beschikbaar is.
Regionale functie (REG)
Sommige gekoppelde zenders zenden op bepaalde tijdstippen op dezelfde frequentie verschillende, regionale programma's uit. Met deze functie kan een regional programma worden beluisterd.
Zoeken naar zenders met een bepaald programmatype (PTY)
Met behulp van deze functie kunnen zenders met een specifieke programmering (NEWS, SPORTS, TALK, POP, CLASSICS) beluisterd worden.

Druk, als FM is ge- selecteerd, op deze toets:
- "no pty" wordt weergegeven,
- druk vervolgens kort op de toets om een programmatype te selecteren.
Als gedurende enkele seconden de toets niet wordt ingedrukt, wordt het geselecteerde programmatype opgeslagen.
Verkeersinformatie (TA)

Druk herhaaldelijk op deze toets om de functie in of uit te schakelen.
Als een FM-zender is geselecteerd, verschijnt op het display:
- "TP" of "TP EON": als de functie is ingeschakeld zonder dat verkeersinformatie wordt uitgezonden.
- "TA" of "TA EON": als het beluisterde radioprogramma wordt onderbroken voor de verkeersinformatie.
Druk nogmaals op deze toets om de verkeersinformatie te onderbreken en terug te keren naar het eerder beluisterde programma.
EON
Dit systeem maakt koppelingen tussen zenders in hetzelfde gebied. Bij dit systeem is het mogelijk om automatisch naar andere zenders binnen het gebied over te schakelen die verkeersinformatie uitzenden.
De EON-functie werkt alleen als de functie TA is ingeschakeld.

Het volume van de verkeers-informatie is onafhankelijk van het normale volume van de radio.
U kunt dit tijdens de uitzending van verkeersinformatie TA instellen met de volumeknop.
De instelling wordt opgeslagen en gebruikt bij volgende berichten.
2
AUDIO
CD-SPELER / CD-WISSELAAR

FUNCTIES VAN DE CD-SPELER EN DE CD-WISSELAAR
Selecteren van een track van een CD

Druk op deze toets om de volgende track te selecteren.

Druk op deze toets om terug te gaan naar het begin van de track die momenteel wordt
afgespeeld of de vorige track.
Versneld afspelen

Houd een van deze toetsen ingedrukt om de CD respectievelijk versneld achteruit of vooruit af te spelen.
Het versneld afspelen stopt zodra de toets wordt losgelaten.
Introscan (SCAN)

Druk op deze toets om het begin van elke track van de geselecteerde CD af te spelen.
FUNCTIES VAN DE CD-SPELER
Selecteren van de CD-speler

Zodra een CD in de CD-speler wordt ge- stoken met de be- drukte zijde naar
boven gericht, zal de CD-speler de CD automatisch afspelen.
Als er al een CD in het apparaat zit, druk dan op deze toets om de CD-speler te selecteren.
Uitwerpen van een CD

Druk op deze toets om de CD uit de CD-speler te werpen.
In willekeurige volgorde afspelen (RAND)

Druk als de CD-spe- ler is geselecteerd op deze toets.
De tracks van de CD worden nu in een willekeurige volgorde afgespeeld. Druk nogmaals op de toets om weer op normaal afspelen over te schakelen.
Als de autoradio wordt uitgeschakeld, wordt de Random-functie geannuleerd.
Herhalen van een track van de CD (RPT)

Druk op deze toets om de track die wordt afgespeeld te herhalen. Druk nogmaals op de
toets om de functie te annuleren.

Het gebruik van gekraste CD's kan storingen veroorzaken.
Gebruik uitsluitend CD's met een ronde vorm.
2
AUDIO
FUNCTIES VAN DE CD-WISSELAAR
Selecteren van de CD-wisselaar

Druk op deze toets.
Selecteren van een CD

Druk op een van deze toetsen van de autoradio om respectievelijk de vorige of volgende CD te selecteren.
In willekeurige volgorde afspelen van een CD (RAND)

Houd als de CD-wisselaar is geselecteerd deze toets gedurende 2 seconden ingedrukt.
De tracks van de geselecteerde CD worden nu in een willekeurige volgorde afgespeeld.
Druk nogmaals gedurende 2 secon- den op de toets om weer op normaal afspelen over te schakelen.
Herhalen van een CD (RPT)

Houd deze toets ingedrukt indien u de geselecteerde CD opnieuw wilt afspelen.
Druk nogmaals op de toets om de functie te annuleren.

Het gebruik van gekraste CD's kan storingen veroorzaken.
Gebruik uitsluitend CD's met een ronde vorm.
COMFORT

- Uitstroomopeningen voorruitontwaseming
-
Uitstroomopeningen zijruitontwaseming
-
Zijventilatieroosters
- Luchtverdeelrooster
- Uitstroomopeningen voor beenruimte

Gebruiksadviezen
Als de binnentemperatuur zeer hoog blijft nadat de auto
lang in de zon heeft gestaan, kunt u het passagierscompartiment kort ventileren.
Zorg voor een goede verdeling van de lucht en let erop dat het luchtinlaatrooster, de ventilatieroosters, de luchtkanalen en de uitstroomopeningen onder de voorstoelen niet afgedekt zijn.
Zorg ervoor dat het interieurfilter, dat zich in de motorruimte onder de voorruit bevindt, in een goede staat verkeert. De filterelementen dienen periodiek te worden vervangen. Laat de filterelementen twee keer zo vaak vervangen als de omstandigheden dit vereisen.
Zet de airconditioning 1 tot 2 keer per maand 5 tot 10 minuten aan om het systeem in perfecte staat te houden.
Tevens adviseren wij de airconditioning regelmatig te laten controleren om een goede werking van het systeem te waarborgen.
Condensvorming in de airconditioning kan ertoe leiden dat er zich een klein plasje water onder de auto vormt, dit is een normaal verschijnsel.
Gebruik de airconditioning niet als deze niet koelt en laat het systeem in dat geval door het PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats controleren.

De airconditioning bevat geen chloor en is niet schadelijk voor de ozonlaag.
COMFORT

1. Temperatuurregeling
Draai de knop van blauw (koud) naar rood (warm) om de temperatuur naar behoefte in te stellen.
2. Regeling luchtopbrengst
Draai bij aangezet contact aan de knop om de gewenste luchtopbrengst te verkrijgen.
Gebruik voor een optimaal comfort de stand 0 zo min mogelijk.
In de stand 0 blijft er door de rijwind nog wel een kleine luchtstroom gehandhaafd.
3. Regeling luchtverdeling

Luchtstroom naar voorruit en zijruiten.

Luchtstroom naar voorruit, zijruiten en beenruimte.

Luchtstroom naar beenruimte.

Luchtstroom naar beenruimte, luchtverdeelrooster en linker en rechter ventilatieroosters.

Luchtstroom naar luchtverdeelrooster en linker en rechter ventilatieroosters.

De luchtstroom kan worden gevarieerd door de knop in een tussenstand te zetten.
Druk bij draaiende motor de schakelaar 4 in, het controlelampje gaat branden. De achterruitverwarming zorgt voor de ontwaseming van de achterruit.
Druk nogmaals op de schakelaar 4 om de achterruitverwarming uit te schakelen.

Schakel zodra de omstandigheden het toelaten de achterruitverwarming uit om onnodig stroom- en brandstofverbruik te voorkomen.
Ontdooien en ontwasemen
Ga voor het snel ontwasemen van de voorruit en de zijruiten als volgt te werk:
- stel de luchtverdeling in op "voorruit en zijruiten",
- stel de temperatuur 1 en de luchtopbrengst 2 in op maximaal,
- sluit de linker en rechter ventilatieroosters.
COMFORT
3

AIRCONDITIONING
- Airconditioning aan/uit
- Temperatuurregeling
-
Regeling luchtopbrengst
-
Luchtrecirculatie / toevoer van buitenlucht
- Regeling luchtverdeling
- Achterruitverwarming
1. Airconditioning aan/uit

Druk bij draaiende motor de schakelaar in, het controle-lampje gaat branden.
De airconditioning werkt niet als de knop 3 voor de regeling van de luchtopbrengst in de stand 0 staat.
2. Temperatuurregeling
Draai de knop van blauw (koud) naar rood (warm) om de temperatuur naar behoefte in te stellen.
3. Regeling luchtopbrengst
Draai bij aangezet contact aan de knop om de gewenste luchtopbrengst te verkrijgen.
Gebruik voor een optimaal comfort de stand 0 zo min mogelijk.
In de stand 0 blijft er door de rijwind nog wel een kleine luchtstroom gehandhaafd.
4. Luchtrecirculatie / toevoer van buitenlucht

De luchtrecirculatie (de knop 4 naar links) dient om de toevoer van buitenlucht bij stank en stofoverlast af te sluiten.

De toevoer van buitenlucht (de knop 4 naar rechts) voorkomt het beslaan van de voorruit en de zijruiten.

Als de luchtrecirculatiestand bij vochtig weer wordt gebruikt, bestaat het risico dat de ruiten beslaan.
Zet, zodra de omstandigheden dit toelaten, de knop 4 weer in de stand "Toevoer van buitenlucht" om vermindering van de luchtkwaliteit in het interieur en het beslaan van de voorruit en zijruiten te voorkomen.
5. Regeling luchtverdeling

Luchtstroom naar voorruit en zijruiten.

Luchtstroom naar voorruit, zijruiten en de beenruimte.

Luchtstroom naar de beenruimte.

Luchtstroom naar de beenruimte, het luchtverdeelrooster en de linker en rechter ventilatieroosters.

Luchtstroom naar het luchtverdeelrooster en de linker en rechter ventilatieroosters.

De luchtstroom kan worden gevarieerd door de knop in een tussenstand te zetten.
Druk bij draaiende motor de schakelaar 6 in om de achterruitverwarming in te schakelen. Het controle-lampje gaat branden.
De achterruitverwarming zorgt voor de ontwaseming van de achterruit.
Druk nogmaals op de schakelaar 6 om de achterruitverwarming uit te schakelen.

Schakel zodra de omstandigheden het toelaten de achterruitverwarming uit om onnodig stroom- en brandbruik te voorkomen.
Ontdooien en ontwasemen
Ga voor het snel ontwasemen van de voorruit en de zijruiten als volgt te werk:
- stel de luchtverdeling in op "voorruit en zijruiten",
- stel de temperatuur 2 en de luchtopbrengst 3 in op maximaal,
- sluit de linker en rechter ventilatieroosters,
- zet de luchttoevoerregeling 4 in de stand "Toevoer van buitenlucht",
- schakel de airconditioning in door op de toets 1 te drukken.
COMFORT

Stel de spiegel met behulp van de hendel in de gewenste stand.
Inklappen/uitklappen
Tijdens het parkeren kunnen de buitenspiegels handmatig in- en uitgeklapt worden.

- dagstand (normaal), - nachtstand (antiverblinding).
De spiegel kan in de dag- en nachtstand gezet worden met behulp van het hendeltje aan de onderzijde.

Druk bij stilstaande auto de hendel naar beneden om het stuurwiel te ontgrendelen.
Zet het stuurwiel in de gewenste stand en trek aan de hendel om het stuurwiel te vergrendelen.

Om veiligheidsredenen mag deze handeling niet tijdens het rijden worden uitgevoerd.

Til de hendel op en schuif de stoel naar voren of naar achteren.

Duw de hendel A naar achteren en beweeg de rugleuning in de gewens- te richting.

3. Toegang tot de achterbank (3-deurs)
Plaats de veiligheidsgordel langs de portierstijl.
Duw de hendel A naar achteren om de rugleuning naar voren te klappen en de stoel vooruit te schuiven.
Duw de rugleuning om de stoel terug te zetten naar achteren tot de stoel vergrendelt.
Verstel de stoel in lengterichting en ver- stel de rugleuning om de stoel weer in de oorspronkelijke stand te zetten.

Zorg ervoor dat het terugzetten van de stoel in de oorspronkelijke stand niet wordt verhinderd.

Neerklappen van de achterbankleuning
Het neerklappen geschiedt vanaf de achterzijde van de auto met geopen-de achterklep:
- controleer of de autogordels langs de kanten van de achterbankleuning lopen,
- zet de hoofdsteunen in de laagste stand (zie "Hoofdsteunen achter"),
- trek bij het neerklappen van de achterbankleuning aan de, riem(en) A aan de achterzijde van de rugleuning.

Terugplaatsen van de achterbankleuning
Klap de achterbankleuning omhoog en vergrendel deze in de veranke- ring B.
Let erop dat de autogordels niet worden vastgeklemd, vooral tussen de leuning en de verankering B.
Controleer of de achterbankleuning goed is vergrendeld.

Hoofdsteunen achter\*
De hoofdsteunen achter zijn afneembaar en kunnen in twee standen worden gezet:
- omhoog, om ze te gebruiken.
- omlaag, als ze niet worden gebruikt.
Trek aan de hoofdsteun om hem omhoog te zetten.
Druk op de blokkeerpal A en vervolgens op de hoofdsteun om hem omlaag te zetten.
Verwijderen:
- kantel de rugleuning iets naar voren,
- zet de hoofdsteun in de hoogste stand,
- druk op de blokkeerpal A en trek de hoofdsteun gelijktijdig omhoog.
Terugplaatsen:
- kantel de rugleuning iets naar voren,
- steek de pennen van de hoofdsteunen in de openingen.
Druk op de blokkeerpal A om de hoofdsteun in de laagste stand te zetten.
* Volgens uitvoering.
3
COMFORT
ALGEMENE INFORMATIE MET BETREKKING TOT KINDERZITJES
Hoewel PEUGEOT bij het ontwerp van uw auto veel aandacht heeft besteed aan veiligheidsvoorzieningen voor uw kinderen, is hun veiligheid natuurlijk ook afhankelijk van uzelf.

Volg voor een optimale veiligheid de volgende adviezen op:
- conform de Europese wetgeving dienen kinderen jonger dan 12 jaar of kleiner dan 1,50 m in gehomologeerde, aan het lichaamsgewicht aangepaste kinderzitjes op met veiligheidsgordels of ISOFIX-bevestigingen uitgeruste plaatsen te worden vervoerd*,
- de veiligste plaats voor het vervoeren van een kind is volgens de statistieken een plaats op de achterbank van uw auto,
- kinderen tot 9 kg moeten zowel voor- als achterin met de rug in de rijrichting worden vervoerd.
PEUGEOT beveelt u aan kinderen op de achterzitplaatsen van uw auto te vervoeren:
- met de rug in de rijrichting tot 2 jaar,
- met het gezicht in de rijrichting vanaf 2 jaar.
KINDERZITJE OP DE PASSAGIERSSTOEL VOOR
"Met de rug in de rijrichting"

Wanneer een kinderzitje voor het vervoeren met de rug in de rijrichting op de passagiersstoel voor wordt geplaatst, moet de airbag aan passagierszijde zijn uitgeschakeld. Gebeurt dit niet, dan kan het kind bij het afgaan van de airbag levensgevaarlijk gewond raken.

"Met het gezicht in de rijrichting"
Wanneer een kinderzitje met het gezicht in de rijrichting op de passagiersstoel voor wordt geplaatst, moet de stoel in de middelste stand van de voor-/achterwaartse verstelling worden gezet met de rugleuning rechtop en mag de airbag aan passagierszijde niet worden uitgeschakeld.

* De regels voor het vervoeren van kinderen zijn per land verschillend. Informeer hiervoor naar de wetgeving in uw land.




Airbag aan passagierszijde
OFF
COMFORT
DOOR PEUGEOT AANBEVOLEN KINDERZITJES
PEUGEOT levert een complete reeks kinderzitjes met artikelnummer die met een driepunts veiligheidsgordel kunnen worden vastgemaakt:
Groep 0: vanaf de geboorte tot 10 kg Groep 0+: vanaf de geboorte tot 13 kg
Groep 1, 2 en 3: van 9 tot 36 kg

L1
"RÖMER Baby-Safe Plus"
Wordt met de rug in de rijrichting geplaatst.

L2
"KIDDY Life" Omwillie van de veiligheid van jonge kinderen (van 9 tot 18 kg) is het gebruik van de gordelbeschermer verplicht.
Groep 2 en 3: van 15 tot 36 kg

L3
"RECARO Start"

L4
"KLIPPAN Optima"
Vanaf 6 jaar (ongeveer 22 kg): gebruik alleen de zitverhoging.

L5
"RÖMER KIDFIX"
Kan aan de ISOFIX-verankeringen van de auto worden bevestigd.
Het kind wordt beschermd door de autogordel.
COMFORT
PLAATSING KINDERZITJES MET DE AUTOGORDEL
Conform de Europese wetgeving geeft dit overzicht de mogelijkheden weer met betrekking tot het bevestigen met een autogordel van een universeel gehomologeerd kinderzitje, gerangschikt naar gewicht van het kind en de plaats in de auto.
| Gewicht van het kind en leeftijdsindicatie | |||||
| Plaats | Minder dan 13 kg(Groep 0 (a) en 0+)Tot ong. 1 jaar | Van 9 tot 18 kg(Groep 1)Van 1 tot ong. 3 jaar | Van 15 tot 25 kg(Groep 2)Van 3 tot ong. 6 jaar | Van 22 tot 36 kg(Groep 3)Van 6 tot ong. 10 jaar | |
| Passagiersstoelvóór (b) | ![]() | L1 | L2 | L2, L3, L4 | L2, L3, L4 |
| Achterzitplaatsen | ![]() | U | U | U | U |
a: Groep 0: vanaf de geboorte tot 10 kg. Het plaatsen van reiswiegen en autobedjes op de passagiersstoel voorin is niet toegestaan.
b: raadpleeg de huidige wetgeving in uw land alvorens een kinderzitje op deze plaats te bevestigen.
U: zitplaats geschikt voor de bevestiging met een autogordel van een goedgekeurd, universeel kinderzitje, zowel met de "rug in de rijrichting" als met het "gezicht in de rijrichting".
L1 t/m L4: alleen de vermelde en door PEUGEOT aanbevolen kinderzitjes kunnen op de desbetreffende plaats worden bevestigd (volgens land van bestemming).
COMFORT

ADVIEZEN VOOR KINDERZITJES
De onjuiste bevestiging van een kinderzitje brengt de veiligheid van het kind in gevaar in geval van een botsing.
Zorg ervoor dat de veiligheidsgordel of het tuigje van het kinderzitje, zelfs bij korte ritten, wordt vastgemaakt waarbij de speling ten opzichte van het lichaam van het kind zoveel mogelijk moet worden beperkt.
Controleer bij het plaatsen van een kinderzitje dat gebruik maakt van de veiligheidsgordel of deze goed tegen het kinderzitje aangetrokken is en of het zitje stevig vastzit op de stoel van uw auto.
Zorg er voor een optimale bevestiging van het kinderzitje "met het gezicht in de rijrichting" voor dat de rugleuning van het zitje tegen de rugleuning van de stoel van de auto aandrukt en dat de hoofdsteun geen belemmering vormt.
Als de hoofdsteun verwijderd moet worden, berg deze dan zorgvuldig op om te voorkomen dat de hoofdsteun door de auto vliegt bij krachtig afremmen.
Kinderen jonger dan 10 jaar mogen niet met het gezicht in de rijrichting op de passagiersstoel voor worden vervoerd, behalve als de achterzitplaatsen al bezet zijn door andere kinderen of als de achterbank niet bruikbaar, neergeklapt of verwijderd is.
Schakel de airbag aan passagierszijde* uit zodra een kinderzitje met de rug in de rijrichting op de voorstoel wordt geplaatst.
Het kind kan anders bij het afgaan van de airbag levensgevaarlijk gewond raken.
Plaatsen van een zitverhoging
Het bovenste gedeelte van de veiligheidsgordel moet over de schouder van het kind liggen zonder de hals te raken.
Controleer of de heupgordel goed over de bovenbenen van het kind ligt.
PEUGEOT beveelt aan een zitverhoging met rugleuning te gebruiken voorzien van een gordelgeleider ter hoogte van de schouder.
Laat uit veiligheidsoverwegingen:
- geen kinderen zonder toezicht achter in een auto,
- nooit een kind of een dier in een auto achter wanneer alle ruiten gesloten zijn en de auto in de zon staat,
- de sleutels nooit binnen bereik van de kinderen in de auto achter.
Plaats zonneschermen om uw jonge kinderen tegen de zon te beschermen.
* Volgens land van bestemming.
ISOFIX-BEVESTIGINGEN
Uw auto voldoet aan de nieuwe ISOFIX-normen.
De hieronder aangegeven zitplaatsen* zijn uitgerust met de voorge-schreven ISOFIX-bevestigingen:

Elke zitplaats is voorzien van drie bevestigingsringen:

- twee onderste bevestigingsringen A, die zich tussen de rugleuning en de zitting van de zitplaats bevinden, aangegeven door een sticker,

- één bovenste bevestigingsring B voor de bevestiging van de bovenste riem, de TOP TETHER-bevestiging, aangegeven op het frame van de rugleuning van de achterbank.
De ISOFIX-bevestigingen zorgen voor een veilige, degelijke en snelle montage van het kinderzitje in uw auto.
De ISOFIX-kinderzitjes beschikken over twee sloten die eenvoudtig aan de onderste bevestigingsringen A kunnen worden verankerd.
Sommige kinderzitjes zijn bovendien voorzien van een bovenste bevestigingsriem die kan worden vastgemaakt aan de bovenste bevestigingsring B.
Zet om de bovenste bevestigingsriem vast te maken de hoofdsteun van de zitplaats omhoog en steek de haak
tussen de hoofdsteun en de rugleuning door. Bevestig de haak aan de bovenste bevestigingsring B en trek de riem aan.
Bij een onjuist geplaatst kinderzitje kan het kind bij een aanrijding ernstig letsel oplopen.
Raadpleeg het overzicht voor de bevestiging van ISOFIX-kinderzitjes in uw auto, waarin staat vermeld welke kinderzitjes voor uw auto zijn gehomologeerd.
* Volgens uitvoering.
ISOFIX-KINDERZITJE AANBEVOLEN DOOR PEUGEOT EN GEHOMOLOGEERD VOOR UW AUTO
Het RÖMER Duo Plus ISOFIX kinderzitje (gewichtsgroep B1)
Groep 1: van 9 tot 18 kg

Dit wordt met het gezicht in de rijrichting geplaatst. Het is voorzien van een bovenste riem voor verankering aan de bovenste bevestiging B, de TOP TETHER. Drie standen: rechtop, ruststand en ligstand.

Dit kinderzitje kan ook worden bevestigd op zitplaatsen die niet zijn voorzien van ISOFIX-bevestigingen. Het is in dat geval verplicht het kinderzitje met de normale driepunts veiligheidsgordel op de zitplaats van de auto te bevestigen. Volg bij het plaatsen van het kinderzitje de gebruiksaanwijzing van de fabrikant van het zitje.
COMFORT
PLAATS VAN ISOFIX-KINDERZITJES
| Gewicht van het kind / leeftijdsindicatie | ||||||||||
| Tot 10 kg (groep 0)Tot ± 6 maanden | Tot 10 kg (groep 0)Tot 13 kg (groep 0+)Tot ± 1 jaar | Van 9 tot 18 kg (groep 1)Van ±. 1 tot ± 3 jaar | ||||||||
| Type ISOFIX-kinderzitje | Reiswieg* | "rug in de rijrichting" | "rug in de rijrichting" | "gezicht in de rijrichting" | ||||||
| ISOFIX-maat | F | G | C | D | E | C | D | A | B | B1 |
| universele ISOFIX-kinderzitjes geschikt voor bevestiging op de achterbank | X | X | X | X | X | IUFIL-SU | ||||
Overeenkomstig de Europese wetgeving geeft het overzicht de mogelijkheden aan voor het bevestigen van een ISOFIX-kinderzitje op een plaats in de auto voorzien van ISOFIX-bevestigingen.
Bij universele en semi-universele ISOFIX-kinderzitjes wordt de ISOFIX-maat op het kinderzitje naast het ISOFIX-logo aangegeven met de aanduiding A, B, B1, C, D, E, F of G.
IUF: zitplaats gehomologeerd voor de bevestiging van een universeel ISOFIX-kinderzitje met het gezicht in de rijrichting met een bovenste riem.
IL-SU: zitplaats geschikt voor de bevestiging van een semi-universeel ISOFIX kinderzitje:
- rug in de rijrichting voorzien van een bovenste riem of een steun
- gezicht in de rijrichting voorzien van een steun
- een reiswieg voorzien van een bovenste riem of een steun.
X: zitplaats niet geschikt voor de bevestiging van een ISOFIX-kinderzitje uit de aangegeven gewichtsklasse.
* De ISOFIX-reiswieg wordt bevestigd aan de onderste ISOFIX-bevestigingsringen van een zitplaats en neemt de twee achterzitplaatsen in beslag.
COMFORT

Beide zonnekleppen zijn voorzien van een met een klepje afgedekte make-upspiegel en een kaartenhouder.
2. Opbergvakken
3. Opbergbox
- Opbergvakken in de voorportieren
Controleer voordat u een portier opent of er niets uit het opbergvak steekt.
5. Bekerhouder
- 12V-aansluiting (maximaal 120 W)
De 12V-aansluiting kan worden gebruikt als het contact aanstaat (1e stand van de sleutel in het contactslot).
- Opbergvakken in de achterportieren
3-deurs
5-deurs

U kunt als aanvulling op de set sleutels (met afstandsbediening) van uw auto maximaal drie nieuwe sleutels laten bijmaken.
Bij verlies van alle bij de auto beho- rende sleutels moet een kostbare en ingrijpende handeling aan uw auto worden verricht.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats.

Met behulp van de sleutel kunnen de voorportieren, de achterklep en de tankdop vergrendeld en ontgrendeld worden, kan de passagiersairbag worden uitgeschakeld en wordt het contactslot/stuurslot bediend.
Centrale vergrendeling/ontgrendeling
Met behulp van de sleutel in het slot van het bestuurdersportier kunnen alle portieren en de achterklep gelijktijdig vergrendeld of ontgrendeld worden.

Afstandsbediening
Met behulp van de afstandsbedie- ning kan de auto op afstand worden vergrendeld en ontgrendeld en kan de auto worden gelokaliseerd.
Vergrendelen
Druk op de knop A om de auto op afstand te vergrendelen. Dit wordt bevestigd door het gedurende korte tijd branden van de richtingaanwijzers.
Ontgrendelen
Druk op de knop B om de auto te ont-grendelen.
Dit wordt bevestigd door het twee- maal knipperen van de richtingaan- wijzers.

Wanneer u de auto heeft vergrendeld en merkt dat een van de portieren niet goed is gesloten, sluit dan het portier en vergrendel de auto opnieuw.
Lokaliseren van de auto
Om de eerder vergrendelde auto te lokaliseren op een parkeerplaats:
Druk op de knop A, de knipper- lichten gaan even branden.
TOEGANG TOT DE AUTO
4


Batterij van afstandsbediening vervangen
Verwijder om de batterij te vervangen de schroef en wip het huis met een muntstuk bij het oog los om de batterij te vervangen.
Batterij CR 2016/3 V.
Als de afstandsbediening na het vervangen van de batterij niet werkt, moet deze opnieuw gesynchroniseerd worden.

Gooi de batterij van de af- standsbediening niet weg, de batterij bevat metalen die schadelijk zijn voor het milieu.
Lever de batterij in bij het PEUGEOTnetwerk of bij een ander erkend verzamelpunt.
Synchroniseren van de afstandsbediening
Na het vervangen van de batterij of in het geval van een storing moet de afstandsbediening gesynchroniseerd worden.
Zet het contact uit.
Zet het contact weer aan.
Druk direct gedurende enkele seconden op een van de knoppen van de afstandsbediening.
Zet het contact uit en verwijder de sleutel uit het contactslot.
De afstandsbediening werkt nu weer.
Raadpleeg als de storing niet is ver- holpen het PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats.
ELEKTRONISCHE STARTBLOKKERING
Deze diefstalbeveiliging blokkeert het motormanagementsysteem zodra het contact wordt afgezet en voorkomt zo het starten van de motor nadat in de auto is ingebroken.
In de sleutel is een chip aangebracht die over een specifieke code beschikt. Bij het aanzetten van het contact moet de code van de sleutel worden herkend door de startblokkering, waarna de motor gestart kan worden.
Bij een storing in het systeem kan de auto niet worden gestart.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats.

Het rijden met vergrendelde portieren kan in geval van nood de toegang tot het interieur belemmeren.
Haal uit veiligheidsoverwegingen (kinderen in de auto) de sleutel uit het contactslot en neem deze mee als u de auto verlaat, zelfs al is dit voor korte duur.
Breng geen wijzigingen aan in de elektronische startblokkering.
De radiografische afstandsbediening is een gevoelig systeem; het is raadzaam om niet met de knop van de afstandsbediening te spelen om te voorkomen dat de auto per ongeluk ontgrendeld wordt.
Druk nooit op de knoppen van uw afstandsbediening buiten het bereik van uw auto. De afstandsbediening kan dan onbruikbaar worden en moet in dat geval opnieuw worden gesynchroniseerd.
TOEGANG TOT DE AUTO

Van binnenuit vergrendelen/ontgrendelen van een portier
Enkelvoudig vergrendelen/ontgrendelen: de portieren worden onafhankelijk van elkaar vergrendeld en ontgrendeld.
Druk op of trek aan de knop A om het desbetreffende portier respectievelijk te vergrendelen of ontgrendelen.

Het portier kan niet worden ontgrendeld met de portier-greep; bedien de knop A om het portier te ontgrendelen.
Centrale vergrendeling: de portieren en de achterklep worden gelijktijdig vergrendeld of ontgrendeld.
Druk op of trek aan de knop A van het bestuurdersportier om de auto te vergrendelen of te ontgrendelen.
Zie voor het vergrendelen van de overige portieren de procedure voor het enkelvoudig vergrendelen en ontgrendelen.
Bestuurdersportier geopend

Als de knop in deze stand staat, blijft als het bestuurdersportier is geopend de plafonnier branden.

Kinderslot
Beide achterportieren zijn voorzien van een kinderslot om het openen van binnenuit te verhinderen.
Duw de knop 1 naar de buitenzijde van de auto.

Controleer voor het aanzetten van het contact altijd de stand van het kinderslot.
Dit systeem werkt onafhankelijk van de centrale vergrendeling.
Verwijder bij het verlaten van de auto altijd de sleutel uit het contactslot.

Beide voorportieren zijn voorzien van elektrisch bedienbare ruiten.
Druk bij aangezet contact op de schakelaar 1 of trek hem omhoog. De ruit stopt zodra de schakelaar wordt losgelaten.

Neem bij het verlaten van de auto, zelfs voor een korte periode, altijd de sleutel uit het contact.
De bestuurder moet ervan verzekerd zijn dat de voorpassagier op de juiste manier gebruik maakt van de elektrische ruitbediening.
Zorg ervoor dat kinderen zich tijdens het bedienen van de ruiten niet kunnen bezeren.
TOEGANG TOT DE AUTO
4

Trek aan de hendel en duw hem naar voren om de ruit open te zetten.
Trek de hendel naar achteren en duw hem vast om de ruit te sluiten.

Bedien om de achterklep te openen het slot B met de sleutel en trek de achterklep open.

Vergrendelen / ontgrendelen met de afstandsbediening*
De achterklep kan worden vergrendeld en ontgrendeld met de knoppen van de afstandsbediening.
Druk om de achterklep vervolgens te openen op de knop C en trek de achterklep open.

De achterklep kan worden vergrendeld en ontgrendeld met de schakelaar A van het bestuurdersportier.
* Volgens uitvoering.
4
TOEGANG TOT DE AUTO

VOORZIENINGEN IN DE BAGAGERUIMTE
1. Hoedenplank
Verwijderen van de hoedenplank:
- maak de hoedenplank los van de bevestiging A,
- trek de hoedenplank aan beide zijden omhoog en verwijder deze uit de bevestigingen,
- til de hoedenplank iets op en kan- tel deze om de hoedenplank te verwijderen.
Er zijn twee mogelijkheden om de hoedenplank op te bergen:
- achter de achterzitplaatsen,
- of plat in de bagageruimte.

Het reservewiel bevindt zicht onder de mat en een kunststof afdekplaat en bevat het gereedschap voor het verwisselen van een wiel en het slepen van de auto.

Om over extra ruimte te beschikken, kan het reservewiel tijdelijk worden verwijderd (kunststof bak, leverbaar als accessoire).
TOEGANG TOT DE AUTO
4
BRANDSTOFTANK
Te laag brandstofniveau

Als het brandstofniveau te laag is, gaat het laatste blokje knipperen in combinatie met een geluidssignaal.
De resterende hoeveelheid brand- stof bedraagt nog ongeveer 5 liter.
U kunt, afhankelijk van de rijomstandigheden en de motoruitvoering, minder dan 50 km met de resterende hoeveelheid brandstof rijden.
Als het blokje sneller begint te knipperen bedraagt de resterende hoeveelheid nog ongeveer 3 liter.

Als de auto is gestrand met een lege brandstoftank, kan op het instrumentenpaneel het waarschuwingslampje
emissieregeling gaan branden. Na enkele malen starten gaat het lampje automatisch weer uit.

Het tanken dient te geschieden met afgezette motor.

Open de brandstoftankklep.
Steek de sleutel in het slot en draai deze iets naar links en weer terug naar rechts. De sleutel staat weer in de oorspronkelijke stand en de tankdop is ontgrendeld.

Verwijder de sleutel.

Draai de dop los en bevestig de dop aan de binnenzijde van de brandstoftankklep.
Op een label aan de binnenzijde van de brandstoftankklep staat de voorgeschreven soort brandstof aangegeven.
Laat het vulpistool bij het aftanken nooit meer dan 3 keer automatisch uitspringen. Indien dit wel gebeurt, kunnen er storingen optreden.
De inhoud van de brandstoftank bedraagt ongeveer 35 liter.
Draai de dop na het tanken weer helemaal dicht naar rechts tot de dop klikt en sluit de brandstof-tankklep.
4
TOEGANG TOT DE AUTO
Brandstofkwaliteit voor benzinemotoren
Auto's met benzinemotoren kunnen probleemloos rijden op biobrandstoffen van het type E10 (deze bevatten 10% ethanol) die voldoen aan de Europese richtlijnen EN 228 en EN 15376.
Brandstoffen van het type E85 (deze bevatten tot 85% ethanol) zijn uitsluitend geschikt voor auto's die speciaal bestemd zijn voor dit type brandstof (BioFlex-auto's). De kwaliteit van de ethanol moet voldoen aan de Europese richtlijn EN 15293.
Auto's die kunnen rijden op brandstoffen met een ethanolgehalte tot 100% (type E100), worden alleen verkocht in Brazilië.
SP95 E10
SP98

LICHTSCHAKELAAR
Koplampen en achterlichten
Draai de ring A om de verlichting in te schakelen.

-
Lichten uit
-
Parkeerlicht
-
Dim-/grootlicht

Dim-/grootlicht
Dimlicht: trek de schakelaar naar u toe.
Grootlicht: duw de schakelaar naar voren.
Lichtsignaal
Trek de schakelaar volledig naar u toe.
Vergeten verlichting
Als het contact is afgezet en het bestuurdersportier wordt geopend, klinkt een ononderbroken geluidssignaal om aan te geven dat de verlichting nog brandt.
Mistachterlicht

Draai als het dimlicht is ingeschakeld de ring B naar voren om het mistachterlicht in te schakelen en naar achteren
om het uit te schakelen. Als het mist- achterlicht is ingeschakeld, wordt dit aangegeven door het verklikkerlampje op het instrumentenpaneel.

Als vanuit de stand dimlicht het parkeerlicht wordt ingeschakeld, wordt het mistachterlicht niet automatisch uitgeschakeld.

Bij helder of regenachtig weer, zowel overdag als 's nachts, is het mistachterlicht hinderlijk voor medeweggebruikers en daarom niet toegestaan.
Vergeet niet het mistachterlicht uit te schakelen zodra het niet meer nodig is.
Richtingaanwijzers

Links: omlaag duwen. Rechts: omhoog duwen.

RUITENWISSERSCHAKELAAR Ruitenwissers vóór
MIST Eén keer wissen.
Duw de schakelaar omlaag en laat hem los om de ruitenwisser één keer te laten wissen.
OFF Uit.
INT Interval.
LO Normale snelheid (matige regenval).
HI Hoge snelheid (hevige neerslag).

Zet bij het wassen van de auto in een autowasstraat het contact af en controleer of de ruitenwissers in de laagste stand staan.
Wacht 's winters met het inschakelen van de ruitenwissers tot de voorruit volledig ontdooid is.
Ruitensproeier vóór
Trek de ruitenwisserschakelaar naar u toe.

Ruitenwisser en -sproeier achter
Draai de ring A in de stand "ON" voor constant wissen.

Draai de ring naar voren om tijdens het wissen de ruitensproeier te activeren.

Ruitensproeier achter
De ring A staat in de stand "OFF" (de ruitenwisser is uitgeschakeld).

Draai de ring naar u toe om de ruitensproeier te active-ren.

Verstel de koplampen afhankelijk van de belading van uw auto om verblinding van medeweggebruikers te voorkomen.
- 1 of 2 personen op de voorstoelen.
-. 3 personen. - 4 personen.
- 4 personen + maximaal toegestane belading.
- Bestuurder + maximaal toegestane belading.
In deze stand gaat de pla- fonnier branden als het bestuurdersportier wordt geopend.

De plafonnier wordt uitgeschakeld en blijft permanent uit.

Brandt permanent.

Druk op een van de spaken van het stuurwiel.

Druk de knop in, de richtingaanwijzers knipperen tegelijkertijd.
De alarmknipperlichten werken ook als het contact is afgezet.
HANDREM
Aantrekken
Trek, als de auto volledig stilstaat, de handrem aan.
Vrijzetten
Trek aan de hefboom, druk de knop in en duw de handrem geheel omlaag.

Als tijdens het rijden dit controlelampje gaat branden, geeft dit aan dat de handrem nog (iets) is aangetrokken.

Draai bij het parkeren van de auto op een helling de wielen richting trottoir en trek de handrem aan.
BRAKE-ASSIST-SYSTEM (BAS)
Dit systeem zorgt ervoor dat in noodgevallen de optimale remdruk sneller wordt bereikt, zodat de remafstand kleiner wordt.
Het systeem wordt ingeschakeld als het rempedaal snel wordt ingetrapt en zorgt ervoor dat de benodigde bedieningskracht wordt verminderd en de effectiviteit van het remmen wordt vergroot.
ANTIBLOKKEERSYSTEEM (ABS) EN REMHULPSYSTEMEN (REF EN CSC\*)
Het ABS, gekoppeld aan de remhulpsystemen REF en CSC*, zorgt tijdens het remmen voor een betere stabiliteit en bestuurbaarheid van uw auto en een optimale controle in de bochten, vooral op een slecht of glad wegdek.
Het ABS voorkomt het blokkeren van de wielen in het geval van een noodstop.
De remhulpsystemen REF en CSC* regelen de remdruk voor elk wiel afzonderlijk. De remdruk wordt verdeeld over:
- de voor- en achterwielen door de elektronische remdrukregelaar (REF),
- de linker- en rechterwielen door de CSC* (Cornering Stability Control).

Zorg er bij vervanging van de wielen (banden) voor dat er gehomologeerde wielen worden gemonteerd.
Het antiblokkeersysteem treedt automatisch in werking zodra één van de wielen dreigt te blokkeren.
* Bij auto's zonder ASR/ESP is de CSC gekoppeld aan de REF.

Als dit waarschuwingslampje gaat branden, duidt dit op een storing in het ABS-systeem, waardoor u tijdens het remmen de controle over uw auto zou kunnen verliezen.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats.


Als deze waarschuwingslampjes gelijktijdig gaan branden, duidt dit
op een storing in het remsysteem of een nog (iets) aangetrokken handrem. Door deze storing zou u tijdens het remmen de controle over uw auto kunnen verliezen.
Stop onmiddellijk.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats.

De normale werking van het antiblokkeersysteem kan merkbaar zijn door het trillen van het rempedaal.

Trap het rempedaal bij een noodstop krachtig en volledig in en laat het niet los.
ANTISLIPREGELING (ASR) EN ELEKTRONISCH STABILITEITSPROGRAMMA (ESP)
Deze systemen staan in verbinding met het ABS en zijn hier een aanvulling op.
De ASR past via de remmen van de aangedreven wielen en de motor de aandrijfkracht aan om het doorspinnen van de wielen te voorkomen. De ASR zorgt ook voor meer koersstabiliteit bij het accelereren.
Het ESP grijpt automatisch in via het remsysteem en de motor als de koers van de auto afwijkt van de door de bestuurder gewenste richting, binnen de natuurkundige grenzen.
Werking van de ASR en het ESP

Als één van deze systemen in werking treedt, knippert dit controlelampje.
Controle van de werking

Bij een storing in de systemen gaat dit waarschu-wingslampje branden.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats om de systemen te laten controleren.

De ASR en het ESP zorgen voor meer veiligheid tijdens het rijden. De bestuurder mag zich echter nooit laten
verleiden tot het nemen van meer risico's of te hard rijden.
De goede werking van de systemen wordt verzekerd door de naleving van de voorschriften van de constructeur met betrekking tot de wielen (banden en velgen), de onderdelen van het remsysteem, de elektronische onderdelen en de procedures voor montage en het uitvoeren van werkzaamheden door het PEUGEOTnetwerk of een gekwalificeerde werkplaats.
Laat de systemen na een aanrijding controleren door het PEUGEOTnetwerk of een gekwalificeerde werkplaats.
AUTOGORDELS
Trek aan de gordel en steek de gesp in de gordelsluiting.
Controleer de vergrendeling van de gesp door even aan de gordel te trekken.
Druk op de knop van de gordelsluiting om de gordel los te maken.

Autogordels vóór met pyrotechnische gordelspanners en spanbegrenzers
Dankzij de toepassing van autogordels met gordelspanners en spanbegrenzers is de veiligheid van de voorste inzittenden bij frontale aanrijdingen nog verder verbeterd. De gordelspanners dienen om bij een krachtige aanrijding de autogordels stevig tegen de lichamen van de inzittenden te trekken.
De autogordels met gordelspanners werken alleen als het contact is aangezet.
De spanbegrenzer beperkt de kracht waarmee de gordel tegen de borst van de inzittenden getrokken wordt. Zij worden daardoor beter beschermd.
Autogordels achter
De zitplaatsen achter zijn voorzien van twee driepuntsgordels met oprolautomaat.
U kunt de gespen van de autogordels opbergen in A.
3-deurs

De bestuurder moet ervoor zorgen dat alle passagiers tijdens het rijden op de juiste wijze hun autogordel dragen.
Zorg ervoor dat alle inzittenden tijdens het rijden hun autogordel dragen, ook al betreft het een korte rit.
Draai de gespen van de autogordels niet om; de gordels zijn dan niet voldoende effectief.
Als de zitplaatsen zijn voorzien van armsteunen*, moet de heupgordel altijd onder de armsteun door worden geleid.
De autogordels zijn voorzien van een oprolautomaat die ervoor zorgt dat de lengte van de gordel automatisch wordt aangepast aan uw lichaamsbouw. De gordel wordt automatisch opgerold als deze niet wordt gebruikt.
Controleer zowel voor en na het gebruik van de gordel of deze goed is opgerold.
De heupgordel moet zo laag mogelijk op het bekken worden geplaatst.
De schoudergordel moet langs het holle gedeelte van de schouder worden geplaatst.
De oprolautomaten zijn voorzien van een automatische blokkeerinrichting die in werking treedt bij een aanrijding, een noodstop of het over de kop slaan van de auto. U kunt de blokkeerinrichting deblokkeren door kort aan de riem te trekken en deze weer los te laten.
Voor een effectieve werking van de autogordel:
- dient deze strak om het lichaam te worden gedragen,
- mag deze door niet meer dan één volwassen persoon worden gedragen,
- mag deze geen beschadigingen of rafels vertonen,
- moet deze in een vloeiende beweging naar voren worden getrokken, om te voorkomen dat de gordel gedraaid raakt,
- mag er om te voorkomen dat de gordel niet goed werkt niets aan worden gewijzigd.
Vanwege de wettelijke veiligheidsvoorschriften moeten werkzaamheden en controles aan de autogordels worden uitgevoerd door het PEUGEOT-netwerk of door een gekwalificeerde werkplaats. Het-netwerk zorgt tevens voor de garantie en voert de werkzaamheden volgens de voorschriften uit.
Laat de autogordels van uw auto regelmatig controleren door het PEUGEOT-netwerk of door een ge-kwalificeerde werkplaats, met name op beschadigingen van de riem.
Reinig de autogordels met zeepsop of een reinigingsmiddel voor textiel, verkrijgbaar bij het PEUGEOT-netwerk.
Controleer na het neerklappen of verstellen van een stoel of de achterbank of de gordel zich op de juiste plaats bevindt en goed is opgerold.
Voorschriften voor kinderen:
- Maak voor kinderen tot 12 jaar of kleiner dan 1,50 m gebruik van een geschikt kinderzitje,
- Gebruik geen gordelgeleider* wanneer een kinderzitje is geïnstalleerd,
- Deautogordel mag door niet meer dan één persoon gedragen worden,
- Laat nooit een kind op schoot zitten tijdens het rijden.
De gordelspanners kunnen, afhankelijk van de aard en de kracht van de aanrijding, vóór en onafhankelijk van de airbags afgaan. Het activeren van de gordelspanners gaat gepaard met wat onschadelijke rook en een knal, als gevolg van de activering van de pyrotechnische lading die in het systeem is geïntegreerd.
Het waarschuwingslampje van de airbag gaat in ieder geval branden.
Laat het systeem na een aanrijding controleren en eventueel vervangen door het PEUGEOT-netwerk of door een gekwalificeerde werkplaats.
* Volgens uitvoering.
AIRBAGS
De airbags zijn speciaal ontworpen voor een betere veiligheid van de inzittenden bij ernstige aanrijdingen: ze vormen een aanvulling op de werking van de veiligheidsgordels met spanbegrenzers. Bij een aanrijding registreren en analyseren de elektronische schoksensoren de mate van vertraging van de auto in de registratiezones voor een aanrijding (zie schema): als de drempelwaarde voor het in werking treden wordt overschreden, worden de airbags onmiddellijk opgeblazen en beschermen ze de inzittenden van de auto.

Registratiezones voor een aanrijding
A. Impactzone vóór.
B. Impactzone opzij.
Direct na de aanrijding ontsnapt het gas zodat noch het zicht, noch het eventueel verlaten van de auto door de inzittenden wordt belemmerd. Bij een minder ernstige aanrijding of een aanrijding van achteren en in bepaalde gevallen waarin de auto over de kop slaat, treden de airbags niet in werking. De veiligheidsgordels zorgen in deze situaties voor een afdoende bescherming. De kracht van de aanrijding is afhankelijk van het soort obstakel en de snelheid van de auto op dat moment.
De airbags werken alleen als het contact aan is. Het activeren van de airbags gaat gepaard met een geluid.

Het uit de airbags ontsnappende gas kan enigszins irriteren.

Deze zijn voor de bestuurder in het midden van het stuurwiel en voor de passagier in het dashboard aangebracht. Ze worden tegelijkertijd geactiveerd, behalve als de airbag aan passagierszijde is uitgeschakeld, bij een ernstige frontale aanrijding binnen de impactzone A, in de lengterichting van de auto en vanaf de voorzijde richting de achterzijde van de auto, die zich op een horizontale ondergrond moet bevinden. De airbag wordt opgeblazen tussen de inzittende vóór en het dashboard om te voorkomen dat de inzittende naar voren schiet. De kans op hoofd- en borstlet-sel wordt daardoor verminderd.
Storing airbag voor

Als het waarschuwingslampje knippert, duidt dit op een storing in de airbags. Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde
werkplaats om het systeem te laten controleren. De kans bestaat dat de airbags bij een ernstige aanrijding niet worden geactiveerd.

Uitschakelen airbag aan passagierszijde
Schakel voor de veiligheid van uw kind de airbag aan passagierszijde altijd uit als u een kinderzitje met de rug in de rijrichting op de voorstoel plaatst. Anders kan een kind bij het afgaan van de airbag levensgevaarlijk gewond raken.
Zet het contact uit, steek de sleutel in de schakelaar voor uitschakelen van de airbag aan passagierszijde 1, draai deze in de stand "OFF" en verwijder de sleutel zonder de stand van de schakelaar te veranderen.
In de stand "OFF" werkt de airbag aan passagierszijde bij een eventuele aanrijding niet.
Als u het kinderzitje heeft verwijderd, zet dan de schakelaar weer in de stand "ON" om de airbag opnieuw in te schakelen en zo de veiligheid van uw passagier te garanderen.
Uitschakeling (controle)

Het verklikkerlampje op het instrumentenpaneel brandt zolang de airbag is uitgeschakeld.
ZIJAIRBAGS\* EN HOOFDAIRBAGS\*
De zijairbags zijn aan de zijde van de portieren in de rugleuningen van de voorstoelen aangebracht.
De zijairbags worden aan de desbetreffende zijde opgeblazen bij een ernstige zijdelingse aanrijding binnen de impactzone opzij B, loodrecht op de lengteas van de auto en vanaf de buitenzijde richting de binnenzijde van de auto, die zich op een horizontale ondergrond moet bevinden. De zijairbag wordt opgeblazen tussen de inzittende vóór en het desbetreffende portierpaneel. De kans op borstletsel bij de voorpassagiers wordt daardoor verminderd.
De achterpassagiers worden door de zijairbags achter op dezelfde manier beschermd als de voorpassagiers door de zijairbags vóór.
De hoofdairbags zijn aangebracht in de hemelbekleding.
De hoofdairbag wordt opgeblazen tussen de inzittende vóór of achter en de ruiten. De kans op hoofdletsel wordt daardoor verminderd. Bij een lichte aanrijding of bij het over de kop slaan, kan het zijn dat de airbag niet wordt geactiveerd. Bij een aanrijding van achteren of een frontale aanrijding wordt de airbag niet geactiveerd.
Storing airbags

Als het waarschuwingslampje knippert, duidt dit op een storing in ten minste één van deze airbags.
Raadpleeg het PEUGEOT- netwerk of een gekwalificeerde werkplaats om het systeem te laten controleren. De kans bestaat dat de airbags bij een ernstige aanrijding niet worden geactiveerd.
* Volgens uitvoering.
VEILIGHEID

Houd u aan de volgende veiligheidsvoorschriften voor een maximale effectiviteit van de airbags:
Draag altijd een correct afgestelde veiligheidsgordel.
Maak er een gewoonte van om nor- maal rechtop in de voorstoelen te zit- ten.
Zorg dat er zich niets bevindt tussen de airbag en de inzittenden (kinderen, huisdieren, objecten...). Dit kan de goede werking van de airbag belemmeren en/of de inzittende bij het opblazen van de airbag verwonden.
Werkzaamheden aan de airbagsystemen moeten door het PEUGEOTnetwerk of door een gekwalificeerde werkplaats worden uitgevoerd.
Laat na een aanrijding of diefstal van uw auto de airbagsystemen contro- leren.
Airbags vóór
Houd het stuurwiel niet aan de spaken vast en laat uw handen niet op het stuurwielkussen rusten.
Laat aan passagierszijde uw voeten niet op het dashboard rusten.
Tracht roken in de auto zoveel mogelijk te vermijden. Als de airbag wordt opgeblazen, kunnen brandende sigaretten of een pijp brandwonden of ander letsel veroorzaken.
Verwijder het stuurwiel nooit, maak geen gaten in de stuurwielbekleding en sla er niet op.
Zijairbags
Bedek de stoelen alleen met goedgekeurde stoelhoezen. Deze belemmeren het activeren van de zij-airbags niet. Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats.
Bevestig nooit iets aan de rugleuning van de stoelen, dit zou bij het afgaan van de airbags kunnen leiden tot verwondingen aan armen of middel.
Ga niet onnodig dicht tegen het portierpaneel zitten.
Hoofdairbags
Bevestig nooit iets op de stijlen of op de hemelbekleding, dit zou bij het afgaan van de hoofdairbags kunnen leiden tot hoofdletsel.
Het activeren van de airbags gaat gepaard met wat onschadelijke rook en een knal, als gevolg van de activering van de pyrotechnische lading die in het systeem is geïntegreerd.
De rook is niet schadelijk, maar kan irriterend zijn voor personen die hier gevoelig voor zijn. De knal die bij de ontsteking wordt geproduceerd, kan het gehoor gedurende een korte periode enigszins verminderen.
Zelfs als alle bovenstaande voorschriften worden nageleefd, blijft de kans bestaan op letsel en lichte brandwonden aan het hoofd, de borst of de armen als de airbag wordt geactiveerd. De airbag wordt namelijk zeer snel opgeblazen (binnen ongeveer 30 milliseconden) en loopt vervolgens even snel leeg, waarbij de warme gassen via de daarvoor bestemde openingen naar buiten stromen.
De airbags werken slechts eenmaal. Als er een tweede aanrijding plaatsvindt (tijdens hetzelfde of een volgend ongeval), werken de airbags niet meer.
2 TRONIC VERSNELLINGSBAK
Bij de 2 Tronic versnellingsbak met vijf versnellingen kunt u kiezen tussen het comfort van de automatische bediening en het plezier van handmatig schakelen.

Selecteren van de stand
Beweeg de selectiehendel in de ge- wenste stand.
Reverse "R": achteruitversnelling. Deze stand kan uitsluitend worden ingeschakeld bij stilstaande auto of bij een snelheid lager dan ongeveer 6 km/h.
Het inschakelen van de achteruitversnelling wordt aangegeven door een geluidssignaal.
Neutral "N": neutraalstand.
Beweeg de selectiehendel naar rechts in de stand N om de motor te kunnen starten.
Easy "E": automatisch schakelen.
Manual (+ / - ) "M": handmatig scha- keien.

Informatie voor de bestuurder
Op het display van het instrumentenpaneel worden het symbool van de geselecteerde stand R, N, E of M en de ingeschakelde versnelling 1 t/m 5 weergegeven.
Starten van de auto
Trap als de handrem is aangetrokken het rempedaal in en selecteer de stand N om de motor te starten.
Houd het rempedaal ingetrapt en selecteer de stand R, E of M.
Zet de handrem vrij, laat het rempe- daal los en geef gas.

U kunt op elk gewenst moment overschakelen van de stand E naar de stand M en omgekeerd.
RIJDEN
Selecteer de stand E met de selectiehendel.
De ingeschakelde versnelling verschijnt op het display van het instrumentenpaneel.
De versnellingsbak kiest voortdurend de meest geschikte versnelling.
Als het gaspedaal tot voorbij het zware punt wordt ingetrapt (kickdown), schakelt de 2 Tronic versnellingsbak één versnelling terug voor een snellere acceleratie.
Handmatige stand
Zet de selectiehendel in de stand M en beweeg de selectiehendel:
- naar achteren, "+", om op te schakelen.
- naar voren, "-", om terug te schakelen.
De ingeschakelde versnelling verschijnt op het display van het instrumentenpaneel.
Als het motortoerental te laag is voor de geselecteerde versnelling, wordt automatisch de lagere versnelling ingeschakeld om te voorkomen dat de motor afslaat.
Bij oververhitting van de koppeling wordt automatisch de stand N geselecteerd en knippert het symbool N in combinatie met een geluidssignaal.
Parkeren van de auto
Voordat u de motor afzet, kunt u de selectiehendel in de stand N zetten om de neutraalstand te selecteren. Trek altijd de handrem aan om de auto volledig stil te zetten.

Trap bij het stilhouden op een helling het rempedaal in om de auto te stil te zetten en beweeg de selectiehen- e stand N. E of R.
Gebruik nooit het gaspedaal om de auto op een helling stil te laten staan.
Storing

Als bij aangezet contact dit waarschuwingslampje gaat branden, duidt dit op een storing in de versnellingsbak
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats.

Houd bij het starten van de motor altijd het rempedaal ingetrapt.

Zet de selectiehendel tijdens het rijden nooit in de stand N (neutraalstand).
Trek altijd de handrem aan om de auto volledig stil te zetten.

PARTNERS IN PRESTATIES EN RESPECT VOOR HET MILIEU
Innovatie voor optimale prestaties
De afdelingen Research & Development van TOTAL ontwikkelen voor PEUGEOT smeermiddelen die geschikt zijn voor de nieuwste technologieën die in auto's van het merk PEUGEOT worden toegepast.
U bent op die manier verzekerd van optimale prestaties van de motor van uw auto.
PEUGEOT AANBEVOLEN TOTAL
Een optimale bescherming van uw motor
Wanneer u het onderhoud van uw PEUGEOT laat uitvoeren met TOTAL smeermiddelen, zorgt u voor betere prestaties en een langere levensduur van de motor waarbij het milieu wordt gerespecteerd.


MOTORKAP OPENEN
Binnenzijde: trek aan de hendel A onder het instrumentenpaneel.

Buitenzijde: druk de veiligheidshaak B omhoog en til de motorkap op.

Plaats de motorkapsteun in de houder alvorens de motorkap te sluiten. Laat de motorkap voorzichtig zakken en laat deze aan het einde van de slag in het slot vallen. Controleer of de motorkap goed vergrendeld is.
ONDERHOUD

Regelmatig controleren en tussen twee verversingen eventueel olie bijvullen (maximum olieverbruik: 0,5 liter per 1000 km).
De controle dient bij koude motor en horizontaal geplaatste auto te geschieden, met behulp van de oliepeilstok.
Oliepeilstok

2 merktekens op de peilstok:
A = maxi.
Raadpleeg het PEUGEOTnetwerk of een gekwalificeerde werkplaats als het oliepeil boven dit merkteken uitkomt.
B = mini.
Laat het oliepeil nooit onder dit merkteken uitkomen.

Voor het behoud van de bedrijfszekerheid van de motoren en de emissieregelsystemen mogen in geen geval additieven aan de motorolie worden toegevoegd.
Olie verversen
Volgens de aanwijzingen in het onderhoudsboekje.
Keuze van de viscositeitsgraad
De olie dient in ieder geval aan de voorgeschreven kwaliteitsnormen te voldoen.
Remvloeistof verversen
De remvloeistof dient volgens de door de constructeur voorgeschreven intervallen te worden ververst.
Gebruik remvloeistof die door de constructeur wordt aanbevolen en aan de DOT4-normen voldoet.
Koelvloeistofniveau

Gebruik om ernstige motor- schade te voorkomen uitsluit- tend door de constructeur aanbevolen koelvloeistof.
Als de motor warm is, wordt de temperatuur van de koelvloeistof geregeld door de koelventilator.
Wacht voor werkzaamheden aan het koelsysteem ten minste 1 uur nadat de motor gedraaid heeft, omdat de koelventilator nog kan (gaan) werken als de sleutel uit het contactslot is verwijderd en het koelsysteem onder druk staat.

Draai de dop eerst een kwart omwenteling los om de druk te laten dalen en te voorkomen dat de hete koelvloei-
stof uit het koelsysteem spuit. Trek, als de druk eenmaal gedaald is, de dop los en vul het systeem bij.
Vloeistofniveau ruitensproeiers
Gebruik voor een optimale reiniging en voor uw eigen veiligheid uitsluitend de door de constructeur aanbevolen producten.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats.
Afgewerkte producten
Vermijd langdurig huidcontact met afgewerkte olie.
Remvloeistof is schadelijk voor de gezondheid en is een erg bijtend middel.

Gooi afgewerkte olie, remvloeistof en koelvloeistof niet in het riool, in het water of op de grond.
Deponeer afgewerkte olie in de daar- voor bestemde containers bij het PEUGEOT-netwerk of bij een ge- kwalificeerde werkplaats.
ONDERHOUD
CONTROLES
Accu
Laat uw accu voor de winter door het PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats controleren.
Luchtfilter en interieurfilter
Laat de filters periodiek vervangen. Als de omgeving daartoe aanleiding geeft, moeten de filters twee keer zo vaak worden vervangen.
Remblokken
De slijtage van de remblokken is sterk afhankelijk van de rijstijl, vooral bij stadsverkeer en veel korte ritten.

Hierdoor kan het noodzakelijk blijken om de remblokken vaker, tussen twee onderhoudscontroles door, te laten controleren.
Slijtage remschijven en remtrommels
Raadpleeg voor meer informatie over de controle van de slijtage van de remschijven en -trommels het PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats.
Handrem
Als de handrem een te grote slag heeft of als het systeem minder goed werkt, moet de handrem zelfs tussen twee onderhoudscontroles worden afgesteld.
Laat het systeem controleren door het PEUGEOT-netwerk of door een gekwalificeerde werkplaats.
Oliefilter
Vervang het oliefilterelement regelmatig, volgens het onderhoudsschema.
Handgeschakelde versnellingsbak
Laat het niveau controleren volgens het onderhoudsschema van de constructeur.
Raadpleeg de bladzijden in het onderhoudsboekje, die betrekking hebben op de motoruitvoering van uw auto, voor het laten controleren van de belangrijkste niveaus en bepaalde onderdelen volgens het onderhoudsschema van de constructeur.

Gebruik uitsluitend door PEUGEOT aanbevolen producten of gelijkwaardige kwaliteitsproducten.
Om de werking van belangrijke organen zoals het remsysteem te optimaliseren, worden door PEUGEOT specifieke producten geselecteerd en aangeboden.
Vanwege de kans op beschadiging van het elektrisch systeem is het reinigen van de motorruimte met een hogedrukreiniger niet toegestaan.
PRAKTISCHE INFORMATIE

Parkeren van de auto
Zet de auto, voor zover mogelijk, op een horizontale, stabiele en stroeve ondergrond.
Trek de handrem aan, zet het contact af en schakel de eerste versnelling of de achteruitversnelling bij de handgeschakelde versnellingsbak in of de stand N bij de 2 Tronic versnellingsbak.

Blokkeer indien nodig het wiel kruislings tegenover het te verwisselen wiel.
Zorg ervoor dat alle inzittenden de auto hebben verlaten en zich op een veilige plaats bevinden.
Toegang tot het reservewiel en de krik in de bagageruimte
Verwijder de mat en de kunststof afdekplaat met behulp van de handgreep.

Beschikbaar gereedschap
In een kist in het hart van het reservewiel bevindt zich het volgende gereedschap:
- Wielsleutel.
- Krik met slinger.
- Afneembaar sleepoog.
Bandenspanning
De bandenspanning staat aangegeven op de sticker op de binnenstijl van het linkerportier, zie "Identificatie".
PRAKTISCHE INFORMATIE

- Verwijder de wieldop.
- Draai de wielbouten iets los met de wielsleutel 1.

- Plaats de krik 2 in één van de 4 daarvoor bestemde kriksteunen A bij het te verwisselen wiel onder de auto.
- Vouw de krik 2 uit tot het uiteinde van de krik steunt op de grond. Controleer of de as van het uiteinde van de krik loodrecht op het kriksteunpunt A staat.
- Krik de auto op.
- Verwijder de wielbouten en het wiel.

- Breng het wiel aan.
- Draai de wielbouten handvast.

- Draai de wielbouten* met de sleutel 1 enigszins vast.
* Bij uitvoeringen met lichtmetalen velgen, is het normaal dat bij het monteren van het reservewiel de ringen van de bouten de velg niet raken. De bevestiging is evenwel gewaarborgd.

- Laat de krik 2 zakken en verwijder deze vervolgens.
- Draai de wielbouten vast met de sleutel 1.
- Breng de wieldop aan.
- Berg het gereedschap en het wiel op in de bagageruimte.

Ga nooit onder een auto liggen die alleen op de krik steunt (gebruik bokken).
De krik en het bijbehorende gereedschap zijn specifiek voor uw auto. Gebruik ze niet voor andere doeleinden.
Na het verwisselen van het wiel:
- Laat zo snel mogelijk het aanhaalmoment van de wielbouten en de bandenspanning van het reservewiel controleren.
- Laat de lekke band zo spoedig mogelijk repareren en verwissel hem met het reservewiel.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats.

- Parkeerlicht
- Richtingaanwijzers
- Dimlicht/grootlicht

Bij bepaalde weersomstandigheden (lage temperatuur, vochtig weer), kan aan de binnenzijde van de lamp
enige condensvorming optreden. Deze verdwijnt zodra de lampen enige tijd branden.

Draai de lamphouder A een kwart omwenteling en verwijder deze.
Vervang de lamp.

2. Richtingaanwijzers (PY 21 W amberkleurig)
Draai de lamphouder B een kwart omwenteling en verwijder deze.
Draai de lamp een kwart omwen-
teling.
Vervang de lamp.
Raadpleeg indien nodig het PEUGEOT- netwerk of een gekwalificeerde werk- plaats.
PRAKTISCHE INFORMATIE

Neem de stekker los.
Verwijder het rubber C.
Duw de borglip D opzij.
Verwijder de lamphouder en vervang de lamp.
Plaats de lamphouder, de borglip en het rubber terug.
Raadpleeg indien nodig het PEUGEOT- netwerk of een gekwalificeerde werk- plaats.

Achterlichten
- Remlichten/achterlichten (P 21/5 W)
- Richtingaanwijzers (P 21 W)
- Achteruitrijlicht (P 21 W), rechts Mistachterlicht (P 21 W), links

Deze 3 lampen worden vervangen door de achterlichtunit te verwijderen:
open de achterklep,
draai de twee bevestigingsmoeren A van de achterlichtunit los,
verwijder de lamp door deze naar buiten te trekken,
maak de bedrading los,
PRAKTISCHE INFORMATIE

druk de vier borglippen B uit elkaar en verwijder de lamphouder,
verwijder en vervang de defecte lamp.
Opmerking: plaats de lamp in omgekeerde volgorde van het verwijderen en let er op dat de lamphouder, de borglippen en de achterlichtunit goed worden geplaatst.

Kentekenplaatverlichting (W 5 W)
Steek uw hand onder de bumper.
Draai de lamphouder een kwart omwenteling en verwijder deze.
Vervang de defecte lamp.

Draai de 2 bouten A los.
Verwijder de lichtunit door de twee lippen B naar binnen te drukken.
Neem de stekker en de slang van de ruitensproeier achter los.
Verwijder de lamphouder.
Verwijder en vervang de defecte lamp.
Voer het terugplaatsen uit in de omgekeerde volgorde; let er op de lampunit juist op de afdichting te monteren en de slang van de ruitensproeier goed aan te sluiten.

Draai, om te voorkomen dat het lampglas barst of breekt, de bouten niet strakker aan dan nodig is.

Druk het zijknipperlicht naar vo-
ren of naar achteren en trek het
geheel los.
Maak de lamphouder los en vervang deze.
ZEKERINGEN VERVANGEN
De zekeringkasten bevinden zich onder aan het dashboard en onder de motorkap naast de accu.
Vervangen van een zekering
Voordat u een zekering vervangt, dient u eerst de oorzaak van de storing op te sporen en te (laten) verhelpen.
Gebruik de speciale tang A die zich in de zekeringkast onder de motorkap bevindt.

Vervang een defecte zekering altijd door een zekering met dezelfde stroomsterkte (dezelfde kleur).

Goed

Defect

Tang A

Deze bevinden zich aan weerszijden van het instrumentenpaneel onder de bekleding.
Draai het stuurwiel naar links en verwijder de bout B.

Draai het stuurwiel naar rechts (haal het stuurwiel eerst met de sleutel van het stuurslot) en verwijder de bout C.
PRAKTISCHE INFORMATIE

Draai de bout D die zich aan de achterzijde bevindt gedeeltelijk los om bij de toerenteller te komen.

Trek indien nodig de bekleding van het instrumentenpaneel en de toerenteller omhoog om bij de aan weerszijden geplaatste zekeringen te kunnen komen.

PRAKTISCHE INFORMATIE
| Zekeringnummer | Ampère (A) | Functies | |
| 1 | 10 | Remlichten - ABS - 2 Tronic versnellingsbak | |
| 2 | 25 | Centrale vergrendeling | |
| 3 | 20 | Achterruitverwarming | |
| 4 | 7,5 | Achterlichten - kentekenplaatverlichting - instrumentenpaneel - display | |
| 5 | 7,5 | Diagnoseaansluiting | |
| 6 | 7,5 | Mistachterlicht - Instrumentenpaneel - 2 Tronic versnellingsbak | |
| 7 | - | Niet gebruikt | |
| 8 | 7,5 | ABS - stuurbekrachtiging - airconditioning - motorventilator | |
| 9 | 10 | Achterlichten - centrale vergrendeling - ruitbediening - achterruitverwarming - snelheidsmeter - airconditioning - verwarming - toerenteller | |
| 10 | 20 | Ruitenwissers voor en achter | |
| 11 | 15 | Autoradio - elektronische startblokkering - 12V-aansluiting (maximaal 120 W) | |
| 12 | 7,5 | Achterruitverwarming - ABS - motorventilator - ruitenwissers voor en achter - stuurbekrachtiging - centrale vergrendeling - airconditioning - ruitbediening - snelheidsmeter - toerenteller | |
| 13 | 15 | Airbag - motormanagementcomputer - elektronische startblokkering 2 Tronic versnellingsbak - instrumentenpaneel | |
| 14 | 7,5 | Airconditioning | |
| 15* | 40 | Accessoires - ontwaseming - ABS - relais motorventilator - ruitenwissers vóór en achter | |
| 16* | 30 | Ruitbediening | |
| 17* | 40 | Verwarming - airconditioning | |
* Zekeringen achter het instrumentenpaneel. Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats om ze te (laten) vervangen.
PRAKTISCHE INFORMATIE

Zekeringkast motorruimte
Maak het deksel los door rechts op de nok E te drukken om bij de zekeringen te komen.

De tang A en de reservezekeringen B zijn aan de voorzijde van de zekeringkast bevestigd.
Sluit na de werkzaamheden het deksel zorgvuldig.


Bij het ontwerp van het elektrische circuit van uw auto is reeds rekening gehouden met de montage van zowel de standaarduitrusting als eventuele opties.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats voordat u andere elektrische voorzieningen of accessoires in de auto monteert of laat monteren.
Sommige elektrische accessoires zelf, of de wijze waarop die zijn gemonteerd, kunnen de werking van de elektrische systemen van de auto (de elektronische bedieningssystemen, het audiosysteem en het laadcircuit) nadelig beïnvloeden.
PEUGEOTis niet aansprakelijk voor kosten die voortvloeien uit het verhelpen van storingen veroorzaakt door het monteren van extra accessoires die niet door aanbevolen en geleverd worden of door voorzieningen die niet volgens de voorschriften van PEUGEOT zijn gemonteerd. Dit geldt met name voor apparatuur met een stroomverbruik van meer dan 10 milliampère.
PRAKTISCHE INFORMATIE
9
| Zekeringnummer | Ampère (A) | Functies | |
| 1 | 50 | 2 Tronicversnellingsbak | |
| 2 | 10 | Koplampen | |
| 20 | Koplampen met dagrijverlichting | ||
| 3 | 30 | ABS/ESP-computer | |
| 4 | 30 | Voeding contactslot | |
| 5 | 10 | Alarmknipperlichten - controlelampjes instrumentenpaneel - richtingaanwijzers | |
| 6 | 10 | Koplampen | |
| 7 | 15 | Plafonnier - snelheidsmeter - autoradio - instrumentenpaneel - toerenteller | |
| 8 | 15 / 25 | Motormanagementcomputer (benzine) | |
| 9 | 10 | Claxon | |
| 10 | 30 | Motorventilator (benzine) | |
| 11 | 50 | ABS/ESP | |
| 12 | 50 | Stuurbekrachtiging |
PRAKTISCHE INFORMATIE
ACCU
Laden met behulp van een acculader
- Maak de accupoolklemmen los,
- volg de aanwijzingen van de fabrikant op de acculader,
- sluit de accukabels weer aan, te beginnen met de (-) kabel,
- controleer of de accupolen en de klemmen schoon zijn. Indien ze bedekt zijn met een (witte of groene) oxidatielaag, neem dan de accukabels los en reinig de polen en de klemmen.
A. Ontladen accu

Starten met een hulpaccu
- Sluit eerst de rode kabel aan op de (+) polen van de beide accu's,
- sluit de groene of zwarte kabel aan op de (-) polen van de beide accu's,
- stel de startmotor in werking en laat de motor draaien,
- wacht tot de motor stationair draait en neem dan de kabels los.

Accu's bevatten stoffen die schadelijk zijn voor de gezondheid, zoals zwavelzuur en lood. Accu's moeten vol-
gens de wettelijke voorschriften worden afgevoerd en mogen in geen geval bij het huisvuil terechtkomen. Lever lege batterijen en accu's in bij een erkend verzamelpunt.

Wacht 2 minuten na het uitzetten van het contact alvorens de accu los te koppelen.
Maak de accupoolklemmen niet los bij draaiende motor.
Laad de accu niet op zonder de accukabels los te nemen.
Sluit de ruiten en de portieren voor- dat de accupoolklemmen worden losgemaakt.
Zet, elke keer nadat de accukabels weer zijn aangesloten, het contact AAN en wacht 1 minuut alvorens de motor te starten, zodat de elektronische systemen geïntitialiseerd kunnen worden. Raadpleeg het PEUGEOTnetwerk of een gekwalificeerde werkplaats als er zich na deze handeling toch nog problemen voordoen.

Het is raadzaam de accu los te koppelen als uw auto langer dan een maand buiten gebruik is.

Het aanduwen van een auto met 2 Tronic versnellingsbak om de motor te starten is niet toegestaan.
PRAKTISCHE INFORMATIE

MATTEN\*
Als de mat aan bestuurderszijde verwijderd moet worden, schuif dan de stoel in de achterste stand en verwijder de twee bevestigingen.
Leg de mat weer terug op de pennen en klem de bevestigingen vast. Controleer of de mat goed is bevestigd.
Om te voorkomen dat de mat onder de pedalen schuift:
- maak uitsluitend gebruik van matten die op de reeds in de auto aanwezige bevestigingen passen. Het gebruik van deze bevestigingen is verplicht.
- leg nooit twee matten boven op elkaar.
AUTORADIO INBOUWEN
Uw auto is af fabriek voorzien van:
- dakantenne,
- coaxiale antennekabel,
- basisontstoring,
- bedrading voor luidsprekers vóór,
- 2 stekkers (8-polig).

LUIDSPREKERS INBOUWEN
Er is ruimte voor het inbouwen van luidsprekers met een diameter van 100 mm in het dashboard.
Er bestaat de mogelijkheid voor het naderhand laten inbouwen van luidsprekers met een diameter van 165 mm in de hoedenplank.
Stekkeraansluitingen
A1: -
A2: -
A3: -
A4: (+) accessoires
A5: -
A6: (+) parkeerlicht
A7: (+) constant
A8: massa
B1: (+) Luidspreker rechtsachter
B2: (-) Luidspreker rechtsachter
B3: (+) Luidspreker rechtsvoor
B4: (-) Luidspreker rechtsvoor
B5: (+) Luidspreker linksvoor
B6: (-) Luidspreker linksvoor
B7: (+) Luidspreker linksachter
B8: (-) Luidspreker linksachter

Raadpleeg voordat u een autoradio of luidsprekers in uw auto monteert het PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats.
PRAKTISCHE INFORMATIE

Uw auto kan uitsluitend aan de voorzijde worden gesleept.
Zonder takelen (4 wielen op de grond)
Het afneembare sleepoog is opgeborgen in het hart van het reservewiel, onder de mat van de bagageruimte.
duw op het onderste gedeelte van het klepje en pak het bovenste gedeelte vast,
trek aan het klepje om het los te maken,
draai het sleepoog vast tot de aanslag.
Getakeld (2 wielen op de grond)
Gebruik nooit de radiateurbalk.
Het slepen met de vier wielen op de grond dient te geschieden met een zeer lage snelheid en over een zo kort mogelijke afstand (volgens de geldende wettelijke bepalingen).
In alle andere gevallen dient de auto met een bergingsauto te worden vervoerd.

Algemene aanwijzingen
Volg de huidige wetgeving in uw land op.
Controleer of het gewicht van de trekkende auto hoger is dan van de auto die wordt gesleept.
De bestuurder van de auto die wordt gesleept moet achter het stuur blijven zitten.
Tijdens het slepen mag geen gebruik worden gemaakt van de autosnelweg.
Gebruik bij het slepen met 4 wielen op de grond altijd een goedgekeurde sleepstang; touwen en riemen zijn verboden.
Bij het slepen van de auto met stil- staande motor zijn de rem- en stuur- bekrachtiging uitgeschakeld.
Laat uw auto in de volgende geval- len slepen door een professioneel bergingsbedrijf :
- bij stranding met de auto op de autosnelweg,
- als het niet mogelijk is de versnellingsbak in de neutraalstand te zetten, het stuurslot te ontgrendelen of de handrem los te zetten,
- bij takelen met slechts twee wie- len op de grond,
- bij het ontbreken van een goed- gekeurde sleepstang...
Auto's met handgeschakelde versnellingsbak
Bij auto's met een handgeschakelde versnellingsbak moet de versnel- lingspook in de neutraalstand staan.
Anders kunnen bepaalde onderdelen van het remsysteem beschadigd raken en kan het zijn dat de rembekrachtiging niet werkt als de motor weer wordt gestart.

Zet bij de 2 Tronic versnel- lingsbak de selectiehendel in de stand N.
ALLESDRAGERS MONTEREN
Gebruik voor het monteren van dwarsdragers uitsluitend door PEUGEOT aanbevolen accessoires en neem de montagevoorschriften van de fabrikant in acht.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats voor meer informatie.
Max. toegestane daklast op dak- dragers, bij een maximale laad- hoogte van 40 cm (m.u.v. fietsen): 50 kg.
Pas bij een belading hoger dan 40 cm de rijsnelheid aan de rijomstandigheden aan om schade aan de allesdragers te voorkomen.

Raadpleeg de wetgeving van uw land met betrekking tot het vervoeren van voorwerpen die langer zijn dan de auto.
PRAKTISCHE INFORMATIE
ACCESSOIRES
Een ruime keuze aan accessoires en originele onderdelen wordt u aangeboden door het PEUGEOT-netwerk.
Deze accessoires en onderdelen zijn getest en goedgekeurd ten aanzien van bedrijfszekerheid en veiligheid.
Ze zijn volledig aangepast aan uw auto, zijn voorzien van een artikel-nummer en beschikken over de garantie van PEUGEOT.
"Comfort": parkeerhulp voor en achter, uitneembare asbak, klep voor dashboardkastje, thermobox, middenarmsteun, windgeleiders voor portieren, zonneschermen, schuif/kanteldak, ...
"Vervoer": bak in bagageruimte, mat bagageruimte, allesdragers, fietsendrager, skidrager, dakkoffers van hard en soepel materiaal, bagageblokken, ...
Met behulp van de ombouwpakketten "Entreprise" kan de auto worden omgebouwd naar een bedrijfswagenuitvoering*.
"Design": 14 inch-wieldoppen, licht-metalen 14 inch-velgen, lichtmetalen 15 inch-velgen, spoiler, stickerset Sportium en Envy, "Cristal" achterlichten, stylingset "aluminium" en "carbon", verchroomd uitlaatsierstuk, lederen stuurwiel, stylingset interieur "aluminium", ...
"Veiligheid": anti-inbraakalarm, slotbouten, sneeuwkettingen en -sokken, luchtcompressor voor banden, veiligheidsvesten, gevarendriehoek, alcoholtest, kinderzijtes, verbanddoos, mistlampen vóór, ...
"Bescherming": matten, stoelhoezen, spatlappen voor en achter, flankbescherming, dorpelbeschermers, dorpelbeschermer voor bagageruimte, autohoes, ...
Om te voorkomen dat de mat onder de pedalen schuift:
- controleer of de mat goed op zijn plaats ligt,
- gebruik nooit meer dan één mat per plaats.
"Multimedia": semi-geïntegreerd navigatiesysteem Garmin®, aansluiting voor iPod®, USB Box, navigatiesystemen, autoradio's, luidsprekers, handsfree kit Bluetooth, radarverklikker, universele lader, DVD-speler, extra kabel voor autoradio, ...
Installeren van radiocommunicatiezenders
Voordat u radiozenders als uitrusting achteraf monteert, kunt u bij het PEUGEOT-netwerk informeren naar de technische gegevens (frequentieband, maximaal uitgangsvermogen, positie antenne, specifieke installatievoorschriften) van de voor montage geschikte zenders ter beschikking, volgens de Richtlijn Elektromagnetische Compatibiliteit (2004/104/EG).

Afhankelijk van de lokale wetgeving kan de aanwezigheid van een veiligheidsvest, een gevarendriehoek en een set reservelampen en -zekeringen in de auto verplicht zijn.
Het monteren van elektrische uitrustingen of accessoires die niet onder een artikelnummer in het assortiment van PEUGEOT voorkomen, kan leiden tot storingen in het elektronisch systeem van uw auto en een verhoogd stroomverbruik veroorzaken.
Houdt u rekening met deze te nemen voorzorgmaatregel. Wij raden u aan contact op te nemen met een vertegenwoordiger van het merk PEUGEOT om u te laten informeren over het assortiment uitrusting en accessoires voorzien van een artikel-nummer.
* Uitsluitend in Frankrijk.
BENZINEMOTOR
| Type variant uitvoering PM, PN | CFB0 / CFB4 | CFB0/P |
| Motoren | 1,0 liter (ca. 68 pk) | |
| Cilinderinhoud (cm3) | 998 | |
| Boring x slag (mm) | 71 x 84 | |
| Maximum vermogen: ECE-norm (kW) | 50 | |
| Toerental bij max. vermogen (t/min) | 6000 | |
| Maximum koppel: ECE-norm (Nm) | 93 | |
| Toerental bij max. koppel (t/min) | 3600 | |
| Brandstof | Loodvrij | |
| Katalysator | Ja | |
| Versnellingsbak | Handgeschakeld (5 versnellingen) | 2 Tronic (5 versnellingen) |
| Inhoud olie (in liter) | ||
| Motor (met filter) | 3,2 | |
TECHNISCHE GEGEVENS
| Motor | 1,0 liter | |||
| Versnellingsbak | Handgeschakeld | 2 Tronic | ||
| Uitvoeringen | 3-deurs | 5-deurs | 3-deurs | 5-deurs |
| Type variant uitvoering | PMCFB0 / PMCFB4 | PNCFB0 / PNCFB4 | PMCFB0/P | PNCFB0/P |
| Ledig gewicht | 800 | 805 | 830 | 840 |
| Totaal toegestaan voertuiggewicht | 1180 | 1190 | 1180 | 1190 |
Uw auto is niet geschikt voor de montage van een trekhaak.
AFMETINGEN (IN MM)








IDENTIFICATIE
A. Constructeursplaatje.
- Typegoedkeuringsnummer.
- Serienummer.
- Maximaal technisch toegestane massa totaal.
- Maximaal toegestaan treingewicht.
- Maximale aslast vóór.
- Maximale aslast achter.
- Kleurcode van de lak.

Ingeslagen op de dwarsbalk onder de rechter voorstoel.
C. Banden.
De sticker C op de portierstijl bij de slotplaat van het linker portier geeft de volgende informatie:
de bandenmaat,
- de bandenspanning.

De bandenspanning moet minstens eens per maand bij koude banden gecontroleerd worden.

Een te lage bandenspanning leidt tot een verhoogd brandstofverbruik.
INDEX
A ABS....58
Accessoires.... 85
Accu 82
Accu laden 82
Achterlichten 55,74
Achterruitverwarming ..... 34, 35
Achteruitversnelling...... 16
Achteruitrijlicht.... 75
Afmetingen 88
Airbags 19,62
Airbags vóór...... 64
Airconditioning (handbediend).... 35
Allesdragers 84
Antiblokkeersysteem (ABS).... 58
Antispinregeling (ASR)...... 59
ASR....59
Autoradio (algemeen) ...... 24
Autoradio (CD-speler/ CD-wisselaar) 30
Autoradio (radiofunctie)...... 26
AUX-aansluiting 24
B Bagageruimte.... 52
Bandenspanning 89
Batterij afstandsbediening vervangen 49
Bekerhouder.... 47
Benzinemotor...... 54, 69, 86
Brandstof....22, 53, 54
Brandstofniveaumeter ..... 22, 53
Brandstoftank 22, 53
Brandstof tanken.... 53, 54
B Brandstofverbruik...... 22, 53
Buitenspiegels.... 37
C CD-speler....30
CD-wisselaar.... 30
Centrale vergrendeling.... 48, 50
Controlelampjes 18
Controle motorolieniveau..... 70
Controle remvloeistofniveau.... 70
D Dagteller....22
Inhoud brandstoftank 53
Inklappen/uitklappen
buitenspiegels 37
Instrumentenpaneel 17
Interieurfilter 70
I Isofix-bevestigingen .... 44
ISOFIX kinderzitjes 45
K Kentekenplaatverlichting..... 75
Kinderen 45, 50
Kinderen (veiligheidsvoor-
zieningen) 40, 50
Kinderzitjes.... 40
Klokje 24
Koplampen 55,74
Koplampverstelling...... 55, 57
Krik 72
L Lampen (vervangen).... 74
Lampen vervangen 74
Lekke band 72
Lichtschakelaar 55
Lichtsignaal 55
Lokaliseren van de auto...... 48
Luchtfilter....70
Luchtrecirculatie/toevoer
van buitenlucht.... 35
Luidsprekers
(monteren) 83
M Make-upspiegel.... 47
Matten 83
Mistachterlicht 55, 75
Mistlampen....75
Motorkap 68
Motorolie 69,70
N Niveau koelvloeistof....70
Niveau remvloeistof .... 70
Niveaus en controles ..... 70
Noodremassistentie .... 58
INDEX
O Olieniveau 70
Oliepeilstok....70
Onderhoud 69
Ontdooien.... 33
Ontgrendelen 48, 50
Ontwasemen 33
Opbergvakken.... 47, 52
Openen bagageruimte ..... 51
Openen motorkap 68
Overzicht zekeringen ..... 77
P Parkeerlichten 55, 74
Parkeren....58
Plafonnier 57
Portieren....50
luchtopbrengst 34, 35
Regeling luchtverdeling.... 34, 35
Rugleuning neerklappen ..... 39
Remlichten 75
Remmen....70
Remsysteem 58
Remvloeistof 70
Reservewiel.... 52, 72
Richtingaanwijzers .... 55, 74, 75
Rijstand 65, 66
Ruitbediening 50
Ruitensproeier achter...... 56
Ruitensproeiers vóór...... 56
Ruitenwissers.... 56
Ruitenwisserschakelaar ..... 56
S Slepen van een auto.... 84
Sleutel 48
Stuurbekrachtiging 20
Stuurslot 48
Synchroniseren afstandsbediening.... 49
T Te laag
brandstofniveau 22, 53
Teller.... 17, 22
Temperatuurregeling ..... 34, 35
Tijd instellen 24
Toegang tot de achterbank ( 3-deurs) ...... 38
Toerenteller 17
U Uitschakelen airbag
passagier 63
V Veiligheidsgordels ..... 20, 60, 61
Veiligheidsvoorzieningen voor kinderen .... 40, 45, 50
Ventilatie.... 33-35
Ventilatieroosters.... 33-35
Vergrendelen/ontgrendelen portier van binnenuit .... 50
Verklikkerlampje "2 Tronic" versnellingsbak ..... 21, 65, 66
V Versnellingsbak,
handbediend 65, 66
Verklikkerlampje airbags ..... 62
Verklikkerlampje handrem..... 58
Verlichting....55,74
Verwarming 34
Voorstoelen 38
W Waarschuwing geopend
Waarschuwing vergeten verlichting.... 55
Wiel demonteren....72
Wiel monteren.... 72
Wiel verwisselen 72
Window-airbags 64
Z Zekeringen 77
Zekeringen vervangen ..... 77
Zekeringkast instrumentenpaneel .... 77
Zekeringkast motorruimte ..... 77
Zicht 33
Zij-airbags 64
Zijruiten achter 51
Zonneklep 47

Sleutels, afstandsbediening, lokalisatie van de auto......4, 48
Batterij 49
Starten....4,16
Motorkap openen....68
Slepen 84
Banden, bandenspanning .....72, 89
Remmen 58,71
ABS 58-59
ASR/ESP 59


Verlichting, richtingaanwijzers, mistlampen ....55
Lampen vervangen....74-76
Koplampverstelling 57
Achterlichten, derde remlicht, zijknipperlichten, mistachterlicht.....55, 75-77
Achterklep....51-52
Reservewiel, krik, wiel verwisselen en monteren....52, 72-74
VISUELE INDEX
INTERIEUR
Autogordels 60-61
Bagageruimte 51-52
Airbags, uitschakelen airbag aan passagierszijde .....62-64
ISOFIX-bevestigingen, ISOFIX-kinderzitjes......44-46
Kinderslot....50

Zijruiten achter (5-deurs) .....51
Voorstoelen....38
Achterbank 39
Hoofdsteunen achter 39
Kinderzitjes, ISOFIX .....40-46
Voorzieningen interieur....47
VISUELE INDEX
COCKPIT
Zonneklep....47
Plafonnier 57
Binnenspiegel....37
Matten....83
Autoradio, luidsprekers inbouwen 83
Autogordels 60-61
Ventilatieroosters, ventilatie.....33
Verwarming, ontwaseming, airconditioning A/C, verwarming/ventilatie ....34-36
Alarmknipperlichten 58
Voorzieningen, 12V-aansluiting ....47
Handrem....58
VISUELE INDEX
STUURKOLOMSCHAKELAARS
Toerenteller....17
Buitenspiegels 37
Verlichting, schakelaars, richtingaanwijzers, dimlicht, grootlicht ....55
Koplampverstelling 57
Instrumentenpaneel......17
Controlelampjes, waarschuwingslampjes.....18-21
Display, meters, nulstelling dagteller....22-23
Brandstofniveaumeter 22
Zekeringen interieur....77-79

Airbag aan passagierszijde uitschakelen....63
Motorkap openen....68

Ruitenwissers en -sproeiers .....56
Contact, starten, startblokkering ....4, 16, 49
Claxon 58
Stuurwiel, in hoogte verstellen....37
VISUELE INDEX
ONDERHOUD
TECHNISCHE GEGEVENS

Zekeringen motor 80-81
Accu....82
Gewichten....87
Identificatie 89
Niveaus, controles....70-71
Motor (gegevens) 86
Ruitensproeiers (niveau) .....70

Dit instructieboekje behandelt alle beschikbare uitrustingen.
Uw auto is, afhankelijk van het uitrustingsniveau, de uitvoering en de specifieke kenmerken voor het land waarvoor de auto bestemd is, slechts van een deel van de in dit boekje vermelde uitrustingen voorzien.
Aansprakelijkheid voor de gegeven beschrijvingen en illustraties wordt niet aanvaard. Automobiles PEUGEOT behoudt zich het recht voor tussentijds wijzigingen aan te brengen in de door haar gevoerde modellen en de bijbehorende uitrusting en accessoires, zonder verplicht te zijn dit instructieboekje aan te passen.
Dit instructieboekje maakt onlosmakelijk deel uit van uw auto. Vergeet niet dit boekje bij doorverkoop van uw auto aan de nieuwe eigenaar te geven.
Automobiles PEUGEOT verklaart dat, door toepassing van de voorschriften in de Europese regelgeving (Richtlijn 2000/53) met betrekking tot autowrakken, wordt voldaan aan de in deze richtlijn gestelde doelen en dat recycleerbare materialen worden gebruikt voor de fabricage van producten die door haar worden verkocht.
Reproductie of vertaling, zelfs ge- deeltelijk, is verboden zonder schrift- telijke toestemming van Automobiles PEUGEOT.
Neem voor alle werkzaamheden aan uw auto contact op met een gekwalificeerde werkplaats die beschikt over de juiste technische informatie, vakkennis en apparatuur. Het PEUGEOTnetwerk is in staat u dit te bieden.
Gedrukt in de EU
Néerlandais
08-10
I 03-11




PEUGEOT






























