KK 7174 - Koelkast Pelgrim - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis KK 7174 Pelgrim in PDF-formaat.
Gebruikersvragen over KK 7174 Pelgrim
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Koelkast in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding KK 7174 - Pelgrim en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. KK 7174 van het merk Pelgrim.
GEBRUIKSAANWIJZING KK 7174 Pelgrim
FORD TRANSIT Instructieboekje

De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de continue productontwikkeling behouden we ons het recht voor om specificaties, ontwerp en uitrusting op ieder moment zonder aankondiging of verplichting te wijzigen. Niets uit deze uitgave mag in enigerlei vorm en door enig middel gereproduceerd, verzonden of in een oproepsysteern opgeslagen of in een andere taal vertaald worden zonder onze schriftelijke toestemming. Fouten of omissies uitgesloten.
Alle rechten voorbehouden.
Onderdeelnummer: (CG3527nl) 09/2011 20110826123547
Inleiding
Over deze handleiding ....7
Overzicht van symbolen....7
Onderdelen en accessoires....7
Speciale notificaties ....7
In één oogopslag
In één oogopslag ....8
Bescherming van inzittenden
Werking....15
Veiligheidsgordels vastmaken....16
Hoogte van veiligheidsgordels afstellen....17
Gebruik van veiligheidsgordels tijdens zwangerschap....18
Passagiersairbag uitschakelen....18
Sleutels en afstandsbediening
Algemene informatie over radiofrequencies....20
Programmeren van de afstandsbediening....20
Sloten
Vergrendelen en ontgrendelen....21
Motorstartblokkering
Werking....26
Gecodeerde sleutels....26
Immobilisatiesysteem inschakelen......26
Immobilisatiesysteem uitschakelen.....26
Alarm
Werking....27
Alarm inschakelen....28
Alarm uitschakelen....28
Stuurwiel
Ruitenwissers en ruiten- sproeiers
Voorruitwissers....31
Automatisch in- en uitschakelende ruitenwissers....31
Voorruitsproeiers....32
Achterruitwissers en -sproeiers......32
Ruitenwisserbladen controleren......33
Ruitenwisserbladen vervangen......33
Verlichting
Verlichtingsbediening....35
Dagrijlicht....36
Automatisch in- en uitschakelende verlichting....36
Voorste mistlampen....36
Mistachterlichten....37
Koplamphoogte afstellen....37
Waarschuwingsknipperlichten....37
Richtingaanwijzers....37
Interieurverlichting....38
Tredeverlichting....39
Gloeilampen vervangen....39
Gloeilampentabel....48
Ruiten en spiegels
Achterste zijruiten....50
Instrumentenpaneel
Meters....51
Waarschuwings- en indicatielampen....53
Akoestische waarschuwingssignalen en -indicaties....57
Infodisplays
Algemene informatie....58
Infoberichten....60
Persoonlijke instellingen....63
Klimaatregeling
Werking....66
Ventilatieroosters....66
Handmatige klimaatregeling......67
Verwarmde ruiten en spiegels....69
Extra verwarming....69
Stoelen
De juiste zitpositie innemen....74
Voorstoelen....74
Achterbank....76
Hoofdsteunen....77
Verwarmde stoelen....78
Gemaksfuncties
Klok....79
Kaartjeshouders....79
Aansteker....79
Asbak....80
Extra voedingsaansluitingen ....80
Bekerhouders....80
Opbergruimtes....81
Flessenhouder....81
Vloermatten....82
Aansluiting Auxiliary ingang (AUX IN) 82
USB-poort....82
Motor starten en stoppen
Algemene informatie......83
Contactslot....83
Een benzinemotor starten....83
Een dieselmotor starten....84
Dieselroetfilter....85
Motor uitschakelen....85
Start/stop knop
Werking....86
Start/stop knop gebruiken....86
Brandstof en tanken
Veiligheidsmaatregelen....88
Brandstofkwaliteit - Benzine......88
Brandstofkwaliteit - Diesel....88
Katalysator....89
Tankklep....89
Tanken....90
Brandstofverbruik....90
Technische specificatie....90
Versnel- lingsbak/transmissie
Handgeschakelde versnellingsbak......95
Aandrijving op alle wielen....95
Remmen
Werking....96
Tips voor rijden met ABS 96
Parkeerrem....96
Stabiliteitsregeling
Werking....97
Gebruik maken van stabiliteitsregeling....97
Aandrijfregeling
Werking....99
Gebruik maken van aandrijfregeling.....99
Regeling voor bergop rijden
Werking....100
Regeling voor bergop rijden gebruiken....100
Parkeerhulp
Werking....102
Gebruik maken van de parkeerhulp.....102
Achteruitkijkcamera
Werking....104
Achteruitkijkcamera gebruiken......104
Snelheidsregeling (Cruise Control)
Werking....108
Gebruik maken van snelheidsregeling....108
Automatische snelheidsbegrenzer (ASL)
Werking....110
Transport
Algemene informatie....111
Bevestigingspunten voor lading......111
Dakrekken en bagagedragers....113
Aanhangers trekken
Trekken van een aanhanger......114
Tips voor het rijden
Inrijden....115
Gereduceerd motorvermogen......115
Voorzorgsmaatregelen voor koude weersomstandigheden....115
Wat te doen bij pech
Eerstehulpset....116
Gevarendriehoek....116
Nooduitgang....116
Staat na een aanrijding
Onderbrekingsschakelaar brandstoftoevoer....117
Zekeringen
Plaatsen zekeringenhouders......118
Een zekering vervangen....120
Specificatie-overzicht zekeringen......120
Bergen van de auto
Sleeppunten....129
Auto op vier wielen slepen....129
Auto op vier wielen slepen - AWD......130
Onderhoud
Algemene informatie....131
De motorkap openen en sluiten......132
Overzicht motorruimte - 2,3 l Duratec-HE (MI4)....133
Overzicht motorruimte - 2,2 l Duratorq-TDCi (Puma) diesel .....134
Overzicht motorruimte - 2,2 l Duratorq-TDCi (Puma) diesel /2,4 l Duratorq-TDCi (Puma) diesel /3.2 l Duratorq-TDCi (Puma) diesel......135
Oliepeilstaaf - 2,3 l Duratec-HE (MI4)....136
Oliepeilstaaf - 2,2 l Duratorq-TDCi (Puma) diesel ....136
Oliepeilstaaf - 2,4 l Duratorq-TDCi (Puma) diesel /3.2 l Duratorq-TDCi (Puma) diesel....137
Motorolie controleren....137
Motorkoelvloeistof controleren......137
Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem....138
Stuurbekrachtigingsvloeistof controleren....139
Ruitensproeiervloeistof controleren.....140
Technische specificatie....140
Verzorging van de auto
Reinigen van buitenzijde auto....144
Reinigen van binnenzijde auto....145
Kleine lakschade repareren....145
Accu van de auto
Starten met hulpstartkabels ....146
Onderhoud van de accu....147
Accu vervangen....147
Aansluitpunten van de accu ....147
Veiligheidsuitrusting voor kinderen
Kinderzitjes....149
Plaatsing van kinderzitjes....150
Stoelverhogers ....152
ISOFIX verankeringspunten....153
Kindersloten....153
Velgen en banden
Algemene informatie....155
Een wiel vervangen....155
Bandenreparatieset....162
Verzorging van banden....166
Gebruik van winterbanden....166
Gebruik van sneeuwkettingen......166
Technische specificatie....167
Voertuigidentificatie
Voertuigidentificatieplaatje....176
Voertuigidentificatienummer....176
Inhouden en specificaties
Technische specificatie....177
Inleiding audio-installatie
Belangrijke audio-informatie......185
Overzicht audio-installatie
Overzicht audio-installatie....186
Beveiliging van uw audio- installatie
Beveiligingscode....190
Beveiligingscode vergeten....190
Beveiligingscode invoeren....190
Onjuiste beveiligingscode....190
Audiodisplays met tijd- en datumaanduiding
Tijd en datum van de audio-installatie instellen....191
Werking van de audio- installatie
Aan/uit toets....193
Bass/treble (lage/hoge tonen) regeling....193
Balance/fade (balans links/rechts, voor/achter) regeling....193
Bediening van de audio-installatie......194
Voorkeuzetoetsen....195
Golfband toets....196
Autostore toets....196
Regeling functie verkeersinformatie.....196
Station afstemtoetsen....198
Reductie geluidsvervorming (CLIP).....200
Alternatieve frequenties....201
Regionale modus (REG)......202
Nieuwsberichten....202
CD-speler
CD's aanbrengen....204
Versneld vooruit/achteruit....205
Shuffle/random (door elkaar/willekeurig)....206
CD-nummers comprimeren....206
CD-nummers scannen....207
CD's uitwerpen....207
CD-nummers herhalen....207
MP3-bestand afspelen....208
MP3 weergave-opties....208
Afspelen CD beeindigen....208
Meerdere CD's uitwerpen....209
Ingangsaansluiting (AUX IN)
Ingangsaansluiting (AUX IN)......210
Storingen verhelpen audio-installatie
Storingen verhelpen audio-installatie....211
Telefoon
Algemene informatie....213
Setup telefoon....213
Setup Bluetooth....214
Bedieningselementen telefoon......215
Gebruik maken van de telefoon - Auto's zonder Navigatiesysteem ....215
Gebruik maken van de telefoon - Auto's met Navigatiesysteem ....218
Spraaksturing
Werking....221
Spraakgestuurd regelsysteem gebruiken....221
Algemene informatie......237
Extern apparaat aansluiten ....238
Extern apparaat aansluiten - Auto's met Bluetooth....239
USB-apparaat gebruiken ....239
iPod gebruiken 242
Bijlagen
Typegoedkeuringen....246
Elektromagnetische compatibiliteit.....246
OVER DEZE HANDLEIDING
Hartelijk dank voor het kiezen van een Ford. We adviseren u, enige tijd te nemen om met uw auto kennis te maken door deze handleiding te lezen. Hoe meer u van uw auto afweet, des te beter kunt u ermee omgaan en dat komt de veiligheid en het rijplezier ten goede.
WAARSCHUWING

Rijd altijd voorzichtig en oplettend wanneer u de bedieningselementen en functies van uw auto bedient.
N.B.: Deze handleiding beschrijft productkenmerken en opties die voor het programma leverbaar zijn, soms nog voordat deze algemeen verkrijgbaar zijn. Soms worden opties beschreven waarmee uw auto niet is uitgerust.
N.B.: Sommige van de afbeeldingen in deze handleiding worden voor verschillende modellen gebruikt, waardoor ze er anders kunnen uitzien dan in uw auto. De essentiële informatie in de afbeeldingen is echter altijd correct.
N.B.: Gebruik uw auto altijd volgens de geldende regels en wetgeving.
N.B.: Deze handleiding dient bij de auto te blijven wanneer deze wordt verkocht. Het instructieboekje is een onderdeel van de auto.
OVERZICHT VAN SYMBOLEN
Symbolen in dit instructieboekje
WAARSCHUWING

U riskeert de dood of ernstige verwonding van uzelf en anderen wanneer u niet de instructies opvolgt op u door dit waarschuwingssymboolt geattendeerd.
LET OP

U riskeert beschadiging van uw auto wanneer u niet de instructies opvolgt waarop u door dit
waarschuwingssymbool wordt geattendeerd.
Symbolen op uw auto


Wanneer u deze symbolen ziet, lees dan eerst de betreffende instructies in dit instructieboekje en volg deze op voordat u iets aanraakt of probeert af te stellen.
ONDERDELEN EN ACCESSOIRES
Originele Ford onderdelen en accessoires zijn speciaal voor uw auto ontwikkeld. Wij wijzen erop dat niet-originele Ford onderdelen en accessoires niet door Ford zijn onderzocht en goedgekeurd tenzij expliciet door Ford is aangegeven. Wij kunnen niet instaan voor de geschiktheid van dergelijke producten. Wij raden u aan uw Ford dealer te vragen of onderdelen en accessoires geschikt zijn voor uw auto.
SPECIALE NOTIFICATIES
Zie voor conversies of aanpassingen van uw Transit vanaf de productspecificatie het handboek voor de bevestiging van carrosserie-uitrusting (BEMM, Body and Equipment Mounting Manual) op www.etis.ford.com/fordservice.
In één oogopslag
Overzicht instrumentepaneel - wagens met links stuur

Overzicht instrumentepaneel - wagens met rechts stuur

A Schakelaar elektrisch bedienbare buitenspiegel. Zie Elektrisch verstelbare buitenspiegels (bladzijde 49).
B Lichtschakelaar. Zie Verlichtingsbediening (bladzijde 35).
C Multifunctionele hendel. Zie Richtingaanwijzers (bladzijde 37). Zie Verlichtingsbediening (bladzijde 35).
D Instrumentengroep. Zie Meters (bladzijde 51).
E Informatiedisplay. Zie Meters (bladzijde 51).
F ECO-schakelaar. Zie Start/stop knop (bladzijde 86). Zie Automatische snelheidsbegrenzer (ASL) (bladzijde 110).
G Schakelaar waarschuwingsknipperlichten. Zie Waarschuwingsknipperlichten (bladzijde 37).
H Schakelaar voorruitverwarming. Zie Verwarmde ruiten en spiegels (bladzijde 69).
I Schakelaar achterruitverwarming. Schakelaar verwarmbare buitenspiegels Zie Verwarmde ruiten en spiegels (bladzijde 69).
J Blad met bekerhouders. Zie Bekerhouders (bladzijde 80).
In één oogopslag
Audio-installatie. Zie afzonderlijke handleiding.K
L Luchtroosters. Zie Ventilatieroosters (bladzijde 66).
Aansteker. Zie Aansteker (bladzijde 79).M
N Bediening temperatuurregelsysteem. Zie Klimaatregeling (bladzijde 66).
O Schakelhendel. Zie Handgeschakelde versnellingsbak (bladzijde 95).
P Controlelamp airbag aan passagierszijde uitgeschakeld. Zie Passagiersairbag uitschakelen (bladzijde 18).
Q Schakelaar AWD (All Wheel Drive). Zie Aandrijving op alle wielen (bladzijde 95). Schakelaar elektronische stabiliteitsregeling (ESP). Zie Stabiliteitsregeling (bladzijde 97).
R Ruitenwisserschakelaar. Zie Ruitenwissers en ruitensproeiers (bladzijde 31).
Contactslot.S
Claxon.T
U Regelknop hoogteverstelling koplamplichtbundels. Zie Koplamphoogte afstellen (bladzijde 37).
Bekerhouder. Zie Bekerhouders (bladzijde 80).V
In één oogopslag
Informatiedisplays

flowchart
graph TD
A["15:04\n15.0°C"] --> B["ACTIERAD. TOT\n: 200 km"]
B --> C["BRANDST.VERBR.\n8.0 l/100"]
C --> D["GEM. SNELHEID\n87 km/h"]
D --> E["BUITENTEMP:\nTEMP 15.0 °C"]
E --> F["PERS. INSTELL.\n▶---- SET/RESET"]

text_image
SET RESET MENU E73265Scroll met de draaiknop door het menu.

text_image
SET RESET MENUE73266
Druk de SET en RESET toets in om een submenu of het item dat u wilt instellen te selecteren.
Zie Infodisplays (bladzijde 58).
Waarschuwings- en controlelampen

Controlelamp remblokslijtage

Controlelamp remsysteem

Controlelamp automatische snelheidsregeling

Controlelamp hellingstart

Controlelamp berichten

Controlelamp stabiliteitsregelsysteem (ESP) en aandrijfregelsysteem

Controlelamp onderhoudsintervallen (alleen uitvoeringen met dieselmotor)

Controlelamp schakeling
In één oogopslag

Controlelamp water-in-brandstof (uitvoeringen met dieselmotor)
Zie Waarschuwings- en indicatielampen (bladzijde 53).
Vergrendelen en ontgrendelen
Achterdeuren

text_image
B A C E71287Wit zichtbaar, deur vergrendeldC
Schuifdeur

text_image
C A D B C E71289Bestelwagen en KombiA
B Bus
VergrendelenC
OntgrendelenD
Dubbele achterdeuren

text_image
B A E71290BuitenzijdeA
BinnenzijdeB
In één oogopslag
Achterklep

text_image
Ford A B E71292BuitenzijdeA
BinnenzijdeB
Werking van het vergrendelingssysteem
Het vergrendelingssysteem van uw auto kan zijn geprogrammeerd in een van de drie primaire vergrendelingscombinaties.
Zie Vergrendelen en ontgrendelen (bladzijde 21).
Extra voedingsaansluitingen
WAARSCHUWING

Indien gebruikt terwijl de motor niet draait, wordt hierdoor de accu ontladen. Hierdoor kan er onvoldoende vermogen overblijven om de motor te starten.

Zie Extra voedingsaansluitingen (bladzijde 80).
Stationair toerental na het starten
Wanneer de motor koud is, kan het stationaire toerental direct na het aanslaan hoger zijn.
Zie Motor starten en stoppen (bladzijde 83).
Handgeschakelde versnellingsbak De achteruit inschakelen

Bij sommige auto's moet de kraag omhoog worden gebracht tijdens inschakelen van de achteruit.
In één oogopslag
Zie Handgeschakelde versnellingsbak (bladzijde 95).
Roetfilter (DPF) dieselmotor
WAARSCHUWING

Laat de motor niet stationair draaien of parkeer de wagen niet op droge bladeren, droog gras of ander
brandbaar materiaal. Het
DPF-regeneratieproces werkt met bijzonder hoge uitlaatgastemperaturen en na het afzetten van de motor en tijdens en na DPF-regeneratie blijft de uitlaat een aanzienlijke hoeveelheid hitte uitstralen.
Dit is een potentieel gevaar van brand.
Zie Dieselroetfilter (bladzijde 85).
WERKING
Airbags
WAARSCHUWINGEN
Wijzig de voorzijde van de wagen op geen enkele wijze. Dit zou nadelige gevolgen voor het ontvouwen van de airbags kunnen hebben.
Oorspronkelijke tekst volgens ECE R94.01: Extreme Hazard! Do not use a rearward facing child restraint on a seat protected by an air bag in front of it!
Draag een veiligheidsgordel en houd voldoende afstand tussen uzelf en het stuurwiel. Alleen wanneer de veiligheidsgordel correct wordt gedragen, kan deze u in een zodanige positie houden dat de airbag optimaal effect kan bewerkstelligen. Zie De juiste zitpositie innemen (bladzijde 74).
Laat reparaties aan het stuurwiel, de stuurkolom, stoelen, airbags en veiligheidsgordel uitvoeren door goed getrainde monteurs.
Houd de gebieden voor de airbags vrij. Breng niets aan op of over de panelen van de airbags.
Steek geen scherpe voorwerpen in gebieden waar airbags zijn gemonteerd. Dit zou de airbags kunnen beschadigen en nadelige gevolgen kunnen hebben voor het ontvouwen.
Gebruik stoelhoezen die zijn ontworpen voor stoelen met zij-airbags. Laat deze aanbrengen door goed getrainde monteurs.
N.B.: Het opblazen van een airbag gaat gepaard met een luide knal en u ziet een onschadelijke, poederachtige stofwolk. Dit is normaal.
N.B.: De front-airbag aan passagierszijde biedt bescherming voor een dubbele voorstoel.
N.B.: Veeg de panelen van de airbags alleen met een vochtige doek schoon.
Front-airbags aan bestuurders- en passagierszijde

De front-airbags treden in werking bij zware frontale aanrijdingen of bij aanrijdingen binnen een hoek van maximaal 30 graden van links of van rechts. De airbags worden in enkele milliseconden opgeblazen en stromen weer leeg zodra zij in contact komen met de lichamen van de inzittenden, waardoor de voorwaartse beweging wordt opgevangen. Bij lichte aanrijdingen, het over de kop slaan van de auto of bij aanrijdingen van opzij of van achteren worden de front-airbags niet geactiveerd.
Zij-airbags

De zij-airbags bevinden zich in de zijkant van de rugleuningen van de voorstoelen. Een label op de rugleuning geeft aan dat uw auto is uitgerust met zij-airbags.
De zij-airbags worden geactiveerd bij zware zijdelingse aanrijdingen. Alleen de airbag aan de zijde van de aanrijding wordt geactiveerd. De airbags worden in enkele milliseconden opgeblazen en stromen weer leeg zodra zij in contact komen met de lichamen van de inzittenden, waardoor zij bescherming bieden aan de omgeving van het hoofd en de ribben. Bij lichte zijdelingse aanrijdingen, het over de kop slaan van de auto of bij aanrijdingen van voren of achteren worden de zij-airbags niet geactiveerd.
Veiligheidsgordels
WAARSCHUWINGEN

Draag een veiligheidsgordel en houd voldoende afstand tussen uzelf en het stuurwiel. Alleen wanneer u de veiligheidsgordel op de juiste wijze draagt, kan deze u op uw plaats houden en zijn maximale bescherming bieden. Zie De juiste zitpositie innemen (bladzijde 74).

Gebruik de veiligheidsgordel voor één persoon.
WAARSCHUWINGEN

Gebruik voor iedere stoel het juiste gordelslot.

Zorg ervoor dat de veiligheidsgordel niet slap of gedraaid zit.

Draag geen dikke kleding. De veiligheidsgordels bieden optimaal bescherming wanneer ze sluitend worden gedragen.

Leg de schoudergordel over het midden van de schouder en leg de heupgordel strak over uw heupen.
De gordelspanners hebben een lagere activeringsdrempel dan de airbags. Bij lichte aanrijdingen is het mogelijk dat alleen de gordelspanner in werking treedt.
Status na aanrijding
WAARSCHUWING

Veiligheidsgordels die zijn belast ten gevolge van een aanrijding moeten worden vervangen en de verankeringen worden gecontroleerd. Deze werkzaamheden moeten door een correct hiertoe opgeleide monteur worden uitgevoerd.
VEILIGHEIDSGORDELS VASTMAKEN

Steek de slottong in het gordelslot tot een zachte klik hoorbaar is. U hebt de veiligheidsgordel niet correct stigd wanneer u geen klik hoort.
Trek de veiligheidsgordel gelijkmatig uit. Deze kan blokkeren wanneer u hem te snel uittrekt of wanneer de auto op een helling staat.
Druk de rode toets op het gordelslot in om de veiligheidsgordel los te maken. Let de gordel volledig en rustig oprollen.
HOOGTE VAN VEILIGHEIDSGORDELS AFSTELLEN
Veiligheidsgordel, voor

Veiligheidsgordel, achter

Zorg ervoor dat de veiligheidsgordel soepel door de geleider glijdt.
GEBRUIK VAN
VEILIGHEIDSGORDELS
TIJDENS ZWANGERSCHAP

Breng de veiligheidsgordel voor uw eigen veiligheid, maar ook voor dat van uw ongeboren kind op correcte wijze aan. Draag niet alleen de heupgordel of de schoudergordel.
De heupgordel moet comfortabel over de heupen liggen aan de onderzijde van uw zwangere buik. Leg de schoudergordel tussen uw borsten, boven en aan de zijkant van uw zwangere buik.
PASSAGIERSAIRBAG UITSCHAKELEN
WAARSCHUWING

Om het risico van fataal letsel of ernstige verwonding te vermijden, mag NOOIT een kinderzitje achterwaarts op een voorstoel worden geplaatst, tenzij de airbag is UITGESCHAKELD.

text_image
AIRBAG OFF ON 2USA-14B972-AAE71313
De sleutelschakelaar en de controlelamp 'airbag uitgeschakeld' zijn aangebracht in het instrumentenpaneel.
Wanneer de controlelamp 'airbag uitgeschakeld' op het instrumentenpaneel met onderbrekingen brandt, dan is er sprake van een storing. Neem het kinderveiligheidszitje van de voorstoel. Laat het systeem voor uw eigen veiligheid door een geschoolde monteur controleren. Zie Waarschuwings- en indicatielampen (bladzijde 53).
Airbag aan passagierszijde uitschakelen

text_image
PASS AIRBAG OFF ON A BE71312
Wanneer een kinderzitje op de voorstoel wordt geplaatst, let er dan op dat de sleutelschakelaar in de stand A staat.
Controleer bij het aanzetten van het contact, of de controlelamp airbag aan passagierszijde uitgeschakeld brandt. Zie In één oogopslag (bladzijde 8).
Airbag aan passagierszijde inschakelen
WAARSCHUWING

Controleer of de airbag is INGESCHAKELD om ervoor te zorgen dat het veiligheidssysteem
voor volwassenen correct werkt.
Draai, nadat u het kinderzitje van de voorstoel hebt verwijderd, de sleutelschakelaar weer in de stand B.
ALGEMENE INFORMATIE OVER RADIOFREQUENTIES
LET OP

De radiofrequentie van de afstandsbediening kan ook worden gebruikt door andere zenders met een bereik (bijvoorbeeld zendamateurs, lische apparatuur, draadloze fdtelefoons, afstandsbedieningen en msystemen). Wanneer de frequenties den gestoord, kunt u geen gebruik meer en van uw afstandsbediening. De jieren kunt u met de sleutel rendelen en ontgrendelen.

Controleer of uw auto vergrendeld is voordat u deze onbeheerd achterlaat. Hierdoor worden eventuele uentieblokkeringen voorkomen.
N.B.: U kunt de portieren ontgrendelen wanneer u de toetsen op de afstandsbediening per ongeluk indrukt.
Het bereik tussen uw afstandsbediening en uw auto is afhankelijk van de omgeving.
PROGRAMMEREN VAN DE AFSTANDSBEDIENING
U kunt maximaal acht afstandsbedieningen voor uw auto programmeren (inclusief die met uw auto werd meegeleverd). Vraag uw dealer om instructies.
VERGRENDELEN EN ONTGRENDELEN
Dubbele vergrendeling
WAARSCHUWING

Schakel de dubbele vergrendeling niet in wanneer zich personen of dieren in de wagen bevinden.
Wanneer de dubbele vergrendeling is ingeschakeld kunnen de portieren niet van binnenuit worden ontgrendeld.
Dubbele vergrendeling is een voorziening tegen diefstal die voorkomt dat personen de portieren van binnenuit kunnen ontgrendelen. Alleen wanneer alle portieren zijn gesloten kunnen deze dubbel worden vergrendeld. Wanneer u probeert de dubbele vergrendeling in te schakelen terwijl er nog een portier openstaat, klinkt er een kort claxonsignaal en vergrendelen en ontgrendelen de portiersloten eenmaal. De portiersloten keren in hun oorspronkelijke stand terug.
Wanneer u de portieren met succes dubbel hebt vergrendeld, knipperen de richtingaanwijzers tweemaal. Wanneer de waarschuwingsknipperlichten zijn ingeschakeld, knipperen de richtingaanwijzers tweemaal lang.
Portieren met de sleutel vergrendelen en ontgrendelen

flowchart
graph TD
A["Component A"] -->|Arrow to| V["Vehicle"]
B["Component B"] -->|Arrow to| V
C["Component A"] -->|Arrow to| V
D["Component B"] -->|Arrow to| V
E71294
OntgrendelenA
VergrendelenB
Portieren met de sleutel dubbel vergrendelen
Draai de sleutel in de ontgrendelstand en vervolgens in de vergrendelstand om de portieren dubbel te vergrendelen.
Portieren met de
afstandsbediening vergrendelen
en ontgrendelen

text_image
A B C E71293VergrendelenA
OntgrendelenB
Laadruimte ontgrendelenC
Druk de betreffende toets eenmaal in.
Portieren met de afstandsbediening dubbel vergrendelen
Druk de vergrendeltoets tweemaal in.
Portieren met de hendels vergrendelen en ontgrendelen
Voorportieren

text_image
E71286 A 1LOCK C B Wit merktekenA VergrendelenB OntgrendelenCWanneer u het witte merkteken ziet, is het portier vergrendeld.
Achterdeuren

text_image
B A C E71287Wanneer u het witte merkteken ziet, is het portier vergrendeld.
Schuifdeur

text_image
C A D B CBestelwagen en KombiA
B Bus
VergrendelenC
OntgrendelenD
Dubbele achterdeuren

text_image
B AE71290
BuitenzijdeA
BinnenzijdeB

De ontgrendelknop is via de opening aan de onderzijde van de achterklep bereikbaar.
Slagvergrendeling
N.B.: Laat uw sleutels niet in de wagen liggen.
N.B.: U hoort een kort claxonsignaal wanneer u probeert de deuren te vergrendelen terwijl er nog een deur is geopend.
Met behulp van slagvergrendeling kan een portier worden gesloten met de sleutel of de afstandsbediening bij een geopend portier. Het portier wordt vergrendeld als deze wordt gesloten.
Uw voertuig heeft de mogelijkheid om de portieren automatisch te vergrendelen wanneer uw snelheid hoger is dan 8 km/h. Uw dealer kan deze functie indien nodig in- of uitschakelen. Als deze functie wordt ingeschakeld, dient u voor het ontgrendelen van de achterdeuren of zijlaaddeuren het contact uit te schakelen en de sleutel of afstandsbediening te gebruiken.
Automatisch opnieuw vergrendelen
De portieren worden automatisch opnieuw vergrendeld wanneer u niet binnen 45 seconden na het ontgrendelen met de afstandsbediening een portier opent. De portieren worden vergrendeld en de alarminstallatie keert terug in de vorige stand.
Een fase ontgrendeling
N.B.: De richtingaanwijzers knipperen eenmaal wanneer u de deuren ontgrendelt.
Indien ingeschakeld, zijn de volgende voorzieningen beschikbaar:
U ontgrendelt alle deuren wanneer u:
- de hendel aan de binnenzijde uittrekt (behalve wanneer u de deuren dubbel hebt vergrendeld)
- of de sleutel in een van de deuren draait.
- Druk eenmaal op de ontgrendeltoets op de afstandsbediening.
- Druk de ontgrendeltoets voor de laadruimte op de afstandsbediening eenmaal in (Chassis Cabine).
Wanneer u de achterdeuren of de achterklep en de schuifdeur wilt ontgrendelen, druk dan de ontgrendeltoets van de laadruimte eenmaal in.
Twee fasen ontgrendeling
N.B.: De richtingaanwijzers knipperen eenmaal wanneer u de deuren ontgrendelt.
U ontgrendelt de voorportieren wanneer u:
- de hendel aan de binnenzijde uittrekt (behalve wanneer u de deuren dubbel hebt vergrendeld)
- of de sleutel in een van de deuren draait.
- Druk eenmaal de ontgrendeltoets op de afstandsbediening in (Bestelwagen, Bus en Kombi).
U ontgrendelt het bestuurdersportier wanneer u:
- de ontgrendeltoets op de afstandsbediening eenmaal indrukt (Chassis Cabine).
De voorportieren, achterdeuren en de laadruimte worden ontgrendeld als u:
- de sleutel in één van beide voorportieren tweemaal binnen drie seconden draait.
- Druk de ontgrendeltoets op de afstandsbediening tweemaal binnen drie seconden in.
Wanneer u bij een bestelwagen de achterdeuren of de achterklep en de schuifdeur wilt ontgrendelen, druk dan de ontgrendeltoets van de laadruimte eenmaal in.
Wanneer u bij wagens met Chassis-cabine het passagiersportier wilt ontgrendelen, druk dan de ontgrendeltoets van de laadruimte eenmaal in.
Zone opnieuw vergrendelen
De sloten van de Bestelwagen, Bus en Kombi zijn onderverdeeld in twee zones, die van de cabine en van de laadruimte. De Chassis-cabine heeft slechts één zone: die van de cabine.
- Verlaat de wagen en druk op de vergrendeltoets.
- Druk eenmaal op de ontgrendeltoets of de ontgrendeltoets van de laadruimte om de betreffende zone te ontgrendelen.
Wanneer u nu een deur in de ontgrendelde zone opent, blijven de andere deuren in die zone automatisch vergrendeld.
Programmeerbaar ontgrendelingssysteem
Het programmeerbare ontgrendelingssysteem wordt bij het afleveringsklaarmaken geprogrammeerd. U kunt kiezen welke deuren worden ontgrendeld wanneer u de ontgrendeltoets en de ontgrendeltoets van de laadruimte op de afstandsbediening eenmaal of tweemaal indrukt. Wanneer u deze voorziening hebt gedeactiveerd, kan deze niet meer worden geactiveerd. Raadpleeg uw dealer voor meer informatie.
WERKING
Het immobilisatiesysteem is een diefstalbeveiligingssysteem dat voorkomt dat iemand de motor van uw auto met een onjuist gecodeerde sleutel kan starten.
GECODEERDE SLEUTELS
N.B.: Dek uw sleutels niet met metalen voorwerpen af. Hierdoor kan de ontvanger uw sleutel niet herkennen als geldige sleutel.
N.B.: Wanneer u een sleutel bent verloren, laat dan de code bij al uw overige sleutels wissen. Raadpleeg uw dealer voor meer informatie. Laat de vervangingssleutels samen met uw overige sleutels opnieuw coderen.
Wanneer u een sleutel verliest, kunt u bij uw Ford dealer een vervangingssleutel verkrijgen. Geef, indien mogelijk, uw dealer het sleutelnummer door, dat op het plaatje staat dat met de originele sleutels is geleverd. U kunt ook extra sleutels bij uw Ford dealer verkrijgen.
IMMOBILISATIESYSTEEM INSCHAKELEN
Korte tijd nadat u het contact hebt afgezet wordt het immobilisatiesysteem automatisch ingeschakeld.
De controlelamp in de instrumentengroep knippert ter bevestiging dat het systeem is ingeschakeld.
IMMOBILISATIESYSTEEM UITSCHAKELEN
Het immobilisatiesysteem wordt automatisch uitgeschakeld bij het met een correct gecodeerde sleutel aanzetten van het contact.
De controlelamp in de instrumentengroep brandt ongeveer drie seconden en gaat vervolgens uit. Wanneer de controlelamp langer dan een minuut blijft branden of knipperen en vervolgens met onregelmatige intervallen gaat branden, dan is uw sleutel niet herkend. Neem de sleutel uit het slot en probeer het nogmaals.
Wanneer u de motor met een correct gecodeerde sleutel niet kunt starten, duidt dit op een storing. Laat het immobilisatiesysteem onmiddellijk controleren.
WERKING
Alle uitvoeringen
Wanneer het alarm is geactiveerd, klinkt de alarmclaxon 30 seconden en knipperen de waarschuwingsknipperlichten vijf minuten. Wanneer de oorzaak van het activeren van het alarm niet wordt opgeheven, keert de alarminstallatie in zijn vorige status. Wanneer de oorzaak niet wordt opgeheven, klinkt de alarmclaxon opnieuw.
Wagens met een perimeter alarm
Het perimeter alarm is een afschrikmiddel voor personen die ongeoorloofd de portieren en de motorkap proberen te openen. Het beschermt ook de audio-installatie en de aanhanger (indien een Ford trekhaak is gemonteerd). U kunt de alarminstallatie volledig of gedeeltelijk inschakelen. De aanhangerdetectie wordt uitgeschakeld wanneer u het alarm gedeeltelijk inschakelt.
Het perimeter alarm wordt geactiveerd wanneer iemand:
- een portier opent
- de motorkap opent
•probeert de motor te starten met een onjuist gecodeerde sleutel - de audio-installatie verwijdert
- de stekker van de aanhanger loskoppelt (wanneer deze was aangesloten toen de alarminstallatie werd ingeschakeld).
Uitvoeringen met een categorie 1 alarminstallatie

N.B.: Een vals alarm kan ook veroorzaakt worden door de hulpverwarming. Zie Extra verwarming (bladzijde 69). Als u de hulpverwarming gebruikt, richt de luchtstroom dan op de beenruimte.
De categorie 1 alarminstallatie is een uitbreiding op het perimeter alarm. Ultrasonische detectie van bewegingen in het interieur beveiligen uw wagen tegen het ongeoorloofd binnengaan van het passagierscompartiment en de laadruimte. U kunt de alarminstallatie geheel of gedeeltelijk inschakelen. De aanhangerdetectie en de beveiliging van het interieur worden uitgeschakeld wanneer u het alarm gedeeltelijk inschakelt. De beveiliging van het interieur wordt niet geactiveerd wanneer u de alarminstallatie bij geopend portier inschakelt.
De categorie 1 alarminstallatie werkt alleen correct wanneer alle ruiten volledig zijn gesloten. Plaats geen voorwerpen vóór de bewegingssensoren.
De categorie 1 alarminstallatie wordt geactiveerd wanneer:
- beweging wordt geregistreerd in het passagierscompartiment of de laadruimte
- iemand tracht de laadruimte binnen te gaan via de achterdeur of de ruit in de achterklep.
ALARM INSCHAKELEN
Perimeter alarminstallatie
Twintig seconden nadat u de deuren hebt vergrendeld schakelt de alarminstallatie in. Tijdens deze vertraging kunt u de deuren of de motorkap sluiten zonder het alarm te activeren.
Gedeeltelijk alarm
Vergrendel de deuren met de sleutel. Zie Vergrendelen en ontgrendelen (bladzijde 21).
Volledige inschakeling
Vergrendel de deuren met de afstandsbediening of schakel de dubbele vergrendeling met de sleutel of de afstandsbediening in. Zie Vergrendelen en ontgrendelen (bladzijde 21).
Categorie 1 alarm
Gedeeltelijk alarm
Vergrendel de deuren met de sleutel. Zie Vergrendelen en ontgrendelen (bladzijde 21).
Volledige inschakeling
N.B.: Schakel de alarminstallatie niet volledig in wanneer zich iemand in de wagen bevindt.
Vergrendel de deuren met de afstandsbediening of schakel de dubbele vergrendeling met de sleutel of de afstandsbediening in. Zie Vergrendelen en ontgrendelen (bladzijde 21).
ALARM UITSCHAKELEN
Perimeter alarminstallatie
Schakel de alarminstallatie en het alarmsignaal uit door de deuren met de sleutel te ontgrendelen, zet het contact met een correct gecodeerde sleutel aan of ontgrendel de deuren met de afstandsbediening. Zie Vergrendelen en ontgrendelen (bladzijde 21).
Categorie 1 alarm
Schakel de alarminstallatie en het alarmsignaal uit door de deuren met de sleutel via het bestuurdersportier te ontgrendelen en zet het contact binnen 12 seconden met een correct gecodeerde sleutel aan of ontgrendel de deuren met de afstandsbediening. Zie Vergrendelen en ontgrendelen (bladzijde 21).
AUDIOBEDIENING
Kies de radio, CD of cassette modus op de audio-installatie.
De volgende functies kunnen met de afstandsbediening worden bediend:
Volume

text_image
VOICE VOL+ MODE SEEK VOL- E78046Hoger volume: druk op de bovenste toets op de achterzijde van de afstandsbediening.
Minder volume: druk op de onderste toets op de achterzijde van de afstandsbediening.
Seek (zoekfunctie)

text_image
VOICE VOL+ MODE SEEK VOL- E78047Beweeg de hendel naar boven of naar beneden:
•In de radio modus wordt het eerstvolgende radiostation op een hogere of lagere frequentie opgezocht.
• In de CD modus wordt het volgende of het vorige nummer gekozen.
Modus

text_image
VOICE VOL+ MODE SEEK VOL- E78048Druk kort op de toets aan de zijkant:
Stuurwiel
- In de radio modus wordt het volgende in het geheugen opgeslagen radiostation opgezocht.
- In de CD modus wordt de volgende CD gekozen wanneer een CD-wisselaar is gemonteerd.
- In alle modi om een verkeersbericht te onderbreken.
Druk de toets aan de zijkant in en houd deze ingedrukt:
- In de radio modus om van golflengte te veranderen.
SPRAAKSTURING

text_image
VOICE VOL+ MODE SEEK VOL- E78049Druk, om de spraakbesturing in of uit te schakelen, op de toets aan de bovenzijde.
Voor meer informatie Zie Spraaksturing (bladzijde 221).
VOORRUITWISSERS

text_image
A B C DE71012
Eenmalig wissenA
Wissen met intervallenB
Normale wissnelheidC
Hoge wissnelheidD
Wissen met intervallen

text_image
A B E71013 CWissen met lange intervallenA
Wissen met intervallenB
Wissen met korte intervallenC
AUTOMATISCH IN- EN UITSCHAKELENDE RUITENWISSERS
Automatisch wissen

Schakel de automatische wisfunctie niet bij droog weer in. De regensensor is bijzonder gevoelig en de ruitenwissers kunnen in werking treden indien de voorruit met vuil, mist of vliegen in aanraking komt.
! Vervang de ruitenwisserbladen zodra deze strepen water en vuil op de voorruit achterlaten. Als de ruitenwisserbladen niet worden vervangen, blijft de regensensor continu water op de voorruit waarnemen. Dit heeft tot gevolg dat de ruitenwissers in werking treden terwijl het grootste deel van de voorruit droog is.
Zorg bij vorst dat de voorruit volledig is ontdooit voordat u de automatische wisfunctie selecteert.
Schakel de automatische wisfunctie uit voordat u een wasstraat binnenrijdt.
Wanneer u de automatische wisfunctie inschakelt nadat het contact is aangezet, maken de ruitenwissers een wisbeweging ongeacht of de voorruit droog of nat is. De regensensor meet daarna continu de hoeveelheid water op de voorruit en zal de snelheid van de ruitenwissers automatisch instellen.
Wanneer u het contact aanzet terwijl de automatische wisfunctie al is ingeschakeld, maken de ruitenwissers geen wisbeweging tot de regensensor water op de voorruit detecteert.

text_image
A BE71015
Lage gevoeligheidA
Hoge gevoeligheidB
Stel de gevoeligheid van de regensensor met de draaiknop in. Wanneer u de knop in de stand voor lage gevoeligheid zet, zullen de ruitenwissers in werking treden wanneer de sensor een grote hoeveelheid water op de voorruit registreert. Wanneer u de knop in de stand voor hoge gevoeligheid zet, zullen de ruitenwissers in werking treden wanneer de sensor een kleine hoeveelheid water op de voorruit registreert.
VOORRUITSPROEIERS

Schakel de ruitenwissers niet langer dan 10 seconden achtereen in of wanneer het reservoir leeg is.
ACHTERRUITWISSERS EN - SPROEIERS
Wissen met intervallen

De achterruitwisser volgt de intervallen van de voorruitwissers.
Wissen tijdens achteruitrijden
De achterruitwisser treedt automatisch in werking wanneer de achteruit wordt ingeschakeld en de ruitenwisserschakelaar in stand A, B, C of D staat.
Ruitensproeier, achter

Schakel de achterruitsproeier niet langer dan 10 seconden achtereen in of wanneer het reservoir leeg is.
RUITENWISSERBLADEN
CONTROLEREN

Controleer met uw vingertoppen de rubber randen van de ruitenwisserbladen op oneffenheden.
Reinig de ruitenwisserbladen met een in water gedrenkte, zachte spons.
RUITENWISSERBLADEN
VERVANGEN

text_image
1 2 E93783
Breng de eerder verwijderde onderdelen in omgekeerde volgorde aan.
Standen van de lichtschakelaar

text_image
F A B C E D E71094A Uit
Stads- en achterlichtenB
KoplampenC
Mistlampen, voorD
MistachterlichtenE
ParkeerlichtenF
Dagrijlichten
De koplampen branden wanneer het contact is ingeschakeld en de koplampbediening in stand A staat. Om over te schakelen op grootlicht moet de bediening van de verlichting eerst in stand C staan.
Parkeerlichten
Zet eerst het contact af.
Beide zijden
Druk de lichtschakelaar in en draai hem in stand F.
Een zijde

text_image
A SET RESET MENU B E77368RechterzijdeA
LinkerzijdeB
Trek de hendel geheel naar het stuurwiel toe om tussen grootlicht en dimlicht te wisselen.
Lichtsignaal
Beweeg de schakelaarhendel naar het stuurwiel.
Home safe verlichting
Schakel de verlichting uit en trek de richtingaanwijzer naar het stuurwiel toe om de koplampen in te schakelen. Er klinkt kort een signaal. Bij een geopende deur gaan de koplampen automatisch na drie minuten uit, of 30 seconden nadat de laatste deur is gesloten.
Wanneer alle deuren zijn gesloten en een deur wordt binnen de 30 seconden vertragingstijd weer geopend, start de tijdschakeling van drie minuten opnieuw.
De home safe functie kan worden uitgeschakeld door hetzij de richtingaanwijzerhendel opnieuw naar het stuurwiel te trekken of door het contact AAN te zetten.
DAGRIJLICHT
De lampen gaan branden wanneer het contact wordt ingeschakeld.
weersomstandigheden kan het nodig zijn uw koplampen handmatig in te
schakelen.
N.B.: Wanneer u de automatisch in-/uitschakelende verlichting hebt ingeschakeld, kunt u alleen het groot licht inschakelen wanneer de functie de koplampen heeft ingeschakeld.

Auto's zonder dagrijlicht
Afhankelijk van de lichtsituatie worden de koplampen automatisch in- en uitgeschakeld.
Auto's met dagrijlicht
De koplampen blijven ingeschakeld. Zie Dagrijlicht (bladzijde 36).
VOORSTE MISTLAMPEN

text_image
PE DEE OFF OKE71096
WAARSCHUWING

Gebruik de mislampen alleen wanneer het zicht ernstig wordt belemmerd door mist, sneeuw of regen.
N.B.: Wanneer de automatische verlichting is ingeschakeld, kunnen de mistlampen, vóór, niet worden ingeschakeld.
MISTACHTERLICHTEN

text_image
PE DOE DE DE DEE71097
WAARSCHUWING

Schakel de mistachterlichten niet in bij regen of sneeuwval en wanneer het zicht meer dan 50 meter aagt.
N.B.: Wanneer de automatische verlichting is ingeschakeld, kunnen de mistachterlichten niet worden ingeschakeld.
U kunt de hoogte van de koplamplichtbundels aanpassen aan de belading van de wagen.

text_image
A B 3.2.1 DE74611
Lichtbundels hogerA Lichtbundels lagerB
Zet de regelknop voor de hoogteregeling van de lichtbundels op nul wanneer de wagen onbeladen is. Stel de lichtbundels zodanig in dat het wegdek tussen 35 en 100 voor u is verlicht wanneer de wagen gedeeltelijk of maximaal is beladen.
Voor locatie: Zie In één oogopslag (bladzijde 8).
RICHTINGAANWIJZERS

text_image
SET RESET MENUE71098
N.B.: Beweeg de
richtingaanwijzerschakelaar even omhoog of omlaag om de richtingaanwijzers driemaal te laten knipperen.
Leeslampen - uitvoeringen zonder interieursensoren
Type 1

text_image
C B AE71099
A Aan
B Uit
PortiercontactC
Interieurverlichting zonder schakelaar brandt alleen wanneer de schakelaar op de interieurverlichting voorin in de stand C staat en een deur wordt geopend.
Type 2

text_image
C D B A EE126234
Aan (lamp voorcompartiment)A
Uit (lamp voorcompartiment)B
PortiercontactC
Uit (lamp achtercompartiment)D
De lampen van het actercompartiment gaan aan wanneer u een portier opent, ongeacht de schakelaarpositie.
Uitvoeringen met dubbele vergrendeling
Wanneer u de schakelaar in stand C zet, blijft de interieurverlichting korte tijd nadat u de deuren hebt gesloten doorbranden. Bij het aanzetten van het contact gaat het onmiddellijk uit.
Wanneer u het contact afzet, gaat de interieurverlichting branden. Na korte tijd schakelt gaat het automatisch uit.
Wanneer u een deur open laat, gaat de interieurverlichting automatisch na 30 minuten uit. Zet het contact kort aan om het weer in te schakelen.
Leeslampen - uitvoeringen met interieursensoren

text_image
A B C 3D O 票 05E71945
A Uit
PortiercontactB
C Aan
Wanneer u de schakelaar in stand B zet, gaat de interieurverlichting branden wanneer u een deur of de achterklep ontgrendelt of opent. Wanneer u een deur openlaat, gaat het korte tijd later automatisch uit om te voorkomen dat de accu leegraakt. Zet het contact korte tijd aan om de verlichting weer in te schakelen.
De interieurverlichting gaat ook branden wanneer u het contact afzet. Het gaat korte tijd later automatisch uit of wanneer u de motor start of opnieuw start.
Wanneer u de schakelaar in stand C zet, gaat de interieurverlichting branden. Het gaat korte tijd later automatisch uit om te voorkomen dat de accu leegraakt. Zet het contact korte tijd aan om de verlichting weer in te schakelen.
Leeslampen

Wanneer u het contact afzet, gaan de leeslampen korte tijd later automatisch uit om te voorkomen dat de accu leegraakt. Zet het contact kort aan om het weer in te schakelen.
TREDEVERLICHTING
De tredeverlichting wordt automatisch in- en uitgeschakeld wanneer u de deuren opent en sluit. Wanneer u de deuren met de afstandsbediening ontgrendelt gaat de tredeverlichting branden. Het gaat korte tijd later automatisch uit.
GLOEILAMPEN VERVANGEN
WAARSCHUWINGEN

Schakel de verlichting uit en zet het contact af.

Laat de gloeilamp afkoelen voordat u deze verwijdert.
LET OP

Raak het glas van de gloeilamp niet aan.

Breng alleen gloeilampen met het juiste vermogen aan. Zie Gloeilampentabel (bladzijde 48).
N.B.: Wanneer de wagen is voorzien van airconditioning raden wij aan uw dealer te vragen of hij de gloeilampen van uw wagen wil vervangen. Sommige gloeilampen zijn moeilijk bereikbaar.
N.B.: U moet de koplamp verwijderen om de gloeilamp van de koplamp, het stadslicht of de richtingaanwijzer te vervangen.
N.B.: De volgende instructies beschrijven hoe de gloeilampen moeten worden verwijderd. Breng de nieuwe gloeilampen in omgekeerde volgorde van verwijderen aan, tenzij anders is voorgeschreven.
Een koplamp verwijderen

text_image
2 4 3 E71057- Open de motorkap. Zie Onderhoud (bladzijde 131).
- Verwijder de schroeven.
- Trek de stekker los.
- Verwijder de koplamp.
Raak het glas van de gloeilamp niet aan.

- Verwijder de koplamp.
- Maak de klemmen los.
- Verwijder het paneel.
Verlichting
- Trek de stekker los.
- Maak de klemveer los en verwijder de gloeilamp.
Stadslichten

text_image
1 4 3 2 E71060- Verwijder de koplamp.
- Verwijder het paneel.
- Verwijder de gloeilamp en de lamphouder.
- Verwijder de gloeilamp.
Richtingaanwijzers voor

text_image
1 3 2 E71061- Verwijder de koplamp.
- Draai de lamphouder linksom en verwijder deze.
- Druk voorzichtig de gloeilamp in de lamphouder en draai de gloeilamp linksom. Verwijder de gloeilamp.
Voormistlichten

text_image
E71062 1 2N.B.: De gloeilamp kan niet uit de lamphouder worden genomen.
- Trek de stekker los.
- Draai de lamphouder linksom en verwijder deze.
Zijknipperlichten
Type 1

- Verwijder voorzichtig het zijknipperlicht.
- Pak de lamphouder beet, draai het huis linksom en verwijder het.
- Verwijder de gloeilamp.
Type 2

- Draai het glas rechtsom en verwijder het.
- Druk voorzichtig de gloeilamp in de lamphouder en draai de gloeilamp linksom. Verwijder de gloeilamp.
Zijmarkeringslampen
Chassis Cabine en uitvoeringen met open laadbak en verlengd chassis

- Trek de stekker los.
- Draai de lamphouder linksom en verwijder deze.
- Verwijder de gloeilamp.
Jumbo bestelwagen

- Draai het glas links- of rechtsom en verwijder het.
- Verwijder de gloeilamp.
Achterlichtunits
Bus en Kombi
1

- Verwijder de vleugelmoeren.
- Verwijder de achterlichtunit en maak de lamphouder los.
- Druk voorzichtig de gloeilamp in de lamphouder en draai de gloeilamp linksom. Verwijder de gloeilamp.
Chassis-cabine en uitvoeringen met open laadbak
Type 1

- Maak de klem los en schuif het kunststof frame naar de zijkant.
- Verwijder het glas.
- Druk voorzichtig de gloeilamp in de lamphouder en draai de gloeilamp linksom. Verwijder de gloeilamp.
Type 2

text_image
1 2E124794

text_image
A B C D 3E124795
Achterlicht en remlichtA
RichtingaanwijzerB
AchteruitrijlampC
MistachterlichtD
- Verwijder de moer.
- Trek de stekker los.
- Verwijder de schroef.
Achterlichten
Uitvoeringen met open laadbak

text_image
E71072- Werk voorzichtig het glas los van de houder.
- Druk voorzichtig de gloeilamp in de lamphouder en draai de gloeilamp linksom. Verwijder de gloeilamp.
Derde remlicht

text_image
1 2 3 E71071- Verwijder de schroeven.
- Verwijder het lamphuis.
- Verwijder de gloeilamp.
Markeringslichten op het dak

text_image
1 2 3 E71073- Verwijder de schroeven.
- Verwijder het glas.
- Druk voorzichtig de gloeilamp in de lamphouder en draai de gloeilamp linksom. Verwijder de gloeilamp.
Kentekenplaatverlichting
Uitvoeringen met dubbele achterdeuren

text_image
1 2 E71074- Verwijder het glas.
- Verwijder de gloeilamp.
Uitvoeringen met een achterklep

- Verwijder het lampglas.
- Druk voorzichtig de gloeilamp in de lamphouder en draai de gloeilamp linksom. Verwijder de gloeilamp.
Uitvoeringen met open laadbak

- Verwijder het glas.
- Druk voorzichtig de gloeilamp in de lamphouder en draai de gloeilamp linksom. Verwijder de gloeilamp.
Binnenverlichting voorin
Uitvoeringen zonder interieursensoren

- Werk de lamp voorzichtig los.
- Druk voorzichtig de gloeilamp in de lamphouder en draai de gloeilamp linksom. Verwijder de gloeilamp.
Uitvoeringen met interieursensoren

- Werk de lamp voorzichtig los.
- Verwijder het glas.
- Verwijder de gloeilamp.
Binnenverlichting achterin

text_image
1 2 E71078- Werk de lamp voorzichtig los.
- Verwijder de gloeilamp.
Leeslampen, voor

- Werk de lamp voorzichtig los.
- Draai de lamphouder linksom en verwijder deze.
- Verwijder de gloeilamp.
Tredeverlichting

text_image
1 2 3 E71080- Werk de lamp voorzichtig los.
- Verwijder de lamphouder.
- Verwijder de gloeilamp.
GLOEILAMPENTABEL
| Watt (specificatie)Gloeilamp | |
| 21Remlicht - Chassis-cat | |
| 16Derde remlicht | |
| 21Richtingaanwijzer, voo | |
| 55 (H11)Mistlamp, voor | |
| 55/60Grootlicht en dimlicl | |
| 10Interieurverlichting | |
| Kentekenplaatverlichting - behalve uitvoeringen met dubbele achterdeuren | 10 |
| Kentekenplaatverlichting - uitvoeringen met dubbele achterdeuren | 5 |
| 10Leeslamp | |
| 21Richtingaanwijzer, ach | |
| 21Mistachterlicht | |
| 4Markeringslicht, achter | |
| 21Achteruitrijlamp | |
| 4Markeringslicht op dak | |
| 5Stadslicht | |
| 3Markeringslicht | |
| 5Zijknipperlicht (type 1) | |
| 21/5Zijknipperlicht (type 2) | |
| 10Tredeverlichting | |
| 21/5Rem- en achterlicht | |
| Achterlicht - Chassis-cabine en uitvoering met open laadbak | 10 |
ELEKTRISCH BEDIENBARE RUITEN
WAARSCHUWING

Schakel de elektrisch bedienbare ruiten niet in tenzij deze vrij zijn van obstructies.

Zet het contact aan om de elektrisch bedienbare ruiten te openen of te sluiten.
Ruit van bestuurdersportier automatisch openen
Druk de schakelaar tot de tweede aanslag in of til hem tot de tweede aanslag op en laat hem los. Druk hem opnieuw in om de ruit te stoppen.
BUITENSPIEGELS
WAARSCHUWING

Vergis u niet in de afstand van voorwerpen die u in deze groothoekspiegel ziet. Voorwerpen die u in deze spiegels ziet, zien er kleiner uit en lijken verder weg te zijn dan in werkelijkheid het geval is.
Druk de spiegel in de richting van de portierruit.
Uitklappen
Zorg ervoor dat de spiegel weer volledig wordt vergrendeld wanneer u deze weer in zijn oorspronkelijke stand terugzet.
De elektrisch bedienbare buitenspiegels zijn voorzien van een verwarmingselement dat het spiegelglas ontdooit en ontwasemt. Zie Klimaatregeling (bladzijde 66).
SCHUIFRUITEN

text_image
1 2 E66497ACHTERSTE ZIJRUITEN

Trek de hendel naar buiten om de ruit te openen. Druk in het midden van de hendel om deze te vergrendelen. Trek in het midden van de hendel om de ruit te sluiten. Druk hem naar achteren tot hij wordt vergrendeld.
METERS
Instrumentengroep - laag uitrustingsniveau

KoelvloeistoftemperatuurmeterB
BrandstofmeterC
SnelheidsmeterD
Terugsteltoets dagtellerE
F Kilometerteller, dagteller, klok, actieradius tot tank leeg en controlelamp niet goed gesloten portier
Insteltoets klokG
Instrumentengroep - hoog uitrustingsniveau

text_image
A B C D 1/2 1/1 60 120 °C 5 3 4 6 1 5 6 70 90 100 120 140 30 60 160 180 110 -20 -10 200 220 130 F EE73043
ToerentellerA
KoelvloeistoftemperatuurmeterB
BrandstofmeterC
SnelheidsmeterD
Waarschuwingslamp berichtE
F Informatiecentrum. Zie Algemene informatie (bladzijde 58).
Koelvloeistoftemperatuurmeter
Toont de temperatuur van de koelvloeistof. Bij normale bedrijfstemperatuur blijft de naald in het middengedeelte.
LET OP

Start de motor niet voordat de oorzaak voor de oververhitting is verholpen.
Wanneer de naald in de richting van 120 °C beweegt, is de motor oververhit. Zet de motor af, zet het contact af en stel de oorzaak vast zodra de motor is afgekoeld. Zie Motorkoelvloeistof controleren (bladzijde 137). Zie Gereduceerd motorvermogen (bladzijde 115).
Brandstofmeter
De pijl naast het symbool van de pomp toont aan aan welke zijde zich de klep van de brandstofvulopening bevindt.
Kilometerteller, dagteller en klok
Instrumentengroep - laag uitrustingsniveau

A Klok en actieradius tot brandstoftank leeg DagtellerB KilometertellerC
N.B.: De dagteller wordt gereset wanneer een afstand van 1999,9 kilometer is afgelegd.
De dagteller kan worden gebruikt om de lengte van een bepaald traject te registreren. Druk op de terugsteltoets om de dagteller op nul terug te stellen.
Instrumentengroep, laag uitrustingsniveau
Nadat het contact is aangezet gaan de volgende controlelampen en indicatoren ter bevestiging dat het systeem operationeel is kort branden:
·ABS
•Airbag
- Remblokslijtage
- Remsysteem
•Snelheidsregeling - Portier niet goed gesloten
- Motor
•Hellingstart - Contact
• Laag brandstofpeil
•Oliedruk
•Onderhoudsinterval
•Schakelen
•Water in brandstof
- Stabiliteitsregelsysteem (ESP) en aandrijfregelsysteem
Instrumentengroep, hoog uitrustingsniveau
Nadat het contact is aangezet gaan de volgende controlelampen en indicatoren ter bevestiging dat het systeem operationeel is kort branden:
·ABS
•Airbag
-Remblokslijtage
- Remsysteem
•Snelheidsregeling
- Motor
•Hellingstart
- Contact
• Laag brandstofpeil
•Berichtenindicator
•Schakelen
- Start/stop
•Water in brandstof
- Stabiliteitsregelsysteem (ESP) en aandrijfregelsysteem
Indien één van deze waarschuwings- of controlelampen niet brandt nadat het contact is aangezet, duidt dit op een storing. Laat het systeem onmiddellijk door een geschoolde monteur controleren.
Controlelamp ABS

Als de controlelamp brandt onder het rijden, dan duidt dit op een storing. De normale
remwerking blijft gehandhaafd (zonder ABS). Laat het systeem zo snel mogelijk door een goed opgeleide en vakkundige monteur controleren.
Controlelamp airbag

Als de controlelamp brandt onder het rijden, dan duidt dit op een storing. Laat het systeem
onmiddellijk door een geschoolde monteur controleren.
Controlelamp remblokslijtage

De controlelamp gaat branden wanneer de remblokken zijn versleten tot een vooraf
vastgestelde grens. Laat dit onmiddellijk door een geschoolde monteur controleren.
Lamp remsysteem

De lamp gaat branden wanneer de parkeerrem wordt ingeschakeld.
WAARSCHUWING

Verlaag geleidelijk uw snelheid en breng de auto tot stilstand zodra dit veilig kan. Gebruik de remmen voorzichtig.
Als de lamp tijdens het rijden gaat branden, controleer dan of de parkeerrem niet is ingeschakeld. Als de parkeerrem niet is ingeschakeld, dan is er een storing aanwezig. Laat het systeem onmiddellijk door een geschoolde monteur controleren.
Controlelamp automatische snelheidsregeling

De controlelamp gaat branden wanneer u een snelheid heeft ingesteld met behulp van de snelheidsregeling. Zie Gebruik maken van snelheidsregeling (bladzijde 108).
Richtingaanwijzer

Knippert bij ingeschakelde richtingaanwijzers. Een plotselinge toename van de knipperfrequentie duidt op een defecte gloeilamp. Zie Gloeilampen vervangen (bladzijde 39).
Controlelamp portier niet goed gesloten

De controlelamp gaat branden wanneer u de auto op contact heeft gezet en de portieren, de motorkap of de achterklep niet goed zijn gesloten.
Controlelampen motor
Controlelamp motorstoring

Controlelamp aandrijflijn

Alle modelvarianten
Als een van deze lampen gaat branden bij een draaiende motor, dan duidt dit op een storing. De motor blijft draaien maar levert wellicht minder vermogen. Wanneer deze tijdens het rijden knippert, minder dan onmiddellijk snelheid. Blijft de lamp knipperen, vermijd dan snel optrekken en krachtig afremmen. Laat het systeem onmiddellijk door een geschoolde monteur controleren.
WAARSCHUWING

Laat deze storing onmiddellijk controleren.
Als beide lampen samen gaan branden, breng de auto dan zo snel mogelijk tot stilstand wanneer dit veilig kan. Doet u dit niet, dan kan dit leiden tot verminderd vermogen en afslaan van de motor. Zet de auto van contact en probeer de motor te starten. Laat het systeem onmiddellijk door een geschoolde monteur controleren als de motor kan worden gestart. Als de motor niet start, moet de auto worden gecontroleerd alvorens de rit kan worden voortgezet.
Controlelamp mistlampen, vóór

De controlelamp gaat branden wanneer u de mistlampen, vóór inschakelt.
Controlelamp voorgloeien

Zie Een dieselmotor starten (bladzijde 84).
Controlelamp koplampen

De controlelamp gaat branden wanneer u het dimlicht van de koplamp, de zijlichten of de
achterlichten inschakelt.
Controlelamp hellingstart

Onder het rijden brandt deze lamp tijdens activering van het systeem. Als de auto op contact is gezet en de controlelamp niet gaat branden, dan geeft dit aan dat het systeem is gedeactiveerd. Uw dealer kan het systeem heractiveren. Tijdens een storing wordt het systeem uitgeschakeld en brandt de controlelamp niet onder het rijden.
Controlelamp laadstroom

Als de controlelamp brandt onder het rijden, dan duidt dit op een storing. Schakel alle
onnodige stroomverbruikers uit. Laat het systeem onmiddellijk door een geschoolde monteur controleren.
Controlelamp laag brandstofniveau

Wanneer deze lamp brandt, ga dan zo spoedig mogelijk tanken.
De pijl naast het symbool van de pomp duidt aan aan welke zijde zich de klep van de brandstofvulopening bevindt.
De controlelamp gaat branden wanneer u het grootlicht inschakelt. De lamp knippert
wanneer u een lichtsignaal geeft.
Berichtenindicator

De controlelamp gaat branden wanneer een nieuw bericht is opgeslagen in de
informatiedisplay. Zie Infoberichten (bladzijde 60).
Controlelamp oliedruk
WAARSCHUWING

Hervat uw reis niet wanneer de controlelamp oliedruk gaat branden terwijl het oliepeil correct is. Laat het em onmiddellijk door een geschoolde eur controleren.

Wanneer de lamp na het starten blijft branden of tijdens het rijden gaat branden, duidt dit op een
storing. Breng de auto tot stilstand zodra dit veilig kan en zet de motor af. Controleer het motoroliepeil. Zie Motorolie controleren (bladzijde 137).
Controlelamp mistachterlicht

De controlelamp gaat branden wanneer u de mistachterlichten inschakelt.
Controlelamp onderhoudsbeurt
Auto's met dieselmotor

De controlelamp gaat branden als onderhoud nodig is of er een overmatige hoeveelheid
roetdeeltjes of drab in de olie aanwezig is. Laat de motorolie zo spoedig mogelijk verversen.
Uw dealer schakelt de controlelamp onderhoudsbeurt uit nadat hij de onderhoudsbeurt heeft uitgevoerd.
Controlelamp schakeling

De controlelamp brandt om aan te geven dat schakelen naar een hogere versnelling zuiniger is en
zorgt voor een lagere CO2-uitstoot. De controlelamp brandt niet tijdens perioden van hoge acceleraties, remmen of intrappen van het koppelingspedaal.
Controlelamp stabiliteitsregeling (ESP) en tractieregeling
N.B.: Wanneer het ESP systeem of het tractieregelsysteem een storing vertoont, schakelt het betreffende systeem automatisch uit.

De controlelamp gaat branden als een van de systemen is geactiveerd. Wanneer de lamp
niet knippert of tijdens het rijden gaat branden, duidt dit op een storing. Laat het systeem onmiddellijk door een geschoolde monteur controleren.
Wanneer u het ESP uitschakelt, gaat de controlelamp branden. De lamp gaat uit wanneer u het systeem weer inschakelt of wanneer u het contact afzet.
Start/stop-indicatielamp

De lamp gaat branden wanneer de motor automatisch is gestopt. De lamp gaat knipperen
om u te laten weten wanneer de motor opnieuw moet worden gestart. Zie Start/stop knop gebruiken (bladzijde 86). Zie Infoberichten (bladzijde 60).
Auto's met dieselmotor

De controlelamp gaat branden ingeval van overmatige hoeveelheden water in het
brandstofffilter. Tap het water onmiddellijk af. Zie Water in brandstofffilter aftappen (bladzijde 139). Als de lamp gaat branden nadat het water is afgetapt, dan geeft dit aan dat onderhoud van het brandstofffilter nodig is. Laat het systeem onmiddellijk door een geschoolde monteur controleren.
De gong voor geopend portier klinkt wanneer u het contact aanzet en nog niet alle deuren, de motorkap of de achterklep goed zijn gesloten.
Informatiecentrum
Zie Persoonlijke instellingen (bladzijde 63).
ALGEMENE INFORMATIE
WAARSCHUWING

Stel omwille van de verkeersveiligheid de functies alleen in wanneer de auto stilstaat.
Met het Informatie Centrum en de multifunctionele hendel aan de stuurkolom kunnen verschillende systemen worden geprogrammeerd.
Het Informatie Centrum geeft tevens waarschuwingsberichten over storingen of niet correct werkende systemen. Zie Infoberichten (bladzijde 60).
Hoofdmenu
Overzicht van de schermen van het hoofdmenu

flowchart
graph TD
A["15:04\n15.0°C"] --> B["ACTIERAD. TOT\n: 200 km"]
B --> C["BRANDST.VERBR.\n8.0 l/100"]
C --> D["GEM. SNELHEID\n87 km/h"]
D --> E["BUITENTEMP:\nTEMP 15.0 °C"]
E --> F["PERS. INSTELL.\n►---- SET/RESET"]
E73982
De diverse submenu's kunnen via het hoofdmenu worden bereikt.
Toetsen

text_image
SET RESET MENUE73265
Scroll met de draaiknop door het menu.

text_image
SET RESET MENUE73266
N.B.: Indien de geluidssignalen zijn geactiveerd, klinkt telkens wanneer de knop wordt ingedrukt een kort geluidssignaal.
Druk de SET en RESET toets in om een submenu of het item dat u wilt instellen te selecteren.
Kilometerteller

text_image
15:04 15.0°C 4,7 tocht 000039 kmE73983
Dagteller

text_image
15:04 15.0°C 4,7 tocht 000039 kmE73984
N.B.: De dagteller wordt op nul gezet wanneer er een afstand van 1999,9 kilometer is bereikt.
Druk de SET en RESET toets minimaal twee seconden in om de teller terug te stellen.
Actieradius tot de brandstoftank leeg is

text_image
ACTIERAD. TOT LEEG 200 km 4,7 tocht 000039 kmE73985
N.B.: De waarde kan variëren naarmate de rijomstandigheden veranderen.
Duidt bij benadering de afstand aan die nog kan worden afgelegd voordat de tank leeg is.
Gemiddeld brandstofverbruik

text_image
BRANDST.VERBR. 8.0 l/100 4,7 tocht 000039 kmE73986
Geeft het gemiddelde brandstofverbruik aan vanaf het moment dat de functie op nul werd teruggesteld.
Druk op de SET en RESET toets om de meter terug te stellen.
Gemiddelde snelheid

text_image
GEM. SNELHEID 87 km/h 4,7 tocht 000039 kmE73987
Geeft de gemiddelde snelheid weer over de laatste 1.000 kilometer (600 mijl) of vanaf het moment dat de functie op nul werd teruggesteld.
Druk op de SET en RESET toets om de meter terug te stellen.
Buitentemperatuur

text_image
BUITENTEMP: TEMP 15,0 °C 4,7 tocht 000039 kmE73988
WAARSCHUWING

Zelfs wanneer de temperatuur tot boven +4 °C stijgt, is dit nog geen garantie dat de weg vrij is van en die door plotselinge sveranderingen kunnen ontstaan.
Een waarschuwingssignaal klinkt bij de volgende weersomstandigheden:
•+4 °C of lager: waarschuwing voor opvriezen
-0 °C of lager: waarschuwing voor ijsvorming
INFOBERICHTEN
Waarschuwingsberichten
Wanneer bepaalde waarschuwingsberichten op het display verschijnen moet u de SET en RESET toets indrukken om de berichten te bevestigen.

text_image
60 120 ℃ 1/2 1/1 4 50 E73273Sommige waarschuwingsberichten worden vergezeld door een waarschuwingslamp boven het display en branden rood of oranje, afhankelijk van de ernst van het probleem.
Wanneer een waarschuwingsbericht wordt vergezeld door een waarschuwingslamp, blijft deze branden.
| Berichten | schu-wings-lamp | BetekenisWaar- |
| roodSC | SAKELEATAGTAdtTuit voordat u uit het voertuig stapt als het systeem de motor uitgeschakeld heeft. ZieStart/stop knop gebruiken (bladzijde 86). | |
| roodMO | STORIS/SAN STORING of gerelateerde systemen. Stop zodra dit veilig kan en zet de motor onmiddellijk af. Laat de motor door getrainde monteurs controleren. | |
| roodOL | EENTrolAargnet oliepeil. Stop zodra dit veilig kan en zet de motor onmiddellijk af. Vul motorolie bij. ZieMotorolie controleren (bladzijde 137). | |
| roodWA | FIER WABRANDSTrandstof gevonden. ZieWaterin brandstofffilter aftappen (bladzijde 139). | |
| BRANDST.FILTER | roodON | DERHODdat onderhoud van het brandstofffilter vereist is. Laat het systeem zo snel mogelijk door een goed opgeleide en vakkundige monteur controleren. |
| De buitentemperatuur is lager dan 0 °CroodBUITENTEN | ||
| De buitentemperatuur is lager dan +4 °CoranjeBUITEN | ||
| oranjeVER | RAERSOvLgNudoor getrainde monteurs controleren. | |
| PORT. | Controleer of alle portieren goed zijn gesloten. orangePO | |
| Het bestuurdersportier is open. orangeBEST.PORT. OPEN | ||
| Het voorportier aan passagierszijde is open. orangePAS. I | ||
| OPEN | Het achterportier aan bestuurderszijde is open. orangeBE | |
| OPEN | Het achterportier aan passagierszijde is open. orangePAS | |
| De laadruimte of de achterdeur is open. orangeKOFFERK | ||
| De motorkap is open. orangeMOTORKAP OPEN |
Infodisplays
| Berichten | schu-wings-lamp | BetekenisWaar- |
| BINNEN xx DAG | Duidt aan dat de olie moet worden ververst.-OLIE | |
| STOP | -*WEKDEREKRESGATVaf. ZiePersoonlijke instellingen (bladzijde 63). | |
| -EEN PDBADITONDRUJEKEER worden gestart; druk een pedaal in om te starten. ZieStart/stop knop gebruiken (bladzijde 86). | ||
| ZETTEN | -VERSELECHINERNEVRbal om het systeem de motor weer te laten starten. ZieStart/stop knop gebruiken (bladzijde 86). | |
| VEREIST | -HANDNetSTARTEOp-systeem werkt niet. Er moet handmatig worden gestart. | |
VERVER
PERSOONLIJKE INSTELLINGEN
Overzicht van de schermen van het hoofdmenu

flowchart
graph TD
A["PERS. INSTELL.<br>SET/RESET"] --> B["TAAL NEDERLANDS"]
B --> C["TIJD INSTELLEN<br>31,12,04 12:59"]
C --> D["WEKKER INST.<br>31,12,04 12:59 UIT"]
D --> E["TIJDSINSTEL.<br>24 h"]
E --> F["MAATEENHEDEN METRISCH"]
F --> G["BERICHT GONG UIT"]
G --> H["PERS. INSTELL.<br>EXIT"]
H --> A
E73990
Menu Persoonlijke instellingen

text_image
PERS. INSTELL. ►---- SET/RESET 4,7 tocht 000039 kmE73989
De volgende submenu's zijn in het Menu Persoonlijke instellingen toegankelijk:
·Taal
• Tijd instellen
- Wekker instellen
- Weergave klok
•Maateenheden
•Gongsignalen bij berichten
Taal instellen

text_image
TAAL NEDERLANDS 4,7 tocht 000039 kmE73991
Er kan uit elf talen worden gekozen:
Engels (GB), Duits, Italiaans, Frans, Spaans, Turks, Russisch, Nederlands, Pools, Zweeds, Portugees.
Wanneer u een taal hebt geselecteerd, draai dan de draaiknop om de instelling op te slaan en het menu te verlaten.
Tijd instellen
Zie Klok (bladzijde 79).
Wekker instellen
| WEKKER INST. | |
| 04,08,00 | 23,59 |
| UIT | |
| 4,7 tocht | |
| 000039 km | |
E74286
- Druk de SET en RESET toets in en houd ze ingedrukt. De dag begint te knipperen. Met de draaiknop kan de juiste dag worden geselecteerd.
- Druk de SET en RESET toets in om de instelling te bevestigen en naar de maand te gaan.
•Ga op dezelfde wijze tewerk om het jaar, de uren en minuten in te stellen.
- Na het instellen van de minuten en het indrukken van de SET en RESET toets, wordt de tijd in het geheugen opgeslagen.
- Druk op de SET en RESET toets om de alarminstallatie in of uit te schakelen.
Alarm ingeschakeld
| 15:04 |
| 15.0°C |
| 4,7 tocht000039 km |
E74287
| *WEKKER*RESET V. STOP |
| 4,7 trip000039 km |
E74387
Druk op de SET en RESET toets om de installatie uit te schakelen.
Weergave klok
| TIJDSINSTEL.24 h |
| 4,7 tocht000039 km |
E73995
Druk op de SET en RESET toets om te wisselen tussen 12 en 24 uurs weergave.
Eenheden
| MAATEENHEDEN METRISCH |
| 4,7 tocht000039 km |
E73993
Druk op de SET en RESET toets om te wisselen tussen metrische en Engelse eenheden.
Gongsignalen bij berichten
De volgende gongsignalen kunnen worden uitgeschakeld:
•buitentemperatuur 4 °C
- bevestiging tijdinstelling
- SET en RESET toets ingedrukt
| BERICHT GONGUIT |
| 4,7 tocht000039 km |
E73994
Druk op de SET en RESET toets om de gongsignalen in of uit te schakelen.
Menu Persoonlijke instellingen – Exit

text_image
PERS. INSTELL. ►-- EXIT --E73996
Druk op de SET en RESET toetsen om het menu te verlaten.
WERKING
Buitenlucht
Houd de luchtinlaten voor de voorruit vrij van belemmeringen (sneeuw, bladeren, enz.) zodat het klimaatregelsysteem effectief kan werken.
Gerecirculeerde lucht
LET OP
Wanneer de luchtrecirculatiestand langdurig wordt ingeschakeld, kunnen de ruiten beslaan. Wanneer de ruiten beslaan, stel dan de standen in om de voorruit te ontdooien en te ontwasemen.
De lucht die zich in het passagierscompartiment bevindt, wordt gerecirculeerd. Er stroomt geen buitenlucht de auto in.
Verwarming
De verwarmingscapaciteit is afhankelijk van de koelvloeistoftemperatuur.
Airconditioning
N.B.: De airconditioning werkt alleen wanneer de temperatuur hoger is dan 4 °C.
N.B.: Wanneer de airconditioning is ingeschakeld, zal het brandstofverbruik hoger zijn.
De lucht wordt door de warmtewisselaar gevoerd, waar deze wordt gekoeld. Om de ruiten wasemvrij te houden wordt vocht aan de lucht onttrokken. Het condens wordt naar buiten afgevoerd en daarom is het normaal dat zich een klein plasje water onder de auto vormt.
Algemene informatie over de klimaatregeling in het interieur
Sluit alle ruiten.
Het interieur verwarmen
Laat de lucht naar de beenruimten stromen. Laat, bij koud of vochtig weer, een geringe hoeveelheid lucht naar de voorruit en de portierruiten stromen.
Het interieur afkoelen
Laat de lucht naar het hoofdniveau stromen.
VENTILATIEROOSTERS

text_image
A B F C E DE71344
Naar linksA
Naar rechtsB
OpenC
DichtD
NeerE
F Op
HANDMATIGE KLIMAATREGELING
Luchtverdeelknop

text_image
B C A E65965HoofdniveauA
BeenruimteB
VoorruitC
N.B.: Een kleine hoeveelheid lucht stroomt altijd naar de voorruit.
Temperatuurregelknop

N.B.: Wanneer u de aanjager uitschakelt kan de voorruit beslaan.
Gerecirculeerde lucht

text_image
A O B E65968 Gerecirculeerde luchtA BuitenluchtBVoorruit snel ontdooien en ontwasemen

Sluit alle luchtroosters voor maximale luchttoevoer naar de voorruit. Schakel zo nodig de ruitverwarming in. Zie Verwarmde ruiten en spiegels (bladzijde 69).
Interieur snel verwarmen

Airconditioning in- en uitschakelen

text_image
A O B AC DE65972
Gerecirculeerde luchtA
BuitenluchtB
Aan en uitC
Koelen met buitenlucht

Interieur snel afkoelen

Voorruit ontdooien en ontwasemen

text_image
A B CE65975
VoorruitA
Zet de luchtverdeelknop in de stand A en kies toevoer van buitenlucht. Wanneer de temperatuur hoger is dan 4 °C (39 °F), schakelt de airconditioning automatisch in. De controlelamp in de schakelaar brandt in dit geval niet.
Luchtvochtigheid in het interieur verlagen

text_image
AE65976
VoorruitA
Zet de luchtverdeelknop in de stand A en kies toevoer van buitenlucht. Wanneer de temperatuur hoger is dan 4 °C (39 °F), schakelt de airconditioning automatisch in. De controlelamp in de schakelaar brandt in dit geval niet.
N.B.: Als de omgevingstemperatuur zeer laag en de motor koud is, dan wordt de voorruitverwarming automatisch ingeschakeld.
N.B.: Als start/stop actief is, stopt de motor niet automatisch wanneer de verwarmde ruiten reeds zijn ingeschakeld. Als de schakelaar ruitverwarming wordt ingedrukt nadat de motor automatisch is gestopt, dan moet de motor opnieuw worden gestart. Zie Start/stop knop gebruiken (bladzijde 86).
Voorruitverwarming

Schakel de ruitverwarming in om de voor-of achterruit te ontdooien of ontwasemen. De ruitverwarmingen werken alleen wanneer de motor draait en worden automatisch uitgeschakeld na een korte periode.
Verwarmbare buitenspiegels
N.B.: Bij auto's zonder een schakelaar ruitverwarming worden de verwarmbare buitenspiegels automatisch ingeschakeld wanneer de voorruit- of achterruitverwarming wordt ingeschakeld.

In de elektrisch bedienbare buitenspiegels is een verwarmingselement gemonteerd dat het spiegelglas ontdooit of ontwasemt. Na korte tijd schakelt de verlichting automatisch uit.
EXTRA VERWARMING
Algemene informatie
WAARSCHUWINGEN

Schakel de programmeerbare standverwarming niet in bij tankstations, bij bronnen met brandbare dampen of stoffen of in afgesloten ruimtes.

Tank geen brandstof wanneer het display van de programmeerbare standverwarming is ingeschakeld.
N.B.: De programmeerbare standverwarming schakelt automatisch uit wanneer de accuspanning laag wordt.
N.B.: Alle symbolen op het display knipperen wanneer de stroomtoevoer naar de programmeerbare standverwarming onderbroken is geweest. Onder deze omstandigheden werkt de verwarming niet. Zet het klokje gelijk.
N.B.: De programmeerbare standverwarming schakelt bij storingen uit. Laat het systeem door een deskundige controleren.
Neem de volgende richtlijnen in acht:
- Schakel de programmeerbare standverwarming het gehele jaar minimaal eenmaal per maand ongeveer tien minuten in. Hierdoor wordt voorkomen dat de vloeistofpomp en de aanjagermotor gaan vastzitten.
- Om corrosie te voorkomen moet de koelvloeistof in uw auto het gehele jaar door minstens 10 % antivries bevatten.
- Om luchtbellen te voorkomen moet u ervoor zorgen dat het koelyloeistofpiel zicht tussen het MAX en MIN merkteken op het reservoir bevindt. Zie Motorkoelyloeistof controleren (bladzijde 137).
- De aanjager van de programmeerbare standverwarming wordt ingeschakeld zodra de koelvloeistof een bepaalde temperatuur heeft bereikt. In deze stand heeft de omgevingstemperatuur gaan invloed.
- Wij continu gebruik van de standverwarming, registreert deze de omgevingstemperatuur. Wanneer deze hoger is dan 5 °C wordt de programmeerbare standverwarming niet ingeschakeld.
De programmeerbare standverwarming werkt onafhankelijk van de verwarming van de auto door het koelvloeistofcircuit van de motor te verwarmen. Hij wordt door de brandstoftank van energie voorzien. U kunt het systeem ook tijdens het rijden gebruiken om het interieur sneller te laten opwarmen.
Het is mogelijk dat bij ingeschakelde programmeerbare standverwarming er uitlaatgassen onder de zijkanten van de auto vrijkomen. Dit is normaal.
Werkingsprincipe
Voor ingebruikneming
LET OP
Wanneer de aanjagerschakelaar in een andere stand dan stand één wordt gezet, heeft dit een kortere levensduur van de accu of zelfs een lege accu tot gevolg.
Voordat de verwarming wordt ingeschakeld of geprogrammeerd moeten de volgende instellingen worden voorbereid:
- Zet de temperatuurregelknop van het standaard verwarmingssysteem op maximum.
• Zet de aanjagerschakelaar in stand 1. - Schakel voor het afzetten van het contact de recirculatiestand in. Wacht minimaal vijf seconden met het sluiten van de luchtroosters van het ventilatiesysteem.
•Zet alle luchtroosters in de cabine open.
Instellen van de tijd

text_image
A 20:05 B P DE71347
Druk de toets A langer dan drie seconden ingedrukt en houd hem ingedrukt tot de tijdsaanduiding op het display knippert. Druk de toetsen B en D binnen vijf seconden in om de tijd in te stellen. Houd de betreffende toets ingedrukt om de tijdsaanduiding snel te veranderen.
Verwarmingsduur programmeren

text_image
A B 90 P E71348 DLET OP
De aanbevolen instelling is 30 minuten. Langere tijden verkorten de levensduur van de accu of kunnen zelfs een lege accu tot gevolg hebben.
N.B.: De verwarmingsduur voor van te voren ingestelde tijden en de verwarmingsmodi kunnen voor 10 tot 120 minuten worden ingesteld.
Druk de toets A langer dan drie seconden ingedrukt en houd hem ingedrukt tot de tijdsaanduiding op het display knippert. Wacht vijf seconden tot het verwarmingssymbool verschijnt en de verwarmingsduur knippert.
Druk de toetsen B en D in om de verwarmingsduur in te stellen.
Druk na het instellen van de verwarmingsduur op toets A. Het display geeft nu de tijd weer met een knipperende dubbele punt.
Verwarming uitschakelen
Druk op de toets met het verwarmingssymbool. De verwarming blijft nog drie minuten werken en schakelt vervolgens uit. Het display duidt nu de tijd aan.
Geprogrammeerde verwarmingsmodus

text_image
75 P 100 CE71349
De verwarming kan op elk gewenst moment voor de geprogrammeerde tijdsduur worden ingeschakeld. Druk op toets C. Het display wordt verlicht en toont de resterende verwarmingstijd en het verwarmingssymbool.
Verwarming continu inschakelen

text_image
B 7:30 CE71350
WAARSCHUWING

Nadat het contact is afgezet blijft de verwarming werken. Schakel de verwarming uit om onnodig armen te voorkomen.
Druk op toets B en houd deze ingedrukt. Druk op toets C. De verwarming werkt nu tot toets C opnieuw wordt ingedrukt. Het display wordt verlicht en toont de tijd en het verwarmingssymbool.
Verwarmingsmodus programmeren
De verwarming schakelt automatisch op de geactiveerde inschakeltijd in en blijft gedurende de geprogrammeerde verwarmingsduur werken. Het display wordt verlicht en toont de resterende verwarmingstijd en het verwarmingssymbool.
U kunt drie verschillende inschakeltijden programmeren.
Inschakeltijden programmeren

text_image
A 7:30 B P DDruk toets A meerdere keren in tot het symbool 1, 2 of 3) voor de gewenste inschakeltijd wordt weergegeven. Druk op toetsen B en D om de tijd in te stellen. Houd de betreffende toets ingedrukt om de tijdsaanduiding snel te veranderen.
Druk na het programmeren van de inschakeltijden op toets A. Het display geeft nu de tijd weer met een knipperende dubbele punt.
Geprogrammeerde inschakeltijden activeren/ deactiveren

Druk toets A meerdere keren in tot het symbool 1, 2 of 3) voor de gewenste inschakeltijd wordt weergegeven. Druk op toets C. Het ON symbool verschijnt op het display. Druk opnieuw op toets C om de inschakeltijd weer te deactiveren.
DE JUISTE ZITPOSITIE INNEMEN

text_image
Max. 30° E68595WAARSCHUWINGEN

Verstel de stoelen nooit tijdens het rijden.

Alleen wanneer de veiligheidsgordel correct wordt gedragen, kan deze u in een zodanige positie houden dat bag optimaal kan functioneren.
Wanneer u de veiligheidsgordel correct draagt kunnen de stoel, hoofdsteun, veiligheidsgordel en airbags bij een eventuele aanrijding optimaal bescherming bieden. Wij raden aan dat u:
- zoveel mogelijk rechtop gaat zitten met de onderzijde van uw rug zover mogelijk naar achteren.
- de rugleuning van de stoel niet meer dan 30 graden achterover kantelt.
-
de hoofdsteun zodanig instelt, dat de bovenzijde gelijkligt met de bovenzijde van uw hoofd. Stel de hoofdsteun zover mogelijk naar voren in, maar u moet comfortabel kunnen zitten.
•voldoende afstand houdt tussen uzelf en het stuurwiel. minimaal 250 mm (10 inch) tussen uw borstbeen en de kap van de airbag aanhoudt. -
het stuurwiel met licht gebogen armen vasthoudt.
- uw benen licht buigt zodat u de pedalen volledig kunt indrukken.
- de schoudergordel over het midden van uw schouder en de heupgordel strak over uw heupen legt.
Zorg ervoor dat uw zitpositie comfortabel is en dat u de volledige controle over de auto hebt.
VOORSTOELEN
WAARSCHUWING

Verstel de stoelen nooit tijdens het rijden.
Stoelen naar voren en achteren schuiven

Schuif de stoel naar voren en naar achteren nadat u de hendel omhoog hebt getrokken om er zeker van te at de stoel weer goed is vergrendeld.
LET OP
Schuif de voorstoelen niet te ver naar het instrumentenpaneel toe. De voorste negen vergrendelingspunten zijn alleen bestemd om de accu toegankelijk te maken.
Lendensteun afstellen

text_image
A A B E66530VollerA
LegerB
Hellingshoek van de zitting
verstellen

Hellingshoek van de rugleuning
verstellen

E66534
Draai de knop onder de armsteun.
Stoel draaien
WAARSCHUWING

Zorg ervoor dat de stoelen en de rugleuningen goed vastzitten en volledig zijn vergrendeld.
LET OP

Draai de stoel alleen naar het midden van de auto en niet richting het portier.

Gebruik tijdens het rijden de achterbank niet als bed.

Zorg ervoor dat de stoelen en de achterbanken goed vastzitten en volledig zijn vergrendeld.

Zorg er bij het omhoog klappen van de rugleuningen voor dat de gordels zichtbaar zijn voor de inzittende enchter de bank bekneld raken.
Een rugleuningdeel naar voren kantelen

Complete rugleuning naar voren kantelen

Rugleuning naar voren kantelen:
- Trek de lussen naar beneden en houd ze in deze stand.
- Druk de rugleuning naar voren.
Stoelen
Rugleuning weer in de verticale stand kantelen:
- Trek de lussen naar beneden en houd ze in deze stand.
- Druk de rugleuning weer in verticale stand.
Zittingen van achterbanken verwijderen

text_image
1 2 E68611 E68612WAARSCHUWINGEN
Plug de vrijgekomen boutgaten af wanneer u de banken verwijderd. Dit om te voorkomen dat uitlaatgassen de wagen kunnen binnendringen.
WAARSCHUWINGEN

De achterbank weegt 89 kilogram.
LET OP

Sla de achterbank op een droge en veilige plaats op.
- Rugleuning naar voren klappen
- Trek de hendel naar boven en houd hem in deze stand.
- Trek voorzichtig de bank naar achteren tot de voorzijde van het frame uit de verankeringen in de vloer loskomt.
- Verwijder de bank.
Breng de bank in omgekeerde volgorde aan.
HOOFDSTEUNEN

Hoofdsteun instellen
WAARSCHUWING

Trek de hoofdsteun omhoog wanneer de achterbank door een passagier of voor een kinderzitje t gebruikt.
Stel de hoofdsteun zo in, dat de bovenzijde ervan gelijkligt met de bovenzijde van uw hoofd.
Hoofdsteun verwijderen
Druk de knoppen in en verwijder de hoofdsteun.
VERWARMDE STOELEN

N.B.: De verwarming kan alleen opnieuw geactiveerd worden als de stoeltemperatuur is afgenomen tot minder dan 26 °C.
De stoelverwarming bereikt zijn maximum temperatuur na vijf tot zes minuten. Het systeem wordt automatisch uitgeschakeld.
KLOK
Auto's met klok in de audio- of navigatie-unit
Raadpleeg voor gedetailleerde instructies hoe de klok moet worden ingesteld de afzonderlijke handleiding van de audio-unit of de navigatie-unit.
Uitvoeringen met een instrumentengroep van het lage uitrustingsniveau
N.B.: U hooft een kort signaal wanneer de klok is ingesteld.
N.B.: Houd de toets van de klok langer dan een seconde ingedrukt om te wisselen tussen de 12 en 24 uurs modus.
- Zet de contactsleutel in stand II.
- Houd de toets langer dan drie seconden ingedrukt, tot de tijdsaanduiding op het display gaat knipperen.
- Druk de toets in om de tijd in te stellen. Houd de toets ingedrukt om de tijd versneld in te stellen.
Uitvoeringen met een instrumentengroep van het hoge uitrustingsniveau

text_image
TIJD INSTELLEN 01,01,00 15,03 4,7 tocht 000039 kmE73992
-
Scroll naar dit display. Druk op SET en RESET en houd deze ingedrukt. De dag begint te knipperen. Instellen met de draaiknop.
-
Druk op de SET en RESET toets om de instelling te bevestigen en ga naar de maand.
- Ga op dezelfde wijze te werk voor het instellen van het jaar, de uren en minuten.
Na het instellen en indrukken van de SET en RESET toetsen, worden de tijd en datum opgeslagen.
KAARTJESHOUDERS

Wanneer u het aansluitpunt gebruikt terwijl de motor niet draait, wordt hierdoor de accu ontladen.
Houd het verwarmingselement van de aansteker niet ingedrukt.
N.B.: U kunt het elektrische aansluitpunt gebruiken voor 12 volt accessoires met een maximum vermogen van 20 ampère. Gebruik alleen Ford stekkers of stekkers die geschikt zijn voor gebruik in SAE gestandaardiseerde aansluitingen.

Druk het verwarmingselement in om de aansteker te laten gloeien. Hij springt automatisch in de oorspronkelijke stand terug.
Voor locatie: Zie In één oogopslag (bladzijde 8).
ASBAK

Indien gebruikt terwijl de motor niet draait, wordt hierdoor de accu ontladen. Er is wellicht onvoldoende vermogen om de motor opnieuw te starten.
N.B.: Alleen gebruiken voor 12 volt accessoires met een maximum vermogen van 20 ampère. Gebruik alleen Ford stekkers of stekkers die geschikt zijn voor gebruik in SAE gestandaardiseerde aansluitingen.

Plaats tijdens het rijden geen hete dranken in de bekerhouders.

Gebruik het tafeltje niet tijdens het rijden.

Plaats geen glazen voorwerpen in de bekerhouders.
OPBERGRUIMTES
Opbergruimte boven de voorruit

Plaats geen zware voorwerpen in de opbergruimte boven de voorruit.
Opbergvak op dashboard

Plaats geen glazen voorwerpen in de flessenhouder.
VLOERMATTEN
WAARSCHUWING

Wanneer de vloermatten worden gebruikt, zorg dan dat de vloermatten correct worden vastgemaakt met de correcte bevestigingselementen, zodat de matten geen invleod hebben op de bediening van de pedalen.
AANSLUITING AUXILIARY INGANG (AUX IN)
Zie de afzonderlijke audiohandleiding.

Zie Verbinding (bladzijde 237).
ALGEMENE INFORMATIE
Algemene opmerkingen over het starten
Als de accu losgekoppeld is geweest kan de motor, nadat de accukabels weer zijn aangesloten, een afwijkende draaikarakteristiek vertonen gedurende ca. 8 kilometer.
De oorzaak is, dat het motormanagement zich weer aan de motor moet aanpassen. Ongebruikelijke rijkarakteristieken tijdens deze periode moeten worden genegeerd.
Motor starten door middel van slepen of duwen
WAARSCHUWING

Om beschadiging te voorkomen moet u uw auto niet aanduwen of aanslepen. Gebruik hulpstartkabels
en een hulpaccu. Zie Starten met hulpstartkabels (bladzijde 146).
CONTACTSLOT
WAARSCHUWING

Draai nooit de sleutel in de stand 0 of I terug zolang de auto nog in beweging is.

- Contact uitgeschakeld.
I De ontsteking en alle hoofdcircuits zijn uitgeschakeld.
N.B.: Laat, om te voorkomen dat de accu leegraakt, de contactsleutel niet te lang in deze stand staan.
II Het contact staat aan. Alle elektrische circuits zijn ingeschakeld. Waarschuwings- en controlelampen branden. Dit is de stand waarin de sleutel moet staan tijdens het rijden. U moet deze stand ook kiezen wanneer de auto wordt gesleept.
III Startmotor ingeschakeld. Laat de sleutel los zodra de motor aanslaat.
EEN BENZINEMOTOR STARTEN
N.B.: U kunt de startmotor per startpoging slechts maximaal 30 seconden inschakelen.
Koude of warme motor
Alle auto's
LET OP
Zet bij temperaturen lager dan -20°C het contact tenminste één seconde aan alvorens de motor te starten. Hierdoor zorgt u ervoor dat de maximale benzinedruk wordt opgebouwd voordat de motor wordt gestart.
Auto's met handgeschakelde versnellingsbak
N.B.: Raak het gaspedaal niet aan.
- Druk het koppelingspedaal volledig in.
- Start de motor.
Auto's met automatische transmissie
N.B.: Raak het gaspedaal niet aan.
- Schakel park of neutral in.
- Druk het rempedaal volledig in.
- Start de motor.
Alle auto's
Wacht even wanneer de motor niet binnen 15 seconden aanslaat, en probeer het opnieuw.
Is de motor na drie startpogingen nog niet aangeslagen, wacht dan tien seconden en ga te werk zoals is beschreven onder
Verzopen motor.
Levert het starten bij temperaturen lager dan -25°C problemen op, druk het gaspedaal dan 1/4 tot 1/2 van de pedaalslag in en probeer het opnieuw.
Verzopen motor
Auto's met handgeschakelde versnellingsbak
- Druk het koppelingspedaal volledig in.
- Druk het gaspedaal volledig in en houd het ingedrukt.
- Start de motor.
Auto's met automatische transmissie
- Schakel park of neutral in.
- Druk het gaspedaal volledig in en houd het ingedrukt.
- Druk het rempedaal volledig in.
- Start de motor.
Alle auto's
Slaat de motor niet aan, herhaal dan de startprocedure zoals beschreven onder Koude of warme motor.
Stationair toerental na het starten
Het stationaire toerental waarmee de motor direct na het aanslaan draait, is afhankelijk van de motortemperatuur.
Wanneer de motor koud is, wordt het stationaire toerental automatisch verhoogd om de katalysator zo snel mogelijk op temperatuur te brengen. Hierdoor wordt de uitlaatgasemissie van de auto tot een absoluut minimum beperkt.
Het stationaire toerental neemt langzaam tot normaal af zodra de katalysator opwarmt.
EEN DIESELMOTOR STARTEN
Koude of warme motor
Alle modelvarianten
N.B.: Wanneer de temperatuur lager is dan -15 °C, mag u de startmotor 15 seconden achtereen inschakelen. Wanneer de auto frequent wordt gebruikt bij dergelijk lage temperaturen raden wij aan een verwarmingselement in het motorblok te laten monteren.
N.B.: Schakel de startmotor in tot de motor aanslaat.
N.B.: U kunt de startmotor per startpoging slechts maximaal 15 seconden inschakelen.
N.B.: Als motor na een aantal pogingen niet start, dan gaat de motorcontrolelamp branden. Zie Waarschuwings- en indicatielampen (bladzijde 53). De motor mag pas na 30 minuten opnieuw worden gestart om beschadiging van de startmotor te voorkomen.

Zet het contact aan en wacht tot de controlelamp van het voorgloeisysteem uitgaat.
Auto's met handgeschakelde versnellingsbak
N.B.: Druk het gaspedaal niet in.
- Druk het koppelingspedaal volledig in.
- Start de motor.
Uitvoeringen met automatische transmissie
- Selecteer park of neutral.
- Druk het rempedaal volledig in.
- Start de motor.
DIESELROETFILTER
Het DPF is een onderdeel van het uitlaatgasemissiesysteem van uw auto. Het zuivert de uitlaatgassen van schadelijke roetdeeltjes bij auto's met dieselmotor.
Regeneratie
WAARSCHUWING

Laat de motor niet stationair draaien of parkeer de auto niet op droge bladeren, droog gras of ander brandbaar materiaal. Het DPF-regeneratieproces werkt met bijzonder hoge uitlaatgastemperaturen en na het afzetten van de motor en tijdens en na DPF-regeneratie blijft de uitlaat een aanzienlijke hoeveelheid hitte uitstralen. Hierdoor ontstaat het gevaar van brand.
LET OP

U dient te voorkomen dat de brandstof oprakt.
N.B.: Tijdens regeneratie bij een laag toerental of stationaire motor kan een hete metaalachtige lucht worden geroken en is wellicht een klikkend metaalachtig geluid hoorbaar. Dit wordt veroorzaakt door de tijdens de regeneratie bereikte hoge temperaturen en dit is normaal.
N.B.: Nadat de motor is afgezet draaien de ventilatoren wellicht nog een korte periode door.
In tegenstelling tot een gewoon filter, dat regelmatig vervangen moet worden, is het DPF zodanig ontworpen dat het regenereert (zichzelf reinigt) om doeltreffend te blijven. Het regeneratieproces vindt automatisch plaats. Onder sommige rijomstandigheden moet u echter het regeneratieproces ondersteunen.
Als u alleen korte afstanden aflegt of uw tijdens het rijden regelmatig stopt en start (met verhoogd accelereren en decelereren), dan zal een enkele keer rijden onder de volgende omstandigheden het regeneratieproces ondersteunen:
•Rijd tot 20 minuten met een constante snelheid, bij voorkeur op een hoofdweg of snelweg.
- Voorkom langdurig stationair draaien en neem altijd snelheidslimieten en het type wegdek in acht.
• Zet de auto niet van contact.
- Kies zo nodig een lagere versnelling dan normaal om tijdens deze rit een hoger motortoerental te verkrijgen.
MOTOR UITSCHAKELEN
Auto's met turbocompressor
LET OP
Zet de motor niet af wanneer deze met een hoog toerental draait. Als de motor bij een hoog toerental wordt afgezet, zal de turbocompressor nog draaien nadat de oliedruk al tot nul is gedaald. Dit heeft vroegtijdige slijtage van de compressorlagers tot gevolg.
Laat het gaspedaal los. Wacht tot de motor stationair draait en zet de motor af.
WERKING
ECO-systeem
WAARSCHUWING

Voor auto's met start/stop-schakelaar verschillen de accuvereisten. De accu moet worden vervangen door een accu met exact dezelfde specificatie als de originele.
Het systeem bestaat uit een start/stop-schakelaar en een snelheidsbegrenzer. Deze combinatie verlaagt het brandstofverbruik en de CO2-emissies door de motor uit te schakelen wanneer de auto stationair draait, bijvoorbeeld bij verkeerslichten. De motor wordt opnieuw gestart wanneer de bestuurder het koppelingspedaal intrapt en wanneer een voertuigsysteem dit aanvraagt, bijvoorbeeld voor het laden van de accu. Het systeem begrenst tevens de voertuigsnelheid tot 110 km/u. Zie
Automatische snelheidsbegrenzer (ASL) (bladzijde 110).
Om maximaal voordeel uit het systeem te halen, moet de keuzehendel in de neutrale stand worden gezet en het koppelingspedaal bij een stop van langer dan drie seconden worden losgelaten.
START/STOP KNOP GEBRUIKEN
WAARSCHUWINGEN

Indien het systeem dit vereist, kan de motor automatisch opnieuw worden gestart. De motor wordt alleen automatisch opnieuw gestart wanneer een van de pedalen wordt ingetrapt. Als geen pedaal wordt ingetrapt, gaat de start/stop-indicatielamp knipperen en wordt een bericht weergegeven in de display.
WAARSCHUWINGEN

Schakel het contact uit voordat de motorkap wordt geopend of onderhoudswerkzaamheden worden voerd.

Schakel altijd het contact uit voordat u uit de auto stapt, want het systeem kan de motor wel uitgeschakeld en, maar het contact is nog steeds chakeld.

Het systeem werkt wellicht niet wanneer extra energieverbruikers blijven aangesloten bij afgezet act.
N.B.: Het systeem werkt alleen wanneer de motor de normale bedrijfstemperatuur heeft bereikt en de buitentemperatuur tussen 0 °C en 40 °C ligt.
N.B.: Als u de motor laat afslaan en vervolgens binnen vijf seconden het koppelingspedaal intrapt, dan wordt de motor automatisch opnieuw gestart.
N.B.: De start/stop-indicatielamp brandt groen wanneer de motor wordt uitgeschakeld. Zie Waarschuwings- en indicatielampen (bladzijde 53).
N.B.: Als het systeem een storing heeft geregistreerd wordt dit uitgeschakeld. De OFF-lamp op de ECO-schakelaar brandt permanent. Als de lamp blijft branden na een ontstekingscyclus, dan moet het systeem worden gecontroleerd door een geschoolde monteur.
N.B.: Wanneer u het systeem heeft uitgeschakeld, is de schakelaar verlicht.
N.B.: Het systeem wordt geactiveerd in combinatie met de snelheidsbegrenzer. Zie Automatische snelheidsbegrenzer (ASL) (bladzijde 110).
Het systeem in- en uitschakelen

text_image
OFF ECOE140218
Het systeem is standaard ingeschakeld. Druk op de schakelaar in het instrumentenpaneel om het systeem uit te schakelen. Het systeem wordt alleen gedeactiveerd gedurende de huidige contactcyclus. Druk nogmaals op de schakelaar om het systeem in te schakelen. Voor locatie. Zie In één oogopslag (bladzijde 8).
Motor afzetten
- Stop de auto.
- Zet de keuzehendel in de neutraalstand.
- Laat het koppelingspedaal los.
- Laat het gaspedaal los.
Het systeem zet de motor wellicht niet af onder bepaalde omstandigheden, bijvoorbeeld:
•Lage accuspanning. - De buitentemperatuur is te laag of te hoog.
- Het bestuurdersportier is geopend.
•Lage bedrijfstemperatuur motor. - Als een snelheid van 5 km/u niet is overschreden.
-
De auto staat op een steile helling.
-
De voorruitverwarming of de achterruitverwarming is ingeschakeld.
• Tijdens regeneratie van het dieselroetfilter.
Motor starten
N.B.: De keuzehendel moet in de neutraalstand staan. Als de schakelhendel niet in neutraal staat, gaat de start/stop-indicatielamp knipperen en wordt een bericht weergegeven in de display.
Druk het koppelingspedaal in.
WAARSCHUWING
Indien het systeem dit vereist, kan de motor automatisch opnieuw worden gestart. De motor wordt alleen automatisch opnieuw gestart wanneer een van de pedalen wordt ingetrapt. Als geen pedaal wordt ingetrapt, gaat de start/stop-indicatielamp knipperen en wordt een bericht weergegeven in de display.
Het systeem kan de motor onder bepaalde omstandigheden weer starten, bijvoorbeeld:
•Lage accuspanning.
- De voorruitverwarming of de achterruitverwarming is ingeschakeld.
- De auto beweegt (bijvoorbeeld bergaf rollen).
VEILIGHEIDSMAATREGELEN
WAARSCHUWINGEN

Stop met tanken nadat het vulpistool voor de tweede keer is afgeslagen. Alle brandstof die u dan nog toevoegt vult de expansieruimte in de brandstoftank, hetgeen er toe kan leiden dat de brandstof overstroomt. Het morsen van brandstof kan gevaarlijk zijn voor andere weggebruikers.

Vermijd open vuur of hittebronnen in de nabijheid van het brandstofsysteem. Het brandstofsysteem staat onder druk. Wanneer het brandstofsysteem lekt, bestaat het gevaar van verwonding.
BRANDSTOFKWALITEIT - BENZINE
LET OP

Gebruik geen gelode benzine of benzine met additieven die andere metallische bestanddelen (bijv. op ngaan gebaseerd) bevat. Deze kunnen emissiesysteem beschadigen.
N.B.: Gebruik uitsluitend brandstof van hoge kwaliteit zonder additieven of andere toevoegingen.
Gebruik ongelode benzine met een minimum octaangetal van 95 die voldoet aan de specificatie EN228, of een equivalent.
BRANDSTOFKWALITEIT - DIESEL
WAARSCHUWING

Meng de dieselolie niet met olie, benzine of andere vloeistoffen. Deze kunnen een chemische reactie orzaken.
LET OP

Voeg geen kerosine, paraffine of petroleum aan de dieselolie toe. Deze kunnen het brandstofsysteem chadigen.

Gebruik dieselolie die voldoet aan de specificatie EN 590, of de betreffende nationale specificatie.
N.B.: We adviseren alleen brandstof van hoge kwaliteit te gebruiken.
N.B.: Het gebruik van niet door Ford goedgekeurde additieven of andere motorbehandelingen worden door Ford afgeraden.
N.B.: Wij raden het langdurig gebruik van additieven af die vlokvorming moeten voorkomen.
Opslaan voor de lange termijn
De meeste dieselbrandstoffen bevatten biodiesel; wanneer uw voertuig lange tijd niet wordt gebruikt (meer dan twee maanden), dan wordt aanbevolen de tank enkel met diesel op aardoliebasis (indien beschikbaar) te vullen of een antioxidant aan de biodiesel toe te voegen. Uw dealer kan u helpen met een geschikte antioxidant.
KATALYSATOR
WAARSCHUWING

Laat de motor niet stationair draaien of parkeer de wagen niet op droge bladeren, droog gras of ander brandbaar materiaal. Tijdens het gebruik van de motor en na het afzetten van de motor straalt het uitlaatsysteem veel warmte uit. Hierdoor ontstaat het gevaar van brand.
Rijden met een auto met katalysator
LET OP

Zorg ervoor dat u de tank niet leeg rijdt.

Schakel de startmotor niet langdurig achtereen in.

Laat de motor niet met een losgekoppelde bougiekabel draaien.

Sleep of duw de auto niet aan. Gebruik hulpstartkabels. Zie Starten methulpstartkabels (bladzijde 146).

Zet het contact tijdens het rijden niet af.
TANKKLEP
WAARSCHUWINGEN

Voorkom dat tijdens het tanken brandstof wordt gemorst, die zich in het vulpistool bevindt.

Wij raden aan minimaal 10 seconden te wachten alvorens het vulpistool uit de vulbuis te halen, zodat alle ergebleven brandstof in de dstoftank kan stromen.
LET OP

Wanneer u een hogedrukspuit gebruikt om uw auto te wassen, spuit dan kort op de brandstofvulklep vanaf afstand van niet minder dan 20imeter (8 inch).
N.B.: Het is normaal dat een sissend geluid hoorbaar is wanneer u de tankdop opent.

text_image
1 E66588
Probeer niet de motor te starten wanneer u de tank met de onjuiste brandstofsoort hebt gevuld. Hierdoor de motor worden beschadigd. Laat het een onmiddellijk door een geschoolde nteur controleren.
BRANDSTOFVERBRUIK
De CO2 waarden en de brandstofverbruikcijfers zijn afgeleid van laboratoriumtests volgens EEC richtlijn 80/1268/EEC en aanvullingen daarop. Deze richtlijnen worden door alle automobielfabrikanten aangehouden.
Deze gegevens zijn bedoeld voor het vergelijken van merken en modellen. Ze zijn niet bedoeld als weergave van het werkelijke brandstofverbruik van uw wagen. Het werkelijke brandstofverbruik wordt door vele factoren bepaald, waaronder de rijstijl, rijden met hoge snelheden, starten/stoppen, gebruik van de airconditioning, de gemonteerde accessoires, rijden met een aanhanger, enz.
Uw Ford dealer dient u gaarne van advies hoe u het brandstofverbruik kunt verlagen.
Brandstofverbruikscijfers
| Variant | BuitenwegStadsverkeer neerd | Gecombi- | CO2-emissie | |
| l/100 km (mpg) | l/100 km (mpg) | l/100 km (mpg) | g/km | |
| Kombi 2.4L DuraTorq-TDCi 74 kW (100 pk), asreductie: 4,78 | 11,2 (25,2) - 11,5 (24,6) | 7,5 (37,7) - 7,9 (35,8) | 8,9 (31,9) - 9,2 (30,6) | 234 - 244 |
| Kombi 2.4L DuraTorq-TDCi 74 kW (100 pk), asreductie: 3,73 - handgeschakelde 6-versnellingsbak, met DPF | 10,8 (26,2) - 11,0 (25,7) | 7,2 (39,2) - 7,4 (38,2) | 8,5 (33,1) - 8,7 (32,4) | 225 - 230 |
| Kombi 2.4L DuraTorq-TDCi 74 kW (100 pk), asreductie: 5,11 | 12,0 (23,5) - 12,4 (22,8) | 8,0 (35,3) - 8,4 (33,6) | 9,5 (29,8) - 9,9 (28,6) | 250 - 261 |
| Kombi 2.4L DuraTorq-TDCi 74kW (100 pk), asreductie: 4,27 - handgeschakelde 6-versnellingsbak, met DPF | 12,2 (23,2) - 12,4 (22,8) | 8,1 (34,9) - 8,3 (34,0) | 9,6 (29,4) - 9,8 (28,8) | 254 - 259 |
| Variant | BuitenwegStadsverkeer neerd | Gecombi-verkeer neerd | CO2-emissie | |
| l/100 km (mpg) | l/100 km (mpg) | l/100 km (mpg) | g/km | |
| Kombi 2.4L DuraTorq-TDCi 85 kW (115 pk), asreductie: 3,73 - handgeschakelde 6-versnellingsbak, zonder DPF | 10,6 (26,7) - 10,7 (26,4) | 7,3 (38,7) - 7,4 (38,2) | 8,5 (33,2) - 8,6 (32,8) | 225 - 227 |
| Kombi 2.4L DuraTorq-TDCi 85 kW (115 pk), asreductie: 3,73 - handgeschakelde 6-versnellingsbak, met DPF | 10,9 (25,8) - 11,1 (25,4) | 7,1 (39,8) - 7,3 (38,7) | 8,5 (33,2) - 8,7 (32,4) | 225 - 230 |
| Kombi 2.4L DuraTorq-TDCi 85 kW (115 pk), asreductie: 4,27 - handgeschakelde 6-versnellingsbak, zonder DPF | 12,6 (22,4) - 12,8 (22,1) | 7,9 (35,8) - 8,0 (35,3) | 9,6 (29,4) - 9,8 (28,8) | 254 - 258 |
| Kombi 2.4L DuraTorq-TDCi 85 kW (115 pk), asreductie: 4,27 - handgeschakelde 6-versnellingsbak, met DPF | 12,5 (22,6) - 12,7 (22,2) | 7,9 (35,8) - 8,1 (34,9) | 9,6 (29,4) - 9,8 (28,8) | 253 - 259 |
| Kombi 2.4L DuraTorq-TDCi 103 kW (140 pk), asreductie: 3,73 - handgeschakelde 6-versnellingsbak, zonder DPF | 11,4 (24,8) - 11,5 (24,6) | 7,6 (37,2) - 7,8 (36,2) | 9,0 (31,4) - 9,2 (30,8) | 238 - 242 |
| Kombi 2.4L DuraTorq-TDCi 103 kW (140 pk), asreductie: 3,73 - handgeschakelde 6-versnellingsbak, met DPF | 11,4 (24,8) - 11,6 (24,4) | 7,6 (37,2) - 8,0 (35,3) | 9,0 (31,4) - 9,3 (30,3) | 238 - 246 |
| Kombi 2.4L DuraTorq-TDCi 103 kW (140 pk), asreductie: 4,27 - handgeschakelde 6-versnellingsbak, zonder DPF | 12,8 (22,1) - 12,9 (21,9) | 8,1 (34,9) - 8,3 (34,0) | 9,8 (28,7) - 10,0 (28,3) | 260 - 264 |
| Kombi 2.4L DuraTorq-TDCi 103 kW (140 pk), asreductie: 4,27 - handgeschakelde 6-versnellingsbak, met DPF | 12,8 (22,1) - 13,1 (21,6) | 8,1 (34,9) - 8,5 (33,2) | 9,8 (28,7) - 10,2 (27,7) | 260 - 269 |
| Kombi 3.2L DuraTorq-TDCi, 147kW (200 pk), asreductie: 3,58 - handgeschakelde 6-versnellingsbak | 12,9 (21,9) - 13,0 (21,7) | 7,9 (35,7) - 8,0 (35,2) | 9,8 (29,0) - 9,9 (28,7) | 258 - 260 |
| Variant | BuitenwegSt | Gecombi-stadsverkeer neerd | CO2-emissie | |
| l/100 km (mpg) | l/100 km (mpg) | l/100 km (mpg) | g/km | |
| Kombi 3.2L DuraTorq-TDCi, 147kW (200 pk), asreductie: 4,10 - handgeschakelde 6-versnellingsbak | 14,4 (19,6) - 14,5 (19,5) | 8,4 (33,6) - 8,5 (33,2) | 10,6 (26,6) - 10,7 (26,4) | 280 - 283 |
Achterwielaandrijving - M1
Brandstofverbruikscijfers
| Variant | BuitenwegStadsverkeer | Gecombi- neerd | CO2-emissie | |
| L/100 km (mpg) | L/100 km (mpg) | L/100 km (mpg) | g/km | |
| 2.2L Duratorq-TDCi (74 kW/100 pk), (92 kW/125 pk) - (Puma), asreductie: 3,91, Fase V met Start/Stop-systeem | 9,9 (28,6) - 10,1 (28) | 7,1 (39,8) - 7,2 (39,2) | 8,1 (34,9) - 8,3 (34) | 214 - 219 |
| 2.2L Duratorq-TDCi (74 kW/100 pk) - (Puma), asre- ductie: 3,58, Fase V met Start/Stop-systeem | 9,2 (30,8) - 9,4 (30,1) | 6,9 (40,9) - 7 (40,4) | 7,7 (36,7) - 7,9 (35,7) | 204 - 209 |
| 2.2L Duratorq-TDCi (74 kW/100 pk) - (Puma), asre- ductie: 3,58, Fase V zonder Start/Stop-systeem | 9,7 (29,1) - 9,9 (28,6) | 6,9 (40,9) - 7 (40,4) | 7,9 (35,7) - 8,1 (34,9) | 209 - 214 |
| 2.2L Duratorq-TDCi (92 kW/125 pk) - (Puma), asre- ductie: 3,31, Fase V met Start/Stop-systeem | 8,5 (33,1) - 8,7 (32,4) | 6,7 (42,2) - 6,8 (41,5) | 7,3 (38,7) - 7,5 (37,7) | 194 - 199 |
| 2.2L Duratorq-TDCi (92 kW/125 pk) - (Puma), asre- ductie: 3,31, Fase V zonder Start/Stop-systeem | 9,1 (31) - 9,3 (30,4) | 6,7 (42,2) - 6,8 (41,5) | 7,6 (37,2) - 7,7 (36,7) | 199 - 204 |
| Variant | BuitenwegStadverkeer neerd | Gecombi- | CO2-emissie | |
| L/100 km (mpg) | L/100 km (mpg) | L/100 km (mpg) | g/km | |
| 2.2L Duratorq-TDCi (92 kW/125 pk) - (Puma), asre-ductie: 3,91, Fase V zonder Start/Stop-systeem | 10,3 (27,4) - 10,6 (26,7) | 7,1 (39,8) - 7,2 (39,2) | 8,3 (34) - 8,5 (33,1) | 219 - 224 |
| 2.2L Duratorq-TDCi (74 kW/100 pk), (92 kW/125 pk) - (Puma), asreductie: 3,91, Fase IV zonder Start/Stop-systeem | 10,3 (27,4) - 10,6 (26,7) | 7,1 (39,8) - 7,2 (39,2) | 8,3 (34) - 8,5 (33,1) | 219 - 224 |
| 2.2L Duratorq-TDCi (74 kW/125 pk) - (Puma), asre-ductie: 3,58, Fase IV zonder Start/Stop-systeem | 9,7 (29,1) - 9,9 (28,6) | 6,9 (40,9) - 7 (40,4) | 7,9 (35,7) - 8,1 (34,9) | 209 - 214 |
| 2.2L Duratorq-TDCi (92 kW/125 pk) - (Puma), asre-ductie: 3,31, Fase IV zonder Start/Stop-systeem | 9,1 (31) - 9,3 (30,4) | 6,7 (42,2) - 6,8 (41,5) | 7,6 (37,2) - 7,7 (36,7) | 199 - 204 |
Voorwielaandrijving - M1
Brandstofverbruikscijfers
| Variant | BuitenwegStadsverkeer heerd | Gecombi- | CO2-emissie | |
| l/100 km (mpg) | l/100 km (mpg) | l/100 km (mpg) | g/km | |
| 2.2L Duratorq-TDCi (74 kW/100 pk), (92 kW/125 pk), (103 kW/140 pk) - (Puma), asreductie: 4,36, Fase V met Start/Stop-systeem | 8,1 (34,9) - 8,3 (34) | 6,3 (44,8) - 6,5 (43,5) | 7 (40,4) - 7,2 (39,2) | 184 - 189 |
| Variant | BuitenwegStadverkeer neerd | CO2-emissie | ||
| l/100 km (mpg) | l/100 km (mpg) | l/100 km (mpg) | g/km | |
| 2.2L Duratorq-TDCi (74 kW/100 pk), (92 kW/125 pk), (103 kW/140 pk) - (Puma), asreductie: 4,93, Fase V met Start/Stop-systeem | 8,5 (33,1) - 8,7 (32,4) | 6,4 (44,1) - 6,6 (42,8) | 7,2 (39,2) - 7,4 (38,2) | 189 - 194 |
| 2.2L Duratorq-TDCi (74 kW/100 pk), (92 kW/125 pk), (103 kW/140 pk) - (Puma), asreductie: 4,36, Fase V zonder Start/Stop-systeem | 8,6 (32,8) - 8,8 (32,1) | 6,3 (44,8) - 6,5 (43,5) | 7,2 (39,2) - 7,4 (38,2) | 189 - 194 |
| 2.2L Duratorq-TDCi (74 kW/100 pk), (92 kW/125 pk), (103 kW/140 pk) - (Puma), asreductie: 4,93, Fase V zonder Start/Stop-systeem | 9 (31,4) - 9,2 (30,8) | 6,4 (44,1) - 6,6 (42,8) | 7,4 (38,2) - 7,5 (37,7) | 194 - 199 |
| 2.2L Duratorq-TDCi (74 kW/100 pk), (92 kW/125 pk), (103 kW/140 pk) - (Puma), asreductie: 4,36, Fase IV met Start/Stop-systeem | 8,7 (32,4) - 8,8 (32,1) | 6,3 (44,8) - 6,5 (43,5) | 7,2 (39,2) - 7,4 (38,2) | 189 - 194 |
| 2.2L Duratorq-TDCi (92 kW/125 pk), (103 kW/140 pk) - (Puma), asreductie: 4,93, Fase IV met Start/Stop-systeem | 9 (31,4) - 9,2 (30,8) | 6,4 (44,1) - 6,6 (42,8) | 7,4 (38,2) - 7,5 (37,7) | 194 - 199 |
Schakel de achteruit niet in wanneer de wagen in beweging is. Dit kan inwendige schade aan de versnellingsbak veroorzaken.

Bij sommige auto's moet de kraag omhoog worden gebracht tijdens inschakelen van de achteruit.
AANDRIJVING OP ALLE WIELEN
LET OP
Uitvoeringen met AWD (aandrijving op alle wielen) moeten worden gesleept met ALLE wielen op het wegdek of ALLE wielen van het wegdek. Zie Bergen van de auto (bladzijde 129).
Als de AWD-controlelamp knippert onder het rijden, dan duidt dit op een storing. Bij storingen schakelt het systeem uit. Laat het systeem onmiddellijk door een geschoolde monteur controleren.
Automatische functie
Het AWD-systeem waarmee bepaalde uitvoeringen met achterwielaandrijving zijn uitgerust, brengt automatisch het aandrijfkoppel over naar de voorwielen wanneer het wegdek glad is geworden door regen, sneeuw, ijs, enz.
Wanneer AWD niet langer noodzakelijk is, schakelt het systeem automatisch uit en treedt de normale achterwielaandrijving weer in werking.
Handmatige modus
N.B.: Het voertuig kan ongebruikelijke rijeigenschappen vertonen als de handmatige modus geactiveerd blijft bij het rijden op een normaal wegdek.
N.B.: De handmatige modus wordt automatisch gedeactiveerd wanneer u harder dan 100 km/h (62 mph) rijdt.
Als er extra tractie nodig is bij het wegrijden op een overmatig glad wegdek, druk dan op de AWD-schakelaar. Voor locatie. Zie In één oogopslag (bladzijde 8). Het lampje in de schakelaar gaat branden.
Druk nogmaals op de schakelaar om terug te keren naar de automatische modus.
WERKING
Schijfremmen
Natte remschijven hebben een lagere wrijvingscoëfficiënt. Druk na het verlaten van een wasstraat het rempedaal even voorzichtig in om de waterfilm op de remschijven te laten verdampen.
ABS
WAARSCHUWING

ABS is niet bedoeld om de bestuurder te ontheffen van zijn plicht om tijdens het rijden ichtig en oplettend te zijn.
Het ABS voorkomt dat de wielen blokkeren, zelfs tijdens krachtig remmen, waardoor de auto in noodsituaties volledig bestuurbaar en stabiel blijft.
TIPS VOOR RIJDEN MET ABS
N.B.: Wanneer het systeem in werking is, pulseert het rempedaal en legt wellicht een langere weg af. Blijf het rempedaal indrukken. Er is tevens wellicht een geluid hoorbaar vanaf het systeem. Dit is normaal.
Het ABS voorkomt geen risico's die ontstaan wanneer:
- u te weinig afstand ten opzichte van voor u rijdend verkeer houdt;
- de auto te maken krijgt met aquaplaning;
• u bochten te snel neemt; - het wegdek slecht is.
PARKEERREM
WAARSCHUWING

Bij auto's met automatische transmissie moet de keuzehendel altijd in de stand P (Park) staan.
•Druk het rempedaal krachtig in.
- Trek de handremhendel krachtig en zover mogelijk aan.
- Druk de ontgrendelknop tijdens het aantrekken niet in.
- Wanneer uw auto op een helling geparkeerd staat met de voorzijde in opwaartse richting, schakel dan de eerste versnelling of P (Park) in en draai het stuurwiel van de trottoirband af.
- Wanneer uw auto op een helling geparkeerd staat met de voorzijde in neerwaartse richting, schakel dan de achteruit of P (Park) in en draai het stuurwiel naar de trottoirband toe.
Druk, om de handrem los te zetten, het rempedaal krachtig in, trek de hefboom iets omhoog, druk de ontgrendelknop in en laat de hefboom zakken.
WERKING
Elektronisch Stabiliteitsprogramma (ESP)
WAARSCHUWING

Het systeem is niet bedoeld om de bestuurder te ontheffen van zijn plicht om tijdens het rijden voorzichtig en oplettend te zijn.

flowchart
graph TD
A1["A"] --> B1["B"]
B1 --> B2["B"]
B2 --> A3["A"]
A3 --> B3["B"]
B3 --> B4["B"]
B4 -.-> A3
style A fill:#fff,stroke:#000
style B fill:#ccc,stroke:#000
style A2 fill:#fff,stroke:#000
style B2 fill:#ccc,stroke:#000
style A4 fill:#fff,stroke:#000
E72903
Zonder ESPA
Met ESPB
Het systeem ondersteunt de stabiliteit van de auto wanneer deze dreigt uit te breken. Dit wordt bewerkstelligd door de wielen afzonderlijk af te remmen en door het motorkoppel zo nodig te verlagen.
Het systeem zorgt ook voor een betere tractieregeling door het motorkoppel te verlagen wanneer de wielen bij het accelereren beginnen door te draaien. Het verbetert de mogelijkheden om op gladde wegdekken of losse oppervlakken op te trekken en het verbetert het comfort door wielspin in haarspeldbochten te beperken.
Waarschuwingslamp stabiliteitsregeling (ESP)
Wanneer het systeem tijdens het rijden wordt geactiveerd, knippert de lamp. Zie Waarschuwings- en indicatielampen (bladzijde 53).
Noodremassistent
WAARSCHUWING

Het systeem is niet bedoeld om de bestuurder te ontheffen van zijn plicht om tijdens het rijden voorzichtig en oplettend te zijn.
Het systeem kan een noodstopsituatie herkennen aan de snelheid waarmee u het rempedaal indrukt. Het zorgt voor maximale remdruk zolang het rempedaal wordt ingedrukt. Het systeem kan de remweg in kritieke situaties verkorten.
Houd bij een snelheid van 60 km/u (37 mph) de schakelaar gedurende één seconde ingedrukt. Het lampje in de schakelaar gaat branden.
N.B.: Wanneer u het systeem uitschakelt, treedt dit tijdelijk opnieuw in werking wanneer het rempedaal wordt ingedrukt en de wagen slipt. De ESP controlelamp knippert in een dergelijk geval.
N.B.: Wanneer u het systeem uitschakelt, dan wordt het systeem automatisch geheractiveerd als de snelheid hoger is dan 60 km/u (37 mph).
Druk de schakelaar opnieuw in om het systeem in te schakelen. Telkens wanneer u het contact aan zet wordt het systeem automatisch ingeschakeld.
Voor locatie: Zie In één oogopslag (bladzijde 8).
WERKING
Het tractieregelsysteem verbetert de tractie wanneer een wiel doorspint bij snelheden tot 40 km/h (25 mph). Wanneer een wiel begint door te spinnen wijzigt het tractieregelsysteem de druk naar de remklauw van dat wiel tot het stopt met doorspinnen.
GEBRUIK MAKEN VAN AANDRIJFREGELING
Het traction control systeem is operationeel wanneer u het contact aanzet.
De controlelamp van het traction control systeem knippert wanneer het systeem in werking is. Geef rustig gas tot het doorspinnende wiel weer grip heeft.
Het traction control systeem schakelt tijdelijk uit wanneer het buitensporig vaak binnen een korte tijd wordt ingeschakeld. Dit is normaal en heeft geen invloed op het remsysteem.
Bij uitgeschakeld ESP blijft het traction control systeem werken. De controlelamp in de instrumentengroep knippert in dit geval niet.
WERKING
Het systeem maakt het eenvoudiger op te trekken wanneer de auto op een helling staat zonder dat het noodzakelijk is gebruik te maken van de parkeerrem.
Wanneer het systeem actief is, dan blijft de auto korte tijd op de helling stil staan nadat u het rempedaal loslaat. Gedurende deze tijd heeft u de tijd om uw voet van het rempedaal te halen, het gaspedaal in te drukken en op te trekken. De remmen worden automatisch gelost zodra de motor voldoende vermogen heeft opgebouwd om weg te rijden. Zo wordt voorkomen dat de auto op een helling kan terugrollen. Dit is een voordeel wanneer u op een helling moet optrekken, bijvoorbeeld vanaf een helling van een parkeerplaats, bij verkeerslichten of tijdens het achteruit tegen een helling inparkeren.
WAARSCHUWING

Het systeem vervangt niet de parkeerrem. Trek altijd de handrem aan en schakel de eerste versnelling of de achteruit in wanneer u de auto verlaat.
REGELING VOOR BERGOP RIJDEN GEBRUIKEN
Het systeem wordt automatisch geactiveerd als de auto op een helling van meer dan 3% wordt stilgezet. Het systeem werkt als de auto met de neus bergaf staat gericht met ingeschakelde achteruitversnelling en als de auto bergop staat gericht met ingeschakelde vooruitversnelling.
Het systeem activeren
WAARSCHUWINGEN

U dient in de auto te blijven zitten nadat het systeem is geactiveerd.
WAARSCHUWINGEN

Het systeem is alleen actief als de groene lamp in het instrumentenpaneel brandt. U blijft te allen tijde verantwoordelijk voor het besturen van de auto en het zo nodig in en uitschakelen van het systeem.
U kunt het systeem alleen activeren als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
- De motor loopt.
- Alle portieren (inclusief laaddeuren) zijn volledig gesloten.
- De parkeerrem is volledig losgezet.
- Er geen sprake is van storingen.
Activeren van het systeem:
-
Trap het rempedaal en het koppelingspedaal in om de wagen volledig stil te zetten. Houd het rempedaal en het koppelingspedaal ingetrapt.
-
Als de sensor registreert dat de auto op een helling staat, dan wordt het systeem automatisch geactiveerd en gaat de groene lamp in het instrumentenpaneel branden.
-
Wanneer u uw voet van het rempedaal neemt, blijft de wagen gedurende ongeveer twee tot drie seconden op de helling staan zonder achteruit te rollen. Deze periode wordt automatisch verlengd als u bezig bent weg te rijden.
-
Rij weg op de normale manier. De remmen worden automatisch gelost.
WAARSCHUWING

Als het motortoerental te hoog wordt opgejaagd of als een storing wordt geregistreerd bij een actief systeem, wordt het systeem gedeactiveerd en de groene lamp.
Regeling voor bergop rijden
Het systeem deactiveren
Voer voor het activeren van het systeem één van de volgende stappen uit:
•Trek de handrem aan.
- Open een willekeurig portier (inclusief de laaddeuren).
•Rij weg de helling op zonder de handrem aan te trekken.
- Wacht twee tot drie seconden tot het systeem automatisch wordt gedeactiveerd.
- Als het systeem is geactiveerd in een vooruitversnelling, selecteer dan de achteruitversnelling.
- Als het systeem is geactiveerd in de neutrale versnelling, laat dan het koppelingspedaal los.
- Als het systeem is geactiveerd in een achteruitversnelling, selecteer dan de neutrale versnelling.
De groene lamp wordt gedoofd.
Het systeem uitschakelen
Uw dealer kan deze functie indien nodig permanent uitschakelen.
WERKING
WAARSCHUWING

Ondanks de parkeerhulp bent u verplicht voorzichtig en aandachtig te rijden.
LET OP
Uitvoeringen met een trekhaakmodule die niet door ons is goedgekeurd, kunnen obstakels niet correct detecteren.
Bij zware regenval of andere omstandigheden waardoor verstorende reflecties ontstaan is het mogelijk dat de sensoren bepaalde voorwerpen niet 'zien'.
De sensoren kunnen voorwerpen met een oppervlak de ultrasone geluidsgolven absorberen niet 'zien'.
De parkeerhulp detecteert geen obstakels die van de wagen af bewegen. Deze worden alleen kort nadat zijn opnieuw naar de wagen toe bewegen gedetecteerd.
Wees bijzonder voorzichtig wanneer u met een gemonteerde trekhaakkogel of accessoires zoals een fietsdrager achteruitrijdt, omdat de parkeersensor alleen de afstand vanaf de bumper tot het obstakel meet.
Wanneer u een hogedrukspuit gebruikt om uw auto te wassen, spuit dan kort op de sensoren vanaf een afstand van niet minder dan 20 centimeter (8 inch).
N.B.: Bij wagens met een afneembare trekhaakkoppeling wordt de parkeerhulp automatisch uitgeschakeld wanneer een van de aanhangerlampen (of verlichting) wordt aangesloten op de 13 pins stekkerdoos via een door ons goedgekeurde trekhaakmodule.
N.B.: Houd de sensoren vrij van vuil, ijs en sneeuw. Reinig de sensoren niet met scherpe voorwerpen.
N.B.: Wanneer de parkeerhulp een signaal registreert dat op dezelfde frequentie wordt uitgezonden als de sensoren gebruiken, of wanneer de auto maximaal is beladen, kan een vals signaal worden gegeven.
N.B.: De buitenste sensoren kunnen de zijnmuren van een garage detecteren. Wanneer de afstand tussen de buitenste sensor en de muur gedurende drie seconden constant blijft, wordt het akoestisch signaal uitgeschakeld. Wanneer u doorrijdt, kunnen de binnenste sensoren objecten achter de auto detecteren.
GEBRUIK MAKEN VAN DE PARKEERHULP
WAARSCHUWING

Ondanks de parkeerhulp bent u verplicht voorzichtig en aandachtig te rijden.

De parkeerhulp wordt automatisch geactiveerd wanneer u bij aangezet contact de achteruit inschakelt.
U hoort een onderbroken signaal wanneer de afstand tussen de achterbumper en een obstakel ca. 150 cm bedraagt of ca. 50 cm aan de zijkanten. Wanneer de afstand kleiner wordt, volgen de signalen elkaar sneller op. Een voortdurend signaal weerklinkt op een afstand van minder dan 30 centimeter tot de achterbumper.
N.B.: Wanneer u drie seconden lang een hoge pieptoon hoort, duidt dit op een storing. Het systeem wordt uitgeschakeld. Laat het systeem onmiddellijk door een goed opgeleide monteur controleren.
WERKING
De camera is een visueel hulpmiddel bij achteruitrijden.
WAARSCHUWING

Het systeem is niet bedoeld om de bestuurder te ontheffen van zijn plicht om tijdens het rijden ichtig en oplettend te zijn.
LET OP

Wanneer u een hogedrukspuit gebruikt om uw wagen te wassen, spuit dan kort op de camera vanaf een and van niet minder dan 20 centimeter.

Oefen geen druk op de camera uit.
N.B.: Houd de camera vrij van vuil, ijs en sneeuw. Reinig de camera niet met scherpe voorwerpen, ontvetter, was of organische producten. Gebruik alleen een zachte doek.
Tijdens de bediening worden in de display hulplijnen weergegeven die de route van de wagen en de geschatte afstand vanaf voorwerpen aan de achterzijde voorstellen.
De bediening van de achteruitkijkcamera varieert afhankelijk van de ntemperatuur, de rij-omstandigheden e wagen en het type weg.

De in de display weergegeven afstanden kunnen verschillen van de werkelijke afstand.

Plaats geen voorwerpen voor de camera.
Achteruitkijkcamera

Display achteruitkijkcameraA
Achteruitkijkcamera - achterklepB
Achteruitkijkcamera - laaddeurC
Achteruitkijkcamera activeren
LET OP

Het kan voorkomen dat de camera voorwerpen die zich te dicht bij de wagen bevinden niet kan registreren.
Schakel de achteruitversnelling in met ingeschakeld contact. De afbeelding wordt op het scherm weergegeven.
De camera werkt wellicht niet correct onder de volgende omstandigheden:
- Donkere gebieden.
- Fel licht.
- Als de buitentemperatuur snel toe- of afneemt.
- Als de camera nat is (bijvoorbeeld tijdens regen of een hoge vochtigheid).
- Als het zicht van de camera is geblokkeerd (bijvoorbeeld door modder).
Display gebruiken
LET OP
! Voorwerpen boven de camera worden niet weergegeven. Controleer indien nodig het gebied achter de auto.
LET OP

Markeringen worden alleen gebruikt als algemene richtlijn en worden berekend voor auto's met een imale belading op een egaal wegdek.
N.B.: Bij achteruitrijden met een aanhanger geven de lijnen op het scherm de autorichting aan en niet de richting van de aanhanger.
De lijnen geven een geprojecteerde route van de auto en de afstand vanaf de buitenspiegels en de achterbumper aan.

text_image
E D C B A A E100159Speling buitenspiegel - 0,1 meterA
0,5 meterB
1 meterC
2 meterD
3 meterE
Achteruitkijkcamera in- en uitschakelen

text_image
A E95059Aan- en uittoetsA
Druk op toets A om het systeem handmatig uit te schakelen.
N.B.: De toets werkt alleen als de achteruitversnelling is ingeschakeld en de auto op contact staat.
Achteruitkijkcamera deactiveren
N.B.: Schakel een vooruitversnelling in. De display blijft een korte periode aan alvorens deze wordt uitgeschakeld.
WERKING
Met cruise control (automatische snelheidsregeling) kunt u met behulp van de schakelaars op het stuurwiel de rijsnelheid instellen. Cruise control werkt vanaf snelheden van 30 km/h.
GEBRUIK MAKEN VAN SNELHEIDSREGELING
WAARSCHUWING

Schakel onder drukke verkeersomstandigheden, op trajecten met veel bochten en op de wegen cruise control niet in.
Cruise control inschakelen

E75456
N.B.: Het systeem is gereed op de snelheid in te stellen.
Snelheid instellen

Druk de schakelaar in om de huidige snelheid op te slaan en aan te houden. De controlelamp van de cruise control gaat branden. Zie Waarschuwings- en indicatielampen (bladzijde 53).
Ingestelde snelheid veranderen
WAARSCHUWING

Wanneer u een heuvel afrijdt, kan de snelheid hoger worden dan de ingestelde snelheid. Het systeem
stelt niet de remmen in werking. Schakel terug en druk op de SET- schakelaar om het systeem te helpen de ingestelde snelheid te handhaven.
N.B.: Wanneer u het gaspedaal indrukt, verandert de ingestelde snelheid niet. Wanneer u het gaspedaal loslaat, gaat de auto weer met de eerder ingestelde snelheid rijden.

text_image
E5 ET + - A B E95393Accelereren (versnellen)A Decelereren (vertragen)B
Ingestelde snelheid uitschakelen

text_image
E75453Druk het rempedaal of de RES schakelaar in.
N.B.: Het systeem regelt niet langer de rijsnelheid. De controlelamp van de cruise control gaat niet branden, maar de laatst ingestelde rijsnelheid blijft in het geheugen opgeslagen.
Ingestelde snelheid opnieuw inschakelen

text_image
ES ET + - E75453De controlelamp van de cruise control gaat branden en het systeem zal proberen de auto met de eerder door u ingestelde snelheid te laten rijden.
Cruise control uitschakelen

De eerder door u ingestelde snelheid blijft niet in het geheugen opgeslagen. De controlelamp van de cruise control gaat niet branden.
WERKING
Toerentalbegrenzer
Het toerental van de motor wordt begrensd om beschadigingen te voorkomen.
Snelheidsbegrenzer
De snelheidsbegrenzer voorkomt dat u sneller dan de geprogrammeerde snelheid rijdt. Raadpleeg voor meer informatie de tabel op de zonneklep aan bestuurderszijde.
Uitvoeringen met een dieselmotor
U kunt de topsnelheid van uw auto op een bepaalde waarde begrenzen, vooropgesteld dat deze binnen de wettelijke normen valt. Raadpleeg uw dealer voor meer informatie.
Auto's met start/stop-systeem
N.B.: Als de auto een vaste snelheidslimiet heeft van lager dan 110 km/u, dan neemt deze de schakelbare snelheidsbegrenzer behorende bij start/stop over.
Als start/stop wordt geactiveerd, wordt de voertuigsnelheid begrensd tot 110 km/u.

text_image
OFF ECOE140218
Het systeem is standaard ingeschakeld. Druk op de ECO-schakelaar om deze snelheidslimiet te deactiveren. Het systeem wordt alleen gedeactiveerd gedurende de huidige contactcyclus. Druk nogmaals op de schakelaar om het systeem in te schakelen. Voor locatie. Zie In één oogopslag (bladzijde 8).
ALGEMENE INFORMATIE
WAARSCHUWINGEN

Gebruik bevestigingsriemen die voldoen aan een norm, bijv. DIN.

Zorg ervoor dat alle losse voorwerpen goed zijn vastgezet.

Plaats bagage en ander voorwerpen zo laag mogelijk en zo ver mogelijk naar voren in de bagageruimte of de uimte.

Rijd niet met geopende achterklep of achterdeur. Uitlaatgassen kunnen de auto worden binnengezogen.

Overschrijd niet de maximum voor- en achterasbelasting voor uw auto. Zie Voertuigidentificatie (bladzijde
176).
LET OP

Laat geen items in contact komen met de achterruiten.

Gebruik geen schurende materialen voor het reinigen van de binnenzijde van de achterruiten.

Breng geen stickers of labels aan op de binnenzijde van de achterruiten.
BEVESTIGINGSPUNTENVOOR LADING
N.B.: Het aantal ladingsteunen kan afhankelijk van de uitvoering van de wagen variëren.
Transport
Lading bevestigen

Er is geen dakbelasting toegestaan bij busmodellen met een lange wielbasis, enkellucht, 13, 14 of 15
stoelen en een 200 pk dieselmotor.

Er is geen dakbelasting toegestaan bij busmodellen met een lange wielbasis, enkellucht, 13, 14 of 15
stoelen en een 140 pk dieselmotor met aandrijving op alle wielen (AWD).
WAARSCHUWINGEN

Wanneer u een imperiaal gebruikt, kan het brandstofverbruik van uw auto hoger zijn en kan de
rijkarakteristiek anders zijn.

Wanneer u een imperiaal aanbrengt, lees dan de instructies van de fabrikant en volg deze op.
LET OP

Overschrijd de maximale asbelasting niet. Zie Voertuigidentificatie (bladzijde 176).

Overschrijd de maximaal toegestane dakbelasting van 100 kg, of 50 kg voor Euroline en Nugget voertuigen, usief de imperiaal) niet.
Controleer de bevestiging van de de imperiaal als volgt:
- voordat u vertrekt
•na 50 kilometer (30 mijl) te hebben gereden
·met intervallen van 1.000 kilometer (600 mijl).
Uitvoeringen met een nooduitgang
Zie Nooduitgang (bladzijde 116).
TREKKEN VAN EEN AANHANGER
WAARSCHUWINGEN

Overschrijd het maximaal toelaatbaar treingewicht dat op het identificatieplaatje van de auto staat niet. Zie Voertuigidentificatie (bladzijde 176).

Rijd niet sneller dan 90 km/h (55 mph) wanneer u met een beladen aanhanger van meer dan 2.000 kg
rijdt.
LET OP

Overschrijd nooit de maximale toegestane kogeldruk, d.w.z. het verticale gewicht op de trekhaakkogel, 112 kilogram voor alle auto's behalve bele chassiscabine en bestelwagen of kilogram voor dubbele chassiscabine estelwagen.
N.B.: Niet alle wagens zijn geschikt of goedgekeurd voor een trekhaak. Controleer daarom eerst bij uw dealer.
Plaats de lading zo laag mogelijk en midden op de as(sen) van de aanhanger. Wanneer u met een onbeladen wagen rijdt, moet de lading in de aanhanger zover mogelijk naar de aanhangerkoppeling worden geschoven, omdat dit voor de beste stabiliteit zorgt. Overschrijd de maximum toelaatbare kogeldruk niet.
De stabiliteit van de wagen-aanhanger combinatie is vooral afhankelijk van de kwaliteit van de aanhanger.
Het maximum toelaatbaar wagengewicht en het aanhangergewicht geven de technische eisen weer, die worden gesteld voor hellingen tot 12 % en bij hoogten van 1.000 meter boven de zeespiegel. In bergachtige streken worden de prestaties van de motor door de lagere luchtdruk nadelig beïnvloed. Daarom gelden de volgende beperkingen:
In bergachtige streken moet vanaf hoogten van 1.000 meter het maximum toelaatbaar gewicht voor iedere 1.000 meter met 10% worden verlaagd.
Steile hellingen
WAARSCHUWING

Houd er rekening mee dat de oplooprem van een aanhanger niet door het ABS wordt geregeld.
Schakel terug voordat u een steile afdaling bereikt.
INRIJDEN
Banden
WAARSCHUWING

Nieuwe banden hebben een inlooptijd van ongeveer 500 kilometer. Gedurende deze periode e auto een andere rijkarakteristiek nen.
Remmen en koppeling
WAARSCHUWING

Vermijd indien mogelijk intensief gebruik van de remmen en de koppeling gedurende de eerste 150 meter in de stad en gedurende de 1500 kilometer op snelwegen.
Motor
LET OP

Rijd niet te snel gedurende de eerste 1500 kilometer. Varieer uw snelheid regelmatig en schakel tijdig op. Laat motor niet zwoegen.
GEREDUCEERD MOTORVERMOGEN
Uw wagen kan zonder de motor te beschadigen korte tijd doorrijden wanneer de motor oververhit is. De motor levert dan minder vermogen. De afstand die u kunt afleggen is afhankelijk van de buitentemperatuur, de belading van de wagen en het omgeving waarin u rijdt. Wanneer de naald naar het bovenste gebied beweegt, is de motor oververhit. Zie Meters (bladzijde 51).
Wanneer de temperatuur blijft stijgen zorgt het systeem ervoor dat de brandstoftoevoer naar de motor wordt gereduceerd. De airconditioning (indien gemonteerd) wordt uitgeschakeld en de koelventilateur wordt ingeschakeld.
LET OP

Wordt te lang doorgereden, dan neemt de motortemperatuur nog verder toe en zal de motor volledig den uitgeschakeld.
- Breng uw auto tot stilstand zodra dit kan.
- Zet onmiddellijk de motor af om ernstige beschadiging te voorkomen.
• Laat de motor eerst afkoelen. - Controleer het koelvloeistofpeil. Zie Motorkoelvloeistof controleren (bladzijde 137).
•Laat de auto onmiddellijk door een deskundige controleren.
VOORZORGSMAATREGELEN VOOR KOUDE WEERSOMSTANDIGHEDEN
De werking van sommige componenten en systemen kan worden beïnvloed bij temperaturen lager dan -30 °C.
EERSTEHULPSET
Bus
Voor een EHBO-doos is ruimte onder de stoel op de tweede rij.
Gesloten bestelwagen, Kombi, Chassis Cabine, uitvoering met open laadbak
Voor de gevarendriehoek is ruimte in het opbergvak op het portier aan bestuurderszijde.
GEVARENDRIEHOEK
In de kaartenbak op het bestuurdersportier bevindt zich een ruimte voor het opbergen van een gevarendriehoek.
NOODUITGANG
WAARSCHUWING

Zorg ervoor dat de imperiaal en de lading erop de nooduitgang niet afdekken. Vraag uw dealer voor s over imperiaals die voor uw wagen nikt zijn.
Breek in geval van nood het glas met de hamer.
ONDERBREKINGS- SCHAKELAAR BRANDSTOFTOEVOER
Wanneer u een ongeluk of een lichte aanrijding hebt gehad (bijv. tijdens het parkeren ergens tegenaan gereden) kan de veiligheidsschakelaar te brandstoftoevoer onderbreken. De schakelaar bevindt zich op het zijpaneel voor het passagiersportier.
Toegang tot de schakelaar
N.B.: Tijdens het aanbrengen moet een klik hoorbaar zijn bij het laten aangrijpen van beide klemmen.

text_image
E70869 1 2 2 2
Schakelaar terugstellen
WAARSCHUWING

Stel de veiligheidsschakelaar niet terug wanneer u brandstof ruikt of ziet weglekken.
- Contact afzetten.
- Controleer het brandstofsysteem op lekkage.
- Verkrijg toegang tot de schakelaar.
- Druk de bovenzijde van de schakelaar in om deze terug te stellen. U voelt en hoort een klik.
- Draai de contactsleutel in de stand II. Wacht enkele seconden en draai de sleutel terug in de stand I.
- Controleer het brandstofsysteem opnieuw op lekkage.
PLAATSEN
ZEKERINGENHOUDERS
Stuur rechts

text_image
A D C BE70864
Stuur links

text_image
C B D AE91162
Voorschakel-zekeringkastA Standaard relaiskastB
C Aansluitkast in passagierscompartiment Aansluitkast in motorruimteD
Voorschakel-zekeringkast
Bestuurdersstoel

text_image
E70866 1 2Standaard relaiskast

text_image
E70869 1 2 2 2
text_image
3 4 3 E70868Aansluitkast aan passagierszijde

text_image
E70869 1 2 2 2
text_image
3 3 4 E70870N.B.: Tijdens het aanbrengen moet een klik hoorbaar zijn bij het laten aangrijpen van beide klemmen.
Aansluitkast in motorcompartiment

Voor locatie: Zie Onderhoud (bladzijde 131).
EEN ZEKERING VERVANGEN
WAARSCHUWINGEN

Wijzig de elektrische installatie van uw auto op geen enkele wijze. Laat reparaties aan de elektrische installatie en het vervangen van relais en zekeringen voor hoge stroomsterktes door goed getrainde monteurs uitvoeren.

Zet het contact af en schakel alle elektrische onderdelen uit voordat u probeert een zekering te vervangen of deze aanraakt.
LET OP

Vervang een doorgeslagen zekering door een exemplaar met hetzelfde vermogen.
N.B.: U kunt een doorgeslagen zekering herkennen aan de gebroken smeltdraad.
N.B.: Alle zekeringen, behalve zekeringen voor hoge stroomsterktes, zijn zogenaamde steekzekeringen.
SPECIFICATIE-OVERZICHT ZEKERINGEN
Voorschakel-zekeringkast

text_image
R1 1 2 3 4 5 6 7 9 10E70871
| Beveiligde circuitsKleurAmpèreZekering | |||
| Startmotor en dynamogrijs3501 | |||
| geel602 | Voeding aansluitkast passagierszijde - startre-levant/aansluitkast passagierszijde KL15 voor start/stop |
Zekeringen
| Beveiligde circuitsKleurAmpèreZekerii | |||
| blauw1003 | Voeding aansluitkast motorcompartiment - niet startrelevant | ||
| Voorruitverwarming, rechterzijdegroen404 | |||
| blauw1005 | Voeding standaard relaiskast - niet startrelevant | ||
| Voorruitverwarming, linkerzijdegroen406 | |||
| geel607 | Voeding aansluitkast passagierszijde - niet startrelevant | ||
| Aansluitpuntgeel608 | |||
| Aansluitpuntgeel609 | |||
| Aansluitpuntgeel6010 |
| Geschakelde circuitsRelais | |
| R1 | Tweede onderbrekingsschakelaar accu |
Aansluitkast in motorcompartiment

text_image
11 12 13 15 16 17 18 20 21 22 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 R7 R2 R8 R4 R5 R6 R10E70872
| Beveiligde circuitsKleurAmpère | |||
| Koelventilateurgeel6011 | |||
| roze3012 | Voeding trekhaak en trekhaakmodule (KL30) | ||
| Pomp van ABS en ESPgroen4013 | |||
| Wordt niet gebruikt--14 | |||
| Gloeibougiesgeel6015 | |||
| 16 | geel60 | Relais contactslot (KL15 #3 | |
| 17 | roze30 | Vrijgave startmotor | |
| 18 | groen40 | Voeding ontsteking (KL15) naar aansluitkast passagierszijde (auto's zonder start/stop) | |
| 18 | - | - | Wordt niet gebruikt (auto's met start/stop) |
| Wordt niet gebruikt--19 | |||
| 20 | rood10 | ABS, ESP, sensor stuurhoek, voeding giersensor (KL30) | |
| 21 | 25 | naturel | Kleppen en regeleenheid ABS en ESP |
| Wordt niet gebruikt-- | |||
| Wordt niet gebruikt-- | |||
| 24 | 5 | bruin | Brandstofpomp (zonder extra verwarming op brandstof) |
| 24 | geel20 | Brandstofpomp (met extra verwarming op brandstof) | |
| Wordt niet gebruikt-- | |||
| 1526 | blauw | Spanning PCM | |
| 27 | 5 | bruin | Brandstofpomp (met extra verwarming op brandstof) |
| 28 | 5 | bruin | T-MAF sensor |
| 29 | 5 | bruin | Controle gloeibougie extra verwarming |
| 30 | 7,5 | Sonische ontluchtklep | |
| 31 | 15 | blauw | VAP-pomp/UEGO |
Zekering
Zekeringen
| Beveiligde circuitsKleurAmpèreZeker | |||
| Gloeibougie verdampergeel2032 | |||
| Achteruitrijlampenrood1033 | |||
| Voeding aanhanger KL15geel2034 | |||
| Wordt niet gebruikt--35 | |||
| Koppeling van compressor airconditioningrood103 | |||
| WordBniet gebruikt-- |
| Relais | Geschakelde circuits |
| R2 | Gloeibougies |
| R3 | Trekhaak (KL15) |
| R4 | Vrijgave startmotor |
| R5 | Voeding (KL15 #4) |
| R6 | Voeding (KL15 #3) |
| R7 | Benzinepomp |
| R8 | Gloeibougie verdamper |
| R9 | Wordt niet gebruikt |
| R10 | Solenoïde van compressor airconditioning |
Standaard relaiskast

text_image
38 39 40 41 42 50 51 52 53 54 55 56 57 58 59 61 62 R11 R12 R13 R14 R15 R16 R17 R18 R19 R21 R22 R23 R24 R25 R26E70873
| Beveiligde circuitsKleurAmpèreZekering | |||
| Achterruitwissergeel2038 | |||
| Bediening airconditioning voor en achterrood1039 | |||
| Wordt niet gebruiktbruin540 | |||
| Tachograafbruin541 | |||
| bruin542 | Hoogteregeling koplamplichtbundels, hoofd-lichtschakelaar (KL15) | ||
| 43 | 20 | geel | Verwarmbare voorstoelen |
| geel2044 | Claxon | ||
| geel2045 | Extra voedingspunt voorzijde | ||
| rood1046 | Verwarmbare buitenspiegels, indien CAT 1 gemonteerd |
Zekeringen
| Beveiligde circuitsKleurAmpèreZekeri | |||
| Aanstekergeel2047 | |||
| bruin548 | Voeding relaisspoelen, elektrisch bedienbare buitenspiegels | ||
| Extra voedingspunt achterzijdegeel2049 | |||
| Grootlicht, linksrood1050 | |||
| Grootlicht, rechtsrood1051 | |||
| Dimlicht, linksrood1052 | |||
| Dimlicht, rechtsrood | |||
| roze3054 | Voorgeschakelde zekering voor dimlicht, grootlicht, verlichting overdag, tachograaf, aanjager van standverwarming | ||
| 4055 | groen | Aanjagermotor | |
| geel2056 | Elektrisch bedienbare ruiten | ||
| roze3057 | Aanjagermotor, achter | ||
| roze3058 | Ruitenwissermotor, voor | ||
| roze3059 | Achterruitverwarming, verwarmbare buiten- spiegels | ||
| 60 | Wordt niet gebruikt- | ||
| 6061 | geel | Relais contact (KL15 #1) | |
| 6062 | geel | Relais contact (KL15 #2) |
| Relais | Geschakelde circuits |
| R11 | Dimlicht |
| R12 | Verwarmde portierspiegels (als CAT 1 alarm is aange-bracht), voedingsuitgang (als CAT 1 alarm niet is aange-bracht) |
| R13 | Grootlicht |
| R14 | Claxon |
| R15 | Verlichting overdag |
Zekeringen
| Geschakelde circuitsRelais | |
| Programmeerbare standverwarmingR16 | |
| R17 | Verwarmbare achterruiten en verwarmbare buitenspiegels (of achterruitverwarming, links, indien CAT 1 alarm is gemonteerd) |
| R18 | Achterruitverwarming, rechts (indien CAT 1 alarm is gemonteerd) |
| Voeding (KL15 #2)R19 | |
| PJB KL15 (alleen start/stop)R20 | |
| Voeding (KL15 #1)R21 | |
| Voorruitverwarming, rechterzijdeR22 | |
| Ruitenwissers, voor, hoge en lage wissnelheidR23 | |
| AchterruitwisserR24 | |
| Ruitenwissers voor, aan en uit functieR25 | |
| Voorruitverwarming, linkerzijdeR26 |
Aansluitkast aan passagierszijde

text_image
63 64 65 66 67 68 69 70 71 72 73 74 75 76 77 78 79 80 81 82E70874
| Beveiligde circuitsKleurAmpère2 | |||
| Parkeerhulp achter, regensensorbruin563 | |||
| Sensor gaspedaalgrijs264 | |||
| Remlichtschakelaarblauw1565 | |||
| bruin566 | Instrumentengroep, voeding PATS, tacho-graaf, schakelaar instrumentenverlichting | ||
| Sproeierpompblauw1567 | |||
| 68 | 10 | rood | Regeleenheid veiligheidssysteem |
| 2069 | geel | Schakelaar buitenverlichting (KL15) | |
| 70 | 20 | geel | Alarmclaxon met eigen accu |
| 71 | bruin5 | Schakelaar buitenverlichting (KL30) | |
| 1072 | rood | Voeding accusaver, OBDII (KL30) | |
| blauw1573 | Voeding radio, navigatiesysteem en telefoon |
Zekeringen
| Beveiligde circuitsKleurAmpèreZekering | |||
| bruin574 | Instrumentengroep, schakelklok standverwarming, voeding keyless entry systeem, sensor interieuralarm (KL30) | ||
| Stadslicht, rechtsbruin7,575 | |||
| Stadslicht, linksbruin7,576 | |||
| bruin577 | Voeding contactslot, verbreekschakelaar accuvoeding relaisspoelen | ||
| Centrale vergrendelingblauw1578 | |||
| Kentekenplaatverlichting, zijmarkeringbruin7,579 | |||
| blauw158 | Mistlampen, vóór | ||
| 81 | 10 | rood | Mistachterlichten |
| 82 | 3 | violet | Voedingsspanning audiosysteem en instrumentenpaneel |
Extra zekeringen
| Zekering | Ampère | Kleur | Beveiligde circuits | Plaats |
| 83 | 10 | rood | Trekhaakmodule | Beenruimte aan linkerzijde |
| 84 | 7,5 | bruin | DPF-gloeistiftsensor | Onder de zeke-ringenhouder in de motorruimte |
SLEEPPUNTEN

text_image
A B C E71361Sleepoog, voorA
B Sleepoog, achter (Bestelwagen, Bus, Kombi)
C Sleepoog, achter (Chassis Cabine en uitvoering met open laadbak)
AUTO OP VIER WIELEN SLEPEN
Alle uitvoeringen
WAARSCHUWINGEN
Zet het contact aan wanneer uw auto wordt gesleept. Bij afgezet contact treedt het stuurslot in werking en werken de richtingaanwijzers en de remlichten niet.
De rem- en stuurbekrachtiging werken niet, tenzij de motor draait. Druk het rempedaal harder in en houd rekening met langere remafstanden en een zwaarder draaiend stuurwiel.
LET OP
Te veel spanning op de sleepkabel kan schade toebrengen aan uw en aan de trekkende wagen.
! Bevestig aan het voorste sleepoog geen sleepstang.
Zet de versnellingsbak in neutraal wanneer uw auto wordt gesleept.
Trek rustig en soepel zonder rukken op.
Wagens met automatische transmissie
LET OP
Wanneer uw auto met snelheden boven 20 km/h en over afstanden van meer dan 20 kilometer moet worden gesleept, moet hij worden getransporteerd terwijl alle vier wielen vrij zijn van het wegdek.
LET OP
Het wordt aanbevolen de auto niet te slepen met de aandrijfwielen op het wegdek. Als het echter nodig is om de auto van een gevaarlijk plaats te verwijderen, sleep uw auto dan niet sneller dan 20 km/h of over een afstand van meer dan 20 kilometer.
Sleep uw wagen niet achterwaarts.
Bij een mechanisch defect aan de transmissie moeten de aangedreven wielen worden opgehesen zodat deze vrij zijn van het wegdek.
Sleep uw voertuig niet als de omgevingstemperatuur lager is dan 0 °C.
AUTO OP VIER WIELEN SLEPEN - AWD
WAARSCHUWINGEN
Zet het contact aan wanneer uw auto wordt gesleept. Bij afgezet contact treedt het stuurslot in werking en werken de richtingaanwijzers en de remlichten niet.
De rem- en stuurbekrachtiging werken niet, tenzij de motor draait. Druk het rempedaal harder in en houd rekening met langere remafstanden en een zwaarder draaiend stuurwiel.
LET OP
Te veel spanning op de sleepkabel kan schade toebrengen aan uw en aan de trekkende wagen.
Bevestig aan het voorste sleepoog geen sleepstang.
LET OP
Bij een mechanische storing aan de transmissie van uw wagen moet deze worden gesleept met ALLE wielen op het wegdek of met ALLE wielen van het wegdek.
Trek rustig en soepel zonder rukken op.
ALGEMENE INFORMATIE
Wanneer u uw auto regelmatig laat onderhouden zal dit de betrouwbaarheid en de inruilwaarde ten goede komen. Er staat een groot netwerk van Ford Erkende Reparateurs ter beschikking die u met hun professionele expertise ter zijde kunnen staan. De speciaal opgeleide monteurs zijn het best gekwalificeerd om het onderhoud aan uw auto snel en vakkundig uit te voeren. Bovendien beschikken zij over gereedschappen en apparatuur die speciaal zijn ontwikkeld om het onderhoud aan uw auto uit te voeren.
Naast het normale onderhoud raden wij aan de volgende extra controles uit te voeren.
WAARSCHUWINGEN

Zet het contact af voordat u onderdelen aanraakt of probeert af te stellen.

Raak onderdelen van het elektronisch ontstekingssysteem bij aangezet contact of draaiende motor niet aan. Het systeem werkt met hoogspanning.

Zorg dat uw handen en kledingstukken niet met de koelventilateur in aanraking kunnen komen. Onder bepaalde omstandigheden kan de koelventilateur na het afzetten van de motor nog enkele minuten blijven doordraaien.
Dagelijkse controles
•Buitenverlichting.
•Binnenverlichting
- Waarschuwings- en controlelampen.
Controles bij het tanken
•Motoroliepeil. Zie Motorolie controleren (bladzijde 137).
- Remvloeistofpeil. Zie Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 138).
- Peil van de ruitensproeiervloeistof. Zie Ruitensproeiervloeistof controleren (bladzijde 140).
- Bandenspanning (in koude toestand).
Zie Technische specificatie
(bladzijde 167).
•Staat van de banden. Zie Verzorging van banden (bladzijde 166).
Maandelijkse controles
- Koelvloeistofpeil (bij koude motor). Zie Motorkoelvloeistof controleren (bladzijde 137).
- Slangen, leidingen en reservoirs op lekkage.
- Stuurbekrachtigingsvloeistofpeil. Zie Stuurbekrachtigingsvloeistof controleren (bladzijde 139).
- Werking van de airconditioning.
- Werking van de parkeerrem.
•Werking van de claxon.
•Vastzitten van de wielmoeren. Zie Technische specificatie (bladzijde 167).
DE MOTORKAP OPENEN EN SLUITEN
Motorkap openen

text_image
2 1 3 E72108
text_image
4 5 E72109Motorkap sluiten
N.B.: Zorg dat de motorkap goed wordt gesloten.
Laat de motorkap zakken en vanaf een hoogte van 20 - 30 cm dichtvallen.
OVERZICHT MOTORRUIMTE - 2,3 L DURATEC-HE (MI4)

A Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (auto's met stuur rechts). Zie Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 138).
Motorolievuldop ^1 . Zie Motorolie controleren (bladzijde 137).B
C Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (auto's met stuur links). Zie Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 138).
D Plus aansluiting accu (voor aansluiten van hulpstartkabels). Zie Accu van de auto (bladzijde 146).
E Expansiereservoir. Zie Motorkoelvloeistof controleren (bladzijde 137).
F Reservoir ruitensproeiervloeistof. Zie Ruitensproeiervloeistof controleren (bladzijde 140).
Aansluitkast in motorcompartiment. Zie Zekeringen (bladzijde 118).G
H Reservoir stuurbekrachtiging. Zie Stuurbekrachtigingsvloeistof controleren (bladzijde 139).
Motoroliepeilstaaf. Zie Motorolie controleren (bladzijde 137).I
OVERZICHT MOTORRUIMTE - 2,2 L DURATORQ-TDCI (PUMA) DIESEL

A Waterafscheider brandstofffilter (auto's met stuur links). Zie Water in brandstofffilter aftappen (bladzijde 139).
A Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (auto's met stuur rechts). Zie Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 138).
Motorolievuldop ^* . Zie Motorolie controleren (bladzijde 137).B
C Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (auto's met stuur links). Zie Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 138).
C Waterafscheider brandstofffilter (auto's met stuur rechts). Zie Water in brandstofffilter aftappen (bladzijde 139).
D Expansiereservoir. Zie Motorkoelvloeistof controleren (bladzijde 137).
E Reservoir ruitensproeiervloeistof. Zie Ruitensproeiervloeistof controleren (bladzijde 140).
Aansluitkast in motorcompartiment. Zie Zekeringen (bladzijde 118).F
G Plus aansluiting accu (voor aansluiten van hulpstartkabels). Zie Accu van de auto (bladzijde 146).
Motoroliepeilstaaf ^ ^* . Zie Motorolie controleren (bladzijde 137).H
Vloeistofreservoir stuurbekrachtiging Zie Stuurbekrachtigingsvloeistof controleren (bladzijde 139).
* De vuldoppen en de motoroliepeilstaaf hebben een felle kleur voor een makkelijke herkenning.
**De oliepeilstok is aangebracht op een van de twee aangegeven locaties.
OVERZICHT MOTORRUIMTE - 2,2 L DURATORQ-TDCI (PUMA) DIESEL /2,4 L DURATORQ-TDCI (PUMA) DIESEL /3.2 L DURATORQ-TDCI (PUMA) DIESEL

A Waterafscheider brandstofffilter (auto's met stuur links). Zie Water in brandstofffilter aftappen (bladzijde 139).
A Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (auto's met stuur rechts). Zie Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 138).
B Motoroliepeilstok - 2.4L Duratorq-TDCi (Puma) Diesel en 3.2L Duratorq-TDCi (Puma) Diesel. Zie Motorolie controleren (bladzijde 137).
C Motoroliepeilstok - 2.2L Duratorq-TDCi (Puma) Diesel*. Zie Motorolie controleren (bladzijde 137).
Motorolievuldop*. Zie Motorolie controleren (bladzijde 137).D
E Vloeistofreservoir remsysteem en koppeling (auto's met stuur links). Zie Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 138).
E Waterafscheider brandstofffilter (auto's met stuur rechts). Zie Water in brandstofffilter aftappen (bladzijde 139).
F Expansiereservoir. Zie Motorkoelvloeistof controleren (bladzijde 137).
G Reservoir ruitensproeiervloeistof. Zie Ruitensproeiervloeistof controleren (bladzijde 140).
H Aansluitkast in motorcompartiment. Zie Een zekering vervangen (bladzijde 120).
I Plus aansluiting accu (voor aansluiten van hulpstartkabels). Zie Starten met hulpstartkabels (bladzijde 146).
J Reservoir stuurbekrachtiging. Zie Stuurbekrachtigingsvloeistof controleren (bladzijde 139).
* De vuldoppen en de motoroliepeilstaaf hebben een felle kleur voor een makkelijke herkenning.
OLIEPEILSTAAF - 2,3 L
DURATEC-HE (MI4)

text_image
A B E92036A MIN
B MAX
OLIEPEILSTAAF - 2,2 L
DURATORQ-TDCI (PUMA)
DIESEL

text_image
A B E90983A MIN
B MAX
OLIEPEILSTAAF - 2,4 L DURATORQ-TDCI (PUMA) DIESEL /3.2 L DURATORQ- TDCI (PUMA) DIESEL

text_image
A BE71362
A MIN
B MAX
MOTOROLIE CONTROLEREN
LET OP
Gebruik geen additieven of andere smeermiddelen. Onder bepaalde omstandigheden kunnen deze de motor beschadigen.
N.B.: Het olieverbruik van nieuwe motoren bereikt zijn normale waarden na ongeveer 5000 kilometer.
Het oliepeil controleren
LET OP
! Controleer of het peil tussen de MIN en de MAX merktekens staat.
N.B.: Controleer het peil voordat de motor wordt gestart.
N.B.: De auto moet op een vlakke ondergrond staan.
N.B.: Bij verwarming zet olie uit. Daardoor kan het oliepeil enkele millimeters boven het MAX merkteken staan.
Verwijder de oliepeilstaaf en veeg deze met een schone, niet pluizende doek schoon. Breng de oliepeilstaaf weer aan en verwijder hem opnieuw om het oliepeil te controleren.
Wanneer het peil bij het MIN merkteken staat, vul dan direct bij.
Bijvullen
WAARSCHUWINGEN
Vul alleen bij wanneer de motor koud is. Wacht wanneer de motor heet is tien minuten om de motor te laten afkoelen.
Verwijder de vuldop niet bij draaiende motor.
Verwijder de vuldop.
WAARSCHUWING
Het oliepeil mag niet boven het MAX merkteken komen te staan.
N.B.: Neem onmiddellijk gemorste olie op met een absorberende doek.
Vul vloeistof bij die voldoet aan de Ford specificatie. Zie Technische specificatie (bladzijde 140).
Draai de vuldop er weer op. Draai hem tot u sterke weerstand voelt.
MOTORKOELVLOEISTOF CONTROLEREN
Koelvloeistofpeil controleren
WAARSCHUWING
Voorkom dat de vloeistof in contact komt met de huid of de ogen. Mocht dit toch gebeuren, spoel het betreffende lichaamsdeel dan direct met veel water schoon en neem contact op met uw huisarts.
LET OP

Controleer of het peil tussen de MIN en MAX merktekens staat.
N.B.: Koelvloeistof zet bij verwarming uit. Daardoor kan het koelvloeistofpeil enkele millimeters boven het MAX merkteken staan.
Wanneer het peil bij het MIN merkteken staat, vul dan direct bij.
Bijvullen
WAARSCHUWINGEN

Vul alleen bij wanneer de motor koud is. Wacht wanneer de motor heet is tien minuten om de motor te laten elen.

Verwijder de vuldop niet bij draaiende motor.

Verwijder de vuldop niet wanneer de motor heet is. Laat de motor eerst afkoelen.

Onverdunde koelvloeistof is brandbaar en kan ontbranden wanneer deze wordt gemorst op een uitlaat.
LET OP

In een noodgeval kan water in het koelsysteem worden bijgevuld om een tankstation te bereiken. Laat het eem zo snel mogelijk door een goed eleide en vakkundige monteur troleren.

Langdurig gebruik van koelvloeistof met een incorrecte mengverhouding kan leiden tot motorschade door osie, oververhitting of bevriezing.
Draai de dop langzaam los. Laat de druk langzaam ontsnappen terwijl u de dop losdraait.
LET OP

Het oliepeil mag niet boven het MAX merkteken komen te staan.
Vul bij met een mengsel van koelvloeistof en water (50/50) op basis van vloeistof die voldoet aan de Ford specificatie. Zie Technische specificatie (bladzijde 140).
CONTROLE VLOEISTOFPEIL KOPPELINGENREMSYSTEEM
WAARSCHUWINGEN

Het gebruik van een andere vloeistof dan de aanbevolen remvloeistof kan de werking van het remsysteem teren en voldoet niet aan de atiestandaard van Ford.

Voorkom dat de vloeistof in contact komt met de huid of de ogen. Mocht dit toch gebeuren, spoel het ffende lichaamsdeel dan direct met water schoon en neem contact op uw huisarts.

Als het vloeistofpeil is gezakt tot de marking MIN, laat het systeem dan zo snel mogelijk controlleren door een opgeleide monteur.
N.B.: Bewaar remvloeistof schoon en droog. Vervuiling door vuil, water, petroleumproducten of andere materialen kunnen leiden tot beschadiging en mogelijk het defect raken van het remsysteem.
N.B.: Het remsysteem en het bedieningsmechanisme van de koppeling zijn aangesloten op één reservoir.
Vul vloeistof bij die voldoet aan de Ford specificatie. Zie Technische specificatie (bladzijde 140).
STUURBEKRACHTI- GINGSVLOEISTOF CONTROLEREN
WAARSCHUWING

Voorkom dat de vloeistof in contact komt met de huid of de ogen. Mocht dit toch gebeuren, spoel het betreffende lichaamsdeel dan direct met veel water schoon en neem contact op met uw huisarts.
LET OP

Controleer of het peil tussen de MIN en MAX merktekens staat.
Wanneer het peil bij het MIN merkteken staat, vul dan direct bij.
Bijvullen
Verwijder de brandstofdop.
LET OP

Het oliepeil mag niet boven het MAX merkteken komen te staan.
Vul vloeistof bij die voldoet aan de Ford specificatie. Zie Technische specificatie (bladzijde 140).
WATER IN BRANDSTOFFILTER AFTAPPEN
Uitvoeringen met een dieselmotor
WAARSCHUWINGEN

Voer geen dieselolie met het huishoudelijk afval af en laat het niet in de riolering stromen. Maak gebruik van de faciliteiten van de gemeente reinigingsdienst.
WAARSCHUWINGEN

De plug komt omhoog bij het openen van de afvoer. Sluit de afvoer nadat het water is afgetapt.
N.B.: De controlelamp water-in-brandstof gaat bij draaiende motor na ongeveer 2 seconden uit.
N.B.: Vul alleen vloeistof bij die voldoet aan de Ford specificatie. Zie Brandstof en tanken (bladzijde 88).

- Sluit een geschikte slang aan op de aftapplug en steek de slang in een geschikte opvangbak.
- Draai de aftapplug een tot twee omwentelingen los en laat het water wegstromen.
Breng de eerder verwijderde onderdelen in omgekeerde volgorde aan.
RUITENSPROEIERVLOEISTOF CONTROLEREN
N.B.: De ruitensproeiers van de voor- en achterruit hebben een gemeenschappelijk reservoir.
Gebruik voor het bijvullen een mengsel van sproeiervloeistof en water om bevriezing bij koude weersomstandigheden te voorkomen en het reinigende effect te verbeteren. We adviseren alleen sproeiervloeistof van hoge kwaliteit te gebruiken.
Raadpleeg de productinstructies voor informatie over vloeistofverdunning.
Gebruik geen vloeistoffen die niet aan de gedefinieerde specificaties of eisen voldoen. Gebruik van een ongeschikte vloeistof kan beschadiging tot gevolg hebben, hetgeen niet onder de Garantie valt.
| Aanbevolen vloeistofSpecificat | ||
| WSS-M2C913-CMotorolie | Castrol Engine Oil ^3 | |
| WSS-M2C204-A2StuurbekraFordigingMotorcraft stuurbekrachtigings-vloeistof (groen) ^2 | ||
| WSA-M2C195-AStuurbekraFordigingMotorcraft stuurbekrachtigings-vloeistof (rood) ^2 | ||
| WSS-M97B44-DKoelvloeistMotorcraft SuperPlus Anti-freeze | ||
| WSS-M6C57-A2RemvloeistFord of Motorcraft Super DOT 4 remvloeistof | ||
| Achteras^1 | Ford hypoïdeolieWSS-M2C939A |
Onder normale omstandigheden behoeft de achteras geen onderhoud. Wanneer de achteras echter volledig in water ondergedompeld is geweest, moet de olie door uw dealer worden ververst.
^2 Vul altijd met dezelfde kleur vloeistof bij.
* U kunt tevens Ford Engine Oil motorolie of een andere motorolie gebruiken wanneer deze voldoet aan de specificatie WSS-M2C913-C.
N.B.: Wanneer de auto wordt gebruikt bij temperaturen onder -20 °C, moet u geen SAE 10W-40 motorolie gebruiken.
Olie bijvullen: Wanneer geen olie verkrijgbaar is die voldoet aan de specificatie WSS-M2C913-C, moet u SAE 5W-30 (aanbevolen), SAE 5W-40 of SAE10W-40 gebruiken die voldoet aan de specificatie ACEA A5/B5 (aanbevolen) of ACEA A3/B3. Het gebruik van deze oliën kan tot gevolg hebben dat de motor minder snel aanslaat, minder vermogen levert, meer brandstof verbruikt en een hogere emissiewaarde heeft.
Castrol motorolie wordt aanbevolen.

text_image
CastrolInhouden
| Inhoud in liter (gallons)Nr. Varia | ||
| MAX-merktekenVloeistof stu | ||
| 5,5 (1,2)Voorruitsproeier | ||
| 80 (17,6)BrandstoftankA | ||
| 103 (22,7)Brandstoftank\ | ||
| 4,3 (1,0)Motorolie – met | ||
| 3,9 (0,9)Motorolie – zoni | ||
| 2.3L Duratec-HE | Koelsysteem met extra verwarming | 10,1 (2,2) |
| 2.3L Duratec-HE | Koelsysteem met alleen extra verwarming voorin | 7,8 (1,7) |
| 2.2L DuraTorq-TDCi, voor-wielaandrijving | Motorolie – met filter | 6,2 (1,4) |
| 2.2L DuraTorq-TDCi, voor-wielaandrijving | 6,0 (1,3)Motorolie – zoni | |
| 2.2L DuraTorq-TDCi, achterwielaandrijving | 10,1 (2,2)Motorolie – met | |
| 2.2L DuraTorq-TDCi, achterwielaandrijving | Motorolie – zonder filter | 9,7 (2,1) |
Onderhoud
| Inhoud in liter (gallons)Nr. Variant | ||
| 8,8 (1,9)Motorolie - met filt zonder | ||
| 8,4 (1,8)Motorolie | ||
| 2.2L DuraTorq-TDCi, achterwielaandrijving | Koelsysteem met standverwarming en extra verwarming | 12 (2,6) |
| 2.2L DuraTorq-TDCi, achterwielaandrijving | Koelsysteem met extra verwarming | 12 (2,6) |
| 2.2L DuraTorq-TDCi, achterwielaandrijving | Koelsysteem met standverwarming | 12 (2,6) |
| 2.2L DuraTorq-TDCi, achterwielaandrijving | Koelsysteem met alleen extra verwarming voorin | 10 (2,2) |
| 2.2L DuraTorq-TDCi, voor-wielaandrijving en 2.4L DuraTorq-TDCi | Koelsysteem met standverwarming en extra verwarming | 13 (2,9) |
| 2.2L DuraTorq-TDCi, voor-wielaandrijving en 2.4L DuraTorq-TDCi | Koelsysteem met extra verwarming | 12,8 (2,8) |
| 2.2L DuraTorq-TDCi, voor-wielaandrijving en 2.4L DuraTorq-TDCi | Koelsysteem met standverwarming | 11,5 (2,5) |
| 2.2L DuraTorq-TDCi, voor-wielaandrijving en 2.4L DuraTorq-TDCi | Koelsysteem met alleen extra verwarming voorin | 10 (2,2) |
| 11,4 (2,5)Motorolie - met fil zonder 1 | ||
| 11 (2,4)Motorolie - zonder 1 | ||
| 7,3 (1,6)Koelsysteem3.2L D |
Vulhoeveelheden motorolie
| Motor | Vulhoeveelheid in liter (gallons) |
| 0,7 (0,2)2.3L Duratec-HE | |
| 1,5 (0,3)2.2L DuraTorq-TDC | |
| 2 (0,4)2.4L DuraTorq-TDC |
Onderhoud
| Motor | Vulhoeveelheid in liter (gallons) |
| 2,5 (0,6)3.2L DuraT |
REINIGEN VAN BUITENZIJDE AUTO
WAARSCHUWING

Wanneer de auto tijdens het wassen in een autowasserette in de was wordt gezet, verwijder dan de was e voorruit.
LET OP

Controleer eerst de geschiktheid van de autowasserette voor uw auto, voordat u van de autowasserette ruik maakt.

Sommige wasinstallaties maken gebruik van water onder hoge druk. Hierdoor kunnen sommige onderdelen uw auto worden beschadigd.

Verwijder de antenne voordat u een automatische wasstraat inrijdt.

Schakel de aanjager uit om te voorkomen dat deeltjes was zich in het luchtfilter vastzetten.
Wij raden aan uw auto met een spons en handwarm water en autoshampoo te wassen.
Koplampen reinigen
LET OP

Gebruik geen scherpe voorwerpen, schurende reinigingsmiddelen of oplossingen op alcoholische of mische basis om de koplampglazen te gen.

Veeg de koplampglazen niet schoon wanneer ze droog zijn.
Achterruit reinigen
LET OP

Gebruik geen scherpe voorwerpen, schurende reinigingsmiddelen of chemische oplossingen op de enzijde van de achterruit te reinigen.
Gebruik een schone, niet pluizende doek of een vochtige zeem om de binnenzijde van de achterruit te reinigen.
Chromen onderdelen reinigen
LET OP

Gebruik geen schuurmiddelen of chemische oplosmiddelen. Gebruik een zeepoplossing.
Onderhoud van de lak
LET OP

Poets de auto niet in de felle zon.

Voorkom dat polish op kunststof oppervlakken komt. Dit laat zich moeilijk verwijderen.

Breng geen polish op de voor- en achterruit aan. Dit heeft een lawaaaiige werking van de ruitenwissers tot alg; bovendien kunnen de ruiten dan goed worden drooggeveegd.
Wij raden u aan de lak één- of tweemaal per jaar in de was te zetten.
REINIGEN VAN BINNENZIJDE AUTO
Veiligheidsgordels
WAARSCHUWINGEN

Gebruik voor het reinigen geen schurende middelen of chemische oplosmiddelen.

Let er op dat geen vocht in het oprolmechanisme komt.
Reinig de veiligheidsgordels met een interieurreiniger of water met een zachte spons. Laat de veiligheidsgordels op een natuurlijke manier drogen. Gebruik geen haardroger o.i.d.
Instrumentenpaneelschermen, LCD-schermen, radioschermen
WAARSCHUWING

Gebruik voor het reinigen geen schurende middelen, oplosmiddelen op basis van alcohol of chemische smiddelen.
Achterruiten
LET OP

Gebruik geen schurende materialen voor het reinigen van de binnenzijde van de achterruiten.

Breng geen stickers of labels aan op de binnenzijde van de achterruiten.
KLEINE LAKSCHADE REPAREREN
LET OP

Verwijder onmiddellijk ogenschijnlijk onschadelijke substanties van het lakwerk (bijvoorbeeld uitwerpselen vogels, boomsappen, dode insecten, vlekken, wegenzout en industriele slag).
Lakbeschadigingen door steenslag of kleine krasjes moeten zo spoedig mogelijk worden hersteld. Uw Ford dealer heeft een grote keuze aan producten. Lees en volg nauwkeurig de instructies van de fabrikant op.
STARTEN MET HULPSTARTKABELS
WAARSCHUWINGEN

Gebruik brandstofleidingen, motorafdekkingen of inlaatspruitstuk nooit als massapunten.

Verbind alleen accu's met dezelfde nominale spanning met elkaar.

Gebruik altijd hulpstartkabels met geïsoleerde klemmen en een voldoende dikke kern.

Koppel de ontladen accu niet los van de elektrische installatie van de auto.
Hulpstartkabels aansluiten

text_image
1 A B 2E75524
Wagen met de lege accuA
Wagen met de hulpaccuB
Positieve hulpstartkabel1
Negatieve hulpstartkabel2
-
Plaats de auto's zodanig dat ze elkaar niet raken.
-
Zet het contact van beide wagens af en schakel alle stroomverbruikers uit.

- Trek de kap van het plusaansluitpunt van de accu omhoog. Zie het betreffende overzicht van de motorruimte voor de locatie van de items. Zie Onderhoud (bladzijde 131).
- Verbind de pluspool (+) van auto A met de pluspool (+) van auto B (kabel 1).
- Verbind de min (-) pool van auto B met het motorblok of de motorsteun van auto A (kabel 2).
WAARSCHUWINGEN

Sluit de kabel niet aan op de minpool (−) van de ontladen accu.

Zorg ervoor dat de kabels niet met draaiende onderdelen en onderdelen van het brandstoftoevoersysteem in taking kunnen komen.
Motor starten
- Start de motor van wagen B en laat deze met een matig hoog toerental draaien.
-
Start de motor van wagen A.
-
Laat beide motoren minimaal drie minuten draaien alvorens de kabels los te koppelen.
WAARSCHUWING

Schakel de koplampen tijdens het loskoppelen van de hulpstartkabels niet in. Door de spanningspiek en de gloeilampen doorbranden.
Koppel de kabels in omgekeerde volgorde los.
ONDERHOUD VAN DE ACCU
Extra op de voertuigaccu aangesloten verbruikers van meer dan 30 A (bedrijfslast) en 12 mA (last bij uitgeschakeld contact) kunnen leiden tot vroegtijdig defect raken van de accu. Accu's met een hoge capaciteit zijn beschikbaar bij uw Ford dealer.
ACCU VERVANGEN
WAARSCHUWINGEN

Voor auto's met start/stop-schakelaar verschillen de accuvereisten. De accu moet worden ngen door een accu met exact fde specificatie als de originele.

Zorg ervoor dat de accubak goed is afgesloten.
N.B.: De accu bevindt zich onder de bestuurdersstoel in de auto.
N.B.: Indien nodig moet de Keycode van de audio-installatie opnieuw worden geprogrammeerd.

text_image
1 2 E66643- Draai de veiligheidspen linksom en verwijder deze.
- Verwijder het accudeksel.
- Schuif de stoel helemaal naar voren. Zie Voorstoelen (bladzijde 74).
Breng de eerder verwijderde onderdelen in omgekeerde volgorde aan.
AANSLUITPUNTEN VAN DE ACCU

text_image
E75702 1 2LET OP

Sluit een elektrische componenten direct op de accu van de wagen aan.
Er zijn drie aansluitpunten, elk levert maximaal een stroomsterkte van 60 ampère. Vraag uw dealer om advies over accessoires die voor uw wagen geschikt zijn.
- Maak de klemmen los.
- Trek de kap omhoog.
KINDERZITJES

text_image
E133140 AIRBAG E68916WAARSCHUWINGEN
Laat kinderen met een lengte van minder dan 150 centimeter plaatsnemen in een geschikt goedgekeurd kinderzitje dat op de achterbank is bevestigd.
Bijzonder gevaarlijk! Plaats geen kinderveiligheidszitje achterwaarts op een stoel waarvóór zich een airbag bevindt!
Lees de instructies van de fabrikant en volg deze op wanneer u een kinderzitje aanbrengt.
Verander op geen enkele wijze het kinderzitje.
Neem tijdens het rijden geen kinderen op schoot.
WAARSCHUWINGEN
Laat kinderen niet zonder toezicht in uw auto achter.
Wanneer uw auto bij een aanrijding betrokken is geweest, dient u het kinderzitje door een hiertoe opgeleide monteur te laten controleren.
N.B.: De wettelijke voorschriften t.a.v. het gebruik van kinderzitjes zijn per land verschillend.
Alleen kinderzitjes die volgens ECE-R44.03 (of later) gecertificeerd zijn, zijn getest en goedgekeurd voor gebruik in uw auto. Een aantal zijn leverbaar via uw dealer.
Kinderzitjes voor verschillende gewichtsgroepen
Gebruik het correcte kinderzitje als volgt:
Babyzitje

Plaats kinderen met een lichaamsgewicht van minder dan 13 kilogram in een achterwaarts gericht babyzitje (Groep 0+) dat op de achterbank is bevestigd.
Veiligheidsuitrusting voor kinderen
Kinderveiligheidszitje

Vervoer kinderen met een lichaamsgewicht van 13 tot 18 kilogram in een kinderveiligheidszitje (Groep 1), dat op de achterbank is bevestigd.
PLAATSING VAN KINDERZITJES
Plaatsen voor het kinderzitje
WAARSCHUWING

Wanneer een kinderzitje met gordels worden gebruikt, dan mogen deze niet slap hangen.
| Zitplaatsen | Gewichtsgroepen | ||||
| 3210+0 | |||||
| 22 - 36 kg15 - 25 kg9 | |||||
| Babyzitje | Babyzitje | Kinderveiligheids-zitje | Zitver-hoger of kussen | Zitver-hoger of kussen | |
| Passagiersstoel, voor, met airbag | XXXXX | ||||
| Passagiersstoel, voor, zonder airbag | U^1 | U^1 | U^1 | U^1 | U^1 |
| UUUUUAchterb | |||||
X Niet geschikt voor kinderen van deze gewichtsgroep.
U Geschikt voor universele kinderzitjes die zijn goedgekeurd voor deze gewichtsgroep.
U ^1 Geschikt voor universele kinderzitjes die zijn goedgekeurd voor deze gewichtsgroep.
ISOFIX kinderzitjes
| Zitplaatsen | Gewichtsgroepen | ||
| 0 | 0+ | I | |
| 9 - 18 kgTot 13 kgTc | |||
| Babyzitje | Kinderveilig-heidszitje | ||
| IUIUIUAchter IS | |||
| ISOFIX maatklasse* | A, B, B1, C, DC, D, EE | ||
U Geschikt voor universele ISOFIX kinderzitjes die zijn goedgekeurd voor deze gewichtsgroep.
*Als omschreven in ECE-R16.
N.B.: Wanneer u een ISOFIX kinderzitje aanschaft, let er dan op dat dit geschikt is voor de gewichtsgroep van uw kind en dat de ISOFIX maatklasse geschikt is voor de plaats waar het zitje wordt aangebracht.
STOELVERHOGERS
WAARSCHUWINGEN

Bevestig een kinderzitje of een zitverhoger nooit alleen met de heupgordel.

Bevestig een kinderzitje of een zitverhoger niet met een veiligheidsgordel die niet gespannen gedraaid zit.

Leg de schoudergordel niet onder de arm of achter de rug van het kind langs.

Gebruik geen kussens, boeken of handdoeken om het kind hoger te laten zitten.

Zorg ervoor dat uw kinderen rechtop zitten.

Laat kinderen met een lichaamsgewicht van meer dan 15 kilogram, maar met een lengte van
minder dan 150 centimeter in een kinderzitje of op een zitverhoger plaatsnemen.
LET OP

Wanneer u een kinderzitje op de achterbank gebruikt, zorg dan dat het kinderzitje stevig tegen de stoel rust.
De hoofdsteun moet wellicht worden opgetild of verwijderd. Zie Hoofdsteunen (bladzijde 77).
Kinderzitje (Groep 2)

Wij raden het gebruik van een kinderzitje aan, dat uit een zitverhoger met een rugleuning bestaat in plaats van alleen een zitverhoger. De hogere zitpositie zorgt ervoor dat de standaard veiligheidsgordel correct over het midden van de schouder van het kind en de heupgordel over de heupen komt te liggen.
Zitverhoger (Groep 3)

Gebruik bij toepassing van het ISOFIX systeem een voorziening dat voorkomt dat de veiligheidsgordel kan draaien. Wij raden het gebruik van een veiligheidsgordel aan de bovenzijde of een steun aan de onderzijde aan.
N.B.: Wanneer u een ISOFIX kinderzitje aanschaft, let er dan op dat dit geschikt is voor de gewichtsgroep van uw kind en dat de ISOFIX maatklasse geschikt is voor de plaats waar het zitje wordt aangebracht. Zie Plaatsing van kinderzitjes (bladzijde 150).
Uw wagen is uitgerust met ISOFIX verankeringspunten die geschikt zijn voor het gebruik van goedgekeurde ISOFIX kinderzitjes.
Het ISOFIX systeem bestaat uit twee stevige bevestigingsarmen aan het kinderzitje, die op de verankeringspunten van de zitplaatsen op de tweede zitrij tussen de rugleuning en de zitting worden bevestigd. Verankeringspunten voor de veiligheidsgordels aan de bovenzijde bevinden zich aan de achterzijde van de zitplaatsen op de tweede zitrij.
Een kinderzitje met een veiligheidsgordel aan de bovenzijde bevestigen

Bevestig de veiligheidsgordel aan de bovenzijde aan geen ander punt dan aan het verankeringspunt dat por is bestemd.
KINDERSLOTEN
WAARSCHUWING

Wanneer de kindersloten in werking zijn gesteld, kunnen de portieren niet van binnenuit worden geopend.

Gebruik uitsluitend banden en velgen met de goedgekeurde maat. Het gebruik van andere maten kan beschadiging van de auto tot gevolg hebben en maakt de typegoedkeuring ongeldig.
Wanneer u banden monteert met een andere diameter dan de in de fabriek gemonteerde banden, duidt de snelheidsmeter de snelheid niet correct meer aan. Breng uw auto naar uw dealer en laat het motor managementsysteem opnieuw programmeren.
Op de B-stijl bij het bestuurdersportier bevindt zich een tabel met de bandenspanning.
Controleer bij koude banden de bandenspanning bij een temperatuur waarin u gaat rijden.
Voor het ruimtebesparende reservewiel moet de hoogste bandenspanning voor uw auto/band-combinatie worden aangehouden.
Gegevens omtrent banden, velgen en bandenspanningen voor speciale uitvoeringen staan alleen op de tabel met bandenspanningen van de betreffende auto.
EEN WIEL VERVANGEN
Wielslotmoeren
Na het overleggen van het certificaat met het referentienummer kunt u bij uw dealer een vervangings dopsleutel en vervangings slotmoeren verkrijgen.
Reservewiel
Het reservewiel bevindt zich onder de achterzijde van de auto.
Uitvoeringen met enkellucht

Uitvoeringen met dubbellucht

Wanneer uw auto is uitgerust met een veiligheidsbout, verwijder deze dan door hem linksom te draaien.
Steek het platte uiteinde van de wielmoersleutel (Bus, Bestelwagen en Kombi) of de korte zijde van de krikslinger (Chassis Cabine, uitvoering met open laadbak) in de opening. Draai hem linksom tot het wiel op de grond rust en de kabel niet meer gespannen is.

- Verwijder de vleugelmoer(en).
- Steek de steun en de kabel door de centrale opening in de velg.
Boordkrik
WAARSCHUWINGEN

De boordkrik waarmee uw auto wordt geleverd mag alleen worden gebruikt voor het wisselen van een n noodsituaties.

Controleer, voordat u de boordkrik gebruikt, of deze niet is beschadigd of vervormd en dat de schroefdraad meerd en vrij is van verontreinigingen.

U mag nooit iets tussen de krik en de grond of de krik en de auto plaatsen.
N.B.: Auto's met een bandenreparatieset zijn niet uitgerust met een boordkrik en een wielmoersleutel.
De krik, de wielmoersleutel en de krikslinger bevinden zich in een opbergvak in de opstaptrede rechtsvoor.
Auto's uit de 430- en 460-serie

•Zet de krikslinger in elkaar.
- Steek het platte uiteinde van de krikstang op de kraan. Draai de stang geheel rechtsom. Schuif de stang in de pomp en krik de auto op door een pompende beweging te maken.
Alle behalve auto's uit de 430- en 460-serie

• Klap de krikstang uit.

- Steek de haak van de stang in het oog op de krik. Breng de wielmoersleutel aan in het andere uiteinde van de stang en draai hem rechtsom.
Voorste kriksteunpunten
LET OP
Gebruik alleen de aangegeven kriksteunpunten. Wanneer u andere punten gebruikt kan dit de carrosserie, de stuurinrichting, de wielophanging, de motor, het remsysteem of de brandstofleidingen beschadigen.
Let erop wanneer u de krik aanbrengt bij een auto met airconditioning achterin (A/C), dat de krik niet in aanraking komt met de leidingen van de airconditioning of de ophangstrip van de brandstoftank.
Auto's uit de 430- en 460-serie

Plaats de krik onder de uitsparingen aan de achterzijde van het subframe.
Alle behalve auto's uit de 430- en 460-serie

Klap de klep op de bovenzijde van de krik dicht (opbergstand). De achterste bouten van het voorste subframe passen in een uitsparing in de klep op de krik.
Kriksteunpunten, achter
LET OP

Gebruik alleen de aangegeven kriksteunpunten. Wanneer u andere punten gebruikt kan dit de carrosserie, tuurinrichting, de wielophanging, de or, het remsysteem of de ndstofleidingen beschadigen.
Bus, bestelwagen en Kombi (260, 280 en 300 serie) met voorwielaandrijving

Klap de klep op de bovenzijde van de krik open. Plaats de krik onder de bladveer van het achterwiel, direct voor het wiel.
Bus, bestelwagen en Kombi (330 en 350 serie) met voorwielaandrijving
N.B.: In het reservewiel bevindt zich een extra blok.

Klap de klep op de bovenzijde van de krik open. Plaats de krik op het blok.
Auto's uit de 430- en 460-serie
N.B.: Plaats de krik onder de as, zo dicht mogelijk bij het wiel dat omhoog moet worden gebracht.

Alle Chassis Cabine, bus, bestelwagen en Kombi uitvoeringen met achterwielaandrijving (alle behalve auto's uit de 430- en 460-serie)
N.B.: Plaats de krik onder de as, zo dicht mogelijk bij het wiel dat omhoog moet worden gebracht.

Klap de klep op de bovenzijde van de krik open.
Wiel verwijderen
WAARSCHUWINGEN

Parkeer uw auto dusdanig dat u, noch het verkeer hinder ondervindt of gevaar loopt.

Zet een gevarendriehoek neer.

Zorg ervoor dat de auto met de wielen in de rechtuitstand op een stevige, vlakke ondergrond staat.

Zet het contact af en schakel de parkeerrem in.
WAARSCHUWINGEN
Schakel de eerste versnelling of de achteruit in wanneer uw auto is uitgerust met een handgeschakelde versnellingsbak. Selecteer stand 'P' wanneer deze met een automatische transmissie is uitgerust.

Laat de inzittenden uitstappen.
Blokkeer het diagonaal tegenoverliggende wiel met een geschikt blok hout of een wielkeg. Dit is aangebracht in de B-stijl of in het reservewiel.
Let erop dat de pijlen op richting gebonden banden in de draairichting wijzen wanneer de auto vooruit rijdt. Wanneer een reservewiel moet worden gemonteerd waarvan de pijlen tegengesteld aan de draairichting wijzen, laat dan de band zo spoedig mogelijk door een deskundige in de juiste richting monteren.
Voer geen werkzaamheden uit onder een auto die alleen wordt ondersteund door een krik.
Zorg ervoor dat de krik verticaal ten opzichte van het kriksteunpunt staat en dat de voet vlak op de grond staat.
LET OP
Leg lichtmetalen velgen niet met de buitenzijde op de grond, hierdoor wordt de lak beschadigd.
- Steek het platte uiteinde van de wielmoersleutel tussen de velg en het wieldeksel en verwijder voorzichtig de naafdop of het wieldeksel.

- Verwijder de moerdoppen.
- Breng de copsleutel voor de slotmoer aan.
- Draai de wielmoeren een slag los.
- Krik de auto op tot de band vrij is van de grond.
- Verwijder de wielmoeren en het wiel.
Wiel aanbrengen
WAARSCHUWINGEN

Gebruik uitsluitend banden en velgen met de goedgekeurde maat. Het gebruik van andere maten kan schade aan de auto tot gevolg hebben en kan de typegoedkeuring ongeldig maken. Zie Technische specificatie (bladzijde 167).

Zorg ervoor dat er zich geen smeermiddel (vet of olie) op de schroefdraad of tussen de tapeinden moeren bevindt.
N.B.: Zorg ervoor dat de contactvlakken tussen de velg en de naaf vrij zijn van vreemde voorwerpen.
N.B.: Zorg ervoor dat de conische zijde van de wielmoeren naar de velg is gekeerd.
N.B.: De wielmoeren van de lichtmetalen velgen kunnen ook worden gebruikt voor het stalen reservewiel.
-
Breng het wiel aan.
-
Draai de wielmoeren handvast aan.
- Breng de copsleutel voor de slotmoer aan.

text_image
1 3 4 5 2 6 1 4 3 2 5 F70004E70961
- Zet de wielmoeren in de aangegeven volgorde voorlopig vast.
- Laat de auto zakken en verwijder de krik.
- Draai de wielmoeren in de aangegeven volgorde definitief vast. Zie Technische specificatie (bladzijde 167).
- Druk de naafdop of het wieldeksel met de bal van uw hand vast.
- Breng de moerdoppen aan.
WAARSCHUWING

Laat het aanhaalmoment van de wielmoeren en de bandenspanning zo spoedig mogelijk controleren.
N.B.: Wanneer het reservewiel een andere maat heeft of anders is geconstrueerd dan de overige wielen, laat deze dan zo spoedig mogelijk vervangen.
Wiel opbergen
LET OP

Hijs de reservewielhouder niet op zonder het wiel te hebben vastgezet.
Wanneer geen wiel is aangebracht kan het ophijsmechanisme bij het laten zakken worden beschadigd.
N.B.: Alleen wanneer het ophijsmechanisme doorslipt is het wiel volledig omhoog gebracht.
- Leg het wiel met de buitenzijde naar beneden gekeerd plat op de grond. Kantel de steun en steek hem met de staalkabel door de centrale opening in de velg. Draai de vleugelmoer(en) vast.
- Steek het platte uiteinde van de wielmoersleutel geheel in de boring en draai de wielmoersleutel rechtsom. Breng, bij uitvoeringen met een veiligheidsbout, deze aan en draai hem rechtsom.
- Berg de wielmoersleutel, de krik en de krikstang op.
BANDENREPARATIESET
WAARSCHUWING

Voor campers gelden afzonderlijke instructies die zijn opgenomen in de bandenreparatieset.
Het kan voorkomen dat in de wagen geen reservewiel is aangebracht. In een dergelijk geval is een bandenreparatieset voor noodgevallen aanwezig die kan worden gebruikt voor het repareren van één lekke band.
De bandenreparatieset bevindt zich in het handschoenenkastje.
Algemene informatie
WAARSCHUWINGEN

Afhankelijk van het type en de omvang van de beschadiging kunnen sommige banden slechts gedeeltelijk of soms geheel niet worden gedicht. Een te lage bandenspanning kan het weggedrag van de wagen beïnvloeden, waardoor u de macht over het stuur kunt verliezen.

Gebruik de bandenreparatieset niet wanneer de band al beschadigd was als gevolg en het rijden met een te bandenspanning.

Gebruik de bandenreparatieset niet bij run flat banden.

Probeer geen andere lekken te dichten dan zichtbare lekken in het loopvlak van de band.

Probeer geen lekken te dichten in de bandwang.
Met behulp van de bandenreparatieset kunnen de meeste bandenlekken (met een diameter van maximaal 6 mm of 1/4 inch) worden gerepareerd om de mobiliteit tijdelijk te herstellen.
Let op het volgende bij gebruik van de set:
•Rijd voorzichtig en maak geen plotselinge stuurbewegingen, vooral wanneer de wagen zwaar is beladen of tijdens het rijden met een aanhanger.
- De set zorgt voor een tijdelijke reparatie, waardoor u uw reis tot de volgende dealer of bandenspecialist kunt voortzetten, of een afstand van maximaal 200 km (125 mijl) kunt afleggen.
•Rijd niet sneller dan maximaal 80 km/h (50 mph).
•Houd de set buiten het bereik van kinderen.
-Gebruik de set bij omgevingstemperaturen van -30^ (-22^) tot +70^ (+158^) .
Bandenreparatieset gebruiken
WAARSCHUWINGEN

Samengeperste lucht kan zich gedragen als een explosief of drijfmiddel.

Laat tijdens gebruik de bandenreparatieset nooit onbeheerd achter.
LET OP

De compressor mag niet langer dan 10 minuten blijven ingeschakeld.
N.B.: Gebruik de bandenreparatieset alleen bij wagens die ermee zijn uitgerust.
- Parkeer uw wagen zodanig langs de kant van de weg dat u het verkeer niet belemmert en dat u in staat bent de bandenreparatieset te gebruiken zonder in gevaar te komen.
- Trek, zelfs wanneer u op een vlakke ondergrond geparkeerd staat, de handrem aan om te waarborgen dat de wagen niet in beweging kan komen.
•Probeer geen vreemde voorwerpen, zoals spijkers of schroeven, uit de band te verwijderen. -
Laat de motor draaien terwijl de set wordt gebruikt, maar niet als de wagen in een afgesloten of slecht geventileerde ruimte staat (bijvoorbeeld in een gebouw). Schakel onder dergelijke omstandigheden de compressor in bij afgezette motor.
-
Vervang de fles met het afdichtmiddel door een nieuwe voordat de houdbaarheidsdatum (zie de bovenzijde van de fles) is bereikt.
- Informeer andere gebruikers van de auto dat de band tijdelijk is gerepareerd met de bandenreparatieset en stel ze op de hoogte van de speciale rijvoorschriften.
Band oppompen
WAARSCHUWINGEN

Controleer de bandwang voordat u het afdichtmiddel in de band pompt. Wanneer u scheuren, knobbels ofelijke ziet, probeer dan niet de band pompen.

Ga niet vlak naast de band staan wanneer de compressor draait.

Sla de bandwang gade. Wanneer u scheuren, knobbels en dergelijke ziet verschijnen, schakel dan de pressor uit en laat de lucht met het egelventiel ontsnappen B. Rijd niet er met deze band.

Het afdichtmiddel bevat natuurlijk latex. Voorkom contact met huid, ogen of kleding. Mocht dit toch uren, spoel het betreffende aamsdeel dan direct met veel water op en neem contact op met uw orts.

Wanneer de bandenspanning binnen zeven minuten lager wordt dan 1,8 bar (26 psi), kan de band ernstig zijn nadigd, waardoor een tijdelijke atie onmogelijk is. Vervolg in een elijk geval uw reis niet met deze band.
LET OP
Wanneer de fles op de houder wordt gedraaid, wordt de afdichting van de fles verbroken. Schroef de fles niet los van de houder, omdat het afdichtmiddel dan wegloopt.

DrukmeterF Stekker met kabelG CompressorschakelaarH Labell Afdekking flesJ Fles met afdichtmiddelK
- Maak de afdekking van de bandenreparatieset open.
- Trek het label I waarop de maximaal toelaatbare snelheid van 80 km/h vermeld staat van het huis en maak het binnen het gezichtsveld van de bestuurder vast op het instrumentenpaneel. Zorg dat het label niet wordt vastgemaakt op belangrijke onderdelen/plekken.
- Haal de slang C en de stekker met kabel G uit de set.
- Schroef de oranje dop D en de afdekking van de fles J los.
- Schroef de fles met afdichtmiddel K naar rechts tot de aanslag in de flessenhouder E.
- Draai het ventieldopje van de beschadigde band af.
- Maak de beschermdop A los van de slang C en draai de slang C stevig op het ventiel van de beschadigde band.
- Zorg dat de compressorschakelaar H in stand O staat.
- Sluit de stekker G aan op de aansluiting van de aansteker of het extra elektrisch aansluitpunt. Zie Aansteker (bladzijde 79). Zie Extra voedingsaansluitingen (bladzijde 80).
- Start de motor.
-
Zet de compressorschakelaar H in stand 1.
-
Pomp de band niet langer dan zeven minuten op voor een minimale druk van 1,8 bar (26 psi) en een maximum druk van 2,5 bar (51 psi). Zet de compressorschakelaar H in stand O en controleer de huidige bandenspanning met behulp van drukmeter F.
- Neem de stekker G uit de aansluiting van de aansteker of het extra elektrisch aansluitpunt.
- Draai de slang C snel van het ventiel los en breng de beschermdop A aan. Draai het ventieldopje vast.
- Laat de fles met afdichtmiddel K in de flessenhouder E zitten.
- Zorg ervoor dat de bandenreparatieset, de dop van de fles en de oranje kap veilig worden opgeborgen, maar makkelijk bereikbaar zijn. De set is opnieuw nodig bij het controleren van de bandenspanning.
- Rijd onmiddellijk weg en rijd ongeveer drie kilometer (twee mijl) zodat het afdichtmiddel het lek kan afdichten.
N.B.: Wanneer het afdichtmiddel in de band wordt gepompt, kan de druk toenemen tot 6 bar (87 psi) maar deze neemt na ca. 30 seconden weer af.
WAARSCHUWING

Wanneer u heftige trillingen, onbalans in het stuurwiel of lawaai tijdens het rijden waarneemt, minder nelheid en rijd voorzichtig naar een s waar u veilig kunt stoppen.
Controleer de band en de bandenspanning opnieuw. Wanneer de bandenspanning lager is dan 1,3 bar (19 psi) of wanneer er scheuren, knobbels of dergelijke zichtbaar zijn, hervat dan uw reis niet met deze band.
Bandenspanning controlleren
- Stop de wagen na ongeveer drie kilometer (twee mijl). Controleer en corrigeer zo nodig de spanning van de beschadigde band.
- Breng de set aan en lees de bandenspanning af van de drukmeter F.
- Wanneer de spanning 1,3 bar (19 psi) of hoger is, breng de band dan op de voorgeschreven spanning. Zie Technische specificatie (bladzijde 167).
- Volg de procedure voor het oppompen van de band.
- Controleer de bandenspanning met behulp van de drukmeter F. Wanneer de bandenspanning te hoog is, laat dan de spanning afnemen met behulp van de drukregelklep B.
- Als de band de correcte bandenspanning heeft, zet dan de compressorschakelaar H in stand O, verwijder de stekker G uit de aansluiting, draai de slang C los, draai de ventieldop aan en vervang de beschermdop A.
- Laat de fles met afdichtmiddel K in de flessenhouder E zitten en berg de set op op de plaats waar deze vandaan kwam.
- Rijd naar de dichtstbijzijnde bandenspecialist om de beschadigde band te vervangen. Vertel, voordat de band van de velg wordt afgenomen, de bandenspecialist dat de band een afdichtmiddel bevat. Vervang de set zo snel mogelijk na het eerste gebruik.
N.B.: Bedenk dat een bandenreparatieset slechts voor tijdelijke mobiliteit zorgt.
Voorschriften aangaande bandreparatie na gebruik van de bandenreparatieset kunnen per land verschillen. Raadpleeg een bandenspecialist voor advies.
WAARSCHUWING

Zorg er voordat u wegrijdt voor dat de band de voorgeschreven bandenspanning heeft. Zie
Technische specificatie (bladzijde 167). Controleer voortdurend de bandenspanning tot de band is vervangen.
Lege flessen afdichtmiddel mogen samen met het huishoudelijk afval worden afgevoerd. Breng resten afdichtmiddel naar uw dealer of voer ze af volgens de lokale richtlijnen.
VERZORGING VAN BANDEN
N.B.: 18" sportbanden zijn banden met een laag profiel en hebben mogelijk een kortere levensduur in vergelijking tot de standaard banden voor lichte bedrijfswagens, afhankelijk van de belasting en de rijomstandigheden. Neem voor meer informatie contact op met uw Ford dealer.

Zorg voor een langere levensduur ervoor dat de banden van de voor- en achterwielen gelijkmatig slijten. Wij raden aan dat de voor- en achterwielen met regelmatige intervallen van 15.000 tot 20 000 km (9.000 tot 12.000 mijl) te wisselen.
LET OP

Laat tijdens het parkeren de bandwangen niet langs trottoirbanden schuren.
Als u een stoeprand moet oprijden, doe het dan zo langzaam mogelijk en rijd zo mogelijk met de wielen onder een rechte hoek het trottoir op.
Controleer regelmatig de banden op scheuren, vreemde voorwerpen of onregelmatige slijtage van het loopvlak. Ongelijkmatige slijtage betekent dat de wieluitlijning niet meer aan de specificaties voldoet.
GEBRUIK VAN WINTERBANDEN
LET OP

Controleer of u de velgen met de winterbanden met het correcte type wielmoeren hebt bevestigd.
Indien winterbanden zijn gemonteerd, controleer dan of de bandenspanning correct is. Zie Technische specificatie (bladzijde 167).
Rijd niet harder dan 50 km/u.

Rijd niet met sneeuwkettingen op een sneeuuwvrij wegdek.
LET OP

Wanneer uw auto is uitgerust met wieldeksels, verwijder deze dan voordat u sneeuwkettingen monteert.
N.B.: Het ABS blijft normaal werken.
Gebruik alleen sneeuwkettingen met kleine schakels.
Gebruik alleen sneeuwkettingen op de aangedreven wielen.
Uitvoeringen met voorwielaandrijving
N.B.: In de registratiedocumenten zijn voor de vooras alleen 195/75 R 16 C banden vermeld.
Wanneer uw auto is uitgerust met 215/75 R 16 C banden, monteer dan 195/75 R 16 C (M+S) banden op de voorwielen. Breng de bandenspanning op de maximum voorgeschreven waarde.
Auto's met achterwielaandrijving
Breng alleen sneeuwkettingen aan op de achterwielen.
Auto's met vierwielaandrijving (AWD)
Breng alleen sneeuwkettingen aan op de achterwielen.
Uitvoeringen met stabiliteitsregeling (ESP)
Uitvoeringen met stabiliteitsregeling (ESP) kunnen een wat ongebruikelijke rijkarakteristiek vertonen, hetgeen kan worden voorkomen door het systeem uit te schakelen. Zie Gebruik maken van stabiliteitsregeling (bladzijde 97).
Aanhaalmoment wielmoeren
| Nm (lb-ft)Wieltype | |
| 200 (147,5)Alle |
Bandenspanning (koude banden)
Bus
Bandenspanning
| BandenmaatVariant | Maximaal beladenNormaal | ||||
| bar (lbf/in2) | AchterVoorAch | ||||
| bar (lbf/in2) | bar (lbf/in2) | bar (lbf/in2) | |||
| 4,1 (60)3,8 (55) | |||||
Velgen en banden
| BandenmaatVariant | Maximaal beladenNormaal be | ||||
| bar(lbf/in2) | AchterVoorAchter | ||||
| bar(lbf/in2) | bar(lbf/in2) | bar(lbf/in2) | |||
| 3,9 (57)3,6 (52)3 (49)2,8(51)4,8 | |||||
| 3,7 (54)3,4 (49)2,8(51)4,8 | |||||
| 350L - Maximaal voorasgewicht 1.750 kilogram | 4,8 (70)3,5 (51)4,8(55)4,8 | ||||
| 350L - Maximaal voorasgewicht 1.850 kilogram | 215/75 R 16 | 4,8 (70)3,5 (51)4,8(55)4,8 | |||
| 370L | 215/75 R 16 C | 3,8 (55) | 4,8 (70) | 3,8 (55) | 4,8 (70) |
| 4,1 (60)4,7 (58)4,7(57)4,8 | |||||
| 410 | EF/M2 | 3,7 (54)4,5 (57)4,8(55)4,8 | |||
Bestelwagen en Kombi - achterwielaandrijving Bandenspanning
| BandenmaatVariant | Maximaal beladenNormaal be | ||||
| bar (lbf/in2) | bar (lbf/in2) | bar (lbf/in2) | AchterVoorAchter | ||
| 4,2 (6138,65,8M)4,2 | |||||
| 330S/M/L | 215/75 R 16 C | 3,4 (49) | 4,5 (65) | 3,4 (49) | 4,5 (65) |
| 350M/L - Maximaal voorasgewicht 1.750 kilogram | 4,8 (70)3,5 (51)4,8 | ||||
| 350M/L - Maximaal voorasgewicht 1.850 kilogram | 215/75 R 16 | 4,8 (70)3,5(55)4, | |||
| 350EF - Maximaal voorasgewicht 1.750 kilogram | 215/75 R 16 C | 3,5 (51) | 4,9 (71) | 3,5 (51) | 4,9 (71) |
Velgen en banden
| BandenmaatVariant | Maximaal beladenNormaal | ||||
| bar (lbf/in2) | bar (lbf/in2) | bar (lbf/in2) | AchterVoorAch | ||
| 350EF - Maximaal voorasgewicht 1.850 kilogram | 4,9 (71)3,8 (55) | ||||
| 430EF - Maximaal voorasgewicht 1.750 kilogram | 4,1 (60)47 (68) | ||||
| 430EF - Maximaal voorasgewicht 1.850 kilogram | 3,7 (54)46 (67) | ||||
| 430EF - GVM 3.500 kilogram | 3,5 (51)4,7 (68) | ||||
| 460M/L/EF - Maxi-maal achterasgewicht 2.600 kilogram | 3,2 (46)46 (67) | ||||
| 460M/L/EF - Maxi-maal achterasgewicht 3.300 kilogram | 4,3 (62)46 (67) | ||||
Bestelwagen en Kombi - voorwielaandrijving
Bandenspanning
| BandenmaatVariant | Maximaal beladenNormaal | ||||
| bar (lbf/in2) | bar (lbf/in2) | bar (lbf/in2) | AchterVoorAch | ||
| 3,5 (51)3,4 (49) | |||||
| 3,5 (51)3,4 (49) | |||||
| 3,8 (55)3,8 (55 | |||||
| 260S - GVM 2.350 kilogram | 3,3 (48)9,3/748 | ||||
Velgen en banden
| BandenmaatVariant | Maximaal beladenNormaal be | ||||
| bar(lbf/in2) | bar(lbf/in2) | bar(lbf/in2) | AchterVoorAchter | ||
| 260S - GVM 2.350 kilogram | 3,3 (48)3,3 (48)3,3 | ||||
| 260S - GVM 2.350 kilogram | 3,8 (55)3,8 (55)3,8 | ||||
| 260S - Maximaal voorasgewicht 1.450 kilogram - Maximaal achterasgewicht 1.475 kilogram | 3,5 (51)3,4 (49)3,5 | ||||
| 3,5 (51)3,4 (49)3,5 | |||||
| 3,5 (51)3,4 (49)3,5 | |||||
| 2,9 (42)2,8 (41)2,9 | |||||
| 280S - Maximaal achterasgewicht 1.650 kilogram | 4,4 (64)3,8 (55)4, | ||||
| 280S - Maximaal achterasgewicht 1.550 kilogram | 4,1 (60)3,5(58)4,7 | ||||
| 280S - Maximaal achterasgewicht 1.650 kilogram | 4,2 (61)3,6 (52)4,2 | ||||
| 280S - Maximaal achterasgewicht 1.550 kilogram | 3,6 (52)3,9 (57)5 (52)195/7( | ||||
| 280S - Maximaal achterasgewicht 1.650 kilogram | 205/65 R 16 C | 3,4 (49) | 4 (58) | 3,4 (49) | 4 (58) |
| 280S - Maximaal achterasgewicht 1.550 kilogram | 3,7 (54)3,4 (49)3,7 | ||||
| 4,2 (61)5,7 (54)15,2 | |||||
Velgen en banden
| BandenmaatVariant | Maximaal beladenNormaal | ||||
| AchterVoorAch | |||||
| bar(lbf/in2) | bar(lbf/in2) | bar(lbf/in2) | bar(lbf/in2) | ||
| 4 (58)3,6 (52) | |||||
| 4,4 (64)3,9 (57) | |||||
| 280M - GereduceerdGVM - alleen VK | 4,1 (60)3,8 (55) | ||||
| 280M - GereduceerdGVM - alleen Italië | 4,4 (64)3,9 (57) | ||||
| 280M - GereduceerdGVM - alleen VK | 3,8 (55)3,4 (49) | ||||
| 280M - GereduceerdGVM - alleen Italië | 4,2 (61)3,7 (54) | ||||
| 280M - GereduceerdGVM - alleen VK | 3,7 (54)3,4 (49) | ||||
| 280M - GereduceerdGVM - alleen Italië | 4 (58)3,6 (52) | ||||
| 300S/M/L | 185/75 R 16 C | 4,2 (61) | 4,7 (68) | 4,2 (61) | 4,7 (68) |
| 195/70 R 16 C | (30) (30) (30) (30) (30) (30) (30) (30) (30) (30) (30) (30) (30) (30) (30) (30) (30) (30) (30) (30) (30) (30) (30) (30) (30) (30) | ||||
| 4,3 (62)3,8 (55) | |||||
| 300L - GereduceerdGVM 2.800 kilogram | 4,4 (64)41 (60) | ||||
| 300L - GereduceerdGVM 2.800 kilogram | 4,2 (61)3,9 (57) | ||||
| 300L - GereduceerdGVM 2.800 kilogram | 205/65 R 16 C | 3,7 (54) | 4 (58) | 3,7 (54) | 4 (58) |
| 4,5 (65)32 (59) | |||||
| 350M/L | 215/75 R 16 C | 3,5 (51) | 4,8 (70) | 3,5 (51) | 4,8 (70) |
Chassis-cabine en uitvoeringen met open laadbak - achterwielaandrijving Bandenspanning
| BandenmaatVariant | Maximaal beladenNormaal be | ||||
| bar (lbf/in2) | bar (lbf/in2) | bar (lbf/in2) | AchterVoorAchter | ||
| 4,2 (61)3,5 (51)4,2 | |||||
| 4,5 (65)3,4 (49)4, | |||||
| 350S/M/L/EF - Maxi-maal achterasgewicht 2.450 kilogram | 3,3 (48)4,7 (68)3,3 | ||||
| 350EF - Gereduceerd GVM | 3,3 (48)4,2 (61)3,3 | ||||
| 350L/EF - Maximaal achterasgewicht 2.600 kilogram | 3,5 (51)4,7 (68)3,5 | ||||
| 350S/M/L/EF - Maxi-maal achterasgewicht 2.450 kilogram | 3,3 (48)4,6 (67)3,3 | ||||
| 350L/EF - Maximaal achterasgewicht 2.600 kilogram | 3,2 (46)4,6 (67)3,2 | ||||
| 350S/M/L - Maximaal voorasgewicht 1.750 kilogram | 4,8 (70)3,5 (51)4,8 | ||||
| 350S/M/L - Maximaal voorasgewicht 1.850 kilogram | 4,8 (70)3,8 (55)4,8 | ||||
| 350EF - Maximaal voorasgewicht 1.750 kilogram | 4,9 (79)3,7(55)255)75 | ||||
| 350EF - Maximaal voorasgewicht 1.850 kilogram | 4,9 (71)3,8 (55)4,9 | ||||
| 350EF - Gereduceerd GVM | 215/75 R 16 C | 3,1 (45) | 4,9 (71) | 3,1 (45) | 4,9 (71) |
Velgen en banden
| BandenmaatVariant | Maximaal beladenNormaal | ||||
| bar (lbf/in2) | bar (lbf/in2) | bar (lbf/in2) | AchterVoorAch | ||
| 430EF - Maximaal achterasgewicht 2.600 kilogram | 3,5 (51)4,7 (68) | ||||
| 430M/L/EF - Maximaal achterasgewicht 2.950 kilogram | 4,1 (60)47 (68) | ||||
| 3,7 (54)46 (67) | |||||
| 460M/L/EF - Maximaal achterasgewicht 2.600 kilogram | 3,2 (46)4,6 (67) | ||||
| 460M/L/EF - Maximaal achterasgewicht 3.300 kilogram | 4,3 (62)46 (67) | ||||
Chassis-cabine en uitvoeringen met open laadbak - voorwielaandrijving Bandenspanning
| BandenmaatVariant | Maximaal beladenNormaal | ||||
| bar (lbf/in2) | bar (lbf/in2) | bar (lbf/in2) | AchterVoorAch | ||
| 4,7 (68)42 (61) | |||||
| 4,5 (65)4(58)4 | |||||
| 4,3 (62)38055 | |||||
| 330S/M/L - Sneeuw-kettingen op voor-wielen | 195/75 R 16 C | 4,1 (60) | n.v.t. | 4,1 (60) | n.v.t. |
| 4,5 (65)25/749 | |||||
| 350M/L/EF - Sneeuwkettingen op voorwielen | 195/75 R 16 C | 4,3 (62) | n.v.t. | 4,3 (62) | n.v.t. |
Velgen en banden
| BandenmaatVariant | Maximaal beladenNormaal be | ||||
| bar (lbf/in2) | AchterVoorAchter | ||||
| bar (lbf/in2) | bar (lbf/in2) | bar (lbf/in2) | |||
| 4,8 (70)3,5 (51)4,8 | |||||
Aandrijving op alle wielen
Bandenspanning
| BandenmaatVariant | Maximaal beladenNormaal be | ||||
| bar(lbf/in2) | bar(lbf/in2) | bar(lbf/in2) | AchterVoorAchter | ||
| 4,2 (61)3,5 (51)4,2 | |||||
| 4,5 (65)3,4 (49)4, | |||||
| 330S - GereduceerdGVM | 3,7 (54)3,4 (49)3,7 | ||||
| 350M/L - Maximaalvoorasgewicht 1.750kilogram | 4,8 (70)3,5 (51)4,8 | ||||
| 350M/L - Maximaalvoorasgewicht 1.850kilogram | 4,8 (70)3,8 (55)4,8 | ||||
| 350EF - Maximaalvoorasgewicht 1.750kilogram | 4,9 (71)3,5 (51)4,9 | ||||
| 350EF - Maximaalvoorasgewicht 1.850kilogram | 215/75 R 16 C | 3,8 (55) | 4,9 (71) | 3,8 (55) | 4,9 (71) |
ECOnetic
Bandenspanning
| BandenmaatVariant | Maximaal beladenNormaal | ||||
| bar (lbf/in2) | AchterVoorAch | ||||
| bar (lbf/in2) | bar (lbf/in2) | bar (lbf/in2) | |||
| 3,4 (49)3 (43)3 | |||||
| 4,8 (70)3 5 (51) | |||||
VOERTUIGIDENTIFICA- TIEPLAATJE
N.B.: Het ontwerp van het identificatieplaatje kan afwijken van het getoonde plaatje.
N.B.: De informatie op het identificatieplaatje is afhankelijk van de vereisten per land.

text_image
A B FORD E D CE85610
Voertuig Identificatie NummerA
B Maximaal toelaatbare totaalgewicht
C Maximaal toelaatbaar treingewicht
Maximum voorasbelastingD
Maximum achterasbelastingE
Het voertuigidentificatienummer (VIN) en de maximum toelaatbare gewichten zijn vermeld op een plaatje aan slotzijde onderin de opening van het rechter voorportier.
VOERTUIGIDENTIFI- CATIENUMMER

Het Voertuig Identificatie Nummer is in de rechter voorwielkuip ingeslagen. Het is ook op de linkerzijde van het instrumentenpaneel vermeld.
Afmetingen van de auto
Korte wielbasis
| Afmeting in mmBeschrijving via | |
| Maximum lengte - zonder trede achter (Bestelwagen en Kombi) | 4863 (191,5) |
| Maximum lengte (Chassis-cabine en laadbak uitvoeringen met open laadbak) | 5254 (206,9) |
| Maximum lengte - met trede achter (Bestelwagen en Kombi) | 4965 (195,5) |
| Maximum lengte - met trekhaak (Bestelwagen en Kombi) | 5070 (199,6) |
| Maximum lengte - met trekhaak (Chassis Cabine en laadbak uitvoeringen met open laadbak) | 5254 (206,9) |
| Totale breedte - exclusief buitenspiegels (Bestelwagen en Kombi) | 1974 (77,7) |
| Totale breedte - exclusief buitenspiegels (Chassis-cabine en laadbak uitvoeringen met smalle laadbak) | 1998 (78,6) |
| Totale breedte - exclusief buitenspiegels (Chassis-cabine en laadbak uitvoeringen met brede laadbak) | 2198 (86,5) |
| 1997 - 2089 (78,6 - 82,2)Totale ho | |
| Totale hoogte - laag dak (Chassis-cabine en uitvoeringen met open laadbak) | 1956 - 2042 (77 - 80,4) |
| Totale hoogte - semi-hoog dak (Bestelwagen en Kombi) | 2313 - 2405 (91,1 - 94,7) |
| 2933 (115,5)Wielbasis (Beste | |
| Wielbasis (Chassis-cabine en uitvoeringen met open laadbak) | 3137 (123,5) |
| 1737 - 1757 (68,4 - 69,2)Spoorbree | |
| 1642 - 1720 (64,6 - 67,7)Spoorbree |
Middellange wielbasis
| Afmeting in mmBeschrijving van a | |
| Maximum hoogte - semi-hoog dak (Bestelwagen en Kombi) | 5230 (205,9) |
| Maximum lengte - zonder trede achter (Chassis Enkele Cabine en laadbak uitvoeringen met open laadbak) | 5704 (224,6) |
| Maximum lengte - zonder trede achter (Chassis Dubbele Cabine en laadbak uitvoeringen met open laadbak) | 5721 (225,2) |
| Maximum lengte - met trede achter (Bestelwagen en Kombi) | 5332 (209,9) |
| Maximum lengte - met trekhaak (Bestelwagen en Kombi) | 5373 (211,5) |
| Maximum lengte - met trekhaak (Chassis Enkele Cabine en laadbak uitvoeringen zonder open laadbak) | 5481 (215,8) |
| Maximum lengte - met trekhaak (Chassis Dubbele Cabine en laadbak uitvoeringen met open laadbak) | 5721 (225,2) |
| Maximum lengte - met trekhaak (Chassis Enkele Cabine en laadbak uitvoeringen met open laadbak) | 5704 (224,6) |
| Totale breedte excl. buitenspiegels (Bestelwagen en Kombi) - enkele achterwielen | 1974 (77,7) |
| Totale breedte excl. buitenspiegels (Bestelwagen en Kombi) - dubbele achterwielen | 2084 (82) |
| Totale breedte - exclusief buitenspiegels (Chassis-cabine en laadbak uitvoeringen met smalle laadbak) | 1998 (78,6) |
| Totale breedte - exclusief buitenspiegels (Chassis-cabine en laadbak uitvoeringen met brede laadbak) | 2198 (86,5) |
| 1944 - 2069 (76,5 - 81,5)Totale hoog | |
| Totale hoogte - laag dak (Chassis Enkele Cabine en uitvoeringen met open laadbak) | 1948 - 2057 (76,7 - 81) |
| Totale hoogte - laag dak (Chassis Dubbele Cabine en uitvoeringen met open laadbak) | 2031 - 2069 (80 - 81,5) |
| Totale hoogte - semi-hoog dak (Bestelwagen en Kombi) | 2302 - 2390 (90,6 - 94,1) |
Inhouden en specificaties
| Afmeting in mmBeschrijving via | |
| 2532 - 2616 (99,7 - 103)Totale ho# | |
| 3300 (129,9)Wielbasis (Best | |
| Wielbasis (Chassis-cabine en uitvoeringen met open laadbak) | 3504 (138) |
| 1737 - 1761 (68,4 - 69,3)Spoorbree | |
| Spoorbreedte, achter (alle uitvoeringen met enkele achterwielen) | 1710 - 1734 (67,3 - 68,3) |
| Spoorbreedte, achter (Chassis Cabine en uitvoeringen met open laadbak - dubbele achterwielen) | 1642 (64,6) |
Lange wielbasis
| Afmeting in mmBeschrijving van | |
| Maximum hoogte - semi-hoog dak (Bestelwagen en Kombi) | 5751 (226,4) |
| Maximum hoogte - extra hoog dak (Bestelwagen en Kombi) | 5751 (226,4) |
| Maximum hoogte - extra hoog dak (Verlengd chassis Bestelwagen en Kombi) | 6474 (254,9) |
| Maximum lengte (Chassis Enkele Cabine en laadbak uitvoeringen met open laadbak) | 6175 (243,1) |
| Maximum lengte (Chassis Dubbele Cabine en laadbak uitvoeringen met open laadbak) | 6142 (241,8) |
| Maximum lengte - met trede achter (Bestelwagen en Kombi) | 5782 - 6505 (227,6 - 256,1) |
| Maximum lengte - met trede achter (Verlengd chassis Bestelwagen en Kombi) | 6576 (258,9) |
| Maximum lengte - met trede achter (Verlengd chassis, Chassis Enkele Cabine met open laadbak) | 6675 (262,8) |
| Maximum lengte - met trede achter (Verlengd chassis, Chassis Dubbele Cabine met open laadbak) | 6592 (259,5) |
| Maximum lengte - met trekhaak (Bestelwagen en Kombi) | 5798 (228,3)Afmeting in mmBeschrijving van a |
| Maximum lengte - met trekhaak (Verlengd chassis Bestelwagen en Kombi) | 6522 (256,8) |
| Maximum lengte - met trekhaak (Chassis Cabine en laadbak uitvoeringen met open laadbak) | 6175 (240,5) |
| Maximum lengte - met trekhaak (Chassis Cabine en laadbak uitvoeringen met open laadbak), verlengd frame | 6675 (260,2) |
| Totale breedte - exclusief buitenspiegels (Bestelwagen en Kombi met enkellucht) | 1974 (77,7) |
| Totale breedte - exclusief buitenspiegels (Bestelwagen en Kombi met enkellucht en magnetische deurbevestiging) | 1999 (78,7) |
| Totale breedte - exclusief buitenspiegels (Bestelwagen en Kombi met dubbellucht) | 2084 (82) |
| Totale breedte - exclusief buitenspiegels (Chassis-cabine en laadbak uitvoeringen met smalle laadbak) | 1998 (78,6) |
| Totale breedte - exclusief buitenspiegels (Chassis-cabine en laadbak uitvoeringen met brede laadbak) | 2198 (86,5) |
| Totale hoogte - laag dak (Chassis Enkele Cabine en uitvoeringen met open laadbak) | 1972 - 2052 (77,6 - 80,8) |
| Totale hoogte - laag dak (Chassis Dubbele Cabine en uitvoeringen met open laadbak) | 2012 - 2055 (79,2 - 80,9) |
| Totale hoogte - semi-hoog dak (Bestelwagen en Kombi) | 2325 - 2402 (91,5 - 95,6) |
| Totale hoogte - semi-hoog dak (Verlengd chassis Bestelwagen en Kombi) | 2383 (93,8) |
| Totale hoogte - extra hoog dak (Verlengd chassis Bestelwagen en Kombi) | 2608 - 2629 (102,7 - 103,5) |
| 2543 - 2619 (100,1 - 103,1)Totale hoog | |
| Totale hoogte - Verlengd chassis (Chassis Enkele Cabine) | 2012 - 2052 (79,2 - 80,8) |
| Totale hoogte - Verlengd chassis (Chassis Dubbele Cabine) | 2012 - 2055 (79,2 - 80,9) |
| 3750 (147,6)Wielbasis (Bestelw |
Inhouden en specificaties
| Afmeting in mmBeschrijving va | |
| Wielbasis (Chassis-cabine en uitvoeringen met open laadbak) | 3954 (155,7) |
| 1737 - 1757 (68,4 - 69,1)Spoorbree | |
| 1710 - 1720 (67,3 - 67,7)Spoorbree | |
| Spoorbreedte, achter (Chassis Cabine en uitvoeringen met open laadbak - dubbele achterwielen) | 1642 (64,6) |
Afstanden trekhaak
Bestelwagen en Kombi

text_image
A B C D E FE71267
| Afmeting in mmBeschrijving van a | ||
| A | Hart wiel - uiteinde trekhaakkogel (standaard frame) | 1140 (44,9) |
| A | Hart wiel - uiteinde trekhaakkogel (verlengd frame) | 1863 (73,3) |
| 416 (16,4)Hart trekhaakkogel |
Inhouden en specificaties
| Afmeting in mmBeschrijving va | ||
| 832 (32,8)Binnenzijde langs | ||
| 334 (13,1)Hart trekhaakkoge | ||
| E | Hart trekhaakkogel – hart 2e bevestigings-punt | 403,5 (15,9) |
| F | Hart trekhaakkogel - hart 3e bevestigings-punt | 473 (18,6) |
Chassis-cabine en uitvoeringen met open laadbak

text_image
A B C D EE71268
| Afmeting in mmBeschrijving van a | ||
| A | Hart wiel - uiteinde trekhaakkogel (standaard frame) | 1180 (46,5) |
| A | Hart wiel - uiteinde trekhaakkogel (verlengd frame) | 1562 (61,5) |
| 418 (16,5)Hart trekhaakkogel - | ||
| 836 (32,9)Binnenzijde langsb | ||
| 237 (9,3)Hart trekhaakkogel - I | ||
| E | Hart trekhaakkogel – hart 2e bevestigings- punt | 343,5 (13,5) |
BELANGRIJKE AUDIO-INFORMATIE
WAARSCHUWINGEN

Door technische verschillen kunnen opneembare CD's (CD-R's) en opnieuw beschrijfbare CD's (CD-RW's) mogelijk niet correct functioneren.

Op deze toestellen kunnen CD's worden afgespeeld die aan de International Red Book standaard audiospecificatie voldoen. CD's met kopieerbeveiliging van sommige fabrikanten voldoen niet aan deze standaard; het correct afspelen ervan kan dan ook niet worden gegarandeerd.

Dual format, dubbelzijdige CD's (DVD Plus, CD-DVD format), die door de muziekindustrie worden gebruikt, zijn dikker dan normale CD's; het correct afspelen ervan kan dan ook niet worden gegarandeerd en bovendien kunnen ze klemraken. CD's met een onregelmatige vorm en CD's met krasbescherming of zelfklevende etiketten mogen niet worden gebruikt. Garantieclaims, waarbij dit type CD in een audiotoestel wordt aangetroffen dat voor reparatie wordt aangeboden, worden niet geaccepteerd.

Alle toestellen behalve Sony CD (maar niet de 6CD) zijn uitsluitend bedoeld voor het afspelen van commercieel geperste 12 cm audio-CD's. De Sony CD-speler kan 8 cm CD's afspelen wanneer een door Sony goedgekeurde adapter is aangebracht (CSA-8).

Het audiotoestel kan worden beschadigd wanneer voorwerpen als creditcards of munten in de CD-sleuf en geduwd.
Labels op het audiotoestel
CLASS 1
LASER PRODUCT
CAUTION—INVISIBLE LASER RADIATION WHEN OPEN DO NOT STARE INTO BEAM OR
VIEW DIRECTLY WITH OPTICAL INSTRUMENTS
CD etiketten
Audio-CD




MP3




6000CD

text_image
A B C D E CD O AUX AM/FM CLOCK F G 1 4 G 2 5 N BASS/TRE 3 MENU 6 TA H FADE/BAL M L K J IE138367
CD selecteren. Zie CD-speler (bladzijde 204).A
B CD-sleuf. Zie CD's aanbrengen (bladzijde 204).
CD uitwerpen. Zie CD's uitwerpen (bladzijde 207).C
D Aan, uit en volumeregeling. Zie Aan/uit toets (bladzijde 193).
E Golfband selecteren. Zie Golfband toets (bladzijde 196).
F Klok. Zie Tijd en datum van de audio-installatie instellen (bladzijde 191).
G Stationsvoorkeuzetoetsen. Zie Voorkeuzetoetsen (bladzijde 195).
H Verkeersberichten. Zie Regeling functie verkeersinformatie (bladzijde 196).
Oproep aannemen en telefoonmenu. Zie Telefoon (bladzijde 213).I
J Opwaarts zoeken. Zie Station afstemtoetsen (bladzijde 198).
K Menu. Zie Bediening van de audio-installatie (bladzijde 194).
L Neerwaarts zoeken. Zie Station afstemtoetsen (bladzijde 198).
M Balans- en fade-regeling. Zie Balance/fade (balans links/rechts, voor/achter) regeling (bladzijde 193).
N Lage- en hoge-tonenregeling. Zie Bass/treble (lage/hoge tonen) regeling (bladzijde 193).
O Extra ingang selecteren. Zie Ingangsaansluiting (AUX IN) (bladzijde 210).
6006CDC

text_image
A B C D E CD LOAD AM/FM P AUX CLOCK F H 1 VOL ON/OFF 4 H 2 5 O BASS/TRE 3 MENU 6 TA I FADE/BAL N M L K J E138369CD selecteren. Zie CD-speler (bladzijde 204).A
B CD-sleuf. Zie CD's aanbrengen (bladzijde 204).
C CD uitwerpen. Zie CD's uitwerpen (bladzijde 207). Zie Meerdere CD's uitwerpen (bladzijde 209).
CD laden. Zie CD's aanbrengen (bladzijde 204).D
Golfband selecteren. Zie Golfband toets (bladzijde 196).E
F Klok. Zie Tijd en datum van de audio-installatie instellen (bladzijde 191).
Aan, uit en volumeregeling. Zie Aan/uit toets (bladzijde 193).G
H Stationsvoorkeuzetoetsen. Zie Voorkeuzetoetsen (bladzijde 195).
I Verkeersberichten. Zie Regeling functie verkeersinformatie (bladzijde 196).
J Oproep aannemen en telefoonmenu. Zie Telefoon (bladzijde 213).
K Opwaarts zoeken. Zie Station afstemtoetsen (bladzijde 198).
L Menu. Zie Bediening van de audio-installatie (bladzijde 194).
M Neerwaarts zoeken. Zie Station afstemtoetsen (bladzijde 198).
N Balans- en fade-regeling. Zie Balance/fade (balans links/rechts, voor/achter) regeling (bladzijde 193).
○ Lage- en hoge-tonenregeling. Zie Bass/treble (lage/hoge tonen) regeling (bladzijde 193).
P Extra ingang selecteren. Zie Ingangsaansluiting (AUX IN) (bladzijde 210).
Sony CD

text_image
A B C D E F 1 2 3 4 5 6 7 8 9 0 * # S INFO CLOCK R SCAN DSP MENU Q TONE FAD/BAI TA P PHONE ON/OFF J O N M L K E138370A Scannen. Zie Station afstemtoetsen (bladzijde 198). Zie CD-nummers scannen (bladzijde 207).
B Informatie. Zie Werking van de audio-installatie (bladzijde 193). Zie Menu's audio-installatie (bladzijde 200). Zie CD-speler (bladzijde 204). Zie Storingen verhelpen audio-installatie (bladzijde 211).
C Stationsvoorkeuzetoetsen. Zie Voorkeuzetoetsen (bladzijde 195).
D CD-sleuf. Zie CD's aanbrengen (bladzijde 204).
E Klok. Zie Tijd en datum van de audio-installatie instellen (bladzijde 191).
F DSP selecteren. Zie Digitale signaalverwerking (DSP) (bladzijde 200).
Automatisch opslaan. Zie Autostore toets (bladzijde 196).G
H Menu. Zie Bediening van de audio-installatie (bladzijde 194).
I Verkeersberichten. Zie Regeling functie verkeersinformatie (bladzijde 196).
J Aan/uit-regeling. Zie Aan/uit toets (bladzijde 193).
K Balans- en fade-regeling. Zie Balance/fade (balans links/rechts, voor/achter) regeling (bladzijde 193).
L Oproep beëindigen. Zie Telefoon (bladzijde 213). Volumeregeling, navigatietoetsen en keuzetoets.M
N Oproep beantwoorden. Zie Telefoon (bladzijde 213).
O Toonregeling. Zie Bass/treble (lage/hoge tonen) regeling (bladzijde 193). Telefoonmenu. Zie Telefoon (bladzijde 213).P
Q Radio en golfband selecteren. Zie Golfband toets (bladzijde 196).
R Extra ingang en CD selecteren. Zie Ingangsaansluiting (AUX IN) (bladzijde 210). Zie CD-speler (bladzijde 204).
CD uitwerpen. Zie CD's uitwerpen (bladzijde 207).S
BEVEILIGINGSCODE
Elk toestel bevat een unieke code die moet worden ingevoerd voordat het toestel kan worden gebruikt.
Is de accu losgekoppeld of is het toestel uit de auto verwijderd geweest, dan moet de code opnieuw worden ingevoerd voordat het toestel kan worden gebruikt.
Raakt u uw unieke code kwijt, neem dan contact op met uw dealer en geef hem de gegevens van uw audiotoestel en overleg een identiteitsbewijs.
BEVEILIGINGSCODE INVOEREN
Verschijnt CODE ----, CODE 0000 of ENTER KEYCODE in het display wanneer u het audiotoestel inschakelt, dan moet u met behulp van de stationsvoorkeuzetoetsen de unieke code invoeren.
6000CD en 6006CDC
- Druk meerdere malen op de voorkeuzetoets 1 totdat het eerste cijfer van de unieke code in het display verschijnt.
- Druk op dezelfde wijze op de voorkeuzetoetsen 2, 3 en 4 voor de resterende drie cijfers.
- Zorg ervoor dat de complete code correct is voordat u op de voorkeuzetoets 5 drukt om uw selectie te bevestigen.
Sony CD
- Voer de unieke code in met behulp van de stationsvoorkeuzetoetsen.
- Maakt u een fout bij het invoeren van de code, voer de cijfers dan opnieuw in door de toetsen 0-9 te blijven gebruiken. Het display gaat van cijferpositie 1 naar 4 en vervolgens weer terug.
- Zorg ervoor dat de complete code correct is voordat u op de voorkeuzetoets * of de toets tussen de navigatietoetsen drukt om uw selectie te bevestigen.
ONJUISTE BEVEILIGINGSCODE
Maximaal zijn 10 invoerpogingen van de unieke code toegestaan, met verschillende consequenties indien u een fout maakt.
Het aantal pogingen wordt in het display weergegeven.
Wanneer in het display CODE verschijnt, kan meteen een nieuwe poging worden gedaan.
Wanneer in het display WAIT 30 verschijnt, wordt het toestel 30 minuten lang geblokkeerd. Wacht dan tot de timer tot nul heeft afgeteld. Wanneer CODE in het display verschijnt, voert u de correcte code in.
N.B.: Na 10 mislukte pogingen wordt het toestel permanent uitgeschakeld en wordt LOCKED in het display weergegeven. Neem contact op met uw Ford dealer.
TIJD EN DATUM VAN DE AUDIO-INSTALLATIE INSTELLEN
6000CD en 6006CDC
Datum en tijd veranderen
Druk op de CLOCK toets om de datum en tijd weer te geven.
N.B.: Wanneer u binnen 30 seconden na het indrukken van de CLOCK toets niet op een andere toets drukt, keert het display naar de eerdere instelling terug.
- Gebruik de toets voor opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken om de datum en de tijd te kiezen die u wenst te veranderen. De gekozen waarde knippert in het display.
- Draai de volumeregeling om de gekozen datum- of tijdwaarde te veranderen.
- Gebruik de toets voor opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken om extra datum- en tijdwaarden te kiezen die u wenst te veranderen.
- Draai de volumeregeling om de gekozen datum- of tijdwaarde te veranderen.
- Druk op de CLOCK toets om de instelmodus te verlaten en uw instellingen op te slaan.
N.B.: Wanneer u niet binnen 30 seconden na het veranderen van een datum- of tijdwaarde op de CLOCK toets drukt, wordt het instellen beëindigd en worden de nieuwe waarden automatisch opgeslagen.
N.B.: Druk op de CLOCK toets en houd deze langer dan twee seconden ingedrukt om de uurwaarde voor het instellen van winter- of zomertijd te selecteren.
12/24 uurs modus
- Druk enkele malen op de MENU toets totdat het 12/24 symbool in het display verschijnt.
- Gebruik de toets voor opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken om de gewenste instelling te kiezen.
- Druk enkele malen op de MENU toets of laat het menu de functie afbreken om uw selectie te bevestigen.
Sony CD
Datum en tijd veranderen
- Druk op de CLOCK toets.
- Druk op de linker of rechter navigatietoets totdat de datum- of tijdwaarde die u wenst te veranderen in het display knippert.
- Gebruik de navigatietoets voor opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken om de gekozen datum- of tijdwaarde te veranderen.
- Gebruik de linker of rechter navigatietoets om extra datum- en tijdwaarden te kiezen die u wenst te veranderen. De gekozen waarde knippert in het display.
- Herhaal de stappen drie of vier indien nodig.
- Druk op de CLOCK toets of de toets tussen de navigatietoetsen om de instelmodus te verlaten en uw instellingen op te slaan.
12/24 uurs modus
- Druk op de MENU toets.
-
Druk op de navigatietoets voor opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken totdat het 12/24 symbool in het display verschijnt.
-
Druk op de linker of rechter navigatietoets om de gewenste instelling te selecteren.
- Druk op de MENU toets of de toets tussen de navigatietoetsen om uw selectie te bevestigen.
AAN/UIT TOETS
Druk op de aan/uit knop. Hierdoor kan het toestel nog een uur nadat het contact is afgezet worden gebruikt.
Na een uur schakelt het radiotoestel automatisch uit.
De bass-functie wordt gebruikt om de lage-tonenweergave van het audiotoestel te regelen.
De treble-functie wordt gebruikt om de hoge-tonenweergave van het audiotoestel te regelen.
6000CD en 6006CDC
N.B.: Het gekozen niveau wordt in het display weergegeven.
- Druk eenmaal op de BASS/TRE toets voor de lage-tonenweergave en tweemaal voor de hoge-tonenweergave.
- Gebruik de volumeregeling, of bij bepaalde toestellen de toetsen opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken, om de gewenste aanpassingen door te voeren.
Sony CD
N.B.: U kunt deze instellingen afzonderlijk aanpassen voor CD, radio en Aux.
N.B.: Het gekozen niveau wordt in het display weergegeven.
- Druk eenmaal op de TONE toets voor de lage-tonenweergave en tweemaal voor de hoge-tonenweergave.
- Gebruik de navigatietoets opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken om de gewenste aanpassingen door te voeren.
BALANCE/FADE (BALANS LINKS/RECHTS, VOOR/ACHTER) REGELING
De balansfunctie wordt gebruikt om de geluidsverdeling tussen de linker en rechter luidsprekers aan te passen.
De fade-functie wordt gebruikt voor het aanpassen van de geluidsverdeling van voor naar achter in auto's die met luidsprekers achterin zijn uitgerust.
6000CD en 6006CDC
- Druk eenmaal op de FADE/BAL toets voor de fade-functie en tweemaal voor de balansfunctie.
- Gebruik de volumeregeling, of bij bepaalde toestellen de toetsen opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken, om de gewenste aanpassingen door te voeren.
Sony CD
- Druk eenmaal op de FAD/BAL toets voor de fade-functie en tweemaal voor de balansfunctie.
- Gebruik de navigatietoetsen opwaarts of neerwaarts in voor het aanpassen van de fade-instelling en de navigatietoetsen links en rechts voor het aanpassen van de balansinstelling.
Het gekozen niveau wordt in het display weergegeven.
BEDIENING VAN DE AUDIO- INSTALLATIE
Gebruik de MENU toets om toegang te verkrijgen tot functies die niet direct via een van de bedieningstoetsen gekozen kunnen worden. Druk op de MENU toets voor functies op het eerste niveau, of op de MENU toets en houd deze ingedrukt voor functies op het tweede niveau (niet leverbaar op Sony audio-units).
6000CD en 6006CDC
| Menufuncties | |||
| Tweede niveauEerste nivea | |||
| Tijdens radio- ontvangst | Tijdens het afspelen van een cassette | van een CD | Tijdens alle functiesTijdens he |
| afstemmen | Scannen12/24 | luckahedofatgemene verkeersberichten | |
| Scanfunctie | AVC* | Shuffle | AF** |
| REGHerhalenMenu AD | |||
| AVC* | NieuwsKlomp- | ||
| CLIP12/24 uur-Menu A | |||
| - | - | AVC* | VID |
| Bluetooth aan/uitMenu ADV | |||
N.B.: De volgorde waarin functies verschijnen, kan verschillen afhankelijk van de audio-unit of de auto.
N.B.: Functies op het tweede niveau (geavanceerd) kunnen ook ingevoerd worden door het ADV menu in het menu van het eerste niveau te selecteren.
* Automatische volumeregeling.
** Alternatieve frequenties.
Sony CD
| Menufuncties | |
| Tijdens radio-ontvangst | Tijdens het afspelen van een CD |
| 12/24 uur | 12/24 uur |
| CLIP AAN/UIT | CLIP AAN/UIT |
Werking van de audio-installatie
| Menufuncties | |
| Tijdens het afspelen van een CDTijdens radii | |
| Nieuws AAN/UITNieuws AAN/UIT | |
| AVC^1 | AVC^1 |
| AF^2 | AF^2 |
| ^3 volume | TA^3 volumeTA |
| Lokale of algemene verkeersberichtenLokale o ShuffleRegionaal AAN/UIT | |
| Herhalen- | |
| Comp AAN/UIT- | |
N.B.: De volgorde waarin functies verschijnen, kan verschillen afhankelijk van de audio-unit of de auto.
^1 Automatische volumeregeling.
^2 Alternatieve frequenties.
^3 Verkeersberichten.
Sony CD met Bluetooth
Door op de PHONE toets gevolgd door de MENU toets te drukken, wordt toegang verkregen tot de volgende opties:
-Geen actieve telefoon of Actieve telefoon.
- BT-apparaat ontkoppelen.
- Oproepen weigeren AAN/UIT.
- Bluetooth AAN/UIT
VOORKEUZETOETSEN
Met deze voorziening kunt u uw favoriete radiostations opslaan, zodat u later direct hierop kunt afstemmen door de juiste golfband te selecteren en op de betreffende voorkeuzetoets te drukken.
- Kies een golfband.
- Stem af op het gewenste radiostation.
- Houd een van de voorkeuzetoetsen ingedrukt. De geluidsweergave wordt onderbroken. Zodra het geluid weer wordt weergegeven, is het radiostation opgeslagen.
Dit kan op elke golfband en voor iedere voorkeuzetoets worden herhaald.
N.B.: Wanneer u naar een ander deel van het land rijdt, worden FM RDS (Radio Data System) radiostations die op alternatieve frequenties uitzenden onder de voorkeuzetoetsen opgeslagen.
GOLFBAND TOETS
N.B.: De AM/FM of RADIO toets kan ook worden gebruikt om naar radio-ontvangst terug te keren wanneer u naar een andere geluidsbron hebt geluisterd.
6000CD en 6006CDC
Druk op de AM/FM toets om een keuze uit de beschikbare golfbanden te maken.
Sony CD
Druk op de RADIO toets om een keuze uit de beschikbare golfbanden te maken.
AUTOSTORE TOETS
N.B.: Met deze functie worden de eerder onder Autostore opgeslagen voorkeuzestations overschreven.
N.B.: De autostore-band kan, net als bij de andere golfbanden, ook worden gebruikt om radiostations handmatig op te slaan.
N.B.: De krachtigste beschikbare signalen op de gekozen golfband worden opgeslagen.
De geluidsweergave wordt onderbroken en AUTOSTORE wordt in het display weergegeven terwijl de unit de frequenties afzoekt.
Wanneer het zoeken voltooid is, wordt de geluidsweergave hersteld en worden de krachtigste signalen onder de voorkeuzetoetsen van Autostore opgeslagen.
6000CD en 6006CDC
Druk op de AM/FM toets en houd deze ingedrukt.
Sony CD
Druk op de AST of RADIO toets en houd deze ingedrukt.
REGELING FUNCTIE VERKEERSINFORMATIE
Veel radiostations die op de FM-band uitzenden hebben een TP-code die aangeeft dat deze verkeersinformatie uitzenden.
Verkeersberichten inschakelen
Voordat u verkeersberichten kunt ontvangen, moet u op de TA toets drukken. TA-D dan wel TA-L wordt in het display weergegeven om aan te geven dat de functie is ingeschakeld.
Indien u reeds heeft afgestemd op een radiostation dat verkeersinformatie uitzendt, wordt ook TP in het display weergegeven. Anders zoekt de unit naar een verkeersprogramma en wordt tijdens het zoeken TP SEEK weergegeven. Kan de unit een dergelijk radiostation niet vinden, dan wordt NOT FOUND in het display weergegeven.
TP verschijnt in een venster in het display wanneer u heeft afgestemd op een radiostation dat verkeersinformatie levert via een geschakeld RDS (radio data system) of EON (enhanced other network) radiostation.
Wanneer verkeersinformatie wordt uitgezonden, wordt de normale weergave van radio, cassette of CD automatisch onderbroken en verschijnt "TRAFFIC" op het display.
Wanneer het verkeersinformatiesignaal zwakker wordt, knippert TP in het display. Druk op de toets voor opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken (de linker of rechter navigatietoets op Sony audio-units) om een ander radiostation te zoeken.
N.B.: Wanneer dit tijdens het afspelen van een CD of een apparaat in de AUX-aansluiting gebeurt of, bij bepaalde modellen, wanneer het radiovolume op 0 is gezet, dan zal de unit automatisch op een ander radiostation afstemmen dat verkeersinformatie uitzendt.
Indien een radiostation wordt gekozen of met behulp van de voorkeuzetoetsen wordt opgeroepen dat geen verkeersinformatie uitzendt, dan blijft de unit op dat radiostation afgestemd tenzij TA uitgeschakeld en vervolgens weer ingeschakeld wordt.
N.B.: Wanneer TA is ingeschakeld en u kiest een voorkeuzezender of stemt handmatig af op een radiostation dat geen verkeersinformatie (TA) uitzendt, dan wordt geen verkeersinformatie weergegeven.
Lokale of algemene verkeersinformatie
Omdat in sommige gebieden het aantal RDS of EON verkeersberichten erg hoog kan zijn, kan worden gekozen tussen lokale of algemene verkeersinformatie.
6000CD en 6006CDC
- Druk op de MENU toets en houd deze ingedrukt totdat het display verandert.
- Druk enkele malen op de MENU toets totdat TA in het display wordt weergegeven.
- Druk op de toets voor opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken om lokale (TA LOCAL) dan wel algemene (TA DIST) verkeersinformatie te selecteren.
- Druk enkele malen op de MENU toets of laat het menu de functie afbreken om uw selectie te bevestigen.
N.B.: TA-L dan wel TA-D wordt in het display weergegeven.
Sony CD
- Druk op de MENU toets en gebruik de opwaarts of neerwaarts navigatietoets om de TA display te selecteren.
- Druk op de linker of rechter navigatietoets om de gewenste instelling te selecteren.
- Druk op de MENU toets om uw keuze te bevestigen.
Volume van de verkeersberichten
Verkeersberichten onderbreken de normale geluidsweergave met een voorgeprogrammeerd volume dat gewoonlijk hoger is dan het gebruikelijke luistervolume.
Instellen van het voorgeprogrammeerde volume
6000CD en 6006CDC
- Druk op de TA toets en houd deze ingedrukt.
- Stel het gewenste volume met de draaiknop in.
N.B.: Het gekozen niveau wordt in het display weergegeven.
Sony CD
- Druk op de TA toets en houd deze ingedrukt.
- Druk op de linker of rechter navigatietoets om de gewenste instelling te kiezen.
N.B.: Het gekozen niveau wordt in het display weergegeven.
Verkeersberichten beëindigen
Aan het einde van een verkeersbericht gaat de audio-unit weer door met zijn normale werking. Om een verkeersbericht voortijdig af te breken, drukt u tijdens het verkeersbericht op TA.
N.B.: Indien u op een ander tijdstip op TA drukt, worden berichten uitgeschakeld.
STATION AFSTEMTOETSEN
DAB-service linking
N.B.: De DAB-service linking is standaard uitgeschakeld.
N.B.: Via service linking zijn kruisreferenties naar andere betreffende frequenties van hetzelfde radiostation mogelijk, bijvoorbeeld FM en andere DAB-ensembles.
N.B.: Het systeem schakelt automatisch naar een ander corresponderend radiostation indien het huidige radiostation niet beschikbaar is, bijvoorbeeld tijdens het verlaten van het dekkingsgebied.
DAB-service linking inschakelen
- Druk op de MENU toets.
- Scroll met de navigatietoets voor opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken door het display totdat DIGITAL RADIO SERVICE LINK in het display wordt weergegeven.
- Druk op de linker of rechter navigatietoets om AUTO te selecteren.
- Druk op de MENU toets of de toets tussen de navigatietoetsen om uw selectie te bevestigen.
DAB-service linking uitschakelen
- Druk op de MENU toets.
- Scroll met de navigatietoets voor opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken door het display totdat DIGITAL RADIO SERVICE LINK in het display wordt weergegeven.
- Druk op de linker of rechter navigatietoets om OFF te selecteren.
- Druk op de MENU toets of de toets tussen de navigatietoetsen om uw selectie te bevestigen.
Zoeken
6000CD en 6006CDC
Kies een golfband en druk kort op de toets voor opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken. Het toestel stopt bij het eerste radiostation dat in de door u gekozen richting wordt gevonden.
Sony CD
Kies een golfband en druk kort op de navigatietoets voor opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken. Het toestel stopt bij het eerste radiostation dat in de door u gekozen richting wordt gevonden.
Handmatig afstemmen
6000CD en 6006CDC
- Kies een golfband en druk op de toets MENU totdat MAN in het display wordt weergegeven.
- Druk op de toets voor opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken om de golfband in kleine stappen omhoog of omlaag af te zoeken of houd de toets ingedrukt om de golfband in grotere stappen af te zoeken totdat u een radiostation vindt waarnaar u wilt luisteren.
Sony CD
Kies een golfband en druk kort op de navigatietoets voor opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken om in kleine stappen de golfband omhoog of omlaag af te zoeken. Het display geeft de gekozen frequentie weer.
Scanfunctie
Met de scanfunctie kunt u elk gevonden station 10 seconden lang beluisteren.
6000CD en 6006CDC
- Druk enkele malen op de MENU toets totdat SCAN in het display wordt weergegeven.
- Druk op de toets voor opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken om de gekozen golfband omhoog of omlaag af te zoeken.
- Afhankelijk van het audiotoestel drukt u op de toets voor opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken of op de MENU toets om verder te luisteren naar een radiostation.
Sony CD
- Druk op de SCAN toets. SCAN knippert of SCANNING wordt in het display weergegeven.
- Druk op de linker of rechter navigatietoets om binnen een golfband te zoeken.
- Druk op de SCAN toets om verder te luisteren naar een radiostation.
AUTOMATISCHE VOLUMEREGELING
Met deze functie regelt u het geluidsvolume ter compensatie van motorgeluiden en bandengeruis.
6000CD en 6006CDC
- Druk enkele malen op de MENU toets totdat AVC in het display wordt weergegeven.
- Gebruik de toets voor opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken om de instelling aan te passen.
- Druk enkele malen op de MENU toets of laat het systeem de functie afbreken om uw selectie te bevestigen.
Sony CD
- Druk op de MENU toets.
- Scroll met de navigatietoets voor opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken door het display totdat AVC in het display wordt weergegeven.
- Druk enkele malen op de MENU toets of laat het systeem de functie afbreken om uw selectie te bevestigen.
DSP voor bezette zitplaatsen
Deze functie houdt rekening met de verschillen in afstand tot de diverse luidsprekers in de auto ten opzichte van de zitplaatsen. Kies de zitplaats waarvoor het audiosignaal moet worden gecorrigeerd.
DSP-equalizer
Kies de muziekcategorie waarnaar u bij voorkeur luistert. Het audiosignaal verandert om de weergave van de specifiek gekozen muziekstijl te verbeteren.
DSP-instellingen wijzigen
- Druk eenmaal op de DSP toets voor bezette zitplaatsen en tweemaal voor de equalizer. Positie van onderdeel: Zie Overzicht audio-installatie (bladzijde 186).
- Gebruik de navigatietoets voor opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken om de gewenste instelling te kiezen.
- Druk op de toets tussen de navigatietoetsen om uw keuze te bevestigen.
REDUCTIE GELUIDSVERVORMING (CLIP)
Deze functie detecteert automatisch geluidsvervormingen en verlaagt het geluidsvolume totdat de vervorming is verdwenen. Dit betekent dat wanneer u het volume handmatig verhoogt de waarde in het display toeneemt, maar het geluid mogelijk niet toeneemt.
6000CD en 6006CDC
- Druk op de MENU toets en houd deze ingedrukt totdat het display verandert.
- Druk enkele malen op de MENU toets totdat CLIP in het display wordt weergegeven.
- Gebruik de toets voor opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken om de functie in- of uit te schakelen.
- Druk enkele malen op de MENU toets of laat het systeem de functie afbreken om uw selectie te bevestigen.
Sony CD
- Druk kort op de MENU toets.
- Scroll met de navigatietoets voor opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken door het display totdat CLIP in het display wordt weergegeven.
- Druk enkele malen op de MENU toets of laat het systeem de functie afbreken om uw selectie te bevestigen.
ALTERNATIEVE FREQUENTIES
Veel programma's die op de FM golfband uitzenden, hebben een PI (programma-identificatie) code, die door het audiotoestel kan worden herkend.
Wanneer bij uw radio AF (alternatieve frequenties) is ingeschakeld en u rijdt van het ene naar het andere ontvangstgebied, dan zoekt deze functie naar een krachtiger stationssignaal en stemt daarop af zodra het is gevonden.
Onder bepaalde omstandigheden kan door het afstemmen op alternatieve frequenties (AF) de normale ontvangst tijdelijk worden onderbroken.
Het toestel evalueert continu de signaalsterkte en, indien een beter signaal beschikbaar komt, schakelt het toestel over naar dat alternatief. De geluidsweergave wordt onderbroken terwijl het toestel de lijst met alternatieve frequenties controleert en, zo nodig, de gekozen golfband eenmaal afzoekt naar een alternatieve frequentie.
Wanneer een radiostation wordt gevonden, wordt de geluidsweergave hervat; wanneer geen radiostation wordt gevonden, keert het toestel automatisch terug naar de oorspronkelijke frequentie. Op bepaalde toestellen wordt NOT FOUND in het display weergegeven.
Wanneer AF-MAN is gekozen, werkt het toestel op dezelfde wijze als bij AF-AUTO of AF-ON, maar er wordt dan alleen naar alternatieve frequenties gezocht wanneer op een voorkeuzetoets wordt gedrukt.
Wanneer AF-OFF is gekozen, blijft het toestel op de oorspronkelijk gekozen frequentie afgestemd. In deze modus wordt AF-OFF telkens wanneer het toestel wordt ingeschakeld, weergegeven.
6000CD en 6006CDC
- Druk op de MENU toets en houd deze ingedrukt totdat het display verandert.
- Druk enkele malen op de MENU toets totdat AF in het display wordt weergegeven.
- Gebruik de toets voor opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken om de gewenste instelling te kiezen.
- Druk enkele malen op de MENU toets of laat het systeem de functie afbreken om uw selectie te bevestigen.
Sony CD
- Druk kort op de MENU toets.
- Scroll met de linker of rechter navigatietoets door het display totdat de gewenste instelling in het display wordt weergegeven.
- Druk op de MENU toets om uw keuze te bevestigen.
De functie REG (regionale modus) regelt het gedrag van AF door tussen regionale netwerken van een hoofdzender te schakelen. Een zender kan over een groot netwerk beschikken dat in een groot deel van het land te ontvangen is. Op verschillende momenten van de dag kan dit grote netwerk worden onderverdeeld in een aantal kleinere regionale netwerken, die bijvoorbeeld in grotere plaatsen of steden zijn gevestigd. Wanneer het netwerk niet in regionale zenders wordt opgesplitst, zendt het complete netwerk hetzelfde programma uit.
Regionale modus AAN: Dit voorkomt dat AF willekeurig naar andere regionale netwerken schakelt die niet hetzelfde programma uitzenden.
Regionale modus UIT: Hiermee kan een groter gebied worden ontvangen wanneer naburige regionale netwerken hetzelfde programma uitzenden; het kan er echter wel toe leiden dat AF willekeurig overschakelt wanneer dit niet het geval is.
6000CD en 6006CDC
- Druk op de MENU toets en houd deze ingedrukt totdat het display verandert.
- Druk enkele malen op de MENU toets totdat REG in het display wordt weergegeven.
- Gebruik de toets voor opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken om de functie in- of uit te schakelen.
- Druk enkele malen op de MENU toets of laat het systeem de functie afbreken om uw selectie te bevestigen.
Sony CD
- Druk kort op de MENU toets.
- Scroll met de navigatietoets voor opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken door het display totdat REGIONAL in het display wordt weergegeven.
- Druk enkele malen op de MENU toets of laat het systeem de functie afbreken om uw selectie te bevestigen.
NIEUWSBERICHTEN
Sommige radiotoestellen onderbreken de normale ontvangst voor nieuwsbulletins van radiostations op de FM golfband op dezelfde wijze als bij verkeersberichten.
Tijdens nieuwsberichten wordt afwisselend de stationsnaam en NEWS in het display weergegeven. Het nieuwsbericht onderbreekt de geluidsweergave met hetzelfde voorgeprogrammeerde volume als bij verkeersberichten.
6000CD en 6006CDC
- Druk op de MENU toets en houd deze ingedrukt totdat NEWS in het display wordt weergegeven.
- Gebruik de toets voor opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken om de functie in- of uit te schakelen.
- Druk op de MENU toets om uw keuze te bevestigen.
Sony CD
- Druk op de MENU toets.
- Scroll met de navigatietoets voor opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken door het display totdat NEWS in het display wordt weergegeven.
-
Druk op de toets tussen de navigatietoetsen om uw keuze te maken.
-
Gebruik de linker of de rechter navigatietoets om de functie in- of uit te schakelen.
- Druk op de MENU toets of de toets tussen de navigatietoetsen om uw selectie te bevestigen.
CD'S AANBRENGEN
6000CD
Controleer altijd dat de CD-sleuf leeg is alvorens een CD in te brengen.
Breng een CD, met het label naar boven gekeerd, in het audiotoestel in.
6006CDC
Een CD laden
Druk op de LOAD toets en laat deze weer los of druk op een voorkeuzetoets. WAIT wordt in het display weergegeven.
Wanneer de boodschap verandert in LOAD CD, en lichten in de CD-sleuf knipperen, steekt u de CD, met het label naar boven gekeerd, in het audiotoestel.
Meer dan een CD laden
WAARSCHUWING

Wanneer de voeding naar het audiotoestel wordt onderbroken en vervolgens weer wordt aangesloten, dan controleert het systeem automatisch of zich CD's in het magazijn bevinden. Dit duurt ongeveer 25 seconden. Gedurende deze tijd worden alle functies, met uitzondering van het invoeren van de Keycode, geblokkeerd.
- Druk op de LOAD toets en houd deze ingedrukt totdat LOAD ALL in het display wordt weergegeven.
-
Wanneer de boodschap verandert in LOAD CD, en lichten in de CD-sleuf knipperen, steek dan een CD, met het label naar boven gekeerd, in het audiotoestel.
-
Een CD-symbol met een nummer knippert in het display en LOAD wordt in het display weergegeven. Wanneer de CD is geladen, verschijnt een nummer bij één van de CD-symbolen om de plaats van de CD aan te geven.
- Wanneer de boodschap verandert inWAIT en vervolgens in LOAD CD kunt u een andere CD laden.
- Herhaal de laatste stap om meer CD's te laden of om het laden te onderbreken wanneer u klaar bent met CD's laden.
N.B.: Probeer geen CD's te laden wanneer WAIT in het display wordt weergegeven.
N.B.: Laad nooit twee CD's in de vorm van een acht met overlappende randen.
N.B.: U kunt maximaal zes CD's laden.
N.B.: Wordt opnieuw op de LOAD toets gedrukt, dan wordt CDC FULL in het display weergegeven.
Sony CD
Controleer altijd dat de CD-sleuf leeg is alvorens een CD in te brengen.
Breng een CD, met het label naar boven gekeerd, in het audiotoestel in.
LOADING, READING CD en AUDIO CD of MP3 CD wordt in het display weergegeven, en het afspelen start automatisch.
NUMMER SELECTEREN
6000CD en 6006CDC
Druk eenmaal op de toets voor opwaarts zoeken om naar het volgende nummer te gaan of druk er meerdere malen op om naar daaropvolgende nummers te gaan.
Druk eenmaal op de toets voor neerwaarts zoeken om het huidige nummer te herhalen. Wanneer binnen twee seconden vanaf het begin van een nummer op deze toets wordt gedrukt, dan wordt het vorige nummer gekozen.
Druk meerdere malen op de toets voor neerwaarts zoeken om voorafgaande nummers te kiezen.
Sony CD
Druk eenmaal op de navigatietoets voor opwaarts zoeken om naar het volgende nummer te gaan of druk er meerdere malen op om naar daaropvolgende nummers te gaan.
Druk eenmaal op de navigatietoets voor neerwaarts zoeken om het huidige nummer te herhalen. Wanneer binnen twee seconden vanaf het begin van een nummer op deze toets wordt gedrukt, dan wordt het vorige nummer gekozen.
Druk meerdere malen op de navigatietoets voor neerwaarts zoeken om voorafgaande nummers te kiezen.
CD AFSPELEN
N.B.: Tijdens het afspelen wordt de CD, het nummer en de tijd die is verstreken sinds de start van het nummer in het display weergegeven.
N.B.: Wanneer bij CD wisselaars twee of meer CD's na elkaar worden geladen, begint het afspelen met de CD die het laatst is geladen.
6000CD en 6006CDC
Druk tijdens radio-ontvangst eenmaal op de toets CD om het afspelen van de CD te starten.
Het afspelen start direct zodra een CD is geladen.
Sony CD
Druk tijdens radio-ontvangst eenmaal op de toets CD/AUX om het afspelen van de CD te starten.
Het afspelen start direct zodra een CD is geladen.
CD SELECTEREN
6006CDC
Bij CD wisselaars worden de CD's normaal achter elkaar in oplopende volgorde afgespeeld.
U kunt echter naar een CD van uw keuze overschakelen door te drukken op de voorkeuzetoets met het nummer van de CD die u wenst af te spelen. Het display geeft dan aan welke CD is gekozen.
Het toestel onthoudt welke CD's beschikbaar zijn en kiest dus geen ontbrekende CD. Wanneer u met behulp van de voorkeuzetoetsen een ontbrekende CD kiest, wordt NO CD in het display weergegeven en gaat het afspelen verder met de huidige CD.
N.B.: Wanneer een gekozen CD beschadigd is of ondersteboven is aangebracht, knippert de waarschuwing CD ERROR en wordt het nummer van de CD weergegeven. Het toestel kiest dan de volgende beschikbare CD.
VERSNELD
VOORUIT/ACHTERUIT
6000CD en 6006CDC
Druk op de toets voor opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken en houd deze ingedrukt om voorwaarts of achterwaarts binnen de nummers van de CD te zoeken.
Sony CD
Druk op de linker of rechter navigatietoets en houd deze ingedrukt om voorwaarts of achterwaarts te zoeken binnen de nummers van de CD.
SHUFFLE/RANDOM (DOOR ELKAAR/WILLEKEURIG)
Door het willekeurig afspelen van nummers, ook wel "shuffle" genaamd, worden alle nummers op een CD in willekeurige volgorde afgespeeld.
6000CD en 6006CDC
N.B.: Wanneer SHUFF CD is gekozen, worden alleen de nummers van de huidige CD in willekeurige volgorde afgespeeld. Wanneer SHUF ALL is gekozen, worden de nummers van alle CD's in willekeurige volgorde afgespeeld.
- Druk enkele malen op de MENU toets totdat SHUF in het display wordt weergegeven.
- Scroll met de toets voor opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken door het display totdat SHUF ALL of SHUFF CD in het display wordt weergegeven.
- Gebruik indien nodig de toets voor opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken om het volgende nummer te kiezen.
N.B.: Wanner de functie is ingeschakeld verschijnt telkens wanneer een nieuw nummer wordt gekozen SHUFFLE in het display.
Sony CD
- Druk op de MENU toets.
- Scroll met de navigatietoets voor opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken door het display totdat SHUFFLE in het display wordt weergegeven.
- Gebruik de linker of de rechter navigatietoets om de functie in- of uit te schakelen.
CD-NUMMERSCOMPRIMEREN
6000CD en 6006CDC
- Druk enkele malen op de MENU toets totdat COMP in het display wordt weergegeven.
- Gebruik de toets voor opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken om de functie in- of uit te schakelen.
- Druk op de MENU toets om uw keuze te bevestigen.
Sony CD
- Druk op de MENU toets.
- Scroll met de navigatietoets voor opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken door het display totdat COMP in het display wordt weergegeven.
- Druk op de toets tussen de navigatietoetsen om uw keuze te maken.
- Gebruik de linker of de rechter navigatietoets om de functie in- of uit te schakelen.
- Druk op de MENU toets of de toets tussen de navigatietoetsen om uw selectie te bevestigen.
CD-NUMMERS SCANNEN
Met behulp van de SCAN functie kunt u elk nummer ongeveer 10 seconden lang beluisteren.
6000CD en 6006CDC
N.B.: Na de selectie verschijnt SCAN kort in het display aan het begin van elk nummer.
- Druk enkele malen op de MENU toets totdat SCAN in het display wordt weergegeven.
- Gebruik de toets voor opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken om SCAN CD dan wel SCAN ALL te kiezen.
- Druk nogmaals op de toets voor opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken om een nummer verder te beluisteren.
Sony CD
- Druk eenmaal op de SCAN toets om elk nummer te scannen.
- Druk nogmaals op de SCAN toets om SCAN OFF te kiezen.
CD'S UITWERPEN
N.B.: De radio-ontvangst wordt automatisch hervat wanneer op de toets EJECT wordt gedrukt.
N.B.: Wanneer onbedoeld op de EJECT toets wordt gedrukt, kunt u het uitwerpen annuleren door nogmaals op de toets te drukken.
N.B.: Als de CD niet wordt verwijderd, dan wordt deze weer terug de audio-unit ingetrokken.
6000CD
Druk op elk gewenst moment op de EJECT toets en verwijder de CD.
6006CDC
Druk op elk gewenst moment op de EJECT toets en verwijder de CD die wordt afgespeeld of gebruik een voorkeuzetoets om een CD te kiezen die u wilt verwijderen. SELECT of SELECT CD gevolgd door REMOVE CD wordt in het display weergegeven.
Sony CD
N.B.: Is geen CD geladen wanneer op de EJECT toets wordt gedrukt, dan wordt NO CD in het display weergegeven.
Druk op elk gewenst moment op de EJECT toets en verwijder de CD. EJECTING en PLEASE REMOVE wordt in het display weergegeven.
CD-NUMMERS HERHALEN
6000CD
- Druk enkele malen op de MENU toets totdat REPEAT in het display wordt weergegeven.
- Gebruik de toets voor opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken om te kiezen tussen OFF en TRK.
6006CDC
- Druk enkele malen op de MENU toets totdat REPEAT in het display wordt weergegeven.
- Gebruik de toets voor opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken om te kiezen tussen ALL (standaard), CD en TRK.
Sony CD
- Druk op de MENU toets.
-
Scroll met de navigatietoets voor opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken door het display totdat REPEAT in het display wordt weergegeven.
-
Kies met behulp van de linker of rechter navigatietoetsen REPEAT TRACK of REPEAT OFF.
- Druk op de MENU toets om uw keuze te bevestigen.
N.B.: Sommige audiobestanden met een kopieerbeveiliging kunnen wellicht niet worden gelezen door de CD-speler.
De CD-speler ondersteunt tevens audiobestanden van het formaat MP3 en WMA.
Wanneer een CD met audio in de CD-speler wordt geplaatst, wordt de mapstructuur van de CD ingelezen. Het kan even duren voordat wordt begonnen met afspelen (afspelen is afhankelijk van de kwaliteit van de CD).
MP3 nummers kunnen op verschillende manieren op een CD worden opgenomen. Ze kunnen allemaal in de hoofdmap worden geplaatst, net als bij een normale audio-CD, of ze kunnen in een bepaalde map worden geplaatst, die bijvoorbeeld bedoeld is voor een album, een artiest of een bepaald genre.
Een multi session CD afspelen
De normale afspeelvolgorde bij CD's met meerdere mappen is eerst de nummers in de bovenliggende map, dan de nummers in de eerste onderliggende map, vervolgens de nummers in de tweede onderliggende map, etc. Wanneer bijvoorbeeld folder 1 de folders 1a en 1b bevat, en folder 2 bevat folder 2a, is de afspeelvolgorde folder 1, 1a, 1b, 2, 2a.
Wanneer het afspelen van een bestand is voltooid, wordt verder gegaan met het afspelen van de andere bestanden in dezelfde map. De map wordt automatisch gewijzigd wanneer alle bestanden in de huidige map zijn afgespeeld.
MP3 WEERGAVE-OPTIES
Wanneer een MP3-CD wordt afgespeeld, kan bepaalde informatie die gecodeerd in elke opname is opgenomen, worden weergegeven. Deze informatie omvat meestal:
- De bestandsnaam
- De naam van de map
- ID3 informatie die op het album kan staan of de naam van de artiest.
Gewoonlijk wordt de naam van het bestand dat wordt afgespeeld weergegeven. Druk om een van de andere informatie-items te selecteren herhaaldelijk op de INFO toets tot het benodigde item wordt weergegeven in de display.
N.B.: Wanneer de gekozen ID3 informatie niet beschikbaar is, verschijnt NO MP3 TAG op het display.
Opties weergave CD tekst
Wanneer een audio CD met CD tekst wordt afgespeeld, kan een beperkte hoeveelheid informatie, die aan elk nummer is toegevoegd, worden weergegeven. Deze informatie omvat meestal:
- De naam van de CD
- De naam van de artiest
- De naam van het nummer.
N.B.: Deze display-opties kunnen op dezelfde wijze worden gekozen als bij MP3 CD's. NO DISC NAME of NO TRACK NAME wordt weergegeven in de display als geen informatie is gecodeerd.
AFSPELEN CD BEËINDIGEN
6000CD en 6006CDC
Druk op de AM/FM of AUX toets.
N.B.: Hierdoor wordt de CD niet uitgeworpen; de CD-weergave wordt alleen onderbroken op de plaats waar de radio-weergave werd hervat.
Druk opnieuw op de CD toets om het afspelen van de CD te hervatten.
Sony CD
Druk op de RADIO of CD/AUX toets.
N.B.: Hierdoor wordt de CD niet uitgeworpen; de CD-weergave wordt alleen onderbroken op de plaats waar de radio-weergave werd hervat.
Druk opnieuw op de CD/AUX toets om het afspelen van de CD te hervatten.
MEERDERE CD'S UITWERPEN
6006CD
Druk op de EJECT toets en houd deze ingedrukt totdat EJECTALL in het display wordt weergegeven.
Het display wisselt tussen REMOVE en WAIT.
Wordt REMOVE weergegeven, verwijder dan een CD uit het toestel. Herhaal deze handelingen totdat alle CD's zijn verwijderd.
N.B.: Stel voor optimale prestaties bij het afspelen van een extra apparaat het volume daarvan hoog. Hierdoor worden storingen gereduceerd wanneer het apparaat wordt aangesloten op de aansluiting voor de sigarenaansteker in de auto.
Via de extra ingang (AUX IN), indien aanwezig, kan een extra apparaat zoals een MP3-speler op het audiotoestel van de auto worden aangesloten. Het geluid kan via de autoluidsprekers worden weergegeven.
Sluit het extra apparaat met conventionele 3,5 mm audiostekkers aan op de AUX IN aansluiting.
Kies de extra ingang door middel van de AUX toets en het extra apparaat wordt via de autoluidsprekers afgespeeld. AUX wordt in het display weergegeven. Volume, hoge en lage tonen kunnen zoals gewoonlijk via het audiotoestel worden geregeld.
De toetsen van het audiotoestel kunnen ook worden gebruikt om de weergave van het audiotoestel te hervatten, terwijl het extra apparaat aangesloten blijft.
| RemedieDisplay van het audioto | |
| CD ERRORPLEASE CHECK CDCDC ERROR | Algemeen storingsbericht voor storingen tijdens het afspelen van een CD, bijv.: kan CD niet aflezen, data-CD aangebracht. Kan ook wijzen op een storing in het audiotoestel. Controleer of de CD correct geladen is, reinig de CD en laad deze opnieuw of vervang de CD door een voor u bekende muziek-CD. Zie CD's uitwerpen (bladzijde 207). Zie Meerdere CD's uitwerpen (bladzijde 209). Zie CD's aanbrengen (bladzijde 204). Wanneer de storing blijft bestaan. Neem contact op met uw Ford dealer. |
| NO CDNO CDSNO CD # | Bericht dat aangeeft dat zich geen CD's in het audiotoestel of de CD-wisselaar bevinden. Breng een CD aan. Zie CD's aanbrengen (bladzijde 204). |
| HIGH TEMPCD DRIVE HIGH TEMP | Omgevingstemperatuur te hoog – CD-speler werkt niet totdat deze is afgekoeld. |
| SLOT FULL | Bericht dat aangeeft dat zich reeds een CD in de sleuf bevindt. Werp de CD uit de gekozen sleuf uit alvorens te proberen een CD aan te brengen, of kies een andere sleuf. Zie CD's aanbrengen (bladzijde 204). |
| CDC FULL | Bericht dat aangeeft dat alle sleuven van het audiotoestel reeds bezet zijn. Zie CD's uitwerpen (bladzijde 207). Zie Meerdere CD's uitwerpen (bladzijde 209). |
| DATA CD | Er is een ongeschikte CD aangebracht, bijvoorbeeld geen audio-CD. Zie CD's uitwerpen (bladzijde 207). Zie Meerdere CD's uitwerpen (bladzijde 209). |
| CODE ---- | Bericht dat u vraagt, de Keycode in te geven. Zie Beveiligingscode invoeren (bladzijde 190). |
| WAIT | Bericht dat u vraagt, te wachten tot de volgende poging kan worden ondernomen om de Keycode in te geven. Zie Onjuiste beveiligingscode (bladzijde 190). |
| TRIES | Bericht dat het aantal verkeerd ingegeven Keycodes aangeeft. Zie Onjuiste beveiligingscode (bladzijde 190). |
| LOCKED | Bericht dat aangeeft dat de systeembeveiliging het toestel heeft geblokkeerd nadat herhaaldelijk onjuiste Keycodes zijn ingegeven. Neem contact op met uw Ford dealer.RemedieDisplay van het audiotoestel |
| KEYCODE.... ENTER KEYCODE.... | Bericht dat u vraagt, de Keycode in te geven. Zie Beveiligingscode invoeren (bladzijde 190). |
| INCORRECT | Bericht dat u informeert dat de ingegeven Keycode onjuist is. Zie Onjuiste beveiligingscode (bladzijde 190). |
ALGEMENE INFORMATIE
LET OP

Door gebruik van het systeem bij uitgeschakelde motor wordt de accu ontladen.
In dit hoofdstuk worden de functies en eigenschappen van het handsfree systeem voor de Bluetooth mobiele telefoon beschreven.
Het Bluetooth mobiele telefoongedeelte van het systeem zorgt voor de interactie tussen de audio-installatie of het navigatiesysteem en uw mobiele telefoon. Het zorgt ervoor dat u uw audio-installatie of het navigatiesysteem kunt gebruiken voor het ontvangen van telefoongesprekken zonder daarbij uw mobiele telefoon vast te houden.
Compatibiliteit van telefoontoestellen
LET OP

Omdat er geen algemene overeenkomst bestaat, kunnen fabrikanten van mobiele telefoons een groot aantal profielen in hun Bluetooth apparaten implementeren. Daardoor is het mogelijk dat een telefoon niet compatible met een handsfree systeem is, waardoor in sommige gevallen de prestaties van het systeem aanzienlijk worden beperkt. Om dit te voorkomen moeten alleen aanbevolen telefoons worden gebruikt.
Bezoek de website
www.ford-mobile-connectivity.com
voor volledige gegevens.
SETUP TELEFOON
Telefoonboek
Na het opstarten kan het al naar gelang de grootte enkele minuten duren voordat u toegang tot de telefoonboeklijst krijgt.
Telefoonboekcategorieën
Afhankelijk van uw telefoonboekadres kunnen verschillende categorieën op de audiounit worden weergegeven.
Voorbeeld:
| MobielM | |
| KantoorO | |
| ThuisH | |
| F | Fax |
N.B.: Adressen kunnen met of zonder toevoegingen worden weergegeven.
De categorie kan ook als icoon worden weergegeven:

Telefoon

Mobiel

Thuis

Kantoor

Fax
Van een telefoon een actieve telefoon maken
Wanneer het systeem voor het eerst wordt gebruikt, zijn er nog geen telefoons gekoppeld met het systeem.
Bluetooth telefoon
Nadat een Bluetooth telefoon bij het systeem is aangemeld, wordt deze de actieve telefoon. Raadpleeg voor meer informatie het menu van de telefoon.
Selecteer de telefoon in het menu van de actieve telefoon.
Wanneer het contact en het audio- of navigatiesysteem weer worden ingeschakeld, wordt de koppeling aan de laatste actieve telefoon door het systeem hersteld.
N.B.: In sommige gevallen moet de Bluetooth verbinding ook op de telefoon worden bevestigd.
Een andere Bluetooth telefoon aanmelden
Koppel een nieuwe Bluetooth telefoon zoals is beschreven onder 'Eisen voor een Bluetooth verbinding'.
Telefoons die in het systeem zijn opgeslagen zijn met behulp van de telefoonlijst op de audiounit toegankelijk.
N.B.: Er kunnen maximaal zes apparaten worden gekoppeld. Als er al zes Bluetooth apparaten zijn gekoppeld, moet er één worden ontkoppeld om een nieuw apparaat te kunnen koppelen.
SETUP BLUETOOTH
Voordat u uw telefoon kunt gebruiken moet deze worden gekoppeld aan het telefoonsysteem in de auto.
Telefoons bedienen
Er kunnen maximaal zes Bluetooth apparaten aan het systeem in de auto worden gekoppeld.
N.B.: Wanneer met de telefoon die als de nieuwe actieve telefoon wordt geselecteerd een gesprek wordt gevoerd, wordt het gesprek doorgeschakeld naar het audiosysteem in de auto.
N.B.: Zelfs wanneer uw telefoon aan een systeem in de auto is gebonden, kan deze nog op de gebruikelijke wijze worden gebruikt.
Eisen voor een Bluetooth verbinding
Het volgende is vereist voordat met een Bluetooth telefoon een verbinding tot stand kan worden gebracht.
-
De Bluetooth functie moet op de telefoon en op het audiosysteem zijn ingeschakeld. Zorg ervoor dat de menu-optie Bluetooth in de audiounit op AAN is ingesteld. Raadpleeg voor meer informatie over telefooninstellingen de handleiding van uw mobiele telefoon.
-
Zoek in het Bluetooth menu van uw telefoon naar Ford Audio en selecteer deze optie.
-
Voer het op de voertuigdisplay weergegeven codenummer in met behulp van de toetsen van de telefoon. Wanneer geen codenummer wordt weergegeven op de display, voer dan het Bluetooth PIN nummer 0000 in met behulp van de toetsen van de telefoon. Voer nu het op de voertuigdisplay weergegeven Bluetooth PIN-nummer in.
-
Als de mobiele telefoon om goedkeuring van de automatische verbinding vraagt, selecteer dan JA.
N.B.: Als de audiounit wordt uitgeschakeld, wordt een telefoongesprek verbroken. Wanneer de contactsleutel in de stand '0' wordt gezet, blijft de telefoonverbinding behouden.
BEDIENINGSELEMENTEN TELEFOON
Afstandsbediening
Voice en mode toets

text_image
1 VOL+ VOICE MODE SEEK 2 VOL- E87661Voice toets1
Mode toets2
Oproepen kunnen worden beantwoord door eenmaal op de toets MODE te drukken. Druk de toets opnieuw in om de oproep te beëindigen.
GEBRUIK MAKEN VAN DE TELEFOON - AUTO'S ZONDER NAVIGATIESYSTEEM
In dit hoofdstuk worden de telefoonfuncties van de audio-unit beschreven.
N.B.: Raadpleeg de handleiding van de audio-unit voor meer informatie over de bedieningsorganen.
Er moet een actieve telefoon aanwezig zijn.
Zelfs wanneer uw telefoon op de audio-unit is aangesloten, kan de telefoon op de gebruikelijke wijze worden gebruikt.
N.B.: U kunt het telefoonmenu verlaten door op de CD, AM/FM of AUX toets te drukken.
Bellen
Een nummer kiezen m.b.v. spraakbesturing
Telefoonnummers kunnen m.b.v. spraakbesturing worden gekozen. Zie Commando's telefoon (bladzijde 232).
Een nummer kiezen m.b.v. het adresboek
U kunt via Bluetooth toegang krijgen tot uw adresboek. De namen en nummers verschijnen op het display van het apparaat.
-
Druk op de toets PHONE of de toets 'beantwoorden'.
-
Druk op de MENU toets.
-
Houd de MENU toets ingedrukt tot PHONEBOOK verschijnt.
-
Druk op de zoektoetsen om het gewenste telefoonnummer te selecteren.
N.B.: Houd de zoektoets ingedrukt om naar de volgende letter van het alfabet te gaan.
- Druk op de toets PHONE of de toets 'beantwoorden' om het geselecteerde telefoonnummer te bellen.
Een nummer kiezen m.b.v. het adresboek - Sony radio
U kunt via Bluetooth toegang krijgen tot uw adresboek. De namen en nummers verschijnen op het display van het apparaat.
- Druk op de toets PHONE.
- Druk op de zoektoets tot het telefoonboek wordt weergegeven.
- Druk op de omhoog/omlaag-pijltjestoetsen om het gewenste telefoonnummer te selecteren.
N.B.: Houd de omhoog/omlaag-pijltjestoetsen ingedrukt om naar de volgende letter van het alfabet te gaan.
- Druk op de toets PHONE of de toets 'beantwoorden' om het geselecteerde telefoonnummer te bellen.
Een nummer kiezen m.b.v. het telefoontoetsenblok
Als u over een audiounit met telefoontoetsenblok beschikt (toetsen 0-9, * en #):
- Druk op de toets 'beantwoorden'. Druk op de toets PHONE als u een Sony radio hebt.
- Kies het nummer met het toetsenbord op de audio-unit.
- Druk op de toets 'beantwoorden'.
N.B.: Als u bij het kiezen van een telefoonnummer een onjuist cijfer intoetst, druk dan op de toets 'naar links zoeken' om het laatste cijfer te wissen. Wanneer de toets lang wordt ingedrukt, wordt de complete serie cijfers gewist.
Houd de 0 ingedrukt om een + in te toetsen.
Een gesprek beëindigen
Gesprekken kunnen worden beëindigd door op de toets 'weigeren' te drukken.
Bij audio-units zonder telefoontoetsenblok kunt u ook een gesprek beëindigen door op PHONE, CD, AM/FM of ON/OFF te drukken of door op de toets MODE op de afstandsbediening te drukken.
Een nummer herhalen
- Druk op de toets PHONE of de toets 'beantwoorden'.
- Druk op de MENU toets.
- Selecteer de lijst CALL OUT of de lijst CALL IN. Selecteer op bepaalde audiounits de lijst GEMISTE, INKOMENDE of UITGAANDE gesprekken.
N.B.: Indien de actieve telefoon niet over een lijst met eerder gekozen nummers beschikt, kan het laatst gekozen nummer opnieuw worden gekozen.
- Druk op de zoektoets op de audiounit.
- Druk op de toets PHONE of de toets 'beantwoorden' om het gewenste telefoonnummer te bellen.
Een nummer opnieuw kiezen - Sony radio
- Druk op de toets PHONE of de toets 'beantwoorden'.
- Druk op de zoektoets tot de gewenste lijst wordt weergegeven.
N.B.: Indien de actieve telefoon niet over een lijst met eerder gekozen nummers beschikt, kan het laatst gekozen nummer opnieuw worden gekozen.
-
Druk op de omhoog/omlaag-pijltjestoetsen om het gewenste telefoonnummer te selecteren.
-
Druk op de toets PHONE of de toets 'beantwoorden' om het telefoonnummer te kiezen.
Laatst gekozen nummer opnieuw kiezen - Sony radio
- Druk op de toets 'beantwoorden'.
- Druk nogmaals op de toets 'beantwoorden' om het nummer te kiezen.
Een inkomend gesprek ontvangen Een inkomend gesprek beantwoorden
Inkomende gesprekken kunt u aannemen door op de toets 'beantwoorden', de toets PHONE of de toets MODE op de afstandsbediening te drukken.
Een inkomend gesprek weigeren
Inkomende gesprekken kunnen worden geweigerd door op de toets 'weigeren' te drukken.
Bij audio-units zonder telefoontoetsenblok kunt u ook een gesprek weigeren door op PHONE, CD, AM/FM of ON/OFF te drukken.
Een tweede oproep ontvangen
N.B.: De functie tweede inkomend gesprek op uw telefoon moet zijn geactiveerd.
Wanneer er tijdens een gesprek een inkomend gesprek binnenkomt, klinkt er een 'piep' en kunt u het actieve gesprek in de wachtstand plaatsen en het tweede inkomende gesprek beantwoorden.
Een tweede inkomend gesprek beantwoorden
Een tweede inkomend gesprek kunt u aannemen door op de toets 'beantwoorden', de toets PHONE of de toets MODE op de afstandsbediening te drukken.
Een tweede inkomend gesprek weigeren
Een tweede inkomend gesprek kan worden geweigerd door op de toets 'weigeren' te drukken. Bij audio-units zonder telefoontoetsenblok kunt u ook een tweede inkomend gesprek weigeren door op de toets CD of de toets AM/FM te drukken.
Microfoon dempen
Het is mogelijk om tijdens een gesprek de microfoon te dempen. Tijdens het dempen verschijnt er een bevestiging op het display.
Audio-units met een groene toets 'beantwoorden'
Druk op de toets 'beantwoorden'. Druk nogmaals op de toets om deze functie uit te schakelen.
Audio-units zonder een groene toets 'beantwoorden'
Druk op de toets 'omhoog- of omlaagzoeken'. Druk nogmaals op de toets om deze functie uit te schakelen.
Van actieve telefoon veranderen
N.B.: Voordat telefoons kunnen worden geactiveerd moeten ze bij het systeem worden aangemeld.
Met behulp van de voorkeuzetoetsen
N.B.: Deze procedure geldt alleen voor audio-units met een telefoontoetsenbord.
- Druk op de PHONE toets op de audio-unit.
- Druk op de gewenste voorkeuzetoets (gebruik voorkeuzetoetsen 1 - 6).
Met behulp van het menu op de audio-unit
N.B.: Nadat een telefoon aan het systeem is gekoppeld, wordt deze de actieve telefoon.
- Druk op de toets PHONE of de toets 'beantwoorden'.
- Druk op de MENU toets op de audio-unit.
- Selecteer de ACTIVE PHONE optie op de audio-unit.
- Rol met behulp van de zoektoetsen door de verschillende opgeslagen telefoons om de gekoppelde telefoons weer te geven.
- Druk op de MENU toets om de telefoon te selecteren die de actieve telefoon moet worden.
Actieve telefoon afmelden
Een actieve telefoon kan op elk gewenst moment uit het systeem worden gewist, behalve wanneer met deze telefoon een gesprek wordt gevoerd.
- Druk op de toets PHONE of de toets 'beantwoorden'.
- Druk op de MENU toets op de audio-unit.
- Selecteer de optie DEBOND op de audio-unit.
- Rol met behulp van de zoektoetsen door de verschillende telefoons om de te ontkoppelen telefoon weer te geven.
- Druk op de MENU toets om de telefoon te selecteren die moet worden ontkoppeld.
Een gekoppelde telefoon ontkoppelen - Sony radio
Een actieve telefoon kan op elk gewenst moment uit het systeem worden gewist, behalve wanneer met deze telefoon een gesprek wordt gevoerd.
- Druk op de toets PHONE.
- Druk op de omhoog/omlaag-pijltjestoetsen tot u de optie ONTKOPPELEN bereikt.
- Rol met behulp van de zoektoetsen door de verschillende telefoons om de te ontkoppelen telefoon weer te geven.
- Druk op de toets OK om te ontkoppelen.
GEBRUIK MAKEN VAN DE TELEFOON - AUTO'S MET NAVIGATIESYSTEEM
In dit hoofdstuk worden de telefoonfuncties van het navigatiesysteem beschreven.
N.B.: Raadpleeg de handleiding van het navigatiesysteem voor meer informatie over de bediening.
Er moet een actieve telefoon aanwezig zijn. Zelfs als uw telefoon met het navigatiesysteem is verbonden, kan deze nog steeds op normale wijze worden gebruikt.
Bellen
Een nummer kiezen
Telefoonnummers kunnen m.b.v. spraakbesturing worden gekozen. Zie Spraaksturing (bladzijde 221).
Een gesprek beëindigen
Gesprekken kunt u beëindigen door op de toets BEËINDIGEN, de toets MODE op de afstandsbediening of de toets AAN/UIT op het navigatiesysteem te drukken.
Een nummer herhalen
- Druk op de toets PHONE op het apparaat.
- Kies NUMMER HERHALEN.
Een inkomend gesprek ontvangen
Een inkomend gesprek beantwoorden
Inkomende gesprekken kunt u aannemen door op de toets 'beantwoorden', de toets MODE op de afstandsbediening of de toets PHONE op het apparaat te drukken of door de optie AANNEMEN in het menu te gebruiken.
Een inkomend gesprek weigeren
Inkomende gesprekken kunt u weigeren door op de toets 'weigeren' of de toetsen CD of AM/FM op het apparaat te drukken of door de optie WEIGEREN in het menu te gebruiken.
Een tweede oproep ontvangen
N.B.: De functie tweede inkomend gesprek op uw telefoon moet zijn geactiveerd.
Wanneer er tijdens een gesprek een tweede oproep binnenkomt, klinkt er een 'piep' en kunt u het actieve gesprek in de wachtstand plaatsen en de tweede oproep beantwoorden.
Een tweede inkomend gesprek beantwoorden
Een tweede inkomend gesprek kunt u aannemen door op de toets 'beantwoorden', de toets MODE op de afstandsbediening of de toets PHONE op het apparaat te drukken of door de optie AANNEMEN in het menu te gebruiken.
N.B.: Hierdoor wordt het actieve gesprek beëindigd.
Een tweede inkomend gesprek weigeren
Een tweede inkomend gesprek kan worden geweigerd door op de toets 'weigeren' te drukken of op een van de volgende toetsen op het apparaat: CD, AM/FM.
Microfoon dempen
Het is mogelijk om tijdens een gesprek de microfoon te dempen. Tijdens het dempen verschijnt er een bevestiging op het display.
SD-navigatie-units
Druk op de toets 'dempen' (doorgestreept microfoonsymbool). Druk nogmaals op de toets om deze functie uit te schakelen.
CD-navigatiesystemen
Druk op de toets 'microfoon dempen'. Druk nogmaals op de toets om deze functie uit te schakelen.
Van actieve telefoon veranderen
N.B.: Voordat telefoons kunnen worden geactiveerd moeten ze bij het systeem worden aangemeld.
N.B.: Nadat een telefoon aan het systeem is gekoppeld, wordt deze de actieve telefoon.
-
Druk op de toets PHONE op het apparaat.
-
Selecteer met behulp van de optie BT-INSTELLINGEN in het menu de actvieve telefoon in de lijst.
Actieve telefoon afmelden
Een actieve telefoon kan op elk gewenst moment uit het systeem worden gewist, behalve wanneer met deze telefoon een gesprek wordt gevoerd.
- Druk op de toets PHONE op het apparaat.
- Selecteer de optie BT-INSTELLINGEN in het menu.
- Selecteer de AFMELDEN optie in het menu.
- Selecteer de telefoon in de lijst.
WERKING
LET OP

Door gebruik van het systeem bij uitgeschakelde motor wordt de accu ontladen.
Met spraakbesturing kunt u het systeem bedienen zonder dat uw aandacht van de weg wordt afgeleid om bijvoorbeeld instellingen te veranderen of om reacties van het systeem te lezen.
Wanneer u bij geactiveerd systeem één van de gedefinieerde spraaklabels gebruikt, zet het spraakbesturingssysteem uw spraaklabel om in een bedieningssignaal voor het systeem. Uw spraaklabels nemen de vorm aan van dialogen of commando's. U wordt door mededelingen of vragen door deze dialogen geleid.
Maak uzelf vertrouwd met de functies van het systeem voordat u het spraakherkenningsysteem gaat gebruiken.
Ondersteunde commando's
Met het spraakbesturingssysteem kunt u de volgende systemen in de wagen bedienen:
- Bluetooth telefoon
·radio - CD-speler/ CD-wisselaar
- extern apparaat (USB)
- extern apparaat (iPod)
- automatische klimaatregeling
•navigatiesysteem (raadpleeg de afzonderlijke navigatiehandleiding).
Reactie van het systeem
Wanneer u een gesproken commando geeft, antwoordt het systeem telkens met een piep wanneer het gereed is om door te gaan.
Probeer geen nieuwe commando's te geven voordat u de piep hebt gehoord. Het spraakbesturingssysteem herhaalt elk gesproken commando.
Wanneer u niet precies weet hoe u moet doorgaan, zeg dan "HELP" voor hulp of "CANCEL" wanneer u niet wilt doorgaan.
De "HELP" functie biedt u alleen een verzameling van de beschikbare commando's. Een gedetailleerde uitleg over alle mogelijke gesproken commando's kunt u op de volgende bladzijden vinden.
Gesproken commando's
Alle commando's moeten op natuurlijke wijze worden uitgesproken, alsof u tot een passagier spreekt of een telefoongesprek voert. Uw stemvolume moet afhankelijk zijn van omgevingsgeluiden in of buiten de auto, maar schreeuw niet.
Werking van het systeem
De volgorde en de inhoud van de spraaklabels zijn in de volgende lijst weergegeven. De tabel toont de volgorde van de spraaklabels van de gebruiker en de reacties van het systeem die voor iedere functie beschikbaar zijn.
<> duidt een nummer of opgeslagen spraaklabel aan, die door de gebruiker moet worden opgeslagen.
Short cuts
Er zijn een aantal gesproken woorden (short cuts) mogelijk, waarmee u enkele functies van de auto kunt regelen zonder het complete commandomenu te hoeven volgen. Dit zijn:
-telefoon: "MOBILE NAME", "DIAL NUMBER", "DIAL NAME" en "REDIAL"
- CD-speler/CD-wisselaar "DISC" en "TRACK"
- automatische klimaatregeling:
"TEMPERATURE", "AUTO MODE",
"DEFROSTING/DEMISTING ON" en
"DEFROSTING/DEMISTING OFF"
·radio: "TUNE NAME"
- extern apparaat (USB): "TRACK"
- extern apparaat (iPod): "TRACK"
- SD-kaart: "TRACK".
Communicatie met het systeem starten
Voordat u kunt beginnen met het systeem toe te spreken moet u voor iedere handeling eerst op de VOICE of de MODE toets drukken en wachten tot het systeem met een piep antwoordt. Zie
Spraaksturing (bladzijde 30).
Druk de toets opnieuw in om de spraakbesturing uit te schakelen.
Spraaklabel
Het spraaklabel kan de telefoon, de audio-installatie en het navigatiesysteem ondersteunen door gebruik te maken van de "STORE NAME" functie (naam opslaan). U kunt spraaklabels toewijzen aan items zoals favoriete radiozenders en persoonlijke telefooncontacten. Zie
Commando's audio-unit (bladzijde 222). Zie Commando's telefoon (bladzijde 232).
- Sla maximaal 20 actieve spraaklabels per functie op.
- De gemiddelde opnametijd per spraaklabel bedraagt ongeveer 2 tot 3 seconden.
COMMANDO'S AUDIO-UNIT
CD-speler
U kunt het afspelen direct met spraakbesturing bedienen.
Overzicht
Het onderstaande overzicht toont de beschikbare gesproken commando's. De volgende lijsten bieden aanvullende informatie over het complete commandomenu aan de hand van gekozen voorbeelden.
* Kan als short cut worden gebruikt.
** Alleen beschikbaar als de CD audiogegevensbestanden bevat, zoals MP3 of WMA.
Muzieknummer
U kunt direct een muzieknummer op de CD kiezen.
| Systeem antwoordtGebruiker zegt | ||
| "CD PLAYER""CD PLAYER"1 | ||
| 2 | "TRACK"* | "TRACK NUMBER PLEASE" |
| 3 | ""** | "TRACK" |
* Kan als short cut worden gebruikt.
** Getallen kunnen ook als max. vier losse cijfers worden uitgesproken (bijv. "2", "4", "5" voor muzieknummer 245)
Shuffle alles
Random afspelen instellen.
| Systeem antwoordtGebruiker zegt | ||
| "CD PLAYER""CD PLAYER"1 | ||
| "SHUFFLE ALL"2 |
CD-wisselaar
Overzicht
Het onderstaande overzicht toont de beschikbare gesproken commando's. De volgende lijsten bieden aanvullende informatie over het complete commandomenu aan de hand van gekozen voorbeelden.
* Kan als short cut worden gebruikt.
** Alleen beschikbaar als de CD audiogegevensbestanden bevat, zoals MP3 of WMA.
CD
Wanneer u een CD-wisselaar hebt, kunt u het nummer van de CD kiezen
| Systeem antwoordtGebruiker zegtSt | ||
| "CD CHANGER""CD CHANGER"1 | ||
| 2 | "DISC"* | "DISC NUMBER PLEASE" |
Spraaksturing
| Systeem antwoordtGebruiker zegt | ||
| "DISC <nummer>"""<een getal tu |
* Kan als short cut worden gebruikt.
Muzieknummer
U kunt direct een muzieknummer op de CD kiezen.
| Systeem antwoordtGebruiker zegt | ||
| "CD CHANGER""CD CHANGER" | ||
| 2 | "TRACK"* | "TRACK NUMBER PLEASE" |
| 3 | ""** | "TRACK" |
* Kan als short cut worden gebruikt.
** Getallen kunnen ook als max. vier losse cijfers worden uitgesproken (bijv. "2", "4", "5" voor muzieknummer 245)
Shuffle CD
Random afspelen binnen de CD-inhoud instellen.
| Systeem antwoordtGebruiker zegt | ||
| "CD CHANGER""CD CHANGER" | ||
| "SHUFFLE CD"2 |
Radio
De gesproken commando's ondersteunen de radiofuncties en u kunt met Voice Control op radiostations afstemmen.
Overzicht
Het onderstaande overzicht toont de beschikbare gesproken commando's. De volgende lijsten bieden aanvullende informatie over het complete commandomenu.
* Kan als short cut worden gebruikt.
Afstemfrequentie
Met deze functie kunt u met gesproken commando's afstemmen op radiostations.
| Systeem antwoordtGebruiker zegtSt | ||
| "RADIO""RADIO"1 | ||
| "AM FREQUENCY PLEASE""AM"2 | ||
| "FM FREQUENCY PLEASE""FM" | ||
| 3 | "* | "TUNE" |
* De frequentie kan op verschillende manieren worden ingevoerd. Raadpleeg onderstaande voor representatieve voorbeelden.
FM-golflente: 87,5 - 108,0 in stappen van 0,1
AM/MW-golflengte: 531 - 1602 in stappen van 9
AM/LW-golflengte: 153 - 281 in stappen van 1
Wanneer u op een radiostation hebt afgestemd, kunt u deze met een naam in het bestand opslaan.
Spraaksturing
| Systeem antwoordtGebruiker zegt | ||
| "RADIO""RADIO"1 | ||
| "STORE NAME""STORE NAME""NAME PLEASE" | ||
| "REPEAT NAME PLEASE"" | ||
| "STORING NAME""4"STORED" |
Afstemmen op naam
Met deze functie kunt u op een opgeslagen radiostation afstemmen.
| Systeem antwoordtGebruiker zegt | ||
| "RADIO""RADIO"1 | ||
| 2 | "TUNE NAME"* | "NAME PLEASE" |
| "TUNE<naam>"""<naam>"3 |
* Kan als short cut worden gebruikt.
Naam wissen
Met deze functie kunt u een opgeslagen radiostation wissen
| Systeem antwoordtGebruiker zegt | ||
| "RADIO""RADIO"1 | ||
| "NAME PLEASE""DELETE NAME | ||
| "DELETE<naam>"""3"CONFIRM YES OR NO" | ||
| "DELETED""YES"4 | ||
| "COMMAND CANCELLED""NO" |
Spraksturing
Bestand afspelen Met deze functie kunt u het systeem alle
opgeslagen radiostations laten opnoemen.
| Systeem antwoordtGebruiker zegtSt | ||
| "RADIO""RADIO"1 | ||
| "PLAY" "PLAY DIRECT( |
Bestand wissen
Met deze functie kunt u alle opgeslagen radiostations wissen.
| Systeem antwoordtGebruiker zegtSt | ||
| "RADIO""RADIO"1 | ||
| "DELETE DIRECTORY""DELETE DIREC"CONFIRM YES OR NO" | ||
| "RADIO DIRECTORY DELETED""YES"3 | ||
| "COMMAND CANCELLED""NO" |
Afspelen
Met deze functie schakelt de audiobron over op de radiomodus.
| Systeem antwoordtGebruiker zegtSt | ||
| "RADIO""RADIO"1 | ||
| "PLAY"2 |
Auxiliary ingang
Met deze functie laat u de audiobron overschakelen op het aangesloten apparaat met auxiliary ingang.
| Systeem antwoordtGebruiker zegtSt | ||
| "EXTERNAL DEVICE""EXTERNAL DEV | ||
| 2 | "LINE IN" | "LINE IN" |
Externe apparaten - USB
Deze gesproken commando's ondersteunen de functionaliteit van een extern USB-apparaat dat op de audiounit kan worden aangesloten.
Overzicht
Het onderstaande overzicht toont de beschikbare gesproken commando's. De volgende lijsten bieden aanvullende informatie over het complete commandomenu aan de hand van gekozen voorbeelden.
* Kan als short cut worden gebruikt.
** Aan door spraakbesturing geactiveerde afspeellijsten en mappen moeten specifieke bestandsnamen worden toegewezen. Zie Algemene informatie (bladzijde 237).
Afspelen USB
Met deze functie laat u de audiobron overschakelen op het aangesloten USB-apparaat.
| Systeem antwoordtGebruiker zegt | ||
| "EXTERNAL DEVICE""EXTERNAL I | ||
| Systeem antwoordtGebruiker zegtSt | ||
| "USB""USB"2 | ||
| "PLAY"3 |
USB-muzieknummer
U kunt direct een muzieknummer op het USB-apparaat kiezen.
| Systeem antwoordtGebruiker zegtSt | ||
| "EXTERNAL DEVICE""EXTERNAL DEV | ||
| "USB""USB"2 | ||
| "TRACK NUMBER PLEASE""TRACK"3 | ||
| 4 | "* | "TRACK" |
* Getallen kunnen ook als max. vier losse cijfers worden uitgesproken (bijv. "2", "4", "5" voor muzieknummer 245)
Externe apparaten - iPod
Deze gesproken commando's ondersteunen de functionaliteit van een iPod die op de audiounit kan worden aangesloten.
Overzicht
Het onderstaande overzicht toont de beschikbare gesproken commando's. De volgende lijsten bieden aanvullende informatie over het complete commandomenu aan de hand van gekozen voorbeelden.
* Kan als short cut worden gebruikt.
** Aan door spraakbesturing geactiveerde afspeellijsten moeten specifieke bestandsnamen worden toegewezen. Zie Algemene informatie (bladzijde 237).
iPod-muzieknummer
U kunt direct een muzieknummer op de iPod kiezen in de lijst met alle titels.
| Systeem antwoordtGebruiker zegt | ||
| "EXTERNAL DEVICE""EXTERNAL I | ||
| "IPOD""IPOD"2 | ||
| 3 | "TRACK"* | "TRACK NUMBER PLEASE" |
| 4 | ""** | "TRACK |
* Kan als short cut worden gebruikt.
** Getallen kunnen ook als max. vijf losse cijfers worden uitgesproken (bijv. "5", "2", "4", "5", "3" voor muzieknummer 52453) tot een grenswaarde van 65535.
iPod-afspeellijst
U kunt direct een afspeellijst in de iPod kiezen.
| Systeem antwoordtGebruiker zegt | ||
| "EXTERNAL DEVICE""EXTERNAL [ | ||
| "IPOD""IPOD"2 | ||
| 3 | "PLAYLIST"* | "PLAYLIST NUMBER PLEASE" |
| "PLAYLIST"""<een getal |
* Aan door spraakbesturing geactiveerde afspeellijsten moeten specifieke bestandsnamen worden toegewezen. Zie Algemene informatie (bladzijde 237).
COMMANDO'S TELEFOON
Telefoon
Met uw telefoonsysteem kunt u een extra telefoonboek aanleggen. De opgeslagen nummers kunnen met behulp van Voice Control worden gekozen.
Telefoonnummers, die met behulp van Voice Control zijn opgeslagen, worden in het systeem van de auto opgeslagen en niet in dat van uw telefoon.
Overzicht
Het onderstaande overzicht toont de beschikbare gesproken commando's. De volgende lijsten bieden aanvullende informatie over het complete commandomenu aan de hand van gekozen voorbeelden.
* Kan als short cut worden gebruikt.
Telefoonfuncties
Nummer kiezen
Nadat het spraaklabel is uitgesproken kunnen telefoonnummers worden gekozen.
| Systeem antwoordtGebruiker zegtSt | ||
| "TELEFOON""TELEFOON"1 |
Spraaksturing
| Systeem antwoordtGebruiker zegt | ||
| 2 | "DIAL NUMBER"* | "NUMBER PLEASE" |
| "<telefoonnummer>""<telefoonnu CONTINUE?" | ||
| "DIALLING""DIAL"4 | ||
| "CORRECTION" | "<laatste deel van nummer herhalen>CONTINUE?" |
* Kan als short cut worden gebruikt.
Naam kiezen
Nadat het spraaklabel is uitgesproken kunnen telefoonnummers worden gekozen.
| Systeem antwoordtGebruiker zegt | ||
| "TELEFOON""TELEFOON"1 | ||
| 2 | "DIAL NAME"* | "NAME PLEASE" |
| "DIAL<naam>"""3"CONFIRM YES OR NO" | ||
| "DIALLING""YES"4 | ||
| "COMMAND CANCELLED""NO" |
* Kan als short cut worden gebruikt.
Nummer herhalen
Deze functie maakt het mogelijk het laatst gekozen nummer te herhalen.
| Systeem antwoordtGebruiker zegt | ||
| "TELEFOON""TELEFOON"1 | ||
| 2 | "REDIAL"* | "REDIAL" "CONFIRM YES OR NO" |
| "DIALLING""YES"3 | ||
| Systeem antwoordtGebruiker zegtSt | ||
| "COMMAND CANCELLED""NO" |
* Kan als short cut worden gebruikt.
Naam mobiele telefoon
Met deze functie kunt u met een spraaklabel toegang krijgen tot de in uw mobiele telefoon opgeslagen telefoonnummers.
| Systeem antwoordtGebruiker zegtSt | ||
| "TELEFOON""TELEFOON"1 | ||
| 2 | "MOBILE NAME"* | "MOBILE NAME"" |
* Kan als short cut worden gebruikt.
DTMF ('Tone' instelling)
Met deze functie worden gesproken getallen in DTMF-tonen omgezet. Voor bijvoorbeeld het op afstand bedienen van het antwoordapparaat bij u thuis of voor het invoeren van PIN-nummer, enz.
N.B.: DTMF kan alleen worden gebruikt tijdens een telefoongesprek. Bedien de toets VOICE en wacht op de systeemprompt.
Kan alleen worden gebruikt op auto's met een aparte toets VOICE.
| Systeem antwoordtGebruiker zegtSt | ||
| "NUMBER PLEASE"1 | ||
| 2 | "<cijfers 1 tot en met 9, nul, hekje, sterretje>" |
Een telefoonboek aanleggen
Naam opslaan
Nieuwe spraaklabels kunnen worden opgeslagen met het commando "STORE NAME". Deze functie kan worden gebruikt voor het kiezen van een nummer door de naam in plaats van het complete telefoonnummer uit te spreken.
Spraaksturing
| Systeem antwoordtGebruiker zegt | ||
| "TELEFOON""TELEFOON"1 | ||
| "STORE NAME""STORE NAME""NAME PLEASE" | ||
| "REPEAT NAME PLEASE"" | ||
| "STORING NAME""4"STORED"NUMBER PLEASE" | ||
| "" | ||
| "STORING NUMBER""STORE"6""NUMBER STORED" |
Naam wissen
Opgeslagen namen kunnen ook uit het bestand worden gewist.
| Systeem antwoordtGebruiker zegl | ||
| "TELEFOON""TELEFOON"1 | ||
| "NAME PLEASE""DELETE NAME | ||
| ""3 | "DELETE" "CONFIRM YES OR NO" | |
| 4 ""DELETED""YES" | ||
| "COMMAND CANCELLED""NO" |
Bestand afspelen
Gebruik deze functie om het systeem alle opgeslagen namen en nummers te laten opnoemen.
| Systeem antwoordtGebruiker zegt | ||
| "TELEFOON""TELEFOON"1 | ||
| 2 | "PLAY DIRECTORY" | "PLAY DIRECTORY" |
Spraksturing
Bestand wissen Met deze functie kunt u alle ingevoerde
gegevens in één keer wissen.
| Systeem antwoordtGebruiker zegtSt | ||
| "TELEFOON""TELEFOON"1 | ||
| "DELETE DIRECTORY""DELETE DIRECT"CONFIRM YES OR NO" | ||
| "DIRECTORY DELETED""YES"3 | ||
| "COMMAND CANCELLED""NO" |
Hoofdinstellingen
Oproepen weigeren
Oproepen kunnen zo worden ingesteld dat ze met spraakbesturing automatisch worden geweigerd.
| Systeem antwoordtGebruiker zegtSt | ||
| "TELEFOON""TELEFOON"1 | ||
| "REJECT CALLS""REJECT CALLS"2 | ||
| "ACCEPT CALLS"* | "ACCEPT CALLS" |
* schakel met dit commando de modus 'weigeren' uit
ALGEMENE INFORMATIE
LET OP
Ga voorzichtig te werk bij het omgaan met externe apparaten met blootliggende stekkers (zoals de USB-plug). Vervang altijd de beschermkap/beschermplaat (indien mogelijk). Er bestaat kans op elektrostatische ontlading, wat tot schade aan het apparaat kan leiden.
Raak de USB-aansluiting in de auto niet aan of voer er geen werkzaamheden aan uit. Dek de aansluiting af wanneer deze niet wordt gebruikt.
Maak alleen gebruik van USB-massaopslagapparaten.
Zet de audio-unit altijd op een andere bron (bijvoorbeeld de radio) alvorens het USB-apparaat te ontkoppelen.
! Breng geen USB-hubs of -splitters aan.
N.B.: Het systeem is alleen ontworpen voor het herkennen en lezen van geschikte audiobestanden van een USB-apparaat dat voldoet aan de klasse voor USB-massaopslagapparaten of een iPod. Er kan niet worden gegarandeerd dat alle beschikbare USB-apparaten met het systeem kunnen worden gecombineerd.
N.B.: Er kan gebruik worden gemaakt van compatibele apparaten met een USB-adapterkabel en apparaten die rechtstreeks kunnen worden aangesloten op de USB-aansluiting van de auto (bijvoorbeeld USB-geheugensticks en Pen Drives).
N.B.: Het kan voorkomen dat sommige USB-apparaten met een hoger stroomverbruik incompatibel zijn (bijvoorbeeld sommige grotere harde schijven).
N.B.: De toegangstijd voor het lezen van de bestanden van het externe apparaat variëren afhankelijk van factoren zoals de bestandsstructuur, de grootte van het bestand en de inhoud van het apparaat.
Het systeem ondersteunt een aantal externe apparaten voor een volledige integratie met de audio-unit via de USB-aansluitingen en extra aansluitingen. Eenmaal aangesloten kan het externe apparaat worden aangestuurd via de audio-unit.
Hieronder staat een lijst met veel voorkomende compatibele apparaten:
•USB-geheugensticks
•USB-draagbare harde schijven
- Enkele MP3-spelers met USB-aansluiting
-iPod mediaspelers (ga naar www.ford-mobile-connectivity.com voor de nieuwste compatibiliteitslijst).
Het systeem is USB 2.0 Full Speed compatibel, USB 1.1 Host Compliant en ondersteunt FAT 16/32 bestandssystemen.
Informatie over audiobestands-structuren voor externe apparaten
USB
Maak alleen een enkele partitie op het USB-apparaat.
Als afspeellijsten worden gemaakt, dan dienen deze de correcte bestandspaden gerefereerd aan het USB-apparaat te bevatten. Er wordt aanbevolen de afspeellijst te maken nadat de audiobestanden zijn overgedragen naar het USB-apparaat.
Afspeellijsten moeten worden gemaakt in .m3u formaat.
Audiobestanden moeten worden gemaakt in .mp3 formaat.
Houd u aan het volgende:
-1000 items per map (bestanden, mappen en afspeellijsten)
-5000 mappen met USB-apparaat (inclusief afspeellijsten)
-8 submapniveau's.
Volg de onderstaande procedure voor het inschakelen van spraakregeling voor aangepaste afspeellijsten en mappen:
•Maak mappen met de naam
"Ford<*>", waar <*> een cijfer tussen 1 en 10 is. Bijvoorbeeld "Ford3" zonder extensie.
- Maak afspeellijsten met de naam
"Ford<*>.m3u", waar <*> een cijfer tussen 1 en 10 is. Bijvoorbeed "Ford5.m3u" zonder spatie tussen "Ford" en het cijfer.
Hierna kunnen aangepaste mappen en afspeellijsten worden geselecteerd met behulp van spraakregeling. Zie Commando's audio-unit (bladzijde 222).
iPod
Maak afspeellijsten met de naam "Ford<*>", waar <*> een cijfer tussen 1 en 10 is voor het inschakelen van spraakregeling voor aangepaste afspeellijsten. Bijvoorbeed "Ford7" zonder spatie tussen "Ford" en het cijfer.
Hierna kunnen aangepaste afspeellijsten worden geselecteerd met behulp van spraakregeling. Zie Commando's audio-unit (bladzijde 222).
Zorg dat het externe apparaat stevig in de auto is bevestigd en dat bijbehorende aansluitingen de bedieningselementen voor het rijden niet blokkeren.
Externe apparaten kunnen worden aangesloten met behulp van de extra ingangsaansluiting en de USB-poort. Zie Aansluiting Auxiliary ingang (AUX IN) (bladzijde 82). Zie USB-poort (bladzijde 82).
Aansluiting
Sluit het apparaat aan en bevestig het indien nodig om bewegen in de auto te voorkomen.
Een iPod aansluiten
Voor een optimaal gebruiksgemak en een optimale audiokwaliteit wordt aangeraden een bijpassende eenpolige kabel aan te schaffen bij uw dealer.
De iPod kan tevens worden aangesloten met behulp van de standaard iPod USB-kabel en een aparte 3,5 mm audiokabel. Wanneer gebruik wordt gemaakt van deze methode moet het volume van de iPod op maximum worden gezet en de equalizerinstellingen worden uitgeschakeld alvorens de aansluitingen te maken:
- Sluit de hoofdtelefoonuitgang van de iPod aan op de AUX IN aansluiting.
- Sluit de USB-kabel van de iPod aan op de USB-aansluiting van de auto.
EXTERN APPARAAT AANSLUITEN - AUTO'S MET BLUETOOTH
Bluetooth audio-apparaat aansluiten
LET OP

Omdat er verschillende standaarden bestaan, kunnen fabrikanten een groot aantal profielen in hun Bluetooth apparaten implementeren. Hierdoor kan incompatibiliteit ontstaan tussen het Bluetooth apparaat en het systeem, wat in sommige gevallen de systeemfunctionaliteit kan beperken. Om dit te voorkomen moeten alleen aanbevolen apparaten worden gebruikt.
Bezoek de website
www.ford-mobile-connectivity.com
voor volledige gegevens.
Apparaat aansluiten op (voertuig)systeem
N.B.: Sommige audio- en navigatie-units beschikken over een afzonderlijk Bluetooth audio-menu. Dit menu kan worden gebruikt voor toegang tot de setup en de bediening.
Volg voor het aansluiten van het apparaat op het systeem dezelfde procedure als voor Bluetooth handsfree telefoons. Zie Setup Bluetooth (bladzijde 214).
Het apparaat bedienen
Selecteer Bluetooth audio als de actieve bron.
Toegang tot nummers kan worden verkregen door vooruit en achteruit te navigeren met behulp van de knoppen op het stuur of rechtstreeks via de knoppen van de audio-unit.
USB-APPARAAT GEBRUIKEN
Verschillende pictogrammen worden gebruikt voor het herkennen van verschillende audiobestanden, mappen enz.

USB-apparaat is de actieve bron

Map

Afspeellijst

Album

Artiest

Bestandsnaam

Titel van nummer

Informatie niet beschikbaar
Sony radio
Bediening
Selecteer het USB-apparaat als de audiobron door herhaaldelijk op de CD/AUX toets te drukken tot "USB" in de display verschijnt. Nadat het USB-apparaat is aangesloten, wordt het eerste nummer van de eerste map automatisch afgespeeld. Vervolgens wordt na het wijzigen van de audiobron de afspeelpositie op het USB-apparaat onthouden.
Druk eenmaal op de pijltjestoets omhoog/omlaag of de OK toets om door de inhoud van het apparaat te bladeren.
De display toont de nummerinformatie en de volgende andere belangrijke informatie:
- Een verticale schuifbalk aan de rechterzijde van de display geeft de huidige positie van het mapoverzicht aan.
-">" na een ingang geeft aan dat een niveau lager leesbaar is (bijvoorbeeld een map vernoemd naar een album met afzonderlijke albumnummers in de betreffende map). - "<" voor de lijst geeft aan dat een niveau hoger leesbaar is.
- Pictogrammen aan de linkerzijde van de nummer-/maptekst geven het type bestand/map aan. Raadpleeg de lijst voor een uitleg van deze pictogrammen.
Gebruik voor het navigeren door de inhoud van het USB-apparaat de pijltjestoets omhoog/omlaag om door de lijsten te bladeren en de pijltjestoets links/rechts om binnen de mapstructuur omhoog of omlaag te bladeren. Druk op de OK toets om afspelen te selecteren nadat het gewenste nummer of de gewenste afspeellijst of map is gemarkeerd.
N.B.: Houd de pijltjestoets naar links ingedrukt als u naar het bovenste niveau van de inhoud van het USB-apparaat wilt navigeren.
Bediening van de audio-installatie
Druk op de pijltjestoets naar links en naar rechts om achteruit en vooruit door de nummers te gaan.
Houd de pijltjestoetsen naar links/rechts ingedrukt om snel achteruit/vooruit door een nummer te gaan.
Druk op de pijltjestoets omhoog/omlaag of de OK toets om door de inhoud van het apparaat te bladeren.
Druk op de MENU toets voor toegang tot het USB-menu. De functies willekeurig afspelen (shuffle) en herhaald afspelen (repeat) kunnen worden ingeschakeld voor wat betreft de mappen en afspeellijsten.
Druk op de SCAN toets om het gehele apparaat, de huidige map of een afspeellijst te scannen (indien actief).
Druk op de INFO toets om het volgende weer te geven:
- bestandsnaam
-titel
·artiest
-album - nummer en speelduur.
Door herhaaldelijk op een toets te drukken, kan door deze displays worden genavigeerd.
CD-navigatie-units
Bediening
Selecteer het USB-apparaat als de audiobron door op de CD/AUX toets te drukken tot "DEVICES" in de display verschijnt. Selecteer DEVICES en selecteer vervolgens USB uit de beschikbare apparatenlijst. Nadat het USB-apparaat is aangesloten, wordt het eerste nummer van de eerste map automatisch afgespeeld. Vervolgens wordt na het wijzigen van de audiobron de afspeelpositie op het USB-apparaat onthouden.
Druk eenmaal op de SELECT toets om door de inhoud van het apparaat te bladeren.
De display toont de nummerinformatie en de volgende andere belangrijke informatie:
- Een verticale schuifbalk aan de rechterzijde van de display geeft de huidige positie van het mapoverzicht aan.
-">" na een ingang geeft aan dat een niveau lager leesbaar is (bijvoorbeeld een map vernoemd naar een album met afzonderlijke albumnummers in de betreffende map). - "<" links van de display geeft aan dat een niveau hoger leesbaar is.
- Pictogrammen aan de linkerzijde van de nummer-/maptekst geven het type bestand/map aan. Raadpleeg de lijst voor een uitleg van deze pictogrammen.
Gebruik voor het navigeren door de inhoud van het USB-apparaat de draaiknop voor scrollen/selecteren om door lijsten te bladeren. Druk op de toets om de inhoud uit te breiden binnen de gemarkeerde afspeellijst of map of om afspelen van een bepaald nummer te starten. Druk op ESC om één niveau vooruit te gaan.
Bediening van de audio-installatie
Druk op de SEEK toets omhoog/omlaag om achteruit en vooruit door de nummers te gaan.
Houd de SEEK toetsen ingedrukt om snel achteruit/vooruit door een nummer te gaan.
Draai aan de SELECT toets of druk deze in om door de inhoud van het apparaat te bladeren.
Druk op de SHUFFLE of REPEAT toets om de functies willekeurig afspelen en herhaald afspelen in te schakelen voor wat betreft mappen en afspeellijsten. Er kunnen verschillende opties worden weergegeven, afhankelijk van het feit of een afspeellijst al dan niet actief is.
Druk op de SCAN toets om de huidige (actieve) afspeellijst of het gehele USB-apparaat of de map te scannen.
Druk op de INFO toets om het volgende weer te geven:
- bestandsnaam
-titel
·artiest
-album - nummer en speelduur.
SD-navigatie-units
Bediening
Selecteer het USB-apparaat als de audiobron door op de CD/AUX toets te drukken tot de USB-toets aan de linkerzijde van de display verschijnt. Selecteer USB uit de beschikbare apparatenlijst.
N.B.: Sommige apparaten worden getoond, maar kunnen niet worden geselecteerd (afhankelijk van het feit of het apparaat al dan niet is aangesloten).
Nadat het USB-apparaat is aangesloten, wordt het eerste nummer van de eerste map automatisch afgespeeld. Vervolgens wordt na het wijzigen van de audiobron de afspeelpositie op het USB-apparaat onthouden.
Druk op de pijltjestoets omhoog/omlaag scrollen om door de inhoud van het apparaat te bladeren.
De display toont de nummerinformatie en de volgende andere belangrijke informatie:
- Een verticale schuifbalk aan de rechterzijde van de display geeft de huidige positie van het mapoverzicht aan.
-">" na een ingang geeft aan dat een niveau lager leesbaar is (bijvoorbeeld een map vernoemd naar een album met afzonderlijke albumnummers in de betreffende map).
- "<" links van de display geeft aan dat een niveau hoger leesbaar is.
- Pictogrammen aan de linkerzijde van de nummer-/maptekst geven het type bestand/map aan. Raadpleeg de lijst voor een uitleg van deze pictogrammen.
Gebruik voor het navigeren door de inhoud van het USB-apparaat de scroll-toetsen om door lijsten te bladeren. Druk op de toets om de inhoud uit te breiden binnen de gemarkeerde afspeellijst of map of om afspelen van een bepaald nummer te starten. Druk op de pijltjestoets naar links om één niveau vooruit te gaan.
Bediening van de audio-installatie
Druk op de SEEK toets omhoog/omlaag om achteruit en vooruit door de nummers te gaan.
Houd de SEEK toetsen ingedrukt om snel achteruit/vooruit door een nummer te gaan.
Druk op de pijltjestoetsen van de schuifbalk om door de inhoud van het apparaat te bladeren.
Druk op de SHUFFLE of REPEAT toets om de functies willekeurig afspelen en herhaald afspelen in te schakelen voor wat betreft mappen en afspeellijsten.
Druk op de SCAN toets om de huidige (actieve) afspeellijst of het gehele USB-apparaat of de map te scannen.
Druk op de INFO toets om het volgende weer te geven:
- bestandsnaam
-titel
·artiest
-album - nummer en speelduur.
IPOD GEBRUIKEN
Verschillende pictogrammen worden gebruikt voor het herkennen van verschillende audiobestanden, mappen enz.

iPod is de actieve bron

Afspeellijst iPod

Artiest iPod

Album iPod

Genre iPod

Nummer iPod

Algemene categorie iPod

Algemeen mediabestand iPod
Sony radio
Bediening
Sluit de iPod aan. Zie Extern apparaat aansluiten (bladzijde 238).
Selecteer de iPod als de audiobron door herhaaldelijk op de CD/AUX toets te drukken tot "iPod" in de display verschijnt.
De iPod-menulijst voor het bladeren door de inhoud is beschikbaar via de radiodisplay. Bladeren door de inhoud is gebaseerd op hetzelfde principe als voor het gebruik van een stand-alone iPod (bijvoorbeeld zoeken op artiest, titel enz.). Druk eenmaal op de pijltjestoets omhoog/omlaag of de OK toets om door de inhoud van de iPod te bladeren.
De display toont de nummerinformatie en de volgende andere belangrijke informatie:
- Een verticale schuifbalk aan de rechterzijde van de display geeft de huidige positie van het lijstoverzicht aan.
-">" na een ingang geeft aan dat een niveau omlaag leesbaar is (bijvoorbeeld alle albums van een bepaalde artiest). - "<" voor de lijst geeft aan dat een niveau hoger leesbaar is.
- Een pictogram aan de linkerzijde geeft het type van de op dit moment weergegeven lijst aan (bijvoorbeeld een albumlijst). Raadpleeg de lijst voor een uitleg van deze pictogrammen.
Gebruik voor het navigeren door de inhoud van de iPod de pijltjestoets omhoog/omlaag om door de lijsten te bladeren en de pijltjestoets links/rechts om binnen de structuur omhoog of omlaag te bladeren. Druk op de OK toets om afspelen te selecteren nadat het gewenste nummer, album, genre of de gewenste afspeellijst of artiest is gemarkeerd.
N.B.: Houd de pijltjestoets naar links ingedrukt als u naar het bovenste niveau van de inhoud van de iPod wilt navigeren.
Bediening van de audio-installatie
Druk op de pijltjestoets naar links en naar rechts om achteruit en vooruit door de nummers te gaan.
Houd de pijltjestoetsen naar links/rechts ingedrukt om snel achteruit/vooruit door een nummer te gaan.
Druk op de pijltjestoets omhoog/omlaag of de OK toets om door de inhoud van de iPod te bladeren.
Druk op de MENU toets voor toegang tot het iPod-menu. De functies voor willekeurig en herhaaldelijk afspelen kunnen worden ingeschakeld. De optie "Shuffle songs" van de iPod kan rechtstreeks vanuit het bovenste niveau worden ingeschakeld.
Druk op de SCAN toets om de op dit moment geselecteerde nummers te scannen.
Druk op de INFO toets om het volgende weer te geven:
-titel
·artiest
- nummer en speelduur.
Door herhaaldelijk op een toets te drukken, kan door deze displays worden genavigeerd.
CD-navigatie-units
Bediening
Sluit de iPod aan. Zie Extern apparaat aansluiten (bladzijde 238).
Selecteer de iPod als de audiobron door op de CD/AUX toets te drukken tot "DEVICES" in de display verschijnt. Selecteer DEVICES en selecteer vervolgens iPod uit de beschikbare apparatenlijst.
De iPod-menulijst voor het bladeren door de inhoud is beschikbaar via de display. Bladeren door de inhoud is gebaseerd op hetzelfde principe als voor het gebruik van een stand-alone iPod (bijvoorbeeld zoeken op artiest, titel enz.). Druk eenmaal op de SELECT toets om door de inhoud van de iPod te bladeren.
De display toont de nummerinformatie en de volgende andere belangrijke informatie:
- Een verticale schuifbalk aan de rechterzijde van de display geeft de huidige positie van het lijstoverzicht aan.
-">" na een ingang geeft aan dat een niveau omlaag leesbaar is (bijvoorbeeld alle albums van een bepaalde artiest). - "<" voor de lijst geeft aan dat een niveau hoger leesbaar is.
- Een pictogram aan de linkerzijde geeft het type van de op dit moment weergegeven lijst aan (bijvoorbeeld een albumlijst). Raadpleeg de lijst voor een uitleg van deze pictogrammen.
Gebruik voor het navigeren door de inhoud van de iPod de draaiknop voor scrollen/selecteren om door lijsten te bladeren. Druk op de toets om de inhoud uit te breiden binnen de gemarkeerde afspeellijst of artiest, het gemarkeerde album of genre of om afspelen van een bepaald nummer te starten. Druk op ESC om één niveau vooruit te gaan.
Bediening van de audio-installatie
Druk op de SEEK toets omhoog/omlaag om achteruit en vooruit door de nummers te gaan.
Houd de SEEK toetsen ingedrukt om snel achteruit/vooruit door een nummer te gaan.
Draai aan de SELECT toets of druk deze in om door de inhoud van de iPod te bladeren.
Druk op de MENU toets voor toegang tot het iPod-menu. De functies voor willekeurig en herhaaldelijk afspelen kunnen worden ingeschakeld. De optie "Shuffle songs" van de iPod kan rechtstreeks vanuit het bovenste niveau worden ingeschakeld.
Druk op de SCAN toets om de op dit moment geselecteerde nummers te scannen.
Druk op de INFO toets om het volgende weer te geven:
-titel
·artiest
- nummer en speelduur.
SD-navigatie-units
Bediening
Sluit de iPod aan. Zie Extern apparaat aansluiten (bladzijde 238).
Selecteer de iPod als de audiobron door op de CD/AUX toets te drukken tot de iPod-toets aan de linkerzijde van de display verschijnt. Selecteer iPod uit de beschikbare apparatenlijst.
N.B.: Sommige apparaten worden getoond, maar kunnen niet worden geselecteerd (afhankelijk van het feit of het apparaat al dan niet is aangesloten).
De iPod-menulijst voor het bladeren door de inhoud is beschikbaar via de display. Bladeren door de inhoud is gebaseerd op hetzelfde principe als voor het gebruik van een stand-alone iPod (bijvoorbeeld zoeken op artiest, titel enz.). Druk op de pijltjestoets omhoog/omlaag scrollen om door de inhoud van de iPod te bladeren.
De display toont de nummerinformatie en de volgende andere belangrijke informatie:
- Een verticale schuifbalk aan de rechterzijde van de display geeft de huidige positie van het lijstoverzicht aan.
-">" na een ingang geeft aan dat een niveau omlaag leesbaar is (bijvoorbeeld alle albums van een bepaalde artiest).
- "<" voor de lijst geeft aan dat een niveau hoger leesbaar is.
- Een pictogram aan de linkerzijde geeft het type van de op dit moment weergegeven lijst aan (bijvoorbeeld een albumlijst). Raadpleeg de lijst voor een uitleg van deze pictogrammen.
Gebruik voor het navigeren door de inhoud van de iPod de scroll-toetsen om door lijsten te bladeren. Druk op de toets om de inhoud uit te breiden binnen de gemarkeerde afspeellijst of artiest, het gemarkeerde album of genre of om afspelen van een bepaald nummer te starten. Druk op de pijltjestoets naar links om één niveau vooruit te gaan.
Bediening van de audio-installatie
Druk op de SEEK toets omhoog/omlaag om achteruit en vooruit door de nummers te gaan.
Houd de SEEK toetsen ingedrukt om snel achteruit/vooruit door een nummer te gaan.
Druk op de pijltjestoetsen van de schuifbalk om door de inhoud van de iPod te bladeren.
Druk op de MENU toets voor toegang tot het iPod-menu. De functies voor willekeurig en herhaaldelijk afspelen kunnen worden ingeschakeld. De optie "Shuffle songs" van de iPod kan rechtstreeks vanuit het bovenste niveau worden ingeschakeld.
Druk op de SCAN toets om de op dit moment geselecteerde nummers te scannen.
Druk op de INFO toets om het volgende weer te geven:
-titel
·artiest
- nummer en speelduur.
TYPEGOEDKEURINGEN
FCC/INDUSTRYCANADANOTICE
Het apparaat voldoet aan Deel 15 van de FCC-regelgeving. Bediening is onderhevig aan de volgende twee voorwaarden: (1) dit apparaat mag geen schadelijke interferentie veroorzaken en (2) dit apparaat moet ontvangen interferentie accepteren (inclusief interferentie die kan leiden tot ongewenste bediening).
FCC ID: WJLRX-42
IC: 7847A-RX42
Het uitvoeren van wijzigingen of modificaties aan het apparaat zonder nadrukkelijke toestemming van de verantwoordelijke partij kan leiden tot vervallen van het recht op bediening van het apparaat.
RX-42 - Conformiteitsverklaring
Wij, de partij verantwoordelijk voor naleving, verklaren onder volledige verantwoordelijkheid dat het product Handset Integration RX-42 voldoet aan de vereisten van Council Directive 1999/5/EC. Een kopie van de Conformiteitsverklaring kunt u vinden op:
www.novero.com/declaration_of_conformity Het woord, het merk en de logo's Bluetooth zijn eigendom van Bluetooth SIG Inc. en de Ford Motor Company mag dergelijke merktekens onder licentie gebruiken. Namen van andere producten en bedrijven kunnen handelsmerken of handelsnamen van de respectieve eigenaren zijn.
Uw auto is getest en gecertificeerd volgens de wetgeving betreffende elektromagnetische comptabiliteit (72/245/EEC, UN ECE Regeling 10 of andere geldende lokale vereisten). U dient ervoor te zorgen dat apparatuur die u heeft gemonteerd voldoet aan de betreffende lokale wetgeving. Laat apparatuur door goed geschoolde monteurs monteren.
Radiofrequentie (RF) zenders (bijv. mobiele telefoons, amateur radiozenders, enz.) mogen alleen in uw auto worden gemonteerd, wanneer deze volledig voldoen aan de parameters die in de onderstaande tabel zijn weergegeven. Er zijn geen bijzondere voorzieningen of voorwaarden voor het monteren of gebruik.
Monteer geen zender/ontvangers, microfoons, luidsprekers en dergelijke in de ontvouwruimte van de airbags.
Bevestig geen antennekabels aan de originele bedrading, brandstofleidingen en remleidingen van de auto.
Houd antennekabels en stroomdraden minimaal 100 mm weg van elektronische modules en airbags.
N.B.: Breng alleen antennes op het dak aan op de aangegeven posities.
Bijlagen

text_image
1 2 3E100566
| Frequentieband MHz | watt (piek RMS) | AntenneplaatsenMaximum uitg |
| 1. 2. 350 W1 – 30 | ||
| 1. 2. 350 W30 – 54 | ||
| 1. 2. 350 W68 – 87,5 | ||
| 1. 2. 350 W142 – 176 | ||
| 1. 2. 350 W380 – 512 | ||
| 1. 2. 310 W806 – 940 | ||
| 1. 2. 310 W1200 – 1400 | ||
| 1. 2. 310 W1710 – 1885 | ||
| 1. 2. 310 W1885 – 2025 |
N.B.: Controleer na het monteren van een RF zender of deze niet de overige elektrische uitrusting in de auto stoort, zowel in de standby- als in de zendmodus.
Controleer alle elektrische uitrusting:
·met het contact AAN
• bij draaiende motor
•tijdens een proefrit bij verschillende snelheden.
Controleer of de elektromagnetische velden die door de gemonteerde zender binnen het passagierscompartiment worden opgewekt niet de grenzen overschrijdt waaraan het menselijk lichaam mag worden blootgesteld.
A
A/C
Zie: Klimaatregeling....66
Aan/uit toets....193
Aandrijfregeling....99
Werking....99
Aandrijving op alle wielen....95
Automatische functie....95
Handmatige modus....95
Aanhangers trekken....114
Aansluiting Auxiliary ingang (AUX IN) 82
Aansluitpunten van de accu 147
Aansteker....79
ABS
Zie: Remmen....96
Accessoires
Zie: Onderdelen en accessoires....7
Accu van de auto....146
Accu vervangen....147
Achterbank....76
Complete rugleuning naar voren kantelen....76
Een rugleuningdeel naar voren kantelen....76
Zittingen van achterbanken verwijderen....77
Achterruitwissers en -sproeiers....32
Ruitensproeier, achter....33
Wissen met intervallen....32
Wissen tijdens achteruitrijden....32
Achterste zijruiten....50
Achteruitkijkcamera....104
Werking....104
Achteruitkijkcamera gebruiken......104
Achteruitkijkcamera activeren....105
Achteruitkijkcamera deactiveren......107
Achteruitkijkcamera in- en uitschakelen....107
Display gebruiken....105
Afspelen CD beëindigen....208
6000CD en 6006CDC....208
Sony CD....209
Afstandsbediening programmeren
Zie: Programmeren van de afstandsbediening....20
Airconditioning
Zie: Klimaatregeling....66
Akoestische waarschuwingssignalen en -indicaties....57
Informatiecentrum....57
Waarschuwing portier open....57
Alarm....27
Werking....27
Alarm inschakelen....28
Categorie 1 alarm....28
Perimeter alarminstallatie....28
Alarm uitschakelen....28
Categorie 1 alarm....28
Perimeter alarminstallatie....28
Algemene informatie over radiofrequencies....20
Alternatieve frequenties....201
6000CD en 6006CDC....201
Sony CD....201
Asbak....80
ASL
Zie: Automatische snelheidsbegrenzer (ASL)....110
Seek (zoekfunctie)....29
Volume....29
Audiodisplays met tijd- en datumaanduiding....191
Automatische snelheidsbegrenzer (ASL)....110
Werking....110
Automatische volumeregeling......200
6000CD en 6006CDC....200
Sony CD....200
Automatisch in- en uitschakelende ruitenwissers....31
Automatisch wissen....31
Automatisch in- en uitschakelende verlichting....36
Auto's met dagrijlicht....36
Auto's zonder dagrijlicht....36
Auto op vier wielen slepen....129
Alle uitvoeringen....129
Wagens met automatische transmissie....129
Auto op vier wielen slepen - AWD......130
Autostore toets....196
6000CD en 6006CDC....196
Sony CD....196
AWD
Zie: Aandrijving op alle wielen....95
B
Balance/fade (balans links/rechts, voor/achter) regeling....193
6000CD en 6006CDC....193
Sony CD....193
Bandenreparatieset....162
Algemene informatie....162
Bandenreparatieset gebruiken....163
Bandenspanning controlleren....165
Bediening van de audio-installatie......194
Sony CD met Bluetooth....195
Bekerhouders....80
Belangrijke audio-informatie......185
CD etiketten....185
Labels op het audiotoestel....185
Bergen van de auto....129
Bescherming van inzittenden....15
Werking....15
Beveiligingscode....190
Beveiligingscode invoeren....190
6000CD en 6006CDC....190
Sony CD....190
Beveiligingscode vergeten....190
Beveiliging van uw
audio-installatie....190
Bevestigingspunten voor lading......111
Extra steunen....113
Lading bevestigen....112
Bijlagen....246
Brandstof en tanken....88
Technische specificatie....90
Brandstofkwaliteit - Benzine......88
Brandstofkwaliteit - Diesel....88
Opslaan voor de lange termijn....88
Brandstofverbruik....90
Brandstofverbruik
Zie: Technische specificatie....90
Buitenspiegels....49
Handmatig inklapbare spiegels......49
C
CD's aanbrengen....204
6000CD....204
6006CDC....204
Sony CD....204
CD's uitwerpen....207
6000CD....207
6006CDC....207
Sony CD....207
CD afspelen....205
6000CD en 6006CDC....205
Sony CD....205
CD-nummers comprimeren....206
6000CD en 6006CDC....206
Sony CD....206
CD-nummers herhalen....207
6000CD....207
6006CDC....207
Sony CD....207
CD-nummers scannen....207
6000CD en 6006CDC....207
Sony CD....207
CD selecteren....205
6006CDC....205
CD-speler....204
Een telefoonboek aanleggen....234
Hoofdinstellingen....236
Telefoon....232
Telefoonfuncties....232
Contactslot....83
Contactslot
Zie: Contactslot....83
Controle koelvloeistofpeil
Zie: Motorkoelvloeistof controleren......137
Controle oliepeil
Zie: Motorolie controleren....137
Controle vloeistofpeil koppeling en
remsysteem....138
Cruise Control
Zie: Snelheidsregeling (Cruise Control).....108
D
Dagrijlicht....36
Dakrekken en bagagedragers....113
Imperiaal....113
Uitvoeringen met een nooduitgang......113
De juiste zitpositie innemen....74
De motorkap openen en sluiten......132
Motorkap openen....132
Motorkap sluiten....132
Dieselroetfilter......85
Regeneratie....85
Digitale signaalverwerking (DSP)......200
DSP-equalizer....200
DSP-instellingen wijzigen......200
DSP voor bezette zitplaatsen......200
DPF
Zie: Dieselroetfilter....85
DRL
Zie: Dagrijlicht....36
E
Een benzinemotor starten....83
Koude of warme motor....83
Stationair toerental na het starten....84
Verzopen motor....84
Een dieselmotor starten....84
Koude of warme motor....84
Een wiel vervangen....155
Boordkrik....156
Kriksteunpunten, achter....158
Reservewiel....155
Voorste kriksteunpunten....157
Wiel aanbrengen....161
Wiel opbergen....162
Wielslotmoeren....155
Wiel verwijderen....160
Een zekering vervangen....120
Eerstehulpset....116
Bus....116
Gesloten bestelwagen, Kombi, Chassis Cabine, uitvoering met open laadbak....116
Ruit van bestuurdersportier automatisch openen....49
Elektrische portiersloten
Zie: Vergrendelen en ontgrendelen......21
Elektrisch verstelbare buitenspiegels......49
Elektromagnetische compatibiliteit....246
Extern apparaat aansluiten - Auto's met Bluetooth....239
Bluetooth audio-apparaat aansluiten....239
Extern apparaat aansluiten ....238
Aansluiting....238
Extra verwarming....69
Algemene informatie....69
Werkingsprincipe....70
Extra voedingsaansluitingen 80
F
Flessenhouder....81
G
Gebruik maken van aandrijfregeling.....99
Gebruik maken van de parkeerhulp....102
Gebruik maken van de telefoon - Auto's met Navigatiesysteem ....218
Actieve telefoon afmelden....220
Bellen....218
Een inkomend gesprek ontvangen......219
Een tweede oproep ontvangen......219
Microfoon dempen....219
Van actieve telefoon veranderen......219
Gebruik maken van de telefoon - Auto's zonder Navigatiesysteem ....215
Actieve telefoon afmelden....218
Bellen....215
Een gekoppelde telefoon ontkoppelen - Sony radio....218
Een inkomend gesprek ontvangen......217
Een tweede oproep ontvangen......217
Microfoon dempen....217
Van actieve telefoon veranderen......217
Gebruik maken van snelheidsregeling....108
Cruise control inschakelen....108
Cruise control uitschakelen....109
Ingestelde snelheid opnieuw inschakelen....109
Ingestelde snelheid uitschakelen......109
Ingestelde snelheid veranderen....108
Snelheid instellen....108
Gebruik maken van stabiliteitsregeling....97
Gebruik van sneeuwkettingen......166
Alle uitvoeringen....166
Auto's met achterwielaandrijving......167
Auto's met vierwielaandrijving (AWD)....167
Uitvoeringen met stabiliteitsregeling (ESP)....167
Uitvoeringen met voorwielaandrijving......167
Gebruik van veiligheidsgordels tijdens zwangerschap....18
Gebruik van winterbanden....166
Gecodeerde sleutels....26
Gemaksfuncties....79
Gereduceerd motorvermogen......115
Gevarendriehoek....116
Gloeilampentabel....48
Gloeilampen vervangen....39
Achterlichten....45
Achterlichtunits....43
Binnenverlichting achterin....47
Binnenverlichting voorin....46
Een koplamp verwijderen....40
Kentekenplaatverlichting....45
Leeslampen, voor......47
Markeringslichten op het dak....45
Richtingaanwijzers voor......41
Stadslichten....41
Tredeverlichting....47
Voormistlichten....41
Zijknipperlichten....42
Zijmarkeringslampen....42
Gloeilampen vervangen
Zie: Gloeilampen vervangen....39
Golfband toets....196
6000CD en 6006CDC....196
Sony CD....196
H
Handgeschakelde versnellingsbak......95
Handmatige klimaatregeling......67
Aanjager....67
Gerecirculeerde lucht....67
Interieur snel verwarmen....67
Luchtverdeelknop....67
Temperatuurregelknop....67
Ventilatie....68
Voorruit snel ontdooien en ontwasemen....67
Handrem
Zie: Parkeerrem....96
Zie: Regeling voor bergop rijden gebruiken....100
HLA
Zie: Regeling voor bergop rijden....100
HLA
Zie: Regeling voor bergop rijden gebruiken....100
Hoofdsteunen....77
Hoofdsteun instellen....77
Hoofdsteun verwijderen....78
Hoogte van veiligheidsgordels afstellen....17
Veiligheidsgordel, achter....17
Veiligheidsgordel, voor......17
Hulpstartkabels Zie: Starten met hulpstartkabels .....146
|
Immobilisatiesysteem inschakelen......26
Immobilisatiesysteem Zie: Motorstartblokkering....26
Immobilisatiesysteem üitschakelen.....26
In één oogopslag ....8 ....13
Extra voedingsaansluitingen....13
Handgeschakelde versnellingsbak....13
Informatiedisplays....11
Overzicht instrumentepaneel - wagens met links stuur....8
Overzicht instrumentepaneel - wagens met rechts stuur....9
Roetfilter (DPF) dieselmotor....14
Stationair toerental na het starten....13
Vergrendelen en ontgrendelen....12
Waarschuwings- en controlelampen......11
Infoberichten....60
Waarschuwingsberichten....60
Infodisplays....58
Algemene informatie....58
Informatiecentrum Zie: Infodisplays....58
Ingangsaansluiting (AUX IN)......210
Inhouden en specificaties ....177 Technische specificatie....177
Inleiding audio-installatie....185
Inleiding....7
Inrijden....115
Banden....115
Motor....115
Remmen en koppeling....115
Instrumentenpaneel....51
Interieurverlichting....38
Leeslampen....39
Leeslampen - uitvoeringen met interieursensoren....39
Leeslampen - uitvoeringen zonder interieursensoren....38
Uitvoeringen met dubbele vergrendeling....38
iPod-aansluiting Zie: Extern apparaat aansluiten ....238
Zie: Extern apparaat aansluiten - Auto's met Bluetooth....239
iPod gebruiken 242
CD-navigatie-units....243
SD-navigatie-units....244
Sony radio....242
iPod Zie: iPod gebruiken ....242
ISOFIX verankeringspunten....153
Een kinderzitje met een veiligheidsgordel aan de bovenzijde bevestigen....153
K
Kaartjeshouders....79
Katalysator....89
Rijden met een auto met katalysator......89
Kindersloten....153
Linkerzijde....154
Rechterzijde....154
Kinderzitjes....149
Kinderzitjes voor verschillende gewichtsgroepen....149
Kleine lakschade repareren....145
Klimaatregeling......66
Werking....66
Klok....79
Auto's met klok in de audio- of navigatie-unit....79
Uitvoeringen met een instrumentengroep van het hoge uitrustingsniveau....79
Uitvoeringen met een instrumentengroep van het lage uitrustingsniveau....79
Koplamphoogte afstellen....37
L
Ladingsteunen
Zie: Dakrekken en bagagedragers......113
Luchtroosters
Zie: Ventilatieroosters....66
M
Meerdere CD's uitwerpen....209
6006CD....209
Menu's audio-installatie....200
Meters....51
Brandstofmeter....53
Instrumentengroep - hoog uitrustingsniveau....52
Instrumentengroep - laag uitrustingsniveau....51
Kilometerteller, dagteller en klok....53
Koelvloeistoftemperatuurmeter....53
Mistachterlichten....37
Mistlampen - Achter Zie: Mistachterlichten....37
Mistlampen - Voor Zie: Voorste mistlampen....36
Motorkapslot Zie: De motorkap openen en sluiten......132
Motorkoelvloeistof controleren......137
Bijvullen....138
Koelvloeistofpeil controleren....137
Motorolie controleren....137
Bijvullen....137
Het oliepeil controleren....137
Motorstartblokkering......26
Werking....26
Motor starten en stoppen 83
Algemene informatie....83
Motor uitschakelen....85
Auto's met turbocompressor....85
MP3-aansluiting Zie: Extern apparaat aansluiten ....238
Zie: Extern apparaat aansluiten - Auto's met Bluetooth....239
MP3-bestand afspelen....208
Een multi session CD afspelen....208
MP3 weergave-opties....208
Opties weergave CD tekst......208
N
Nieuwsberichten....202
6000CD en 6006CDC....202
Sony CD....202
Nooduitgang....116
Onderbrekingsschakelaar brandstoftoevoer....117
Schakelaar terugstellen....117
Toegang tot de schakelaar....117
Onderdelen en accessoires....7
Onderhoud....131
Algemene informatie....131
Technische specificatie....140
Onderhoud van de accu....147
Onjuiste beveiligingscode....190
Opbergruimtes....81
Opbergruimte boven de voorruit....81
Opbergvak op dashboard....81
Over deze handleiding 7
Overzicht audio-installatie....186
Overzicht motorruimte - 2,2 l Duratorq-TDCi (Puma) diesel /2,4 l Duratorq-TDCi (Puma) diesel /3.2 l Duratorq-TDCi (Puma) diesel......135
Overzicht motorruimte - 2,2 l Duratorq-TDCi (Puma) diesel .....134
Overzicht motorruimte - 2,3 l Duratec-HE (MI4)....133
Overzicht van symbolen....7
Symbolen in dit instructieboekje......7
Symbolen op uw auto....7
P
Parkeerhulp 102
Werking....102
Parkeerrem....96
Passagiersairbag uitschakelen....18
Airbag aan passagierszijde inschakelen....19
Airbag aan passagierszijde uitschakelen....18
Persoonlijke instellingen....63
Eenheden....64
Gongsignalen bij berichten....64
Menu Persoonlijke instellingen....63
Menu Persoonlijke instellingen – Exit......65
Overzicht van de schermen van het hoofdmenu....63
Taal instellen....63
Tijd instellen....63
Weergave klok....64
Wekker instellen....64
Plaatsen zekeringenhouders......118
Aansluitkast aan passagierszijde......119
Aansluitkast in motorcompartiment......119
Standaard relaiskast....118
Voorschakel-zekeringkast......118
Plaatsing van kinderzitjes....150
Programmeren van de afstandsbediening....20
R
Reductie geluidsvervorming
(CLIP)....200
6000CD en 6006CDC....200
Sony CD....201
Regeling functie
verkeersinformatie....196
Instellen van het voorgeprogrammeerde volume....197
Lokale of algemene verkeersinformatie....197
Verkeersberichten beëindigen....197
Verkeersberichten inschakelen....196
Volume van de verkeersberichten......197
[Non-Text]
[Non-Text]
[Non-Text]
[Non-Text]
[Non-Text]
[Non-Text]
[Non-Text]
[Non-Text]
[Non-Text]
Regeling voor bergop rijden
gebruiken....100
Het systeem activeren....100
Het systeem deactiveren....101
Het systeem uitschakelen....101
Regeling voor bergop rijden......100
Werking....100
Regionale modus (REG)......202
6000CD en 6006CDC....202
Sony CD....202
Reinigen van binnenzijde auto....145
Achterruiten....145
Instrumentenpaneelschermen, LCD-schermen, radioschermen......145
Veiligheidsgordels....145
Reinigen van buitenzijde auto....144
Achterruit reinigen....144
Chromen onderdelen reinigen....144
Koplampen reinigen....144
Onderhoud van de lak....144
Remmen....96
Werking....96
Richtingaanwijzers....37
Ruiten en spiegels....49
Ruitensproeiers
Zie: Ruitenwissers en ruitensproeiers......31
Ruitensproeiervloeistof controleren....140
Ruitenwisserbladen controleren....33
Ruitenwisserbladen vervangen....33
Ruitenwissers en ruitensproeiers......31
S
Schuifruiten....50
Setup Bluetooth....214
Eisen voor een Bluetooth verbinding......214
Telefoons bedienen....214
Setup telefoon....213
Een andere Bluetooth telefoon aanmelden....214
Telefoonboek......213
Telefoonboekcategorieën......213
Van een telefoon een actieve telefoon maken....214
[Non-Text]
[Non-Text]
[Non-Text]
[Non-Text]
[Non-Text]
[Non-Text]
Sleutels en afstandsbediening....20
Sloten....21
Sneeuwkettingen
Zie: Gebruik van sneeuwkettingen......166
Snelheidsregeling (Cruise Control)
Zie: Gebruik maken van snelheidsregeling....108
Snelheidsregeling (Cruise Control)......108
Werking....108
Speciale notificaties 7
Specificatie-overzicht zekeringen......120
Aansluitkast aan passagierszijde......127
Aansluitkast in motorcompartiment......121
Extra zekeringen....128
Standaard relaiskast....124
Voorschakel-zekeringkast......120
Spiegels
Zie: Ruiten en spiegels....49
Zie: Verwarmde ruiten en spiegels......69
Spraakgestuurd regelsysteem
gebruiken....221
Spraaklabel....222
Werking van het systeem....221
Spraaksturing....30
Werking....221
Staat na een aanrijding....117
Stabiliteitsregeling....97
Werking....97
Standverwarming
Zie: Extra verwarming....69
Start/stop knop gebruiken......86
Het systeem in- en uitschakelen....87
Motor afzetten....87
Motor starten....87
Start/stop knop....86
Werking....86
Starten met hulpstartkabels
Zie: Starten met hulpstartkabels .....146
Starten met hulpstartkabels ......146
Hulpstartkabels aansluiten....146
Motor starten....146
Station afstemtoetsen....198
DAB-service linking....198
Handmatig afstemmen....198
Scanfunctie....198
Zoeken....198
Stoelen....74
Stoelverhogers ....152
Kinderzitje (Groep 2)....152
Zitverhoger (Groep 3)....152
Storingen verhelpen audio-installatie....211
Stuurbekrachtigingsvloeistof
controleren....139
Bijvullen....139
Stuurwiel....29
T
Tanken....90
Tankklep....89
Technische specificaties Zie: Inhouden en specificaties ....177
Telefoon
Zie: Gebruik maken van de telefoon - Auto's met Navigatiesysteem ....218
Zie: Gebruik maken van de telefoon - Auto's zonder Navigatiesysteem ....215
Telefoon....213
Algemene informatie....213
Tijd en datum van de audio-installatie instellen....191
6000CD en 6006CDC....191
Sony CD....191
Tips voor het rijden met ABS
Zie: Tips voor rijden met ABS 96
Tips voor het rijden....115
Tips voor rijden met ABS 96
Transport....111
Algemene informatie....111
Tredeverlichting....39
Trekken van een aanhanger....114
Typegoedkeuringen....246
FCC/INDUSTRY CANADA NOTICE......246
RX-42 - Conformiteitsverklaring......246
U
USB-apparaat gebruiken ....239
CD-navigatie-units....240
SD-navigatie-units....241
Sony radio....239
USB-poort....82
USB
Zie: USB-apparaat gebruiken ....239
V
Veiligheidsgordels vastmaken....16
Veiligheidsgordels
Zie: Veiligheidsgordels vastmaken......16
Veiligheidsmaatregelen....88
Veiligheidsuitrusting voor kinderen.....149
Velgen en banden....155
Algemene informatie....155
Technische specificatie....167
Ventilatie
Zie: Klimaatregeling....66
Ventilatieroosters....66
Verbinding......237
Algemene informatie......237
Vergrendelen en ontgrendelen....21
Automatisch opnieuw vergrendelen......24
Automatisch vergrendelen....23
Dubbele vergrendeling....21
Een fase ontgrendeling....24
Portieren met de afstandsbediening vergrendelen en ontgrendelen....22
Portieren met de hendels vergrendelen en ontgrendelen....22
Portieren met de sleutel vergrendelen en ontgrendelen....21
Programmeerbaar ontgrendelingssysteem......25
Slagvergrendeling....23
Twee fasen ontgrendeling....24
Zone opnieuw vergrendelen....24
Verlichtingsbediening....35
Dagrijlichten....35
Standen van de lichtschakelaar....35
Verlichting....35
Versneld vooruit/achteruit......205
6000CD en 6006CDC....205
Sony CD....206
Versnellingsbak/transmissie....95
Versnellingsbak
Zie: Versnellingsbak/transmissie....95
Verwarmde ruiten en spiegels......69
Verwarmbare buitenspiegels....69
Verwarmbare ruiten....69
Verwarmde stoelen....78
Verwarming
Zie: Klimaatregeling....66
Verzorging van banden....166
Verzorging van de auto....144
VIN
Zie: Voertuigidentificatienummer....176
Vloermatten....82
Voertuigidentificatienummer....176
Voertuigidentificatieplaatje......176
Voertuigidentificatie....176
Voorkeuzetoetsen....195
Voorruitsproeiers....32
Voorruitwissers....31
Wissen met intervallen....31
Voorste mistlampen....36
Voorstoelen....74
Armsteun instellen....75
Hellingshoek van de rugleuning verstellen....75
Hellingshoek van de zitting verstellen......75
Lendensteun afstellen....75
Stoel draaien....76
Stoelen naar voren en achteren schuiven....74
Voorzorgsmaatregelen voor koude weersomstandigheden......115
W
Waarschuwings- en
indicatielampen....53
Berichtenindicator....56
Controlelamp ABS....54
Controlelamp airbag....54
Controlelamp automatische snelheidsregeling....55
Controlelampen motor....55
Controlelamp onderhoudsbeurt......57
Controlelamp portier niet goed gesloten....55
Controlelamp remblokslijtage....54
Controlelamp schakeling....57
Controlelamp stabiliteitsregeling (ESP) en tractieregeling....57
Controlelamp voorgloeien....56
Instrumentengroep, hoog uitrustingsniveau....54
Instrumentengroep, laag uitrustingsniveau....53
Lamp remsysteem....54
Richtingaanwijzer....55
Start/stop-indicatielamp....57
Waarschuwingsknipperlichten....37
Wagen wassen
Zie: Reinigen van buitenzijde auto......144
Wassen
Zie: Reinigen van buitenzijde auto....144
Uitvoeringen met een dieselmotor......139
Wat te doen bij pech ....116
Werking van de audio-installatie......193
Winterbanden
Zie: Gebruik van winterbanden....166
Z
Zekeringen....118