KIA

Rio (2000) - Mașină KIA - Manual de utilizare gratuit

Găsiți gratuit manualul dispozitivului Rio (2000) KIA în format PDF.

📄 132 pagini Română RO Descărcați 💬 Întrebare IA
Notice KIA Rio (2000) - page 1
Alegeți limba și furnizați adresa dvs. de email: vă vom trimite o versiune tradusă special.

Întrebările utilizatorilor despre Rio (2000) KIA

0 întrebare despre acest aparat. Răspundeți la cele pe care le cunoașteți sau puneți-vă propria.

Pune o întrebare nouă despre acest aparat

Emailul rămâne privat: este folosit doar pentru a vă anunța dacă cineva răspunde la întrebarea dumneavoastră.

Nicio întrebare deocamdată. Fiți primul care pune una.

Descărcați instrucțiunile pentru Mașină în format PDF gratuit! Găsiți manualul dvs. Rio (2000) - KIA și luați din nou în mână dispozitivul dvs. electronic. Pe această pagină sunt publicate toate documentele necesare pentru utilizarea dispozitivului dvs. Rio (2000) mărcii KIA.

MANUAL DE UTILIZARE Rio (2000) KIA

KIA Rio (2000) - 1

KIA MOTORS

Rio

Instructieboekie

VOORWOORD

Hartelijk dank voor het kiezen van een Kia.

Voor het uitvoeren van onderhoud aan uw nieuwe auto is de officiële Kia-dealer de aangewezen persoon. Hij kent uw auto het beste, heeft door de importeur getrainde monteurs in dienst, beschikt over originele Kia-onderdelen en de aanbevolén speciale gereedschappen en zal er alles aan doen u zo optimaal mogelijk van dienst te zijn.

Bewaar het instructieboekje in de auto voor een eventuele volgende eigenaar.

Dit instructieboekje zal u vertrouwd maken met de bediening, het onderhoud en de veiligheidsaspecten van uw nieuwe auto. Bij het instructieboekje hoort een boekje waarin u informatie vindt over de garantie. We raden u aan om deze informatie zorgvuldig te lezen en de daarin opgenomen aanwijzingen zorgvuldig op te volgen zodat u veilig en probleemloos van uw nieuwe auto kunt genieten.

Kia Motors Corporation rust zijn talrijke modellen uit met een grote verscheidenheid aan opties, componenten en kenmerken.

Het is dan ook mogelijk dat de uitrusting die in dit instructieboekje beschreven staat en die op illustraties afgebeeld is niet allemaal van toepassing is op uw auto. Als u vragen heeft, kunt u zich te allen tijde tot uw dealer wenden.

Wij zullen er alles aan doen om u optimaal en tot volle tevredenheid van uw nieuwe auto te laten genieten.

© 2000 Kia Motors Nederland b.v. Niets uit deze uitgave mag worden vermenig- vuldigd, in welke vorm dan ook, zonder de schriftelijke toestemming van Kia Motors Nederland b.v. WKA-81105

INHOUDSOPGAVE

INTRODUCTIE1
UW AUTO IN EEN OOGOPSLAG2
KENNISMAKEN MET UW AUTO3
RIJDEN MET UW AUTO4
AANWIJZINGEN VOOR HET RIJDEN5
WAT TE DOEN IN NOODGEVALLEN6
ONDERHOUD7
SPECIFICATIES8
INDEX9

INTRODUCTIE

1

Gebruik van dit instructieboekje 1-2

Inrijprocedure 1-2

Gebruik van dit instructieboekje

  • Bewaar dit instructieboekje in het dashboardkastje zodat u het te allen tijde kunt raadplegen.
  • Door het gehele instructieboekje heen vindt u termen als WAARSCHUWING, OPMERKING en AANWIJZING. Een WAARSCHUWING dient ervoor om u erop te wijzen bijzonder voorzichtig te zijn ter voorkoming van letsel. Een OPMERKING dient ervoor om te voorkomen dat u een fout maakt waardoor de auto beschadigd zou kunnen raken of waardoor u letsel zou kunnen oplopen. Een AANWIJZING geeft een suggestie voor een optimaal gebruik van uw auto.

- De in dit instructieboekje opgenomen specificaties en beschrijvingen gelden bij het ter perse gaan van dit boekje. Ormdat Kia voortdurend streeft naar verdergaande verbeteringen, behouden wij ons te allen tijde het recht voor zonder voorafgaande kennisgeving en zonder verdere verplichtingen wijzigingen in de specificaties aan te brengen. Verder is het van belang te weten dat dit instructieboekje van toepassing is op alle modellen in deze serie, inclusief alle opties. Het is dan ook mogelijk dat u beschrijvingen in dit instructieboekje aantreft die voor uw auto niet van toepassing zijn.

Inrijprocedure

U hoeft de auto niet gedurende een bepaalde periode in te rijden. U kunt echter door het opvolgen van een paar eenvoudige aanwijzingen gedurende de eerste 1.000 km de prestaties, het brandstofverbruik en de levensduur van uw auto in positieve zin beinvloeden :

  • Voer het toerental van de motor niet te hoog op.
  • Rijd niet gedurende langere tijd met een constante snelheid. Varieer de snelheid.
  • Vermijd plotseling afremmen, behalve in noodgevallen, om de onderdelen van het remsysteem de gelegenheid te geven op elkaar in te lopen.
  • Accelereer niet met vol gas.

UW AUTO IN EEN OOGOPSLAG

2

Uw auto in één oogopslag 2-2

Overzicht dashboard 2-4

Model 4 deuren
Technical diagram of a car interior with numbered parts for identification

  1. Buiten achteruitkijkspiegel
  2. Schuifdak (indien aanwezig)
  3. Hoofdsteun

  4. Stoel

  5. Lichten

  6. Brandstoftankdop

  7. Achterportier kinderslot

  8. Schakelaars van elektrische ruitenbediening (indien aanwezig)

  9. Deur

Model 5 deuren
Technical diagram of a car interior with numbered parts for identification

  1. Buiten achteruitkijkspiegel
  2. Schulfdak (indien aanwezig)
  3. Hoofdsteun
  4. Stoel

  5. Achter ruitewissers (indien aanwezig)

  6. Lichten
  7. Brandstoftankdop
  8. Achterportier kinderslot

  9. Schakelaars van elektrische ruitenbediening (indien aanwezig)

  10. Deur

Overzicht dashboard

Diagram of car airbag control panel with numbered labels pointing to various components like steering wheel, air bag, and dashboard.

  1. Licht regelaar / richtingaanwijzer schakelaar

  2. Stuurwiel

  3. Ruitewisser / ruitesproeler schakelaar

  4. Schakelhendel (A/T alleen)

  5. Nood waarschuwing knipperlicht schakelaar

  6. Radio (indien aanwezig)

  7. Airbag (indien aanwezig)

  8. Klimaatregeling

  9. Handschoenenvak

  10. Bekerhouder

  11. Sigarettenaansteker

  12. Asbak

  13. Parkeerrem

  14. Airbag (indien aanwezig)

  15. Motorkapontgrendeling

  16. Buiten achteruitkijkspiegel regelschakelaar (indien aanwezig)

KENNISMAKEN MET UW AUTO

Sleutels....3-2

Vergrendelen/ontgrendelen 3-2

Sloten 3-3

Startblokkeersysteem....3-4

Ruiten 3-5

Stoelen 3-6

Achterbank 3-9

Veiligheidsgordels 3-9

Veiligheid voor kinderen....3-10

Airbagsysteem 3-16

Achterklep, Kofferruimpe lamp 3-20

Motorkap 3-21

Tankdopklepje....3-22

Stuurwiel 3-23

Spiegels. 3-24

Interieurverlichting 3-26

Kaartleeslampje, Interieur voorziening .... 3-26

Middenste console, Sigarettenaansteker....3-27

Asbak, Handschoenenvak, Zonnekleppen....3-28

Bagageruimte afdekking, Stroomstopcontact ..... 3-29

Schuif-/kanteldak, Antenne. 3-20

Sleutels
V7246 Sleutelnummer KIA

Om eventueel later sleutels bij te kunnen bestellen, dient u het sleutelnummer te noteren en op een veilige plaats te bewaren.

Vergrendelen/ontgrendelen
Openen Sluiten

VAN BUITEN AF

Met sleutel

  • Beide voorportieren kunnen met de sleutel worden vergrendeld en ontgrendeld.
  • Trek de portiergreep omhoog om het portier te openen.

KIA Rio (2000) - Met sleutel - 1

natural_image Diagram showing a car's side mirror and window, with an arrow indicating a pull-down or adjustment (no text or symbols present)

Zonder sleutel

- Om een deur af te sluiten zonder de sleutel, druk op de binnenste deurvergrendel knop en sluit de deur.

OPMERKING

Verwijder altijd de contactsleutel en sluit de auto af als u deze onbeheerd achterlaat.

Ontgrendelen Vergrendelen

VAN BINNEN UIT

  • Om een deur af te sluiten, duw de deurvergrendelknop naar beneden.
  • Om een deur te ontgrendelen, trek de deurvergrendelknop omhoog.
  • Om een deur te openen, trek de portierkruk naar het midden van uw voertuig.

WAARSCHUWING!

Laat kinderen en huisdieren nooit zonder toezicht achter in de auto.

CENTRALE PORTIERVERGRENDELING Met sleutel

Alle portieren kunnen worden vergrendeld en ontgrendeld door het bestuurdersportier van buiten af te vergrendelen of te ontgrendelen.

Met vergrendelknop

Alle portieren kunnen worden vergrendeld en ontgrendeld door de vergrendelknop van het bestuurdersportier in te drukken of omhoog te trekken.

Inge- schakeld Uitge- schakeld

KINDERSLOT ACHTERPORTIER

Om het achterportier zodanig te sluiten dat het niet van binnen uit geopend kan worden, dient u alvorens het portier te sluiten de hevel van het kinderslot naar rechts te drukken.

Om het portier zowel van binnen uit als van buiten af te kunnen openen, moet eerst de vergrendelknop naar links worden getrokken.

Startblokkeersysteem

Uw auto is voorzien van een elektronisch startblokkeersysteem. Dit systeem bestaat uit een transponder (in de contactsleutel), een antenne (in de slotcilinder) en een startblokkeermodule. Wanneer u de sleutel in het contactslot steekt, controleert het systeem of de sleutel bij het contactslot hoort. Als dit niet het geval is, zal de motor niet starten.

WERKING

Activeren van het startblokkeersysteem Verwijder, om het startblokkeersysteem te activeren, de contactsleutel, sluit de portieren en vergrendel deze.

Het startblokkeersysteem is nu geactiveerd.

Het startblokkeersysteem zal eveneens automatisch geactiveerd worden 20 seconden nadat het contact in de stand LOCK gezet is, ook al zijn de portieren niet vergrendeld.

Uitschakelen van het

startblokkeersysteem

Het startblokkeersysteem wordt automatisch uitgeschakeld als de portieren worden ontgrendeld. Na het uitschakelen van het startblokkeersysteem kan de motor gedurende 2 minuten worden gestart. Na deze 2 minuten zal het startblokkeersysteem automatisch weer worden geactiveerd.

Uitschakelprocedure voor noodgevallen Als de transponder in de contactsleutel niet meer correct functioneert, kunt u het startblokkeersysteem uitschakelen door met behulp van het gaspedaal een unieke code in te voeren.

Dit codenummer vindt u op de achterzijde van de contactsleutel.

WAARSCHUWING!

Noteer het codenummer op een veilige plaats, niet in de auto.

Als onbevoegden te weten komen wat uw code is, verliest het startblokkeersysteem zijn waarde. Neem contact op met een officiële Kia-dealer als u uw codenummer kwijt bent.

Elektrisch bediende ruiten

WAARSCHUWING!

  • Wees voorzichtig bij het sluiten van de ruiten. Let erop dat er geen armen, benen of andere zaken bekneld raken.
  • Laat kinderen niet met de ruitbediening spelen. Ze zouden zich kunnen bezeren.

Type A Type B

BESTUURDERSZIJDE

Elecktrisc bediende ruiten (indien aanwezig)

Het contctslot moet in de ON-stand staan om elektrisc ritente kunnen bedienen. Elke deur heeft een eigen elektrische ruitbedieningsschakelaar.

AUTOMATISCHE BEDIENING

Type A

Door de schakelaar van de ruit van het bestuurdersportier tot de twede klik in te drukken en dan weer los te laten, zal de ruit geheel openen. Door de schakelaar omhoog te trekken wordt deze automatische bediening onderbroken.

Type B.

Voorramen kunnen geopend of gesloten worden met behulp van de elektrisch bediende ruiten hoofdregelaar in het bestuurdersportier. Om een raam te openen, druk op de overeenkomstige elektrische ruitbedieningsschakelaar. Om een raam te sluiten, de overeenkomstige elektrische ruitbedieningsschalelaat omhoog trekken.

UIT AAN

Als de blokkeerschakelaar van de elektrisch bediende portierruiten in de stand UIT staat, kunnen de ruiten uitsluitend met behulp van de hoofdschakelaar worden bediend.

KIA Rio (2000) - Type B. - 2

natural_image Line drawing of a hand holding a device with a handle and control knob (no text or symbols)

PASSAGIERSZIJDE

Druk de schakelaar aan de voorzijde in om de ruit te openen en trek de voorzijde van de schakelaar omhoog om de ruit te sluiten.

OPMERKING

Bedien nooit meer dan twee portierruiten tegelijk om doorbranden van de zekering te voorkomen.

Stoelen

WAARSCHUWING!

- Verstel de bestuurdersstoel nooit onder het rijden. Als dat wel gedaan wordt, kan de bestuurder de macht over het stuur verliezen, waardoor ongevallen en letsel veroorzaakt kunnen worden.

- Zorg ervoor dat bagage en andere voorwerpen de normale positie van de rugleuning niet hinderen. Indien de rugleuning niet volledig vergrendeld is, kan hij in geval van afremmen of een aanrijding plotseling naar voren komen.

Verstellen

KIA Rio (2000) - Verstellen - 1

natural_image Line drawing of a car seat and side mirror with three bowling pins, no text or symbols present

IN VOORWAARTSE EN ACHTERWAARTSE RICHTING

Trek de hendel aan de voorzijde omhoog om de stoel in voorwaartse of achterwaartse richting te verstellen. Schuif de stoel in de gewenste positie en laat de hendel los.

OPMERKING

Plaats niets onder de stoel. Losse voorwerpen kunnen de werking van het verstelmechanisme belemmeren.

KIA Rio (2000) - OPMERKING - 1

natural_image Line drawing of a car seat assembly showing seatbelt, seatbelt switch, and seatbelt buckle (no text or symbols)

RUGLEUNING

Leun iets naar voren en trek de hendel omhoog om de rugleuning te verstellen. Druk de leuning vervolgens met de rug in de gewenste positie en laat de hendel los. Controleer na het afstellen of de hendel zijn oorspronkelijke positie weer heeft ingenomen; een niet goed vergrendelde rugleuning kan onder het rijden plotseling bewegen, waardoor de bestuurder de macht over het stuur zou kunnen verliezen.

WAARSCHUWING!

Verstel de rugleuning niet verder naar achteren dan nodig is, om te voorkomen dat u in geval van een aanrijding onder de veiligheidsgordel door schuift. De bescherming die door de veiligheidsgordels geboden wordt is optimaal als de bestuurder en de voorpassagier goed rechtop zitten. Tijdens een aanrijding, vooral bij een frontale aanrijding, neemt de kans op letsel toe naarmate de rugleuning meer achterover helt. De bestuurder en de voorpassagier kunnen dan onder de gordel door schuiven waardoor het onderlichaam aan extreem hoge krachten kan worden blootgesteld.

Ontgrendelknop

HOOFDSTEUNEN

- Druk om de hoofdsteunen in hoogte te verstellen de ontgrendelknop in en stel de hoofdsteunen in de gewenste positie af.

WAARSCHUWING

  • Rijd niet in een auto waarvan de hoofdsteunen verwijderd zijn om het risico van letsel zoveel mogelijk te beperken.
  • Stel de hoofdsteunen zodanig af dat de bovenzijde zich ter hoogte van de bovenzijde van uw oren bevindt. Te laag afgestelde hoofdsteunen kunnen ernstig letsel veroorzaken.

Diagram illustrating car seat movement and gear rotation, showing a person seated on the seat with directional arrows indicating motion.

HOOGTEVERSTELLING BESTUURDERSSTOEL

  • De zitting kan aan de voorzijde hoger worden afgesteld door de knop aan de buitenkant van de zitting rechtsom te draaien terwijl u iets naar achteren leunt.
  • De zitting kan aan de voorzijde lager worden afgesteld door de knop linksom te draaien.

Armsteun (indien aanwezig)
KIA Rio (2000) - HOOGTEVERSTELLING BESTUURDERSSTOEL - 1

natural_image Line drawing of a car seat assembly with a circular arrow indicating rotation (no text or symbols)

Om de armsteun (geplaatst aan de zijkant van de rugleuning) te gebruiken, hem naar voren trekken.

Stoelzak kaartvak (passagierszijde) (indien aanwezig)

KIA Rio (2000) - HOOGTEVERSTELLING BESTUURDERSSTOEL - 2

natural_image Line drawing of a car seat assembly with a belt (no text or symbols)

Achterbank

WAARSCHUWING!

  • Als de rugleuning niet goed vergrendeld is, bestaat in geval van een aanrijding of plotseling afremmen de kans dat de passagiers of de meegevoerde bagage ineens naar voren schuiven, hetgeen letsel kan veroorzaken.
  • De bagage of de lading mag nooit hoger dan de rugleuning worden gestapeid, aangezien dat tijdens plotseling afremmen of een aanrijding gevaar op kan leveren.
  • Om letsel bij acceleratie, plotseling afremmen of een aanrijding te voorkomen, mogen er in de bagageruimte geen passagiers vervoerd worden. Passagiers mogen tijdens het rijden ook niet plaatsnemen op de neergeklapte rugleuning.
  • Laat bij een neergeklapte rugleuning ook geen kinderen achterin spelen.

AANWIJZING:

Controleer of de rugleuning goed vergrendeld is.

Gedeelde omklapbare achterbank (indien aanwezig)

KIA Rio (2000) - AANWIJZING: - 1

natural_image Simple line drawing of a computer mouse on a stand with a curved top and base (no text or symbols)

De achterrugleuningen klappen naar voren om extra laadruimte te verschaffen en toegang tot de kofferruimte te verschaffen.

  • Om de achter rugleuning(en) naar beneden te vouwen, trek de ontgrendelknop geplaatst in de bovenkant van de rugleuningen omhoog, klap dan de rugleuning naar voren en naar beneden.
  • Om de rugleuning omhoog te doen, til hem op en druk hem stevig naar achteren tot hij op zijn plaats klikt.
  • Wanneer u de rugleuning terugzet in de originele stand, herplaatste achterste veiligheidsriemen zodat zij door achterbankpassagiers kunnen worden gebruikt.

Veiligheidsgordels

Om de kans op letsel of de ernst daarvan bij een aanrijding of bij plotseling afremmen zoveel mogelijk te beperken, raden wij u en uw passagiers aan te allen tijde gebruik te maken van de veiligheidsgordels en deze op de juiste manier te dragen. De oprolautomaten zorgen ervoor dat de gordels het in-en uitstappen niet hinderen. het blokkeermechanisme zorgt ervoor dat de gordel onder normale omstandigheden comfortabel meegeeft maar bij sterk afremmen of bijeen aanrijding automatisch blokkeert.

WAARSCHUWING!

  • Veiligheidsgordels kunnen beschadigd raken als ze blootgesteld worden aan grote trekkrachten. Alle veiligheidsgordels die tijdens een ernstige aanrijding zijn gebruikt, moeten compleet vervangen worden. Laat de bevestigingspunten indien nodig op de juiste wijze repareren.
  • Het niet dragen van de veiligheidsgordel vergroot de kans op ernstig letsel aanzienlijk.

VEILIGHEIDSGORDELS EN ZWANGERE VROUWEN

Ook zwangere vrouwen dienen een veiligheidsgordel te dragen, tenzij hun arts daar bezwaar tegen heeft. Het heupgedeelte moet GOED AANLIGGEN EN ZICH ZO LAAG MOGELIJK BEVINDEN.

VEILIGHEIDSSYSTEMEN VOOR BABY'S EN KLEINE KINDEREN

Kleine kinderen en baby's worden optimaal beschermd als ze vervoerd worden in goedgekeurde kinderzijtes. Laat een kind nooit knielen of staan op de zitting van een rijdende auto en draag nooit samen met een kind één veiligheidsgordel. Vervoer een kind ook nooit op schoot of in uw armen. Bij een aanrijding treden er zulke grote krachten op, dat het kind door de auto zal vliegen, waardoor het ernstig letsel kan oplopen.

Kinderzitjes worden geleverd door verschillende fabrikanten. Een goedgekeurd kinderzitje voldoet aan de wettelijke voorschriften.

Let er bij het kopen van een kinderzitje op dat het stevig in de auto gemonteerd kan worden. Volg voor het monteren van het kinderzitje de aanwijzingen van de fabrikant op.

AANWIJZING:

  • Alle kinderzitjes zijn zodanig ontworpen dat ze met de heupgordel of met een driepuntsgordel kunnen worden vastgezet.
  • Indien een kinderzitje niet goed is vastgezet, kan het kind bij een aanrijding ernstig letsel oplopen.

OPMERKING

  • Koop geen kinderzitje dat gemonteerd moet worden aan bevestigingspunten die in uw auto niet aanwezig zijn.
  • Controleer bij hoge buitentemperaturen eerst of de bekleding en de gesp van het kinderzitje niet te heet zijn voordat u het kind in het kinderzitje laat plaatsnemen.
  • Verwijder een niet gebruikt kinderzitje of zet het met de veiligheidsgordel goed vast zodat het bij plotseling sterk afremmen of tijdens een aanrijding niet door de auto kan schieten.
  • Plaats, als de auto is voorzien van airbags, geen kinderzitje waarin het kind met het gezicht naar achteren gericht zit op de voorstoel.

KIA Rio (2000) - OPMERKING - 1

natural_image Line drawing of a car seatbelt with a strap and seat, no text or symbols present

GROTERE KINDEREN

Kinderen die het kinderzitje ontgroeid zijn, moeten gebruik maken van de in de auto aanwezige veiligheidsgordels. Zowel het heup- als het schoudergedeelte dienen te worden gebruikt. Als het kind nog zo klein is dat het schoudergedeelte over de hals of het gezicht van het kind loopt, moet het kind verder naar het midden van de auto plaatsnemen.

KIA Rio (2000) - GROTERE KINDEREN - 1

natural_image Line drawing of a child sitting in a car seat (no text or symbols)

Bovenstaande procedure moet elke keer als het zitje wordt geplaatst, worden herhaald.

VEILIGHEIDSGORDELS

WAARSCHUWING!

  • Draag het schoudergedeelte van de gordel nooit onder uw arm.
  • Draag het schoudergedeelte van de gordel nooit achter de nek langs en over de schouder aan de zijde van de gesp.
  • Gebruik nooit één veiligheidsgordel voor meerdere personen.
  • Draag het schoudergedeelte altijd over de schouder aan de zijde van het bovenste bevestigingspunt.
    Het niet opvolgen van deze aanwijzingen kan de kans op letsel vergroten.

AANWIJZING:

Indien de gordel bij het uittrekken blokkeert, moet hij eerst door de oprolautomaat geheel worden opgerold en vervolgens tot op de gewenste lengte worden uitgetrokken.

KIA Rio (2000) - AANWIJZING: - 1

natural_image Simple line drawing of a person sitting cross-legged with two legs crossed, no text or symbols present.

Veiligheidsriem waarschuwingslicht Als de bestuurders schoot/schouder riem niet is vastgemaakt wanneer de sleutel op ON gedraaid wordt, zal het veiligheidsriem-waarschuwingslicht voor enige seconden oplichten.

KIA Rio (2000) - AANWIJZING: - 2

natural_image Illustration of a person using a seatbelt to adjust the seatbelt (no text or symbols present)

VASTMAKEN VAN DE VEILIGHEIDSGORDELS

  1. Pak de gordelsluiting en de gesp vast.
  2. Trek de gordel langzaam uit.
  3. Steek de gesp in de gordelsluiting totdat u een klik hoort. De klik geeft aan dat de gordel goed vergrendeld is.

KIA Rio (2000) - VASTMAKEN VAN DE VEILIGHEIDSGORDELS - 1

natural_image Illustration of a person seated in a chair holding a long object, with arrows indicating direction (no text or symbols)

Leg het heupgedeelte ZO LAAG MOGELIJK OM DE HEUPEN om het risico dat u bij een aanrijding onder de gordel doorschiet zoveel mogelijk te beperken. Stel de gordel af door hem STRAK tegen het lichaam aan te trekken. De oprolautomaat is ontworpen om een teveel aan speling automatisch op te heffen en de gordel de benodigde spanning te geven.

KIA Rio (2000) - VASTMAKEN VAN DE VEILIGHEIDSGORDELS - 2

natural_image Illustration of a person sitting on a car seatbelt with a magnified inset showing the seatbelt (no text or symbols present)

LOSMAKEN VAN DE VEILIGHEIDSGORDEL

Druk de knop op de gordelsluiting in om de gordel los te maken.

Bovenste bevestigingspunt

HOOGTEVERSTELLING BOVENSTE BEVESTIGINGSPUNT

Het bovenste bevestigingspunt van de veiligheidsgordels vóór kan in vier verschillende posities worden afgesteld. Trek de knop naar buiten, verstel het bevestigingspunt en laat de knop weer los.

KIA Rio (2000) - LOSMAKEN VAN DE VEILIGHEIDSGORDEL - 2

natural_image Line drawing of a person's hands holding a small object, possibly a tool or device, with no visible text or symbols.

VEILIGHEIDSGORDELS ACHTER (met oprolautomaat)

Gebruik de veiligheidsgordels achter op dezelfde manier als de veiligheidsgordels voor.

Te hoog Zo laag mogelijk

HEUPGORDEL
(zonder oprolautomaat)

Vastmaken

  1. Pak het uiteinde van de gordel vast.
  2. Steek de gesp in de gordelsluiting totdat u een klik hoort. De klik geeft aan dat de gordel goed vergrendeld is.
    Leg de heupgordel ZO LAAG MOGELIJK OM DE HEUPEN.

Korter maken Langer maken

Stel indien nodig de lengte van de heupgordel af. Houd de gesp haaks op de gordel en trek eraan om de gordel langer te maken. Trek aan het losse uiteinde van de gordel om de gordel korter te maken en houd ook daarbij de gesp haaks op de gordel.

KIA Rio (2000) - Vastmaken - 2

natural_image Line drawing of two hands holding a small object, possibly a tool or device, with no visible text or symbols.

Losmaken van de veiligheidsgordel Druk de knop op de gordelsluiting in om de gordel los te maken.

JUIST GEBRUIK EN ONDERHOUD VAN DE VEILIGHEIDSGORDELS

Neem voor een optimaal en effectief gebruik van de veiligheidsgordels onderstaande aanwijzingen in acht:

  • Draag de gordels te allen tijde - ook tijdens korte ritten.
  • Gebruik nooit één veiligheidsgordel voor meerdere personen.
  • Zorg ervoor dat de veiligheidsgordels niet gedraaid zitten.
  • Zorg ervoor dat de veiligheidsgordels en de overige onderdelen van het systeem niet in aanraking kunnen komen met scherpe randen of met voorwerpen die beschadigingen zouden kunnen veroorzaken.
  • Controleer de gordels, bevestigingspunten, gordelsluitingen en overige onderdelen regelmatig op slijtage, beschadiging en zwakke punten. In dubieuze staat verkerende onderdelen moeten direct worden vervangen.
  • Reining de gordels met een mild reinigingsmiddel zoals dat wordt aanbevolen voor het reinigen van bekleding of vloerbedekking; raadpleeg de aanwijzingen die bij het schoonmaakmiddel geleverd worden. De gordels nooit bleken of verven, aangezien ze daardoor verzwakt kunnen worden.

  • Het gordelsysteem mag door de gebruiker niet worden gemodificeerd.

  • Controleer na het ormdoen van de gordel of deze niet wordt gehinderd door stoelhendels en dergelijke.

WAARSCHUWING!

Alle veiligheidsgordels, inclusief de oprolautomaten en de bevestigingspunten, dienen na een aanrijding te worden gecontroleerd. Aangeraden wordt alle veiligheidsgordels die ten tijde van een aanrijding gedragen werden na iedere aanrijding van betekenis te vervangen. Ook de gordels die niet werden gebruik, moeten worden gecontroleerd en worden vervangen als ze tekenen van beschadiging vertonen.

SRS airbagsysteem (indien aanwezig)

Het SRS airbagsysteem bestaat uit een airbag voor de bestuurder en een airbag voor de voorpassagier.

Airbags zijn bedoeld als een extra, aanvullende veiligheidsvoorziening die, naast de veiligheidsvoorziening die, naast de veiligheidsgordels, de inzittenden van de auto bescherming moeten bieden in geval van een frontale aanrijding.

WAARSCHUWING!

  • Een airbag vervangt een veiligheidsgordel niet maar vormt er een aanvulling op. Daarom moeten de veiligheidsgordels te allen tijde worden gedragen.
  • De elektronica van het airbagsysteem is gevoelig voor vocht. Raadpleeg de Kia-dealer als er abnormaal veel vocht in het interieur aanwezig is.

De belangrijkste onderdelen van het airbagsysteem zijn:

  • De airbag voor de bestuurder in het stuurwiel en de airbag voor de voorpassagier in het dashboard.
  • Het diagnosesysteem dat de belangrijkste onderdelen van het systeem controleert zolang het contact in de stand ON staat.
  • Een waarschuwingslampje dat eventuele storingen in het systeem aangeeft.
  • Een backup-accu waarmee de airbags geactiveerd kunnen worden, ook al is de verbinding met de normale accu ten gevolge van de aanrijding verbroken.
    Of de airbags al dan niet worden geactiveerd, wordt bepaald door een aantal sensoren die bij een bepaalde intensiteit van de aanrijding een signaal naar de ontstekings modules van de airbags sturen.

Als de auto voorzien is van airbags staat op het stuurwiel en het dashboard de vermelding "SRS AIR BAG".

KIA Rio (2000) - WAARSCHUWING! - 1

natural_image Line drawing of a car dashboard and steering wheel (no text or symbols)

AIRBAG VOOR DE BESTUURDER

De airbag voor de bestuurder bevindt zich in het stuurwiel. Als bij een aanrijding de airbag geactiveerd word, ontvouwt hij zich waardoor hij uw bovenlichaam en uw hoofd beschermt.

Het activeren van de airbag gaat gepaard met nogal wat geluid en met enige rookvorming. Dat is een normaal verschijnsel dat veroorzaakt wordt doordat de airbag met behulp van een gasgenerator wordt gevuld.

KIA Rio (2000) - AIRBAG VOOR DE BESTUURDER - 1

natural_image Illustration of a person sitting in a leather chair, holding a book and a pen (no text or symbols present)

Al vermindert de airbag de kans op ernstige verwondingen en kan hij uw leven redden, de kracht waarmee de airbag gevuld wordt kan schaafwonden, blauwe plekken en ander letsel veroorzaken. Daarom moet u zich altijd zó ver van het stuur af bevinden als vanuit het oogpunt van veiligheid verantwoord is.

Nadat de airbag zich geheel gevuld heeft, begint hij direct weer leeg te lopen, zodat hij uw uitzicht niet belemmert en u niet beperkt in uw bewegingen.

Het vullen en leeglopen van de airbag duurt slechts een fractie van een seconde. Het kan zelfs zijn dat u niet eens gemerkt heeft dat de airbag geactiveerd is.

WAARSCHUWING!

  • Als een airbag geactiveerd is, zijn de gasgenerator en de bijbehorende onderdelen erg heet. Raak deze daarom niet aan.
  • Bewaar voldoende afstand tot het stuurwiel. Bij een te geringe afstand kan de airbag tijdens het activeren letsel veroorzaken.
  • Plaats geen voorwerpen op de airbag of tussen de airbag en uzelf.
  • Draag altijd uw veiligheidsgordel. De airbags worden uitsluitend bij frontale aanrijdingen geactiveerd en bieden geen bescherming bij aanrijdingen van opzij of van achteren, bij over de kop slaan of bij lichte frontale aanrijdingen.

KIA Rio (2000) - WAARSCHUWING! - 1

natural_image Line drawing of a car interior panel with directional arrow indicating traffic flow (no text or symbols)

AIRBAG VOORPASSAGIER

WAARSCHUWING!

  • In auto's met een airbag mag op de stoel voor de voorpassagier nooit een kinderzitje worden geplaatst waarin het kind met het gezicht naar achteren zit. In een dergelijk zitje kan een kind ernstig letsel oplopen als de airbag geactiveerd wordt, omdat het zitje zich te dicht bij de airbag bevindt.
  • Het niet opvolgen van de instructies hierna en van de instructies van de fabrikant van het kinderzitje kan de kans op en/of de ernst van letsel bij een ongeval vergroten.

De kracht die met het opblazen van de airbag voor de voorpassagier gepaard gaat kan ernstig letsel veroorzaken indien de passagier zich te dicht bij de airbag bevindt. Het is daarom belangrijk de veiligheidsgordel te dragen en achterin de stoel plaats te nemen.

Vanwege de airbag is het niet toegestaan een kinderzitje op de stoel voor de voorpassagier te monteren waarin het kind met het gezicht naar achteren zit. Ook raden wij u aan geen kinderzitje op de stoel voor de voorpassagier te monteren waarin het kind met het gezicht naar voren zit. In een dergelijk zitje loopt het kind het risico letsel op te lopen als de airbag geactiveerd wordt.

Indien het noodzakelijk is dat een dergelijk zitje gemonteerd wordt, moet de stoel zo ver mogelijk naar achteren worden geschoven.

WAARSCHUWING!

  • Bewaar voldoende afstand tot de airbag. Bij een te geringe afstand kan de airbag tijdens het activeren letsel veroorzaken.
  • Plaats geen voorwerpen op de airbag of tussen de airbag en de voorpassagier.
  • Draag altijd uw veiligheidsgordel. De airbags worden uitsluitend bij frontale aanrijdingen geactiveerd en bieden geen bescherming bij aanrijdingen van opzij of van achteren, bij over de kop slaan of bij lichte frontale aanrijdingen.

KIA Rio (2000) - WAARSCHUWING! - 1

natural_image Simple line drawing of a person in motion, possibly playing basketball or diving (no text or symbols)

WAARSCHUWINGSLAMPJE SRS

Het waarschuwingslampje SRS in het instrumentenpaneel heeft tot taak u te waarschuwen in geval van een defect in het airbagsysteem.

Laat het airbagsysteem zo snel mogelijk controleren indien:

  • Het waarschuwingslampje niet gaat branden als u het contact in de stand ON zet.
  • Het waarschuwingslampje niet uitgaat, enkele seconden nadat de motor gestart is.
  • Het waarschuwingslampje onder het rijden gaat branden of knipperen.

ONDERHOUD AIRBAGSYSTEEM

Onderhoudswerkzaamheden aan het het airbagsysteem dient u over te laten aan de officiële Kia-dealer.

  • Een geactiveerde airbag moet worden vervangen. Probeer een geactiveerde airbag niet zelf te verwijderen maar laat dit over aan een officiële Kia-dealer.
  • Laat het airbagsysteem zo spoedig mogelijk controleren als het waarschuwingslampje SRS aangeeft dat er in het systeem een probleem is opgetreden. Als u dat niet doet, loopt u het risico dat het systeem niet werkt op het moment dat het zou moeten werken.

WAARSCHUWING!

  • Laat ook na een aanrijding waarbij de airbags niet geactiveerd zijn het airbagsysteem door de Kia-dealer controleren. Ook een lichte aanrijding kan onderdelen van systeem beinvloeder waardoor het niet juist functioneert.
  • Breng zelf geen veranderingen aan aan het stuurwiel of aan enig ander onderdeel van het airbagsysteem. Wijzigingen kunnen de juiste werking van het systeem in gevaar brengen.
  • Een onjuiste behandeling van onderdelen of bedrading van het airbagsysteem zou de juiste werking van het systeem in gevaar kunnen brengen.
  • Indien door derden aan uw auto gewerkt wordt, dient u deze in te lichten over het feit dat uw auto voorzien is van een airbagsysteem. Het niet naleven van de aanwijzingen kan leiden tot een onverhoeds activeren van de airbag, waardoor ernstig letsel kan ontstaan.
  • Wijs een eventuele volgende eigenaar van uw auto op dit gedeelte in het instructieboekje.

Achterklep
Opened slot achterklep Opened

  • Achterklep openen Steek de sleutel in het slot en draai de sleutel rechtsom.
  • Achterklep sluiten Druk de klep met twee handen naar beneden totdat de klep in het slot valt. Gooi de achterklep niet hard dicht. Voel na het sluiten of de klep goed dichtzit door hem omhoog te trekken.

WAARSCHUWING!

Rijd niet met geopende achterklep om te voorkomen dat uitlaatgassen het interieur ingezogen worden.

KIA Rio (2000) - WAARSCHUWING! - 1

natural_image Simple line drawing of a car interior with two parking meters and a downward arrow (no text or symbols)

ONTGRENDELING ACHTERKLEP van binnen uit

Trek aan de hevel links naast de bestuurdersstoel om de achterklep te ontgrendelen.

Kofferruimte lamp
KIA Rio (2000) - ONTGRENDELING ACHTERKLEP van binnen uit - 1

natural_image Line drawing of a car viewed from the front, showing the lid and side panel (no text or symbols)

Deze lamp gaat aan wanneer de kofferbak wordt geopend. Het gaat continue branden tot de kofferbak gesloten is.

WAARSCHUWING!

Wanneer u de kofferbak sluit, overtuig uzelf dat hij goed gesloten is. Als de kofferbak niet secuur is gesloten, gaat de lamp niet uit en kan het ontladen van de accu veroorzaken.

Motorkap
Knop motorkapontgrendeling Trekken

  1. Trek aan de knop om de motorkap te ontgrendelen.

Veiligheidshaak KIIA

  1. Trek de veiligheidshaak omhoog en open de motorkap.

KIA Rio (2000) - WAARSCHUWING! - 3

natural_image Diagram of a medical procedure showing a catheter inserted into a tube, with no visible text or labels
  1. Ondersteun de motorkap met de daartoe bestemde stang.

Controleer alvorens de motorkap te sluiten of de stang goed in de clip zit om bijgeluiden te voorkomen.

Sluiten van de motorkap

  • Controleer de motorruimte om u ervan te overtuigen dat alle vuldoppen weer geplaatst zijn en dat alle losse voorwerpen verwijderd zijn.
  • Laat de motorkap zakken en druk hem in het slot. Gooi de motorkap niet hard dicht.

Tankdopklepje

KIA Rio (2000) - Tankdopklepje - 1

natural_image Diagram showing two vehicle positions on a road, one with an oval object and the other with a rectangular device (no text or symbols)

Afstand ontgrendelen van brandstof vulklep (Type A)

Trek de ontgrendelhendel omhoog (geplaatst in de vloer aan de linker voorhoek van de bestuurders stoel) om de vulkiep te openen.

Manuele ontgrendeling van brandstof vulklep (Type B)

Open de brandstof vulklep met de hand aan de buitenzijde van het voertuig.

Losdraalen Vastdraalen Tankdop

- Plaats de tankdop en draai hem rechtsom totdat hij klikt. Dat geeft aan dat de tankdop goed vastzit.

OPMERKING

Mors geen brandstof op gelakte oppervlakken. Brandstof kan de lak aantasten waardoor deze zijn glans verliest.

WAARSCHUWING!

- De brandstof kan onder druk staan. Verwijder de tankdop daarom voorzichtig en langzaam. Als er brandstof naar buiten komt of er een sissend geluid hoorbaar wordt, moet u even wachten voordat u de dop verder losdraait. Pas als er geen brandstof meer naar buiten komt of als het geluid is opgehouden, mag de dop verder worden losgedraaid. Als deze aanwijzingen niet worden opgevolgd, kan de brandstof naar buiten komen waardoor letsel kan ontstaan.

- Brandstofdampen kunnen uiterst gevaarlijk zijn. Zet tijdens het tanken de motor af en houd vonken en open vuur uit de buurt van de vulpijp.

AANWIJZING

  • De vulpijp is zodanig ontworpen dat alleen een vulpistool voor loodvrije benzine probleemloos past, zodat voorkomen wordt dat er verkeerde benzine getankt wordt.
  • Gebruik, als de tankdop vervangen moet worden, uitsluitend een originele Kia-dop of een andere, voor uw auto geschikte dop. Een verkeerde tankdop kan een ernstige storing in het brandstofsysteem of in het systeem voor de afzuiging van de brandstofdampen veroorzaken. De juiste tankdop is verkrijgbaar bij de officiële Kia-dealers.
  • Druk voorzichtig tegen de tankdopklep of tik er zachtjes op als deze vastgevroren zit.

Stuurwiel
S.R.$ AIR BAG

Claxon (met airbag)

Om te claxonneren, druk op het claxon symbool op uw stuurwiel. Beproef de claxon regelmatig om zeker te zijn van de goede werking.

KIA Rio (2000) - Claxon (met airbag) - 1

natural_image Simple line drawing of a circular mechanical or architectural component with concentric layers and a central circular feature (no text or symbols)

Claxon (model zonder airbag)

Om te claxonneren drukt u op het claxonsymbool in het midden van het stuur.

Spiegels

BUITENSPIEGELS

Stel voor het rijden eerst de spiegels af.

WAARSCHUWING!

Uw auto kan uitgerust zijn met convergerende buitenspiegels. Deze spiegels verkleinen het beeld, waardoor objecten dichterbij zijn dan ze lijken. Men dient daarom voorzichtig te zijn bij het gebruik van de spiegel voor het inschatten van de afstand tot het achteropkomend verkeer bij het veranderen van rijstrook. Gebruik voor het bepalen van de afstand tot het achteropkomend verkeer uw binnenspiegel.

OPMERKING

Gebruik geen krabber om de spiegel ijsvrij te maken; hierdoor kan het spiegelglas beschadigd raken. Forceer een bevroren spiegel niet tijdens het verstellen. Ontdooi de spiegel (bijvoorbeeld met een ruitontdooispray) en verwijder sneeuw met een spons of een zachte doek.

KIA Rio (2000) - OPMERKING - 1

natural_image Simple line drawing of a car's side mirror and rearview brackets (no text or symbols)

VAN BINNEN UIT VERSTELBARE BUITENSPIEGEL

Verstel de spiegel met behulp van de hendel aan de binnenzijde.

Keuze-schakelaar Bedienings-schakelaar

ELEKTRISCH VERSTELBARE BUITENSPIEGEL

De schakelaar voor het verstellen van de spiegel bevindt zich op het dashboard. Met behulp van deze schakelaar kunnen de rechter en de linker buitenspiegel worden afgesteld.

  1. Zet de keuzeschakelaar in de stand links of rechts, afhankelijk van de spiegel die u wilt afstellen.
  2. Druk de schakelaar aan de desbetreffende zijde in om de spiegel te verstellen.

OPMERKING

  • Zet de keuzeschakelaar in de middenstand (OFF) als de spiegels goed afgesteld zijn.
  • De spiegel stopt met bewegen als de maximale stelhoek bereikt is. De stelmotor blijft echter draaien zolang de schakelaar ingedrukt blijft. Druk daarom de schakelaar niet langer in dan nodig is.

Hendel Dag Nacht

BINNENSPIEGEL MET DAG/NACHT-STAND

Stel de binnenspiegel zo af dat u in het midden van de spiegel het midden van de achterruit ziet. Stel de spiegel af als deze in de dag-stand staat.

Trek de hendel midden onder de spiegel naar u toe om de spiegel in de nacht-stand te zetten om verblinding door de koplampen van achteropkomend verkeer te voorkomen.

AANWIJZING:

Houd er rekening mee dat het beeld in de spiegel in de nacht-stand minder duidelijk is dan in de dag-stand.

WAARSCHUWING!

Plaats nooit grote voorwerpen op het vlakke gedeelte achter de achterbank aangezien die het uitzicht belemmeren. Bovendien kunnen deze voorwerpen gevaar opleveren tijdens plotseling afremmen of bij een aanrijding, omdat ze dan naar voren worden geslingerd.

INTERIEURVERLICHTING, KAARTLEESLAMPJE, INTERIEUR VOORZIENING

Interieurverlichting
OFF ON OFF ← ○ → ON

De schakelaar op het lampje van de interieurverlichting heeft drie standen:

  1. OFF: interieurverlichting uit
  2. •: Interieurverlichting aan bij open portier
  3. ON: interieurverlichting aan

Kaartleeslampje
KIA Rio (2000) - INTERIEURVERLICHTING, KAARTLEESLAMPJE, INTERIEUR VOORZIENING - 2

natural_image Line drawing of a car dashboard with front and rear seats, showing no text or symbols

Deze lichtschakelaar heeft twee standen:

• OFF: Het licht blijft uit (OFF) zelfs wanneer een deur open is
- DOOR: Het licht aan bestuurderszijde gaat aan (ON) wanneer de deur opent en het licht gaat uit (OFF) wanneer de deur sluit.

De lichten worden aan- en uitgeschakeld door de overeenkomstige schakelaars in te drukken.

Interieur voorziening
KIA Rio (2000) - INTERIEURVERLICHTING, KAARTLEESLAMPJE, INTERIEUR VOORZIENING - 3

natural_image Interior view of a car dashboard with steering wheel and seatbelt, showing directional arrow (no text or symbols)

Bekerhouder

Druk op de bekerhouder, laat hem dan los om de bekerhouder de gelegenheid te geven om langzaam uit het instrumentenpaneel naar buiten te komen.

Om de bekerhouder terug in zijn gesloten stand te zetten, druk hem geheel in het instrumentenpaneel. Het bekerhouder klinkmechanisme zal "klikken" wanneer hij in de vergrendelde stand is.

WAARSCHUWING!

Plaats geen bekers met heet drinken op de armsteun tijdens het rijden. Als u de vloeistof morst, kunt u zich branden.

Middenste console
KIA Rio (2000) - INTERIEURVERLICHTING, KAARTLEESLAMPJE, INTERIEUR VOORZIENING - 4

natural_image Line drawing of a hand using a mechanical gear shift lever (no text or symbols)

Gebruik het voor opbergen van kleine voorwerpen of als bekerhouder.

Sigarettenaansteker
KIA Rio (2000) - INTERIEURVERLICHTING, KAARTLEESLAMPJE, INTERIEUR VOORZIENING - 5

natural_image Line drawing of a car interior with a hand holding a circular button (no text or symbols)

Om de sigarettenaansteker te laten werken, druk hem kort in en laat hem los. Wanneer hij verhit is, springt hij automatisch naar buiten klaar voor gebruik. Als de motor niet loopt, moet het contactslot in de ACC stand zijn om de aansteker te laten werken.
Gebruik geen enkele namaak stroomverbruiker. Dit kan het stroomstopcontact beschadigen of een elektrische storing veroorzaken.

WAARSCHUWING!

  • Houd de aansteker niet ingedrukt omdat hij oververhit zal raken.
  • Alleen een originele Kia aansteker of gelijkwaardige mag in de sigarettenaanstekerhouder gebruikt worden. Het gebruik van elektrische accessoires (bijvoorbeeld scheerapparaten, handstofzuigers en koffiekannen) kan de houder beschadigen of elektrische storing veroorzaken.
  • Als de aansteker niet binnen 30 seconden naar buiten springt, verwijder hem om oververhitting te voorkomen.

ASBAK, HANDSCHOENENVAK, ZONNEKLEPPEN

Asbak
KIA Rio (2000) - ASBAK, HANDSCHOENENVAK, ZONNEKLEPPEN - 1

natural_image Interior view of a car dashboard and infotainment system (no text or symbols visible)

Om de asbak te verwijderen, trek hem tot de normaal stand uit, druk de grendel-veerplaat naar beneden en haal de asbak naar buiten.

WAARSCHUWING! - Asbak gebruik

  • Gebruik de auto-asbak niet als afvalbak.
  • Aangestoken sigaretten of lucifers in een asbak doen met andere brandbare materialen kan brand veroorzaken.

Handschoenenvak
KIA Rio (2000) - WAARSCHUWING! - Asbak gebruik - 1

natural_image Line drawing of a car interior showing dashboard, air vent, and rearview panel (no text or symbols)

Om handschoenenvak deurtje te openen, trek de klink naar u toe.

WAARSCHUWING!

Om het risico van een verwonding te reduceren in het geval van een ongeluk of plotseling stoppen, houd de handschoenenvak deur tijdens het rijden altijd gesloten.

Zonnekleppen
KIA Rio (2000) - WAARSCHUWING! - 1

natural_image Line drawing of a hand holding a pen, with dashed lines indicating sketching or construction (no text or symbols)

Om een zonneklep te gebruiken trek hem naar beneden. Om een zonneklep te gebruiken voor een zijraam, trek hem naar beneden, klik hem uit de klem en zwaai hem om naar de zijkant.

MAKE-UP SPIEGELTJE, BAGAGERUIMTE AFDEKKING, STROOMSTOPCONTACT

Make-up spiegeltje (indien aanwezig)
Diagram showing a device control panel with a downward arrow and labeled buttons, likely illustrating a mechanical or electrical component.

Om het make-up spiegeltje te gebruiken, draai de zonneklep naar beneden.

Bagageruimte afdekking (indien aanwezig)
KIA Rio (2000) - MAKE-UP SPIEGELTJE, BAGAGERUIMTE AFDEKKING, STROOMSTOPCONTACT - 2

natural_image Technical line drawing of a car rear view showing front, side, and top views (no text or symbols)

Gebruik deze bagageruimte afdekking om de bagage in de laadruimte te verbergen. Om de bagageruimte afdekking op te bergen, maak hem vast in de gleuf, achter op de bodem, van de achterste laadruimte.

WAARSCHUWING!

Aangezien de bagageruimte afdekking kan worden beschadigd of vervormd, leg er geen bagage op wanneer het is opgeborgen in de groef op de bodem van de achterste laadruimte.

Stroomstopcontact (indien aanwezig)
KIA Rio (2000) - WAARSCHUWING! - 1

natural_image Simple line drawing of a mechanical device with a curved arrow indicating rotation or motion (no text or symbols)

Open het deksel van de stroomstopcontactdoos rechts achter in de bagageruimte en steek er de aansluiting van een elektrische toestel in die in de contactdoos past. De toestel mag niet meer dan 12 V en 10 A aan elektriciteit verbruiken na het starten van de motor.

WAARSCHUWING!

  • Alleen gebruiken wanneer de motor aan is.
  • Gebruik alleen elektrische toestellen welke minder dan 12 V en 10 A aan elektriciteit verbruiken.
  • Zet de airconditioning of verwarming op een lage stand wanneer u het stroomstopcontact moet gebruiken tegelijk met de airconditioning of verwarming.
  • Sluit het deksel indien niet in gebruik.

Antenne ( indien aanwezig)
KIA Rio (2000) - WAARSCHUWING! - 1

natural_image Line drawing of a car interior with a person walking and a curved arrow indicating motion (no text or symbols)

Als uw voertuig een audio systeem heeft, is een antenneversterker in uw voertuig ingebouwd. Deze antenne kan naar boven of naar beneden versteld worden of verwijdert worden van het voertuig wanneer u uw voertuig wast.

WAARSCHUWING!

Wanneer u het voertuig wast, overtuig uzelf dat de antenne van het voertuig verwijdert is om een beschadiging van de antenne te voorkomen.

Schuif-/kanteldak
Interieurverlichting schakelaar Interieur verlichting Interieur verlichting Kantelen Schuiven

Het elektrisch bediend schuif-/kanteldak kan alleen worden geopend en gesloten als het contact in de stand ON staat.

Tilt
TILT A B

Om het schuifdak te kantelen, druk op de "TILT" knop (A) geplaatst in de interieurlichteenheid. Om het te sluiten, druk weer op de "TILT" knop (B).

Slide
SLIDE A B

Om het schuifdak te schuiven, druk op de "SLIDE" knop (A) geplaatst in de kaartleeslamp eenheid. Het opnieuw verschuiven van het schuifdak kan gedaan worden door de "SLIDE" knop (A) kort in te drukken. Om het schuifdak te sluiten, druk op de "SLIDE" knop (B) en houdt hem vast tot het geheel gesloten is.
Als uw schuifdak is verschoven of gekanteld, kunt u het kantelen of schuiven in die toestand.
Om het schuifdak te kantelen/schuiven dat al is verschoven/gekanteld, sluit het schuifdak door eerst de overeenkomstige schakelaar in te drukken, en open het dan zoals u wenst.

Zonnescherm

OPMERKING

  • Als het schuif-/kanteldak wordt geopend, moet tevens het zonnescherm worden weggeschoven. Let erop dat het zonnescherm niet dichtgeschoven is als het schuif-/kanteldak geopend is.
  • Laat de schakelaar los zodra het schuif-/kanteldak geheel geopend of gesloten is. Als u de schakelaar ingedrukt houd, kan er schade ontstaan aan het schuif-/kanteldak.
  • Let erop dat u het schuif-/kanteldak sluit als u de auto verlaat.

KIA Rio (2000) - OPMERKING - 1

natural_image Line drawing of a car dashboard with front and rear seats, showing no text or symbols

Indien het schuif-/kanteldak niet elektrisch gesloten kan worden, kunt u het met behulp van de inbussleutel in het dashboardkastje met de hand sluiten.

VOORZICHTIG

  • Als u het schuif-/kanteldak probeert te openen terwijl het vriest of als het bedekt is met sneeuw of ijs, kan het raampaneel of de aandrijfmotor beschadigd raken.
  • Steek nooit handen, armen enz. Door de opening van het schuif-/kanteldak terwijl de auto rijdt.

Terugzetting van het schuifdak

Wanneer uw accu was losgemaakt of u gebruikte de noodhendel om het schuifdak te bedienen, moet u uw schuifdakmotor als volgt terugstellen:

  • Draai de contactsleutel in de ON stand.
  • Trek de schuifdakzekering uit de zekeringendoos in de motorruimte en herplaats hem weer
  • Druk dan op het voorste gedeelte van de schuifdakschakelaar en houd hem gedurende 5 seconden vast.

RIJDEN MET UW AUTO

Contactslot en stuurslot....4-2

Starten van de motor 4-3

Handgeschakelde transmissie....4-4

Automatische transmissie 4-5

Remsysteem 4-7

Antiblokkeersysteem (ABS) 4-10

Stuurbekrachtiging 4-11

Verstelbaar stuurwiel 4-11

Instrumentenpaneel 4-12

Meters 4-14

Waarschuwings- en controlelampjes/geluidssignaal . 4-15

Verlichting....4-18

Richtingaanwijzers 4-18

Koplampverstelling....4-19

Mistachterlicht 4-20

Ruitenwissers en ruitensproeiers 4-20

Achterruitverwarming....4-23

Verwarmings- en ventilatiesysteem 4-24

Contactslot en stuurslot

LOCK ACC ON START

STANDEN LOCK

In deze stand is het stuurwiel vergrendeld ter bescherming tegen diefstal van de auto. Alleen in deze stand kan de contactsleutel worden verwijderd.

ACC

In deze stand is het stuurwiel niet langer vergrendeld en kunnen bepaalde elektrische accessoires worden ingeschakeld.

ON

In deze stand kunnen de waarschuwingslampjes gecontroleerd worden (behalve het lampje voor het remsysteem) zolang de motor niet draait. Bij een draaiende motor staat de contactsleutel in deze stand.

Laat het contact bij niet draaiende motor niet te lang in stand ON staan omdat hierdoor de accu uitgeput kan raken.

START

Deze stand wordt gebruikt om de motor te starten. De startmotor blijft ingeschakeld zolang u de contactsleutel in deze stand houdt.

AANWIJZING:

Draai het stuurwiel iets naar links en naar rechts als het omdraaien van de contactsleutel moeilijk gaat.

WAARSCHUWING!

  • Draai de contactsleutel tijdens het rijden nooit in de stand LOCK of ACC.
  • Het stuurslot dient niet ter aanvulling op de parkeerrem. Alvorens de auto te verlaten dient u steeds de 1e versnelling in te schakelen, de parkeerrem geheel aan te trekken en de motor uit te zetten. Indien deze voorzorgsmaatregelen niet genomen worden, bestaat de kans dat de auto zich onverhoeds in beweging zet.
  • Steek nooit uw hand door het stuurwiel heen om de contactsleutel te pakken; plotseling draaien van het stuurwiel kan ernstig letsel veroorzaken.

Automatische transmissie

Voordat u de contactsleutel in de stand LOCK draait, moet de selectiehendel in de stand P (parkeren) staan.

Handgeschakelde transmissie

Om de contactsleutel vanuit de stand ACC in de stand LOCK te draaien, moet deze ingedrukt worden.

Starten van de motor

  1. Controleer of de parkeerrem is aangetrokken.
  2. Handgeschakelde transmissie - Trap het koppelingspedaal geheel in en zet de versnellingspook in de neutraalstand. Houd het koppelingspedaal tijdens het starten ingetrapt.
    Automatische transmissie - Zet de selectiehendel in de stand P (parkeren) of N (neutraal).
  3. Draai de contactsleutel in de stand START en houd de sleutel in deze stand totdat de motor aanslaat (maximaal 10 seconden achter elkaar). Laat de sleutel los zodra de motor is aangeslagen.

OPMERKING

  • Laat de startmotor niet langer dan 10 seconden achter elkaar draaien. Wacht als de motor afslaat of niet aanslaat 5 tot 10 seconden alvorens de startmotor opnieuw in te schakelen. Als de startmotor te lang achter elkaar draait, kan hij beschadigd raken.
  • Trap noch bij koude motor noch bij warme motor voor het starten het gaspedaal in.

Volg onderstaande procedure indien de motor niet aanslaat:

BIJ KOUDE MOTOR

Als de motor koud is en niet wil aanslaan bestaat de kans dat hij "verzopen" is. Dat wil zeggen dat er zich teveel brandstof in de cilinders bevindt. Ga in dat geval als volgt te werk:

  1. Trap het gaspedaal EENMAAL GEHEEL IN EN HOUD HET INGETRAPT.
  2. Draai de contactsleutel in de stand "START" en houd de sleutel in deze stand om de overmaat aan brandstof af te voeren totdat de motor aanslaat (maximaal 10 seconden). Laat de contactsleutel los. Als de motor is aangeslagen zijn onderstaande stappen niet meer van toepassing.
  3. Draai de contactsleutel in de stand "START" en laat het gaspedaal los.
  4. Laat de startmotor draaien totdat de motor aanslaat (maximaal 10 seconden achtereen).

BIJ WARME MOTOR

Trap, als de motor op bedrijfstemperatuur is en niet wil aanslaan, het gaspedaal voor de helft in en houd de contactsleutel in de stand "START" totdat de motor aanslaat (maximaal 10 seconden achtereen).

Laat de motor gedurende 10 seconden stationair draaien alvorens weg te rijden.

OPMERKING

Als de auto voor langere tijd niet gebruikt is, kan het voorkomen dat de motor meer lawaai (klepstotergeruis) maakt dan normaal, dit is echter niets verontrustend. Zodra de olie op bedrijfstemperatuur is, is het lawaai ook over. Blijft het lawaai echter aanhouden bij warme motor, raadpleeg dan uw KIA-dealer.

Handgeschakelde transmissie

1 2 3 4 5 R

Uw auto heeft een conventioneel schakelpaltroon, zie de afbeelding hierboven.

Trap het koppelingspedaal tijdens het schakelen geheel in en laat het langzaam opkomen.

Een speciale beveiliging voorkomt dat er per ongeluk van de 5e versnelling naar de achteruitversnelling kan worden geschakeld. Alvorens de achteruit in te kunnen schakelen, moet de versnellingspook eerst in de stand neutraal worden geschakeld.

AANWIJZING:

Schakei de achteruitversnelling alleen in als de auto geheel stilstaat.

OPMERKING

- Laat tijdens het rijden uw voet nooit op het koppelingspedaal rusten om vroegtijdige slijtage en beschadiging van de koppeling te voorkomen; gebruik de koppeling niet om de auto tijdens het wachten op een helling, bijvoorbeeld voor een verkeerslicht, op zijn plaats te houden.

Aanbevolen schakelsnelheden

Om normaal te accelereren, worden de onderstaande schakelsnelheden aanbevolen:

Eenheid: km/h (mph)

Motor Schakelingen1,3 / 1,5 motor
1e naar 2e22 (13)
2e naar 3e37 (23)
3e naar 4e53 (33)
4e naar 5e74 (46)

Terugschakelen

Als u moet afremmen voor het overige verkeer op de weg of als u een helling oprijdt, moet u tijdig terugschakelen naar een lagere versnelling. Terugschakelen beperkt de kans op afslaan en zorgt voor een betere acceleratie op het moment dat u uw snelheid weer moet verhogen. Bij het afrijden van een steile helling helpt terugschakelen bij het handhaven van een veilige snelheid en bij het ontzien van het remsysteem.

Automatische transmissie

O/D-SCHAKELAAR Door deze schakelaar in te drukken wordt de O/D-functie geactiveerd. Door de knop nogmaals in te drukkenwordt de O/D-functie uitgeschakeld. VERGRENDELKNOP Voorkomt per ongeluk inschakelen van versnelling SELECTIEHENDEL SCHAKELPATROONSJABLOON Geeft aan in welke stand de selectiehendel staat Voor het verplaatsen van de selectiehendel moet de vergrendelknop worden ingedrukt Voor het verplaatsen van de selectiehendel hoeft de vergrendelknop niet te worden ingedrukt

BEDIENING AUTOMATISCHE TRANSMISSIE

Rijden onder normale omstandigheden vindt plaats met de selectiehendel in de stand D.

Druk de knop op de selectiehendel in bij het inschakelen van de standen R en P en bij het schakelen van D naar 2 en van 2 naar 1, zie de pijl.

Voor het schakelen in de richting die de "open" pijl aangeeft, hoeft de knop niet te worden ingedrukt.

AANWIJZING:

Druk voor soepel schakelen het rempedaal in als er geschakeld wordt van de stand N of P naar een vooruitversnelling of naar de achteruitversnelling.

OPMERKING

  • Schakel de stand R of P alleen in als de auto geheel tot stilstand is gekomen.
  • Geef geen gas als de auto in de stand R of in een van de vooruitversnellingen staat en het rempedaal ingedrukt wordt.
  • Houd de auto bij stilstaan op een helling nooit in zijn positie door gas te geven. Gebruik in zo'n geval de remmen.
  • Schakel niet van de stand N of P naar stand 1, 2, D of R als het motortoerental hoger is dan het stationair toerental.

Starten van de motor

De motor kan alleen gestart worden in de standen P en N.

Stand P (parkeren)

Gebruik de stand P alleen als de auto volledig tot stilstand is gekomen.

WAARSCHUWING!

De stand P (parkeren) mag nooit in plaats van de parkeerrem worden gebruikt. Zorg er altijd voor dat de selectiehendel in stand P vergrendeld staat en niet kan bewegen als de knop niet wordt ingedrukt EN trek de parkeerrem geheel aan. Zet het contact in de stand LOCK als u de auto verlaat, ook al is dat maar voor even. Laat de auto nooit onbeheerd achter met draaiende motor. Indien deze voorzorgsmaatregelen niet genomen worden, bestaat de kans dat de auto zich onverhoeds in beweging zeit.

R (achteruit)

Deze stand is voor het vanuit stilstand achteruit wegrijden.

N (neutraal)

Deze stand is voor het stillstaan (bij ingetrapte remmen).

D (drive)

Dit is de normale stand voor het rijden in voorwaartse richting. In deze stand schakelt de transmissie automatisch tussen de vier versnellingen vooruit voor optimale prestaties en een zo laag mogelijk brandstofverbruik.

2 (tweede versnelling)

Zet de keuzehendel in stand S voor het rijden in druk, langzaam rijdend verkeer, voor meer trekkracht bij het oprijden van hellingen, voor het afremmen op de motor bij het afrijden van hellingen, voor het wegrijden vanuit stilstand op een glad wegdek en bij andere situaties waarbij geleidelijk accelereren noodzakelijk is.

1 (1e versnelling)

Zet de selectiehendel in stand 1 voor een maximale trekkracht of bij het op- of afrijden van zeer steile hellingen.

Kickdown

Voor extra trekkracht bij inhalen of bij het oprijden van hellingen, kunt u het gaspedaal geheel intrappen. Hierdoor schakelt de transmissie terug naar een lagere versnelling.

VANUIT STILSTAND EEN STEILE HELLING OP RIJDEN

Trap met uw linker voet op het rempedaal en zet de selectiehendel in stand D of 1, afhankelijk van de mate waarin de auto belast is en van het hellingpercentage, en ontgrendel de parkeerrem. Geef geleidelijk gas en laat tegelijkertijd het rempedaal opkomen.

O/D OFF-FUNCTIE

Dit systeem voorkomt het opschakelen naar een hogere versnelling. Indien de O/D OFF-functie is ingeschakeld wordt er in stand D opgeschakeld tot de 2e versnelling en wordt in stand L de 1e versnelling vastgehouden. Schakel de O/D OFF-functie in bij het wegrijden vanuit stilstand op een gladde ondergrond, bij het oprijden van steile hellingen, om het motorremvermogen beter te kunnen benutten.

De O/D-functie wordt ingeschakeld door de O/D OFF-schakelaar op de selectiehendel in te drukken. Door nogmaals op deze schakelaar te drukken wordt de O/D OFF-functie weer uitgeschakeld.

OPMERKING

Als het contact in de stand LOCK wordt gezet, wordt de O/D OFF-functie automatisch uitgeschakeld.

HOLD-CONTROLELAMPJE

Dit lampje gaat branden als de O/D OFF-functie is ingeschakeld.

OPMERKING

Indien dit controlelampje gaat knipperen, duidt dit op een defect in de transmissie. Laat in dat geval de transmissie door een officiële KIA-dealer controleren.

Remsysteem

REMBEKRACHTIGING

Uw auto is uitgerust met een bekrachtigd, zelfstellend remsysteem.

Als de rembekrachtiging uitvalt omdat de motor is afgeslagen of door een andere oorzaak, kunt u de auto alsnog tot stilstand brengen door het rempedaal met een grotere kracht dan normaal in te drukken. Bij een uitgevallen rembekrachtiging moet u echter wel rekening houden met een langere remweg.

Als de motor niet draait, wordt de mate van bekrachtiging steeds geringer naarmate u vaker het rempedaal indrukt. Het vacuum dat voor de bekrachtiging zorgt wordt, doordat de motor niet draait,steeds minder. Ga bij een uitgevallen rembekrachtiging niet pompend remmen, behalve als dat noodzakelijk is om bij een glad wegdek de controle over de auto te behouden.

Als het bedrijfsremsysteem tijdens het rijden door wat voor redenen dan ook geheel zou uitvallen, kunt u de auto met behulp van de parkeerrem alsnog tot stilstand brengen. Houd daarbij dan wel rekening met een veel langere remweg dan normaal.

REMSYSTEEM

WAARSCHUWING!

  • Laat tijdens het rijden uw voet niet op het rempedaal rusten. Dat leidt tot oververhitting van de remmen en overmatige slijtage van de remvoeringen, hetgeen weer leidt tot een langere remweg.
  • Schakel bij het afdalen van een lange of steile helling terug naar een lagere versnelling en vermijd het continu ingedrukt houden van het rempedaal omdat daardoor de remmen oververhit kunnen rakken. Dit kan een kortstondig verlies van remvermogen veroorzaken.
  • Het rijden door water met een zodanige diepte dat de remmen nat worden, heeft een nadelige invloed op het remvermogen. De auto remt minder dan normaal en kan naar één kant trekken tijdens het rijden. Door het rempedaal licht in te trappen, kunt u controleren of het remvermogen door het nat worden is verminderd. Druk voor het drogen van de remmen het rempedaal licht in terwijl u met een veilige snelheid rijdt, totdat het remvermogen weer op het normale niveau is.

KIA Rio (2000) - WAARSCHUWING! - 1

natural_image Line drawing of a hand holding a tool near a car intake manifold (no text or symbols)

PARKEERREM

- Trek voor het in werking stellen van de parkeerrem de hendel krachtig aan terwijl u het rempedaal indrukt.

KIA Rio (2000) - PARKEERREM - 1

natural_image Line drawing of a car interior showing handshocks and dashboard controls (no text or symbols)

- Trek voor het ontgrendelen van de parkeerrem de hendel omhoog en druk de knop in. Houd de knop ingedrukt en beweeg de hendel naar beneden.

WAARSCHUWING!

  • Gebruik nooit in plaats van de parkeerrem de versnellingspook. Trek de parkeerrem altijd volledig aan EN zet de versnellingspook in de 1e versnelling (bij een handgeschakelde transmissie) of plaats de selectiehendel in stand P (bij een automatische transmissie).
  • Zet het contact in de stand LOCK als u de auto verlaat, ook al is dat maar voor even. Laat de auto nooit onbeheerd achter met draaiende motor.
  • Indien deze voorzorgsmaatregelen niet genomen worden, bestaat de kans dat de auto zich onverhoeds in beweging zet.
  • Rijd niet met aangetrokken parkeerrem. Hierdoor kunnen de remmen oververhit raken, treedt overmatige slijtage op en wordt de remweg langer.

(!) (P) BRAKE

WAARSCHUWINGSLAMPJE REMSYSTEEM

Controleer iedere keer als u de motor start het waarschuwingslampje voor het remsysteem. Dit lampje brandt als de motor draait en de parkeerrem aangetrokken is. Let er voor u gaat rijden op dat de parkeerrem geheel ontgrendeld is en dat het waarschuwingslampje uit is.

Als het lampje na het ontgrendelen van de parkeerrem blijft branden, kan er een defect in het remsysteem aanwezig zijn. Laat het remsysteem in dat geval zo spoedig mogelijk controleren door een officiële Kia-dealer.

VERSLETEN REMBLOKKEN

Uw auto is voorzien van schijfremmen op de vooras. Als de remblokken versleten zijn, zult u een piepend geluid horen dat tijdens het remmen toeneemt. Wanneer dit het geval is, ga dan zo spoedig mogelijk naar uw KIA-dealer en laat uw remblokken vervangen voordat er schade aan het remsysteem optreedt. Negeert u dit geluid, dan leidt dit onherrcepelijk tot problemen.

Nieuwe remblokken kunnen ook licht piepen, wanneer u ze voor het eerst gebruikt of wanneer u weinig pedaalkracht uitoefent. Dit is echter normaal.

TROMMELREMMEN

Uw auto is voorzien van trommelremmen op de achteras. De remvoering van de remtrommels maakt geen hoorbaar geluid wanneer deze versleten is. Laat echter de remvoering controleren wanneer nieuwe banden gemonteerd worden.

ANTIBLOKKEERSYSTEEM (ABS), STUURBEKRACHTIGING (INDIEN AANWEZIG)

Antiblokkeersysteem (ABS)

Het ABS meet tijdens het remmen constant het toerental van alle wielen. Indien een van de wielen dreigt te blokkeren, zorgt het ABS ervoor dat de remdruk naar dat wiel kortstondig wordt onderbroken. Zodra het toerental van het wiel het toelaat, wordt het opnieuw afgeremd. Het ABS zorgt dus als het ware voor "automatisch pompend remmen". Als het ABS in werking is, kunt u tikkende geluiden horen en een trilling in het rempedaal voelen. Dat is een normaal verschijnsel, het duidt er op dat het ABS in werking is. Voor een optimale werking van het ABS moet u het rempedaal zo hard mogelijk intrappen en de regeling zijn werk laten doen.

  • Het ABS werkt op alle 4 de wielen.
  • Ga bij een auto met ABS niet "pompend" remmen.

WAARSCHUWING!

Vertrouw niet blindelings op het ABS. Gebruik altijd uw gezond verstand, pas uw snelheid aan en bewaar voldoende afstand.

OPMERKING

- Als u op een wegdek met een lage wrijvingscoëfficiënt voortdurend moet remmen, kan het ABS-controlelampje gaan branden. Breng uw auto op een veilige plaats tot stilstand en zet de motor uit. - Start de motor opnieuw. Als het ABS-controlelampje nu niet brandt, is het ABS in orde. Blijft het lampje branden, dan kan er een defect in het ABS aanwezig zijn. Neem in dat geval zo spoedig mogelijk contact op met een officiële Kia-dealer.

Als u in geval van een lege accu de auto start met een hulpaccu, kan het ABS-controlelampje gaan branden. Dat duidt niet op een defect in het ABS maar is een gevolg van een te lage bedrijfsspanning.

OPMERKING

  • Als het ABS-controlelampje gaat branden en blijft branden, kan er in het ABS een defect aanwezig zijn. Het remsysteem blijft in dat geval echter normaal functioneren.
  • Het ABS-controlelampje zal onder normale omstandigheden 2 - 3 seconden na het aanslaan van de motor uitgaan. Indien het blijft branden, kan er in het ABS een defect aanwezig zijn. Neem in dat geval zo spoedig mogelijk contact op met een officiële Kia-dealer.

Stuurbekrachtiging

De stuurbekrachtiging reduceert de benodigde stuurkracht door gebruik te maken van het vermogen dat de motor levert. Bij een niet-draaiende motor of bij een defecte stuurbekrachtiging blijft de auto bestuurbaar maar is de benodigde stuurkracht veel groter. Indien u merkt dat onder normale omstandigheden het sturen van de auto zwaarder gaat dan normaal, moet u de stuurbekrachtiging door een officiële Kia-dealer laten controleren.

OPMERKING

Houd het stuurwiel bij een draaiende motor nooit langer dan 5 seconden tegen een van beide aanslagen (links of rechts). Als het stuur langer dan 5 seconden tegen de aanslag wordt gehouden, loopt de druk in het stuurbekrachtigingssysteem te hoog op waardoor schade aan het systeem kan ontstaan.

Verstelbaar stuurwiel (indien aanwezig)

KIA Rio (2000) - Verstelbaar stuurwiel (indien aanwezig) - 1

natural_image Diagram of a car interior showing steering wheel, dashboard, and gear mechanism (no text or labels)

Een verstelbaar stuurwiel maakt het mogelijk om de stuurstand naar uw persoonlijke wensen in te stellen. Bij het uitstappen kunt u het stuurwiel ontgrendelen en omhoog drukken, om de uitstap te vergemakkelijken.

Om het stuur te verstellen, houdt u het stuur vast en drukt u de ontgrendeling naar beneden. Zet het stuurwiel in de gewenste stand en druk de vergrendeling weer vast.

Instrumentenpaneel

Met toerenteller ① ③ ② ③ ④ ⑤ x1000rpm 80 100 120 60 80 140 MPH 160 100 180 120 200 20 0 120 60 40 40 20 100 80 60 40 20 100 200 IMMO ⑨ ⑧ ⑦ ⑥

  1. Toerenteller (indien aanwezig)
  2. Snelheidsmeter
  3. Richtingaanwijzer indicatoren
  4. Motortemperatuurmeter
  5. Waarschuwings- en indikatielampjes
  6. Brandstofmeter
  7. Dagtieller terugsteltoets
  8. Dagteiler / kilometerteller
  9. Waarschuwings- en indikatielampjes

Zonder toerenteller
erenteller ① ③ ② ③ ④ O/D OFF ⑤ ⑥ ⑦ IMMO H MPH m/h 100 120 60 40 20 20 100 80 140 160 100 180 120 200 F BAKE

  1. Toerenteller (indien aanwezig)
  2. Snelheidsmeter
  3. Indicator richtingaanwijzer

  4. Brandstofmeter

  5. Waarschuwings- en indikatielampjes

  6. Dagteiler nulsteltoets

  7. Dagteller / kilometerteller

  8. Waarschuwings- en indikatielampjes

METERS

Meters

SNELHEIDSMETER

De snelheidsmeter geeft de snelheid aan als de auto vooruit rijdt.

Kilometerteller / dagteller

U kunt de kilometerteller, dagteller A en dagteller B kiezen door het indrukken van de funktiekeuzeknop.

Kilometerteller

De kilometerteller geeft de totale afstand aan die het voertuig heeft gereden.

Dagteller

TRIP A: dagteller A

TRIP B: dagteller B

De dagteller geeft aan de gereden afstand vanaf het laatste nulstellen. De dagteller A en B kunnen op nul worden teruggezet door het indrukken van de funktiekeuzeknop. Kies de gewenste functie en houd de knop gedurende meer dan 1 seconde ingedrukt.

Type A H C Type B H C

TEMPERATUURMETER KOELVLOEISTOF

Als het contact in de stand ON is, geeft de temperatuurmeter de temperatuur van de koelvloeistof aan.

Als de naald van de meter buiten het normale bereik komt en in de richting van de stand H beweegt, duidt dit op oververhitting van de motor waardoor schade aan de motor kan ontstaan.

Blijf niet doorrijden met een oververhitte motor. Raadpleeg bij oververhitting hoofdstuk 5.

Type A F E Zonder toerenteller Type B F E Met toerenteller

BRANDSTOFMETER

De brandstofmeter geeft aan hoeveel brandstof in de brandstoftank aanwezig is.

OPMERKING

De brandstofmeter geeft de hoeveelheid brandstof in de tank ook aan als het contact in de stand LOCK staat.

A: 1,3 SOHC Engine B: 1,5 DOHC Engine ×1000rpm

TOERENTELLER

De toerenteller geeft het motortoerental aan in omwentelingen per minuut.

OPMERKING

Zorg ervoor dat de naald van de toerenteller niet in het rode gebied terecht komt.

Dat kan ernstige schade aan de motor veroorzaken.

Waarschuwings- en controlelampjes/geluidssignaal

CONTROLEER WERKING

De waarschuwings- en controlelampjes kunnen worden gecontroleerd door het contact in de stand ON te zetten (start de motor niet). Leder lampje dat niet gaat branden moet door een officiële Kia-dealer worden gecontroleerd.

(1) (P) WAARSCHUWINGSLAMPJE BRAKE REMSYSTEEM

Dit lampje geeft aan dat de parkeerrem is aangetrokken. Zodra de parkeerrem niet meer is aangetrokken, moet het lampje UIT zijn.

Als het lampje blijft branden, kan dit erop duiden dat het remvloeistofniveau te laag is.

Als het lampje blijft branden:

  1. Controleer of de parkeerrem ontgrendeld is.
  2. Rijd voorzichtig naar de kant van de weg en breng de auto op een veilige plaats tot stilstand.
  3. Zet de motor af, controleer het remvloeistofniveau en vul zonodig remvloeistof bij (zie hoofdstuk 6). Controleer alle onderdelen van het remsysteem op lekkage.
  4. Rijd niet met de auto als u een lekkage vindt, als het waarschuwingslampje blijft branden of als de remmen niet goed werken. Laat de auto naar een officiële Kia-dealer slepen om het remsysteem te laten controleren en zonodig te laten repareren.

WAARSCHUWING!

Rijden met een auto waarvan het waarschuwingslampje brandt is gevaarlijk. Laat het remsysteem direct controleren en repareren als het waarschuwingslampje blijft branden.

KIA Rio (2000) - WAARSCHUWING! - 1

VEILIGHEIDSRIEM WAARSCHUWING

Als de bestuurdersriem niet is vastgemaakt wanneer de sleutel op ON gedraaid wordt, zal het veiligheidsriem waarschuwingslicht gaan branden en een geluidssignaal klinkt gedurende enige seconden. Als het systeem niet werkt als beschreven bezoek een geautoriseerde Kia dealer voor assistentie.

KIA Rio (2000) - VEILIGHEIDSRIEM WAARSCHUWING - 1

WAARSCHUWINGSLAMPJE AIRBAG

ledere keer dat het contact in de stand ON gezet wordt, zal het lampje gedurende ongeveer 6 seconden gaan branden. Laat een Kia-dealer het systeem controleren als het lampje niet gaat branden.

INMO

IMMO INDICATIELICHT (INDIEN AANWEZIG)

Wanneer u de "limp-home" functie gebruikt, helpt u deze indicatie om deze procedure uit te voeren.

KIA Rio (2000) - IMMO INDICATIELICHT (INDIEN AANWEZIG) - 1

LAADSTROOMCONTROLELAMP JE

Dit lampje geeft aan dat er een storing is in de dynamo of in de bedrading van het laadsysteem.

Als het lampje tijdens het rijden gaat branden:

  1. Rijd voorzichtig naar de kant van de weg en breng de auto op een veilige plaats tot stilstand.
  2. Zet de motor uit en controleer of de aandrijfriem van de dynamo loszit of gebroken is.
  3. Als de aandrijfriem in orde is, bevindt er zich een storing in het laadsysteem. Laat een officiële Kia-dealer het probleem zo spoedig mogelijk opsporen en verhelpen.

KIA Rio (2000) - LAADSTROOMCONTROLELAMP JE - 1

.OLIEDRUKLAMPJE

'Dit waarschuwingslampje geeft aan dat de oliedruk laag is.

Als het lampje onder het rijden gaat branden:

  1. Rijd voorzichtig naar de kant van de weg en breng de auto op een veilige plaats tot stilstand.
  2. Zet de motor uit en controleer het oliepeil. Vul indien nodig olie bij. Raadpleeg een officiële Kia-dealer als het lampje na het bijvullen blijft branden.

OPMERKING

Doorrijden met een brandend oliedruklampje kan ernstige schade aan de motor veroorzaken. Zet daarom de motor direct uit als het oliedruklampje gaat branden.

KIA Rio (2000) - OPMERKING - 1

WAARSCHUWINGSLAMPJE LAAG BRANDSTOFNIVEAU

Dit lampje geeft aan dat de brandstoftank bijna leeg is. Het lampje gaat branden als de voorraad brandstof gedaald is tot ongeveer 9 liter.

KIA Rio (2000) - WAARSCHUWINGSLAMPJE LAAG BRANDSTOFNIVEAU - 1

WAARSCHUWINGSLAMPJE OPEN PORTIER

Dit waarschuwingslampje gaat branden als een portier niet goed gesloten is.

KIA Rio (2000) - WAARSCHUWINGSLAMPJE OPEN PORTIER - 1

WAARSCHUWINGSLAMPJE ABS

Dit lampje gaat branden als de motor gestart wordt en zal uitgaan als het ABS normaal werkt. Het zal ook gaan branden als het contact in de stand ON wordt gezet: indien het systeem in orde is, zal het na 2 - 3 seconden uitgaan. Gaat het lampje branden terwijl u rijdt, laat uw auto dan zo snel mogelijk nakijken door een Kia-dealer.

GELUIDSSIGNAAL "SLEUTEL IN CONTACTSLOT"

Als het bestuurdersportier geopend wordt en de contactsleutel zich nog in het contactslot bevindt, zal er een geluidssignaal klinken.

GELUIDSSIGNAAL "VERLICHTING AAN"

Als het bestuurdersportier geopend wordt en de verlichting in stand 1 of 2 staat, zal er een geluidssignaal klinken.

Achtermistlampen-AAN waarschuwing geluidssignaal (indien aanwezig) Dit licht-AAN waarschuwing geluidssignaal zal klinken bij de volgende omstandigheid.

  • Contactsleutel wordt verwijderd uit het contactslot.
    • Bestuurdersportier wordt geopend.
  • Achtermistlampen zijn aan.
    Dit is om u eraan te herinneren om de achtermistlampen uit te draaien voor u het voertuig verlaat.

KIA Rio (2000) - GELUIDSSIGNAAL "VERLICHTING AAN" - 1

CONTROLELAMPJE GROOTLICHT

Dit controlelampje gaat branden als het grootlicht is ingeschakeld.

KIA Rio (2000) - CONTROLELAMPJE GROOTLICHT - 1

CONTROLELAMPJE O/D OFF

OFF Dit lampje zal gaan branden als het O/D-systeem uitgeschakeld is.

KIA Rio (2000) - CONTROLELAMPJE O/D OFF - 1

CONTROLELAMPJE ACHTERRUITVERWARMING

Dit controlelapmpje gaat branden als de achterruitverwarming is ingeschakeld.

KIA Rio (2000) - CONTROLELAMPJE ACHTERRUITVERWARMING - 1

CONTROLELAMPJE MISTACHTERLIGHT

Dit controlelampje gaat branden als het mistachterlicht ingeschakeld wordt.

KIA Rio (2000) - CONTROLELAMPJE MISTACHTERLIGHT - 1

CONTROLELAMPJE MOTORMANAGEMENT

Dit controlelampje maakt deel uit van het motormanagement (OBD-II). Als er een onregelmatigheid in het systeem wordt geconstateerd, zal dit lampje gaan branden. U hoeft niet direct te stoppen, u kunt doorrijden naar de plaats van bestemming, maar u dient echter wel zo spoedig mogelijk contact op te nemen met uw Kia-dealer.

VOORZICHTIG

Doorrijden terwijl het controlelampje van het motormanagement brandt, kan schade aan dit systeem tot gevolg hebben op het brandstofverbruik en rijgedrag van de auto.

Wanneer het controlelampje begint te knipperen, is het mogelijk dat de katalysator beschadigd is. Laat het motormanagement-systeem zo spoedig mogelijk nakijken bij uw Kia-dealer.

Een loszittende tankdop kan ook oorzaak zijn van het oplichten van het controlelampje van het OBD-II-systeem. Zorg er dus altijd voor dat de tankdop goed wordt vastgedraaid.

Verlichting
2e 1e Off DD DD+ OFF-

Draai het uiteinde van de combischakelaar om de verlichting aan te zetten.

Stand 1

Parkeerlichten, kentekenplaatverlichting en dashboardverlichting AAN.

Stand 2

Koplampen, parkeerlichten, kentekenplaatverlichting en dashboardverlichting AAN.

IORD 200 OFF

Duw de combischakelaar van u af om het grootlicht in te schakelen. Bij ingeschakeld grootlicht zal het blauwe controlelampje voor het grootlicht in het instrumentenpaneel gaan branden.

AANWIJZING:

Om te voorkomen dat de accu uitgeput raakt, dient u de verlichting niet gedurende langere tijd te laten branden terwijl de motor niet draait.

ED/SD EDGE OFF

LICHTSIGNAAL

Trek de combischakelaar naar u toe om een lichtsignaal te geven. Als u de schakelaar loslaat, keert deze weer terug naar zijn oorspronkelijke positie. Om lichtsignalen te kunnen geven hoeft de verlichting niet aan te staan.

Richtingaanwijzers
Wisselen naar rechter rijstrook OFF Rechtsaf Wisselen naar linker rijstrook Linksaf

RICHTINGAANWIJZERS

Om de richtingaanwijzers te kunnen bedienen dient het contact in de stand ON te staan.

Beweeg de combischakelaar tot aan de aanslag omhoog of omlaag om de richtingaanwijzers in te schakelen. Na de bocht keert de schakelaar vanzelf weer terug in de middenstand. Als de richtingaanwijzers na een flauwe bocht ingeschakeld blijven, dient u de schakelaar met de hand terug zetten in de middenstand.

Groene controlelampjes in het instrumentenpaneel geven aan dat de richtingaanwijzers in werking zijn. Als een controlelampje blijft branden of abnormaal snel gaat knipperen, kan een van de richtingaanwijzerlampjes defect zijn.

AANGEVEN VAN WISSELING VAN RIJSTROOK

Beweeg de combischakelaar gedeeltelijk naar beneden of naar boven en houd hem vast. De schakelaar keert na het loslaten vanzelf weer naar de middenstand.

Koplampverstelling
KIA Rio (2000) - AANGEVEN VAN WISSELING VAN RIJSTROOK - 1

natural_image Diagram of a car interior showing dashboard, steering wheel, and dashboard controls (no text or labels)

Met deze schakelaar kunt u de hoogte van de koplampen instellen, (bijvoorbeeld bij zware belading) zodat u medeweggebruikers niet tot last bent door hinderlijk hoog licht.

Draait u de schakelaar linksom, dan zullen de lampen verder naar beneden gericht worden. Wanneer u de schakelaar rechtsom draait zullen de lampen verder omhoog gericht worden.

INSTELLING VAN KOPLAMPHOOGTE

Maak gebruik van de volgende tabel om de koplamphoogte in te stellen.

StandLading op:
Voor-stoelenAchter-bankBagage-ruimte
01 of 2 personen--
12 personen3 personen
22 personen3 personen50 kg
31 persoon-150 kg

Mistachterlicht
Diagram showing car air conditioner panel with a mobile phone icon and directional arrow indicating action

Gebruik deze schakelaar om het mistachterlicht in te schakelen. In dichte mist bent u beter zichtbaar voor medeweggebruikers bij ingeschakeld mistachterlicht. Om de mistverlichting in te schakelen, dient u eerst de gewone verlichting in te schakelen.

Ruitenwissers en ruitensproeirs
OFF INT 1 2 Level 1 INT PUSH 1 2

Ruitenwissers

Om de ruitenwissers in te kunnen schakelen, moet het contact in de stand ON staan.

Beweeg de schakelaar naar beneden om de ruitenwissers in te schakelen.

INT: intervalstand

I: normale wissersnelheid

II: hoge wissersnelheid

OFF OUT 1 PULL PUSH

Enkele wisbeweging

Druk voor een enkele wisbeweging in de stand UIT de schakelaar naar voren en laat hem weer los.

OPMERKING

  • Schakel de ruitenwissers niet in als de ruit droog is om beschadiging van de wissers of van de voorruit te voorkomen.
  • Voorkom dat de ruitenwissers in aanraking komen met benzine, petroleum, thinner of andere oplosmiddelen om beschadiging van de wisserbladen te voorkomen.
  • Probeer de ruitenwissers nooit met de hand te bewegen om beschadiging van de ruitenwisserarmen en overige onderdelen te voorkomen.

OFF INT 2 PULL FLUSH127

Ruitensproelers

Uw auto is voorzien van één van de volgende ruitensproeiersystemen. Om de ruitensproeiers te kunnen inschakelen moet het contact in de stand ON staan.

OFF OFF 2 PULL PUSH

Trek de ruitenwisserschakelaar naar u toe om de ruitensproeiers in te schakelen en houd hem vast. Zolang u de schakelaar vasthoudt, sproeit er vloeistof op de ruit. Beweeg de schakelaar naar beneden om de ruitenwissers enkele wisbewegingen te laten maken.

Controleer het ruitensproeiervloeistofniveau als de ruitensproeiers niet werken. Raadpleeg een officiële Kia-dealer als er voldoende ruitensproeiervloeistof in het reservoir aanwezig is en de ruitensproeiers niet werken.

RUITENWISSERS EN RUITENSPROEIERS, ACHTERRUITENWISSER EN -SPROEIER, ACHTERRUITVERWARMING

WAARSCHUWING!

Gebruik de ruitensproeiers niet bij temperaturen onder het vriespunt, zonder eerst de voorruit met behulp van de voorruitontwaseming te hebben verwarmd; de vloeistof kan anders op de voorruit bevriezen en uw uitzicht belemmeren.

OPMERKING

Gebruik de ruitensproeiers niet als het reservoir leeg is om beschadiging van de ruitensproeierpomp te voorkomen.

Achterruitenwisser en -sproeier (5-deurs hatchback)
KIA Rio (2000) - OPMERKING - 1

natural_image Line drawing of a car interior showing dashboard, steering wheel, and dashboard controls (no text or symbols)

De achterruitenwisser kan afzonderlijk en in combinatie met de sproeier worden ingeschakeld.

  1. Druk de bovenste knop in om de ruitenwisser en -sproeier in te schakelen.
  2. Druk de onderste knop in om de ruitenwisser constant te laten wissen

AANWIJZING:

Controleer het ruitensproeiervloeistofniveau als de ruitensproeier niet werkt. Raadpleeg een officiële Kia-dealer als er voldoende ruitensproeiervloeistof in het reservoir aanwezig is en de ruitensproeier niet werkt.

Achterruitverwarming
Type A Type B

De achterruitverwarming ontdoet de achterruit aan de binnen- en buitenzijde van rijp, condens en ijs.

Start de motor alvorens de achterruitverwarming in te schakelen en verwijder een dikke sneeuwlaag eerst met een borstel van de ruit.

Druk de schakelaar in om de achterruitverwarming in te schakelen.

De achterruitverwarming schakelt na 15 minuten automatisch uit. Ook als het contactslot in de stand OFF gedraaid wordt zal de achterruitverwarming uitgeschakeld worden. Om de verwarming uit te schakelen drukt u de schakelaar andermaal in.

OPMERKING

Gebruik, om beschadiging van verwarmingsdraden te voorkomen, noolt scherpe voorwerpen of reinigingsmiddelen om de binnenkant van de achterruit te reinigen.

Ontdooien van de buiten achteruitkijkspiegel (indien aanwezig) (Type B)
Diagram showing car air intake system with a device labeled '车' (car) and an arrow pointing to the component.

Als uw automobiel met buiten achteruitkijkspiegel ontdooier is uitgerust, kunt u ijzel, mist en dun ijs van de spiegel verwijderen door te drukken op de ontdooischakelaar van de achterruit.

Verwarmings- en ventilatiesysteem
A B C D

Bedieningsorganen en functies Ventilator snelheidsregelknop

De ventilator snelheidsregelknop (B) is de middelste knop op het klimaatregelingpaneel. Vier (4) verstelbare ventilator snelheden zijn voorzien: hoe hoger nummer hoe hoger de snelheid. Het contactslot moet in de ON-stand staan voor de ventilatorwerking.

OFF : ventilator uit

I : lage snelheid
II : middelmatige snelheid
III : hoge snelheid
III : maximale snelheid

Funktiekeuze knop

De funktiekeuze knop (C) is het dichtst bij de passagiersstoel op het klimaatregelingspaneel. Het regelt de richting van luchtstroom door het ventilatiesysteem.

Gericht op hoofd

De luchtstroom wordt gericht op de hoofden van de inzittenden voor. ledere uitstroomopening kan afzonderlijk geregeld en gericht worden. Uit de uitstroomopeningen kan verwarmde, gekoelde of frisse lucht stromen.

Bi-level

De luchtstroom wordt zowel op het gezicht als op de vloer gericht. De lucht die naar de voeten stroomt is warmer dan de lucht die naar het gezicht gevoerd wordt, behalve als de temperatuurregelknop op "Koud" staat.

↓ Verwarmen

In deze stand wordt de meeste lucht naar de vloer gevoerd. Een beperkte hoeveelheid lucht wordt naar de voorruit en de zijruiten gevoerd. Schakel deze stand in als u het interieur van de auto snel wilt verwarmen en zet dan tevens de aanjagerschakelaar in de hoogste stand.

KIA Rio (2000) - ↓ Verwarmen - 1

Verwarmen en ontwasemen

In deze stand wordt de meeste lucht naar de vloer en de voorruit gevoerd. Een beperkte hoeveelheid lucht wordt naar de zijruiten gevoerd.

KIA Rio (2000) - Verwarmen en ontwasemen - 1

Ontwasemen en ontdooien

In deze stand wordt de meeste lucht naar de voorruit gevoerd. Een beperkte hoeveelheid lucht wordt naar de zijruiten en de vloer gevoerd.

Temperatuurregelknop

De temperatuurregelknop (A) is de ronde knop het dichtst bij de bestuurderszijde op het klimaatregelingspaneel. Om de luchttemperatuur in het voertuig te veranderen; draai de knop met de klok mee voor warme lucht of tegen de klok in voor koele lucht.

Luchtinlaatregelknop

De luchtinlaatregelknop (D) is geplaatst aan de onderkant op het klimaatregelingspaneel.

KIA Rio (2000) - Luchtinlaatregelknop - 1

Recirculatie lucht stand

Bijna alle buitenluchttoevoer naar het voertuig is afgesloten en lucht binnen het voertuig circuleert. Deze stand kan tijdelijk worden gebruikt voor maximale verwarming of koeling (indien voorzien met airconditioning) en om ongewenste buitenluchttoevoer naar het voertuig te voorkomen.

Buiten (verse) lucht stand

Buitenlucht komt in het ventilatiesysteem. Gebruik deze stand voor normale ventilatie en verwarming.

WAARSCHUWING!

Langdurig recirculeren kan leiden tot een verhoogde luchtvochtigheid in het interieur, waardoor de ruiten kunnen beslaan en het uitzicht belemmerd wordt.

KIA Rio (2000) - WAARSCHUWING! - 1

AIRCOSCHAKELAAR

Druk de schakelaar in om de airconditioning in te schakelen. Als de aanjagerschakelaar AAN gezet wordt, zal in de aircoschakelaar een controlelampje gaan branden. Door nogmaals op de aircoschakelaar te drukken wordt de airconditioning weer uitgeschakeld.

VENTILATIE

  1. Zet knop B van de luchtcirculatie in de stand
  2. Zet de knop van de luchttoevoer in de stand buitenlucht.
  3. Zet de aanjager op de gewenste snelheid.
  4. Zet de temperatuurregelknop in de gewenste stand.

VERWARMING

  1. Zet knop B van de luchtcirculatie in de stand ↓.
  2. Zet de knop van de luchttoevoer in de stand buitenlucht.
  3. Zet de aanjager op de gewenste snelheid.
  4. Zet de temperatuurregelknop in de gewenste stand.
  5. Als u de uitstromende lucht gedroogd wilt hebben, kunt u de airco aanzetten.
  6. Als u de gelijktijdig koele lucht ter hoogte van uw gezicht wilt hebben, kunt u knop B in de stand ↩ zetten.
  7. Voor het ontwasemen van de voorruit knop B in de stand 📊 zetten.

WAARSCHUWING!

De stand 📊 tijdens koelen niet gebruiken bij extreem vochtig weer. Het temperatuurverschil tussen de buitenlucht en de voorruit kan de voorruit doen beslaan, waardoor uw uitzicht belemmerd wordt.

ONTWASEMEN EN ONTDOOIEN VAN DE VOORRUIT

  1. Zet de knop voor luchtcirculatie in de stand
  2. Zet de knop voor de luchttoevoer in de stand buitenlucht.
  3. Zet de temparatuurregelknop in de gewenste stand.
  4. Zet de knop voor de aanjagersnelheid in de gewenste stand.
  5. Als u de uitstromende lucht gedroogd wilt hebben, kunt u de airco aanzetten.

  6. Zet voor het snel ontdooien de temperatuurregelknop geheel naar rechts (heet) en de aanjager in de hoogste stand.

  7. Als u gelijktijdig warme lucht naar de voeten wilt hebben kunt u de knop voor de luchtcirculatie in de stand zetten.
  8. Maak alle ruiten en buitenspiegels ijs-en sneeuwvrij alvorens met de auto te gaan rijden.
  9. Maak ook motorkap en de toevoeropening voor de lucht naar het interieur ijs-en sneeuwvrij om het effect van het ventilatiesysteem te vergroten en de kans op beslaan van de ruit te reduceren.

AIRCO

  1. Start de motor en zet de airco aan.
  2. Zet knop B van de luchtcirculatie in stand →.
  3. Zet de knop voor de luchttoevoer in de stand binnen- of buitenlucht.
  4. Stel de temperatuurregelknop op de gewenste waarde in.
  5. Žet de aanjager op de gewenste snelheid.
  6. Voor warme lucht uit de onderste uitstroomopeningen kunt u knop B in de stand zetten en de temperatuurregelknop in de gewenste stand zetten.
  7. Voor een maximale koeling moet u de temperatuurregelknop geheel naar links draaien, de knop van de luchttoevoer in de stand zetten en de aanjager in de hoogste stand zetten.

Tips betreffende het gebruik van de airconditioning

  • Als de auto tijdens warm weer in de volle zon geparkeerd werd, dient u eerst de ruiten te openen om de warme lucht uit de auto af de voeren alvorens de airconditioning in te schakelen.
  • Om het beslaan van de ruiten tijdens regenachtig weer te verminderen, kunt u de vochtigheidsgraad in het interieur terugbrengen door de airconditioning in te schakelen.

  • Wanneer u de airco inschakelt tijdens het rijden, kunt u een minimale snelheidsvermindering waarnemen. Dit is echter een normaal verschijnsel als de aircocompressor inschakeld.

  • Gebruik de airco minimaal elke maand een paar minuten.
  • Na het gebruik van de airco kunt u onder de auto (passagierszijde) waterdruppels of zelfs een plas water aantreffen. Ook dit is normaal.
  • De airconditioning heeft een systeem waardoor bij oververhitting de A/C - compressor uitgeschakeld wordt.
  • Meng, bij gebruik van de airco (frisse) buiten lucht bij.

OPMERKING

Bij gebruik van de airconditioning tijdens het oprijden van lange hellingen of in druk verkeer, moet u de koelvloeistoftemperatuurmeter in de gaten houden. Gebruik van de airconditioning kan oververhitting van de motor veroorzaken. Als de motor oververhit dreigt te raken, moet u de airconditioning uitzetten. (Zie ook "Overhitting" in hoofdstuk 5.)

AANWIJZINGEN VOOR HET RIJDEN

5

Vereiste brandstof....5-2

Voorzorgsmaatregelen emissieregelsysteem ..... 5-2

Vóór het rijden 5-3

Suggesties voor brandstofbesparing....5-3

Rijden in de winter 5-4

Speciale omstandigheden 5-5

Sneeuwkettingen 5-5

Doorwaden van water....5-6

Rijden met aanhanger....5-6

Trekken van een aanhangwagen 5-7

Gewicht van de aanhangwagen, Kogeldruk ..... 5-8

Totale belasting van uw autobanden 5-9

Labels en codenummers 5-9

VEREISTE BRANDSTOF, VOORZORGSMAATREGELEN EMISSIEREGELSYSTEEM

Vereiste brandstof

De motor van uw auto is ontworpen voor het gebruik van LOODVRIJE BENZINE. Het octaangetal moet minimaal 91 bedragen

OPMERKING

Gebruik nooit loodhoudende benzine, dit kan de katalysator en de lambdasensor beschadigen, waardoor de emissieregeling en het uittlaatsysteem nadelig beinvloed wordt.

Uitlaatsysteem

Voor het uitlaatsysteem geldt een beperkte garantieperiode. Zie garantiebepalingen van uw auto

Voorzorgsmaatregelen emissieregelsysteem

Voorzogsmaatregelen koolmonoxide Uitlaatgassen bevatten onder andere het reukloze en kleurloze gas koolmonoxide dat bij inademing dodelijk kan zijn.

- Als u uitlaatgassen in de auto ruikt, kan er ook koolmonoxide in het interieur aanwezig zijn. Laat het uitlaatsysteem van uw auto direct door de officiële Kia-dealer controleren indien u in het interieur uitlaatgas ruikt. Rijd niet met de auto als u uitlaatgassen ruikt, maar als het niet anders kan, dient u alle ruiten volledig te openen.

- Laat de motor in een afgesloten ruimte (bijvoorbeeld een garage) niet langer draaien dan nodig is om de auto naar binnen of naar buiten te rijden.

- Stel de verwarming of ventilatie zo af dat er verse buitenlucht naar het interieur gevoerd wordt, als de auto in een open ruimte stilstaat terwijl de motor wat langer moet blijven draaien.

- Blijf nooit met draaiende motor gedurende langere tijd in een stilstaande auto zitten.

Voorzorgsmaatregelen katalysator

Uw auto is uitgevoerd met een katalysator. Houd u daarom aan de volgende zaken:

Gebruik alleen loodvrije benzine.

Gebruik uw auto niet als zich storingen in de motor of het motormanagement voordoen.

Rijd nooit met contact uit en in de versnelling van een berg af.

Vcorkom langdurig hoge toerentallen (meer dan 5 minuten).

Vóór het rijden

VOOR HET INSTAPPEN

  • Controleer of alle ruiten, buitenspiegels en lampen schoon zijn.
  • Controleer de toestand van de banden.
  • Controleer of alle verlichting werkt.
  • Controleer, indien u van plan bent achteruit weg te rijden, of er zich geen obstakels achter de auto bevinden.
  • Controleer of er geen sporen van lekkage onder de auto te zien zijn.

De volgende vlceistofniveaus dienen dagelijks, wekelijks of bij het tanken gecontroleerd te worden. Motorolie, koelvloeistof, remvloeistof, koppelingsvloeistof en ruitensproeiervloeistof. Nadere informatie vindt u in hoofdstuk 7.

VOOR HET STARTEN

  • Stel de binnen-en buitenspiegels af.
  • Verstel de stoel zodanig dat u alle bedieningsorganen gemakkelijk kunt bereiken.
  • Controleer of alle inzittenden hun veiligheidsgordel hebben vastgemaakt.
  • Controleer of alle waarschuwingslampjes werken als het contact in de stand ON staat.
  • Controleer alle instrumenten.
  • Ontgrendel de parkeerrem en controleer of het waarschuwingslampje voor het remsysteem uitgaat.
  • Voor een veilig gebruik is het noodzakelijk dat u volledig vertrouwd bent met uw auto en de bedieningsorganen.

Suggesties voor brandstofbesparing

Het brandstofverbruik van uw auto is voornamelijk afhankelijk van uw rijstijl: hoe, waar en wanneer u rijdt. Uw rijstijl is van invloed op de totale hoeveelheid kilometers die u op een liter brandstof kunt afleggen. Door de onderstaande suggesties op te volgen, verbruikt uw auto zo min mogelijk brandstof en spaart u op reparaties en onderhoud:

  • Laat de motor niet stationair draaiend op bedrijfstemperatuur komen. Rijd rustig weg zodra de motor soepel draait. Denk eraan dat het bij lagere buitentemperaturen langer duurt voordat de motor op bedrijfstemperatuur is.
  • Bespaar brandstof door snel accelereren te vermijden.
  • Zorg ervoor dat de motor goed afgesteld is en houd u aan de voorgeschreven periodieke onderhoudsbeurten. Dat komt de levensduur van alle onderdelen ten goede en reduceert de onderhoudskosten.
  • Gebruik de airconditioning uitsluitend als dat echt noodzakelijk is.
    • Rijd langzaam op slechte wegen.
  • Zorg ervoor dat de banden altijd op de juiste spanning zijn. Dat verlaagt het brandstofverbruik en komt de levensduur van de banden ten goede.

  • Bewaar voldoende afstand tot overige weggebruikers om noodstops te voorkomen. Dat vermindert de slijtage van remvoeringen en remblokken en reduceert het brandstofverbruik, omdat het versnellen tot de normale rijsnelheid na sterk afgeremd te hebben extra brandstof kost.

  • Laat geen overbodige zaken in de auto liggen.
  • Laat uw voet tijdens het rijden niet op het rempedaal rusten. Dat veroorzaakt onnodige slijtage en mogelijk schade aan het remsysteem alsmede een hoger brandstofverbruik.
  • Een onjuiste uitlijning van de wielen veroorzaakt een hogere rolweerstand en een verhoogde bandenslijtage. De hogere rolweerstand resulteert in een hoger brandstofverbruik.

Het in goede staat houden van uw auto is van groot belang voor zowel de veiligheid als het brandstofverbruik. Laat daarom het voorgeschreven periodieke onderhoud uitvoeren door een officiële Kia-dealer.

  • Bij hoge snelheid met geopende ruiten rijden veroorzaakt een hoger brandstofverbruik.
  • Harde tegenwind veroorzaakt ook een hoger brandstofverbruik, ga daarom onder deze omstandigheden langzamer rijden (denk om minimale snelheid).

OPMERKING

Zet bij het afrijden van een helling nooit de motor uit. Als de motor niet draait, werken de stuurbekrachtiging en de rembekrachtiging niet. Schakel in plaats daarvan terug naar een lagere versnelling om op de motor te kunnen afremmen.

Rijden in de winter

  • Afhankelijk van de omstandigheden kan het zinvol zijn een noodpakket mee te nemen. Dit pakket kan bestaan uit sneeuwkettingen, een ijskrabber, een zak zand of zout, een pechlamp, een kleine schep en startkabels.
  • Controleer of het koelsysteem voldoende antivries bevat.
  • Controleer de toestand van de accu en de accukabels.
  • Lage buitentemperaturen reduceren de capaciteit van de accu. Om in de winter voldoende startcapaciteit te hebben, moet de accu in topconditie verkeren.
  • Controleer of de motorolie geschikt is voor de winterse omstandigheden.
  • Controleer het elektrisch systeem op loszittende aansluitingen en beschadigingen.
  • Vul het ruitensproeierreservoir met ruitensproeier-antivries (geen koelvloeistof).
  • Gebruik bij vorst de parkeerrem niet. Maar schakel de 1e versnelling of de achteruitversnelling in en blokkeer de voorwielen.

Rijden onder moeilijke omstandigheden

Neem de volgende raadgevingen in acht als ten gevolge van zware regenval, sneeuw, ijzel, modder of zand het rijden bemoeilijkt wordt.

  • Rijd voorzichtig en bewaar extra afstand tot het overige verkeer.
    • Vermijd abrupt remmen en sturen.
  • Rem "pompend".
  • Schakel de tweede versnelling in en geef voorzichtig gas als de auto vastzit in sneeuw, modder of zand. Gebruik indien nodig de 1e versnelling. Geef voorzichtig gas om te voorkomen dat de wielen doorslippen.
  • Gebruik zand, pekel, sneeuwkettingen of ander antislipmateriaal voor de aangedreven wielen als de auto vast is komen te zitten in ijs, sneeuw of modder.

WAARSCHUWING!

Schakel op een glad wegdek niet terug naar de 1e versnelling. Dat kan slippen veroorzaken.

Op eigen kracht lostrekken van de auto

Indien de auto vastzit in ijs, modder of sneeuw, kunt u proberen de auto los te trekken door afwisselend de 1e versnelling en de achteruitversnelling (bij een handgeschakelde transmissie) of de stand R en de stand D (automatische transmissie) in te schakelen en iets gas te geven. Als de auto na enkele minuten nog vastzit, dient u de auto door een andere auto los te laten trekken om oververhitting van de motor en beschadiging van de transmissie te voorkomen.

OPMERKING

Het langdurig van de 1e versnelling naar de achteruitversnelling en omgekeerd schakelen kan oververhitting van de motor en beschadiging van de transmissie en van de banden veroorzaken.

WAARSCHUWING!

Laat de motor niet met een te hoog toerental draaien en laat de wielen niet te snel ronddraaien om beschadiging van de banden te voorkomen.

Sneeuwkettingen

Kiezen van sneeuwkettingen

De bepalingen omtrent het gebruik van sneeuwkettingen variëren naar gelang het gebied of het type weg. Informeer daarom voor het aanbrengen eerst of het gebruik van sneeuwkettingen toegestaan is.

Aanbrengen van sneeuwkettingen

Volg bij het aanbrengen van sneeuwkettingen nauwgezet de instructies van de fabrikant van de kettingen. De sneeuwkettingen zullen de wieldoppen beschadigen, verwijder deze daarom voordat u de sneeuwkettingen aanbrengt.

Breng de sneeuwkettingen zo strak mogelijk aan om de aangedreven wielen. Het gebruik van sneeuwkettingen om de achterwielen wordt niet aanbevolen. Trek de kettingen opnieuw aan nadat u 500 tot 1.000 meter gereden heeft.

SPECIALE OMSTANDIGHEDEN, DOORWADEN VAN WATER, RIJDEN MET EEN AANHANGER

OPMERKING

  • Het gebruik van sneeuwkettingen kan de bestuurbaarheid van de auto nadelig beinvloeden.
  • Rijd nooit sneller dan 50 km/h of sneller dan de door de fabrikant aanbevolen snelheid. Houd van deze twee snelheden altijd de laagste aan.
  • Rijd voorzichtig en vermijd oneffenheden, gaten en het maken van scherpe bochten waardoor de auto plotseling zou kunnen uitveren.
  • Vermijd het maken van scherpe bochten en het blokkeren van de wielen door sterk afremmen.
  • Probeer nooit een sneeuwketting aan te brengen om het noodreservewiel, aangezien dat beschadiging van auto en band tot gevolg kan hebben.

Doorwaden van water

Vermijd het doorwaden van water tenzij u er zeker van bent dat het water niet hoger komt dan de onderzijde van de velg. Rijd steeds langzaam bij het doorwaden van water. Bewaar voldoende afstand tot een eventuele voorligger omdat natte remmen minder effectief werken. Droog de remmen door na het doorwaden bij lage snelheid het rempedaal een aantal malen voorzichtig in te trappen.

Rijden met een aanhanger

Raadpleeg voor het rijden met een aanhanger uw officiële Kia-dealer.

Trekken van een aanhangwagen

WAARSCHUWING! - Trekken van een aanhangwagen

Als u niet de juiste uitrusting gebruikt of niet volgens de regels rijdt, kunt u bij het trekken van een aanhangwagen de controle over het stuur verliezen. Door overlapping van de aanhangwagen kan uw remvermogen bijvoorbeeld sterk afnemen en kunnen u of uw passagiers ernstig of zelfs dodelijk verwond worden. Volg alle stappen in deze paragraaf zorgvuldig als u een aanhangwagen gaat trekken. Maximumlading aanhangwagen

- Aanhangwagen zonder remsysteem: 453 kg

Kogeldruk: 45 kg

- Aanhangwagen met remsysteem 900 kg for Motor 1.3 / 1,100 kg for Motor 1.5

Kogeldruk: 90 kg

OPMERKING

Door op een foute manier een aanhangwagen te trekken kunt u uw auto beschadigen, met dure reparaties die niet onder de garantie vallen tot gevolg. Volg de instructies in dit hoofdstuk voor het trekken van een aanhangwagen.

Meer informatie over de trekcapaciteit van uw auto vindt u verder in dit hoofdstuk onder "Gewicht van de aanhangwagen".

Hou er rekening mee dat het trekken van een aanhangwagen verschilt van gewoon rijden. Als u een aanhangwagen trekt, moet u uw rijstijl aanpassen. Uw auto wordt zwaarder belast en zal meer brandstof verbruiken. Om op een veilige manier een aanhangwagen te trekken moet u over de juiste uitrusting beschikken en deze ook correct gebruiken.

In dit hoofdstuk vindt u belangrijke tips en veiligheidsaanwijzingen voor het gebruik van een aanhangwagen. Veel van deze tips zijn belangrijk voor uw veiligheid en die van uw passagiers. Lees dit hoofdstuk daarom grondig voor u aan aanhanger trekt.

De componenten van uw auto zoals de motor, overbrenging, wielconstructies en banden worden zwaarder belast door het bijkomende gewicht van de aanhangwagen. De motor moet op een hoger toerental en met een zwaardere belasting draaien. Door deze extra belasting komt er meer warmte vrij. Met een aanhangwagen vangt u ook meer wind, zodat de belasting van uw auto nog toeneemt.

Wanneer u een aanhangwagen gaat trekken

Hieronder vindt u enkele belangrijke punten waarop u bij het trekken van een aanhangwagen dient te letten:

• Overweeg het gebruik van een antislingersysteem. De leverancier van uw trekhaak kunt u hierover informeren.
- Zodra uw kilometerteller een afstand van 800 km of meer aanwijst, mag u een aanhangwagen trekken. Rij de eerste 800 km niet meer dan 80 km/u met aangekoppelde aanhangwagen en start niet volgas. Zo kunnen de motor en andere onderdelen van uw auto zich op de zwaardere belasting instellen.
- Hou rekening met drie belangrijke aanbevelingen wat het gewicht betreft:

Gewicht van de aanhangwagen

Hoe zwaar mag een aanhangwagen zijn om veilig te kunnen rijden? Hij mag ncoit meer dan 900 kg(1.3 motor)/1,100 kg(1.5 motor) wegen. Maar ook dat kan nog teveel zijn. Het toelaatbare gewicht hangt van het gebruiksdoel af. De snelheid, hoogte, helling en buitentemperatuur spelen een belangrijke rol. Het ideale gewicht van de aanhangwagen is ook afhankelijk van de speciale uitrusting van uw auto.

Kogeldruk

De kogeldruk van een aanhangwagen speelt een belangrijke rol omdat hij het totale brutogewicht van de auto (GVW) beïnvloedt. Dit gewicht omvat het leeggewicht van uw auto, de lading die u erin vervoert en de personen die erin rijden. Als u een aanhangwagen trekt, moet u ook de kogeldruk bij het brutogewicht optellen omdat uw auto deze last eveneens draagt. De kogeldruk mag maximaal 10% van het totale gewicht van de aanhangwagen bedragen. Controleer nadat de aanhangwagen geladen is het totale gewicht en de kogeldruk afzonderlijk om te weten of het gewicht goed verdeeld is. Is dit niet het geval, verdeel het gewicht dan door bepaalde voorwerpen in de aanhangwagen van plaats te veranderen.

AANWIJZING

  • Laad een aanhangwagen achterin nooit zwaarder dan voorin. 60% van het totale gewicht van de aanhangwagen moet zich voorin bevinden en ongeveer 40% achteraan.
  • Overschrijd nooit de maximale toegelaten belasting van uw aanhangwagen of trekhaak. Door een slechte of te zware lading kan uw auto schade oplopen en kunt u verwondingen oplopen. Controleer het gewicht en de gewichtsverdeling op een gewone weegschaal of laat ze controleren bij een instantie die hiertoe over de nodige uitrusting beschikt.

Totale belasting van uw autobanden
Bandenspanning- saanduiding

Zorg ervoor dat de banden van uw auto tot de maximumspanning voor koude banden worden opgepompt. Deze waarde staat op de bandenspanningsaanduiding op de portierstijl aan bestuurderszijde. Zorg ervoor dat u het toegelaten brutogewicht (GVW) van uw auto niet overschrijdt.

Labels en codenummers
Chassisnummer DOMC 10V

Er bevinden zich verschillende belangrijke codenummers in uw auto, de plaatsen van deze nummers zijn aangegeven in de volgende afbeeldingen.

Bandenspanning

MEMO

WAT TE DOEN IN NOODGEVALLEN

6

Alarmknipperlichten 6-2

Oververhitting 6-2

Starten met hulpaccu 6-3

Zekeringen 6-4

Zekering paneel beschrijving 6-7

Motor compartment 6-8

Slepen 6-10

Wiel verwisselen bij een lekke band 6-11

Alarmknipperlichten

KIA Rio (2000) - Alarmknipperlichten - 1

natural_image Line drawing of a car interior showing a device with an arrow pointing to it (no text or symbols present)

De alarmknipperlichtinstallatie dient ervoor om de overige weggebruikers te waarschuwen om extra voorzichtigheid in acht te nemen bij het naderen, inhalen of passeren van uw auto. De alarmknipperlichten dienen te worden gebruikt in noodsituaties of als de auto aan de kant van de weg tot stilstand is gekomen.

Door het indrukken van de schakelaar zullen alle richtingaanwijzers gelijktijdig gaan knipperen, ongeacht de stand van de contactsleutel.

AANWIJZING:

  • Als de alarmknipperlichten ingeschakeld zijn, zullen de richtingaanwijzers niet werken.
  • Bij het gebruik van de alarmknipperlichten in het geval dat de auto gesleept wordt, moet rekening gehouden worden met de wettelijke voorschriften.

Oververhitting

Als de koelvloeistoftemperatuurmeter aangeeft dat de motor oververhit dreigt te raken, als u merkt dat de motor vermogen verliest of als u luide kloppende of pingelende geluiden onder de motorkap hoort, is de motor waarschijnlijk oververhit. Volg in dat geval orderstaande procedure:

  1. Rijd voorzichtig naar een veilige plaats en breng de auto tot stilstand; zet de versnellingspook in neutraal (bij een handgeschakelde transmissie) of in stand P (bij een automatische transmissie) en trek de parkeerrem aan.
  2. Controleer of de airconditioning uit staat.
  3. Zet de motor uit als er stoom of koelvloeistof uit de radiateur komt. Zet het contact vervolgens in de stand ON maar start de motor niet. Als het contact in de stand ON staat, zal de elektrische koelventilator automatisch aanslaan. Raadpleeg een officiële Kia-dealer als de koelventilator niet werkt. Als er geen koelvloeistof uit de radiateur komt, laat dan de motor stationair draaien bij een open motorkap om de motor af te laten koelen. Zet de motor uit als de temperatuur bij stationair draaien niet zakt en wacht voldoende lang om de motor de gelegenheid te geven af te koelen.

  4. Controleer vervolgens het koelvloeistofniveau. Als het koelvloeistofniveau te laag is, controleer dan de radiateurslangen en aansluitingen, de slangen van de verwarming, de waterpomp, enz. Op lekkage. Neem, indien u de oorzaak van de oververhitting vindt, contact op met een officiële Kia-dealer en laat de motor niet draaien zolang het probleem niet verholpen is. Vul het koelsysteem voorzichtig bij indien u geen lekkage vindt.

WAARSCHUWING!

Verwijder bij een warme motor en radiateur de radiateurdop niet. Naar buiten spuitende hete koelvloeistof en stoom kunnen ernstige brandwonden veroorzaken

OPMERKING

Laat het koelsysteem controleren en zonodig repareren indien de motor regelmatig oververhit raakt.

Starten met een hulpaccu
Sluit de kabels in de aangegeven volgorde aan (neem de kabels in omgekeerde volgorde los) Lege accu +① +② Startkabels Hulpaccu

Starten met een hulpaccu kan gevaarlijk zijn als dit niet op de juiste manier gebeurt. Volg onderstaande procedure om letsel en beschadiging van de auto of van de accu te voorkomen. Raadpleeg bij twijfel een expert.

OPMERKING

Gebruik alleen een 12 V accu om uw auto te starten. Indien u de auto probeert te starten met een 24 V spanningsbron (2 12 V accu's in serie of een 24 V snelstart-apparaat), kunnen de startmotor, het ontstekingssysteem en de overige onderdelen van de elektrische installatie van uw auto beschadigd raken.

WAARSCHUWING!

  • Houd vonken en open vuur uit de buurt van de accu. Tijdens het laden van de accu ontstaat een explosief gas.
  • Probeer uw auto niet met een hulpaccu te starten als de lege accu bevroren is; de lege accu kan scheuren of exploderen.

STARTPROCEDURE

  1. Controleer of de hulpaccu die u wilt gebruiken een 12 V accu is.
  2. Als de hulpaccu zich in een andere auto bevindt, mogen beide auto's elkaar niet raken.
  3. Schakel alle elektrische verbruikers uit.
  4. Sluit de startkabels aan in de volgorde die in de afbeelding is aangegeven. Sluit eerst één klem van de startkabel aan op de pluspool van de lege accu en de andere klem van dezelfde kabel op de pluspool van de hulpaccu. Sluit vervolgens de ene klem van de andere startkabel aan op de minpool van de hulpaccu en de andere klem op een metalen deel van de te starten motor (niet op de minpool van de lege accu). Let er bij het aansluiten van de klemmen op dat de klemmen elkaar of andere metalen onderdelen van de auto niet raken en leun bij het aansluiten niet over de accu.
  5. Start de auto met de hulpaccu en laat deze auto enkele minuten stationair draaien. Start vervolgens de auto met de lege accu.
  6. Neem vervolgens de startkabels los in de volgorde die omgekeerd is aan de volgorde die in stap 4 beschreven is.

Aanduwen of aanslepen

Probeer een auto niet aan te duwen of te slepen omdat hierdoor het emissieregelsysteem beschadigd kan raken. Volg de aanwijzingen in de voorafgaande paragraaf om een auto met een lege accu te starten.

Zekeringen

Standaard Normaal Doorgebrand Hoofd-zekering Normaal Doorgebrand

ZEKERINGEN

De elektrische installatie in uw auto is beveiligd tegen overbelasting door middel van zekeringen en een stroomonderbreker. In de auto bevinden zich 2 zekeringenkasten - de ene in het zijpaneel in de voetenruimte bij de bestuurder, de andere onder de motorkap in de buurt van de accu.

Controleer de zekeringen als een gedeelte van de verlichting niet werkt of als bepaalde elektrische accessoires niet werken. Bij een defecte zekering is het draadje in de zekering doorgebrand.

Vervang een zekering altijd door een zekering van dezelfde stroomsterkte. Schakel het desbetreffende elektrische systeem uit en raadpleeg direct een officiële Kia- dealer indien de vervangen zekering weer doorbrandt.

OPMERKING

Er worden 2 soorten zekeringen gebruikt: standaardzekeringen voor de circuits met een lage stroomsterkte en hoofdzekeringen voor circuits met een hoge stroomsterkte.

ZEKERINGEN VERVANGEN

OPMERKING

  • Vervang een defecte zekering nooit door een zekering voor een grotere stroomsterkte. Als u een zekering gebruikt voor een grotere stroomsterkte, kan het elektrische circuit overbelast worden, waardoor brand kan ontstaan.
  • Vervang een zekering nooit door iets anders-ook niet als noodreparatie. Hierdoor kan het elektrische circuit overbelast worden waardoor brand kan ontstaan.
  • Verwijder een zekering niet met een schroevendraaier of een ander metalen voorwerp omdat hierdoor kortsluiting kan ontstaan, waardoor schade aan het elektrisch systeem kan worden veroorzaakt.

KIA Rio (2000) - OPMERKING - 1

natural_image Line drawing of a car interior showing a vehicle's seatbelt and rearview panel (no text or symbols)

Controleer eerst de zekeringen in de zekeringenkast aan de bestuurderszijde als een gedeelte van de elektrische installatie niet werkt.

  1. Zet het contact en overige schakelaars uit.
  2. Verwijder de desbetreffende zekering met de speciale zekeringtrekker die zich op het deksel van het zekeringenkastje bevindt.
  3. Controleer de verwijderde zekering; vervang hem als hij is doorgebrand.

ZEKERINGEN

  1. Plaats een nieuwe zekering met dezelfde stroomsterke en controleer of de zekering goed vastzit. Laat een officiële Kia- dealer het zekeringenkastje repareren als de zekering niet goed vast blijft zitten. Als u geen reservezekering heeft, kunt u tijdelijk de zekering gebruiken van een circuit dat u niet nodig heeft, als de zekering tenminste dezelfde capaciteit heeft.

KIA Rio (2000) - ZEKERINGEN - 1

natural_image Technical line drawing of a car engine bay with visible internal components and no text or symbols

HOOFDZEKERINGEN

Als de koplampen of andere elektrische verbruikers niet werken en de zekeringen in orde zijn, moeten de hoofdzekeringen worden gecontroleerd. Een doorgebrande hoofdzekering moet worden vervangen.

  1. Draai het contactslot en alle andere schakelaars uit.
  2. Verwijder de zekeringendoos deksel door het lipje aan een einde los te haken en de deksel naar de andere kant terug te kantelen.
  3. Beproef de zekeringen. Als er één is doorgebrand, vervang hem door een nieuwe met dezelfde waarde.

Zekering paneel beschrijving

Bestuurders zijkant, onder dashboard

FDG LAMP (RR) 10ATAIL (RH) 10AWIPER (FRT) 15A
(A/BAG) 10APOWER SOCKET 15ATAIL (LH) 10AWIPER (RR) 15A
TURN LAMP 10AHAZARD 15A(CIGAR 15A)
METER 10ASTOP 15AAUDIO 10ASTART 10A

Fuse_kick

BeschrijvingZekering waardeGezekerde onderdelen
Bestuurders zijkant, onder dashboard
(A/BAG)10 AAirbag
TURN LAMP10 ARichtingaanwijzer lamp
METER10 AMeetinstrumenten, achter-ruitrijlamp, geluidsalarm
(FOG LAMP(RR.))10 AMistlamp achter
(POWER SOCKET)15 ABagageruimte lamp, stroomstopcontact
HAZARD15 AWaarschuwingsknipperlicht
STOP15 ARemlamp, ABS
TAIL (RH)10 AContour lamp (acher-rechts/voor-links), licht-schakelaar
TAIL (LH)10 AContour lamp (acher-links /voor- rechts)
CIGAR15 ASigaretten aansteker
AUDIO10 AAudio, elektrische achter-uitkijkspiegel
WIPER (FRT.)15 ARuitenwisser (voor), ruiten-sproeier (voor) , schuifdak
(WIPER (RR.))15 ARuitenwisser (achter), ruitensproeier (achter)
START10 AMotorcontrol eenheid , ECAT eenheid
* ( ) : Optioneel

MOTOR COMPARTIMENT

Motor compartment
• BIJ VERVANGEN VAN MEMORY-ZEKERING 1. TREK HOUDER ERUIT 2. DUW ZEKERING ERIN Layer 1 32 39 40 (41) (36) (37) (38) (34) 35 (33) 1 19 20 21 22 23 24 (25) (26) 27 (28) 29 8 9 10 1 12 13 14 15 16 17 18 2 3 4 (5) 6 (7) 30 S/A FUSES 1. MAIN : 60A 2. IG KEY1 : 30A 3. BLOWER : 30A 4. C/FAN : 20A 5. ABSI : 30A 6. 7. COND. FAN : 20A MINI FUSES 8. HEAD-HI : 15A 9. HEAD-LOW : 15A 10. EMS : 10A 1. INJECTOR : 15A 12. F/PUMP : 10A 13. EQU : 10A 14. RELAY : 10A 15. MAIN RELAY : 25A 16. S/ROOF : 15A 17. HEAD : 25A 18. 19. 20. 21. IG KEY2 : 25A 23. TNS : 15A 23. HORN : 10A 24. RR DEF : 20A 25. ABS2 : 20A 26. P/WIN : 20A 27. BTN : 25A 28. D/LOCK : 25A 29. IG COIL : 15A 30. MEMORY/ROOM : 15A MINI RELAYS 31. BLOWER 32. C/FAN MICRO RELAYS 33. COND FAN 34. TNS 35. MAIN 36. HORN 37. P/WIN 38. H/LAMP 39. F/PUMP 40. RR DEF 41. A/CON • GEBRUIK BIJ VERVANGING ALLEEN VOORGESCHREVEN ZEKERINGEN • ZIE DE BIJGAANDE TABEL VOOR MEER INFORMATIE • INDIEN AANWEZIG.

Fuse_main

BeschrijvingZekering waardeGezekerde onderdelen
Compartiment motor
MAIN80 AAccu is niet te laden
IG KEY 130 A(wordt automatisch verbonden aan tweede zekering SIGARET-TEN AANSTEKER 10A, AUDIO 10A, IG COIL 15A, RICHTING-AANWIJZER LAMP 10A, AIR-BAG 10A, RUITENWISSER ACHTER 15A, RUITENWISSER VOOR 15A, RELAIS 10A, START 10A
BLOWER30 AVerwarming
C/FAN20 AKoeling ventilator
(ABS 1)30 AABS
COND. FAN20 ACondensator ventilator
HEAD-HI15 AGrootlicht lamp
HEAD-LOW15 ADim lamp
EMS10 AMotor sensors
INJECTOR15 AInjector, O2 sensor
F/PUMP10 ABrandstofpomp
ECU10 AMotorcontrol eenheid, ECAT eenheid, hoofd relais
RELAY10 AMotor ventilator, elektrische raamopener, achterruitverwar-ming, koplamp (met airbag uitgeruste auto)
* ( ) : Optioneel
Compartiment motor, vervolg
MAIN RELAY25 Awordt automatisch verbonden aan tweede zekering EMS 10A, INJECTOR 15A, F/PUMP 10A, ECU 10A
(S/ROOF)15 ASchuifdak
HEAD25 Awordt automatisch verbonden aan tweede zekering HEAD-HI 15A, HEAD-LOW 15A, FOG LAMP(RR) 10A10A
IG KEY 225 A
TNS15 Awordt automatisch verbonden aan tweede zekering TAIL(LH) 10A, TAIL(RH) 10A
HORN10 AClaxon
RR. DEF.20 AAchterruitverwarming
(ABS 2)20 AABS
P/WIN20 AElektrische ramen
BTN25 Awordt automatisch verbonden aan tweede zekering MEMO-RY/ROOM 15A, STOP 15A, HAZARD 15A
D/LOCK25 AElektrische deurgrendel
IG COIL15 AOntsteking spoel
MEMORY/ROOM15 AVerlichting binnenruimte, audio, meetinstrumenten, geluidsa-larm
* ( ) : Optioneel

WEN EXCHANGE MEMORY FUSE 1. FULL HOLDER 2. PUSH FUSE 3 3 4C (41) (36) (37) (38) (34) 3 (33) 1E 2E 2F 2E 2A 2B (25) (26) 27 (28) 2E E E 1C -- 12 13 14 1E 1E 17 1E 2 3 4 (5) E (7)

MEMORY zekering (indien aanwezig)

Uw automobiel is uitgerust met "MEMORY ZEKERING" om accu ontladen te voorkomen als uw automobiel tijdens een of meer maanden buiten werking is geparkeerd. Volg de procedure als hieronder beschreven voor langdurig parkeren.

  1. Zet de motor uit.
  2. Schakel de koplampen en achterlichten uit.
  3. Open de hoofdzekeringendoos deksel in de motorruimte en trek als eerste de "MEMORY ZEKERING 15A" eruit. De functie van 'MEMORY ZEKERING' word verandert om ontladen van de accu te voorkomen.

WAARSCHUWING!

  • Als de "MEMORY zekering" omhoog is getrokken uit de zekeringendoos behuizing, zullen de audio en binnenverlichting niet werken. En na het herplaatsen van de "MEMORY zekering" op zijn oorspronkelijke plaats moeten de audio geheimcode en frequentie opnieuw ingegeven worden.
  • Zelfs indien u de "MEMORY zekering" heeft opgetrokken, kan accu ontlading veroorzaakt door het gebruiken van de koplampen of andere elektrische apparaten zonder draaiende motor niet voorkomen worden.

Slepen

Laat uw auto bij voorkeur wegslepen door een officiële Kia- dealer of een erkend bergingsbedrijf.

Om beschadiging van de auto te voorkomen, dient de sleepkabel of de takel op de juiste plaats te worden bevestigd. Houd hierbij rekening met de wettelijke voorschriften.

Dollies

Als vuistregel geldt dat een auto gesleept moet worden met de aangedreven wielen (de voorwielen) van de grond.

Als dat door omstandigheden niet mogelijk is, moet gebruik worden gemaakt van dollies.

  1. Zet het contact in de stand ACC.
  2. Plaats de versnellingspook in de vrijstand.
  3. Ontgrendel de parkeerrem.

KIA Rio (2000) - Slepen - 2

natural_image Two cars crossing a cross symbol with a person on the side (no text or labels)

OPMERKING

Sleep de auto nooit achteruit met de aangedreven wielen op de grond. Hierdoor kan de transmissie beschadigd raken.

Voor Achter

OPMERKING

  • De sleepogen mogen alleen in noodsituaties worden gebruik (om een vastgeraakte auto los te trekken).
  • Laat een sleepkabel altijd in het verlengde van de auto lopen. Oefen geen kracht uit op de sleepogen in zijwaartse richting. Trek de sleepkabel voorzichtig strak om beschadigingen te voorkomen.

Wiel verwisselen bij een lekke band
Reservewiel Krik

Reservewiel, gereedschap, krik en krikslinger

Het reservewiel, de gereedschapset, de krik en de krikslinger zijn opgeborgen in de bagageruimte.

KIA Rio (2000) - Reservewiel, gereedschap, krik en krikslinger - 1

natural_image Technical illustration of a mechanical clamp and tool assembly (no text or symbols)

VERWIJDEREN VAN DE KRIK

  1. Draai de bout linksom en verwijder hem.
  2. Verwijder de krik.

AANWIJZIG:

Bevestig de krik na gebruik zorgvuldig om rammelen te voorkomen.

KIA Rio (2000) - AANWIJZIG: - 1

natural_image Technical line drawing of a mechanical component with concentric circular features (no text or symbols)

VERWIJDEREN VAN HET RESERVEWIEL

Draai bevestigingbout van het reservewiel met behulp van de wielmoersleutel linksom.

Plaats het reservewiel en de krik in omgekeerde volgorde.

GEBRUIK VAN KRIK

Gebruik de krik uitsluitend om een band te verwisselen.

Neem onderstaande aanwijzingen in acht om letsel te voorkomen.

WAARSCHUWING!

  • Verwissel een wiel nooit op de rijbaan. Zet de auto altijd in de berm. Bel als dat niet mogelijk is een bergingsbedrijf of de wegenwacht.
  • Overschrijd de maximum belasting van de krik (600 kg) niet.
  • Plaats de krik uitsluitend op de daartoe bestemde plaats; nooit onder de bumper of iets dergelijks.
  • Ga nooit onder een opgekrikte auto liggen.
  • Start de motor niet zolang de auto is opgekrikt.

VERWISSELEN VAN EEN WIEL

  1. Plaats de auto op een stevige en vlakke ondergrond en trek de parkeerrem stevig aan.
  2. Zet de versnellingspook in de achteruit (bij een handgeschakelde transmissie) of in stand P (bijeen automatische transmissie).

WAARSCHUWING!

Als één van de voorwielen is opgekrikt, kan uw auto van de krik glijden. Blokkeer daarom het wiel diagonaal tegenover het te vervangen wiel en trek de parkeerrem volledig aan.

Lekke band Wielblokken

  1. Schakel de alarmknipperlichten in.
  2. Neem de wielmoersleutel, de krik, de krikslinger en het reservewiel uit de auto.
  3. Plaats wielblokken voor en achter het wiel dat zich diagonaal tegenover het te verwisselen wiel bevindt.

  4. Wip de naafdop los met de wielmoersleutel of een platte schroevendraaier.

AANWIJZING:

Houd een doek of een stuk karton tussen de wielmoersleutel of de schroevendraaier en het wiel om beschadiging van het wiel te voorkomen.
7. Draai de wielmoeren linksom één slag los. Verwijder de wielmoeren niet verder voordat de auto opgekrikt is.

KIA Rio (2000) - AANWIJZING: - 1

natural_image Diagram showing a car on a ramp and a mechanical clamp, both without any text or symbols.
  1. Plaats de krik onder het steunpunt dat zich het dichtst bij het te verwisselen wiel bevindt. Plaats de krik op de aangegeven plaats onder de dorpel.

WAARSCHUWING!

Gebruik alleen de krik die bij de auto geleverd wordt en plaats deze in de aangegeven positie, nergens anders.

KIA Rio (2000) - WAARSCHUWING! - 1

natural_image Diagram of a Krikslinger mechanism with attached spring and chain (no text or symbols)
  1. Steek de krikslinger in de krik en draai de slinger rechtsom totdat het wiel van de grond af komt (maximaal 30 mm). Controleer alvorens de moeren te verwijderen of de auto stabiel staat en er geen risico bestaat dat de auto van de krik glijdt.

  2. Verwijder de wielmoeren door ze linksom te draaien en verwijder het wiel.

KIA Rio (2000) - WAARSCHUWING! - 2

natural_image Line drawing of a car tire with a wheel and attached rod (no text or symbols)
  1. Plaats het reservewiel en draai de wielmoeren met de hand vast. Plaats de wielmoeren met de afgeschuinde kant naar het wiel gericht.

  2. Laat de auto zakken en draai de wielmoeren in de aangegeven volgorde stevig vast. Laat bij het dichtstbijzijnde garagebedrijf het aanhaalmoment van de wielmoeren controleren als u zelf niet over een momentsleutel beschikt. Het juiste aanhaalmoment is 9,0 - 12,0 kgm (90 - 120 Nm).

  3. Plaats het wiel met de lekke band in de bagageruimte en laat de band zo spoedig mogelijk repareren. Monteer daarna het gerepareerde wiel weer onder de auto.

WAARSCHUWING!

De tapeinden en de wielmoeren zijn voorzien van metrische schroefdraad. Gebruik indien u een wielmoer moet vervangen, uitsluitend originele Kiawielmoeren.

OPMERKING

Controleer na het monteren van het reservewiel zo spoedig mogelijk de bandenspanning.

ONDERHOUD

7

Onderhoudswerkzaamheden 7-2

Motorruimte. 7-7

Motorolie en oliefilter 7-9

Controle van overige vloeistofniveaus .....7-10

Remsysteem....7-10

Ruitenwisserbladen 7-12

Accu 7-13

Banden 7-15

Velgen 7-17

Lampen vervangen....7-18

Specificaties smeermiddelen 7-22

Onderhoud exterieur....7-23

Onderhoud interieur....7-25

7-1

Onderhoudswerkzaamheden

Als u dit instructieboekje gebruikt als richtlijn bij de inspectie van en het onderhoud aan uw auto, moet u uiterst voorzichtig zijn om letsel en schade aan uw auto te voorkomen.

Indien u niet zeker bent van de handelswijze die voor het onderhoud of de reparatie dient te worden gevolgd, is het raadzaam de werkzaamheden te laten verrichten door een betrouwbaar een deskundig garagebedrijf, bij voorkeur uw officiële Kia-dealer.

Een officiële Kia-dealer heeft getrainde technici in dienst, beschikt over originele Kia- onderdelen en kan daardoor het juiste onderhoud aan uw auto uitvoeren. Raadpleeg een officiële Kia-dealer voor deskundig advies en voor service van topkwaliteit.

Niet doelmatig, onvoldoende of gebrekkig onderhoud kan problemen bij het gebruik van uw auto veroorzaken, wat kan leiden tot beschadiging van de auto, een ongeval of persoonlijk letsel.

Verantwoordelijkheid van de eigenaar. Het laten uitvoeren van onderhoud en de registratie daarvan behoort tot de verantwoordelijkheid van de eigenaar.

Om aanspraak te kunnen maken op de garantie, dient u te kunnen bewijzen dat de voorgeschreven onderhoudsbeurten zijn uitgevoerd. De garantievoorwaarden vindt u bij de afleveringspapieren van uw auto. Aanspraken die tijdens de garantieperiode worden gemaakt met betrekking tot defecten, zullen worden afgewezen indien de defecten veroorzaakt zijn door onvoldoende onderhoud en niet het gevolg zijn van materiaaldefecten of fabricagefouten. Het wordt dan ook aanbevolen dergelijke onderhoudswerkzaamheden te laten uitvoeren door een officiële Kia-dealer die daarbij uitsluitend gebruik maakt van originele Kia-onderdelen.

Periodieke onderhoudsbeurten Volg het periodiek onderhoudssysteem als bij normaal gebruik van de auto geen van de volgende omstandigheden voorkomen.

  • Veel remmen (bijvoorbeeld tijdens rijden in de bergen).
    • Rijden in een stoffige omgeving.
  • Rijden in gebieden waar veel zout gestrooid wordt.
  • Rijden op slecht onderhouden wegen (kuilen e.d.).
  • Rijden met te weinig toeren in een te hoge versnelling.
  • Rijden onder extreem koude omstandigheden.

Emissieregelsysteem en gerelateerde systemen

Het ontstekingssysteem en het brandstofsysteem zijn van vitaal belang voor het op de juiste wijze functioneren van het emissieregelsysteem en voor het brandstofverbruik. Aangeraden wordt onderhoudswerkzaamheden aan het ontstekings- en brandstofsysteem uit te laten voeren door een officiële Kia-dealer.

Onderhoudsschema

I: Inspectie en indien nodig verhelpen, schoonmaken of vervangen R: Vervangen of wisselen A: Afstellen T: Vastzetten

OnderhoudsschemaTe onderhouden delenAantal maanden of kilometers wat het eerste komt
Maanden1224364860728496108120
km15,00030,00045,00060,00075,00090,000105,000120,000135,000150,000
Aandrijfriem * 1IIIII
Motorolio * 3RRRRRRRRRR
Motorolie filterRRRRRRRRRR
Nokkenas aandrijfriem *2R
Luchtreiniging element *RRRRR
BougiesIIRIIRIIRI
Koelsysteem(inclusief koelvloeistof niveau correctie)IIIII
Motor koelvloeistof * 3IRIRI
Brandstofffilter *RR
Brandstoffleidingen en slangenIIIII
Stationair toerentalIIIII
Begin ontstekingslijdstipIIIII
E.G.R. systeemIIIII
Verdamping systeemIIIII
Accu conditieIIIII
Alle elektrische systemenIIIIIIIIII
Koplampen afstellingAAAAA

*1 Afstellen dynamo en waterpomp aandrijfriem, stuurbekrachtiging en airconditioning unit aandrijfriem, indien voorzien

*2 Vervanging van de nokkenas aandrijfriem is vereist bij elke 90.000 km het niet naleven van het vervangen van deze aandrijfriem kan resulteren in motorschade

*3 Controleer het niveau en ...??.... / indien noodzakelijk • Als het voertuig continue word gebruikt onder zware omstandigheden, word aangeraden de met* gemarkeerde punten meer frequent te vervangen

I: Inspectie en indien nodig verhelpen, schoonmaken of vervangen R: Vervangen of wisselen A: Afstellen T: Vastzetten

OnderhoudsschemaTe onderhouden delenAantal maanden of kilometers wat het eerste komt
Maanden1224364860728496108120
km15,00030,00045,00060,00075,00090,000105,000120,000135,000150,000
Remleidingen, slangen en verbindingenIIIII
RempedaalIIIII
HandremAAAAA
KoppelingspedaalIIIII
Rem- en koppeling vloeistof * 4IRIRIRIRIR
TrommelremmenIIIIIIIIII
SchijfremmenIIIIIIIIII
Stuurbekrachtiging vloeistofIIIIIIIIII
Stuurbekrachtiging systeem en slangenIIIII
Voorwiel ophanging/stuurkogelsIIIII
Aandrijfes stofkappenIIIIIIIIII
Bouten en moeren op chassis en carrosserieIIIII
Uitlaatsysteem hitteschildIIIII
Airconditioning koelmiddel (indien voorzien)IIIIIIIIII
Airconditioning compressor (indien voorzien)IIIIIIIIII
Handgeschakelde versnellingsbak clie * 3IIIIRIIIII
Automatische versnellingsbak vloeistofniveauIIIRIIIRII

*3 Controleer het niveau en ...?.... / indien noodzakelijk
*4 Elke 2 jaar vernieuwen
Indien er regelmatig met hoge snelheid gereden word, of als de remmen intensief gebruikt worden, of het voertuig word in zeer vochlige klimaten gebruikt, moet de remvloeistof meer frequent worden verwisseld.

ROUTINE-ONDERHOUD

Routine-onderhoud kan door de eigenaar of door een gekwalificeerde technicus worden uitgevoerd aan de hand van het onderhoudsschema.

Neem in twijfelgevallen en problemen voor advies contact op met een officiële Kia-dealer.

BIJ HET TANKEN

  • Motoroliepeil
  • Koelvloeistofpeil
  • Remvloeistof/koppelingsvloeistofniveau
    • Niveau ruitensproeiervloeistof

MINIMAAL TWEE MAAL PER JAAR

• Niveau van automatische transmissievloeistof
• Vloeistofpeil stuurbekrachtiging

Voorzorgsmaatregelen bij het zelf uitvoeren van onderhoud

Als u zelf onderhoudswerkzaamheden aan uw auto uitvoert, moet u altijd uiterst zorgvuldig te werk gaan om beschadiging van de auto en letsel te voorkomen.

Volg de onderstaande aanwijzingen op.

  • Laat de motor afkoelen voordat u met het onderhoud begint.
  • Als u bij een draaiende motor aan de auto moet werken, moet u erop letten dat uw kleding (stropdas!) niet door draaiende delen gegrepen kan worden. Blijf uit de buurt van de ventilator en de aandrijfriem.
  • Ga nooit onder een auto liggen die op de krik staat. Gebruik bokken als u onder de auto moet werken.
  • Houd vonken en open vuur uit de buurt van de accu en het brandstofsysteem.

  • Neem de accupolen niet los als het contact AAN staat en sluit ze in die toestand ook niet aan. Ook het losnemen of aansluiten van elektronische componenten mag alleen gebeuren als het contact UIT staat.

  • Let bij het aansluiten van de accupolen op de polariteit. Verwissel de plus- en de minpool niet!
  • Denk eraan dat er in de accu, in het ontstekingssysteem en in de bedrading hoge stroomsterktes en spanningen kunnen optreden. Pas op dat u geen kortsluiting veroorzaakt.
  • Zorg voor een goede ventilatie als u in een gesloten ruimte onderhoudswerkzaamheden uitvoert bij een draaiende motor.

Houd er rekening mee dat verkeerd of onvolledig uitgevoerde onderhoudswerkzaamheden tot problemen kunnen leiden voor wat betreft het juist functioneren van de auto. In dit hoofdstuk worden alleen die werkzaamheden besproken die de eigenaar relatief gemakkelijk zelf kan uitvoeren. Ingrijpende werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd door een gekwalificeerde technicus. Het zelf uitvoeren van werkzaamheden tijdens de garantieperiode kan ertoe leiden dat de garantie vervalt. Lees voor nadere bijzonderheden de garantiebepalingen. Laat in twijfelgevallen het onderhoud altijd uitvoeren door een officiële Kia-dealer.

WAARSCHUWING!

  • Ontgrendel de motorkap niet voordat het contact UIT is gezet, de versnellingspook in de eerste versnelling is gezet (bij een handgeschakelde transmissie) of in de stand P ( bij een automatische transmissie) en de parkeerrem stevig is aangetrokken.
  • Indien het noodzakelijk is controles in de motorruimte uit te voeren bij draaiende motor, moet de versnellingspook in de vrijstand worden gezet en moet de parkeerrem geheel worden aangetrokken. Als deze aanwijzingen niet worden opgevolgd, kan de auto zich onverhoeds in beweging zetten.
  • Om letsel te voorkomen, moet u bij werkaamheden in de motorruimte het contact altijd UIT zetten. Indien de aard van de reparatie dat niet mogelijk maakt, moet u ervoor zorgen dat uw kleding zoals stropdas of handschoenen niet bekneld kan raken tussen draaiende onderdelen. Doe horloges, armbanden en ringen af.

Motorruimte SOHC motor

Technical diagram of a car engine bay with numbered components for identification

  1. Automatische versnellingsbakvloeistof peilstok
    (indien voorzien)
  2. Rem / koppeling vloeistofreservoir
  3. Zekeringendoos
  4. Luchtreiniger

  5. Accu

  6. Motor koelvloeistofreservoir
  7. Radiatoridop
  8. Motorola vuldop

  9. Motorolie pellstok

  10. Voorruit ruitesproeier vloeistofreservoir
  11. Reservoir van stuurbekrachtigingsvloeistof

Motorruimte DOHC motor

Technical diagram of a car engine bay with numbered components for identification

  1. Automatische versnellingsbakvloeistof peilstok (indien voorzien)
  2. Rem / koppeling vloeistofreservoir
  3. Zekeringendoos
  4. Luchtreiniger

  5. Accu

  6. Motor koelvloeistofreservoir
  7. Radiatordop
  8. Motorolie vuldop

  9. Motorolie peilstok

  10. Voorruit ruitesproeier vloeistofreservoir
  11. Reservoir van stuurbekrachligingsvlbeistof

Motorolie en oliefilter

CONTROLE VAN HET MOTOROLIEPEIL

  1. Controleer of de auto horizontaal staat.
  2. Breng de motor op bedrijfstemperatuur.
  3. Zet het contact UIT en wacht 5 minuten zodat de olie naar het carter terug kan lopen.
  4. Trek de peilstok naar buiten, veeg hem schoon en steek hem weer geheel in de peilstokhouder.

KIA Rio (2000) - CONTROLE VAN HET MOTOROLIEPEIL - 1

natural_image Technical line drawing of a car engine bay with visible internal components (no text or labels)
  1. Trek de peilstok naar buiten en lees het oliepeil af. Het peil is in orde indien het zich tussen de merktekens F en L bevindt.

Als het peil zich bij of op het merkteken L bevindt, moet u olie bijvullen tot het merkteken F.

Vul niet teveel olie bij.

AANWIJZING:

De afstand tussen de merktekens L en F komt overeen met 0,7 liter olie.

OLIE VERVERSEN EN OLIEFILTER VERVANGEN

Ververs de olie en vervang het filter overeenkomstig het onderhoudsschema eerder in dit hoofdstuk beschreven.

OLIECAPACITEIT: 3,4 liter

Gebruik allen de voorgeschreven olie(zie specificaties smeermiddelen)

WAARSCHUWING!

Langdurige blootstelling aan AFGEWERKTE motorolie heeft huidkanker veroorzaakt bij proefdieren. Was uw handen daarom direct met water en zeep. Houd afgewerkte motorolie buiten bereik van kinderen.

Koelvloeistofpeil
Laag OK Vol Koelvioestofpeilstok

Het koelvloeistofpeil dient zich bij koude motor tussen de merktekens F (vol) en L (laag) op het koelvloeistoreservoir ie bevinden. Controleer het niveau met behulp van de peilstok indien de dop van het reservoir daarmee is uitgerust.

  1. Verwijder de dop.
  2. Veeg de peilstok schoon en plaats hem in het reservoir.

  3. Trek de peilstok weer naar buiten en controleer of het peil zich tussen de merktekens L en F bevindt.

Vul het reservoir bij met de voorgeschreven koelvloeistof. Neem contact op met een officiële Kia- dealer indien u het reservoir regelmatig moet bijvullen.

Remsysteem
KIA Rio (2000) - WAARSCHUWING! - 2

natural_image Technical line drawing of a mechanical assembly with no visible text or symbols

CONTROLE VAN REMVLOEISTOF-/KOPPELINGSVLOEISTOFNIVEAU

Controleer het remvloeistof-/koppelingsvloeistofniveau regelmatig. Het niveau moet zich tussen de merktekens MAX en MIN op het reservoir bevinden.

Reinig de omgeving rond de dop van het reservoir voordat u remvloeistof bijvult om verontreiniging van de remvloeistof te voorkomen.

Vul vloeistof bij tot aan het merkteken MAX als het niveau te laag is.

Naarmate de remvoeringen en - blokken en de koppelingsplaat slijten, zal het niveau in het reservoir dalen.

Laat het remsysteem controleren door een officiële Kia - dealer als het niveau erg laag is.

OPMERKING

  • Gebruik uitsluitend de voorgeschreven remvloeistof (zie specificaties smeermiddelen)
  • Meng geen verschillende soorten remvloeistof door elkaar.
  • Als u het remvloeistofreservoir regelmatig moet bijvullen, moet u het remsysteem laten controleren door een officiële Kia -dealer.

Controle niveau ruitensproeiervloeistof
KIA Rio (2000) - OPMERKING - 1

natural_image Technical line drawing of a vehicle engine bay with internal components (no text or labels)

Controleer het niveau in het ruitensproeierreservoir en vul indien nodig vloeistof bij. Als u geen ruitensproeiervloeistof bij de hand heeft, kunt u het reservoir bijvullen met gewoon water. Gebruik in het koude jaargetijde echter speciale ruitensproeiervloeistof om bevriezing te voorkomen.

Niveau van automatische transmissievloeistof
KIA Rio (2000) - OPMERKING - 2

natural_image Technical line drawing of a car engine bay with no visible text or symbols

Het peil van de automatische transmissievloeistof dient regelmatig gecontroleerd te worden. Het volume van de transmissievloeistof is afhankelijk van de temperatuur. Het verdient daarom aanbeveling het niveau te controleren als de vloeistof op bedrijfstemperatuur is (na ongeveer 30 minuten rijden). Het niveau kan echter ook in koude toestand worden gecontroleerd.

OPMERKING

  • Een te laag vloeistofpeil kan slippen van de transmissie veroorzaken. Een te hoog peil kan schuimvorming, verlies van vloeistof en storingen in de transmissie veroorzaken.
  • Het gebruik van andere dan de voorgeschreven vloeistof kan storingen en defecten in de transmissie veroorzaken.

AUTOMATISCHE TRANSMISSIE

  1. Parkeer de auto op een vlakke ondergrond en trek de parkeerrem aan.
  2. Laat de motor ongeveer 2 minuten stationair draaien. Trap het rempedaal in en schakel achtereenvolgens alle versnellingen in. Zet de selectiehendel tot slot in stand P.
  3. Trek bij stationair draaiende motor de peilstok uit de transmissie, veeg hem schoon met een niet-pluizende doek en plaats hem weer in de peilstokhouder.
  4. Trek de peilstok weer naar buiten.

Laag OK Vol 20°C 65°C Laag OK Vol

Lees het vloeistofpeil als volgt af:

Vloeistof op bedrijfstemperatuur: Indien de vloeistof op bedrijfstemperatuur is (minimal 65°C) dient het peil zich te bevinden tussen de merktekens MINIMUM en MAXIMUM bij de aanduiding "75°C".

Vloeistof niet op bedrijfstemperatuur: Indien de vloeistof niet op bedrijfstemperatuur is en de buitentemperatuur ongeveer 20°C bedraagt, dient het peil zich te bevinden tussen de merktekens MINIMUM en MAXIMUM bij de aanduiding "25°C".

Vul de transmissie indien nodig bij met de voorgeschreven transmissievloeistof. Vul niet teveel olie bij.

Ruitenwisserbladen

ONDERHOUD VAN RUITENWISSERBLADEN

OPMERKING

Het is gebleken dat in de handel gangbare "hot wax"-behandeling, zoals gebruikt in automatische wasstraten, het reinigen van de voorruit bemoeilijkt.

Verontreiniging van de voorruit of de ruitenwisserbladen door bepaalde substanties kan het effectief functioneren van de ruitenwisserbladen verminderen. Bekende vormen van verontreiniging zijn insecten, boomhars en de "hot wax"-behandeling die door sommige wasstraten gebruikt wordt. Indien de wisserbladen niet goed wissen, reinig dan zowel de voorruit als de wisserbladen met een goed schoonmaakmiddel of een zacht reinigingsmiddel en spoel ze grondig met schoon water af. Herhaal deze procedure indien nodig.

OPMERKING

Gebruik geen benzine, petroleum, thinner of andere oplosmiddelen op of nabij de ruitenwissers of de voorruit.

VERVANGEN VAN

RUITENWISSERBLADEN

Als de ruitenwisserbladen de ruit niet langer goed schoonmaken, kan het zijn dat de bladen versleten of gescheurd zijn.

OPMERKING

Probeer de ruitenwissers nooit met de hand te bewegen om beschadiging van de ruitenwisserarmen en overige onderdelen te voorkomen.

Vergrendeling

  1. Trek de ruitenwisseram van de ruit, druk de vergrendeling in en verwijder het ruitenwisserblad.
  2. Plaats het nieuwe ruitenwisserblad in omgekeerde volgorde.

Accu

WAARSCHUWING!

  • Houd sigaretten en open vuur uit de buurt van de accu. In de accucellen is namelijk altijd het zeer brandbare waterstofgas aanwezig.
  • Houd accu's buiten bereik van kinderen aangezien accu's ZWAVELZUUR bevatten. Voorkom dat dit zwavelzuur in aanraking komt met de huid, de ogen, kleding en met de lak van de auto.
  • Spoel uw ogen gedurende minimaal 15 minuten met schoon water en roep onmiddellijk medische hulp in als u elektrolyt in uw ogen krijgt. Blijf indien mogelijk op weg naar arts of ziekenhuis de ogen bevochtigen met behulp van een spons of zakdoek.
  • Spoel uw huid goed af als u elektrolyt op uw huid heeft gekregen. Indien u pijn of een branderig gevoel heeft, moet u direct medische hulp inroepen.
  • Draag bij het laden van een accu of bij het werken in de buurt van een accu altijd een veiligheidsbril. Zorg altijd voor voldoende ventilatie.
  • Probeer een accu nooit te laden als de minkabel (-) nog aangesloten is.

UPPER LOWER OK

ONDERHOUD

Voor het in optimale conditie houden van uw accu:

  • Zorg ervoor dat de accu altijd goed vastzit.
  • Houd de bovenzijde van de accu schoon en droog.
  • Houd de accupolen en de accupoolklemmen schoon, zorg ervoor dat ze goed vastzitten en bescherm ze met een laagie vaseline.
  • Spoel gemorst elektrolyt direct af met een oplossing van water en natriumbicarbonaat (dubbel koolzure soda).
  • Neem de accukabels los als u de auto gedurende een langere periode niet gaat gebruiken.

LADEN VAN DE ACCU

Uw auto is uitgerust met een onderhoudsvrije accu.

  • Laad met een normale acculader (een lader met een constante laadstroom of een semiconstante spanning) de accu gedurende 12 uur met een laadstroom die 1/10 bedraagt van de capaciteit van de accu.

- Laad de accu met een snellader op dezelfde wijze als met een normale lader. Lees de instructies van de fabrikant van de lader zorgvuldig door en voorkom overladen van de accu.

OPMERKING

Neem bij het laden van de accu de volgende voorzorgsmaatregelen in acht:

  • Verwijder de accu uit de auto en zet hem op een goed geventileerde plaats.
  • Houd open vuur, sigaretten en vonken uit de buurt van de accu.
  • Neem de acculader in de onderstaande volgorde los:
    1) Zet de hoofdschakelaar van de acculader UIT.
    2) Neem de klem van de minpool los.
    3) Neem de klem van de pluspool los.

AANWIJZING:

  • Schakel alle verbruikers en de motor uit alvorens de accu op te laden.
  • Neem als eerste de minkabel (-) los en sluit deze als laatste weer aan.

Banden

Onderhoud van de banden

Voor uw veiligheid, en een maximale levensduur van de banden en een zo laag mogelijk brandstofverbruik, dient u de banden steeds op de aanbevolen spanning te houden en dient u het totaalgewicht en de maximale asbelasting niet te overschrijden.

KIA Rio (2000) - Onderhoud van de banden - 1

natural_image Line drawing of a mechanical component with a downward arrow indicating a force or direction (no text or symbols present)

BANDENSPANNING

De spanning van de banden (inclusief het reservewiel) dient maandelijks bij koude banden gecontroleerd te worden. Voor optimale rijeigenschappen, een optimale wegligging en een zo laag mogelijk bandenslijtage dient u de banden op de aanbevolen spanning te houden. De specificaties voor maten en bandenspanningen vindt u op de drempel naast de passagiersstoel. (zie afbeelding)

AANWIJZING:

  • Als de banden warm zijn, zal de gemeten spanning normaliter de aanbevolen spanning overschrijden. Verlaag de spanning van een warme band daarom niet.
  • Een te lage bandenspanning resulteert in overmatige slijtage, slechte rijeigenschappen en een hoger brandstofverbruik en vergroot het risico op een klapband omdat de temperatuur van de banden te hoog kan oplopen. Als de bandenspanning extreem laag is, kan de band van de velg aflopen. Houd de banden daarom op de aanbevolen spanning. Raadpleeg uw Kia-dealer indien u de banden regelmatig op spanning moet brengen.
  • Een te hoge bandenspanning heeft een negatieve invloed op het rijcomfort en de wegligging en zorgt voor een verhoogde bandenslijtage in het midden van het loopvlak. Bovendien bestaat er een grotere kans op beschadiging van de banden bij het rijden door kuilen in het wegdek.

BANDEN

WAARSCHUWING!

Een te hoge of te lage bandenspanning reduceert de levensduur van de banden, beinvloedt de wegligging in negatieve zin en kan tot plotseling lek raken van de banden leiden. Hierdoor bestaat de kans dat u de macht over het stuur verliest.

KIA Rio (2000) - WAARSCHUWING! - 1

flowchart
graph TD
    A[" "] --> B[" "]
    B --> C[" "]
    D[" "] --> E[" "]
    E --> F[" "]
    G[" "] --> H[" "]
    H --> I[" "]
    J[" "] --> K[" "]
    K --> L[" "]
    M[" "] --> N[" "]
    N --> O[" "]
    P[" "] --> Q[" "]
    Q --> R[" "]
    S[" "] --> T[" "]
    T --> U[" "]
    V[" "] --> W[" "]
    W --> X[" "]
    Y[" "] --> Z[" "]

ONDERLING VERWISSELEN VAN DE BANDEN

Om de banden zo gelijkmatig mogelijk te laten slijten wordt aangeraden de banden iedere 5.000 km of eerder, indien het slijtagepatroon daartoe aanleiding geeft, te verwisselen. Controleer bij het verwisselen van de banden tevens de balans.

Controleer de banden op ongelijkmatige slijtage en beschadiging. Abnormale slijtage wordt meestal veroorzaakt door een onjuiste bandenspanning, een onjuiste uitlijning van de wielen, onbalans of veelvuldig sterk afremmen. Breng na het verwisselen de banden op de juiste spanning en controleer het aanhaalmoment van de wielmoeren.

AANWIJZING:

Controleer bij het verwisselen van de banden tevens de dikte van de remblokken.

Nieuw profiel Profiel slijtage indicator Versleten profiel

VERVANGEN VAN BANDEN

Indien de band gelijkmatig afgesleten is verschijnt er een ononderbroken lijn over de gehele breedte van de band. Als dat het geval is moet de band worden vervangen. Banden die een ongelijkmatig slijtagepatroon vertonen kunnen al aan vervanging toe zijn voordat de slijtage-indicator zichtbaar wordt.

WARSCHUWING

  • Monteer onder de auto nooit een combinatie van diagonaalbanden en radiaalbanden. Vervang een band altijd door een band van hetzelfde type zoals dat staat aangegeven op het label op de rechter middenstijl. Overtuig u ervan dat alle banden en velgen dezelfde maat en hetzelfde draagvermogen hebben. Combineer uitsluitend die banden en velgen die aanbevolen worden op het label of door een officiële Kia-dealer. Het niet in acht nemen van deze voorzorgsmaatregelen kan de veiligheid en wegligging nadelig beinvloeden.
  • Het gebruik van een ander bandentype of een andere bandenmaat kan het rijcomfort, de wegligging, de grondspeling, de speling tussen band en carrosserie en de juiste aanwijzing van de snelheidsmeter nadelig beinvloeden.
  • Rijden met versleten banden is bijzonder gevaarlijk; versleten banden hebben een negatieve invloed op de remweg, de besturing en de tractie.

Velgen

VERVANGEN VAN DE VELGEN

Als u om de een of andere reden de velgen wilt vervangen, dient u erop te letten dat de nieuwe velgen gelijkwaardig zijn aan de originele velgen voor wat betreft diameter, velgbreedte en steek (de afstand tussen de boutgaten). Goed gebalanceerde wielen zorgen voor optimaal comfort en een zo gering mogelijke slijtage. Onbalans kan vervelende trillingen veroorzaken en leiden tot "happen" uit de band en platte vlakken.

OPMERKING

Een velg van de verkeerde maat heeft een negatieve invloed op de levensduur van de velg en van het wiellager, op de remweg, de wegligging, de grondspeling, de speling tussen band en carrosserie, de speling bij gebruik van sneeuwkettingen, de aanwijzing van de snelheidsmeter, de koplampafstelling en de bumperhoogte.

Koplampen

De koplampen zijn voorzien van halogeen gloeilampen. De gloeilampen kunnen worden vervangen zonder de koplamp te demonteren.

OPMERKING

  • Halogeenlampen bevatten gas onder hoge druk. Behandel de lampen daarom met de nodige voorzichtigheid en voorkom krassen en schuren. Voorkom ook dat de lampen, als deze branden, in contact komen met vloelstoffen. De lamp mag alleen in gemonteerde toestand worden ingeschakeld.
  • Houd lampen buiten bereik van kinderen.

Vervangen van een halogeenlamp

WAARSCHUWING!

Laat de lamp eerst afkoelen.

KIA Rio (2000) - OPMERKING - 1

natural_image Line drawing of a medical or laboratory device with tubing and connectors (no text or symbols)
  1. Open de kap.
  2. Maak de aansluitstekker los van de lampeenheid door op de beide zijden van de aansluiting te drukken.
  3. Klik de koplamp uit de klemveer door het einde ervan in te drukken en het naar boven te duwen.
  4. Verwijder de lamp uit de drie (3) gleuven van het koplamphuis.
  5. Installeer een nieuwe lamp in de drie(3) gleuven van het koplamphuis en klik de koplamp klemveer op zijn plaats.
  6. Sluit de koplamp aansluitstekker aan.

Voorste richtingaanwijzer-/parkeerlamp vervanging
KIA Rio (2000) - OPMERKING - 2

natural_image Line drawing of a medical device with attached tubing and connectors (no text or symbols)
  1. Draai de parkeerlamphouder tegen de klok in en verwijder hem van het koplamphuis.
  2. Verwijder de lamp van de houder door hem eruit te trekken.
  3. Steek een nieuwe lamp in de houder.
  4. Herplaats de parkeerlamphouder in het koplamphuis en draai het met de klok mee om de houder op zijn plaats te vergrendelen.

Achterlicht, remlicht, achteruitrijlicht en richtingaanwijzer achter

KIA Rio (2000) - OPMERKING - 3

natural_image Technical line drawing of a car interior with structural components and a close-up inset showing internal parts (no text or symbols)
  1. Gebruik een kruiskopschroevedraaier, verwijder de schroeven die de achterlichtcombinatie aan de carrosserie vasthouden.

KIA Rio (2000) - OPMERKING - 4

natural_image Line drawing of hands holding a mechanical component (no text or symbols)
  1. Verwijder voorzichtig de lichteenheid van het voertuig.

Richtingaan-wijzer lamp Achterlicht lamp (voor 4 deur) Stop / achterlicht lamp Achterultrijlicht lamp Achterlicht lamp (voor 4 deur)

  1. Draai de lamphouder tegen de klok in en verwijder hem van de behuizing
  2. Druk de lamp in, draai hem dan een kwartslag tegen de klok in en verwijder de lamp van de houder.
  3. Steek een nieuwe lamp in de houder, druk dan de lamp in en draai hem een kwartslag met de klok mee om de lamp op zijn plaats te vergrendelen.
  4. Herplaats de lamphouder in de achterlichtcombinatie en draai hem een kwartslag met de klok mee om de houder op zijn plaats te vergrendelen.
  5. Herplaats voorzichtig de lichteenheid in het voertuig.

Interieurverlichting
KIA Rio (2000) - OPMERKING - 6

natural_image Line drawing of a rectangular electronic device with a handle and control buttons at the base (no text or symbols)
  1. Gebruik een platte schroevendraaier om het glaasje van de interieurverlichting te verwijderen.

KIA Rio (2000) - OPMERKING - 7

natural_image Line drawing of a vehicle front panel with buttons and sensors (no text or symbols)
  1. Verwijder de lamp door hem in te drukken en een kwart slag linksom te draaien.
  2. Plaats een nieuwe lamp en monteer het geheel in omgekeerde volgorde.

Kentekenplaatverlichting
KIA Rio (2000) - OPMERKING - 8

natural_image Line drawing of a hand holding a connector to a car (no text or symbols)
  1. Gebruik een kruiskopschroevendraaier om het glaasje van de kentekenplaatverlichting te verwijderen.

Derde remlicht
KIA Rio (2000) - OPMERKING - 9

natural_image Line drawing of a hand holding a rounded rectangular object with a circular hole, no text or symbols present
  1. Trek de gloeilamp uit de fitting.
  2. Plaats een nieuwe lamp en monteer het geheel in omgekeerde volgorde.

KIA Rio (2000) - OPMERKING - 10

natural_image Line drawing of a mechanical device with a handle and inset showing internal components (no text or symbols)
  1. Gebruik een platte schroevedraaier, verwijder voorzichtig het deksel van de behuizing voor hoog-gemonteerde stoplichten.
  2. Draai de lamphouder van hooggemonteerde stoplicht tegen de klok in en verwijder hem voorzichtig van de behuizing.
  3. Druk de lamp in, draai hem dan een kwartslag tegen de klok in en verwijder de lamp van de houder.

KIA Rio (2000) - OPMERKING - 11

natural_image Line drawing of hands holding a tool with a connector, no text or symbols present
  1. Steek een nieuwe lamp in de houder, dan druk de lamp in en draai hem een kwartslag met de klok mee om de lamp op zijn plaats te vergrendelen.
  2. Herplaats de lamphouder in de behuizing en draai hem een kwartslag met de klok mee om de houder op zijn plaats te vergrendelen.
  3. Breng de deksel lipjes op één lijn met de nok van de hoog-gemonteerde stoplichtbehuizing en klik de deksel op zijn plaats.

Specificaties smeermiddelen Aanbevolen smeermiddelen

SmeermiddelenClassificatie
Motorolie*API SD, SE of SF
Olie handgeschakelde transmissieAPI GL-4(SAE 75W-90)
Vloeistof automatische transmissieSK ATF SP-III
Vloeistof stuurbekrachtigingATF M-III of DEXRON®-III E
Rem-/koppelingsvloeistof.SAE J1703 of FMVSS 116 DOT-3
  • Zie voor de aanbevolen viscosteit de volgende de volgende bladzijde.

Gebruik voor een optimale werking en een lange levensduur van motor en aandrijflijn uitsluitend olie en smeermiddelen van gerenommeerde merken. Gebruik van de juiste olie vergroot het rendement van de motor en reduceert het brandstofverbruik. Brandstofbesparende olie reduceert het verbruik omdat er minder energie nodig is voor het overwinnen van wijving in de motor. Hoewel deze verbeteringen in het dagelijks gebruik vaak moelijk meetbaar zijn, bespaart dit soort olie op jaarbasis toch een aanzienlijke hoeveelheid brandstof. Aangeraden wordt dan ook deze olie te gebruiken, zolang de olie tenminste voldoet aan de voorgeschreven API-specificatie.

Aanbevolen viscositeitsindex

Temperatuur °C-30-20-1001020304050
Motorolie40
30
20W-20
10W-30
20W-40
20W-50
5W-30
5W-20

SPECIFICATIES SMEERMIDDELEN, ONDERHOUD EXTERIEUR

Voorzorgsmaatregelen voor controle Zorg ervoor dat u altijd de omgeving rond vuldoppen, aftappluggen en peilstok goed reinigt alvorens het niveau te controleren of de olie/vloeistof af te tappen. Dat is vooral van belang in gebieden me veel stof/zand en als er met de auto over onverharde wegen wordt gereden. Door het schoonmaken wordt voorkomen dat vuil en zand in de motor of in andere componenten binnendringt en schade veroorzaakt.

De viscositeit (vloeibaarheid) van de olie heeft invloed op het brandstofverbruik, het starten en de oliecirculatie bij lage buitentemperaturen. Motorliën met een lage viscositeit verlagen het brandstofverbruik en verbeteren de prestaties van de motor bij lage buitentemperaturen; hogere buitentemperaturen vereisen echter een motorolie met een hogere viscositeit om de smering niet in gevaar te laten komen. Het gebruik van olie met een andere viscositeitsindex dan wordt aanbevolen, kan motorschade tot gevolg hebben.

Houd bij het kiezen van een olie rekening met de te verwachten buitentemperaturen en kies dan aan de hand van de tabel de juiste olie.

Onderhoud exterieur

Algemeen

Het is van groot belang bij gebruik van chemische reinigingsmiddelen of polish de aanwijzingen van de fabrikant van het desbetreffende product te volgen. Lees de waarschuwingen en opmerkingen op het etiket.

Onderhoud van de lak

WASSEN

Was uw auto minimaal per maand grondig met lauw of koud water om de lak tegen roest en veroudering te beschermen. Besteed daarbij vooral aandacht aan opeenhopingen van zout, vuil, modder en dergelijke aan de onderzijde van de spatborden. Controleer of de afvoeropeningen aan de onderzijde van de portieren en de dorpels open en schoon zijn. Insecten, teer, sappen van bomen, uitwerpselen van vogels, industriële neerslag en dergelijke kunnen de lak van uw auto aantasten als ze niet direct verwijderd worden. Zelfs bij het direct verwijderen kan blijken dat water alleen niet toereikend is om de verontreinigingen compleet te verwijderen. Gebruik in dat geval een speciale shampoo voor het reinigen van auto's.

OPMERKING

Gebruik geen agressieve reinigingsmiddelen of oplosmiddelen en was uw auto niet in de volle zon of als de carrosserie warm is.

Spoel na het gebruik van shampoo de auto grondig af met lauw of koud water. Laat de shampoo niet op de auto opdrogen.

IN DE WAS ZETTEN

De auto moet in de was gezet worden als het water op de lak niet langer druppels vormt.

Was en droog de auto altijd eerst voordat u hem in de was zet.

Gebruik een goede kwaliteit vaste of vloeibare was en volg de aanwijzingen van de fabrikant op.

Zet om de glans te behouden alle gelakte oppervlakken goed in de was.

AANWIJZING:

Het verwijderen van olie, teer en dergelijke stoffen met een vlekkenverwijderaar verwijdert tevens de was van de desbetreffende plek. Zet deze plek daarom na het verwijderen opnieuw in de was.

WAARSCHUWING!

Test na het wassen bij lage snelheid de remmen van uw auto om te controleren of de remwerking door binnengedrongen water verminderd is.

OPMERKING

  • Het verwijderen van stof of vuil met een droge doek zal krassen in de lak veroorzaken.
  • Gebruik geen staalwol, schuurmiddelen of sterk alkalische of bijtende oplosmiddelen op onderdelen die verchroomd zijn of op onderdelen die vervaardigd zijn van geanodiseerd aluminium. Het gebruik van deze middelen kan de beschcermlaag aantasten waardoor verkleuring of glansverlies kan optreden.

Bijwerken van lakbeschadigingen

Repareer diepe krassen en steenslagbeschadigingen direct om te voorkomen dat het blanke metaal gaat roesten en een ingrijpender reparatie noodzakelijk maakt.

OPMERKING

Laat eventuele schadereparaties aan uw auto uitsluitend uitvoeren door uw officiële Kia-dealer.

Onderhoud van verchroomde onderdelen

  • Gebruik een teerverwijderaar en geen mes of ander scherp voorwerp voor het verwijderen van teer of insecten.
  • Breng ter bescherming een waslaag aan op verchroomde onderdelen of beschcerm ze met een speciaal conserveringsmiddel.
  • Beschem de verchroomde onderdelen onder winterse omstandigheden of bij gebruik van de auto in kustgebieden met een dikkere laag was of conserveringsmiddel. U kunt eventueel vaseline of een ander beschermingsmiddel gebruiken.

Onderhoud van de onderzijde

Zand en pekel kunnen zich ophopen aan de onderzijde van de carrosserie. Als deze materialen niet verwijderd worden, kan versnelde roestvorming optreden aan brandstofleidingen, subframes, bodemplaat en uitleatsysteem, ook al zijn deze onderdelen tegen corrosie beschermd. Spoel daarom de onderzijde en de wielkuipen eenmaal per maand en aan het eind van de winter grondig schoon met lauw of koud water. Besteed hieraan de nodige zorg; de opeenhopingen zijn niet altijd even gemakkelijk te zien. Als u het vuil alleen maar nat maakt zonder het te verwijderen is het effect averechts. Houd ook de afvoeropeningen in portieren en dorpels in de gaten. Water dat blijft staan veroorzaakt roestvorming van binnen uit.

WAARSCHUWING!

Test na het wassen bij lage snelheid de remmen van uw auto om te controleren of de remwerking door binnengedrongen water verminderd is.

Onderhoud van lichtmetalen velgen De lichtmetalen velgen zijn voorzien van een beschermende transparante laklaag.

AANWIJZING:

  • Gebruik voor het reinigen van lichtmetalen velgen geen schuur- of polijstmiddelen, oplosmiddelen of staalborstels. Deze kunnen de beschermlaag aantasten.
  • Gebruik voor het reinigen uitsluiten een zachte zeep of een neutraal oplosmiddel en spoel de velgen na het reinigen met veel water af. Reinig de velgen ook als u over wegen gereden heeft waarop pekel gestrooid is. Dit helpt corrosie te voorkomen.
  • Laat de velgen niet reinigen met behulp van de op hoge snelheid draaiende borstels in de auto-wasserette.

Onderhoud interieur

Voorkom dat bijtende vloeistoffen als parfum en cosmetische oliën in aanraking komen met het dashboard, omdat deze beschadiging of verkleuring kunnen veroorzaken. Indien deze stoffen toch met het dashboard in aanraking komen, moeten ze direct worden verwijderd.

Reinigen van de bekleding

KUNSTSTOF

Verwijder los vuil van de kunststof bekleding met een veger of een stofzuiger. Reinig kunststof oppervlakken met een speciaal reinigingsmiddel.

LEER

Echt leer is niet regelmatig van oppervlak; er kunnen littekens, krassen en groeven te zien zijn. Reinig het leer met een speciaal reinigingsmiddel of met een zachte zeepoplossing. Veeg het schoon met een zachte, vochtige doek en wrijf het oppervlak daama droog met een droge, zachte doek.

STOFFEN BEKLEDING

Verwijder los vuil van stoffen bekleding met een veger of een stofzuiger. Reinig de bekleding met een zachte zeepoplossing die speciaal geschikt is voor het reinigen van bekleding en tapijten. Verwijder vlekken onmiddellijk met een vlekkenverwijderaar. Op stoffen bekleding kunnen gemakkelijk vlekken ontstaan en bovendien kan de bekleding verkleuren en kunnen de brandwerende eigenschappen verminderen indien de bekleding niet op de juiste wijze wordt onderhouden.

OPMERKING

Het gebruik van andere dan de voorgeschreven reinigingsmiddelen kan het uiterlijk van de stoffen bekleding aantasten en de brandwerende eigenschappen verminderen.

Reinigen van de veiligheidsgordels

Reinigen van de veiligheidsgordels met een zachte zeepoplossing die speciaal geschikt is voor het reinigen van bekleding en tapijten: volg de aanwijzingen op het etiket van het reinigingsmiddel. Bleek of verf de gordels nooit omdat dit een negatieve invloed op de sterkte van de gordel kan hebben.

ONDERHOUD INTERIEUR

Reinigen van de binnenzijde van de ruiten Reinigen van de ruiten aan de binnenzijde omdat deze voorzien zijn van een vettige laag, dan moeten ze gereinigd worden met een speciale glasreiniger. Volg de aanwijzingen op het etiket van de glasreiniger.

TECHNISCHE GEGEVENS

8

Voertuig identificatie nummer, Bandenspanning .....8-2

Afmetingen, Gewichten, Airconditioning....8-3

Gloeilampen, Banden, Overbrenging verhouding ..... 8-4

Motor, Elektrische installatie, Inhouden....8-5

Voertuig Identificatie Nummer (VIN)
XXXXXXXXXXXX DOHC 16V

Het voertuig identificatie nummer (VIN) is aangebracht op de in de afbeelding aangegeven plaats.

Bandenspanning
KIA Rio (2000) - TECHNISCHE GEGEVENS - 2

natural_image Line drawing of a mechanical component with a downward arrow indicating a force or movement (no text or symbols present)

Het label waarop de bandenspanning is vermeld, is aangebracht op de in de afbeelding aangegeven plaats.

Technische gegevens

De hier gegeven technische gegevens zijn alleen voor algemene informatie.

Neem alstublieft contact op met een geautoriseerde Kia dealer voor meer precieze en meer actuele informatie.

AFMETINGEN
(Eenheid : mm)

ItemModel 4 deurenModel 5 deuren
Totale lengte42154215
Totale breedte16751675
Totale hoogte14401440
Spoorbreedte voor14301430
Spoorbreedte achter14351435
Wielbasis24102410

GEWICHTEN
(Eenheid : kg)

ItemModel 4 deurenModel 5 deuren
Motor1.3 l1.5 l1.3 l1.5 l
AsM/TA/TM/TA/TM/TA/TM/TA/T
GVWR
Rijklaar gewicht944- 999969-1024969-1024994-1049977-10361002-1061997-10561022-1081

G.V.W.R.: bruto voertuig gewichtsverhouding

AIRCONDITIONING

Koelmiddel voldoet aan SAE J639R134 A
Maximale werklading620-680 g(22 - 24 oz.)

TECHNISCHE GEGEVENS

GLOEILAMPEN

GloeilampenWatt
VoorKoplampen60 / 55
Richtingaanwijzer lampen21
Parkeerlampen5
Zijrichtingaanwijzer lampen5
AchterStop en achterlichten21/5
Achterlichten (Model 4 deuren)21/5
Richtingaanwijzer lampen21
Achteruitrijlampen21
Mistlampen (indien voorzien)21
Hooggeplaatste stoplicht lamp21
Kentekenplaat lamp10
InterieurInterieur lamp10
Bagageruimte verlichting(indien voorzien)10

BANDEN

Afmetingen
Voor155/80R 13 (175/70R 13) (175/65R 14)
Achter155/80R 13 (175/70R 13) (175/65R 14)
Reserve155/80R 13 (175/70R 13) (175/65R 14)
Bandenspanning kg/cm2(kPA, psi)
3 PersoonsVol (G.V.W.R.)
Voor2.3(226, 33)2.3(226, 33)
Achter1.8(177, 26)2.3(226, 33)
Reserve2.3(226, 33)2.3(226, 33)

ZEKERINGEN

Zie "zekeringen" in de index, A.U.B.

OVERBRENGING VERHOUDING

Item1.3 | Motor1.5 | Motor
M/TA/TM/TA/T
1^ 3.1472.8003.1472.800
2^ 1.8951.5401.8951.540
3^ 1.2961.0001.2961.000
4^ 0.9680.7000.9680.700
5^ 0.780-0.780-
Achteruit3.2722.3333.2722.333

TECHNISCHE GEGEVENS

MOTOR

Item1.3 | Motor1.5 | Motor
Boring * slag75.5 * 75.075.5 * 83.4
Cilinderinhoud1,3431,493
Compressieverhouding9.5 : 19.5 : 1
Ontstekingsvolgorde1-3-4-21-3-4-2
Stationair toerental750 +/- 50750 +/- 50

ELEKTRISCHE INSTALLATIE

Item1.3 I Motor5 I Motor
Accu50D 20L MF 60AH
Dynamo12V-80 Amp
StartmotorA/T12V-0.85 kW
M/T12V-0.85 kW
BougieGap(mm)0.8 - 0.90.7 - 0.8
TypeBPR5EYBKR6E

INHOUDEN
(Eenheid: liter)

Item1.3 | Motor1.5 | Motor
Motorolie3.4
Koelvloeistof6.0
Versnellings-bakolieA/T2.8
M/T5.9
Brandstoftank45

M/T : Handgeschakelde versnellingsbak
A/T : Automatische versnellingsbak

MEMO

A

Aanhanger 5-6

Accu....7-14

Achterbank 3-8

Achterklep 3-20

Achterlicht....7-19

Achterruitensproeier....4-23

Achterruitenwisser....4-23

Achterruitverwarming 4-23

Achteruitrijlicht 7-19

Afmetingen 8-3

Airbagsysteem 3-17

Alarmknipperlichten....6-2

Antiblokkeersysteem (ABS)......4-10

Automatische transmissie....4-5

B

Banden....7-15, 8-4

Brandstof 5-2

Brandstofbesparing....5-3

C

Capaciteiten 8-4

Codenummers....5-9

Contactslot....4-2

Controlelampjes 4-15

D

Dasboard 2-4

Doorwaden van water....5-6

E

Elektrisch bediende ruiten 3-5

Elektrische installatie....8-5

Emissieregelsysteem....5-2

G

Geluidssignaal....4-15

Gewichten 8-3

Gloeilampen 8-4

H

Handgeschakelde transmissie 4-2

Hulpaccu....6-3

1

instrumenten paneel 4-12

nterieurverlichting....3-26

K

Kaartleeslampje 3-26

Kentekenplaatverlichting....7-20

Koelvloeistofpeil 7-10

Koplampen....7-18

Koplampverstelling....4-19

L

Labels 5-9

Lekke band 6-11

Lostrekken van de auto 5-5

M

Make-up spiegel....3-29

Meters....4-14

Mistachterlicht 4-20

Moelijke omstandigheden....5-5

Motor 8-3

Motorkap 3-21

Motorolie....7-9

Motorruimte 1,5 liter motor .....7-7

Motorruimte 1,8 liter motor ....7-8

Niveau automatische

transmissievloeistof....7-11

Niveau ruitensproeiervloeistof......7-11

0

Oliefilter 7-10

Onderhoud exterieur....7-23

Onderhoud interieur....7-25

Onderhoudswerkzaamheden 7-2

Op eigen kracht lostrekken van de auto...5-5

Overbrengingingsverhoudingen 8-4

Oververhitting 6-2

Overzichtig dashboard 2-4

P

Parkeerlicht 7-18

R

Remlicht....7-21

Remsysteem 4-7

Richtingaanwijzer 4-18

Rijden in de winter 5-4

Rijden in het donker....5-5

Rijden met een aanhanger....5-6

Rijden onder moelijke omstandigheden 5-5

Ruitbediening 3-5

Ruitensproeiers 4-20

Ruitenwisserbladen....7-12

Ruitenwissers....4-20

S

Schuif-/kanteldak....3-30

Slepen 6-10

Sleutels....3-2

Smeermiddelen....7-22

Sneeuwkettingen....5-5

Spiegels....3-24

SRS airbagsysteem....3-17

Startblokkeersysteem 3-4

Starten 4-3

Starten met een hulpaccu....6-3

Stoelen 3-6

Stuurbekrachtiging 4-11

Stuurslot 4-2

Stuurwiel 3-23

Stuurwielverstelling 4-11

Suggesties voor brandstofbesparing.....5-3

T

Tankdopklepje 3-22

Transmissie....4-4, 4-5

U

Uw auto in een oogopslag....2-2

V

Vóór het rijden....5-3

Veiligheidsgordels 3-9

Velgen....7-17

Ventilatiesysteem 4-24

Vereiste brandstof 5-2

Verlichting 4-17

Verstelbaar stuurwiel....4-11

Vewarmingssysteem....4-26

Voorzorgsmaatregelen emissieregelsysteem ....5-2

Waarschuwingslampjes 4-15

Wiel verwisselen....6-11

Winter 5-4

Z

Zekeringen....6-4, 8-4

Zonnekleppen 3-28

Notes

Notes

0J-K31A-105

(네덜란드어/유럽)

KIA KIA MOTORS

Cuprins Faceți clic pe un titlu pentru a accesa
Asistent manual
Oferit de Anthropic
Așteptând mesajul dvs.
Informații despre produs

Marcă : KIA

Model : Rio (2000)

Categorie : Mașină