A2 (2000) - Automobiel AUDI - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis A2 (2000) AUDI in PDF-formaat.
| Merk | Audi |
| Model | A2 (2000) |
| Type product | Auto (personenauto) |
| Carrosserie | 5-deurs hatchback |
| Afmetingen (L x B x H) | 3826 mm x 1673 mm x 1553 mm |
| Wielbasis | 2405 mm |
| Leeggewicht | ca. 895 - 1095 kg |
| Brandstoftank inhoud | 42 liter |
| Brandstoftype | Benzine of diesel |
| Motoren | 1.4 L benzine (55 kW) / 1.4 L TDI (55 kW) / 1.2 L TDI (45 kW) |
| Transmissie | 5-versnellings handgeschakeld of automaat |
| Aandrijving | Voorwielaandrijving |
| Veiligheidssystemen | ABS, airbags (bestuurder, passagier, zijairbags) |
| Onderhoud en reiniging | Regelmatig olie verversen, bandenspanning controleren, interieur reinigen met geschikte producten |
| Reserveonderdelen en reparatie | Originele Audi onderdelen beschikbaar; reparatiehandleiding inbegrepen |
| Algemene informatie | Lichtgewicht aluminium carrosserie, ruim interieur, laag brandstofverbruik |
Veelgestelde vragen - A2 (2000) AUDI
Gebruikersvragen over A2 (2000) AUDI
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Automobiel in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding A2 (2000) - AUDI en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. A2 (2000) van het merk AUDI.
GEBRUIKSAANWIJZING A2 (2000) AUDI
Alles wat u over uw Audi wilt weten.

U heeft voor de Audi A2 gekozen – wij danken u voor uw vertrouwen.
Met de nieuwe Audi A2 komt u in het bezit van een wagen met een zeer moderne techniek en talrijke comfortuitvoeringen en variatiemogelijkheden, die u beslist in het dagelijks gebruik volledig zult willen benutten. Daarom raden wij u aan dit instructieboekje aandachtig te lezen, opdat u uw wagen grondig leert kennen.
Behalve informatie voor de bediening bevat het instructieboekje ook belangrijke aanwijzingen voor de verzorging en het gebruik in het belang van uw veiligheid, alsmede het behoud van de wagen; ook bevat het instructieboekje waardevolle tips. Bovendien laten wij u zien, hoe u met uw wagen zuinig en milieubewust kunt rijden.
Als u aanvullende vragen heeft over de wagen of als er problemen zijn, neemt u dan contact op met uw Audi-dealer of de importeur. Daar zijn vragen, suggesties en opbouwende kritiek te allen tijde welkom.
Wij wensen u veel plezier met uw Audi A2 en een goede reis.
AUDI AG
Let op de volgende belangrijke aanwijzing:
Bij gebruik van niet-originele Audi A2-onderdelen, -aanbouwdelen en -accessoires alsmede bij ondeskundig uitgevoerde reparaties kunnen ernstige verdere beschadigingen (zoals b.v. beschadiging door corrosie) aan uw wagen ontstaan. Zie ook Accessoires, wijzigingen en vervanging van delen op bladzijde 196.
Door het nieuwe aluminium-concept van uw wagen is het noodzakelijk, dat alle service- en reparatiewerkzaamheden alsmede carrosserie-reparaties uitsluitend door een Audi-dealer worden uitgevoerd.
In het geval van een noodreparatie moet de wagen zo snel mogelijk door een Audi-dealer worden gecontroleerd.
Voor schade als gevolg van niet-naleving van deze voorschriften is Audi niet aansprakelijk.
Tot de documentatie van uw wagen behoort naast dit instructieboekje ook een Serviceplan.
Daarnaast kunnen, afhankelijk van het model en de uitvoering, meerdere aanvullingen zijn toegevoegd (b.v. het instructieboekje voor de radio).
Als u vermoedt, dat de informatie over bepaalde uitvoeringen niet compleet is, kunt u zich tot uw Audi-dealer wenden resp. contact opnemen met de importeur. Daar zal men u graag met raad en daad bijstaan.
Het instructieboekje
en de aanvullingen dient u zo spoedig mogelijk aandachtig te lezen.
Het vakkundige gebruik van de wagen bepaalt, naast het regelmatig verzorgen en onderhouden, de restwaarde en is bovendien in veel gevallen één van de voorwaarden voor garantie-aanspraken.
Aanwijzingen met betrekking tot de indeling van dit instructieboekje
In dit instructieboekje is de, op het tijdstip van drukken bekende, grootst mogelijke leveringsomvang beschreven. Enkele uitvoeringen zijn mogelijk pas later of in het geheel niet leverbaar of worden in bepaalde landen niet aangeboden.
Met een stersymbool * gemarkeerde uitrustingen behoren standaard alleen bij bepaalde type-uitvoeringen, zijn alleen voor enkele typen als meeruitvoering leverbaar of zijn alleen in bepaalde landen leverbaar.
De tekstblokken die met "Attentie" beginnen en die van deze steunkleur zijn voorzien, wijzen op mogelijk ongeval- en/of letselgevaar.
De met dit symbool gekenmerkte en cursief geschreven teksten duiden op belangrijke milieu-aanwijzingen.
Het Serviceplan
bevat onder andere
- kenmerkende wagengegevens (inclusief werkelijke leeggewicht van de wagen alsmede de verbruiks- en emissiewaarden),
- de onderhoudsintervallen,
- de onderhoudswerkzaamheden.
In het Serviceplan worden ook de uitgevoerde onderhoudswerkzaamheden genoteerd. Dat kan bij garantie-aanspraken belangrijk zijn.
Het Serviceplan dient u bij onderhoudswerkzaamheden telkens aan de Audi-dealer te overhandigen.
Ten slotte nog een belangrijke aanwijzing:
Overhandigt u de complete wagendocumentatie bij het verkopen van uw wagen aan de nieuwe eigenaar. Deze documentatie behoort namelijk bij de wagen!
INHOUDSOVERZICHT
BEDIENING
Bestuurdersruimte 8
Overzicht middenconsole 10
Sleutels 11
Centrale vergrendeling ..... 14
Kindersloten 18
Radiografische afstandsbediening 19
Alarmsysteem 22
Elektrische ruitbediening ..... 26
Spiegels 28
Veiligheidsgordels 30
Airbagsysteem 35
Airbags buiten werking stellen ... 44
Veilig vervoer van kinderen ..... 46
Bevestiging van kinderzitje (ISOFIX-systeem) 52
Voorstoelen 53
Hoofdsteunen 55
Zitplaatsen achterin 56
Bagageruimte 60
Verstelbare stuurkolom 63
Handrem 64
Voetruimte bestuurderszijde ..... 64
Automatische versnellingsbak met tiptronic 65
Akoestische parkeerhulp ..... 74
Contactslot 75
Motor starten 76
Instrumentenpaneel 77
Service-interval-indicatie 83
Controlelampjes 84
Waarschuwingssymbolen (standaarduitvoering) 89
Buitentemperatuurmeter (standaarduitvoering) 93
Bestuurdersinformatiesysteem 94
Portier-/achterklepwaarschuwing 95
Radiodisplay 95
Buitentemperatuurmeter 96
Auto-Check-Control 97
Snelheidssignaal 103
Boordcomputer 105
Schakelaars 108
Knipperlicht- en grootlicht-/dimhendel 112
Snelheidsregelsysteem 113
Ruitenwisser en ruitensproeier 116
Verwarming en ventilatie ..... 117
Airconditioning 121
Extra kachel 125
Open Sky-systeem 126
Binnenverlichting, leeslampjes voorin 128
Binnenverlichting achterin ..... 129
Bagageruimteverlichting ..... 129
Zonnekleppen 130
Asbak 130
Sigarettenaansteker/stopcontact 131
Dashboardkastje 132
Opbergvakken 133
Multifunctiestuurwiel met radiobediening 136
Multifunctiestuurwiel met radio- en telefoonbediening .... 137
Telefoon 140
Telefoon, zendapparatuur en kantoor-apparatuur 141
Imperiaal 142
Trefwoorden staan in de trefwoordenlijst op bladzijde 235.
INHOUDSOVERZICHT
AANWIJZINGEN VOOR HET RIJDEN
De eerste 1500 kilometer – en daarna 144
Zuinig en milieubewust rijden ... 145
Rijden op slecht wegdek ..... 149
Remmen 150
Elektronisch sperdifferentieel (EDS) 152
Aandrijfslipregeling (ASR) ..... 153
Elektronisch stabiliteitsprogramma (ESP) 154
Verzorging van de wagen ..... 155
Tanken 163
Brandstof 165
Serviceklep 168
Motordeksel 169
Motorruimte 171
Motorolie 173
Koelsysteem 178
Remvloeistof 180
Accu 182
Vloeistofreservoir ruitensproeier 186
Ruitenwisserblad 187
Wielen 188
Koplampen afplakken 194
Accessoires, wijzigingen en vervanging van delen 196
TIPS OM HET ZELF TE DOEN
Gevarendriehoek, verbanddoos . 197
TECHNISCHE GEGEVENS
Wagengereedschap en krik ..... 198
Reservewiel 200
Verwisselen van een wiel ..... 202
Bandenreparatieset 208
Zekeringen 209
Gloeilampen vervangen ..... 212
Starthulp 213
Aanslepen/slepen 215
Milieu-aspecten 218
Rijprestaties 220
Brandstofverbruik 221
Gewichten 222
Afmetingen 224
Vulhoeveelheden 225
TREFWOORDENLIJST
Trefwoordenlijst 235
Trefwoorden staan in de trefwoordenlijst op bladzijde 235.
BEDIENING
Bestuurdersruimte
| Bladzijde | ||
| 1 | Slotgreep | 16 |
| 2 | Schakelaar centrale portiervergrendeling | 16 |
| 3 | Luchtroosters | 117, 121 |
| 4 | Knipper- en dimlichthendel | 112 |
| Schakelaar voor snelheidsregelsysteem | 113 | |
| 5 | ClaxonAirbag voor de bestuurder | 35 |
| 6 | Instrumentenpaneel | 77 |
| 7 | Hendel voor ruitenwisser en ruitensproeier | 116 |
| Functieschakelaar van boordcomputer | 105 | |
| 8 | Schakelaar voor SOS- en service-oproep | 135 |
| 9 | Blikjeshouder of opbergvak | 133 |
| 10 | Schakelaar voor alarmlichten | 110 |
| 11 | Dashboardkastje | 132 |
| 12 | Airbag voor de bijrijder | 35 |
| 13 | Radio 1) | |
| 14 | Verwarming en ventilatie of airconditioning | 117121 |
| 15 | Schakelaar voor stoelverwarming (bijrijdersstoel) | 111 |
| Bladzijde | ||
| 16 | Opbergvak of asbak | 130 |
| 17 | Versnellingshendel | |
| 18 | Opbergvak of schakelaar voor navigatiesysteem en telematica 1) | |
| 19 | Handrem | 64 |
| 20 | Schakeiaar voor aandrijfslipregeling (ASR) | 111 |
| 21 | Schakelaar voor stoelverwarming (bestuurdersstoel) | 111 |
| 22 | Contactslot | 75 |
| 23 | Verstelbare stuurkolom | 63 |
| 24 | Ontgrendeling voor serviceklep | 169 |
| 25 | Lichtschakelaar | 109 |
| 26 | Lichtbundel-hoogteverstelling | 108 |
| 27 | Instrumentenverlichting | 108 |
| 28 | Elektrische buitenspiegelverstelling | 29 |
| 29 | Elektrische ruitbediening | 26 |
Aanwijzingen
- Enkele van de vermelde uitvoeringen behoren alleen bij bepaalde type-uitvoeringen of zijn meeruitvoeringen.
- Bij wagens met rechts stuur wijkt de indeling van de bedieningselementen voor een deel af. De symbolen op de bedieningselementen komen echter wel overeen met die van wagens met links stuur.
1) In wagens met een af fabriek ingebouwd telematica-, radio- resp. navigatiesysteem zijn aparte instructieboekjes aanwezig.
Overzicht middenconsole

Afgebeeld is de middenconsole van een wagen met Audi-navigatiesysteem plus resp. Audi-radio symphony.
A - Schakelaar alarmlichten 110 B - Navigatiesysteem plus 1) resp. Audi-radio symphony 1) C - Airconditioning en schakelaar voor ruitverwarming/stoelverwarming ..... 121
Aanwijzingen
- Sommige van de in dit hoofdstuk beschreven uitrustingen behoren alleen bij bepaalde type-uitvoeringen of zijn meeruitvoeringen.
- Bij wagens met rechts stuur wijkt de plaatsing van de afgebeelde bedieningselementen ten dele af.
1) De bediening van de apparaten staat beschreven in de instructieboekjes van het Audi-navigatiesysteem plus resp. de Audi-radio symphony. In het Audi-navigatiesysteem plus zijn de radio-, CD- en TV-functies geïntegreerd.
Sleutels

Bij de wagen worden de afgebeelde sleutels en een label geleverd.
Attentie
Als u de wagen, ook slechts voor korte tijd, verlaat, dient in ieder geval de contactsleutel uit het contactslot te worden getrokken. Dat geldt in het bijzonder wanneer er kinderen in de wagen achterblijven. Zij zouden de motor kunnen starten of elektrische uitrustingen, b.v. de elektrische ruitbediening, kunnen bedienen. Gevaar voor ongelukken!
A - Hoofdsleutel
Deze sleutel past op alle sloten.
Bij uitvoering met een radiografische afstandsbediening worden bij de wagen in plaats van de afgebeelde hoofdsleutels twee klapsleutels geleverd; zie volgende bladzijde.
Sleutel met lampje
Inschakelen: ronde knop in het midden van de greep indrukken en vasthouden.
Batterij resp. gloeilampje vervangen
- Munt in de gleuf aan de zijkant van de greep steken en bovenstuk eraf wippen. ● Gloeilampje resp. batterij vervangen. Reservebatterijen en -gloeilampjes zijn bij de Audi-dealers verkrijgbaar.

De lege batterij in het belang van het milieu inleveren.
B - Reservesleutel
Deze sleutel past op alle sloten.
Wij adviseren, de reservesleutel in de portemonnee of portefeuille te bewaren. De reservesleutel dient alleen tijdelijk te worden gebruikt, wanneer de wagensleutel is zoekgeraakt.
C - Label
Op het label staat het sleutelnummer. Met dit nummer kan bij een Audi-dealer een nieuwe sleutel worden besteld. Daarbij moet worden vermeld om welke sleutel het gaat.
Het label nooit in de wagen achterlaten, opdat onbevoegden geen valse sleutels kunnen bestellen.
Vervangende sleutel
Na het verliezen van een sleutel dient een Audi-dealer te worden opgezocht, om de werking van deze sleutel te laten blokkeren.
Hierbij is het noodzakelijk om alle sleutels en het sleutelnummer mee te nemen.
Bovendien moet het verlies van een sleutel resp. het label bij uw verzekering worden gemeld.
Elektronische wegrijblokkering
Uw wagen is met een elektronische wegrijblokkering uitgerust.
De wegrijblokkering voorkomt via een elektronisch onderdeel in de sleutelkop het gebruik van uw wagen door onbevoegden. Zie bladzijde 85.
De motor kan daarom alleen met de originele wagensleutel worden gestart.
Aanwijzing
De wagen kan onder bepaalde omstandigheden niet worden gestart, wanneer er een contactsleutel van een andere wagen aan de sleutelbos zit.

Deze sleutel past op alle sloten.
Voor het uit- resp. inklappen van de sleutel de ontgrendelingsknop -pijl- indrukken.
Het gebruik van de radiografische afstandsbediening wordt op bladzijde 19 beschreven.

Batterij vervangen (radiografische, inklapbare sleutel)
De batterij (knoopbatterij) zit in het deksel van het zenderhuis (B).
Het is raadzaam de batterij door een Audi-dealer te laten vervangen. Wanneer men dit echter zelf doet, dient dit als volgt te gebeuren:
- Sleutel uitklappen.
- Sleutelgedeelte (A) en zenderhuis (B) met schroevendraaier loswippen.

- Deksel van zenderhuis in pijlrichting verwijderen.
- Lege batterij uit het deksel verwijderen.

- Nieuwe batterij plaatsen. Batterij zo plaatsen dat het "+" teken naar onderen is gekeerd. Zie afbeelding. De juiste polariteit is op het deksel van het zenderhuis weergegeven.
- Deksel met ingebouwde batterij achter op het zenderhuis plaatsen en de beide delen in elkaar drukken.
- Zenderhuis in het sleutelgedeelte plaatsen en de beide delen tot de aanslag in elkaar schuiven.
Aanwijzingen
- De reservebatterij moet dezelfde specificaties hebben als de originele batterij.

De lege batterij in het belang van het milieu inleveren.
- Wanneer na het vervangen van de batterijen de wagen niet met de afstandsbediening kan worden ont- resp. vergrendeld, moet het systeem worden gesynchroniseerd. Zie bladzijde 21.
Centrale vergrendeling 1)
Met de centrale vergrendeling worden de portieren gezamenlijk ont- of vergrendeld.
U kunt de wagen van buitenaf zowel met de sleutel bij het bestuurders- of bijrijdersportier 2) als via de radiografische afstandsbediening* (zie bladzijde 19) ont- en vergrendelen.
Wagen ontgrendelen
Voor het ontgrendelen van uw wagen bij de portieren de sleutel in openingsstand draaien.
Het alarmsysteem* wordt daarbij uitgeschakeld.
De portieren met de portiergreep openen.
1) Desgewenst kan de centrale vergrendeling door een Audi-dealer in een veiligheids-centrale-vergrendeling of omgekeerd worden veranderd. 2) Niet mogelijk bij wagens met radiografische afstandsbediening*.
Wagen vergrendelen
Voor het vergrendelen van de wagen de sleutel in het slot van het bestuurders-resp. bijrijdersportier in sluitstand draaien. De portieren en de achterklep zijn vergrendeld. Het alarmsysteem* wordt ingeschakeld.
De paraatheid van het alarmsysteem* wordt aangegeven door het kort knipperen van de knipperlichten.
De in portierschakelaarstand staande binnenverlichting wordt uitgeschakeld.
Aanwijzingen
- Het geopende bestuurdersportier kan niet worden vergrendeld. Het dient na het sluiten afzonderlijk te worden vergrendeld. Hierdoor wordt een onvoorzien buitensluiten voorkomen.
- De centrale vergrendeling kan bij het bestuurdersportier alleen worden bediend, als het portier eerst gesloten wordt.
- Bij een defecte centrale vergrendeling kunnen alle sloten handmatig worden bediend. Voor de betreffende aanwijzingen zie de volgende bladzijden.
Noodvergrendeling van de portieren
Een knipperende LED in de portierbekleding geeft aan dat de functie "Wagen vergrendelen" correct is uitgevoerd. De onjuiste werking van de centrale vergrendeling wordt aangegeven door een continu signaal (30 seconden) na de vergrendeling. Bij een defecte centrale vergrendeling moet elk portier afzonderlijk worden vergrendeld. Bij de portieren zonder slotcilinder is hiertoe in het portierslot een noodvergrendeling geïntegreerd (zie afbeelding).

- Afdekkap verwijderen; zie afbeelding op bladzijde 14. De oranje noodvergrendelingshendel met de sleutel in de volgende richting bewegen:
- Vergrendelingsrichting van het linker achterportier - noodvergrendelingshendel naar rechts drukken.
- Vergrendelingsrichting van de rechter portieren - noodvergrendelingshendel naar links drukken.
- Het betreffende slot is nu vergrendeld. Afdekkap bevestigen. Na het vergrendelen van het portier kan dit van buitenaf niet meer worden ontgrendeld.
Aanwijzingen
- De slotgreep van het betreffende portier voor het ontgrendelen naar binnen trekken – voor het openen opnieuw aan de greep trekken.
- De centrale vergrendeling onmiddellijk laten repareren.
Bij geactiveerde kindersloten kunnen de achterportieren pas na het ontgrendelen (slotgreep eenmaal naar binnen trekken) van buitenaf worden geopend.
Comfortsluiting
Bij het vergrendelen van de wagen bij het bestuurders- of bijrijdersportier kunnen alle ruiten met elektrische ruitbediening als volgt worden gesloten:
Sleutel in vergrendelingsstand vasthouden, totdat alle ruiten zijn gesloten. Zodra de sleutel wordt losgelaten, wordt het sluiten onmiddellijk afgebroken.
Bij het ontgrendelen van de wagen bij het bestuurders-/bijrijdersportier met de sleutel kunnen tegelijkertijd alle ruiten met elektrische ruitbediening alsmede het Open Skydak* worden geopend. Hiertoe de sleutel zolang in geopende toestand houden resp. de toets van de afstandsbediening* zolang indrukken, tot de ruiten de gewenste stand hebben bereikt.
Let op de waarschuwingsaanwijzingen op bladzijde 20 en 27 !

Wagen van binnenuit vergrendelen en ontgrendelen
Schakelaar centrale vergrendeling
Met de afgebeelde schakelaar kunnen alle portieren en de achterklep tegelijkertijd van binnenuit worden ver- resp. ontgrendeld:
Voor het vergrendelen van de wagen op de onderste helft van de schakelaar in het bestuurdersportier (zie afbeelding) drukken.
Voor het ontgrendelen van de wagen op de bovenste helft van de schakelaar drukken.
Let op de volgende aanwijzingen:
Attentie
- Wanneer de schakelaar van de centrale vergrendeling in het bestuurdersportier wordt bediend, worden automatisch ook alle andere portieren en de achterklep vergrendeld.
Aangezien echter bij vergrendelde portieren in noodgevallen hulp van buitenaf wordt bemoeilijkt, mogen kinderen nooit zonder toezicht in de wagen worden achtergelaten.
- Het vergrendelen van de portieren en de achterklep voorkomt het ongewenst binnendringen van buitenaf, b.v. bij een rood verkeerslicht.
- Het alarmsysteem* wordt bij de bediening van de schakelaar van de centrale vergrendeling niet ingeschakeld.
- Het geopende bestuurdersportier kan via de schakelaar van de centrale vergrendeling niet worden vergrendeld. Het dient na het sluiten afzonderlijk te worden vergrendeld.
- Bij een ongeval met activering van airbag worden de van de binnenzijde vergrendelde portieren automatisch ontgrendeld, om helpers toegang tot de wagen te verschaffen.
Slotgreep
De portieren kunnen met de slotgrepen van binnenuit afzonderlijk worden ontgrendeld: voor het ontgrendelen de slotgreep van het betreffende portier naar achteren trekken.
Door opnieuw aan de slotgreep te trekken wordt het portier geopend.
Veiligheids-centrale-vergrendeling 1)
De veiligheids-centrale-vergrendeling biedt als aanvulling op de hiervoor beschreven centrale vergrendeling de volgende extra functies:
Afzonderlijk ontgrendelen van het bestuurdersportier met de sleutel
Wagen van buitenaf ontgrendelen
- Voor het afzonderlijk ontgrendelen de sleutel in het slot van het bestuurdersportier eenmaal tot de aanslag draaien.
Daarbij wordt alleen het bestuurdersportier ontgrendeld. De rest van de wagen blijft vergrendeld. Bij het ontgrendelen via het bijrijdersportier wordt ook het bestuurdersportier ontgrendeld.
- Voor het ontgrendelen van de gehele wagen de sleutel in het slot van het bestuurders- of bijrijdersportier tweemaal kort achter elkaar tot de aanslag draaien.

Achterklep
Klep openen en sluiten
Voor het openen van de achterklep op het in de afbeelding weergegeven vlak onder de afdekking boven de kentekenplaat drukken en de klep optillen.
Voor het sluiten de achterklep naar beneden trekken en met een zetje dichtslaan. Het naar beneden trekken van de achterklep wordt vergemakkelijkt door in de greep van de binnenbekleding te grijpen.
Attentie
- Na het sluiten van de achterklep altijd door trekken aan de klep controleren of de vergrendeling is vastgeklikt; anders zou de achterklep tijdens het rijden plotseling kunnen opengaan.
- Nooit met een op een kier staande of zelfs open achterklep rijden, omdat anders uitlaatgassen het interieur kunnen binnendringen!

Noodontgrendeling van de achterklep
Als de achterklep niet kan worden geopend, dan kan dit door middel van de noodontgrendeling gebeuren. Hierbij moet als volgt te werk worden gegaan:
- Met de wagensleutel de afdekking omhoogwippen.

- Voor het ontgrendelen van de achterklep de afdekking in pijlrichting trekken.
Attentie
De noodontgrendeling van de achterklep mag in geen geval tijdens het rijden worden gebruikt. Dat geldt met name als kinderen op de achterbank zitten.
Kindersloten

De achterportieren zijn van kindersloten voorzien.
De kindersloten kunnen worden in- resp. uitgeschakeld door de wagensleutel te draaien.
A - kindersloten aan.
B - kindersloten uit.
Bij ingeschakelde kindersloten is de slotgreep aan de binnenzijde buiten werking, het portier kan alléén van de buitenzijde worden geopend.
Radiografische afstandsbediening*

Met behulp van de radiografische afstandsbediening kan de wagen worden ontgrendeld en vergrendeld zonder dat de mechanische sleutel wordt gebruikt. Daarbij wordt het alarmsysteem* automatisch uit- resp. ingeschakeld.
De afstandsbediening is in de kop van de wagensleutel geïntegreerd.
A - Wagen ontgrendelen B - Wagen vergrendelen C - Achterklep ontgrendelen
Wagen ont- en vergrendelen
Knop A
Voor het ontgrendelen knop A ongeveer 1 seconde indrukken.
Het ontgrendelen van de wagen wordt aangegeven door het twee keer knipperen van de knipperlichten.
Portieren resp. achterklep binnen ongeveer 60 seconden nadat het radiografische signaal is gegeven openen, omdat deze anders weer automatisch worden vergrendeld.
Bij wagens met veiligheids-centralevergrendeling wordt bij eenmaal indrukken van de knop A alleen het bestuurdersportier en bij tweemaal indrukken de gehele wagen ontgrendeld.
Knop B
Voor het vergrendelen knop B ongeveer 1 seconde indrukken.
Attentie
Bij vergrendelde wagen mogen geen personen - vooral geen kinderen - in de wagen achterblijven, omdat de portieren en de ruiten niet van binnenuit kunnen worden geopend.
Het op juiste wijze sluiten van de portieren en de achterklep wordt aangegeven door een keer kort knipperen van de knipperlichten.
Bij het ont- en vergrendelen van de wagen worden de in de portierschakelaarstand staande binnenverlichtingen automatisch in- resp. uitgeschakeld.
Knop C
Achterklep ontgrendelen
Knop C ten minste 1 seconde indrukken.
Achterklep openen.
Aanwijzingen zie volgende bladzijde.
Aanwijzingen
- De radiografische afstandsbediening dient alleen te worden gebruikt, als de portieren en de achterklep gesloten zijn.
- Bij ingeschakeld contact wordt het systeem gedeactiveerd.
- In de wagen mag de vergrendelingsknop B van de radiografische afstandsbediening niet worden ingedrukt voordat de sleutel in het contactslot wordt gestoken om te voorkomen dat de wagen onbedoeld wordt vergrendeld en daarbij bovendien het alarmsysteem wordt ingeschakeld. Mocht dit toch een keer per ongeluk gebeurd zijn, dan moet ontgrendelingsknop A worden ingedrukt.
- De radiografische afstandsbediening alleen gebruiken, wanneer men de wagen ziet.
- De werking van het systeem kan door in de buurt van de wagen aanwezige zenders, die in hetzelfde frequentiebereik werken (b.v. mobiele telefoon, televisiezender), tijdelijk worden beïnvloed.
Comfortopenen/-sluiten
Comfortopenen
Bij het ontgrendelen van de wagen kunnen alle ruiten met elektrische ruitbediening alsmede het Open Sky-dak* via de radiografische afstandsbediening gelijktijdig worden geopend:
Ontgrendelingsknop A zo lang indrukken totdat de ruiten en het Open Sky-dak* in de gewenste stand staan.
Bij het loslaten van de knop wordt de procedure onmiddellijk afgebroken.
Comfortsluiten
Bij het vergrendelen van de wagen kunnen alle ruiten met elektrische bediening gelijktijdig worden gesloten:
Houd de vergrendelingsknop B zo lang ingedrukt totdat alle ruiten zijn gesloten. Bij het loslaten van de knop wordt de procedure onmiddellijk afgebroken.
Het comfortsluiten van het Open Sky-dak* is om veiligheidsredenen niet mogelijk.
Attentie
Om veiligheidsredenen dient het comfortopenen/-sluiten alleen op een afstand van ongeveer 2 meter van de wagen te geschieden. Let er tijdens de bediening van de vergrendelingsknop altijd op dat niemand bekneld raakt. Bij het loslaten van de knop wordt de procedure onmiddellijk afgebroken.
Systeem synchroniseren
Wanneer de wagen niet met de radiografische afstandsbediening kan worden ontgrendeld of vergrendeld, moet het systeem worden gesynchroniseerd.
Het synchroniseren gaat automatisch, wanneer na het geven van een zendsignaal de wagen binnen een minuut via het portierslot wordt ontgrendeld of vergrendeld.
Daarna is het systeem weer paraat.
Systeem initialiseren
Bij het vervangen van een kwijtgeraakte sleutel en na reparaties/vervanging van de ontvanger moet het systeem eerst door de Audi-dealer worden geïnitialiseerd. Daarna kan de afstandsbediening pas weer worden gebruikt.
Goedkeuring radiografische afstandsbediening
De radiografische afstandsbediening voldoet aan alle toelatingscriteria en werd goedgekeurd door het "Bundesamt für Zulassungen in der Telekommunikation der Bundesrepublik Deutschland" (Duitse instantie voor toelatingen op het gebied van telecommunicatie).
Alle onderdelen zijn volgens de op dat moment geldende voorschriften gemarkeerd. De bovenstaande goedkeuring vormt de basis voor de vrijgave in andere landen.
Alarmsysteem*
Standaarduitvoering
Met behulp van het alarmsysteem moeten inbraakpogingen en het stelen van de wagen worden verhinderd. Het alarm produceert bij het herkennen van een inbraak akoestische en optische signalen.
Bij de afgesloten wagen worden de volgende gedeelten bewaakt:
- Motorruimte
- Bagageruimte
- Portieren
- Radio 1)
- Interieur
- Contact
Het alarmsysteem wordt bij het vergrendelen van de wagen via het bestuurders- of bijrijdersportier met de sleutel resp. met de afstandsbediening* automatisch ingeschakeld en wordt bij het ontgrendelen weer uitgeschakeld. Ongeveer 30 seconden na het vergrendelen van de wagen staat het alarm op scherp.
Het op juiste wijze sluiten van de portieren, de motorkap en de achterklep wordt bij het vergrendelen van de wagen aangegeven door één keer kort knipperen van de knipperlichten.
Als dit knippersignaal achterwege blijft, moeten de portieren, de motorkap en de achterklep gecontroleerd en eventueel goed worden gesloten. Als de portieren, de motorkap of de achterklep bij ingeschakeld alarm naderhand worden gesloten, wordt dit dan pas door een knippersignaal aangegeven.
Voor een optimale werking van het alarmsysteem moet vóór het verlaten van de wagen worden gecontroleerd, of alle ruiten en portieren gesloten zijn.

Na het vergrendelen van de wagen knippert de LED in de portierbekleding ongeveer 30 seconden snel en vervolgens weer langzaam. Dit geeft aan, dat het alarmsysteem inclusief interieurbewaking is ingeschakeld. Wanneer de LED na het vergrendelen in plaats van knipperen gedurende ca. 30 seconden voortdurend brandt, is de interieurbewaking of de centrale vergrendeling defect.

Interieurbewaking uitschakelen
De schakelaar voor de interieurbewaking zit op de portierstijl (zie afbeelding).
De interieurbewaking dient bij het vergrendelen van de portieren alleen te worden uitgeschakeld, wanneer het gevaar bestaat dat b.v. door dieren of bewegende voorwerpen in het interieur het alarm kan worden geactiveerd.
- Het bestuurdersportier openen.
- Schakelaar op portierstijl indrukken. De LED in de schakelaar brandt. Bovendien gaat de LED in de portierbekleding gedurende ca. 3 seconden branden.
- Wagen vergrendelen.
De LED in de portierbekleding knippert gedurende ca. 3 seconden snel. Ongeveer 30 seconden na het vergrendelen begint de LED langzaam te knipperen.
Wanneer de wagen een volgende keer wordt vergrendeld, wordt de interieurbewaking automatisch weer ingeschakeld.
Uitvoering voor sommige landen (b.v. Groot-Brittannië)
Met behulp van het alarmsysteem moeten inbraakpogingen en het stelen van de wagen worden verhinderd. Het alarm produceert bij het herkennen van een inbraak akoestische en optische signalen.
Bij de afgesloten wagen worden de volgende gedeelten bewaakt:
- Motorruimte
- Bagageruimte
- Portieren
- Radio 1)
- Interieur
- Contact
Wagen vergrendelen
Het alarmsysteem wordt bij het vergrendelen van de wagen via het bestuurders- of bijrijdersportier met de sleutel resp. met de radiografische afstandsbediening automatisch ingeschakeld. Ongeveer 30 seconden na het vergrendelen van de wagen staat het alarm op scherp.
Het op juiste wijze sluiten van de portieren, de motorkap en de achterklep wordt bij het vergrendelen van de wagen aangegeven door één keer kort knipperen van de knipperlichten.
Als dit knippersignaal achterwege blijft, moeten de portieren, de motorkap en de achterklep gecontroleerd en eventueel goed worden gesloten. Als de portieren, de motorkap of de achterklep bij ingeschakeld alarm naderhand worden gesloten, wordt dit dan pas door een knippersignaal aangegeven.
Voor een optimale werking van het alarmsysteem moet vóór het verlaten van de wagen worden gecontroleerd, of alle ruiten en portieren gesloten zijn.
LED
Na het vergrendelen van de wagen knippert de LED in de portierbekleding ongeveer 30 seconden snel en vervolgens weer langzaam. Dit geeft aan, dat het alarmsysteem inclusief interieurbewaking is ingeschakeld. Wanneer de LED na het vergrendelen in plaats van knipperen gedurende ca. 30 seconden voortdurend brandt, is de interieurbewaking of de centrale vergrendeling defect.
Wagen ontgrendelen
Het alarmsysteem wordt bij het ontgrendelen van de wagen alleen bij gebruik van de radiografische afstandsbediening uitgeschakeld. Als de wagen niet binnen 60 seconden na het geven van het radiografische signaal wordt geopend, dan wordt deze weer automatisch vergrendeld.
Als de wagen met de sleutel via het bestuurdersportier wordt ontgrendeld, dan blijven alle andere portieren en kleppen vergrendeld. De sleutel moet na het openen van het portier binnen 15 seconden voor het uitschakelen van het alarmsysteem in het contactslot worden gestoken terwijl het contact wordt ingeschakeld. Anders wordt het alarmsysteem geactiveerd.
Als het bijrijdersportier of de achterklep met de sleutel wordt ontgrendeld en geopend, dan wordt het alarmsysteem direct geactiveerd.
Het alarm wordt pas gedeactiveerd, als het portier resp. de achterklep weer wordt gesloten of de alarmcyclus is beeindigd.
Aanwijzingen
- Als de wagen met de sleutel via het bestuurdersportier werd ontgrendeld, dan is de schakelaar voor de centrale vergrendeling pas na het inschakelen van het contact volledig in werking.
- Als één van de beide kabels van de accu bij ingeschakeld alarmsysteem wordt losgemaakt, dan wordt het alarm direct geactiveerd.

Interieurbewaking uitschakelen
De schakelaar voor de interieurbewaking zit op de portierstijl (zie afbeelding).
De interieurbewaking dient bij het vergrendelen van de portieren alleen te worden uitgeschakeld, wanneer het gevaar bestaat dat b.v. door dieren of bewegende voorwerpen in het interieur het alarm kan worden geactiveerd.
- Het bestuurdersportier openen.
- Schakelaar op portierstijl indrukken. De LED in de schakelaar brandt. Bovendien gaat de LED in de portierbekleding gedurende ca. 3 seconden branden. ● Wagen vergrendelen.
De LED in de portierbekleding knippert gedurende ca. 3 seconden snel. Ongeveer 30 seconden na het vergrendelen begint de LED langzaam te knipperen.
Wanneer de wagen een volgende keer wordt vergrendeld, wordt de interieurbewaking automatisch weer ingeschakeld.
De ruiten kunnen bij ingeschakeld contact elektrisch worden geopend en gesloten.
De schakelaars zitten in de armleuning van het bestuurdersportier.
Bovendien zitten er in het bijrijdersportier en in de achterportieren extra schakelaars voor de afzonderlijke ruiten.
De ruitbediening werkt tot ongeveer tien minuten na het uitschakelen van het contact. Zodra echter het bestuurdersportier wordt ontgrendeld en vergrendeld, is de ruitbediening buiten werking.

Met veiligheidsschakelaar (A) kunnen de schakelaars in de achterportieren buiten werking worden gesteld.
Alleen als deze schakelaar is ingedrukt, kunnen de ruiten vanaf de achterbank worden geopend, resp. gesloten.
Een symbool in de veiligheidsschakelaar brandt, wanneer de ruitbediening van de achterportieren buiten werking is.
Ruiten openen/sluiten
De schakelaars zijn uitgerust met een "tweetraps-functie".
Als de schakelaar tot de eerste trap wordt gedrukt of getrokken, wordt de ruit handmatig geopend resp. gesloten.
Als de schakelaar helemaal tot de tweede trap wordt gedrukt of getrokken, wordt de ruit automatisch geopend resp. gesloten.
De automaat werkt alleen, zolang het contact is ingeschakeld.
Aanwijzing
Na het los- en vastmaken van de massakabel van de accu is de openings-/sluitautomaat buiten werking gesteld.
Om de automaat na het vastmaken van de massakabel van de accu weer in paraatheid te brengen, zijn de volgende stappen noodzakelijk:
- Door de ruitbedieningsschakelaar omhooggetrokken te houden de ruit tot de aanslag omhoog laten schuiven.
- Schakelaar loslaten en opnieuw een seconde omhoogtrekken.
- De automaat is weer geactiveerd.
Comfortopenen/-sluiten
Bij het ont- resp. vergrendelen van de wagen via het bestuurders- of bijrijdersportier kunnen de ruiten als volgt worden geopend resp. gesloten:
Sleutel in openingsstand draaien en in deze stand houden - de ruiten worden geopend. Zodra de sleutel wordt losgelaten, wordt het openen onmiddellijk afgebroken.
Sleutel in richting voor vergrendelen draaien en in deze stand houden – de ruiten worden gesloten. Zodra de sleutel wordt losgelaten, wordt het sluiten onmiddellijk afgebroken.
Het comfortopenen/-sluiten kan ook via de afstandsbediening* gebeuren. Zie bladzijde 19.
Attentie
Voorzichtig bij het sluiten van de ruiten!
Door onoplettend of ongecontroleerd sluiten van de ruiten kunnen verwondingen door knellen ontstaan.
Derhalve:
- de ruiten van de achterportieren - als nodig - met de veiligheidsschakelaar (zie vorige bladzijde) buiten werking stellen;
- bij het verlaten van de wagen de contactsleutel altijd uit het contact trekken;
- bij het comfortsluiten van de wagen altijd op het sluiten van de ruiten letten. Dat geldt in het bijzonder bij het sluiten van de ruiten met de afstandsbediening*.
Spiegels
De spiegels vóór het begin van de rit correct instellen, zodat het zicht naar achteren op elk ogenblik gegarandeerd is.
Binnenspiegel
In de basisstand moet de nok aan de onderkant van de spiegel naar voren wijzen.
Nok aan de onderkant van de spiegel verzetten.
Nok naar voren - normale stand
Nok naar achteren - antiverblindingsstand
Binnenspiegel met de hand verstellen.
Bij ingeschakeld contact wordt de binnenspiegel afhankelijk van de lichtinval (b.v. licht van koplamp van achteren) automatisch in de antiverblindingsstand gezet.
Bij inschakeling van de binnenverlichting resp. de achteruitversnelling schakelt de spiegel in de oorspronkelijke positie (geen antiverblindingsstand) terug.
Aanwijzing
De automatische inschakeling van de antiverblindingsstand werkt alleen storingsvrij, wanneer de lichtinval op de binnenspiegel niet wordt belemmerd (b.v. door voorwerpen op de bagageruimte-afdekking).
Buitenspiegel
Aanwijzing voor het gebruik van convexe en asferische* buitenspiegels
Convexe en asferische buitenspiegels vergroten het blikveld. De objecten zien er echter kleiner uit. Daarom zijn deze spiegels slechts in beperkte mate geschikt om de afstand te schatten.

Met de draaiknop wordt op de linker resp. rechter buitenspiegel overgeschakeld.
L - Linker buitenspiegel
R - Rechter buitenspiegel
0 - Neutraal
Het spiegelvlak wordt met de knop in de betreffende pijlrichting versteld.
Aanwijzing
Als de elektrische verstelling van de spiegels mocht uitvallen, dan kunnen de spiegels met de hand worden versteld door op de rand van het spiegelvlak te drukken.
Spiegelverwarming*
De spiegelvlakken worden afhankelijk van de buitentemperatuur bij ingeschakeld contact verwarmd.
Veiligheidsgordels
Attentie
- De gordels moeten voor elke rit, ook in het stadsverkeer, worden omgegespt. Dit geldt ook voor de passagiers op de achterbank. Ook zwangere vrouwen dienen altijd veiligheidsgordels om te gespen.
- Voor de beschermende werking van de gordels is de plaats van de gordel van groot belang. Hoe de gordels op de juiste manier worden omgegespt, is op de volgende bladzijden beschreven.
Hoe kinderen veilig in de wagen kunnen worden meegenomen, staat op bladzijde 46.

Waarom gordels dragen?
Het is bewezen, dat veiligheidsgordels bij ongevallen een goede bescherming bieden.
Bij een frontale botsing worden niet-vastgegespte inzittenden naar voren geslingerd waar ze (zoals hier afgebeeld) ongecontroleerd in aanraking komen met delen van het interieur, zoals stuurwiel, dashboard en voorruit.
De algemene opvatting dat men het lichaam bij een lichte aanrijding met de handen kan tegenhouden, is onjuist. Reeds bij een geringe botssnelheid worden op het lichaam krachten uitgeoefend, die niet meer kunnen worden tegengehouden.

Ook voor de inzittenden op de achterbank is het van belang de gordels om te gespen, omdat zij bij een ongeluk ongecontroleerd door de wagen kunnen worden geslingerd. Een niet-vastgegespte passagier op de achterbank is niet alleen een gevaar voor zichzelf, maar ook voor de inzittenden voorin de wagen.
Aanwijzingen
De volgende punten dienen beslist in acht te worden genomen:
- De gordel mag niet zijn ingeklemd, er mogen geen slagen in zitten en de gordel mag niet langs scherpe randen schuren.
- Met één gordel mogen nooit twee personen (ook geen kinderen) worden vastgegespt.
- De gordels bieden alleen bij een juiste zithouding een maximale bescherming; zie bladzijde 53.
- De gordel mag niet over vaste of breekbare voorwerpen (bril, balpen, enz.) heen worden gelegd, omdat daardoor letsel kan ontstaan.
- Zeer dikke, losse kleding (b.v. winterjas) belemmert het strak aansluiten en de werking van de veiligheidsgordels.
- De slotgesp mag alleen in het bij de betreffende zitplaats behorende slot worden gestoken, anders wordt de beschermende werking belemmerd.
- De gordel moet schoon worden gehouden, omdat door sterke vervuiling de werking van de oprolautomaat kan worden belemmerd (zie ook het hoofdstuk "Verzorging van de wagen").
- De insteekopening van het gordelslot mag niet door papier of iets dergelijks zijn verstopt, omdat anders de slotgesp niet kan vastklikken.
- Controleer regelmatig de toestand van de veiligheidsgordels. Wanneer beschadigingen van het weefsel, de gordelverbindingen, de gordelautomaat of het slotgedeelte worden vastgesteld, moet de betreffende veiligheidsgordel door een Audi-dealer worden vervangen.
- De veiligheidsgordels mogen niet worden uitgebouwd of op de een of andere manier worden veranderd. Probeer de veiligheidsgordels niet zelf te repareren.
- Veiligheidsgordels die tijdens een ongeval worden belast en daardoor worden uitgerekt resp. waardoor de achterste scheurnaad wordt belast, moeten door een Audi-dealer worden vervangen.
Bovendien moet ook de verankering van de gordels worden gecontroleerd.
3-puntsrolgordels
De 3-puntsrolgordels garanderen bij langzaam uittrekken volledige bewegingsvrijheid. Bij plotseling remmen blokkeren ze echter.
De oproiautomaten blokkeren de gordels ook bij het accelereren, bij het rijden in de bergen en in bochten.
Bovendien zijn de veiligheidsgordel voor de bijrijder alsmede de gordels voor de zitplaatsen achterin geschikt voor de bevestiging van kinderzijtes met beveiliging; zie bladzijde 49.
Attentie
- De rugleuningen van de stoelen mogen slechts zover achterover hellen, dat het schoudergordel-gedeelte nog tegen het bovenlichaam aansluit. De veiligheidsgordels kunnen anders niet naar behoren werken.
- De tweedelige rugleuning* achterin moet goed vastklikken, zodat de beschermende werking van de veiligheidsgordel op de middelste zitplaats wordt gewaarborgd; zie bladzijde 57.
Gordelspanner
Bij frontale botsingen en aanrijdingen van opzij vanaf een bepaalde impact worden de omgegespte 3-puntsgordels van de voorstoelen strak getrokken. Bij zware botsingen worden tevens de airbags geactiveerd. Zie bladzijde 35.
De gordelspanners worden niet geactiveerd bij aanrijdingen van achter en bij over de kop slaan.
Attentie
- Alle werkzaamheden aan het systeem evenals het uit- en inbouwen van delen van het systeem vanwege andere reparatiewerkzaamheden mogen alleen door Audi-dealers worden uitgevoerd.
- De beschermende werking van het systeem geldt slechts voor één ongeluk. Als de gordelspanners in werking zijn getreden, moet het systeem worden vervangen.
Aanwijzing
Bij het in werking treden van de gordelspanners komt rook vrij. Dit betekent niet dat de wagen in brand staat.

Trek de gordel aan de slotgesp langzaam en gelijkmatig over borst en heup en steek de gesp in het bij de stoelzitting behorende gordelslot tot de gesp hoorbaar vastklikt (controleren door eraan te trekken!).

Het schoudergordelgedeelte moet, zoals op de afbeelding is weergegeven, over het midden van de schouder lopen - in geen geval over de hals - en goed tegen het bovenlichaam aansluiten.
Het heupgordelgedeelte moet altijd strak en zo laag mogelijk tegen het bekken aansluiten. Trek het heupgordelgedeelte zo nodig iets omlaag en nogmaals strak.

Ook zwangere vrouwen dienen altijd veiligheidsgordels om te gespen.
Daarbij moet het heupgordeldeel zo laag mogelijk tegen het bekken aansluiten, zodat er geen druk op de onderbuik wordt uitgeoefend.

Op de voorstoelen kan het verloop van de schoudergordel met behulp van de hoogteverstelling voor de veiligheidsgordels aan het lichaam worden aangepast.
De veiligheidsgordel moet zo worden versteld dat deze zoveel mogelijk over het midden van de schouder loopt en niet tegen de hals zit. De veiligheidsgordel mag niet onder de arm zitten, niet zijn verdraaid en moet zo goed mogelijk op het lichaam aansluiten.

- Voor het verstellen de doorvoerplaat bij de afdekkap naar buiten drukken en naar boven resp. onderen verschuiven.
Een analyse van verkeersongevallen heeft aangetoond dat een zo hoog mogelijke positie van de gordelhoogteverstelling een gunstig effect heeft.
Let echter op dat de gordel in geen geval over de hals loopt.
- Na het verstellen door een lichte ruk aan de gordel controleren of de doorvoerplaat goed vastzit.
Gordels opbergen
De gordel losmaken door met de vinger op de rode knop in het gordelslot te drukken. De slotgesp springt hierbij door de veerdruk uit het gordelslot.
De slotgesp met de hand terug geleiden, zodat de oprolautomaat de gordel gemakkelijker kan oprollen. Een kunststof knop in de gordel houdt de slotgesp op goed bereikbare hoogte.
Heupgordel*
De middelste zitplaats op de achterbank kan ook van een heupgordel zijn voorzien.
Het gordelslot wordt op dezelfde wijze bediend als bij 3-puntsveiligheidsgordels, zie bladzijde 33 en 34.
Bij een op juiste wijze vastgegespte gordel zit de rode knop aan de buitenzijde van het gordelslot.
Aanwijzing
De heupgordel moet altijd goed op het bekken aansluiten en mag niet worden verdraaid.
Airbagsysteem
Het airbagsysteem biedt als aanvulling op de 3-puntsveiligheidsgordels een extra bescherming voor het hoofd en bovenlichaam van de bestuurder en bijrijder bij zware frontale botsingen.
Bij zware aanrijdingen van opzij wordt het verwondingsgevaar van de inzittenden aan de kant van de aanrijding door de zij-airbags en hoofdairbags* verminderd.
De airbag dient niet ter vervanging van de veiligheidsgordel maar maakt deel uit van het totale ontwerp voor de passieve veiligheid van de wagen.
Het optimale beschermende effect van het airbagsysteem wordt alleen in combinatie met omgegespte veiligheidsgordels bereikt.
Daarom moeten de veiligheidsgordels altijd worden gebruikt.
Componenten
Het systeem bestaat hoofdzakelijk uit:
- het elektronisch regel- en controlesysteem (regelapparaat)
- de beide voorairbags • de zij-airbags
- de linker en rechter hoofdairbag*
Controlelampje
De paraatheid van het systeem wordt elektronisch bewaakt en met het AIRBAG-controlelampje in het instrumentenpaneel aangegeven.
Het controlelampje gaat elke keer na het inschakelen van het contact enkele seconden branden en moet na een zelfdiagnose uitgaan. Als het controlelampje niet uitgaat of tijdens het rijden gaat branden, is er een storing in het systeem; zie "Controlelampjes" op bladzijde 86.
Attentie
Als er een storing is, dient het systeem direct door een Audi-dealer te worden gecontroleerd. Anders bestaat het gevaar, dat de airbags en de gordelspanners bij een ongeluk niet worden geactiveerd.
Airbagmodule
De airbags (luchtzak met gasgenerator) zijn op de hierna beschreven plaatsen ingebouwd.

De voorairbag voor de bestuurder zit in de beklede plaat van het stuurwiel. De inbouwplaats is met "AIRBAG" aangeduid.

De voorairbag voor de bijrijder zit in het dashboard boven het dashboardkastje. De inbouwplaats is met "AIRBAG" aangeduid.

De zij-airbags bevinden zich in de rugleuning van de voorstoelen (zie afbeelding). Deze inbouwplaatsen zijn met "AIRBAG" gemarkeerd.
Attentie
De maximale bescherming door de gordel en het airbagsysteem wordt alleen bij een juiste zithouding bereikt.

De hoofdairbags* bevinden zich links en rechts boven de portieren achter de hemelbekleding. Deze inbouwplaatsen zijn met "AIRBAG" gemarkeerd.
Bij activering bedekken de hoofdairbags de voorste en achterste zijruiten. Zie bladzijde 41.
Wanneer worden de airbags geactiveerd?
Het airbagsysteem is zo ontworpen, dat bij zware frontale botsingen de airbags aan bestuurders- en bijrijderszijde worden geactiveerd.
Bij zware aanrijdingen van opzij worden de zij-airbags samen met de hoofdairbag* aan de betreffende zijde van de wagen geactiveerd.
Bij sommige ongevallen is het mogelijk dat zowel de voorairbags als de zij-airbags en de bijbehorende hoofdairbag* worden geactiveerd.
Bij lichte frontale en zijwaartse botsingen alsmede bij botsingen van achteren en een koprol wordt het airbagsysteem niet geactiveerd. In deze gevallen worden de inzittenden door de omgegespte veiligheidsgordels op conventionele wijze beschermd.
Er is geen vaststaand activeringsgebied voor het airbagsysteem vast te stellen, omdat de omstandigheden bij een botsing van geval tot geval sterk verschillen. Een belangrijke rol spelen hier bijvoorbeeld factoren zoals eigenschappen van het object, waar de wagen tegen aanbotst (hard, zacht), botsingshoek, rijsnelheid enz.
Van beslissende betekenis voor het activeren van het airbagsysteem is het verloop van de vertragingskrachten die optreden en door het regelapparaat worden geregistreerd. Blijft de tijdens de botsing opgetreden en geregistreerde wagenvertraging onder de referentiewaarden die in het regelapparaat zijn opgeslagen, dan worden de airbags niet geactiveerd, hoewel de wagen als gevolg van het ongeval sterk vervormd kan zijn.

Wanneer het systeem wordt geactiveerd, worden de luchtzakken met drijfgas gevuld en ontvouwen deze zich zoals afgebeeld.
Bij het neerkomen in de volledig opgeblazen luchtzak wordt de beweging van de inzittenden gedempt en het verwondingsrisico voor hoofd en bovenlichaam gereduceerd.
De speciaal ontwikkelde luchtzak zorgt ervoor dat het drijfgas door het gewicht van de inzittende gecontroleerd uit de luchtzak stroomt, waardoor het hoofd en het bovenlichaam zacht worden opgevangen. Na een aanrijding is de luchtzak derhalve zo ver leeggelopen, dat het zicht naar voren weer vrij is.
Het opblazen van de airbags gebeurt in een fractie van een seconde en met hoge snelheid, zodat deze bij een ongeval optimale bescherming kunnen bieden.
Daarbij wordt door de airbag een zodanige kracht ontwikkeld, dat bij een niet-rechte zitpositie of door in het werkingsgebied van de airbag aanwezige voorwerpen de inzittenden gewond kunnen raken.
Bij het opblazen van de airbag ontstaat fijn stof. Dat is normaal en wijst niet op brand in de wagen.
Neem de volgende waarschuwingsaanwijzingen in acht, zodat de voorairbags optimaal bescherming kunnen bieden:
Attentie
- Het is belangrijk om afstand tot het stuurwiel resp. tot het dashboard te houden, zodat u bij activering van de airbags zo goed mogelijk wordt beschermd. Bovendien moeten de stoelen altijd overeenkomstig het postuur zijn ingesteld (zie bladzijde 53).
- Wanneer u geen veiligheidsgordels heeft omgegespt, tijdens de rit naar voren leunt of een verkeerde zitpositie inneemt, staat u bij een ongeval aan een verhoogd verwondingsrisico bloot, wanneer het airbagsysteem wordt geactiveerd.

- Het afgebeelde verbindingselement mag door de bijrijder tijdens het rijden niet als handgreep worden gebruikt, omdat hij anders bij activering van de airbag een verhoogd risico loopt.
- De uitsparing onder het verbindingselement mag niet als opbergvak worden gebruikt, om te voorkomen dat de beschermende werking van de airbag negatief wordt beïnvloed en de inzittenden door rondvliegende voorwerpen gewond raken.
- Kinderen mogen nooit zonder veiligheidsgordels op de voorstoelen van de wagen worden vervoerd. Wanneer het airbagsysteem bij een ongeval wordt geactiveerd, zouden kinderen zwaar gewond kunnen raken of kunnen worden gedood. Overige belangrijke aanwijzingen staan in het hoofdstuk "Veilig vervoer van kinderen", vanaf bladzijde 46.
- Tussen de inzittenden voorin en het werkingsgebied van de airbags mogen zich verder geen andere personen (b.v. kinderen), dieren of voorwerpen bevinden.
- De beklede plaat van het stuurwiel en het met schuim gevulde oppervlak van de airbagmodule in het dashboard aan de bijrijderszijde mogen noch beplakt, noch overtrokken zijn of op een andere wijze worden bewerkt. Deze gedeelten mogen alleen met een droge of met water bevochtigde doek worden schoongemaakt.
Ook mogen geen voorwerpen, zoals bekerhouders en telefoonsteunen, op de afdekking van de airbagmodules worden bevestigd.
- De beschermende werking van het airbagsysteem is slechts voor één ongeluk toereikend. Als de airbag is geactiveerd, moet het systeem worden vervangen.
- Aan de delen van het airbagsysteem mag geen enkele verandering worden aangebracht.
- Alle werkzaamheden aan de airbag alsmede het uit- en inbouwen van onderdelen van het systeem in verband met andere reparatiewerkzaamheden (b.v. stuurwiel uitbouwen) mogen alleen door Audi-dealers worden uitgevoerd.

Als het systeem wordt geactiveerd, vullen de luchtzakken zich met drijfgas.
Het opblazen van de airbag gebeurt in een fractie van een seconde en met hoge snelheid, zodat deze bij een ongeval optimale bescherming kunnen bieden.
De vol opgeblazen airbag dempt door het gecontroleerd uitstromen van het drijfgas als gevolg van het gewicht van de inzittende de zijdelingse beweging van de inzittende. Hierdoor wordt het risico op verwondingen aan het bovenlichaam aan de zijde van het portier gereduceerd.
Neem de volgende waarschuwingsaanwijzingen in acht, zodat de zij-airbags optimaal bescherming kunnen bieden:
Attentie
- Wanneer men geen veiligheidsgordels heeft omgegespt, tijdens de rit naar voren leunt of een verkeerde zitpositie inneemt, staat men bij een ongeval aan een verhoogd verwondingsrisico bloot, als de zij-airbag wordt geactiveerd.
- Opdat de beschermende werking van de zij-airbags volledig tot zijn recht kan komen, moet de door de veiligheidsgordels bepaalde zitpositie tijdens de rit altijd worden gehandhaafd.
Uw hoofd mag zich nooit in het werkingsgebied van de zij-airbag bevinden. Bij een ongeval zou men anders door de airbag zwaar gewond kunnen raken. Dit geldt vooral voor kinderen.
- Tussen de inzittenden voorin en het werkingsgebied van de airbags mogen zich verder geen andere personen (b.v. kinderen), dieren of voorwerpen bevinden. In verband met de zij-airbags mogen er bovendien aan de portieren geen accessoires zoals b.v. blikjeshouders worden bevestigd.
- Aan de kledinghaken in de wagen mag uitsluitend lichte kleding worden opgehangen. In de opbergvakken mogen geen zware voorwerpen of voorwerpen met scherpe randen zitten.
- Er mogen geen stoelhoezen worden gebruikt die niet uitdrukkelijk door Audi zijn goedgekeurd. Omdat de luchtzak uit de stoelleuning wordt ontvouwen, zou bij gebruik van niet vrijgegeven bekledingen of hoezen de beschermende werking van de zij-airbags aanzienlijk worden beperkt.
- Beschadigingen aan originele stoelbekledingen of aan de naad in het modulegebied van de zij-airbag moeten onmiddellijk door een Audi-dealer worden hersteld. - Wanneer kinderen tijdens de rit naar voren leunen of een verkeerde zitpositie innemen, staan ze bij een ongeval aan een verhoogd verwondingsrisico bloot. Dat geldt in het bijzonder voor een kind dat op de bijrijdersstoel wordt vervoerd, wanneer het airbagsysteem bij een ongeval wordt geactiveerd. Dit kan levensgevaarlijke of zelfs dodelijke verwondingen tot gevolg hebben.
Attentie
- De beschermende werking van het airbagsysteem is slechts voor een ongeluk toereikend. Als de airbag is geactiveerd, moet het systeem worden vervangen.
- Aan de delen van het airbag-systeem mag geen enkele verandering worden aangebracht.
- Alle werkzaamheden aan de zij-airbag alsmede het uit- en inbouwen van delen van het systeem vanwege andere reparatiewerkzaamheden (b.v. stoelen uitbouwen) mogen alleen door Audi-dealers worden uitgevoerd, aangezien anders storingen in het airbagsysteem kunnen optreden.

Hoofdairbag (SIDEGUARD)*
Bij activering van de hoofdairbags wordt het verwondingsrisico voor personen die met het hoofd tegen de portierruit of de portierstijl slaan verminderd. Bovendien biedt de hoofdairbag bescherming tegen van buitenaf binnendringende voorwerpen (b.v. glassplinters).
BEDIENING
Bij activering van de zij-airbags wordt tevens de hoofdairbag aan de betreffende zijde automatisch ontvouwen.
Hierbij bedekt de hoofdairbag zoals afgebeeld de zijruiten en portierstijlen, waardoor deze bescherming biedt voor zowel de inzittenden voorin als achterin.
Om deze extra beschermende werking te kunnen garanderen, moet het werkingsgebied van de airbags worden vrijgehouden.
Neem de volgende waarschuwingsaanwijzingen in acht, zodat de hoofdairbags optimaal bescherming kunnen bieden:
Attentie
- Aan de kledinghaken in de wagen mag uitsluitend lichte kleding worden opgehangen. In de opbergvakken mogen geen zware voorwerpen of voorwerpen met scherpe randen zitten. Bovendien mogen voor het ophangen van kleding geen kleerhangers worden gebruikt.
- Tussen de inzittenden voorin en het werkingsgebied van de airbags mogen zich verder geen andere personen (b.v. kinderen), dieren of voorwerpen bevinden. Bovendien mogen personen die aan de portieren zitten tijdens het rijden niet hun hoofd, armen of handen uit het raam steken.
Bovendien mogen zich in het werkingsgebied van de hoofdairbags geen voorwerpen bevinden, opdat de luchtzakken zich ongehinderd kunnen ontvouwen.
- De zonnekleppen mogen niet naar de zijruiten worden geklapt, als hieraan voorwerpen zoals pennen, garagedeuropeners enz. zijn bevestigd. Bij activering van de hoofdairbag zouden deze voorwerpen verwondingen kunnen veroorzaken.
- Voor de achterportieren mogen alleen originele Audi-rolgordijnen worden gebruikt.
- Aan de delen van het airbagsysteem mag geen enkele verandering worden aangebracht.
- De beschermende werking van het airbagsysteem is slechts voor één ongeluk toereikend. Als de airbag is geactiveerd, moet het systeem worden vervangen.
- Door het inbouwen van door ons niet vrijgegeven accessoires in de buurt van de hoofdairbag kan bij activering van de airbag de beschermende werking zeer nadelig worden beïnvloed.
Bij het ontvouwen van de geactiveerde hoofdairbag kunnen onder bepaalde omstandigheden delen van de gebruikte accessoires door de wagen worden geslingerd waardoor de inzittenden gewond kunnen raken.
Zie ook "Accessoires, wijzigingen en vervanging van delen" op bladzijde 196.
Alle werkzaamheden aan de hoofdairbag alsmede het uit- en inbouwen van delen van het systeem vanwege andere reparatiewerkzaamheden (bijv. hemelbekleding) mogen alleen door Audi-dealers worden uitgevoerd, aangezien anders storingen in het airbagsysteem kunnen optreden.
Waarop men ook dient te letten:
Attentie
Het airbagsysteem moet uiterlijk 14 jaar na fabricage van uw wagen door een Audi-dealer worden vernieuwd. De fabricagedatum (maand/jaar) staat op de sticker met wagengegevens in het serviceplan.
Dit tijdstip moet beslist worden aangehouden, opdat het systeem goed kan functioneren.
Als vóór het verstrijken van deze tijd airbageenheden (modules) worden vervangen (bijv. na een ongeval), noteert uw Audi-dealer de vervangingstermijn voor de nieuwe onderdelen in het serviceplan.
Bij verkoop van de wagen dient de complete wagendocumentatie aan de koper te worden overhandigd. Let erop dat ook de gegevens van de eventueel buiten werking gestelde bijrijdersairbag daarbij horen!
Bij het verschrotten van de wagen of van afzonderlijke delen van het airbagsysteem en de gordelspanners moeten beslist de desbetreffende veiligheidsvoorschriften worden opgevolgd. Audi-dealers zijn van deze voorschriften op de hoogte.
BEDIENING
Airbags buiten werking stellen
Het buiten werking stellen van de airbags is alleen voor bepaalde gevallen bedoeld, bijv. als
- u in uitzonderingsgevallen op de bijrijdersstoel een kinderzitje moet gebruiken, waarbij het kind met de rug naar het dashboard zit,
- ondanks correcte afstelling van de bestuurdersstoel de afstand van ten minste 25 cm tussen midden van stuurwiel en borstbeen niet kan worden gerealiseerd,
- aanpassingen voor gehandicapten bij het stuur noodzakelijk zijn,
- u andere stoelen laat inbouwen (b.v. orthopedische stoelen zonder zij-airbag).
Uw Audi-dealer weet welke airbags in uw wagen buiten werking kunnen worden gesteld. Hoe de bijrijdersairbag buiten werking kan worden gesteld, staat hierna beschreven.
De Audi-dealer markeert een buiten werking gestelde airbag met een sticker op het dashboard (bij buiten werking stellen van bijrijdersairbag).
Als men de bijrijdersairbag met behulp van de sleutelschakelaar* (zie volgende bladzijde) zelf buiten werking stelt, dan wordt dit aangegeven door het continu brandend waarschuwingslampje "PASSENGER AIRBAG OFF".
Buiten werking gestelde airbags zo snel mogelijk weer in paraatheid laten brengen, opdat hun beschermende werking weer tot stand kan worden gebracht.
Bijrijdersairbag bij gebruik van kinderzitje buiten werking stellen
Laat de bijrijdersairbag buiten werking stellen, als u in uitzonderingsgevallen op de bijrijdersstoel een kinderzitje moet gebruiken, waarbij het kind met de rug naar het dashboard zit.
Wij adviseren echter het kinderzitje op de achterbank te monteren, opdat de bijrijdersairbag niet buiten werking hoeft te worden gesteld.
Zodra het kinderzitje niet meer wordt gebruikt, moet de bijrijdersairbag door uw Audi-dealer resp. met de sleutelschakelaar* weer in paraatheid worden gebracht.
Bij gebruik van kinderzitjes dienen de voorschriften in het hoofdstuk "Veilig vervoer van kinderen" vanaf bladzijde 46.
Attentie
Als het in uitzonderingsgevallen noodzakelijk is een kind op de bijrijdersstoel te vervoeren, dan moet bij gebruik van een kinderzitje waarbij het kind met de rug naar de rijrichting zit, eerst de bijrijdersairbag door een Audi-dealer of met de sleutelschakelaar in het dashboardkastje buiten werking worden gesteld. Anders bestaat er gevaar voor zware of zelfs dodelijke verwondingen. Raadpleeg voor aanpassing a.u.b. uw Audi-dealer.

Sleutelschakelaar bijrijdersairbag*
De bijrijdersairbag moet met de afgebeelde sleutelschakelaar in het dashboardkastje buiten werking worden gesteld als men in uitzonderingsgevallen een kinderzitje waarbij het kind met de rug naar de rijrichting zit, op de bijrijdersstoel wil gebruiken.
Sleutel in de stand (0) draaien, om de bijrijdersairbag buiten werking te stellen.
Door de sleutel in de stand (I) te draaien wordt de bijrijdersairbag weer in paraatheid gebracht.

Is de bijrijdersairbag buiten werking gesteld, dan brandt het hierboven afgebeelde controlelampje constant.
De werking van het AIRBAG-controlelampje in het instrumentenpaneel staat beschreven op bladzijde 86.
Aanwijzingen
- Bij het buiten werking stellen van de bijrijdersairbag blijven alle andere airbags in paraatheid.
- Zodra het kinderzitje niet meer wordt gebruikt, de buiten werking gestelde bijrijdersairbag weer in paraatheid brengen, zodat de beschermende werking van de airbag weer tot stand wordt gebracht.
De verantwoording voor de juiste stand van de sleutelschakelaar ligt bij de bestuurder.
- Als uw wagen niet af fabriek met de mogelijkheid is uitgerust om de bijrijdersairbag buiten werking te stellen, kan de airbag door een Audi-dealer buiten werking worden gesteld. Zie vorige bladzijde.
Veilig vervoer van kinderen
Uit ongevallenstatistieken blijkt dat kinderen op de achterbank minder gevaar lopen dan op de bijrijdersstoel. Kinderen jonger dan 12 jaar horen normaal gesproken op de achterbank thuis 1 . Afhankelijk van leeftijd, lichaamslengte en gewicht moeten zij daar door een kinderzitje of door de aanwezige veiligheidsgordels worden beveiligd. Het kinderzitje dient om veiligheidsredenen op het midden van de achterbank of achter de bijrijdersstoel te worden gemonteerd.
Attentie
- Alle inzittenden van de wagen, vooral kinderen, moeten tijdens de rit zijn vastgegespt.
- Sta een kind tijdens de rit nooit toe, in de wagen te gaan staan of op de knieën op de bank te gaan zitten. Bij een ongeval wordt een kind door de wagen geslingerd en kan daardoor levensgevaarlijk gewond raken.
- Wanneer kinderen tijdens de rit naar voren leunen of een verkeerde zitpositie innemen, staan ze bij een ongeval aan een verhoogd verwondingsrisico bloot. Dat geldt in het bijzonder voor kinderen, die op de bijrijdersstoel worden vervoerd, wanneer het airbagsysteem bij een ongeval wordt geactiveerd. Dit kan levensgevaarlijke of zelfs dodelijke verwondingen tot gevolg hebben.
- Kinderen kleiner dan 1,50 m mogen zonder kinderzitje niet met een normale veiligheidsgordel worden vastgegespt, omdat anders inwendige kneuzingen in de buikstreek en verwondingen bij de hals kunnen ontstaan.
- In geen geval mogen kinderen, óók geen baby's, op de schoot van volwassenen worden meegenomen.
- Voor het gebruik van de gordels dienen ook de aanwijzingen in het hoofdstuk "Veiligheidsgordels" te worden opgevolgd.
Er mogen alleen kinderzitjes worden gebruikt, die aan de wettelijke voorschriften voldoen en voor het kind geschikt zijn.
Voor kinderzitjes geldt de ECE-R 44 norm, die beveiligingssystemen indeelt in 5 klassen:
Klasse 0: tot 10 kg (tot ca. 9 maanden)
Klasse 0+: tot 13 kg (tot ca. 18 maanden)
Klasse 1: 9–18 kg (ca. 8 maanden tot 4 jaar)
Klasse 2: 15–25 kg (ca. 3 tot 7 jaar)
Klasse 3: 22–36 kg (ca. 6 tot 12 jaar)
Kinderzitjes die volgens de ECE-R 44 norm zijn getest, zijn voorzien van een ECE-R 44 keurmerk (een grote E in een cirkel met daaronder het keuringsnummer).

Voor baby's tot ongeveer 9 maanden/10 kg resp. ongeveer 18 maanden/13 kg zijn kinderzitjes met een verstelling naar ligpositie het meest geschikt (zie afbeelding).
Attentie
Als het in uitzonderingsgevallen noodzakelijk is een kind op de bijrijdersstoel te vervoeren, dan moet bij gebruik van een kinderzitje waarbij het kind met de rug naar de rijrichting zit, eerst de bijrijdersairbag door een Audi-dealer of met de sleutelschakelaar* in het dashboardkastje buiten werking worden gesteld. Anders bestaat er gevaar voor zware of zelfs dodelijke verwondingen. Raadpleeg voor aanpassing a.u.b. uw Audi-dealer.
Zodra het kinderzitje niet meer wordt gebruikt, moet de bijrijdersairbag door uw Audi-dealer resp. met de sleutelschakelaar* weer in paraatheid worden gebracht (zie bladzijde 45).

Voor baby's en kleine kinderen tot ongeveer 4 jaar / 18 kg zijn kinderzitjes met veiligheidskussen, of kinderzitjes waarbij het kind met de rug naar de rijrichting zit, het meest geschikt (zie afbeelding).
Attentie
Als het in uitzonderingsgevallen noodzakelijk is een kind op de bijrijdersstoel te vervoeren, dan moet bij gebruik van een kinderzitje waarbij het kind met de rug naar de rijrichting zit, eerst de bijrijdersairbag door een Audi-dealer of met de sleutelschakelaar* in het dashboardkastje buiten werking worden gesteld. Anders bestaat er gevaar voor zware of zelfs dodelijke verwondingen. Raadpleeg voor aanpassing a.u.b. uw Audi-dealer.
Zodra het kinderzitje niet meer wordt gebruikt, moet de bijrijdersairbag door uw Audi-dealer resp. met de sleutelschakelaar* weer in paraatheid worden gebracht (zie bladzijde 45).

Voor kinderen tot ongeveer 7 jaar/25 kg zijn kinderzitjes in combinatie met de 3-puntsrolgordel het beste.
Attentie
Het schoudergordelgedeelte moet ongeveer over het midden van de schouder, in geen geval over de hals, lopen en goed tegen het bovenlichaam aansluiten. De heupgordel moet over het bekken, niet over de buik, van het kind lopen.

Voor kinderen ouder dan 7 jaar en kleiner dan 1,50 m is een zittingverhoger in combinatie met de 3-puntsrolgordel het meest geschikt.
Attentie
Het schoudergordelgedeelte moet ongeveer over het midden van de schouder, in geen geval over de hals, lopen en goed tegen het bovenlichaam aansluiten. De heupgordel moet over het bekken, niet over de buik, van het kind lopen.
Kinderen groter dan 1,50 m kunnen zonder zittingverhoger gebruik maken van de in de wagen aanwezige veiligheidsgordels.
Aanwijzingen
- Wij adviseren om kinderzitjes uit het originele accessoires-assortiment van Audi te gebruiken. Onder de naam "Huckepack" worden er voor alle leeftijdsklassen gordelsystemen aangeboden 1 . Deze systemen worden voor gebruik in Audi's ontwikkeld en getest en voldoen aan de ECE-R 44 norm.
Attentie
- Als kindergordelsystemen worden gebruikt, die samen met de in de wagen aanwezige gordels worden vastgeschroefd, moet men erg goed oppassen. Wees er zeker van dat de bouten over de gehele lengte van het draadgat dragen en met een aantrekmoment van 50 Nm zijn vastgedraaid.
Attentie
- De veiligheidsgordels moeten op een juist verloop worden gecontroleerd. Bovendien opletten dat de gordel niet door scherpe delen kan worden beschadigd.
- Per kinderzitje mag slechts één kind worden vastgegespt.
- Voor het inbouwen en het gebruik van kinderzitjes moeten de wettelijke bepalingen en de aanwijzingen van de betreffende fabrikant worden opgevolgd.
Beveiliging kinderzitje
Ter bevestiging van een kinderzitje kunnen de 3-puntsrolgordels continu worden geblokkeerd.
Beveiliging kinderzitje inschakelen
- Kinderzitje volgens de instructies van de fabrikant met de 3-puntsrolgordels bevestigen.
- Het schoudergordel-gedeelte van de 3-puntsrolgordels na bevestigen van het stoeltje geheel uittrekken.
- Gordel laten oprollen tot deze stevig tegen het kinderzitje aansluit. Een licht krakend geluid geeft bij het oprollen van de gordel aan dat de beveiliging van het kinderzitje is ingeschakeld. Het mag niet meer mogelijk zijn om de gordel eruit te trekken – door trekken controleren!
Continublokkering uitschakelen
Op de rode knop in het gordelslot drukken en de gordel geheel laten oprollen; hierbij wordt de blokkering uitgeschakeld.
Het gebruik van kinderzitjes op de bijrijdersstoel
Om veiligheidsredenen adviseren wij, kinderzitjes zoveel mogelijk op de achterbank vast te maken. Als er toch een kinderzitje op de bijrijdersstoel wordt gebruikt, moet in verband met de bijrijders-airbag de volgende aanwijzing worden opgevolgd:
Attentie
- Bij parate airbag aan bijrijderszijde mogen op de bijrijdersstoel geen kinderzitjes worden gebruikt waarbij het kind met de rug in de rijrichting zit. Omdat deze zitjes zich in het werkingsgebied van de bijrijdersairbag bevinden, bestaat het gevaar dat het kind bij activering van de airbag zware of zelfs dodelijke verwondingen oploopt.
Bij het gebruik van kinderzitjes waarbij het kind in de rijrichting zit, moet de bijrijdersstoel volledig naar achter zijn geschoven.
Attentie
Als het in uitzonderingsgevallen noodzakelijk is een kind op de bijrijdersstoel te vervoeren, dan moet bij gebruik van een kinderzitje waarbij het kind met de rug naar de rijrichting zit, eerst de bijrijdersairbag door een Audi-dealer of met de sleutelschakelaar* in het dashboardkastje buiten werking worden gesteld.
Aanwijzing
Bij buiten werking gestelde airbag aan de bijrijderszijde blijft de zij-airbag voor de bijrijder paraat.
Zodra het kinderzitje niet meer wordt gebruikt, moet de bijrijdersairbag door uw Audi-dealer resp. met de sleutelschakelaar* weer in paraatheid worden gebracht.
Zie "Sleutelschakelaar bijrijdersairbag" op bladzijde 45.
Kinderveiligheid en zij-airbag
De zij-airbags bieden bij aanrijdingen van opzij extra bescherming aan de inzittenden.
Om deze extra bescherming te waarborgen, moet de zij-airbag bij een botsing in een fractie van een seconde worden opgeblazen (zie ook bladzijde 40).
Daarbij wordt door de airbag een zodanige kracht ontwikkeld dat bij een niet-rechte zitpositie door de luchtzak resp. door in het werkingsgebied van de zij-airbag aanwezige voorwerpen de inzittenden gewond kunnen raken.
Dit geldt in het bijzonder voor kinderen, als deze niet overeenkomstig de wettelijke bepalingen worden vervoerd.
Attentie
Ter voorkoming van ernstige verwondingen moeten ook daarom kinderen altijd met een aan de leeftijd, de lichaamsgrootte en het gewicht aangepast gordelsysteem worden vastgegespt.
BEDIENING
Bevestiging van kinderzitje (ISOFIX-systeem)*

Tussen rugleuning en zitting zitten op de beide buitenste zitplaatsen achterin alsmede op de bijrijdersstoel* telkens twee steunen (B) voor de bevestiging van een kinderzitje met ISOFIX-systeem.
Kinderzitjes met het ISOFIX-bevestigingssysteem zijn bij Audi-dealers verkrijgbaar.
Om beschadiging van de bekleding van de stoelzitting te voorkomen, moeten vóór het inbouwen van het kinderzitje de bij het kinderzitje geleverde hulpstukken met conische pasboring (A) op de steunen (B) in de wagen worden geplaatst; zie afbeelding.

De afbeelding toont de reeds gemonteerde hulpstukken, waarin de vergrendelingsarmen van het kinderzitje worden geschoven.
Kinderzitjes met ISOFIX-bevestigingssysteem zijn momenteel voor kinderen met een lichaamsgewicht van 9 tot 18 kg verkrijgbaar. Dit komt overeen met een leeftijd van 9 maanden tot 4 jaar.
Een gedetailleerde montagebeschrijving wordt bij het kinderzitje geleverd.
Aanwijzing
Huckepack G1 ISOFIX - verdere ontwikkeling van de G1 ISOFIX-gordel
De toepassing van de nieuwste crashtests (die veel verder gaan dan de wettelijk voorgeschreven tests) bij de Audi A2 heeft aangetoond dat de gordel van het ISOFIX-kinderzitje verder kon worden geoptimaliseerd.
Om een optimale veiligheid te waarborgen bieden wij vanaf productiemaand september 2000 alleen nog kinderzitjes met de vernieuwde gordel aan.
Daarom dient men bij de aankoop van een ISOFIX-kinderzitje uitdrukkelijk naar het nieuwe onderdeelnummer 000 019 909 AA te vragen.
Als men reeds een ISOFIX-kinderzitje bezit, dan bieden wij de mogelijkheid de gordel (onderdeelnummer 000 019 770, kleur grijs) van het ISOFIX-kinderzitje kosteloos te ruilen.
Wendt u zich hiervoor tot uw Audi-dealer.
Voorstoelen
De juiste stand van de stoel is belangrijk voor:
- het veilig en snel bereiken van de bedieningselementen
- een ontspannen, minder vermoeiende lichaamshouding
- maximale beschermende werking van de veiligheidsgordels en het airbagsysteem.
Attentie
- De stoelen mogen daarom niet te dicht naar het stuurwiel resp. naar het dashboard worden geschoven.
- De voeten tijdens het rijden altijd in de voetruimte houden en nooit op het dashboard of op de zitting leggen.
Stel uw stoel in zoals op de volgende bladzijden is beschreven. Let ook op de basisstanden van de bestuurders- en bijrijdersstoel op deze bladzijde.
Bestuurdersstoel
Wij adviseren u de bestuurdersstoel als volgt in te stellen:
- Bestuurdersstoel in lengterichting zo instellen, dat de pedalen met licht gebogen benen geheel kunnen worden ingetrapt.
- Schuine stand van de rugleuning zo instellen, dat de rugleuning volledig op uw rug aansluit en u het bovenste punt van het stuurwiel met licht gebogen armen kunt vasthouden.
Attentie
Er mogen zich nooit voorwerpen in de voetruimte bevinden, omdat deze bij plotseling bewegen of remmen tussen de pedalen terecht kunnen komen.
U bent dan niet meer in staat om te remmen, te koppelen of gas te geven!
Bijrijdersstoel
Wij adviseren u de bijrijdersstoel als volgt in te stellen:
- Rugleuning in verticale stand.
- Voeten zo in de voetruimte zetten dat u gemakkelijk zit.
- Daarbij de stoel zo ver mogelijk naar achteren schuiven.

1 - Zittinghoogte verstellen*
De zittinghoogte kan door het drukken op resp. trekken aan de hendel worden versteld. Hendel zo vaak indrukken resp. uittrekken totdat de stoel de gewenste hoogte heeft.
Uittrekken – zitting gaat omhoog
Indrukken - zitting gaat omlaag
Attentie
- Ter wille van de veiligheid mag de hoogte van de bestuurdersstoel niet tijdens het rijden worden afgesteld!
- Voorzichtig bij het verstellen van de zittinghoogte! Door onoplettend of ongecontroleerd verstellen kunnen verwondingen door knellen ontstaan.
2 - Stoel in lengterichting verstellen
Hendel omhoogtrekken en stoel verschuiven. Dan hendel loslaten en stoel verder verschuiven tot de vergrendeling vastklikt.
Attentie
Ter wille van de veiligheid mag de bestuurdersstoel niet tijdens het rijden in de lengterichting worden versteld!
3 - Schuine stand van rugleuning verstellen
Leuning ontlasten en aan de knop draaien.
Attentie
Tijdens het rijden mogen de rugleuningen niet te ver achterover hellen, omdat dan de werking van de veiligheidsgordels wordt belemmerd.
Hoofdsteunen

Hoofdsteunen uit- en inbouwen
Om uit te bouwen de hoofdsteun tot de aanslag omhoogtrekken, ontgrendeling (pijl) op de linker stang indrukken en tegelijkertijd de hoofdsteun eruit trekken.
Voor het weer inbouwen de stangen van de hoofdsteun zover in de geleidingen schuiven tot deze hoorbaar vastklikken.
Zitplaatsen achterin
Bagageruimte vergroten 1)
Er zijn verschillende mogelijkheden om de bagageruimte te vergroten. Bij wagens met tweedelige achterbank kunnen de beide rugleuningen samen of afzonderlijk ter vergroting van de bagageruimte naar voren worden geklapt. Ook de hellingshoek van de achterbankleuningen kan worden veranderd.
De stoelen kunnen afzonderlijk resp. samen worden omgeklapt of zo nodig worden uitgebouwd.
Voor wagens met ongedeelde achterbank* zijn de hierna beschreven functies hetzelfde. Zo nodig moet voor het omklappen resp. uitbouwen van de achterbank de middelste hoofdsteun worden verwijderd.

Hellingshoek van achterbankleuning veranderen
Greep naar boven trekken en leuning ca. 8 cm naar voren bewegen totdat de greep weer vastklikt.
Achterbankleuningen naar voren klappen
Greep naar boven trekken en leuning naar voren klappen.

Stoelen naar voren klappen
- Achterportieren openen.
- Greep (zie vorige afbeelding) naar boven trekken en leuning naar voren klappen.
- Bovenkant van leuning bij (1) in pijlrichting krachtig naar onderen drukken. Ontgrendelingsgreep (2) uittrekken en de stoel omklappen.

- Stang uit de onderzijde van de stoel zwenken en in de stoelverankering (zie afbeelding) steken.
Aanwijzingen
Als uw wagen met een opbergvak in de middenconsole of in de voetruimte is uitgerust, dan moet dit eerst worden uitgebouwd; zie bladzijde 134. Om onder ongunstige omstandigheden voldoende ruimte voor het naar voren klappen van de stoelen te verkrijgen moet de voorstoeiverstelling worden gecorrigeerd.
Stoel resp. achterbankleuning terugklappen
- Stoel terugklappen en in de vergrendelingen drukken.
- Controleren of de stoel goed is vastgeklikt (door trekken controleren).
- Achterbankleuning terugklappen.
Om te voorkomen dat de buitenste veiligheidsgordels bij het terugklappen in het leuningslot bekneld raken en worden beschadigd, dient men erop te letten dat de gordel in de uitsparing voor de gordelgeleiding zit en de slotgesp in de daarvoor bestemde houder in de stijlbekleding wordt gestoken.
Attentie
De achterbankleuning moet goed vastgeklikt zijn, opdat bij plotseling remmen geen voorwerpen uit de bagageruimte naar voren kunnen glijden. De ontgrendelingsgreep moet volledig zijn verzonken, opdat het rode label niet meer zichtbaar is.

Stoelen uit-/inbouwen
Stoelen uitbouwen
- Achterportieren openen.
- Greep naar boven trekken en leuning naar voren klappen.
BEDIENING

- Bovenkant van leuning bij (1) in pijlrichting krachtig naar onderen drukken. Ontgrendelingsgreep (2) uittrekken en de stoel omklappen.

- Stoel in pijlrichting (1) naar achteren schuiven en verwijderen (2).

- De ogen aan de stoel aan de voorste steunen vasthaken.

Stoel en achterbankleuning terugklappen
- Stoel terugklappen en in de achterste vergrendelingen drukken.
- Controleren of de stoel goed is vastgeklikt (door trekken controleren).
- Achterbankleuning terugklappen.
Om te voorkomen dat de buitenste veiligheidsgordels bij het terugklappen in het leuningslot bekneld raken en worden beschadigd, dient men erop te letten dat de gordel in de uitsparing voor de gordelgeleiding zit en de slotgesp in de daarvoor bestemde houder in de stijlbekleding wordt gestoken.
Attentie
De achterbankleuning moet goed vastgeklikt zijn, opdat bij plotseling remmen geen voorwerpen uit de bagageruimte naar voren kunnen glijden. De ontgrendelingsgreep moet volledig zijn verzonken, zodat het rode label niet meer zichtbaar is.
Aanwijzingen
Als uw wagen met een opbergvak in de middenconsole of in de voetruimte is uitgerust, dan moet dit eerst worden uitgebouwd; zie bladzijde 134. Om onder ongunstige omstandigheden voldoende ruimte voor het naar voren klappen van de stoelen te verkrijgen, moet de voorstoelverstelling worden gecorrigeerd.
Bagageruimte

In het belang van goede rij-eigenschappen dient op een gelijkmatige verdeling van de lading te worden gelet:
Zware voorwerpen moeten zo ver mogelijk naar voren, d.w.z. tegen de rugleuningen van de voorstoelen (zie afbeelding) resp. bij niet-omgeklapte rugleuningen tegen de stoelen achterin worden vervoerd. De lading mag niet boven de bovenrand van de rugleuningen uitsteken.
De bandenspanning moet aan de belading worden aangepast; zie bandenspanning-sticker in de tankklep.
De in de autopapieren vermelde toelaatbare aslasten en het toelaatbaar totaalgewicht mogen in geen geval worden overschreden.
Attentie
- Houd er rekening mee dat bij het vervoeren van zware voorwerpen de rij-eigenschappen kunnen veranderen door het veranderde zwaartepunt. Rijstijl en snelheid moeten derhalve daaraan worden aangepast.
- De goederen zoveel mogelijk in de bagageruimte en met rechtopstaande, vergrendelde rugleuning transporteren.
- De lading met het veiligheidsnet* of met niet-elastische spanbanden aan de bevestigingsogen vastmaken. Daardoor wordt een optimale veiligheid bereikt.
- Nooit met een op een kier staande of zelfs open achterklep rijden, omdat anders uitlaatgassen het interieur kunnen binnendringen!

In de bagageruimte zitten vier bevestigingsogen (pijlen) gemonteerd.
Aan deze ogen moeten de goederen worden bevestigd.
Bagagenet*
Met dit net mag alleen lichte bagage worden vastgemaakt.
Het net voorkomt dat de lading in de bagageruimte gaat schuiven. Hiertoe moeten de haken in de bevestigingsogen worden vastgehaakt.

Het scheidingsnet zit in de bagageruimte. Het kan zowel bij rugleuningen in normale stand als bij omgeklapte rugleuningen en bij uitgebouwde stoelen worden gebruikt.
Scheidingsnet uit de bagageruimte verwijderen.
Afdekking van scheidingsnet openklappen en de dwarsstang aan de bovenste steunogen van het dakframe vasthaken.

Greep naar onderen trekken om aan de pen onder de veiligheidsgordel vast te haken.
Het uitbouwen gebeurt in omgekeerde volgorde.
Ontgrendelingsknop indrukken en de afdekking van het scheidingsnet dichtklappen. Scheidingsnet in de bagageruimte opbergen.
Bagageruimte-afdekking*
Attentie
De bagageruimte-afdekking dient niet voor het neerleggen van bagage. Op de afdekking gelegde voorwerpen vormen bij plotseling remmen een gevaar voor de inzittenden.
Bovendien kunnen de draden van de achterruitverwarming door schurende voorwerpen worden beschadigd.

Afdekking gelijkmatig naar achteren trekken. Uiteinden van de dwarsstang in de linker en rechter steunogen van de zijbekleding vasthaken.
Oprollen
Afdekking naar de achterzijde van de wagen trekken en uit de steunogen van de zijbekleding loshaken. Afdekking langzaam laten oprollen.

Als er bagage moet worden vervoerd, kan de afdekking als volgt worden uitgebouwd.
Uitbouwen
Afdekking in pijlrichting duwen en eerst aan de rechterkant naar boven verwijderen.
Inbouwen
Afdekking eerst links in de steunen plaatsen, in pijlrichting schuiven, naar onderen drukken en tegelijkertijd laten vastklikken.
Verstelbare stuurkolom

Het stuur kan in hoogte- en in lengterichting aan het lichaam worden aangepast.
Eerst dient de bestuurdersstoel te worden ingesteld. Daarna wordt de stuurkolom aan de gewijzigde zitstand aangepast.
Attentie
Het stuurwiel mag tijdens het rijden niet worden versteld.
- Hendel onder de stuurkolom tot de aanslag naar beneden zwenken; zie afbeelding.
- Stuur in de juiste stand verstellen.
- Hendel omhoogzwenken en zo tegen de stuurkolom aandrukken, dat deze vastklikt.
Attentie
Om veiligheidsredenen mag er niet met de wagen worden gereden, voordat de hendel in de oorspronkelijke positie is vastgeklikt.
BEDIENING
Handrem

Voor het aantrekken van de handrem de hendel stevig omhoogtrekken. Op een steile helling dient bovendien de 1e versnelling te worden ingeschakeld. De handrem dient altijd stevig te worden aangetrokken, zodat niet per ongeluk met aangetrokken handrem kan worden weggereden.
Bij aangetrokken handrem en ingeschakeld contact brandt het remcontrolelampje.
Vóór het loszetten van de handrem, handremhendel iets omhoogtrekken, grendelknop indrukken en hendel geheel omlaagdrukken.
Voetruimte bestuurderszijde
Opdat de bediening van de pedalen niet wordt gehinderd, mogen in de voetruimte geen voorwerpen worden gelegd die onder de pedalen kunnen schuiven.
- Bij storingen aan het remsysteem kan een grotere pedaalweg nodig zijn.
- Het koppelings- en gaspedaal moeten altijd geheel kunnen worden ingetrapt.
- Alle pedalen moeten ongehinderd in de uitgangsstand kunnen terugkeren.
Binnen het bereik van de pedalen mogen ook geen vloermatten of andere extra vloerbedekkingen liggen.
Daarom mogen alleen vloermatten worden gebruikt, die het bereik van de pedalen vrijlaten en aan de bevestigingspunten in de vloerbedekking kunnen worden vastgemaakt, opdat ze niet verschuiven.
Attentie
Er mogen zich nooit voorwerpen in de voetruimte bevinden, omdat deze bij plotseling bewegen of remmen tussen de pedalen terecht kunnen komen.
U bent dan niet meer in staat om te remmen, te koppelen of gas te geven!
Automatische versnellingsbak met tiptronic*

Uw wagen is met een "intelligente" versnellingsbak uitgerust. De koppeling wordt automatisch bediend, daarom is er geen koppelingspedaal aanwezig.
U kunt handmatig met tiptronic schakelen (+/-) of u kunt de versnellingsbak helemaal automatisch laten schakelen (D).
In de stand D kan de economy-functie worden ingeschakeld waarmee heel zuinig kan worden gereden.
Aanduiding keuzehendelstand
In het instrumentenpaneel zit een displayveld dat de ingeschakelde keuzehendelstand STOP (S), R, N of D alsmede de momenteel ingeschakelde versnelling weergeeft.
Bij handmatig schakelen met tiptronic (+/-) verschijnt in het displayveld "5, 4, 3, 2, 1". De ingeschakelde versnelling wordt telkens aangegeven.
Keuzehendelvergrendeling
Aanwijzing
Bij uitgeschakeld contact is de keuzehendel in alle standen geblokkeerd en kan niet worden bediend.
De keuzehendel is in de stand "STOP" en "N" ook bij ingeschakeld contact geblokkeerd.
Om de keuzehendel uit deze standen te kunnen nemen, moet het rempedaal worden ingetrapt. Daardoor wordt voorkomen dat per ongeluk een rijstand kan worden ingeschakeld en de wagen daarbij onbedoeld in beweging komt.
Als herinnering gaat het afgebeelde symbool op de schakelcoulisse branden.
Bij het vlot schakelen via stand N (bijv. van R naar D) wordt de keuzehendel niet geblokkeerd. Daardoor wordt het mogelijk een vastgeraakte wagen "eruit te schommelen". Alleen wanneer de hendel bij niet ingetrapt rempedaal langer dan ca. 1 seconde in stand N staat, wordt de keuzehendelvergrendeling ingeschakeld.
Bij snelheden boven ongeveer 5 km/u wordt de keuzehendelvergrendeling in de stand "N" automatisch uitgeschakeld.

Vergrendelknop
De vergrendelknop (1) in de keuzehendel voorkomt dat enkele keuzehendelstanden per ongeluk worden ingeschakeld. Door het indrukken van deze knop wordt de keuzehendelvergrendeling opgeheven.
De afbeelding toont in kleur de standen waarin de knop in de keuzehendel moet worden ingedrukt.
Uittrekblokkering contactsleutel
De sleutel kan na het uitschakelen van het contact alleen uit het contactslot worden getrokken als de keuzehendel in de stand "STOP" (parkeerstand) staat. Als de keuzehendel niet in de stand "STOP" staat, het contact inschakelen en de keuzehendel op "STOP" zetten.
Bij uitgetrokken contactsleutel is de keuzehendel in de stand "STOP" geblokkeerd.

Keuzehendelstanden
STOP - parkeerstand
De parkeerstand mag alleen bij stilstaande wagen worden ingeschakeld. Bovendien moet de handrem worden aangetrokken. De motor wordt automatisch afgezet, de eerste versnelling wordt ingeschakeld en de automatische koppeling wordt gesloten. Bij het inschakelen van de stand "STOP" terwijl de handrem niet is aangetrokken, klinkt een akoestisch signaal.
Attentie
De keuzehendel tijdens het rijden nooit in de stand "R" of "STOP" zetten.
De versnellingsbak kan worden beschadigd; gevaar voor ongelukken!
De contactsleutel kan alleen uit het contact worden getrokken als de keuzehendel in stand STOP staat.
Bij uit het contact getrokken sleutel is de keuzehendel in deze stand geblokkeerd.
R - Achteruitversnelling
De achteruitversnelling mag alleen bij stilstaande wagen en bij stationair toerental worden ingeschakeld. Voór het inschakelen van stand R vanuit stand STOP of N het rempedaal intrappen en vergrendelingsknop A indrukken.
In keuzehendelstand R branden bij ingeschakeld contact de achteruitrijlampen.
Attentie
- Keuzehendel tijdens het rijden nooit in keuzehendelstand "R" of "STOP" zetten.
De versnellingsbak kan worden beschadigd; gevaar voor ongelukken!
- Als de keuzehendel per ongeluk in de stand "STOP" in plaats van "R" wordt gezet, dan kan binnen 1 seconde in de keuzehendelstand "R" worden geschakeld voordat de motor automatisch wordt afgezet.
- Bij het inschakelen van de stand "STOP" terwijl de handrem niet is aangetrokken klinkt een akoestisch signaal.
N - Neutrale (stationaire) stand
Om de keuzehendel bij snelheden onder 5 km/u alsmede bij stilstaande wagen en ingeschakeld contact uit stand N te nemen moet het rempedaal worden ingetrapt. Als vanuit N de rijstand R moet worden ingeschakeld, dan moet bovendien vergrendelingsknop A worden ingedrukt.
D - Automatisch schakelen voor vooruitrijden
De vijf versnellingen vooruit worden afhankelijk van de motorbelasting en rijsnelheid automatisch op- en teruggeschakeld.
In stand D kan de economy-functie worden in- en uitgeschakeld (zie bladzijde 69). De gekozen functie verschijnt in het displayveld van het instrumentenpaneel.
E - Economy-functie aan
D - Economy-functie uit

Met "tiptronic" is het mogelijk handmatig te schakelen. De koppeling wordt daarbij automatisch bediend.
Om over te gaan op handmatig schakelen moet de keuzehendel vanuit stand D naar links tussen + en - worden gezet. De omschakeling kan zowel bij stilstand als onder het rijden gebeuren.
Door het aantippen van de keuzehendel naar voren (+) wordt opgeschakeld en door aantippen naar achteren (−) wordt in een lagere versnelling geschakeld.
Voor het achteruitrijden moet de keuzehendel in stand R worden gezet.
Bij het accelereren schakelt de versnellingsbak in de versnellingen 1, 2, 3 en 4 kort voor het bereiken van het maximaal toelaatbare motortoerental automatisch over naar de volgende versnelling.
Als van een hogere versnelling in een lagere wordt geschakeld, gebeurt dit pas wanneer overschrijding van het maximumtoerental niet meer mogelijk is.
Bij stilstand wordt automatisch de eerste versnelling ingeschakeld.
Aanwijzing
Bij het schakelen hoeft geen gas terug te worden genomen.
Economy-functie
ECO
In de economy-functie is een zeer laag brandstofverbruik mogelijk:
- Hoge motortoerentallen worden door vroeg opschakelen vermeden.
- Als tijdens het rijden gas terug wordt genomen, dan wordt ontkoppeld (geen afremmen op motor). Pas na het intrappen van de rem wordt de koppeling bediend en op de motor afgeremd.
- Het motorvermogen is beperkt tot 30 kW. Alleen als het gaspedaal door het drukpunt heen helemaal wordt ingetrapt (kickdown), dan is het maximale motorvermogen van 45 kW beschikbaar.
- Het STOP-START-systeem schakelt de motor bij stilstand uit. Deze wordt weer gestart zodra het rempedaal wordt losgelaten.

Economy-functie in- en uitschakelen
- Keuzehendel in de stand D zetten.
- Toets ECO in de middenconsole indrukken. Bij ingeschakelde economy-functie brandt in het instrumentenpaneel het groene ECO-controlelampje.
Attentie
Gevaar voor ongelukken!
- In de economy-functie kan pas op de motor worden afgeremd als de rem wordt ingetrapt.
- Als de motor in de economy-functie in de stand "D" is uitgeschakeld, dan moet op hellingen bovendien de handrem worden aangetrokken.
- Als de motor in de economy-functie in de stand "D" is uitgeschakeld en de voetrem wordt losgelaten, dan wordt de motor gestart en komt de wagen in beweging!
STOP-START-systeem
Bij stilstand wordt de motor bij ingetrapte rem na ca. 4 seconden uitgeschakeld. Als het rempedaal weer wordt losgelaten, dan wordt de motor automatisch gestart en de wagen komt in beweging.
Het STOP-START-systeem is niet geactiveerd als
- de economy-functie is uitgeschakeld,
- de motor nog koud is,
- bij afgezette motor het bestuurdersportier werd geopend (om veiligheidsredenen moet dan de motor in de stand N resp. STOP opnieuw worden gestart),
- te veel elektrische verbruikers (b.v. achterruitverwarming) zijn ingeschakeld – de accu wordt anders te zwaar belast.
Wagens met elektrische stuurbekrachting hebben geen STOP-START-systeem.
Kickdown
De kickdown maakt het mogelijk maximaal te accelereren. Als het gaspedaal door het drukpunt heen geheel wordt ingetrapt, wordt afhankelijk van rijsnelheid en motor-toerental naar een lagere versnelling teruggeschakeld. Het opschakelen naar de volgende versnelling gebeurt pas, zodra het maximaal toegestaan toerental is bereikt.
Attentie
Houd er rekening mee, dat bij glad wegdek de aangedreven wielen door het intrappen van de kickdown kunnen doordraaien. Slipgevaar!
Aanwijzingen voor het rijden
Starten
De motor kan alleen in de keuzehendelstand "STOP" of "N" worden gestart. Zie ook "Motor starten"; bladzijde 76.
Snelheidsbereik inschakelen
Voor het inschakelen van een rijstand bij stilstaande wagen en draaiende motor altijd de voetrem intrappen.
Tijdens het inschakelen bij stilstaande wagen geen gas geven.
Als de keuzehendel tijdens het rijden per abuis in stand "N" werd gezet, dient eerst het gaspedaal te worden losgelaten en het stationair toerental te worden afgewacht.
Attentie
Bij draaiende motor is het in alle rijstanden noodzakelijk om de wagen met de voetrem vast te houden, omdat ook bij stationair toerental de krachtoverbrenging niet geheel wordt onderbroken, de wagen "kruipt".
Als bij stilstaande wagen een rijstand is ingeschakeld, mag in geen geval onoplettend gas worden gegeven (b. v. met de hand vanuit de motorruimte). De wagen komt anders direct in beweging, onder bepaalde omstandigheden ook als de handrem stevig is aangetrokken.
Voordat aan de draaiende motor wordt gewerkt de keuzehendel in de stand "N" zetten en de handrem aantrekken.

Wegrijden
Bij ingetrapte voetrem de motor starten en met ingedrukte vergrendelknop A de rijstand R, D of +/- kiezen.
Stoppen
Bij een korte stop, b.v. bij verkeerslichten, hoeft de keuzehendelstand "N" niet te worden ingeschakeld. Het is voldoende het rempedaal in te trappen. Daarbij geen gas geven.

Parkeren
Bij stilstaande wagen de keuzehendel op STOP zetten. De motor wordt automatisch afgezet, de eerste versnelling wordt ingeschakeld en de automatische koppeling wordt gesloten. Handrem stevig aantrekken en de contactsleutel uit het contact trekken.
Zolang de handrem niet wordt aangetrokken, knipperen als herinnering in de middenconsole de letters en het handremcontrolelampje; zie afbeelding.
BEDIENING
Attentie
Om te voorkomen dat de wagen onbedoeld wegrolt, dient de handrem altijd vast te zijn aangetrokken, nadat de wagen tot stilstand is gekomen.
Starthulp/aanslepen
Bij een ontladen accu kan met een startkabel de accu van een andere wagen voor het starten worden gebruikt. Zie "Starthulp".
Opdat de automatische versnellingsbak de koppeling kan bedienen en een versnelling kan inschakelen, is voldoende accuspanning noodzakelijk. Daarom kan de wagen bij ontladen accu niet worden aangesleept.
Slepen
Als de wagen moet worden gesleept, dan dient men de aanwijzingen in het hoofdstuk "Slepen" beslist in acht te nemen.
Noodfunctie bij defecte versnellingsbak
Als de keuzehendel niet meer uit de laatste keuzehendelstand kan worden genomen, dan kan de magneet defect zijn. Het is dan mogelijk de versnellingsbak te deblokkeren. Daarna kan men met de wagen voor reparatie naar de dichtstbijzijnde Audi-dealer rijden.
Versnellingsbak deblokkeren
Om overbelasting van de te demonteren onderdelen te voorkomen, mag de versnellingsbak alleen in noodgevallen worden gede blokkeerd.

- Sierring met geschikt gereedschap verwijderen.
- Afdekking in de middenconsole losklikken en naar boven eruit trekken.

- In de boring die nu zichtbaar is, kan b.v. een balpen worden gestoken. Door kort in te drukken wordt de blokkering van de magneet opgeheven.
BEDIENING
Akoestische parkeerhulp*
De akoestische parkeerhulp helpt bij het parkeren van de wagen. Maar ook de parkeerhulp kent zijn technische grenzen. Daarom moet u bij het parkeren - ook met hulp van de parkeerhulp - altijd op blijven letten.
De parkeerhulp bepaalt bij het achteruitrijden met behulp van ultrasone sensoren de afstand tot een hindernis. De sensoren zitten in de achterbumper.
Bij het inschakelen van de achteruitversnelling wordt de parkeerhulp geactiveerd. Dit wordt door een kort geluidsignaal bevestigd.
De waarschuwing van de afstand begint bij het achteruitrijden vanaf ongeveer 1,60 m tot een hindernis. Naarmate de afstand minder wordt, zijn de intervallen tussen de signalen korter.
Bij een afstand van minder dan 0,30 m begint de gevarenzone. Vanaf hier dient niet verder achteruit te worden gereden. De gevarenzone wordt aangegeven door een continu geluidsignaal.
Attentie
- Het gebruik van de parkeerhulp wil niet zeggen dat de bestuurder minder opmerkzaam hoeft te zijn. De verantwoording bij het parkeren en vergelijkbare rijmanoeuvres ligt bij de bestuurder.
- Sensoren hebben dode gebieden waarin objecten niet kunnen worden waargenomen.
Let met name op kleine kinderen en dieren, omdat deze niet altijd door de sensoren worden herkend.
- Bepaalde voorwerpen, zoals dissels van aanhangwagens, dunne gelakte stangen of afrasteringen, worden door het systeem niet herkend en kunnen tot schade aan de wagen leiden.
Aanwijzingen
- Wanneer bij het inschakelen van het contact gedurende 5 seconden een waarschuwingssignaal hoorbaar is, wijst dit op een storing in het systeem. Storing door een Audi-dealer laten verhelpen.
- Voor een optimale werking van de parkeerhulp moeten de sensoren schoon en ijsvrij worden gehouden.
Contactslot

Benzinemotoren
1 - Contact uit/motor uit, de stuurinrichting kan worden vergrendeld 2 - Contact aan1) 3 - Motor starten
Dieselmotoren
1 - Brandstoftoevoer onderbroken/motor uit, de stuurinrichting kan worden vergrendeld
2 - Voorgloei- en rijstand
Zolang er wordt voorgegloeid, mogen er geen grotere verbruikers zijn ingeschakeld, de accu wordt anders onnodig belast.
3 - Motor starten
Voor alle wagens geldt:
Stand 1:
Voor het vergrendelen van de stuurinrichting bij eruit getrokken sleutel het stuurwiel draaien, totdat de vergrendeling hoorbaar vastklikt.
Attentie
De sleutel mag pas uit het contactslot worden getrokken, als de wagen stilstaat! Het stuurslot kan anders onverwacht vergrendelen.
Stand 2:
Als de sleutel niet of moeilijk in deze stand te draaien is, het stuurwiel iets draaien, zo- dat de vergrendeling wordt ontlast.
Stand 3:
Elke keer voor het opnieuw starten moet de contactsleutel in stand 1 worden teruggedraaid: de in het contactslot aangebrachte beveiliging verhindert, dat de startmotor bij draaiende motor kan worden ingeschakeld en daardoor zou beschadigen.
Motor starten
Algemene aanwijzingen
Attentie
Bij draaiende motor in gesloten ruimten bestaat vergiftigingsgevaar!
- Vóór het starten de versnellingshendel in de neutrale stand zetten (bij automatische schakelbak: keuzehendelstand "STOP" of "N") en handrem stevig aantrekken.
- Bij wagens met schakelbak tijdens het starten het koppelingspedaal intrappen; de startmotor hoeft dan alleen de motor aan te drijven.
- Zodra de motor draait, direct de contactsleutel loslaten: de startmotor mag niet meedraaien.
- Na het starten van de koude motor kunnen korte tijd versterkte motorgeluiden voorkomen, omdat in de hydraulische klepstoters eerst oliedruk moet worden opgebouwd. Dit is normaal en daarom niet bezwaarlijk.
De motor niet met stationair toerental laten warmdraaien! Direct wegrijden!
- Hoge toerentallen en volgas voorkomen, zolang de motor nog niet de bedrijfstemperatuur heeft bereikt.
- Vanwege de uitlaatgaskatalysator mag de motor niet door aanslepen over een afstand van meer dan 50 m worden gestart¹). Anders kan onverbrande benzine in de katalysator komen, wat beschadigingen tot gevolg kan hebben.
Benzinemotoren
Bij koude motor of als de motor op bedrijfstemperatuur is, voor en tijdens het starten geen gas geven.
Als de motor niet direct aanslaat, het starten na 10 seconden onderbreken en na ongeveer een halve minuut herhalen.
Bij zeer hete motor kan het na het aanslaan van de motor nodig zijn iets gas te geven.
Dieselmotoren
Voorgloeien
De motor is met een voorgloeisysteem uitgerust. De vereiste voorgloeitijd wordt door een door de koelvloeistoftemperatuur geregeld voorgloei-controlelampje aangegeven; zie bladzijde 84.
- De contactsleutel in stand 2 draaien (zie bladzijde 75). Bij koude motor gaat het voorgloei-controlelampje branden. De motor wordt voorgegloeid. Het lampje gaat uit, wanneer het voorgloeien is beëindigd.
Zolang er wordt voorgegloeid, mogen er geen grotere verbruikers zijn ingeschakeld, de accu wordt anders onnodig belast.
Als de motor op bedrijfstemperatuur is resp. bij buitentemperaturen boven +8 °C brandt het voorgloei-controlelampje gedurende ca. één seconde - de motor kan direct worden gestart.
- Direct na het uitgaan van het controle-lampje de motor starten.
Tijdens het starten geen gas geven.
Als de motor onregelmatig begint te draaien, nog enkele seconden verder starten (maximaal een halve minuut) tot de motor op eigen kracht verder draait.
Als de motor niet aanslaat, na een pauze van een halve minuut nogmaals voorgloeien en opnieuw zoals beschreven starten.
Instrumentenpaneel

Bladzijde
1 - Toerenteller en klok met datumweergave .... 78 2 - Controlelampjes 84 3 - Koelvloeistoftemperatuur ..... 79 4 - Brandstofmeter 80
Bladzijde
5 - Snelheidsmeter met displayveld voor kilometerteller 80 Dagteller 80 6 - Instel-/testknop 81
Bladzijde
7 - Display - service-interval-indicatie ..... 83 - waarschuwingssymbolen 89 - buitentemperatuur 93 - bestuurders-informatie-systeem* 94 8 - Terugzetknop van dagteller ..... 80 Service-interval-indicatie 83
1 - Toerenteller en klok met datumweergave
Toerenteller
Het rode veld op de schaalverdeling geeft het voor korte tijd toegestane maximum-toerental van de ingereden, bedrijfswarme motor aan.
Het is echter aan te bevelen, uiterlijk bij het bereiken van dit veld een hogere versnelling in te schakelen of het gaspedaal los te laten.
Tijdens de inrijperiode moeten hoge toerentallen worden voorkomen.

Klok met datumweergave
Het displayveld bevindt zich in het display-gedeelte van de toerenteller.
De bovenste weergave geeft de actuele tijd aan en de onderste de datum.
Met de instelknop (zie afbeelding) worden de tijd en de datum ingesteld.
Tijd/datum instellen
- Voor instellen van de uren de knop uittrekken. De urenweergave knippert. Door de knop linksom resp. rechtsom te draaien kan de urenweergave worden veranderd.
- Voor het instellen van de minuten de knop zo vaak uittrekken, totdat de minutenweergave knippert. Door de knop linksom resp. rechtsom te draaien kan de minutenweergave worden veranderd.
- Voor het instellen van de datum de knop zo vaak uittrekken, totdat de dag, maand- of jaarweergave knippert. Door de knop linksom resp. rechtsom te draaien kan de dag-, maand- of jaarweergave worden veranderd.
Als de weergave na het indrukken van de instelknop stopt met knipperen, is de nieuwe instelling opgeslagen.
Tijdzone instellen
Wanneer u met de wagen in een andere tijdzone binnenrijdt resp. erin terugkeert, moet de urenweergave aan de daar geldende tijd worden aangepast.
- Voor het instellen van de tijdzone de knop uittrekken. De urenweergave knippert. Door linksom resp. rechtsom draaien van de knop kan de tijdzone (urenweergave) worden gewijzigd.
Weergave van datum in- resp. uitschakelen
- Knop zo vaak uittrekken, totdat de datumweergave knippert.
Door de knop linksom resp. rechtsom te draaien de weergave uit- resp. inschakelen. Als de weergave na het indrukken van de instelknop stopt met knipperen, is de nieuwe instelling opgeslagen.
2 - Controlelampjes
Zie bladzijde 84.
3 - Koelvloeistoftemperatuur
De weergave werkt bij ingeschakeld contact.
Koude bereik
Als de wijzer nog in het linker veld van de schaal staat, hogere toerentallen vermijden en de motor nog niet zwaar belasten!
Normale bereik
De naald moet bij een normale rijstijl ongeveer in dit gebied terecht komen.
Bij zware motorbelasting en hoge buiten-temperaturen kan de naald ook verder naar rechts wijzen. Dat is echter ongevaarlijk, zolang het waarschuwingslampje van de koelvloeistoftemperatuur niet knippert.
Waarschuwingslampje
Als het waarschuwingslampje voor koelvloeistoftemperatuur/koelvloeistofpeil (zie bladzijde 91 resp. 100) tijdens het rijden knippert, is het koelvloeistofpeil te laag of de koelvloeistoftemperatuur te hoog.
Stoppen, de motor afzetten en de oorzaak van de storing vaststellen.
4 - Brandstofvoorraad
De weergave werkt bij ingeschakeld contact.
De brandstoftank heeft een inhoud van ca. 34 liter bij de 1,4 l-typen en 20 liter bij 1,2 l TDI 3L.
Wanneer de wijzer het reserveveld bereikt, is er nog ca. 5 liter brandstof in de tank.
Bovendien herinnert het gaan branden van het benzinepomp-symbool in het instrumentenpaneel eraan, dat er moet worden getankt.
De brandstoftank nooit geheel leegrijden. Zie bladzijde 148.
Aanwijzing
Om na het tanken een correcte weergave van het brandstofpeil te verkrijgen, moet vóór het tanken het contact worden uitgeschakeld.
5 - Snelheidsmeter met kilometerteller
Snelheidsmeter
De snelheidsmeter is met een digitale kilometerteller/dagteller uitgevoerd.
Tijdens het inrijden en daarna moeten de "Aanwijzingen voor het rijden" op bladzijde 144 in acht worden genomen.
Kilometerteller
Het onderste telwerk registreert het totaal van de afgelegde kilometers, het bovenste telwerk is een dagteller.
Het meest rechtse cijfer van het bovenste telwerk telt elke 100 m.

Terugzetknop van dagteller
De knop zo lang indrukken totdat het telwerk van de dagteller op nul is teruggezet.
Storing-indicatie
Als er een storing in het instrumentenpaneel is, wordt op het displayveld van de dagteller continu "dEF" aangegeven. De storing moet zo snel mogelijk door een Audi-dealer worden verholpen.

Met de testknop kunnen de volgende functies worden uitgevoerd:
Oproepen van resterend aantal kilometers tot volgende onderhoudsbeurt
Door kort indrukken van de knop wordt bij ingeschakeld contact het aantal nog af te leggen kilometers tot de noodzakelijke servicebeurt weergegeven. De controle van de werking kan bij niet-draaiende of draaiende motor alsmede tijdens het rijden met een snelheid tot 5 km/u plaatsvinden.
Nadere aanwijzingen; zie bladzijde 83.
Controleren van de symbolen
Door de testknop twee keer in te drukken worden bij ingeschakeld contact de symbolen achter elkaar opgeroepen. De controle van de werking kan bij niet-draaiende of draaiende motor alsmede tijdens het rijden met een snelheid tot 5 km/u plaatsvinden.
Als er een storing met prioriteit 1 is (rood symbool), kan de controle van de symbolen niet worden uitgevoerd.
Rij-instructies weergeven 1)
Als een symbool van prioriteit 1 op het display verschijnt, kan ter ondersteuning voor de bestuurder de bijbehorende aanwijzing voor de bestuurder op het display worden weergegeven.
Bijvoorbeeld: "MOTOR ABSTELLEN, ÖLSTAND PRÜFEN" (motor afzetten, oliepeil controleren)
Voor weergave de testknop indrukken. De aanwijzing verdwijnt ongeveer 5 seconden na het loslaten van de knop weer van het display.
Verlichting voor kilometerteller en klok
Bij uitgeschakeld contact de testknop indrukken – de verlichting voor de kilometerteller en de klok wordt gedurende ca. 15 seconden ingeschakeld.
De verlichting wordt bovendien ingeschakeld, zodra het bestuurdersportier wordt geopend en gaat na ca. 30 seconden uit.
Instelknop voor tijd
- Zie bladzijde 78.
BEDIENING
7 - Display
- Service-interval-indicatie; zie bladzijde 83.
- Waarschuwingssymbolen; zie bladzijde 89.
- Buitentemperatuur; zie bladzijde 93.
- Bestuurders-informatie-systeem*; zie bladzijde 94.
8 - Terugzetknop
- Dagteller
- Service-interval-indicatie; zie bladzijde 83.
Service-interval-indicatie

Een noodzakelijke servicebeurt wordt op het display van het instrumentenpaneel weergegeven; zie bovenstaande afbeelding.
Weergave resterend aantal kilometers
Door kort indrukken van knop (1) wordt bij ingeschakeld contact het aantal nog af te leggen kilometers tot de noodzakelijke servicebeurt weergegeven. De weergave is mogelijk bij niet-draaiende of draaiende motor alsmede tijdens het rijden met een snelheid tot 5 km/u.
Het resterend aantal kilometers wordt na telkens 500 km geactualiseerd.
Bij nieuwe wagens en na een uitgevoerde onderhoudsbeurt wordt de noodzakelijke servicebeurt binnen de eerste 500 km altijd met "SERVICE IN 15000 KM" op het display weergegeven.
Dit geldt ook voor wagens met "LongLife Service".
Is er een storing met prioriteit 1 (rood symbool), dan kan het aantal nog af te leggen kilometers tot aan de noodzakelijke servicebeurt niet worden opgevraagd.
Als het service-interval is verstreken, dan verschijnt er op het display na het inschakelen van het contact b.v. "SERVICE IN 2000 KM" resp. "SERVICE!". Na ca. 5 seconden schakelt het display over op de normale weergave.
Service-interval-indicatie terugzetten
De Audi-dealer die het onderhoud uitvoert stelt na het uitgevoerde onderhoud de weergave terug.
Als het onderhoud niet door een Audi-dealer wordt uitgevoerd, moet de weergave als volgt worden teruggezet:
- Contact uitschakelen.
- Knop (2) ingedrukt houden bij het inschakelen van het contact. Op het display verschijnt de tekst "SERVICE".
- Knop (1) zo lang indrukken, tot de tekst "SERVICE!" wordt teruggezet.
Aanwijzingen
- Indicatie niet tussen de onderhoudsintervallen in terugzetten, anders ontstaan verkeerde indicaties.
- Als de massakabel van de accu is losgemaakt, worden de waarden van de service-interval-indicatie niet gewist.
Controlelampjes

Elektronische motorvermogenregeling *1) EPC (Electronic Power Control)
Zodra het contact wordt ingeschakeld, gaat het controlelampje branden; als er geen storingen zijn moet het lampje na het starten van de motor weer uitgaan.
Als tijdens het rijden een storing in de motorregeling optreedt, dan gaat het controle-lampje branden. De gasklepbediening schakelt automatisch over op het noodprogramma, waarbij het motorvermogen wordt verlaagd. Men dient onmiddellijk naar een Audi-dealer te rijden.
Voorgloeisysteem
00
Bij koude motor gaat het controlelampje bij het inschakelen van het contact branden. De motor wordt voorgegloeid.
Nadat het lampje is uitgegaan, is het voorgloeien beeindigd. De motor direct starten; zie bladzijde 76.
Als de motor op bedrijfstemperatuur is resp. bij buitentemperaturen bo- ven +8 °C brandt het voorgloei-controle- lampje gedurende ca. een seconde – de mo- tor kan direct worden gestart.
Als het controlelampje bij koude motor niet gaat branden, kan er een storing in het voorgloeisysteem zijn; een vakman te hulp roepen.
Als tijdens het rijden een storing in de motorregeling optreedt, wordt dit door het knipperen van het controlelampje aangegeven. De motorregeling schakelt automatisch over op het noodprogramma, daarbij wordt het motorvermogen iets gereduceerd. Er dient onmiddellijk naar een Audi-dealer te worden gereden.
Stadslicht/rijverlichting
Het controlelampje brandt bij stads- en rijverlichting.
Economy-functie
ECO
Bij ingeschakelde economy-functie brandt in het instrumentenpaneel het groene ECO-controlelampje. In de economy-functie is een zeer laag brandstofverbruik mogelijk.
De economy-functie kan alleen in de keuze-hendelstand D worden in- en uitgeschakeld.
ASR/ESP-systeem
Het controlelampje voor aandrijfslipregeling (ASR)/elektronisch stabiliteitsprogramma (ESP) gaat bij het inschakelen van het contact branden en moet na ca. 2 seconden weer uitgaan.
Het lampje knippert tijdens het rijden als het ASR/ESP-systeem in werking is.
Bij uitgeschakelde ASR-functie of een systeemstoring brandt het controlelampje continu.
Aangezien het ASR/ESP in combinatie met het ABS werkt, brandt bij het uitvallen van het ABS ook het ASR/ESP-controlelampje.
Aanwijzing
Als het controlelampje meteen na het starten van de motor gaat branden, is het mogelijk dat het ESP door de uitschakelbeveiliging is uitgeschakeld.
Het systeem kan in dit geval weer worden ingeschakeld door het contact een keer uit en in te schakelen. Het controlelampje gaat uit, omdat het systeem weer bedrijfsklaar is.
Nadere aanwijzingen staan op bladzijde 111.
Elektronische wegrijblokkering

Bij het inschakelen van het contact worden automatisch de gegevens van de wagensleutel afgevraagd. Deze vergelijking van gegevens wordt door even branden van het controlelampje bevestigd.
Wanneer een niet-gecodeerde wagensleutel (b.v. valse sleutel) wordt gebruikt, gaat het controlelampje continu knipperen. De wagen kan dan niet in gebruik worden genomen. Zie ook bladzijde 12 en 11.
Grootlicht

Het controlelampje brandt bij ingeschakeld grootlicht of bij het grootlichtsignaal; zie bladzijde 112.

Knipperlichten
Het controlelampje knippert bij ingeschakelde knipperlichten. Als één knipperlicht defect is, is de knipperimpuls ongeveer tweemaal zo snel.
Nadere aanwijzingen staan op bladzijde 112.
Bij ingeschakelde alarmlichten knipperen beide controlelampjes.

Motorelektronica*
Het controlelampje geeft een storing in de motorelektronica aan. Onmiddellijk naar een Audi-dealer gaan en de storing laten verhelpen.

Airbagsysteem
AIRBAG
Het controlelampje voor het airbag- en gordelspansysteem moet na het inschakelen van het contact gaan branden en na enkele seconden uitgaan.
Bij uitgeschakelde airbag aan bijrijderszijde brandt het controlelampje eerst gedurende ongeveer 4 seconden continu en knippert dan gedurende ongeveer 15 seconden voordat het uitgaat. Hiermee wordt aangegeven, dat de airbag aan bijrijderszijde buiten werking is gesteld. Zie ook bladzijde 45.
Er is sprake van een storing in het systeem, als het controlelampje:
- bij het inschakelen van het contact niet gaat branden,
- na het inschakelen van het contact niet uitgaat,
- tijdens het rijden gaat branden.
De storing wordt door het continu branden van het controlelampje aangegeven.
Attentie
Als er een storing is, dient het systeem direct door een Audi-dealer te worden gecontroleerd. Anders bestaat het gevaar, dat de airbags en de gordelspanners bij een ongeluk niet worden geactiveerd.
Antiblokkeersysteem (ABS)

Het controlelampje dient als controle op het ABS.
ABS
De paraatheid van de wezenlijke elektrische onderdelen van het ABS wordt door een elektronisch controlesysteem vóór en tijdens het rijden gecontroleerd.
Het controlelampje gaat branden wanneer het contact wordt ingeschakeld en moet na ca. 2 seconden weer uitgaan.
Als het ABS-controlelampje niet uitgaat of tijdens het rijden gaat branden, is het systeem niet in orde. De wagen kan dan alleen met het normale remsysteem worden geremd.
Wanneer bij een storing in het ABS bovendien het remwaarschuwingslampje gaat branden (zie bladzijde 100), moet de onderstaande waarschuwingsaanwijzing in acht worden genomen.
Attentie
Door het uitvallen van de regelfunctie van het ABS kunnen bij het remmen de achterwielen relatief snel blokkeren. Dit kan onder bepaalde omstandigheden tot het uitbreken van de achterkant van de wagen leiden.
Voorzichtig naar de dichtstbijzijnde Audi-dealer rijden en de storing laten verhelpen.
Bij het uitvallen van het ABS brandt bij wagens met aandrijfslipregeling resp. elektronisch stabiliteitsprogramma ook het ASR/ESP-controlelampje. Nadere aanwijzingen staan op bladzijde 111 en 151 - 154.
Elektronisch sperdifferentieel (EDS)*
Het EDS werkt in combinatie met het ABS. Bij defect raken van het ABS is het EDS eveneens buiten werking.
BEDIENING
Handrem

Bij aangetrokken handrem en ingeschakeld contact gaat het controlelampje branden. Het moet uitgaan, als de handrem wordt losgezet.
Dynamo

Het controlelampje gaat bij het inschakelen van het contact branden. Het moet na het aanslaan van de motor uitgaan.
Gaat het lampje niet uit of gaat het branden tijdens het rijden, dan kan normaal gesproken tot de dichtstbijzijnde Audi-dealer worden verder gereden. Aangezien de accu dan voortdurend wordt ontladen, dienen alle niet beslist noodzakelijke elektrische verbruikers te worden uitgeschakeld.
Bij wagens met bestuurders-informatiesysteem is bovendien een controlelampje ter controle van de accuspanning aanwezig; zie bladzijde 102.
Waarschuwingssysteem veiligheidsgordels*

Het controlelampje gaat bij het inschakelen van het contact enkele seconden branden als herinnering dat de veiligheidsgordels moeten worden vastgegespt.
Waarschuwingssymbolen (standaarduitvoering)

Bij het inschakelen van het contact en tijdens het rijden wordt bij wagens zonder bestuurders-informatie-systeem de toestand van de onderstaande functies en delen van de wagen gecontroleerd.
Storingen resp. noodzakelijke service-handelingen worden door een geluidsignaal aangegeven en op grond van prioriteiten ingedeeld en door rode en gele lichtsymbolen in het instrumentenpaneel weergegeven.
Als de gecontroleerde functies in orde zijn, verschijnt aansluitend gedurende enkele seconden de tekst "OK" (zie afbeelding).
Rode symbolen (prioriteit 1)
Storing remsysteem

Koelvloeistofpeil/koelvloeistof-temperatuur te laag/te hoog

Motoroliedruk te laag

Bij het verschijnen van een rood knipperend symbool klinkt driemaal een waarschuwingssignaal. Deze symbolen duiden een gevaar aan. Stoppen, motor afzetten, de defecte functie controleren en de storing verhelpen. Zo nodig een vakman te hulp roepen.
Als er verschillende storingen met prioriteit 1 voorkomen, verschijnen de symbolen achter elkaar en zijn telkens gedurende ca. 2 seconden te zien. De symbolen blijven knipperen totdat de storing is verholpen.
Gele symbolen (prioriteit 2)
Brandstofvoorraad laag

Remvoering versleten

Storing stuurbekrachtiging*

Motoroliepeil controleren*

Motoroliesensor defect*

Bij het verschijnen van een geel symbool klinkt een waarschuwingssignaal. De symbolen duiden op een waarschuwing. De weergegeven functie dient zo snel mogelijk te worden gecontroleerd. Als er tegelijkertijd verschillende waarschuwingen zijn, verschijnen de symbolen achter elkaar en zijn telkens gedurende ca. 2 seconden te zien.
Portier-/achterklep-waarschuwing

Het symbool op het digitale display geeft bij ingeschakeld contact aan, of de portieren en de achterklep geopend zijn. Als een van de portieren is geopend, dan wordt dit aangegeven door het geopende bestuurdersportier in het pictogram. De in het symbool weergegeven bagageruimte knippert bij geopende achterklep.
Zodra alle portieren en de achterklep volledig worden gesloten gaat de portierwaarschuwing uit.
Remsysteem
(①)
Het waarschuwingssymbool knippert bij een te laag remvloeistofpeil of bij een storing in het ABS.
Wagen stoppen, remvloeistofpeil controleren.
Als de remvloeistof in het reservoir onder de "min"-markering is gedaald, kan nog voorzichtig naar de dichtstbijzijnde Audi-dealer worden verder gereden. Tekort aan remvloeistof bijvullen en de reden van het verlies laten vaststellen. Bij uitval van het ABS vervalt de remkrachtregeling voor de achteras. Daarom hebben de achterwielen eerder de neiging om te blokkeren.
Attentie
- Is het remvloeistofpeil in het reservoir te laag en heeft het rempedaal gelijktijdig een grotere vrije slag, dan kan één van de beide remcircuits zijn uitgevallen.
Er kan dan nog voorzichtig naar de dichtstbijzijnde Audi-dealer worden gereden, maar u moet rekening houden met grotere pedaalkrachten en een langere remweg.
- Als het remvloeistofpeil in orde is, kan de storing door het ABS zijn veroorzaakt. Door het uitvallen van de regelfunctie van het ABS kunnen bij het remmen de achterwielen relatief snel blokkeren. Dit kan onder bepaalde omstandigheden tot het uitbreken van de achterkant van de wagen leiden.
Voorzichtig naar de dichtstbijzijnde Audi-dealer rijden en de storing laten verhelpen.
Koelvloeistoftemperatuur/koelvloeistofpeil

Als het waarschuwingssymbool tijdens het rijden gaat knipperen, dan is de koelvloeistoftemperatuur te hoog of het koelvloeistofpeil te laag.
Stoppen, motor afzetten en koelvloeistofpeil controleren. Zo nodig antivries/water bijvullen.
Attentie
- Voorzichtig bij het openen van het koelvloeistofreservoir! Bij een hete motor staat het koelsysteem onder druk, gevaar voor verbranding! Vóór het losdraaien van de vuldop de motor laten afkoelen.
- Niet in de ventilator grijpen!
Nadere aanwijzingen; zie bladzijde 179.
Wanneer het koelvloeistofpeil in orde is, kan de storing door het uitvallen van de koelluchtventilator zijn veroorzaakt.
Gaat het controlelampje niet uit, dan mag u niet verder rijden - deskundige hulp inschakelen.
Motoroliedruk

Als dit waarschuwingssymbool gaat knipperen, motor afzetten, oliepeil controleren en zo nodig olie bijvullen; zie bladzijde 177.
Als het symbool knippert, ofschoon het oliepeil in orde is, niet verder rijden. De motor mag dan ook niet stationair draaien; een vakman te hulp roepen.
Aanwijzing
Het waarschuwingssymbool voor oliedruk is geen controlelampje voor het oliepeil!
Daarom dient het oliepeil op gezette tijden, bij voorkeur elke keer bij het tanken, te worden gecontroleerd.
Brandstofvoorraad laag

Onmiddellijk tanken. Zie bij "Tanken" op bladzijde 163.
Remvoering vóór versleten

Een Audi-dealer opzoeken om de remblokken voor en veiligheidshalve ook de remvoeringen achter te laten controleren.
Elektrohydraulische stuurbekrachtiging*

Het controlelampje gaat bij een defect in het elektrische systeem branden.
Als waarschuwing klinkt een akoestisch signaal (1 pieptoon).
Een Audi-dealer opzoeken.
Aanwijzing
Bij een storing kan de wagen echter normaal worden gestuurd. Hiervoor moet echter meer kracht worden uitgeoefend.
Motoroliepeil controleren*
Verschijnt dit symbool, dan moet zo snel mogelijk het oliepeil worden gecontroleerd en olie worden bijgevuld - zie bladzijde 176.

Motoroliesensor defect* SENSOR
Audi-dealer opzoeken en oliepeilsensor laten controleren.
Buitentemperatuurmeter (standaarduitvoering)

De buitentemperatuur wordt bij ingeschakeld contact aangegeven.
Bij temperaturen van +5 °C tot -5 °C verschijnt vóór de temperatuur een ijskristal.
Door het gaan branden van het kristalsymbool wordt de bestuurder eraan herinnerd bijzonder goed op te passen voor eventueel gladde wegen.
Bij stilstaande wagen of bij zeer lage rijsnelheid kan de aangegeven temperatuur door de uitgestraalde warmte van de motor iets hoger zijn dan de werkelijke buitentemperatuur.
Als bij wagens met airconditioning het display naar °F wordt omgeschakeld, wordt de buitentemperatuurmeter automatisch op °F gezet; zie bladzijde 122.
Bestuurders-informatie-systeem*

Display
Op het display van het bestuurders-informatie-systeem worden de volgende functies weergegeven:
Bladzijde
Portier-/achterklepwaarschuwing ..... 95
Radiofrequentie-aanduiding 95
Buitentemperatuurmeter 96
Auto-Check-Control 97
Geluidssignaal bij overschrijden van ingestelde snelheid 103
Check Control 105

Navigatiegegevens* (voor bediening zie apart instructieboekje).

Door het herhaald aantippen van de "Reset"-knop worden achtereenvolgens de volgende functies gekozen:
- buitentemperatuur/boordcomputer/Auto-Check-Control of
- weergave voor navigatiesysteem*
- display uit
Storingsmeldingen van het Auto-Check-Control verschijnen ook bij uitgeschakeld display.
Het navigatiesysteem kan alleen bij ingeschakeld display worden bediend.
Portier-/achterklepwaarschuwing 1)

Het symbool op het digitale display geeft bij ingeschakeld contact aan, of de portieren en de achterklep geopend zijn. In de afbeelding zijn bijvoorbeeld het bijrijdersportier en het linker achterportier alsmede de achterklep niet gesloten. De in het pictogram weergegeven bagageruimte knippert bij geopende klep.
Zodra alle portieren en de achterklep volledig worden gesloten, gaat de portierwaarschuwing uit en de gekozen functies van het bestuurders-informatie-systeem worden weergegeven.
Radiodisplay1)
Als door het Auto-Check-Control geen storingen met prioriteit 2 worden weergegeven, dan wordt - afhankelijk van de uitvoering van de radio - bij ingeschakelde radio nadat de weergave "OK" is uitgegaan, de gekozen zendernaam resp. de radiofrequentie met aanvullende informatie weergegeven.
Deze weergaven zijn een aanvulling op het radiodisplay.
Buitentemperatuurmeter 1)

De buitentemperatuur wordt bij ingeschakeld contact aangegeven.
Bij temperaturen van +5 °C tot -5 °C verschijnt vóór de temperatuur een ijskristal.
Door het gaan branden van het kristalsymbool wordt de bestuurder eraan herinnerd bijzonder goed op te passen voor eventueel gladde wegen.
Bij stilstaande wagen of bij zeer lage rijsnelheid kan de aangegeven temperatuur door de uitgestraalde warmte van de motor iets hoger zijn dan de werkelijke buitentemperatuur.
Als bij wagens met airconditioning het display naar °F wordt omgeschakeld, wordt de buitentemperatuurmeter automatisch op °F gezet; zie bladzijde 122.
Auto-Check-Control 1)
Het Auto-Check-Control controleert bij ingeschakeld contact en tijdens het rijden voortdurend bepaalde functies en de toestand van bepaalde delen van de wagen.
Storingen resp. dringend uit te voeren reparatiewerkzaamheden of servicemaatregelen worden akoestisch gesignaleerd en, volgens prioriteit ingedeeld, door rode en gele lichtsymbolen in het instrumentenpaneel weergegeven. Daarnaast kunnen er als extra ondersteuning voor de bestuurder bij de rode symbolen aanwijzingen voor de bestuurder op het display verschijnen.
De volgende storingen of waarschuwingen kunnen worden aangegeven:

Rode symbolen (prioriteit 1)
Storing remsysteem
Koelvloeistofpeil/koelvloeistof- temperatuur te laag/te hoog
Motoroliedruk te laag



Bij het verschijnen van een rood knipperend symbool klinkt driemaal een waarschuwingssignaal. Deze symbolen duiden een gevaar aan. Stoppen, motor afzetten, de defecte functie controleren en de storing verhelpen. Zo nodig een vakman te hulp roepen.
Als er verschillende storingen met prioriteit 1 voorkomen, verschijnen de symbolen achter elkaar en zijn telkens gedurende ca. 2 seconden te zien. De symbolen blijven knipperen totdat de storing is verholpen.
Aanwijzing
Als bij het optreden van de storing het navigatiesysteem* actief is, dan wordt de weergave van het navigatiesysteem gedurende enkele seconden onderdrukt door het waarschuwingssymbool van prioriteit 1. Daarna gaat het symbool naar boven naar het displayveld van prioriteit 2 en wordt de weergave van het navigatiesysteem weer zichtbaar.
Zolang de storing met prioriteit 1 aanwezig is, worden storingen met prioriteit 2 niet weergegeven.
BEDIENING

Gele symbolen (prioriteit 2)
Remlicht defect 1

1) Afhankelijk van de uitvoering voor de verschillende landen een symbool of tekst.
Brandstofvoorraad laag
Accuspanning te laag/te hoog
Storing stuurbekrachtiging*
Motoroliepeil controleren*
Motoroliesensor defect*
Snelheidssignaal






Bij het verschijnen van een geel symbool klinkt een waarschuwingssignaal. De symbolen duiden op een waarschuwing. De weergegeven functie dient zo snel mogelijk te worden gecontroleerd. Als er tegelijkertijd verschillende waarschuwingen zijn, verschijnen de symbolen achter elkaar en zijn telkens gedurende ca. 2 seconden te zien.

Werking controleren
Na het inschakelen van het contact voert het Auto-Check-Control automatisch een controle van de werking uit.
Wanneer de door het Auto-Check-Control gecontroleerde functies in orde zijn, verschijnt gedurende enkele seconden de tekst "OK".
Als er storingen voorkomen, worden deze na het inschakelen van het contact in plaats van "OK" weergegeven. Tegelijkertijd klinkt het bijbehorende akoestische waarschuwingssignaal (bij tegelijkertijd voorkomen van storingen van prioriteit 1 en 2 drie waarschuwingstonen).
Als er geen "OK" of een storing-indicatie op het display verschijnt, moet het Auto-Check-Control worden gecontroleerd.
Storingsindicaties en maatregelen
Als er in de door het Auto-Check-Control gecontroleerde functies storingen optreden, treedt het akoestische waarschuwingssignaal in werking. Tegelijkertijd kunnen de volgende symbolen gaan branden:
Remsysteem (!)
Het waarschuwingssymbool knippert bij te laag remvloeistofpeil of bij een storing in het ABS.
Wagen stoppen, remvloeistofpeil controleren.
Als de remvloeistof in het reservoir onder de "min"-markering is gedaald, kan nog voorzichtig naar de dichtstbijzijnde Audi-dealer worden verder gereden. Tekort aan remvloeistof bijvullen en de reden van het verlies laten vaststellen. Bij uitval van het ABS vervalt de remkrachtregeling voor de achteras. Daarom hebben de achterwielen eerder de neiging om te blokkeren.
Attentie
- Is het remvloeistofpeil in het reservoir te laag en heeft het rempedaal gelijktijdig een grotere vrije slag, dan kan één van de beide remcircuits zijn uitgevallen.
Er kan dan nog voorzichtig naar de dichtstbijzijnde Audi-dealer worden gereden, maar u moet rekening houden met grotere pedaalkrachten en een langere remweg.
- Als het remvloeistofpeil in orde is, kan de storing door het ABS zijn veroorzaakt. Door het uitvallen van de regelfunctie van het ABS kunnen bij het remmen de achterwielen relatief snel blokkeren. Dit kan onder bepaalde omstandigheden tot het uitbreken van de achterkant van de wagen leiden.
Voorzichtig naar de dichtstbijzijnde Audi-dealer rijden en de storing laten verhelpen.
Koelvloeistoftemperatuur/koelvloeistofpeil
Als het waarschuwingssymbool tijdens het rijden gaat knipperen, dan is de koelvloeistoftemperatuur te hoog of het koelvloeistofpeil te laag.
Stoppen, motor afzetten en koelvloeistofpeil controleren. Zo nodig antivries/water bijvullen.
Attentie
- Voorzichtig bij het openen van het koelvloeistofreservoir! Bij een hete motor staat het koelsysteem onder druk, gevaar voor verbranding! Vóór het losdraaien van de vuldop de motor laten afkoelen.
- Niet in de ventilator grijpen!
Nadere aanwijzingen; zie bladzijde 179.
Wanneer het koelvloeistofpeil in orde is, kan de storing door het uitvallen van de koelluchtventilator zijn veroorzaakt.
Als het controlelampje niet uitgaat, mag er niet verder worden gereden; een vakman te hulp roepen.
Motoroliedruk

Als dit waarschuwingssymbool gaat knipperen, motor afzetten, oliepeil controleren en zo nodig olie bijvullen; zie bladzijde 177.
Als het symbool knippert, ofschoon het oliepeil in orde is, niet verder rijden. De motor mag dan ook niet stationair draaien; een vakman te hulp roepen.
Aanwijzing
Het waarschuwingssymbool voor oliedruk is geen controlelampje voor het oliepeil!
Daarom dient het oliepeil op gezette tijden, bij voorkeur elke keer bij het tanken, te worden gecontroleerd.
Wanneer de tekst resp. het symbool verschijnt, moeten
- de lampjes van de remlichten,
- de zekeringen,
- kabelverbindingen,
- remlichtschakelaar (alleen bij klachten tijdens controle van de werking)
worden gecontroleerd en zo nodig worden vervangen resp. door een Audi-dealer worden gerepareerd.
Lampje van dim- resp. achterlicht defect

De storing kan zijn veroorzaakt door:
- defecte gloeilampen,
- defecte zekeringen en
- de kabelverbindingen.
Defecte gloeilampen/zekeringen vervangen resp. Audi-dealer opzoeken.
De functie lampje van dim- resp. achterlicht defect wordt alleen bij ingeschakelde verlichting gecontroleerd.
BEDIENING
Ruiten-/koplampsproeier-vloeistof

Sproeiervloeistof voor de ruitensproeier- en koplampsproeiers* bijvullen; zie bladzijde 186.
Brandstofvoorraad laag

Onmiddellijk tanken. Zie bij "Tanken" op bladzijde 163.
Accuspanning te hoog/te laag

Audi-dealer opzoeken en spanning van V-riem, spanningsregelaar, resp. toestand van de accu laten controleren.
Controlelampje voor dynamo; zie bladzijde 88.
Motoroliepeil controleren*

Verschijnt dit symbool, dan moet zo snel mogelijk het oliepeil worden gecontroleerd en olie worden bijgevuld - zie bladzijde 176.
Motoroliesensor defect*

Audi-dealer opzoeken en oliepeilsensor laten controleren.
Snelheidssignaal

- Zie bladzijde 103.
Snelheidssignaal 1)

Het systeem van het snelheidssignaal biedt de mogelijkheid om een snelheid in het geheugen op te slaan, die niet mag worden overschreden. Zodra de rijsnelheid de ingestelde snelheid met ca. 10 km/u overschrijdt, wordt er een geluidsignaal hoorbaar. Tegelijkertijd verschijnt in het display het waarschuwingssymbool "km/h".
Aanwijzing
Onafhankelijk van het snelheidssignaal dient te allen tijde de wettelijk toegestane maximumsnelheid aan de hand van de snelheidsmeters te worden gecontroleerd.
Onderstaand wordt beschreven hoe de snelheden voor de waarschuwingsdrempels 1 en 2 worden opgeslagen en uitgewist.
Waarschuwingsdrempel 1

Het waarschuwingssymbool gaat uit, als de rijsnelheid tot onder de opgeslagen snelheid wordt verlaagd. Het symbool verdwijnt ook, wanneer de rijsnelheid gedurende ten minste 10 seconden met ongeveer 40 km/u boven de waarschuwingsdrempel wordt verhoogd. De opgeslagen snelheid wordt daarbij echter niet uitgewist.
Snelheid instellen
Testknop voor het Auto-Check-Control kort indrukken op het moment, dat op de snelheidsmeter de gewenste snelheid verschijnt. Het opslaan wordt bij het loslaten van de knop door het gaan branden van het betreffende symbool bevestigd.
De snelheid blijft zo lang opgeslagen, tot door opnieuw indrukken van de knop een andere snelheid wordt ingesteld of het geheugen wordt uitgewist.

Snelheidsinstelling uitwissen
Bij snelheden boven 5 km/u de testknop langer dan 1 seconde indrukken. Het uitwissen wordt bevestigd doordat het waarschuwingssymbool met een streep erdoor op het display verschijnt.
Bij het uitschakelen van het contact wordt het geheugen automatisch uitgewist.
Waarschuwingsdrempel 2 (km/h) 2
Bij uitgeschakeld contact kan de bestuurder een permanente waarschuwingsdrempel in het instrumentenpaneel opslaan.
De waarschuwing wordt op het display weergegeven. Het waarschuwingssymbool verdwijnt in tegenstelling tot waarschuwingsdrempel 1 alleen, wanneer de rijsnelheid weer tot onder de opgeslagen waarde wordt verlaagd.
Het opslaan van deze waarschuwing is aan te bevelen, wanneer de bestuurder in aanvulling op waarschuwingsdrempel 1 altijd aan een bepaalde snelheid wil worden herinnerd. (Bijvoorbeeld bij het rijden in een land met een snelheidsbeperking, topsnelheid bij geplaatste winterbanden enz.)
Snelheid instellen
- Bij uitgeschakeld contact testknop kort indrukken. De kilometerteller-weergave wordt weer ingeschakeld.
- Testknop opnieuw ten minste 2 seconden indrukken. Op het display verschijnt de huidige waarschuwingsdrempel.

- Voor het wijzigen van de snelheid de functiekeuzeschakelaar -pijl- voor de boordcomputer boven resp. onder indrukken. De waarden gaan dan in stappen van 10 km/u omhoog resp. omlaag.
- Enkele seconden na deze instelling wordt de displayverlichting weer uitgeschakeld.
De snelheid blijft zo lang opgeslagen, tot door opnieuw indrukken van de knop een andere snelheid wordt ingesteld of het geheugen wordt uitgewist.
Snelheidsinstelling uitwissen
Bij uitgeschakeld contact testknop kort indrukken. De displayverlichting wordt ingeschakeld. Testknop opnieuw gedurende ten minste 2 seconden indrukken - de momenteel opgeslagen snelheid wordt weergegeven. Vervolgens de terugzetknop van de boordcomputer zolang indrukken, totdat het waarschuwingssymbool met een streep erdoor verschijnt.
Boordcomputer 1)

Schakelaar
De functiekeuzeschakelaar (A) en de terugzetknop (B) ("reset"-knop) zitten in de greep van de ruitenwisserhendel.
Door herhaald indrukken van het bovenste resp. onderste gedeelte van de functiekeuzeschakelaar (A) worden bij ingeschakeld contact de functies één voor één weergegeven.
Met de functiekeuzeschakelaar wordt bovendien waarschuwingsdrempel 2 opgeslagen. Zie bladzijde 104.
Door de "resetknop" in te drukken (ten minste 1 seconde) kunnen de geheugenwaarden "rijtijd, gemiddeld brandstofverbruik en gemiddelde rijsnelheid" op nul worden teruggezet. Bovendien kan het rijtijdalarm (zie volgende bladzijde) door kort indrukken van de knop worden onderbroken.
Door aantippen van de "Reset"-knop kan men zo nodig het digitale display in het instrumentenpaneel uit- en inschakelen; zie bladzijde 77.
Bij het inschakelen van het contact wordt die indicatie ingeschakeld, die vóór het uitschakelen van het contact was gekozen.
Als de accu wordt losgenomen, worden alle gegevens in het geheugen uitgewist.
Display
De boordcomputer biedt 5 verschillende soorten informatie:
- huidig verbruik
- actieradius
- rijtijd (max. indicatie 23:59) • gemiddeld brandstofverbruik • gemiddelde rijsnelheid
I/100 km - Momenteel verbruik
Aangegeven wordt het actuele verbruik in l/100 km.
De berekening van het verbruik vindt plaats in afstanden van 30 meter. Bij stilstaande wagen wordt de laatst weergegeven waarde opgeslagen.
Als na het starten van de motor het momentele verbruik wordt gekozen, wordt op de eerste 30-40 meters rij-afstand het gemiddelde verbruik weergegeven.
Met behulp van deze weergave kan het rijgedrag aan het gewenste verbruik worden aangepast.
km - Actieradius
De actieradius wordt in sprongen van 10 km aangegeven. Hiermee wordt aangegeven hoeveel kilometer de wagen bij de huidige brandstofvoorraad en bij dezelfde rijstijl nog kan afleggen.
Bij de berekening van de actieradius wordt uitgegaan van het verbruik van de laatste 30 km. Als men zuiniger rijdt, wordt de actieradius groter.
h - Rijtijd
Aangegeven wordt de rijtijd, die sinds het laatste uitwissen van het geheugen verstreken is. Bij uitgeschakeld contact blijft de rijtijdwaarde in het geheugen. Als de reis wordt voortgezet, wordt de nieuw erbij gekomen rijtijd erbij opgeteld.
De maximale indicatie is 23 uur en 59 minuten.
Als de rijtijd vanaf een bepaald tijdstip moet worden geteld, moet het geheugen door indrukken van de terugzetknop worden uitgewist.
Rijtijdalarm
Na 2 uur rijden wordt vanuit elke functie automatisch naar de indicatie "Rijtijd" omgeschakeld. Tegelijkertijd wordt de bestuurder er door de knipperende indicatie "2:00" aan herinnerd, een pauze te nemen.
Door kort op de boven- of onderkant van de functiekeuzeschakelaar te drukken of de terugzetknop in te drukken kan het rijtijdalarm worden afgezet. Als het contact ingeschakeld blijft of de pauze minder dan 10 minuten duurt, werkt telkens na 2 verdere uren het rijtijdalarm opnieuw en wordt de rijtijdwaarde van 4:00, 6:00 enz. aangegeven. Bij een pauze van meer dan 10 minuten met uitgeschakeld contact wordt het rijtijdalarm-geheugen uitgewist.
∅ l/100 km - Gemiddeld brandstofverbruik
Aangegeven wordt het gemiddelde brandstofverbruik sinds het laatste uitwissen van het geheugen, niet het verbruik op het moment van aflezen.
Bij uitgeschakeld contact blijft de gemiddelde verbruikswaarde in het geheugen. Als de reis wordt voortgezet, worden de nieuw erbij gekomen waarden in de berekening opgenomen.
Als het geheugen moet worden uitgewist, moet de terugzetknop worden ingedrukt. Na het uitwissen wordt gedurende de eerste 30 meter "0" aangegeven.
∅ km/h - Gemiddelde rijsnelheid
Aangegeven wordt de gemiddelde snelheid, die sinds het laatste uitwissen van het geheugen werd bereikt. Bij uitgeschakeld contact blijft deze waarde in het geheugen. Als de reis wordt voortgezet, worden de nieuw erbij gekomen waarden in de berekening opgenomen.
Als het geheugen moet worden uitgewist, moet de terugzetknop worden ingedrukt.

De verbruikswaarden, de actieradius en de rijsnelheid worden volgens het metrische stelsel resp. bij uitvoeringen voor bepaalde landen volgens het Engelse stelsel weergegeven (l/100 km - mpg, km - mi, km/u - mph).
Op de afbeelding wordt bij wijze van voorbeeld de keuze van het momenteel verbruik weergegeven.
Schakelaars

1 - Instrumentenverlichting

Bij het inschakelen van het contact kan de basishelderheid van de displays in het instrumentenpaneel en in de middenconsole traploos worden geregeld door het kartelwieltje (1) te draaien.
De gekozen basishelderheid van de displays wordt automatisch aan de omgevingshelderheid aangepast.
Bovendien kan bij ingeschakelde verlichting de helderheid van de instrumenten, de displays en de verlichting in de middenconsole traploos worden geregeld door het kartelwieltje (1) te draaien.
2 - Lichtbundelhoogteverstelling
Met de elektrische lichtbundelhoogteverstelling kunnen de koplampen door draaien van het kartelwieltje traploos aan de beladingstoestand van de wagen worden aangepast.
Hierdoor wordt voorkomen dat tegenliggers worden verblind. Gelijktijdig wordt door de juiste afstelling van de koplampen het zicht voor de bestuurder optimaal.
De koplampen kunnen alleen bij ingeschakeld dimlicht worden versteld.
De afstelstanden komen ongeveer met de volgende wagenbelading overeen:
0 - Wagen met voorstoelen bezet, bagageruimte leeg
I - Wagen helemaal bezet, bagageruimte leeg
II - Wagen helemaal bezet, bagageruimte beladen
III - Bestuurdersstoel bezet, bagageruimte beladen

Algemene aanwijzing
Bij wagens met rechts stuur wijkt de plaatsing van de schakelaars af. De symbolen op de schakelaars komen echter overeen met die van wagens met links stuur.
3 - Lichtschakelaar
O - verlichting uit1)
300 - stadslicht
≡D - dim- of grootlicht
Door het uittrekken van de schakelaar in de stand stadslicht resp. dim- of grootlicht kunnen de mistlampen resp. kan het mistachterlicht worden ingeschakeld.
De koplampen branden alleen bij ingeschakeld contact. Tijdens het starten en na het uitschakelen van het contact wordt automatisch op stadslicht overgeschakeld.
Omschakelen van groot- naar dimlicht of omgekeerd en grootlichtsignaal; zie bladzijde 112.
Aanwijzing
Wanneer de verlichting niet wordt uitgeschakeld, nadat de sleutel uit het contact is getrokken, klinkt een zoemer, zolang het bestuurdersportier geopend is.


Mistlampen*

De schakelaar mag niet in de stand van het mistlampsymbool worden gezet.
Lichtschakelaar (3) in de stand stadslicht of dim-/grootlicht tot de 1e stand uittrekken.
Het mistlampsymbool naast de schakelaar gaat branden.
De mistlampen worden bij grootlicht automatisch uitgeschakeld.
Mistachterlicht

De schakelaar mag niet in de stand van het mistachterlichtsymbool worden gezet.
Wagens zonder mistlampen
Lichtschakelaar (3) in de stand dim-/grootlicht draaien en dan tot de 1e stand uittrekken.
Het mistachterlichtsymbool naast de schakelaar gaat branden.
Wagens met mistlampen
Lichtschakelaar (3) in de stand stadslicht of dim-/grootlicht tot de 2e stand uittrekken.
De symbolen voor mistlampen en mistachterlicht naast de schakelaar gaan branden.
Vanwege het sterk verblindende effect mag het mistachterlicht alleen bij gering zicht (b.v. in Nederland minder dan 50 m; in België 100 m) worden ingeschakeld.

1 - Alarmlichten
Bij ingeschakelde alarmlichten knippert in de schakelaar een controlelampje mee.
Bovendien knipperen de beide pijlen van de richtingaanwijzer in het instrumentenpaneel.
Het systeem werkt ook bij uitgeschakeld contact.
Bij een ongeluk met activering van de airbags worden de alarmlichten automatisch ingeschakeld.
De verwarming werkt alleen bij ingeschakeld contact. Zolang de verwarming is ingeschakeld, brandt in de schakelaar een controlelampje.
De achterruitverwarming schakelt na ca. 10 minuten automatisch uit.
Als het zicht door de achterruit eerder vrij is, is het aan te bevelen de achterruitverwarming handmatig uit te schakelen. Het verminderde stroomverbruik heeft een gunstig effect op het brandstofverbruik; zie ook bladzijde 147.
3 - Stoelverwarming (bijrijder)
Zitting en rugleuning kunnen bij ingeschakeld contact elektrisch worden verwarmd. Met het kartelwieltje kan de verwarming ingeschakeld en traploos worden geregeld.
Om de verwarming in te schakelen, het overeenkomstige kartelwieltje vanuit de stand "0" naar boven in het gewenste temperatuurgebied (1-6) draaien. Bij ingeschakelde verwarming is het getal van het betreffende kartelwieltje verlicht.
Aanwijzing
Om te voorkomen dat de verwarmingselementen worden beschadigd, niet met de knieën op de zitting drukken of de zittingen over een klein oppervlak belasten.

4 - ASR/ESP-systeem
Het ASR/ESP-systeem wordt bij het starten van de motor automatisch ingeschakeld. De ASR-functie kan zo nodig door het aan- tippen van de toets worden uit- en inges- schakeld.
Bij uitgeschakeld systeem brandt een controlelampje. Zie bladzijde 85.
Nadere aanwijzingen staan op bladzijde 153 en 154.
5 - Stoelverwarming bestuurder*
Zitting en rugleuning kunnen bij ingeschakeld contact elektrisch worden verwarmd. Met het kartelwieltje kan de verwarming ingeschakeld en traploos worden geregeld.
Om de verwarming in te schakelen, het overeenkomstige kartelwieltje vanuit de stand "0" naar boven in het gewenste temperatuurgebied (1 - 6) draaien. Bij ingeschakelde verwarming is het getal van het betreffende kartelwieltje verlicht.
Aanwijzing
Om te voorkomen dat de verwarmingselementen worden beschadigd, niet met de knieën op de zitting drukken of de zittingen over een klein oppervlak belasten.
Knipperlicht- en grootlicht-/dimhendel

Knipperlichten
De knipperlichten werken alleen bij ingeschakeld contact.
Rechter knipperlichten – hendel omhoog
Linker knipperlichten – hendel omlaag
Bij ingeschakelde knipperlichten knippert het controlelampje; zie ook bladzijde 86.
Na de bocht worden de knipperlichten automatisch uitgeschakeld.
Knipperen voor het wisselen van rijstrook
Hendel niet verder dan het drukpunt omhoog- of omlaagdrukken, het controle-lampje moet meeknipperen.
Grootlicht/dimlicht
Grootlicht - hendel naar voren
Dimlicht – hendel in middenstand
Grootlichtsignaal
Hendel niet verder dan het drukpunt naar het stuurwiel toe trekken, het grootlicht-controlelampje brandt.
Parkeerlichtschakeling
Het parkeerlicht werkt alleen bij uitgeschakeld contact.
Parkeerlicht rechts – hendel omhoog
Parkeerlicht links – hendel omlaag
Aanwijzing
Wanneer de verlichting niet wordt uitgeschakeld, nadat de sleutel uit het contact is getrokken, klinkt een zoemer, zolang het bestuurdersportier geopend is.
Snelheidsregelsysteem*
Met dit regelsysteem kan, zover het motorvermogen resp. de afremming van de motor het toelaat, elke gewenste snelheid vanaf ca. 40 km/u constant worden gehouden. Hierdoor wordt de rechter voet, vooral op lange trajecten, ontlast.
Houd er rekening mee dat bij bergachtige trajecten het snelheidsregelsysteem zijn natuurkundige grenzen kent. Bij het rijden van bergachtige trajecten kan de wagen tijdens de deceleratiefase soms versnellen, zodat de gekozen snelheid niet door het systeem constant kan worden gehouden.
Attentie
Het snelheidsregelsysteem mag niet bij druk verkeer of op slechte wegen (b.v. gladheid, aquaplaning, grind) worden gebruikt.
Bij snelheden boven ca. 40 km/u en ingeschakeld snelheidsregelsysteem niet zonder het koppelingspedaal in te trappen in de vrij schakelen! De motor wordt dan op hoge toeren gejaagd en kan daardoor eventueel worden beschadigd!
Het regelsysteem wordt met schakelaar A en knop B aan de knipperlicht- en dimlicht-hendel bediend.

Inschakelen
Ingeschakeld wordt het regelsysteem door schakelaar A naar EIN te schuiven.
Snelheid fixeren
Zodra na het inschakelen de vast te houden snelheid is bereikt, kort op knop B (FIX) drukken. De snelheid wordt vastgelegd.
Als de snelheid na het vastleggen moet worden verhoogd, kan het gaspedaal naar wens worden bediend. Na het loslaten van het gaspedaal brengt de regeling de wagen weer naar de voorheen gefixeerde snelheid terug.
BEDIENING
Dit is echter niet het geval, wanneer de opgeslagen snelheid gedurende meer dan 5 minuten met meer dan 10 km/u wordt overschreden. De snelheid moet dan opnieuw worden gefixeerd.
Snelheid wijzigen
Verlagen/fixeren
De gefixeerde snelheid kan door indrukken van knop B worden verlaagd.
Door de drukknop even aan te raken, wordt de snelheid elke keer met 1,5 km/u verlaagd. Als de knop ingedrukt wordt gehouden, wordt de snelheid verlaagd doordat het gaspedaal automatisch omhoog gaat. De bij het loslaten van de knop geldende snelheid wordt opgeslagen.
Als de knop wordt losgelaten bij een snelheid van minder dan ca. 40 km/u, wordt het geheugen uitgewist. De snelheid moet dan zo nodig na accelereren tot boven 40 km/u opnieuw met drukknop B in het geheugen worden opgeslagen.
Verhogen/fixeren
De gefixeerde snelheid kan door het indrukken van de schakelaar A in AUFN zonder het gaspedaal in te trappen worden verhoogd.
Door even de schuifschakelaar aan te tippen wordt de snelheid telkens met 1,5 km/u verhoogd. Wordt de schakelaar ingedrukt gehouden, dan wordt de snelheid door automatisch gas te geven verhoogd. De bij het loslaten van de schakelaar geldende snelheid wordt opgeslagen.
Regelsysteem tijdelijk uitschakelen
Tijdelijk uitgeschakeld wordt de regeling door het intrappen van het rem- of koppelingspedaal of de schuifschakelaar A op AUS te schuiven (niet vergrendeld).
De op dat moment gefixeerde snelheid blijft in het geheugen.
Om de voorheen gefixeerde snelheid opnieuw te activeren (AUFN) moet na het loslaten van het rem- of koppelingspedaal schakelaar A tot de aanslag naar links worden geschoven.
Als bij het tijdelijk uitschakelen geen snelheid opgeslagen was, kan met de schakelaar A een nieuwe snelheid als volgt worden opgeslagen:
Bij benzinemotoren schakelaar A even tegen de linker aanslag schuiven, vervolgens opnieuw naar links schuiven en zo lang vasthouden tot de gewenste snelheid is bereikt.
Bij dieselmotoren is het voldoende om schakelaar A tot de aanslag naar links te drukken en zo lang vast te houden tot de gewenste snelheid is bereikt. Door het loslaten van de schakelaar wordt de snelheid opgeslagen.
Attentie
De gefixeerde snelheid mag alleen worden herhaald, als deze niet te hoog is voor de verkeersomstandigheden op dat moment.
Regelsysteem volledig uitschakelen
Volledig uitgeschakeld wordt de regeling door de schakelaar A tot aan de aanslag naar rechts (AUS vergrendeld) of, bij stilstaande wagen, door het uitschakelen van het contact.
Ruitenwisser en ruitensproeier

Ruitenwisser en ruitensproeier werken alleen bij ingeschakeld contact.
Bij bevroren ruiten, alvorens de ruitenwisser voor de eerste keer in te schakelen, controleren of het wisserblad niet is vastgevroren!
De ruitensproeier wordt bij ingeschakeld contact verwarmd*.
1 - Tipwissen
0 - Uit
2 - Interval-wissen
Met de schakelaar (A) kan het interval in stappen worden gewijzigd.
De wispauzes worden in de afzonderlijke standen bovendien afhankelijk van de snelheid geregeld.
3 - Wissers langzaam
4 - Wissers snel
5 - Wis-sproei-automaat
Hendel naar het stuurwiel toe trekken - de wissers en sproeiers werken.
Wanneer de hendel langer dan ca. 1 seconde in de stand wordt vastgehouden, worden bij ingeschakelde verlichting ook de koplampsproeiers* geactiveerd.
Hendel loslaten -
de sproeier stopt en de wisser werkt nog ongeveer 4 seconden.
Koplampsproeiers*
Bij ingeschakelde verlichting worden elke keer bij het inschakelen van de ruitensproeier ook de koplampglazen schoongemaakt.
Daarbij schuiven de koplampsproeiers bij elke keer sproeien door de waterdruk naar buiten.
Op gezette tijden, b.v. tijdens een tankstop, moet hardnekkig vastzittend vuil (zoals insectenresten) van het glas worden verwijderd.
Om er zeker van te zijn dat de sproeiers ook in de winter werken, moeten de sproeierhouders sneeuwvrij worden gehouden, respectievelijk met een ontdooispray ijsvrij worden gemaakt.
Reservoir ruitensproeier vullen; zie bladzijde 186.
Verwarming en ventilatie

De roosters 3 en 4 worden afzonderlijk met de kartelwieltjes aan de zijkant geopend of gesloten.
De uitstroomrichting van de roosters kan horizontaal en verticaal worden versteld.
Luchtroosters
In de afbeelding zijn de luchtroosters in het dashboard getoond.
Uit alle roosters stroomt verwarmde of niet-verwarmde frisse lucht.
De luchtverdeling naar alle roosters wordt met draaischakelaar C (zie afbeelding op volgende bladzijde) geregeld.

Bedieningselementen
A - Temperatuurdraaischakelaar
De temperatuur kan door rechtsom draaien traploos worden verhoogd.
B - Aanjagerdraaischakelaar
De luchtopbrengst kan in vier stappen worden versteld.
In stand "0" is de aanjager uitgeschakeld.
C - Draaischakelaar voor luchtverdeling
Luchtstroom naar de voetruimte
Luchtroosters 5 worden geopend.
Opdat de gehele luchthoeveelheid naar de voetruimte stroomt, moeten de luchtroosters 3 en 4 worden gesloten.
Luchtstroom naar de voorruit / zijruit en naar de voetruimte
Roosters 1, 2 en 5 worden geopend.
Luchtstroom naar voorruit
Luchtroosters 1 en 2 worden geopend.
In deze stand kan de knop voor circulatiestand niet worden ingeschakeld. Wanneer de circulatiefunctie reeds was geactiveerd, schakelt het systeem automatisch over op frisse-luchttoevoer.
Luchtstroom uit de luchtroosters
De lucht stroomt uit de luchtroosters 3 en 4. Bij de vermelde verdeling is echter altijd sprake van wat lekkende lucht naar de andere luchtroosters.
D - Circulatiestand
In de circulatiestand wordt de toevoer van buitenlucht afgesloten en de lucht in het interieur gecirculeerd. Daardoor wordt voorkomen, dat door uitlaatgassen verontreinigde buitenlucht in het interieur komt. In deze stand dient niet te lang te worden gereden.
Als de ruiten beslaan, dient meteen door opnieuw indrukken van de circulatieknop de circulatie te worden uitgeschakeld, of dient de programmastand 📊 te worden gekozen.
In de ingedrukte knop brandt een LED.
E - ECON (Economy)
(alleen bij wagens met dieselmotor)
Bij een buitentemperatuur onder ca. +5 °C wordt automatisch een extra kachel ingeschakeld. Door het aantippen van de toets ECON kan de extra kachel worden uitgeschakeld, waardoor brandstof wordt bespaard. Zie ook bladzijde 125.
In de ingedrukte knop brandt een LED.
F - [1] Achterruitverwarming
Zie bladzijde 110.
Afstelaanwijzingen
Voorruit en zijruiten ontdooien
- Draaischakelaar B in stand III plaatsen.
- Draaischakelaar A rechtsom tot de aanslag draaien.
- Draaischakelaar C op 📌.
- Via de luchtroosters 3 kan extra warme lucht naar de zijruiten worden geleid.
Voorruit en zijruiten wasemvrij houden
Als bij hoge luchtvochtigheid, b.v. bij regen, de ruiten beslaan, is de volgende instelling aan te bevelen:
- Draaischakelaar B in stand II of III plaatsen.
- Draaischakelaar A zo nodig iets naar boven in het verwarmingsgebied draaien.
- Draaischakelaar C naar behoefte tussen en plaatsen.
- Via de luchtroosters 3 kan extra warme lucht naar de zijruiten worden geleid.
Wagen zo snel mogelijk verwarmen
- Draaischakelaar B in stand III.
- Draaischakelaar C tussen ↓ en [3].
- Draaischakelaar A rechtsom tot de aanslag draaien. ● Luchtroosters 3 en 4 openen.
Interieur comfortabel verwarmen
Als de ruiten niet meer beslagen zijn en de gewenste binnentemperatuur is bereikt, is de volgende instelling aan te bevelen:
- Draaischakelaar B in stand II of III.
- Draaischakelaar A op de gewenste verwarmingscapaciteit draaien.
- Draaischakelaar C op ↓ of ↗.
- Roosters 3 en 4 naar wens verstellen.
Ventilatie (frisse-luchttoevoer)
Bij de volgende instelling stroomt uit de roosters 3 en 4 niet-verwarmde frisse lucht:
- Draaischakelaar B in gewenste stand zetten (stand III levert maximale luchthoeveelheid).
- Draaischakelaar A linksom tot de aanslag draaien.
- Draaischakelaar C op 图 zetten. ● Luchtroosters 3 en 4 openen.
Naar behoefte kan de draaischakelaar C ook in andere standen worden geplaatst.
Algemene aanwijzingen
- Om de verwarming en de ventilatie optimaal te laten functioneren, moet de luchttoevoeropening voor de voorruit vrij van ijs, sneeuw en bladeren zijn.
- Om het beslaan van de ruiten te voorkomen, dient de aanjager bij lage rijsnelheden altijd in de laagste stand te worden gezet.
- Als moet worden voorkomen dat er verontreinigde buitenlucht het interieur binnenkomt, moet knop D worden ingedrukt. In deze stand dient niet te lang te worden gereden om te voorkomen dat de ruiten beslaan.
Door het interieurluchtfilter worden verontreinigingen van de buitenlucht (zoals stof, stuifmeel enz.) in het filter tegengehouden. De draaischakelaar hoeft bij deze wagens alleen in de stand "0" te worden gezet als de buitenlucht door gassen is verontreinigd.
- Het interieurluchtfilter moet volgens de intervallen in het Serviceplan worden verwisseld, opdat de verwarmings- en ontwasemingscapaciteit niet wordt beïnvloed.
Airconditioning*

De uitstroomrichting van de roosters kan horizontaal en verticaal worden versteld.
Luchtroosters
De luchtroosters worden afhankelijk van de gekozen functie automatisch dan wel handmatig bediend.
In de afbeelding zijn de luchtroosters in het dashboard getoond.
Uit de roosters stroomt verwarmde of niet-verwarmde frisse lucht resp. koellucht.
De roosters 3 en 4 worden afzonderlijk met de kartelwieltjes aan de zijkant geopend of gesloten.
De airconditioning zorgt automatisch voor een gelijkmatig klimaat in de wagen.
Hiertoe wordt de temperatuur van de naar binnen stromende lucht alsmede het aanjagertoerental (luchthoeveelheid) en de luchtverdeling automatisch gewijzigd. Deze automatische regeling kan naar wens handmatig worden beïnvloed.
De afbeelding hiernaast toont de bedieningselementen in de middenconsole.
Aanbevolen standaardinstellingen voor alle jaargetijden:
Na inschakelen van het contact
- Temperatuur van 22 °C (71 °F) kiezen en
- Knop AUTO indrukken.
Bij deze instelling wordt het snelst een behaaglijk klimaat in de wagen bereikt.
Derhalve dient de instelling alleen te worden veranderd, als men het in de wagen niet behaaglijk vindt.

Bedieningselementen
De functies worden door aantippen van de toetsen in- en uitgeschakeld. De LED in de toetsen brandt bij ingeschakelde functie.
AUTO - Automatisch (basisstand)
Luchttemperatuur, luchthoeveelheid en luchtverdeling worden automatisch geregeld, om de gewenste binnentemperatuur zo snel mogelijk te bereiken resp. gelijkmatig te houden. Schommelingen van de buitentemperatuur worden automatisch gecompenseerd.
TEMP - temperatuurkeuze
De binnentemperatuur kan van 18 °C (64 °F) tot 29 °C (84 °F) worden ingesteld. In de eindstanden "LO" en "HI" volgt geen temperatuurregeling. Het systeem draait continu met maximale koel- resp. warmte-capaciteit.
De temperatuuraanduiding kan als volgt van °C in °F worden overgeschakeld:
Toets 📄 indrukken en vasthouden. Daarna plus-toets van de tuimelschakelaar aantippen.
- Ontdooien
De voorruit en de zijruiten worden zo snel mogelijk ontdooid resp. ontwasemd.
De temperatuurregeling geschiedt automatisch. De maximale luchthoeveelheid stroomt overwegend uit de roosters 1 en 2. Zie "Luchtroosters", bladzijde 121.
Door het indrukken van deze knop wordt de circulatie- en Economy-functie uitgeschakeld.
ECON - Economy
Voor het besparen van brandstof kan het koelsysteem (compressor) worden uitgeschakeld. Bij uitgeschakelde compressor is het regelcomfort van het systeem minder.
Wanneer het in de wagen te warm wordt of de ruiten beslaan, moet door opnieuw aantippen van de toets ECON de compressor weer worden ingeschakeld resp. AUTO worden ingedrukt.
Door het aantippen van de toets kan bij wagens met dieselmotor de extra kachel worden uitgeschakeld waardoor brandstof wordt bespaard. Zie bladzijde 125.
In de circulatiestand wordt de toevoer van buitenlucht afgesloten en de lucht in het interieur gecirculeerd. Daardoor wordt voorkomen, dat door uitlaatgassen verontreinigde buitenlucht in het interieur komt. In deze stand dient niet te lang te worden gereden.
Als de ruiten beslaan, dient meteen door opnieuw indrukken van de circulatieknop de circulatie te worden uitgeschakeld, of dient de programmastand te worden gekozen.
Aanwijzing
Als de aircocompressor eens heel even uitschakelt, b.v. door extreme motorbelasting, dan dient de circulatieknop opnieuw te worden ingedrukt.
OFF - Airconditioning uitschakelen
Door het aantippen van de toets wordt de airconditioning uitgeschakeld. De toevoer van buitenlucht is afgesloten.
Voor het opnieuw inschakelen van het systeem de knop AUTO, één van de keuzeknoppen voor aanjager, temperatuur of luchtverdeling hetzij opnieuw de knop OFF indrukken.
- + Aanjagertoerental
Met deze toets wordt het voorgeprogrammeerde aanjagertoerental (luchthoeveelheid) verlaagd resp. verhoogd. Het betreffende toerental wordt door middel van de segmentaanduiding op het display weergegeven.
Knoppen voor luchtverdeling
Met de knoppen ⬇, 📄 en ⬇ kan de door het programma geregelde luchtverdeling worden veranderd. De knoppen kunnen afzonderlijk of gecombineerd worden geschakeld.
Wanneer de luchtverdeling weer automatisch moet worden geregeld, moeten de betreffende functies afzonderlijk of door aantippen van de knop AUTO worden uitgeschakeld.

- Lucht naar de ruiten
De totale luchthoeveelheid stroomt uit de roosters 1 en 2. In tegenstelling tot de stand wordt de luchthoeveelheid niet verhoogd.

Luchtstroom uit de lucht-roosters
De totale luchthoeveelheid stroomt uit de roosters 3 en 4 in het dashboard.

- Lucht naar de voetruimte
De totale luchthoeveelheid stroomt naar de roosters 5 en naar de roosters onder de voorstoelen.
Sleutelherkenning*
De actuele instellingen van de airconditioning worden om comfortredenen automatisch opgeslagen.
Ook al worden de instellingen van de airconditioning door een andere gebruiker van de wagen veranderd, bij het inschakelen van het contact worden automatisch de instellingen van de airconditioning gekozen die aan uw sleutel zijn toegewezen.
Een voorwaarde is echter dat de vorige gebruiker niet uw maar een andere sleutel heeft gebruikt, omdat anders zijn instellingen aan uw sleutel zijn toegewezen.
Maken dus meerdere personen gebruik van de wagen, dan moet iedereen een andere sleutel gebruiken, zodat de persoonlijke instellingen van de airconditioning automatisch worden gekozen.
Algemene aanwijzingen
- Bij lage buitentemperaturen wordt de aanjager (met uitzondering van stand 📌) pas ingeschakeld, als de koelvloeistof een voldoende temperatuur heeft bereikt.
- Bij wagens met automatische versnellingsbak wordt bij snel accelereren met volgas resp. bij gebruik van de kickdown de airconditioning kortstondig uitgeschakeld, om het volledige motorvermogen ter beschikking te hebben.
- Om het verwarmingsvermogen resp. de koeling niet te belemmeren en het beslaan van de ruiten te voorkomen, moet de luchttoevoeropening voor de voorruit vrij van ijs, sneeuw en bladeren zijn.
- Opdat de motorkoeling bij extreme motorbelasting gegarandeerd is, wordt de compressor bij te hoge koelvloeistoftemperaturen uitgeschakeld.
- Bij lage buitentemperaturen wordt de compressor automatisch uitgeschakeld. Deze kan dan ook niet met de AUTO-knop worden ingeschakeld.
- Bij ingeschakelde airconditioning wordt in het wageninterieur niet alleen de temperatuur omlaaggebracht, maar ook de luchtvochtigheid gereduceerd. Hierdoor wordt het beslaan van de ruiten voorkomen.
- De airconditioning functioneert optimaal als de ruiten en het Open Sky-systeem* zijn gesloten. Als echter het interieur bij stilstaande wagen door de zonnestralen te sterk werd verhit, kan door even een ruit open te houden het afkoelen worden versneld.
- Bij hoge buitentemperaturen en hoge luchtvochtigheid kan condenswater van de verdamper omlaag druppelen en onder de wagen een waterplas vormen. Dit is normaal en geen teken van lekkage.
- Door het interieurluchtfilter worden verontreinigingen van de buitenlucht (b.v. stof, stuifmeel enz.) in het filter tegengehouden. De circulatiestand dient te worden gekozen, als de buitenlucht door gassen is verontreinigd.
- Het interieurluchtfilter moet volgens de intervallen in het Serviceplan worden verwisseld, opdat de capaciteit van de airconditioning niet wordt verminderd. Als de werking van het filter door het gebruik van de wagen voortijdig verslechtert, dan moet het filterelement zo nodig eerder dan voorgeschreven worden vervangen.
- Als het vermoeden bestaat, dat de airconditioning werd beschadigd, dient de installatie direct te worden uitgeschakeld en door een Audi-dealer te worden gecontroleerd. De airconditioning mag pas daarna weer worden ingeschakeld.
- Voor reparatiewerkzaamheden aan de Audi-airconditioning is speciale kennis en speciaal gereedschap nodig. Daarom dient bij storingen een Audi-dealer te worden opgezocht.
Extra kachel*
Voor een snellere verwarming van het interieur zijn wagens met turbodiesel met een extra kachel uitgerust.
De extra kachel wordt bij buitentemperaturen onder ca. +5 5C en draaiende motor afhankelijk van de koelvloeistoftemperatuur automatisch in- en uitgeschakeld.
Om brandstof te besparen, kan de extra ka-chel door het aantippen van de ECON-toets van de verwarming resp. airconditioning worden uitgeschakeld.
Open Sky-systeem*
Het dak (Open Sky-systeem) kan bij ingeschakeld contact met de afgebeelde schakelaar worden geopend en gesloten.
Het Open Sky-systeem functioneert tot ca. tien minuten na het uitschakelen van het contact. Wordt het bestuurdersportier ge- opend, dan is de schakelaar voor het dak buiten werking.
Attentie
Voorzichtig bij het sluiten van het dak!
Door onoplettend of ongecontroleerd sluiten van het dak kunnen verwondingen ontstaan. Bij het verlaten van de wagen altijd de sleutel uit het contactslot trekken.

Dakbediening
Openen
Schakelaar indrukken (1).
Er kunnen ook willekeurige tussenstanden worden gekozen.
Sluiten
Schakelaar indrukken (2).
Aanwijzing
Als de wagen wordt geparkeerd, dan is het in het algemeen raadzaam het Open Skysysteem en de jaloezie te sluiten.
Noodbediening
Als het systeem defect is, kan het dak met een slinger (zie rechter afbeelding) worden gesloten. De slinger zit boven de binnenverlichting.
- Lampglas (zie afbeelding) naar onderen verwijderen.
- De beide metalen veren in de uitsparingen aan de voorzijde van het lamphuis drukken en het huis naar onderen verwijderen.

Voor het sluiten van het dak de slinger (1) tot de aanslag in het zeskantgat (2) drukken, vasthouden en draaien.
Het opnieuw inbouwen van lamphuis en - glas vindt plaats in omgekeerde volgorde.
Storing door een Audi-dealer laten verhelpen.

Binnenverlichting, leeslampjes voorin

De lampjes zitten boven de voorruit.
A - Binnenverlichting
Schakelaarstanden:
O - uit
Midden - portierschakeling
De lampjes gaan branden als de wagen wordt ontgrendeld resp. als de portieren worden geopend.
De lampjes gaan ook branden als de sleutel uit het contactslot wordt getrokken.
Uitschakelvertraging
Elke keer na het inschakelen brandt de verlichting nog ongeveer 30 seconden. Als een portier langer dan ca. 10 minuten geopend blijft, schakelen de lampjes pas dan automatisch uit.
Als het contact wordt ingeschakeld resp. als de wagen wordt vergrendeld, worden de lampjes altijd uitgeschakeld.
I – alle lampjes branden continu.
Aanwijzing
De helderheid van de lampjes wordt bij het in- en uitschakelen met een dimmer automatisch geregeld.
B - Leeslampjes

De leeslampjes worden met de schakelaars (zie symbool) in- en uitgeschakeld.
Binnenverlichting achterin

De verlichting wordt bij het ontgrendelen van de wagen resp. bij het openen van de portieren ingeschakeld.
Bovendien wordt de verlichting ingeschakeld, als de sleutel uit het contactslot wordt getrokken.
Uitschakelvertraging
Elke keer na het inschakelen brandt de verlichting nog ongeveer 30 seconden na. Als een portier langer dan ca. 10 minuten geopend blijft, dan wordt de verlichting pas automatisch uitgeschakeld.
Als het contact wordt aangezet resp. als de wagen wordt vergrendeld, wordt de verlichting altijd uitgeschakeld.
I - verlichting continu aan
Aanwijzing
De helderheid van de verlichting wordt bij het in- en uitschakelen met een dimmer automatisch geregeld.
Bagageruimteverlichting
De verlichting zit links in de bagageruimte. De verlichting wordt bij het openen van de achterklep automatisch ingeschakeld. Als de achterklep langer dan ca. 10 minuten geopend blijft, dan wordt de verlichting automatisch weer uitgeschakeld.
Zonnekleppen

De zonnekleppen kunnen uit de houders (zie afbeelding, pijl 1) worden getrokken en naar de portieren worden gezwenkt.
In de zonnekleppen is een make-up spiegel ingebouwd.
De spiegelverlichting* in de hemelbekleding wordt bij het openschuiven van de spiegel (pijl 2) automatisch ingeschakeld en bij het sluiten weer uitgeschakeld. Bovendien wordt bij het terugklappen van de zonneklep de verlichting eveneens uitgeschakeld.
Tussen de zonnekleppen zit een kleine omklapbare zonneklep. Hiermee kan het gedeelte boven de binnenspiegel worden afgedekt.
Asbak*

Lijst van asbak aantippen.
Leegmaken
Asbak openen. Aslade aan de zijkanten vastpakken en naar boven verwijderen.
Plaatsen
Aslade in de steun drukken.
Sigarettenaansteker*/stopcontact

Sigarettenaansteker*
De sigarettenaansteker wordt door indrukken van de knop ingeschakeld.
Zodra de gloeispiraal de juiste temperatuur heeft bereikt, springt de knop iets terug. De aansteker direct uit het dashboard nemen en gebruiken.
Stopcontact voorin
Het 12 volt-stopcontact kan voor elektrische accessoires met een maximum vermogen van 100 watt worden gebruikt. Bij niet-draaiende motor wordt hierbij echter de accu ontladen. Alleen passende stekers gebruiken om beschadiging van het stopcontact te voorkomen.
Attentie
Voorzichtig bij het gebruik van de sigarettenaansteker!
Door onoplettend of ongecontroleerd gebruik van de sigarettenaansteker kunnen brandwonden worden veroorzaakt.
De sigarettenaansteker en het stopcontact werken ook bij uitgeschakeld contact resp. als de contactsleutel uit het slot is getrokken.
Derhalve mogen kinderen nooit zonder toezicht in de wagen worden achtergelaten.

Stopcontact in bagageruimte*
Een stopcontact zit links in de zijbekleding van de bagageruimte.
Voor het uitklappen de afdekking aantippen.
Dashboardkastje

Voor het openen van het dashboardkastje de handgreep in pijlrichting trekken.
Het dashboardkastje is verlicht. De verlichting brandt, zodra stads- resp. groot-/dimlicht ingeschakeld en het dashboardkastje geopend is.

In de klep van het dashboardkastje zitten houders voor een pen en een notitieblok alsmede uitsparingen voor het plaatsen van blikjes.
Attentie
Om veiligheidsredenen dient het dashboardkastje tijdens het rijden altijd gesloten te zijn.
Opbergvakken

Middenconsole
In de middenconsole zitten blikjeshouders. Voor het openen de knop indrukken.

Blikjeshouders* en opbergvak* achterin
In het extra opbergvak zitten twee blikjeshouders en een opbergruimte.
Voor het openen van het opbergvak de lijst in pijlrichting (1) drukken.
Attentie
- Geen hete dranken, b.v. hete koffie of thee, in de blikjeshouder plaatsen, als de wagen rijdt. Bij een ongeval of plotseling remmen zou er hete drank kunnen worden gemorst, wat brandwonden zou kunnen veroorzaken.
- Geen bekers of kopjes van hard materiaal gebruiken (b.v. glas, porselein). Bij een ongeval kunnen daardoor verwondingen worden veroorzaakt.
- Het opbergvak mag in geen geval als asbak worden gebruikt.

Extra opbergvak* uitbouwen
Als men de stoelen wil omklappen, dan moet het extra opbergvak worden uitgebouwd.
Knop (pijl 2) indrukken en het opbergvak naar boven verwijderen.
Extra opbergvak* inbouwen
- Opbergvak met de geleidingen in de steunen onder de zitting plaatsen.
- Opbergvak vooraan naar onderen drukken totdat het hoorbaar vastklikt.
- Vervolgens controleren of het goed vastzit.

Opbergbox in voetruimte* achterin
De opbergbox in de voetruimte kan voor de linker resp. rechter stoel worden aangebracht. Deze wordt met de bevestigingspennen in de bekleding vastgezet. De opbergbox biedt ruimte voor b.v. handtassen, drank of speelgoed.
Voor het openen van de opbergbox aan de greep trekken.

Opbergbox in de voetruimte* verwijderen
Als bij een bezette stoel de betreffende persoon te weinig beenruimte heeft, dan moet de box worden verwijderd (zie afbeelding).
Opbergbox* plaatsen
Opbergbox onder de voorstoel schuiven en met de bevestigingspennen in de bekleding resp. de vloermat vastklikken.

De CD-wisselaar* voor de radio zit in de bagageruimte.
Het wisselen van de CD/CD-ROM wordt in het bijbehorende instructieboekje beschreven.

CD-ROM-speler voor navigatiesysteem*
De CD-ROM-speler voor het navigatiesysteem zit in de bagageruimte.
Het verwisselen van de CD-ROM wordt in het bijbehorende instructieboekje beschreven.

SOS- en service-oproep*1)
Bij wagens met telematica zit onder een deksel (zie afbeelding) een eenheid voor SOS- en service-oproep. Het deksel wordt door aantippen geopend.
Voor een nauwkeurige beschrijving zie instructieboekje voor telematica.
Multifunctiestuurwiel met radiobediening*1)
Opdat u bij het bedienen van de radio zo min mogelijk van het verkeer wordt afgeleid, zitten er bij de af fabriek geleverde radio in het stuurwiel toetsen voor de belangrijkste functies. Radio, cassette of CD-speler kunnen vanzelfsprekend nog steeds op het apparaat onbeperkt worden bediend.
Een uitvoerige beschrijving van de radio staat in het instructieboekje.
Met de toetsen op het stuurwiel kunnen de volgende functies worden uitgevoerd:
A - Zender-zoeksysteem / vooruit
- radio: frequentie-zoeksysteem vooruit
- cassetterecorder: snel vooruit
- CD: CD-track vooruit
B - Zender-zoeksysteem / achteruit
- radio: frequentie-zoeksysteem achteruit
- cassetterecorder: snel achteruit
- CD: CD-track achteruit

afhankelijk van welk apparaat net actief is.
D - Volume verlagen
- radio
- cassetterecorder
- CD-speler
afhankelijk van welk apparaat net actief is.
E - Zendertoetsen (Preset) / terug
Afhankelijk van de radio kunnen t/m twaalf zenders terug na elkaar worden opgevraagd.
Bij vrije zendertoetsen resp. bij niet te ontvangen zenders is soms alleen geruis te horen.
F - Zendertoetsen (Preset) / naar voren
Afhankelijk van de radio kunnen t/m twaalf volgende zenders na elkaar worden opgevraagd.
Bij vrije zendertoetsen resp. bij niet te ontvangen zenders is soms alleen geruis te horen.
Multifunctiestuurwiel met radio- en telefoonbediening*1)
Opdat men bij de bediening van de radio en de telefoon zo min mogelijk van het verkeer wordt afgeleid, zijn bij af fabriek ingebouwde radio/telefoon in het stuurwiel toetsen voor de elementaire functies geplaatst. De bediening van radio, cassetterecorder/CD-speler resp. telefoon kan vanzelfsprekend zonder beperkingen ook via het apparaat zelf gebeuren.
Voor een uitvoerige beschrijving van de radio en de Audi-telefoon zie de betreffende instructieboekjes.

Door het indrukken van de toetsen kunnen de volgende functies worden uitgevoerd:
A - Zender-zoeksysteem / vooruit
- radio: frequentie-zoeksysteem vooruit
- cassetterecorder: snel vooruit
- CD: CD-track vooruit
- telefoonnummers (telefoongeheugen): namen alfabetisch Z Ö A), bij langer indrukken: snel doorlopen van de opgeslagen telefoonnummers.
B - Zender-zoeksysteem / achteruit
- radio: frequentie-zoeksysteem achteruit
- cassetterecorder: snel achteruit
- CD: CD-track achteruit
- telefoonnummers (telefoongeheugen): namen alfabetisch A Ö Z), bij langer indrukken: snel doorlopen van de opgeslagen telefoonnummers.
C - Omschakeltoets radio / telefoon
Op het display van het bestuurders-informatie-systeem worden afhankelijk van de gekozen functie radio- of telefoongegevens weergegeven.
Zolang men telefoneert, worden de radio-gegevens door de telefoongegevens (b.v. gekozen telefoonnummer) op het display van het bestuurders-informatie-systeem onderdrukt.
D - Volume verhogen
- radio
- cassetterecorder
- CD-speler -- inrichting voor handenvrij telefoneren afhankelijk van welk apparaat net actief is.
E - Volume verlagen
- radio
- cassetterecorder
- CD-speler
- inrichting voor handenvrij telefoneren afhankelijk van welk apparaat net actief is.
F - Telefoon
Deze toets indrukken om telefoongesprekken via de inrichting voor handenvrij telefoneren te voeren.
Aanwijzingen voor het gebruik van de telefoon
De Audi-telefoon wordt bediend zoals in het instructieboekje wordt beschreven. De volgende aanvullende informatie in acht nemen:
Na het inschakelen van het contact resp. de telefoon en na het intoetsen van de PIN-code wordt het SIM-kaartgeheugen automatisch in het systeem opgeslagen.
Het inlezen duurt afhankelijk van het aantal opgeslagen gegevens maximaal 30 seconden. Op het display van het bestuurders-informatie-systeem verschijnt ondertussen "Wachten aub..."
Als men echter meteen wil telefoneren, de telefoon gebruiken.
Behalve de reeds genoemde aanwijzing "Wachten aub..." kunnen op het display van het bestuurders-informatie-systeem de volgende statusmeldingen worden weergegeven:
- Plaats kaart - de SIM-kaart in de hoorn ontbreekt.
- PIN-code - nog geen PIN ingegeven.
- Geen service – geen verbinding met telefoonnet.
- Oproep - een extern gesprek komt binnen. Als (afhankelijk van telefoonnet) extra het telefoonnummer van de opbellende abonnee wordt overgenomen, dan wordt deze afwisselend met "OPROEP" weergegeven.
- Nummer bezet – het gekozen nummer is in gesprek.
- Telefoon uit - de telefoon is uitgeschakeld.
- Belt - de verbinding wordt tot stand gebracht.
- Plaats telefoon - mobiele telefoon in de steun leggen.

Taal wijzigen
Standaard is de weergave van de statusmeldingen in het Duits. Wanneer aan een andere taal de voorkeur gegeven wordt, dan als volgt te werk gaan:
- De taalomstelling kan alleen in de functie "Radio" worden uitgevoerd. Wanneer de status "Telefoon" is, toets C indrukken.
- Tegelijkertijd toets C en F gedurende ten minste vijf seconden indrukken. De nieuw ingestelde taal verschijnt (b.v. NEDERLANDS) op het display van het bestuurders-informatie-systeem.
- Met toetsen A en B kan de gewenste taal worden gekozen.
- Keuze met toets F bevestigen.
Telefoon*
Mobiele-telefoonvoorbereiding*
Door de af fabriek uitgevoerde mobiele-telefoonvoorbereiding is het mogelijk uw eigen mobiele telefoon in de wagen aan te sluiten.
Daardoor kunnen de voordelen van een conventionele autotelefoon (b.v. mogelijkheid voor handenvrij telefoneren, optimale zendmogelijkheid door buitenantenne enz.) volledig worden benut. Bovendien wordt de accu van de mobiele telefoon continu opgeladen.
Adapters voor de mobiele telefoon zijn verkrijgbaar bij de Audi-dealer.
Antenne voor autotelefoon
Bij het wassen van de wagen in een automatische wasinstallatie dient de antenne te worden losgeschroefd. De antennesleutel ligt in de wagen.
Telefoon, zendapparatuur en kantoorapparatuur
Vast ingebouwde apparatuur
Bij gebruik van de in de handel verkrijgbare telefoons en zendapparatuur moet met het volgende rekening worden gehouden:
Het naderhand inbouwen van elektrische / elektronische apparaten in deze wagen heeft invloed op de typegoedkeuring ervan en kan in bepaalde gevallen leiden tot intrekking van de gebruiksgoedkeuring.
Het inbouwen van apparatuur voor huishoudelijk gebruik en kantoorapparatuur (uitgezonderd zendapparatuur) in de wagen is toegestaan, mits deze geen invloed kunnen hebben op de directe besturing van de wagen en deze van een CE-code zijn voorzien. Naderhand ingebouwde apparatuur, die de macht van de bestuurder over de wagen kan beïnvloeden, moet daarentegen altijd een typegoedkeuring voor deze wagen hebben en van een e-code zijn voorzien.
Het inbouwen van zendapparatuur in de wagen is in principe altijd aan typegoedkeuring onderhevig.
Audi staat het inbouwen van zendapparatuur in de wagen over het algemeen toe onder de volgende voorwaarden:
- deskundige installatie van de antenne
- plaatsing van de antenne buiten de wagen (met gebruikmaking van afgeschermde kabels en een niet-reflecterende antenne-aanpassing
- effectief zendvermogen op het antennevoetpunt van niet meer dan 10 W
Over de mogelijkheden met betrekking tot het inbouwen en het gebruik van zendapparatuur met een hoger zendvermogen kan uw Audi-dealer informatie verstrekken.
Draagbare zendapparatuur
Bij het gebruik van mobiele telefoons of zendapparatuur kunnen onder de volgende omstandigheden storingen aan de elektrische installatie van de wagen optreden:
- geen buitenantenne
- verkeerd geïnstalleerde buitenantenne
- zendvermogen van meer dan 10 watt.
Daarom mag een mobiele telefoon of zendapparatuur zonder resp. met verkeerd geïnstalleerde buitenantenne niet in het interieur van de wagen worden gebruikt.
Attentie
In het interieur van de wagen gebruikte mobiele telefoons of zendapparatuur zonder resp. met verkeerd geïnstalleerde buitenantenne kunnen door te hoge elektromagnetische velden schadelijk voor de gezondheid zijn!
Bovendien wordt alleen met een buitenantenne de optimale reikwijdte van het apparaat bereikt.
Aanwijzing
Let beslist op de gebruiksaanwijzing van de mobiele telefoon en zendapparatuur!
Imperiaal
Als lading op het dak moet worden getransporteerd, moet op het volgende worden gelet:
- Aangezien de regengoten voor de gunstige stroomlijn in het dak zijn geïntegreerd, kunnen normale imperiaals niet worden gebruikt. Om risico's te vermijden, raden wij u aan alleen de dwarsdragers 1) uit het Audi-accessoires-programma te gebruiken.
- Deze dwarsdragers zijn de basis voor een compleet dwarsdragersysteem. Voor het transport van bagage, fietsen, surfplanken, ski's en boten zijn ter wille van de veiligheid telkens speciale extra steunen vereist. Alle componenten van dit systeem zijn bij Audi-dealers verkrijgbaar.
- Bij gebruik van een andere imperiaal of bij niet volgens voorschrift uitgevoerde montage zijn daardoor veroorzaakte beschadigingen aan de wagen van de garantie uitgesloten.

- De imperiaal moet precies volgens de meegeleverde aanwijzingen worden bevestigd. Bij het monteren van de imperiaalsteunen op het dak dient erop te worden gelet dat de steunen precies tussen de markeringen op het dakframe (alleen bij geopend portier zichtbaar) moeten worden geplaatst.
Dakbelasting
De toelaatbare dakbelasting bedraagt 40 kg.
- Bij het gebruik van imperiaals met een geringer draagvermogen mag de maximaal toelaatbare dakbelasting niet worden benut. De imperiaal mag maar tot de in de montage-instructie aangegeven gewichtsgrens worden beladen.
- Lading gelijkmatig verdelen. De toelaatbare dakbelasting, inclusief het imperiaalsysteem, en het toelaatbare totaalgewicht van de wagen mogen echter niet worden overschreden; zie bladzijde 222.
- Bij het vervoer van zware, resp. volumineuze voorwerpen op het wagendak dient erop te worden gelet, dat de rij-eigenschappen door het veranderde zwaartepunt, resp. door de grotere luchtweerstand wijzigen. Rijstijl en snelheid moeten derhalve daaraan worden aangepast.
- Let erop dat tijdens het omhoogklappen de achterklep niet tegen de lading op het dak stoot.
De eerste 1500 kilometer - en daarna
Inrijden
Gedurende de eerste bedrijfsuren ontstaat er in de motor een hogere inwendige wrijving dan later, wanneer alle bewegende delen aan elkaar zijn aangepast. In hoeverre dit aanpassingsproces goed verloopt, hangt voornamelijk af van de rijstijl tijdens de eerste 1500 kilometer.
Tot 1000 kilometer
geldt als vuistregel:
- Geen volgas geven
- Niet sneller dan met 3/4 van de topsnelheid rijden
- Hoge toerentallen vermijden
Van 1000 tot 1500 kilometer
Er kan geleidelijk tot de topsnelheid resp. tot het maximumtoerental worden gegaan.
Na de inrijtijd
- Om brandstof te sparen dient zo vroeg mogelijk een hogere versnelling te worden ingeschakeld. De eerstvolgende hogere versnelling moet echter uiterlijk na het bereiken van het rode waarschuwingsbereik in de toerenteller worden ingeschakeld.
- Extreem hoge motortoerentallen worden automatisch begrensd.
Tijdens en na het inrijden geldt
- De koude motor nooit op hoge toerentallen brengen, noch bij stilstaande wagen, noch tijdens het rijden. Alle snelheids- en toerentalgegevens gelden alleen bij bedrijfswarme motor!
- Niet met een te laag motortoerental rijden, een lagere versnelling inschakelen, als de motor niet meer soepel draait.
Attentie
Bij het rijden in de bergen met hoge belasting en hoge omgevingstemperaturen de motor vóór het afzetten kort met stationair toerental laten draaien.
Zuinig en milieubewust rijden
Belangrijke tips
Het brandstofverbruik, de milieubelasting en de slijtage van motor, remmen en banden is in hoofdzaak van drie factoren afhankelijk:
- de persoonlijke rijstijl,
- de afzonderlijke gebruiksomstandigheden,
- de technische voorwaarden.
Door een anticiperende en zuinige rijstijl kan het brandstofverbruik met 10–15% worden verminderd. Dit hoofdstuk beschrijft aan de hand van enkele tips hoe u het milieu en tegelijkertijd uw portemonnee kunt ontzien!

Anticiperend rijden!
Tijdens het accelereren verbruikt een wagen de meeste brandstof. Men dient anticiperend te rijden waardoor men minder hoeft te remmen en daarom minder hoeft te accelereren. Bovendien de wagen als mogelijk laten uitrollen, b.v. wanneer men een rood verkeerslicht nadert.


Energiebesparend schakelen!
Een andere effectieve manier om brandstof te besparen, is het vroegtijdig opschakelen: wie te lang in een bepaalde versnelling accelereert, verbruikt onnodig veel brandstof.
De afbeelding toont de verhouding tussen verbruik (l/100 km) en snelheid (km/u) in de eerste, tweede, derde, vierde en vijfde versnelling.
De volgende regel kan als uitgangspunt dienen: In de eerste versnelling slechts één wagenlengte rijden. Bij telkens 2000 toeren de volgende versnelling inschakelen.

Stationair draaien reduceren!
In de file, voor spoorbomen en bij verkeerslichten die langdurig op rood staan, is het zinvol de motor af te zetten: Reeds bij een gedurende 30-40 seconden afgezette motor is de brandstofbesparing groter dan de hoeveelheid brandstof die voor het opnieuw starten van de motor nodig is.


Volgas vermijden!
Het rijden met topsnelheid zoveel mogelijk vermijden. Brandstofverbruik, uitstoot van schadelijke stoffen en rijgeluiden nemen bij hoge snelheden in onevenredige mate toe.
De bovenstaande afbeelding toont de verhouding tussen verbruik (l/100 km) en snelheid (km/u).
Als men met 3/4 van de topsnelheid rijdt, daalt het brandstofverbruik met ongeveer de helft.

Motor en katalysator moeten hun optimale bedrijfstemperatuur hebben bereikt om het verbruik en de uitstoot van schadelijke stoffen effectief te verminderen.
De koude motor van een wagen uit de middenklasse verbruikt direct na de start ongeveer 30-40 liter brandstof per 100 km. Na ongeveer één kilometer daalt het verbruik tot 20 liter.
Pas na ca. vier kilometer is de motor op bedrijfstemperatuur en heeft het verbruik zich genormaliseerd. Korte ritten daarom beslist vermijden.
Van doorslaggevende betekenis is in dit verband ook de omgevingstemperatuur: de vorige afbeelding toont het verschil in verbruik (l/100 km) voor hetzelfde traject (km) bij +20 °C en -10 °C. Uw wagen zal in de winter altijd meer verbruiken dan in de zomer!

Regelmatig onderhoud!
Door regelmatig onderhoud door uw Audi-dealer kunnen reeds voor het gebruik van uw wagen de voorwaarden voor brandstofbesparing worden geschapen! De onderhoudstoestand van de motor heeft dan ook niet alleen een gunstig effect op de verkeersveiligheid en het behoud van de waarde van uw wagen, maar ook op het brandstofverbruik.
Een slecht afgestelde motor kan een tot 10% hoger brandstofverbruik tot gevolg hebben!

Let op bandenspanning!
Altijd de correcte bandenspanning in acht nemen. Reeds een halve bar te lage spanning verhoogt het brandstofverbruik met ca. 5%. Door een te lage bandenspanning neemt door de hogere rolweerstand bovendien de bandenslijtage toe en de wegligging wordt slechter.
De bandenspanning altijd bij koude banden controleren!
Overigens: niet het hele jaar met winterbanden rijden, want deze maken meer geluid en kunnen het brandstofverbruik tot 10% verhogen – dus tijdig op zomerbanden overschakelen!

Geen onnodige ballast!
Afgezien van rijstijl en regelmatig onderhoud van uw wagen zijn er nog meer mogelijkheden om het brandstofverbruik te verminderen:
Onnodige ballast vermijden.
Aangezien iedere kilogram meer gewicht het brandstofverbruik verhoogt, is het vaak zinvol de bagageruimte op onnodige ballast te controleren.
Vaak blijft een imperiaal voor het gemak op het dak gemonteerd hoewel men deze niet meer nodig heeft. Door de verhoogde luchtweerstand verbruikt uw wagen met een lege imperiaal bij een snelheid van 100–120 km/u ca. 12 % meer brandstof!

Stroom besparen!
De benodigde stroom wordt tijdens het rijden met behulp van de dynamo opgewekt. Hoe meer verbruikers in de wagen zijn ingeschakeld des te hoger wordt de dynamo belast en des te hoger is het brandstofverbruik.
Achterruitverwarming, extra koplampen*, aanjager en airconditioning* verbruiken veel stroom. De achterruitverwarming veroorzaakt b.v. een meerverbruik van ongeveer een liter in tien uur.
Daarom elektrische verbruikers uitschakelen, als deze niet meer nodig zijn!

Schriftelijke controle!
Wie het brandstofverbruik wil verlagen, moet een verbruiksregistratie bijhouden. Het kost relatief weinig tijd en het is zeker de moeite waard: U kunt een verandering (positief of ook negatief) vroegtijdig vaststellen en, als nodig, maatregelen treffen. Als een te hoog verbruik wordt vastgesteld, dient men na te gaan hoe, waar en onder welke omstandigheden sinds de laatste keer tanken is gereden.
Waarop men beslist dient te letten
Voor een optimale werking van het uitlaatgasreinigingssysteem van uw wagen zorgen!
Een optimale werking van het uitlaatgasreinigingssysteem is bij gebruik van de wagen van groot belang voor een zo gering mogelijke belasting van het milieu. Daarom de volgende punten in acht nemen:
- Altijd loodvrije benzine tanken.
Eén tankvulling met loodhoudende benzine leidt reeds tot verslechtering van de katalysatorwerking.
- De brandstoftank nooit geheel leegrijden.
Door de onregelmatige brandstoftoevoer kan de motor gaan overslaan. Daardoor komt onverbrande brandstof in de uitlaat. Dat kan voor oververhitting en beschadiging van de katalysator zorgen.
- Bij een motorstoring de juiste maatregelen treffen.
Als tijdens het rijden de ontsteking overslaat, het vermogen afneemt en de motor onregelmatig draait, kan dit door een storing in het ontstekingssysteem worden veroorzaakt. In dit geval kan onverbrande benzine in de uitlaat en zodoende in de atmosfeer komen. Bovendien kan de katalysator door oververhitting worden beschadigd. De rijsnelheid dient direct te worden verlaagd. De storing dient door de dichtstbijzijnde Audi-dealer te worden opgeheven.
- De in het betreffende land geldende voorschriften in acht nemen.
Wanneer de wagen in een land werd gebruikt waar geen loodvrije benzine beschikbaar was, moet bij invoer van de wagen in een land waar een katalysator verplicht is, deze worden vervangen.
Rijden op slecht wegdek
Ter voorkoming van beschadigingen aan de wagen dient men op het volgende te letten:
Bij het oprijden van steile opritten, het rijden op slechte weggedeelten, stoepranden enz. dient erop te worden gelet, dat laagliggende delen zoals b.v. spoilers en uitlaat niet worden geraakt en daardoor kunnen worden beschadigd.
Dit geldt vooral voor wagens met verlaagd onderstel (sportonderstel) en bij volle belading van de wagen.
Bij het parkeren op onverhard terrein dient men op het volgende te letten:
Attentie
Vanwege de hoge temperaturen die onder zeer ongunstige omstandigheden bij de uitlaatgaskatalysator kunnen optreden, moet de wagen zodanig worden geparkeerd dat de katalysator niet met licht ontvlambaar materiaal (b.v. droog gras) in aanraking komt.
Remmen
Algemene aanwijzingen
- Nieuwe remblokken en -voeringen moeten inslijpen en bezitten daarom gedurende de eerste 400 km nog niet de optimale wrijvingskracht. De iets verminderde remkracht kan door een sterkere druk op het rempedaal worden gecompenseerd. Dit geldt ook later na het vervangen van remblokken en remvoeringen.
Tijdens deze inrijtijd dienen noodstops, vooral bij zeer hoge snelheid, alsmede het rijden van b.v. bergpassen, te worden vermeden.
- Onder bepaalde omstandigheden, zoals b.v. na het rijden door water, bij zware regenval of na het wassen van de wagen, kunnen de remmen als gevolg van vochtige, resp. 's winters bevoren remschijven en -blokken vertraagd in werking treden - de remmen moeten eerst worden drooggeremd.
Ook bij het rijden over met zout bestrooide wegen kan de volledige remwerking vertraagd in werking treden, als lange tijd niet werd geremd; de zoutlaag op de remschijven en remvoeringen moet bij het remmen eerst worden afgeslepen.
- Roestvorming op de remschijven en verontreiniging van de remblokken wordt bevorderd door lang stilstaan, weinig kilometers rijden en wanneer er weinig prestaties van de wagen worden gevraagd.
Bij een gering gebruik van het remsysteem alsmede bij roestaanslag wordt geadviseerd om bij een hogere snelheid meerdere keren stevig te remmen zodat de remschijven en remblokken worden gereinigd en een goede werking van de remmen wordt verkregen.
Met dit doel remmen mag alleen plaatsvinden als de wegomstandigheden dit toelaten en andere verkeersdeelnemers hierdoor niet in gevaar worden gebracht.
- Als de vrije slag van het rempedaal eens plotseling groter wordt, kan een remcircuit van het 2-kringsremsysteem zijn uitgevallen. Men kan dan weliswaar nog met beduidend lagere snelheid tot de dichtstbijzijnde Audi-dealer verder rijden, maar men moet echter onderweg met wezenlijk hogere pedaalkrachten en langere remwegen rekening houden.
- Het remvloeistofpeil moet regelmatig worden gecontroleerd; zie bladzijde 180. Een te laag peil in het remvloeistofreservoir wordt door het gaan branden van het remcontrolelampje resp. door het Auto-Check-Control* aangegeven; zie bladzijde 90 resp. 100.
Rembekrachtiger
Attentie
De rembekrachtiger werkt met onderdruk die alleen bij draai- ende motor wordt opgebouwd. Daarom de wagen nooit met af- gezette motor laten rollen.
Werkt de rembekrachtiger niet doordat b. v. de wagen moet worden gesleept of doordat de rembekrachtiger beschadigd is, dient het rempedaal aanzienlijk sterker te worden ingetrapt om de ontbrekende rembekrachting te compenseren.
Antiblokkeersysteem (ABS)
Het ABS levert een belangrijke bijdrage aan de actieve rijveiligheid van de wagen. Het grote voordeel ten opzichte van het normale remsysteem ligt in het feit, dat zelfs bij zeer sterk remmen op een gladde weg de wagen bestuurbaar blijft, omdat de wielen niet blokkeren.
Er mag echter niet worden verwacht, dat door het ABS onder alle omstandigheden de remweg korter wordt. Bij het rijden op grind of op met verse sneeuw bedekte ijzel, als toch al bijzonder voorzichtig en langzaam dient te worden gereden, kan de remweg zelfs iets langer worden.
Werking van het ABS
Bij het bereiken van een rijsnelheid van ca. 20 km/u wordt er een automatische test uitgevoerd. Tijdens deze test kan er een pompgeluid hoorbaar zijn.
Als een wiel de neiging heeft te blokkeren, wordt de remdruk voor dit wiel verminderd. Deze regeling merkt men aan het pulseren van het rempedaal, in combinatie met geluiden. Daardoor wordt de bestuurder er als waarschuwing nadrukkelijk aan herinnerd, dat één of meerdere wielen zich in het blokkeergebied bevinden. Opdat het ABS in deze toestand optimaal kan regelen, moet het rempedaal ingetrapt blijven. In geen geval pompend remmen!
Attentie
Ook het ABS kan de natuurkundige grenzen niet overwinnen. Dit geldt in het bijzonder bij glad of nat wegdek. Als de wielen in het blokkeergebied zijn, dient de snelheid direct aan de rijweg- en verkeersomstandigheden te worden aangepast. De aangeboden hogere veiligheid mag geen aanleiding zijn tot het nemen van grotere risico's.
Als in het antiblokkeersysteem een storing voorkomt, wordt dit door een controle-lampje aangegeven; zie bladzijde 87.
Elektronisch sperdifferentieel (EDS)
Het EDS functioneert samen met het ABS. Het EDS werkt automatisch, dat wil zeggen zonder invloed van de bestuurder.
Het systeem controleert met behulp van de sensoren van het ABS de omwentelingssnelheid van de aangedreven wielen tot een snelheid van ca. 40 km/u.
In het regelbereik van het systeem wordt het slippende wiel of de slippende wielen (b.v. op een gladde weg) afgeremd en krijgen de wielen met de betere tractie een verhoogde aandrijfkracht.
Met de volgende aanwijzingen dient rekening te worden gehouden:
- Bij optrekken vanuit stilstand het gaspedaal rekening houdend met de wegomstandigheden bedienen. Bij het slippen van een wiel door extreme verschillen in grip van de aangedreven wielen (b.v. een aandrijfwiel op ijs) moet zoveel gas worden gegeven dat de wagen in beweging komt.
- Bij accelereren op een gelijkmatig glad wegdek voorzichtig gas geven, b.v. bij ijs en sneeuw. Vooral bij wagens met voorwielaandrijving kunnen de aangedreven wielen ondanks het EDS slippen en daardoor de rijstabiliteit beïnvloeden.
- Opdat de remschijf van het afgeremde wiel niet oververhit raakt, wordt het EDS bij buitengewoon sterke belasting tijdelijk uitgeschakeld. De wagen kan normaal worden gebruikt maar heeft in deze periode hetzelfde rijgedrag als een wagen zonder EDS.
Attentie
De rijstijl moet altijd aan de rijweg- en verkeersomstandigheden worden aangepast. De aangeboden hogere veiligheid van het EDS mag er niet toe leiden risico's te nemen!
Aandrijfslipregeling (ASR)
De ASR voorkomt bij wagens met voorwielaandrijving door reducing van het motorvermogen dat de aangedreven wielen bij het accelereren doordraaien. Het systeem werkt bij alle snelheden in combinatie met het ABS. Bij een storing van het ABS valt de ASR uit.
De ASR wordt bij het starten van de motor automatisch ingeschakeld. Deze kan bij snelheden onder 50 km/u door het aantippen van de toets in de middenconsole worden in- en uitgeschakeld; zie bladzijde 111. Als de ASR werd gedeactiveerd, dan wordt het systeem bij een snelheid van ca. 70 km/u weer automatisch ingeschakeld.
Bij uitgeschakeld systeem brandt het ASR/ESP-controlelampje. Zie bladzijde 85.
Bij uitgeschakelde ASR blijven de functies ABS en EDS actief.
De ASR dient normaal gesproken altijd te zijn ingeschakeld. Alleen bij bepaalde uitzonderingsgevallen, als slippen gewenst is, de regeling uitschakelen:
- bij het rijden met reservewiel* (vouwband)
- bij het rijden met sneeuwkettingen
- bij het rijden in diepe sneeuw of op losse ondergrond en
- bij het losschommelen van de vastgereden wagen.
Daarna dient het systeem weer te worden ingeschakeld.
Attentie
De rijstijl moet altijd aan de rijweg- en verkeersomstandigheden worden aangepast. De aangeboden hogere veiligheid van de ASR mag er niet toe leiden risico's te nemen!
Aanwijzing
Om de storingsvrije werking van de ASR te garanderen, dienen alle vier de wielen dezelfde banden te hebben. Verschillende afrolomtrekken van de banden kunnen tot een ongewenste reducering van het motorvermogen leiden.
Zie ook "Velgen/banden vervangen", bladzijde 190.
AANWIJZINGEN VOOR HET RIJDEN
Elektronisch stabiliteitsprogramma (ESP)
Met behulp van het ESP wordt de controle over de wagen in rijdynamische grensgevallen, zoals bij het accelereren en in bochten, verbeterd.
Het ESP is een uitbreiding van de ABS/ASR-functie en reduceert onder alle rijwegomstandigheden het slipgevaar. Hiermee wordt dus de rijstabiliteit van de wagen verbeterd.
Het systeem werkt bij alle snelheden in combinatie met het ABS. Bij een storing van het ABS valt het ESP eveneens uit.
Het ESP wordt bij het starten van de motor automatisch ingeschakeld en voert een zelftest uit.
Werking
In het elektronische stabiliteitsprogramma zijn ABS, EDS en ASR geïntegreerd. Behalve de van deze functies beschikbare gegevens heeft het ESP-regelapparaat aanvullende meetwaarden nodig, die door zeer gevoelige sensoren worden geleverd. Gemeten wordt de draaisnelheid van de wagen om zijn verticale as, de versnelling van de wagen in dwarsrichting, de remdruk en de stuurinslag.
Met behulp van de stuurinslag en de snelheid van de wagen wordt de door de bestuurder gewenste richting bepaald en continu met het werkelijke gedrag van de wagen vergeleken. Bij afwijkingen, zoals het begin van een slip, remt het ESP het juiste wiel automatisch af.
Door de bij het afremmen op het wiel uitgeoefende krachten wordt de wagen weer gestabiliseerd. Bij een overstuurde wagen (neiging tot uitbreken van de achterzijde) wordt vooral het voorwiel aan de buitenzijde van de bocht afgeremd, bij een onderstuurde wagen (neiging tot uit de bocht vliegen) het achterwiel aan de binnenzijde van de bocht. Deze functie gaat met geluiden gepaard.
Attentie
De fysisch bepaalde grenzen kunnen ook door het ESP niet worden opgeheven. Hiermee dient vooral bij een glad en nat wegdek rekening te worden gehouden.
De rijstijl moet altijd aan de rijweg- en verkeersomstandigheden worden aangepast. De aangeboden hogere veiligheid van het ESP mag er niet toe leiden risico's te nemen!
Verzorging van de wagen
Regelmatig en deskundig onderhoud is van belang voor de waardevastheid van de wagen.
Bovendien kan het onderhoud ook een van de voorwaarden zijn voor het behoud van garantieaanspraken bij eventuele beschadigingen door corrosie en lakgebreken aan de carrosserie.
De vereiste onderhoudsmiddelen zijn bij de Audi-dealers verkrijgbaar. De gebruiksaanwijzing op de verpakking opvolgen.
Attentie
- Bij verkeerd gebruik kunnen onderhoudsmiddelen schadelijk voor de gezondheid zijn.
- Onderhoudsmiddelen moeten altijd veilig, vooral buiten het bereik van kinderen, worden opgeborgen.
Kies bij aankoop van onderhoudsmiddelen voor milieuvriendelijke producten. Restanten hiervan horen niet in de vuilnisbak.
Wassen
De beste bescherming tegen schadelijke milieu-invloeden is de wagen vaak te wassen en te conserveren.
Hoe vaak de wagen gewassen moet worden, is onder andere afhankelijk van de parkeergewoonte (garage, parkeren onder bomen enz.), de jaargetijden, weersomstandigheden en milieu-invloeden.
Hoe langer uitwerpselen van vogels, insectenresten, boomhars, straat- en industrie-stof, teervlekken, roetdeeltjes, strooizout en andere agressieve stoffen op de wagenlak blijven zitten, hoe nadeliger de beschadigende werking ervan is. Hoge temperatuur (bijv. door intensieve invallende zonnestraling) of 's nachts optredende dauw versterkt de etsende werking.
De verontreinigingen moeten daarom onmiddellijk met overvloedig water van de wagenlak worden verwijderd.
Aan het einde van de strooiperiode beslist ook de onderzijde van de wagen grondig afspuiten.
Automatische wasinstallaties
De wagen kan, rekening houdend met de gebruikelijke voorzorgsmaatregelen (b.v. sluiten van de ruiten), in automatische wasinstallaties worden gewassen.
Als er speciale aanbouwdelen, b.v. spoiler, imperiaal, telefoonantenne enz. op de wagen zitten, kunt u het beste even met het personeel overleggen.
Windgeleider
De windgeleider van het Open Sky-systeem mag alleen met milde zeepsop en een spons worden schoongemaakt. Vastzittend vuil kan met een zachte borstel worden verwijderd.
Windscherm
Het windscherm wordt met water of bij ernstige verontreiniging met een neutrale reinigingsmiddeloplossing schoongemaakt.
Conserveren
Een goede conservering beschermt de wagenlak uitgebreid tegen de onder "Wassen" genoemde milieu-invloeden en zelfs tegen geringe mechanische invloeden.
De wagenlak kan reeds één week na de levering van uw nieuwe wagen met een vloeibare vaste was worden behandeld.
Uiterlijk op het moment dat schoon water niet meer als ronde druppels op de lak ligt, de wagen door het aanbrengen van een vaste was opnieuw beschermen. Ook als er regelmatig vloeibare was wordt gebruikt, is het aan te bevelen de lak ten minste tweemaal per jaar met vaste was te beschermen.
Resten van insecten, die vooral in het warme jaargetijde op het voorste gedeelte van de motorkap en de voorbumper achterblijven, kunnen overigens veel gemakkelijker van een goed geconserveerde lak worden verwijderd.
Polijsten
Polijsten is alleen noodzakelijk, als de lak dof is geworden en met conserveringsmidde- len geen glans meer kan worden verkregen. Wanneer het gebruikte polijstmiddel geen conserverende bestanddelen bevat, moet de lak vervolgens worden geconserveerd.
Aanwijzing
Mat gespoten delen en kunststof delen mogen niet met polijstmiddelen of vaste was worden behandeld.
Sierlijsten
Voor het verwijderen van vlekken en aanslag op de sierlijsten dienen pH-neutrale verzorgingsmiddelen te worden gebruikt (geen chroom-poetsmiddelen). Audi-dealers beschikken over milieuvriendelijke schoonmaakmiddelen, die voor uw wagen getest en vrijgegeven zijn.
Ter vermijding van beschadigingen door corrosie op de uitwendige sierlijsten mogen aan het water voor de ruitensproeier alleen pH-neutrale middelen worden toegevoegd.
Lakbeschadigingen
Kleine lakbeschadigingen, zoals krassen, schrammen of steenslagschade, direct met lak (Audi-lakstift of spuitbus) afdekken, voordat roest kan ontstaan.
Mocht zich toch eens roest hebben gevormd, dan moet dit grondig worden verwijderd. Vervolgens wordt op deze plek eerst grondlak en dan deklak aangebracht. Vanzelfsprekend voeren ook de Audi-dealers deze werkzaamheden uit.
Het laknummer van de originele lak van de wagen staat op de sticker met wagengegevens; zie bladzijde 226.
Ruiten
Sneeuw en ijs op ruiten en spiegels alleen met een kunststof krabber verwijderen. Om krassen door vuil te voorkomen, de krabber niet heen en weer bewegen, maar alleen schuiven.
Glas met een waterafstotende coating waarbij het water niet meer parelend van een schone ruit afdruipt, moet door een Audi-dealer van een nieuwe coating worden voorzien. In het algemeen dient dit elke twee jaar te gebeuren.
Geen agressieve of sterk schurende middelen (b.v. vloeibaar schuurmiddel) voor de reiniging van de ruiten gebruiken. Evenmin dient men schuurdoekjes/-sponsjes zoals Scotch Brite te gebruiken aangezien deze kleine beschadigingen van het oppervlak veroorzaken en de doorzichtigheid nadelig beïnvloeden.
Resten van rubber, olie, was, vet of siliconen kunnen met een ruitschoonmaakmiddel of een siliconen-verwijderingsmiddel worden verwijderd.
Ook de binnenzijde van de ruiten moeten op gezette tijden worden schoongemaakt.
Voor het afdrogen van de ruiten niet de zeem voor de lakvlakken gebruiken, omdat resten van conserveringsmiddelen het zicht belemmeren.
Opdat de verwarmingsdraden in de achterruit niet worden beschadigd, mogen er geen stickers aan de binnenzijde op de verwarmingsdraden worden geplakt.
Rubbers blijven soepel en gaan langer mee, wanneer deze af en toe dun met een rubber-onderhoudsmiddel worden behandeld. Ze vriezen in de winter dan ook niet vast!
Kunststof delen en kunstleer
Kunststof delen aan de buitenkant van de wagen worden door normaal wassen schoongemaakt en kunststof delen in het interieur met een vochtige doek. Als dit niet voldoende is, mogen kunststof delen alleen met speciale oplosmiddelvrije kunststof-schoonmaak- en -verzorgingsmiddelen worden behandeld.
Bekledingsstoffen
Bekledingsstoffen op portieren, dak enz. worden met speciale reinigingsmiddelen resp. met droog schuim en een zachte spons behandeld.
Leer
Algemeen
Ons aanbod aan leersoorten is groot. Het betreft in eerste instantie verschillende uitvoeringen van nappaleer, dus leer met een glad oppervlak in verschillende kleuren.
De intensiteit van de gebruikte kleur bepaalt het uiterlijk en de kwaliteit. Als op het leeroppervlak het karakteristieke natuurlijke uiterlijk zichtbaar is, dan betreft het onbehandeld nappaleer dat een bijzonder goed zitcomfort biedt. Fijne aders, gesloten littekens, insectensteken, huidplooien alsmede gewolkte kleurnuances blijven zichtbaar en tonen de echtheid van het natuurlijke materiaal.
Onbehandeld nappaleer heeft geen afdekkende verflaag. Het is daarom kwetsbaarder. Men dient daaraan te denken als het leer veel te lijden heeft van kinderen, dieren of andere invloeden.
Leersoorten met een min of meer afdekkende verflaag zijn daarentegen sterker. Dit heeft een positieve invloed op de slijtvastheid van het leer in het dagelijkse gebruik. Het karakteristieke natuurlijke uiterlijk is echter nauwelijks of niet meer zichtbaar, maar dit heeft geen invloed op de leerkwaliteit zelf.
Verzorging en behandeling
Afhankelijk van de exclusiviteit van de gebruikte leersoort en de karakteristieke eigenschappen (zoals gevoeligheid voor olie, vet, verontreiniging enz.) is enige voorzichtigheid bij het gebruik en de verzorging geboden. Zo kunnen b.v. donkere bekledingsstoffen (vooral wanneer deze vochtig zijn en een verkeerde kleur hebben) het leer verkleuren. Stof en vuildeeltjes in poriën, plooien en naden kunnen door schurende werking het oppervlak beschadigen.
Het leer moet daarom regelmatig resp. afhankelijk van het gebruik worden verzorgd. Na langdurig gebruik zal de lederen bekleiding een karakteristiek en duidelijk herkenbaar patina krijgen. Dat is kenmerkend voor een natuurlijk product en een teken van echte kwaliteit.
Om de duurzaamheid van het natuurlijke materiaal te waarborgen dienen de volgende aanwijzingen in acht te worden genomen:
Aanwijzingen
- Langdurige blootstelling aan fel zonlicht vermijden om verbleken van het leer te voorkomen. Bij lang parkeren in de zon dient het leer tegen direct zonlicht te worden beschermd door het af te dekken.
- Scherpe voorwerpen aan kledingstukken zoals ritssluitingen, drukknopen, riemen met scherpe randen kunnen blijvende krassen of schaafsporen op het oppervlak achterlaten.
- Regelmatig en na elke reiniging een verzorgingscrème met bescherming tegen licht en impregnerende werking gebruiken. De crème voedt het leer, zorgt voor een goede ademing, maakt het soepel en herstelt de natuurlijke vochtigheid. Tegelijkertijd wordt een beschermende laag aangebracht.
- Het leer elke 2 tot 3 maanden schoonmaken, nieuwe verontreinigingen steeds verwijderen.
- Vlekken van balpen, inkt, lippenstift, schoenpoets enz. indien mogelijk onmiddellijk verwijderen.
- Ook de kleur van het leer verzorgen. Indien nodig beschadigde plekken met een speciale gekleurde leercrème bijwerken.
Lederen bekleding schoonmaken en verzorgen
Normaal schoonmaken
- Verontreinigde plekken met een enigszins vochtige katoenen of wollen doek schoonmaken.
Sterkere verontreiniging
- Sterker verontreinigde plekken met een doek en milde zeepsop (2 eetlepels neutrale zeep op 1 liter water) schoonmaken.
- Let daarbij op dat het leer nergens te nat wordt en dat water niet in het stiksel kan binnendringen.
- Met een zachte, droge doek nawrijven.
Verwijdering van vlekken
Natte vlekken op waterbasis (bijv. koffie, thee, vruchtensap, bloed enz.) met een absorberend doekje of een stuk keukenrol verwijderen, respectievelijk bij opgedroogde vlekken het reinigingsmiddel uit de verzorgingsset gebruiken.
- Niet-opgedroogde vlekken op vetbasis (bijv. boter, mayonaise, chocolade enz.) met een absorberend doekje of een stuk keukenrol verwijderen, respectievelijk het reinigingsmiddel uit de verzorgingsset gebruiken als de verontreiniging nog niet in het leer is getrokken.
- Bij opgedroogde vetvlekken een vetoplosspray gebruiken.
- Speciale vlekken (bijv. balpen, viltstift, nagellak, latexverf, schoenpoets enz.) met een voor leer geschikt speciaal vlekkenwater behandelen.
Leeronderhoud
- Het leer elk half jaar met het bij Audi-dealers verkrijgbare leerverzorgingsmiddel behandelen.
- Het verzorgingsmiddel heel dun aanbrengen.
- Met een zachte doek nawrijven.
Voor vragen met betrekking tot de reiniging en verzorging van de lederen bekleding in uw wagen is het raadzaam uw Audi-dealer te raadplegen. Deze adviseert u en geeft ook informatie over ons aanbod aan verzorgingsmiddelen voor leer, bijv.:
- reinigings- en verzorgingsmiddelset
- gekleurde verzorgingscrème
- vlekkenwater voor balpen, schoenpoets enz.
- vetoplosspray
- nieuwe producten en toekomstige ontwikkeling
Aanwijzing
Het leer mag in geen geval met oplosmiddelen (b.v. wasbenzine, terpentine), boenwas, schoenpoets en soortgelijke middelen worden behandeld.
Veiligheidsgordels schoonmaken
Gordels schoon houden! Bij sterk vervuilde gordels kan het oprollen van de gordel worden belemmerd.
Vuile gordels alleen met zacht zeepsop wassen, zonder dat de gordels worden uitgebouwd.
Aanwijzing
Vóór het oprollen moeten rolgordels helemaal droog zijn.
Attentie
De gordels mogen niet chemisch worden gereinigd, omdat chemische reinigingsmiddelen het weefsel kunnen beschadigen. De veiligheidsgordels mogen ook niet met etsende vloeistoffen in aanraking komen.
Stalen velgen
Ook de velgen resp. wieldoppen moeten bij het wassen van de wagen grondig worden schoongemaakt. Daardoor wordt voorkomen, dat remslijpsel, vuil en strooizout zich gaan vastzetten. Hardnekkig vastzittend remslijpsel kan met een industriestofoplosmiddel worden verwijderd. Een beschadigde laklaag moet worden hersteld, voordat roest kan ontstaan.
Lichtmetalen velgen
Opdat het decoratieve uiterlijk van de licht-metalen velgen gedurende lange tijd behouden blijft, is regelmatig onderhoud vereist. Vooral strooizout en remslijpsel moeten uiterlijk elke twee weken grondig met water worden verwijderd, anders wordt het lichtmetaal aangetast.
De velgen mogen alleen met een zuurvrij reinigingsmiddel voor lichtmetalen velgen worden behandeld. Wij raden aan om een bij Audi-dealers verkrijgbaar speciaal reinigingsmiddel te gebruiken. Andere reinigingsmiddelen voor velgen bevatten vaak agressieve bestanddelen, die het oppervlak van de velgen kunnen aantasten. De inwerktijd van de schoonmaakmiddelen mag in geen geval worden overschreden.
Als geen geschikt reinigingsmiddel ter beschikking staat, kunnen de velgen na het wassen ook met groene zeep of met een azijnoplossing worden behandeld.
Ongeveer elke drie maanden is het noodzakelijk, de velgen grondig met vaste was in te smeren. Lakpolijstmiddelen of andere schurende middelen mogen niet worden gebruikt. Als de beschermende laklaag, b.v. door steenslag, is beschadigd, moet de lakschade zo spoedig mogelijk worden hersteld.
Koplampen
De koplampen mogen niet met een droge doek of spons worden schoongemaakt, maar alleen nat.
Gebruik in geen geval insectensponsen, ruwe keukensponsen of iets dergelijks, omdat daardoor het oppervlak door krassen of schuren beschadigd kan worden.
Bij het gebruik van hogedrukreinigers of stoomreinigers moet worden voorkomen dat u van dichtbij spuit en de straal gedurende vrij lange tijd op dezelfde plaats richt.
Bodembescherming
De onderzijde van de wagen is duurzaam beschermd tegen chemische en mechanische invloeden.
Aangezien deze beschermende laag tijdens het rijden echter kan worden beschadigd, is het aan te bevelen om deze laag op de onderkant van de wagen en op het onderstel op gezette tijden – bij voorkeur vóór en na het koude jaargetijde – te laten controleren en, indien nodig, te laten bijwerken.
Audi-dealers beschikken over de juiste spuitmiddelen, zijn voorzien van de vereiste apparatuur en kennen de toepassingsvoorschriften. Daarom moeten ook kleine lakreparaties of aanvullende maatregelen ter bescherming tegen corrosie door Audi-dealers worden uitgevoerd.
Aanwijzing
Vanwege de hoge temperaturen die bij de uitlaatgasnaverbranding ontstaan, zijn in de buurt van de katalysator extra hitteschilden aangebracht. Op deze schilden, bij de katalysator en de uitlaatpijpen mag geen bodembeschermingsmateriaal worden aangebracht. Het is evenmin toegestaan de hittebeschermingsschilden te verwijderen.
Tanken

De schakelaar voor het ontgrendelen van de tankklep zit op de portierstijl (zie afbeelding).
- Bestuurdersportier openen. ● Schakelaar bedienen.
- Tankklep openen.
De brandstoftank heeft een inhoud van ca. 34 liter bij de 1,4 l-typen en 20 liter bij 1,2 l TDI 3L. Bij deze waarden gaat het om benaderingsvulhoeveelheden. De bij te vullen hoeveelheid kan enigszins van deze waarden afwijken.

De losgeschroefde tankdop kan aan de tankklep worden gehangen. De gegevens over de brandstof staan op de sticker aan de binnenzijde van de tankklep; zie afbeelding.
Het zonder storingen vullen van de brandstoftank hangt voornamelijk van de juiste bediening van het vulpistool af.
Zodra het op de juiste wijze bediende vulpistool voor de eerste keer afslaat, is de brandstoftank "vol". Tank dan niet verder, omdat anders de expansieruimte in de tank wordt gevuld. Bij opwarming zou de brandstof eruit kunnen lopen.
Na het tanken de tankdop vastschroeven, tot deze hoorbaar klikt.
Aanwijzingen
- Eruit gelopen brandstof moet direct van de lak worden verwijderd, omdat de lak onder bepaalde omstandigheden kan worden beschadigd. Dit geldt vooral voor PMEbrandstof (biodiesel).
- Bij het meevoeren van een reservetankje de wettelijke voorschriften opvolgen!

Als de elektrische tankklepontgrendeling defect is, dan kan de tankklep met de hand worden ontgrendeld:
- Achterklep openen.
- Met de wijsvinger in de uitsparing grijpen en tegelijkertijd met de duim tegen de zijbekleding drukken – deksel aan zijkant verwijderen.

- Voor het ontgrendelen van de tankklep aan de trekgreep -pijl- trekken.
- Tankklep openen.
Brandstof
Benzinemotoren
Loodvrije benzine moet aan de norm EN 228 resp. DIN EN 228 voldoen.

Katalysatorwagens mogen alleen met loodvrije benzine worden gereden.

Eén tankvulling met loodhoudende benzine leidt reeds tot slechtering van de katalysatorwerking.
55 kW inspuitmotor: Loodvrije superbenzine RON 1) 95.
Het gebruik van loodvrije normale benzine met ten minste 91 RON is toegestaan. Dit heeft echter een gering vermogensverlies tot gevolg.
Benzinetoevoegingen
Soepel draaien, vermogen en levensduur van de motor worden beslissend door de kwaliteit van de benzine beïnvloed. Bijzonder belangrijk zijn de toevoegingen (additieven) aan de benzine. Daarom is het raadzaam, alleen benzine van een gerenommeerd merk met toevoegingen te tanken.
Als een dergelijke benzine niet beschikbaar is, resp. motorstoringen optreden, zoals b.v. startmoeilijkheden, afslaan bij stationair toerental, schokken en vermogensverlies, moeten aan de benzine de vereiste toevoegingen worden toegevoegd. Deze toevoegingen hebben een corrosiebeschermende werking, reinigen het benzinesysteem en voorkomen aanslag in de motor.
Niet alle in de handel verkrijgbare toevoegingen zijn nuttig gebleken. Daarom zijn beproefde toevoegingen bij Audi-dealers in Duitsland en in vele andere landen verkrijgbaar. De Audi-dealers zijn ook op de hoogte van de toepassing en weten wat moet worden gedaan, als zich reeds aanslag heeft afgezet.
Andere brandstofadditieven mogen niet aan de benzine worden toegevoegd.
1) Research-Octane-Number, referentiegetal voor de klopvastheid van benzine.
Dieselmotoren
Dieselolie volgens de norm EN 590 resp. DIN EN 590. CN 1) niet lager dan 49.
Winterse omstandigheden
Bij gebruik van zomerdiesel kunnen bij buitentemperaturen onder 0 °C storingen optreden omdat de brandstof door stelling van de paraffine te stroperig wordt.
Daarom is in Duitsland gedurende het koude jaargetijde tegen strengere vorst bestendige winterdiesel beschikbaar die - afhankelijk van het merk - ook bij ca. -15 °C tot -22 °C nog bedrijfszeker is.
In landen met andere klimatologische omstandigheden wordt dieselolie aangeboden die meestal andere temperatuureigenschappen bezit. Audi-dealers en tankstations in de betreffende landen zijn op de hoogte van de landelijke dieseloliesamenstelling.
Filtervoorverwarming
De wagen is voorzien van een filter-voorverwarmsysteem. Het brandstofsysteem wordt daardoor bij gebruik van winterdiesel, die tot -15 °C vorstbestendig is, tot ca. -25 °C bedrijfszeker.
Als de brandstof bij temperaturen onder -25 °C desondanks zo stroperig is geworden, dat de motor niet meer aanslaat, dan is het voldoende de wagen enige tijd in een verwarmde ruimte te zetten.
Brandstofadditieven (vloeiverbeteraars), benzine en dergelijke middelen mogen niet aan de dieselolie worden toegevoegd.
Bij een slechte kwaliteit van de brandstof kan het noodzakelijk zijn, dat uit de waterafscheider van het brandstoffilter ook tussen de in het Serviceplan vermelde intervallen het water moet worden afgetapt.
Hiertoe moet de plug aan de onderzijde van het filter met de hand worden losgeschroefd. Het is aan te bevelen dit door een Audi-dealer te laten uitvoeren.
Een opeenhoping van water in het filter kan tot motorstoringen leiden.
PME-brandstof (biodiesel)
volgens E DIN 51 606.
Uw Audi met dieselmotor kan ook worden gebruikt met PME-brandstof (Plantaardige-olie-methylester).
Biodiesel is in Nederland en België niet aan de pomp verkrijgbaar.
Wees er bij het tanken zeker van, dat de verkrijgbare brandstof overeenkomt met de bovenvermelde norm. Vraag bij twijfel voor de zekerheid na, of dit het geval is.
Bijzonderheden van PME
- PME wordt uit plantaardige olie (overwegend raapolie) via een chemisch proces vervaardigd, waarbij de plantaardige olie met methanol door middel van een katalysator in PME wordt omgezet.
- PME is nagenoeg vrij van zwavel. Derhalve komt bij de verbranding van PME bijna geen zwaveldioxide (SO2) vrij.
- Het uitlaatgas bevat minder
- koolmonoxide,
- koolwaterstoffen,
- deeltjes (b.v. roet)
dan bij het gebruik van conventionele dieselolie.
Alle uitlaatgaswaarden zijn lager dan de wettelijke voorschriften eisen.
- De PME-brandstof is biologisch gemakkelijk afbreekbaar.
- De rijprestaties kunnen iets minder zijn.
- Het brandstofverbruik kan enigszins hoger zijn.
- PME is vorstbestendig tot ca. -10°C.
- Bij buitentemperaturen onder -10°C moet dieselolie worden bijgetankt, om te voorkomen dat de PME-brandstof uitvlokt. De mengverhouding van dieselolie tot PME-brandstof moet ca. 50 : 50 bedragen.
Als het PME-gehalte boven 50% ligt, kan sterke rookontwikkeling ontstaan.
- PME kan in het warme jaargetijde in elke willekeurige verhouding met dieselolie worden gemengd.
De serviceklep maakt het mogelijk op gemakkelijke wijze het motoroliepeil te controleren alsmede motorolie en ruitensproeiervloeistof bij te vullen.
De motorkap hoeft voor deze werkzaamheden niet te worden geopend.

Voor het openen van de serviceklep aan de hendel op het zijgedeelte links onder het dashboard trekken.

Nr. Bladzijde
1 - Motorolie-vulopening ..... 177 2 - Motorolie-peilstok 176 3 - Ruitensproeier-vloeistofreservoir . 186
Motordeksel
Voor het bereiken van het koelvloeistofexpansiereservoir, het remvloeistofreservoir en voor de uitvoering van onderhoudswerkzaamheden moet de motorkap worden verwijderd.

- Aan de hendel op het zijgedeelte links onder het dashboard trekken.

- Vergrendelingsknoppen in pijlrichting linksom draaien.
- Motorkap iets naar voren trekken en naar boven verwijderen.
Aanwijzing
- Vóór het openen van de motorkap erop letten dat de ruitenwisserarm niet is weggeklapt. Anders kan er lakschade ontstaan.
- Motorkap alleen op een zachte, schone ondergrond (b.v. deken) leggen. De bovenzijde van de motorkap moet naar onderen zijn gekeerd, opdat de onderdelen in de motorkap niet worden beschadigd.
- Motorkap in de beide geleidingen plaatsen en in de vergrendelingen laten vastklikken.

- Vergrendelingsknoppen indrukken en in pijlrichting rechtsom draaien. ● Serviceklep dichtklappen
Attentie
Om veiligheidsredenen moet de motorkap tijdens het rijden altijd goed zijn vergrendeld. Daarom na het sluiten van de motorkap altijd controleren of de vergrendeling is vastgeklikt. Dat is het geval, wanneer de motorkap nergens boven de aangrenzende carrosseriedelen uitsteekt.
Als men tijdens het rijden merkt dat de vergrendeling niet is vastgeklikt, onmiddellijk stoppen en de motorkap sluiten.
Motorruimte
Attentie
Bij werkzaamheden in de motorruimte bijzonder voorzichtig zijn!
- Motor afzetten, contactsleutel eruit trekken.
- Handrem stevig aantrekken.
- Versnellingshendel in neutraal zetten.
- Motor laten afkoelen. ● Zolang de motor bedrijfswarm is:
- niet de koelluchtventilator vastpakken, deze kan plotseling inschakelen.
- vuldop van koelvloeistofreservoir niet openen, het koelsysteem staat onder druk.
- Kortsluitingen in de elektrische installatie, vooral bij de accu, voorkomen.
- Als bij draaiende motor testwerkzaamheden moeten worden uitgevoerd, bestaat er een extra gevaar door draaiende delen, b.v. V-riem, dynamo, koelluchtventilator enz., en door de hoogspanningsontsteking.
De waarschuwingsaanwijzingen in dit instructieboekje en de algemeen geldende veiligheidsmaatregelen moeten worden opgevolgd.
Bij het bijvullen van vloeistoffen moet u erop letten dat deze in geen geval worden verwisseld, anders zijn ernstige storingen in de werking het gevolg.
Attentie: Neem beslist de waarschuwingsaanwijzingen op bladzijde 171 in acht.
Het overzicht van de motorruimte van de 45 kW turbodieselmotor komt overeen met de afbeelding van de 55 kW turbodieselmotor.

55 kW turbodieselmotor
Nr. Bladzijde
1 - Remvloeistofreservoir ..... 180 2 - Koelvloeistof-expansiereservoir .. 178
Motorolie
Viscositeit 1) en specificatie
Af fabriek wordt de motor met een speciale multigrade-dunloopolie gevuld, die - behalve in extreem koude klimaatzones - het gehele jaar kan worden gebruikt.
De onderstaand aangegeven specificaties (VW-normen) moeten afzonderlijk of samen met andere specificaties op de verpakking staan. Bovendien staat op de verpakking de aanduiding van de viscositeit, bijvoorbeeld SAE 0W-30.
Belangrijke aanwijzing
Vanzelfsprekend worden motoroliën voortdurend verder ontwikkeld. Daarom kunnen de gegevens in dit instructieboekje alleen de stand tijdens het drukken van dit boekje weergeven.
Audi-dealers worden door de fabriek over de actuele wijzigingen geïnformeerd. Het verversen van de olie dient daarom bij voorkeur door een Audi-dealer te worden uitgevoerd.
Voor oliespecificaties voor variabele en vaste onderhoudsintervallen zie de volgende bladzijden.
Variabele onderhoudsintervallen (LongLife Service*)
In het kader van deze Audi-service met verlengde onderhoudsintervallen (zie Serviceplan) werden multigrade-dunloopoliesoorten met een nieuwe VW-specificatie voor benzine- en dieselmotoren ontwikkeld.
Deze oliesoorten zijn een voorwaarde voor de verlengde onderhoudsintervallen en moeten daarom in het kader van de LongLife Service worden gebruikt.
Benzinemotoren
Alleen multigrade-dunloopoliesoorten volgens specificatie gebruiken:
- VW 503 00
- VW 503 01
Dieselmotoren
Alleen multigrade-dunloopoliesoorten volgens specificatie gebruiken:
- VW 506 00
- VW 506 01
Aanwijzingen
- LongLife oliesoorten met verschillende specificaties mogen niet met elkaar worden vermengd.
Ook het vermengen met andere oliesoorten dient te worden vermeden aangezien anders niet meer aan de voorwaarde voor de verlengde onderhoudsintervallen wordt voldaan.
- Alleen in uitzonderingsgevallen als het motoroliepeil het minimale gebied (zie markeringen op oliepeilstok) heeft bereikt en LongLife oliesoorten niet beschikbaar zijn, mogen voor benzinemotoren oliesoorten volgens VW-specificatie 502 00 en voor dieselmotoren oliesoorten volgens VW-specificatie VW 505 00 resp. 505 01 in geringe hoeveelheden (maximaal 0,5 l) eenmalig worden bijgevuld. Zie volgende bladzijde.
- Het is raadzaam vóór lange reizen motorolie volgens de nieuwe VW-specificatie aan te schaffen en in de wagen mee te nemen. Op deze wijze heeft men altijd de juiste motorolie om bij te vullen bij zich.
Voor oliespecificaties voor vaste onderhoudsintervallen zie volgende bladzijde.
Vaste onderhoudsintervallen
Als de LongLife Service niet op uw wagen van toepassing is, dan mogen de hierna genoemde oliesoorten worden gebruikt. In dit geval geldt voor uw wagen een vast onderhoudsinterval van 1 jaar/15.000 km (zie Serviceplan).
Aanwijzing
Bij het bijvullen kunnen de aangegeven oliesoorten ook met elkaar worden vermengd. De specificaties moeten op de verpakking staan en de vermelde datum mag niet vroeger zijn dan 01-'97.
Benzinemotoren
A - Multigrade-dunloopolie volgens specificatie: - VW 500 00 - VW 502 00
B - Multigrade-oliesoorten volgens specificatie: - VW 501 01
Als de bovenstaande oliesoorten niet beschikbaar zijn, dan kan ook olie met de specificatie ACEA A2 resp. A3 worden gebruikt.
Dieselmotoren
A - Multigrade-dunloopolie volgens specificatie: - VW 505 01
Oliepeil controleren
Het is normaal, dat de motor olie verbruikt. Afhankelijk van de rijstijl en de gebruiksomstandigheden kan het olieverbruik tot 0,5 l/1000 km bedragen. In de eerste 5000 kilometer kan het verbruik daarboven liggen.
Daarom adviseren we het motoroliepeil op gezette tijden te controleren (het beste bij iedere tankstop en vóór lange ritten).
Zakt het oliepeil onder het aangegeven minimumgebied, dan wordt dit aangegeven door het gaan branden van het oliepeil-waarschuwingslampje* in het instrumentenpaneel. Zie bladzijde 91 en 97. Zo snel mogelijk met de oliepeilstok het oliepeil controleren en olie bijvullen.

Oliepeil bepalen
Bij het controleren moet de wagen op een horizontaal vlak staan. Nadat de motor is afgezet, een paar minuten wachten, zodat de olie in de carterpan kan terugvloeien.
Dan de oliepeilstok eruit trekken, met een schone doek afvegen en de peilstok weer tot de aanslag erin duwen.
De peilstok vervolgens weer eruit trekken en het oliepeil aflezen. Tussen de controles 5 - 10 seconden wachten.
Markeringsvelden op de oliepeilstok
a – Olie mag niet worden bijgevuld. b – Olie mag worden bijgevuld. Het kan hierbij voorkomen, dat het oliepeil daarna in gebied -a- staat. c - Olie moet worden bijgevuld. Het is voldoende, dat het oliepeil ergens in het gebied -b- staat (geribbeld gebied).
Aanwijzing
Bij zware motorbelasting, zoals b.v. bij lange snelle ritten in de zomer of bij het rijden in de bergen, moet het oliepeil zo veel mogelijk in gebied "a" – niet erboven – worden gehouden.

Olievultrechter achter de serviceklep naar voren zwenken en het deksel losschroeven. Olie in hoeveelheden van 0,5 liter bijvullen, daarbij het oliepeil met de oliepeilstok controleren.
Het oliepeil mag in geen geval boven bereik "a" staan. Anders kan olie via de carterontluchting worden aangezogen en door de uitlaat naar buiten komen. De olie kan bovendien in de katalysator verbranden en deze beschadigen.
De olievuldop zorgvuldig sluiten en de oliepeilstok tot de aanslag erin duwen. Anders zou bij draaiende motor olie naar buiten kunnen dringen.
Attentie
Bij het bijvullen mag geen olie op hete motordelen komen; brandgevaar.
De olievuldop zorgvuldig sluiten en de oliepeilstok tot de aanslag erin duwen. Anders zou bij draaiende motor olie naar buiten kunnen dringen.
Motorolie verversen
De motorolie moet volgens de in het Serviceplan beschreven intervallen worden ververst.

Vanwege het opslag- en afvoerprobleem, het vereiste speciale gereedschap en de benodigde vakkennis dient het verversen van de motorolie en het vernieuwen van het filter alleen door een Audi-dealer te worden uitgevoerd.
Motorolietoevoegingen
Aan de motorolie dienen geen aanvullende smeermiddelen te worden toegevoegd.
Beschadigingen die door zulke middelen ontstaan, zijn van garantie uitgesloten.
Koelsysteem
Het koelsysteem wordt in de fabriek met een duurzame koelvloeistof gevuld, die niet wordt ververst. De koelvloeistof bestaat uit water en 40 % antivries G12 A8D. Dit mengsel biedt niet alleen de vereiste bescherming tegen bevriezing t/m -25 °C, maar beschermt ook het gehele koelsysteem tegen corrosie. Bovendien voorkomt dit mengsel kalkafzetting en verhoogt het kookpunt van de koelvloeistof aanmerkelijk.
Daarom mag de concentratie van de koelvloeistof ook in het warme jaargetijde, resp. in warme landen niet door het bijvullen van water worden verminderd. Het percentage antivries moet ten minste 40 % zijn.
Als vanwege het klimaat bescherming tegen strengere vorst wordt vereist, kan het percentage G12 A8D worden verhoogd, maar slechts tot 60 % (bescherming tegen bevriezing tot ca. -40 °C), omdat anders de bescherming tegen bevriezing weer afneemt en bovendien het koeleffect slechter wordt.
Wagens voor landen met een koud klimaat (b.v. Zweden, Noorwegen, Finland) worden reeds op de fabriek voorzien van een vulling die beschermt tegen bevriezing t/m ongeveer -35 °C.
Als antivries mag alleen G12 A8D resp. een toevoeging met de specificatie TL-VW 774 D (let op etiket) worden gebruikt. Deze antivriessoorten zijn bij Audi-dealers verkrijgbaar.
Andere antivriessoorten kunnen vooral de bescherming tegen corrosie aanzienlijk verslechteren.
De daardoor ontstane corrosiebeschadigingen kunnen tot koelvloeistofverlies en vervolgens tot zware motorbeschadigingen leiden.
Aanwijzing
Bij het bijvullen mag in geen geval G12 met andere antivriessoorten (ook niet met G11) worden vermengd.

Het koelvloeistofexpansiereservoir zit links in de motorruimte. Zie afbeelding.
Het juiste koelvloeistofpeil wordt door een controlelampje aangegeven. Zie bladzijde 91 en 100.
Het koelvloeistofpeil kan alleen bij stilstaande motor goed worden gecontroleerd.
Het koelvloeistofpeil moet bij koude motor tussen de MIN.- en MAX.-markeringen van het reservoir te zien zijn; bij warme motor kan het ook iets boven de MAX.-markering staan; zie afbeelding.
Koelvloeistofverlies
Koelvloeistofverlies moet in de eerste plaats in lekkage worden gezocht. In dit geval dient het koelsysteem direct door een Audi-dealer te worden gecontroleerd. Het is niet voldoende, alleen antivries/water bij te vullen.
Bij een dicht systeem kunnen verliezen alleen voorkomen, als de koelvloeistof door oververhitting kookt en daardoor uit het koelsysteem wordt geperst.
Antivries/water bijvullen
Eerst de motor afzetten en laten afkoelen. Dan de vuldop van het expansiereservoir met een lap afdekken en de vuldop voorzichtig een omwenteling linksom draaien en daardoor de overdruk verlagen. Daarna de vuldop eraf draaien.
Attentie
De vuldop van het koelvloeistofreservoir niet bij hete motor openen; verbrandingsgevaar:
Het koelsysteem staat onder druk!
Als in geval van nood alleen water kan worden bijgevuld, moet de juiste mengverhouding met de voorgeschreven antivries (zie de vorige bladzijde) direct weer worden hersteld.
Bij een groter koelvloeistofverlies de antivries alleen bij afgekoelde motor bijvullen, om beschadigingen aan de motor te voorkomen.
Niet hoger dan de MAX.-markering bijvullen:
Teveel aan koelvloeistof wordt bij warm worden van de motor uit het koelsysteem geperst!
De vuldop stevig vastdraaien.
Attentie
Antivries en koelvloeistof zijn schadelijk voor de gezondheid!
Daarom moet de antivries in de originele verpakking en vooral buiten het bereik van kinderen veilig worden opgeslagen. Als de koelvloeistof moet worden afgetapt, moet deze worden opgevangen en veilig worden opgeslagen.
Afgetapte koelvloeistof dient normaal gesproken niet opnieuw te worden gebruikt; het moet, rekening houdend met de milieubeschermingsvoorschriften, worden opgeslagen en afgevoerd.
Koelluchtventilator
De koelluchtventilator wordt elektrisch aangedreven en via een op de koelvloeistoftemperatuur reagerende thermoschakelaar geregeld.
Attentie
Niet in het bereik van de ventilator komen! De ventilator kan plotseling worden ingeschakeld, ook bij uitgeschakeld contact!
Bij werkzaamheden in de motorruimte daarom bijzonder goed oppassen!
Remvloeistof

Het reservoir van de remvloeistof zit links in de motorruimte.
Aanwijzing
Bij wagens met rechts stuur zit het remvloeistofreservoir aan de andere zijde van de motorruimte.
Vloeistofpeil controleren
Het vloeistofpeil moet altijd tussen de MAX.- en MIN.-markering liggen.
Een geringe daling van het vloeistofpeil ontstaat tijdens het rijden door de slijtage en automatische bijstelling van de remblokken en remvoeringen. Dit is normaal.
Als het vloeistofpeil echter binnen korte tijd duidelijk zakt of onder de MIN.-markering komt, kan het remsysteem lek zijn. Een te laag remvloeistofpeil in het voorraadreservoir wordt door het gaan branden van het remcontrolelampje aangegeven; zie ook bladzijde 90 en 100. Direct een Audi-dealer opzoeken en het remsysteem laten controleren.
Remvloeistof verversen
Remvloeistof trekt vocht aan. De vloeistof neemt daarom in de loop van de tijd water uit de omringende lucht op. Door een te hoog watergehalte van de vloeistof daalt het kookpunt van de remvloeistof aanzienlijk en vermindert onder bepaalde omstandigheden de remwerking. Daarom dient de remvloeistof elke twee jaar te worden ververst!
Attentie
Bij verouderde remvloeistof kan bij bijzonder sterke belasting van de remmen dampbelvorming ontstaan. Daardoor wordt het remvermogen en zodoende de rijveiligheid sterk verminderd.
Er mag alleen originele remvloeistof (specificatie volgens US-norm FMVSS 116 DOT 4) worden gebruikt. De vloeistof moet nieuw zijn.
Attentie
Remvloeistof is giftig!
Daarom mag de remvloeistof alleen in de dichte, originele verpakking en vooral buiten het bereik van kinderen veilig worden opgeborgen.
Let op! Remvloeistof tast de wagenlak aan.
Vanwege het probleem bij opslag en afvoer, de vereiste speciale gereedschappen en de noodzakelijke vakkennis, het verversen van de remvloeistof door een Audi-dealer laten uitvoeren.
Het is raadzaam het verversen van de remvloeistof tijdens een Grote Onderhoud Service te laten uitvoeren.
Accu

De startaccu zit onder de vloer van de bagageruimte (zie afbeelding).
De (+) pool van de accu is bij enkele wagens met een kunststof kap afgedekt. Om voor een starthulp bij de (+) pool te kunnen komen, moet deze kap worden verwijderd.
Attentie
Bij werkzaamheden aan de accu de volgende waarschuwingsaanwijzingen en veiligheidsvoorschriften opvolgen.

Beschermende bril dragen. Geen zuur- of loodhoudende deeltjes in de ogen, op de huid of op kleding laten komen.

Accuzuur is sterk etsend. Beschermende handschoenen en een beschermende bril dragen. Accu kantelen, uit de ontgassingsopeningen kan accuzuur vrijkomen. Zuurspatjes in de ogen direct enkele minuten met schoon water uitspoelen. Daarna onmiddellijk naar een arts gaan. Zuurspatjes op de huid of kleding direct met een zeepoplossing neutraliseren en met water naspoelen. Na inwendig gebruik van accuzuur direct een arts raadplegen.

Accu en accuzuur buiten het bereik van kinderen houden.

Tijdens het laden van de accu ontstaat een licht ontvlambaar knalgas.

Vuur, vonken, onbeschermde verlichting en roken verboden. Vonkvorming bij het werken met elektrische apparatuur vermijden. Kortsluiting voorkomen. Accupolen nooit kortsluiten. Verwondingsgevaar bij elektrische vonken.
- Vóór alle werkzaamheden aan de elektrische installatie moet de minkabel van de accu worden losgenomen.
- Bij het loskoppelen van de accu van het boordnet, eerst de minkabel en daarna de pluskabel losnemen.
Bij draaiende motor mag de accu niet worden losgenomen, omdat anders de elektrische installatie (elektronische delen) wordt beschadigd.
- Bij het weer aansluiten van de accu op het boordnet eerst de pluskabel, dan de minkabel aansluiten. De aansluitkabels mogen in geen geval worden verwisseld; gevaar voor kabelbrand!
Accuvloeistofpeil controleren
De accu is onder normale bedrijfsomstandigheden bijna onderhoudsvrij. Door verdamping van water (in het bijzonder bij hoge buitentemperaturen) kan echter het accuvloeistofpeil in de loop der tijd dalen. Het wordt daarom aanbevolen, het accuvloeistofpeil afhankelijk van de gebruiksomstandigheden te controleren of te laten controleren.
Als het accuvloeistofpeil tot onder de min.-markering is gedaald, dienen de betreffende accucellen met gedestilleerd water tot de max.-markering te worden bijgevuld.
Aanwijzing
Gedestilleerd water niet tot boven de max.-markering bijvullen. Het wegstromende zwavelzuur-watermengsel kan onder bepaalde omstandigheden beschadigingen veroorzaken.

Accu met kijkglas
Op de bovenzijde van de accu zit een rond kijkglas; zie pijl in de afbeelding. Dit kijkglas verandert van kleur afhankelijk van de ladingstoestand en het accuvloeistofpeil van de accu. De kleur dient als hulpmiddel bij de diagnose door een Audi-dealer.
Luchtbellen kunnen van invloed zijn op de kleur. Daarom voorzichtig op het kijkglas tikken.
Is de kleur in het kijkglas kleurloos of lichtgeel, dan is het accuvloeistofpeil van de accu te laag. Er moet gedestilleerd water worden bijgevuld. Accu's ouder dan 5 jaar kunnen het beste worden vervangen.
Het verdient aanbeveling het accuvloeistofpeil door een Audi-dealer te laten controleren en corrigeren.
Winterse omstandigheden
De accu wordt vooral in de winter sterk belast. Bovendien heeft de accu bij lagere temperaturen nog slechts een gedeelte van de startcapaciteit, die deze bij normale temperaturen heeft. Daarom adviseren wij de accu voor het begin van het koude jaargetijde bij voorkeur door een Audi-dealer te laten controleren en zo nodig te laten opladen.
Als bij zeer sterke vorst met de wagen meerdere weken niet wordt gereden, de accu uitbouwen en in een vorstvrije ruimte bewaren, zodat deze niet bevriest en daardoor wordt beschadigd.
Accu laden
Bij laden met geringe stroomsterkte (bijv. met een kleine lader) hoeven de aansluitkabels van de accu normaal gesproken niet te worden losgenomen. In elk geval moeten de instructies van de laderfabrikant worden opgevolgd.
Vóór snelladen van de accu, d.w.z. het laden met hoge stroomsterkte, moeten beide aansluitkabels echter worden losgenomen.
De volgende aanwijzingen opvolgen:
- Tijdens het laden de vuldopjes van de accu niet openen.
Een ontladen accu kan reeds bij -10 °C bevriezen. Een bevroren accu moet vóór het laden altijd worden ontdooid, anders kan deze exploderen.
De steker van de lader pas in het stopcontact steken, nadat de pooltangen van de lader volgens voorschrift op de accupolen zijn aangesloten:
rood = plus
- Na het laden van de accu eerst de lader uitschakelen en daarna de netkabel losmaken. Vervolgens de pooltangen van de lader van de accu losmaken.
Accu vervangen
Als de accu moet worden vervangen, dient de nieuwe accu dezelfde capaciteit, spanning (12 volt), stroomsterkte, bouwvorm en vuldopjes te hebben. Audi-dealers beschikken over geschikte accu's.
Vanwege het opslag- en afvoerprobleem van de oude accu dient een accu bij voorkeur door een Audi-dealer te worden vervangen. Accu's bevatten o.a. zwavelzuur en lood en mogen in geen geval in de vuilnisbak worden gegooid.
Aanwijzing
Na het los- en weer vastmaken van de massakabel van de accu zijn de volgende functies buiten werking resp. kunnen niet meer storingsvrij worden gebruikt:
- openings-/sluitautomaat van de elektrische ruitbediening
- soepel draaien van de motor
- radio
Hoe de betreffende functie weer kan worden hersteld, wordt onder "Elektrische ruitbediening" (bladzijde 26), "Contactslot" (bladzijde 75) en in het instructieboekje van de radio beschreven.
Bovendien kan het nodig zijn (afhankelijk van de uitrusting van de wagen), om bepaalde instellingen opnieuw uit te voeren (b.v. klok).
Bij wagens met telematica*1) moet vóór het losmaken van de kabels van de accu de servicemodus van het systeem worden geactiveerd. Zie telematica-instructieboekje.
Vloeistofreservoir ruitensproeier

De vulopening voor het reservoir voor ruitensproeiervloeistof en koplampsproeiersysteem* zit achter de serviceklep; zie bladzijde 168.
Het vloeistofreservoir voor ruitensproeier heeft een inhoud van ca. 2,0 liter; het reservoir voor de ruitensproeier met geïntegreerd koplampsproeiersysteem heeft een inhoud van ca. 4,0 liter.
Reservoir vullen
Het is aan te bevelen, aan het water altijd een ruitenschoonmaakmiddel ('s winters met antibevriezingsmiddel) toe te voegen, omdat schoon water alleen in het algemeen niet voldoende is om de ruiten en koplampglazen snel en grondig schoon te maken. De mengvoorschriften op de verpakking van het ruitenschoonmaakmiddel opvolgen.
Aanwijzing
Als er geen ruitenreiniger met bescherming tegen bevriezing beschikbaar is, kan ook spiritus (het aandeel van spiritus mag niet meer dan 15% bedragen) worden gebruikt. Er dient rekening mee te worden gehouden, dat bij deze concentratie de bescherming tegen bevriezing slechts tot -5 °C reikt.
In geen geval antibevriezingsmiddel van het motorkoelsysteem of andere toevoegingen gebruiken.
Ruitenwisserblad
Attentie
- Een goed ruitenwisserblad is beslist vereist voor een goed zicht.
- Om streepvorming te voorkomen, dient het ruitenwisserblad geregeld met een ruitenschoonmaakmiddel te worden schoongemaakt. Bij ernstige verontreiniging, b.v. insectenresten, het wisserblad met een spons of doek schoonmaken.
- Ter wille van de veiligheid het ruitenwisserblad jaarlijks een- tot tweemaal vernieuwen. Ruitenwisserbladen zijn bij Audi-dealers verkrijgbaar.
Bij bevroren ruiten, alvorens de ruitenwisser voor de eerste keer in te schakelen, controleren of het wisserblad niet is vastgevroren!

Ruitenwisserblad vervangen
Wisserblad losnemen
- Ruitenwisserarm van de ruit wegklappen en het wisserblad haaks op de ruitenwisserarm zetten.
- De borgveer in pijlrichting A drukken.
- Het wisserblad in pijlrichting B ontgrendelen en aansluitend in tegengestelde richting van de arm verwijderen.
Wisserblad bevestigen
De borgveer moet hoorbaar in de ruitenwisserarm vastklikken.
Bij het monteren van het wisserblad met windvleugeltje opletten, dat het windvleugeltje naar beneden wijst.
Wielen
Algemene aanwijzingen
- Nieuwe banden hebben in het begin nog niet de optimale grip en moeten daarom ongeveer 500 km met matige snelheid en overeenkomstige voorzichtige rijstijl worden "ingereden". Dit komt ook de levensduur van de banden ten goede.
- Op basis van constructiekenmerken en profielvormen kan de profieldiepte van nieuwe banden, afhankelijk van uitvoering en fabrikaat, verschillen vertonen.
- Banden van tijd tot tijd op beschadigingen (steken, sneden, scheuren en buiten) controleren. Steentjes, stukjes glas e.d. uit het profiel verwijderen.
- Om beschadigingen aan banden en velgen te voorkomen, mag alleen langzaam en onder een zo recht mogelijke hoek tegen stoepranden en dergelijke worden opgereden.
Beschadigingen van banden en velgen blijven vaak verborgen. Ongewone trillingen resp. naar één kant trekken van de wagen kan wijzen op een beschadigde band. Als het vermoeden bestaat dat een band beschadigd is, dient de snelheid direct te worden verlaagd!
Controleer de banden op beschadigingen (bulten, scheuren enz.). Als geen uitwendige schade zichtbaar is, dient er overeenkomstig langzaam en voorzichtig naar de dichtstbijzijnde Audi-dealer te worden gereden om de wagen te laten controleren.
- Banden niet in aanraking laten komen met olie, vet en brandstof.
- Verloren ventieldopjes direct vervangen.
- De wielen markeren alvorens ze te demonteren, zodat ze bij het monteren weer dezelfde draairichting hebben.
- Gedemonteerde velgen resp. banden altijd koel, droog en zo mogelijk donker opbergen.

De bandenspanningen voor zomerbanden staan op de sticker aan de binnenzijde van de tankklep; zie afbeelding.
Vooral bij hogere snelheden is de bandenspanning van groot belang. De bandenspanning daarom ten minste eenmaal per maand en voor elke langere rit controleren.
Bandenspanning altijd bij koude banden controleren. De bij warme banden verhoogde bandenspanning niet verlagen. Bij grote wijziging van de belading dient de bandenspanning overeenkomstig te worden aangepast.
Een te lage of te hoge bandenspanning verkort de levensduur van de banden aanzienlijk en heeft een ongunstig effect op de wegligging van de wagen.
Attentie
Bij langdurig hoge snelheden moet een band met te lage bandenspanning meer vervormingen verwerken en wordt daarbij te warm. Dit kan het losraken van het loopvlak veroorzaken en zelfs tot het barsten van de band leiden.
Een te lage bandenspanning verhoogt het brandstofverbruik. Daardoor wordt het milieu onnodig belast.
Wielen balanceren
De wielen van de nieuwe wagen zijn gebalanceerd. Tijdens het rijden kan echter door verschillende invloeden een onbalans ontstaan, die door trillen van het stuur kan worden herkend.
Aangezien een onbalans ook verhoogde slijtage van stuurinrichting, wielophanging en banden veroorzaakt, de wielen dan opnieuw laten balanceren. Bovendien moet een wiel na het monteren van een nieuwe band en na elke bandenreparatie opnieuw worden gebalanceerd.

Op de bodem van de profielgroeven van de originele banden zitten dwars op de looprichting 1,6 mm hoge "slijtagemerktekens"; zie afbeelding. Deze slijtagemerktekens zijn, afhankelijk van het fabrikaat, 6 tot 8 keer op gelijke afstanden op de omtrek van de band aangebracht. Markeringen op de zijkant van de band (b.v. de letters "TWI" of driehoekige symbolen) geven de plaats van de slijtagemerktekens aan.
Attentie
- Wanneer de banden tot op de slijtagemerktekens zijn afgesleten, moeten ze direct worden vervangen.
- Versleten banden verminderen, vooral bij hogere snelheden op een nat wegdek het vereiste contact met de rijbaan. Bovendien kan de wagen dan eerder gaan glijden (aquaplaning).
Aanwijzing
Bij 1,6 mm restprofiel, gemeten in de profielgroeven naast de slijtagemerktekens, is de wettelijk toegestane profieldiepte bereikt (in bepaalde landen kunnen andere waarden gelden).

Bij duidelijk sterkere slijtage van de banden op de voorwielen is het raadzaam, de voorwielen en de achterwielen overeenkomstig het schema te verwisselen. Daardoor krijgen alle banden ongeveer dezelfde levensduur.
Bij bepaalde slijtageverschijnselen van het bandenloopvlak kan het van voordeel zijn, de wielen kruiselings te verwisselen. Details zijn bij Audi-dealers bekend.
Aanwijzing
Bij draairichtinggebonden bandenprofiel (herkenbaar aan de pijlmarkeringen op de zijkant van de band) is het kruiselings verwisselen van de wielen niet mogelijk.
Velgen/banden vervangen
Banden en velgen zijn belangrijke constructie-elementen. Gebruik daarom de door ons vrijgegeven banden en velgen. Deze zijn precies op het wagentype aangepast en van groot belang voor de goede wegligging en de veilige rij-eigenschappen.
De voor uw wagen toegestane band-/velg-combinaties staan (afhankelijk van de landelijke wetgeving) in de wagenpapieren.
Let op dat ondanks dezelfde opgegeven maten de werkelijke grootte van de afzonderlijke merken banden van de nominale grootte kan afwijken.
Daarom mogen geen banden worden gebruikt waarvan de effectieve grootte de afmetingen van de door ons vrijgegeven merken banden overschrijdt.
Als andere banden en/of velgen worden gebruikt, dan bestaat het gevaar dat de constructief bepaalde speling van de wielen nadelig wordt beïnvloed. Door wrijving kunnen banden en delen van het onderstel of de carrosserie onder bepaalde omstandigheden worden beschadigd waardoor de rijveiligheid zeer sterk wordt verminderd.
Als men naderhand een andere dan door de fabriek gemonteerde band-/velgcombinatie wil inbouwen, dan is het raadzaam vóór de aankoop een Audi-dealer te raadplegen.
De Audi-dealers beschikken over onze actuele informatie en weten of wij voor uw wagen speciale merken banden aanbevelen. Vele Audi-dealers bieden een aantrekkelijk banden- en velgenassortiment aan.
- Het monteren en repareren van banden vereist vakkennis en speciaal gereedschap. Deze werkzaamheden mogen daarom alleen door vakmensen worden uitgevoerd.
Vanwege het opslag- en afvoerprobleem van de oude banden, de vereiste speciale gereedschappen en de noodzakelijke vakkennis, dient het vervangen van banden bij voorkeur door een Audi-dealer te worden uitgevoerd.
- Ter wille van de rijveiligheid de banden als enigszins mogelijk niet afzonderlijk, maar ten minste per as vervangen. De banden met de grootste profieldiepte moeten altijd op de voorwielen worden gemonteerd.
Bij bandenpech mag alleen de door de fabriek geleverde vouwband* worden gebruikt.
Als de wagen naderhand met andere dan de op de fabriek gemonteerde banden of velgen moet worden uitgerust, dient op het volgende te worden gelet:
Attentie
- Om technische redenen kunnen normaliter geen velgen van andere wagens, onder bepaalde omstandigheden ook niet van hetzelfde model, worden gebruikt!
- Velgen en wielbouten zijn constructief op elkaar afgestemd.
Elke keer bij het monteren van andere velgen (b.v. lichtmetalen velgen of velgen met winterbanden) moeten daarom de bijbehorende wielbouten met de juiste lengte en bolvorm onder de boutkop worden gebruikt. De bevestiging van de wielen en het functioneren van het remsysteem zijn hiervan afhankelijk!
- Door het gebruik van banden en/of velgen, die niet door ons voor uw wagentype zijn vrijgegeven, kan de verkeersveiligheid nadelig worden beïnvloed. Bovendien kan in Nederland de door de Rijksdienst voor het Wegverkeer verleende typegoedkeuring zijn geldigheid verliezen!
- Als naderhand wieldoppen worden gemonteerd, moet erop worden gelet dat er voldoende luchttoevoer voor de koeling van het remsysteem is gegarandeerd.
Audi-dealers weten welke technische mogelijkheden er bestaan bij het ombouwen en naderhand aanbrengen van banden, velgen en wieldoppen.
Winterbanden
Onder winterse omstandigheden worden de rij-eigenschappen van de wagen duidelijk beter door winterbanden.
Bij het monteren van winterbanden dient op het volgende te worden gelet:
- Om de best mogelijke rij-eigenschappen te bereiken, moeten winterbanden op alle vier de wielen worden aangebracht.
- Er mogen alleen voor de wagen toegestane winterbanden worden gekozen. De voor uw wagen toegestane band-/velgcombinaties staan (afhankelijk van de landelijke wetgeving) in de wagenpapieren resp. kunnen bij elke Audi-dealer worden opgevraagd; zie ook "Velgen/banden vervangen".
- Winterbanden verliezen grotendeels hun wintereigenschappen, als het profiel tot op 4 mm is afgesleten.
Ook door veroudering verliezen winterbanden verregaand hun eigenschappen, hoewel de profieldiepte nog beduidend meer dan 4 mm kan zijn.
Voor winterbanden gelden de volgende snelheidsbeperkingen:
Code Q max. 160 km/u
Code T max. 190 km/u
Code H max. 210 km/u
In wagens die deze snelheden kunnen overschrijden moet een duidelijke sticker in het blikveld van de bestuurder zijn aangebracht. Stickers "max.-snelheid" zijn bij Audi-dealers verkrijgbaar.
Eventuele andere bepalingen in andere landen opvolgen.
- In plaats van winterbanden kunnen ook 4-seizoenenbanden worden gemonteerd.
Sneeuwkettingen
- Sneeuwkettingen verbeteren niet alleen de voortstuwing op winterse wegen, maar ook het remgedrag.
- Het gebruik van sneeuwkettingen is om technische redenen alleen toegestaan op velgen met de maat 4Jx14 (inpersdiepte 35), 4 1/2Jx14 (inpersdiepte 35) en op velgen met de maat 5Jx15 (inpersdiepte 28) met gemonteerde 155/65 M+S banden.
- Alleen sneeuwkettingen met dunne schakels, die de banden niet meer dan 15 mm (inclusief kettingslot) dikker maken, gebruiken.
- Bij het rijden over sneeuwvrije trajecten moeten de sneeuwkettingen worden gedemonteerd. Anders beïnvloeden ze de wegligging, beschadigen ze de banden en zijn ze snel versleten.
- In Duitsland bedraagt de toelaatbare maximumsnelheid met sneeuwkettingen 50 km/u.
Koplampen afplakken
Bij reizen in landen waar aan de andere zijde van de weg wordt gereden dan in het eigen land, verblindt het asymmetrisch dimlicht de tegenliggers.
Om verblinding tegen te gaan, moeten beide koplampglazen met plakband dat geen licht doorlaat worden afgeplakt.

Omschakelen van rechts verkeer naar links verkeer
Rechter koplamp
De afbeelding toont het gedeelte dat moet worden afgeplakt.

De afbeelding toont het gedeelte dat moet worden afgeplakt.

Omschakelen van links verkeer naar rechts verkeer
Rechter koplamp
De afbeelding toont het gedeelte dat moet worden afgeplakt.

De afbeelding toont het gedeelte dat moet worden afgeplakt.
Accessoires, wijzigingen en vervanging van delen
Uw Audi is volgens de nieuwste inzichten van de veiligheidstechniek geconstrueerd en biedt daarom bijzonder veel actieve en passieve veiligheid. Opdat dit zo blijft, mag de af de fabriek geleverde uitvoering niet zonder meer worden gewijzigd. Als de wagen naderhand met accessoires wordt uitgerust, technische wijzigingen worden uitgevoerd of later eens delen moeten worden vervangen, moeten daarom de volgende aanwijzingen worden opgevolgd:
- Vóór de aankoop van accessoires en vóór technische wijzigingen dient altijd een Audi-dealer te worden geraadpleegd, want door de nauwe samenwerking met ons is de Audi-organisatie hiervoor bijzonder deskundig.
Attentie
In uw eigen belang raden wij u dringend aan voor uw wagen alleen uitdrukkelijk vrijgegeven Audi A2-accessoires 1) en originele Audi A2-onderdelen te gebruiken. Voor deze accessoires en deze onderdelen werden betrouwbaarheid, veiligheid en geschiktheid speciaal voor uw Audi gecontroleerd (zie ook bladzijde 3).
Voor andere producten kunnen wij dit - ook wanneer in afzonderlijke gevallen een goedkeuring door een wettelijk erkende instantie of een wettelijke vergunning is afgegeven - ondanks voortdurende observering van de markt niet beoordelen en garanderen.
- Vrijgegeven Audi-accessoires en originele Audi-onderdelen zijn bij Audi-dealers verkrijgbaar. Vanzelfsprekend kan daar ook het monteren vakkundig worden uitgevoerd.
- Extra aangesloten elektrische verbruikers uit de woon- en kantooromgeving, zoals b.v. koelboxen, claxons of ventilatoren, die niet voor de directe besturing van de wagen dienen, moeten van een CE-code zijn voorzien.
- Naderhand ingebouwde apparaten, die de besturing van de wagen direct beïnvloeden, zoals b.v. snelheidsregelsystemen of elektronisch geregelde dempingssystemen, moeten van een e-code zijn voorzien en voor deze wagen zijn vrijgegeven.
- Als technische wijzigingen, b.v. tuning, moeten worden uitgevoerd, dan dienen de richtlijnen van Audi in acht te worden genomen. Hiermee wordt bereikt dat er geen beschadigingen aan de wagen ontstaan, de verkeers- en bedrijfsveiligheid behouden blijft en de wijzigingen toelaatbaar zijn. De Audi-dealers voeren ook deze werkzaamheden vakkundig uit of verwijzen in bijzondere gevallen naar een gespecialiseerde firma.
TIPS OM HET ZELF TE DOEN
Gevarendriehoek*, verbanddoos*

De gevarendriehoek en de verbanddoos zitten in een speciale tas links in de bagageruimte.
Wagengereedschap en krik

Het wagengereedschap, de compressor en de krik zitten onder de vloer van de bagageruimte of in de voetruimte aan bijrijderszijde.
Wagengereedschap onder de vloer van de bagageruimte
De bodembekleding kan aan een lus worden opgelicht.
Het vóór de accu geplaatste voorgevormde schuimstof deel moet ingebouwd blijven en mag niet worden verwijderd.

Wagengereedschap onder het tapijt in de voetruimte aan bijrijderszijde
Het tapijt wegklappen, de afdekking bij de drie bevestigingspunten losmaken en verwijderen.
Het wagengereedschap bestaat uit:
- trekker voor wieldop,
- kunststof klem voor wielboutdop*,
- wielsleutel,
- montagepen voor verwisselen van een wiel,
- schroevendraaier met omsteekbare greep,
- steeksleutel 10 x 13,
- sleepoog.
De adapter voor de wielboutbeveiliging* zit bij uitvoering af fabriek in het opbergvak voor het wagengereedschap en dient na gebruik ook daar te worden opgeborgen.
Voordat de krik weer wordt opgeborgen, moet de krikarm weer geheel worden teruggedraaid.
Attentie
- De af fabriek meegeleverde wagenkrik is alleen voor uw wagentype bestemd. In geen geval mogen daarmee zwaardere wagens of andere lasten worden opgekrikt!
- Nooit bij opgekrikte wagen de motor starten; gevaar voor ongelukken!
- Als onder de wagen moet worden gewerkt, dient de wagen veilig op hiervoor geschikte bokken te worden gezet.
De zeskant in de greep van de schroevendraaier vereenvoudigt vooral bij lichtmetalen velgen het eruit en erin draaien van wielbouten bij het verwisselen van een wiel. Dit kunststof gereedschap mag in geen geval voor het losdraaien of vastzetten van de wielbouten worden gebruikt.
Reservewiel*

De wagen is met een reservewiel (vouwband) en bijbehorende compressor uitgerust.
De vouwband zit onder de dubbele vloer van de bagageruimte. Het wordt door een bevestigingsbout op zijn plaats gehouden.

De compressor zit onder de vloer van de bagageruimte of in de voetruimte aan bijrijderszijde; zie afbeelding.
Om deze te bereiken het tapijt wegklappen, de afdekking bij de drie bevestigingspunten losmaken en verwijderen.
"Verwisselen van een wiel" en "Vouwband oppompen"; zie vanaf bladzijde 202.
Bij het gebruik van de vouwband moeten de volgende punten in acht worden genomen:
- De vouwband is slechts voor tijdelijk en kortdurend gebruik bestemd. Daarom moet het zo spoedig mogelijk weer door het normale wiel worden vervangen.
- Niet sneller dan 80 km/u rijden! Accelereren met volgas, sterk remmen en het snel nemen van bochten moeten worden voorkomen!
- Automatische wasinstallaties dienen met gemonteerde vouwband niet te worden gebruikt.
- De vouwband is speciaal voor dit model ontwikkeld. Deze mag daarom niet voor andere modellen worden gebruikt. Evenmin mogen reservewielen van andere modellen worden gebruikt.
- Het gebruik van sneeuwkettingen op de vouwband is om technische redenen niet toegestaan.
Als sneeuwkettingen moeten worden gebruikt, dan moet daarom bij een kapotte voorband de vouwband op de achteras worden aangebracht. Het vrijgekomen achterwiel moet dan op de plaats van het defecte voorwiel worden gemonteerd. Het is raadzaam, reeds voor het monteren van het wiel de sneeuwketting aan te brengen. De bandenspanning moet vervolgens zo snel als mogelijk worden gecorrigeerd.
- Op de velg van de vouwband mag geen normale band of winterband worden gemonteerd.
- Nooit met meer dan één vouwband rijden.
- Opdat de vouwband na gebruik weer op de daarvoor bestemde plaats kan worden opgeborgen moet de lucht eerst volledig uit de band worden gelaten. De band neemt daarbij weer zijn oorspronkelijke vorm aan. De lucht kan uit de band worden gelaten door de metalen pen in het ventiel met een spits voorwerp in te drukken of het ventiel-inzetstuk met de achterzijde van het stof-dopje eruit te schroeven.
- Een defecte vouwband mag alleen door de fabrikant van de vouwband worden gerepareerd.
TIPS OM HET ZELF TE DOEN
Verwisselen van een wiel
Algemene aanwijzingen
Probeer de wagen zover mogelijk buiten de verkeersstroom op vlak terrein neer te zetten. Zo nodig de alarmlichten inschakelen en gevarendriehoek neerzetten; wettelijke voorschriften opvolgen.
- Alle passagiers laten uitstappen. Deze dienen buiten de gevarenzone te blijven (b.v. achter de vangrail).
- Handrem stevig aantrekken en versnelling inschakelen. Op een helling tevens het tegenoverliggende wiel met een steen of iets dergelijks blokkeren.

- Reservewiel, compressor en wagengereedschap uit de bagageruimte nemen.
- De wieldop kan er met behulp van een haak, die bij het wagengereedschap zit, worden afgetrokken.
De haak in het gat in de wieldop steken en deze eraf trekken.

Om bij enkele lichtmetalen velgen de wielbouten te kunnen bereiken, moeten de wielboutdoppen met behulp van een kunststof klem (zie afbeelding), die bij het wagengereedschap zit, worden verwijderd.
Om een wielboutdop eraf te kunnen trekken, moet de klem zo ver op de dop worden geschoven, totdat de binnenste inkepingen in de klem tegen de kraag van de dop zitten.
- Afdekkap van diefstalbelemmerende wielbouten* verwijderen en adapter plaatsen; zie bladzijde 207.

- Wielsleutel zoals afgebeeld tot de aanslag op de wielbout schuiven en linksom draaien. Hierbij het sleuteleinde zo ver mogelijk beetpakken.
Als de bouten niet op deze wijze kunnen worden losgedraaid, kan in geval van nood voorzichtig met een voet op het einde van de wielsleutel worden gedrukt. Hierbij opletten, dat men stevig staat en zich zo nodig aan de wagen vasthouden.
Wielbouten ongeveer één omwenteling losdraaien.

- Krik tegen de wagen plaatsen:
Op de dorpel zitten voor en achter de plaatsen waar de krik mag worden aangebracht; zie pijlen in de afbeelding.
Als de krik niet in de gemarkeerde steunen wordt geplaatst, kan dit beschadigingen aan de wagen veroorzaken. Bovendien bestaat er verwondingsgevaar, omdat de krik bij niet voldoende grip op de wagen te allen tijde kan wegglijden.

- Op de onderste helft van de afdekking drukken en deze verwijderen.
- Krikarm zo ver omhoogdraaien totdat de krik in de kriksteun kan worden geplaatst.
- Krik tot de aanslag schuiven; zie afbeelding.

- Krik op de grond zetten zodat de beweegbare grondplaat van de krik plat op de grond ligt.
Als de ondergrond zacht is, dient er een grote, stevige plaat onder de krikvoet te worden gelegd.
Bij een gladde ondergrond (b.v. tegelvloer) dient een stroeve ondergrond (b.v. rubber mat) te worden gebruikt.
- De wagen opkrikken tot het defecte wiel goed vrij van de grond is.

- Van de reeds losgedraaide vier wielbouten de verst bovenaan liggende wielbout met behulp van de schroevendraaiergreep eruit draaien (zie afbeelding) en op een schone ondergrond (wieldop, doek, papier) leggen.

- Montagepen in de vrijgekomen boring draaien; zie afbeelding.
- Daarna de andere wielbouten eruit draaien en wiel verwijderen. De montage-pen blijft in de boring.
- Reservewiel (vouwband) plaatsen. Met behulp van de schroevendraaiergreep de wielbouten erin draaien en aansluitend met de wielsleutel handvast aandraaien. Dan de montagepen eruit draaien, en de overblijvende wielbout eveneens handvast vastdraaien.
De wielbouten moeten schoon zijn en soepel draaien.

Vouwband oppompen
- Stofdopje van ventiel (1) losschroeven.
- Drukslang van de compressor uit de koffer verwijderen en de wartelmoer op het ventiel schroeven.
- Steek de kabelaansluiting van de compressor in het stopcontact in de zijbekleding van de bagageruimte of in het stopcontact van de sigarettenaansteker; zie bladzijde 131.
- Schakel de compressor in. Na enkele minuten is dan de benodigde bandenspanning bereikt. Controleer de bandenspanning met behulp van de manometer. De compressor mag nooit langer dan ca. 5 minuten in werking zijn.
Aanwijzing
Op de vouwband zitten stickers met aanwijzingen met betrekking tot gebruik alsmede de voorgeschreven bandenspanning.
- Maak de drukslang van het ventiel los en schroef het stofdopje er weer op.
- Laat de wagen zakken en draai de wielbouten kruiselings vast.
- Monteer de wieldop resp. sierdop*. Voor de montage van de wieldop (niet bij vouwband als reservewiel) deze eerst bij de uitsparing voor het ventiel erop drukken en daarna rondom laten vastklikken.
- Berg het defecte wiel in de bagageruimte op en zet het vast, opdat het niet kan verschuiven.
- Bij gebruik van de vouwband* moeten de aanwijzingen op bladzijde 200 worden opgevolgd.
Aanwijzingen
- De inbus in de schroevendraaiergreep vergemakkelijkt het plaatsen van de wielbouten. Hierbij moet de stalen pen in de handgreep zijn uitgetrokken.
Dit kunststof gereedschap mag niet voor het losdraaien en vastzetten van de wielbouten worden gebruikt.
- Na het verwisselen van een wiel moet op het volgende worden gelet:
- Controleer direct de bandenspanning van het gemonteerde reservewiel.
- Laat het aantrekmoment van de wielbouten zo spoedig mogelijk met een momentsleutel controleren. Het aantrekmoment bedraagt bij lichtmetalen velgen en bij de vouwband 120 Nm.
Als bij het verwisselen van het wiel werd vastgesteld dat wielbouten gecorrodeerd en zwaar gangbaar zijn, moeten deze voor het controleren van het aantrekmoment worden vernieuwd.
Totdat het aantrekmoment is gecontroleerd, uit voorzichtigheid alleen met matige snelheid rijden.
Attentie
Als de wagen met andere dan op de fabriek gemonteerde banden of velgen moet worden uitgerust, moeten beslist de overeenkomstige aanwijzingen op bladzijde 191 worden opgevolgd.

De wielboutbeveiligingsset bestaat uit:
1 - wielbout voor plaatsen van een adapter, 2 - wielboutdop*, 3 - adapter van wielbout.
Aan de kopse kant van de adapter is het codenummer van de wielboutbeveiliging ingeslagen. Het nummer dient te worden genoteerd en veilig te worden opgeborgen, opdat bij verlies van de adapter een nieuwe kan worden besteld.
Bij het verwisselen van een wiel dient als volgt te worden gehandeld:
- Wielboutdop (2) met de kunststof klem, die bij het wagengereedschap zit, eraf trekken.
Om een wielboutdop eraf te kunnen trekken, moet de klem zo ver op de dop worden geschoven, totdat de binnenste inkepingen in de klem tegen de kraag van de dop zitten.
- Adapter (3) tot de aanslag in wielbout (1) plaatsen. Bout met wielsleutel losdraaien. Zie "Verwisselen van een wiel", bladzijde 203.
- Na verwisselen van het wiel de adapter weer uit de wielbout nemen en wielboutdop erop drukken.
Aanwijzing
Het is aan te bevelen om de adapter voor de wielbouten bij het wagengereedschap te bewaren.
Bandenreparatieset
De wagen is voorzien van een bandenreparatieset (Tire Mobility-system).
Voor gebruik bij bandenpech zijn onder de vloer van de bagageruimte resp. onder het tapijt in de voetruimte aan bijrijderszijde een bandenreparatiemiddel en een compressor opgeborgen.
Daarmee kunnen beschadigingen door scherpe voorwerpen tot ca. 6 mm diameter op betrouwbare wijze worden gerepareerd. Het scherpe voorwerp kan daarbij in de band blijven zitten.
De toepassing van het bandenreparatiemiddel en de compressor wordt op de fles met reparatiemiddel en het huis van de compressor beschreven.
Attentie
- Het reparatiemiddel mag alleen worden gebruikt, als door het rijden met lege band geen beschadiging is ontstaan.
Daarom vooral de zijkant van de band zorgvuldig op beschadiging controleren.
- Veiligheidsvoorschriften en aanwijzingen voor het gebruik op de compressor en de fles met reparatiemiddel nauwkeurig in acht nemen.
- Niet sneller dan 80 km/u rijden! Accelereren met volgas, sterk remmen en het snel nemen van bochten moeten worden voorkomen!
- Met bandenreparatiemiddel gerepareerde banden dienen slechts tijdelijk en kortstondig te worden gebruikt. Daarom zo snel mogelijk de dichtstbijzijnde Audi-dealer opzoeken.

Gebruikte flessen reparatiemiddel kunnen bij een Audi-dealer worden ingeleverd.
Aanwijzingen
Als de band te zeer beschadigd is en niet met het bandenreparatiemiddel kan worden gerepareerd, neem dan contact op met een Audi-dealer.
Het vóór de accu geplaatste voorgevormde schuimstof deel moet ingebouwd blijven en mag niet worden verwijderd.
Zekeringen

De afzonderlijke stroomcircuits zijn met smeltzekeringen beveiligd.
De zekeringen zitten links naast het stuurwiel achter een afdekking.
In de rechter rij zijn twee reserve-zekeringen ondergebracht.
Bij wagens met dieselmotor zit de zekering voor het voorgloeisysteem onder het tapijt in de voetruimte aan bestuurderszijde achter een metalen afdekking. Het voorgloeisysteem is met 80 ampère gezekerd. De zekering dient alleen door een Audi-dealer te worden vervangen.
Zekering vervangen
- De betreffende verbruiker uitschakelen.
- Deksel verwijderen.
- Aan de hand van het zekeringenoverzicht (zie volgende bladzijde) vaststellen, welke zekering bij de uitgevallen verbruiker hoort.
- Kunststof klem -pijl- uit de houder in het deksel nemen, op de doorgebrande zekering plaatsen en zekering eruit trekken.
- Doorgebrande zekering - herkenbaar aan doorgesmolten metalen strookje - door een nieuwe zekering van gelijk amperage vervangen.
- Deksel weer aanbrengen.
Aanwijzingen
- Brandt een nieuw geplaatste zekering na korte tijd weer door, moet de elektrische installatie zo snel mogelijk door een Audi-dealer worden gecontroleerd.
- Altijd enkele zekeringen als reserve in de wagen meenemen. Plaatsing; zie linker kolom.
Attentie
In geen geval zekeringen "repareren" of door sterkere vervangen, omdat daardoor beschadigingen op andere plaatsen in de elektrische installatie kunnen optreden. Onder bepaalde omstandigheden kan dit zelfs tot brand leiden.
Kleurcodering
van de zekeringen
| Lichtbruin | 5 ampère |
| Rood | 10 ampère |
| Blauw | 15 ampère |
| Geel | 20 ampère |
| Transparant (wit) | 25 ampère |
| Groen | 30 ampère |

Zekeringenoverzicht
Nr. - Verbruiker A 1) .
1 - Instrumentenpaneel 10 2 - Radio 20 3 - DC-DC-omzetter 1 20 4 - Koelluchtventilator 20
Nr. - Verbruiker A 1)
5 - Vrij 6 - Ruitenwisserinstallatie, waterpomp, intervalrelais ..... 25 7 - Alarmlichten 15 8 - Claxon, schuifdak 25 9 - Vrij 10 - Vrij 11 - Stopcontact in bagageruimte ..... 20 12 - Sigarettenaansteker ..... 15 13 - Stoelverwarming 15 14 - PTC-verwarming 1e trap of .... 30 extra koelvloeistofverwarming .... 20 15 - Achterruitverwarming ..... 30 16 - Verwarmingsregeling, ventilator voor verwarming ..... 30 17 - Vrij
Nr. - Verbruiker A 1)
18 - Motorelektronica (benzinepomp) .. 20 19 - Motorelektronica (lambdasondes) . 20 20 - Motorelektronica (bobine) ..... 20 21 - Grootlicht rechts 10 22 - Grootlicht links 10 23 - Dimlicht rechts, lichtbundel-hoogteverstelling ..... 15 24 - Dimlicht links, lichtbundel-hoogteverstelling ..... 15 25 - Telefoon/telematica 5 26 - Achter- en stadslicht rechts ..... 5 27 - Achter- en stadslicht links ..... 5 28 - Voedingsspanning diagnose- systeem 10 29 - Achteruitrijlampen, diagnosestopcontact ..... 15
Nr. - Verbruiker A 1)
30 - Remlichten 10 31 - Remlichtschakelaar PTC-aansturing, snelheidsregelsysteem .... 10 32 - Verlichting (dashboardkastje) kentekenplaatverlichting ..... 10 33 - Verwarmbare ruitensproeier ..... 5 34 - Knipperlichten 10 35 - Mistlampen, mistachterlicht 15 36 - Verwarmingsregeling, airconditioning, binnenverlichting 10 37 - Navigatiesysteem, parkeerhulp 10
Nr. - Verbruiker A 1)
38 - Impulsgever, airconditioning, parkeerhulp, telefoon, regelapparaat automatische versnel- lingsbak 10 39 - Rechter portier 10 40 - ESP 10 41 - Linker portier 10 42 - Binnenverlichting, leeslampjes, alarmsysteem, make-up spiegel, stoel-memory ..... 10 43 - Regelapparaat automatische versnel- lingsbak 10 44 - Regelapparaat automatische versnel- lingsbak 10 45 - Motorelektronica (verstuivers) .... 15
Automatische zekering
De elektrische ruitbediening is met automatische zekeringen beveiligd, die na het verhelpen van de overbelasting (b.v. ruiten vastgevroren) na een paar seconden automatisch weer worden ingeschakeld.
TIPS OM HET ZELF TE DOEN
Gloeilampen vervangen
Voor het vervangen van gloeilampen moeten in de meeste gevallen onderdelen worden uitgebouwd. Dit geldt met name voor gloeilampen die alleen vanuit de motorruimte kunnen worden bereikt. Daarom is specialistische kennis noodzakelijk.
Attentie
Bij werkzaamheden in de motorruimte bijzonder voorzichtig zijn. ● Gloeilampen staan onder druk en kunnen bij het vervangen kapotspringen. Er bestaat gevaar voor verwondingen!
Het is daarom raadzaam, lampjes alleen door een Audi-dealer te laten vervangen resp. een vakman te hulp te roepen.
Starthulp
Algemene aanwijzingen
Als de motor eens niet aanslaat, omdat de accu ontladen is, dan kan met een startkabel de accu van een andere wagen voor het starten worden gebruikt. De volgende aanwijzingen daarbij in acht nemen:
- Beide accu's moeten 12 volt nominale spanning hebben. De capaciteit (Ah) van de stroomleverende accu mag niet wezenlijk lager zijn dan die van de ontladen accu.
- Er mogen alleen startkabels met voldoende grote diameter worden gebruikt. Let op aanwijzingen van de fabrikant.
- Alleen startkabels met geïsoleerde pooltangen gebruiken.
- Een ontladen accu kan reeds bij -10 °C bevriezen. Alvorens de startkabels aan te sluiten moet een bevroren accu beslist worden ontdooid, deze kan anders exploderen.
- Tussen de wagens mag geen contact bestaan, anders zou de stroom reeds bij het verbinden van de pluspolen kunnen vloeien.
- De ontladen accu moet op de juiste wijze op de elektrische installatie zijn aangesloten. ● Autotelefoon zo nodig uitschakelen.
Nadere aanwijzingen staan in dit geval in de door de fabrikant meegeleverde gebruiksaanwijzing van de telefoon.

Starthulp uitvoeren
A - Ontladen accu
B - Stroomleverende accu
- Motor van de stroomleverende wagen laten draaien.
- De startkabels moeten beslist volgens de afgebeelde en hierna beschreven volgorde worden aangesloten:
1. Het ene uiteinde van de (+) kabel (meestal rood) aan de (+) pool van de ontladen accu. 2. Andere uiteinde van de rode kabel aan de (+) pool van de stroomleverende accu.
3. Eén uiteinde van de (−) kabel (meestal zwart) aan de (−) pool van de stroomleverende accu. 4. Het andere uiteinde van de zwarte kabel (−) aan een massief metalen onderdeel dat aan het motorblok is vastgeschroefd of aan het motorblok zelf.
Attentie
De minkabel (zwarte kabel) mag nooit aan brandstofslangen met een metalen mantel, aan het brandstoffilter of aan één van de remleidingen worden vastgemaakt; brandgevaar!
- Motor zoals in hoofdstuk "Motor starten" beschreven starten.
- Bij draaiende motor beide kabels precies in omgekeerde volgorde verwijderen.
Aanwijzing
De (-) kabel niet op de minpool van de ontladen accu aansluiten. Door vonkvorming zou het uit de accu stromende knalgas kunnen ontsteken.
Attentie
- De niet-geïsoleerde delen van de pooltangen mogen elkaar in geen geval raken. Bovendien mag de op de pluspool aangesloten startkabel niet met elektrisch geleidende delen van de wagen in aanraking komen; gevaar voor kortsluiting!
- De startkabels zodanig neerleggen dat deze niet door draaiende delen in de motorruimte kunnen worden geraakt.
Aanslepen/slepen

Een sleepkabel of een sleepstang mag alleen aan de volgende ogen worden vastgemaakt:
Voorste sleepoog
Rechts voor onder de bumper zit een schroefgat, waarin het sleepoog wordt geschroefd. Het sleepoog zit in het opbergvak voor het wagengereedschap. Zie bladzijde 198.
Om het schroefgat te bereiken, moet het luchtrooster als volgt worden verwijderd:
Schroevendraaier zoals afgebeeld in de gleuf steken en voorzichtig in pijlrichting eruit wippen.

Sleepoog tot de aanslag in het schroefgat vastdraaien.
Na gebruik het sleepoog eruit schroeven en in het opbergvak voor het wagengereedschap opbergen. Het sleepoog altijd in de wagen meenemen.
Bij het weer in de wagen monteren van het luchtrooster moet erop worden gelet dat de nokken van het luchtrooster eerst in de daarvoor bestemde geleidingen worden geplaatst. Vervolgens luchtrooster vastdrukken.

Rechts achter onder een afdekking zit een schroefgat, waarin het sleepoog wordt geschroefd. Het sleepoog zit in het opbergvak voor het wagengereedschap.
Om het schroefgat te bereiken moet de afdekking worden verwijderd – in pijlrichting drukken.
Sleepoog tot de aanslag in het schroefgat vastdraaien.
Na gebruik het sleepoog eruit schroeven en in het opbergvak voor het wagengereedschap opbergen. Het sleepoog altijd in de wagen meenemen.
Algemene aanwijzingen
- Als u reeds een sleepkabel bezit of van plan bent een sleepkabel te kopen, dient te worden gecontroleerd of deze voor uw wagen geschikt is.
- De sleepkabel moet elastisch zijn, zodat beide wagens gespaard worden. Gebruik daarom alleen uit synthetische garens vervaardigde kabels. Veiliger is echter het gebruik van een sleepstang!
Let er steeds op, dat geen ontoelaatbare trekkrachten ontstaan en geen rukkende belasting optreedt. Bij slepen over onverharde wegen bestaat altijd het gevaar dat de bevestigingsdelen overbelast en beschadigd worden.
- Alvorens de motor door aanslepen te starten, eerst proberen de accu van een andere wagen als starthulp te gebruiken.
- Het contact moet zijn ingeschakeld, op dat het stuur niet geblokkeerd is en de knipperlichten, de claxon, de ruitenwisser en de ruitensproeier kunnen worden ingeschakeld.
- Voor het slepen de versnelling in de vrij zetten. Handrem loszetten.
- Omdat de rembekrachtiger en de stuurbekrachtiging* alleen bij draaiende motor werken, moet bij niet-draaiende motor het rempedaal aanmerkelijk steviger worden ingetrapt en moet bij het sturen meer kracht worden uitgeoefend.
- Zonder smeermiddel in de versnellingsbak mag de wagen alleen met opgetilde aandrijfwielen worden gesleept.
Aanslepen
Het aanslepen van de wagen wordt onder alle omstandigheden afgeraden. Starthulp verdient de voorkeur; zie bladzijde 213.
Aanslepen wordt om de volgende redenen afgeraden:
- Bij het aanslepen bestaat een verhoogd gevaar voor ongelukken, b.v. botsen tegen slepende wagen.
- Bij wagens met benzinemotor kan niet verbrande brandstof in de katalysator terechtkomen, wat tot beschadigingen kan leiden.
Wordt een wagen toch aangesleept, dan moet op het volgende worden gelet:
- Vóór het aanslepen de 2e of 3e versnelling inschakelen.
- Contact inschakelen.
- Zodra de motor aanslaat, de koppeling intrappen en de versnelling uitschakelen, om te voorkomen, dat men tegen de trekkende wagen rijdt.
Slepen
De wagen kan normaal met een sleepstang/-kabel of met van de grond getilde voor- of achteras worden gesleept.
- Niet sneller dan met 50 km/u laten slepen!
Milieu-aspecten
Bij de constructie, materiaalkeuze en fabricage van uw Audi speelden milieu-aspecten een doorslaggevende rol. Onder andere werd aan de volgende punten bijzondere waarde gehecht:
Constructieve maatregelen voor economisch hergebruik
- Gebruiksvriendelijke verbindingen voor demontagewerkzaamheden.
- Vereenvoudigde demontage door modulaire bouw.
- Verbeterde zuiverheid van de materialen.
- Coderen van alle grote kunststof delen volgens VDA-norm 260.
Materiaalkeuze
- Vergaand gebruik van recyclebare materialen.
- Airconditioning* met koelmedium zonder CFK.
- Gebruik van qua soort gelijke kunststoffen binnen dezelfde bouwgroepen.
- Gebruik van gerecycled materiaal.
- Geen cadmium.
- Geen asbest.
- Reducering van het "verdampen" van kunststoffen.
Fabricage
- Gebruik van gerecycled materiaal bij de productie van kunststof delen.
- Afzien van het gebruik van oplosmiddelen bij het conserveren van de holle ruimten.
- Oplosmiddelvrije conservering ten behoeve van het transport van de wagen.
- Gebruik van oplosmiddelvrije thermische lijm.
- Geen gebruik van CFK's tijdens de productie.
- Vergaand gebruik van restmaterialen om energie en hulpstoffen te sparen.
- Zuiveren van het bij de productie benodigde water.
Algemene aanwijzingen
Tenzij anders gekenmerkt, resp. apart vermeld, gelden alle technische gegevens op de volgende bladzijden voor wagens in de gebruikelijke standaarduitvoering voor Duitsland.
Bij speciale wagens en bij wagens voor andere landen kunnen deze waarden afwijken.
Denk eraan dat de gegevens in de officiële wagenpapieren altijd voorrang hebben.
Met welke motor uw wagen is uitgerust, kunt u zien op de sticker met wagengegevens in het Serviceplan, resp. de officiële wagenpapieren.
| Motorgegevens | |||||
| Vermogen 1) kW bij 1/min | Max. koppel Nm bij 1/min | Aantal cilinders | Cilinderin-houd cm 3 | Brandstof 2) | |
| Benzinemotor | 55 / 5000 | 126 / 3800 | 4 | 1390 | Super loodvrij 95 RON of normaal loodvrij 91 3) RON |
| Dieselmotoren | 55 / 4000 | 195 / 2200 | 3 | 1422 | Diesel |
| 45 / 4000 | 140 / 1800 – 2400 | 3 | 1191 | Diesel | |
1) Volgens EU-richtlijnen. Door verschillende meetmethoden zijn geringe afwijkingen mogelijk.
2) Nadere gegevens; zie bladzijde 165.
3) Met gering vermogensverlies.
TECHNISCHE GEGEVENS
Rijprestaties
De rijprestatiewaarden worden zonder prestatieverminderende uitvoeringen, zoals b.v. airconditioning, spatlappen, extreem brede banden enz. bepaald.
| Benzinemotor | Topsnelheidin km/u | Acceleratie in sec. | |
| 0 – 80 km/u | 0 – 100 km/u | ||
| 55 kW | 173 | 7,7 | 12,0 |
| Dieselmotoren | |||
| 55 kW | 173 | 8,4 | 12,3 |
| 45 kW | 168 | 10,8 | 14,9 |
Brandstofverbruik

Het brandstofverbruik, de CO₂-emissie en het werkelijke leeggewicht van uw wagen staat op de sticker met wagengegevens.
De sticker zit onder de vloer van de bagageruimte. Een deel van de sticker (zie afgebeeld voorbeeld) wordt vóór de aflevering van de wagen aan de binnenzijde van de omslag van het serviceplan geplakt.
De aangegeven verbruiks- en emissiewaarden hebben betrekking op de gewichtsklasse waarin uw wagen, op basis van de motor- en versnellingsbakcombinatie alsmede de specifieke uitvoering is ingedeeld. De waarden op de sticker met wagengegevens hebben de volgende betekenis:
A – Leeggewicht van de wagen zonder bestuurder (kg)
B - Verbruik tijdens stadsverkeer (l/100 km)
C - Verbruik buiten de stad (l/100 km)
D - Verbruik totaal (l/100 km)
E - CO₂-emissie (g/km)
De verbruikswaarden zijn volgens het verbruiks-meetvoorschrift 93/116/EG bepaald. Dit meetvoorschrift schrijft een op een gemiddelde dagroute gebaseerde, realistische verbruiksbepaling voor.
Daarbij zijn de volgende testvoorwaarden gebruikt:
- De stadscyclus begint met een koude start. Vervolgens wordt gebruikelijk stadsverkeer gesimuleerd.
- Tijdens een rit op de buitenweg wordt overeenkomstig een gemiddelde dagroute geaccelereerd en in alle versnellingen gereden. De rijsnelheid wisselt daarbij van 0 tot 120 km/u.
- De berekening van het gemiddelde totale verbruik gebeurt met een weging van ongeveer 37% voor stadsverkeer en 63% voor verkeer buiten de stad.
Aanwijzing
In de praktijk kunnen afhankelijk van rijstijl, weg- en verkeersomstandigheden, milieu-invloeden en toestand van de wagen verbruikswaarden ontstaan, die van de gemiddelde waarden afwijken.
Gewichten
| Benzinemotor | Toelaatbaar totaal-gewicht in kg | Leeggewicht1) bedrijfsklaar in kg | Toelaatbare vooras-belasting in kg | Toelaatbare achter-asbelasting in kg | ||||
| 4 zitplaat-sen | 5 zitplaat-sen | 4 zitplaat-sen | 5 zitplaat-sen | 4 zitplaat-sen | 5 zitplaat-sen | 4 zitplaat-sen | 5 zitplaat-sen | |
| 55 kW | 1410 | 1410 | 970 | 970 | 745 | 745 | 740 | 740 |
| Dieselmotor | ||||||||
| 55 kW | 1505 | 1505 | 1065 | 1065 | 805 | 805 | 770 | 770 |
1) De waarden (laagste waarde volgens EU-wet 95/48/EG) gelden voor het basismodel met voor 90% gevulde tank, zonder speciale uitrusting. De aangegeven waarden zijn inclusief 75 kg voor de bestuurder. Het werkelijke leeggewicht van de wagen (zonder bestuurder) staat op de sticker met wagengegevens. Dit gewicht wordt van fabriekswege, rekening houdend met de ingebouwde speciale uitrusting - b.v. airconditioning enz. -, afzonderlijk bepaald. Door het naderhand inbouwen van accessoires wordt het leeggewicht verhoogd.
Aanwijzing
Alle gewichten gelden voor wagens in EU-landen. Bij wagens voor andere landen kunnen deze waarden afwijken. Denk eraan dat de gegevens in de officiële wagenpapieren altijd voorrang hebben.
| Dieselmotor | 45 kW |
| Maximaal toelaatbaar gewicht in kg | 1200 – 1225 |
| Leeggewicht1) bedrijfsklaar in kg | 930 |
| Toelaatbare voorasbelasting in kg | 690 – 710 |
| Toelaatbare achterasbelasting in kg | 560 |
11 De waarden (laagste waarde volgens EU-wet 95/48/EG) gelden voor het basismodel met voor 90% gevulde tank, zonder speciale uitrusting en zonder bestuurder. In de wagenpapieren wordt voor de bestuurder bij de aangegeven waarde 75 kg opgeteld. Het werkelijke leeggewicht van de wagen (zonder bestuurder) staat op de sticker met wagengegevens. Dit gewicht wordt van fabriekswege, rekening houdend met de ingebouwde speciale uitrusting - b.v. airconditioning, schuifdak, trekhaak enz. - afzonderlijk bepaald. Door het naderhand inbouwen van accessoires wordt het leeggewicht verhoogd.
Aanwijzing
Alle gewichten gelden voor wagens in EU-landen. Bij wagens voor andere landen kunnen deze waarden afwijken. Denk eraan dat de gegevens in de officiële wagenpapieren altijd voorrang hebben.
TECHNISCHE GEGEVENS
Afmetingen
| Lengte | mm | 3826 |
| Breedte | mm | 1673 |
| Breedte boven spiegel | mm | 1870 |
| Hoogte bij leeggewicht1) | ca. mm | 1553 |
| Draaicirkel | ca. m | 10,5 |
Vulhoeveelheden
Hoeveelheden in liters
| Brandstoftank...– wagens met 45 kW 1,2 l motor......ca.– wagens met 55 kW 1,4 l motoren......ca. | 2034 |
| Ruitensproeiervloeistofreservoir......ca.Ruitensproeiervloeistofreservoir metkoplampsproeiers*......ca. | 2,3 1) 4,2 |
| Motorolie (ververshoeveelheid incl. vervangen van filter)Benzinemotor55 kW......ca.Dieselmotoren45, 55 kW......ca.Bij het bijvullen het oliepeil controleren.Niet te veel bijvullen (zie bladzijde 177)! |
1) Bij 45 kW 1,2 l motor 1,5 liter.
TECHNISCHE GEGEVENS
Kenmerkende wagengegevens

Zit onder het tapijt in de voetruimte aan bijrijderszijde.
Wagens voor bepaalde landen hebben geen typeplaatje.

De sticker met wagengegevens
Zit onder de vloer van de bagageruimte.
Op de sticker staan de volgende gegevens:
1 - Productie-sturingsnummer 2 - Chassisnummer 3 - Typenummer 4 - Verklaring van typenummer/motorvermogen 5 - Motor- en versnellingsbakcodes 6 - Laknummer/interieurcode-nummer 7 - Meeruitvoeringcodes
De wagengegevens 2 t/m 7 staan ook in het Serviceplan.
TECHNISCHE GEGEVENS

Het chassisnummer staat op de tunnel; zie afbeelding. Het opbergvak moet naar boven worden verwijderd.
Bij wagens voor bepaalde landen staat het chassisnummer achter de voorruit. Het is aan de linker wagenzijde aan de buitenkant leesbaar.
NOTITIES
NOTITIES
NOTITIES
NOTITIES
NOTITIES
TREFWOORDENLIJST
A
Aandrijfslipregeling (ASR) 85, 111, 153
Aanduiding keuzehendelstand ... 65
Aanjager 118, 123
Aanslepen 215
Aanwijzingen voor het rijden .... 144
Acceleratiewaarden 220
Accessoires 196
Accu 182
- kijkglas 184
Achterbank 56
Achterklep 17
Achterklep (noodontgrendeling) .. 18
Achterruitverwarming ..... 110
Achteruitkijkspiegels 28
Achteruitrijlampen 67
Achteruitversnelling 67
Afmetingen 224
Airbags buiten werking stellen ... 44
Airbagsysteem 35
Airconditioning 121
Akoestische parkeerhulp 74
Alarmlichten 110
Alarmsysteem 22
Alarmsysteem (Groot-Brittannië) . 23
Antiblokkeersysteem 151
Audio-stuurwiel 136, 137
Auto-Check-Systeem 97
- controle van de werking ..... 99
- storingsindicaties .... 100
- waarschuwingssymbolen ..... 97
Automatische versnellingsbak ... 65
- noodfunctie 73
Autotelefoon 140
B
Bagagenet 61
Bagageruimte 60
Bagageruimte vergroten 56
- stoelen inbouwen 58
- stoelen uitbouwen 57
Bagageruimte-afdekking 62
Bagageruimteverlichting ..... 129
Banden 188
- inrijden 188
- toestand 189
Bandenreparatieset 208
Bekerhouder 132
Benzine
- kwaliteit 165
- toevoegingen 165
- verbruik 221
Bestuurders- en bijrijdersairbag 38
Bestuurders-informatie-systeem 94
- buitentemperatuurmeter 96
- radiodisplay 95
- weergave voor navigatiesysteem 94
Bestuurdersruimte 8
Bestuurdersstoel 53
Beveiliging kinderzitje 49
Bevestiging van kinderzitje 52
Bevestigingsogen 61
Bijrijdersairbag 38
Bijrijdersairbag buiten werking stellen 45
Binnenspiegel 28
Binnenverlichting achterin 129
Binnenverlichting voorin 128
Biodiesel 167
Blikjeshouders 132, 133
Bodembescherming 162
Bodemvrijheid 149
Boordcomputer 105
Brandstof 165
- besparen 145
- filtervoorverwarming ..... 166
- meter 80
- toevoegingen 165,166
- verbruik 145
Brandstofmeter 80
TREFWOORDENLIJST
Brandstofverbruik 221
Buitenlandse reizen 194
Buitenspiegel 28
Buitentemperatuurmeter ..... 93, 96
C
Carrosserieverzorging 155
CD-wisselaar 135
Centrale vergrendeling .... 14 - noodvergrendeling van de portieren .... 14
Cetaangetal 166
Chassisnummer 227
Cilinderinhoud 219
Circulatiefunctie 118, 123
Claxon 8
Comfortopenen/-sluiten 27
Contactslot 75
Controlelampjes 84
D
Dagteller 80
Dakbelasting 142, 143
Dashboardkastje 132
Datum instellen 78
Datumweergave 78
De eerste 1500 km 144
Deksel aan zijkant uitbouwen ... 164
Diefstalbelemmerende wielbouten 207
Dieselolie 166
Digitale klok 78
Dimhendel 112
Displays 94
Draagbare telefoon 141
Driepuntsrolgordels 32
E
Economy-functie 69,85
Filtervoorverwarming 166
G
Garantie 5
Gereedschap 198
Gevarendriehoek 197
Gewichten 222
Gloeilampen vervangen 212
Gordelhoogteverstelling 34
Gordelspanner 32
Gordelsystemen 30
Grootlicht 85, 112
Imperiaalsysteem 142
Inrijden 144
Instrumenten 77
Instrumentenpaneel 77
-aanduiding keuzehendelstand 65
TREFWOORDENLIJST
Instrumentenverlichting 108
Interieurbewaking 22, 24
Interieurluchtfilter 120, 125
Isofix 52
K
Kanteldak 126
Kantoorapparatuur 141
Kenmerkende wagengegevens 226
Keuzehendel 65, 66
Kickdown 70
Kilometerteller 80
Kindersloten 18
Kinderzitjes 46
Klapsleutel 12
Kleurnummer 226
Klopvastheid van benzine 165
Knipperlichten 86, 112
Koelluchtventilator 179
Koelsysteem 178
Koelvloeistofpeil ..... 91, 100, 178
Koelvloeistoftemperatuur .... 91, 100
Koelvloeistoftemperatuurmeter .. 79
Koplampen afplakken 194
Koplampen schoonmaken ..... 161
Koplampsproeiers 116
Krik 198,203
Kriksteunen 203
Kwartsklok 78
L
Laknummer 226
Lakverzorging 156
Lampjes vervangen 212
Leer 157
Leeronderhoud 157
Leeslampjes voorin 128
Lichtbundel-hoogteverstelling . . . 108
Lichtmetalen velgen ..... 160, 161
Lichtschakelaar 109, 112
Literatuuraanwijzing 4
LongLife Service 174
Luchtroosters ..... 117, 121
M
Make-up spiegel 130
Maten 224
Milieu
-accu 185
- banden 191
-bandenspanning 189
- brandstof 165
- koelvloeistof 179
- met weinig uitlaatgas en rijgeluiden rijden 145
- milieubewust rijden ..... 145
- motorolie 177
- onderhoud 5
- oude banden 191
- oude olie 177
- remvloeistof 181
- tanken 163
- uitlaatgasreinigingssysteem . 148
- verzorging van de wagen .... 155
Milieu-aspecten 218
Mistachterlicht 109
Mistlampen 109
Mobiele telefoon 140
Motor
-code 226
-gegevens 219
- olie 173
-oliedruk 91,101
- oliepeil 92, 102, 176
- olieverbruik 176
- olieverversinterval ..... 5, 177
- olievulhoeveelheid ..... 225
- starten 76
Motordeksel 169
Motorelektronica 86
Motorkap 169
Motorruimte 171
Multifunctiedisplayveld 94
TREFWOORDENLIJST
Multifunctiestuurwiel ..... 136, 137
N
Navigatiesysteem 135
Noodbediening 164
Noodvergrendeling van de portieren 14
0
Octaangetal 165
Olie 173
Oliedruk 91, 101
Oliepeilstok 176
Oliepeilwaarschuwing . 92, 102, 176
Olieverbruik 176
Olieverversinterval 5,177
Olievulhoeveelheid 225
Onbalans van de wielen 189
Onderhoud 5,83
Onderhoudsinterval 173
Onderhoudsintervallen ..... 5, 177
Ontdooien van de ruiten .... 119, 123
Opbergbox in voetruimte ..... 134
Opbergvak 132
Opbergvak in middenconsole ... 133
Opbergvakken 133, 197
Open Sky-systeem 126
Overzichtsfoto 8
P
Parkeerhulp 74
Parkeerlichtschakeling 112
Parkeervergrendeling 66
Parkeren 149
Pedalen 64
PME-brandstof 167
Portieren 18
Portierwaarschuwing ..... 90, 95
Profieldiepte 189
R
Radiodisplay 95
Radiografische afstandsbediening 19 - noodvergrendeling van de portieren 14
Rembekrachtiger 150
Remmen 150
Remsysteem 90,100
Remvloeistof 180
Reservesleutel 11
Reservewiel 200
Richtingaanwijzer 86
Rijdynamische regeling 85, 111, 154
Rijprestaties 220
Ruitbediening 26
Ruiten ijsvrij maken 157
Ruiten ontdooien 123
Ruitensproeier verwarmbaar .... 116
Ruitenwisser 116
Ruitenwisserblad 187
S
Schakelaars 108
Scheidingsnet 61
Schoonmaken van de wagen ... 155
Service-interval-indicatie 83
Service-oproep 135
Serviceklep 168
Serviceplan 5
SIDEGUARD 41
Sigarettenaansteker 131
Sleepogen 215
Slepen 215
Sleutelherkenning airconditioning 124
Sleutels 11
Sleutelschakelaar bijrijdersairbag . 45
Smeermiddelen 173
Sneeuwkettingen 193
Snelheden 144
Snelheidsmeter 80
Snelheidsregelsysteem 113
Snelheidssignaal 103
SOS- en service-oproep 135
TREFWOORDENLIJST
Space Floor Box 134
Spiegels 28
Stadslicht 109
Starten van de motor 76
Starthulp 213
Startkabels 213
Sticker met wagengegevens .... 226
Stoelen 53
Stoelen inbouwen 58
Stoelen uitbouwen 57
Stoelverstelling 53
- bestuurdersstoel 53
- bijrijdersstoel 53
Stoelverwarming ..... 110, 111
Stoffilter 120, 125
STOP-START-systeem 70
Stopcontact 131
Stopcontact in bagageruimte ... 131
Stuurkolom verstellen 63
Stuurslot 75
T
Tanken 163
Tankinhoud 225
Tankklep (noodontgrendeling) ... 164
Tips om het zelf te doen ..... 197
Tire Mobility-system 208
Toerenteller 78
Topsnelheid 220
Transponder 12,85
Typeplaatje 226
U
Uitlaatgasreinigingssysteem .... 148
Uitlaatgassen 145
V
Variabele onderhoudsinterval ... 174
Veilig vervoer van kinderen ..... 46
Veiligheids-centrale-vergrendeling 17
Veiligheidsgordels 30
Veiligheidsgordels blokkeren ..... 49
Ventilatie 117
Verbanddoos 197
Verbruikswaarden 221
Verlichting 109
Vermogen 219
Verstelbare stuurkolom 63
Vervangende sleutel 12
Vervanging van delen 196
Verwarmbare buitenspiegels 29
Verwarmbare ruitensproeier 116
Verwarmbare voorstoelen 110, 111
Verwarming 117
Verwisselen van een wiel 202
Verzorging van de wagen 155
Vloeistofreservoir ruitensproeier 186
Vloermatten 64
Voetruimte 64
Voetruimte bestuurderszijde 64
Voor-airbags 38
Voorstoelen 53
Vouwband 200
Vulhoeveelheden 225
W
Waarschuwings- en controlelampjes 84
Waarschuwingssymbolen .... 89, 97
Wagendocumentatie 4
Wagengegevens 226
Wagengereedschap 198
Wagenverzorging 155
Wassen 155
Wegrijblokkering 12,85
Wielen 188
Wijzigingen 196
Winterbanden 192
Winterse omstandigheden
-accu 184
- banden 192
TREFWOORDENLIJST
- koelsysteem 178 -motorolie 173
- ruiten ijsvrij maken 157
- sneeuwkettingen 193
- verzorging van de wagen .... 155
- vloeistofreservoir ruitensproeier 186 Wis-/was-automaat 116 Wisserblad 187
Z
Zekeringen 209
Zendapparatuur 141
Zij-airbags 40
Zoemer 109,112
Zonnekleppen 130