Carens (1999) - Mașină KIA - Manual de utilizare gratuit
Găsiți gratuit manualul dispozitivului Carens (1999) KIA în format PDF.
Întrebările utilizatorilor despre Carens (1999) KIA
0 întrebare despre acest aparat. Răspundeți la cele pe care le cunoașteți sau puneți-vă propria.
Pune o întrebare nouă despre acest aparat
Descărcați instrucțiunile pentru Mașină în format PDF gratuit! Găsiți manualul dvs. Carens (1999) - KIA și luați din nou în mână dispozitivul dvs. electronic. Pe această pagină sunt publicate toate documentele necesare pentru utilizarea dispozitivului dvs. Carens (1999) mărcii KIA.
MANUAL DE UTILIZARE Carens (1999) KIA

KIA KIA MOTORS
CARENS
Instructieboekje
Kia, De Maatschappij
Nu dat u de eigenaar van een Kia Carens bent, zullen u waarschijnlijk veel vragen gesteld worden over dit voertuig en haar maatschappij, vragen zoals "Wie is Kia?", "Wat betekent Kia?".
Hier geven wij u sommige antwoorden. Ten eerste, Kia is de oudste automaatschappij van Korea. Het is een maatschappij die duizenden werknemers heeft die zich inzetten voor de bouw van een hoge kwaliteit auto's en geoorloofde prijzen, want de werknemers bezitten een veel betekenend percentage van de maatschappij.
De eerste lettergreep, Ki, in het woord "Kia" betekent "Het verrijzen uit de wereld" of "Het opstijgen uit de wereld". De tweede lettergreep, a, betekent "Azie". Dus het woord Kia betekent, "Het verrijzen of het opstijgen uit Azie naar de wereld".
Veel plezier met uw Carens!
VOORWOORD
Hartelijk dank voor het kiezen van een Kia.
Voor het uitvoeren van onderhoud aan uw nieuwe auto is de officiële kia - dealer de aangewezen persoon. Hij kent uw auto het beste, heeft door de importeur getrainde monteur in dienst, beschikt over originele Kia - onderdelen en de aanbevolen speciale gereedschappen en zal er alles aan doen u zo optimaal mogelijk van dienst te zijn.
Bewaar het instructieboekje in de auto voor een eventuele volgende eigenaar.
Dit instructieboekje zal u vertrouwd maken met de bediening, het onderhoud en de veilighheidsaspecten van uw nieuwe auto. Bij het instructieboekje hoort een boekje waarin u informatie vindt over de garantie. We raden u aan om deze informatie zorgvuldig te lezen en de daarin opgenomen aanwijzingen zorgvuldig op te volgen zodat u veilig en probleemloos van uw nieuwe auto kunt genieten.
Kia Motors Corporation rust zijn talrijke modellen uit met een grote verscheidenheid aan opties, componenten en kenmerken.
Het is dan ook mogelijk dat de uitrusting die in dit instructieboekje beschreven staat en die op illustraties afgebeeld is niet allemaal van toepassing is op uw auto. Als u vragen heeft, kunt u zich te allen tijde tot uw dealer wenden.
Wij zullen er alles aan doen om u optimaal en tot volle tevredenheid van uw nieuwe auto te laten genieten.
© Kia Motors Corporation
Niets uit deze uitgeve mag worden vermenigvuldigd, in welge vorm dan ook, zonder de schriftelijke toestemming van Kia Motors
INHOUDSOPGAVE
INTRODUCTIE
UW AUTO IN EEN OOGOPSLAG
KENNISMAKEN MET UW AUTO
RIJDEN MET UW AUTO
AANWIJZINGEN VOOR HET RIJDEN
WAT TE DOEN IN NOODGEVALLEN
ONDERHOUD 6
SPECIFICATIES
INDEX 8
m = 311
[Non-Text]
[Non-Text]
[Non-Text]
[Non-Text]
[Non-Text]
[Non-Text]
[Non-Text]
[Non-Text]
[Non-Text]
[Non-Text]
[Non-Text]
[Non-Text]
[Non-Text]
[Non-Text]
[Non-Text]
[Non-Text]
[Non-Text]
[Non-Text]
[Non-Text]
[Non-Text]
[Non-Text]
[Non-Text]
[Non-Text]
[Non-Text]
[Non-Text]
[Non-Text]
[Non-Text]
[Non-Text]
[Non-Text]
[Non-Text]
[Non-Text]
[Non-Text]
[Non-Text]
[Non-Text]
[Non-Text]
[Non-Text]
[Non-Text]
[Non-Text]
[Non-Text]
[Non-Text]
[Non-Text]
[Non-Text]
广力云智慧零售收银系统
广力云
[Non-Text]
[Non-Text]
[Non-Text]
[Non-Text]
[Non-Text]
[Non-Text]
[Non-Text]
[Non-Text]
[Non-Text]
[Non-Text]
[Non-Text]
[Non-Text]
[Non-Text]
[Non-Text]
[Non-Text]
[Non-Text]
[Non-Text]
[Non-Text]
[Non-Text]
[Non-Text]
[Non-Text]
[Non-Text]
[Non-Text]
[Non-Text]
[Non-Text]
[Non-Text]
[Non-Text]
[Non-Text]
[Non-Text]
INTRODUCTIE
Gebruik van dit instructieboekje 1-2
Inrijprocedure 1-2
Gebruik van dit instructieboekje
- Bewaar dit instructieboekje in het dashboardkastje zodat u het te allen tijde kunt raadplegen.
- Door het gehele instructieboekje heen vindt u termen als WAARSCHUWING, OPMERKING en AANWIJZING. Een WAARSCHUWING dient ervoor om u erop te wijzen bijzonder voorzichtig te zijn ter voorkoming van letsel. Een OPMERKING dient ervoor om te voorkomen dat u een fout maakt waardoor de auto beschadigd zou kunnen raken of waardoor u letsel zou kunnen oplopen. Een AANWIJZING geeft een suggestie voor een optimaal gebruik van uw auto.
- De in dit instructieboekje opgenomen specificaties en beschrijvingen gelden bij het ter perse gaan van dit boekje. Omdat Kia voortdurend streeft naar verdergaande verbeteringen, behouden wij ons te allentijde het recht voor zonder voorafgaande kennisgeving en zonder verdere verplichtingen wijzigingen in de specificaties aan te brengen. Verder is het van belang te weten dat dit instructieboekje van toepassing is op alle modellen in deze serie, inclisief alle opties. Het is dan ook mogelijk dat u beschrijvingen in dit instructieboekje aanterft die voor uw auto niet van toepassing zijn.
Inrijprocedure
U hoef de auto niet gedurende een bepaalde periode in te rijden. U kunt echter door het opvolgenen van een paar eenvoudige aanwijzingen gedurende de eerste 1.000 km de úprestaties, het brandstofverbruik en de levensduur van uw auto in positieve zin beïnvloeden :
- Voer het toerental van de motor niet te hoog op.
- Rijd niet gedurende langere tijd met een constante snelheid. Varieer de snelheid.
- Vermijd plotseling afremmen, behalve in noodgevallen, om de onderdelen van het remsysteem de gelegenheid te geven op elkaar in te lopen.
- Accelereer niet met vol gas.
UW AUTO IN EEN OOGOPSLAG
Uw auto in een oogopslag 2-2
Overzicht dashboard 2-3
Uw auto in een oogopslag

- Buiten achteruitkijkspiegel
- Achterruitenwisser
- Schuifdak (indien van toepassing)
- Lichten
- Hoofdsteun
- Brandstof vulklep
- Stoel
-
Achterdeur kinderveiligheidsslot
-
Elektrische raamschakelaars
-
Deur
Overzicht dashboard

- Licht bedieningsknop / richting aanwijzers
- Stuurwiel
- Ruitenwisser/ruitensproeier
- Versnellingshendel (A/T alleen)
-
Waarschuwingsknipperlichten schakelaar
-
Radio (indien van toepassing)
- Air bag (indien van toepassing)
- Klimaat control
- Handschoenenkastje
-
Drinkbekerhouder
-
Sigaretten aansteker
- Asbak
- Handrem
- Air bag (indien van toepassing)
- Motorkap hendel
- Buiten achteruitkijkspiegel bedieningsschakelaar
KENNISMAKEN MET UW AUTO
Sleutels 3-2
Vergrendelen/ontgrendelen 3-2
Startblokkeersysteem 3-4
Elektrisch bediende ruiten 3-5
Stoelen 3-6
Verstellen 3-7
Achterbank 3-9
Veiligheidsgordels 3-13
SRSAirbagsysteem 3-22
Achterklep 3-26
Motorkap 3-27
Tankdopklepje 3-28
Stuurwiel 3.29
Spiegels 3-20 3-30
Interieurverlichting 3-32
Kaartleeslampje 3-32
Drinkbeker houder 3-33
Schuif-/kanteldak 3-34
Opbergvak voor zonnebril 3-36
Sleutels

AS2B03001
Om eventueel later sleutels bij te kunnen bestellen, dient u het sleutelnummer te noteren en op een veilige plaats te bewaren.
Vergrendelen/ontgrendelen

AS2B03002L
VAN BUITEN AF
Met sleutel
- Beide voorportieren kunnen met de sleutel worden vergrendeld en ont-grendeld.
- Trek de portiergreep omhoog om het portier te openen.

natural_image
Line drawing of a car interior showing the door, seat, and dashboard (no text or symbols)AS2B03003
Zonder sleutel
- Druk om de portieren zonder sleutel te vergrendelen, de knop in, houd de portiergreep omhoog en sluit het portier.
OPMERKING
Verwijder altijd de contactsleutel en sluit de auto af als u deze onbeheerd achter-laat.

AS2B03004
VAN BINNEN UIT
- Druk de vergrendelknop naar achteren om het portier te vergrendelen.
- Druk de knop naar voren om het portier te ontgrendelen.
- Trek de portiergreep naar achteren om het portier te openen.
WAARSCHUWING!
Laat kinderen en huisdieren nooit zon- der toezicht achter in de auto.
CENTRALE
PORTIERVERGRENDELING
Met sleutel
Alle portieren kunnen worden vergrendeld en ontgrendeld door het bestuurdersportier van buiten af te vergrendelen of te ontgrendelen.
Met vegrendelknop
Alle portieren kunnen worden vergrendeld en ontgrendeld door de vergrendelknop van het bestuurdersportier in te drukken of omhoog te trekken.

AS2B03006
KINDERSLOT ACHTERPORTIER
Om het achterportier zodanig te sluiten dat het niet van binnen uit geopend kan worden, dient u alvorens het portier te sluiten de hevel van het kinderslot naar rechts te drukken.
Om het portier zowel van binnen uit als van buiten af te kunnen openen, moet eerst de vergrendelknop naar links worden getrokken.
STARTBBLOKKEERSYSTEM
Startblokkeersysteem
Uw auto is voorzien van een elektonisch startblokkeersysteem. Dit systeem bestaat uit een transponder (in de contactsleutel), een antenne (in de slotcilinder) en een startblokkeermodule. Wanneer u de sleutel in het contactslot steekt, controleert het systeem of de sleutel bij het contactslot hoort. Als dit niet het geval is, zal de moter niet starten.
WERKING
Activeren van het startblokkeersysteem
Verwijder, om het startblokkeersysteem te activeren, de contactsleutel, sluit de portieren en vergrendel deze.
Het startblokkeersysteem is nu geactiveerd.
Het startblokkeersysteem zal eveneens automatisch geactiveerd worden 20 seconden nadat het contact in de stand LOCK gezet is, ook al zijn de portieren niet vergrendeld.
Uitschakelen van het startblokkeerszsteem
Het startblokkeersysteem wordt automatisch uitgeschakeld als de portieren worden ontgrendeld. Na het uitschakelen van het startblokkeersysteem kan de motor gedurende 2 minuten worden gestart. Na deze 2 minuten zal het startblokkeersysteem automatisch weer worden geactiveerd.
Uitschakelprocedure voor noodgevallen
Als de transponder in de contactsleutel niet meer correct functioneert, kunt u het startblokkeersysteem uitschakelen door met behulp van het gaspedaal een unieke code in te voeren.
Dit codenummer vindt u op de achterzijde van de contactsleutel.
WAARSCHUWING!
Noteer het codenummer op een veilige plaats, niet in de auto.
Als onbevoegden te weten komen wat uw code is, verliest het startblokkeersysteem zijn waarde. Neem contact op met een officiële Kia-dealer als u uw codenummer kwijt bent.
Elektrisch bediende ruiten
WAARSCHUWING!
- Wees voorzichtig bij het sluiten van de ruiten. Let erop dat er geen armen, benen of andere zaken bekneld raken.
- Laat kinderen niet met de ruitbediening spelen. Ze zouden zich kunnen bezeren.

AS2B03008
BESTUURDERSZIJDE
Alle portierruiten kunnen metbehulp van de hoofdschakelaar in het bestuurdersportier worden bediend. De portierruiten kunnen ook bediend worden met behulb van de schakelaar op het desbetreffende portier. Om de ruiten te kunnen bedienen, moet het contact in de stand ON staan.
AUTOMATISCHE BEDIENING
Door de schakelaar van de ruit van het bestuurdersportier tot de twede klik in te drukken en dan weer los te laten, zal de ruit geheel openen. Door de schakelaar omhoog te trekken wordt deze automatische bediening onderbroken.

AS2B03009A
Als de blokkeersschakelaar van de elektrisch bediende portierruiten in de stand UIT staat, kunnen de ruiten uitsluitend met behulp van de hoofdschakelaar worden bediend.
OPMERKING
Bedien nooit meer dan twee portierruiten tegelijk om doorbranden van de zekering te voorkomen.

natural_image
Simple line drawing of a car and an ear on a road (no text or symbols)AS2B03010
PASSAGIERSZIJDE
Druk de schakelaar aan de voorzijde in om de ruit te openen en trek de voorzijde van de schakelaar omhoog om de ruit te sluiten.
Stoelen
WAARSCHUWING!
- Verstel de bestuurdersstoel nooit onder het rijden. Als dat wel gedaan wordt, kan de bestuurder de macht over het stuur verliezen, waardoor ongevallen en letsel veroorzaakt kunnen worden.
- Zorg ervoor dat bagage en andere voorwerpen de normale positie van de rugleuning niet hinderen. Indien de rugleuning niet volledig vergrendeld is, kan hij in geval van afremmen of een aanrijding plotseling naar voren komen.
Verstellen

natural_image
Line drawing of a car seat with a highlighted side view showing two people pulling a vehicle (no text or symbols present)1RS104002
IN VOORWAARTSE EN ACHTER- WAARTSE RICHTING
Trek de hendel aan de voorzijde omhoog om de stoel in voorwaartse of achterwaartse richting te verstellen. Schuif de stoel in de gewenste positie en laat de hendel los.
OPMERKING
Plaats niets onder de stoel. Losse voorwerpen kunnen de werking van het verstelmechanisme belemmeren.

1RS104003
RUGLEUNING
Leun iets naar voren en trek de hendel omhoog om de rugleuning te verstellen. Druk de leuning vervolgens met de rug in de gewenste positie en laat de hendel los. Controleer na het afstellen of de hendel zijn oorspronkelijke positie weer heeft ingenomen; een niet goed vengrendelde rugleuning kan onder het rijden plotseling bewegen, waardoor de bestuurder de macht over het stuur zou kunnen verliezen.
WAARSCHUWING!
Verstel de rugleuning niet verder naar achteren dan nodig is, om te voorkomen dat u in geval van een aanrijding onder de veiligheidsgordel door schuift. De beschmerming die door de veiligheidsgordels geboden wordt is optimaal als de bestuurder en de voorpassagier goed rechtop zitten. Tijdens een aanrijding, vooral bij een frontale aanrijding, neemt de kans op letsel toe naarmate de rugleuning meer achterover helt. De bestuurder en de voorpassagier kunnen dan onder de gordel door schuiven waardoor het onderlichaam aan extreem hoge krachten kan worden blootgesteld.

1RS104011
HOOFDSTEUNEN
- Druk om de hoofdsteunen in hoogte te verstellen de ontgrendelknop in el stel de hoofdsteunen in de gewenste positie af.
WAARSCHUWING
- Rijd niet in een auto waarvan de hoofdsteunen wervijderd zijn om het risico van letsel zoveel mogelijk te beperken.
- Stel de hoofdsteunen zodanig af dat de bovenzijdezich ter hoogte van de bovenzijde van uw oren bevindt. Te laag afgestelde hofdsteunen kunnen ernstig letsel veroorzaken.

AS2B04013C
HOOGTEVERSTELLING BESTUURDERSSTOEL
- De zitting kan aan de voorzijde hoger worden afgesteld door de knop aan de buitenkant van de zitting rechtsom te draaien terwijl u iets naar achteren leunt.
- De zitting kan aan de voorzijde lager worden afgesteld door de knop linksom te draaien.

natural_image
Line drawing of a car interior showing seat, dashboard, and seatbelt (no text or symbols)1V2105041B
Opbergruimte voorstoel (indien van toepassing)
De opbergruimte bevindt zich onder de zitting van de voorste passagiersstoel.
AANWIJZING:
Laat, om diefstal te voorkomen, geen waardevolle voorwerpen in de opbergruimte achter.

natural_image
Line drawing of a device panel with connectors and a hand icon (no text or symbols)ARSB03004
Verwarmen van de voorstoelen (indien van toepassing)
De voorstoelen worden ieder afzonderlijk elektrisch verwarmd wanneer de schakelaars ingedrukt zijn en het contact in stand ON stsst. Een thermostaat regelt de temperatuur van de stoel als de desbetreffende schakelaar ingedrukt wordt. Druk nogmaals op de desbetreffende schakelaar om de verwarming uit te schakelen.
Achterbank
WARSCHUWING! - Achterstoel
- De achterstoel moet veilig vastzitten. Indien niet goed vast, kunnen passagiers en voorwerpen naar voren worden gegooid en ernstige verwondingen of dood oplopen bij een noodstop of een botsing.
-
Bagage en andere vracht moet plat gelegd worden in de bagageruimte. Indien voorwerpen groot en zwaar zijn en/of op elkaar gestapeld worden, moeten deze worden vastgezet. Onder geen enkele omstandigheid mag op elkaar gestapelde lading hoger zijn dan de stoc.rugleuning. Niet naleven van deze waarschuwingen kan resulteren in ernstige verwondingen of dood bij een eventuele noodstop, botsing of omrollen.
-
Passagiers mogen niet meerijden in de bagageruimte of zitten of leunen op neergekapte rugleuningen terwijl het voertuig in beweging is.
- Wanneer de rugleuning in rechtsopstand word teruggezet, verzeker u ervan dat hij veilig is vastgeklikt door hem voor en achterwaarts te drukken.
- Om mogelijke verbrandingen te vermijden, niet de vloerbedekking in de bagageruimte verwijderen. Uitlaat onderdelen onder deze vloer geven hoge uitlaatgas temperaturen af.

1RS104005/1RS104005Y
BEWEGEN VAN DE TWEEDE RIJ STOELEN NAAR VOREN EN ACHTEREN (INDIEN VAN TOEPASSING)
Om de tweede rij stoelen naar voren of achteren te bewegen, druk de hendel onder de zitting naar rechts en schuif de stoel naar de gewenste positie, en laat de hendel los. Om zeker te zijn dat de stoel is vastgezet in zijn positie, probeer of de stoel bewegen kan.

natural_image
Line drawing of a car seat with side panels and three inset diagrams showing human body movement (no text or symbols)1RS14005A
INSTELLEN VAN DE TWEEDE RIJ STOEL-RUGLEUNINGEN (INDIEN VAN TOEPASSING)
Om de rugleuning stand te veranderen, leun ietsje voorwaarts en trek de hendel aan de buitenzijde van de stoel naar boven. Dan naar achteren leunen tot de gewenste stand en de hendel loslaten. Na verstelling, controleer of de hendel naar zijn originele grendel stand is teruggegaan.

1RS104006
GEDEELTELIJK VOUWEN VAN DE TWEEDE RIJ STOELEN (INDIEN VAN TOEPASSING)
De tweede rij rugleuningen vouwen naar voren om extra bagage ruimte en toegang tot de kofferruimte te krijgen.
- Vouw de tweede rij rugleuningen naar benenden, duw de ontgrendel knop naar voren die zich aan de buitenzijde van de rugleuning, onder de armsteun bevind.
- Om de rugleuning weer rechtop te zetten, de rugleuning optrekken en hem stevig naar achteren duwen tot hij op zijn plaats klikt.
- Wanneer u de rugleuning weer in zijn rechtop stand zet, herplaats de achter veiligheidsgordels zo, dat ze door de achterstoel passagiers kunnen worden gebruikt.
WARSCHUWING! - vracht
Vracht moet altijd worden vastgezet om schuiven te voorkomen wat verwondingen bij de passagiers kan veroorzaken.

ARSB03001/1RS102203D
ARMSTEUN
(INDIEN VAN TOEPASSING)
De eerste achterstoelen hebben de armsteun. Om de armsteun te gebruiken, aan de zijkant van de rugleuning naar voren trekken.

natural_image
Line drawing of a car seat with side-mounted seats and seatbelt, alongside two inset diagrams showing seat positions (no text or symbols)1RS104007
UITSTAPPEN VAN DE DERDE RIJ STOEL (INDIEN VAN TOEPASSING)
Druk het voetpedaal geplaatst achter rechts op het laagste deel van de tweede rij stoel. Dan schuift de stoel automatisch, en de rugleuning vouwt zich naar voren. Na het uitstappen schuif de tweede rij stoel achterwaarts en druk de rugleuning achterwaarts tot hij vergrendeld. Vergewis u dat de-stoel op zijn plaats vergrendeld is.
WARSCHUWING!
Passagiers zittend in de derde rij stoelen moeten oppassen niet per ongeluk het pedaal in te drukken als het voertuig in beweging is.

natural_image
Line drawing of a car rear view with three inset diagrams showing front, side, and side views (no text or symbols)1RS104008Y
HET DUBBEL OPVOUWEN VAN DE DERDE RIJ STOEL (INDIEN VAN TOEPASSING)
Om de stoel te vouwen:
- Schuif de tweede rij stoel naar de voorste stand.
- Verwijder de hoofdsteun en plaats hem in de hoofdsteun opberg doos achter (zie verstelbare hoofdsteun).

natural_image
Line drawing of a car rear view showing front, side, and side views with no text or symbols1RS104009Y
- Vouw de derde rij rugleuning naar beneden en druk de ontgrendel hendel geplaatst op het linker lage gedeelte van de rugleuning.

natural_image
Line drawing of a boat interior with two compartments and a side-mounted platform (no text or symbols)1RS104037A
- Trek de gevouwen lus geplaatst in het midden van de derde rij rugleuning om de rugleuning te ontgrendelen, en trek dan de geheel gevouwen stoel naar boven en naar voren.

natural_image
Top-down line drawing of a car backseat showing rear seats and front dashboard (no text or symbols)1RS104038
5. Trek de bindriemen uit de zak, en plaats de haak om de hoofdsteun stang van de linker tweede rij stoel.
Om de derde rij rugleuning in de rechtopstaande stand te doen, haal de band weg van de tweede rij hoofdsteun stang en plaats hem krachtig op de stoelhaak en druk de rugleuning krachtig achterwaarts voor gebruik.
Veiligheidsgordels

natural_image
Diagram of a car interior showing steering wheel, dashboard, and directional arrows indicating movement (no text or labels)AS2B03105
GORDELSPANNER VEILIGHEIDSGORDEL (indien van toepassing)
De veiligheidsgordels van de bestuurder en van de voorpassagier zijn uitgerust met gordelspanners. Het doel van de gordelspanner is ervoor te zorgen dat de veiligheidsgordel strak tegen het lichaam van de inzittende liegt bij bepaalde frontale aanrijdingen.
De gordelspanners worden samen met de airbags geactiveerd, als de frontale aanrijding ernstig genoeg is.

AS2B030015B
De veiligheidsgordel met gordelspanner werkt op dezelfde manier als de veiligheidsgordel met blokkeerautomaat (ELR). Wanneer het contact in stand ON staat en er plotseling wordt afgeremd, of wanneer de inzittende te snel voorover probeert te buigen, wordt de gordel door de blokkeerautomaat vergrendeld.
Bij bepaalde frontale aanrijdingen zal de gordelspanner echter geactiveerd worden en zal deze de gordel strakker om het lichaam van de inzittende trekken.
Het gordelsysteem bestaat hoofdzakelijk uit de volgende onderdelen.
De plaats hiervan wordt in de afbeelding aangegeven.
- Waarschuwingslampje AIR BAG.
- Gordelspanner.
- Airbagmodule.
WAARSCHUWING!
Om een maximaal effect van een veiligheidsgordel met gordelspanner te krijgen:
- Moet de veiligheidsgordel op de juiste manier gedragen worden.
- Moet de veiligheidsgordel op de juiste positie worden afgesteld.
AANWIJZING:
- Zowel de gordelspanner voor de bestuurder als die van de voorpassagier wordt bij bepaalde frontale aanrijdingen geactiveerd. De gordelspanners worden samen met de airbags geactiveerd, als de frontale aanrijding ernstig genoeg is. De gordelspanners zullen onder deze omstandigheden tevens geactiveerd worden als er zich tijdens de aanrijding niemand op de stoel bevindt.
- Wanneer de gordelspanners geactiveerd worden, kan een luide knal hoorbaar zijn en kan er rook zichtbaar worden in het passagierscompartiment. Deze rook is ongevaarlijk.
- Hoewel de fijne deeltjes onschuldig zijn, kunnen ze toch huidirritatie veroorzaken en is het raadzaam deze deeltjes niet in te ademen. Was uw handen en uw gezicht grondig wanneer de delspanners bij een aanrijding geactiveerd zijn.
OPMERKING:
- Omdat de sensor die de airbag activeert, in verbinding staat met de gordelspanner, zal het waarschuwingslampje AIR BAG ( ⚙ ) in het ashboard gedurende ongeveer 6 seconden branden nadat het contact in stand ON wordt gezet. Daarna moet het lampje uit gaan.
- Als het waarschuwingslampje SRS niet gaat branden als het contact in de stand ON wordt gezet, als het niet uitgaat nadat het gedurende ongeveer 6 seconden heeft gebrand, of als het gaat branden tijdens het rijden, laat dan het gordelspanneren/of het airbagsysteem zo spoedig mogelijk controleren door een officiële Kia-dealer.
WAARSCHUWING!
- Gordelspanners zijn ontworpen voor eenmalig gebruik. Wanneer een gordelspanner geactiveerd is geweest, moet deze worden vervangen. Alle veiligheidsgordels die tijdens een aanrijding zijn gebruikt, moeten compleet vervangen worden.
- Het mechanisme van de gordelspanners wordt tijdens het activeren heet. Raak de onderdelen van het gordelspannersysteem niet aan nadat ze geactiveerd zijn.
- Probeer nooit zelf de gordelspanners te controleren of te vervangen. Laat dit over aan een officiële Kia-dealer.
- Sla niet op de onderdelen van het gordelspannersysteem.
- Probeer nooit, op wat voor manier dan ook, onderhoud of reparaties uit te voeren aan het gordelspannersysteem.
WAARSCHUWING!
- Een onjuiste behandeling van de onderdelen van het gordelspannersysteem en het niet opvolgen van de waarschuwingen kan leiden tot een onvolledige werking of het onverhoeds activeren van de gordelspanner en tot ernstig letsel.
- Draag te allen tijde de veiligheids-gordel wanneer u in een auto rijdt of meerijdt.
VEILIGHEIDSGORDELS
Om de kans op letsel of de ernst daarvan bij een aanrijding of bij plotseling afremmen zoveel mogelijk te beperken, raden wij u en uw passagiers aan te allen tijde gebruik te maken van de veiligheids-gordels en deze op de juiste manier te dragen. De oprolautomaten zorgen ervoor dat de gordels het inen uitstappen niet hinderen. hEt blokkeermechanisme zorgt ervoor dat de gordel onder normale omstandigheden comfortabel meegeeft maar bij sterk afremmen of bij aanrijding automatisch blokkeert.
WAARSCHUWING!
- Veiligheidsgordels kunnen beschadigd raken als ze blootgesteld worden aan grote trekkrachten. Alle veiligheids-gordels die tijdens een ernstige aanrijding zijn gebruikt, moeten compleet vervangen worden. Laat de bevestigingspunten indien nodig op de juiste wijze repareren.
- Het niet dragen van de veiligheids-gordel vergroot de kans op ernstig letsel aanzienlijk.
VEILIGHEIDSGORDELS EN ZWANGERE VROUWEN
Ook zwangere vrouwen dienen een veiligheidsgordel te dragen, tenzij hun arts daar bezwaar tegen heeft. Het heupgedeelte moet GOED AANLIGGEN EN ZICH ZO LAAG MOGELIJK BEVINDEN.
VEILIGHEIDSSYSTEMEN
VOOR BABY'S EN KLEINE KINDEREN
Kleine kinderen en baby's worden optimaal beschermd als ze vervoerd worden in goedgekeurde kinderzitjes. Laat een kind nooit knielen of staan op de zitting van een rijdende auto en drraag nooit samen met een kind één veiligheids-gordel. Vervoer een kind ook nooit op schoot of in uw armen. Bij een aanrijding treden er zulke grote krachten op, dat het kind door de auto zal vliegen, waardoor het ernstig letsel kan oplopen.
Kinderzitjes worden geleverd door verschillende fabrikanten. Een goedgekeurd kinderzitje voldoet aan de wettelijke voorschriften.
Let er bij het kopen van een kinderzitje op dat het stevig in de auto gemonteerd kan worden. Volg voor het monteren van het kinderzitje de aanwijzingen van de fabrikant op.
AANWIJZING:
- Alle kinderzitjes zijn zodanig ontworpen dat ze met de heupgordel of met een driepuntsgordel kunnen worden vastgezet.
- Indien een kinderzitje niet goed is vastgezet, kan het kind bij een aanrijding ernstig letsel oplopen.
OPMERKING
- Koop geen kinderzitje dat gemonteerd moet worden aan bevestigingspunten die in uw auto niet aanwezig zijn.
- Controleer bij hoge buitentemperaturen eerst of de bekleding en de gesp van het kinderzitje niet te heet zijn voordat u het kind in het kinderzitje laat plaatsnemen.
- Verwijder een niet gebruikt kinderzijje of zet het met de veiligheidsgordel goed vast zodat het bij plotseling sterk afremmen of tijdens een aanrijding niet door de auto kan schieten.
- Plaats, als de auto is voorzien van airbags, geen kinderzitje waarin het kind met het gezicht naar achteren gericht zit op de voorstoel.
PLAATS VAN HET KINDERZITJE
• Uitvoering rnet 5 zitpleatsen
| Gewichtsgroep(leeftijd) | Zitpositie | ||
| Voorpaspassagier | Buitenste achter | Middelste achter | |
| < 10 kg(0 - 9 maanden) | X | U | UF |
| < 13 kg(0 - 24 maanden) | X | U | UF |
| 9 - 18 kg(9 - 48 maanden) | X | U | UF |
| 15 - 36 kg(4 - 12 jaar) | X | UF | UF |
U: Geschikt voor een 'universeel' zitje dat is goedgekeurd voor gebruik in deze gewichtsgroep.
• Uitvoering rnet 6 zitpleatsen
| Gewichtsgroep(leeftijd) | Zitpositie | ||
| Voorpaspassagier | 2ebzitjibuitenste zitpl | 3ebzitjibuitenste zitpl | |
| < 10 kg(0 - 9 maanden) | X | U | U |
| < 13 kg(0 - 24 maanden) | X | U | U |
| 9 - 18 kg(9 - 48 maanden) | X | U | U |
| 15 - 36 kg(4 - 12 jaar) | X | UF | UF |
UF: Geschikt voor een in de rijrichting geplaatst, 'universeel' zitje dat is goedgekeurd voor gebruik in deze gewichtsgroep.
X: Niet toegestaan voor kinderen in deze gewichtsgroep.

natural_image
Line drawing of a car seatbelt with straps and seat, no text or symbols presentGROTERE KINDEREN
Kinderen die het kinderzitje ontgroeid zijn, moeten gebruik maken van de in de auto aanwezige veiligheidsgordels. Zowel het heup- als het schoudergedeelte dienen te worden gebruikt. Als het kind nog zo klein isdat het schoudergedeelte over de hals of het gezicht van het kind loopt, moet het kind verder naar het midden van de aouto plaatsnemen.

natural_image
Line drawing of a child sitting in a car seat, wearing a harness and seatbelt (no text or symbols)Bovenstaande procedure moet elke keer als het zitje wordt geplaatst, worden herhaald.
VEILIGHEIDSGORDELS
WAARSCHUWING!
- Draag het schoudergedeelte van de gordel nooit onder uw arm.
- Draag het schoudergedeelte van de gordel nooit achter de nek langs en over de schouder aan de zijde van de gesp.
- Gebruik nooit één veiligheidsgordel voor meerdere personen.
- Draag hhet schoudergedeelte altijd over de schouder aan de zijde van het bovenste bevestigingspunt.
Het niet opvolgen van deze aanwijzingen kan de kans op letsel vergroten.
AANWIJZING:
Indien de gordel bij het uittrekken blokkeert, moet hij eerst door de oprolautomaat geheel worden opgerold en vervolgens tot op de geweste lengte worden uitgetrokken.

natural_image
Simple line drawing of a stylized human figure with a diagonal stripe and two arms (no text or symbols)AS2B03022
WAARSCHUWINGSLAMPJE VEILIGHEIDSGORDELS
Het waarschuwingslampje gaat ongeveer 6 seconden branden als het contact in de stand ON wordt gezet terwijl de veiligheidsgordel van de bestuurder niet goed vergrendeld is. Tevens is er dan een akoestische waarschuwing hoorbaar.

natural_image
Line drawing of a person's hands holding a cable or grip, with no visible text or symbolsAS2B03023
VASTMAKEN VAN DE VEILIGHEIDS-GORDELS
- Pak de gordelsluiting en de gesp vast.
- Trek de gordel langzaam uit.
- Steek de gesp in de gordelsluiting tot- dat u een klik hoort. De klik geeft aan dat de gordel goed vergrendeld is.

natural_image
Illustration of a person seated in a chair using a shoulder belt, with an arrow indicating direction (no text or symbols present)AS2B03025
Leg het heupgedeelte ZO LAAG MOGELIJK OM DE HEUPEN om het risico dat u bij een aanrijding onder de gordel doorschiet zoveel mogelijk te beperken. Stel de gordel af door hem STRAK tegen het lichaam aan te trekken. De oprolautomaat is ontworpen om een teveel aan speling automatisch op te heffen en de gordel de benodigde spanning te geven.

natural_image
Illustration of a person using a seatbelt to lift a passenger seatbelt (no text or symbols present)AS2B03024
LOSMAKEN VAN DE VEILIGHEIDS-GORDEL
Druk de knop op de gordelsluiting in om de gordel los te maken.

AS2B03026
HOOGTEVERSTELLING BOVENSTE BEVESTIGINGSPUNT
Het bovenste bevestigingspunt van de veiligheidsgordels vóór kan in vier verschillende posities worden afgesteld. Trek de knop naar buiten, verstel het bevestigingspunt en laat de knop weer los.

natural_image
Line drawing of a person adjusting a belt or grip (no text or symbols present)AS2B03023
VEILIGHEIDSGORDELS ACHTER (met oprolautomaat)
Gebruik de veiligheidsgordels achter op dezelfde manier als de veiligheidsgordels voor.

AS2B03030
HEUPGORDEL (zonder oprolautomaat) Vastmaken
- Pak het uiteinde van de gordel vast.
- de gesp in de gordelsluiting totdat u een klik hoort. De klik geeft aan dat de dordel goed vergrendeld is.
Leg de heupgorde ZO LAAG MOGELIJK OMDE HEUPEN.

AS2B03029
Stel indien nodig de lengte van de heup-gordel af. Houd de gesp haaks op de gordel en trek eraan om de gordel langer te maken. Trek aan het losse uiteinde van de gordel om de gordel korter te maken en houd ook daarbij de gesp haaks op de gordel.

natural_image
Line drawing of two hands holding a small object, possibly a tool or device, with no visible text or symbols.AS2B03031
Losmaken van de veiligheidsgordel Druk de knop op de gordelsluiting in om de gordel los te maken.
JUIST GEBRUIK EN ONDERHOUD VAN DE VEILIGHEIDSGORDELS
Neem voor een optimaal en effectief gebruik van de veiligheidsgordels onderstaande aanwijzingen in acht:
- Draag de gordels te allen tijde – ook tijdens korte ritten.
- Gebruik nooit één veiligheidsgordel voor meerdere personen.
- Zorg ervoor dat de veiligheidsgordels niet gedraaid zitten.
- Zorg ervoor dat de veiligheidsgordels en de overige onderdelen van het systeem niet in aanraking kunnen komen met scherpe randen of met voorverpen die beschadiginden zouden kunnen veroorzaken.
- Controleer de gordels, beveststigingspunten, gordelsluitingen en overige onderdelen regelmatig op slijtage, beschadiging en zwakke punten. In dubieuze staat verkerende onderdelen moeten direct worden vervangen.
- Rening de gordels met een mild reiningingsmiddel zoals dat wordt aanbevolen voor het reinigen van bekleding of vloerbedekking; raadpleeg de aanwijzingen die bij het schoonmaakmiddel geleverd worden. De gordels nooit bleken of verven, aangezien ze daardoor verzwakt kunnen worden.
- Het gordelsysteem mag door de gebruiger niet worden gemodificeerd.
- Controleer na het omdoen van de gordel of deze niet wordt gehinderd door stoelhendels en dergelijke.
WAARSCHUWING!
Alle veiligheidsgordels, inclusief de oprolautomaten en de bevestigingspunten, dienen na een aanrijding te worden gecontroleerd. Aangeranden wordt alle veiligheidsgordels die ten tijde van een aanrijding gedragen werden na iedere aanrijding van betekenis te vervangen. Ook de gordels die niet werden gebruik, moeten worden gecontroleerd en worden vervangen als ze tekenen van beschadiging vertonen.
SRS airbagsysteem (indien van toepassing)
Het SRS airbagsysteem bestaat uit een airbag voor de bestuurder en een airbag voor de voorpassagier.
Airbags zijn bedoeld als een extra, aanvullende veiligheidsvoorziening die, naast de veiligheidsvoorziening die, naast de veiligheidsgordels, de inzitten-den van de auto bescherming moeten bieden in geval van een frontale aanrijding.
WAARSCHUWING!
- Een airbag vervangt een veiligheids-gordel niet maar vormt er een aan-vulling op. Daarom moeten de veiligheids-gordels te allen tijde worden gedragen.
- De elektronica van het airbagsysteem is gevoelig voor vocht. Raadpleeg de Kia-dealer als er abnormaal veel vocht in het interieur aanwezig is.
De belangrijkste onderdelen van het-airbagsysteem zijn:
- De airbag voor de bestuurder in het stuurwiel en de airbag voor de voorpassagier in het dashboard.
- Het diagnosesysteem dat de belangrijkste onderdelen van het systeem controleert zolang het contact in de stand ON staat.
- Een waarschuwingslampje dat eventuele storingen in het systeem aangeeft.
- Een backup-accu waarmee de airbags geactiveerd kunnen worden, ook al is de verbinding met de normale accu ten gevolge van de aanrijding verbroken.
Of de airbags al den niet worden geactiveerd, wordt bepaald door een aantal sensoren die bij een bepaalde intensiteid van de aanrijding een signaal naar de onstekingsmodules van de airbags sturen.
Als de auto voorzien is van airbags staat op het stuurwiel en het dashboard de vermelding „SRS AIR BAG“.

ARSB0302
AIRBAG VOOR DE BESTUURDER
De airbag voor de bestuurder bevindt zich in het stuurwiel. Als bij een aanrijding de airbag geactiveerd word, ontvouwt hij zich waardoor hij uw bovenlichaam en uw hoofd beschermt.
Het activeren van de airbag gaat gepaard met nogal wat geluid en met enige rookvorming. Dat is een normaal verschijnsel dat veroorzaakt wordt doordat de airbag met behulp van een gasgenerator wordt gevuld.

natural_image
Illustration of a person seated in a leather chair, holding a large object (no text or symbols visible)AS2B03033
Al verminert de airbag de kans op ernstige verwondingen en kan hij uw leven redden, de kracht waarmee de airbag gevuld wordt kan schaafwonden, blauwe plekken en ander letsel veroorzaken. Daarom moet u zich altijd zó ver van het stuur af bevinden als vanuit het oogpunt van veiligheid verantwoord is.
Nadat de airbag zich geheel gevuld heeft, begint hij direct weer leeg te lopen, zodat hij uw uitzicht niet belemmert en u niet beperkt in uw bewegingen.
Het vullen en leeglopen van de airbag duurt slechts dan een fractie van een seconde. Het kan zelfs zijn dat u niet eens gemerkt heeft dat de airbag geactiveerd is.
WAARSCHUWING!
- Als een airbag geactiveerd is, zijn de gasgenerator en de bijbehorende onderdelen erg heet. Raak deze daarom niet aan.
- Bewaar voldoende afstand tot het stuurwiel. Bij een te geringe afstand kan de airbag tijdens het activeren letsel veroorzaken.
- Plaats geen voorwerpen op de airbag of tussen de airbag en uzelf.
- Draag altijd uw veiligheidsgordel. De airbags worden uitsluitend bij frontale aanrijdingen geactiveerd en bieden geen bescherming bij aanrijdingen van opzij of van achteren, bij over de kop slaan of bij lichte frontale aanrijdingen.

1RS104012
AIRBAG VOORPASSAGIER
WAARSCHUWING!
- In auto's met een airbag mag op de stoel voor de voorpassagier nooit een kinderzitje worden geplaatst waarin het kind met het gezicht naar achteren zit. In een dergelijk zitje kan een kind ernstig letsel oplopen als de airbag geactiveerd wordt, omdat het zitje zich te dicht bij de airbag bevindt.
- Het niet opvolgen van de instructies hierna en van de instructies van de fabrikant van het kinderzitje kan de kans op en/of de ernst van letsel bij een ongeval vergroten.
De kracht die met het opblazen van de airbag voor de voorpassagier gepaard gaat kan ernstig letsel veroorzaken indien de passagier zich te dicht bij de airbag bevindt. Het is daarom belangrijk de veiligheidsgordel te dragen en achterin de stoel plaats te nemen.
Vanwege de airbag is het niet toegestaan een kinderzitje op de stoel voor de voorpassagier te monteren waarin het kind met het gezicht naar achteren zit. Ook raden wij u aan geen kinderzitje op de stoel voor de voorpassagier te monteren waarin het kind met het gezicht naar voren zit. In een dergelijk zitje loopt het kind het risici letsel op te lopen als de airbag geaciveerd wordt.
Indien het noodzakelijk is dat een dergelijk zitje gemonteerd wordt, moet de stoel zo ver mogelijk naar achteren worden geschoven.
WAARSCHUWING!
- Bewaar voldoende afstand tot de airbag. Bij een te geringe afstand kan de airbag tijdens het activeren letsel veroorzaken.
- Plaats geen voorwerpen op de airbag of tussen de airbag en de voorpassagier.
- Draag altijd uw veiligheidsgordel. De airbags worden uitsluitend bij frontale aanrijdingen geactiveerd en bieden geen bescherming bij aanrijdingen van opzij of van achteren, bij over de kop slaan of bij lichte frontale aanrijdingen.

natural_image
Simple line drawing of a person in motion with a ball and abstract shapes (no text or symbols)AS2B03035
WAARSCHUWINGSLAMPJE SRS
Het waarschuwingslampje SRS in het instrumentenpaneel heeft tot taak u te waaschuwen in geval van een defect in het airbagsysteem.
Laat het airbagsysteem zo snel mogelijk controleren indien:
- Het waarschuwingslampje niet gaat branden als u het contact in de stand ON zet.
- Het waarschuwingslampje niet uitgaat, enkele seconden nadat de motor gestart is.
- Het waarschuwingslampje onder het rijden gaat branden of knipperen.
ONDERHOUD AIRBAGSYSTEEM
Onderhoudswerkzaamheden aan het het airbagsysteem dient u over te laten aan de officiele Kia-dealer.
- Een geactiveerde airbag moet worden vervangen. Probeer een geactiveerde airbag niet zelf te verwijderen maar laat dit over aan een oficiele Kia-dealer.
- Laat het airbagsysteem zo spoedig mogelijk controlleren als het waarschuwingslampje SRS aangeeft dat er in het systeem een probleem is opgetreden. Als u dat niet doet, loopt u het risico dat het systeem niet werkt op het moment dat het zou moeten werken.
WAARSCHUWING!
- Laat ook na een aanrijding waarbij de airbags niet geactiveerd zijn het airbagsysteem door de Kia-dealer controleren. Ook een lichte aanrijding kan onderdelen van het zou moeten werken niet juist function-eert.
- Breng zelf geen veranderingen aan aan het stuurwiel of aan enig ander onderdeel van het airbagsysteem. Wijzigingen kunnen de juiste werking van het systeem in gevaar brengen.
- Een onjuiste behandeling van onderdelen of bedrading van het airbagsysteem zou kunnen de juiste werking van het systeem in gevaar brengen.
- Indien door derden aan uw auto gewerkt wordt, dient u deze in te lichten over het fiet dat uw auto voorzien is van een airbagsysteem. Het niet naleven van de aanwijzingen kan leiden tot een onverhoeds activeren van de airbag, waardoor ernstig letsel kan ontstaan.
- Wijs een eventuele volgende eigenaar van uw auto op dit gedeelte in het instructieboekje.
Achterklep

1RS104001
- Achterklep openen Steek de sleutel in het slot en draai de sleutel rechtsom.
- Achterklep sluiten Druk de klep met twee handen naar beneden totdat de klep in het slot valt. Gooi de achterklep niet hard dicht. Voel na het sluiten of de klep goed dichtzit door hem omhoog te trekken.
WAARSCHUWIN!
Rijd niet met geopende achterklep om te voorkomen dat uitlaatgassen het interieur ingezogen worden.

natural_image
Diagram showing a car with a moving vehicle and a spray bottle, no text or symbols presentAS2B03040
ONTGRENDELING ACHTERKLEP van binnen uit
Trek aan de hevel links naast de bestuurdersstoel om de achterklep te ontgrendelen.
Motorkap

AS2B03041
1. Trek aan de knop om de motorkap te ontgrendelen.

AS2B03042
2. Trek de veiligheidshaak omhoog en open de motorkap.

natural_image
Technical line drawing of a car body panel with a magnified inset showing hand positioning and cable insertion (no text or symbols)1RS104013
3. Ondersteun de motorkap met de daar-
toe bestemde stang.
Controleer alvorens de motorkap te sluiten of de stang goed in de clip zit om bijgeluiden te voorkomen.
Sluiten van de motorkap
- Controleer de motorruimte om u ervan te overtuigen dat alle vuldoppen weer geplaatst zijn en dat alle losse voorwerpen verwijderd zijn.
- Laat de motorkap zakken en druk hem in het slot. Gooi de motorkap niet hard dicht.
Tankdopklepje

natural_image
Diagram showing a car's side profile with a vehicle and a parking door (no text or symbols)AS2B03044
Open het tankdopklepje door de ontgren- delknop naast de bestuurder omhoog te trekken.
- Draai de tankdop linksom om het te verwijderen.

AS2B03046
- Plaats de tankdop en draai hem rechtsom totdat hij klikt. Dat geeft aan dat de tankdop goed vastzit.
OPMERKING
Mors geen brandstof op gelakte oppervlakken. Brandstof kan de lak aantasten waardoor deze zijn glans verliest.
WAARSCHUWING!
- De brandstof kan onder druk staan. Verwijder de tankdop daarom voorzichtig en langzaam. Als er brandstof naar buiten komt of er een sissend geluid hoorbaar wordt, moet u even wachten voordat u de dop verder losdraait. Pas als er geen brandstof meer naar buiten komt of als het geluitis opgehouden, mag de dop verder worden losgedraaid. Als deze aanwijzijgen niet worden opgevolgd, kande brandstof naar buiten komen waardoor letsel kan ontstaan.
- Brandstofdampen kunnen uiters gevaarlijk zijn. Zet tijdens het tanken de motor af en houd vonken en open vuur uit de buurt van de vulpijp.
AANWIJZING
- De vulpijp is zodanig ontworpen dat alleen een vulpistool voor loodvrije benzine probleemloos past, zodat voorkomen wordt dat er verkeerde benzine getankt wordt.
- Gebruik, als de tankdop vervangen moet worden, uitsluitend een originele Kia-dop of een andere, voor uw auto geschikte dop. Een verkeerde tankdop kan een ernstige storing in het brandstofsysteem of in het systeem voor de afzuiging van de brandstofdampen veroorzaken. De juiste tankdop is verkrijgbaar bij de officiële Kia-dealers.
- Druk voorzichtig tegen de tankdopklep of tik er zachtjes op als deze vastgevroren zit.
Stuurwiel

1RS104021
Claxon (model met airbag)
Om te claxonneren drukt u op één van de knoppen op het stuurwie' Controleer regelmatig de werking, om er zeker van te zijn dat de claxon functioneert.

natural_image
Simple line drawing of a car steering wheel with no text or symbols1RS104021
Claxon (model zonder airbag)
Om te claxonneren drukt u op het claxonsymbool in het midden van het stuur.
SPIEGELS
Spiegels
BUITENSPIEGELS
Stel voor het rijden eerst de spiegels af.
WARSCHUWING!
Uw auto kan uitgerust zijn met convergerende buitenspiegels. Deze spiegels verkleinen het beeld, waardoor objecten dichterbij zijn dan ze lijken.
Men dient daarom voorzichtig te zijn bij het gebruik van de spiegel voor het inschatten van de afstand tot het achteropkomend verkeer bij het veranderen van rijstrook.
Gebruik voor het bepalen van de afstand tot het achteropkomend verkeer uw binenspiegel.
OPMERKING
Gebruik geen krabber om de spiegel ijsvrij te maken; hierdoor kan het spiegelglas beschadigd raken. Forceer een bevoren spiegel niet tijdens het verstellen. Ontdooi de spiegel (bijvoorbeeld met een ruitontdooispray) en verwijder sneeuw met een spons of een zachte doek.

natural_image
Line drawing of a car side mirror with attached sensors and wiring (no text or symbols)VAN BINNEN UIT VERSTELBARE BUITENSPIEGEL
Verstel de spiegel met behulp van de hendel aan de binnenzijde.

ELEKTRISCH VELSTERBARE BUITENSPIEGEL
De schakelaar voor het verstellen van de spiegel bevindt yich op het dashboard. Met behulp van deze schakelaar kunnen de rechter en de linker buitenspiegel worden afgesteld.
- Zet de keuzeschakelaar in de stand links of rechts, afhankelijk van de spiegel die u wilt afstellen.
- Druk de schakelaar aan de desbetreffende zijde in om de spiegel te verstellen.
OPMERKING
- Zet de keuzeschakelaar in de middenstand (OFF) als de spiegels goed afgesteld zijn.
- De spiegel stopt met bewegen als de maximale stelhoek bereikt is. De stelmotor blijft echter draaien zolang de schakelaar ingedrukt blijft. Druk daarom de schakelaar niet langer in dan nodig is.

natural_image
Line drawing of a device interior with ports, cables, and a plug (no text or symbols)1RS104019
ONTDOOIEN VAN DE BUITEN ACHTERUITKIIJKSPIEGEL (INDIEN VAN TOEPASSING)
Als uw voertuig is voorzien van de buiten achteruitkijkspiegel ontdooier, kunt u vorst, mist en dun ijs van de spiegel verwijderen door de schakelaar van de achterruit ontdooien in te drukken.

AS2B03050
BINNENSPIEGEL MET DAG/NACHT-STAND
Stel de binnenspiegel zo af dat u in het midden van de spiegel het midden van de achterruit ziet. Stel de spiegel af als dee in de dag-stand staat.
Trek de hendel midden onder de spiegel nar u toe om de spiegel in de nacht-stand te zetten om verblinding door de koplampen van achteropkomend verkeer te voorkomen.
AANWIJZING:
Houd er rekening mee dat het beeld in de spiegel in de nacht-stand minder duidelijk is dan in de dag-stand.
WAARSCHUWING!
Plaats nooit grote voorwerpen op het vlakke gedeelte achter de achterbank aangezien die het uitzicht belemmeren. Bovendien kunnen deze voorwerpen gevaar opleveren tijdens plotseling afremmen of bij een aanrijding, omdat ze dan naar voren worden geslingerd.
Interieurverlichting

1RS104014
De schakelaar op het lampje van de interieurverlichting heeft drie standen:
OFF : interieurverlichting uit
• : Interieurverlichting aan bij open portier
ON : interieurverlichting aan
Kaartleeslampje

1RS104016C
KAARTLEES LAMPEN (MET SCHUIFDAK)
De kaartlees lampen worden IN en UIT geschakeld door de overeenkomstige schakelaars in te drukken.

natural_image
Top-down line drawing of a car interior showing dashboard, front seats, and rearview mirror (no text or symbols)1RS104015

1RS104014A
KAARTLEES LAMPEN (ZONDER SCHUIFDAK)
De kaartlees lampen worden IN en UIT geschakeld door de overeenkomstige schakelaars in te drukken welke zich bevinden op de zonnebrilhouder.
ACHTER BAGAGE RUIMTE VER- LICHTING (INDIEN VAN TOEPASSING)
De bagage ruimte verlichting is geplaatst aan het achter einde van het dak. De lamp heeft drie standen:
OFF - het licht blijft UIT ook als de deur open is.
DR - het licht gaat AAN of UIT wanneer een deur word geopend of gesloten
ON - het licht gaat AAN en blijft AAN zelfs als alle deuren gesloten zijn.
Drinkbeker houder

1RS104025
VOORSTE DRINKBEKERHOUDER
Druk de drinkbekerhouder in, dan laat hem los om de drinkbekerhouder langzaam van het instrumentenpaneel naar buiten te laten komen.
Om de drinkbekerhouder in de opbergstand te brengen, druk hem geheel in het instrumentenpaneel. De drinkbekerhouder vergrendeling zal „klikken“ wanneer hij in de vergrendel stand is.

natural_image
Line drawing of a car headrest with a handle and control panel (no text or symbols)1RS104025A
ACHTERSTE DRINKBEKERHOUDER
In het achterste deel.
Schuif-/kanteldak

ARSB03003
Het elektrisch bediend schuif-/kanteldak kan alleen worden geopend en gesloten als het contact inde stand ON staat. Druk om het schuif-/kanteldak te openen op schakelaar B aan de zijde „Open“.

1RS104016
Om het schuifdak te kantelen, druk op de "TILT" knop (A) geplaatst in de kaartlamp eenheid. Om hem te sluiten weer op de "TILT" knop (B) drukken.

1RS104016B
Om het schuifdak te openen, druk op de „SLIDE“ knop (A) geplaatst in de kaartlamp eenheid. Het schuifdak kan worden verschoven door de „SLIDE“ knop (A) te drukken. Om het schuifdak te sluiten, druk de „SLIDE“ knop (B) in houd hem vast tot het geheel gesloten is. Als het schuifdak geschoven of gekanteld is, kunt u hem niet schuiven of kantelen. Om het schuifdak te kantelen/schuiven die verschoven of gekanteld is, sluit het schuifdak eerst op door de overeenkomstige schakelaar in te drukken en maak hem pas dan open zoals gewenst.

1RS105012
OPMERKING
- Als het schuif-/kanteldak wordt geopend, moet tevens het zonnescherm worden weggeschoven. Let erop dat het zonnescherm niet dichtgeschoven is als het schuif-/kanteldak geopend is.
- Laat de schakelaar los zodra het schuif-/kanteldak geheel geopend of gesloten is. Als u de schakelaar ingedrukt houd, kan er schade ontstaan aan het schuif-/kanteldak.
- Let erop dat u het schuif-/kanteldak sluit als u de auto verlaat.

natural_image
Line drawing of a car interior showing dashboard, seatbelt, and steering wheel (no text or symbols)1RS105011
Indien het schuif-/kanteldak niet elektrisch gesloten kan worden, kunt u het met behulp van de inbussleutel in het dashboardkastje met de hand sluiten.
OPMERKING
- Als u het schuif-/kanteldak probeert te openen terwijl het vriest of als het bedekt is met sneeuw of ijs, kan het raampaneel of de aandrijfmotor beschadigd raken.
- Steek nooit handen, armen enz. Door de opening van het schuif-/kanteldak terwijl de auto rijdt.
OPBERGVAK VOOR ZONNEBRIL
Opbergvak voor zonnebril (indien van toepassing)

natural_image
Diagram of a car interior showing a seatbelt with an upward arrow, mounted on a backrest (no text or symbols)1RS104106
In de dakconsole bevindt zich een opbergvak voor een zonnebril. Druk het deksel in om het vak te openen. Het deksel zal zich vertraagd openen.
RIJDEN MET UW AUTO
Contactslot en stuurslot 4-2
Starten van de motor 4-3
Handgeschakelde transmissie
Automatische tranmissie 4.5
Remsysteem 4.7
Antiblokkeersysteem (ABS) 4-10
Stuurbekrachtiging 4-11
Verstelbaar stuurwiel 4.11
Instrumentenpaneel 4-12
Meters 4.14
Waarschuwings- en controlelampjes/geluidssignaal 4-15
Verlichting 4-17
Richtingaanwijzers 4-18
Koplampverstelling 4.19
Mistlampen voorzijde 4-20
Mistachterlicht 4-20
Nood waarschuwingsknipperlicht 4-20
Ruitenwissers en ruitensproeirs 4-21
Achterruitenwisser en -sproeier 4-23
Achterruitverwarming 4-23
Aansteker 4-24
Asbak voor 4-25
Dashboardkastje 4-25
Zonnekleppen 4-25
Bagage afdekking 4-26
Achterzijde stroomcontactdoos 4-26
Waarschwing 4-26
Verwarmings- en ventilatiesysteem 4-27
Contactslot en stuurslot

AS2B04001
STANDEN LOCK
In deze stand is het stuurwiel vergrendeld ter bescherming tegen diefstal van de auto. Alleen in deze stand kan de contactsleutel worden verwiderd.
ACC
In deze stand is het stuurwiel niet langer vegrendeld en kunnen bepaalde elektrische accessoires worden ingeschakeld.
ON
In deze stand kunnen de waarschuwingslampjes gecontroleerd worden (behalve het lampje voor het remsysteem) zolang de motor niet draait. Bij een draaiende motor staat de contactsleutel in deze stand.
Laat het contact bij niet draaiende motor niet te lang in stand ON staan omdat hierdoor de accu uitgeput kan raken.
START
Deze stand wordt gebruikt om de motor te starten. De starmotor blijft ingeschakeld zolang u de contactsleutel in deze stand houdt.
AANWIJZING:
Draai het stuurwiel iets naar links en naar rechts als het omdraaien van de contact-sleutel moeilijk gaat.
WAARSCHUWING!
- Draai de contactsleutel tijdens het den nooit in de stand LOCK of ACC.
- Het stuurslot dient niet ter aanvulling op de parkeerrem. Alvorens de auto te verlaten dient u steeds de 1e versnelling in te schakelen, de parkeerrem geheel aan te trekken en de motor uit te zetten. Indien deze voorzrgsmaatregelen niet genomen worden, bestaat de kans dat de auto zich onverhoeds in beweging zet.
- Steek nooit uw hand door het stuurwiel heen om de contactsleutel te pakken; plotseling draaien van het stuurwiel kan ernstig letsel veroorzaken.
Automatische transmissie
Voordat u de contactsleutel in de stand LOCK draait, moet de selectiehendel in de stand P (parkeren) staan.
Handgeschakelde transmissie
Om de contactsleutel vanuit de stand ACC in de stand LOCK te draaien, moet deze ingedrukt worden.
Starten van de motor
-
Controleer of de parkeerrem is aangetrokken.
-
Handgeschakelde transmissie - Trap het koppelingspedaal geheel in en zet de versnellingspook in de neutraalstand. Houd het koppelingspedaal tijdens het starten ingetrapt.
Automatische transmissie - Zet de selectiehendel in de stand P (parkeren) of A (neutraal).
- Draai de contactsleutel in de stand START en houd de sleutel in deze stand totdat de motor aanslaat (maximaal 10 seconden achter alkaar). Laat de sleutel los zodra de motor is aangeslagen.
OPMERKING
- Laat de startmotor niet langer dan 10 seconden achter elkaar draaien. Wacht als de motor afslaat of niet aanslaat 5 tot 10 seconden alvorens de startmotor opnieuw in te schakelen. Als de startmotor te lang achter alkaar draait, kan hij beschadigd raken.
- Trap noch bij koude motor noch bij warme motor voor het starten het gaspedaal in.
Volg onderstaande procedure indien de motor niet aanslaat:
BIJ KOUDE MOTOR
Als de motor koud is en niet wil aanslaan bestaat de kans dat hij „verzopen“ is. Dat wil zeggen dat er zich teveel brandstof in de cilinders bevindt. Ga in dat geval als volgt te werk:
-
Trap het gaspedaal EENMAAL GEHEEL IN EN HOUD HET INGE-TRAPT.
-
Draai de contactsleutel in de stand "START" en houd de sleutel in deze stand om de overmaat aan brandstof af te voeren totdat de motor aanslaat (maximaal 10 seconden). Laat de contactsleutel los. Als de motor is aangeslagen zijn onderstaande stappen niet meer van toepassing.
-
Draai de contactsleutel in de stand "START" en laat het gaspedaal los.
-
Laat de startmotor draaien totdat de motor aanslaat (maximaal 10 seconden achtereen).
BIJ WARME MOTOR
Trap, als de motor op bedrijfstemperatuur is en niet wil aanslaan, het gaspedaal voor de helft in en houd de contactsleutel in de stand „START“ totdat de motor aanslaat (maximaal 10 seconden achtereen).
Laat de motor gedurende 10 seconden stationair draaien alvorens weg te rijden.
OPMERKING
Als de auto voor langere tijd niet gebruikt is, kan het voorkomen dat de motor meer lawaai (klepstotergeruis) maakt dan normal, dit is echter niets verontrustend. Zodra de olie op bedrijfstemperatuur is, is het lawaai ook over. Blijft het lawaai echter aanhouden bij warme motor, raadpleeg dan uw KIA-dealer.
Handgeschakelde transmissie

AS2B04002
Uw auto heeft een conventioneel schakelpaltroon, zie de afbeelding hierboven.
Trap het koppelingspedaal tijdens het schakelen geheel in en laat het langzaam opkomen.
Een speciale beveiliging voorkomt dat er per ongeluk van de 5e versnelling naar de achteruitversnelling kan worden geschakeld. Alvorens de achteruit in te kunnen schakelen, moet de versnellingspook eerst in de stand neutraal worden geschakeld.
AANWIJZING:
Schakel de achteruitversnelling alleen in als de auto geheel stilstaat.
OPMERKING
Laat tijdens het rijden uw voet nooit op het koppelingspedaal rusten om vroegtijdige slijtage en beschadiging van de koppeling te voorkomen; gebruik de koppeling niet om de auto tijdens het wachten op een helling, bijvoorbeeld voor een verkeerslicht, op zijn plaats te houden.
Aanbevolen schakelsnelheden
Om normaal te accelereren, worden de onderstaande schakelsnelheden aanbevolen:
Eenheid: km/h (mph)
| Motor Schakelingen | 1,8 motor |
| 1e naar 2e | 25 (15) |
| 2e naar 3e | 45 (27) |
| 3e naar 4e | 82 (37) |
| 4e naar 5e | 79 (47) |
Terugschakelen
Als u moet afremmen voor het overige verkeer op de weg of als u een helling oprijdt, moet u tijdig terugschakelen naar een lagere versnelling. Terugschakelen beperkt de kans op afslaan en zorgt voor een betere acceleratie op het moment dat u uw snelheid weer moet verhogen. Bij het afrijden van een steile helling helpt terugschakelen bij het handhaven van een veilige snelheid en bij het ontzien van het remsysteem.
Automatische transmissie (indien van toepassing)



Om de versnellingshendel te bewegen trek de hendel naar u toe en dan naar beneden of naar boven.
De versnellingshendel kan bewegen zonder naar u getrokken te worden.
BEDIENING AUTOMATISCHE TRANSMISSIE
Rijden onder normale omstandigheden vindt plaats met de selectiehendel in de stand D.
Druk de knop op de selectiehendel in bij het inschakelen van de standen R en P en bij het schakelen van d naar 2 en van 2 naar 1, zie de pijl.
Voor het schakelen in de richting die de „open“ pijl aangeeft, hoeft de knop niet te worden ingedrukt.
AANWIJZING:
Druk voor soepel schakelen het rempedaal in als er geschakeld wordt van de stand A of P naar een vooruitversnelling of naar de achteruitversnelling.
OPMERKING
- Schakel de stand R of P alleen in als de auto geheel tot stilstand is gekomen.
- Geef geen gas als de auto in de stand R of in een van de vooruitversnellingen staat en het rempedaal ingedrukt wordt.
- Houd de auto bij stilstaan op een helling nooit in zijn positie door gas te geven. Gebruik in zo'n geval de remmen.
- Schakel niet van de stand A of P naar stand 1, 2, D of R als het motoroerental hoger is dan het stationair toerental.
Starten van de motor
De motor kan alleen gestart worden in de standen P en N.
Stand P (parkeren)
Gebruik de stand P alleen als de auto volledig tot stilstand is gekomen.
WAARSCHUWING!
- De stand P (parkeren) mag nooit in plaats van de parkeerrem worden gebruikt. Zorg er altijd voor dat de selectiehendel in stand P vergrendeld staat en niet kan bewegen als de knop niet wordt ingedrukt EN trek de parkeerrem geheel aan.
- Zet het contact in de stand LOCK als u de auto verlaat, ook al is dat maar voor even. Laat de auto nooit onbeherd achter met draaiende motor. Indien deze voorzorgsmaatregelen niet genomen worden, bestaat de kans dat de auto zich onverhoeds in beweging zet.
R (achteruit)
Deze stand is voor het vanuit stilstand achteruit wegrijden.
N (neutraal)
Deze stand is voor het stilstaan (bij inge-trapte remmen).
D (drive)
Dit is de normale stand voor het rijden in voorwaartse richting. In deze stand schakelt de transmissie automatisch tussen de drie versnellingen vooruit voor optimale prestaties en een zo laag mogelijk brandstofverbruik.
2 (tweede versnelling)
Zet de keuzehendel in stand S voor het rijden in druk, langzaam rijdend verkeer, voor meer trekkracht bij het oprijden van hellingen, voor het afremmen op de motor bij het afrijden van hellingen, voor het wegrijden vanuit stilstand op een glad wegdek en bij andere situaties waarbij geleidelijk accelereren noodzakelijk is.
1 (1e versnelling)
Zet de selectiehendel in stand 1 voor een maximale trekkracht of bij het op- of afrijden van zeer steile hellingen.
Kickdown
Voor extra trekkracht bij inhalen of bij het oprijden van hellingen, kunt u het gaspedaal geheel intrappen. Hierdoor schakelt de transmissie terug naar een lagere versnelling.
VANUIT STILSTAND EEN STEILE HELLING OP RIJDEN
Trap met uw linker voet op het rempedaal en zet de selectiehendel in stand D of 1, afhankelijk van de mate waarin de auto belast is en van het hellingpercentage, en ongrendel de parkeerrem. Geef geleidelijk gas en laat tegelijkertijd het rempedaal opkomen.
O/D OFF-FUNCTIE
Dit systeem voorkomt het opschakelen naar een hogere versnelling. Indien de O/D OFF-functie is ingeschakeld wordt er in stand D opgeschakeld tot de 2e versnelling en wordt in stand L de 1e versnelling vastgehouden. Schakel de O/D OFF-functie in bij het wegrijden vanuit stilstand op een gladde ondergrond, bij het oprijden van steile hellingen, om het motorremvermogen beter te kunnen benutten.
De O/D-functie wordt ingeschakeld door de O/D OFF-schakelaar op de selectiehendel in te drukken. Door nogmaals op deze schakelaar te drukken wordt de O/D OFF-functie weer uitgeschakeld.
OPMERKING
Als het contact in de stand LOCK wordt gezet, wordt de O/D OFF-functie automatisch uitgeschakeld.
HOLD-CONTROLELAMPJE
Dit lampje gaat branden als de O/D OFF-functie is ingeschakeld.
OPMERKING
Indien dit controlelampje gaat knipperen, duidt dit op een defect in de transmissie. Laat in dat geval de transmissie door een officiële KIA-dealer controleren.
Remsysteem
REMBEKRACHTIGING
Uw auto is uitgerust met een bekrachtigd, zelfstellend remsysteem.
Als de rembekrachtiging uitvalt omdat de motor is afgeslagen of door een andere oorzaak, kunt u de auto alsnog tot stilstand brengen door het rempedaal met een grotere kracht dan normaal in te drukken. Bij een uitgevallen rembekrachtiging moet u echter wel rekening houden met een langere remweg.
Als de motor niet draait, wordt de mate van bekrachtiging steeds geringer naarmate u vaker het rempedaal indrukt. Het vacuqm dat voor de bekrachtiging zorgt wordt, doordat de motor niet draait,steeds minder. Ga bij een uitgevallen rembekrachtiging niet pompend remmen, behalve als dat noodzakelijk is om bij een glad wegdek de controle over de auto te behouden.
Als het bedrijfsremsysteem tijdens het rijden door wat voor redenen dan ook geheel zou uitvallen, kunt u de auto met behulp van de parkeerrem alsnog tot stilstand brengen. Houd daarbij dan wel
WAARSCHUWING!
- Laat tijdens het rijden uw voet niet op het rempedaal rusten. Dat leidt tot oververhitting van de remen en overmatige slijtage van de remvoeringen, hetgeen weer leidt tot een langere remweg.
- Schakel bij het afdalen van een lange of steile helling terug naar een lagere versnelling en vermijd het continu ingedrukt houden van het rempedaal omdat daardoor de remmen oververhit kunnen rakken. Dit kan een kortstondig verlies van remvermogen veroozaken.
- Het rijden door water met een zodanige diepte dat de remmen nat worden, heeft een nadelige invloed op het remvermogen. De auto remt minder dan normaal en kan naar één kant trekken tijdens het rijden. Door he rempedaal licht in te trappen, kunt u controleren of het remvermogen door het nat worden is verminderd. Druk voor het drogen van de remmen het rempedaal licht in terwijl u met een veilige snelheid rijdt, totdat het remvermogen weer op het normale niveau is.

natural_image
Line drawing of a car seatbelt with a hand operating the seatbelt (no text or symbols)1RS105004
PARKEERREM
- Trek voor het in werking stellen van de parkeerrem de hendel krachtig aan terwijl u het rempedaal indrukt.

natural_image
Line drawing of a car seatbelt with arrows indicating movement (no text or symbols)1RS105005
- Trek voor het ontgrendelen van de parkeerrem de hendel omhoog en druk de knop in. Houd de knop ingedrukt en beweeg de hendel naar beneden.
WAARSCHUWING!
- Gebrik nooit in plaats van de parkeerrem de versnellingspook. Trek de parkeerrem altijd volledig aan EN zet de versnellingspook in de 1e versnelling (bij een handgeschakelde transmissie) of plaats de selectiehendel in stand P (bij een automatische transmissie).
- Zet het contact in de stand LOCK als u de auto verlaat, ook al is dat maar voor even. Laat de auto nooit onbeheerd achter met draaiende motor.
- Indien deze voorzorgsmaatregelen niet genomen worden, bestaat de kans dat de auto zich onverhoeds in beweging zet.
- Rijd niet met aangetrokken parkeerrem. Hierdoor kunnen de remmen oververhit raken, treedt overmatige slijtage op en wordt de remweg langer.

AS2B04009
WAARSCHUWINGSLAMPJE REMSYSTEEM
Controleer iedere keer als u de motor start het waarschuwingslampje voor het remsysteem. Dit lampje brandt als de motor draait en de parkeerrem aangetrokken is. Let er voor u gaat rijden op dat de parkeerrem geheel ontgrendeld is en dat het waarschuwingslampje uit is.
Als het lampje na het ontgrendelen van de parkeerrem blijft branden, kan er een defect in het remsysteem aanwezig zijn. Laat het remsysteem in dat geval zo spoedig mogelijk controleren door een oficiële Kia-dealer.
VERSLETEN REMBLOKKEN
Uw auto is voorzien van schijfremmen op de vooras. Als de remblokken versleten zijn, zult u een piepend geluid horen dat tijdens het remmen toeneemt. Wanneer dit het geval is, ga dan zo spoedik mogelijk naar uw KIA-dealer en laat uw remblokken vervangen voordat er schade aan het remsysteem optreedt. Negeert u dit geluid, dan leidt dit onherroepelijk tot problemen.
Nieuwe remblokken kunnen ook licht piepen, wanneer u ze voor het eerst gebruikt of wanneer u weinig pedaalkracht uitoefent. Dit is echter normaal.
TROMMELREMMEN
Uw auto is voorzien van trommelremmen op de achteras. De remvoering van de remtrommels maakt geen hoorbaar geluid wanneer deze versleten is. Laat echter de remvoering controleren wanneer u nieuwe banden gemonteerd worden.
Antiblokkeersysteem (ABS)
Het ABS meet tijdens het remmen constant het toerental van alle wielen. Indien een van de wielen dreigt te blokkeren, zorgt het ABS ervoor dat de remdruk naar dat wiel kortstonding wordt onderbroken. Zodra het toerental van het wiel het toelaat, wordt het opnieuw afgeremd. Het ABS zorgt dus als het ware voor „automatisch pompend remmen“. Als het ABS in werking is, kunt u tikkende geluiden horen en een trilling in het rempedaal voelen. Dat is een normaal verschijnsel, het duidt er op dat het ABS in werking is. Voor een optimale werking van het ABS moet u het rempedaal zo hard mogelijk intrappen en de regeling zijn werk laten doen.
- Het ABS werkt op alle 4 de wielen.
- Ga bij een auto met ABS niet „pompend“ remmen.
WAARSCHUWING!
Vertrouw niet blindelings op het ABS. Gebruik altijd uw gezong verstand, pas uw snelheid aan en bewaar voldoende afstand.
OPMERKING
- Als u op een wegdek met een lage wrijvingscoëffciënt voortdurend moet remmen, kan het ABS-controlelampje gaan branden. Breng uw auto op een veilige plaats tot stilstand en zet de motor uit.
- Start de motor opnieuw. Als het ABS-controlelampje nu niet brandt, is het ABS in orde. Blijft het lampje branden, dan kan er een defect in het ABS aanwezig zijn. Neem in dat geval zo spoedig mogelijk contact op met een oficiële Kia-dealer.
Als u in geval van een lege accu de auto start met een hulpaccu, kan het ABS-controlelampje gaan branden. Dat duidt niet op een defect in het ABS maar is een gevolg van een te lage bedrijfsspanning.
OPMERKING
- Als het ABS-controlelampje gaat branden en blijft branden, kan er in het ABS een defect Het rem-systeem blijft in dat geval echter normaal functioneren.
- Het ABS-controlelampje zal onder normale omstandigheden 2 - 3 seconden na het aanslaanvan de motor uitgaan. Indien het blijft branden, kan er in het ABS een defect aanwezig zijn. Neem in dat geval zo spoedig mogelijk contact op met een officiële Kia-dealer.
Stuurbekrachtiging
De stuurbekrachtiging reduceert de benodigde stuurkracht door gebruik te maken van het vermogen dat de motor levert. Bij een niet-draaiende motor of bij een defecte stuurbekrachtiging blijft de auto bestuurbaar maar is de benodigde stuurkracht veel groter. Indien u merkt dat onder normale omstandigheden het sturen van de auto zwaarder gaat dan normaal, moet u de stuurbekrachtiging door een officiële Kia-dealer laten controleren.
OPMERKING
- Houd het stuurwiel bij een draaiende motor nooit langer dan 5 seconden tegen een van beide aanslagen (links of rechts). Als het stuur langer dan 5 seconden tegen de aanslag wordt gehouden, loopt de druk in het stuurbekrachtigingssysteem te hoog op waardoor schade aan het systeem kan ontstaan.
- Als de auto bij koud weer lange tijd heeft buitengestaan, temperatuur lager dan 14°F (-10°C), en u start de auto, dan functioneert de stuurbekrachtiging mogelijk niet goed door een stijging van de viscositeit van de stuurbekrachtigingsvloeistof. Dit duidt echter niet op een storing. In dit geval dient u de stuurbekrachtigingsvloeistof op te warmen door de auto stationair te laten draaien.
Verstelbaar stuurwiel (indien van toepassing)

natural_image
Diagram of a car interior showing steering wheel, dashboard, and steering wheel (no text or labels)1S2104007
Een verstelbaar stuurwiel maakt het mogelijk om de stuurstand naar uw persoonlijke wensen in te stellen. Bij het uitstappen kunt u het stuurwiel ontgrendelen en omhoog drukken, om de uitstap te vergemakkelijken.
Om het stuur te verstellen, houdt u het stuur vast en drukt-u de ontgrendeling naar beneden. Zet het stuurwiel in de gewenste stand en druk de vergrendeling weer vast.
Instrumentenpaneel
TYPE A

- Toerenteller (indien van toepassing)
- Snelheidsmeter
- Richtingaanwijzerindicator
- Motortemperatuur meter
- Waarschuwing en indicatorlichten
- Brandstof meter
- A/T indicatie (A/T alleen)
- Dagteller nulsteiknop
- Dagteller
- Kilometerteller
- Waarschuwing en indicatorlichten
TYPE B

- Motortemperatuur meter
- Snelheidsmeter
- Richtingaanwijzerindicator
- Brandstof meter
- Waarschuwing en indicatorlichten
- Dagteller nulstelknop
- Dagteller
- Kilometerteller
- Waarschuwing en indicatoren
METERS
Meters
SNELHEIDSMETER
De snelheidsmeter geeft de snelheid aan als de auto vooruit rijdt.
KILOMETERTELLER
De kilometerteller geeft de totale afstand aan die met de auto gereden is.
DAGTELLER
De dagteller geeft de gereden afstand per rit aan. De teller kan op nul worden gezet door de terugstelknop in te drukken. De dagteller kan tevens worden gebruikt om het brandstofverbruik te controleren.

AS2B04018
TEMPERATUURMETER KOELVLOEISTOF
Als het contact in de stand ON is, geeft de temperatuurmeter de temperatuur van de koelvloistof aan.
Als de naald van de meter buiten het normale bereik komt en in de richting van de stand H beweegt, duidt dit op oververhitting van de motor waardoor schade aan de motor kan ontstaan.
Blijf niet doorrijden met een oververhitte motor. Raadpleeg bij oververhitte motor. Raadpleeg bij oververhitting hoofdstuk 5.

AS2B04017
BRANDSTOFMETER
De brandstofmeter geeft aan hoeveel brandstof in de brandstoftank aanwezig is.
OPMERKING
De brandstofmeter geeft de hoeveelheid brandstof in de tank ook aan als het contact in de stand LOCK staat.

TOERENTELLER
De torenteller geeft het motortoerental aan in omwentelingen per minuut.
OPMERKING
Zorg ervoor dat de naald van de torenteller niet in het rode gebied terecht komt.
Dat kan ernstige schade aan de motor veroorzaken.
Waarschuwings- en controlelampjes/ geluidssignaal
CONTROLEER WERKING
De waarschuwings- en controlelampjes kunnen worden gecontroleerd door het contact in de stand ON te zetten (start de motor niet). Leder lampje dat niet gaat branden moet door een officiële Kia-dealer worden gecontroleerd.

WAARSCHUWINGSLAMPJE REMSYSTEEM
Dit lampje geeft aan dat de parkeerrem is aangetrokken. Zodra de parkeerrem niet mmer is aangetrokken, moet het lampje UIT zijn.
Als het lampje blijt branden, kan dit erop duiden dat het remvloeistofniveau te laag is.
Als het lampje blijft branden:
- Controleer of de parkeerrem ontgren-deld is.
-
Rijd voorzichtig naar de kant van de weg en breng de auto op een veilige plaats tot stilstand.
-
Zet de motor af, controleer het remvloeistofniveau en vul zonodig remvloeistof bij (zie hoofdstuk 6). Contoleer alle onderdelen van het remsysteem op lekkage.
- Rijd niet met de auto als u een lekkage vindt, als he waarschuwingslampje blijft branden of als de remmen niet goed werken. Laat de auto naar een officiële Kia-dealer slepen om het remsysteem te laten cotroleren en zonodig te laten repareren.
WWARSCHUWING!
Rijden met een auto waarvan het waarschuwingslampje brandt is gevaarlijk. Laat het remsysteem direct controlleren en repareren als het waarschuwingslampje blijft branden.

WAARSCHUWINGSLAMPJE WEILIGHEIDSGORDELS
Dit lampje herinnert de inzittenden eraan de veiligheidsgordels om te doen. Ledere keer dat het contact in de stand ON gezet wordt, zal het lampje gedurende ongeveer 6 seconden gaan branden. Laat een Kia-dealer het systeem controleren als het lampje niet gaat branden.

WAARSCHUWINGSLAMPJE AIRBAG
ledere keer dat het contact in de stand ON gezet wordt, zal het lampje gedurende ongeveer 6 seconden gaan branden. Laat een Kia-dealer het systeem controleren als het lampje niet gaat branden.
IMMO
IMMO (start-blokkeersysteem) indicatie licht (indien van toepassing)
Wanneer u de "limp-home" functie gebruikt deze indicator helpt u de "limphome" procedure ten uitvoer brengen.

LAADSTROOMCONTROLE-LAMPJE
Dit lampje geeft aan dat er een storing is in de dynamo of in de bedrading van het laasysteem.
Als het lampje tijdens het rijden gaat branden:
- Rijd voorzichtig naar de kant van de weg en breng de auto op een veilige plaats tot stilstand.
-
Zet de motor uit en controleer of de aandrijfriem van de dynamo loszit of gebroken is.
-
Als de aandrijfriem in orde is, bevindt er zich een storing in het laadsysteem. Laat een officiële Kia-dealer het probleem zo spoedig mogelijk opsporen en verhelpen.

OLIEDRUKLAMPJE
Dit waarschuwingslampje geeft aan dat de oliedruk laag is.
Als het lampje onder het rijden gaat branden:
- Rijd voorzichtig naar de kant van de weg en breng de auto op een veilige plaats tot stilstand.
- Zet de motor uit en controleer het oliepeil. Vul indien nodig olie bij. Raadpleeg een officiële Kia-dealer als het lampje na het bijvullen blijft branden.
OPMERKING
Doorrijden met een brandend oliedruklampje kan ernstige schade aan de motor veroorzaken. Zet daarom de motor direct uit als het oliedruklampje gaat branden.

WAARSCHUWINGSLAMPJE LAAG BRANDSTOFNIVEAU
Dit lampje geeft aan dat de brandstoftank bijna leeg is. Het lampje gaat lampje branden als de voorraad brandstof gedaald is tot ongeveer 9 liter.

WAARSCHUWINGSLAMPJE OPEN PORTIER
Dit waarschuwingslampje gaat branden als een portier niet goed gesloten is.

WAARSCHUWINGSLAMPJE ABS
Dit lampje gaat branden als de motor gestart wordt en zal uitgaan als het ABS normaal werkt. Het zal ook gaan branden als het contact in de stand ON wordt gezet: indien het systeem in orde is, zal het na 2 - 3 seconden uitgaan. Gaat het lampje branden terwijl u rijdt, laat uw auto dan zo snel mogelijk nakijken door een Kia-dealer.
GELUIDSSIGNAAL „SLEUTEL IN CONTACTSLOT“
Als het bestuurdersportier geopend wordt en de contactsleutel zich nog in het contactslot bevindt, zal er een geluidssignaal klinken.
GELUIDSSIGNAAL
„VERLICHTING AAN“
Als het bestuurdersportier geopend wordt en de verlichting in stand 1 of 2 staat, zal er een geluidssignaal klinken.

CONTROLELAMPJE GROOTLICHT
Dit controlelampje gaat branden als het grootlicht is ingeschakeld.
O/D OFF
CONTROLELAMPJE O/D OFF
Dit lampje zal gaan branden als het O/D-systeem uitgeschakeld is.

CONTROLELAMPJE ACHTER- RUITVERWARMING
Dit controlelapmpje gaat branden als de achterruitverwarming is ingeschakeld.

CONTROLELAMPJE MIS- TACHTERLICHT
Dit controlelampje gaat branden als het mistachterlicht ingeschakeld wordt.
WAARSCHUWINGSSIGNAAL MISTACHTERLICHT(EN)-AAN (INDIEN VAN TOEPASSING)
Dit waarschuwingssignaal zal weerklinken onder de volgende voor- waarden:
- Contactsleutel is verwijderd uit het contactslot;
• Portier van de bestuurder is geopend; - Mistachterlicht(en) is/zijn nog ingeschakeld.
Het signaal waarschuwt u het mistachterlicht uit te schakelen voordat u de auto verlaat.

CONTROLELAMPJE MOTOR- MANAGEMENT
Dit controlelampje maakt deel uit van het motormanagement (OBD-II). Als er een onregelmatigheid in het systeem wordt geconstateerd, zal dit lampje gaan branden. U hoeft niet direct te stoppen, u kunt doorrijden naar de plaats van bestemming, maar u dient echter wel zo spoedig mogelijk contact op te nemen met uw Kia-dealer.
AANWIJZING:
Doorrijden terwijl het controlelampje van het motormanagement brandt, kan schade aan dit systeem tot gevolg hebben op het brandstofverbruik en rijgedrag van de auto.
Wanneer het controlelampje begint te knipperen, is het mogelijk dat de katalysator beschadigd is. Laat het motormanagement-systeem zo spoedig mogelijk nakijken bij uw Kia-dealer.
Een loszittende tankdop kan ook oorzaak zijn van het oplichten van het controle-lampje van het OBD-II-systeem. Zorg er dus altijd voor dat de tankdop goed wordt vastgedraaid.
Verlichting


Draai het uiteinde van de combischake- laar om de verlichting aan te zetten.
Stand 1
Parkeerlichten, kentekenplaatverlichting en dashboardverlichting AAN.
Stand 2
Komplampen, parkeerlichten, kenteken- plaatverlichting en dashboardverlichting AAN.

AS2B04021
Druk de combischakelaar van u af om het grootlicht in te schakelen. Bij ingeschakeld grootlicht zal het blauwe controlelampje voor het grootlicht in het instrumentenpaneel gaan branden.
AANWIJZING:
Om te voorkomen dat de accu uitgeput raakt, dient u de verlichting niet gedurende langere tijd te laten branden terwijl de motor niet draait.

AS2B04022
LICHTSIGNAAL
Trek de combischakelaar naar u toe om een lichtsignaal te geven. Als u de schakelaar loslaat, keert deze weer terug naar zijn oorspronkelijke positie. Om lichtsignalen te kunnen geven hoeft de verlichting niet aan te staan.
Richtingaanwijzers

AS2B04023
RICHTINGAANWIJZERS
Om de richtingaanwijzers te kunnen bedi- enen dien het contact in de stand ON te staan.
Beweeg de combischakelaar tot aan de aanslag omhoog of omlaag om de richtingaanwijzers in te schakelen. Na de bocht keert de schakelaar vanzelf weer terug in de middenstand. Als de richtingaanwijzers na een flauwe bocht ingeschakeld blijven, dient u de schakelaar met de hand terug zetten in de middenstand.
Groene controlelampjes in het instrumentenpaneel geven aan dat de richtingaanwijzers in werking zijn. Als een controlelampje blijft branden of abnormaal snel gaat knipperen, kan een van de richtingaanwijzerlampjes defect zijn.
AANGEVEN VAN WISSELING VAN RIJSTROOK
Beweeg de combischakelaar gedeeltelijk naar beneden of naar boven en houd hem vast. De schakelaar keert na het loslaten vanzelf weer naar de middenstand.
Koplampverstelling

natural_image
Line drawing of a device interior with control panel and meter (no text or symbols)ARS04003
Met deze schakelaar kunt u de hoogte van de koplampen instellen, (bijvoorbeeld bij zware belading) zodat u medeweggebruikers niet tot last bent door hinderlijk hook licht.
Draait u de schakelaar linksom, dan zullen de lampen verder naar beneden gericht worden. Wanneer u de schakelaar rechtsom draait zullen de lampen verder omhoog gericht worden.
INSTELLING VAN KOPLAMPHOOGTE Maak gebruik van de volgende tabel om de koplamphoogte in te stellen.
| Stand | Lading op: | ||
| Voor-stoelen | Achter-bank | Bagage-ruimte | |
| 0 | 1 of 2personen | - | - |
| 1 | 2personen | 3personen | - |
| 2 | 2personen | 3personen | 150 Kg |
| 3 | 1 personen | - | 335 Kg |
MISTLAMPEN VOORZIJDE, MISTACHTERLICHT, NOOD WAARSCHUWINGSKNIPPERLICHT
Mistlampen voorzijde (indien van toepassing)

1RS104020
Om de mistlampen aan te zetten, zet de koplampen AAN en druk dan op de mistlampen schakelaar. Om ze uit te schakelen druk nogmaals op die schakelaar of schakel de koplampen UIT.
Mistachterlicht

natural_image
Line drawing of an airplane cabin interior showing flight controls and a passenger seat (no text or symbols)ARSB04002
Gebruik deze schakelaar om het mis- tachterlicht in te schakelen. In dichte mist bent u beter zichtbaar voor medewegge- bruikers bij ingeschakeld mistachterlicht. Om de mistverlichting in te schakelen, dient u eerst de gewone verlichting in te schakelen.
Nood waarschuwingsknipperlicht

1RS104023
De nood waarschuwing knipperlicht laat de achterlichten en de voorste richtingaanwijzer lichten knipperen, wat dient als een waarschuwing voor andere bestuurders voorzichtigheid te betrachten wanneer zij uw voertuig naderen of voorbijrijden. Om het knipperlicht in werking te stellen, druk op de nood waarschuwingsknipperlichtknop welke zich bevind op de centrale console schakelpaneel. Deze schakelaar werkt in iedere stand van de ontstekingsschakelaar. Om de knipperlichten uit te schakelen, druk nogmaals op die knop.
Ruitenwissers en ruitensproeirs

Ruitenwissers
Om de ruitenwissers in te kunnen schakelen, moet het contact in de stand ON staan.
Beweeg de schakelaar naar beneden om de ruitenwissers in te schakelen.


Ruitenwisser met variabele interval Zet de schakelaar in de stand INT en kies de gewenste intervaltijd door de ring te verdraaien.
INT: intervalstand
I: normale wissersnelheid
II: hoge wissersnelheid

AS2B04026

AS2B04027

AS2B04039
Enkele wisbeweging
Druk voor een enkele wisbeweging in de stand UIT de schakelaar naar voren en laat hem weer los.
OPMERKING
- Schakel de ruitenwissers niet in als de ruit droog is om beschadiging van de wissers of van de voorruit te voorkomen.
- Voorkom dat de ruitenwissers in aanraking komen met benzine, petroleum, thinner of andere oplosmiddelen om beschadiging van de wisserbladen te voorkomen.
- Probeer de ruitenwissers nooit met de hand te bewegen om beschadiging van de ruitenwisserarmen en overige onderdelen te voorkomen.
Ruitensproeiers
Uw auto is voorzien van één van de volgende ruitensproeiersystemen. Om de ruitensproeiers te kunnen inschakelen moet het contact in de stand ON staan.
Type A
Trek de ruitenwisserschakelaar naar u toe om de ruitensproeiers in te schakelen en houd hem vast. Zolang u de schakelaar vasthoudt, sproveit er vloeistof op de ruit. Als de ruitenwissers in de stand INT of OFF staan zullen ze kortstondig worden geactiveerd en na het loslaten van de schakelaar nog 1 tot 3 wisbewegingen maken.
Type B
Trek de ruitenwisserschakelaar naar u toe om de ruitensproeiers in te schakelen en houd hem vast. Zolang u de schakelaar vasthoudt, sproveit er vloeistof op de ruit. Beweeg de schakelaar naar beneden om de ruitenwissers enkele wisbewegingen te laten maken.
Controleer het ruitensproeiervloeistofniveau als de ruitensproeiers niet werken. Raadpleeg een officiële Kia-dealer als er voldoende ruitensproeiervloeistof in het reservoir aanwezig is en de ruitensproeiers niet werken.
WAARSCHUWING!
Gebruik de ruitensproeiers niet bij temperaturen onder het vriespunt, zonder eerst de voorruit met behulp van de voorruitontwaseming te hebben vewarmd; de vloeistof kan anders op de voorruit bevriezen en uw uitzicht belemmeren.
OPMERKING
Gebruik de ruitensproeiers niet als het reservoir leeg is om beschadiging van de ruitensproeierpomp te voorkomen.
Achterruitenwisser en -sproeier

natural_image
Line drawing of a vehicle's rear panel with switches and a mounted device (no text or symbols)1RS104022
De achterruitenwisser kan afzonderlijk en in combinatie met de sproeier worden ingeschakeld.
- Druk de bovenste knop in om de ruitenwisser en -sproeier in te schakelen.
- Druk de onderste knop in om de ruitenwisser constant te laten wissen
AANWIJZING:
Controleer het ruitensproeiervloeistofniveau als de ruitensproeier niet werkt. Raadpleeg een officiële Kia-dealer als er voldoende ruitensproeiervloeistof in het reservoir aanwezig is en de ruitensproeier niet werkt.
Achterruitverwarming

natural_image
Line drawing of a device interior with labeled ports and cables (no text or symbols)1RS104019
De achterruitverwarming ontdoet de achterruit aan de binnen- en buitenzijde van rijp, condens en ijs.
Start de motor alvorens de achterruitverwarming in te schakelen en verwijder een dikke sneeuwlaag eerst met een borstel van de ruit.
Druk de schakelaar in om de achter-ruitverwarming in werking is.
De achterruitverwarming schakelt na 15 minuten automatisch uit. Ook als het contactslot in de stand OFF gedraaid wordt zal de achterruitverwarming uitgeschakeld worden. Om de verwarming uit te schakelen drukt u de schakelaar andermaal in.
OPMERKING
Gebruik, om beschadiging van verwarmingsdraden te voorkomen, nooit scherpe voorwerpen of reinigingsmiddelen om de binnenkant van de achterruit te reinigen.
Aansteker

natural_image
Line drawing of a car interior with a hand pointing to a circular sensor or signal icon (no text or symbols)1RS104026
Voor het gebruik de aansteker indrukken en loslaten. Als het element voldoende verhit is, komt de aansteker automatisch naar buiten en is hij gereed voor gebruik. Als de motor niet draait, moet het contact in de stand ACC staan om de aansteker te kunnen gebruiken.
OPMERKING
- Houd de aansteker niet met de hand ingedrukt omdat daardoor oververhitting kan ontstaan.
- Als aansteker worden mag allen een originele Kia-aansteker worden gebruikt. Het gebruik van de aansteker als voedingsbron voor accessoires (scheerapparaten, koffiezetapparaten, enz.) sluiting veroorzaken.
- Als de aansteker niet binnen 30 seconden naar buiten springt, moet u hem met de hand verwijderen om oververhitting te voorkomen.
Asbak voor

natural_image
Diagram showing a car interior with a switch and a vehicle component, no text or symbols present1RS104027
Trek de asbak eerst open om hem te kunnen verwijderen, druk vervolgens de metalen lip naar beneden en verwijder de asbak. Doe de asbak na gebruik goed dicht.
WAARSCHUWING!
Gebruik de asbakken niet voor afval als ze tevens voor sigaretten worden gebruikt.
Dashboardkastje

natural_image
Line drawing of a car interior showing dashboard, seatbelt, and dashboard panel (no text or symbols)1RS104028
Trek voor het openen van het dashboard-kastje de greep naar u toe.
WAARSCHUWING!
Zorg ervoor dat het dashboardkastje tijdens het rijden gesloten is om de kans op letsel in geval van een aanrijding of bij plotseling afremmen te verminderen.
Zonnekleppen

natural_image
Line drawing of a hand holding a small object with dashed lines indicating hidden edges (no text or symbols)AS2B04033
Trek de zonneklep omlaag om deze te kunnen gebruiken.
Trek de zonneklep omlaag en draai hem naar de zijruit om bescherming te bieden tegen zon van opzij.
Bagage afdekking
(indien van toepassing)

natural_image
Simple line drawing of a vehicle's front view showing dashboard, rearview, and side profile (no text or symbols)AS2B04034
Gebruik deze bagage afdekking om de bagage te bedekken in de laadruimte. Om de bagage afdekking op te bergenk, hem vast maken aan het achtergedeelte van de bodem van de bagage ruimte.
Waarschuwing!
Omdat de bagage afdekking kan worden beschadigd of verbogen, leg geen bagage op de bagage afdekking als deze in de groef van het achtergedeelte van de bodem van de bagage ruimte is opgeborgen.
Achterzijde stroomcontactdoos
(in bagage ruimte - indien van toepassing)

natural_image
Line drawings of a car front view showing internal compartments and rear seats (no text or symbols)1R\$104033
Open het deksel van de stroomcontactdoos achter links in de bagage ruimte en steek er de stekker van een elektrisch apparaat die in de contactdoos past in. Het apparaat mag niet meer dan 12 Volt en 10 Ampère verbruiken na het inschakelen.

natural_image
Line drawing of a car interior showing dashboard, steering wheel, and engine compartment (no text or symbols)1RS104036
Waarschuwing!
- Alleen gebruiken als de motor loopt
- Gebruik alleen elektrische apparaten die minder dan 12 Volt 10 Ampère verbruiken.
- Regel de airconditioning of verwarming op een lage stand wanneer u de stroomcontactdoos wilt gebruiken te samen met de airconditioning of verwarming.
- Sluit het deksel wanneer hij niet gebruikt word.
Verwarmings- en ventilatiesysteem
Bedieningsorganen en functies
AANJAGERSCHAKELAAR
Met behulp van de aanjagerschakelaar A kunnen 4 verschillende aanjagersnelheden gekozen worden.
OFF: aanjager UIT
1 : lage snelheid
2 : middelhoge snelheid
3 : hoge snelheid
4 : maximum snelheid

flowchart
graph TD
A["Top Gauge"] --> B["Left Gauge"]
B --> C["Right Gauge"]
C --> D["Bottom Gauge"]
D --> E["Left Control"]
style A fill:#f9f,stroke:#333
style B fill:#ccf,stroke:#333
style C fill:#cfc,stroke:#333
style D fill:#fcc,stroke:#333
note1["○ I Ⅱ Ⅲ Ⅳ"] --> A
note2["○ A/C"] --> B
note3["○ D"] --> C
note4["○ E"] --> D
AS2B04035
UITSTROOMOPENIGEN
Met de middelste knop B kunt u de uitstroomopeningen kiezen waardoor de verwarmde of gekoelde lucht het interieur in stroomt.

Gericht op hoofd
De luchtstroom wordt gericht op de hoofden van de inzittenden voor. ledere uitstroomopening kan afzonderlijk geregeld en gericht worden. Uit de uitstroomopeningen kan verwarmde, gekoelde of frisse lucht stromen.

Bi-level
De luchtstroom wordt zowel op het gezicht als op de vloer gericht. De lucht die naar de voeten stroomt is warmer dan de lucht die naar het gezicht gevoerd wordt, behalve als de temperatuurregelknop op „Koud" staat.

Verwarmen
In deze stand wordt de meeste lucht naar de vloer gevoerd. Een beperkte hoeveelheid lucht wordt naar de voorruit en de zijruiten gevoerd. Schakel deze stand in als u het interieur van de auto snel wilt verwarmen en zet dan tevens de aanjagerschakelaar in de hoogste stand.

Verwarmen en ontwasemen
In deze stand wordt de meeste lucht naar de vloer en de voorruit gevoerd. Een beperkte hoeveelheid lucht wordt naar de zijruiten gevoerd.

Ontwasemen en ontdooien
In deze stand wordt de meeste lucht naar de voorruit gevoerd. Een beperkte hoeveelheid lucht wordt naar de zijruiten en de vloer gevoerd.
Temperatuurregelknop
De rechter draaiknop C is de knop voor de regeling van de temperatuur. De temperatuur kan worden geregeld door de knop rechtsom (warmer) of linksom (koeler) te draaien.
Luchttoevoer
Met de beide drukknoppen geheel rechts kan worden gekozen tussen de aanvoer van buitenlucht of recirculatie van de lucht in het interieur. Onder normale omstandigheden verdient de aanvoer van buitenlucht de voorkeur.
Buitenlucht
In deze stand wordt voor ventilatie en verwarming buitenlucht naar het interieur gevoerd.

Recirculatie
De aanvoer van buitenlucht wordt afgesloten. De lucht in het interieur wordt gerecirculeerd. Deze stand kan worden gebruikt bij het rijden op extreem stoffige wegen of bij stank.
WAARSCHUWING!
Langdurig recirculeren kan leiden tot een verhoogde luchtvochtigheid in het interieur, waardoor de ruiten kunnen beslaan en het uitzicht belemmerd wordt.

AS2BP4036
AIRCOSCHAKELAAR
Druk de schakelaar in om de airconditioning in te schakelen. Als de aanjagerschakelaar AAN gezet wordt, zal in de aircoschakelaar een controlelampje gaan branden. Door nogmaals op de aircoschakelaar te drukken wordt de airconditioning weer uitgeschakeld.
VENTILATIE
- Zet knop B van de luchtcirculatie in de stand ↗
- Zet de knop van de luchttoevoer in de stand buitenlucht.
- Zet de aanjager op de gewenste snelheid.
- Zet de temperatuurregelknop in de gewenste stand.
VERWARMING
- Zet knop B van de luchtcirculatie in de stand ↗.
- Zet de knop van de luchttoevoer in de stand buitenlucht.
- Zet de aanjager op de gewenste snelheid.
- Zet de temperatuurregelknop in de gewenste stand.
- Als u de uitstrimende lucht gedroogd wilt hebben, kunt u de airco aanzetten.
- Als u de gelijktijdig koele lucht ter hoogte van uw gezicht wilt hebben, kunt u knop B in de stand 📋 zetten.
- Voor het ontwasemen van de voorruit knop B de stand Ⓦ zetten.
WAARSCHUWING!
De stand 📊 tijdens koelen niet gebruiken bij extreem vochtig weer. Het temperatuurverschil tussen de buitelucht en de voorruit kan de voorruit doen beslaan, waardoor uw uitzicht belemmerd wordt.
ONTWASEMEN EN ONTDOOIEN VAN VOORRUIT
- Zet de knop voor luchtcirculatie in de stand 📄.
- Zet de knop voor de luchttoevoer in de stand buitenlucht.
- Zet de temparatuurregelknop in de geweste stand.
- Zet de knop voor de aanjagersnelheid in de geweste stand.
-
Als u de uitstromende lucht gedroogd wilt hebben, kunt u de airco aanzetten.
-
Zet voor het snel ontdoolen de temperatuurregelknop geheel naar rechts (heet) en de aanjager in je hoogste stand.
- Als u gelijktijdig warme lucht naar de voeten wilt hebben kunt u de knop voor de luchtcirculatie in de stand zetten.
- Maak alle ruiten en buitenspiegels ijsen sneeuwvrij alvorens met de auto te gaan rijden.
- Maak ook motorkap en de toevoeropening voor de lucht naar het interieur ijs-en sneeuwvrij om hett effect van het ventilatiesysteem te vergroten en de kans op beslaan van de ruit te reduceren.
AIRCO
- Start de motor en zet de airco aan.
- Zet knop B van de luchtcirculatie in stand
- Zet de knop voor de luchttoevoer in de stand binnen- of buitenlucht .
- Stel de temperatuurregelknop op de gewenste waarde in.
-
Zet de aanjager op de gewenste snelheid.
-
Voor warme lucht uit de onderste uitstroomopeningen kunt u knop B in de stand zetten en de temperatuurregelknop in de gewenste stand zetten.
- Voor een maximale koeling moet u de temperatuurregelknop geheel naar links draaien, de knop van de luchttoevoer in de stand zetten en de aanjager in de hoogste stand zetten.
Tips betreffende het gebruik van de airconditioning
- Als de auto tijdens warm weer in de volle zon geparkeerd werd, dient u eerst de ruiten te openen om de warme lucht uit de auto af de voeren alvorens de airconditioning in te schakelen.
- Om het beslaan van de ruiten tijdens regenachtig weer te verminderen, kunt u de vochtigheidsgraad in het interieur terugbrenden door de airconditioning in te schakelen.
- Wanneer u de airco inschakeld tijdens het rijden, kunt u een minimale snalheidsvermindering waarnemen. Dit is echter een normaal verschijset als de aircocompressor inschakeld.
- Gebruik de airco minimaal elke maand een paar minuten.
- Na het gebruik van de arco kunt u onder de auto (passagierszijde) waterdruppels of zelfs een plas water aantreffen. Ook dit is normaal.
- De airconditioning heeft een systeem waardoor bij oververhitting de A/C - compressor uitgeschakeld wordt.
- Meng, bij gebruik van de airco (frisse) biutelucht bij.
OPMERKING
Bij gebruik van de arconditioning tijdens het oprijden van lange hellingen of in druk verkeer, moet u de koelvloeistoftemperatuurmeter in de gaten houden. Gebruik van de airconditioning kan oververhitting van de motor veroorzaken. Als de motor oververhit dreigt te raken, moet u de airconditioning uitzetten. (Zie ook „Overhitting“ in hoofdstuk 5.)
AANWIJZINGEN VOOR HET RIJDEN
Vereiste brandstof 5-2
Voorzorgsmaatregelen emissieregelsysteem 5-2
Vóór het rijden 5-3
Suggesties voor brandstofbesparing 5-3
Rijden onder moeilijke omstandigheden 5-5
Op eigen kracht lostrekken van de auto 5-5
Sneeuwkettingen 5-5
Doorwaden van water 5-6
Trekken van een aanhangwagen 5-6
Overlading 5-12
Labels en codenummers 5-12
VEREISTE BRANDSTOF, VOORZORGSMAATREGELEN EMISSIEREGELSYSTEEM
Vereiste brandstof
De motor van uw auto is ontworpen voor het gebruik van LOODVRIJE BENZINE. Het octaangetal moet minimaal 91 bedragen.
OPMERKING
Gebruik noot loodhoudende benzine, dit kan de katalysator en de lambdasensor beschadigen, waardoor de emissieregeling en het uittlaatsysteem nadelig beïnvloed wordt.
Uitlaatsysteem
Voor het uitlaatsysteem geldt een beperkte garantieperiode. Zie garantiebepalingen van uw auto
Voorzorgsmaatregelen emissieregel- systeem
Voorzogsmaatregelen koolmonoxide Uitlaatgassen bevatten onder anderhet reukloze en kleurloze gas koolmonoxide dat bij inademing dodelijk kan zijn.
- Als u uitlaatgassen in de auto ruikt, kan er ook koolmonoxide in het interieur aanwezig zijn. Laat het uitlaatsysteem van uw auto direct door de officiële Kia-dealer controleren indien u in het interieur uitlaatgas ruikt. Rijd niet met de auto als u uitlaatgassen ruikt, maar als het niet anders kan, diet u alle ruiten volledig te openen.
- Laat de motor in een afgesloten ruimte (bijvoorbeeld een garage) niet langer draalen dan nodig is om de auto naar binnen of naar buiten te rijden.
- Stel de verwarming of ventilatie zo af dat er verse buitenlucht naar het interieur gevoerd wordt, als de auto in een open ruimte stilstaat terwijl de motor wat langer moet blijven draaien.
- Blijf nooit met draaiende motor gedurende langere tijd een stilstaande auto zitten.
Voorzorgsmaatregelen katalysator
Uw auto is uitgevoerd met een katalysator. Houd u daarom aan de volgende zaken:
Gebruik alleen loodvrije benzine.
Gebruik uw auto niet als zich storingen in de motor of het motormanagement voordoen.
Rijd nooit het contact uit en in de versnelling van een berg af.
Voorkom langdurig hoge toerentallen (meerdan 5 minuten).
Vóór het rijden
VOOR HET INSTAPPEN
- Controleer of alle ruiten, buitenspiegels en lampen schoon zijn.
- Controleer de toestand van de banden.
- Controleer of alle verlichting werkt.
- Controleer, indien u van plan bent achteruit weg te rijden, of er zich geen obstakels achter de auto bevinden.
- Controleer of er geen sporen van lekkage onder de auto te zien zijn.
De volgende vloeistofniveaus dienen dagelijks, wekelijks of bij het tanken gecontroleerd te worden. Motorolie, koelvloeistof, remvloeistof, koppelings-vloeistof en ruitensproeiervloeistof. Nadere informatie vindt u in hoofdstuk 7.
VOOR HET STARTEN
- Stel de binnen-en buitenspiegels af.
- Verstel de stoel zodanig dat u alle bedi- eningsorganen gemakkelijk kunt bereiken.
- Controleer of alle inzittenden hun veiligheidsgordel hebben vastgemaakt.
- Controleer of alle waarschuwingslampjes werken als het contact in de stand ON staat.
- Controleer alle instrumenten.
- Ontgrendel de parkeerrem en controleer of het waarschuwingslampje voor het remsysteem uitgaat.
- Voor een veilig gebruik is het noodzakelijk dat u volledig vertrouwd bent met uw auto en de bedieningsorganen.
Suggesties voor brandstofbesparing
Het brandstofverbruik van uw auto is voornamelijk afhankelijk van uw rijstijl: hoe, waar en wanner u rijdt. Uw rijstijl is van invloed op de totale hoeveelheid kilometers die u op een liter brandstof kunt afleggen. Door de onderstaande suggesties op te volgen, verbruikt uw auto zo min mogelijk brandstof als op reparaties en onderhoud:
- Laat de motor niet stationair draaiend op bedrijfstemperatuur komen. Rijd rustig weg zodra de motor soepel draait. Denk eraan dat het bij lagere buitentemperaturen langer duurt voor-dat de motor op bedrijfstemperatuur is.
- Bespaar brandstof door snet accelereren te vermijden.
- Zorg ervoor dat de motor goed afgesteld is en houd u aan de voorgeschreven periodieke onderhoudsbeurten. Dat komt de levensduur van alle onderdelen ten goede en reduceert de onderhoudskosten.
- Gebruik de airconditioning uitsluitend als dat echt noodzakelijk is.
• Rijd langzaam op slechte wegen. -
Zorg ervoor dat de banden altijd op de juiste spanning zijn. Dat verlaagt het brandstofverbruik en komt de levensduur van de banden ten goede.
-
Bewaar voldoende afstand tot overige weggebruikers om noodstops te voorkomen. Dat vermindert de slijtage van remvoeringen en remblokken en reduceert het brandstofverbruik, omdat het versnellen tot de normale rijsnelheid na sterk afgeremd te hebben extra brandstof kost.
- Laat geen overbodige zaken in de auto liggen.
- Laat uw voet tijdens het rijden niet op het rempedaal rusten. Dat veroorzaakt onnodige slijtage en mogelijk schade aan het remsysteem alsmede een hoger brandstofverbruik.
- Een onjuiste uitlijning van de wielen veroorzaakt een hogere rolweerstand en een verhoogde bandenslijtage. De hogere rolweerstand resulteert in een hoger brandstofverbruik.
Het in goede staat houden van uw auto is van groot belang voor zowel de veiligheid als het brandstofverbruik. Laat daarom het voorgeschreven periodieke onderhoud uitvoeren door een officiële Kia-dealer.
- Bij hoge snelheid met geopende ruiten rijden veroorzaakt een hoger brandstofverbruik.
- Harde tegenwind veroorzaakt ook een hoger brandstofverbruik, ga daarom onder deze omstandigheden langzamer rijden (denk om minimale snelheid).
OPMERKING
Zet bij het afrijden van een helling nooit de motor uit. Als de motor niet draait, werken de stuurbekrachtiging en de rembekrachtiging niet. Schakel in plaats daarvan terug naar een lagere versnelling om op de motor te kunnen afremmen.
Rijden in de winter
- Afhankelijk van de omstandiheden kan het zinvol zijn een noodpakket mee te nemen. Dit pakket kan bestaan uit sneeuwkettingen, een ijskrabber, een zak zand of zout, een pechlamp, een kleine schep en startkabels.
- Controleer of het koelsysteem voldoende antivries bevat.
- Controleer de toestand van de accu en de accukabels.
- Lage buitentemperaturen reduceren de capaciteit van de accu. Om in de winter voldoende startcapaciteit te hebben, moet de accu in topconditie verkeren.
- Controleer of de motorolie geschikt is voor de winterse omstandigheden.
- Controleer het elektrisch systeem op loszittende aansluitingen en beschadigingen.
- Vul het ruitensproeierreservoir met ruitensproeier-antivries (geen koelvloeistof).
- Gebruik bij vorst de parkeerrem niet. Maar schakel de 1e versnelling of de achteruitversnelling in en blokkeer de voorwielen.
RUDEN ONDER MOEILUKE OMSTANDIGHEDEN, OP EIGEN KRACHT LOSTREKKEN VAN DE AUTO, SNEEUWKETTINGEN
Rijden onder moeilijke omstandigheden
- Neem de volgende raadgevingen in acht als ten gevolge van zware regenval, sneeuw, ijzel, modder of zand het rijden bemoeilijkt wordt.
- Rijd voorzichtig en bewaar extra afs- tand tot het overige verkeer.
• Vermijd abrupt remmen en sturen. - Rem „pompend“.
- Schakel de tweede versnelling in en geef voorzichtig gas als de auto vastzit in sneeuw, modder of zand. Gebruik indien nodig de 1e versnelling. Geef voorzichtig gas om te voorkomen dat de wielen doorslippen.
- Gebruik zand, pekel, sneeuwkettingen of ander antislipmateriaal voor de aangedreven wielen als de auto vast is komen te zitten in ijs, sneeuw of modder.
WAARSCHUWING!
Schakel op een glad wegdek niet terug naar de 1e versnelling. Dat kan slippen verroorzaken.
Op eigen kracht lostrekken van de auto
Indien de auto vastzit in ijs, modder of sneeuw, kunt u proberen de auto los te trekken door afwisselend de 1e versnelling en de achteruitversnelling (bij een handgeschakelde transmissie) of de stand R en de stand D (automatische transmissie) in te schakelen en iets gas te geven. Als de auto na enkele minuten nog vastzit, dient u de auto door een andere auto los te laten trekken om oververhitting van de motor en beschadiging van de transmissie te voorkomen.
OPMERKING
Het langdurig van de 1e versnelling naar de achteruitversnelling en omgekeerd schakelen kan oververhitting van de motor en beschadiging van de transmissie en van de banden veroorzaken.
WAARSCHUWING!
Laat de motor niet met een te hoog toerental draaien en laat de wielen niet te snel ronddraaien om beschadiging van de banden te voorkomen.
Sneeuwkettingen
Kiezen van sneeuwkettingen
De bepalingen omtrent het gebruik van sneeuwkettingen variëren naar gelang het gebied of het type weg. Informeer daarom voor het aanbrengen eerst of het gebruik van sneeuwkettingen toegestaan is.
Aanbrengen van sneeuwkettingen
Volg bij het aanbrengen van sneeuwkettingen nauwgezet de instructies van de fabrikant van de kettingen. De sneeuwkettingen zullen de wieldoppen beschadigen, verwijder deze daarom voordat u de sneeuwkettingen aanbrengt.
Breng de sneeuwkettingen zo strak mogelijk aan om de aangedreven wielen. Het gebruik van sneeuwkettingen om de achterwielen wordt niet aanbevolen. Trek de kettingen opnieuw aan nadat u 500 tot 1.000 meter gereden heeft.
SNEEUWKETTINGEN, DOORWADEN VAN WATER, TREKKEN VAN EEN AANHANGWAGEN
OPMERKING
- Het gebruik van sneeuwkettingen kan de bestuurbaarheid van de auto nadelig beïnvloeden.
- Rijd nooit sneller dan 50 km/h of sneller dan de door de fabrikant aanbevolen snelheid. Houd van deze twee sneheden altijd de laagste aan.
- Rijd voorzichtig en vermijd oneffenheden, gaten en het maken van scherpe bochten waardoor de auto plotseling zou kunnen uitveren.
- Vermijd het maken van scherpe bochten en het blokkeren van de wielen door sterk afremmen.
- Probeer nooit een sneeuwketting aan te brengen om het nood-reservewiel, aangezien dat beschadiging van auto en band tot gevolg kan hebben.
Doorwaden van water
Vermijd het doorwaden van water tenzij u er zeker van bent dat het water niet hoger komt dan de onderzijde van de velg. Rijd steeds langzaam bij het doorwaden van water. Bewaar voldoende afstand tot een eventuele voorligger omdat natte remmen minder effectief werken. Droog de remmen door na het doorwaden bij lage snelheid het rempedaal een aantal malen voorzichtig in te trappen.
Trekken van een aanhangwagen
WAARSCHUWING!
- Trekken van een aanhangwagen Als u niet de juiste uitrusting gebruikt of niet volgens de regels rijdt, kunt u bij het trekken van een aanhangwagen de controle over het stuur verliezen. Door overlading van de aanhangwagen kunt uw remvermogen bijvoorbeeld sterk afnemen en kunnen u of uw passagiers ernstig of zelfs dodelijk verwond worden. Volg alle stappen in deze paragraaf zorgvuldig als u een aanhangwagen gaat trekken.
Maximumlading aanhangwagen
- Aanhangwagen zonder remsysteem: 530 kg
Kogeldruk: 53 kg
- Aanhangwagen met remsysteem: 1250 kg
Kogeldruk: 125 kg
OPMERKING
Door op een foute manier een aanhangwagen te trekken kunt u uw auto beschadigen, met dure reparaties die niet onder de garantie vallen tot gevolg. Volg de instructies in dit hoofdstuk voor het trekken van een aanhangwagen.
Meer informatie over de trekcapaciteit van uw auto vindt u verder in dit hoofdstuk onder "Gewicht van de aanhangwagen".
Hou er rekening mee dat het trekken van een aanhangwagen verschilt van gewoon rijden. Als u een aanhangwagen trekt, moet u uw rijstijl aanpassen. Uw auto wordt zwaarder belast en zal meer brandstof verbruiken. Om op een veilige manier een aanhangwagen te trekken moet u over de juiste uitrusting beschikken en deze ook correct gebruiken.
In dit hoofdstuk vindt u belangrijke tips en veiligheidsaanwijzingen voor het gebruik van een aanhangwagen. Veel van deze tips zijn belangrijk voor uw veiligheid en die van uw passagiers. Lees dit hoofdstuk daarom grondig voor u aan aanhanger trekt.
De componenten van u auto zoals de motor, overbrenging, wielconstructies en banden worden zwaarder belast door het bijkomende gewicht van de aanhangwagen. De motor moet op een hoger toerental en met een zwaardere belasting draaien. Door deze extra belasting komt er meer warmte vrij. Met een aanhangwagen vangt u ook meer wind, zodat de belasting van uw auto nog toeneemt.
Wanneer u een aanhangwagen gaat trekken
Hieronder vindt u enkele belangrijke pun- ten waarop u bij het trekken van een aanhangwagen dient te letten:
• Overweeg het gebruik van een antis-lingersysteem. De leverancier van uw trekhaak kunt u hierover informeren.
- Zodra uw kilometerteller een afstand van 800 km of meer aanwijst, mag u een aanhangwagen trekken. Rij de eerste 800 km niet meer dan 80 km/u met aangekoppelde aanhangwagen en start niet volgas. Zo kunnen de motor en andere onderdelen van uw auto zich op de zwaardere belasting instellen.
- Hou rekening met drie belangrijke aanbevelingen wat het gewicht betreft:
Gewicht van de aanhangwagen
Hoe zwaar mag een aanhangwagen zijn om veilig te kunnen rijden? Hij mag nooit meer dan 1250 kg wegen. Maar ook dat kan nog teveel zijn. Het toelaatbare gewicht hangt van het gebruiksdoel af. De snelheid, hoogte, helling en buitentemperatuur spelen een belangrijke rol. Het ideale gewicht van de aanhangwagen is ook afhankelijk van de speciale uitrusting van uw auto.
Kogeldruk
De kogeldruk van een aanhangwagen speelt een belangrijke rol omdat hij het totale brutogewicht van de auto (GVW) beïnvloedt. Dit gewicht omvat het leeggewicht van uw auto, de lading die u erin vervoert en de personen die erin rijden. Als u een aanhangwagen trekt, moet u ook de kogeldruk bij het brutogewicht optellen omdat uw auto deze last eveneens draagt. De kogeldruk mag maximaal 10% van het totale gewicht van de aanhangwagen bedragen. Controleer nadat de aanhangwagen geladen is het totale gewicht en de kogeldruk afzonderlijk om te weten of het gewicht goed verdeeld is. Is dit niet het geval, verdeel het gewicht dan door bepaalde voorwerpen in de aanhangwagen van plaats te veranderen.
OPMERKING
- Laad een aanhangwagen achterin nooit zwaarder dan voorin. 60% van het totale gewicht van de aanhangwagen moet zich voorin bevinden en ongeveer 40% achteraan.
- Overschrijd nooit de maximale toegelaten belasting van uw aanhangwagen of trekhaak. Door een slechte of te zware lading kunt uw auto schade oplopen en kunt u verwondingen oplopen. Controleer het gewicht en de gewichtsverdeling op een gewone weegschaal of laat ze controleren bij een instantie die hiertoe over de nodige uitrusting beschikt.

AS2B05005
Totale belasting van uw autobanden Zorg ervoor dat de banden van uw auto tot de maximumspanning voor koude banden worden opgepompt. Deze waarde staat op de bandenspan- ningsaanduiding op de portierstijl aan bestuurderszijde. Zorg ervoor dat u het toegelaten brutogewicht (GVW) van uw auto niet overschrijdt.
Trekhaak
Het is belangrijk een geschikte trekhaak te installeren. Bij sterke zijwind, voorbijrijdende vrachtauto's en op oneffen wegen is een degelijke trekhaak onmisbaar. Hou rekening met de volgende regels:
- Moeten er gaten in de carrosserie van uw auto gemaakt worden voor de installatie van de trekhaak, zorg er dan voor dat u deze gaten goed afdicht als u het systeem weer verwijdert. Anders kan er dodelijk koolstofmonoxide (CO) uit uw uitlaatsysteem in de auto terechtkomen of kunnen er vuil en water binnen komen.
- De bumpers van uw auto zijn niet op de installatie van een trekhaak berekend. Installeer nooit gehuurde of andere treksystemen op de bumpers. Gebruik alleen een trekhaak die aan het chassis bevestigd wordt.
Veiligheidskettingen
Bevestig altijd veiligheidskettingen tussen uw aanhangwagen en uw auto. Steek de veiligheidskettingen onder de trekstang van uw aanhangwagen door zodat de trekstang niet op de grond kan vallen als hij van de trekhaak loskomt. De fabrikant van uw trekhaak of uw aanhangwagen kan bijkomende instructies
voor het gebruik van de veiligheidskettingen geven. Maak de veiligheidskettingen vast volgens de instructies van de fabrikant. Geef de ketting net genoeg speling zodat u met uw aanhangwagen kan draaien. Laat de veiligheidskettingen nooit over de grond slepen.
Remmen van de aanhangwagen
Weegt uw aanhangwagen meer dan 530 kg in geladen toestand, dan moet hij over een eigen remsysteem beschikken. Volg alle instructies voor het remsysteem van uw aanhangwagen zodat u het correct kan installeren, afstellingen en onderhouden.
- Tak het remsysteem van uw auto niet af.
- Gebruik geen aanhangwagen met eigen remmen tenzij u er absoluut zeker van bent dat het remsysteem correct geïnstalleerd is. Dit is geen werk voor amateurs. Laat dit werk door een ervaren en bekwaam installateur uitvoeren.
Rijden met een aanhangwagen
Rijden met een aanhangwagen vergt een zekere ervaring. Voor u de weg op gaat, moet u uw aanhangwagen eerst wat leren kennen. Gun uzelf wat tijd om te wennen aan de besturing en het remmen met het extra gewicht van de aanhangwagen. Vergeet ook niet dat de combinatie die u nu bestuurt heel wat langer is dan uw auto alleen en niet zo snel reageert.
Controleer voor u vertrekt de trekhaak en trekstang, veiligheidskettingen, elektrische aansluitingen, lichten, banden en spiegelinstelling. Is de aanhangwagen met eigen remmen uitgerust, start de auto dan en controleer met de hand of de remmen goed werken. Zo kunt u meteen ook uw elektrische aansluiting testen. Controleer tijdens de rit af en toe of de lading nog goed vastzit en of de lichten en remmen van uw aanhangwagen nog goed werken.
Remafstand
Hou minstens tweemaal zoveel afstand van uw voorliggers als wanneer u zonder aanhangwagen rijdt. Zo vermijdt u situaties waarin u bruusk moet remmen of uitwijken.
Inhalen
Wanneer u een aanhangwagen trekt hebt u meer tijd nodig om iemand in te halen. Omdat uw voertuig veel langer is moet u het ingehaalde voertuig ook veel verder voorbij rijden voordat u zich weer kan invoegen.
Achteruit rijden
Neem het stuur onderaan vast met een hand. Om de aanhangwagen naar links te bewegen draait u uw hand naar links. Om uw aanhangwagen naar rechts te bewegen, draait u uw hand naar rechts. Rij altijd heel langzaam achteruit en vraag iemand u aanwijzingen te geven.
Draaien
Om met een aanhangwagen te draaien moet u een ruimere bocht nemen dan normaal om te voorkomen dat uw aanhangwagen
langs de berm, stoeprand, verkeersborden, bomen of andere hindernissen zou schuren. Vermijd bruuske manoeuvres. Zet uw richtingaanwijzers tijdig aan.
Richtingaanwijzers bij het trekken van een aanhangwagen
Wanneer u een aanhangwagen trekt moet uw auto met andere richtingaanwijzers en extra bedrading uitgerust zijn. De groene pijlen op uw dashboard zullen telkens als u de richtingaanwijzers gebruikt gaan knipperen. Als ze goed aangesloten zijn, moeten ook de richtingaanwijzers van uw aanhangwagen meeknipperen om de achterliggers erop te wijzen dat u van rijstrook wil veranderen, wil afslaan of stoppen.
Wanneer u een aanhangwagen trekt gaan de groene pijlen op het dashboard knipperen wanneer u van richting verandert, zelfs als de lampjes in de richtingaanwijzers van uw aanhangwagen niet werken. Daardoor kunt u denken dat de chauffeurs achter u uw signaal gezien hebben terwijl dat niet zo is. Controleer daarom regelmatig of de richtingaanwijzers van uw aanhangwagen goed werken. Controleer de lichten ook telkens als u de kabels losmaakt en weer aansluit. Maak geen directe verbinding tussen de lichten van uw auto en die van uw aanhangwagen. Gebruik steeds een goedgekeurde draadboom voor uw aanhangwagen. Voor de installatie van deze draadboom kunt u een beroep doen op uw Kia-dealer.
Rijden op hellingen
Verminder uw snelheid en schakel naar een lagere versnelling voor u aan een steile of lange afdaling begint. Schakelt u niet terug, dan zou u zo hard moeten remmen dat uw remmen zouden oververhitten en hun remkracht zouden verliezen.
Vertraag om een lange helling op te rijden eveneens tot ongeveer 70 km/u om oververhitting van uw motor en overbrenging te voorkomen.
Weegt uw aanhanger meer dan 530 kg en hebt u een automatische versnellingsbak, rij dan in D (rijden) als u een aanhangwagen trekt.
Door in de stand D (rijden) te rijden wanneer u een aanhangwagen trekt, beperkt u de warmteaccumulatie en verlengt u de levensduur van uw overbrenging. Hebt u een handgeschakelde versnellingsbak, rij dan in vierde versnelling (of afhankelijk van de situatie in een lagere versnelling).
OPMERKING
Als u geen goedgekeurde draadboom voor uw aanhangwagen gebruikt kan het elektrische systeem van uw auto beschadigd worden en kunt u verwondingen oplopen.
Parkeren op een heuvel
Parkeer uw auto met aangekoppelde aanhangwagen liever niet op een heuvel. Als uw auto naar beneden zou rollen, zouden uw auto en de aanhangwagen zwaar beschadigd kunnen worden en ernstige verwondingen aan voorbijgangers kunnen toebrengen.
WAARSCHUWING!
- Parkeren op een heuvel
Als u uw auto met aangekoppelde aanhangwagen op een heuvel parkeert en hij onder omstandigheden naar beneden zou rollen, kunnen getroffen mensen zwaar en zelfs dodelijk verwond worden.
Bent u echter verplicht op een heuvel te parkeren, ga dan als volgt te werk:
- Druk uw rempedaal in maar schakel niet in versnelling.
- Laat iemand blokjes onder de wielen van uw aanhangwagen schuiven.
- Laat het rempedaal los zodra de blokjes op hun plaats liggen en laat de aanhangwagen goed tegen de blokjes rollen.
- Rem nu opnieuw. Trek de handrem aan en schakel naar R (achteruit) bij handgeschakelde versnellingsbak of naar P (parkeren) voor een automatische versnellingsbak.
- Controleer of de versnellingspook in een versnelling staat - niet op N (neutraal).
- Laat het rempedaal los.
WAARSCHUWING! - Handrem
Stap niet uit uw auto voor u de handrem helemaal aangetrokken hebt. Als u de motor laat draaien kunt uw auto plotseling in beweging komen en u of anderen zwaar of zelfs dodelijk verwonden.
Wanneer u wil vertrekken terwijl u op een heuvel geparkeerd staat.
- Met de handgeschakelde versnellingsbak in neutrale stand of de automatische versnellingsbak in stand P (parkeren), drukt u het rempedaal in en u:
- start de motor,
- schakelt in versnelling en
- zet de handrem eraf.
- Laat het rempedaal langzaam los.
- Rij langzaam vooruit tot de aanhangwagen niet meer tegen de blokjes staat.
- Stop en laat de blokjes door iemand oprapen en opbergen.
Onderhoud bij het trekken van een aanhangwagen
Uw auto moet vaker onderhouden worden als u regelmatig een aanhangwagen trekt. Tot de bijzondere aandachtspunten behoren motorolie, automatische-transmissievloeistof, assmering en koelsysteem. Ook de toestand van de remmen is een belangrijke factor die u regelmatig moet laten nakijken. Al deze punten worden in deze handleiding toegelicht. Via de index kunt u ze gemakkelijk terugvinden. Het verdient aanbeveling, deze paragrafen door te nemen voor u een aanhangwagen gaat trekken.
Vergeet niet dat uw aanhangwagen en trekhaak ook onderhouden moeten worden. Volg de aanwijzingen in het onderhoudsschema van uw aanhangwagen en controleer hem op geregelde tijdstippen. Voer de controles bij voorkeur uit aan het begin van elke dag waarop u met de aanhangwagen gaat rijden. Controleer vooral goed of alle bevestigingsbouten en moeren van de trekhaak stevig aangedraaid zijn.
Overlading
OPMERKING
De toegelaten bruto-asbelasting (GAWR) en het toegelaten brutogewicht van uw auto (GVWR) staan op het specificatieplaatje aan het bestuurdersportier aangeduid. De overschrijding van deze waarden kan tot een ongeluk of beschadiging van uw auto leiden. U kan het gewicht van uw lading berekenen door alle voorwerpen (of mensen) afzonderlijk te wegen voor u ze in de auto plaatst. Zorg ervoor dat u uw auto niet overlaadt.
Labels en codenummers

AS2B05004
Er bevinden zich verschillende belangrijke codenummers in uw auto, de plaatsen van deze nummers zijn aangegeven in de volgende afbeeldingen.

AS2B05005
WAT TE DOEN IN NOODGEVALLEN
Alarmknipperlichten 6-2
Oververhitting 6-2
Starten meteen hulpaccu 6-3
Zekeringen 6-4
Beschrijving zekering paneel 6-7
Siepen 6-11
Wiel verwisselen bij een lekke band 6-12
Alarmknipperlichten

1RS104023
De alarmknipperlichtinstallatie dient ervoor om de overige weggebruikers te waarschuwem om extra voorzichtigheid in acht te nemen bij het naderen, inhalen of passeren van uw auto. De alarmknipperlichten dienen te worden gebruikt in noodsituaties of als de auto aan de kant van de weg tot stilstand is gekomen.
Door het indrukken van de schakelaar zullen alle richtingaanwijzers gelijktijdig gaan knipperen, ongeacht de stand van de contactsleutel.
AANWIJZING:
- Als de alarmknipperlichten ingeschakeld zijn, zullen de richtingaanwijzers niet werken.
- Bij het gebruik van de alarmknipperlichten in het geval dat de auto gesleept wordt, moet rekening gehouden worden met de wettelijke voorschriften.
Oververhitting
Als de koelvloeistoftemperatuurmeter aangeeft dat de motor oververhit dreigt te raken, als u merkt dat de motor vermogen verliest of als u luide kloppende of pingelende geluiden onder de motorkap hoort, is de motor waarschijnlijk oververhit. Volg in dat geval orderstaande procedure:
- Rijd voorzichtig naar een veilige plaats en breng de auto tot stilstand; zet de versnellingspook in neutraal (bij een handgeschakelde transmissie) of in stand P (bij een automatische transmissie) en trek de parkeerrem aan.
- Controleer of de airconditioning uit staat.
- Zet de motor uit als er stoom of koelvloeistof uit de radiateur komt. Zet het contact vervolgens in de stand ON maar start de motor niet. Als het contact in de stand ON staat, zal de elektrische koelventilator automatisch aanslaan. Raadpleeg een oficiële Kiadealer als de koelventilator niet werkt. Als er geen koelvloeistof uit de radiateur komt, laat dan de motor stationair draaien bij een open motorkap om de motor af te laten koelen. Zet de motor
uit als de temperatuur bij stationair draaien niet zakt en wacht voldoende lang om de motor de gelegenheid te geven af te koelen.
- Controleer vervolgens het koelvloeistofniveau. Als het koelvloeistofniveau te laag is, controleer dan de radiateurslangen en aansluitingen, de slangen van de verwarming, de waterpomp, enz. Op lekkage. Neem, indien u de oorzaak van de oververhitting vindt, contact op met een officiële Kia-dealer en laat de motor niet draaien zolang het probleem niet verholpen is. Vul het koelsysteem voorzichtig bij indien u geen lekkage vindt.
WAARSCHUWING!
Verwijder bij een warme motor en radiateur de radiateurdop niet. Naar buiten spuitende hete koelvloeistof en stoom kunnen ernstige brandwonden veroorzaken
OPMERKING
Laat het koelsysteem controleren en zonodig repareren indien de motor regelmatig oververhit raakt.
Starten met een hulpaccu

1RS106025A
Starten met een hulpaccu kan gevaarlijk zijn als dit niet op de juiste manier gebeurt. Volg onderstaande procedure om letsel en beschadiging van de auto of van de accu te voorkomen. Raadpleeg bij twijfel een expert.
OPMERKING
Gebruik alleen een 12 V accu om uw auto te starten. Indien u de auto probeert te starten met een 24 V spanningsbron (2 12 V accu's in serie of een 24 V snel-start-apparaat), kunnen de startmotor, het ontstekingssysteem en de overige onderdelen van de elektrische installatie van uw auto beschadigd raken.
WAARSCHUWING!
- Houd vonken en open vuur uit de buurt van de accu. Tijdens het laden van de accu ontstaat een explosief gas.
• Probeer uw auto niet met een hulpaccu te starten als de lege accu bevoren is; de lege accu kan scheuren of exploderen.
STARTPROCEDURE
- Controleer of de hulpaccu die u wilt gebruiken een 12 V accu is.
- Als de hulpaccu zich in een andere auto bevindt, mogen beide auto's elkaar niet raken.
- Schakel alle elektrische verbruikers uit
- Sluit de startkabels aan in de volgorde die in de afbeelding is aangegeven. Sluit eerst een klem van de startkabel aan op de pluspool van de lege accu en de andere klem van dezelfde kabel op de pluspool van de hulpaccu. Sluit vervolgens de ene klem van de andere startkabel aan op de minpool van de hulpaccu en de andere klem op een metalen deelvan de te starten motor (niet op de minpool van de lege accu). Let er bij het aansluiten van de klemmen op dat de klemmen elkaar of andere metalen onderdelen van de auto niet raken en leun bij het aansluiten niet over de accu.
- Start de auto met de hulpaccu en laat deze auto enkele minuten stationair draaien. Start vervolgens de auto met de lege accu.
- Neem vervolgens de startkabels los in de volgorde die omgekeerd is aan de volgorde die in stap 4 beschreven is.
Aanduwen of aanslepen
Probeer een auto niet aan te duwen of slepen omdat hierdoor het emissieregesysteem beschadigd kan raken. Volg de aanwijzingen in de voorafgaande paragraaf om een auto met een lege accu te starten.
Zekeringen

AS2B06003
ZEKERINGEN
De elektrische installatie in uw auto is beveiligd tegen overbelasting door middel van zekeringen en een stroomonderbreker. In de auto bevinden zich 2 zekeringenkasten – de ene in het zijpaneel in de voetenruimte bij de bestuurder, de andere onder de motorkap in de buurt van de accu.
Controleer de zekeringen als een gedeelte van de verlichting niet werkt of als bepaalde elektrische accessoires niet werken. Bij een defecte zekering is het draadje in de zekering doorgebrand.
Vervang een zekering altijd door een zekering van dezelfde stroomsterkte. Schakel het desbetreffende elektrische systeem uit en raadpleeg direct een officiële Kia-dealer indien de vervangen zekering weer doorbrandt.
OPMERKING
Er worden 2 soorten zekeringen bruikt: standaardzekeringen voor de circuits met een lage stroomsterkte en hoofdzekeringen voor circuits met een hoge stroomsterkte.
ZEKERINGEN VERVANGEN
OPMERKING
- Vervang een defecte zekering nooit door een zekering voor een grotere stroomsterkte. Als u een zekering gebruikt voor een grotere stroomsterkte, kan het elektrische circuit overbelast worden, waardoor brand kan onstaan.
- Vervang een zekering noout door iets anders-ook niet als noodreparatie. Hierdoor kan het elektrische circuit overbelast worden waardoor brand kan ontstaan.
- Verwijder een zekering niet met een schroevendraaier of een ander metalen voorwerp omdat hierdoor kortsluiting kan ontstaan, waardor schade aan het elektrisch systeem kan worden veroorzaakt.

natural_image
Line drawing of a hand inserting a connector into an electrical terminal block (no text or symbols)AS2B06004
Controleer eerst de zekeringen in de zekeringenkast aan de bestuurderszijde als een gedeelte van de elektrische installatie niet werkt.
- Zet het contact en overige schakelaars uit.
- Verwijder de desbetreffende zekering met de speciale zekeringtrekker die zich op het deksel van het zekeringekastje bevindt.
- Controleer de verwijdere zekering; vervang hem als hij is doorgebrand.
ZEKERINGEN
- Plaats een nieuwe zekering met dezelfde stroomsterke en controleer of de zekering goed vastzit. Laat een oficiële Kia- dealer het zekeringenkastje repareren als de zekering niet goed vast blijft zitten. Als u geen reservezekering heeft, kunt u tijdelijk de zekering gebruiken van een circuit dat u niet noodig heeft, als de zekering tenminste dezelfde capaciteit heeft.

1RS107003C
HOOFDZEKERINGEN
Als de komplampen of andere elektrische verbruikers niet werken en de zekeringen in orde zijn, moeten de hoofdzekeringen worden gecontroleerd. Een doorgebrande hoofdzekering moet worden vervangen.
- Zet het contact en alle andere schakelaars uit.
- Open de kap van de zekeringenkast door de lip aan de zijkant omhoog te wijpen en de kap op te klappen.
- Controleer de zekeringen; vervang een doorgebrande zekering.
Beschrijving zekering paneel
| (ABS)10A | POWERSOCKET15A | EGI10A | MIRRORHEATER10A |
| (A/BAG)10A | ECU10A | FRONTWIPER15A | |
| METER10A | STOPLAMP15A | CIGARLIGHTER15A | |
| TURNLAMP10A | SEAT(WARM)20A | AUDIO10A |
| BESCHRIJVING | ZEKERINGWAARDE | GEZEKERDE ONDERDELEN |
| Dashboard bestuurders kant | ||
| TURNLAMP | 10A | Richtingaanwijzer lamp |
| METER | 10A | Meetinstrumenten, Snelheid sensor,ETWIS, Inhibit S/W, Achteruitrijlamp |
| (A/BAG) | 10A | Air-bag eenheid |
| (ABS) | 10A | ABS eenheid |
| (SEAT WARM) | 20A | Stoel verwarming |
| STOP LAMP | 15A | Stoplichten |
| ECU | 10A | ECU, IMMO eenheid, ECAT eenheid |
| POWER SOCKET | 15A | Stroom stopcontact |
| AUDIO | 10A | Audio, Afstandsbediening spiegel |
| CIGAR LIGHTER | 15A | Sigaretten aansteker |
| EGI | 10A | IMMO eenheid, ECAT eenheid, DRL eenheid |
| MIRROR HEATER | 10A | Spiegel verwarming |
| FRT.WIPER | 15A | Ruitenwisser voor |

ARSA12001
| BESCHRIJVING | ZEKERING WAARDE | GEZEKERDE ONDERDELEN |
| Motor compartiment | ||
| (ABS) | 30A | ABS eenheid |
| IG 1 | 20A | EGI 10A, ALT 15A, Audio 10A, (ABS 10A), (A/BAG 10A), Sigaretten aansteker 10A, Richtingaanwijzer lamp 10A (wordt automatisch verbonden aan tweede zekering) |
| IG 2 | 30A | Ruitenwisser voor 15A, Ruitenwisser achter 15A, A/C S/W 10A (wordt automatisch verbonden aan tweede zekering), Starter |
| COOL/FAN | 20A | Koeling ventilator motor |
| COND/FAN | 20A | Condensor ventilator motor |
| TNS | 30A | (Mistlampen voor 15A), Achter LH, Achter RH (wordt automatisch verbonden aan tweede zekering) |
| 02 SEN UP | 10A | 02 Sensor "up" |
| STARTER | 10A | ECU, ECAT eenheid |
| (OBD-II) | 10A | Diagnostische stekker |
| HAZARD | 15A | Waarschuwingsknipperlicht |
| (S/ROOF) | 15A | Schuifdak eenheid |
| A/CON | 10A | Magnetische koppeling |
| DEFOG | 25A | Spiegel verwarming 10A, (wordt automatisch verbonden aan tweede zekering), Achterruitverwarming |
| HORN | 15A | Claxon |
| (ABS) | 25A | ABS eenheid |
| BTN | 30A | ECU 10A, Stoplichten 15A, ACC stopcontact 15A, Stoelverwarming 20A (wordt automatisch verbonden aan tweede zekering) |
| DOOR LOCK | 25A | Deurgrendel motor |
BESCHRIJVING ZEKERING PANEEL
| BESCHRIJVING | ZEKERING WAARDE | GEZEKERDE ONDERDELEN |
| Motor compartment (vervolg) | ||
| HEAD-HI | 15A | Grootlicht lamp |
| BLOWER | 30A | Ventilatormotor |
| ROOM | 10A | Meter, ETWIS, Binnenverlichting, Audio |
| FUEL PUMP | 10A | Brandstofpomp |
| P/WIN-LH | 20A | Elektrische raamopener links |
| P/WIN-RH | 20A | Elektrische raamopener rechts |
| (FRT FOG) | 15A | Mistlamp voor |
| TAIL-LH | 10A | Combi lamp voor / Parkeer lamp/ Combi lamp achter links, Nummerplaatverlichting lamp links/rechts |
| TAIL-RH | 10A | Combi lamp voor /Parkeer lamp/ Combi lamp achter rechts, Verlichting |
| HEAD-LOW | 15A | Dim lamp |
| (O2 SEN DN) | 10A | O2 sensor "down" |
| INJ | 10A | Injector, ECU, Fase sensor, Reiniging sensor, ISC sol, Luchtstroom meter |
| ALT | 15A | Condensor, ECU, IG spoel |
| HEAD LAMP | 25A | Grootlicht 15A, Dimlicht 15A, (Mistlamp achter 10A) (word automatisch verbonden aan tweede zekering) |
| (RR. FOG) | 10A | Mistlamp achter |
| A/C-S/W | 10A | Opname ACT, Schuifdak eenheid |
| RR. WIPER | 15A | Ruitenwissermotor achter |
Slepen
Laat uw auto bij voorkeur wegslepen door een officiële Kia- dealer of een erkend bergingsbedrijf.
Om beschadiging van de auto te voorkomen, dient dem sleepkabel of de takel op de juiste plaats te worden bevestigd. Houd hierbij rekening met de wettelijke voorschriften.

1RS106002A
Als vuistregel geldt dat een auto gesleept moet worden met de aangedreven wielen (de voorwielen) van de grond.
Als dat door omstandigheden niet mpogelijk is, moet gebruik worden gemaakt van dollies.

natural_image
Diagram of a car with a diagonal cross symbol crossed by a tow truck (no text or labels)1RS106002B
OPMERKING
Sleep de auto nooit achteruit met de aangedreven wielen op de grond. Hierdoor kan de transmissie beschadigd raken.
- Zet het contact in de stand ACC.
- Plaats de versnellingspook in de vrijstand.
- Ontgrendel de parkeerrem.

1RS106004A
Wiel verwisselen bij een lekke band

ARSB06002

natural_image
Technical line drawing showing a mechanical device with a spring and a base, no text or symbols presentAS2B06010
OPMERKING
- De sleepogen mogen alleen in nood-situaties worden gebruik (om een vastgeraakte auto los te trekken).
- Laat een sleepkabel altijd in het verlengde van de auto lopen. Oefen geen kracht uit op de sleepogen in zijwartse richting. Trek de sleepkabel voorzichtig strak om beschadingingen te voorkomen.
Reservewiel, gereedschap, krik en krik- slinger
Het reservewiel, de gereedschapset, de krik en de krikslinger zijn opgeborgen in de bagageruimte.
VERWIJDEREN VAN DE KRIK
- Draai de bout linksom en verwijder hem.
- Verwijder de krik.
AANWIJZIG:
Bevestig de krik na gebruik zorgvuldig om rammelen te voorkomen.

natural_image
Technical line drawing of a car tire assembly with a brake caliper (no text or symbols)1RS106013
VERWIJDEREN VAN HET RESERVEWIEL
Draai bevestigingbout van het reservewiel met behulp van de wielmoersleutel linksom.
Plaats het reservewiel en de krik in omgekeerde volgorde.
GEBRUIK VAN KRIK
Gebruik de krik uitsluitend om een te verwisselen.
Neem onderstaande aanwijzijgen in acht om letsel te voorkomen.
WARSCHUWING!
- Verwissel een wiel nooit op de rijbaan. Zet de auto altijd in de berm. Bel als dat niet mogelijk is een bergingsbedrijf of de wegenwacht.
- Overschrijd de maximum belasting van de krik (600 kg) niet.
- Plaats de krik uitsluitend op de daartoe bestemde plaats; noit onder de bumper of iets dergelijks.
- Ga nooit onder een opgekrikte auto liggen.
- Start de motor niet zolang is opgekrikt.
VERWISSELEN VAN EEN WIEL
- Plaats de auto op een stevige en vlakke ondergrond en trek de parkeerrem stevig aan.
- Zet de versnellingspook in de achteruit (bij een handgeschakelde transmissie) of in stand P (bijeen automatische transmissie).
WARSCHUWING!
Als één van de vorwielen opgekriktis, kan uw auto van de krik glijden. Blokkeer daarom het wiel diagonaal tegenover het te vervangen wiel en trek de parkeerrem volledig aan.

1RS106008
- Schakel de alarmknipperlichten in.
- Neem de wiersmoersleutel, de krik, de krikslinger en het reservewiel uit de auto.
- Plaats wielblokken voor en achter het wiel dat zich diagonaal tegenover het te verwisselen wiel bevindt.
- Wip de naafdop los met de wielmoersleutel of een platte schroevendraaier.
AANWIJZING:
Houd een doek of en stuk karton tussen de wielmoersleutel of de schroevendraaier en het wiel om beschadiging van het wiel te voorkomen.
7. Draai de wielmoeren linksom één slag los. Verwijder de wielmoeren niet verder voordat de auto opgekrikt is.

natural_image
Diagram showing a car above and a mechanical device below, with no visible text or symbols.1RS106010
- Plaats de onder het steunpunt dat zich het dichtst bij het te verwisselen wiel bevindt. Plaats de krik op de aangegeven plaats onder de dorpel.
WAARSCHUWING!
Gebruik alleen de krik die bij de auto geleverd wordt en plaats deze in de aangegeven positie, nergens anders.

AS2B06015
- Steek de krikslinger in de krik en draai de slinger rechtsom totdat het wiel van de grond af komt (maximaal 30 mm). Controleer alvorens de moeren te verwijderen of de auto stabiel staat en er geen risico bestaat dat de auto van de krik glijdt.
- Verwijder de wielmoeren door ze linksom te draaien en verwijder het wiel.

1RS106009
- Plaats het reservewiel en draai de wielmoeren met de hand vast. Plaats de wielmoeren met de afgeschuinde kant naar het wiel gericht.
- Laat de auto zakken en draai de wielmoeren in de aangegeven volgorde stevig vast.
Laat bij het dichtstbijzijnde garagebedrijf het aanhaalmoment van de wielmoeren controleren als u zelf niet over een momentsleutel beschikt. Het juiste aanhaalmoment is 9,0 - 12,0 kgm (90 - 120 Nm).
- Plaats het wiel met de lekke band in de bagageruimte en laat de band zo spoedig mogelijk repareren. Monteer daarna het gerepareerde wiel weer onder de auto.
WAARSCHUWING!
De tapeinden en de wielmoeren zijn voorzien van metrische schroefdraad. Gebruik indien u een wielmoer moet vervangen, uitsluitend originele Kia-wielmoeren.
OPMERKING
Controlrrt na het moteren van reservewiel zo spoedig mogelijk de bandenspanning.
ONDERHOUD
Onderhoudswerkzaamheden 7-2
Onderhoudsschema 7-3
Motorruimte 7-7
Motorolie en oliefilter 7-8
Koelvloeistofpeil 7-9
Remsysteem 7-9
Stuurbekrachtiging 7-10
Ruitensproeier 7-10
Luchtfilter 7-11
Ruitenwisserbladen 7-12
Accu 7-13
Banden 7-14
Velgen 7-17
Koplampen 7-17
Specificaties smeermiddelen 7-22
Onderhoud exterieur 7-24
Onderhoud interieur 7-26
Onderhoudswerkzaamheden
Als u dit instructieboekje gebruikt als richtlijn bij de inspectie van en het onderhoud aan uw auto, moet u uiterst voorzichtig zijn om letsel en schade aan uw auto te voorkomen.
Indien u niet zeker bent van de handelswijze die voor het onderhoud of de reparatie dient te worden gevolgd, is het raadzaam de werkzaamheden te laten verrichten door een betrouwbaar een deskundig garagebedrijf, bij voorkeur uw officiële Kia-dealer.
Een officiële Kia-dealer heeft getrainde technici in dienst, beschikt over originele Kia- onderdelen en kan daardoor het juiste onderhoud aan uw auto uitvoeren. Raadpleeg een officiële kia-dealer voor deskundig advies en voor service top-kwaliteit.
Niet doelmatig, onvoldoende of gebrekkig onderhoud kan problemen bij het gebruik van uw auto veroorzaken, wat kan leiden tot beschadiging van de auto, een ongeval of persoonlijk letsel.
Verantwoordelijkheid van de eigenaar Het laten uitvoeren van onderhoud en de registratie daarvan behoort tot de verantwoordelijkheid van de eigenaar.
Om aanspraak te kunnen maken op de garantie, dient u te kunnen bewijzwn dat de voorgeschreven onderhoudsbeurten zijn uitgevoerd. De garantievoorwaarden windt u bij de afleveringspapieren van uw auto. Aanspraken die tijdens de garantieperiode worden gemaakt met betrekking tot defecten, zullen worden afgewezen indien de defecten veroorzaakt zijn door onvoldoende onderhoud en niet het gevolg zijn van materiaaldefecten of fabricagefouten. Het wordt dan ook aanbevolen dergelijke onderhoudswerkzaamheden te laten uitvoeren dooreen officiële kia-dealer die daarbij uitsluiten gebruik maakt van originele Kia-onderdelen.
Periodieke onderhoudsbeurten
Volg het periodiek onderhoussysteem als bij normaal gebruik van de auto geen van de volgende omstandigheden voorkomen.
- Veel remmen (bijvoorbeeld tijdens rijden in de bergen).
• Rijden in een stoffige omgeving. - Rijden in gebieden waar veel zout gestrooid wordt.
- Rijden op slecht onderhouden wegen (kuilen e.d.).
- Rijden met te weinig toeren in een te hoge versnelling.
- Rijden onder extreem koude omstandigheden.
Emissieregelsysteem en gerelateerde systemen
Het onstekingssysteem en het brandstof- systeem zijn van vitaal belang voor het op de juiste wijze functioneren van het emissieregelsysteem en voor het brand- stofverbruik. Aangeraden wordt onder- houdswerkzaamheden aan ontstekings- en brendstofsysteem uit te laten voeren door een officiële Kia-dealer.
Onderhoudsschema
I: Inspectie en indien nodig verhelpen, schoonmaken of vervangen
R: Vervangen of wisselen A: Afstellen T: Vastzetten
| OnderhoudsschemaTe onderhouden delen | Aantal maanden of kilometers wat het eerste komt | ||||||||||
| Maanden | 12 | 24 | 36 | 48 | 60 | 72 | 84 | 96 | 108 | 120 | |
| km | 15,000 | 30,000 | 45,000 | 60,000 | 75,000 | 90,000 | 105,000 | 120,000 | 135,000 | 150,000 | |
| Aandrijfrem 1)* | I | I | I | I | |||||||
| Motorolie 3)* | R | R | R | R | R | R | R | R | R | R | |
| Motorolie filter | R | R | R | R | R | R | R | R | R | R | |
| Nokkenas aandrijfrem 2)* | R | ||||||||||
| Luchtreiniging element * | R | R | R | R | R | R | R | R | R | R | |
| Luchtfilter * | R | R | R | R | R | ||||||
| Bougies | I | I | R | I | I | R | I | I | R | I | |
| Koelsysteem(inclusief koelvloeistof niveau correctie) | I | I | I | I | I | ||||||
| Motor koelvloeistof 3)* | I | R | I | R | I | ||||||
| Brandstofffilter * | R | R | |||||||||
| Brandstofleidingen en slangen | I | I | I | I | I | ||||||
| Stationair toerental | I | I | I | I | I | ||||||
| Begin ontstekingstijdstip | I | I | I | I | I | ||||||
| E.G.R. systeem | I | I | I | I | |||||||
| IVerdamping systeem | I | I | I | I | I | ||||||
| Accu conditie | I | I | I | I | I | ||||||
| Alle elektrische systemen | I | I | I | I | I | I | I | I | I | I | |
| Koplampen afstelling | A | A | A | A | A | ||||||
1) Afstellen dynamo en waterpomp aandrijfriem, stuurbekrachtiging en airconditioning unit aandrijfriem, indien van toepassing.
2) Vervanging van de nokkenas aandrijfriem is vereist bij elke 90,000 km. Het niet naleven van het vervangen van deze aandrijfriem kan resulteren in motorschade.
3) Controleer het peil en vul indien nodig de juiste vloeistof/olie bij.
Als het voertuig continue word gebruikt onder zware omstandigheden, word aangeraden de met* gemarkeerde punten meer frequent te vervangen.
ONDERHOUDSSCHEMA
I: Inspectie en indien nodig verhelpen, schoonmaken of vervangen R: Vervangen of wisselen A: Afstellen T: Vastzetten
| OnderhoudsschemaTe onderhouden delen | Aantal maanden of kilometers wat het eerste komt | ||||||||||
| Maanden | 12 | 24 | 36 | 48 | 60 | 72 | 84 | 96 | 108 | 120 | |
| km | 15,000 | 30,000 | 45,000 | 60,000 | 75,000 | 90,000 | 105,000 | 120,000 | 135,000 | 150,000 | |
| Remleidingen, slangen en verbindingen | I | I | I | I | I | ||||||
| Rempedaal | I | I | I | I | I | ||||||
| Handrem | A | A | A | A | A | ||||||
| Koppelingspedaal | I | I | I | I | I | ||||||
| Rem- en koppeling vloeistof 4) | I | I | I | I | I | I | I | I | I | I | |
| Trommelremmen | I | I | I | I | I | I | I | I | I | I | |
| Schijfremmen | I | I | I | I | I | I | I | I | I | I | |
| Stuurbekrachtiging vloeistof | I | I | I | I | I | I | I | I | I | I | |
| Stuurbekrachtiging systeem en slangen | I | I | I | I | I | ||||||
| Voorophanging kogelkoppeling | I | I | I | I | I | ||||||
| Aandrijfas stofkappen | I | I | I | I | I | I | I | I | I | I | |
| Bouten en moeren op chassis en carrosserie | I | I | I | I | I | ||||||
| Uitlaatsysteem hitteschuld | I | I | I | I | I | ||||||
| Airconditioning koelmiddel (indien van toepassing) | I | I | I | I | I | I | I | I | I | I | |
| Airconditioning compressor (indien van toepassing) | I | I | I | I | I | I | I | I | I | I | |
| Handgeschakelde versnellingsbak olie 3) 5) | I | I | I | I | I | I | I | I | I | I | |
| Automatische versnellingsbak vloeistofniveau 3) 6) | I | I | I | I | I | R | I | I | I | I | |
3) Controleer het peil en vul indien nodig de juiste vloeistof/olie bij
4) Eike 2 jaar vernieuwen. Indien er regelmatig met hoge snelheid gereden word, of als de remmen intensief gebruikt worden, of het voertuig word in zeer vochtige klimaten gebruikt, moet de remvloeistof meer frequent worden verwisseld.
5) Als het voertuig continue word gebruikt onder zware omstandigheden, indere 100.000 km vervangen
6) Als het voertuig continue word gebruikt onder zware omstandigheden, indere 45.000 km vervangen
ROUTINE-ONDERHOUD
Routine-onderhoud kan door de eigenaar of door een gekwalificeerde technicus worden uitgevoerd aan de hand van het onderhoudsschema.
Neem in twijfelgevallen en problemen voor advies contact op met een officile kia-dealer.
BIJ HET TANKEN
- Motoroliepeil
• Koelyloeistof - Remvloeistof-/koppelings-vloeistofniveau
• Niveau ruitensproeiervloeistof
MINIMAAL TWEE MAAL PER JAAR
- Niveau van automatische transmissievloeistof
• Vloeistofpeil stuurbekrachtiging
Voorzorgsmaatregelen bij het zelf uitvoeren van onderhoud
Als u zelf onderhoudswerkzaamheden aan uw auto uitvoert, moet u altijd uiterst zorgvuldig te werk gaan om beschadiging van de auto en letsel te voorkomen.
Volg de onderstaande aanwijzingen op.
- Laat de motor afkoelen voordat u met het onderhoud begint.
- Als u bij een draaiende motor aan de auto moet werken, moet u erop letten dat uw kleding (stropdas!) niet door draaiende delen gegrepen kan worden. Blijf uit de buurt van de ventilator en de aandrijfriem.
- Ga nooit onder een auto liggen die op de krik staat. Gebruik bokken als u onder de auto moet werkenm.
- Houd vonken en open vuur uit de buurt van de accu en het brandstofsysteem.
ONDERHOUDSSCHEMA
- Neem de accupolen niet los als het contact AAN staat en sluit ze in die toestand ook niet aan. Ook het losnemen of aansluiten van elektronische componenten mag alleen gebeuren als het contact UIT staat.
- Let bij het aansluiten van de accupolen op de polariteit. Verwissel de plus- en de minpool niet!
- Denk eraan dat er in de accu, in het ontstekingssysteem en in de bedrading hoge stroomsterktes en spanningen kunnen optreden. Pas op dat u geen kortsluiting veroorzaakt.
- Zorg voor een goede ventilatie als u in een gesloten ruimte onderhoudswerkzaamheden uitvoert bij een draaiende motor.
Houd er rekening mee dat verkerd of onvolledig uitgevoerde onderhoudswerkzaamheden tot problemen kunnen leiden voor wat betreft het juist functioneren van de auto. In dit hoofdstuk worden alleen die werkzaamheden besproken die de eigenaar relatief gemakkelijk zelf kan uitvoeren. Ingrijpende werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd door een gekwalificeerde technicus. Het zelf uitvoeren van werkzaamheden tijdens de garantieperiode kan ertoe leiden dat de garantie vervalt. Lees voor nadere bijzordenheden de garantiebepalingen. Laat in twijfelgevallen het onderhoud altijd uitvoeren door een officiële Kia-dealer.
WAARSCHUWING!
- Ontgrendel de motorkap niet voordat het contact UIT is gezet, de versnellingspook in de eerste versnelling is gezet (bij een handgeschakelde transmissie) of in de stand P (bij een automatische transmissie) en de parkeerrem stevig is aangetrokken.
- Indien het noodzakelijk is controles in de motorruimte uit te voeren bij draaiende motor, moet de versnellingspook in de vrijstand worden gezet en moetde parkeerrem geheel worden aandetrokken. Als deze aanwijzingen niet worden opgevolgd, kan de auto zich onverhoeds in beweging zetten.
- Om letsel te voorkomen, moet u bij werzaamheden in de motorruimte het contact altijd UIT zetten. Indien de aard van de reperatie dat niet mogelijk maakt, moet u ervoor zorgen dat uw kleding zoals stropdas of handschoenen niet bekneld kan raken tussen draalende onderdelen. Doe horloges, armbanden en ringen af.
Motorruimte

- Auto versnellingsbak vloeistof peilstok
2.Rem/koppeling vloeistof reservoir
3.Zekeringen doos
4.Lucht reiniger
5.AccU
6.Motor koelvloeistof reservoir
7. Radiator dop
8.Motorolie vuldop
9.Motorolie peilstok
10. Voorruitsproeier vloeistofreservoir
11.Stuurbekrachtiging vloeistofreservoir
Motorolie en oliefilter
CONTROLE VAN HET MOTOROLIEPEIL
- Controleer of de auto horizontaal staat.
- Breng de motor op bedrijfstemperatuur.
- Zet het contact UIT en wacht 5 minuten zodat de olie naar het carter terug kanlopen.
- Trek de peilstok naar buiten, veeg hem schoon en steek hem weer geheel in de peilstokhouder.

1RS107003A
- Trek de peilstok naar buiten en lees het oliepeil af. Het peil is in orde indien het zich tussen de merkteken F en L bevindt. Als het peil zich bij of op het merkteken L bevindt, moet u olie bijvullen tot het merkteken F.
Vul niet teveel olie bij.
AANWIJZING: De afstand tussen de merktekens L en F komt overeen met 0,7 liter olie.
OLIE VERVERSEN EN OLIEFILTER VERVANGEN
Ververs de olie en vervang het filter overeenkomstig het onderhoudsschema eerder in dit hoofdstuk beschreven.
OLIECAPACITEID
Zonder oliefilter: 3.8 liter
Met oliefilter: 3,6 liter
Gebruik allen de voorgeschreven olie(zie specificaties smeermiddelen)
WARSCHUWING!
Langdurige blootstelling aan AFGEWERKTEmotorolie heeft huidkanker veroorzaakt bij proefdieren. Was uw handen daarom direct met water en zeep. Houd afgewerkte motorolie buiten bereik van kinderen.
Koelvloeistofpeil

AS2B07003
Het koelvloeistofpeil dient zich bij koude motor tussen de merktekens F (vol) en L (laag) op het koelvloeistofeservoir te bevinden. Controleer het niveau met behulp van de peilstok indien de dop van het reservoir daarmee is uitgerust.
- Verwijder de dop.
- Veeg de peilstok schoon en plaats hem in het reservoir.
- Trek de peilstok weer naar buiten en controleer of het peil zich tussen de merktekens L en F bevindt.
Vul het reservoir bij met de voorgeschreven koelvloeistof. Neem contact op met een officiële Kia-dealer indien u het reservoir regelmatig moet bijvullen.
Remsysteem

1RS107005
CONTROLE VAN REMVLOEISTOF-/KOPPELINGSVLOEISTOFNIVEAU
Controleer het remvloeistof-/koppelingsvloeistofniveau regelmatig. Het niveau moet zich tussen de merktekens MAX en MIN op het reservoir bevinden.
Reinig de omgeving rond de dop van het reservoir voordat u remvloeistof bijvult om verontreiniging van de remvloeistof te voorkomen.
Vul vloeistof bij tot aan het merkteken MAX als het niveau te laag is.
Naarmate de remvoeringen en - blokken en de koppelingsplaat slijten, zal het niveau in het reservoir dalen.
Laat het remsysteem controleren door een oficiële Kia – dealer als het niveau erg laag is.
OPMERKING
- Gebruik uitsluitend de voorgeschreven remvloeistof (zie specificaties smeermiddelen).
- Meng geen verschillende soorten remvloeistof door elkaar.
- Als u het remvloeistofreservoir regelmatig moet bijvullen, moet u het remsysteem laten controleren door een oficiële Kia –dealer.
Stuurbekrachtiging

AS2B07007
Controleer het peil van de stuurbekrachtigingsvloeistof periodiek.
Plaats de auto op een vlakke ondergrond en zet de motor uit. Controleer het peil in het reservoir van de stuurbekrachtigingsvloeistof; dit moet zich ergens tussen het merkteken MAX en MIN bevinden.
Reinig het gebied rondom de dop van het reservoir grondig alvorens stuurbekrachtigingsvloeistof bij te vullen om te voorkomen dat deze vervuild raakt.
Vul vloeistof bij tot aan het merkteken MAX wanneer het peil te laag is.
Als u het reservoir regelmatig moet bijvullen, moet u de stuurinrichting laten controleren door een officiële Kia-dealer.
AANWIJZING:
Blijf niet te lang doorrijden met een te laag vloeistofpeil in het reservoir om schade aan de stuurbekrachtigingspomp te voorkomen.
Gebruik alleen de voorgeschreven stuurbekrachtigingsvloeistof. (Raadpleeg Aanbevolen smeemiddelen verderop in dit hoofdstuk.)
Ruitensproeier

natural_image
Technical line drawing of a car engine bay with hoses and valve (no text or symbols)AS2B07013
Controleer het niveau in het ruitensproeierreservoir en vul indien nodig vloeistof bij. Als u geen ruitensproeiervloeistof bij de hand heeft, kunt u het reservoir bijvullen met gewoon water. Gebruik in het koude jaargetijde echter speciale ruitensproeiervloeistof om bevriezing te voorkomen.
OPMERKING
- Gebruik geen koelvloeistof of antivries in het sproeierreservoir.
- Koelvloeistof kan het zicht ernstig belemmeren wanneer dit op de voorruit terecht komt waardoor u de macht over de auto kunt verliezen of de lak beschadigd kan raken.
Luchtfilter

natural_image
Mechanical assembly diagram showing engine components and a lever mechanism (no text or labels)AS2B07015
Er wordt een papieren luchtfilter gebruikt. Het moet met het voorgeschreven interval vervangen worden en mag niet gereinigd en hergebruikt worden.
- Neem de vier (4) clips los waarmee het luchtfilterdeksel vastzit.
- Veeg de binnenzijde van het luchtfilterhuis met een vochtige doek schoon.
-
Vervang het luchtfilterelement.
-
Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde van verwijderen.
Vervang het element volgens het onderhoudsschema.
Vervang het element vaker dan in het onderhoudsschema is aangegeven als de auto gebruikt wordt in gebieden met zeer veel stof of zand.
OPMERKING
- Rijd niet met de auto wanneer het luchtfilter verwijderd is; hierdoor kan de motor overmatig slijten.
- Wanneer zonder luchtfilter gereden wordt, bestaat eerder de kans op terugslag waardoor brand kan ontstaan.
Ruitenwisserbladen
ONDERHOUD VAN RUITENWISSER-BLADEN
OPMERKING
Het is gebleken dat in de handel gangbare „hot wax“-behandeling, zoals gebruikt in automatische wasstraten, het reinigen van de voorruit bemoelijkt.
Verontreiniging van de voorruit of de ruitenwisserbladen door bepaalde substanties kan het effectief functioneren van de ruitenwissrbladen verminderen. Bekende vormen van verontreiniging zijn insecten, boomhars en de „hot wax“-behandeling die door sommige wasstraten gebruikt wordt. Indien de wiserbladen niet goed wissen, reinig dan zowel de voorruit als de wiserbladen met een goed schoonmaakmiddel of een zacht reinigingsmiddel en spoel ze grondig met schoon water af. Herhaal deze procedure indien nodig.
OPMERKING
Gebruik geen benzine, petroleum, thinner of andere oplosmiddelen op of nabij de ruitenwissers of de voorruit.
VERVANGEN VAN RUITENWISSER-BLADEN
Als de ruitenwisserbladen de ruit niet langer goed schoonmaken, kan het zijn dat de bladen versleten of gescheurd zijn.
OPMERKING
Probeer de ruitenwissers nooit met de hand te bewegen om beschadiging van de ruitenwisserrarmen en overige onderdelen te voorkomen.

AS2B07016
1. Trek de ruitenwisserarm van de ruit, druk de vergrendeling in en verwijder het ruitenwisserblad.

natural_image
Line drawing of a hand holding a tool interacting with a surface (no text or symbols)AS2B07017
2. Plaats het nieuwe ruitenwisserblad in omgekeerde volgorde.
Accu
WAARSCHUWING!
- Houd sigaretten en open vuur uit de buurt van de accu. In de accucellen is namelijk altijd het zeer brandbare waterstofgas aanwezig.
- Houd accu's buiten bereik van kinderen aangezien accu's ZWAVELZUUR bevatten. Voorkom dat dit zwavelzuur in aanraking komt met de huld, de ogen, kleding en met de lak van de auto.
- Spoel uw ogen gedurende minimaal 15 minuten met schoon water en roep omniddellijk medische hulp in als u elektrolyt in uw ogen krijgt. Blijf indien mogelijk op weg naar arts of zlekenhuis de ogen bevochtigen met behulp van een spons of zakdoek.
- Spoel uw huid goed af als u elektrolyt op uw huid heeft gekregen. Indien u pijn of een branderig gevoel heeft, moet u direct medische hulp inroepen.
- Draag bij het laden van een accu of bij het werken in de buurt van een accu altijd een veiligheidsbril. Zorg altijd voor voldoende ventilatie.
- Probeer een accu nooit te laden als de minkabel (-) nog aangesloten is.

AS2B07020
ONDERHOUD
Voor het in optimale conditie houden van uw accu:
- Zorg ervoor dat de accu altijd goed vastzit.
- Houd de bovenzijde van de accu schoon en droog.
- Houd de accupolen en de accupoolklemmen schoon, zorg ervoor dat ze goed vastzitten en bescherm ze met een laagje vaseline.
- Spoel gemorst elektrolyt direct afmet een oplossing van water en natriumbicarbonaat (dubbel koolzure soda).
- Neem de accukabels los als u de auto gedurende een langere periode niet gaat gebruiken.
LADEN VAN DE ACCU
Uw auto is uitgerust met een onderhoudsvrije accu.
- Laad met een normale acculader (een lader met een constante laadstroom of een semiconstande spanning) de accu gedurende 12 uur met een laadstroom die 1/10 bedraagt van de capaciteit van de accu.
- Laad de accu met een snellader op dezelfde wijze als met een normale lader. Lees de instructies van de fabrikant van de lader zorgvuldig door en voorkom overladen van de accu.
OPMERKING
Neem bij het laden van de accu de vol- gende voorzorgsmaatregelen in acht:
- Vervijder de accu uit de auto en zet hem op een goed geventileerde plaats.
- Houd open voor, sigaretten en vonken uit de buurt van de accu.
- Neem de acculader in de onderstaande volgorde los:
- Zet de hoofdschakelaar van de acculader UIT.
- Neem de klem van de minpool los.
- Neem de klem van de pluspool los.
AANWIJZING:
- Schakel alle verbruikers en de motor uit alvorens de accu op te laden.
- Neem als eerste de minkabel (-) los en sluit deze als laatste weer aan.
Banden
Onderhoud va de banden
Voor uw veiligheid, een maximale levensduur van de banden en een zo laag mogelijk brandstofverbruik, dient u de banden steeds op de aanbevolen spanning te houden en dient u het totaalgewicht en de maximale asbelasting niet te overschrijden.

natural_image
Technical line drawing of a mechanical assembly with no visible text or symbolsAS2B05005
BANDENSPANNING
De spanning van de banden (inclusief het reservewiel) dient maandelijks bij koude banden gecontroleerd te worden. Voor optimale rijeigenschappen, een optimale wegligging en een zo laag mogelijk bandenslijtage dient u de banden op de aanbevolen spanning te houden. De specificaties voor maten en bandenspanningen vindt u op de drempel naast de passagiersstoel. (zie afbeelding)
AANWIJZING:
- Als de banden warm zijn, zal de geme- ten spanning normaliter de aanbevolen spanning overschrijden. Verlaag de spanning van een warme band daarom niet.
- Een te lage bandenspanning resulteert in overmatige slijtage, slechte rijeigenschappen en een hoger brandstofverbruik en vergroot het risico op een klapband omdat de temperatuur van de banden te hoog kan oplopen. Als de bandenspanning extreem laag is, kan de band van de velg aflopen. Houd de banden daarom op de aanbevolen spanning. Raadpleeg uw Kia-dealer indien u de banden regelmatig op spanning moet brengen.
- Een te hoge bandenspanning heeft een negatieve invloed op het rijcomfort en de wegligging en zorgt voor een verhoogde bandeslijtage in het midden van het loopvlak. Bovendien bestaat er een grotere kans op beschadiging van de banden bij het rijden door kuilen in het wegdek.
WARSCHUWING!
Een de hoge of te lage bandespanning reduceert de levensduur van de banden, beïnvloedt de wegligging in negatieve zin en kan tot plotseling lek raken van de banden leiden. Hierdoor bestaat de kans dat u de macht over het stuur verliest.
BANDEN

flowchart
graph TD
A["Top Left"] --> B["Right"]
C["Bottom Right"] --> D["Left"]
E["Voor"] --> F["Right"]
AS2B07022
ONDERLING VERWISSELEN VAN DE BANDEN
Om de banden zo gelijkmatig mogelijk te laten slijten wordt aangeraden de banden ledere 5.000 km of eerder, indien het slijtagepatroon daartoe aanleiding geeft, te verwisselen. Controleer bij het verwisselen van de banden tevens de balans.
Controleer de banden op ongelijkmatige slijtage en beschadiging. Abnormale slijtage wordt meestal veroorzaakt door een onjuiste bandenspanning, een onjuiste uitlijning van de wielen, onbalans of veelvuldig sterk afremmen. Breng na het verwisselen de banden op de juiste spanning en controleer het aanhaalmoment van de wielmoeren.
AANWIJZING:
Controleer bij het verwisselen van de banden tevens de dikte van de remblokken.

AS2B07023
VERVANGEN VAN BANDEN
Indien de band gelijkmatig afgesleten is verschnijnt er een ononderbroken lijn over de gehele breedte van de band. Als dat het geval is moet de band worden vervangen. Banden die een ongelijkmatig slijtagepatroon vertonen kunnen al aan vervanging toe zijn voordat de slijtage-indicator zichtbaar wordt.
WARSCHUWING
- Monteer onder de auto nooit een combinatie van diagonaalbanden en radiaalbanden. Vervang een band altijd door een band van helzelfde type zoals dat staat aangegeven op het label op de rechter middenstijl. Overtuig u ervan dat alle banden en velgen dezelfde maat en hetzelfde-draagvermogen hebben. Combineer uitsluitend die banden en velgen die aanbevolen worden op het label of door een officiële Kia-dealer . het niet in acht nemen van deze voorzorgs-maatregelen kan de veiligheld en wegligging nadelig beïnvloeden.
- Het gebruik van een ander banden-type of een andere bandenmaat kan het rijcomfort, de wegligging, de grondspeling, de speling tussen band en carrosserie en de juiste aanwijzing van de snelheidsmeter nadelig beïnvloeden.
- Rijden met versleten banden is bijzonder gegevaarlijk; versleten banden hebben een negatieve invloed op de remweg, de besturing en de tractie.
Velgen
VERVANGEN VAN DE VELGEN
Als u om de een of andere reden de velgen wilt vervangen, dient u erop te letten dat de nieuwe velgen gelijkwaardig zijn aan de originele velgen voor wat betreft diameter, velgbreedte en steek (de afstand tussen de boutgaten). Goed gebalanceerde wielen zorgen voor optimaal comfort en een zo gering mogelijke slijtage. Onbalans kan vervelende trillingen veroorzaken en leiden tot „happen“ uit de band en platte vlakken.
OPMERKING
Een velg van de verkeerde maat heeft een negatieve invloed op de levensduur van de velg en van het wiellager, op de remweg, de wegligging, de grondspeling, de spelling tussen band en carrosserie, de speling bij gebruik van sneeuwkettingen, de aanwijzing van de snelheidsmeter, de koplampafstelling en de bumperhoogte.
Koplampen
De koplampen zijn voorzien van halogeen gloeilampen. De gloeilampen kunnen worden vervangen zonder de koplamp te demonteren.
OPMERKING
- Halogeenlampen bevatten gas onder hoge druk. Behandel de lampen daarom met de nodige voorzichtigheid en voorkom krassen en schuren. Voorkom ook dat de lampen, als deze branden, in contact komen met vloeistoffen. De lamp mag alleen in gemonteerde toestand worden ingeschakeld.
• Houd lampen buiten bereik van kinderen.
Vervangen van een halogeenlamp
WAARSCHUWING!
Laat de lamp eerst afkoelen.

natural_image
Technical line drawing of a car engine compartment showing internal components and wiring (no text or symbols)1RS106015A
- Controleer of de lichtschakelaar UIT is.
- Doe de motorkap open.
- Draai de ring met de hand linksom en verwijder hem van de koplampunit.
- Neem de stekker van de defecte gloeil- amp los.
- Neem de klem los.
- Trek de gloeilamp voorzichtig uit de reflector.
- Monteer de nieuwe gloeilamp in omgekeerde volgorde.
AANWIJZING:
- Controleer altijd de koplampafstelling en stel de koplampen indien nodig af volgens de wettelijke voorschriften.
- Raak het glas van de lamp niet met uw vingers aan.

natural_image
Technical line drawing of a car dashboard and steering wheel assembly (no text or symbols)1RS106017
PARKEERLICHT
- Draai de parkeerlicht lamp fitting tegen de klok in en verwijder hem van de koplamp eenheid.
- Verwijder de lamp van de fitting door hem naar buiten te trekken.
- Steek een nieuwe lamp in de fitting.
- Herplaats de parkeerlicht lamp fitting in de koplamp eenheid en draai hem met de klok mee om hem op zijn plaats te vergrendelen.

natural_image
Technical line drawing of a car interior showing dashboard, steering wheel, and dashboard frame (no text or symbols)1RS106018
VOORSTE RICHTINGAANWIJZER LAMP VERVANGING
- Open de motorkap.
- Gebruik een kruiskopschroevedraaier, verwijder de ene (1) kruiskopschroef die de voorste richtingaanwijzer lichteenheid verbind met de carrosserie.
- Schuif voorzichtig de voorste richtingaanwijzer lichteenheid naar de binnenzijde.
-
Maak de elektrische verbinding los van de voorste richtingaanwijzer lichteenheid.
-
Haal voorzichtig de voorste richtingaanwijzer lichteenheid uit de carrosserie.
- Draai de voorste richtingaanwijzer lamp fitting tegen de klok in en verwijder hem van de voorste richtingaanwijzer lichteenheid.
- Druk op de lamp, draai hem een kwartslag tegen de klok in en verwijder de lamp van de fitting.
- Steek een nieuwe lamp in de fitting door op de lamp te drukken en hem een kwartslag met de klok mee te draaien tot de lamp op zijn plaats vergrendelt.
- Herplaats de voorste richtingaanwijzer lamp fitting in de behuizing en draai hem een kwart slag met de klok mee tot de fitting op zijn plaats is vergrendeld.
- Maak de elektrische verbinding weer vast.
- Herplaats voorzichtig de voorste richtingaanwijzer lichteenheid in het voertuig.

natural_image
Medical illustration showing a surgical procedure on a car body with an inset view of internal fixation hardware (no text or labels)1RS106020
ACHTERSTE GECOMBINEERDE VERLICHTINGSLAMP VERVANGING
- Gebruik een kruiskopschroevedraaier, verwijder de drie (3) schroeven die achterste gecombineerde verlichtingseenheid met de carrosserie verbinden.
- Verwijder voorzichtig de lichteenheid uit het voertuig.

natural_image
Line drawing of hands holding a tool with wires, no text or symbols presentAS2B07033
- Draai de lamp fitting tegen de klok in en verwijder hem van de behuizing.
- Druk op de lamp en draai hem een kwart slag tegen de klok in en verwijder de lamp van de fitting.
- Steek een nieuwe lamp in de fitting, druk dan op de lamp en draai hem een kwart slag met de klok mee om hem te vergrendelen.

1RS106020A
- Herplaats de lamp fitting in de achterste gecombineerde verlichtingseenheid en draai hem een kwartslag met de klok mee om de fitting te vergrendelen.
- Herplaats voorzichtig de verlichtingseenheid in het voertuig.

natural_image
Line drawing of a rectangular device with a handle and control knob (no text or symbols)1RS106022
INTERIEURVERLICHTING
- Gebruik een platte schroevendraaier om het glaasje van de interieurverlichting te verwijderen.

natural_image
Line drawing of a vehicle interior panel with no text or symbolsAS2B07040
- Verwijder de lamp door hem in te drukken en een kwart slag linksom te draaien.
- Plaats een nieuwe lamp en monteer het geheel in omgekeerde volgorde.
De achterste laadruimte verlichting is het zelfde als de koepel verlichting. Dus u kunt de achterste laadruimte verlichting vervangen op dezelfde manier met de bovenstaande volgorde.

natural_image
Line drawing of a vehicle front view showing door, seat, and dashboard components (no text or symbols)1RS106023
KENTEKENPLAATVERLICHTING
- Gebruik een kruiskopschroevendraaier om het glaasje van de kentekenplaatverlichting te verwijderen.
- Trek de gloeilamp uit de fitting.
- Plaats een nieuwe lamp en monteer het geheel in omgekeerde volgorde.

natural_image
Line drawing of a washing machine with three compartments and a side panel (no text or symbols)1RS106021
CENTRALE HOOGGEPLAATSTE STO- PLICHT LAMP VERVANGING
- Gebruik een platte schroevedraaier, trek voorzichtig aan de inkeping aan de rechterzijde van de kap om hem te verwijderen.
- Draai de hooggeplaatste stoplicht lampfitting tegen de klok in en verwijder hem voorzichtig van de behuizing.

natural_image
Line drawing of hands holding a small object with a dollar sign, no text or symbols presentAS2B07033
- Druk op de lamp en draai hem een kwartslag tegen de klok in en verwijder de lamp van de fitting.
- Steek een nieuwe lamp in de fitting, druk dan op de lamp en draai hem een kwartslag met de klok mee om de lamp op zijn plaats te vergrendelen.
- Herplaats de lampfitting in de behuizing en draai hem een kwartslag met de klok mee om de fitting te vergrendelen.
- Breng de afdekkapnokken op een lijn met de inkepingen van de hooggeplaatste stoplicht behuizing en klik de afdekkap op zijn plaats.
Specificaties smeermiddelen
Aanbevolen smeermiddelen
Gebruik voor een optimale werking en een lange levensduur van motor en aandrijflijn uitsluitend olie en smeermiddelen van gerenommeerde merken. Gebruik van de juiste olie vergroot het rendement van de motor en reduceert het brandstofverbruik. Brandstofbesparende olie reduceert het verbruik omdat er minder energie nodig is voor het overwinnen van wrijving in de motor. Hoewel deze verbeteringen in het dagelijks gebruik vaak moelijk meetbaar zijn, bespaart dit soort olie op jaarbasis toch een aanzienlijke hoeveelheid brandstof. Aangeraden wordt dan ook deze olie te gebruiken, zolang de olie tenminste voldoet aan de voorgeschreven API-specificatie.
| Smeermiddelen | Classificatie |
| Motorolie* | API Service SG of SH |
| Olie handgeschakel de transmissie | API Service GL-4 (SAE 75W-90) |
| Vloeistof automatische transmissie(indien van toepassing) | SK ATF SP-III |
| Vloeistof stuurbekrachtiging | PSF-III |
| Rem-/koppelingsvloeistof | SAE J1703 of FMVSS116 DOT-3 |
* Zie voor de aanbevolen viscosteit de volgende de volgende bladzijde.
Aanbevolen viscositeitsindex
| Temperatuur bereik voor SAE kleverigheid nummers | |||||||||
| Temperatuur °C(°F) | -30 | -20 | -10 | 0 | 10 | 20 | 30 | 40 | 50 |
| -20 | 0 | 20 | 40 | 60 | 80 | 100 | 120 | ||
| Motorolie | 40 | ||||||||
| 30 | |||||||||
| 20W-20 | |||||||||
| 10W-30 | |||||||||
| 20W-40 | |||||||||
| 20W-50 | |||||||||
| 5W-30 | |||||||||
| 5W-20 | |||||||||
Voorzorgsmaatregelen voor controle Zorg ervoor dat u altijd de omgeving rond vuldoppen, aftappluggen en peilstok goed reinigt alvorens het niveau te controleren of de olie/vloeistof af te tappen. Dat is vooral van belang in gebieden me veel stof/zand en als er met de auto over onverharde wegen wordt gereden. Door het schoonmaken wordt voorkomen dat vuil en zand in de motor of in andere componenten binnendringt en schade veroorzaakt.
De viscositeit (vloeibaarheid) van de olie heeft invloed op het brandstofverbruik, het starten en de oliecirculatie bij lage buitentemperaturen. Motoroliën met een lage viscositeit verlagen het brandstofverbruik en verbeteren de prestaties van de motor bij lage buitentemperaturen; hogere buitentemperaturen vereisen echter een motorolie met een hogere viscositeit om de smering niet in gevaar te laten komen. Het gebruik van olie met een andere viscositeitsindex dan wordt aanbevolen, kan motorschade tot gevolg hebben.
Houd bij het kiezen van een olie rekening met de te verwachten buitentemperaturen en kies dan aan de hand van de tabel de juiste olie.
Onderhoud exterieur
Algemeen
Het is van groot belang bij gebruik van chemische reinigingsmiddelen of polisch de aanwijzingen van de fabrikant van het desbetreffende product te volgen. Lees de waarschuwingen en opmerkingen op het etiket.
Onderhoud van de lak
WASSEN
Was uw auto minimaal per maand grondig met lauw of koud water om de lak tegen roest en veroudering te beschermen. Besteed daarbij vooral aandacht aan opeenhopingen van zout, vuil, modder en dergelijke aan de onderzijde van de spatborden. Controleer of de afvoeropeningen aan de onderzijde van de portieren en de dorpels open en schoon zijn. Insecten, teer, sappen van bomen, uitwerpselen van vogels, industriële neerslag en dergelijke kunnen de lak van uw auto aantasten als ze niet direct verwijderd worden. Zelfs bij het direct verewijderen kan blijken dat water alleen niet toereikend is om de verontreiningen compleet te verwijderen. Gebruik in dat geval een speciale shampoo voor het reinigen van auto's.
OPMERKING
Gebruik geen agressieve reinigingsmiddelen of oplosmiddelen en was uw auto niet in de volle zon of als de carrosserie warm is.
Spoel na het gebruik van shampoo de auto grondig af met lauw of koud water. Laat de shampoo niet op de auto opdrogen.
IN DE WAS ZETTEN
De auto moet in de was gezet worden als het water op de lak niet langer druppels vormt.
Was en droog de auto altijd eerst voordat u hem in de was zet.
Gebruik een goede kwaliteit vaste of vloeibare was en volg de aanwijzingen van de fabrikant op.
Zet om de glans te behouden alle gelakte oppervlakken goed in de was.
AANWIJZING:
Het verwijderen van olie, teer en dergelijke stoffen met een vlekkenverwijderaar verwijdert tevens de was van de desbetreffende plek. Zet deze plek daarom na het verwijderen opnieuw in de was.
WAARSCHUWING!
Test na het wassen bij lage snelheid de remmen van uw auto om te controleren of de remwerking door binnengedrongen water verminderd is.
OPMERKING
- Het verwijderen van stof of vuil met een droge doek zal krassen in de lak veroorzaken.
- Gebruik geen staalwol, schuurmiddelen of sterk alkalische of bijtende oplosmiddelen op onderdelen die verchroomd zijn of op onderdelen die vervaardigd zijn van geanodiseerd aluminium. Het gebruik van deze middelen kan de bescermlaag aantasten waardoor vekleuring of glansverlies kan optreden.
Bijwerken van lakbeschadigingen
Repareer diepe krassen en steen- slagbeschadigingen direct om te voorkomen dat het blanke metaal gaat roesten en een ingrijpender reparatie noodzakelijk maakt.
OPMERKING
Laat eventuele schadereparaties aan uw auto uitsluitend uitvoeren door uw officiële Kia-dealer.
WAARSCHUWING!
- Motorruimte wassen met water kan storingen van de elektrische circuits die zich in het motor compartiment bevinden veroorzaken.
- Pas buitengewoon op wanneer men het motor compartiment wast met water
Onderhoud van verchroomde onderde- len
- Gebruik een teerverwijderaar en geen mes of ander scherp voorwerp voor het vewijderen vanteer of insecten.
- Breng ter bescherming een waslaag aan op verchroomde onderdelen of bescerm ze met een speciaal conserveringsmiddel.
- Bescherm de verchroomde onderdelen onder winterse omstandigheden of bij gebruik van de auto in kustgebieden met een dikkere laag was of conserveringsmiddel. U kunt eventueel vaseline of een ander bescermingsmiddel gebruiken.
Onderhoud van de onderzijde
Zand en pekel kunnen zich ophopen aan de onderzijde van de carrosserie. Als deze materialen niet verwijderd worden, kan versnelde roestvorming optreden aan brandostofleidingen, subframes, bodemplaat en uitlaatsysteem, ook al zijn deze onderdelen tegen corrosie bescermd. Spoel daarom de onderzijde en de wielkuipen eenmaal per maand en aan het eind van de winter grondig schoon met lauw of koud water. Besteed hieraan de nodige zorg; de opeenhopingen zijn niet altijd even gemakkelijk te zien. Als u het vuil allen maar nat maakt zonder het te verwijderen is het effect averechts. Houd ook de afvoeropeningen in portieren en dorpels blijft staan veroorzaakt roestvorming van binnen uit.
WAARSCHUWING!
Test na het wassen bij lage snelheid de remmen van uw auto om te controle- ren of de remwerking door binnenge- drongen water verminderd is.
Onderhoud van lichtmetalen velgen De lichtmetalen velgen zijn voorzien van een beschermende transparante laklaag.
AANWIJZING:
- Gebruik voor het reinigen van lichtmetalen velgen geen schuur- of polijstmiddelen, oplosmiddelen of staalborstels. Deze kunnen de beschermlaag aantasten.
- Gebruik voor het reinigen uitsluiten een zachte zeep of een neutraal oplosmiddel en spoel de velgen na het reinigen met veel water af. Reinig de velgen ook als u over wegen gereden heeft waarop pekel gestrooid is. Dit helpt corrosie te voorkomen.
- Laat de velgen niet reinigen met behulp van de op hoge snelheid draaiende borstels in de auto-wasserette.
Onderhoud interieur
Voorkom dat bijtende vloeistoffen als parfum en cosmetische oliën in aanraking komen met het dashboard, omdat deze beschadiging of verkleuring kunnen veroorzaken. Indien deze stoffen toch met het dashboard in aanraking komen, moeten ze direct worden verwijderd.
Reinigen van de bekleding
KUNSTSTOF
Verwijder los vuil van de kunststof bekleding met een veger of een stofzuiger. Reinig kunststof oppervlakken met een speciaal reinigingsmiddel.
LEER
Echt leer is niet regeimatig van oppervlak; er kunnen littekens, krassen en groeven te zien zijn. Reinig het leer met een speciaal reinigingsmiddel of met een zachte zeepoplossing. Veeg het schoon met een zachte, vochtige doek en wrijf het oppervlak daarnadroog met een droge, zachte doek.
STOFFEN BEKLEDING
Verwijder los vuil van stoffen bekleding met een veger of een stofzuiger. Reinig de bekleding met een zachte zeepoplossing die speciaal geschikt is voor het reinigen van bekleding en tapijten. Verwijder vlekken onmiddellijk met eenvlekkenverwijderaar. Op stoffen bekleding kunnen gemakkelijk vlekken ontstaan en bovendien kan de bekleding verkleuren en kunnen de brandwerende eigenschappen verminderen indien de bekleding niet op de juiste wijze wordt onderhouden.
OPMERKING
Het gebruik van andere dan de voorgeschreven reinigingsmiddelen kan het uiterlijk van de stoffen bekleding aantasten en de brandwerende eigenschappen verminderen.
Reinigen van de veiligheidsgordels Reinigen van de veiligheidsgordels met een zachte zeepoplossing die speciaal geschikt is voor het reinigen van bekleding en tapijten: volg de aanwijzingen op het etiket van het reinigingsmiddel. Bleek of verf de gordels nooit omdat dit een negatieve invloed op de sterkte van de gordel kan hebben.
Reinigen van de binnenzijde van de ruiten
Als de ruiten ann de binnenzijde verontreinigd zijn door een vettige laag, moeten ze gereinigd worden met een speciale glasreiniger. Volg de aanwijzingen op het etiket van de glasreiniger.
SPECIFICATIES
Voertuig identificatie Nummer (VIN) 8-2
Bandenspanning 8-2
Afmetingen 8-3
Gewichten 8-3
Airconditioning 8-3
Gloeilampen 8-4
Banden 8-4
Zekeringen 8-4
Overbrenging verhouding 8-4
Motor 8-5
Elektrische installatie 8-5
Inhouden 8-5
VOERTUIG IDENTIFICATIE NUMMER (VIN), BANDENSPANNING
Voertuig identificatie Nummer (VIN)

AS2B05004
Het voertuig identificatie nummer (VIN) is aangebracht op de in de afbeelding aangegeven plaats.
Bandespanning

AS2B05005
Het label waarop de bandenspanning is vermeld, is aangebracht op de in de afbeelding aangegeven plaats.
Technische gegevens
De hier gegeven technische gegevens zijn alleen voor algemene informatie.
Neem alstublieft contact op met een geautoriseerde Kia dealer voor meer precieze en meer actuele informatie.
Afmetingen
(Eenheid: mm)
| Item | Europa | Algemeen |
| Totale lengte | 4439 | 4450 |
| Totale breedte | 1709 | 1730 |
| Totale hoogte | 1642 | 1600 |
| Spoorbreedte voor | 1470 | 1470 |
| Spoorbreedte achter | 1465 | 1470 |
| Wielbasis | 2555 | 2570 |
Gewichten
(Eenheid: Kg)
| Versnellingsbak | GVWR | GAWR | ||
| Voor | Achter | |||
| Handges-chakelde | 5 zitpleatsen | 1750 | 895 | 895 |
| 6 zitpleatsen | 1792 | 905 | 965 | |
GVWR : bruto voertuig gewichtsverhouding
GAWR : bruto wagenas gewichtsverhouding
Airconditioning
| Koelmiddel voldoet aan SAE J639 | R134 |
| Maximale werklading | 700 g (25 oz.) |
GLOEILAMPEN, BANDEN, ZEKERINGEN, OVERBRENGING VERHOUDING
Gloeilampen
(Eenheid: W)
| Gloeilamp | Watt | ||
| Europa | Algemeen | ||
| Koplampen | 60/55 | 60/55 | |
| Richtingaanwijzerlampen voor | 21 | 21 | |
| Zijrichtingaanwijzerlampen voor | 5 | - | |
| Mislampen voor (indien van toepassing) | - | 55 | |
| Parkeerlampen | 5 | 5 | |
| Stop en achterlichten | 21/5 | 21/5 | |
| Achterlichten | 21/5 | 21/5 | |
| Richtingaanwijzerlampen achter | 21 | 21 | |
| Achteruitrijlampen | 21 | 21 | |
| Mislampen achter(indien van toepassing) | 21 | - | |
| Hooggeplaatste stoplichtlamp | 21 | - | |
| Kentekenplaat lamps | 5 | 5 | |
| Interieurlampen | - voor | 10 | 10 |
| - achter | 15 | 15 | |
| Bagageruimteverlichting(indien van toepassing)) | 5 | 5 | |
| Kaartleeslampen | 5 | 5 | |
Banden
| Bandenmaat | Bandenspanning | |
| Europa | Algemeen | |
| P185/65R 14 85H | 200 kPa2,0 Kg/cm ^2 29 psi | 210 kPa2,1 Kg.cm ^2 30 psi |
Zekeringen
Zie "zekeringen" in de index, A.U.B.
Overbrenging verhouding
(Eenheid: kg)
| Overbrenging | Handgeschakelde versnellingsbak | Automatische versnellingsbak |
| 1. | 3,307 | 2,800 |
| 2. | 1,733 | 1,540 |
| 3. | 1,310 | 1,000 |
| 4. | 1,030 | 0,700 |
| 5. | 0,795 | - |
| Achteruit | 3,166 | 2,333 |
MOTOR, ELEKTRISCHE INSTALLATIE, NHOUDEN
Motor
| Item | 1,8 DOHC |
| Boring x slag | 81,0 mm x 87,0 mm(3,19 in. x 3,43 in) |
| Cilinderinhoud | 1793 cc (109,4 cu. in) |
| Compressieverhouding | 9,5 : 1 |
Elektrische installatie
| Item | 1,8 DOHC | |
| Accu | PT 48-24GL MF 60AH | |
| Dynamo | 12V - 90 Amp | |
| Startmotor | M/T | 12V - 0,9 Kw |
| A/T | 12V - 1,2 Kw | |
| Bougie | El. afstand | 0,7 - 0,8 mm(0,0028 - 0,0032 in) |
| Type | NGK BKR6E | |
Inhouden
| Item | Liter | |
| Motorolie met filter | 4,0 | |
| Motorolie zonder filter | 3,8 | |
| Koelvloeistof | 6,0 | |
| Versnellingsbakolie | A/T | 2,7 |
| M/T | 5,4 | |
| Brandstoftank | 55 | |
MT: Hadgeschakelde versnellingsbak
AT: Automatische versnellingsbak
INDEX
A
Aanbevolen smeermiddelen .... 7-21
Aansteker 4-24
Accu 7-12
Achterbank 3-9
Achterklep 3-26
Achterruitenwisser en -sproeier . 4-23
Achterruitverwarming 4-23
Achterzijde stroomcontactdoos .. 4-26
Afmetingen 8-3
Airconditioning 8-3
Alarmknipperlichten 6-2
Antiblokkeersysteem (ABS) ..... 4-10
Asbak voor 4-25
Automatische tranmissie ..... 4-5
B
Bagage afdekking 4-26
Banden 7-13
Banden 8-4
Bandenspanning 8-2
Beschrijving zekering paneel ..... 6-7
C
Contactslot en stuurslot ..... 4-2
Controle niveau ruitensproeiervloeistof
7-10
D
Dashboardkastje 4-25
Doorwaden van water 5-6
Drinkbeker houder 3-33
E
Elektrisch bediende ruiten ..... 3-5
Elektrische installatie 8-5
G
Gebruik van dit instructieboekje .. 1-2
Gewichten 8-3
Gloeilampen 8-4
H
Handgeschakelde transmissie .... 4-4
1
Inhouden 8-5
Inrijprocedure 1-2
Instrumentenpaneel 4-12
Interieurverlichting 3-32
K
Kaartleeslampje 3-32
Koelvloeistofpeil 7-9
Koplampen 7-16
Koplampverstelling 4-19
L
Labels en codenummers ..... 5-12
Luchtifilter 7-11
M
Meters 4-14
Mistachterlicht 4-20
Mistlampen voorzijde 4-20
Motor 8-5
Motorkap 3-27
Motorolie en oliefilter 7-8
Motorruimte 7-7
N
Nood waarschuwingsknipperlicht .. 4-20
0
Onderhoud exterieur 7-23
Onderhoud interieur 7-25
Onderhoudsschema 7-3
Onderhoudswerkzaamheden ..... 7-2
Op eigen kracht lostrekken van de auto 5-5
Opbergvak voor zonnebril ..... 3-36
Overbrenging verhouding ..... 8-4
Overlading 5-12
Oververhitting 6-2
Overzicht dashboard 2-3
R
Remsysteem 4-7
Remsysteem 7-9
Richtingaanwijzers 4-18
Rijden onder moeilijke omstandigheden 5-5
Ruitensproeier 7-10
Ruitenwisserbladen 7-11
Ruitenwissers en ruitensproeirs . . 4-21
S
Schuif-/kanteldak 3-34
Slepen 6-11
Sleutels 3-2
Sneeuwkettingen 5-5
Specificaties smeermiddelen .... 7-21
Spiegels 3-30
SRSAirbagsysteem 3-22
Startblokkeersysteem 3-4
Starten meteen hulpaccu 6-3
Starten van de motor 4-3
Stoelen 3-6
Stuurbekrachtiging ..... 4-11, 7-10
Stuurwiel 3-29
Suggesties voor brandstofbesparing 5-3
T
Tankdopklepje 3-28
Trekken van een aanhangwagen .. 5-6
U
Uw auto in een oogopslag ..... 2-2
V
Veiligheidsgordels 3-13
Velgen 7-16
Vereiste brandstof 5-2
Vergrendelen/ontgrendelen ..... 3-2
Verlichting 4-17
Verstellen 3-7
Verwarmings- en ventilatiesysteem 4-27
Voertuig identificatie Nummer (VIN) 8-2
Voorzorgsmaatregelen emissieregelsysteem 5-2
Vóór het rijden 5-3
W
Waarschuwings- en controlelampjes/geluidssignaal .. 4-15
Waarschwing 4-26
Wiel verwisselen bij een lekke band 6-12
Z
Zekeringen 6-4
Zekeringen 8-4
Zonnekleppen 4-25
AFJO-HO1DB
(네덜란드어/유럽)
KIA KIA MOTORS