SGS 30 - Boiler A.O. Smith - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis SGS 30 A.O. Smith in PDF-formaat.
| Type product | Condenserende gasboiler (waterverwarmer) |
| Merk | A.O. Smith |
| Model | SGS 30 |
| Inhoud | 368 liter |
| Gewicht (leeg) | 239 kg |
| Afmetingen (h x diameter) | 2005 x 705 mm |
| Voedingsspanning | 230 V / 50 Hz |
| Opgenomen vermogen | 45 W |
| Maximale werkdruk | 800 kPa (8 bar) |
| Regelbereik watertemperatuur | 40 – 80 °C |
| Gasategorieën | II2L3B/P (aardgas G25, LPG G30/G31) |
| Brander | Modulerend premix met 1:1 gas-luchtregeling |
| Aansluitingen | Koudwater R1½, warmwater R1½, gas R¾, condens Ø40 mm |
| Veiligheidssystemen | Inlaatcombinatie, T&P-ventiel, drukschakelaar, ionisatiebewaking, anodes |
| Onderhoudsinterval | Minimaal één keer per jaar water- en gaszijdig |
| Garantie | 3 jaar op de tank, 1 jaar op overige onderdelen |
| CE-markering | Ja, conform Richtlijn Gastoestellen 90/396/EEG |
Veelgestelde vragen - SGS 30 A.O. Smith
Gebruikersvragen over SGS 30 A.O. Smith
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Boiler in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding SGS 30 - A.O. Smith en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. SGS 30 van het merk A.O. Smith.
GEBRUIKSAANWIJZING SGS 30 A.O. Smith
Installatie-, Gebruikers- en Servicehandleiding
uw installateur
Lees deze handleiding zorgvuldig
Waarschuwing
Lees deze handleiding zorgvuldig voordat u het toestel in gebruik neemt. Het niet lezen van deze handleiding en het niet opvolgen van de instructies in deze handleiding kan leiden tot ongevallen en schade aan personen en het toestel.
Alle rechten voorbehouden.
Niets uit deze uitgave mag worden gekopieerd, verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van A.O. Smith Water Products Company.
A.O. Smith Water Products Company behoudt zich het recht voor de specificaties zoals vermeld in deze handleiding te wijzigen.
Handelsmerken
Alle in deze handleiding genoemde merknamen zijn geregistreerde handelsmerken van de desbetreffende leveranciers.
Aansprakelijkheid
A.O. Smith Water Products Company is niet aansprakelijk voor claims van derden veroorzaakt door ondeskundig gebruik anders dan vermeld in deze handleiding en overeenkomstig de Algemene Voorwaarden gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel.
Zie verder de Algemene Voorwaarden. Deze kunt u kostenlos bij ons opvragen.
Hoewel grote zorg is besteed aan het waarborgen van correcte en waar nodig, volledige beschrijving van de relevante onderdelen, kan het voorkomen dat de handleiding fouten en onduidelijkheden bevat.
Mocht u toch fouten of onduidelijkheden in de handleiding ontdekken, dan vernemen wij dat graag van u. Het helpt ons de documentatie verder te verbeteren.
Meer informatie
Indien u opmerkingen of vragen heeft aangaande specifieke onderwerpen die betrekking hebben op het toestel, aarzelt u dan niet contact op te nemen met:
Algemeen: +31 40 294 25 00
Fax: +31 40 294 25 39
E-mail: info@aosmith.nl
Website: www.aosmith.nl
Voor problemen met de aansluitingen op gas,- elektra- en watervoorzieningen kunt u terecht bij de leverancier/installateur van uw installatie.

Inhoudsopgave
1 Inleiding 9
1.1 Over het toestel - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 9
1.2 Wat te doen bij gaslucht - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 9
1.3 Voorschriften - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 9
1.4 Doelgroepen - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 10
1.5 Onderhoud - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 10
1.6 Notatiewijzen 11
1.7 Overzicht van dit document - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 11
2 Werking van het toestel 13
2.1 Inleiding - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 13
2.2 Algemene werking van het toestel - - - - - - - - - - - - - - - - - 13
2.3 Opwarmcyclus van het toestel - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 15
2.4 Beveiliging van het toestel - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 16
2.5 Veiligheid van de installatie- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 17
2.6 Beveiliging van het zonnesysteem 18
2.7 Veiligheid van het zonnesysteem - - - - - - - - - - - - - - - - - - 18
3 Installatie - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 21
3.1 Inleiding - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 21
3.2 Verpakking 21
3.3 Omgevingscondities - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 21
3.4 Technische specificaties - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 23
3.5 Aansluitschema - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 29
3.6 Wateraansluitingen - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 30
3.7 Gasaansluiting - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 31
3.8 Zonnesysteem - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 31
3.9 Luchttoevoer en rookgasafvoer- - - - - - - - - - - - - - - - - - - 32
3.10 Elektrische aansluiting toestel - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 38
3.11 Elektrische aansluiting zonnesysteem - - - - - - - - - - - - - - - - 41
3.12 Voordruk, gasblokdruk, CO 2 -getal en schakeldruk controleren -- -- -- -- 44
4 Ombouw naar een andere gascategorie - - - - - - - - - - 53
4.1 Inleiding - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 53
5 Vullen- 55
5.1 Installatie vullen 56
5.2 Zonnesysteem vullen 56
6 Aftappen 59
6.1 Installatie, toestel of voorraadvat aftappen - - - - - - - - - - - - - - 60
6.2 Zonnesysteem aftappen - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 61
7 Het bedieningspaneel 63
7.1 Inleiding - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 63
7.2 Bediening 63
7.3 Betekenis van de icoontjes - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 63
7.4 AAN/UIT-schakelaar op besturing - - - - - - - - - - - - - - - - - - 63
7.5 Navigatieknoppen - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 63
7.6 PC-aansluiting - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 64
Inhoudsopgave
8 Status van het toestel- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 65
8.1 Inleiding - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 65
8.2 Bedrijfstoestanden - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 65
8.3 Storingstoestanden - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 66
8.4 Servicetoestand- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 66
8.5 Anode waarschuwing - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 66
8.6 Waarschuwing Q/T-Sensor - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 66
8.7 Waarschuwing collector temperatuur - - - - - - - - - - - - - - - - - - 67
9 In bedrijf nemen 69
9.1 Inleiding - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 69
9.2 In bedrijf nemen- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 69
9.3 Opwarmcyclus van het toestel - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 69
10 Uit bedrijf nemen - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 71
10.1 Inleiding - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 71
10.2 Toestel een korte periode buiten bedrijf stellen- - - - - - - - - - - - - - -71
10.3 Toestel spanningsloos maken - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 71
10.4 Toestel voor een lange periode buiten bedrijf stellen - - - - - - - - - - - 71
11 Hoofdmenu - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 73
11.1 Inleiding - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -73
11.2 Notatiewijze voor bediening van het menu - - - - - - - - - - - - - - - - 73
11.3 De "ON-mode" inschakelen - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 73
11.4 Watertemperatuur instellen - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 73
11.5 Weekprogramma - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 74
11.6 Het weekprogramma in en uit bedrijf nemen - - - - - - - - - - - - - - - 74
11.7 Het standaard aanwezige weekprogramma wijzigen - - - - - - - - - - 74
11.8 Tijdstippen aan een weekprogramma toevoegen- - - - - - - - - - - - - 76
11.9 Tijdstippen van een weekprogramma verwijderen - - - - - - - - - - - - 77
11.10 Extra periode - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 78
11.11 Instellingen - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 79
12 Serviceprogramma 81
12.1 Inleiding - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 81
12.2 De hysterese instellen- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 81
12.3 De storingshistorie uitlezen - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 81
12.4 De toestelhistorie uitlezen - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 81
12.5 De toestelselectie uitlezen- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 82
12.6 Het service interval instellen- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 82
12.7 Servicebedrijf - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 82
12.8 De legionellapreventie instellen - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 83
12.9 Zonnesysteem configuratie - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 83
12.10 De CV configuratie instellen - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 84
13 Storingen - 85
13.1 Inleiding - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 85
13.2 Storingstabel voor algemene storingen - - - - - - - - - - - - - - - - - 86
13.3 Storingstabel voor storingen op het display - - - - - - - - - - - - - - - 89
13.4 Waarschuwingen op het display - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -99
14 Onderhoudsfrequentie - - - - - - - - - - - - - - - - - - 101
14.1 Inleiding 101
14.2 Service-interval bepalen- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 101
15 Onderhoud uitvoeren- - - - - - - - - - - - - - - - - - - 103
15.1 Inleiding - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 103
15.2 Onderhoud voorbereiden- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 103
15.3 Waterzijdig onderhoud - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 104
15.4 Gaszijdig onderhoud - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 105
15.5 Zonnecollector onderhoud - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 106
15.6 Onderhoud afronden - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 106
16 Garantie (certificaat) - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 107
16.1 Garantie algemeen- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 107
16.2 Garantie tank 107
16.3 Voorwaarden installatie en gebruik - - - - - - - - - - - - - - - - - 107
16.4 Uitsluitingen - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 108
16.5 Omvang garantie - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 108
16.6 Claims - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 108
16.7 Verplichtingen voor A.O. Smith - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 108
17 Bijlagen- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 109
17.1 Inleiding - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 109
17.2 Menustructuur - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 110
17.3 Elektrisch schema van het toestel - - - - - - - - - - - - - - - - - 112
17.4 Elektrisch schema zonnesysteem - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 114
17.5 Conformiteits-verklaring - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 116
17.6 Weekprogrammakaart - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 117
Inhoudsopgave
1 Inleiding
1.1 Over het toestel
Deze handleiding beschrijft de installatie, service en het gebruik van een SGS-toestel. Het SGS-toestel is een condenserende boiler, met een ventilator in de luchttoevoer. Het toestel wordt altijd geleverd met een voorraadvat voorzien van een op zonne-energie aangesloten warmtewisselaar.
De SGS kan zowel als een gesloten als een open toestel geïnstalleerd worden. Het toestel heeft standaard een concentrische schoorsteenaansluiting, maar kan ook als parallelsysteem worden aangesloten.
De mogelijke toesteltypes zijn B23, C13, C33, C43, C53 en C63.
De informatie in deze handleiding geldt voor de types: SGS 28, SGS 30, SGS 50, SGS 60, SGS 80, SGS 100 en SGS 120.

0063
De bouwwijze en de uitrusting van het toestel zijn volgens de Europese norm voor gas gestookte warmwatervoorraadtoestellen voor sanitair gebruik (EN 89). De toestellen voldoen daarmee aan de Europese Richtlijn voor Gastoestellen en hebben daarom het recht de CE-markering te dragen.
Waarschuwing
Lees deze handleiding zorgvuldig voordat u de installatie in gebruik neemt. Het niet lezen van de handleiding en het niet opvolgen van de beschreven instructies kan leiden tot persoonlijke ongevallen en schade aan het toestel.
1.2 Wat te doen bij gaslucht
Waarschuwing Bij gaslucht:
Geen open vuur! Niet roken!
Vonkvorming vermijden! Geen elektrische schakelaars gebruiken, ook geen telefoon, stekker of bel!
Ramen en deuren openen!
Hoofdgasafsluitinrichting sluiten!
Bewoners waarschuwen en gebouw verlaten!
Waarschuw na verlaten van het gebouw de gasdistributiemaatschappij of installateur.
1.3 Voorschriften
Als (eind)gebruiker, installateur of service- en onderhoudsmonteur dient u ervoor te zorgen dat de gehele installatie tenminste voldoet aan de ter plekke geldende:
• voorschriften m.b.t. bouwbesluiten;
- richtlijnen voor bestaande gasinstallaties opgesteld door uw energieleverancier;
- richtlijnen voor aardgasinstallaties en de bijbehorende praktijkrichtlijnen;
- veiligheidseisen voor laagspanningsinstallaties;
- voorschriften m.b.t. drinkwatervoorziening;
• voorschriften m.b.t. ventilatie in gebouwen;
- voorschriften m.b.t. toevoer van verbrandingslucht;
- voorschriften m.b.t. afvoer van rookgassen;
- eisen voor gasverbruikinstallaties;
- voorschriften m.b.t. binnenriolering in gebouwen;
- voorschriften van brandweer, energiebedrijven en gemeente.
Verder dient de installatie te voldoen aan de voorschriften van de fabrikant.
Opmerking
- Voor alle voorschriften, eisen en richtlijnen geldt dat aanvullingen of latere wijzigingen en/of toevoegingen op het moment van installeren van toepassing zijn.
1.4 Doelgroepen
De drie doelgroepen voor deze handleiding zijn:
• (eind)gebruikers;
- installateurs;
- service- en onderhoudsmonteurs.
Op iedere pagina wordt met symbolen aangegeven voor welke doelgroep de informatie bedoeld is. Zie de tabel.
Symbolen per doelgroep
| Symbool Doelgroep | |
![]() | (Eind)gebruiker |
![]() | Installateur |
![]() | Service- en onderhoudsmonteur |
Let op
Dit apparaat is niet bedoeld voor gebruik door personen met verminderde lichamelijke, zintuiglijke of geestelijke vermogens, of die gebrek aan ervaring of kennis hebben, tenzij iemand die verantwoordelijk is voor hun veiligheid toezicht op hen houdt of hen heeft uitgelegd hoe het apparaat dient te worden gebruikt.
Let op
Dit apparaat is niet bedoeld voor gebruik door kinderen. Houd toezicht op kinderen om te voorkomen dat ze met het apparaat gaan spelen.
1.5 Onderhoud
Een onderhoudsbeurt dient minimaal één maal per jaar zowel waterzijdig als gaszijdig te worden uitgevoerd. De frequentie van het onderhoud is afhankelijk van ondermeer de waterkwaliteit, het gemiddeld aantal branduren per dag en de ingestelde watertemperatuur.
Opmerking
Om de juiste onderhoudsfrequentie te bepalen, wordt aanbevolen de service- en onderhoudsmonteur het toestel drie maanden na installatie water- en gaszijdig te laten controleren. Aan de hand van deze controle kan de onderhoudsfrequentie worden vastgesteld.
Opmerking
Regelmatig onderhoud verlengt de levensduur van het toestel.



Zowel de eindgebruiker als de service- en onderhoudsmonteur zijn verantwoordelijk voor regelmatig onderhoud. Zij dienen hier duidelijke afspraken over te maken.

Opmerking
- Indien het toestel niet regelmatig onderhouden wordt, vervalt het recht op garantie.
1.6 Notatiewijzen
In deze handleiding wordt gebruik gemaakt van de volgende notatiewijzen:

Opmerking
Opgelet belangrijke mededeling.

Let op
Het negeren van deze tekst kan leiden tot beschadiging van het toestel.

Waarschuwing
Het negeren van deze tekst kan leiden tot ernstige beschadiging van het toestel en tot gevaarlijke persoonlijke situaties.
1.7 Overzicht van dit document
| Hoofdstuk Doelgroepen Omschrijving | ||||
| Werking van het toestel | ![]() | ![]() | ![]() | Dit hoofdstuk beschrijft de werking van het toestel. |
| Installatie | ![]() | ![]() | Dit hoofdstuk beschrijft de uit te voeren installatiehandelingen alvorens u het toestel definitief in bedrijf kunt stellen. | |
| Ombouw naar een andere gascategorie | ![]() | ![]() | Dit hoofdstuk beschrijft de uit te voeren handelingen met betrekking tot het gasttechnisch ombouwen van het toestel. | |
| Vullen | ![]() | ![]() | ![]() | Dit hoofdstuk beschrijft het vullen van het toestel. |
| Aftappen | ![]() | ![]() | ![]() | Dit hoofdstuk beschrijft het aftappen van het toestel. |
| Het bedieningspaneel | ![]() | ![]() | ![]() | Dit hoofdstuk beschrijft de algemene bediening van het toestel met het display. |
| Status van het toestel | ![]() | ![]() | ![]() | Dit hoofdstuk beschrijft in welke status (toestand) u het toestel kunt aantreffen, en wat de eventuele daaropvolgende actie is. |
| In bedrijf nemen | ![]() | ![]() | ![]() | Dit hoofdstuk beschrijft hoe u het toestel in bedrijf neemt. Verder wordt hier de algemene opwarmcyclus van het toestel beschreven. |
| Uit bedrijf nemen | ![]() | ![]() | ![]() | Dit hoofdstuk beschrijft hoe u het toestel voor kortere of langere tijd uit bedrijf neemt. |
| Hoofdmenu | ![]() | ![]() | ![]() | Dit hoofdstuk beschrijft het hoofdmenu van het display. Dit is het feitelijke menu voor de gebruiker, maar ook de installateur en service- en onderhoudsmonteur zullen er gebruik van maken. |
| Hoofdstuk Doelgroepen Omschrijving | ||
| Serviceprogramma Dit hoofdstuk | ![]() | het is in hoofdzaak bedoeld voor de installateur en service- en onderhoudsmonteur. Echter ook een eindgebruiker kan hier aanvullende informatie vinden m.b.t. het toestel. |
| Storingen | ![]() | Dit hoofdstuk is hoofdzakelijk bedoeld voor de installateur en service- en onderhoudsmonteur. Het beschrijft de storingen van het toestel. Deze storingen worden op het display getoond. In een tabel wordt de mogelijke oorzaak en oplossing gegeven. Echter ook een eindgebruiker kan hier aanvullende informatie vinden m.b.t. het toestel. |
| Onderhoudsfrequentie | ![]() | Dit hoofdstuk beschrijft hoe u kunt vaststellen met welke frequentie het onderhoud dient te worden uitgevoerd. Zowel de eindgebruiker als de service- en onderhoudsmonteur zijn verantwoordelijk voor regelmatig onderhoud. Zij dienen hierover duidelijke afspraken te maken.OpmerkingIndien het toestel niet regelmatig onderhouden wordt, vervalt het recht op garantie. |
| Onderhoud uitvoeren Dit hoofdstuk beschrifft het te plogen onderhoud. | ||
| Garantie (certificaat) | ![]() | Dit hoofdstuk geeft de garantievoorwaarden. |
2 Werking van het toestel
2.1 Inleiding
In dit hoofdstuk komen achtereenvolgens aan de orde:
- Algemene werking van het toestel ;
- Opwarmcyclus van het toestel ;
- Beveiliging van het toestel;
- Veiligheid van de installatie ;
- Beveiliging van het zonnesysteem;
- Veiligheid van het zonnesysteem .
2.2 Algemene werking van het toestel
Bij dit toestel wordt het koude water, onderaan de tank, ingevoerd bij de koudwaterinlaat (14).
Als het toestel en het voorraadvat volledig gevuld zijn met water, staan ze beide voortdurend onder waterleidingdruk. Bij het tappen van warmwater uit het toestel wordt er direct weer warmwater vanuit het voorraadvat aan het toestel toegevoegd en stroomt koudwater het voorraadvat in. De verwarming van het water in het voorraadvat geschiedt middels een warmtewisselaar die in verbinding staat met het zonnesysteem.
Het toestel is uitgerust met een modulerend premix brandersysteem met 1:1 gas-luchtverhoudingsregeling. De lucht die nodig is voor de verbranding wordt aangezogen door de ventilator (18). Het gas wordt via het gasblok (16) en de venturi (30) toegevoerd aan de zuigzijde van de ventilator. Door de 1:1 gas-luchtkopeling wordt altijd een optimale verhouding van het gas-luchtmengsel gewaarborgd.
Het opgewarmde tapwater verlaat de tank bij de warmwateruitlaat (2).
Door de speciale constructie van de warmtewisselaar (11) worden de rookgassen via de branderkamer eerst naar beneden en vervolgens via de warmtewisselaar naar boven, en weer naar beneden langs het water geleid. Hierbij koelen de rookgassen geleidelijk af. Omdat de afgekoelde rookgassen op het laatst ook nog langs het koude water onderin de tank geleid worden, gaan de rookgassen condenseren. Bij condenseren komt energie (warmte) vrij die ook aan het water overgedragen wordt, hierdoor verbetert het rendement. Het condenswater dat bij deze verwarming ontstaat wordt afgevoerd via het sifon (23).
De isolatielaag (24), in zowel het voorraadvat als toestel, voorkomt warmteverlies. Voor corrosiebescherming zijn beide aan binnenzijde geëmailleerd. De anodes (9) zorgen voor extra bescherming tegen corrosie. Voor onderhoud zijn beide voorzien van een inspectie- en reinigingsopening (12).
Dwarsdoorsnede van het toestel
Legenda SGS 28, 30, 50, 60 SGS 80, 100, 120
Niet vermelde nummers zijn niet
van toepassing.
-
kap
-
warmwateruitlaat
-
elektrisch aansluitblok
-
besturing
-
drukschakelaar
-
bedieningspaneel
-
temperatuursensor T 1
-
branderkamer
-
anode
-
tank
-
warmlewisselaar
-
inspectie- en reinigingsopening
-
temperatuursensor T 2
-
koudwaterinlaat
-
aftapkraan
-
gasblok
-
brander
-
ventilator
-
luchttoevoerslang
-
gloeionsteker
-
ionisatiepen
-
rookgasafvoerpijp
-
sifon
-
isolatielaag
-
potentiostaat
-
pallet
-
venturi
-
rookgasmeetnippel
-
reduceerventiel

2.3 Opwarmcyclus van het toestel
Voor het in- en uitschakelen van de gasbrander wordt gebruik gemaakt van de watertemperatuur (T 1 ) bovenin het toestel. Voor het in- en uitschakelen van het zonnesysteem wordt gebruik gemaakt van het temperatuursverloop (middels T 1 en S 2 ) in het toestel. In de figuur is T 1 de curve. De besturing berekent deze temperatuur aan de hand van twee meetwaarden: T 1 (7) en T 2 (13). Daarnaast worden ten behoeve van de besturing van het zonnesysteem de temperaturen S 1 , S 2 en S 3 gebruikt. S 1 wordt gemeten in de zonnecollector. S 2 zit tussen de in- en uitgang van de warmtewisselaar van het voorraadvat. De meting van S 3 vindt plaats op de bovenkant van het voorraadvat.
Onafhankelijk van of wel of geen warm water getapt wordt, kan warmwater van het voorraadvat naar het toestel gepompt worden. Dit gebeurt als S 3 5 °C hoger is dan T top (T 1 ). Er wordt dan water van het toestel naar het voorraadvat gepompt, en zodoende zal er warmwater uit het voorraadvat in het toestel stromen. De pomp schakelt uit zodra S 3 gelijk is aan T 1 .
De overige instellingen die het regelgedrag bepalen zijn:
- Tset Tset is de ingestelde, gewenste, watertemperatuur op het toestel (11.4.1 "Watertemperatuur instellen via SETPOINT menu"). Zodra T1 lager is dan Tset wordt de verwarming van het water via het zonnesysteem ingeschakeld, echter alleen als de temperatuur van de verwarmingsvloeistof ( S1 ) een bepaalde (instelbare) waarde hoger is dan de bij het toestel (sensor S2 ) gemeten temperatuur. Zodra T1 = Tset = Tsolar-limit wordt de verwarming via het zonnesysteem uitgeschakeld. Hierop is één uitzondering en dat is als Tsolar-limit is ingesteld op een hogere waarde dan Tset .
- Hysteresse Op het moment dat T1 lager wordt dan ( Tset - Tsolar-diff - Hysterese ) constateert de besturing een dusdanige warmtevraag dat de gasbrander en het zonnesysteem samen het water opwarmen. Het zonnesysteem wordt alleen ingeschakeld als de temperatuur gemeten met S1 een bepaalde (instelbare) waarde hoger is dan die bij S2 .
- Tsolar-diff Indien T1 hoger wordt dan ( Tset - Tsolar-diff ) wordt de gasbrander uitgeschakeld en wordt het water alleen opgewarmd met het zonnesysteem. Als T1 boven Tset (voorwaarde Tset = Tsolar-limit ) komt, schakelt het zonnesysteem uit. De waarde van Tsolar-diff is instelbaar (12.9.4 "Instellen van solar-differentie").
- Tsolar-limit Ingestelde (12.9.3 "Instellen van solar-limiet") watertemperatuur waarop de verwarming door het zonnesysteem wordt uitgeschakeld.
Grafische weergave van de opwarmcyclus
Legenda
A = Gasbrander aan
B = Gasbrander uit
T1 :
• = Water wordt niet opgewarmd, omdat er geen warmtevraag is
• = Water wordt opgewarmd via zonnesysteem
• =Water wordt opgewarmd via zonnesysteem en gasbrander
t = tijd
T = Temperatuur
45 °C = Minimale tapwatertemperatuur


Opmerking
T1 kan hoger worden dan Tset . Dit kan echter alleen als Tsolar-limit verhoogt wordt via het service menu.
2.4 Beveiliging van het toestel
2.4.1 Inleiding
De besturing bewaakt de watertemperatuur, zorgt mede voor een veilig gebruik van het zonnesysteem en zorgt voor een veilige verbranding. Dit gebeurt door:
- de Beveiliging watertemperatuur toestel
- de Beveiliging watertemperatuur voorraadvat
- het Gasblok
- de Ventilator
- de Drukschakelaar
- de Ionisatiepen
2.4.2 Beveiliging watertemperatuur toestel
De besturing bewaakt met temperatuursensoren T1 en T2 een aantal temperaturen die betrekking hebben op de veiligheid.
De tabel verklaart de werking van deze temperatuursensoren.
Temperatuurbeveiliging
| Beveiliging Omschrijving | |
| Tegen vorst:- T1 < 5°C - T2 < 5°C | De vorstbeveiliging grijpt in. Het water wordt verwarmd tot 20°C . |
| Maximale watertemperatuur:- T1 > 88°C - T2 > 88°C | De maximaalbeveiliging dient om oververhitting en/of overmatige kalkvorming in het toestel te voorkomen. Indien de maximaalbeveiliging ingrijpt, stopt de verwarming. Hierdoor koelt het water in de tank af. Als het water voldoende is afgekoeld ( T1 < 81°C ), reset de besturing het toestel. |
| Voor extra veiligheid:- T1 > 93°C - T2 > 93°C | Er treedt een vergrendelende storing van de boilerregeling op. De regeling moet handmatig gereset worden alvorens het toestel weer in bedrijf genomen kan worden (8.3 "Storingstoestanden"). De reset kan pas worden uitgevoerd als T1 < 81°C . |
2.4.3 Beveiliging watertemperatuur voorraadvat
De besturing van het zonnesysteem bewaakt met temperatuursensoren S2 en S3 een aantal temperaturen, in het voorraadvat, die betrekking hebben op de veiligheid.
Temperatuurbeveiliging
| Beveiliging Omschrijving | |
| Tegen vorst:- S2 , S3 < 5°C | De vorstbeveiliging grijpt in. Het water wordt verwarmd tot 20°C . |
| Op maximale watertemperatuur:- S2 , S3 > 85°C | De maximaalbeveiliging dient om oververhitting en/of overmatige kalkvorming in het voorraadvat te voorkomen. Indien de maximaalbeveiliging ingrijpt, stopt de verwarming. Hierdoor koelt het water in het voorraadvat af. Als het water voldoende is afgekoeld ( S3 < 78°C ), reset de besturing het toestel. |
2.4.4 Gasblok
De besturing opent het gasblok zodat de gastoevoer naar de brander mogelijk is. Het gasblok heeft als veiligheidsvoorziening twee kleppen. Beide kleppen sluiten de gastoevoer af.
2.4.5 Ventilator
De ventilator (18) zorgt voor een optimale luchttoevoer tijdens warmtevraag. Met betrekking tot de veiligheid zorgt de ventilator ervoor dat voor en na de verbranding de eventueel aanwezige gassen uit de branderkamer worden verwijderd. Dit noemen we voorspoelen en naspoelen.
Het toerental van de ventilator wordt continu gecontroleerd door de besturing (4). De besturing grijpt in als het toerental te veel afwijkt van de ingestelde waarde.
2.4.6 Drukschakelaar
De drukschakelaar waarborgt alleen de luchttoevoer tijdens het voorspoelen van het toestel. Bij voldoende drukverschil tijdens het voorspoelen, sluit de drukschakelaar. De tabel (3.4.2 "Algemene en elektrische gegevens") geeft schakelpunten per toestel.

Opmerking
Het schakelpunt van de drukschakelaar kan niet worden bijgesteld.
2.4.7 Ionisatiepen
Om ervoor te zorgen dat er geen gas stroomt als er geen verbranding is, is een ionisatiepen (21) aangebracht. De besturing gebruikt deze pen voor vlamdetectie d.m.v. ionisatiemeting. De besturing sluit de gasklep zodra deze vaststelt dat er geen vlam is terwijl er wel gas vloeit.
2.5 Veiligheid van de installatie
Naast de standaard beveiliging van het toestel (2.4 "Beveiliging van het toestel") moet de installatie verder beveiligd worden met een inlaatcombinatie, reduceerventiel en een T&P-ventiel.
2.5.1 Inlaatcombinatie en reduceerventiel
Een te hoge druk in de tank kan de geëmailleerde laag (in het toestel) of de tank beschadigen. Een inlaatcombinatie en drukreduceerventiel voorkomen dit. De inlaatcombinatie functioneert als afsluiter, terugslagklep en overstortventiel. Indien de waterleidingdruk te hoog (3.4.2 " Algemene en elektrische gegevens") is moet een drukreduceerventiel worden toegepast. Beide onderdelen dienen in de koudwaterleiding (3.6.1 "Koudwaterzijdig") gemonteerd te worden.
2.5.2 T&P-ventiel
Een T&P-ventiel (Temperature and Pressure Relief Valve = Temperatuur- en drukreduceerventiel) bewaakt de druk in de tank en watertemperatuur bovenin de tank. Indien de druk in de tank te hoog wordt of de watertemperatuur te hoog wordt, zal het ventiel openen. Het hete water kan nu uit de tank stromen. Omdat het toestel en voorraadvat onder waterleidingdruk staan, zal automatisch koud water de tank in stromen. Het ventiel blijft open totdat de onveilige situatie is opgeheven. Het toestel en voorraadvat hebben standaard een aansluitpunt voor een T&P-ventiel (3.6.2 "Warmwaterzijdig").
2.6 Beveiliging van het zonnesysteem
2.6.1 Terugloopvat
Het zonnesysteem kan optioneel worden voorzien van een terugloopvat (ook wel drain back genoemd). Dit vat vult zich met de verwarmingsvloeistof als er geen warmtevraag is. Hiermee wordt oververhitting van het zonnesysteem voorkomen. Door de hoge isolatiewaarde van het vat biedt het ook bescherming tegen bevriezing van de vloeistof. Door toepassing van het vat wordt eveneens de levensduur van de vloeistof verlengd.
Het al dan niet aanwezig zijn van het terugloopvat wordt bij de installatie ingesteld. (12.9.1 "Instellen van terugloopvat") Raadpleeg de handleiding van het zonnesysteem voor meer details.
2.6.2 Vloeistoftemperatuur
De warmtewisselaar van het zonnesysteem is gevuld met glycol. Als de temperatuur van de verwarmingsvloeistof te hoog is, wordt een signaal naar de besturing van de zonnecollector gestuurd en de pomp van de zonnecollector wordt uitgeschakeld. Dit signaal wordt door temperatuursensor S 1 aan de besturing door gegeven.
Temperatuurbeveiliging zonnesysteem
| Beveiliging Omschrijving | |
| Maximale temperatuur: - S1 > 130°C | De pomp van het zonnesysteem schakelt uit indien de temperatuur van de verwarmingsvloeistof bij S1 boven de maximale waarde komt. Het zonnesysteem valt in storing. Deze storing wordt ook getoond op het display van het SGS-toestel |
2.7 Veiligheid van het zonnesysteem
2.7.1 Expansievat
Het zonnesysteem moet uitgerust worden met een expansievat. Een expansievat dient voor het beperken van drukschommelingen in het systeem. Het expansievat in het zonnesysteem kan een maximale druk aan van 600 kPa (6 bar). De voordruk van het expansievat is afhankelijk van de statische hoogte van het systeem.
Naast het expansievat wordt het systeem met een overstortventiel (2.7.1 "Expansievat") tegen overdruk beveiligd.
Het zonnesysteem is voorzien van een overstortventiel. Het overstortventiel bewaakt de druk in het zonnesysteem. Indien de druk hoger wordt dan 600 kPa (6 bar) zal het ventiel openen. De vloeistof kan nu uit de installatie stromen. Het ventiel blijft openstaan totdat de onveilige situatie is opgeheven, dus tot de druk weer gezakt is tot beneden de 600 kPa (6 bar).
Opmerking
Omdat een gesloten systeem onder druk staat en niet automatisch gevuld wordt zal het systeem opnieuw bijgevuld moeten worden (5 "Vullen") wanneer het overstortventiel geactiveerd is. Een installatie met terugloopvat, systeem met drain back, is drukloos en heeft geen overstortventiel.
3 Installatie
| WaarschuwingDe installatie dient te geschieden overeenkomstig de algemeen en plaatselijk geldende voorschriften van gas-, waterleidings-, elektriciteitsbedrijven en brandweer, door een erkend installateur.Het toestel mag alleen in een ruimte geïnstalleerd worden indien die ruimte voldoet aan de vereiste landelijke en plaatselijke ventilatievoorschriften (1.3 "Voorschriften"). | |
| 3.1 Inleiding | Dit hoofdstuk beschrijft de uit te voeren installatiehandelingen alvorens u het toestel definitief in bedrijf kunt stellen (9 "In bedrijf nemen"), te weten:Verpakking;Omgevingscondities;Technische specificaties;Aansluitschema;Wateraansluitingen;Gasaansluiting;Luchttoevoer en rookgasafvoer;Zonnesysteem;Elektrische aansluiting toestel;Elektrische aansluiting zonnesysteem;Voordruk, gasblokdruk, CO 2 -getal en schakeldruk controleren.Voor een eventuele ombouw naar een andere gascategorie, zie ombouwen (4 "Ombouw naar een andere gascategorie"). |
| 3.2 Verpakking | Verwijder de verpakking voorzichtig, zo voorkomt u beschadiging van het toestel.U kunt het toestel het best uitpakken als het op of nabij zijn definitieve plaats staat. |
| Let opHet toestel mag alleen rechtop verplaatst worden. Pas op dat het toestel na het uitpakken niet beschadigd raakt. | |
| 3.3 Omgevingscondities | Het toestel is geschikt voor zowel een gesloten verbranding als een open verbranding. Indien geïnstalleerd als een gesloten toestel is het voor de benodigde luchttoevoer onafhankelijk van de opstellingsruimte. Er gelden daardoor geen aanvullende ventilatievoorschriften.Wanneer het toestel geïnstalleerd wordt als een open toestel dient er voldaan te worden aan de plaatselijk geldende richtlijnen en ventilatievoorschriften voor open toestellen.De mogelijke toesteltypes zijn B23, C13, C33, C43, C53 en C63. |
| Let opeen open toestel mag in verband met explosiegevaar en corrosie van het toestel niet gebruikt worden in ruimten waar chemische stoffen opgeslagen liggen of gebruikt worden. Sommige drijfgassen, bleekmiddelen, ontvettingsmiddelen e.d. verspreiden explosieve dampen en/of dampen die versnelde corrosie veroorzaken. Indien het toestel gebruikt wordt in een ruimte waar zulke stoffen aanwezig zijn, dan vervalt het recht op garantie. |
3.3.1 Luchtvochtigheid en omgevingstemperatuur
De opstellingsruimte moet vorstvrij zijn, of tegen vorst beveiligd zijn. De tabel geeft de omgevingscondities aan die moeten worden nageleefd om het functioneren van de toegepaste elektronica te kunnen garanderen.
Specificaties luchtvochtigheid en omgevingstemperatuur
| Luchtvochtigheid en omgevingstemperatuur | |
| Luchtvochtigheid max. 93% RV bij | +25°C |
| Omgevingstemperatuur Functioneel: 0 < _T ≤ 60°C | |
3.3.2 Maximale vloerbelasting
Houd in verband met het totale gewicht van de installatie rekening met het feit dat de installatie altijd bestaat uit een toestel met daaraan een voorraadvat gekoppeld.
Maximale vloerbelasting toestel
Houd in verband met het gewicht van het toestel rekening met de maximale vloerbelasting, zie de tabel (3.4.2 "Algemene en elektrische gegevens").
Maximale vloerbelasting voorraadvat
Houd in verband met het gewicht van het voorraadvat (inclusief water) rekening met de maximale vloerbelasting. Deze maximale vloerbelasting kan liggen tussen de 400 en 4500 kg. Dit is afhankelijk van het type voorraadvat.
3.3.3 Watersamenstelling
Het toestel is bedoeld om drinkwater op te warmen. Het drinkwater moet voldoen aan de regelgeving voor drinkwater voor menselijke consumptie. In de tabel ziet u een overzicht van de specificaties.
| Watersamenstelling | |
| Hardheid(aardalkali-ionen) | >1,00 mmol/l:• Duitse hardheid >5,6° dH• Franse hardheid >10,0° fH• Britse hardheid >7,0° eH |
| Geleidbaarheid >125 μS/cm | |
| Zuurgraad (pH-waarde) 7,0 < pH-waarde < 9,5 | |
Opmerking
Als van de in de tabel opgegeven specificaties wordt afgeweken, dan kan de bescherming van het voorraadvat niet worden gegarandeerd (16 "Garantie (certificaat)").
Als de waterhardheid groter is dan 14° dH. Gelieve contact op te nemen met A.O. Smith.
3.3.4 Werkruimte
In verband met de bereikbaarheid van het toestel wordt aanbevolen de volgende afstanden in acht te nemen (zie de figuur):
- AA: bij de bedieningszuil en de reinigingsopening van het toestel: 100 cm.
• BB: rondom het toestel: 50 cm. - Bovenzijde van het toestel: 100 cm

SGS 28 t/m 60 SGS 80 t/m 120
Opmerking
Let er bij het installeren op of het toestel, bij eventuele lekkage van de tank en/of aansluitingen, schade kan toebrengen aan de directe omgeving of lager gelegen verdiepingen. Indien dit het geval is dient het toestel bij een vloerafvoer of in een passende metalen lekbak geïnstalleerd te worden.
Een lekbak moet een deugdelijke afvoer hebben en minstens 5 cm diep zijn met een lengte en breedte van minimaal 5 cm groter dan de diameter van het toestel.
3.3.5 Werkruimte voorraadvat
In verband met de bereikbaarheid van het voorraadvat wordt aanbevolen de volgende afstanden in acht te nemen:
• Rondom het voorraadvat: 50 cm.
- Bovenzijde van het voorraadvat (ruimte voor het vervangen van de anodes): 100 cm.
Opmerking
Let er bij het installeren op of het voorraadvat, bij eventuele lekkage, schade kan toebrengen aan de directe omgeving of lager gelegen verdiepingen. Indien dit het geval is dient het toestel bij een vloerafvoer of in een passende metalen lekbak geïnstalleerd te worden.
3.4 Technische specificaties
Het toestel is geleverd zonder accessoires. Controleer de maten (3.4 "Technische specificaties"), de gasgegevens (3.4.3 "Gasgegevens") en andere specificaties (3.4.2 "Algemene en elektrische gegevens") van de te gebruiken accessoires.
3.4.1 Afmetingen van het toestel
Boven- en vooraanzicht van de toestellen
Legenda
Zie de tabel.
SGS 28, 30, 50, 60 SGS 80, 100, 120


Afmetingen (alle maten in mm, tenzij anders aangegeven)
| Maat Omschrijving Eenheid SGS 28 SGS 30 SGS 50 SGS 60 SGS | 80 SGS 100 SGS 120 | ||||||||
| A Totale | hoogte mm 1485 2005 2005 2005 2060 2060 2060 | ||||||||
| C | Positie op pallet | mm | 490 | 490 | 490 | 490 | 530 | 530 | 530 |
| D | Diameter loestel | mm | 705 | 705 | 705 | 705 | 850 | 850 | 850 |
| E | Diepte | mm | 925 | 925 | 925 | 925 | 1000 | 1000 | 1000 |
| F | Breedte | mm | 850 | 850 | 850 | 850 | 900 | 900 | 900 |
| G | Diameter rookgasafvoer | mm | 100/150 | 100/150 | 100/150 | 100/150 | 130/200 | 130/200 | 130/200 |
| H | Hoogte rookgasafvoer/luchttoevoer | mm | 1460 | 2000 | 2000 | 2000 | 2015 | 2015 | 2015 |
| Hx | x-positie rookgasafvoer | mm | 265 | 265 | 265 | 265 | 310 | 310 | 310 |
| Hy | y-positie rookgasafvoer | mm | 375 | 375 | 375 | 375 | 440 | 440 | 440 |
| K Hoogte gasaansluiting mm 1380 1910 1910 1910 1855 1855 1855 | |||||||||
| M | Hoogte koudwatertoevoer | mm | 265 | 255 | 255 | 255 | 225 | 225 | 225 |
| N | Hoogte warmwateruitlaat | mm 1485 2005 2005 2005 2060 2060 2060 | |||||||
| Ny | y-positie warmwateruitlaat | mm | 205 | 205 | 205 | 205 | 205 | 205 | 205 |
| P | Hoogte reinigingsopening | mm | 265 | 270 | 270 | 270 | 290 | 290 | 290 |
| R | Hoogte aftapkraan aansluiting | mm | 180 | 170 | 170 | 170 | 225 | 225 | 225 |
| S | Hoogte T&P ventiel aansluiting | mm | 995 | 1505 | 1505 | 1505 | 1425 | 1425 | 1425 |
| W | Hoogte condensafvoer | mm | 245 | 245 | 245 | 245 | 240 | 240 | 240 |
| 1 | Aansluiting koudwatertoevoer (uitw.) | - | R 11/2 | R 11/2 | R 11/2 | R 11/2 | R 11/2 | R 11/2 | R 11/2 |
| 2 | Aansluiting warmwateruitlaat (uitw.) | - | R 11/2 | R 11/2 | R 11/2 | R 11/2 | R 11/2 | R 11/2 | R 11/2 |
| 3 | Aansluiting gasblok (uitw.) | - | R 3/4" | R 3/4" | R 3/4" | R 3/4" | R 3/4" | R 3/4" | R 3/4" |
| 4 | Aansluiting aftapkraan (inw.) | - | 1" | 1" | 1" | 1" | 3/4" | 3/4" | 3/4" |
| 5 | Aansluiting T&P ventiel (inw.) | - | 1" - 11.5 NPT | 1" - 11.5 NPT | 1" - 11.5 NPT | 1" - 11.5 NPT | 1" - 11.5 NPT | 1" - 11.5 NPT | 1" - 11.5 NPT |
| 6 | Opening reinigen/inspectie | mm | 95 x 70 | 95 x 70 | 95 x 70 | 95 x 70 | 95 x 70 | 95 x 70 | 95 x 70 |
| 7 | Aansluiting condensafvoer (inw.) | - | ∅ 40 | ∅ 40 | ∅ 40 | ∅ 40 | ∅ 40 | ∅ 40 | ∅ 40 |
3.4.2 Algemene en elektrische gegevens
| OMSCHRIJVING Eenheid SGS 28 SGS 30 SGS 50 SGS 60 SGS 80 SGS 100 SGS 120 | ||||||||
| Inhoud ltr 217 368 368 368 480 480 480 | ||||||||
| Ledig gewicht kg 202 239 239 239 480 480 480 | ||||||||
| Maximal vloerbelasting kg 419 607 607 607 960 960 960 | ||||||||
| Maximale werkdruk | kPa (bar) | 800 (8) | 800 (8) | 800 (8) | 800 (8) | 800 (8) | 800 (8) | 800 (8) |
| Regelbereik regelthermostaat | °C | 40...80 | 40...80 | 40...80 | 40...80 | 40...80 | 40...80 | 40...80 |
| Defaultwaarde regelthermostaat | °C | 65 | 65 | 65 | 65 | 65 | 65 | 65 |
| Regelbereik hysterese omlaag | °C | 2...12 | 2...12 | 2...12 | 2...12 | 2...12 | 2...12 | 2...12 |
| Defaultwaarde hysterese omlaag | °C | 5 | 4 | 4 | 4 | 5 | 5 | 5 |
| Regelbereik solar differentie | °C | 0...8 | 0...8 | 0...8 | 0...8 | 0...8 | 0...8 | 0...8 |
| Defaultwaarde solar differentie | °C | 7 | 2 | 2 | 2 | 5 | 5 | 5 |
| Regelbereik solar limiet | °C | 65...80 | 65...80 | 65...80 | 65...80 | 65...80 | 65...80 | 65...80 |
| Defaultwaarde solar limiet | °C | 65 | 65 | 65 | 65 | 65 | 65 | 65 |
| Aantal (elektrische) anodes | - | 1 | 2 | 2 | 2 | 2 | 2 | 2 |
| Gemeten drukverschil over de drukschakelaar | Pa | ≥ 165 | ≥ 165 | ≥ 165 | ≥ 165 | ≥ 260 | ≥ 260 | ≥ 260 |
| Drukverschil openen drukschakelaar | Pa | < 115 | < 115 | < 115 | < 115 | < 210 | < 210 | < 210 |
| Opwarmtijd T = 45°C | min. | 22 | 35 | 23 | 19 | 18 | 15 | 12 |
| OMSCHRIJVING | Eenheid | SGS 28 | SGS 30 | SGS 50 | SGS 60 | SGS 80 | SGS 100 | SGS 120 |
| Opgenomen elektrisch vermogen toestel | W | 45 | 45 | 75 | 115 | 95 | 145 | 240 |
| Opgenomen elektrisch vermogen zonnebesturing | W | max. 700 | max. 700 | max. 700 | max. 700 | max. 700 | max. 700 | max. 700 |
| Voedingsspanning (-15% +10% VAC ) | Volt | 230 | 230 | 230 | 230 | 230 | 230 | 230 |
| Netfrequentie (+ 1Hz) | Hz | 50 | 50 | 50 | 50 | 50 | 50 | 50 |
| IP- klasse | - | IP 20 | IP 20 | IP 20 | IP 20 | IP 20 | IP 20 | IP 20 |
| OMSCHRIJVING Eenheid Waarde | ||
| Maximale leidingdruk koudwatertoevoer kPa (bar) 800 (8) | ||
| Maximale leidingdruk inlaatcombinatie kPa (bar) 500 (5) | ||
| Overstortdruk T&P kPa (bar) 1000 (10) | ||
| Overstort temperatuur T&P | °C | 97 |
3.4.3 Gasgegevens
| Omschrijving II2L3B/P | Eenheid SGS | 28 SGS 30 SGS | 50 SGS 60 SGS | 80 SGS 100 GS 120 | ||||
| Gascategorie 2L : G25 - 25 mbar | ||||||||
| Diameter venturi restrictor mm - - - - 9,80 9,80 9,80 | ||||||||
| Nominale belasting (onderwaarde) | kW | 29,0 | 30,0 | 47,0 | 57,0 | 78,0 | 95,0 | 116,0 |
| Nominaal vermogen | kW | 31,0 | 32,7 | 50,3 | 60,4 | 84,2 | 100,7 | 121,8 |
| Voordruk | mbar | 25 | 25 | 25 | 25 | 25 | 25 | 25 |
| CO_2(hooglast) | Vol% | 9,2 ± 1,0 | 9,2 ± 1,0 | 9,2 ± 1,0 | 9,2 ± 1,0 | 9,4 ± 1,0 | 9,4 ± 1,0 | 9,4 ± 1,0 |
| Gasverbruik(*) | m^3/h | 3,6 | 3,7 | 5,8 | 7,0 | 9,6 | 11,7 | 14,3 |
| Gascategorie 3B/P : G30 - 30 mbar | ||||||||
| Diameter venturi restrictor mm 6,00 6,00 6,00 | 6,00 6,00 | 6,00 6,60 6,60 6,60 | ||||||
| Nominale belasting (onderwaarde) | kW | 34,0 | 34,5 | 54,0 | 66,0 | 90,0 | 110,0 | 133,0 |
| Nominaal vermogen | kW | 36,4 | 37,6 | 57,8 | 70,0 | 97,2 | 116,6 | 139,7 |
| Voordruk | mbar | 30 | 30 | 30 | 30 | 30 | 30 | 30 |
| Gasblokdruk | mbar | 12,0 ± 2,0 | 12,0 ± 2,0 | 12,0 ± 2,0 | 12,0 ± 2,0 | - | - | - |
| CO_2(hooglast) | Vol% | 12,0 ± 1,0 | 12,0 ± 1,0 | 12,0 ± 1,0 | 12,0 ± 1,0 | 11,4 ± 1,0 | 11,4 ± 1,0 | 11,4 ± 1,0 |
| Gasverbruik(*) | kg/h | 2,7 | 2,7 | 4,3 | 5,2 | 7,1 | 8,7 | 10,5 |
| Gascategorie 3B/P : G31 - 30 / 37 / 50 mbar | ||||||||
| Diameter venturi restrictor mm 6,00 6,00 6,00 | 6,00 6,00 | 6,00 6,60 6,60 6,60 | ||||||
| Nominale belasting (onderwaarde) | kW | 29,0 | 30,0 | 47,0 | 57,0 | 78,0 | 95,0 | 116,0 |
| Nominaal vermogen | kW | 31,0 | 32,7 | 50,3 | 60,4 | 84,2 | 100,7. | 121,8 |
| Voordruk | mbar | 30 / 37 / 50 | 30 / 37 / 50 | 30 / 37 / 50 | 30 / 37 / 50 | 30 / 37 / 50 | 30 / 37 / 50 | 30 / 37 / 50 |
| Gasblokdruk | mbar | 12,0 ± 2,0 | 12,0 ± 2,0 | 12,0 ± 2,0 | 12,0 ± 2,0 | - | - | - |
| CO_2$ (hooglast) | Vol% | 10,0 ± 1,0 | 10,0 ± 1,0 | 10,0 ± 1,0 | 10,0 ± 1,0 | 9,6 ± 1,0 | 9,6 ± 1,0 | 9,6 ± 1,0 |
| Gasverbruik(*) | kg/h | 2,3 | 2,3 | 3,7 | 4,4 | 6,1 | 7,4 | 9,0 |
| (*) Gebaseerd op 1013,25 mbar en 15 °C.. | ||||||||
3.5 Aansluitschema
De figuur geeft het aansluitschema weer. Dit schema wordt gebruikt in de paragrafen waarin het eigenlijke aansluiten wordt beschreven.
Aansluitschema
![graph TD A["12 T"] --> B["11"] B --> C["14"] C --> D["10"] D --> E["4"] E --> F["6"] F --> G["5"] G --> H["4"] H --> I["3"] I --> J["4"] J --> K["5"] K --> L["4"] L --> M["2"] M --> N["9"] N --> O["13"] O --> P["C"] Q["12 T"] --> R["11"] R --> S["42"] S --> T["26"] T --> U["S1"] U --> V["38"] V -->…](/content/2026/06/1157987/images/b54020747cf4a9ca1b94617e1bc2d04baf5db5cb37999041e0ecadbfb20a892c.jpg)
Legenda
Niet vermelde nummers zijn niet van toepassing.
- drukreduceerventiel (verplicht indien de waterleidingdruk te hoog is)
- inlaatcombinatie (verplicht)
- T&P-ventiel (verplicht)
- afsluiter (aanbevolen)
- terugslagklep (verplicht)
6 circulatie pomp (optioneel), pompdebiet 1500 ltr/uur, bv Grundfos ST 15/11-2 - regeling gestuurde pomp (verplicht)
- aftapkraan
- gaskraan (verplicht)
- service afsluiter (aanbevolen)
- temperatuurmeter (aanbevolen)
- condensafvoer (verplicht)
-
tappunten
-
expansievat (verplicht)
- drukventiel (verplicht)
- ontluchter (verplicht)
- gecombineerde Q/T-sensor (optioneel)
- pompstation zonnesysteem (modulerend - verplicht)
- Besturing zonnesysteem
A. koudwatertoevoer
B. warmwaterafvoer
C. circulatieleiding
D. gastoevoer
F. aanvoer warmtewisselaar
G. retour warmtewisselaar
S1 . sensor collector (verplicht)
S2 . sensor tank (verplicht)
S3 . sensor top tank (verplicht)
S4 . sensor retour zonnesysteem (optioneel)
Let op
In het aansluitschema zit een pompstation met een geïntergreerde terugslagklep. Dit type pompstation mag alleen gebruikt worden bij gesloten systemen. Bij systemen met terugloopvat, systemen met drain back, is het gebruik van een pompstation met een terugslagklep verboden. Voor deze systemen zijn speciale pompstations. Neem contact op met de leverancier van het pompstation.
3.6 Wateraansluitingen

Waarschuwing
De installatie dient te geschieden door een erkend installateur en overeenkomstig de algemeen en plaatselijke geldende voorschriften (1.3 "Voorschriften").
3.6.1 Koudwaterzijdig
Zie (A) in het aansluitschema (3.5 "Aansluitschema").
- Indien de waterleidingdruk meer dan de voorgeschreven (3.4.2 " Algemene en elektrische gegevens") druk is, plaats dan een goedgekeurd reduceerventiel (1).
- Plaats koudwaterzijdig een goedgekeurde inlaatcombinatie (2) overeenkomstig de geldende voorschriften (1.3 "Voorschriften").
- Sluit de overstortzijde van de inlaatcombinatie (2) aan op een open waterafvoerleiding.

Let op
Een inlaatcombinatie is verplicht. Monteer deze zo dicht mogelijk bij het toestel.

Waarschuwing
Tussen inlaatcombinatie en het toestel mag nooit een afsluiter of terugslagklep geplaatst worden.
3.6.2 Warmwaterzijdig
Zie (B) in het aansluitschema (3.5 "Aansluitschema").

Opmerking
Isolatie van lange warmwaterleidingen voorkomt onnodig energieverlies.
- Optioneel: monteer een temperatuurmeter (12) ter controle van de temperatuur van het tapwater.
- Monteer het T&P-ventiel (3).
- Monteer een afsluiter (11) in de warmwateruitgangleiding ten behoeve van servicedoeleinden.
- Is een circulatieleiding nodig, ga dan verder met het monteren van de circulatieleiding (3.6.3 "Circulatieleiding").
3.6.3 Circulatieleiding
Zie (C) in het aansluitschema (3.5 "Aansluitschema").
Indien men direct warm water ter beschikking wil hebben bij tappunten kan een circulatiepomp geïnstalleerd worden. Dit verhoogt het comfort en voorkomt waterverspilling.
- Monteer een circulatiepomp (6) met een capaciteit overeenkomend met de grootte en weerstand van het circulatiesysteem.
- Monteer een terugslagklep (5) na de circulatiepomp om de circulatierichting te garanderen.
- Monteer voor servicedoeleinden twee afsluiters (4).
- Sluit de circulatieleiding aan volgens het aansluitschema (3.5 "Aansluitschema").
3.6.4 Condensafvoer
- Monteer onder afschot een afvoerpijpje aan het sifon (13) voor condensafvoer en sluit deze met een open verbinding aan op de waterafvoerleiding.

Let op
Wanneer condensafvoer niet middels een open verbinding wordt gesloten op de waterafvoerleiding kan dit leiden tot storingen.
3.7 Gasaansluiting

Waarschuwing
De installatie dient te geschieden door een erkend installateur en overeenkomstig de algemeen en plaatselijke geldende voorschriften (1.3 "Voorschriften").

Let op
Zorg ervoor dat de diameter en de lengte van de gastoevoerleiding zo gedimensioneerd zijn dat er voldoende capaciteit geleverd kan worden voor het toestel.
Zie (D) in het aansluitschema (3.5 "Aansluitschema").
- Monteer een gaskraan (10) in de gastoevoerleiding.
- Blaas voor gebruik de gasleiding schoon.
- Sluit de gaskraan.
- Monteer de gastoevoerleiding op het gasblok.

Waarschuwing
Controleer na montage op lekkages.
3.8 Zonnesysteem

Opmerking
Voor de aansluiting van het zonnesysteem wordt verwezen naar het aansluitschema (3.5 "Aansluitschema"). electrisch schema (17.4 "Elektrisch schema zonnesysteem") en het aansluitblok (3.11.1 "Voorbereiding").
- Sluit de aanvoer vanuit de zonnecollector aan op de ingang (F) van de warmtewisselaar.
- Sluit de retourleiding naar de zonnezollector aan op de uitgang (G) van de warmtewisselaar.
- Sluit de kabel aan op de besturing van het zonnesysteem en sensor S 2 , zie:
- elektrisch schema (17.4 " Elektrisch schema zonnesysteem") en
- aansluittabel (3.10.2 " Voorbereiding").
- Sluit de communicatiekabel tussen besturing van het zonnesysteem en het toestel aan, zie:
- elektrisch schema (17.4 " Elektrisch schema zonnesysteem") en
- aansluittabel (3.10.2 "Voorbereiding").

Waarschuwing
In het aansluitschema zit in een pompstation met een geïntergreerde terugslagklep. Dit type pompstation mag alleen gebruikt worden bij gesloten systemen. Bij systemen met terugloopvat, systemen met drain back, is het gebruik van een pompstation met een terugslagklep verboden. Voor deze systemen zijn speciale pompstations. Neem contact op met de leverancier van het pompstation.
3.9 Luchttoevoer en rookgasafvoer
3.9.1 Inleiding
In deze paragraaf worden de volgende onderwerpen beschreven:
- Eisen voor rookgasafvoermateriaal
• Concentrische aansluitingen - Parallelle aansluitingen
3.9.2 Eisen voor rookgasafvoermateriaal

Waarschuwing
De installatie dient te geschieden door een erkend installateur en overeenkomstig de algemeen en plaatselijke geldende voorschriften (1.3 "Voorschriften").
Afhankelijk van de gekeurde toesteltypes zijn verschillende aansluitingen van de luchttoevoer en rookgasafvoer mogelijk.
De toestellen zijn gekeurd voor de toesteltypes B23, C13, C33, C43, C53 en C63.
In deze manual worden de toesteltypes C13 en C33 uitvoerig behandeld. Indien het toestel moet functioneren volgens B23, C43, C53 of C63 kunt u voor nadere informatie contact opnemen met A.O. Smith.
De figuur en tabel geven informatie over deze toesteltypes. Indien uitleg gewenst is over de mogelijkheden, kunt u contact opnemen met de fabrikant.

Toesteltypes

B23 C33

Verklaring toesteltype
| Toesteltype Omschrijving | |
| B23 Verbrandingslucht wordt uit installatieruimte onttrokken. | |
| C13 Concentrische en / of parallelle | muurdoorvoer |
| C33 Concentrische en / of parallelle | dakdoorvoer |
| C43 Toestellen op gezamenlijke aan- en afvoer (concentrisch en / of parallel) in geval van etagebouw. | |
| C53 Toe- en afvoer in verschillend | drukvlak. |
| C63 Toestellen geleverd zonder rookgasafvoermaterialen en / of terminal. Deze toestellen dienen te worden geïnstalleerd volgens de plaatselijk geldende richtlijnen. | |

Opmerking
Zorg ervoor dat de rookgasafvoer in een uitmondingsgebied geplaatst wordt waarin dit toegestaan is voor het desbetreffende toesteltype.
3.9.3 Concentrische aansluitingen
De tabel geeft de eisen weer waaraan de concentrische systemen moeten voldoen.

Waarschuwing
Monteer rookgasafvoermateriaal onder een afschot van 5 mm per meter naar het toestel toe.
Eisen rookgasafvoer voor concentrische systemen (C13, C33)
| Toestel Diameter Maximale | lengte | Maximaal aantal bochten 90° |
| SGS 28, 30, 50, 60 100/150 mm 40 m | 7 | |
| SGS 80, 100, 120 130/200 mm 15 m 4 |

Let op
Aan beide voorwaarden in de tabel moet worden voldaan.
Als u minder dan het maximale aantal bochten gebruikt, mag u toch niet meer dan de maximale pijplengte gebruiken.
Als u minder dan de maximale pijplengte gebruikt, mag u toch niet meer dan het maximale aantal bochten gebruiken.
Een en ander wordt verduidelijkt aan de hand van een voorbeeld.
Praktijkvoorbeeld concentrische rookgasafvoer
Voorbeeld
De figuur geeft een SGS 30 weer. Het toestel moet worden voorzien van 25 m concentrische pijp (C13/C33) en vier bochten van 90 graden. Er moet worden getoetst of deze configuratie voldoet aan de in de tabel gestelde eisen.
Toestel met concentrisch rookgasafvoermateriaal

Volgens de tabel is de maximale lengte 40 meter en het toegestane aantal 90 graden bochten 7. Aan beide eisen is voldaan.
Specifications
Let op
Voor de C13 en C33 toesteltypes schrijft A.O. Smith het gebruik voor van een voor het toestel goedgekeurde dak- of muurdoorvoer. Gebruik van een verkeerde dak- of muurdoorvoer kan leiden tot een storing.
Specificatie concentrische muurdoorvoer C13
| Onderwerp Omschrijving | |||
| Muurdoorvoerset:• 1x Muurdoorvoer (incl. muurplaat & klemband)• 1x Pijp 500 mm• 1x Bocht 90 ° | Art. Nr. SGS 28, 30 | 50, 60 0302 504 | 1 |
| SGS 80, 100, 120 0302 326 | 1 | ||
| Fabrikant Muelink & Grol | |||
| Type M2000 MDV | SEC | ||
| Pijpmateriaal Constructie Concentrisch | |||
| Rookgasafvoer Dikwanding aluminium met lippenring afdichting. | |||
| Luchttoevoer Dunwandig verzinkt plaatstaal. | |||
| Pijpdiameters Rookgasafvoer SGS 28, 30 | 50, 60 ∅ 100 mm | ||
| SGS 80, 100, 120 ∅ 130 mm | |||
| Luchttoevoer SGS | 28, 30, 50, 60 ∅ 150 mm | ||
| SGS 80, 100, 120 ∅ 200 mm | |||
| (1) U mag geen andere muurdoorvoer gebruiken. U kunt de muurdoorvoerset, onder vermelding van het artikelnummer bestellen bij leverancier, fabrikant of groothandel. | |||
Specificatie concentrische dakdoorvoer C33
| Onderwerp Omschrijving | |||
| Dakdoorvoerset:• 1x Dakdoorvoer (incl. klemband)• 1x Pijp 1000 mm• 1x Plakplaat | Art. Nr. SGS 28, 30, 50, 60 0304 423 | 1 | |
| SGS 80, 100, 120 0306 855 | |||
| Fabrikant Muelink & Grol | |||
| Type M2000 DDV HR-C | |||
| Pijpmateriaal Constructie Concentrisch | |||
| Rookgasafvoer Dikwanding aluminium met lippenring afdichting. | |||
| Luchttoevoer Dunwandig verzinkt plaatstaal. | |||
| Pijpdiameters | Rookgasafvoer SGS 28, 30, 50, 60 ∅ 100 mm | ||
| Luchttoevoer | SGS 28, 30, 50, 60 ∅ 150 mm | ||
| SGS 80, 100, 120 ∅ 200 mm | |||
| (1) U mag geen andere dakdoorvoer gebruiken. U kunt de dakdoorvoerset, onder vermelding van het artikelnummer bestellen bij leverancier, fabrikant of groothandel. | |||
3.9.4 Parallelle aansluitingen
De tabel geeft de maximale pijplengte voor parallelle systemen weer. De maximale pijplengte is afhankelijk van de gekozen diameter.

Waarschuwing
Monteer rookgasafvoermateriaal onder een afschot van 5 mm per meter naar het toestel toe.
Eisen rookgasafvoer voor parallelle systemen
| Toestel | Diameter 1 | Maximale strekkende lengte | Lequivalent bocht 90° | Lequivalent bocht 45° |
| SGS 28, 30, 50, 60 | 100 mm | 55 m | 4,6 m | 1,2 m |
| SGS 80, 100, 120 | 130 mm | 65 m | 2,4 m | 1,4 m |
| SGS 28, 30, 50, 60 | 130 mm | 100 m | 2,4 m | 1,4 m |
| SGS 80, 100, 120 | 150 mm | 100 m | 2,6 m | 1,6 m |
| 1) Parallele systemen met diameter 100 of 130 mm. Wanneer de maximale strekkende lengte voor diameter 100 mm niet toereikend is, moet diameter 130 mm worden toegepast. Wanneer de maximale strekkende lengte voor diameter 130 mm niet toereikend is, moet diameter 150 mm worden toegepast. Wanneer diametervergroting wordt toegepast dient dit voor zowel de luchttoevoer als voor de rookgasafvoer te worden doorgevoerd. | ||||
Voor het berekenen van de pijplengte moet u de langste pijp gebruiken. Is bijvoorbeeld de rookgasafvoerpijp 10 meter en de luchttoevoerpijp 8 meter dan gebruikt u 10 meter als rekenlengte. Vervolgens telt u voor iedere 90°-bocht en 45°-bocht, in zowel/ de luchttoevoer en rookgasafvoer het L equivalent op bij deze 10 meter. Een en ander wordt toegelicht aan een praktijkvoorbeeld.
Eisen rookgasafvoer voor parallelle systemen
| Toestel Diameter | 1 | Maximale strekkende lengte | Lequivalent bocht 90° | Lequivalent bocht 45° |
| SGS 28, 30, 50, 60 | 100 mm 55 m | 4,6 m 1,2 m | ||
| SGS 80, 100, 120 | 130 mm 65 m | 2,4 m 1,4 m | ||
| SGS 28, 30, 50, 60 | 130 mm 100 m | 2,4 m 1,4 m | ||
| SGS 80, 100, 120 | 150 mm 100 m | 2,6 m 1,6 m | ||
| 1) Parallele systemen met diameter 100 of 130 mm. Wanneer de maximale strekkende lengte voor diameter 100 mm niet toereikend is, moet diameter 130 mm worden toegepast. Wanneer de maximale strekkende lengte voor diameter 130 mm niet toereikend is, moet diameter 150 mm worden toegepast. Wanneer diametervergroting wordt toegepast dient dit voor zowel de luchttoevoer als voor de rookgasafvoer te worden doorgevoerd. | ||||
Voor het berekenen van de pijplengte moet u de langste pijp gebruiken. Is bijvoorbeeld de rookgasafvoerpijp 10 meter en de luchttoevoerpijp 8 meter dan gebruikt u 10 meter als rekenlengte. Vervolgens telt u voor iedere 90°-bocht en 45°-bocht, in zowel de luchttoevoer en rookgasafvoer het L equivalent op bij deze 10 meter. Een en ander wordt toegelicht aan een praktijkvoorbeeld.
Praktijkvoorbeeld parallelle rookgasafvoer
Voorbeeld
De figuur geeft een SGS 30 weer. Deze moet worden voorzien van 10 m parallelle pijp, 100 mm doorsnede, en acht bochten van 90 graden. Er moet worden getoetst of de configuratie voldoet aan de in de tabel gestelde eisen.
Toestel met parallel rookgasafvoermateriaal

Voor de toetsing aan de maximale lengte moet de langste pijp worden gebruikt. In dit geval is dat de rookgasafvoerpijp. Deze is 10 meter. Deze 10 meter is opgebouwd uit het pijpmateriaal deel 1, 2, 3, 4 en 5. De lengte van het broekstuk hoeft u niet mee te tellen. Het totaal aantal gebruikte bochten, in de rookgasafvoer en luchttoevoer, is 8. De bocht in het broekstuk hoeft u niet mee te tellen. Volgens de tabel moet per bocht moet 4,6 meter worden gerekend. De totale pijplengte wordt hiermee:
Dit is kleiner dan de in de tabel weergegeven lengte van 55 meter. De installatie voldoet dus aan de eisen.
3.10 Elektrische aansluiting toestel

Waarschuwing
De installatie dient te geschieden door een erkend installateur en overeenkomstig de algemeen en plaatselijke geldende voorschriften (1.3 "Voorschriften").
3.10.1 Inleiding
n deze paragraaf komen achtereenvolgens aan de orde:
- Voorbereiding
- Netspanning aansluiten
Optioneel kunnen een scheidingstransformator, een regeling gestuurde pomp (pomp tussen voorraadvat en toestel), een extra ON-mode schakelaar en een extra storingsmelder op het toestel worden aangesloten. Zie hiervoor:
• Scheidingstransformator
- Regeling gestuurde pomp aansluiten
- Extra On-mode schakelaar aansluiten
- Extra storingsmelder aansluiten
Verder wordt het aansluiten van het zonnesysteem beschreven:
- Communicatiekabel met zonnesysteem aansluiten

Opmerking
De optionele componenten zijn niet meegenomen in het opgegeven opgenomen elektrisch vermogen zoals aangegeven in de tabel (3.4.2 "Algemene en elektrische gegevens").
Het toestel is fasegevoelig. Het is absoluut noodzakelijk de fase (L) van het net aan de fase van het toestel en de nul (N) van het net aan te sluiten aan de nul van het toestel.

Let op
Er mag géén spanningsverschil tussen nul (N) en aarde ( 1/2 ) aanwezig zijn. Is dit wel het geval dan dient een scheidingstransformator toegepast te worden (3.10.4 "Scheidingstransformator").
Voor meer informatie of voor het bestellen van deze scheidingstransformator gelieve contact op te nemen met A.O. Smith Water Products Company.
De figuur geeft een aanzicht van het elektrisch aansluitblok weer, de tabel de bijbehorende aansluitingen.

Aansluitblok
Legenda
A. schroeven
B. beschermkap
C. aansluitblok

Ter voorbereiding dient u eerst de twee kappen en de beschermkap van het elektriciteitsgedeelte te verwijderen.
- Draai de schroeven van de kappen los.
- Verwijder voorzichtig de kappen van het toestel. Het elektriciteitsgedeelte is nu zichtbaar.
- Draai de 2 schroeven (A) van het elektriciteitsgedeelte los en verwijder de beschermkap (B) van het elektriciteitsgedeelte. Het aansluitblok (C) wordt nu zichtbaar.
Opmerking
Raadpleeg de tabel voor de aansluitingen en raadpleeg het elektrisch schema voor het aansluiten van elektrische componenten.
Elektrisch aansluitblok
| Netspanning | Scheidingstransformator | Alarm Uit | Pompregelinggestuurd | ExterneAAN/UIT | BUS-link | ||||||||||||||
| primair sec | cundair | ||||||||||||||||||
| N | L | ± N | L | 1 | ± | N | L2 | ± | X1 | X2 | ± | N | L3 | ± | X3 | X4 | X5 | X6 | |
| 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 t/m 20 | 21 | 22 | 23 | 24 |
3.10.3 Netspanning aansluiten
Het toestel wordt geleverd zonder voedingskabel en hoofdschakelaar.

Opmerking
Om het toestel van spanning te voorzien dient het toestel m.b.v. een permanente elektrische verbinding op netspanning aangesloten te worden. Tussen deze vaste verbinding en het toestel moet een dubbelpolige hoofdschakelaar met een contactopening van tenminste 3 mm geplaatst worden. De voedingskabel moet aders van minimaal 3 x 1,0 mm 2 bevatten.

Waarschuwing
Laat het toestel spanningsloos totdat u aan het in bedrijf stellen toe bent.
- Sluit nul (N), fase (L) en aarde () van de voedingskabel aan op punten 1 t/m 3 in het aansluitblok volgens de tabel (3.10.2 "Voorbereiding").
- Monteer de voedingskabel in de trekontlaster.
- Sluit de voedingskabel aan op de hoofdschakelaar.
- Indien u niet meer behoeft aan te sluiten:
- Monteer de kap van het elektrisch aansluitblok.
- Monteer de kappen van het toestel.
3.10.4 Scheidingstransformator
Een scheidingstransformator wordt toegepast indien er sprake is van een 'zwevende nul'.

Opmerking
Het totaal opgenomen vermogen van het toestel loopt via de heidingstrafo.
- Raadpleeg het bij de scheidingstransformator geleverde montagevoorschrift. (Informeer bij de leverancier voor de juiste scheidingstransformator.)
- Sluit nul (N), fase (L) en aarde ( ) van de voedingskabels aan op punten 4 t/m 9 in het aansluitblok volgens de tabel (3.10.2 " Voorbereiding").
- Monteer de kabels in de trekontlaster.
- Indien u niet meer behoeft aan te sluiten:
- Monteer de kap van het elektrisch aansluitblok.
- Monteer de kappen van het toestel.
- Sluit de voedingskabel aan op de hoofdschakelaar.
3.10.5 Regeling gestuurde pomp aansluiten

Opmerking
Het maximaal vermogen van de regeling gestuurde pomp is 100 W.
- Sluit nul (N), fase (L) en aarde () aan op punten 13, 14 en 15 volgens de tabel (3.10.2 "Voorbereiding").
- Monteer de kabel in de trekontlaster.
- Indien u niet meer behoeft aan te sluiten:
- Monteer de kap van het elektrisch aansluitblok.
- Monteer de kappen van het toestel.
3.10.6 Extra On-mode schakelaar aansluiten
Externe AAN/UIT is een mogelijkheid om een externe AAN/UIT-schakelaar aan te sluiten. In de UIT stand is de ingestelde bedrijfstoestand actief. In de AAN stand wordt de ingestelde bedrijfstoestand overruled en is de "ON-mode" actief.
- Sluit de kabels (X 3 en X 4 ) aan op punten 21 en 22 volgens de tabel (3.10.2 "Voorbereiding").
- Monteer de kabel in de trekontlaster.
- Indien u niet meer behoeft aan te sluiten:
- Monteer de kap van het elektrisch aansluitblok.
- Monteer de kappen van het toestel.
3.10.7 Extra storingsmelder aansluiten
Het toestel is voorzien van een contact dat in geval van een storing geschakeld wordt. Hierop kan bijvoorbeeld een lamp worden aangesloten om de storing te signaleren. Een 230 V aansluiting kan rechtstreeks aangestuurd worden. Voor andere voltages is een door de fabrikant voorgeschreven relais nodig.
- Sluit de fase kabels (X 1 en X 2 ) aan op punten 10 en 11 volgens de tabel (3.10.2 "Voorbereiding"). Sluit indien nodig de aarde (÷) aan op punt 12.
- Monteer de kabel in de trekontlaster.
- Indien u niet meer behoeft aan te sluiten:
- Monteer de kap van het elektrisch aansluitblok.
- Monteer de kappen van het toestel.
3.10.8 Communicatiekabel met zonnesysteem aansluiten
Tussen de besturing van het toestel en de besturing van het zonnesysteem dient u een communicatiekabel aan te sluiten.
- Sluit de kabels (X 5 en X 6 ) aan op punten 23 en 24 volgens de tabel (3.10.2 "Voorbereiding").
- Monteer de kabel in de trekontlaster.
- Indien u niet meer behoeft aan te sluiten:
- Monteer de kap van het elektrisch aansluitblok.
- Monteer de kappen van het toestel.
3.11 Elektrische aansluiting zonnesysteem
In deze paragraaf komen achtereenvolgens aan de orde:
- Voorbereiding
- Netspanning aansluiten
- Pompstation aansluiten - modulerende pomp
- Sensor zonnecollector aansluiten
• Tanksensor aansluiten
• Toptanksensor aansluiten
• Communicatiekabel aansluiten
Optioneel kunt u een extra opvoerhoogte pomp en een Q/T-sensor aansluiten:
- Extra opvoerhoogte pomp aansluiten
• Q/T-sensor aansluiten
Verwijder de deksel (middels de klikverbinding) waaronder het aansluitblok voor de collector zit. Deze heeft de onderstaande aansluitpunten:
| Voeding n.v.t. Pomp AAN/UIT | Pomp modulerend n.v.t. | |||||||||||||||||||
| 1/2 | L | N | - | - | 1/2 | - | 1 | NL | 1/2 | M 1 | M 2 | M 3 | - | - | - | - | - | - | - | |
| 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | |
| n.v.t. | n.v.t. | n.v.t. | n.v.t. | Voeding 5V | Sensor S4 | H | Flow signaal | n.v.t. | Sensor S1 | n.v.t. | Sensor S1 | Sensor S3 | Sensor S2 | Sensor S3 | Sensor S2 |
| 1 | 2 | 3 | 4 | 1 | 2 | 3 | 4 | 1 | 2 | 3 | 4 | 1 | 2 | 3 | 4 |
| J3 | J12 | J13 | J14 | ||||||||||||
3.11.2 Netspanning aansluiten

Opmerking
De besturing van het zonnesysteem moet, net als de besturing van het toestel, aangesloten worden op een permanente elektrische verbinding op de netspanning. Tussen de vaste verbinding moet een dubbelpolige hoofdschakelaar komen te zitten. Dit is dezelfde dubbelpolige hoofdschakelaar als die tussen de netspanning en het toestel zit. Op het moment dat deze schakelaar bediend wordt kunnen beide besturingen aan of uit gezet worden.
- Sluit aarde, fase en nul aan op de punten 1 t/m 3
- Monteer de kabels in de trekontlaster.
- Sluit de voedingskabel aan op de hoofdschakelaar.
- Ga verder (3.11.3 " Pompstation aansluiten - modulerende pomp").
3.11.3 Pompstation aansluiten - modulerende pomp
In het pompstation zit een modulerende pomp (4-draads aansluiting). Deze pomp dient u aan te sluiten op de besturing van het zonnesysteem.
- Sluit aarde, fase en nul aan op de punten 10 t/m 12.
- De vierde draad aansluiten op punt 13.
- Monteer de kabels in de trekontlaster.
- Ga verder (3.11.4 " Sensor zonnecollector aansluiten").
3.11.4 Sensor zonnecollector aansluiten

Opmerking
Deze sensor moet in de zonnecollector gemonteerd worden, zie de installatiehandleiding van de zonnecollectoren.
Op het toestel sluit u de sensor (S 1 ) als volgt aan:
- Sluiten de sensor aan op punt 2 en 4 van J13.
- Monteer de kabels in de trekontlaster..
- Ga verder (3.11.5 " Tanksensor aansluiten").
3.11.5 Tanksensor aansluiten

Opmerking
Bij levering is deze sensor nog niet in het voorraadvat gemonteerd. De sensor moet tussen de in- en uitgang van de warmtewisselaar van het voorraadvat gemonteerd worden. Tevens dient de sensorkabel op de besturing van het zonnesysteem aangesloten te worden.
- Sluit de kabel van de sensor (S 2 ) met de schuifstekkers aan op de sensor.
- Sluit het andere uiteinde aan op punt 2 en 4 van J14.
- Monteer de kabels in de trekontlaster.
- Ga verder (3.11.7 " Communicatiekabel aansluiten").
3.11.6 Toptanksensor aansluiten
- Sluit de kabel van de sensor (S 3 ) met de schuifstekkers aan op de sensor.
- Sluit het andere uiteinde aan op punt 1 en 3 van J14.
- Monteer de kabels in de trekontlaster.
- Ga verder (3.11.7 " Communicatiekabel aansluiten").
3.11.7 Communicatiekabel aansluiten

Opmerking
De communicatiekabel moet altijd aangesloten worden anders functioneren zowel het toestel als de besturing van het zonnesysteem niet.
- Sluit de dubbele connector aan op J16.
- Monteer de kabel in de trekontlaster.
- Sluit het andere eind van de communicatiekabel aan op het aansluitblok van het toestel. Zie:
- aansluiten van communicatiekabel op het toestel (3.11.7 "Communicatiekabel aansluiten")
- elektrische schema toestel (17.3 "Elektrisch schema van het toestel")
- electrische schema zonnesysteem (17.4 "Elektrisch schema zonnesysteem")
- Sluit de optionele opvoerhoogte pomp (3.11.8 "Extra opvoerhoogte pomp aansluiten") of Q/T-sensor (3.11.9 "Q/T-sensor aansluiten") aan.
- Indien u niet meer behoeft aan te sluiten:
- Monteer de kappen over de besturing.
3.11.8 Extra opvoerhoogte pomp aansluiten

Opmerking
Deze pomp is noodzakelijk als er meer opvoerhoogte benodigd is. Wanneer het systeem een dusdanige weerstand (>66 kPa) heeft dat de pomp van het pompstation niet voldoet kunt u een tweede (AAN/UIT) pomp aangesluiten op de besturing van het zonnesysteem.
- Sluit aarde ( )fase en nul op aan punten 7 t/m 9.
- Monteer de kabel in de trekontlaster.
- Indien u een extra opvoerhoogte pomp moet aansluiten ga verder (3.11.9 "Q/T-sensor aansluiten"), anders:
- Monteer de kappen over de besturing.
3.11.9 Q/T-sensor aansluiten

Opmerking
Als optie kunt u een Q/T-sensor in de installatie opnomen. Hiermee kunt u de opbrengst van het systeem te berekenen. Voor meer informatie of voor het bestellen van de Q/T-sensor kunt u contact opnemen met de leverancier.
- Sluit de 5V aan op J12-1.
- Sluit sensor S 4 aan op J12-2.
- Sluit aarde aan op J12-3.
- Sluit het "flow-signal" aan op J12-4.
- Monteer de kabel in de trekontlaster.
- Indien u niet meer behoeft aan te sluiten:
- Monteer de kappen over de besturing.
3.12 Voordruk, gasblokdruk, CO₂- getal en schakeldruk controleren

Opmerking
Alvorens u het toestel in bedrijf neemt en/of de voordruk en/of het CO 2 -getal en/of de schakeldruk controleert dient u het toestel te vullen (5 "Vullen").

Let op
Bij de eerste keer in bedrijf nemen en na het ombouwen, is het verplicht om de voordruk, gasblokdruk, het CO 2 -getal en de schakeldruk te controleren.

Opmerking
Voor het controleren van de voordruk, gasblokdruk, het CO₂-getal en de schakeldruk dient u te beschikken over een CO₂-meter en een manometer.
3.12.1 Controleprocedure voordruk
Om de voordruk te controleren handelt u als volgt:
- Maak het toestel spanningsloos (10.3 " Toestel spanningsloos maken").
- Neem de kappen voorzichtig van het toestel.
- Het elektriciteitsgedeelte is nu zichtbaar.
SGS 28 t/m 60
- Op de gaspijp voor het gasblok (voor NAT-gas toestellen) of voor de drukreduceer (voor LP-gas toestellen) bevindt zich een meetnippel om de voordruk te kunnen meten.
In deze meetnippel bevindt zich een afdichtschroefje. Draai het afdichtschroefje enkele slagen los. Draai het niet helemaal los; het is lastig om het dan weer vast te schroeven.

- Op het gasblok bevindt zich een meetnippel om de voordruk te kunnen meten.
In deze meetnippel bevindt zich een afdichtschroefje. Draai het afdichtschroefje enkele slagen los. Draai het niet helemaal los; het is lastig om het dan weer vast te schroeven.

- Open de gastoevoer en ontlucht het gasleidingnet via de meetnippel.
- Sluit een manometer aan op de meetnippel zodra er gas uit deze nippel komt.
- Schakel spanning op het toestel met de hoofdschakelaar van het toestel.
- Zet de besturing AAN door de 0/I-schakelaar op stand I te zetten.
Het display toont nu circa 10 seconden INTERNE CONTROLE en komt daarna in het hoofdmenu.
INTERNE CONTROLE
SERVICE PROGRAMMA SERVICE INTERVAL →SERVICEBEDRIJF ANTI LEGIONELLA
- Selecteer uit het servicemenu SERVICEBEDRIJF, HOOGLAST.
- Bevestig met ENTER Het scherm zoals weergegeven is, verschijnt.
SERVICEBEDRIJF →HOOGLAST DEELLAST
Het toestel staat nu in de "Hooglast-mode" en zal ontsteken.
- Nadat het display de tekst IN BEDRIJF weergeeft moet u circa 1 minuut wachten voordat u de dynamische drukken afleest (deze tijd heeft de ventilator nodig om op vol toerental te gaan draaien, zodat u een betrouwbare meting kunt doen).
- Lees met de manometer de voordruk af en vergelijk deze met de waarde uit de gastabel (3.4.3 "Gasgegevens").
Opmerking
Raadpleeg de beheerder van het gasnet indien de voordruk niet juist is. U kunt het toestel nu niet in bedrijf nemen. U moet het toestel nu uit bedrijf nemen (10.3 "Toestel spanningsloos maken").
Opmerking
- Controleer het gasblok op gasdichtheid, wanneer er een ombouw heeft plaats gevonden.
- Sluit de gastoevoer.
- Ontkoppel de manometer en draai het afdichtschroefje in de meetnippel dicht.
- Indien u niets meer behoeft te controleren of af te stellen kunt u de kappen van het toestel terugplaatsen.
3.12.2 Controleprocedure gasblokdruk
De controleprocedure van de gasblokdruk is alleen van toepassing op toestellen die uitgerust zijn met een drukreduceer. Indien het toestel geen drukreduceer heeft kan door gegaan worden met het afstellen van het CO2-getal (3.12.3 "CO₂-afstellen").
Om de gasblokdruk te controleren handelt u als volgt:
- Maak het toestel spanningsloos (10.3 " Toestel spanningsloos maken").
- Neem de kappen voorzichtig van het toestel.
-
Het elektriciteitsgedeelte is nu zichtbaar.
-
Op het gasblok bevindt zich een meetnippel om de gasblokdruk te kunnen meten. In deze meetnippel bevindt zich een afdichtschroefje. Draai het afdichtschroefje enkele slagen los. Draai het niet helemaal los; het is lastig om het dan weer vast te schroeven.
- Open de gastoevoer.
- Sluit een manometer aan op de meetnippel.
- Schakel spanning op het toestel met de hoofdschakelaar van het toestel.
- Zet de besturing AAN door de 0/I-schakelaar op stand I te zetten.
Het display toont nu circa 10 seconden INTERNE CONTROLE en komt daarna in het hoofdmenu.
INTERNE CONTROLE
SERVICE PROGRAMMA SERVICE INTERVAL →SERVICEBEDRIJF ANTI LEGIONELLA
-
Selecteer uit het servicemenu SERVICEBEDRIJF, HOOGLAST.
-
Bevestig met ENTER
Het scherm zoals weergegeven is, verschijnt.
SERVICEBEDRIJF HOOGLAST →DEELLAST
Het toestel staat nu in de "DEELLAST-mode" en zal ontsteken.
- Nadat het display de tekst IN BEDRIJF weergeeft moet u circa 1 minuut wachten voordat u de dynamische drukken afleest (deze tijd heeft de ventilator nodig om op vol toerental te gaan draaien, zodat er een betrouwbare meting gedaan kan worden).
- Lees met de manometer de druk af en vergelijk deze met de waarde uit de gastabel (3.4.3 "Gasgegevens").
- Indien nodig regel de gasblokdruk bij met stelschroef (2) in de drukreduceer totdat de waarde binnen de marges ligt van de tabelwaarde.
Gasblokdrukafstelling

Om het CO₂-getal tijdens hooglast en deellast te controleren en eventueel af te stellen, handelt u als volgt:
- Maak het toestel spanningsloos (10.3 " Toestel spanningsloos maken").
- Neem de kappen voorzichtig van het toestel.
- Het elektriciteitsgedeelte is nu zichtbaar.
- Plaats de meetsonde van de CO 2 -meter in de meetnippel (58) van de rookgasafvoerbuis (het nummer verwijst naar de Algemene werking van het toestel).
- Open de gastoevoer en ontlucht het gasleidingnet.
- Schakel netspanning op het toestel met de hoofdschakelaar.
- Neem het toestel in bedrijf (9 " In bedrijf nemen").
- Ga naar het menu :→ SERVICEBEDRIJF.
- Genereer warmtevraag door het toestel koud te tappen of door in het onderstaande SERVICE-menu de waarde voor Tset te verhogen. Gebruik hiervoor ↑.
Hooglastmeting
- Selecteer uit het servicemenu :
- SERVICEBEDRIJF |HOOGLAST
- Bevestig met . ENTER
Het toestel staat nu in de "HOOGLAST-mode" en zal ontsteken.

-
Het toestel draait nu op HOOGLAST. Lees de waarde van de CO₂-meter af en wacht tot deze meetwaarde enige tijd stabiel blijft. Dit kan enkele minuten duren.
-
Vergelijk dan de meetwaarde met de CO₂-waarde uit de tabel (3.4.3 "Gasgegevens").
Let op
De CO 2 -waarde op hooglast moet binnen ± 1,0 Vol% liggen van de CO 2 -waarde die vermeld is in de tabel (3.4.3 "Gasgegevens").
SGS 28 t/m 60
- Indien nodig regel het CO₂-getal bij met stelschroef totdat de waarde binnen de marges liegt van de CO₂-tabelwaarde.
Gebruik hiervoor het meegeleverde inbussleuteltje. Het sleuteltje bevindt zich in de plastic zak die aan het toestel bevestigd is.
CO 2 -afstelling (hooglast)

- Linksom draaien (tegen de klok in) betekent meer gas (hogere CO₂) en rechtsom draaien (met de klok mee) betekend minder gas (lagere CO₂).
Opmerking
Controleer het gasblok op gasdichtheid, wanneer er een ombouw heeft plaats gevonden.
-
Indien uTset heeft verhoogd, stel deze dan weer in op de oorspronkelijke waarde met ↓
-
Ga verder met de CO₂ deellastmeting.
SGS 80 t/m 120
- Indien de meetwaarde wel binnen de marges ligt van de CO₂-tabelwaarde:
- Indien u Tset heeft verhoogd, stel deze dan weer in op de oorspronkelijke waarde met ↓
- Ga verder met de CO 2 deellastmeting.
- Indien de meetwaarde niet binnen de marges ligt van de CO₂-tabelwaarde, dan kunt u het toestel niet in bedrijf nemen:
- Schakel het toestel uit.
- Sluit de gastoevoer naar het toestel.
- Plaats de kappen terug op het toestel.
- Neem contact op de de leverancier van het toestel.
Deellastmeting
- Selecteer uit het servicemenu :
- SERVICEBEDRIJF | DEELLAST
- Bevestig met . ENTER
Het toestel staat nu in de "DEELLAST-mode" en zal ontsteken.

- Het toestel draait nu op DEELLAST. Lees de waarde van de CO₂-meter af en wacht tot deze meetwaarde enige tijd stabiel blijft. Dit kan enkele minuten duren.
- Vergelijk dan de meetwaarde met de CO₂-waarde de waarde die gemeten is op hooglast.
Let op
De CO 2 -waarde op deellast moet binnen ±0,3 Vol% liggen van de CO 2 -waarde die gemeten of ingeregeld is op hooglast.
- Indien nodig regel het CO 2 -getal bij met stelschroef totdat de waarde binnen de marges liegt van 0,3 Vol% van de hooglast-CO 2 -waarde.
SGS 28 t/m 60 - CO 2 -afstelling (deellast)

SGS 80 t/m 120 - CO 2 -afstelling (deellast)

- Linksom draaien (tegen de klok in) betekent minder gas (lagere CO 2 ) en rechtsom draaien (met de klok mee) betekend meer gas (hogere CO 2 ).
Opmerking
- Controleer het gasblok op gasdichtheid, wanneer er een ombouw heeft plaats gevonden.
-
Haal de CO₂-meetsonde uit de meetnippel van de rookgasafvoerbuis.
-
Monteer het dopje weer op de meetnippel van de rookgasafvoerbuis.
-
Sluit de gastoevoer.
-
Plaats de kappen terug.
3.12.4 Schakeldruk meting
Om de schakeldruk meting uit te voeren handelt u als volgt:
-
Maak het toestel spanningsloos (10.3 " Toestel spanningsloos maken").
-
Neem de kappen voorzichtig van het toestel.
-
Het elektriciteitsgedeelte is nu zichtbaar.
-
Neem de zwarte dopjes van het meetpunt van de drukschakelaar
-
Sluit de + van de manometer aan op de H van het meetpunt van de drukschakelaar.
-
Sluit de - van de manometer aan op de L van het meetpunt van de drukschakelaar
-
Stel de manometer in op 0.
-
Neem het toestel in bedrijf (9 " In bedrijf nemen").
-
Het toestel doorloopt nu de opwarmcyclus (9.3 " Opwarmcyclus van het toestel").
-
Lees de druk van de meter af op het moment dat het toestel schakelt van VOORSPOELEN naar DRUKSCHAKELAAR. Het display van het toestel toont op dit moment:
| ON □ □ □13:45 Donderdag 63°CTset 65°CDRUKSCHAKELAAR |
- Controleer of deze gemeten waarde overeenkomt met de waarde uit de tabel (3.4.3 "Gasgegevens").

Opmerking
Indien de melding DRUKSCHAKELAAR niet verschijnt is er een storing. Deze moet eerst door een bevoegde servicemonteur verholpen worden.
- Sluit de gastoevoer.
- Ontkoppel de manometer.
- Plaats de twee zwarte dopjes terug op de drukschakelaar.
- Plaats de kappen terug.
4 Ombouw naar een andere gascategorie
4.1 Inleiding
Let op
De ombouw mag alleen door een erkend installateur uitgevoerd worden.
Indien het toestel moet gaan functioneren op een andere gasfamilie (LP-gas of aardgas) of op een andere gascategorie anders dan de gascategorie waar het toestel standaard op afgesteld is, dient het toestel met een speciale ombouwset aangepast te worden. U kunt de gewenste ombouwset bestellen bij de leverancier van uw toestel. In de ombouwset zijn alle noodzakelijke onderdelen aanwezig om de ombouw te kunnen realiseren. Bij deze set wordt tevens een beschrijving geleverd, hoe de desbetreffende ombouw uitgevoerd moet worden.
Ombouwen kan op de volgende manieren:
- Het ombouwen van aardgas naar LP-gas.
- Het ombouwen van LP-gas naar aardgas.
- Het ombouwen van aardgas naar aardgas of LP-gas naar LP-gas, indien van toepassing.
Let op
Na ombouwen dient u de gasdichtheid, voordruk, gasblokdruk, het CO 2 -getal en de schakeldruk te controleren.
5 Vullen
Aansluitschema
![graph TD A["12 T"] --> B["11"] B --> C["B"] C --> D["3"] D --> E["4"] E --> F["5"] F --> G["4"] G --> H["2"] H --> I["9"] I --> J["13"] J --> K["C"] L["12 T"] --> M["42"] M --> N["S1"] N --> O["F"] O --> P["S2"] P --> Q["G"] Q --> R["9"] R --> S["16"] S --> T["37"] T --> U["%T"] U --> V["2"] V --> W…](/content/2026/06/1157987/images/a4e9b3cb74b1bff32dd612a9b0a6505b5e3bda21abdfffc4415b91a71f58b40a.jpg)
Legenda
Niet vermelde nummers zijn niet van toepassing.
- drukreduceerventiel (verplicht indien de waterleidingdruk te hoog is)
- inlaatcombinatie (verplicht)
- T&P-ventiel (verplicht)
- afsluiter (aanbevolen)
- terugslagklep (verplicht)
- circulatie pomp (optioneel), pompdebiet: 1500 ltr/uur, by Grundfos ST 15/11-2
- regeling gestuurde pomp (verplicht)
- aftapkraan
- gaskraan (verplicht)
- service afsluiter (aanbevolen)
- temperatuurmeter (aanbevolen)
-
condensafvoer (verplicht)
-
tappunten
- expansievat (verplicht)
- drukventiel (verplicht)
- ontluchter (verplicht)
- gecombineerde Q/T-sensor (optioneel)
- pompstation zonnesysteem (modulerend - verplicht)
- besturing zonnesysteem
A. koudwatertoevoer
B. warmwaterafvoer
C. circulatieleiding
D. gastoevoer
F. aanvoer warmtewisselaar
G. retour warmtewisselaar
S1 . sensor collector (verplicht)
S2 . sensor tank (verplicht)
S3 . sensor top tank (verplicht)
S4 . sensor retour zonnesysteem (optioneel)
5.1 Installatie vullen

Let op
In het aansluitschema zit een pompstation met een geïntergreerde terugslagklep. Dit type pompstation mag alleen gebruikt worden bij gesloten systemen. Bij systemen met terugloopvat, systemen met drain back, is het gebruik van een pompstation met een terugslagklep verboden. Voor deze systemen zijn speciale pompstations. Neem contact op met de leverancier van het pompstation.
Om de installatie te vullen gaat u als volgt te werk.
- Open de service afsluiters (11) in de warmwaterleiding (B) en in de leidingen tussen het toestel en het voorraadvat. Open ook, indien aanwezig, de afsluiters (4) van de circulatiepomp.
- Sluit aftapkraan (9).
- Open het dichtstbijzijnde tappunt (14).
- Open de toevoerkraan van de inlaatcombinatie (2) zodat koud water het voorraadvat instroomt.
- Vul het toestel volledig. Als uit het dichtstbijzijnde tappunt een volle straal water komt, is het toestel vol.
- Ontlucht de gehele installatie, bijvoorbeeld door alle tappunten te openen.
- Het voorraadvat en de installatie staan nu onder waterleidingdruk. Er mag nu geen water uit het overstortventiel van de inlaatcombinatie en het T&P-ventiel (3) komen. Is dit toch het geval dan kan het zijn dat:
- Het T&P-ventiel defect is, of onjuist is gemonteerd.
- De waterleiding druk groter is dan de voorgeschreven 8 bar. Plaats dan alsnog een drukreduceerventiel (1).
- Het overstortventiel van de inlaatcombinatie of het T&P-ventiel is defect, of onjuist is gemonteerd.
5.2 Zonnesysteem vullen

Opmerking
Voor het werken met de door de fabrikant voorgeschreven verdunde glycoloplossing zijn geen speciale veiligheidsmaatregelen vereist. Nadere informatie omtrent de vloeistof kunt u bij de fabrikant opvragen.

Waarschuwing
Als u het zonnesysteem vult ter verversing van de verwarmingsvloeistof zorg er dan voor dat:
- Het toestel is uitgeschakeld (10.2 " Toestel een korte periode buiten bedrijf stellen").
- Het zonnesysteem is uitgeschakeld. Raadpleeg de documentatie van het zonnesysteem.
- Het toestel voldoende is afgekoeld om persoonlijk letsel (verbranding) te voorkomen.

Opmerking
De in deze handleiding beschreven vulprocedure is bedoeld voor het pompsysteem dat door de leverancier van het toestel wordt geleverd. Voor andere systemen dient u de procedure van dit andere systeem te volgen.

Waarschuwing
Om vervuiling van de glycol te voorkomen moet u het zonnesysteem allereerst door spoelen met water.
5.2.1 Doorspoelen met water
- Sluit water aan op het vulpunt van pompstation
- Sluit een aftapslang aan op het aftappunt
- Open de beide kranen van vul- en aftappunt
- Open de waterkraan.
- Laat het systeem zolang spoelen tot er geen vervuiling meer uit de aftapslang komt.
- Sluit daarna de watertoevoer
- Haal het resterende water uit het syteem.
- Nu kunt u het syteem met glycol vullen.
5.2.2 Vullen met glycol
- Plaats de slang van de glycolpomp in de met glycol gevulde jerrycan.
- Zet de pomp op de jerrycan.
- Sluit de slang van de glycolpomp aan op de inlaatcombinatie van het pompstation.
- Open kraan van de inlaatcombinatie.
- Stop de stekker van de glycolpomp in het stopcontact.
- Zet de glycolpomp aan met de AAN/UIT-schakelaar van de glycolpomp.
- Zet de glycolpomp uit zodra de drukmeter op het pompstation begint op te lopen.
- Ontlucht het systeem volledig met ontluchter (26, zie aansluitschema).
- Sluit de ontluchter als er geen meer lucht uitkomt.
- Zet de pomp aan via het servicemenu (12.9.2 "Aanzetten van solar pomp").
Opmerking
- Om ervoor te zorgen dat het zonnesysteem goed gevuld wordt kan de pomp in het zonnesysteem via het servicemenu gedurende 2 minuten aangezet worden.
- Herhaal stap 6 tot en met 9 totdat er glycol uit de ontluchter (26) loopt.
Opmerking
Wanneer een installatie niet voorzien is van een terugloopsysteem (drain-back) dient de installatie op druk afgevuld te worden (1,5 bar). Wanneer een installatie is voorzien van een terugloopsysteem (drain-back) dient de installatie niet op druk afgevuld te worden. Zie voor het monteren, vullen en aftappen van een terugloopsysteem de installatie- en gebruikershandleiding van de zonnecollectoren.
- Zet de glycolpomp uit.
- Sluit kraan van de inlaatcombinatie en ontkoppel de glycolpomp (inclusief slangen).
Opmerking
De glycol in de vulslang dient u milieuvriendelijk en volgens de geldende voorschriften af te voeren.

6 A f t a p
Aansluitschema
![graph TD A["12 T"] --> B["11"] B --> C["B"] C --> D["3"] D --> E["4"] E --> F["5"] F --> G["4"] G --> H["2"] H --> I["9"] I --> J["13"] J --> K["C"] L["12 T"] --> M["42"] M --> N["S1"] N --> O["F"] O --> P["S2"] P --> Q["G"] Q --> R["9"] R --> S["16"] S --> T["37"] T --> U["%T"] U --> V["2"] V --> W…](/content/2026/06/1157987/images/906fb6fca847540b7fd462178c3588688908b9b9a474b8653507f5443ce0b5db.jpg)
Legenda
Niet vermelde nummers zijn niet van toepassing.
- drukreduceerventiel (verplicht indien de waterleidingdruk te hoog is)
- inlaatcombinatie (verplicht)
- T&P-ventiel (verplicht)
- afsluiter (aanbevolen)
- terugslagklep (verplicht)
- circulatie pomp (optioneel), pompdebiet: 1500 ltr/uur, by Grundfos ST 15/11-2
- regeling gestuurde pomp (verplicht)
- aftapkraan
- gaskraan (verplicht)
- service afsluiter (aanbevolen)
- temperatuurmeter (aanbevolen)
-
condensafvoer (verplicht)
-
tappunten
- expansievat (verplicht)
- drukventiel (verplicht)
- ontluchter (verplicht)
- gecombineerde Q/T-sensor (optioneel)
- pompstation zonnesysteem (modulerend - verplicht)
- besturing zonnesysteem
A. koudwatertoevoer
B. warmwaterafvoer
C. circulatieleiding
D. gastoevoer
F. aanvoer warmtewisselaar
G. retour warmtewisselaar
S1 . sensor collector (verplicht)
S2 . sensor tank (verplicht)
S3 . sensor top tank (verplicht)
S4 . sensor retour zonnesysteem (optioneel)

Let op
In het aansluitschema zit een pompstation met een geïntergreerde terugslagklep. Dit type pompstation mag alleen gebruikt worden bij gesloten systemen. Bij systemen met terugloopvat, systemen met drain back, is het gebruik van een pompstation met een terugslagklep verboden. Voor deze systemen zijn speciale pompstations. Neem contact op met de leverancier van het pompstation.
6.1 Installatie, toestel of voorraadvat aftappen
Voor sommige handelingen is het nodig het voorraadvat of de gehele installatie af te tappen. De procedure is als volgt:
- Activeer het HOOFDMENU met

- Plaats de aanwijzer voor OFF.
- Bevestig OFF met ENTER
- Wacht tot de ventilator gestopt is. Het icoontje is dan ingetrokken.

Let op
Het toestel kan defect raken als u niet wacht tot het spoelen van de ventilator gestopt is.
- Zet het toestel UIT (stand 0) met de AAN/UIT-schakelaar van het toestel.
- Maak het toestel spanningsloos door de hoofdschakelaar tussen het toestel en het elektriciteitsnet op stand 0 te zetten.
- Sluit de gastoevoer (10).
- Sluit de service afsluiters in de warmwaterleiding (11).
- Sluit de toevoerkraan van de inlaatcombinatie (2).
6.1.1 Installatie aftappen
- Voor het aftappen van de hele installatie dienen de service afsluiters (11) tussen het voorraadvat en het toestel volledig open gezet te worden.
- Open aftapkraan van het voorraadvat (9).
- Belucht het voorraadvat (of installatie) zodat het helemaal kan leeglopen.
6.1.2 Voorraadvat aftappen
- Sluit beide serviceafsluiters (11) tussen het voorraadvat en het toestel.
- Open de aftapkraan van het voorraadvat (9).
- Belucht het voorraadvat zodat het voorraadvat helemaal kan leeglopen.
6.1.3 Toestel aftappen
- Sluit beide serviceafsluiters (11) tussen het voorraadvat en het toestel.
- Open de aftapkraan van het toestel (9).
- Belucht het toestel zodat het toestel helemaal kan leeglopen



6.2 Zonnesysteem aftappen

Opmerking
Voor het werken met de door de fabrikant voorgeschreven verdunde glycoloplossing zijn geen speciale veiligheidsmaatregelen vereist. Nadere informatie omtrent de vloeistof kunt u bij de fabrikant opvragen.
- Activeer het HOOFDMENU met 📄

- Plaats de aanwijzer voor OFF.
- Bevestig OFF met ENTER
- Wacht tot de ventilator gestopt is. Het icoontje is dan ingetrokken.

Let op
Het toestel kan defect raken als u niet wacht tot het spoelen van de ventilator gestopt is.

Waarschuwing
De vloeistof in de leidingen en de leidingen zelf kunnen zeer heet zijn! Wacht daarom totdat het toestel voldoende is afgekoeld.
- Schakel het zonnesysteem uit.
- Sluit een slang aan op het laagste aftappunt in het zonnesysteem.
- Plaats de slang in de jerrycan van de glycol.
- Open kraan het laagste aftappunt.
- Open ontluchter (26) van het zonnesysteem.
- Sluit het aftappunt als de jerrycan vol is.
- Plaats de slang in een nieuwe jerrycan.
- Herhaal stap 6 en 7 totdat er geen glycol meer uit het systeem komt.
- Sluit de ontluchter en de kraan van het aftappunt.
- Verwijder de slang.

Opmerking
Voer de afgetapte glycol milieuvriendelijk en volgens de geldende voorschriften af.
7 Het bedieningspaneel
7.1 Inleiding
In dit hoofdstuk komen achtereenvolgens aan de orde:
- Bediening;
• Betekenis van de icoontjes ;
• AAN/UIT-schakelaar op besturing ; - Navigatieknoppen;
• PC-aansluiting .
7.2 Bediening
De bediening is volledig menugestuurd en bestaat uit:
- een 4-regelig display met 20 karakters per regel;
- 6 drukknoppen voor de bediening (onder het display);
- 6 grafische symbolen (boven het display);
- een aansluiting voor een service-PC;
- een AAN/UIT-schakelaar.
De drukknoppen zijn onderverdeeld in drie groepen:
- Navigatieknoppen:
- Knoppen omhoog, en omlaag;
- E n ENTER : ;
- Reset knop: RESET
- het hoofdmenu (11 " Hoofdmenu"): 📄;
- het serviceprogramma (12 " Serviceprogramma"):
Dit hoofdstuk is specifiek bedoeld voor de serviceen onderhoudsmonteur en installateur.
In deze handleiding wordt het display van de besturing afgebeeld zoals in de figuur, al dan niet met icoontjes.
| →IN BEDRIJF NEMEN* SETPOINT INSTELLEN= Tset=70°C |
7.3 Betekenis van de icoontjes
De tabel geeft de betekenis van de icoontjes weer.
Icoontjes en hun betekenis
| Naam Betekenis | ||
| Warmtevraag Con | stateringwarmtevraag | |
| Spoelen Voor- en | naspoelenm.b.v. ventilator | |
| Drukschakelaar | Drukschakelaar isgesloten |
| Naam Betekenis | ||
| Gloeien | (Voor)gloeien | |
| Gasblok | Openen gasblok/ontsteking | |
| Vlamdetectie | Toestel in bedrijf | |
| Zonnesysteem | zonenergie verwarmt water |
7.4 AAN/UIT-schakelaar op besturing
Met de AAN/UIT-schakelaar van de besturing schakelt u het toestel AAN en UIT. In de UIT stand blijft het toestel echter wel onder spanning staan, waardoor de continupomp blijft draaien.
INTERNE CONTROLE
Na het aanzetten verschijnt circa 10 seconden de tekst INTERNE CONTROLE op het display. Daarna verschijnt het hoofdmenu (11 "Hoofdmenu"). Indien vanuit het hoofdmenu geen keuze wordt gemaakt, schakelt het toestel automatisch naar de toestand OFF (8.2 "Bedrijfstoestanden").

Opmerking
Om het toestel spanningsloos te maken dient u de hoofdschakelaar tussen het toestel en het elektriciteitsnet te gebruiken.
7.5 Navigatieknoppen
Het gebruik van deze knoppen wordt toegelicht aan de hand van de figuur die het hoofdmenu weergeeft (11 "Hoofdmenu").
De navigatieknoppen zijn:
- Knoppen omhoog, en omlaag;
• EnterER ;
- Reset knop: . RESET
De pijltjes en geven aan dat u omhoog en/of omlaag kunt scrollen. Voor het scrollen gebruikt u de knoppen ↑ er↓ .
| HOOFDMENUOFF→ONWEEKPROGRAMMA |
| EXTRA PERIODEINSTELLINGEN |
De aanwijzer → wijst de te activeren keuze aan. In het display zoals is afgebeeld in de figuur kunt u scrollen door het hoofdmenu.
Het hoofdmenu bestaat uit: OFF, ON, WEEKPROGRAMMA, EXTRA PERIODE en INSTELLINGEN. De teksten EXTRA PERIODE en INSTELLINGEN zijn pas zichtbaar bij ver genoeg omlaag scrollen.
Met Ebevestigt u de geselecteerde keuze.
Met de knop Rotasert u één pagina terug in een menu en vervallen alle tot dan toe gemaakte instellingen in dat menu.

Opmerking
Knop Pwset dok gebruikt om het toestel te resetten na een storing.
7.6 PC-aansluiting
De PC-aansluiting is uitsluitend bedoeld voor technici van A.O. Smith om de status en de historie van het toestel uit te kunnen lezen. Deze gegevens kunnen van belang zijn bij storingen en/of klachten.
8 Status van het toestel
8.1 Inleiding
In dit hoofdstuk komen achtereenvolgens aan de orde:
- Bedrijfstoestanden;
- Storingstoestanden ;
- Servicetoestand ;
- Anode waarschuwing;
• Waarschuwing Q/T-Sensor ;
• Waarschuwing collector temperatuur
8.2 Bedrijfstoestanden
In werking heeft het toestel vier basis bedrijfstoestanden, te weten:
• OFF
• ON
• EXTRA
- PROG
8.2.1 OFF
In deze toestand is de vorstbeveiliging actief. De figuur toon het display, met op:
- regel één: de tekst OFF;
- regel twee: de tijd, de dag en T1 . (9.3 "Opwarmcyclus van het toestel")
- regel drie en vier: de tekst VORSTBEVEILIGING ACTIEF.
OFF 13:45 Donderdag 6°C VORSTBEVEILIGING ACTIEF
8.2.2 ON
In deze toestand beantwoordt het toestel continu de warmwatervraag. De figuur toont het display, met op:
- regel één: de tekst ON;
- regel twee: de tijd, de dag en T1 . (9.3 "Opwarmcyclus van het toestel")
- regel drie: de geprogrammeerde watertemperatuur Tset :
- regel vier: is leeg in rust, of toont een tekst die afhankelijk is van de opwarmcyclus (9.3 "Opwarmcyclus van het toestel"), zoals WARMTEURAAG.
ON 13:45 Donderda9 67°C Tset 75°C
8.2.3 EXTRA
In deze toestand is één extra periode geprogrammeerd en geactiveerd. In deze toestand wordt de OFF- of PROG-stand tijdelijk overruled om aan één periode van warmtevraag te voldoen. Als de periode voorbij is, gaat het toestel automatisch terug naar de voorgaande bedrijfstoestand. De figuur toont het display, met op:
- regel één: de tekst EXTRA;
- regel twee: de tijd, de dag en T1 ; (9.3 "Opwarmcyclus van het toestel")
- regel drie: het inschakelmoment en de bijbehorende geprogrammeerde watertemperatuur;
- regel vier: de tekst PERIODE ACTIEF.
EXTRA 12:30 Donderdag 76°C DO 12:45 Tset 75°C PERIODE ACTIEF
8.2.4 PROG
In deze toestand is een geprogrammeerd weekprogramma actief en het toestel reageert continu op warmtevraag binnen de ingestelde tijdsperiodes van het weekprogramma. In deze toestand zijn twee situaties te onderscheiden:
PROG 10:00 Maanda9 76°C MA 11:15 Tset 75°C
1. De huidige tijd valt binnen een ingestelde tijdsperiode van het weekprogramma.
De figuur toont het bijbehorende display, met op:
- regel één: de tekst PROG;
- regel twee: de tijd, de dag en T₁; (9.3 "Opwarmcyclus van het toestel")
- regel drie: het eerstkomende uitschakelmoment en de watertemperatuur Tset van de actieve periode;
- regel vier: is leeg of toont een tekst die afhankelijk is van de opwarmcyclus (9.3 "Opwarmcyclus van het toeste!"), bijvoorbeeld WARMTEURAAG.
PROG 12:00 Maanda9 76°C MA 11:15 PERIODE ACTIEF
2. De huidige tijd valt buiten een ingestelde tijdsperiode van het weekprogramma.
De figuur toont het bijbehorende display, met op:
- regel één: de tekst PROG;
- regel twee: de tijd, de dag en T1 ; (9.3 " Opwarmcyclus van het toestel")
- regel drie: het eerstkomende inschakelmoment;
- regel vier: toont de tekst PERIODE ACTIEF.
Voor alle toestanden geldt dat op enig moment de watertemperatuur beneden de gewenste temperatuur kan komen. Het toestel komt dan in een verwarmingscyclus terecht. Deze opwarmcyclus is voor alle basis bedrijfstoestanden gelijk (9.3 "Opwarmcyclus van het toestel").

Opmerking
- Het instellen en eventueel programmeren van de basis bedrijfstoestanden zijn beschreven in het hoofdstuk hoofdmenu (11 "Hoofdmenu").
8.3 Storingstoestanden
De figuur toont een voorbeeld van een storingstoestand. Indien het toestel in deze stand staat, toont het display op:
- regel één: storingscode met een letter, twee cijfers en een storingsomschrijving;
- regel twee t/m vier: afwisselend een beknopte toelichting van de storing en een beknopte actie ten behoeve van de oplossing.
S04: SENSOR FOUT
CONTROLEER SENSOR OF DUMMY

Let op
De op het display weergegeven actie om de storing te verhelpen mag enkel worden uitgevoerd door een service- en onderhoudsmonteur.
Er zijn verschillende soorten storingen:
- LOCK OUT ERRORS
Wanneer de oorzaak niet meer aanwezig is, moeten deze storingen met de knop RESET gereset worden om het toestel weer in bedrijf te nemen.
- BLOCKING ERRORS
Deze storingen verdwijnen automatisch indien de oorzaak van de storing niet meer aanwezig is, vervolgens komt het toestel vanzelf weer in bedrijf.
Op het display is niet te zien wat voor soort storing het betreft. Een uitgebreid storingsoverzicht vindt u elders in de handleiding. (13 "Storingen")
Als u als eindgebruiker het toestel aantreft in een storingstoestand kunt u het toestel proberen in bedrijf te nemen door de Fkngspeenmaal in te drukken.
Als de storing echter terugkomt of in korte tijd meerdere malen voorkomt, dient u contact op te nemen met uw service- en onderhoudsmonteur.
8.4 Servicetoestand
De figuur toont de melding SERVICE BENODIGD.
!!!WAARSCHUWING!!!
MAXIMUM BRANDUREN: SERVICE BENODIGD
Indien de melding verschijnt is het toestel toe aan een service- en onderhoudsbeurt. Neem dan contact op met uw service- en onderhoudsmonteur.
Opmerking
De melding SERVICE BENODIGD is gebaseerd op het aantal verstreken branduren en het ingestelde service-interval. Indien het service-interval onjuist is gekozen, dan kan deze in overleg met de service- en onderhoudsmonteur aangepast worden. Informatie over de onderhoudsfrequentie vindt u elders in de handleiding (14 "Onderhoudsfrequentie").
8.5 Anode waarschuwing
Deze melding verschijnt indien de anode bescherming niet meer actief is. Indien de melding verschijnt dient u contact op te nemen met uw service- en onderhoudsmonteur.
!!!WAARSCHUWING!!!
Bij het verschijnen van deze melding blijft het toestel gewoon functioneren.
8.6 Waarschuwing Q/T-Sensor
Deze melding verschijnt indien de Q/T-sensor niet (goed) is aangesloten maar wel geselecteerd is in het serviceprogramma (12.9.5 "Instellen van Q/T-sensor"). Indien de melding verschijnt dient u contact op te nemen met uw service- en onderhoudsmonteur.
!!!WAARSCHUWING!!!
Q/T-SENSOR NIET CORRECT AANGESLOTEN



8.7 Waarschuwing collector temperatuur
Deze melding verschijnt indien de collector temperatuur te hoog is. Deze de melding verdwijnt automatisch. Indien dit niet gebeurt dient u contact op te nemen met uw service- en onderhoudsmonteur.
!!!WAARSCHUWING!!!
TEMPERATUUR
COLLECTOR
TE HOOG
9 In bedrijf nemen
9.1 Inleiding
In dit hoofdstuk komen achtereenvolgens aan de orde:
- In bedrijf nemen.
- Opwarmcyclus van het toestel

Opmerking
Bij de eerste keer in bedrijf nemen moet u de instellingen van het zonnesysteem invoeren (12.9 "Zonnesysteem configuratie").
9.2 In bedrijf nemen
U neemt het toestel in bedrijf via:
- Vul het toestel (5 " Vullen").
- Zet de gaskraan open (3.5 " Aansluitschema").
- Schakel spanning op het toestel met de hoofdschakelaar tussen het toestel en het elektriciteitsnet.
- Zet de besturing AAN door de AAN/UIT-schakelaar op standl te zetten.
Het display toont nu circa 10 seconden INTERNE CONTROLE en komt daarna in het hoofdmenu.


- Druk eenmaal op de blauwe pijl ( ) om de aanwijzer voor ON te zetten en druk op ENTER Het scherm zoals weergegeven is in de figuur verschijnt.

- Bevestig met deustand
IN BEDRIJF NEMEN.
Het toestel staat nu in de "ON-mode". Indien er warmtevraag is zal de opwarmcyclus (9.3 "Opwarmcyclus van het toestel") doorlopen worden.
Als de opwarmcyclus niet wordt doorlopen, dan is er geen warmtevraag; indien dit het geval is, moet Tset waarschijnlijk worden ingesteld (11.4 "Watertemperatuur instellen").
9.3 Opwarmcyclus van het toestel
De opwarmcyclus van het toestel wordt actief op het moment dat de gemeten watertemperatuur (T 1 ) beneden de drempelwaarde (T set ) komt. Deze drempelwaarde is afhankelijk van de gekozen toestand van het toestel. Staat het toestel bijvoorbeeld in de "OFF-mode" (vorstbeveiliging) dan is deze waarde 5°C. Staat het toestel bijvoorbeeld in de "ON-mode" dan is de drempelwaarde instelbaar, bijvoorbeeld op 65°C.
De opwarmcyclus doorloopt achtereenvolgens de toestanden:
- WARMTEVRAAG;
- VOORSPOELEN;
- DRUKSCHAKELAAR;
- VOORGLOEIEN;
- ONTSTEKEN;
- IN BEDRIJF;
- NASPOELEN.
In het volgende voorbeeld wordt de gehele cyclus uitgelegd aan de hand van de bedrijfstoestand ON.

Opmerking
De doorlopen cyclus geldt ook voor de overige bedrijfstoestanden.
Als het toestel in bedrijf komt, worden de volgende stappen doorlopen:
-
De watertemperatuur komt beneden de ingestelde temperatuur (bijvoorbeeld) 65°C. De besturing constateert warmtevraag en start de opwarmcyclus.
-
Het icoontje wordt geactiveerd.
- De melding WARMTEVRAAG verschijnt.
| ON | ☐ |
| 13:45 | Donderdag 63°C |
| Tset 65°C | |
| WARMTEURAAG | |
-
Na de warmtevraag wordt de ventilator ingeschakeld om eventeel aanwezige gassen te verwijderen. Deze fase heet voorspoelen en duurt circa 15 seconde.
-
Het icoontje wordt geactiveerd.
- De melding VOORSPOELEN verschijnt.
| ON u u |
| 13:45 Donderdag 63°C |
| Tset 65°C |
| VOORSPOELEN |
-
Tijdens het voorspoelen sluit de drukschakelaar.
-
Het icoontje wordt geactiveerd.
- De melding DRUKSCHAKELAAR verschijnt.
| ON □ □ □13:45 Donderdag 63°CTset 65°CDRUKSCHAKELAAR |
-
Vervolgens begint het (voor)gloeien van de gloeionsteker.
-
De icoontjes en worden ingetrokken
- Het icoontje wordt geactiveerd.
| ON □ □13:45 Donderdag 63°CTset 65°CVOORGLOEIEN |
-
Na een aantal seconden (voor)gloeien wordt het gasblok geopend en vindt de ontsteking plaats.
-
Het icoontje wordt geactiveerd.
- De melding ONTSTEKEN verschijnt.
| ON □ □ □13:45 Donderdag 63°CTset 65°C |
| ONTSTEKEN |
-
Na de ontsteking wordt de vlam gedetecteerd en is het toestel in bedrijf. Dit betekent dat het daadwerkelijke opwarmen is begonnen:
-
Het icoontje wordt ingetrokken.
- Het icoontje wordt geactiveerd.
- De melding IN BEDRIJF verschijnt.
| ON | □ | □ | □ | |
| 13:45 | Donderdag | 63°C | Tset 65°C | |
| IN | BEDRIJF | |||
-
Als het water op temperatuur is, valt de warmtevraag weg en begint het naspoelen. Dit duurt circa 25 seconden.
-
De icoontjes, en worden ingetrokken.
- Het icoontje wordt geactiveerd.
- De melding NASPOELEN verschijnt.
| ON □ □ |
| 13:45 Donderdag 65°C |
| Tset 65°C |
| NASPOELEN |
-
Na het naspoelen stopt de ventilator en opent de drukschakelaar:
-
De icoontjes en worden ingetrokken.
- De melding NASPOELEN wordt ingetrokken.
| ON14:05 Donderdag 65°C |
Bij de eerstvolgende warmtevraag begint de opwarmcyclus weer bij stap 1.



10 Uit bedrijf nemen
10.1 Inleiding
Dit hoofdstuk beschrijft:
- Toestel een korte periode buiten bedrijf stellen ;
• Toestel spanningsloos maken; - Toestel voor een lange periode buiten bedrijf stellen.
10.2 Toestel een korte periode buiten bedrijf stellen
Om het toestel een korte periode buiten bedrijf te stellen moet u de vorstbeveiliging inschakelen.
Met de vorstbeveiliging voorkomt u bevriezing van het water in het toestel.
U activeert de vorstbeveiliging via:
- Druk op de knop om het hoofdmenu te selecteren.
- Plaats met ♦m d♦ aanwijzer voor OFF. Bevestig met ENTER
OFF 13:45 Donderdag 6°C VORSTBEVEILIGING ACTIEF
De vorstbeveiliging grijpt in als de watertemperatuur lager dan 5°C is. Op regel één van het display verschijnt dan VORST. Het toestel verwarmt het water tot 20°C (T set ) en valt uiteindelijk terug in de stand OFF.

Opmerking
Deze waardes 5°C en 20°C zijn niet instelbaar.

Let op
Door de OFF-mode te selecteren blijft de anodebescherming actief.

Opmerking
Wanneer het toestel langer dan 2 maanden buiten gebruik is, zonder water af te tappen, ontstaan mogelijk luchtbellen in het toestel. Dat kan leiden tot lucht in het leidingensysteem.
10.3 Toestel spanningsloos maken
U mag het toestel niet zondermeer spanningsloos maken. De juiste procedure is als volgt:
- Activeer het HOOFDMENU met
- Plaats de aanwijzer voor OFF.
- Bevestig OFFmet ENTER.
HOOFDMENU →OFF ON WEEKPROGRAMMA

Let op
Het toestel kan defect raken als u niet wacht tot het spoelen van de ventilator gestopt is.
- Wacht tot de ventilator gestopt is. Het icoontje dan ingetrokken.
- Zet het toestel UIT (stand 0) met de AAN/UIT-schakelaar van het bedieningspaneel.
- Maak het toestel spanningsloos door de hoofdschakelaar tussen het toestel en het elektriciteitsnet op stand 0 te zetten.

Opmerking
Door de hoofdschakelaar tussen het toestel en het electriciteitsnet op stand 0 te zetten, wordt de voedingsspanning van de potentiostaat uitgeschakeld, hierdoor is er geen anodebescherming meer.
10.4 Toestel voor een lange periode buiten bedrijf stellen
Tap het toestel af als u het voor langere tijd buiten bedrijf stelt. Handel als volgt:
- Maak het toestel spanningsloos (10.3 " Toestel spanningsloos maken").
- Sluit de gastoevoer.
- Sluit de afsluiter in de warmwaterleiding.
- Sluit de toevoerkraan van de inlaatcombinatie.
- Open de aftapkraan
- Belucht het toestel (of installatie) zodat het helemaal leeg kan lopen.



11 Hoofdmenu
11.1 Inleiding
Het HOOFDMENU bereikt u door op de knop van de besturing te drukken.
| HOOFDMENU→OFF▲ ON▼ WEEKPROGRAMMA |
| EXTRA PERIODEINSTELLINGEN |
Het hoofdmenu bestaat uit:
- OFF Deze keuze gebruikt u als het toestel tijdelijk wilt uitzetten (10 "Uit bedrijf nemen"), maar niet wilt aftappen. In deze stand is de vorstbeveiliging actief. Hiermee voorkomt u bevriezing van het water in het toestel.
- ON In deze toestand beantwoord het toestel continu de warmwatervraag. (11.3 "De "ON-mode" inschakelen")
- WEEKPROGRAMMA Deze keuze gebruikt u om het toestel alleen binnen geprogrammeerde periodes (11.5 "Weekprogramma") te laten reageren op warmtevraag. Buiten de periodes is alleen een vorstbeveiliging actief.
- EXTRA PERIODE Deze keuze gebruikt u om de OFF-stand of de PROG-stand (=Weekprogramma) te overrulen om aan een tijdelijke periode (11.10 "Extra periode") van warmwatervraag te voldoen.
- INSTELLINGEN Deze keuze gebruikt u om de taal en de tijd in te stellen (11.11 "Instellingen"). Tevens kunt bij deze keuze het regelbereik (temperatuur) en het ontsteek- en werktoerental van de ventilator uitlezen.
Opmerking
Indien u in het hoofdmenu gedurende 30 seconden geen keuze maakt, dan valt het toestel automatisch terug in de stand waarin het stond.
11.2 Notatiewijze voor bediening van het menu
Het HOOFDMENU (a) van de besturing is onderverdeeld in submenu's. Zo is bijvoorbeeld INSTELLINGEN een onderdeel van het hoofdmenu. Het menu INSTELLINGEN is ook weer
onderverdeeld in submenu's. Bijvoorbeeld TAAL is een submenu van INSTELLINGEN. Om nu, bijvoorbeeld, het menu TAAL te selecteren wordt in deze handleiding de volgende notatiewijze gebruikt:
• : INSTELLINGEN | TAAL Bevestig met ENTER
Dit betekent:
- : Activeer het hoofdmenu met .
- INSTELLINGEN: Ga met knop 1en/of naar INSTELLINGEN en bevestig met ENTER
- TÄAL: Ga met knop ↑en/of ̈aar TÄAL
- Bevestig met En het ingeven van ENTER heeft u het submenu TÄL geactiveerd.
11.3 De "ON-mode" inschakelen
U kunt het toestel vanuit iedere willekeurige bedrijfstoestand in de ON stand schakelen, hiervoor gebruikt u:
1.: ON | IN BEDRIJF NEMEN Bevestig met ENTER

Opmerking
Raadpleeg ook het hoofdstuk over in bedrijf nemen (9 "In bedrijf nemen").
11.4 Watertemperatuur instellen
11.4.1 Watertemperatuur instellen via SETPOINT menu
De watertemperatuur stelt u in via:
1.: ON | SETPOINT INSTELLEN Bevestig met ENTER
| IN BEDRIJF NEMEN→SETPOINT INSTELLENTset=65°C |
- Gebruik:
• ↑ om de waarde te verhogen;
• ↓ om de waarde te verlagen.
- Bevestig met ENNetbemestigen komt het toestel in de "ONmode".
| SETPOINT |
| → 65°C |
11.4.2 Watertemperatuur instellen tijdens ON-mode
De watertemperatuur kan ook direct worden bijgeregeld als het toestel in de "ONmode" staat. U gebruikt dan:
- on de waarde te verhogen;
- on de waarde te verlagen.
- Bevestig met . ENTER
ON 13:45 Donderdag 65°C Tset→65°C
11.5 Weekprogramma
Met het weekprogramma kunt u de watertemperatuur op door u gewenste dagen en tijden instellen.
Als het toestel draait volgens een weekprogramma dan is dit op het display aangegeven met de tekst PROG op de eerste regel (zie de figuur). Op de tweede regel staat de tijd van de dag, de dag en de temperatuur. Op de derde regel staat het eerstkomende schakelpunt van het weekprogramma en de bijbehorende temperatuur. Op de vierde regel staat de tekst PROGRAMMA ACTIEF.
PROG 07:55 Maanda9 64°C MA 08:00 Tset 75°C PROGRAMMA ACTIEF
Het standaard aanwezige weekprogramma schakelt het toestel iedere dag in om middernacht 00:00 uur en uit op 23:59 uur. De watertemperatuur staat standaard ingesteld op 65°C.
Indien gewenst kunt u alle instellingen van het standaard aanwezige weekprogramma wijzigen.
Als gedurende het weekprogramma de watertemperatuur te laag wordt, dan zal het toestel de opwarmcyclus (9.3 "Opwarmcyclus van het toestel") doorlopen en daarna weer terugvallen in het weekprogramma.
Achtereenvolgens komen aan de orde:
- Het weekprogramma in en uit bedrijf nemen
- Het standaard aanwezige weekprogramma wijzigen
- Tijdstippen aan een weekprogramma toevoegen
- Tijdstippen van een weekprogramma verwijderen
11.6 Het weekprogramma in en uit bedrijf nemen
U kunt het weekprogramma vanuit iedere willekeurige bedrijfstoestand in bedrijf nemen, gebruik hiervoor:
1.: WEEKPROGRAMMA | IN BEDRIJF NEMEN Bevestig met ENTER
U kunt een weekprogramma uit bedrijf nemen door een andere bedrijfstoestand te activeren, bijvoorbeeld de "ON-mode".
11.7 Het standaard aanwezige weekprogramma wijzigen
Opmerking
Vul eerst het gewenste weekprogramma in op de meegeleverde weekprogrammakaart.
Een weekprogramma is opgebouwd uit een aantal instelbare periodes waarop u het toestel kunt laten in- en uitschakelen. Een periode bestaat uit een:
- inschakeltijdstip: dag van de week, uren en minuten:
- uitschakeltijdstip: uren en minuten;
- de instelbare watertemperatuur;
- de regeling gestuurde pomp in- of uitschakelen.
Opmerking
Een in- en uitschakeltijdstip kan alleen op dezelfde dag beginnen en eindigen. Per dag kunt u maximaal drie periodes programmeren. U kunt maximaal 21 periodes programmeren.
Het menu voor het weekprogramma bereikt u via:
• 📄: WEEKPROGRAMMA | INGEVEN. Bevestig met ENTER
WEEKPROGRAMMA IN BEDRIJF NEMEN →INGEVEN



Het display toont het menu voor het weekprogramma, zie de figuur hieronder. Standaard schakelt het programma iedere dag aan en uit op respectievelijk 00:00 en 23:59 uur, staat de watertemperatuur op 65°C en staat de pomp aan (P).
| DAG | TIJD | Tset | |
| AAN→ZO | 00:00 | 65°C | P |
| UIT | ZO | 23:59 | |
| AAN | MA | 00:00 | 65°C |
| UIT | MA | 23:59 | |
| AAN | DI | 00:00 | 65°C |
| UIT | DI | 23:59 | |
| AAN | WO | 00:00 | 65°C |
| UIT | WO | 23:59 | |
| AAN | DO | 00:00 | 65°C |
| UIT | DO | 23:59 | |
| AAN | VR | 00:00 | 65°C |
| UIT | VR | 23:59 | |
| AAN | ZA | 00:00 | 65°C |
| UIT | ZA | 23:59 | |
| TOEVOEGEN | |||
| VERWIJDEREN | |||
| IN | BEDRIJF | NEMEN | |
Voorbeeld
Als voorbeeld wordt het inschakeltijdstip van zondag ingesteld op 08:15 uur, en het bijbehorende uitschakeltijdstip op 12:45 uur. De watertemperatuur wordt ingesteld op 75 °C en de pomp blijft aan. Via het menu worden hiertoe achtereenvolgens: het inschakeltijdstip, het uitschakeltijdstip, de gewenste watertemperatuur en de stand van de regeling gestuurde pomp ingevoerd.
11.7.1 Weekprogramma: inschakeltijdstip instellen
- Laat de aanwijzer staan op Z0 Bevestig met ENTER
| AAN →ZO 00:00 |
| UIT 20 23:59 |
| Tset 65°C |
| POMP AAN OPSLAAN |
De dag die wordt aangewezen door ÷ knippert.
- Gebruik en on de gewenste dag in te stellen. In het voorbeeld is dit ZÜ (zondag).
Bevestig met ENTER
| AAN 20→00:00 |
| UIT 20 00:59 |
| Tset 65°C |
| POMP AAN OPSLAAN |
De aanwijzer verplaatst naar de uren, deze knipperen.
- Gebruik en on de uren in te stellen. In het voorbeeld is dit 08.
Bevestig met ENTER
De aanwijzer gaat naar de minuten, deze knipperen.
| AAN 20 08+00 |
| UIT 20 08:00 |
| Tset 65°C |
| POMP AAN OPSLAAN |

Opmerking
Omdat de uitschakeltijd nooit voor de inschakeltijd kan liggen, loopt de ingestelde uitschakeltijd automatisch mee met de inschakeltijd.
- Gebruik en on de minuten in te stellen. In het voorbeeld is dit 15.
Bevestig met ENTER
De aanwijzer gaat naar de uren van de uitschakeltijd, deze knipperen.
| AAN 20 08:15 |
| UIT 20+08:15 |
| Tset 65°C |
| POMP AAN OPSLAAN |
11.7.2 Weekprogramma: uitschakeltijdstip instellen
- Gebruik en on de uren in te stellen. In het voorbeeld is dit 12.
Bevestig met ENTER
De aanwijzer gaat naar de minuten, deze knipperen.
| AAN 20 08:15 |
| UIT 20 12+15 |
| Tset 65°C |
| POMP AAN OPSLAAN |
- Gebruik en on de minuten in te stellen. In het voorbeeld is dit 45.
Bevestig met ENTER
De aanwijzer verplaatst naar de gewenste watertemperatuur.
| AAN 20 08:15 |
| UIT 20 12:45 |
| Tset→65°C |
| POMP AAN OPSLAAN |
11.7.3 Weekprogramma: watertemperatuur instellen
- Gebruik en on de watertemperatuur in te stellen. In het voorbeeld is dit 75°C.
Bevestig met ENTER
De aanwijzer verplaatst naar POMP AAN
| AAN 20 08:15 | |
| UIT 20 12:45 | |
| Tset 75°C | |
| POMP→AAN | OPSLAAN |
11.7.4 Weekprogramma: regeling gestuurde pomp instellen
- Indien gewenst kan een pomp aangestuurd worden tijdens de periode. Gebruik dan ten om POMP AAN in te stellen. De pomp zorgt dan voor een regelmatige circulatie van warm water in de warmwaterleidingen. U kunt deze stap overslaan indien u geen pomp in uw circuit heeft.
Bevestig met ENTER
De aanwijzer verplaatst naar OPSLAAN.
| AAN 20 08:15 |
| UIT 20 12:45 |
| Tset 75°C |
| POMP AAN →OPSLAAN |
- Bevestig met ENTER
Het scherm zoals is weergegeven in de figuur verschijnt.
| DAG | TIJD | Tset | |
| AAN→20 | 08:15 | 75°C | P |
| UIT 20 | 12:45 | ||
| AAN MA | 00:00 | 65°C | P |
| UIT MA | 23:59 | ||
| AAN DI | 00:00 | 65°C | P |
| UIT DI | 23:59 |
-
Indien gewenst kunt u met ★aar een volgende dag scrollen en meer inschakeltijdstippen (11.7.1 "Weekprogramma: inschakeltijdstip instellen") en uitschakeltijdstippen (11.7.2 "Weekprogramma: uitschakeltijdstip instellen") wijzigen.
-
Na het wijzigen van de gewenste in -en uitschakeltijdstippen neemt u het weekprogramma in bedrijf:
Scroll met ↓naar IN BEDRIJF NEMEN. Bevestig met ENTER
11.8 Tijdstippen aan een weekprogramma toevoegen
Het menu voor het TOEVOEGEN van in- en uitschakeltijdstippen voor het weekprogramma bereikt u via:
1.: WEEKPROGRAMMA | INGEVEN.
Bevestig met ENTER

Het display toont het menu voor het weekprogramma. De aanwijzer staat bij de actieve periode.

- Scroll↓ naTDEVOEGEN.
Bevestig met ENTER
Het scherm voor het toevoegen van een periode verschijnt.

Voorbeeld
Als voorbeeld wordt een extra periode geprogrammeerd waarvan het inschakeltijdstip ingesteld wordt op 18:00 uur, en het bijbehorende uitschakeltijdstip op 22:00 uur. De watertemperatuur wordt ingesteld op 75°C en de pomp blijft aan.




3. Voer uit:
a. Stel het inschakeltijdstip in (11.7.1 "Weekprogramma: inschakeltijdstip instellen").
b. Stel het uitschakeltijdstip in (11.7.2 "Weekprogramma: uitschakeltijdstip instellen").
c. Stel de watertemperatuur in (11.7.3 "Weekprogramma: watertemperatuur instellen").
d. Stel de regelinggestuurde pomp in (11.7.4 "Weekprogramma: regeling gestuurde pomp instellen").
- Om de toegevoegde periode door te voeren moet u met maar IN BEDRIJF NEMEN scrollen en bevestigen met ENTER
11.9 Tijdstippen van een weekprogramma verwijderen
Alle in- en uitschakeltijdstippen zijn in het display "achter elkaar" geplaatst. Stel dat de in- en uitschakeltijdstippen van het toestel zijn geprogrammeerd volgens de figuur.
| DAG TIJD Tset |
| AAN→ZO 08:15 75°C P |
| UIT ZO 12:45 |
| AAN ZO 18:00 75°C P |
| UIT ZO 22:00 |
| ...... |
| ...... |
| UIT ZA 23:59 |
| TOEVOEGEN |
| VERWIJDEREN |
| IN BEDRIJF NEMEN |
Om te verwijderen gaat u als volgt te werk:
1.: WEEKPROGRAMMA | INGEVEN.
Bevestig met ENTER
| HOOFDMENU |
| UIT |
| →ON |
| WEEKPROGRAMMA |
- Scroll met \waar \ INGEVEN.
Bevestig met ENTER
| WEEKPROGRAMMAIN BEDRIJF NEMEN→INGEVEN |
Het display toont het menu voor het weekprogramma.
- Scroll met 1aar VERWIJDEREN.
Bevestig met ENTER
Om aan te geven dat u in het verwijder menu aan het werk bent, is de aanwijzer vervangen door een uitroepteken (!) en knipperen de bij deze periode behorende gegevens.
| DAG TIJD TsetAAN! Z0 08:15 75°C PUIT Z0 12:45AAN Z0 18:00 75°C P |
| UIT Z0 22:00............UIT ZA 23:59TOEVOEGENUVERWIJDERENIN BEDRIJF NEMEN |
- Scroll met 1aar de te verwijderen dag. Bijvoorbeeld Z0 (zondag) de tweede periode. Zie de figuur.
Bevestig met ENTER
| DAG TIJD TsetAAN!ZO 18:00 75°C PUIT ZO 22:00AAN MA 00:00 65°C P |
| UIT MA 23:59............UIT ZA 23:59TOEVOEGENVERWIJDERENIN BEDRIJF NEMEN |
- De regels met de schakeltijden worden vervangen door de tekst BLOK ECHT VERWIJDEREN? Zie de figuur.
Bevestig met ENTER (of gebruik Monste annuleren)
| DAG TIJD TsetAAN! BLOK ECHTUIT VERWIJDEREN?AAN MA 00:00 65°C P |
De schakeltijd is verwijderd. U komt weer terug in het menu voor het weekprogramma. De aanwijzer wijst naar de eerste geprogrammeerde periode.
| DAG TIJD TsetAAN→ZO 08:15 75°C PUIT ZO 12:45AAN MA 00:00 65°C P |
| UIT MA 23:59............UIT ZA 23:59TOEVOEGENUERWIJDERENIN BEDRIJF NEMEN |
- Scroll met 🚙aar IN BEDRIJF NEMEN.
Bevestig met ENTER
Het weekprogramma is actief.
11.10 Extra periode
Een extra periode gebruikt u om het toestel gedurende een bepaalde periode in te schakelen zonder dat u hiervoor de weekprogrammering aan wilt passen of het toestel uit de OFF-mode (vorstbeveiligingsstand) wilt halen.
Als het toestel draait volgens een "extra periode" dan is dit op het display aangegeven met de tekst EXTRA.
EXTRA
10:00 Maanda9 76°C
MA 11:15 Tset 75°C
PERIODE ACTIEF
Als gedurende de extra periode (11.10.1 "Een extra periode instellen") de watertemperatuur te laag wordt, zal het toestel de opwarmcyclus (9.3 "Opwarmcyclus van het toestel") doorlopen en daarna weer terugvallen in de extra periode.
Voor een extra periode gelden dezelfde instelbare gegevens als een periode van een weekprogramma (11.7 "Het standaard aanwezige weekprogramma wijzigen").
11.10.1 Een extra periode instellen
- Het menu voor het invoeren van de extra periode bereikt u via:
2.: EXTRA PERIODE
Bevestig met ENTER
HOOFDMENU
ON
WEEKPROGRAMMA
→EXTRA PERIODE
Het display toont de instellingen voor de extra periode.
Inschakeltijdstip instellen
- Gebruik en om de dag in te stellen. In het voorbeeld is dit Z0.
Bevestig met ENTER
De aanwijzer verplaatst naar de uren, deze knipperen.
AAN 20÷00:00
UIT 20 00:59
Tset 65°C
POMP AAN START
- Gebruik en om de inschakeluren op de gewenste waarde in te stellen. In het voorbeeld is dit 08.
Bevestig met ENTER
De aanwijzer verplaatst naar de minuten, deze knipperen.
AAN 20 08→00
UIT 20 08:00
Tset 65°C
POMP AAN START
Opmerking
Omdat de uitschakeltijd nooit voor de inschakeltijd kan liggen loopt de ingestelde uitschakeltijd automatisch mee met de inschakeltijd.
- Gebruik en on de minuten in te stellen. In het voorbeeld is dit 15.
Bevestig met ENTER
De aanwijzer verplaatst naar de uren van het uitschakeltijdstip.
AAN 20 08:15 UIT 20→08:15 Tset 65°C POMP AAN START
Uitschakeltijdstip instellen
- Gebruik en om de uren in te stellen. In het voorbeeld is dit 012.
Bevestig met ENTER
De aanwijzer verplaatst naar de minuten, deze knipperen.
AAN 20 08:15
UIT 20 12÷15
Tset 65°C
POMP AAN START
- Gebruik en on de minuten in te stellen. In het voorbeeld is dit 45.
Bevestig met ENTER
De aanwijzer verplaatst naar de watertemperatuur.
Zie de figuur
AAN 20 08:15
UIT 20 12:45
Tset→65°C
POMP AAN START
Watertemperatuur instellen
- Gebruik ♦n on de watertemperatuur in te stellen. In het voorbeeld is dit 75°C.
Bevestig met ENTER
De aanwijzer verplaatst naar POMP AAN.
AAN 20 08:15
UIT 20 12:45
Tset 75°C
POMP→AAN START



Regeling gestuurde pomp instellen
- Indien gewenst kan een pomp aangestuurd worden tijdens de periode. Gebruik dan ↑en ↓ om POMP AAN in te stellen. De pomp zorgt dan voor een regelmatige circulatie van warm water in de warmwaterleidingen. U kunt deze stap overslaan indien u geen pomp in uw circuit heeft.
Bevestig met ENTER
De aanwijzer verplaatst naar START.
| AAN 20 08:15 | |
| UIT 20 12:45 | |
| Tset 75°C | |
| POMP AAN | →START |
2. Bevestig met .ENTER
De extra periode is ingesteld.

Opmerking
Als de extra periode afgelopen is gaat de regeling weer terug naar de toestand ON, OFF of WEEKPROGRAMMA. Een week later wordt de extra periode NIET automatisch weer ingeschakeld.
11.11 Instellingen
Met de keuze INSTELLINGEN kunt u een bepaalde gegevens instellen en bepaalde toestelgegevens uitlezen:
- Instelbare gegevens
- Taal van het menu.
- Huidige dag en tijd.
- Uitleesbare toestelgegevens, deze categorie is enkel van belang voor de installateur en/of service-en onderhoudsmonteur
- Regelbereik (watertemperatuur).
- Onsteektoerental ventilator.
- Werktoerental ventilator.
11.11.1 Taal van het menu instellen
Om het taalmenu in te stellen:
| HOOFDMENU |
| WEEKPROGRAMMA |
| * EXTRA PERIODE |
| →INSTELLINGEN |
-
Het menu voor het invoeren van de taal bereikt u via:
-
: INSTELLINGEN.
Bevestig met ENTER
Het display toont het menu voor instellingen.
| INSTELLINGEN→TAAL |
| * DAG/TIJD |
| * TOESTELGEGEVENS |
3. De aanwijzer staat voor THAL
Bevestig met ENTER
Het display toont het menu voor de taal.
| TAAL |
| ENGLISH |
| NEDERLANDS |
| DEUTSCH |
| FRANCAIS |
| ITALIANO |
| CZECH |
| ESPANOL |
4. Scroll met naar de gewenste taal.
Bevestig met ENTER
De taal is ingesteld.
11.11.2 Dag en tijd instellen
Om de tijd en dag in te voeren:
| HOOFDMENU |
| WEEKPROGRAMMA |
| * EXTRA PERIODE |
| →INSTELLINGEN |
- Het menu voor het invoeren van de dag en tijd bereikt u via:
2.: INSTELLINGEN.
Bevestig met ENTER
Het display toont het menu voor instellingen.
- Scroll met en naar DAG/TIJD
Bevestig met ENTER
| INSTELLINGENTAAL→DAG/TIJDTOESTELGEGEVENS |
Het display toont het menu voor het aanpassen van de dag.
| DAG |
| →Zonda9 |
| → Maanda9 |
| → Dinsdag |
| Woensdag |
| Donderdag |
| Urijdag |
| Zaterdag |
4. De aanwijzer staat voor Zonda9.
Scroll met ↑en naar de gewenste dag.
Bevestig met ENTER
De dag is ingesteld. Het display toont het menu voor het aanpassen van de tijd.
TIJD
÷00:00
- De aanwijzer staat voor de uren, deze knipperen.
Scroll met ten naar het huidige uur, bijvoorbeeld 15.
Bevestig met ENTER
TIJD
15→00
- De aanwijzer staat voor de minuten, deze knipperen
Scroll met ten naar de te komen minuut, bijvoorbeeld 45.
Bevestig op de ingestelde minuut met ENTER
TIJD
15→45
De tijd is ingesteld.

Opmerking
Het toestel houdt geen rekening met de zomertijd.
11.11.3 Toestelgegevens uitlezen

Opmerking
Deze categorie gegevens is enkel van belang voor de installateur en/of service- en onderhoudsmonteur.
Het menu voor het uitlezen van de toestelgegevens bereikt u via:
1.: INSTELLINGEN.
Bevestig met ENTER
HOOFDMENU
WEEKPROGRAMMA
EXTRA PERIODE
→INSTELLINGEN
- Scroll met 🚫aar TOESTELGEGEVENS
Bevestig met ENTER
INSTELLINGEN
TAAL
* DAG/TIJD
→TOESTELGEGEVENS
Het display toont het menu voor het uitlezen van de toestelgegevens.
TOESTELGEGEVENS
≠REGELBEREIK
* ONTSTEEKTOERENTAL
- WERKTOERENTAL
- Scroll met 🚗aar het uit te lezen onderdeel, bijvoorbeeld REGELBEREIK.
Het bijbehorende display verschijnt.
REGELBEREIK
40-80°C
12 Serviceprogramma
12.1 Inleiding
Met het serviceprogramma kan de installateur of service- en onderhoudsmonteur.
- De toestelhistorie uitlezen
- De storingshistorie uitlezen
- De toestelhistorie uitlezen
- De toestelselectie uitlezen
• Aanzetten van solar pomp
• Het service interval instellen
• Servicebedrijf - De legionellapreventie instellen
• Zonnesysteem configuratie - De CV configuratie instellen
SERVICE PROGRAMMA
→HYSTERESE
▲ STORINGSHISTORIE
TOESTELHISTORIE
TOESTELSELECTIE
POMPSCHAKELING
SERVICE INTERVAL
SERVICEBEDRIJF
ANTI LEGIONELLA
INST. ZONNESYSTEEM
INST.CU
De onderliggende paragrafen beschrijven in het kort deze menu's. Indien u niet op de hoogte bent van de algehele bediening, lees dan eerst het betreffende hoofdstuk hierover (7 "Het bedieningspaneel").
Opmerking
De notatiewijze voor de bediening van het service menu is gelijk aan die van het hoofdmenu (11.2 "Notatiewijze voor bediening van het menu"). Echter, u gebruikt om het serviceprogramma te bereiken, in plaats van voor het hoofdmenu.
12.2 De hysterese instellen
U bereikt het menu om de hysterese in te stellen via:
→: HYSTERESE OMLAAG
HYSTERESE OMLAAG→3°C
Zie de tabel (3.4.2 "Algemene en elektrische gegevens") voor het regelbereik en de instellingen per toestel.
12.3 De storingshistorie uitlezen
U kunt de storingshistorie uitlezen via:
• :STORINGSHISTORIE
U krijgt een overzicht van "Blocking errors" en "Lock out errors". In beide gevallen geldt dat de besturing 15 regels reserveert voor de laatste 15 storingsmeldingen. Zijn er minder dan 15 storingsmeldingen, dan worden drie puntjes weergegeven. Het display toont eerst de "Blocking errors". Na Evolgerde "Lock out Errors".
De figuur geeft een voorbeeld van de "Blocking errors". De tekst STORINGSHISTORIE wordt nu gevolgd door (B).

De figuur geeft een voorbeeld van de "Lock out errors". De tekst STORINGSHISTORIE wordt nu gevolgd door (L).
STORINGSHISTORIE(L)
F02 VENTILATOR
F07 VLAMFOUT
▼ ■ ■
Opmerking
Voor een overzicht van alle storingen en bijbehorende oorzaak wordt verwezen naar het betreffende hoofdstuk (13 "Storingen").
12.4 De toestelhistorie uitlezen
Met de toestelhistorie kunt u de bedrijfsuren, het aantal ontstekingen, het aantal vlamfouten en het aantal ontsteekfouten uitlezen.
U bereikt het menu voor het uitlezen van de toestelhistorie via:
• : TOESTELHISTORIE De figuur geeft een voorbeeld.
| TOESTELHISTORIE |
| BEDRIJFSUREN 000410 |
| —ONTSTEKINGEN 001000 |
| —VLAMFOUTEN 000021 |
| ONTSTEEKFOUT 000013 |
12.5 De toestelselectie uitlezen
U bereikt het menu voor het uitlezen van het toestel via:
- : TOESTELSELECTIE Het toestelnummer vindt u op het typeplaatje. De toestelselectie is in de fabriek juist ingesteld.
| TOESTELSELECTIE |
| →5934 |
| ▲ 8576 |
| ▼ 3379 |
| 6527 |
| .... |
12.6 Het service interval instellen
Als hulpmiddel is de besturing uitgevoerd met een service interval waarmee de onderhoudsfrequentie (14.2 "Service-interval bepalen") door de service- en onderhoudsmonteur kan worden ingesteld.
Het service interval wordt bepaald door het aantal maanden dat het toestel in bedrijf is. Dit is instelbaar op 6, 9 en 12 maanden. Standaard staat het service interval op 12 maanden. Indien het ingestelde aantal maanden bereikt is, volgt hiervan een melding (8.4 "Servicetoestand"). U kunt het service interval instellen via:
Het menu SERVICEBEDRIJF gebruikt deinstallateur om het toestel op CO₂ in te regelen tijdens het HOOGLAST-bedrijf en DEELLAST-bedrijf van het toestel.
Gebruik ➔:SERVICEBEDRIJF om in het menu SERVICEBEDRIJF te komen.
| SERVICEBEDRIJF |
| →HOOGLAST |
| DEELLAST |
Met -en kan tussen DEELLAST en HOOGLAST gewisseld worden.
Het toestel doorloopt, in het geval van warmtevraag, een opstartcyclus en blijft op HOOGLAST danwel DEELLAST draaien.
Als er geen warmtevraag is dient de installateur deze te creëren. Dit kan door het toestel koud te tappen of door het setpoint tijdelijk te verhogen met ↑Na inregelen moet het setpoint teruggezet worden op de oorspronkelijke waarde met ↓
Als u het menu SERVICEBEDRIJF verlaat of als er gedurende 15 minuten geen knoppen bediend worden, valt het toestel terug in de originele bedrijfstoestand.
Setpoint tijdelijk verhogen tijdens HOOGLAST of DEELLAST
- :SERVICEBEDRIJF.
| SERVICEBEDRIJF |
| →HOOGLAST |
| DEELLAST |
-
Kies HOOGLAST of DEELLAST. In onderstaand voorbeeld wordt de situatie voor HOOGLAST beschreven, DEELLAST gaat op dezelfde manier.
-
Bevestig met ENTER
| 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | |
| SERVICE | |||||
| HOOGLAST | 47°C | ||||
| Tset 65°C | |||||
| IN BEDRIJF | |||||
- Om warmtevraag te genereren kunt u met het setpoint tijdelijk verhogen, naar bijvoorbeeld 70°C.
| T | 图 | 图 | 图 | |
| SERVICE | ||||
| HOOGLAST | 47°C | |||
| Tset | 70°C | |||
| IN BEDRIJF |
-
Bevestig met ENTER
-
Na het inregelen op CO 2 -getal (3.12.3 "CO 2 -afstellen") moet u met het setpoint weer op de oorspronkelijke waarde instellen.

7. Druk 2x op om via het menu
SERVICEBEDRIJF naar het menu HOOFDMENU terug te keren.

12.8 De legionellapreventie instellen
Om besmetting met legionella te voorkomen verwarmt het toestel het water 1 maal per week, gedurende 1 uur, tot 65 °C. Deze periode is instelbaar. Standaard is deze periode ingesteld op maandag van 02:00 tot 03:00 uur.
12.8.1 Legionellapreventie in- en uitschakelen
Om de legionellepreventie in- of uit te schakelen kiest u:
• : ANTI LEGIONELLA

- Selecteer NEE om de legionellapreventie uit te schakelen.
- Selecteer JH om de legionellapreventie in te schakelen. Het volgende scherm verschijnt:

- Selecteer START om de op het scherm weergegeven periode te activeren.
Het volgende scherm verschijnt. Dit scherm geeft aan dat de legionellapreventie is ingeschakeld.

12.8.2 Legionellapreventie tijdstip wijzigen
Als u het tijstip wilt wijzigen kiest u:
→: ANTI LEGIONELLA | JA | WIJZIGEN
Het volgende scherm verschijnt.

- Stel nu de dag en tijd in zoals beschreven bij het instellen van een extra periode voor het weekmenu (11.10.1 "Een extra periode instellen"). De pomp wordt nu echter automatisch ingeschakeld.
• K iSTARTs om te starten.
12.9 Zonnesysteem configuratie
Met het instellingsmenu voor het zonnesysteem kunt u de weergegeven menu's bereiken:

12.9.1 Instellen van terugloopvat
Met dit menu stelt u in of het zonnesysteem is voorzien van een terugloopvat voor de verwarmingsvloeistof. U bereikt het menu via:
- INST. ZONNESYSTEEM| DRAIN BACK Standaard is NEE.

Opmerking
Bij de eerste keer in bedrijf stellen van het toestel moet gecontroleerd worden of deze instelling overeenkomt met de configuratie van het zonnesysteem.
12.9.2 Aanzetten van solar pomp
Met dit menu kan u de pomp in het zonnesysteem handmatig aanzetten. U bereikt dit menu via:
- INST. ZONNESYSTEEM | TEST SOLAR POMP
Het volgende scherm verschijnt.

Bij het selecteren van START begint de pomp 2 minuten te draai. Als de 2 minuten verstreken zijn stopt de pomp weer met draaien.
12.9.3 Instellen van solar-limiet
De solar-limiet temperatuur is de maximale watertemperatuur (gemeten met sensor T1 ) in het toestel verkregen door opwarming via het het zonnesysteem.
De waarde is instelbaar van 65 ... 80 °C. Standaard is 65 °C.
Als u de solar-limiet hoger instelt dan het setpoint (11.4 "Watertemperatuur instellen"), dan zal nadat het setpoint bereikt is, de zonnepomp worden ingeschakeld om het water verder te verwarmen. Dit is echter alleen zinvol als het zonnesysteem ook daadwerkelijk verwarmt. Hiervoor wordt gebruikt gemaakt van het temperatuursverschil tussen de temperatuur bovenin de zonnecollector (S₁) en die in het toestel (gemeten met sensor S₂).
Het menu voor de solar-limiet bereikt u via:
- INST. ZONNESYSTEEM | SOLAR LIMIET

Zie de tabel (3.4.2 "Algemene en elektrische gegevens") voor het regelbereik en de defaultwaarde per toestel.
12.9.4 Instellen van solar-differentie
De solar-differentie is een waarde die mede bepaald hoe de opwarmcyclus van het toestel verloopt. U bereikt het menu via:
- INST. ZONNESYSTEEM | SOLAR DIFFERENTIE

Zie de tabel (3.4.2 "Algemene en elektrische gegevens") voor het regelbereik en de defaultwaarde per toestel.
12.9.5 Instellen van Q/T-sensor
Met behulp van de Q/T-sensor wordt de opbrengst van het zonnesysteem berekend (12.9.6 "Uitlezen van opbrengst"). Deze berekening kan alleen gemaakt worden indien uw installatie is uitgerust met een Q/T-sensor. Als dit het geval is dan moet u deze waarde in stellen op J H , anders op NEE. Het bijbehorende menu bereikt u via:
• INST. ZONNESYSTEEM | Q/T-SENSOR

12.9.6 Uitlezen van opbrengst
Met deze keuze kunt u uitlezen hoevel energie het zonnesysteem levert. Om deze gegevens uit te kunnen lezen dient de installatie de zijn voorzien van een Q/T-sensor (12.9.5 "Instellen van Q/T-sensor").
U kunt 3 waardes uitlezen
- ACTUEEL, momentante energie: hoeveel wordt momenteel geleverd.
- LAATSTE 24u, hoeveel is de afgelopen 24 uur geleverd.
- TOTAAL, hoeveel is vanaf de eerste dag tot en met nu geleverd.
Het menu bereikt u via:
• INST. ZONNESYSTEEM | OPBRENGST

12.9.7 Uitlezen van temperaturen
Met deze keuze kunt u uitlezen wat voor temperaturen de sensoren van het zonnesysteem registreren. U kunt 3 waardes uitlezen:
• S1, temperatuur in de collector.
- 52, temperatuur tussen in- en uitgang van warmtewisselaar in de tank.
• 53, temperatuur boven in het voorraadvat.
Het menu bereikt u via:
• INST. ZONNESYSTEEM | TEMPERATUREN
| TEMPERATUREN | |
| S1 | 84°C |
| S2 | 45°C |
| S3 | 62°C |
12.10 De CV configuratie instellen
Via dit menu kunt u instellen of een CV op de installatie is aangesloten.
Opmerking
Deze functie is nog niet actief.
- INST.CV
INST.CV
13 Storingen
13.1 Inleiding
Er wordt onderscheid gemaakt tussen:
- Algemene storingen
Algemene storingen geven geen melding op het display. Algemene storingen zijn:
- Gaslucht
- Display licht niet op
- Onvoldoende of geen warm water.
- Waterlekkage
- Explosieve ontsteking.
In de handleiding is een tabel met algemene storingen opgenomen (13.2 "Storingstabel voor algemene storingen").
- Storingen op het display
Storingen worden op het display weergegeven met op regel:
- Één: een code gevolgd door een omschrijving. De code bestaat uit een letter en twee cijfers.
- Twee, drie en vier: een beschrijving die om de twee seconden wordt afgewisseld door een actie. Zie de figuren. De eerste toont een mogelijke storing, de tweede de bijbehorende controle actie.
S02: SENSORFOUT
TOP TANK
SENSOR 1
ONDERBROKEN
S02: SENSORFOUT
CONTROLEER SENSOR BOVENIN
Er zijn verschillende soorten storingen die worden onderverdeeld in twee groepen:
- LOCK OUT ERRORS
Wanneer de oorzaak niet meer aanwezig is, moeten deze storingen met de knop Fgeset worden om het toestel weer in bedrijf te nemen.
- BLOCKING ERRORS
Deze storingen verdwijnen automatisch indien de oorzaak van de storing niet meer aanwezig is, vervolgens komt het toestel vanzelf weer in bedrijf.
In de handleiding is een tabel met storingsmeldingen, die op het display worden getoond, opgenomen (13.3 "Storingstabel voor storingen op het display").
• Waarschuwingen op het display
De waarschuwingen (13.4 "Waarschuwingen op het display") hebben onder andere betrekking op het zonnesysteem.
13.2 Storingstabel voor algemene storingen

Waarschuwing
Onderhoud mag alleen worden uitgevoerd door een service- en onderhoudsmonteur.
Algemene storingen
| Kenmerk Oorzaak Maatregel Opmerking | |||
| Gaslucht Gaslekkage | WaarschuwingSluit direct de hoofdgaskraan.WaarschuwingGeen schakelaars bedienen.WaarschuwingGeen open vuur.WaarschuwingVentileer de ruimte waar het toestel in staat. | WaarschuwingNeem direct contact op met uw installateur of plaatselijk gasbedrijf. | |
| Display is uit | Toestel staat uit | Neem het toestel in bedrijf (9 "In bedrijf nemen"). | |
| Geenvoedingsspanning aanwezig | 1. Controleer of hoofdschakelaar AAN staat2. Controleer of er spanning staat op de hoofdschakelaar.3. Controleer of AAN/UIT-schakelaar van de besturing AAN staat (stand I).4. Controleer of er spanning staat op het elektrisch aansluitblok.5. De te meten spanning moet 230 V AC (-15%, +10%) zijn | Zie het elektrisch schema (17 "Bijlagen").Indien de storing niet verholpen is raadpleeg uw installateur. | |
| Zekering(en) defect Vervang zekering(en) Voor het vervangen van de zekeringen dient u contact op te nemen met uw installateur. | |||


| Kenmerk Oorzaak Maatregel Opmerking | |||
| Waterlekkage Lekkage | op een wateraansluiting (schroefdraad) | Draai de schroefdraadaansluiting vaster aan | Indien lekkage niet verholpen is raadpleeg uw installateur |
| Lekkage van condenswater | Controleer of afvoer van het condenswater plaatsvindt. Herstel dit indien nodig | ||
| Lekkage uit ander watertoestel of leiding in de buurt | Spoor lekkage op | ||
| Lekkage van de tank van het toestel | Raadpleeg de leverancier en/of fabrikant | ||
| Explosieve ontsteking | Verkeerde voordruk en/of CO2 | Stel de juiste voordruk en/of CO2 in (3.12 "Voordruk, gasblokdruk, CO2-getal en schakeldruk controleren") | Indien ontsteking niet is verbeterd raadpleeg uw installateur. |
| Vervuilde brander Reinig de brander (15.4.2 " Reinigen brander") | |||
| Onvoldoende of geen warm water | Toestel staat uit | Neem het toestel in bedrijf (9 "In bedrijf nemen"). | |
| Geen voedingsspanning aanwezig | 1. Controleer of hoofdschakelaar AAN staat2. Controleer of er spanning staat op de hoofdschakelaar.3. Controleer of AAN/UIT-schakelaar van de besturing AAN staat (stand I).4. Controleer of er spanning staat op het elektrisch aansluitblok.5. De te meten spanning moet 230 V AC (-15%, +10%) zijn | Zie het elektrisch schema (17 "Bijlagen").Indien de storing niet verholpen is raadpleeg uw installateur. | |
| Warmwatervoorraad is op | Reduceer warmwaterverbruik en geef het toestel de tijd om op te warmen. | Indien er onvoldoende of geen warm water blijft raadpleeg uw installateur. | |
| De besturing staat in de OFF-stand. | Zet de besturing in de ON-stand (11.3 "De "ON-mode" inschakelen"). | ||
| Temperatuur (Tset) is te laag ingesteld. | Temperatuur (Tset) op een hogere waarde instellen (11.4 "Watertemperatuur instellen"). | ||

| Kenmerk Oorzaak Maatregel Opmerking | |||
| Glycollekkage Lekkage op een aansluiting (schroefdraad) | Draai de schroefdraadaansluiting vaster aan. | Indien lekkage niet verholpen of component moet vervangen worden raadpleeg uw installateur | |
| Lekkage van component | 1. Draai component vaster aan2. In geval van defect component moet component vervangen worden | ||
| Lekkage van zonnesysteem | Raadpleeg de leverancier en/of fabrikant | ||

13.3 Storingstabel voor storingen op het display
Storingen op het display
| Code + omschrijving Oorzaak Maatregel Opmerking | |||
| S01 (blocking error)Open circuit van temperatuur sensor T2 onderin de tank | Sensor is niet (goed)aangesloten | Sluit de connector van de sensor aan op JP3 | Zie het elektrisch schema (17 "Bijlagen"). |
| Kabelbreuk en/of defecte sensor | Vervang de kabel en/of sensor | Voor het vervangen van de benodigde onderdelen dient u contact op te nemen met uw installateur | |
| S02 (blocking error)Open circuit van sensor 1 van temperatuur sensor T1 bovenin de tank(1) . | Sensor is niet (goed)aangesloten | Sluit de connector van de sensor aan op JP5 | Zie het elektrisch schema (17 "Bijlagen"). |
| Kabelbreuk en/of defecte sensor | Kabelbreuk en/of defecte sensor | Voor het vervangen van de benodigde onderdelen dient u contact op te nemen met uw installateur | |
| S03 (blocking error)Open circuit van sensor 2 van temperatuur sensor T1 bovenin de tank(1) . | Sensor is niet (goed)aangesloten | Sluit de connector van de sensor aan op JP5 | Zie het elektrisch schema (17 "Bijlagen"). |
| Kabelbreuk en/of defecte sensor | Vervang de kabel en/of sensor | Voor het vervangen van de benodigde onderdelen dient u contact op te nemen met uw installateur | |
| S04 (blocking error)Open circuit van dummy 1 | Dummy is niet (goed)aangesloten | Sluit de connector van dummy-sensor (dummy-sensor 1 en 2) aan op JP4 | Zie het elektrisch schema (17 "Bijlagen"). |
| Defecte dummy Vervang | de dummy-sensor Voor het vervangen van de benodigde onderdelen dient u contact op te nemen met uw installateur | ||
| S05 (blocking error)Open circuit van dummy 2 | Dummy is niet (goed)aangesloten | Sluit de connector van dummy-sensor (dummy-sensor 1 en 2) aan op JP4 | Zie het elektrisch schema (17 "Bijlagen"). |
| Defecte dummy Vervang | de dummy-sensor Voor het vervangen van de benodigde onderdelen dient u contact op te nemen met uw installateur | ||
| S06 (blocking error)Open circuit van temperatuur sensor S3 boven rin het voorraadvat | Sensor is niet (goed)aangesloten | Sluit de connector van de sensor aan op J14 (poort 1 en 3), van de zonnebesturing | Zie het elektrisch schema (17 "Bijlagen"). |
| Kabelbreuk en/of defecte sensor | Vervang de kabel en/of sensor | Voor het vervangen van de benodigde onderdelen dient u contact op te nemen met uw installateur | |

| Code + omschrijving Oorzaak Maatregel Opmerking | |||
| S07 (blocking error)Open circuit van temperatuur sensor S2 onderin de tank | Sensor is niet (goed) aangesloten | Sluit de kabel van de sensor aan op J14 (poort 2 en 4), van de zonnebesturing | Zie het elektrisch schema (17 "Bijlagen"). |
| Kabelbreuk en/of defecte sensor | Vervang de kabel en/of sensor | Voor het vervangen van de benodigde onderdelen dient u contact op te nemen met uw installateur | |
| S08 (blocking error)Open circuit van temperatuur sensor S1 in de collector | Sensor is niet (goed) aangesloten | Sluit de kabel van de sensor aan op J13 (poort 2 en 4), van de zonnebesturing | Zie het elektrisch schema (17 "Bijlagen"). |
| Kabelbreuk en/of defecte sensor | Vervang de kabel en/of sensor | Voor het vervangen van de benodigde onderdelen dient u contact op te nemen met uw installateur | |
| S11 (blocking error)Kortgesloten circuit van de temperatuur sensor T2 onderin de tank | Kortsluiting in sensorcircuit | Vervang de kabel en/of sensor | Voor het vervangen van de benodigde onderdelen dient u contact op te nemen met uw installateur |
| S12 (blocking error)Kortgesloten circuit van sensor 1 van temperatuur sensor T1 bovenin de tank(1) | Kortsluiting in sensorcircuit | Vervang de kabel en/of sensor | Voor het vervangen van de benodigde onderdelen dient u contact op te nemen met uw installateur |
| S13 (blocking error)Kortgesloten circuit van sensor 2 van temperatuur sensor T1 bovenin de tank(1) | Kortsluiting in sensorcircuit | Vervang de kabel en/of sensor | Voor het vervangen van de benodigde onderdelen dient u contact op te nemen met uw installateur |
| S14 (blocking error)Kortgesloten circuit van dummy 1 | Kortsluiting in sensorcircuit | Vervang de dummy-sensor (2) | Voor het vervangen van de benodigde onderdelen dient u contact op te nemen met uw installateur |
| S15 (blocking error)Kortgesloten circuit van dummy 2 | Kortsluiting in sensorcircuit | Vervang de dummy-sensor (2) | Voor het vervangen van de benodigde onderdelen dient u contact op te nemen met uw installateur |

| Code + omschrijving Oorzaak Maatregel Opmerking | |||
| S17 (blocking error)Kortgesloten circuit van temp. sensor S2 onderin de tank | Kortsluiting in sensorcircuit | Vervang de kabel en/of sensor | Voor het vervangen van de benodigde onderdelen dient u contact op te nemen met uw installateur |
| S18 (blocking error)Kortgesloten circuit van temperatuursensor sensor S1 in de collectorr | Kortsluiting in sensorcircuit | Vervang de kabel en/of sensor | Voor het vervangen van de benodigde onderdelen dient u contact op te nemen met uw installateur |
| F01 (blocking error)Fout in voedingscircuit | Fase en Nul verkeerd om aangesloten | Sluit de fase en de nul goed aan (3.10 "Elektrische aansluiting toestel"), het toestel is fase gevoelig | Zie het elektrisch schema (17 "Billagen"). |
| Condens op de ionisatiepen | 1. Kabel loshalen bij de ionisatiepen2. Laat toestel 3 keer ontsteken met onderbroken ionisatiecircuit3. Ionisatiekabel weer terugplaatsen op de ionisatiepen4. Toestel weer laten ontsteken5. Door de ontsteekpogingen is de condens verdampt | Bij repeterende storingen dient u contact op te nemen met uw installateur | |
| Zwevende Nul Plaats een scheidingstransformator (3.10.4 "Scheidingstransformator") | Voor het plaatsen van een scheidingstransformator dient u contact op te nemen met uw installateur | ||

| Code + omschrijving Oorzaak Maatregel Opmerking | |||
| F02 (lock out error)Ventilator draait niet op het juiste toerental. | Motor en/of rotor defect | 1. Controleer de motor en rotor2. In geval van defecte motor/rotor dient ventilator vervangen te worden3. Reset besturing | Zie het elektrisch schema (17 "Bijlagen").Voor het vervangen van de bekabeling en het plaatsen van een nieuwe ventilator dient u contact op te nemen met uw installateur |
| Kabelbreuk 1. Controleer bekabeling tussen ventilator en regeling.2. In geval van breuk dient kabelboom vervangen te worden3. Reset besturing | |||
| Vervuilde of geblokkeerde ventilator | 1. Controleer of ventilator vervuild is en herstel indien nodig2. Controleer of rotor vrij kan draaien3. Reset besturing | Indien de storing niet verholpen kan worden of bij terugkerende storing dient u contact op te nemen met uw installateur | |
| Door spanningsdip in de voedingsspanning draait de ventilator niet op het juiste toerental. | 1. Controleer voedingsspanning, deze moet 230 V AC ( -15%, +10% ) zijn2. Reset besturing | ||

| Code + omschrijving Oorzaak Maatregel Opmerking | |||
| F03 (lock out error)De drukschakelaar werkt niet correct | Kabelbreuk / Open circuit | 1. Controleer bekabeling tussen de drukschakelaar en de besturing2. Vervang de bekabeling indien nodig | Indien de storing niet verholpen kan worden of bij terugkerende storing dient u contact op te nemen met uw installateurVoor het vervangen van de benodigde onderdelen dient u contact op te nemen met uw installateur |
| Drukschakelaar sluit niet | 1. Controleer het toerental van de ventilator ( 3.4.2 " Algemene en elektrische gegevens").2. Controleer of slangen op de drukschakelaar en de luchttoevoerslang tussen ventilator en brander juist gemonteerd zijn. Monteer deze opnieuw indien nodig3. Controleer slangen op de drukschakelaar en de luchttoevoerslang tussen ventilator en brander op scheurtjes. Vervang de slangen indien nodig.4. Controleer of rookgasafvoer voldoet ( 3.9 " Luchttoevoer en rookgasafvoer").5. Controleer op blokkering van de rookgasafvoer. Verwijder een eventuele blokkering6. Controleer op blokkering van de condenswaterafvoer. Verwijder een eventuele blokkering.7. Meet het drukverschil over de drukschakelaar. Zie de tabel ( 3.4.2 "Algemene en elektrische gegevens"). Reinig, bij onvoldoende drukverschil, de warmtewisselaar. Controleer, bij voldoende drukverschil, met een multimeter of de drukschakelaar sluit. | ||

| Code + omschrijving Oorzaak Maatregel Opmerking | |||
| F04 (lock out error)Drie ontsteekpogingen zonder succes. | Geen gas 1. Open de hoofdgaskraan en/of gaskraan voor het gasblok2. Controleer voordruk op het gasblok3. Herstel indien nodig de gastoevoer | Neem voor het herstellen van de gastoevoer contact op met uw installateur | |
| Lucht in de gasleiding | Ontlucht de gasleiding (3.12 "Voordruk, gasblokdruk, CO2 -getal en schakeldruk controleren") | Zie voordruk en branderdruk controleren (3.12 "Voordruk, gasblokdruk, CO2 -getal en schakeldruk controleren") voor het ontluchten van de gasleiding en het meten van de voordruk en branderdruk.Voor het vervangen van de benodigde onderdelen dient u contact op te nemen met uw installateur | |
| Fout in het gloeionstekercircuit | 1. Controleer of gloeionsteker op de juiste manier is aangesloten (JP2).2. Controleer bekabeling van de gloeionsteker3. Meet de weerstand over de gloeionsteker. Deze moet tussen de 2 en 10 Ohm liggen (bij kamertemperatuur).4. Kijk of de gloeionsteker oplicht tijdens ontsteken.5. Indien nodig gloeionsteker vervangen. | Bij terugkerende storing neem contact op met uw installateur.Voor het vervangen van de benodigde onderdelen dient u contact op te nemen met uw installateur | |
| Fout in het ionisatiecircuit | 1. Controleer of ionisatiepen op de juiste manier is aangesloten (JP2)2. Controleer bekabeling van de ionisatiepen3. Meet de ionisatiestroom. Deze moet minimaal 1,5 microA zijn.4. Vervang indien nodig de bekabeling | ||
| Te lage voedingsspanning | Controleer voedingsspanning, deze moet 230 VAC (-15%, +10%) zijn | ||
| F05 (lock out error)Er zijn te veel vlamfouten gesignaleerd. | Verkeerde dak- of muurdoorvoer.Recirculatie van rookgassen. | 1. Controleer of de juiste dak- of muurdoorvoer geplaatst is (3.9 "Luchttoevoer en rookgasafvoer").2. Indien nodig plaats juiste dak- of muurdoorvoer.3. Controleer of dak- of muurdoorvoer in een toegestaan gebied uitmond. | Indien de storing niet verholpen kan worden of bij terugkerende storing dient u contact op te nemen met uw installateur |

| Code + omschrijving | Oorzaak Maatregel Opmerking | ||
| F06 (blocking error)Kortsluiting tussen ionisatiepen en aarde | Contact met metalen oppervlakte door kabelbreuk of vervormde ionisatiepen. | Controleer bekabeling en ionisatiepen. Vervang indien nodig de bekabeling en/of ionisatiepen. | Bij terugkerende storing neem contact op met uw installateur.Voor het vervangen van de benodigde onderdelen dient u contact op te nemen met uw installateur |
| Keramisch deel van de ionisatiepen is gebroken/gescheurd. | 1. Controleer of het keramische deel van de ionisatiepen nog heel is ter plaatse van de luchtverdeelplaat van de brander.2. Indien dit niet het geval is, moet de ionisatiepen vervangen worden. | ||
| F07 (lock out error)Er is een vlam geconstateerd na het sluiten van de gasklep. | Defecte gaskleppen 1. | Controleer of er nog branderdruk aanwezig is, wanneer de gaskleppen gesloten zijn.2. Controleer of er nog een vlam aanwezig is wanneer de gaskleppen gesloten zijn.3. Indien dit het geval is moet het gasblok vervangen worden. | Indien de storing niet verholpen kan worden of bij terugkerende storing dient u contact op te nemen met uw installateurVoor het vervangen van de benodigde onderdelen dient u contact op te nemen met uw installateur |
| F08 (lock out error)Foutmelding veiligheidsrelais | Vlamdetectie voordat gasklep geopend wordt. | 1. Reset besturing.2. Indien storing opnieuw verschijnt, besturing vervangen. | Indien de storing niet verholpen kan worden of bij terugkerende storing dient u contact op te nemen met uw installateurVoor het vervangen van de benodigde onderdelen dient u contact op te nemen met uw installateur |
| F09 (lock out error)Watertemperatuurbeveiliging. | Temperatuur, bovenin de tank, is hoger dan 93 °C. | 1. Controleer werking van een eventuele circulatiepomp2. Controleer positie van de temperatuur sensor T 1 3. Reset besturing | Indien de storing niet verholpen kan worden of bij terugkerende storing dient u contact op te nemen met uw installateur |
| F11 (blocking error)Vlamdetectie met gesloten gasklep. | Defecte gaskleppen Zie | F07. | |

| Code + omschrijving Oorzaak Maatregel Opmerking | |||
| F18 (blocking error)Communicatiefout | Geen voeding aanwezig op zonnebesturing | 1. Controleer of er spanning staat op de zonnebesturing2. De te meten spanning moet 230 V AC (-15%, +10%) zijn | Zie het elektrisch schema (17 "Bijlagen").Indien de storing niet verholpen is raadpleeg uw installateur |
| Geen kabel of kabelbreuk | 1. Controleer bekabeling (communicatiekabel) tussen hoofdbesturing en de zonnebesturing2. In geval van geen kabel dient de kabel aangesloten te worden3. In geval van breuk dient kabel vervangen te worden | Zie het elektrisch schema (17 "Bijlagen").Voor het vervangen van de kabel dient u contact op te nemen met uw installateur. | |
| F19 (blocking error)Voedingspanning is te laag. | Te lage voedingspanning aanwezig. | 1. Controleer of er spanning staat op de besturing2. De te meten spanning moet 230 V AC (-15%, +10%) zijn | Zie het elektrisch schema (17 "Bijlagen").Indien de storing niet verholpen is raadpleeg uw installateur |

| Code + omschrijving Oorzaak Maatregel Opmerking | |||
| C02 (lock out error)Foutmelding van de besturing. | Verkeerde referentiespanning van de AD-convertor. | 1. Reset besturing.2. Controleer of de frequentie van de voedingsspanning voldoet (3.4.2 "Algemene en elektrische gegevens"). Indien dit niet het geval is neem dan contact op met uw installateur3. Indien frequentie goed is maar de storing niet verholpen, vervang de besturing. | Voor het vervangen van de benodigde onderdelen dient u contact op te nemen met uw installateur |
| Interne foutmelding van de besturing. | • EEPROM leesfout• 50 Hz error• Interne communicatiefout | ||
| Interne foutmelding van de besturing. | • Gaskleprelais error• Veiligheidsrelais error• Ontstekingsrelais error• RAM error• EEPROM error• Inhoud EEPROM conspondeert niet met software versie• Processor software error | ||
| C03 (blocking error)Resetfout | Teveel resets in een te korte periode | Wacht tot de fout verdwijnt (maximaal 1 uur). Indien de storing niet verdwijnt dient de toestelregeling vervangen te worden. | Voor het vervangen van de benodigde onderdelen dient u contact op te nemen met uw installateur |
| C04 (blocking error)Toestelselectiefout | Verkeerde toestelselectie / Verkeerde selectieweerstand | 1. Controleer of het juiste toestel geselecteerd is (3.4.2 "Algemene en elektrische gegevens").2. Indien het juiste toestel geselecteerd is, plaats de juiste selectieweerstand.3. Selecteer, bij onjuiste toestelselectie, het juiste toestel. | Indien de storing niet verholpen kan worden of bij terugkerende storing dient u contact op te nemen met uw installateurVoor het vervangen van de benodigde onderdelen dient u contact op te nemen met uw installateur |

| Code + omschrijving Oorzaak Maatregel Opmerking | |||
| C05 (blocking error)Foutmelding van de zonnebesturing. | • Verkeerde referentiespanning van de AD-converter.• EEPROM error | 1. Reset besturing.2. Controleer of de frequentie van de voedingsspanning voldoet (3.4.2 "Algemene en elektrische gegevens"). Indien dit niet het geval is neem dan contact op met uw installateur.3. Indien frequentie goed is maar de storing niet verholpen vervang de zonnebesturing. | Indien de storing niet verholpen kan worden of bij terugkerende storing dient u contact op te nemen met uw installateurVoor het vervangen van de benodigde onderdelen dient u contact op te nemen met uw installateur |
| E01 (blocking error)Beveiligingstemperatu ur bovenin de tank is geactiveerd. | De temperatuur van het water bovenin de tank is > 88°C. | Geen. Dit is een tijdelijke melding die vanzelf verdwijnt en ook meerdere keren kan verschijnen. | |
| E03 (lock-out error)Fout in temperatuur sensor T1 bovenin de tank. | De twee temperatuursensoren in de tank meten gedurende minimaal 60 seconden een verschil ≥ 10 °C. | 1. Controleer sensorpositie en -bekabeling.2. Reset de besturing indien nodig. Vervang de sensor indien de storing niet is verholpen. | Voor het vervangen van de benodigde onderdelen dient u contact op te nemen met uw installateur |
| E04 (lock-out error)Fout in de dummy-sensor (2) . | De twee dummiesensoren meten gedurende minimaal 60 seconden een verschil ≥ 10 °C. | 1. Controleer bekabeling van dummy 1 en dummy 2.2. Reset besturing indien nodig. Vervang de dummy-sensor indien de storing niet is verholpen. | Voor het vervangen van de benodigde onderdelen dient u contact op te nemen met uw installateur |
| (1) Temperatuursensor T1 is een '2 in 1' sensor, T1 bevat 2 NTC's voor de maximaalthermostaat- en veiligheidsthermostaat beveiliging.(2) De dummy-sensorrookgassensor bestaat uit dummy-sensorrookgassensor 1 en dummy-sensorrookgassensor 2. | |||

13.4 Waarschuwingen op het display
Waarschuwingen op het display
| Kenmerk Oorzaak Maatregel Opmerking | |||
| Q/T-sensor niet correct aangesloten | Kabel(s) zitten los of kabels zijn verkeerd aangesloten | Toestel functioneert, maar geeft waarschuwing op display. 1. Sluit | Q/T-sensor op de juiste manier aan en waarschuwing verdwijnt2. Indien correct bedraad, maar de waarschuwing blijft actief, vervang sensorLet op: Voor het aansluiten of vervangen van de sensor dient u contact op te nemen met uw installateur |
| Collector temperatuur te hoog | Temperatuur S1 is groter dan Tcollector\ max | Niet terugloopsystemen (geen drain-back):De pomp van het zonnesysteem pompt, gedurende 10 min., op vol vermogen de vloeistof in het zonnesysteem rond. Wanneer na deze periode Tcol > Tcollector\ max is dan stopt de pomp gedurende 30 min. met pompen. Na 30min. begint de pomp weer te pompen en controleert de besturing van het zonnesysteem of Tcol lager is dan Tcollector\ max :Terugloopsystemen (wel drain-back):De pomp van het zonnesysteem stopt meteen met pompen (gedurende 30 min.). Na 30 min. begint de pomp weer te pompen en controleert de besturing van het zonnesysteem of Tcol lager is dan Tcollector\ max : | 1. U kunt de melding automatisch laten verdwijnen door de vloeistof te laten afkoelen2. U kunt de melding ook handmatig laten verdwijnen door de RESET-knop en ENTER-knop tegelijk ingedrukt te houden |
| Anode bescherming functioneert niet. | • Kabel(s) tussen potentiostaat en anodes zitten los of zijn verkeerd aangesloten.• Aarding van anodes zitten los.• Toestel is niet gevuld met water. | Toestel functioneert, maar geeft waarschuwing op display.____OpmerkingHet toestel functioneert, maar er is geen anode bescherming van de tank. | 1. Sluit de kabels aan op de juiste manier aan en waarschuwing verdwijnt.2. Indien correct bedraad, maar de waarschuwing blijft actief, controleer of aarde goed is en of de tank gevuld is met water. |
| Maximum branduren: Service benodigd | De werkelijke branduren zijn hoger dan de ingestelde branduren | Toestel functioneert, maar geeft waarschuwing op display. | Voor het onderhoud van uw toestel dient u contact op te nemen met uw installateur |
14 Onderhoudsfrequentie
14.1 Inleiding
Een onderhoudsbeurt dient minimaal één maal per jaar zowel waterzijdig als gaszijdig te worden uitgevoerd. De frequentie van het onderhoud is afhankelijk van ondermeer de waterkwaliteit, het gemiddeld aantal branduren per dag en de ingestelde watertemperatuur.

Opmerking
Regelmatig onderhoud verlengt de levensduur van het toestel.
Om de juiste onderhoudsfrequentie te bepalen, wordt aanbevolen de service- en onderhoudsmonteur het toestel drie maanden na installatie water- en gaszijdig te laten controlleren. Aan de hand van deze controle kan de onderhoudsfrequentie worden vastgesteld.
14.2 Service-interval bepalen
Als hulpmiddel is de besturing uitgevoerd met een service-interval waarmee de onderhoudsfrequentie door de service- en onderhoudsmonteur kan worden ingesteld aan de hand van het aantal maanden dat het toestel in bedrijf is.
Het service-interval kan ingesteld worden op: 6, 9 of 12 maanden. Standaard staat de instelling op 12 maanden.
Op het display zal na het verstrijken van het ingestelde aantal maanden de melding SERVICE BENODIGD verschijnen. Na het verschijnen van de melding dient contact opgenomen te worden met de service- en onderhoudsmonteur.
15 Onderhoud uitvoeren
15.1 Inleiding

Let op
Onderhoud mag alleen door een erkend service- en onderhoudsmonteur den uitgevoerd.
Bij elke onderhoudsbeurt dient het toestel zowel waterzijdig als gaszijdig onderhouden te worden. Het onderhoud dient in de volgende volgorde te worden uitgevoerd.
- Onderhoud voorbereiden
- Waterzijdig onderhoud
- Gaszijdig onderhoud
- Zonnecollector onderhoud
- Onderhoud afronden

Opmerking
Voor het bestellen van reserve-onderdelen is het van belang het toesteltype, toestelmodel en het volledige serienummer van het toestel te noteren. Deze gegevens vindt u op het typeplaatje. Aan de hand van deze informatie kunnen gegevens van reserveonderdelen vastgesteld worden.
15.2 Onderhoud voorbereiden
Om te testen of alle componenten nog goed functioneren dient u de volgende stappen uit te voeren:
- Activeer het HOOFDMENU met 📄
- Gebruik en om de aanwijzer voor OFF te plaatsen.
- Bevestig OFF met ENTER
HOOFDMENU
÷OFF
NO
WEEKPROGRAMMA
- Wacht tot de ventilator gestopt is. Het icoontje is dan ingetrokken.

Let op
Het toestel kan defect raken als u niet wacht tot het spoelen van de ventilator gestopt is.
- Zet het toestel UIT (stand 0) met de AAN/UIT-schakelaar van het bedieningspaneel.
- Zet de besturing AAN door de Aan/Uit-schakelaar op stand I te zetten.
INTERNE CONTROLE
Het display toont nu circa 10 seconden INTERNE CONTROLE en komt daarna in het hoofdmenu.
HOOFDMENU
→OFF
ON
WEEKPROGRAMMA
- Activeer de 'ON-mode' door de volgende stappen te doorlopen:
- Druk eenmaal op de blauwe pijl () om de aanwijzer voor ON te zetten en druk op ENTER
- Bevestig met denstand in BEDRIJF NEMEN.
- Indien er geen warmtevraag is verhoog T set dan (11.4 "Watertemperatuur instellen"). Onthoud de oorspronkelijke instelling. Tap vervolgens water om warmtevraag te creëren.
- Controleer of de opwarmcyclus correct verloopt (9.3 " Opwarmcyclus van het toeste!").
- Indien u Tset heeft gewijzigd, zet deze dan weer terug op de gewenste stand (11.4 "Watertemperatuur instellen").
- Verwijder de kap aan de bovenzijde van het toestel.
- Controleer de voor- en branderdruk (3.12 "Voordruk, gasblokdruk, CO 2 -getal en schakeldruk controleren") en pas deze indien nodig aan.
- Controleer bij het rookgasafvoersysteem of alle onderdelen goed bevestigd zijn.
- Controleer het drukverschil over de drukschakelaar (3.12.4 "Schakeldruk meting") en .Indien het drukverschil te laag is, dient de warmtewisselaar gereinigd te worden (15.4.3 "Reinigen warmtewisselaar").
- Test de werking van het overstort ventiel van de inlaatcombinatie. Het water dient met een volle straal uit te stromen.
- Controleer de afvoerleidingen van de overstortventielen en verwijder aanwezige kalkresten.
- Tap het toestel af (zie aftappen (6 "Aftappen").
15.3 Waterzijdig onderhoud
15.3.1 Inleiding
Waterzijdig dienen te volgende stappen te worden uitgevoerd:
- Ontkalken en reinigen tank.
- Reiniging condenswaterafvoer .
15.3.2 Ontkalken en reinigen tank
Ketelsteen- en kalkaanslag verhinderen een goede geleiding van de warmte naar het water. Periodiek reinigen en ontkalken voorkomt vorming van deze aanslag. Hierdoor wordt de levensduur van het toestel verlengd en bovendien het verwarmingsproces bevorderd.
Bij bepaling van de onderhoudsfrequentie dient rekening gehouden te worden met de snelheid van de kalkvorming. Kalkvorming is afhankelijk van de plaatselijke watergesteldheid, het waterverbruik en de ingestelde watertemperatuur. Om overmatige kalkaanslag te voorkomen wordt een temperatuurinstelling van maximaal 60°C aanbevolen.
Om een goede en waterdichte afsluiting van een reinigingsopening te waarborgen moeten de pakking, sluitringen, bouten en eventueel de deksel na opening vernieuwd worden (zie de figuur). Bij de leverancier/fabrikant is hier een speciale set voor te verkrijgen.
Voor het eenvoudig ontkalken en reinigen van de tank is het toestel uitgerust met een reinigingsopening.

- Verwijder de afdekplaat (1) op de buitenmantel (zie de figuur).
- Draai de bouten los.
- Verwijder de deksel en de pakking.
- Inspecteer de tank en verwijder de losse kalkaanslag en verontreinigingen.
- Indien de kalkaanslag niet handmatig verwijderd kan worden, dient ontkalkt te worden met een ontkalkingsmiddel. Neem contact op met de leverancier/fabrikant voor een advies over het te gebruiken ontkalkingsmiddel.
- Sluit de reinigingsopening. Om beschadiging van de tank te voorkomen dienen de bouten aangedraaid te worden met een moment van maximaal 50 Nm. Gebruik hiervoor geschikt gereedschap.
15.3.3 Reiniging condenswaterafvoer
Het is noodzakelijk om de condenswaterafvoer en de sifon regelmatig te reinigen om verstoppingen te voorkomen.
15.4 Gaszijdig onderhoud
15.4.1 Inleiding
Gaszijdig dienen de volgende stappen te worden uitgevoerd:
- Reinigen brander.
- Reinigen warmtewisselaar .
- Onderhoud afronden .
15.4.2 Reinigen brander
- Demonteer de brander.
- Verwijder de op de brander aanwezige verontreinigingen.
- Monteer de brander.
15.4.3 Reinigen warmtewisselaar
- Demonteer de brander.
- Reinig de branderkamer van de warmtewisselaar met een stofzuiger en een zachte borstel.
- Demonteer de rookgasafvoer.
- Reinig het uiteinde van de warmtewisselaar met leidingwater.
- Monteer de brander.
- Monteer de rookgasafvoer.
Opmerking
Controleer na reinigen nogmaals het drukverschil. Indien het drukverschil na reinigen te laag blijft neem dan contact op met de leverancier van het toestel.
15.5 Zonnecollector onderhoud
Zie installatie- of gebruikershandleiding van de zonnecollectoren. Indien dit geen onderdeel uitmaakt van de handleiding kunt u contact opnemen met de leverancier van de collectoren.
15.6 Onderhoud afronden
Om het onderhoud af te ronden voert u de volgende stappen uit:
- Vul het toestel (5 " Vullen").
- Neem het toestel in bedrijf (9 " In bedrijf nemen").
- Controleer het CO 2 getal (3.12.3 "CO 2 -afstellen").
- Controleer de schakeldrukvan de drukschakelaar. (3.12.4 "Schakeldruk meting")
- Neem de melding SERVICE BENODIGD weg. Dit doet u door éénmaal RESET in te drukken gevolgd door éénmaal ENTER
16 Garantie (certificaat)
| Voor registratie van uw garantie dient u de bijgevoegde garantiekaart ingevuld te retourneren waarna u een garantiecertificaat wordt toegestuurd. Dit certificaat geeft de eigenaar van een door A.O. Smith Water Products Company B.V. te Veldhoven, Nederland (hierna "A.O. Smith") geleverd toestel recht op de hierna omschreven garantie, waartoe A.O. Smith zich jegens de eigenaar verbindt. | |
| 16.1 Garantie algemeen | Indien binnen één jaar na de oorspronkelijke installatiedatum van een door A.O. Smith geleverde boiler, na onderzoek en ter uitsluitende beoordeling van A.O. Smith, blijkt dat een deel of onderdeel, met uitzondering van de tank, niet of niet juist functioneert ten gevolge van fabricage- en/of materiaalfouten, zal A.O. Smith dit deel of onderdeel vervangen of repareren. |
| 16.2 Garantie tank | Indien binnen 3 jaar na de oorspronkelijke installatiedatum van een door A.O. Smith geleverde boiler, na onderzoek en ter uitsluitende beoordeling van A.O. Smith, blijkt dat de stalen glasslined tank lekt ten gevolge van roest of corrosie vanuit de waterzijdige kant, zal A.O. Smith een volledig nieuwe boiler van gelijkwaardige grootte en kwaliteit ter beschikking stellen. Op de ter vervanging beschikbaar gestelde boiler zal een garantie gegeven worden voor de duur van de resterende garantieperiode van de oorspronkelijk geleverde boiler. In afwijking van het in artikel 2 bepaalde geldt, dat de garantieduur wordt teruggebracht tot één jaar na de oorspronkelijke installatiedatum indien ongefiltreerd of onthard water door de boiler stroomt of daarin achterblijft. |
| 16.3 Voorwaarden installatie en gebruik | De in artikel 1 en 2 bedoelde garantie geldt uitsluitend indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:a. De boiler is geïnstalleerd met inachtneming van zowel de installatievoorschriften van A.O. Smith geldend voor het specifieke model, als de plaatselijk geldende installatie- en bouwverordeningen, voorschriften en regelingen van overheidswege.b. De boiler blijft geïnstalleerd op de oorspronkelijke installatieplaats.c. Er wordt uitsluitend drinkwater gebruikt, dat te allen tijde vrij kan circuleren (voor verwarming van zout of corrosief water is een afzonderlijk geïnstalleerde warmtewisselaar verplicht).d. De tank is door middel van periodiek onderhoud gevrijwaard van schadelijke ketelsteen- en kalkaanslag.e. De boilerwatertemperaturen zijn niet hoger dan de maximale instelling van de thermostaten, die onderdeel van de boiler vormen.f. De waterdruk en/of warmtebelasting niet groter is dan de maxima aangegeven op de typeplaat van de boiler.g. De boiler is geplaatst in een niet-corrosieve atmosfeer of omgeving.h. De boiler is voorzien van een door de daartoe bevoegde instantie goedgekeurde inlaatcombinatie van voldoende capaciteit, niet groter dan de werkdruk als aangegeven op de boiler en eventueel ook van een door de daartoe bevoegde instantie goedgekeurde temperatuur- en drukontlastklep, die gemonteerd is overeenkomstig de installatievoorschriften van A.O. Smith die van toepassing zijn op het specifieke model boiler en voorts met inachtneming van de plaatselijke voorschriften, verordeningen en regelingen van overheidswege.i. Het toestel moet te allen tijden voorzien zijn van kathodische bescherming. Indien hiervoor opofferingsanodes zijn toegepast moeten deze worden vervangen en vernieuwd indien en zodra ze voor 60% of meer verbruikt zijn. Bij toepassing van elektrische anodes moet men ervoor zorgen dat deze continu functioneel zijn. |
| 16.4 Uitsluitingen | De in artikel 1 en 2 bedoelde garantie geldt niet:a. indien de boiler door een van buiten komende oorzaak is beschadigd;b. in geval van misbruik, verwaarlozing (met inbegrip van bevriezing),verandering, onjuist en/of afwijkend gebruik van de boiler en wanneer gepoogd is lekken te repareren;c. indien verontreinigingen of andere deeltjes de tank in hebben kunnen stromen;d. indien de geleidbaarheid van het water minder is dan 125 microS/cm en/of de hardheid (aardalkali-ionen) van het water minder is dan 1,00 mmol/lit (3.3.3 "Watersamenstelling");e. indien ongefilterd, gerecirculeerd water door de boiler stroomt of in de boiler opgeslagen wordt;f. indien gepoogd is zelf een defecte boiler te repareren. |
| 16.5 Omvang garantie | De verplichtingen van A.O. Smith krachtens de gegeven garantie gaat niet verder dan kosteloze levering af magazijn van de te vervangen delen of onderdelen respectievelijk boiler. vervoers-, arbeids-, installatie- en andere met de vervanging verband houdende kosten komen niet voor rekening van A.O. Smith. |
| 16.6 Claims | Een claim gebaseerd op de gegeven garantie moet worden gedeponeerd bij de handelaar bij wie de boiler is gekocht of bij een andere handelaar die de producten van A.O. Smith Water Products Company verkoopt. Het onderzoek van de boiler bedoeld in de artikelen 1 en 2 zal plaatsvinden in een laboratorium van A.O. Smith. |
| 16.7 Verplichtingen voor A.O. Smith | Met betrekking tot haar boilers respectievelijk de ter vervanging geleverde (delen of onderdelen van de) boilers, wordt door A.O. Smith geen andere garantie of waarborg gegeven dan de garantie zoals uitdrukkelijk in dit certificaat verwoord.A.O. Smith is krachtens de gegeven garantie of anderszins niet aansprakelijk voor schade aan personen of zaken, veroorzaakt door (delen of onderdelen, respectievelijk de stalen glasslined tank van) een door haar (ter vervanging) geleverde boiler. |
17 Bijlagen
17.1 Inleiding
Deze bijlage bevat:
- Menustructuur van het hoofdmenu (17.2 "Menustructuur")
- Electrisch schema van het toestel (17.3 "Elektrisch schema van het toestel")
- Electrisch schema zonnesysteem (17.4 "Elektrisch schema zonnesysteem")
- Conformiteitsverklaring (17.5 "Conformiteits-verklaring")
• Weekprogrammakaart (17.6 "Weekprogrammakaart")
17.2 Menustructuur
![graph TD A["BESTURING"] --> B["SERVICE PROGRAMMA HOODEMNU"] B --> C["HYSTERESE OFF"] B --> D["ON"] C --> E["HYSTERESE OMLAAG"] C --> F["STORINGSHISTORIE IN BEDRIJF NEMEN"] C --> G["TOESTELHISTORIE"] C --> H["TOESTELSELECTIE"] C --> I["SERVICE INTERVAL"] C --> J["SERVICEBEDRIJF"] J --> K["HOOGLAST"]…](/content/2026/06/1157987/images/05544377e2cf726c1e888893aa612b994ea77e9b887bae70f372c8515602d080.jpg)

17.3 Elektrisch schema van het toestel
Elektrisch schema

1 = bruin, 2 = blauw, 3 = groen, 4 = zwart, 5 = wit, 6 = grijs / beige, 7 = groen, 8 = geel
AANSLUITINGEN KLEMMENSTROOK
| 1/2 | Aarde |
| N | Nul |
| L Fase-ingang van besturing | |
| L1 | Fase-ingang van scheidingstrafo (primaire kant) |
| L2 | Fase-uitgang van scheidingstrafo (secundaire kant) |
| L3 | Fase-ingang van regeling gestuurde pomp |
| JP2 | Aansluiting van ionisatiepen en gloeionsteker |
| JP3 | Aansluiting van temperatuursensor T2 |
| JP4 | Aansluiting van dummy |
| JP5 | Aansluiting van temperatuursensor T1 |
| JP6 | Aansluiting van selectieweerstand en drukschakelaar |
| JP8 | Aansluiting van extra ON-mode schakelaar |
COMPONENTEN
| A | B | e | s | t | u | r |
| B Ionisatiepen | ||||||
| C Gloeionsteker | ||||||
| D Gasblok | ||||||
| E Aarde-aansluiting van de brander | ||||||
| F Extra ON-mode schakelaar | ||||||
| G Regeling gestuurde pomp (max. 100 W) | ||||||
| H Extra storingsmelder | ||||||
| J Scheidingstrafo | ||||||
| K Dubbelpolige hoofdschakelaar | ||||||
| L 0/I-schakelaar besturing | ||||||
| M | D | i | s | p | l | a |
| N | V | e | n | t | i | l |
| O Temperatuursensor (T2- onder in de tank) | ||||||
| P | D | u | m | m | y | |
| Q Temperatuursensor (T1- boven in de tank) | ||||||
| R Selectieweerstand | ||||||
| S Drukschakelaar | ||||||
| T Elektrische anodes | ||||||
| U Signalering elektrische anodes | ||||||
| V Potentiostaat | ||||||
| W Communicatie tussen besturing toestel en besturing zonnesysteem (BUS-link) | ||||||
| AA Besturing zonnesysteem | ||||||
| F1 | Zekering (T 3.15A - 250 V) |
| F3 | Zekering (T 3.15A - 250 V) |
n g
t o r
AANSLUITINGEN OP BESTURING
| J2 | Aansluiting van de voeding van de besturing |
| J19 | Aansluiting van extra storingsmelder |
| J20 | Aansluiting van het gasblok |
| J21 | Aansluiting van regeling gestuurde pomp |
| J29 | Aansluiting van de voeding van de ventilator |
| J36 | Aansluiting van display op de besturing |
| J40 | Aansluiting van de regeling van de ventilator |
| AA Besturing | |
| BB Extra opvoerhoogte pomp zonnesysteem (AAN/UIT) | |
| CC Pomp zonnesysteem (modulerend) | |
| DD Temperatuursensor (S1-zonnecollector) | |
| EE Temperatuursensor (S2-tank) | |
| FF Gede combineerde Q/T-sensor (incl. temperatuursensor S4-retour zonnecollector) | |
| GG Communicatie tussen besturing toestel en besturing zonnesysteem (BUS-link) | |
| HH Temperatuursensor (S3-top voorraadvat) | |
| K Dubbelpolige hoofdschakelaar |
AANSLUITINGEN OP BESTURING
| J12 Aansluiting van gecombineerde Q/T-sensor (1-2-3-4) | |
| J13 Aansluiting van temperatuursensor S 1(2-4) | |
| J14 Aansluiting van temperatuursensor S 2(2-4) en temperatuursensor S4(1-3) | |
| J16 Aansluiting van BUS-link communicatie | |
| F2 Zekering (T 3.15A - 250 V) |
17.5 Conformiteits-verklaring
Conformiteitsverklaring


CE - Conformiteitsverklaring
Leverancier: A.O. Smith Water Products Company b.v.
De Run 5305
5503 LW Veldhoven
Nederland
verklaart hierbij dat de volgende producten:
Product omschrijving: Commerci ol e gas gestookte boiler
Producten: SGS 28, SGS 30, SGS 50, SGS 60, SGS 80, SGS 100, SGS 120
op de veronderstelling dat de installatie instructies zijn opgevolgd voldoen aan:
Gastoestellen richtlijn (GAD) - 90/396/EEC
Gebruikte richtlijnen:
- EN 89: 1999
Laagspanningsrichtlijn (LVD) - 2006/95/EC
Gebruikte richtlijnen:
- EN 60335-1: 2002
- EN 60335-2-102: 2006
EMC-richtlijn (EMC) - 2004/108/EC
Gebruikte richtlijnen:
- EN 55014-1: 2000
- EN 55014-2: 1997
- EN 61000-3-2: 2006
- EN 61000-3-3: 1995
zoals vermeld in het CE-typeonderzoek rapport van KIWA-Gastec Certification BV, Nederland:
Rapportnummer: 178889
Bedrijf:
Datum:
T. van der Hamsvoort
Algemeen Directeur
17.6 Weekprogrammakaart
De weekprogrammakaart kunt u uitknippen en bij het toestel hangen.
| Periode DAG TIJD Tset Pomp | |||||
| 1. | AAN | ...°C | AAN/ UIT | ||
| UIT | |||||
| 2. | AAN | ...°C | AAN/ UIT | ||
| UIT | |||||
| 3. | AAN | ...°C | AAN/ UIT | ||
| UIT | |||||
| 4. | AAN | ...°C | AAN/ UIT | ||
| UIT | |||||
| 5. | AAN | ...°C | AAN/ UIT | ||
| UIT | |||||
| 6. | AAN | ...°C | AAN/ UIT | ||
| UIT | |||||
| 7. | AAN | ...°C | AAN/ UIT | ||
| UIT | |||||
| 8. | AAN | ...°C | AAN/ UIT | ||
| UIT | |||||
| 9. | AAN | ...°C | AAN/ UIT | ||
| UIT | |||||
| 10. | AAN | ...°C | AAN/ UIT | ||
| UIT | |||||
| 11. | AAN | ...°C | AAN/ UIT | ||
| UIT | |||||
Voorbeeld
| Periode DAG TIJD Tset Pomp | ||||
| 1. | AAN MA | 14:30 | 70 °C | AAN/ UIT |
| UIT MA | 16:15 | |||
| Periode DAG TIJD Tset Pomp | |||||
| 12. | AAN | ...°C | AAN/UIT | ||
| UIT | |||||
| 13. | AAN | ...°C | AAN/UIT | ||
| UIT | |||||
| 14. | AAN | ...°C | AAN/UIT | ||
| UIT | |||||
| 15. | AAN | ...°C | AAN/UIT | ||
| UIT | |||||
| 16. | AAN | ...°C | AAN/UIT | ||
| UIT | |||||
| 17. | AAN | ...°C | AAN/UIT | ||
| UIT | |||||
| 18. | AAN | ...°C | AAN/UIT | ||
| UIT | |||||
| 19. | AAN | ...°C | AAN/UIT | ||
| UIT | |||||
| 20. | AAN | ...°C | AAN/UIT | ||
| UIT | |||||
| 21. | AAN | ...°C | AAN/UIT | ||
| UIT | |||||



Index
A
aan/uitschakelaar 63
aansluiten
circulatieleiding 30
gas 31
koudwaterzijdig 30
luchttoevoer 32
rookgasafvoer 32
warmwaterzijdig 30
aansprakelijkheid 3
aftappen 59
aftappen zonnesysteem 61
algemene gegevens 3
B
bediening 73
beveiliging 16
beveiliging zonnesysteem 18
buitenbedrijfstellen
korte periode 71
langere periode 71
spanningsloos maken 71
C
circulatieleiding aansluiten 30
claims 108
D
datum instellen 79
doelgroepen 10
E
elektrisch aansluitblok 38
elektrische aansluiting 38
extra periode
instellen 78
G
garantie 107
algemeen 107
installatie en gebruiksvoorwaarden 107
omvang 108
uitsluitingen 108
gasaansluiting 31
gascategorie, ombouw naar andere - 53
gebruiker 10
H
handelsmerken 3
|
installateur 10
installatieschema 29
ionisatiepen 17
K
kalkaanslag 104
ketelsteen 104
koudwaterzijdig aansluiten 30
L
luchttoevoer aansluiten 32
luchtvochtigheid 22
M
merknamen 3
N
navigatieknoppen 63
notatiewijzen 11
0
ombouw naar andere gascategorie 53
omgevingscondities 21
omgevingstemperatuur 22
onderhoud
condenswaterafvoer 105
gaszijdig 105
ketelsteen 104
ontkalken 104
voorbereiden 103
warmtewisselaar 105
onderhoudsbeurt 10, 101
ON-mode 73
ontkalken 104
opwarmcyclus 15
P
PC-aansluiting 64
R
rookgasafvoer aansluiten 32
s
scrollen 63
service benodigd 66
service interval instellen 82
servicemonteur 10
storingshistorie uitlezen 81
symbol
gebruiker 10
installateur 10
servicemonteur 10
T
taal instellen 79
ThermoControl
aan/uitschakelaar 63
toestand
SERVICE BENODIGD 66
STORING 66
toestel
historie uitlezen 81
selectie uitlezen 82
typen 9, 21
V
veiligheid 17
waarschuwing collector temperatuur 67
waarschuwing Q/T-sensor 66
zonnesysteem 18
ventilator 17
verpakking 21
vullen 55
vullen zonnesysteem 56
W
warmwaterzijdig aansluiten 30
Z
zonnesysteem
aansluiten
communicatiekabel 43
Extra opvoerhoogte pomp 43
pompstation 42
Q/T-sensor 44
sensor zonnecollector aansluiten 42
tanksensor 43
aftappen 61
beveiliging vloeistoftemperatuur 18
collector temperatuur 67
vullen 56
waarschuwing collector temperatuur 67
waarschuwing Q/T-sensor 66
zonnesysteem 18


































