Grande Punto (2007) - Auto Abarth - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis Grande Punto (2007) Abarth in PDF-formaat.
Gebruikersvragen over Grande Punto (2007) Abarth
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Auto in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding Grande Punto (2007) - Abarth en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. Grande Punto (2007) van het merk Abarth.
GEBRUIKSAANWIJZING Grande Punto (2007) Abarth
Hartelijk dank dat u voor een Abarth hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze voor de Grande Punto Abarth.
Wij hebben dit boekje samengesteld om u de kwaliteiten van deze auto volledig te laten benutten.
Wij raden u aan alle hoofdstukken door te lezen voordat u voor de eerste keer met de auto gaat rijden.
Dit instructieboekje bevat informatie, tips en aanwijzingen die u zullen helpen de technische kwaliteiten van uw Abarth volledig te benutten.
Wij raden u aan om de aanwijzingen en tips bij de onderstaande symbolen aandachtig te lezen:

veiligheid van de inzittenden;

conditie van de auto;

bescherming van het milieu.
In de de "Service- en garantiehandleiding" vindt u naast het schema voor het geprogrammeerd onderhoud:
□ het garantiecertificaat en de bijbehorende voorwaarden
□ een overzicht van de speciale aanvullende service voor cliënten.
Veel leesplezier en goede reis!
Hoewel in dit instructieboekje alle uitvoeringen van de Grande Punto Abarth beschreven worden, dient u zich aan de informatie te houden met betrekking tot de uitrusting, de motoruitvoering en het model van de auto die u gekocht hebt.
ABSOLUUT LEZEN!
BRANDSTOF TANKEN

Tank uitsluitend loodvrije benzine met een minimum octaangetal van 95 RON die voldoet aan de Europese specificatie EN 228.
MOTOR STARTEN

Controleer of de handrem is aangetrokken; zet de versnellingspook in vrij; trap het koppelingspedaal volledig in, maar trap het gaspedaal niet in; draai vervolgens de start-/contactsleutel in stand AVV en laat de sleutel los zodra de motor aanslaat.
PARKEREN BOVEN BRANDBARE MATERIALEN

Onder normale bedrijfsomstandigheden bereikt de katalysator hoge temperaturen. Parkeer daarom niet boven gras, droge bladeren, dennennaalden of ander brandbaar materiaal: brandgevaar.
BESCHERMING VAN HET MILIEU

De auto is uitgerust met een diagnosesysteem, dat continu controles uitvoert op de componenten die van invloed zijn op de uitlaatgasemissie zodat overmatige vervuiling van het milieu wordt voorkomen.
Als u na aanschaf van uw auto accessoires wilt monteren die stroom verbruiken (waardoor de accu langzaam kan ont-laden), wendt u dan tot de Abarth-dealer. Deze kan controleren of de elektrische installatie van de auto geschikt is voor het extra stroomverbruik.

CODE-CARD
Bewaar deze op een veilige plaats, maar niet in de auto. Wij raden u aan de elektronische code van de CODE-card altijd bij u te hebben.

GEPROGRAMMEERD ONDERHOUD
Bedenk dat een goed onderhoud van de auto de beste manier is om de prestaties en de veiligheid van de auto gedurende langere tijd te garanderen. Daarbij wordt ook het milieu ontzien en blijven de exploitatiekosten laag.

IN HET INSTRUCTIEBOEKJE....
…vindt u informatie, tips en belangrijke waarschuwingen voor het juiste gebruik, veilig rijden en het onderhoud van uw auto. Let vooral op de symbolen ⚠ (veiligheid van de inzittenden) ⚡ (bescherming van het milieu) ⚠ (conditie van de auto).

DASHBOARDEENBEDIENING©
DASHBOARD 5
SYMBOLEN 7
FIAT CODE 7
DE SLEUTELS 9
DIEFSTALALARM ...... II
START-/CONTACTSLOT 12
INSTRUMENTENPANEEL 13
INSTRUMENTEN 14
INSTELBAAR MULTIFUNCTIONEEL DISPLAY ...... 16
TRIP COMPUTER 25
ZITPLAATSEN VOOR 28
ZITPLAATSEN ACHTER 29
HOOFDSTEUNEN 30
STUURWIEL 31
SPIEGELS 31
KLIMAATREGELING 33
HANDBEDIENDE AIRCONDITIONING 34
AUTOMATISCHE TWEEZONE
KLIMAATREGELING 40
BUITENVERLICHTING 47
RUITEN REINIGEN 49
CRUISE-CONTROL 52
De aanwezigheid en de opstelling van de bedieningsknoppen, de instrumenten en de controlelampjes kunnen per uitvoering verschillen.

fig. I
FOM001Ab
1. Verstelbare uitstroomopeningen zijkant - 2. Vaste uitstroomopeningen zijkant - 3. Linker hendel: bediening buitenverlichting - 4. Instrumentenpaneel - 5. Rechter hendel: bediening ruitenwissers, achterruitwisser, trip computer - 6. Bedieningsknoppen op het dashboard - 7. Verstelbare uitstroomopeningen midden - 8. Vast luchtrooster boven - 9. Frontairbag passagierszijde - 10. Dashboardkastje - 11. Autoradio - 12. Bedieningsorganen klimaatregeling - 13. Contactslot - 14. Frontairbag bestuurderszijde - 15. Hendel stuurwielverstelling - 16. Schakelaarpaneel: mistlampen voor/mistachterlicht/koplampafstelling/instelbaar multifunctioneel display.
UITVOERING MET STUUR RECHTS
De aanwezigheid en de opstelling van de bedieningsknoppen, de instrumenten en de controlelampjes kunnen per uitvoering verschillen.

- Verstelbare uitstroomopeningen zijkant - 2. Vaste uitstroomopeningen zijkant - 3. Rechter hendel: bediening ruitenwissers, achterruitwisser, trip computer - 4. Instrumentenpaneel - 5. Linker hendel: bediening buitenverlichting - 6. Bedieningsknoppen op het dashboard - 7. Verstelbare uitstroomopeningen midden - 8. Vast luchtrooster boven - 9. Frontairbag passagierszijde - 10. Dashboardkastje - 11. Autoradio - 12. Bedieningsorganen klimaatregeling - 13. Contactslot - 14. Frontairbag bestuurderszijde - 15. Hendel stuurwielverstelling - 16. Schakelaarpaneel: mistlampen voor/mistachterlicht/koplampverstelling/instelbaar multifunctioneel display.
SYMBOLLEN
Op of in de nabijheid van enkele onderdelen van uw auto zijn plaatjes met een bepaalde kleur aangebracht, met daarop symbolen die uw aandacht vragen en die voorzorgsmaatregelen aangeven die u in acht moet nemen als u met het betreffende onderdeel te maken krijgt.

Onder de motorkap fig. 3 is een plaatje aangebracht, waarop de betekenis van de symbolen wordt verklaard.
FIAT CODE
Voor een nog betere bescherming tegen diefstal is de auto uitgerust met een elektronische startblokkering. Het systeem schakelt automatisch in als de start-/contactsleutel wordt uitgenomen.
In iedere sleutel zit een elektronische component gemonteerd die bij het starten van de motor een signaal ontvangt via een speciale antenne die in het start-/contactslot is ingebouwd. Het signaal wordt bij het starten omgezet in een gecodeerd signaal en vervolgens aan de regeleenheid van het CODE-systeem gezonden, die, als de code wordt herkend, het starten van de motor mogelijk maakt.
WERKING
Als u bij het starten van de motor de sleutel in stand MAR draait, dan stuurt het Fiat CODE-systeem een code naar de regeleenheid van de motor die, als de code wordt herkend, de blokkering van de functies opheft.
De code wordt alleen verzonden als de regeleenheid van het Fiat CODE-systeem de door de sleutel verzonden code heeft herkend.
ledere keer als u de contactsleutel in stand STOP zet, schakelt de Fiat CODE de functies van de elektronische regeleenheid van de motor uit.
Als bij het starten de code niet wordt herkend, verschijnt op het display het symbool (zie hoofdstuk "Lampjes en berichten").
Draai in dat geval de sleutel in stand STOP en vervolgens opnieuw in stand MAR; als de motor geblokkeerd blijft, probeer het dan opnieuw met de andere geleverde sleutels. Als de motor nog niet aanslaat, wendt u dan tot de Abarth-dealer.
BELANGRIJK Elke sleutel heeft een eigen code, die in de regeleenheid van het systeem moet worden opgeslagen. Voor het opslaan van nieuwe sleutels (maximaal acht) moet u zich tot de Abarth-dealer wenden.
Als het lampje

tijdens het rijden gaat branden
Als het symbool op het display verschijnt, betekent dit dat het systeem zichzelf controleert (bijv. bij een vermindering van de spanning).
Als het symbool op het display blijft weergegeven, wendt u dan tot de Abarth-dealer.

Bij krachtige stoten kunnen de elektronische componenten in de sleutel beschadigd worden.
DE SLEUTELS
CODE-CARD fig. 4
Bij de auto worden twee sleutels geleverd en de CODE-card waarop staat aangegeven:
A de elektronische code;
B de mechanische code van de sleutels die bij aanvraag van duplicaatsleutels aan de Abarth-dealer moet worden overhandigd.
Wij raden u aan de elektronische code van de CODE-card A-fig. 4 altijd bij u te hebben.
BELANGRIJK Om schade aan de elektronische schakelingen in de sleutels te voorkomen, mogen de sleutels niet aan directe zonnestraling worden blootgesteld.

text_image
FIAT CODE ELECTRONIC CODE A MECHANICAL CODE Bfig. 4
F0M0006m

text_image
A Bfig. 5
F0M0007m

Als de auto wordt verkocht, moeten alle sleutels en de CODE-card overhandigd worden aan de nieuwe eigenaar.
SLEUTEL MET AFSTANDSBEDIENING fig. 5
De metalen baard A bevindt zich in de handgreep en dient voor:
□ het start-/contactslot;
□ de sloten van de portieren;
□ het ont-/vergrendelen van de tankdop (indien van toepassing).
Druk op het knopje B voor het uitklappen van de metalen baard. Ga voor het inklappen als volgt te werk:
☐ houd het knopje B ingedrukt en verplaats de metalen baard A;
☐ laat het knopje B los en draai de metalen baard A totdat hij op de juiste wijze is ingeklapt en vergrendeld.

ATTENTIE
Druk het knopje B alleen in als de sleutel ver genoeg van
het lichaam (speciaal de ogen) en van voorwerpen die snel beschadigen (bijvoorbeeld kledingstukken) is verwijderd. Laat de sleutel nooit onbeheerd achter. Hiermee voorkomt u dat iemand (dit geldt in het bijzonder voor kinderen) per ongeluk op de knop drukt.
Knop 🔒 dient voor het ontgrendelen van de portieren en de achterklep.
Knop 🔒 dient voor het vergrendelen van de portieren en de achterklep.
Knop 📄 dient voor het op afstand ont-grendelen van de achterklep.
Als de portieren worden ontgrendeld, wordt de interieurverlichting een bepaalde tijd ingeschakeld.

text_image
SPORT BOOST ASD OFF A fig. 6 F0M076AbInformatie van het lampje op het dashboard
Als de portieren worden vergrendeld, gaat het bewakingslampje A-fig. 6 ongeveer 3 seconden branden en daarna knipperen (bewakingsfunctie).
Als u de portieren vergrendelt en een of meer portieren of de achterklep zijn niet goed gesloten, dan gaan het lampje en de richtingaanwijzers snel knipperen.
Extra afstandsbedieningen bestellen
Het systeem kan maximaal 8 afstandsbedieningen herkennen. Als u in de loop der tijd een nieuwe afstandsbediening nodig hebt, kunt u zich tot een Abarth-dealer wenden. Neem dan de CODE-card, een identiteitsbewijs en het kentekenbewijs mee.

text_image
A B C D E fig. 7 F0M0010mBatterij van de sleutel met afstandsbediening vervangen fig. 7
Ga voor het vervangen van de batterij als volgt te werk:
□ druk op de knop A en klap de metalen baard B uit;
draai de schroef C in stand met een kleine schroevendraaier;
□ trek de batterijhouder D naar buiten en vervang de batterij E; let daarbij goed op de polariteit;
☐ plaats de batterijhouder D in de sleutel en draai de schroef C in stand.

text_image
A fig. 8 F0M071AbLege batterijen zijn schadelijk voor het milieu. Ze moeten in daarvoor bestemde containers worden gedeponeerd of kunnen ingeleverd worden bij de Abarth-dealer, die voor de verwerking zorgt.
MECHANISCHE SLEUTEL fig. 8
De metalen baard A zit vast aan de sleutel. De sleutel dient voor:
□ het start-/contactslot;
□ de sloten van de portieren;
□ het ont-/vergrendelen van de tankdop (indien van toepassing).
DIEFSTALALARM
Het diefstalalarm van de auto is opgenomen in het Abarth Lineaccessori-programma.
Hieronder worden alle met de sleutels in te schakelen functies samengevat (met en zonder afstandsbediening):
| Type sleutel | Ontgrendelen sloten | Sloten van buitenaf vergrendelen | Dead lock in-schakelen (indien aanwezig) | Ontgrendelen achterklepslot | Ruiten openen (indien van toe-passing) | Ruiten sluiten (indien van toe-passing) |
| Mechanische sleutel | Sleutel linksom draaien (bestuurderszijde) | Sleutel rechtsom draaien (bestuurderszijde) | - | - | - | - |
| Sleutel met afstandsbediening | Sleutel linksom draaien (bestuurderszijde) | Sleutel rechtsom draaien (bestuurderszijde) | - | - | - | - |
| Knopkort indrukken | Knopkort indrukken | Knoptwee keer indrukken | Knopkort indrukken | Knop langer dan 2 seconden indrukken | Knop langer dan 2 seconden indrukken | |
| Knipperen richtingaanwijzers (alleen met sleutel met afstandsbediening) | 2 x knipperen | 1 x knipperen | 3 x knipperen | 2 x knipperen | 2 x knipperen | 1 x knipperen |
| Bewakingslampje | Gedoofd | 3 seconden continu branden en vervolgens knippe-ren | 2 x knipperen en vervolgens knipperen | Knipperen | Gedoofd | Knipperen |
BELANGRIJK Het openen van de ruiten is gekoppeld aan het commando voor portierontgrendeling; het sluiten van de ruiten is gekoppeld aan het commando voor portiervergrendeling.
START-/CONTACTSLOT
De sleutel kan in 3 standen worden gedraaid fig. 9:
☐ STOP: motor uit, sleutel uitneembaar, stuurslot ingeschakeld. Enkele elektrische installaties werken (bijv. autoradio, centrale portiervergrendeling).
□ MAR: contact aan. Alle elektrische installaties werken.
□ AVV: motor starten (stand zonder vergrendeling).
Het contactslot is voorzien van een herstartbeveiliging. Als de motor bij de eerste poging niet aanslaat, moet u de sleutel terugdraaien in stand STOP en nogmaals starten.

ATTENTIE
Als het start-/contactslot is geforceerd (bijv. bij een poging tot diefstal) moet u, voordat u weer met de auto gaat rijden, de werking van het slot laten controleren bij de Abarth-dealer.

text_image
STOP MAR AVVfig. 9
F0M0015m

ATTENTIE
Neem altijd de sleutel uit het contactslot als de auto wordt verlaten, om onvoorzichtig gebruik van de bedieningsknoppen te voorkomen. Vergeet niet de handrem aan te trekken. Schakel de eerste versnelling in als de auto op een helling omhoog staat en de achteruit bij een helling omlaag (gezien vanuit de rijrichting). Laat kinderen nooit alleen achter in de auto.
STUURSLOT
Inschakelen
Zet de sleutel in stand STOP, trek de sleutel uit het start-/contactslot en draai het stuur totdat het vergrendelt.
Uitschakelen
Draai het stuur iets heen en weer, terwijl u de sleutel in stand MAR draait.

ATTENTIE
Verwijder de sleutel nooit uit het contactslot als de auto nog in beweging is. Bij de eerste stuur- uitslag blokkeert het stuur automa- tisch. Dit geldt in alle gevallen, ook als de auto gesleept wordt.

ATTENTIE
Het is streng verboden om demontage-/montagewerkzaamheden uit te voeren, waarvoor wijzigingen in de stuurinrichting of de stuurkolom vereist zijn (bijv. bij montage van een diefstalbeveiliging). Hierdoor kunnen de prestaties van het systeem, de garantie en de veiligheid in gevaar worden gebracht en voldoet de auto niet meer aan de typegoedkeuring.
INSTRUMENTENPANEEL

UITVOERING MET STUUR LINKS
A Snelheidsmeter
B Brandstofmeter met waarschuwingslampje brandstofreserve
C Koelvloeistoftemperatuurmeter met waarschuwingslampje voor te hoge koelvloeistoftemperatuur
D Toerenteller
E Instelbaar multifunctioneel display
UITVOERING MET STUUR RECHTS
A Snelheidsmeter
B Brandstofmeter met waarschuwingslampje brandstofreserve
C Koelvloeistoftemperatuurmeter met waarschuwingslampje voor te hoge koelvloeistoftemperatuur
D Toerenteller
E Instelbaar multifunctioneel display
INSTRUMENTEN
De achtergrondkleur en de vormgeving van de instrumenten kunnen per uitvoering verschillen.

text_image
ABARTH km/hfig. 12
F0M002Ab
SNELHEIDSMETER fig. 12
Geeft de snelheid van de auto aan.

text_image
ABARTH x100fig. 13
F0M003Ab
TOERENTELLER fig. 13
De toerenteller geeft het toerental per minuut van de motor aan.
BELANGRIJK De regeleenheid van de elektronische inspuiting blokkeert tijdelijk de toevoer van brandstof als de motor met te hoge toerentallen draait, waardoor het motorvermogen zal afnemen.
Bij stationair draaiende motor kan de toerenteller onder bepaalde omstandigheden een geleidelijke of herhaalde toerentalstijging aangeven.
Dit is een normaal verschijnsel en kan optreden als bijvoorbeeld de airconditioning of de elektroventilateur wordt ingeschakeld. In deze gevallen dient een geringe toerentalstijging voor het behoud van de lading van de accu.

text_image
F E 300Ω A C Hfig. 14

text_image
F F ≥00E B C Hfig. 15
F0M005Ab
BRANDSTOFMETER fig. 14
De wijzer geeft de hoeveelheid brandstof aan die in de tank aanwezig is.
E brandstoftank leeg.
F brandstoftank vol.
Het waarschuwingslampje A geeft aan dat er nog ongeveer 7 liter brandstof aanwezig is.
Rijd niet met een bijna lege brandstoftank: door een onregelmatige brandstoftoevoer kan de katalysator beschadigen.
Zie de paragraaf "Tanken".
BELANGRIJK Als de wijzernaald op de indicatie E staat en het waarschuwingslampje A knippert, dan is er een storing in het systeem. Wendt u in dit geval tot de Abarth-dealer om het systeem te laten controleren.
KOELVLOEISTOF- TEMPERATUURMETER fig. 15
De wijzer geeft de temperatuur aan van de motorkoelvloeistof, zodra de koel-vloeistoftemperatuur hoger wordt dan ongeveer 50°C.
Bij normaal gebruik van de auto kan de wijzernaald op verschillende posities in het bereik staan, afhankelijk van de gebruiksomstandigheden van de auto.
C Lage koelvloeistoftemperatuur.
H Hoge koelvloeistoftemperatuur.
Als het waarschuwingslampje B gaat branden en er verschijnt een bericht op het multifunctionele display, dan is de koelvloeistoftemperatuur te hoog; zet in dat geval de motor uit en wendt u tot de Abarth-dealer.

Als de wijzernaald in het rode gebied komt, zet dan onmiddellijk de motor uit en wendt u tot de Abarth-dealer.
INSTELBAAR MULTIFUNCTIONEEL DISPLAY
De auto is uitgerust met een instelbaar multifunctioneel display dat tijdens de rit nuttige informatie levert aan de bestuurder op basis van de instelling voor de gewenste gegevens.
BEGINSCHERM fig. 16
Op het beginscherm kan het volgende worden weergegeven:
A Tijd
B Datum
D Kilometerteller (weergave kilometer-/mijltotaalteller)
E Informatie over de status van de auto (geopende portieren, kans op gladheid enz.)
F Stand koplampverstelling (alleen als het dimlicht is ingeschakeld)
G Buitentemperatuur
Als u de start-/contactsleutel in stand MAR draait, wordt op het beginscherm van het display de datum fig. 16 of de turbodruk fig. 17 weergegeven, afhankelijk van de instelling in het menuonderdeel "Eerste pagina" ("Datum" of "Info motor").

+ Om het scherm en de keuzemogelijkheden naar boven te doorlopen of de weergegeven waarde te verhogen.
MENU ESC Kort indrukken voor toegang tot het menu en/of naar het volgende scherm te gaan of de keuze te bevestigen.
Even ingedrukt houden om terug te keren naar het beginscherm.
- Om het scherm en de keuzemogelijkheden naar beneden te doorlopen of de weergegeven waarde te verlagen.

text_image
20:52 20.5°C 2 D 123456 kmfig. 17
F0M050Ab

text_image
≠0 ≠0 + × ×0 - MENU ENCfig. 18
F0R0019m
Opmerking Bij de knoppen + en - hangt de werking van het volgende af:
- binnen het menu kunt u het menu naar boven of beneden doorlopen;
- tijdens het instellen kunt u de waarde verhogen of verlagen.
Opmerking Bij het openen van een voorportier wordt het display verlicht en wordt enkele seconden de tijd en de kilometer-/mijltotaalteller weergegeven.
SETUP-MENU fig. 19
Het menu bestaat uit een aantal functies dat "cyclisch" wordt weergegeven. De functies kunnen met de knoppen + en - worden gekozen, waarna u keuzemogelijkheden kunt selecteren of instellingen (setup) kunt uitvoeren. Bij enkele onderdelen (Tijd en Meeteenheid instellen) is er een submenu.
Het setup-menu kan worden geactiveerd door de knop MENU ESC kort in te drukken.
Door de knop + of - steeds in te drukken, kunt u de lijst van het setup-menu doorlopen. De werking is afhankelijk van het geselecteerde menupunt.
Een menupunt selecteren in het hoofdmenu zonder submenu:
- als u de knop MENU ESC kort indrukt, kunt u in het hoofdmenu de instelling selecteren die u wilt wijzigen;
- met de knop + of - (door de knop telkens in te drukken) kan de nieuwe instelling worden geselecteerd;
- als u de knop MENU ESC kort indrukt, kunt u de instelling opslaan en tegelijkertijd terugkeren naar het eerder geselecteerde menupunt.
Een menupunt selecteren in het hoofdmenu met submenu:
- als u de knop MENU ESC kort indrukt, wordt het eerste menupunt van het sub-menu weergegeven;
- met de knop + of - (door de knop telkens in te drukken) kunt u alle menupunten van het submenu doorlopen;
- als u de knop MENU ESC kort indrukt, kunt u het menupunt van het submenu selecteren en verschijnt het betreffende instellingenmenu;
- met de knop + of - (door de knop telkens in te drukken) kan de nieuwe instelling van dit menupunt in het submenu worden geselecteerd;
- als u de knop MENU ESC kort indrukt, kunt u de instelling opslaan en tegelijkertijd terugkeren naar het eerder geselecteerde menupunt.

Beep Snelheid (Snelheidslimiet)
Met deze functie kan de snelheidslimiet van de auto (km/h of mph) worden ingesteld. Als deze limiet wordt overschreden, wordt de bestuurder gewaarschuwd (zie hoofdstuk "Lampjes en berichten").
Ga voor het instellen van de snelheidslimiet als volgt te werk:
- druk kort op de knop MENU ESC; op het display verschijnt het opschrift (Beep Snelh.);
- druk op de knop + of - om de snel-heidslimiet in te schakelen (On) of uit te schakelen (Off);
- als de functie al was ingeschakeld (On), kan met de knop + of - de gewenste snel-heidslimiet worden ingesteld en worden bevestigd door het indrukken van de knop MENU ESC;
Opmerking De waarde kan worden ingesteld tussen 30 en 200 km/h of tussen 20 en 125 mph, afhankelijk van de ingestelde meeteenheid (zie de paragraaf "Meeteenheid instellen (Meeteenheid)" hierna). Elke keer als u de knop + of - indrukt, wordt de waarde 5 eenheden verhoogd of verlaagd. Als u de knop + of - ingedrukt houdt, lopen de cijfers automatisch snel door of terug. Als u dichtbij de gewenste waarde bent, kan de instelling worden voltooid door de knop telkens in te drukken.
- druk kort op de knop MENU ESC om terug te keren naar het menuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het beginscherm zonder op te slaan.
Ga als volgt te werk als u de instelling wilt annuleren: - druk kort op de knop MENU ESC; op het display knippert (On);
- druk kort op de knop -; op het display knippert (Off);
- druk kort op de knop MENU ESC om terug te keren naar het menuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het beginscherm zonder op te slaan.
Gevoeligheid regensensor instellen (Regensensor) (indien aanwezig)
Met deze functie kan de gevoeligheid van de regensensor worden ingesteld op 4 niveaus.
Ga voor het instellen van het niveau als volgt te werk:
- druk kort op de knop MENU ESC; op het display knippert het "niveau" van de ingestelde gevoeligheid;
- druk op de knop + of - om de instelling uit te voeren;
- druk kort op de knop MENU ESC om terug te keren naar het menuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het beginscherm zonder op te slaan.
Gegevens trip B (Trip B)
Met deze functie kan de weergave van Trip B (dagteller) worden ingeschakeld (On) of uitgeschakeld (Off).
Zie voor meer informatie de paragraaf "Trip computer".
Ga voor het in- of uitschakelen als volgt te werk:
- druk kort op de knop MENU ESC; op het display knippert On of Off, afhankelijk van de instelling;
- druk op de knop + of - om de keuze uit te voeren;
- druk kort op de knop MENU ESC om terug te keren naar het menuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het beginscherm zonder op te slaan.
Tijd instellen (Klokje instellen)
Met deze functie kan het klokje worden ingesteld in twee submenu's: "Tijd" en "Formaat".
Ga voor het instellen als volgt te werk:
- druk kort op de knop MENU ESC; op het display verschijnen de twee submenu's "Tijd" en "Formaat";
- druk op de knop + of - om tussen de submenu's te navigeren;
- druk na het selecteren van het submenu dat u wilt wijzigen, kort op de knop MENU ESC;
- als u in het submenu "Tijd" zit: druk kort op de knop MENU ESC; op het display knipperen de "uren";
- druk op de knop + of - om de instelling uit te voeren;
- druk kort op de knop MENU ESC; op het display knipperen de "minuten";
- druk op de knop + of - om de instelling uit te voeren.
Opmerking Elke keer als u de knop + of - indrukt, wordt de waarde een eenheid verhoogd of verlaagd. Als u de knop ingedrukt houdt, lopen de cijfers automatisch snel door of terug. Als u dicht bij de juiste waarde bent, stelt u de exacte waarde in door de knop telkens in te drukken en los te laten.
- als u in het submenu "Formaat" zit: druk kort op de knop MENU ESC; op het display knippert de tijdsaanduiding;
- druk op de knop + of - voor weergave van de tijd in "24h" of "12h".
Druk na het uitvoeren van de instelling kort op de knop MENU ESC om terug te keren naar het scherm van het submenu of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het scherm van het hoofd-menu zonder op te slaan.
- druk nogmaals lang op de knop MENU ESC om terug te keren naar het beginscherm of het hoofdmenu, afhankelijk van waar u zich in het menu bevindt.
Met deze functie kan de datum worden ingesteld (dag - maand - jaar).
Ga voor het instellen als volgt te werk:
- druk kort op de knop MENU ESC; op het display knippert de "dag" (dd);
- druk op de knop + of - om de instelling uit te voeren;
- druk kort op de knop MENU ESC; op het display knippert de "maand" (mm);
- druk op de knop + of - om de instelling uit te voeren;
- druk kort op de knop MENU ESC; op het display knippert het "jaar" (jjjj);
- druk op de knop + of - om de instelling uit te voeren.
Opmerking Elke keer als u de knop + of - indrukt, wordt de waarde een eenheid verhoogd of verlaagd. Als u de knop ingedrukt houdt, lopen de cijfers automatisch snel door of terug. Als u dicht bij de juiste waarde bent, stelt u de exacte waarde in door de knop telkens in te drukken en los te laten.
- druk kort op de knop MENU ESC om terug te keren naar het menuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het beginscherm zonder op te slaan.
Eerste pagina (weergave van informatie op het beginscherm van het display)
Met deze functie kunt u kiezen welke informatie op het beginscherm van het display moet worden weergegeven. U kunt kiezen voor weergave van de datum of voor weergave van de turbodruk.
Ga voor het kiezen van een van de twee opties als volgt te werk:
- druk kort op de knop MENU ESC; op het display verschijnt "Eerste pagina";
- druk nogmaals kort op de knop MENU ESC; op het display verschijnen de opties "Datum" en "Info motor";
- druk op de knop + of - om de weergave te selecteren die u op het beginscherm van het display wilt hebben;
- druk kort op de knop MENU ESC om de keuze op te slaan en terug te keren naar het menuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het beginscherm zonder op te slaan.
Als u de contactsleutel in stand MAR draait, wordt op het instelbare multifunctionele display, na de startcontrole, de informatie weergegeven die door middel van de functie "Eerste pagina" in het menu is ingesteld.
Zie radio
(Herhaling informatie audiosysteem)
Met deze functie kan op het display de informatie over de autoradio worden weergegeven.
- Radio: frequentie of RDS-bericht van het geselecteerde radiostation, automatisch zoeken of AutoSTore inschakelen;
- audio-CD, MP3-CD: nummer van het muziekstuk;
- CD-wisselaar: CD-nummer en nummer muziekstuk.
Ga voor het inschakelen (On) of uitschakelen (Off) van de informatie van het audiosysteem op het display als volgt te werk:
- druk kort op de knop MENU ESC; op het display knippert On of Off, afhankelijk van de instelling;
- druk op de knop + of - om de keuze uit te voeren;
- druk kort op de knop MENU ESC om terug te keren naar het menuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het beginscherm zonder op te slaan.
Autoclose
(Centrale portiervergrendeling bij rijdende auto)
Als deze functie is ingeschakeld (On), worden de portieren automatisch vergrendeld als de auto sneller rijdt dan 20 km/h.
De functie is op alle uitvoeringen aanwezig en kan alleen worden uitgeschakeld via het multifunctionele display of het instelbare multifunctionel display.
Ga voor het in- of uitschakelen van deze functie als volgt te werk:
- druk kort op de knop MENU ESC; op het display verschijnt een submenu;
- druk kort op de knop MENU ESC; op het display knippert On of Off, afhankelijk van de instelling;
- druk op de knop + of - om de keuze uit te voeren;
- druk kort op de knop MENU ESC om terug te keren naar het scherm van het submenu of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het scherm van het hoofdmenu zonder op te slaan;
- druk nogmaals lang op de knop MENU ESC om terug te keren naar het begin-scherm of het hoofdmenu, afhankelijk van waar u zich in het menu bevindt.
Meeteenheid
(Meeteenheid instellen)
Met deze functie kunnen de meeteenheden worden ingesteld in drie submenu's: "Afstand", "Verbruik" en "Temperatuur".
Ga voor het instellen van de gewenste meeteenheid als volgt te werk:
- druk kort op de knop MENU ESC; op het display verschijnen de drie submenu's;
- druk op de knop + of - om tussen de drie submenu's te navigeren;
- druk na het selecteren van het submenu dat u wilt wijzigen, kort op de knop MENU ESC;
- als u in het submenu "Afstand" zit: druk kort op de knop MENU ESC; op het display wordt "km" of "mijl" weergegeven, afhankelijk van de instelling;
- druk op de knop + of - om de keuze uit te voeren;
- als u in het submenu "Verbruik" zit: druk kort op de knop MENU ESC op het display wordt "km/l", "l/100km" of "mpg" weergegeven, afhankelijk van de instelling;
Als de meeteenheid afstand is ingesteld op "km", kan de meeteenheid verbruik worden ingesteld op "km/l" of "l/100 km".
Als de meeteenheid afstand is ingesteld op "mijl", geeft het display de hoeveelheid verbruikte brandstof aan in "mpg".
- druk op de knop + of - om de keuze uit te voeren;
- als u in het submenu "Temperatuur" zit: druk kort op de knop MENU ESC; op het display wordt "°C" of "°F" weergegeven, afhankelijk van de instelling;
- druk op de knop + of - om de keuze uit te voeren;
Druk na het uitvoeren van de instelling kort op de knop MENU ESC om terug te keren naar het scherm van het submenu of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het scherm van het hoofd-menu zonder op te slaan.
- druk nogmaals lang op de knop MENU ESC om terug te keren naar het beginscherm of het hoofdmenu, afhankelijk van waar u zich in het menu bevindt.
Taal (Taal instellen)
U kunt de taal van het display instellen: Italiano, Türkçe, Nederlands, Português, Polski, Français, Español, English, Deutsch.
Ga om de gewenste taal in te stellen als volgt te werk:
- druk kort op de knop MENU ESC; op het display knippert de ingestelde "taal";
- druk op de knop + of - om de keuze uit te voeren;
- druk kort op de knop MENU ESC om terug te keren naar het menuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het beginscherm zonder op te slaan.
Volume waarschuwingen (Volumeregeling waarschuwingszoemer)
Het volume van het akoestische signaal (buzzer) dat klinkt voor het melden van een storing of waarschuwing, kan ingesteld worden op 8 niveaus.
Ga voor het instellen van het gewenste volume als volgt te werk:
- druk kort op de knop MENU ESC; op het display knippert het "niveau" van het ingestelde volume;
- druk op de knop + of - om de instelling uit te voeren;
- druk kort op de knop MENU ESC om terug te keren naar het menuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het beginscherm zonder op te slaan.
Volume toetsen (Volumeregeling toetsen)
Het akoestische signaal dat klinkt bij het indrukken van de knoppen MENU ESC, + en -, kan worden ingesteld op 8 niveaus.
Ga voor het instellen van het gewenste volume als volgt te werk:
- druk kort op de knop MENU ESC; op het display knippert het "niveau" van het ingestelde volume;
- druk op de knop + of - om de instelling uit te voeren;
- druk kort op de knop MENU ESC om terug te keren naar het menuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het beginscherm zonder op te slaan.
Buzz. Gordels (Herinschakeling buzzer voor melding SBR-systeem)
De functie wordt alleen weergegeven als het SBR-systeem door de Abarth-dealer is uitgeschakeld (zie de paragraaf "SBR-systeem" in het hoofdstuk "Veiligheid").
Service
(Geprogrammeerd onderhoud)
Met deze functie kan worden weergegeven hoeveel kilometers nog resteren voordat een servicebeurt moet worden uitgevoerd.
Ga voor het raadplegen van deze aanwijzingen als volgt te werk:
- druk kort op de knop MENU ESC; op het display knippert de afstand in km of mijl, afhankelijk van de instelling (zie de paragraaf "Meeteenheid afstand");
- druk kort op de knop MENU ESC om terug te keren naar het menuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het beginscherm.
Opmerking Het "Geprogrammeerd onderhoudsschema" voorziet elke 30.000 km (18.000 mijl) of iedere 20.000 km (12.000 mijl) in een servicebeurt; deze weergave verschijnt automatisch als de sleutel in stand MAR staat, vanaf 2.000 km (of gelijke waarde in mijl). De weergave wordt elke 200 km (of gelijke waarde in mijl) opnieuw weergegeven. Onder de 200 km wordt de weergave met kleinere intervallen weergegeven. De weergave is afhankelijk van de ingestelde meeteenheid in km of mijl. Als u dicht bij de volgende servicebeurt bent en u de contactsleutel in stand MAR draait, verschijnt op het display het opschrift "Service" gevolgd door het aantal kilometers/mijlen dat resteert tot de volgende servicebeurt. Wendt u tot
de Abarth-dealer voor het uitvoeren van de werkzaamheden van het "Onderhoudsschema" en voor het op nul zetten van deze weergave (reset).
Bag passagier
Inschakeling/Uitschakeling van de frontairbag en zij-airbag (sidebag-indien aanwezig) aan passagierszijde
Met deze functie kan de airbag aan passagierszijde worden in- en uitgeschakeld.
Ga als volgt te werk:
- druk op de knop MENU ESC en druk, na het verschijnen op het display van het bericht (Bag pass: Off) (voor uitschakelen) of het bericht (Bag pass: On) (voor in-schakelen) door op de knop + of - te drukken, nogmaals op de knop MENU ESC;
- op het display verschijnt het bericht om de instelling te bevestigen;
- selecteer door het indrukken van de knop + of - (Ja) (voor bevestiging van de inschakeling/uitschakeling) of (Nee) (om te annuleren);
- druk kort op de knop MENU ESC; er verschijnt een bevestiging van de gekozen instelling en er wordt teruggekeerd naar het menuscherm of, wanneer de knop even ingedrukt wordt gehouden, naar het beginscherm zonder op te slaan.

flowchart
graph TD
A["10:20"] --> B["Belt buzzer Service Passenger bag 123456 km"]
B --> C["MENU ESC"]
C --> D["10:20"] --> E["Pass. base: Off On 123456 km"]
E --> F["MENU ESC"]
F --> G["10:20"] --> H["Confirm: No Yes 123456 km"]
Menu verlaten
Laatste functie waarmee de instellingen uit het menuscherm worden afgesloten.
Druk kort op de knop MENU ESC om terug te keren naar het beginscherm zonder op te slaan.
Als u de knop – indrukt, wordt teruggekeerd naar het eerste menupunt (Beep Snelheid).
TRIP COMPUTER
Algemene informatie
Met de "Trip computer" kan, als de contactsleutel in stand MAR staat, op het display informatie worden weergegeven over de werking van de auto. Deze functie bestaat uit "Trip A" en "Trip B" die onafhankelijk van elkaar werken en betrekking hebben op de hele rit van de auto.
Beide functies kunnen op nul worden gezet (reset - begin van de nieuwe rit).
"Trip A" geeft informatie over:
– Autonomie (actieradius)
– Afgelegde afstand
– Gemiddeld verbruik
- Huidig verbruik
– Gemiddelde snelheid
- Reistijd.
"Trip B", alleen aanwezig op het multifunctionele display, geeft informatie over:
– Afgelegde afstand B
– Gemiddeld verbruik B
– Gemiddelde snelheid B
- Reistijd B.
Opmerking De functie "Trip B" kan worden uitgeschakeld (zie de paragraaf "Trip B"). De gegevens "Autonomie" en "Huidig verbruik" kunnen niet op nul worden gezet.
Weergegeven gegevens
Autonomie (actieradius)
Geeft het aantal kilometers aan dat nog gereden kan worden met de brandstof in de brandstoftank, waarbij ervan uit wordt gegaan dat de rijstijl niet verandert. Op het display verschijnt de indicatie “- - -” als:
- de actieradius kleiner is dan 50 km (of 30 mijl)
- de auto langere tijd met draaiende motor stilstaat.
BELANGRIJK De waarde van de actieradius kan door verschillende factoren worden beïnvloed: rijstijl (zie de paragraaf "Rijstijl" in het hoofdstuk "Starten en rijden"), type traject (snelwegen, stad, bergen enz.), gebruiksomstandigheden van de auto (vervoerde lading, bandenspanning enz.). Houd hier bij het plannen van een reis rekening mee.
Afgelegde afstand
Geeft de afstand aan die de auto heeft afgelegd vanaf het begin van een nieuwe rit.
Gemiddeld verbruik
Geeft globaal het gemiddelde brandstofverbruik aan vanaf het begin van een nieuwe rit.
Huidig verbruik
Geeft doorlopend de wijziging in het brandstofverbruik aan. Als de auto stilstaat met draaiende motor wordt “- - - -” op het display weergegeven.
Gemiddelde snelheid
Geeft de gemiddelde snelheid van de auto aan op basis van de tijd die verstreken is vanaf het begin van een nieuwe rit.
Reistijd
Geeft de verstreken tijd aan vanaf het begin van een nieuwe rit.
BELANGRIJK Als er geen informatie is, verschijnt bij alle functies op de Trip computer de aanduiding “- - - -” in plaats van de waarde. Wanneer de normale werking weer hersteld is, worden de waarden van de functies weer op normale wijze weergegeven. De waarden die voor de storing werden weergegeven, worden niet op nul gezet en er wordt geen nieuwe rit begonnen.

text_image
TRIPfig. 20
F0M0020m
Bedieningsknop TRIP fig. 20
Met de knop TRIP, aan het uiteinde van de rechter hendel, krijgt u, als de contactsleutel in stand MAR staat, toegang tot de hiervoor beschreven gegevens en kunnen de gegevens op nul worden gezet om een nieuwe rit te beginnen:
- kort indrukken voor weergave van de verschillende gegevens;
- even ingedrukt houden voor het op nul zetten (reset) en het beginnen van een nieuwe rit.
Nieuwe rit
Begint als een reset is uitgevoerd:
- "handmatig" door de gebruiker d.m.v. het indrukken van de betreffende knop;
- "automatisch" wanneer de "afgelegde afstand" de waarde 3999,9 km of 9999,9 km, afhankelijk van het geïnstalleerde display, bereikt of wanneer de "reistijd" de waarde 99.59 (99 uur en 59 minuten) bereikt;
- iedere keer als de accu losgekoppeld is geweest.
BELANGRIJK Als u het systeem op nul zet terwijl het scherm van "Trip A" wordt weergegeven, dan worden alleen de gegevens van "Trip A" op nul gezet.
BELANGRIJK Als u het systeem op nul zet terwijl het scherm van "Trip B" wordt weergegeven, dan worden alleen de gegevens van "Trip B" op nul gezet.
Procedure voor het begin van een rit
Voor het op nul zetten (reset) moet u, met de sleutel in stand MAR, langer dan 2 seconden op de knop TRIP drukken.
Trip verlaten
De functie Trip verlaten: houd de knop MENU ESC langer dan 2 seconden ingedrukt.
ZITPLAATSEN VOOR

ATTENTIE
Alle afstellingen mogen uitsluitend bij een stilstaande auto worden uitgevoerd.

De stoffen bekleding van uw auto is langdurig bestand tegen slijtage die ontstaat bij een normaal gebruik van de auto. Hevig en/of langdurig wrijven met kledingaccessoires zoals metalen gespen, sierknopen en klittenband-sluitingen, moet echter absoluut worden vermeden omdat hierdoor grote druk ontstaat op een bepaalde plek op de bekleding, waardoor deze plek kan slijten en de bekleding beschadigd wordt.
Verstellen in lengterichting fig. 21
Trek de hendel A omhoog en schuif de stoel naar voren of naar achteren: als u rijdt, moeten de armen licht gebogen zijn en de handen op de stuurwielrand steunen.

text_image
A B Cfig. 21
F0M006Ab

ATTENTIE
Als u de hendel loslaat, moet altijd gecontroleerd worden of de stoel goed geblokkeerd is door te proberen de stoel naar voren en naar achteren te schuiven. Als de stoel niet goed geblokkeerd is, kan deze onverwachts verschuiven, waardoor u de controle over de auto kunt verliezen.
Hoogteverstelling fig. 21
Beweeg de hendel B omhoog of omlaag tot- dat de gewenste zithoogte is bereikt.
BELANGRIJK De verstelling is alleen mogelijk als u op de stoel zit.
Verstellen van de rugleuning fig. 21 Draai de knop C.

ATTENTIE
Voor maximale veiligheid moet u de rugleuning rechtop zetten, tegen de leuning aan gaan zitten en de gordel goed laten aansluiten op borst en bekken.

Trek voor toegang tot de zitplaatsen achter aan de handgreep A, zodat de rugleuning naar voren kantelt en de stoel vrij naar voren kan schuiven door tegen de rugleuning te duwen.
Als de rugleuning wordt teruggeklapt, dan wordt de stoel in de oorspronkelijke stand teruggeschoven (geheugenmechanisme).
Stoelverwarming (indien aanwezig) fig. 22b
Druk met de sleutel in stand MAR op de knop F om de functie in of uit te schakelen. Bij inschakeling gaat het lampje op de knop branden.

ATTENTIE
Controleer of de stoel goed geblokkeerd is door hem naar n naar achteren te schuiven.
ZITPLAATSEN ACHTER
Zie voor het neerklappen van de zitplaatsen achter de paragraaf "Bagageruimte vergroten" in dit hoofdstuk.

De stoffen bekleding van uw auto is langdurig bestand tegen slijtage die ontstaat bij een normaal gebruik van de auto. Hevig en/of langdurig wrijven met kledingaccessoires zoals metalen gespen, sierknopen en klittenband-sluitingen, moet echter absoluut worden vermeden omdat hierdoor grote druk ontstaat op een bepaalde plek op de bekleding, waardoor deze plek kan slijten en de bekleding beschadigd wordt.
HOOFDSTEUNEN
VOOR fig. 23
De rugleuningen voor hebben vaste hoofdsteunen die niet in hoogte verstelbaar zijn.

Voor een optimale bescherming moet de rugleuning zo zijn ingesteld dat u rechtop zit en dat uw hoofd zich zo dicht mogelijk bij de hoofdsteun bevindt.

ACHTER (indien aanwezig)
fig. 24
Om de hoofdsteun omhoog te plaatsen, moet u de hoofdsteun uittrekken totdat hij hoorbaar in de stand (gebruiksstand) vergrendelt.
Druk om de hoofdsteun in de zitting te plaatsen op de knop A en laat de hoofdsteun in de zitting op de rugleuning zakken.
Om de hoofdsteunen achter te verwijderen, moet u gelijktijdig de knoppen A en B aan de kant van de twee steunen indrukken en de hoofdsteunen uittrekken.
BELANGRIJK Als de zitplaatsen achter gebruikt worden, moeten de hoofdsteunen altijd volledig zijn uitgetrokken.
STUURWIEL
Het stuurwiel kan zowel in lengterichting als in hoogte worden versteld.
Ga voor het verstellen als volgt te werk:
□ ontgrendel de hendel A-fig. 25 door deze naar voren te drukken (stand I);
☐ plaats het stuur in de gewenste stand;
□ vergrendel de hendel A door hem naar het stuur te trekken (stand 2).

Het stuur mag alleen wor- den versteld als de auto stil-
staat.

ATTENTIE
Het is streng verboden om demontage-/montagewerk-
zaamheden uit te voeren, waarvoor wijzigingen in de stuurinrichting of de stuurkolom vereist zijn (bijv. bij montage van een diefstalbeveiliging). Hierdoor kunnen de prestaties van het systeem, de garantie en de veiligheid in gevaar worden gebracht en voldoet de auto niet meer aan de typegoedkeuring.
SPIEGELS
De binnenspiegel is voorzien van een beveiligingsmechanisme, waardoor de spiegel bij een krachtig contact met een inzittende losschiet.

Met het hendeltje A kan de spiegel in twee standen worden gezet: normale of anti-verblindingsstand.

De elektrische verstelling is alleen mogelijk als de contactsleutel in stand MAR staat.
Ga voor het verstellen als volgt te werk:
□ met de schakelaar B kiest u welke spiegel u wilt verstellen (links of rechts);
□ met de schakelaar C kunt u de spiegel in 4 richtingen verstellen.
Inklappen
Indien nodig (bijv. bij nauwe doorgangen) kunnen de buitenspiegels worden ingeklapt door ze van stand 1-fig. 28 in stand 2 te zetten.

Tijdens het rijden moeten de spiegels altijd in stand 1-fig. 28 staan.
Ontwaseming/ontdooiing (indien aanwezig)
De buitenspiegels zijn voorzien van verwarmingselementen die worden ingeschakeld als de achterruitverwarming wordt ingeschakeld (door op de knop [11]) te drukken).
BELANGRIJK De functie is voorzien van een tijdschakeling, waardoor de functie na enige minuten automatisch wordt uitgeschakeld.

ATTENTIE
De spiegel aan bestuurders- zijde is bol, waardoor de af-
standswaarneming enigszins wordt beïnvloed.
KLIMAATREGELING

FOMOIIAb
fig. 29
1. Vast luchtrooster boven - 2. Verstelbare luchtroosters in het midden - 3. Vaste luchtroosters aan zijkant - 4. Verstelbare luchtroosters aan zijkant - 5. Luchtroosters onder voor zitplaatsen voor - 6. Luchtroosters onder voor zitplaatsen achter.
HANDBEDIENDE AIRCONDITIONING
VERSTELBARE EN REGELBARE LUCHTROOSTERS AAN DE ZIJKANT EN IN HET MIDDEN fig. 30-31
A Vast luchtrooster voor de zijruiten.
B Verstelbare luchtroosters aan de zijkant.
C Verstelbare luchtroosters in het midden.

text_image
A B fig. 30 F0M0033mDe luchtroosters A zijn niet verstelbaar.
Om de luchtroosters B en C te gebruiken, moet u met de betreffende schuif de luchtroosters in de gewenste stand instellen.

text_image
C SPORT BOOST GIP fig. 31 F0M085Ab
text_image
A E D C 1 2 3 4 0 Bfig. 32
F0M0037m
BEDIENINGSKNOPPEN fig. 32
Draaiknop A voor regeling van de luchttemperatuur (menging van warme/koude lucht)
Rode gebied = warme lucht
Blauwe gebied = koude lucht
Draaiknop B voor het inschakelen/regelen van de aanjager
0 = aanjager uitgeschakeld
1-2-3 = aanjagersnelheid
4 = aanjager op maximale snelheid
Draaiknop C voor de luchtverdeling
voor lucht uit de uitstroomopeningen in het midden en aan de zijkanten;
voor luchttoevoer naar de beenruimten en voor een iets lagere temperatuur uit de uitstroomopeningen op het dashboard ("bilevel"-stand);
√ voor verwarming bij lage buitentemperaturen: voor maximale luchttoevoer naar de beenruimten;
voor verwarming van de beenruimten en ontwaseming van de voorruit;
voor een snelle ontwaseming van de voorruit.
Knop D voor in-/uitschakeling van de luchtrecirculatie
Als u op de knop drukt (lampje op de knop brandt), schakelt de luchtrecirculatie in. Als u nogmaals op de knop drukt (lampje op de knop gedoofd), schakelt de luchtrecirculatie uit.
Knop E voor het in-/uitschakelen van de airconditioning
Als u op de knop drukt (lampje op de knop brandt), schakelt de airconditioning in. Als u nogmaals op de knop drukt (lampje op de knop gedoofd), schakelt de airconditioning uit.
VENTILATIE VAN HET INTERIEUR
Ga voor een goede ventilatie van het in- terieur als volgt te werk:
□ draai de knop A in het blauwe vlak;
☐ schakel de luchtrecirculatie uit door de knop D in te drukken (lampje op de knop gedoofd);
□ draai de knop C in stand ♦;
□ draai de knop B op de gewenste snelheid.
AIRCONDITIONING (koeling)
Ga voor een snelle koeling als volgt te werk:
□ draai de knop A in het blauwe vlak;
☐ schakel de luchtrecirculatie in door de knop D in te drukken (lampje op de knop brandt);
□ draai de knop C in stand √;
☐ schakel de airconditioning in door de knop E in te drukken; het lampje op de knop E gaat branden;
□ draai de knop B in stand 4 ⏻ (maximale aanjagersnelheid).
Regeling van de koeling
□ draai de knop A naar rechts voor ver-
hoging van de temperatuur;
☐ schakel de luchtrecirculatie uit door de knop D in te drukken (lampje op de knop gedoofd);
□ draai de knop B voor verlaging van de aanjagersnelheid.
VERWARMING VAN HET INTERIEUR
Ga als volgt te werk:
□ draai de knop A in het rode vlak;
□ draai de knop C op het gewenste symbool;
□ draai de knop B op de gewenste snelheid.
SNELLE VERWARMING VAN INTERIEUR
Ga voor een snelle verwarming als volgt te werk:
□ draai de knop A in het rode vlak;
□ schakel de luchtrecirculatie in door de knop D in te drukken (lampje op de knop brandt);
□ draai de knop C in stand √;
□ draai de knop B in stand 4 ⚪ (maximale aanjagersnelheid).
Vervolgens kan een stand gekozen worden waarbij het comfort optimaal blijft en op de knop D worden gedrukt om de luchtrecirculatie uit te schakelen (lampje op de knop gedoofd).
BELANGRIJK Bij een koude motor moet enige minuten worden gewacht totdat de vloeistof van het systeem de optimale bedrijfstemperatuur heeft bereikt.
SNELLE ONTWASEMING/ ONTDOOIING VAN DE RUITEN VOOR (VOORRUIT EN ZIJRUITEN)
Ga als volgt te werk:
□ draai de knop A in het rode vlak;
□ draai de knop B in stand 4 ⏻ (maximale aanjagersnelheid);
□ draai de knop C in stand ⌘;
☐ schakel de luchtrecirculatie uit door de knop D in te drukken (lampje op de knop gedoofd).
Nadat de ruiten ontwasemd zijn, kan een stand gekozen worden waarbij het comfort optimaal blijft.
BELANGRIJK De airconditioning kan goed gebruikt worden om de ruiten sneller te ontwasemen, omdat de lucht wordt ontvochtigd. Stel de bedieningsorganen in zoals hiervoor beschreven en schakel de airconditioning in door de knop E in te drukken; het lampje op de knop gaat branden.
Beslaan van de ruiten voorkomen
Als het buiten extreem vochtig is en/of bij regen en/of bij grote verschillen in interieur- en buitentemperatuur, raden wij u de volgende procedure aan om het beslaan van de ruiten te voorkomen:
□ draai de knop A in het rode vlak;
☐ schakel de luchtrecirculatie uit door de knop D in te drukken (lampje op de knop gedoofd);
□ draai de knop C in stand ⏻ met de mogelijkheid stand ⚙ in te schakelen als de ruiten niet beslaan;
□ draai de knop B op de 2° snelheid.
BELANGRIJK De airconditioning is zeer bruikbaar om het beslaan van de ruiten te voorkomen bij een hoge luchtvochtigheid, omdat de in het interieur gevoerde lucht wordt ontvochtigd.

(indien aanwezig) fig. 33
Druk op de knop A voor het inschakelen van deze functie: als deze functie wordt ingeschakeld, gaat het lampje op de knop branden.
De functie is voorzien van een tijdschakeling, waardoor de functie na 20 minuten automatisch wordt uitgeschakeld. U kunt de functie eerder uitschakelen door nogmaals de knop A in te drukken.
BELANGRIJK Plak geen stickers of andere plaatjes op de elektrische weerstandsdraden aan de binnenzijde van de achterruit, om beschadiging van de achterruitverwarming te voorkomen.
RECIRCULATIE INSCHAKELEN
Druk op de knop 📄 zodat het lampje op de knop gaat branden.
Het verdient aanbeveling om de luchtrecirculatie in te schakelen in de file of in tunnels. Hiermee wordt voorkomen dat vervuilde lucht het interieur bereikt. Het is niet raadzaam dit systeem langdurig te laten werken, omdat anders, vooral als u met meerdere personen in de auto zit, de kans aanzienlijk toeneemt dat de ruiten beslaan.
BELANGRIJK Met de recirculatiefunctie kunnen, afhankelijk van de werking van het systeem ("verwarming" of "koeling"), de gewenste omstandigheden sneller bereikt worden.
Het is echter niet raadzaam deze functie in te schakelen op regenachtige of koude dagen, omdat dan de ruiten aan de binnenzijde aanzienlijk sneller kunnen beslaan.
ONDERHOUD VAN HET SYSTEEM
Schakel in de winter de airconditioning I keer per maand gedurende 10 minuten in. Laat voor het zomerseizoen de werking van de airconditioning door de Abarth-dealer controleren.

De airconditioning maakt gebruik van het koelmiddel R134a. Bij lekkage is dit middel niet schadelijk voor het milieu. Gebruik in geen geval andere middelen, zoals R12, omdat anders de componenten van het systeem beschadigd kunnen worden.
AUTOMATISCHE TWEEZONE- KLIMAATREGELING (indien aanwezig)
BESCHRIJVING
De automatische tweezone-klimaatregeling regelt de temperatuur en de luchtverdeling in het interieur in twee zones: bestuurders- en passagierszijde. De temperatuurregeling is gebaseerd op "gevoelstemperatuur": d.w.z. dat het systeem continu werkt om het comfort in het interieur constant te houden en eventuele verschillen in de weersomstandigheden buiten te compenseren, ook zonnestraling (gesignaleerd door een zonnestralingsensor).
De automatisch gecontroleerde parameters en functies zijn:
□ luchttemperatuur uit de luchtroosters aan bestuurderszijde/passagierszijde voor;
□ luchtverdeling naar de uitstroomopeningen aan bestuurderszijde/passagierszijde voor;
□ aanjagersnelheid (traploze regeling van de luchtstroom);
☐ inschakeling van de compressor (voor koelen en drogen van de lucht);
□ luchtrecirculatie.
Deze functies kunnen handmatig worden gewijzigd, d.w.z. dat u het systeem kunt regelen door naar wens een of meer functies te selecteren en te wijzigen. Op deze manier worden de functies die handmatig zijn gewijzigd niet langer automatisch door het systeem geregeld. Het systeem grijpt alleen in om veiligheidsredenen. De handmatige instellingen hebben voorrang boven de automatische instellingen en blijven in het geheugen opgeslagen totdat de gebruiker de regeling weer overlaat aan de automatische werking door de knop AUTO in te drukken, behalve in de gevallen dat het systeem om veiligheidsredenen ingrijpt. Als handmatig een functie wordt ingesteld, blijven de andere functies echter automatisch geregeld. De luchtopbrengst in het interieur is onafhankelijk van de snelheid van de auto omdat de luchtopbrengst elektronisch geregeld wordt door de aanjager. De luchttemperatuur in het interieur wordt altijd automatisch geregeld op basis van de ingestelde temperaturen op de displays van de bestuurder en de passagier voor (behalve als het systeem is uitgeschakeld of in enkele omstandigheden als de compressor is uitgeschakeld).
De volgende parameters en functies kunnen handmatig worden ingesteld en gewijzigd:
□ temperatuur bestuurderszijde/passagierszijde voor;
□ aanjagersnelheid (traploze regeling);
□ luchtverdeling in zeven standen (bestuurder/passagier voor);
□ inschakelen van de compressor;
□ niet gescheiden/gescheiden regeling;
☐ snelle ontwaseming/ontdooiing;
□ luchtrecirculatie;
□ achterruitverwarming;
□ uitschakelen van het systeem.

text_image
A B C D E F G MONO OFF MAX AUTO AUTO AUTO N M L I Hfig. 34
F0M0039m
BEDIENINGSKNOPPEN fig. 34
A drukknop voor inschakelen functie MONO (voor gelijkstellen ingestelde temperaturen) bestuurder/passagier;
B drukknop voor in-/uitschakelen airco-compressor;
C drukknop voor in- en uitschakelen luchtrecirculatie;
D display met informatie over airconditioning;
E drukknop voor uitschakelen airconditioning;
F drukknop voor inschakelen functie MAX-DEF (snelle ontdooiing/ontwaseming voorruit en zijruiten voor);
G drukknop voor in-/uitschakelen ach- terruitverwarming;
H drukknop voor inschakelen functie AUTO (automatische werking) en draaiknop voor regelen temperatuur aan passagierszijde;
I drukknop voor instellen luchtverdeling aan passagierszijde;
L verhogen/verlagen aanjagersnelheid;
M drukknop voor instellen luchtverdeling aan bestuurderszijde;
N drukknop voor inschakelen functie AUTO (automatische werking) en draaiknop voor regelen temperatuur aan bestuurderszijde.
GEBRUIK VAN DE KLIMAATREGELING
Het systeem kan op verschillende manieren worden ingeschakeld, maar wij raden u aan te beginnen met het indrukken van een van de knoppen AUTO en vervolgens de draaiknoppen te draaien om op het display de gewenste temperaturen in te stellen.
Omdat het systeem het klimaat in twee zones in het interieur regelt, kunnen de bestuurder en de passagier voor verschillende temperatuurwaarden instellen. Het maximaal toegestane verschil is 7 °C.
Op deze wijze begint het systeem geheel automatisch te werken, zodat zo snel mogelijk de ingestelde temperaturen worden bereikt. Het systeem regelt de temperatuur, de luchthoeveelheid, de luchtverdeling in het interieur, de recirculatiefunctie en het inschakelen van de airco-compressor.
Tijdens de volledig automatische werking van het systeem, moeten alleen de volgende functies eventueel handmatig worden ingeschakeld:
□ MONO, om de ingestelde temperatuur en de luchtverdeling aan bestuurders- en passagierszijde voor gelijk te stellen;
☐ , luchtrecirculatie, om de recirculatie altijd in- of uitgeschakeld te houden;
□, voor een snelle ontwaseming/ont-dooiing van de ruiten voor, de achter-ruit en de buitenspiegels;
□, voor het ontwasemen/ontdooien van de achterruit en de buitenspiegels.
Tijdens de volledig automatische werking van het systeem kunt u op ieder moment de ingestelde temperaturen, de luchtverdeling en de aanjagersnelheid wijzigen m.b.v. de desbetreffende knoppen: het systeem zal automatisch de eigen instellingen wijzigen en aanpassen aan de nieuwe instellingen.
Als tijdens de volledige automatische werking (FULL AUTO) de luchtverdeling en/of de luchtopbrengst gewijzigd worden en/of de inschakeling van de compressor en/of de recirculatie, dan verdwijnt het op- schrift FULL. Op deze manier blijft het systeem alle functies automatisch regelen, behalve de functies die handmatig zijn gewijzigd. De aanjagersnelheid is voor alle zones in het interieur gelijk.
Draaiknoppen voor regeling luchttemperatuur H - N
Als u de knoppen naar rechts of naar links draait, verhoogt of verlaagt u de luchttemperatuur respectievelijk in het gedeelte linksvoor (draaiknop N) en rechtsvoor (draaiknop H) van het interieur. Omdat het systeem het klimaat in twee zones in het interieur regelt, kunnen de bestuurder en de passagier voor verschillende temperatuurwaarden instellen. Het maximaal toegestane verschil is 7 °C. De ingestelde temperaturen worden op het display weergegeven dicht bij de knoppen. Als u de knop A (MO-NO) indrukt, wordt de temperatuur aan bestuurders- en passagierszijde voor automatisch gelijkgesteld, waarna u de temperatuur in de twee zones met de draaiknop N aan bestuurderszijde kunt regelen. De gescheiden regeling van de temperatuur en de luchtverdeling wordt automatisch weer hervat, als u de draaiknop H draait of nogmaals op de knop A (MONO) drukt als het lampje op de knop brandt.
Als u de knoppen helemaal naar rechts of links draait, wordt respectievelijk de functie HI (maximale verwarming) of LO (maximale koeling) ingeschakeld.
Voor het uitschakelen van deze twee functies is het voldoende om de temperatuurknop te draaien en de gewenste temperatuur in te stellen.
Drukknoppen voor de luchtverdeling voor I-M
Als u op een van deze knoppen drukt, kunt u handmatig voor de linker- en de rechterzijde in het interieur een van de zeven instellingen voor de luchtverdeling kiezen:
▲Lucht uit de luchtroosters van de voorruit en de zijruiten voor voor ont-dooiing/ontwaseming van de ruiten.
Lucht uit de luchtroosters in het midden en aan de zijkant van het dashboard voor een koele luchtstroom op het lichaam en het gezicht bij warm weer.
Lucht uit de luchtroosters van de beenruimten voor en achter. Met deze luchtverdeling kan in een zo kort mogelijke tijd de lucht in het interieur worden verwarmd, omdat warme lucht opstijgt. Dit geeft snel een behaaglijk gevoel.
▶ Lucht uit de luchtroosters in de been-
▼ ruimten voor en achter (warmere lucht) en de luchtroosters in het midden en aan de zijkant van het dashboard (koelere lucht). Deze luchtverdeling is bijzonder nuttig in de gematigde seizoenen (voor- en najaar) als de zon schijnt.
▲Lucht uit de luchtroosters in de been-
▼ ruimten en de luchtroosters voor ontwaseming/ontdooiing van de voorruit en zijruiten voor. Deze luchtverdeling zorgt voor een goede verwarming van het interieur en voorkomt het eventuele beslaan van de ruiten.
▲Lucht uit de luchtroosters voor
▶ ontwaseming/ontdooiing van de voorruit en de luchtroosters in het midden en aan de zijkant van het dashboard. Deze luchtverdeling zorgt voor een luchtstroom naar de voorruit bij zonnestraling.
▲Lucht uit alle luchtroosters in de auto.
Bij FULL AUTO regelt het systeem automatisch de luchtverdeling. Het systeem kiest de beste luchtverdeling op basis van de klimatologische omstandigheden. Bij FULL AUTO zijn de lampjes van de luchtverdeling gedoofd.

De luchtverdeling, als deze handmatig is ingesteld, wordt aangegeven door een brandend lampje op de geselecteerde knoppen. Als een gecombineerde functie is ingesteld en er een knop wordt ingedrukt, dan wordt ook de functie van die knop ingeschakeld. Als daarentegen een knop van een reeds ingestelde functie wordt ingedrukt, dan wordt die functie uitgeschakeld (het betreffende lampje dooft). Voor het hervatten van de automatische werking van de luchtverdeling na een handmatige instelling, moet de knop AUTO worden ingedrukt.
Als de bestuurder kiest voor luchtverdeling naar de voorruit, wordt ook de luchtstroom aan passagierszijde automatisch naar de voorruit geleid. De passagier kan vervolgens een andere luchtverdeling kiezen door de betreffende knoppen in te drukken.
Drukknoppen voor regelen aanjagersnelheid L
Als u op de knop ♣ drukt, wordt de aanjagersnelheid respectievelijk verhoogd of verlaagd en daarmee de hoeveelheid lucht die in het interieur wordt gevoerd om de gewenste temperatuur te handhaven. De aanjagersnelheid wordt weergegeven door verlichte staafjes op het display:
□ maximum aanjagersnelheid = alle staafjes verlicht;
□ minimum aanjagersnelheid = één staafje verlicht.
De aanjager kan worden uitgeschakeld, maar alleen als u de aircocompressor hebt uitgeschakeld met de knop B.
BELANGRIJK Voor het hervatten van de automatische werking van de aanjager na een handmatige instelling, moet de knop AUTO worden ingedrukt.
Drukknoppen AUTO (automatische werking) H-N
Als u de knop AUTO aan bestuurderszijde en/of passagierszijde voor indrukt, regelt het systeem automatisch, in de betreffende zones, de hoeveelheid en de verdeling van de naar het interieur toegevoerde lucht en worden alle voorafgaande handmatige instellingen opgeheven. Dit wordt aangegeven door het verschijnen van het opschrift FULL AUTO op het display. Als er een of meerdere handmatige instellingen zijn uitgevoerd (luchtrecirculatie, luchtverdeling, aanjagersnelheid of uitschakeling aircocompressor), dooft het opschrift FULL op het display om aan te geven dat het systeem niet langer alle functies automatisch regelt (behalve de temperatuur die altijd automatisch wordt geregeld).
BELANGRIJK Als het systeem vanwege handmatige instellingen de gewenste temperatuur in de verschillende zones niet meer kan garanderen en handhaven, knippert de ingestelde temperatuur om aan te geven dat het systeem een probleem heeft gesignaleerd; na een minuut dooft het op- schrift AUTO.
Voor het hervatten van de automatische werking van het systeem na een handmatige instelling (een of meerdere), moet de knop AUTO worden ingedrukt.
Drukknop MONO (gelijkstellen ingestelde temperaturen en luchtverdeling) A
Als u de knop MONO indrukt, wordt de temperatuur aan bestuurderszijde en aan passagierszijde voor automatisch gelijkgesteld, waardoor u in de twee zones dezelfde temperatuur en de luchtverdeling kunt instellen met de draaiknop aan bestuurderszijde. Met deze functie kan de temperatuur in het interieur makkelijk geregeld worden als alleen de bestuurder in de auto zit. De gescheiden regeling van de temperatuur en de luchtverdeling wordt automatisch weer hervat als u de draaiknop H draait voor de instelling van de temperatuur aan passagierszijde voor of nogmaals op de knop MONO drukt, als het lampje op de knop brandt.
Drukknop voor in-/uitschakelen luchtrecirculatie C
De luchtrecirculatie werkt als volgt:
□ automatisch ingeschakeld, door een van de knoppen AUTO in te drukken; het symbool AUTO op het display naast het autoprofiel brandt.
□ handmatig ingeschakeld (recirculatie altijd ingeschakeld); het lampje op de knop C en het symbool ⊕ op het display branden;
handmatig uitgeschakeld (recirculatie altijd uitgeschakeld met luchttoevoer van buiten); lampje op de knop en het symbool op het display gedoofd. De recirculatie kan handmatig worden in-/uitgeschakeld door op de recirculatieknop te drukken.
BELANGRIJK Met de recirculatiefunctie kunnen (verwarming of koeling van het interieur) de gewenste omstandigheden sneller worden bereikt.
Het is echter niet raadzaam deze functie handmatig in te schakelen op regenachtige of koude dagen, omdat dan de ruiten aan de binnenzijde aanzienlijk sneller kunnen beslaan, vooral als de airconditioning niet is ingeschakeld.
Bij lage buitentemperaturen wordt de recirculatie uitgeschakeld (met luchttoevoer van buiten) om het beslaan van de ruiten te voorkomen.
Bij automatische werking wordt de recirculatie automatisch door het systeem geregeld op basis van de externe klimatologische omstandigheden.
Als de handmatige werking van de recirculatie is ingesteld, dooft het opschrift FULL en verdwijnt AUTO van het symbool op het display.

ATTENTIE
Bij lage buitentemperaturen raden wij u aan om de recir-
culatiefunctie niet te gebruiken om- dat hierdoor de ruiten sneller kunnen beslaan.
Drukknop voor in-/uitschakelen aircocompressor B
Als u op de knop ⚙️ drukt als het lampje op de knop brandt, wordt de aircocompressor uitgeschakeld en dooft het lampje. Als u nogmaals op de knop drukt als het lampje gedoofd is, wordt de inschakeling van de compressor weer automatisch door het systeem geregeld; dit wordt aangegeven door het gaan branden van het lampje op de knop. Als u de aircocompressor uitschakelt, wordt de recirculatie uitgeschakeld om het eventuele beslaan van de ruiten te voorkomen.
Ook als het systeem de ingestelde temperatuur kan handhaven, verdwijnt het op- schrift FULL van het display. Als het systeem de ingestelde temperatuur echter niet meer kan handhaven, gaat de temperatuur knipperen en dooft ook het op- schrift AUTO.
BELANGRIJK Met uitgeschakelde aircocompressor is het niet mogelijk lucht in het interieur te voeren met een temperatuur die lager is dan de buitentemperatuur; bovendien kunnen (in bijzondere weersomstandigheden) de ruiten zeer snel beslaan omdat de lucht niet gedroogd kan worden. De uitschakeling van de aircocompressor blijft in het geheugen opgeslagen, ook na het afzetten van de motor. U kunt de automatische regeling van de aircocompressor weer inschakelen door nogmaals de knop ✉ in te drukken of de knop AUTO. Als bij uitgeschakelde compressor de buitentemperatuur hoger is dan de ingestelde temperatuur, kan het systeem niet aan de wens voldoen. Dit wordt als volgt aangegeven: de ingestelde temperatuur knippert enkele seconden op het display en vervolgens dooft het opschrift AUTO.
Als de compressor is uitgeschakeld, kan de aanjagersnelheid handmatig op nul worden gezet.
Als de compressor is ingeschakeld bij draaiende motor, kan de aanjagersnelheid niet lager zijn dan een minimale waarde (één staafje verlicht).
Drukknop voor snelle ontwaseming/ontdooiing van de voorruit en de zijruiten voor F
Als u deze knop indrukt, schakelt de klimaatregeling automatisch alle functies in die noodzakelijk zijn voor het snel ont-dooien/ontwasemen van de voorruit en de zijruiten voor. D.w.z. dat het systeem:
□ de aircocompressor inschakelt wanneer de klimatologische omstandigheden dit toestaan;
□ de luchtrecirculatie uitschakelt;
□ de maximale luchttemperatuur HI op beide displays instelt;
□ een aanjagersnelheid inschakelt op basis van de koelvloeistoftemperatuur, om toevoer van nog te koude lucht voor de ontwaseming van de ruiten te beperken;
□ de luchtstroom naar de luchtroosters voor de voorruit en de zijruiten voor leidt;
□ de achterruitverwarming inschakelt.
BELANGRIJK De functie voor snelle ont-waseming/ontdooiing van de ruiten blijft ongeveer 3 minuten ingeschakeld, nadat de koelvloeistoftemperatuur de juiste temperatuur heeft bereikt.
Als de functie voor snel ontdooien/ont-wasemen is ingeschakeld, gaan het lampje op de betreffende knop en het lampje op de knop van de achterruitverwarming branden.
Bovendien dooft het opschrift FULL AU-TO op het display.
Als de functie voor maximaal ontwase- men/ontdooien is ingeschakeld, kunnen al- leen de aanjagersnelheid en de uitschak- ling van de achterruitverwarming hand- matig worden geregeld. Als u de knop voor maximale ontdooiing/ontwaseming indrukt, of de knoppen voor de luchtre- circulatie of de uitschakeling van de com- pressor of de knop AUTO, schakelt het systeem de functie maximaal ontdooi- en/ontwasemen uit en worden alle be- drijfsomstandigheden van voor het in- schakelen van de functie hersteld.
Drukknop voor snelle ontwaseming/ontdooiing van de achterruit en de buitenspiegels (indien aanwezig) G
Als u deze knop indrukt, dan wordt de achterruitverwarming ingeschakeld.
Het lampje op de knop gaat branden als deze functie wordt ingeschakeld.
De functie schakelt na 20 minuten automatisch uit, of als opnieuw de knop wordt ingedrukt. De functie wordt ook uitgeschakeld als u de motor uitzet en blijft uitgeschakeld als u de motor opnieuw start.
BELANGRIJK Plak geen stickers of andere plaatjes op de elektrische weerstandsdraden aan de binnenzijde van de achterruit, om beschadiging van de achterruitverwarming te voorkomen.
Systeem uitschakelen (OFF) E
Het systeem schakelt uit als u op de knop E drukt. Als het systeem is uitgeschakeld:
□ zijn de temperatuurdisplays gedoofd;
☐ is de recirculatie ingeschakeld, waarbij geen lucht van buiten binnenkomt;
☐ is de aircocompressor uitgeschakeld;
□ is de aanjager uitgeschakeld.
Ook als het systeem is uitgeschakeld, kan de achterruitverwarming worden in-/uitgeschakeld.
BELANGRIJK De regeleenheid van de klimaatregeling slaat de ingestelde temperaturen in het geheugen op voordat het systeem wordt uitgeschakeld. Als u vervolgens op een willekeurige knop drukt (behalve de knop van de achterruitverwarming), worden de functies weer hersteld. Als de functie van de ingedrukte knop niet was ingeschakeld voor de uitschakeling, dan wordt deze functie ook geactiveerd; als deze daarentegen was ingeschakeld, blijft de functie gehandhaafd.
Als u de volledig automatische werking van het systeem weer wilt inschakelen, druk dan op de knop AUTO.
HULPVERWARMING (indien aanwezig)
Dit systeem zorgt voor een snellere verwarming van het interieur bij koud weer.
De hulpverwarming schakelt automatisch uit als de ingestelde temperatuur is bereikt.
Automatische tweezone- klimaatregeling
De hulpverwarming schakelt automatisch in nadat u de contactsleutel in stand MAR hebt gezet.
Hulpverwarming en handbediende airconditioning
De hulpverwarming wordt automatisch ingeschakeld als u de draaiknop A in het rode gebied draait en de aanjager ten minste op de eerste snelheid inschakelt (draaiknop B).
BELANGRIJK De hulpverwarming werkt alleen bij een lage buitentemperatuur en een lage koelvloeistoftemperatuur.
BELANGRIJK De hulpverwarming wordt niet ingeschakeld als de accu onvoldoende is opgeladen.
BUITENVERLICHTING
Met de linker hendel fig. 35 bedient u de buitenverlichting.
De buitenverlichting werkt uitsluitend als de contactsleutel in stand MAR staat.
Als u de buitenverlichting inschakelt, gaan ook de verlichting van het instrumentenpaneel en de bedieningsknoppen op het dashboard branden.
VERLICHTING UITGESCHAKELD
Draaiknop in stand O.
BUITENVERLICHTING
Draai de draaiknop in stand
Op het instrumentenpaneel gaat het controlelampje 300 branden.

Draai de draaiknop in stand ≡D.
Op het instrumentenpaneel gaat het controlelampje 3005 branden.
GROOTLICHT
Trek, als de draaiknop reeds in stand staat, de hendel naar het stuurwiel (2 ^e onvergrendelde stand).
Op het instrumentenpaneel gaat het controlelampje Ⓔ branden.
Als de hendel opnieuw naar het stuurwiel wordt getrokken, dooft het grootlicht en wordt het dimlicht weer ingeschakeld.
GROOTLICHTSIGNAAL
Trek de hendel naar het stuurwiel (1° onvergrendelde stand), ongeacht de stand van de draaiknop. Op het instrumentenpaneel gaat het controlelampje ☐ branden.
RICHTINGAANWIJZERS fig. 36
Zet de hendel in de vergrendelde stand:
☐ omhoog (stand I): inschakeling rechter richtingaanwijzer;
☐ omlaag (stand 2): inschakeling linker richtingaanwijzer.
Op het instrumentenpaneel knippert het controlelampje ⇔ of ➔.
De richtingaanwijzers schakelen automatisch uit als de auto weer rechtuit rijdt.
Als u kort richting aan wilt geven, voor het uitvoeren van een handeling waarvoor het stuurwiel slechts weinig hoeft te worden verdraaid, dan drukt u de hendel iets omhoog of omlaag zonder dat de hendel vergrendelt. Zodra u de hendel loslaat, gaat deze automatisch terug.

Met dit systeem kan de ruimte voor de auto een bepaalde tijd worden verlicht.
Inschakelen
U schakelt deze functie in door de contactsleutel in stand STOP te draaien of uit te nemen en de linker hendel binnen 2 minuten na het uitzetten van de motor naar het stuur te trekken.
Telkens als u de hendel bedient, blijft de verlichting 30 seconden langer branden, tot een maximum van 210 seconden; hierna schakelt de verlichting automatisch uit.
Als de hendel wordt bediend, gaat het controlelampje 300 op het instrumentenpaneel branden en verschijnt er een bericht op het display (zie het hoofdstuk "Lampjes en berichten") gedurende de tijd dat de functie actief blijft. Het lampje gaat branden als de hendel voor het eerst bediend wordt en blijft branden totdat de functie automatisch uitschakelt. Telkens als de hendel wordt bediend, wordt alleen de inschakeltijd van de verlichting verlengd.
Uitschakelen
Houd de hendel langer dan 2 seconden naar het stuur getrokken.
RUITEN REINIGEN
Met de rechter hendel fig. 37 kunt u de ruitenwissers/-sproeiers en achterruit-wisser/-sproeier bedienen.
RUITENWISSERS/ -SPROEIERS
Deze werken uitsluitend als de contact-sleutel in stand MAR staat.
De draaiknop van de rechter hendel kan in vier standen worden gezet:
O ruitenwissers uitgeschakeld;
CD wissen met interval;
○ langzaam continu wissen;
snel continu wissen.
In stand A (onvergrendelde stand) werken de ruitenwissers, zolang u de hendel met de hand in deze stand houdt. Als u de hendel loslaat, springt deze direct weer terug en schakelen de ruitenwissers automatisch uit.

text_image
A fig. 37 F0M0062mAls de draaiknop in stand QD staat, wordt de slag van de ruitenwissers automatisch aangepast aan de snelheid van de auto.
BELANGRIJK Vervang de wisserbladen volgens de aanwijzingen in het hoofdstuk "Onderhoud en zorg".

Gebruik de ruitenwissers niet om opgehoopte sneeuw of ijs van de voorruit te verwijderen. In die omstandigheden grijpt, als de ruitenwissers te zwaar worden be- last, de beveiliging in, die ervoor zorgt dat de ruitenwissers enkele seconden worden uitgeschakeld. Als hierna de werking niet wordt hervat (ook na een herstart van de auto met de contact- sleutel), wendt u dan tot de Abarth- dealer.
"Intelligente wis-/wasregeling"
Als u de hendel naar het stuur trekt (onvergrendelde stand), schakelen de ruitensproeiers in.
Als u de hendel langer dan een halve seconde aangetrokken houdt, dan worden in een beweging de ruitenwissers/-sproeiers ingeschakeld.
Als u de hendel loslaat, maken de ruiten-wissers nog 3 slagen.
Na 6 seconden volgt nog een extra reini- gingsslag.
REGENSENSOR
(indien aanwezig)
De regensensor bevindt zich achter de binnenspiegel en staat in contact met de voorruit. De sensor zorgt ervoor dat de frequentie van de slagen van de ruitenwissers, tijdens het wissen met interval, automatisch wordt aangepast aan de hoeveelheid regen op de ruit.
BELANGRIJK Houd de ruit in de omgeving van de sensor schoon.
Inschakelen
Plaats de draaiknop van de rechter hendel in stand CD fig. 37.
Als de regensensor wordt ingeschakeld, maken de ruitenwissers I slag.
In het setup-menu kan de gevoeligheid van de regensensor worden verhoogd.
Als de gevoeligheid van de regensensor verhoogd wordt, maken de ruitenwissers I slag.
Als de ruitensproeiers worden bediend bij ingeschakelde regensensor, werkt het normale reinigingsprogramma. Daarna hervat de regensensor zijn normale automatische werking.
Uitschakelen
Plaats de draaiknop van de hendel in stand OD fig. 37 of draai de contactsleutel in stand STOP.
Als de motor daarna wordt gestart (sleutel in stand MAR), schakelt de regensensor niet weer in, ook niet als de draaiknop in stand OD fig. 37 is blijven staan. Om de regensensor weer in te schakelen, moet de draaiknop van stand OD in een andere stand worden gezet en vervolgens weer in stand OD.
Als de regensensor op deze wijze opnieuw wordt ingeschakeld, maken de ruitenwissers ten minste I slag, ook bij een droge rit.
De regensensor is in staat om de volgen- de omstandigheden te herkennen en zijn gevoeligheid hieraan aan te passen:
□ vuil op het controle-oppervlak (zoutaanslag, vuil enz.);
□ verschil tussen dag en nacht.
BELANGRIJK Door waterstrepen kunnen de ruitenwissers ongewenst inschakelen.

text_image
fig. 38 F0M0218mACHTERRUITWISSER/-SPROEIER fig. 38
Deze werken uitsluitend als de contact-sleutel in stand MAR staat.
De werking stopt als de hendel wordt losgelaten.
Als u de draaiknop van stand O in stand ☐ zet, dan werkt de achterruitwisser als volgt:
☐ in intervalstand als de ruitenwissers voor niet zijn ingeschakeld;
□ synchroon (met de helft van de frequentie van de ruitenwissers voor) als de ruitenwissers voor zijn ingeschakeld;
□ continu als de achteruit is ingeschakeld.
Als u bij ingeschakelde ruitenwissers voor de achteruit inschakelt, gaat automatisch ook de achterruitwisser continu wissen.
Als u de hendel naar het dashboard duwt (onvergrendelde stand), schakelt de ach- terruitsproeier in.
Als u de hendel langer dan een halve seconde naar het dashboard geduwd houdt, schakelt ook de achterruitwisser in.
Als u de hendel loslaat, wordt het intelligente wis-/wasprogramma ingeschakeld, zoals bij de ruitenwissers voor.

Gebruik de achterruitwisser niet om opgehoopte sneeuw of ijs van de achterruit te verwijderen. In die omstandigheden grijpt, als de achterruitwisser te zwaar wordt belast, de beveiliging in, die ervoor zorgt dat de wisser enkele seconden wordt uitgeschakeld. Als hierna de werking niet wordt hervat (ook na een herstart van de auto met de contactsleutel), wendt u dan tot de Abarth- dealer.
CRUISE-CONTROL (snelheidsregelaar) (indien aanwezig)
Dit is een elektronisch hulpmiddel, waardoor de auto (bij een snelheid boven 30 km/h) op lange, rechte en droge trajecten en bij weinig verandering in de rij-omstandigheden (bijv. snelwegen), met een constante en vooraf ingestelde snelheid blijft rijden zonder het gaspedaal te hoeven bedienen. Het gebruik van dit systeem biedt geen voordelen in druk verkeer. Gebruik dit systeem niet in de stad.
SYSTEEM INSCHAKELEN
Draai de draaiknop A-fig. 39 in stand ON.
Het systeem kan niet worden ingeschakeld in de 1 ^e versnelling of de achteruit. Het is raadzaam het systeem in te schakelen bij een versnelling die gelijk of hoger is dan de 4 ^e .
Op afdalingen kan bij ingeschakelde cruise-control de snelheid iets oplopen ten opzichte van de opgeslagen snelheid.
Het systeem is ingeschakeld als het lampje brandt en op het instrumentenpaneel het betreffende bericht verschijnt (indien aanwezig).

text_image
OFF ON + - A B Afig. 39
F0M0064m
SNELHEID OPSLAAN
Ga als volgt te werk:
□zet de draaiknop A-fig. 39 in stand ON en trap het gaspedaal in totdat de auto met de gewenste snelheid rijdt;
☐ plaats de hendel ten minste I seconde omhoog (+) en laat vervolgens de hendel los: de snelheid van de auto is opgeslagen en het gaspedaal kan worden losgelaten.
Indien nodig (bijvoorbeeld bij inhalen) kan de snelheid simpel verhoogd worden door het intrappen van het gaspedaal: als u daarna het gaspedaal loslaat, wordt teruggekeerd naar de opgeslagen snelheid.
Als het systeem is uitgeschakeld door bijvoorbeeld het intrappen van het rem- of koppelingspedaal, kan de opgeslagen snelheid op de volgende manier worden opgeroepen:
□ geef geleidelijk gas, totdat de snelheid ongeveer gelijk is aan de opgeslagen snelheid;
□ schakel de versnelling in die ingeschakeld was op het moment van het opslaan van de snelheid;
□ druk op de knop RES B-fig. 39.
Dit kan op twee manieren:
□ trap het gaspedaal in en sla vervolgens de nieuwe snelheid op;
of
☐ plaats de hendel omhoog (+).
Telkens als de hendel wordt bediend, wordt de snelheid iets verhoogd (ongeveer 1 km/h). Als de hendel omhoog wordt gehouden, verandert de snelheid traploos.
Dit kan op twee manieren:
☐ schakel het systeem uit en sla vervolgens de nieuwe snelheid op;
of
☐ plaats de hendel omlaag (−) totdat de nieuwe snelheid is bereikt die automatisch wordt opgeslagen.
Telkens als de hendel wordt bediend, wordt de snelheid iets verlaagd (ongeveer 1 km/h). Als de hendel omlaag wordt gehouden, verandert de snelheid traploos.
SYSTEEM UITSCHAKELEN
Het systeem kan als volgt door de be-stuurder worden uitgeschakeld:
□ draai de draaiknop A in stand OFF;
□ zet de motor uit;
□ trap het rempedaal in;
□ trap het koppelingspedaal in;
□ trap het gaspedaal in; in dit geval wordt het systeem niet werkelijk uitgeschakeld, maar heeft het acceleratie-verzoek voorrang op het systeem; de cruise-control blijft ingeschakeld en het systeem stelt, na de acceleratie, de hiervoor opgeslagen snelheid weer in, zonder dat de knop RES B-fig. 39 ingedrukt hoeft te worden.
Het systeem schakelt in de volgende gevallen automatisch uit:
□ als het ABS of ESP in werking treedt;
□ als de snelheid van de auto onder de vastgestelde limiet komt;
□ als er een storing in het systeem is.

ATTENTIE
Als de cruise-control tijdens het rijden is ingeschakeld, zet
dan nooit de versnellingspook in de vrijstand.

ATTENTIE
Bij een storing of een afwij- kende werking van de cruise-
control, moet de draaiknop A in stand OFF worden gezet. Laat het systeem door de Abarth-dealer controleren.
PLAFONDVERLICHTING
PLAFONDVERLICHTING VOOR MET SPOTJES
Met de schakelaar A-fig. 40 kunnen de plafondlampjes worden in- en uitgeschakeld.
Met de schakelaar A-fig. 40 in het midden, worden de lampjes C en D in-/uitgeschakeld bij het openen/sluiten van de voorportieren.
Met de schakelaar A-fig. 40 naar links gedrukt, blijven de lampjes C en D altijd uitgeschakeld.
Met de schakelaar A-fig. 40 naar rechts gedrukt, blijven de lampjes C en D altijd ingeschakeld.
Het inschakelen/doven van de verlichting gaat geleidelijk.
Met de schakelaar B-fig. 40 bedient u de spotjes; bij uitgeschakelde plafondverlichting wordt met de schakelaar:
☐ in linker stand, het spotje C ingeschakeld;
☐ in rechter stand, het spotje D ingeschakeld.

text_image
A B C Dfig. 40
F0M0065m
BELANGRIJK Controleer voordat u de auto verlaat of beide schakelaars in de middelste stand staan. Op deze manier zullen de lampjes van de plafondverlichting doven bij het sluiten van de portieren, en voorkomt u dat de accu ontladt.
Als de schakelaar in de rechter stand is blijven staan, schakelt de verlichting 15 minuten na het uitzetten van de motor automatisch uit.
Brandduurregeling van de plafondverlichting
Om het in- en uitstappen vooral in het donker te vergemakkelijken, zijn er 2 brandduurregelingen (bepaalde uitvoeringen).
BRANDDUURREGELING BIJ HET INSTAPPEN
De plafondlampjes gaan op de volgende manier branden:
□ ongeveer 10 seconden bij het ontgren- delen van de voorportieren;
□ ongeveer 3 minuten bij het openen van een portier;
□ ongeveer 10 seconden bij het vergrendelen van de portieren.
De werking van de brandduurregeling wordt onderbroken als de contactsleutel in stand MAR wordt gedraaid.
BRANDDUURREGELING BIJ HET UITSTAPPEN
Als de contactsleutel uit het start-/contactslot wordt verwijderd, gaan de plafondlampjes op de volgende manier branden:
□ ongeveer 10 seconden binnen 2 minu- ten na het uitzetten van de motor;
□ ongeveer 3 minuten bij het openen van een portier;
□ ongeveer 10 seconden bij het sluiten van een portier.
De brandduurregeling schakelt automatisch uit als de portieren worden vergrendeld.

Druk op de schakelaar A, ongeacht de stand van de contactsleutel.
Als het systeem is ingeschakeld, branden de lampjes ⇔ en ➔ op het instrumentenpaneel.
Druk voor uitschakeling nogmaals op de schakelaar.
Het gebruik van de waarschuwingsknipperlichten is afhankelijk van de wetgeving van het land waarin u zich bevindt. Houdt u aan de voorschriften.

text_image
SPORT BOOST ASR GFP A fig. 43 F0M073Ab
Druk voor uitschakeling nogmaals op de schakelaar.
Het gebruik van de waarschuwingsknipperlichten is afhankelijk van de wetgeving van het land waarin u zich bevindt. Houdt u aan de voorschriften.

text_image
No No + No No - MENU ENC fig. 44 F0M0070mBAGAGERUIMTEVERLICHTING fig. 41
De verlichting (indien aanwezig) schakelt automatisch in of uit als u de achterklep opent of sluit.
De verlichting A in de portieren gaat branden als het portier wordt geopend, ongeacht de stand van de contactsleutel.
MISTLAMPEN fig. 44
Druk bij ingeschakelde buitenverlichting op knop #0.
Op het instrumentenpaneel gaat het controlelampje ≠0 branden.
Druk voor uitschakeling nogmaals op de knop.
Het gebruik van de mistlampen is afhankelijk van de wetgeving van het land waarin u zich bevindt. Houdt u aan de voorschriften.

text_image
ED ID + MENU ERC Check ID - fig. 45 F0M0071mDruk op knop 0#. Het mistachterlicht werkt alleen als het dimlicht of de buitenverlichting en mistlampen voor (indien aanwezig) zijn ingeschakeld.
Op het instrumentenpaneel gaat het controlelampje ⚠ branden.
Druk voor uitschakeling nogmaals op de knop of schakel het dimlicht en/of de mistlampen voor (indien aanwezig) uit.
Het gebruik van het mistachterlicht is afhankelijk van de wetgeving van het land waarin u zich bevindt. Houdt u aan de voorschriften.
PARKEERVERLICHTING
Draai met de sleutel in stand STOP of met uitgenomen sleutel de draaiknop van de linker hendel eerst in stand O en vervolgens in stand ⚙ of ⭕.
Op het instrumentenpaneel gaat het controlelampje 3005 branden.

text_image
SPORT BOOST ASR OFF A fig. 46 F0M074AbSPORT-BOOST-FUNCTIE
fig. 46
Druk op de knop A voor inschakeling van de "SPORT BOOST"-functie (zie de paragraaf "SPORT-BOOST-FUNCTIE" in dit hoofdstuk). Als de functie is ingeschakeld, dan wordt op het instrumentenpaneel het lampje "SPORT" verlicht. Druk nogmaals op de knop om deze functie uit te schakelen.

Druk op de knop A voor inschakeling. Bij ingeschakelde achterruitverwarming zorgt een tijdschakeling ervoor dat de verwarming na ongeveer 20 minuten uitschakelt.

text_image
SPORT BOOST OFF A fig. 48 F0M076AbPORTIERVERGRENDELING
fig. 48
U kunt de centrale portiervergrendeling inschakelen door de knop A op de middenconsole in te drukken, onafhankelijk van de stand van de contactsleutel.
BRANDSTOFNOOD- SCHAKELAAR
De auto is uitgerust met een brandstof- noodschakelaar. De schakelaar springt omhoog bij een ongeval, waardoor de toe- voer van brandstof wordt gestopt en de motor afslaat.
Hierdoor wordt brandstoflekkage bij leidingbreuken voorkomen.
BELANGRIJK Vergeet niet na een botsing de sleutel uit het contactslot te nemen om te voorkomen dat de accu ontladt.
Als de brandstofnoodschakelaar is ingeschakeld, verschijnt het bericht "FPS on" op het digitale display.
Op het multifunctionele display verschijnt het bericht "Brandstofnoodschakelaar ingeschakeld zie instructieboekje".

ATTENTIE
Als u na een ongeval een brandstoflucht ruikt of merkt
dat het brandstofsysteem lekt, druk dan de schakelaar niet weer terug, zodat brand wordt voorkomen.
Portierontgrendeling bij een ongeval
Bij een ongeval waarbij de brandstof- noodschakelaar in werking treedt, wor- den de portieren automatisch ontgrendeld zodat het interieur van de auto van bui- tenaf bereikt kan worden. Gelijktijdig gaat ook de plafondverlichting branden. U kunt de portieren echter altijd van binnenuit openen met behulp van de daarvoor be- stemde bedieningshendels.
Als u na het ongeval geen brandstoflekkage waarneemt en de auto kan nog verder rijden, schakel dan de brandstofnoodschakelaar weer in, volgens de hierna beschreven procedure.

ATTENTIE
Als de centrale portierver-grendeling vanuit het interieur van de auto is ingeschakeld en na een ongeval de brandstofnoodschakelaar niet de automatische portierontgren-deling heeft kunnen inschakelen, dan kan het interieur niet van buitenaf bereikt worden. Het van buitenaf openen van de portieren hangt bovendien af van de staat van de portieren na een ongeval: als een portier beschadigd is, kan het mogelijk niet worden geopend. Probeer in dat geval de andere portie-ren van de auto te openen.

text_image
A fig. 49 F0M0174mBrandstofnoodschakelaar weer inschakelen

ATTENTIE
Voordat u de brandstofnood- schakelaar weer inschakelt, moet zorgvuldig worden gecontroleerd of er geen brandstoflekkage is.
Druk om de brandstofnoodschakelaar weer in te schakelen op de knop A-fig. 49.
INTERIEURUITRUSTING
DASHBOARDKASTJE fig. 50-51
Trek aan de handgreep A-fig. 50 om het dashboardkastje te openen.
In het dashboardkastje bevindt zich een documentenvak A-fig. 51.
OPBERGVAKKEN
Het opbergvak A-fig. 52 bevindt zich in het dashboard, links van het stuurwiel.

text_image
fig. 50 A F0M012Ab
ARMSTEUN VOOR MET OPBERGVAK (indien aanwezig)
Tussen de voorstoelen is bij enkele uitvoeringen een armsteun geplaatst A-fig. 55.
Om de armsteun te gebruiken, moet u de steun omlaag duwen zoals afgebeeld in fig. 55.
Als u de knop A-fig. 56 indrukt, kunt u het bovenste gedeelte van de armsteun omhoogklappen en het vak B gebruiken. Met de hendel C kunt u de armsteun in een lagere stand zetten dan de normale gebruiksstand.
HANDSCHOENENVAK
Het vak A-fig. 53 bevindt zich in de tunnelconsole voor de handrem.
VAKKEN ACHTER fig. 54
In ieder portier bevindt zich een opberg/documentenvak.

De bekerhouders – blikjeshouders bevin- den zich op de tunnelconsole (twee voor de handrem en één achter).
PASJESHOUDER - CD-HOUDER fig. 59
Op de tunnelconsole bevinden zich gleuven om telefoonkaarten, CD'S, magneetpasjes of tolkaarten in op te bergen.

text_image
A fig. 62 F0M0084m
ROKERSKIT (indien aanwezig)
De rokerskit (indien aanwezig) bestaat uit een asbak A-fig. 60 en een aansteker B-fig. 60 die in de tunnelconsole geplaatst zijn, voor de handrem.
Als er geen rokerskit aanwezig is, is de auto voorzien van een stekkerdoos A-fig. 61.
Druk voor het inschakelen van de aanste- ker (indien aanwezig) de knop A-fig. 62 in, als de contactsleutel in stand MAR staat.
Na ongeveer 15 seconden springt de knop in de beginstand en is de aansteker klaar voor gebruik.
BELANGRIJK Controleer altijd of de aansteker na het indrukken ook uitschakelt.

De aansteker (indien aanwezig) wordt erg heet. Gebruik
de aansteker voorzichtig en voorkom dat hij gebruikt wordt door kinderen: risico op brand en/of brandwonden.

STEKKERDOOS (indien aanwezig)
Deze bevindt zich in de bagageruimte, links van de kunststof steun van de hoedenplank fig. 66.
Open voor gebruik de dop A.
ASBAK (indien aanwezig)
fig. 63-64
De uitneembare kunststof asbak kan in de beker/blikjeshouder geplaatst worden op de tunnelconsole.
BELANGRIJK Gebruik de asbak niet als prullenbak voor papiertjes; als deze in contact komen met smeulende peuken kan er brand ontstaan.
ZONNEKLEPPEN fig. 65
De zonnekleppen zitten aan beide zijden naast de binnenspiegel. Ze kunnen voor de voorruit of voor de zijruit worden gedraaid.
De zonnekleppen zijn voorzien van een spiegeltje (indien aanwezig).
Om het spiegeltje (indien aanwezig) te gebruiken, moet het schuifklepje A worden geopend.
OPENDAK SKY-DOME (indien aanwezig)
Het grote opendak bestaat uit twee ruitpanelen, een vast paneel en een beweegbaar paneel met twee handbediende zonneschermen (voor en achter). De zonneschermen kunnen worden gebruikt in de standen "geheel gesloten" of "geheel geopend" (ze hebben geen vaste tussenliggende standen). Zonneschermen openen: pak de handgreep A-fig. 68 vast, maak de handgreep vrij en beweeg hem in de richting van de pijlen totdat de stand "geheel geopend" is bereikt. Ga voor het sluiten in omgekeerde volgorde te werk. Het opendak kan uitsluitend bediend worden als de contactsleutel in stand MAR staat. Met de bedieningsknoppen A-B fig. 67 op het dashboard dicht bij de plafondverlichting voor, kunt u het dak openen/sluiten.
Openen
Als u de knop B-fig. 67 indrukt en ingedrukt houdt, opent het voorste ruitpaneel in "kantelstand". Druk nogmaals langer dan een halve seconde op de knop B-fig. 67 om de ruit geheel te openen. De ruit kan in een tussenliggende stand worden gezet door opnieuw op de knop te drukken.

Als het dak in geheel geopende stand staat en u drukt langer dan een halve seconde op de knop A-fig. 68, dan komt het voorste ruitpaneel automatisch in "kantelstand". De ruit kan in een tussenliggende stand worden gezet door opnieuw op de knop te drukken. Druk nogmaals op de knop A-fig. 68 en houd de knop ingedrukt om het paneel geheel te sluiten.

Als er een imperiaal gemonteerd is, is het raadzaam het opendak alleen in "kantelstand" te gebruiken.

Open het dak niet bij sneeuw of ijs: het kan dan beschadigd worden.

Verwijder altijd de contact- sleutel uit het contactslot als u de auto verlaat, om te voorkomen dat het opendak per ongeluk in beweging wordt gebracht en zo gevaar kan opleveren voor de achtergebleven inzittenden: onzorgvuldig gebruik van het opendak kan gevaarlijk zijn. Controleer voor en tijdens de bediening van het opendak altijd of de passagiers niet verwond kunnen worden door de beweging van het opendak zelf of door in beweging gebrachte voorwerpen.
ANTI-LETSELFUNCTIE
Het opendak is voorzien van een anti-letselfunctie die een eventueel obstakel kan waarnemen als de ruit sluit. In dat geval onderbreekt het systeem de ruitbeweging en wordt de ruit onmiddellijk geopend.
INITIALISATIEPROCEDURE
Als de accu losgekoppeld is geweest of als een zekering is doorgebrand, moet de werking van het opendak opnieuw ingesteld worden.
Ga als volgt te werk:
□ druk de knop A-fig. 68 in de sluitstand;
☐ houd de knop ingedrukt totdat het dak stapsgewijs geheel is gesloten;
□ wacht nadat het dak geheel gesloten is, tot de elektrische motor van het dak uitschakelt.
Verwijder altijd de contactsleutel uit het contactslot als u de auto verlaat, om te voorkomen dat het opendak per ongeluk in beweging wordt gebracht en zo gevaar kan opleveren voor de achtergebleven passagiers: onzorgvuldig gebruik van het opendak kan gevaarlijk zijn. Controleer voor en tijdens de bediening van het opendak altijd of de passagiers niet verwond kunnen worden door de beweging van het opendak zelf of door in beweging gebrachte voorwerpen.

text_image
Afig. 69
F0M0088m
SLUITEN IN NOODGEVALLEN
Als het opendak niet elektrisch bediend kan worden, dan kan het handmatig worden bediend; ga hiervoor als volgt te werk:
□ verwijder de beschermdop op de hemelbekleding, tussen de twee zonneschermen;
□ neem de zeskantige sleutel uit de gereedschaphouder in de bagageruimte;
□ steek de sleutel in de zitting A-fig. 69 en draai de sleutel:
– rechtsom om het dak te openen;
- linksom om het dak te sluiten.
PORTIEREN
CENTRALE PORTIERVER-/ ONTGRENDELING
PORTIERVERGRENDELING VAN BUITENAF
Druk bij gesloten portieren op de knop op de afstandsbediening fig. 70 of steek de metalen baard in het slot van het bestuurdersportier en draai de sleutel rechtsom fig. 71. Als de portieren zijn vergrendeld, brandt het lampje op de knop A-fig. 72 één keer. Alleen als alle portieren gesloten zijn, wordt de portiervergrendeling ingeschakeld. Als een of meerdere portieren niet vergrendeld zijn na het indrukken van de knop op de afstandsbediening fig. 70, gaan de richtingaanwijzers en het lampje op de knop A-fig. 72 ongeveer 3 seconden snel knipperen. Als een of meerdere portieren niet vergrendeld zijn nadat de metalen baard van de sleutel in het slot is gedraaid, gaat alleen het lampje op de knop A-fig. 72 ongeveer 3 seconden snel knipperen. Als de portieren zijn gesloten en de achterklep open is, worden de portieren vergrendeld: de richtingaanwijzers (alleen na vergrendeling door op de knop fig. 70 te drukken) en het lampje op de knop A-fig. 72 gaan ongeveer 3 seconden snel knipperen. Bij ingeschakelde functie kunt u de sloten van de andere portieren ontgrendelen door de knop A-fig. 72 op de middenconsole in te drukken.

Druk twee keer snel achter elkaar op de knop op de afstandsbediening. 70 voor het inschakelen van het dead lock-systeem (zie de paragraaf "Dead lock-systeem").
Portierontgrendeling van buitenaf
Druk kort op de knop fig. 70 voor het op afstand ontgrendelen van de portieren. Gelijktijdig wordt de plafondverlichting tijdelijk ingeschakeld en knipperen de

text_image
SPORT BOOST AIR OFF A fig. 72 F0M076Abrichtingaanwijzers twee keer. Of steek de metalen baard in het slot van het bestuurdersportier en draai de sleutel linksom.
Portierver-/ontgrendeling vanuit het interieur
Druk op de knop A-fig. 72 om alle portieren te ver-/ontgrendelen. De knop is voorzien van een lampje dat de status aangeeft (portieren ver- of ontgrendeld). Als de portieren vergrendeld zijn, brandt het lampje op de knop; als de knop wordt ingedrukt, worden alle portieren ontgrendeld en dooft het lampje. Als de portieren zijn ontgrendeld, is het lampje gedoofd; als de knop wordt ingedrukt, worden alle portieren vergrendeld. Alleen als alle portieren goed gesloten zijn, wordt de portiervergrendeling ingeschakeld.
Als de portieren zijn vergrendeld met behulp van:
□ de afstandsbediening;
□ het portierslot;
kunt u de portieren niet meer ontgrendelen met de knop A-fig. 72 op het schakelaarpaneel op het dashboard.
BELANGRIJK Als de portieren centraal zijn vergrendeld en een van de voorportieren wordt van binnenuit geopend met de handgreep, dan wordt het betreffende portier ontgrendeld. Als een van de achterportieren van binnenuit wordt geopend met de handgreep, dan wordt het betreffende portier ontgrendeld.
Bij een onderbreking in de elektrische voeding (doorgebrande zekering, losgekoppelde accu enz.) kunnen de portieren altijd met de hand worden vergrendeld.
Als u harder dan 20 km/h rijdt, worden alle portieren automatisch vergrendeld als in het setup-menu deze functie is ingeschakeld (zie de paragraaf "Multifunctioneel display" in dit hoofdstuk).
DEAD LOCK-SYSTEEM (indien aanwezig)
Dit veiligheidssysteem verhindert de werking van:
□ de binnenhandgrepen;
□ ont-/vergrendelknop A-fig. 72;
hierdoor kunnen de portieren niet van binnenuit worden geopend bij een inbraakpoging (bijvoorbeeld bij het inslaan van een ruit).
Het dead lock-systeem biedt dus de beste bescherming tegen inbraakpogingen. Daarom raden wij u aan om iedere keer als u de auto verlaat, het systeem in te schakelen.

ATTENTIE
Als het dead lock-systeem is ingeschakeld, kunnen de por-
tieren op geen enkele wijze van binnenuit worden geopend. Controleer daarom, voordat u de auto verlaat, of er geen personen meer aan boord zijn. Als de batterij van de sleutel met afstandsbediening leeg is, kan het systeem alleen worden uitgeschakeld door de metalen baard van de sleutel in beide portiersloten te steken en te draaien, zoals hiervoor is beschreven.
Systeem inschakelen
Het systeem schakelt op alle portieren automatisch in als de knop op de sleutel met afstandsbediening fig. 70 twee keer snel wordt ingedrukt.
Als het systeem is ingeschakeld, knipperen de richtingaanwijzers 3 keer en knippert het lampje op de knop A-fig. 72 op het schakelaarpaneel op het dashboard.
Het systeem schakelt niet in als een of meerdere portieren niet goed gesloten zijn: zo wordt voorkomen dat een persoon via het geopende portier het interieur van de auto kan betreden en, als het portier vervolgens wordt gesloten, de auto niet meer kan verlaten.
Systeem uitschakelen
Het systeem schakelt in de volgende gevallen automatisch op alle portieren uit:
□ als de contactsleutel in het bestuurdersportier wordt gestoken en de sleutel rechtsom wordt gedraaid;
□ als de portieren op afstand worden ont-grendeld;
□ als de contactsleutel in stand MAR wordt gedraaid.
RUITBEDIENING
In de armsteun van het portier aan be-stuurderszijde zijn de twee bedienings-schakelaars fig. 73 gemonteerd waarmee u, als de contactsleutel in stand MAR staat, de zijruiten bedient:

text_image
A Bfig. 73
F0M0136m
A openen/sluiten zijruit linksvoor;
B openen/sluiten zijruit rechtsvoor.
De zijruit aan bestuurderszijde heeft een automatische werking omhoog en omlaag.
De automatisch continue werking van de ruit wordt ingeschakeld als u langer dan een halve seconde op de bedieningsschakelaar drukt. De beweging stopt als de ruit aan het einde van zijn slag is of als u nogmaals op de schakelaar drukt.
BELANGRIJK Als de contactsleutel in stand STOP staat of is uitgenomen, dan kunnen de ruiten nog ongeveer 2 minuten worden bediend. Het systeem wordt echter onmiddellijk uitgeschakeld als een van de portieren wordt geopend.
BELANGRIJK Als bij enkele uitvoeringen de knop op de sleutel met afstandsbediening langer dan 2 seconden wordt ingedrukt, worden de ruiten geopend; als de knop op de sleutel met afstandsbediening langer dan 2 seconden wordt ingedrukt, worden de ruiten gesloten.

text_image
A Dfig. 74
F0M018Ab
Portier aan passagierszijde voor en achterportieren (indien aanwezig)
In de armsteun van het voorportier aan passagierszijde bevindt zich de drukschakelaar A-fig. 74 voor de bediening van de bijbehorende ruit.

ATTENTIE
Onzorgvuldig gebruik van de elektrische ruitbediening kan gevaarlijk zijn. Controleer voor en tijdens het bedienen van de ruit altijd of de passagiers niet kunnen worden verwond door de bewegende ruiten, hetzij direct door contact met de ruit, hetzij door voorwerpen die door de ruit worden meegesleept of geraakt. Verwijder altijd de sleutel uit het contactslot als u de auto verlaat om te voorkomen dat een onverwachtse inschakeling van de elektrische ruitbediening gevaar oplevert voor de achtergebleven passagiers.
Initialisatie van de ruitbediening
Als de accu losgekoppeld is geweest of als een zekering is doorgebrand, moet de werking van het systeem opnieuw ingesteld worden.
Initialisatieprocedure:
□ sluit de ruit die geïntitialiseerd moet worden geheel (handmatig);
☐ houd na het bereiken van de geheel gesloten stand de schakelaar nog ten minste 1 seconde ingedrukt.
BAGAGERUIMTE

Naderhand aangebrachte voorwerpen op de hoedenplank of de achterklep (luid-sprekers, spoiler enz.) kunnen, behalve wanneer de auto hierop is voorbereid, de juiste werking van de gasveren verhinderen.

ATTENTIE
Bij het gebruik van de bagageruimte mag het maximum laadvermogen nooit worden overschreden (zie het hoofdstuk "Technische gegevens"). Controleer bovendien of de bagageruimte goed geladen is, om te voorkomen dat een voorwerp bij bruusk remmen naar voren schiet en letsel veroorzaakt.

ATTENTIE
Rijd niet met voorwerpen op de hoedenplank: bij een ongeval of bruusk remmen kunnen ze de passagiers verwonden.

De achterklep kan op elk moment vanuit het interieur worden geopend met de knop A-fig. 76.
De achterklep kan van buitenaf worden geopend door de knop op de afstandsbediening fig. 75 in te drukken.
Als de achterklep wordt geopend, knipperen de richtingaanwijzers twee keer.

Laat de achterklep zakken en druk op de achterklep totdat hij vergrendelt fig. 77.

Om de achterklep vanuit het interieur te openen (bij een lege accu of een storing in het elektrische systeem), moet als volgt te werk worden gegaan:
□ klap de zitplaatsen achter volledig om (zie de paragraaf "Bagageruimte vergroten" in dit hoofdstuk);
□ druk in de bagageruimte op het hen-
deltje B.

text_image
Fig. 79 F0M086AbMaximale vergroting fig. 80
Als de achterbank wordt neergeklapt, is de bagageruimte maximaal vergroot.

Ga als volgt te werk:
☐ laat de hoofdsteunen van de achterbank geheel zakken;
□ controleer of de gordels niet gespannen zijn of gedraaid zitten;
□ klap de zittingen van de achterzitplaatsen om:
□ bedien de handgrepen A en B-fig. 79 om de rugleuningen te ontgrendelen en klap ze op de zitting neer.
BELANGRIJK Als het na het volledig neerklappen van de achterbank noodzakelijk is om de hoedenplank te verwijderen, plaats deze dan zoals is aangegeven in fig. 82.

Achterbank terugplaatsen fig. 81
Plaats de rugleuning omhoog en druk de leuning naar achteren, totdat beide borg-mechanismen hoorbaar inklikken.
Plaats de gespen van de veiligheidsgordels omhoog en zet de zitting weer in de normale gebruiksstand.
BELANGRIJK Als de rugleuning goed is vergrendeld, dan is de "rode band" naast de hendels voor het neerklappen van de rugleuning, niet meer zichtbaar. Als de "rode band" zichtbaar is, is de rugleuning niet goed vergrendeld. Als de rugleuning in de normale gebruiksstand wordt gezet, controleer dan of de rugleuning hoorbaar vergrendelt.

Controleer of de rugleuning aan beide zijden goed vergrendeld is om te voorkomen dat in geval van bruusk remmen, de rugleuning naar voren kan klappen en de passagiers kan verwonden.

HOEDENPLANK VERWIJDEREN
Als u de hoedenplank wilt verwijderen om de bagageruimte te vergroten: maak de bovenste uiteinden A-fig. 83 van de twee trekkoorden los door de ogen van de pennen te schuiven, maak de hoedenplank los, draai hem in de zitting en maak de twee pennen fig. 84 los uit de zittingen aan de zijkant.
De verwijderde hoedenplank kan dwars tussen de rugleuningen van de voorstoelen en de omgeklapte achterbank worden opgeborgen fig. 82.
CARGOBOX (indien aanwezig)
De cargobox bestaat uit een voorgevormd element fig. 87 voor het opbergen van voorwerpen in de bagageruimte, waardoor een vlakke laadvloer ontstaat.
BELANGRIJK Om voorwerpen op het afdekblad van de Cargobox te plaatsen, moet de lange stang in het midden worden gehouden. De maximaal toegestane belasting is 50 kg.

Ga als volgt te werk:
□ trek de hendel fig. 88 in de richting van de pijl;
□ trek aan het hendeltje A-fig. 89, zoals aangegeven in de afbeelding;
□ til de motorkap op en trek gelijktijdig de steunstang D-fig. 90 uit de klem; steek vervolgens het uiteinde C-fig. 91 van de stang in de zitting E op de motorkap.
BELANGRIJK Controleer of de armen van de ruitenwissers tegen de ruit aanstaan voordat u de motorkap optilt.

Ga als volgt te werk:
☐ houd de motorkap met een hand omhoog, trek met de andere hand de stang C-fig. 91 uit de zitting E en plaats de steunstang terug in de klem D-fig. 90;

text_image
E C fig. 91 F0M0133m☐ laat de motorkap tot op ongeveer 20 cm van de motorruimte zakken, laat de motorkap vallen en controleer of de motorkap goed is gesloten door de motorkap op te tillen. De motorkap mag niet alleen door de beveiliging vergrendeld zijn. Druk in dit laatste geval de motorkap niet dicht, maar til hem opnieuw op en herhaal de handeling.
BELANGRIJK Controleer altijd of de motorkap vergrendeld is om te voorkomen dat deze tijdens het rijden opengaat.

ATTENTIE
Om veiligheidsredenen moet de motorkap tijdens het rijden altijd goed gesloten zijn. Controleer daarom altijd of de motorkap goed vergrendeld is. Als u tijdens het rijden merkt dat de motorkap niet goed vergrendeld is, stop dat onmiddellijk en sluit de motorkap op de juiste wijze.
IMPERIAAL/ SKIDRAGER
3-deurs uitvoeringen
De voorste bevestigingspunten bevinden zich op de punten A-fig. 92.
De achterste bevestigingspunten bevinden zich op de punten B. Deze worden aangegeven met symbolen (▼) op de zijruiten achter.

text_image
A B A Bfig. 92
F0M023Ab

ATTENTIE
Als de steunstang verkeerd geplaatst wordt, kan de motorkap onverwachts dichtvallen.

ATTENTIE
Controleer na enkele kilo- meters opnieuw of de beves- tigingsbouten nog goed vastzitten.
BELANGRIJK U dient zich strikt aan de aanwijzingen te houden die in het pakket zijn meegeleverd. De montage moet altijd door deskundige personen worden uitgevoerd.

ATTENTIE
Verdeel de lading gelijkmatig en houd tijdens de rit rekening met een verhoogde zijwindgevoeligheid.

ATTENTIE
Voer deze handeling alleen uit als de auto stilstaat.

Houdt u zorgvuldig aan de wettelijke bepalingen betreffende de maximale afmetingen.

Overschrijd nooit het maximum draagvermogen (zie het hoofdstuk "Technische gegevens").
KOPLAMPEN
KOPLAMPEN AFSTELLEN
Goed afgestelde koplampen zijn belangrijk voor het comfort en de veiligheid van uzelf en de overige weggebruikers. Voor optimaal zicht en zichtbaarheid moeten de koplampen op de juiste wijze zijn afgesteld. Wendt u voor controle of afstelling tot de Abarth-dealer.

text_image
±0 +O - NEUO ENCfig. 93
F0M0103m
KOPLAMPVERSTELLING
De stand kan worden geregeld als de contactsleutel in stand MAR staat en de dimlichten zijn ingeschakeld. Als de auto beladen is, helt hij achterover. Het gevolg is dat de lichtbundel meer naar boven schijnt. De stand van de koplampen moet nu worden gecorrigeerd.
Koplampen afstellen fig. 93
De koplampen kunnen worden versteld met de knoppen 📊 op het schakelaarpaneel.
Op het display van het instrumentenpaneel wordt de stand aangegeven.
Stand 0 - een of twee personen op de voorstoelen.
Stand I - vijf personen.
Stand 2 - vijf personen + bagage.
Stand 3 - bestuurder + maximale lading in de bagageruimte.
BELANGRIJK Controleer de afstelling van de koplampen telkens als het gewicht van de lading wijzigt.
MISTLAMPEN VOOR
AFSTELLEN (indien aanwezig)
Wendt u voor controle of afstelling tot de Abarth-dealer.

text_image
135 245 70 45 R150 R30 20 40 198fig. 94
F0M0105m

text_image
165 50 R195 60 150fig. 95
F0M0106m
KOPLAMPEN AANPASSEN AAN HET BUITENLAND fig. 94-95
De dimlichten zijn afgesteld voor gebruik in het land waarin de auto is verkocht. In die landen waarin aan de andere zijde van de weg wordt gereden, moet om het tegemoetkomende verkeer niet te verblinden, de vorm van de lichtbundel worden gewijzigd door het aanbrengen van een speciaal daarvoor ontwikkelde sticker.
Deze sticker is opgenomen in het Abarth Lineaccessori-programma en verkrijgbaar bij de Abarth-dealer.
De afbeelding heeft betrekking op de overgang van een land waar links wordt gereden naar een land waar rechts wordt gereden.
ABS
Als u niet eerder in een auto met ABS hebt gereden, raden wij u aan het systeem eerst een paar keer uit te proberen op een glad wegdek. Verlies hierbij de veiligheid niet uit het oog en houdt u aan de wetgeving van het land waarin u zich bevindt. Bovendien raden wij u aan de volgende aanwijzingen aandachtig te lezen.
Het ABS dat geïntegreerd is in het remsysteem, voorkomt dat tijdens het remmen de wielen blokkeren, ongeacht de conditie van het wegdek en de pedaaldruk, en verhindert daarmee het doorslippen van een of meerdere wielen. Hierdoor blijft de auto bestuurbaar, zelfs bij noodstops.
Het systeem wordt gecompleteerd met een elektronische remdrukverdeling EBD (Electronic Braking Force Distribution), die de remdruk verdeelt tussen de voor- en achterwielen.
BELANGRIJK Voor een maximale werking van het remsysteem is een inrijperiode nodig van ongeveer 500 km (bij een nieuwe auto of nadat de remblokken/-schijven zijn vervangen): in deze periode moet bruusk, herhaaldelijk en langdurig remmen worden vermeden.

ATTENTIE
Het ABS maakt zoveel mogelijk gebruik van de beschikbare grip maar kan deze niet verhogen. Daarom moet op gladde weggedeelten altijd voorzichtig worden gereden en mogen er geen onnodige risico's worden genomen.
ACTIVERING VAN HET SYSTEEM
Als het ABS in werking is getreden, merkt de bestuurder dit aan een trilling in het rempedaal, die gepaard gaat met enig geluid: dit geeft aan dat het noodzakelijk is uw snelheid aan te passen aan de beschikbare grip op het wegdek.

ATTENTIE
Als het ABS in werking treedt, dan is de grip van de op het wegdek beperkt: u snelheid te verlagen en aan aan de beschikbare grip.
STORINGSMELDINGEN
Storing in ABS
Bij een storing brandt het waarschuwingslampje (ABG) op het instrumentenpaneel en verschijnt er een bericht (indien aanwezig) op het multifunctionele display (zie het hoofdstuk "Lampjes en berichten").
In dat geval blijft het remsysteem normaal werken, maar zonder de mogelijkheden van het ABS. Rijd voorzichtig naar de dichtstbijzijnde Abarth-dealer om het systeem te laten controleren.
Storing in EBD
Bij een storing branden de waarschuwingslampjes (AB8) en (!) op het instrumentenpaneel en verschijnt er een bericht op het instelbare multifunctionele display (zie hoofdstuk "Lampjes en berichten").
In dit geval kunnen bij krachtig remmen de achterwielen vroegtijdig blokkeren waardoor de auto kan slippen. Rijd zeer voorzichtig naar de dichtstbijzijnde Abarth-dealer om het systeem te laten controleren.

ATTENTIE
Als alleen het waarschuwingslampje Ⓔ op het instrumentenpaneel gaat branden (op het instelbare multifunctionele display verschijnt ook een bericht), stop dan onmiddellijk en wendt u tot de Abarth-dealer. Als er vloeistof lekt uit het hydraulische systeem, wordt de werking van zowel het conventionele remsysteem als het ABS in gevaar gebracht.
BRAKE ASSIST
(remregeling bij noodstops geïntegreerd in ESP) (indien aanwezig)
Dit systeem, dat niet kan worden uitgeschakeld, herkent noodstops (op basis van de snelheid waarmee het rempedaal wordt ingetrapt) en verhoogt de druk in het remcircuit aanzienlijk, waardoor sneller en krachtiger door het systeem wordt geremd.
De Brake Assist wordt, bij uitvoeringen die zijn uitgerust met ESP, uitgeschakeld bij een storing in het ESP (lampje Ⓐ brandt en er verschijnt een bericht op het instelbare multifunctionele display).

ATTENTIE
Als het ABS in werking treedt, merkt u dat aan een trilling in het rempedaal. Verlaag de remdruk niet maar houd het rempedaal juist goed ingetrapt; op deze manier hebt u de kortste remweg in relatie tot de conditie van het wegdek.
ESP-SYSTEEM
Dit systeem bewaakt de stabiliteit van de auto als de wielen hun grip verliezen, waardoor de auto beter op koers blijft.
De werking van het ESP is uitermate nuttig als de grip op het wegdek wisselt.
Naast het ESP-, ASR- en Hill Holder-systeem beschikt de auto ook over MSR (regeling van het afremmen op de motor tijdens terugschakelen) en HBA (automatische remdrukverhoger bij noodstops) (indien aanwezig).
ACTIVERING VAN HET SYSTEEM
Bij activering gaat het lampje Ⓐ op het instrumentenpaneel knipperen, om de bestuurder er op te wijzen dat de auto de stabiliteit en de grip dreigt te verliezen.
INSCHAKELING VAN HET SYSTEEM
Het ESP wordt automatisch ingeschakeld als de motor wordt gestart en kan niet worden uitgeschakeld.
STORINGSMELDINGEN
Bij een storing in het ESP wordt het systeem automatisch uitgeschakeld en gaat het lampje Ⓐ op het instrumentenpaneel continu branden en verschijnt er een melding op het instelbare multifunctionele display (zie het hoofdstuk "Lampjes en berichten"). Bovendien gaat ook het lampje in de knop ASR OFF branden. Wendt u in dat geval zo snel mogelijk tot de Abarth-dealer.

ATTENTIE
De prestaties van het ESP- systeem mogen de bestuurder er niet toe verleiden onnodige en onverantwoorde risico's te nemen. De rijstijl moet altijd zijn aangepast aan het wegdek, het zicht en het verkeer. De verantwoordelijkheid voor de ver- keersveiligheid ligt altijd en overal bij de bestuurder van de auto.
HILL HOLDER-SYSTEEM
Dit in het ESP geïntegreerde systeem helpt bij het wegrijden op een helling.
Het systeem schakelt automatisch in als:
omhoog: de auto stilstaat op een helling van meer dan 5% met draaiende motor, ingetrapt rem- en koppelingspedaal en versnellingsbak in vrij of als een andere versnelling dan de achteruit is ingeschakeld.
☐ omlaag: de auto stilstaat op een helling van meer dan 5% met draaiende motor, ingetrapt rem- en koppelingspedaal en als de achteruit is ingeschakeld.
Tijdens het wegrijden zorgt de regeleenheid van het ESP ervoor dat de wielen geremd blijven, totdat het noodzakelijke motorkoppel is bereikt om weg te rijden (of maximaal 2 seconden), zodat u meer tijd heeft om uw rechter voet van het rempedaal naar het gaspedaal te verplaatsen.
Als u na 2 seconden niet bent weggereden, schakelt het systeem automatisch uit en wordt de remdruk geleidelijk verlaagd.
Tijdens deze fase kunt u een typisch geluid horen. Dit geluid betekent dat de auto ieder moment in beweging kan komen.
Storingsmeldingen
Bij een storing in het systeem brandt op het instrumentenpaneel het waarschuwingslampje Ⓔ bij een digitaal display en het lampje Ⓐ bij een instelbaar multifunctioneel display (zie het hoofdstuk "Lampjes en berichten").
BELANGRIJK Het Hill Holder-systeem is geen handrem; verlaat dus nooit de auto zonder de handrem aan te trekken, de motor uit te zetten en de eerste versnel-ling in te schakelen.

ATTENTIE
Voor de juiste werking van het ESP- en ASR-systeem is
het noodzakelijk dat de banden van alle wielen van hetzelfde merk en type zijn. De banden moeten in perfecte conditie zijn en de voorgeschreven afmetingen hebben.
ASR-SYSTEEM (Antislip Regulator)
Het ASR-systeem controleert de trekkracht van de auto en grijpt automatisch in als een of beide aangedreven wielen dreigen door te slippen.
Afhankelijk van de oorzaak van het door- slippen, worden er twee verschillende regelsystemen geactiveerd:
□ als beide aangedreven wielen doorslippen, vermindert de ASR het motorvermogen;
□ als slechts een aangedreven wiel doorslipt, zorgt het ASR-systeem ervoor dat het wiel automatisch wordt afgeremd.
Het ASR-systeem is vooral nuttig onder de volgende omstandigheden:
☐ doorslippen van het binnenste wiel in bochten, door verandering van de wielbelasting of door te felle acceleratie;
□ te hoog vermogen naar de wielen, ook in samenhang met de condities van het wegdek;
□ acceleratie op gladde wegen en bij sneeuw en ijzel;
□ verlies van grip op natte weggedeelten (aquaplaning).

ATTENTIE
Voor de juiste werking van het ESP- en ASR-systeem is het noodzakelijk dat de banden van alle wielen van hetzelfde merk en type zijn. De banden moeten in perfecte conditie zijn en de voorgeschreven afmetingen hebben.
MSR-systeem (regeling van motorremwerking)
Dit systeem, dat geïntegreerd is in het ASR-systeem, verhoogt bij bruusk terugschakelen het motorkoppel, zodat overmatige vertraging van de aangedreven wielen wordt voorkomen. Dit heeft vooral voordelen op een wegdek met weinig grip, waarop de stabiliteit van de auto snel verloren kan gaan.

text_image
SPORT BOOST A fig. 96 F0M078AbIn-/uitschakeling van het systeem fig. 96
Het ASR-systeem schakelt automatisch in als de motor wordt gestart.
Tijdens het rijden kan de ASR worden uitgeschakeld en vervolgens weer worden ingeschakeld door de schakelaar A op het schakelaarpaneel op het dashboard in te drukken fig. 96.
Als het systeem wordt uitgeschakeld, gaat het lampje op de schakelaar branden en verschijnt er op het instelbare multifunctionele display een bericht.
Als het ASR-systeem tijdens het rijden wordt uitgeschakeld, schakelt het automatisch weer in als de auto opnieuw wordt gestart.
Schakel het ASR-systeem uit als u met sneeuwkettingen rijdt: onder deze omstandigheden levert het doorslaan van de aangedreven wielen juist meer trekkracht op.

ATTENTIE
De prestaties van het systeem mogen de bestuurder
er niet toe verleiden onnodige en onverantwoorde risico's te nemen. De rijstijl moet altijd zijn aangepast aan het wegdek, het zicht en het verkeer. De verantwoordelijkheid voor de verkeersveiligheid ligt altijd en overal bij de bestuurder van de auto.
Voor de juiste werking van het ASR-systeem is het noodzakelijk dat de banden van alle wielen van hetzelfde merk en type zijn. De banden moeten in perfecte conditie zijn en de voorgeschreven afmetingen hebben.
STORINGSMELDINGEN
Bij een storing in het ASR-systeem wordt het systeem automatisch uitgeschakeld en gaat het lampje Ⓐ op het instrumentenpaneel continu branden. Bovendien verschijnt een bericht op het instelbare multifunctionele display (zie het hoofdstuk "Lampjes en berichten"). Wendt u in dat geval zo snel mogelijk tot de Abarth-dealer.
EOBD-SYSTEEM
Met het EOBD-systeem (European On Board Diagnosis) kan een doorlopende diagnose worden uitgevoerd op die componenten op de auto die van invloed zijn op de emissie.
Bovendien meldt het systeem, door het branden van het lampje op het instrumentenpaneel en het verschijnen van een bericht op het instelbare multifunctionele display (zie hoofdstuk "Lampjes en berichten") dat de betreffende componenten defect zijn.
Het doel is:
□ de werking van het systeem controleren;
□ signaleren wanneer door een storing de emissies boven de wettelijk vastgestelde drempelwaarde uitkomen;
□ signaleren wanneer het noodzakelijk is defecte componenten te vervangen.
Het systeem beschikt verder nog over een diagnosestekker die het mogelijk maakt, na het aansluiten van speciale apparatuur, de door de regeleenheid opgeslagen storingscodes en de specifieke parameters voor de diagnose en werking van de motor te lezen. Deze controle kan ook worden uitgevoerd door de verkeerspolitie.
BELANGRIJK Na het verhelpen van de storing moet de Abarth-dealer voor een complete controle van het systeem, tests uitvoeren op een testbank en, zo nodig, een proefrit maken die eventueel een langere afstand kan omvatten.

Als u de contactsleutel in stand MAR draait en het lampje gaat niet branden of het gaat branden of knipperen tijdens het rijden (en er verschijnt ook een bericht op het instelbare multifunctionele display), wendt u dan zo snel mogelijk tot de Abarth-dealer. De werking van het lampje 📄 kan worden gecontroleerd met behulp van speciale apparatuur van de verkeerspolitie. Houdt u aan de wetgeving van het land waarin u rijdt.
BANDENSPANNING- CONTROLESYSTEEM TPMS (indien aanwezig)
De auto kan zijn uitgerust met een controlesysteem voor de bandenspanning TPMS (Tyre Pressure Monitoring System). Dit systeem bestaat uit een sensor die op radiogolven werkt, op de velg van elk wiel. Deze sensor stuurt informatie over de spanning van iedere band naar de regel- eenheid.

ATTENTIE
Wees zeer zorgvuldig bij het controleren of herstellen van de bandenspanning. Een te hoge spanning vermindert de grip op het wegdek, verhoogt de belasting op de wielophanging en de wielen en veroorzaakt een onregelmatige slijtage van de banden.

ATTENTIE
De spanning van de banden moet bij stilstaande auto en koude banden gecontroleerd worden; als om wat voor reden dan ook de spanning bij warme banden gecontroleerd wordt, verminder dan de spanning niet, ook als deze boven de voorgeschreven waarde ligt, maar controleer de spanning opnieuw bij koude banden.

ATTENTIE
Ook als de auto is uitgerust met het TPMS-systeem, moet de bestuurder regelmatig de spanning van de banden en die van het reservewiel (zie de paragraaf "Wielen" in het hoofdstuk "Onderhoud en zorg") controleren.
AANWIJZINGEN VOOR HET GEBRUIK VAN HET TPMS
Storingsmeldingen worden niet opgeslagen en worden dus niet aangegeven als de motor wordt uitgezet en vervolgens weer wordt gestart. Als de storingen blijven bestaan, stuurt de regeleenheid de betreffende meldingen pas naar het instrumentenpaneel als de auto een korte tijd rijdt.
BELANGRIJK Zeer hevige storingen door radiofrequentie kunnen het TMPS-systeem ontregelen. Dit wordt aan de bestuurder aangegeven door het verschijnen van een bericht op het display. Deze melding verdwijnt automatisch zodra de storing het systeem niet meer ontregelt.

ATTENTIE
Het TPMS is niet in staat om te waarschuwen voor een plotselinge vermindering van de bandenspanning (bijvoorbeeld bij een klapband). Zet in dat geval de auto stil door voorzichtig te remmen en maak daarbij geen plotselinge stuurbewegingen.

ATTENTIE
Het vervangen van de normale banden door winterbanden en omgekeerd, vereist ook een aanpassing van het TPMS, die uitsluitend door de Abarth-dealer mag worden uitgevoerd.

ATTENTIE
Het TPMS vereist het gebruik van speciale apparatuur. Raadpleeg de Abarth-dealer over de accessoires die geschikt zijn voor het systeem (wielen, wieldeksels enz.) Het gebruik van andere accessoires kan de normale werking van het systeem verhinderen.

ATTENTIE
De bandenspanning kan variëren afhankelijk van de buitentemperatuur. Het TPMS kan tijdelijk een te lage bandenspanning signaleren. Controleer in dat geval de bandenspanning bij koude banden en herstel, indien nodig, de juiste spanning.

ATTENTIE
Als de auto is uitgerust met het TPMS, moet bij het demonteren van een band, ook het rubber van het ventiel vervangen worden. Wendt u tot de Abarth-dealer.

ATTENTIE
Als de auto is uitgerust met het TPMS, moeten bij het monteren/demonteren van de banden en/of velgen speciale voorzorgsmaatregelen in acht worden genomen. Om te voorkomen dat de sensoren beschadigen of verkeerd gemonteerd worden, mogen de banden en/of de velgen uitsluitend door gespecialiseerd personeel vervangen worden. Wendt u tot de Abarth-dealer.

ATTENTIE
Zeer hevige storingen door radiofrequentie kunnen het TMPS-systeem ontregelen. Dit wordt aan de bestuurder aangegeven door het verschijnen van een bericht op het multifunctionele display (indien aanwezig). Deze melding verdwijnt automatisch zodra de storing het systeem niet meer ontregelt.
Zie voor het juiste gebruik van het systeem als de velgen/banden vervangen worden, de volgende tabel:
Handeling Aanwezigheid sensor Storingsmelding Actie
| Abarth-dealer | |||
| - | - | JA | Wendt u tot de Abarth-dealer |
| Een wiel vervangen door het reservewiel | NEE | JA | Het beschadigde wiel repareren |
| Wielen vervangen door winterbanden | NEE | JA | Wendt u tot de Abarth-dealer |
| Wielen vervangen door winterbanden | JA | NEE | - |
| Wielen vervangen door andere met afwijkende afmetingen (*) | JA | NEE | - |
| Wielen omwisselen (voor/achter) (***) | JA | NEE | - |
(*) Velgmaten die als alternatief staan vermeld in het instructieboekje en die zijn gekozen uit het Abarth Lineaccessori-programma.
(**) Niet kruiselings (de banden moeten aan dezelfde zijde van de auto blijven).
SPORT BOOST-FUNCTIE
De auto is uitgerust met een keuzesysteem voor twee soorten rijstijlen: normaal en sportief.
Als u op de SPORT BOOST-knop fig. 98 drukt, wordt de sport-functie ingeschakeld. Hierdoor reageert de motor sneller op gaspedaalbewegingen en is meer kracht nodig voor het draaien van het stuur voor een optimaal stuurgevoel.
Als u op de SPORT BOOST-knop drukt, wordt ook de turbodruk verhoogd (overboost).
Via deze functie verhoogt de regeleenheid van de motor de maximum turbodruk tijdelijk in relatie tot de stand van het gaspedaal, waardoor een hoger motorkoppel geleverd wordt dan onder normale omstandigheden.
Deze functie is zeer nuttig als tijdelijk maximale prestaties vereist zijn (bijv. tijdens het inhalen).
Als de functie is ingeschakeld, dan wordt op het display van het instrumentenpaneel het opschrift SPORT verlicht. Druk nogmaals op de knop om deze functie uit te schakelen en de instelling voor normaal rijden te herstellen.

text_image
SPORT BOOST A fig. 98 F0M074Ab
bar
| Metric | Value | | :--- | :--- | | 20:52 | 20.5°C | | 20.5°C | 2 D | | SPORT | 123456 km | fig. 99 F0M081AbBELANGRIJK Als u de SPORT BOOST-knop indrukt, wordt de functie na ongeveer 5 seconden ingeschakeld.
BELANGRIJK Als u tijdens het acelereren de SPORT BOOST-functie gebruikt, kunt u stoten in het stuurwiel voelen, die kenmerkend zijn voor een sportieve instelling.
BELANGRIJK De benodigde stuurkracht kan toenemen bij langdurige parkeermanoeuvres; dit is een normaal verschijnsel om oververhitting van de motor voor de stuurbekrachtiging te voorkomen. In deze situatie zijn er geen reparaties vereist. Als u de auto een volgende keer weer gebruikt, zal de stuurbekrachtiging weer normaal werken.
Acceleratie
Met vol gas optrekken kost veel brandstof en verhoogt de uitstoot van schadelijke uitlaatgassen: het is beter geleidelijk op te trekken om het verbruik te beperken.
Als u de SPORT BOOST-functie gebruikt, neemt het verbruik iets toe ten opzichte van de aangegeven waarden.
EXTRA ACCESSOIRES
Als u na aanschaf van uw auto accessoires wilt monteren die constante voeding nodig hebben (autoradio, anti-diefstalsatellietbewaking enz.), of accessoires die de elektrische installatie zwaar belasten, wendt u dan tot de Abarth-dealer. Deze kan u de meest geschikte installaties aanraden uit het Abarth Lineaccessori-programma en controleren of de elektrische installatie van de auto geschikt is voor het extra stroomverbruik of dat het noodzakelijk is een accu met een grotere capaciteit te monteren.

ATTENTIE
Let op bij de montage van spoilers, lichtmetalen velgen en niet standaard wieldoppen: ze kunnen de ventilatie van de remmen verminderen en daarmee hun doelmatigheid tijdens krachtig en veelvuldig remmen; bijvoorbeeld tijdens een lange afdaling. Controleer bovendien of de slag van de pedalen niet beperkt wordt (door matten enz.).
ELEKTRISCHE/ELEKTRONISCHE SYSTEMEN MONTEREN
De elektrische/elektronische systemen die na aankoop van de auto en binnen de aftersales-service worden gemonteerd, moeten voorzien zijn van het merkteken:


Fiat Auto S.p.A. autoriseert de montage van zend-/ontvangstapparatuur op voorwaarde dat de montagewerkzaamheden op de juiste wijze bij een gespecialiseerd bedrijf worden uitgevoerd, waarbij de aanwijzingen van de fabrikant in acht moeten worden genomen.
BELANGRIJK Als door de montage van systemen de kenmerken van de auto worden gewijzigd, kan het kentekenbewijs worden ingenomen door de bevoegde instanties en eventueel de garantie komen te vervallen bij defecten die veroorzaakt zijn door de bovengenoemde modificatie of op defecten die direct of indirect daarvan het gevolg zijn.
Fiat Auto S.p.A. is op geen enkele wijze verantwoordelijk voor schade die het gevolg is van de installatie van accessoires die niet door Fiat Auto S.p.A. zijn geleverd of aanbevolen en die niet conform de geleverde instructies zijn geïnstalleerd.
RADIOZENDAPPARATUUR EN MOBIELE TELEFOONS
Radiozendapparaten (mobiele telefoons, 27 mc en dergelijke) mogen alleen in de auto worden gebruikt met een aparte antenne aan de buitenkant van de auto.
BELANGRIJK Het gebruik van dergelijke apparaten in de auto (zonder buitenan- tenne) kan niet alleen schadelijk zijn voor de gezondheid van de inzittenden, maar kan ook storingen in de elektrische sys- temen van de auto veroorzaken. Hierdoor wordt de veiligheid in gevaar gebracht.
Bovendien wordt de zend- en ontvangst- kwaliteit aanzienlijk beperkt door de iso- lerende eigenschappen van de carrosserie.
Houdt u bij het gebruik van mobiele telefoons (GSM, GPRS, UMTS) met het officiële EU-keurmerk, strikt aan de instructies die door de fabrikant van de mobiele telefoon zijn bijgeleverd.
TANKEN
Tank uitsluitend loodvrije benzine.
Om vergissingen te voorkomen is de diameter van de vulpijp van de tank kleiner, zodat het vulpistool voor loodhoudende benzine er niet in past. Het octaangetal van de benzine moet ten minste 95 RON zijn.
BELANGRIJK Een beschadigde katalysator laat schadelijke stoffen in het uitlaatgas achter, waardoor het milieu wordt ver- vuild.
BELANGRIJK Tank met de auto nooit, niet in noodgevallen en ook niet een klein beetje, loodhoudende benzine. U zou de katalysator onherstelbaar beschadigen.

Om te tanken moet u het klepje A openen en vervolgens de dop B losdraaien. De tankdop is voorzien van een koord C dat aan het klepje vastzit, om verlies van de dop te voorkomen.
Op enkele uitvoeringen is de tankdop B voorzien van een slot. De tankdop kan worden bereikt door het tankklepje A te openen. Draai vervolgens de contactsleutel in het slot van de dop linksom en draai de dop los.
Door de hermetische afsluiting van de tank kan de druk in de tank iets verhoogd zijn. Het is daarom normaal als u bij het losdraaien van de tankdop een sissend geluid hoort.
Plaats tijdens het tanken de dop in de uit-sparing op het tankklepje, zoals is afge-beeld in fig. 100.

ATTENTIE
Kom niet dicht bij de vulopening met open vuur of een brandende sigaret: brandgevaar. Houd uw hoofd ook niet dicht bij de vulopening om te voorkomen dat u schadelijke dampen inademt.
Tankinhoud
Om te zorgen dat de tank volledig gevuld wordt, moet u twee keer bijvullen nadat het vulpistool voor de eerste keer afslaat. Vul niet nog een keer bij om storingen in het brandstofsysteem te voorkomen.
BESCHERMING VAN HET MILIEU
De emissiereductiesystemen zijn:
□ driewegkatalysator (katalysator);
□ lambdasondes;
□ benzinedamp-opvangsysteem.
Laat de motor nooit, ook niet tijdens testwerkzaamheden, met losgenomen bougiekabels draaien.

ATTENTIE
Onder normale bedrijfsomstandigheden bereikt de tor hoge temperaturen. daarom niet boven brand- terialen (gras, droge bladeren, maalden enz.): brand gevaar.
YELLOWHEDD
VEILIGHEIDSGORDELS 92
SBR-SYSTEEM 93
GORDELSPANNERS 94
KINDEREN VEILIG VERVOEREN 97
MONTAGEVOORBEREIDING VOOR
"ISOFIX UNIVERSEEL"-KINDERZITJE 102
FRONTAIRBAGS 103
ZIJ-AIRBAGS 106
VEILIGHEIDSGORDELS
GEBRUIK VAN DE VEILIGHEIDSGORDELS fig. I
Ga goed rechtop zitten, steun tegen de rugleuning en leg dan de gordel om.
Trek de gordel uit en maak de gordel vast door de gesp A in de sluiting B te drukken, totdat hij hoorbaar blokkeert.
Als tijdens het uittrekken van de gordel de rolautomaat blokkeert, laat dan de gordel een stukje teruglopen en trek de gordel vervolgens weer geleidelijk uit.
Druk, om de gordel los te maken, op de knop C. Begeleid de gordel tijdens het teruglopen om te voorkomen dat de gordelband draait.
Via de rolautomaat wordt de lengte van de gordel automatisch aangepast aan het postuur van de drager, waarbij voldoende bewegingsruimte overblijft.

Als de auto op een steile helling staat, kan de rolautomaat blokkeren; dit is een normaal verschijnsel. Bovendien blokkeert de rolautomaat als u de gordel snel uittrekt. Hij blokkeert ook bij hard remmen, botsingen en bij hoge snelheden in bochten.
De achterbank is voorzien van driepunts-veiligheidsgordels met rolautomaat.

De veiligheidsgordels achter moeten worden omgelegd zoals is aangegeven in het afgebeelde schema fig. 2.

ATTENTIE
Druk tijdens het rijden niet op de knop C-fig. I.

BELANGRIJK Als de rugleuning goed is vergrendeld, dan is de "rode band" naast de hendels voor het neerklappen van de rugleuning, niet meer zichtbaar. Als de "rode band" zichtbaar is, is de rugleuning niet goed vergrendeld. Als de rugleuning in de normale gebruiksstand wordt gezet, controleer dan of de rugleuning hoorbaar vergrendelt.
BELANGRIJK Plaats de veiligheidsgordels op de juiste wijze terug als de achterbank weer in de normale gebruiksstand wordt gezet, zodat ze altijd direct klaar voor gebruik zijn.

ATTENTIE
Bedenk dat achterpassagiers die geen gordel dragen, tij- n ernstig ongeval niet alleen gevaar worden blootgesteld ok gevaar opleveren voor de den voor.

ATTENTIE
Controleer of de rugleuning aan beide zijden goed ver- l is om te voorkomen dat in en bruusk remmen, de rugleu- ar voren kan klappen en de pers kan verwonden.
SBR-SYSTEEM
De auto is uitgerust met het SBR-systeem (Seat Belt Reminder), dat bestaat uit een akoestisch waarschuwingssysteem dat, samen met het knipperende lampje op het instrumentenpaneel, de bestuurder en de passagier voor waarschuwt als de veiligheidsgordel niet is omgelegd.
Het akoestische signaal kan tijdelijk (totdat de motor wordt uitgezet) worden uitgeschakeld. Ga hiervoor als volgt te werk:
☐ maak de veiligheidsgordel aan bestuurders- en passagierszijde vast;
□ draai de contactsleutel in stand MAR;
□ wacht langer dan 20 seconden en maak dan ten minste een van de veiligheids-gordels los.
Voor permanente uitschakeling dient u zich tot de Abarth-dealer te wenden.
Op uitvoeringen met instelbaar multi-functioneel display kan het SBR-systeem ook weer worden geactiveerd via het setup-menu.
GORDELSPANNERS
Voor een nog effectievere bescherming zijn de veiligheidsgordels voor van de auto voorzien van gordelspanners. Dit systeem trekt bij een heftige botsing de gordel enige centimeters aan. Op deze wijze worden de inzittenden veel beter op hun plaats gehouden en wordt de voorwaartse beweging beperkt.
Het blokkeren van de veiligheidsgordels geeft aan dat de gordelspanner in werking is geweest; de gordel wordt niet meer opgerold, ook niet als hij wordt begeleid.
BELANGRIJK Voor een maximale bescherming door de gordelspanner moet de veiligheidsgordel zo worden omgelegd dat hij goed aansluit op borst en bekken.
Tijdens de werking van de gordelspanner kan er een beetje rook ontsnappen. Deze rook is niet schadelijk en duidt niet op brand.
De gordelspanner behoeft geen enkel onderhoud of smering.
Elke verandering van de oorspronkelijke staat zal de doelmatigheid verminderen.
Als de gordelspanner door extreme natuurlijke omstandigheden (overstromingen, vloedgolven) met water en modder in contact is geweest, dan moet de spanner worden vervangen.

ATTENTIE
De gordelspanner werkt slechts eenmaal. Als de gordelspanners hebben gewerkt, moet u zich tot de Abarth-dealer wenden om ze te laten vervangen. De geldigheid van het systeem staat vermeld op een plaatje dat zich in het dashboardkastje bevindt: laat voor het verstrijken van deze termijn het systeem door de Abarth-dealer vervangen.

Werkzaamheden waarbij stoten, sterke trillingen of verhitting (maximaal 100°C gedurende ten hoogste 6 uur)
optreden, kunnen de gordelspanners beschadigen of activeren: bij die omstandigheden horen niet trillingen die voortgebracht worden door een slecht wegdek of door contacten met kleine obstakels zoals trottoirbanden. Wendt u altijd tot de Abarth-dealer.
TREKKRACHTBEGRENZERS
Om de bescherming van de inzittenden bij een ongeval te vergroten, zijn de oprol-automaten van de gordels voor voorzien van trekkrachtbegrenzers die tijdens een frontale aanrijding de piekbelasting op de borst en schouders beperken.

De bestuurder is verplicht zich te houden aan de wettelijke voorschriften met betrekking tot het verplichte gebruik van de veiligheidsgordels (en de inzittenden erop attent te maken). Leg de veiligheidsgordel altijd om voordat u vertrekt.

Ook vrouwen die in verwachting zijn moeten een gordel dragen: ook voor hen (zowel voor de aanstaande moeder als het kind) is de kans op letsel bij een ernstig ongeval kleiner als ze een gordel dragen.

Uiteraard moeten zwangere vrouwen het onderste deel van de gordel meer naar beneden omleggen, zodat de gordel onder de buik langs loopt fig. 4.

ATTENTIE
De gordelband mag nooit gedraaid zijn. Het diagonale gordelgedeelte moet via het midden van de schouder schuin over de borst liggen. Het horizontale gordelgedeelte moet over het bekken fig. 5 en niet over de buik liggen. Gebruik geen voorwerpen (wasknijpers, klemmen enz.) die een goed aansluiten van de gordel op het lichaam verhinderen.

ATTENTIE
Voor maximale veiligheid moet u de rugleuning rechtop zetten, tegen de leuning aan gaan zitten en de gordel goed laten aansluiten op borst en bekken. Draag altijd veiligheidsgordels zowel voor als achter in de auto! Rijden zonder veiligheidsgordels vergroot het risico op ernstig letsel of dodelijke afloop bij een ongeval.

ATTENTIE
Als de gordel aan een zware belasting wordt blootgesteld (bijvoorbeeld tijdens een ongeval), dan moet de gordel samen met de verankeringen, bevestigingspunten en de gordelspanner worden vervangen. Ook als de schade niet zichtbaar is, dan kan de gordel toch verzwakt zijn.

ATTENTIE
Iedere gordel dient slechts ter bescherming van een enkel gebruik de gordel niet voor dat bij een volwassene op t, waarbij de gordel beiden zou beschermen. Plaats bovendienkel voorwerp tussen de gordel schaam van een inzittende.

ATTENTIE
Het is streng verboden onderdelen van de veiligheidsgordels of gordelspanners te demonteren of open te maken. Werkzaamheden aan de veiligheidsgordels en gordelspanners moeten worden uitgevoerd door gekwalificeerd personeel. Wendt u altijd tot de Abarth-dealer.
HOE U DE VEILIGHEIDSGORDELS IN OPTIMALE STAAT HOUDT
Voor het juiste onderhoud van de veiligheidsgordels moeten de volgende aanwijzingen zorgvuldig worden opgevolgd:
□ zorg dat de gordel goed uitgetrokken en niet gedraaid is; controleer ook of de oprolautomaat zonder haperingen werkt;
□ vervang de gordels na een ongeval, ook al zijn ze ogenschijnlijk niet beschadigd. Vervang de gordels ook als de gordelspanners in werking zijn geweest;
□ u kunt de gordels met de hand wassen met water en een neutrale zeep. Spoel ze uit en laat ze in de schaduw drogen. Gebruik geen bijtende, blekende of kleurende middelen. Vermijd het gebruik van alle chemische producten die het weefsel van de gordel kunnen aan-tasten;
☐ voorkom dat vocht in de oprolautomaat komt: de werking van de oprolautomaten is alleen gegarandeerd als ze niet nat zijn geweest;
□ vervang de gordels bij tekenen van slijtage of beschadigingen.
KINDEREN VEILIG VERVOEREN
Voor optimale bescherming bij een ongeval moeten alle inzittenden zittend reizen en beschermd worden door goedgekeurde veiligheidssystemen.
Dit geldt met name voor kinderen.
Dit is een wettelijk voorschrift volgens richtlijn 2003/20/EU in alle lidstaten van de Europese Unie.
Het hoofd van kleine kinderen is in verhouding met de rest van het lichaam groter en zwaarder dan dat van volwassenen, terwijl spieren en botstructuur nog niet volledig zijn ontwikkeld. Daarom moeten kleine kinderen door andere systemen beschermd worden dan door de veiligheids-gordels. De resultaten van het onderzoek over de optimale bescherming van kleine kinderen zijn opgenomen in de Europese ECE/R44-voorschriften die wettelijk verplicht zijn. De systemen zijn onderverdeeld in vijf groepen:
Groep 0 - gewicht: tot 10 kg
Groep 0+ - gewicht: tot 13 kg
Groep I - gewicht: 9 -18 kg
Groep 2 - gewicht: 15 -25 kg
Groep 3 - gewicht: 22 - 36 kg
Zoals u ziet is er een gedeeltelijke overlapping tussen de groepen; daarom zijn in de handel systemen verkrijgbaar die geschikt zijn voor verschillende gewichtsgroepen.
Alle systemen moeten zijn voorzien van de typegoedkeuring en van een goed vastgehecht plaatje met het controlemerk, dat absoluut niet mag worden verwijderd.
Kinderen met een lengte van meer dan 1,50 m worden, met betrekking tot de veiligheidssystemen, gelijkgesteld met volwassenen en moeten dan ook normaal de veiligheidsgordels omleggen.
In het Abarth Lineaccessori-programma zijn kinderzitjes opgenomen voor elke gewichtsgroep. Deze zijn speciaal ontworpen en ontwikkeld voor de Abarth-modellen.

ATTENTIE
Monteer absoluut geen kinderzitje achterstevoren op de passagiersstoel voor als de airbag aan passagierszijde is ingeschakeld. Als bij een ongeval de airbag in werking treedt (opblaast), kan dit ernstig letsel en zelfs de dood tot gevolg hebben, ongeacht de zwaarte van het ongeluk. Wij raden u aan kinderen altijd in een kinderzitje op de zitplaatsen achter te vervoeren, omdat die plaatsen bij een ongeval de meeste bescherming bieden.

ATTENTIE
ZEER GEVAARLIJK Als het absoluut noodzakelijk is een kind op de passagiersstoel voor te vervoeren, in een kinderzitje dat achterstevoren is geplaatst, moeten de

airbags aan passagierszijde worden uitgeschakeld (frontairbag en zij-airbag voor de bescherming van borstkas/bekken (sidebag), indien aanwezig) in het setup-menu. Controleer direct of de airbags daadwerkelijk zijn uitgeschakeld: het waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel moet continu branden. Bovendien moet de stoel zo ver mogelijk naar achteren zijn geschoven om te voorkomen dat het kinderzitje eventueel in aanraking komt met het dashboard.

text_image
0-13 kg fig. 7 F0M0046mGROEP 0 en 0+
Baby's tot 13 kg moeten in wiegjes worden vervoerd die achterstevoren zijn geplaatst, waardoor het achterhoofd wordt gesteund en bij plotseling remmen de nek niet wordt belast.
Het wiegje moet op zijn plaats worden gehouden door de veiligheidsgordel fig. 7 en het kind moet op zijn beurt worden beschermd door de gordel van het wiegje zelf.

text_image
9-18 kg fig. 8 F0M0047mGROEP I
Kinderen met een gewicht tussen 9 en 18 kg moeten worden vervoerd in kinder-zitjes met een kussen die naar voren zijn gekeerd, waarbij de veiligheidsgordel van de auto zowel het kinderzitje als het kind op zijn plaats moet houden fig. 8.

text_image
15-25 kg fig. 9 F0M0048mGROEP 2
Kinderen met een gewicht tussen 15 en 25 kg kunnen direct door de veiligheids-gordels van de auto worden beschermd fig. 9. Kinderen moeten zo in de kinder-zitjes worden geplaatst, dat het diagonale gordelgedeelte schuin over de borst en niet langs de nek ligt. Het horizontale gordelgedeelte moet over het bekken en niet over de buik van het kind liggen.

ATTENTIE
De afbeeldingen dienen alleen ter illustratie van de bevestiging. Houdt u voor de montage van het kinderzitje aan de instructies. De fabrikant is verplicht deze instructies bij te leveren.

ATTENTIE
Er bestaan kinderzitjes die geschikt zijn voor de gewichtsgroepen 0 en 1. Deze kinderzitjes hebben aan de achterzijde een aansluiting voor bevestiging aan de veiligheidsgordels van de auto en hebben zelf gordels om het kind te beschermen. Vanwege het gewicht kan het gevaarlijk zijn als ze verkeerd worden gemonteerd (bijvoorbeeld als een kussen tussen het kinderzitje en de veiligheidsgordels van de auto wordt geplaatst). Houdt u voor de montage strikt aan de bijgeleverde instructies.

ATTENTIE
De afbeelding dient alleen ter illustratie van de bevestiging. Houdt u voor de montage van het kinderzitje aan de instructies. De fabrikant is verplicht deze instructies bij te leveren.

text_image
22-36 kg fig. 10 F0M0049mGROEP 3
Bij kinderen met een gewicht tussen 22 en 36 kg is de borstomvang van dien aard dat de kinderen gewoon tegen de rugleuning kunnen steunen en niet meer in een kinderzitje hoeven te worden vervoerd.
In fig. 10 wordt een voorbeeld gegeven van de juiste positie van het kind op de achterbank. Kinderen die langer zijn dan 1,50 m kunnen net zoals volwassenen de veiligheidsgordels omleggen.

ATTENTIE
De afbeelding dient alleen ter illustratie van de bevestiging. Houdt u voor de montage van het kinderzitje aan de instructies. De fabrikant is verplicht deze instructies bij te leveren.
GESCHIKTHEID VAN DE ZITPLAATSEN VOOR HET GEBRUIK VAN DE KINDERZITJES
De auto voldoet aan de nieuwe Europese 2000/3/EU-richtlijnen voor de montage van kinderzitjes op de verschillende plaatsen in de auto. Zie de volgende tabel:
| Groep Gewicht voor achter | Passagierszitplaats | Passagierszitplaats |
| Groep 0, 0+ tot 13 kg U ( | ▼) | U |
| Groep 1 9-18 kg U ( | ▼) | U |
| Groep 2 15-25 kg U ( | ▼) | U |
| Groep 3 22-36 kg U ( | ▼) | U |
Legenda:
U = geschikt voor "Universele" kinderzitjes overeenkomstig de Europese ECE/R44-voorschriften voor de aangegeven "groepen".
(▼) bij auto's met een passagiersstoel zonder hoogteverstelling, moet de rugleuning volledig rechtop staan.
Hieronder zijn de richtlijnen voor een veilig vervoer van kinderen aangegeven, waaraan u zich dient te houden:
1) Plaats het kinderzitje bij voorkeur op een van de zitplaatsen achter omdat deze plaatsen bij een ongeval de meeste bescherming bieden.
2) Als de airbag aan passagierszijde buiten werking wordt gesteld, moet altijd gecontroleerd worden of het betreffende gele lampje op het instrumentenpaneel continu brandt.
3) Houdt u bij de montage van het kinderzitje strikt aan de instructies. De fabrikant is verplicht deze instructies bij te leveren. Bewaar de instructies samen met het instructieboekje in de auto. Monteer geen gebruikte kinderzitjes waarvan de gebruiksaanwijzingen ontbreken.
4) Controleer of de gordels goed zijn vastgemaakt door aan de gordelband te trekken.
5) leder veiligheidssysteem is bedoeld voor slechts één kind: vervoer nooit twee kinderen in een systeem.
6) Controleer altijd of de gordel niet langs de nek van het kind loopt.
7) Zorg er tijdens de rit voor dat het kind geen afwijkende houding aanneemt of de gordels losmaakt.
8) Vervoer kinderen nooit in uw armen, ook geen pasgeboren kinderen. Niemand is sterk genoeg om ze bij een ongeval vast te houden.
9) Na een ongeval moet het zitje door een nieuw exemplaar worden vervangen.

ATTENTIE
Monteer absoluut geen kinderzitje achterstevoren op de passagiersstoel voor als de airbag aan passagierszijde is ingeschakeld. Als bij een ongeval de airbag in werking treedt (opblaast), kan dit ernstig letsel en zelfs de dood tot gevolg hebben, ongeacht de zwaarte van het ongeluk. Wij raden u aan kinderen altijd in een geschikt kinderzitje op de zitplaatsen achter te vervoeren, omdat die plaatsen bij een ongeval de meeste bescherming bieden.
MONTAGEVOOR- BEREIDING VOOR "ISOFIX UNIVERSEEL"- KINDERZITJE
De auto is voorbereid op de montage van "Isofix Universeel"-kinderzitjes; een nieuw gestandaardiseerd Europees systeem voor het vervoeren van kinderen.
In fig. 11 is een voorbeeld gegeven van het kinderzitje.
Het Isofix Universeel-kinderzitje is er voor de gewichtsgroep: I.
Vanwege het verschillende bevestigings- systeem, moet het kinderzitje aan de daar- voor bestemde onderste metalen beugels A-fig. 12 worden bevestigd. Deze bevin- den zich tussen de rugleuning en zitting van de achterbank. Bevestig daarna de boven- ste riem (bij het kinderzitje geleverd) aan de beugel B-fig. 13 aan de achterkant van de rugleuning ter hoogte van het zitje.
Er kan ook een mengvorm worden gekozen, een traditioneel kinderzitje en een "Isofix Universeel"-kinderzitje.
Bedenk dat bij Isofix Universeel-kinder-zitjes, alle zitjes gebruikt kunnen worden die goedgekeurd zijn volgens de ECE R44/03-richtlijn "Isofix Universeel".

In het Abarth Lineaccessori-programma is een "Duo Plus" Isofix Universeel-kinder-zitje beschikbaar.
Zie voor meer informatie over de montage en/of het gebruik van het kinderzitje, het "Instructieboekje" dat bij het kinderzitje wordt geleverd.

Monteer het kinderzitje alleen als de auto stilstaat. Het
kinderzitje is op de juiste wijze aan de beugels bevestigd als u het hoort vergrendelen. Houdt u in ieder geval aan de instructies voor de montage, de demontage en de plaatsing. De fabrikant van het kinderzitje is verplicht deze instructies bij te leveren.
GESCHIKTHEID VAN DE ZITPLAATSEN VOOR HET GEBRUIK VAN DE ISOFIX UNIVERSEEL KINDERZITJES
In de volgende tabel worden, conform de Europese wetgeving ECE 16, de mogelijkheden weergegeven van de montage van de Isofix Universeel-kinderzitjes op de stoelen die zijn uitgerust met Isofix-beugels.
Gewichtsgroep Richting Maat-Plaats Isofix kinderzitje klasse Isofix zijkant achter
| Groep 0 tot 10 kg | Tegen de rijrichting in | E | IL |
| Groep 0+ tot 13 kg | Tegen de rijrichting in | E | IL |
| Tegen de rijrichting in | D | IL | |
| Tegen de rijrichting in | C | IL | |
| Groep I van 9 tot 18 kg | Tegen de rijrichting in | D | IL |
| Tegen de rijrichting in | C | IL | |
| In de rijrichting | B | IUF | |
| In de rijrichting | BI | IUF | |
| In de rijrichting | A | IUF |
IUF: geschikt voor Isofix-kinderzitjes uit de universele klasse (met een derde bevestigingspunt boven) die in de rijrichting bevestigd moeten worden en goedgekeurd zijn voor het gebruik door die gewichtsgroep.
IL: geschikt voor Isofix-kinderzitjes, die speciaal ontworpen en goedgekeurd zijn voor dit type auto. Het kinderzitje kan gemonteerd worden door de voorstoel naar vo- ren te schuiven.
FRONTAIRBAGS
De auto is uitgerust met frontairbags, aan bestuurders- en passagierszijde, en een knie-airbag aan bestuurderszijde (indien aanwezig).
De frontairbags (bestuurder en passagier) en de knie-airbag aan bestuurderszijde (indien aanwezig) beschermen de inzittenden voor bij middelzware en zware frontale botsingen, door het opblazen van een luchtkussen tussen de inzittende en het stuurwiel of het dashboard.
Als de airbags niet worden geactiveerd bij andere soorten botsingen (zijdelings, van achter, over de kop slaan enz), betekent dit niet dat het systeem niet goed functioneert.
Bij een frontale botsing zorgt een regeleenheid ervoor, indien nodig, dat het kussen wordt opgeblazen. Het kussen blaast onmiddellijk op, waardoor het lichaam van de inzittenden voor wordt opgevangen en de kans op letsel beperkt wordt. Direct daarna loopt het kussen weer leeg.
De frontairbags (bestuurder en passagier) en de knie-airbag aan bestuurderszijde (indien aanwezig) zijn geen vervanging voor de veiligheidsgordels, maar een aanvulling. Draag dus altijd veiligheidsgordels. Bovendien is het dragen van veiligheidsgordels wettelijk verplicht in Europa (en in de meeste landen daarbuiten).
Als de frontairbags volledig opgeblazen zijn, vullen zij het grootste deel van de ruimte tussen het stuurwiel en de bestuurder en het dashboard en de voorpassagier.
Bij een ongeval kan een inzittende die geen veiligheidsgordel heeft omgelegd, in contact komen met een airbag die nog niet volledig opgeblazen is. Hierdoor wordt de inzittende minder door de airbag beschermd.
De frontairbags kunnen in de volgende ge- vallen niet worden geactiveerd:
□ bij frontale botsingen, met een ander deel van de auto dan het front, tegen makkelijk vervormbare objecten (bijv. als het voorspatbord tegen de vangrail komt of tegen grindhopen);
als de auto onder andere auto's of veiligheidsvoorzieningen schuift (bijvoorbeeld onder vrachtwagens of de vangrail), omdat geen enkele aanvullende bescherming wordt geboden op de veiligheidsgordels. Als de airbags in deze gevallen niet geactiveerd worden, betekent dit niet dat het systeem niet goed functioneert.

ATTENTIE
Plaats geen stickers of andere objecten op het stuurwiel, op het deksel van de airbagmodule aan de passagierszijde of op de zijranden van de hemelbekleding. Plaats geen voorwerpen op het dashboard aan de passagierszijde (bijv. een mobiele telefoon), omdat deze het correct openen van de airbag aan passagierszijde kunnen hinderen en de inzittenden ernstig kunnen verwonden.
Bij lichte frontale aanrijdingen (waarbij de werking van de veiligheidsgordel voldoende is) worden de airbags niet geactiveerd. Daarom is het gebruik van de veiligheidsgordels absoluut noodzakelijk, want de gordel houdt de inzittende bij een zijdelingse botsing in de juiste positie en voorkomt dat de inzittende uit de auto wordt geslingerd bij zware botsingen.
FRONTAIRBAG AAN BESTUURDERSZIJDE fig. 14
Deze bestaat uit een opblaasbaar kussen dat in een daarvoor bestemde ruimte in het midden van het stuurwiel is geplaatst.

Deze bestaat uit een opblaasbaar kussen met een groter volume dan dat aan bestuurderszijde. Het kussen is in een daarvoor bestemde ruimte in het dashboard geplaatst.

ATTENTIE
ZEER GEVAARLIJK: Mon- teer absoluut geen kinder- zitje achterstevoren op de passagiersstoel voor als de airbag aan passagierszijde is ingeschakeld (ON). Als bij een ongeval de airbag in werking treedt (opblaast), kan dit ernstig letsel en zelfs de dood tot gevolg hebben. Als er geen andere mogelijkheid is, moet in ieder geval de airbag aan passagierszijde uitgeschakeld worden als het kinderzitje op de passagiersstoel voor wordt geplaatst. Bovendien moet de stoel zo ver mogelijk naar achteren zijn geschoven om te voorkomen dat het kinderzitje eventueel in aanraking komt met het dashboard. Ook als het niet wettelijk verplicht is, raden wij u aan, voor een optimale bescherming van de volwassenen, de airbag onmiddellijk weer in te schakelen zodra er geen kinderen meer vervoerd worden.
Als het absoluut noodzakelijk is een kind op de passagiersstoel voor te vervoeren, moeten de frontairbag en de sidebag (indien aanwezig) aan passagierszijde worden uitgeschakeld.
Het waarschuwingslampje ♦op het dashboard blijft continu branden totdat de frontairbag en de zij-airbag (sidebag) (indien aanwezig) aan passagierszijde opnieuw worden ingeschakeld.

ATTENTIE
Raadpleeg voor het handmatig uitschakelen van de frontairbag en zij-airbag (sidebag) (indien aanwezig) aan passagierszijde, de paragraaf "Instelbaar multifunctioneel display" in het hoofdstuk "Dashboard en bediening".
ZIJ-AIRBAGS
De auto is uitgerust met zij-airbags voor (sidebags voor) aan bestuurders- en passagierszijde (indien aanwezig) voor bescherming van borst-bekken en headbags voor en achter (windowbags) (indien aanwezig).
De zij-airbags (indien aanwezig) beschermen de inzittenden bij middelzware en zware zijdelingse aanrijdingen, door het opblazen van een luchtkussen tussen de inzittende en de interieurdelen aan de zijkant van de auto.
Als de zij-airbags niet worden geactiveerd bij andere soorten botsingen (frontaal, van achter, over de kop slaan enz.), betekent dit niet dat het systeem niet goed functioneert.
Bij een zijdelingse aanrijding zorgt de centrale regeleenheid ervoor, indien nodig, dat het kussen opblaast. Het kussen blaast onmiddellijk op, waardoor het lichaam van de inzittenden wordt opgevangen en de kans op letsel wordt beperkt. Direct daarna loopt het kussen weer leeg.
De zij-airbags (indien aanwezig) zijn geen vervanging voor de veiligheidsgordels, maar een aanvulling. Draag dus altijd veiligheidsgordels. Bovendien is het dragen van veiligheidsgordels wettelijk verplicht in Europa (en in de meeste landen daarbuiten).

Deze sidebags zijn kussens die zich snel opblazen en bevinden zich in de rugleuning van de voorstoelen, en hebben tot doel de borstkas en het bekken van de inzittenden te beschermen bij middelzware en zware zijdelingse aanrijdingen.

HEADBAGS (WINDOWBAGS) fig. 17 (indien aanwezig)
De headbag is een "gordijn"-systeem en bevindt zich aan de rechter- en aan de linkerzijde in de hemelbekleding aan de zijkant en is afgedekt met een afwerklijst.
De headbags bieden bescherming aan het hoofd van de inzittenden voor en achter tijdens een zijdelingse botsing, dankzij het grote effectieve oppervlak van de kussens.
BELANGRIJK De inzittende wordt bij een zijdelingse botsing optimaal door het systeem beschermd als hij/zij in de juiste positie in de stoel zit. Hierdoor kunnen de zij-airbags op de juiste wijze worden opgeblazen.
BELANGRIJK De frontairbags en/of zij-airbags kunnen ook worden geactiveerd bij krachtige stoten aan de onderzijde van de carrosserie, bijvoorbeeld bij zware botsingen tegen drempels of stoepranden of obstakels op het wegdek of als de auto terecht komt in grote gaten of verzakkingen in het wegdek.
BELANGRIJK Als de airbags in werking treden, ontsnapt een beetje rook. Deze rook is niet schadelijk en duidt niet op brand; bovendien kan het oppervlak van het opgeblazen kussen en het interieur van de auto bedekt zijn met een laagje poeder: dit poeder kan de huid en de ogen irriteren. Als u hiermee in aanraking bent gekomen, moet u zich met neutrale zeep en water wassen.
De geldigheidsduur van de pyrotechnische lading en van het spiraalmechanisme is vermeld op het betreffende plaatje in het dashboardkastje. Na deze periode moeten ze door de Abarth-dealer worden vervangen.
BELANGRIJK Na een ongeval waarbij een of meerdere airbags zijn geactiveerd, dient u contact op te nemen met de Abarth-dealer om de geactiveerde airbags te laten vervangen en de werking van het systeem te laten controleren.
Alle controlewerkzaamheden, reparaties en vervanging van het airbagsysteem moeten door de Abarth-dealer worden uitgevoerd.
Aan het einde van de lange levensduur van uw auto, moet u contact opnemen met de Abarth-dealer om het systeem buiten werking te laten stellen. Bovendien moet bij verkoop van de auto de nieuwe eigenaar op de hoogte gesteld worden van het gebruik en de instructies, en moet hij het instructieboekje ontvangen.
BELANGRIJK Het in werking treden van de gordelspanners, de frontairbags en de zij-airbags voor wordt door de elektronische regeleenheid bepaald, afhankelijk van het type ongeval. Als een van deze onderdelen niet in werking treedt, dan duidt dat niet op een storing in het systeem.

ATTENTIE
Steun niet met het hoofd, de armen of de ellebogen tegen
het portier, de ruiten of in het gebied van de headbag (windowbag) om verwondingen tijdens het opblazen te voorkomen.

ATTENTIE
Steek nooit het hoofd, de ar- men of ellebogen uit het
raam.
ALGEMENE OPMERKINGEN

ATTENTIE
Als u de contactsleutel in stand MAR draait en het
lampje *gaat niet branden of blijft branden tijdens het rijden (en er verschijnt ook een bericht op het instelbare multifunctionele display), dan is er mogelijk een storing in de veiligheidssystemen; in dat geval kunnen de airbags of gordelspanners niet geactiveerd worden bij een ongeval of, in een zeer beperkt aantal gevallen, niet op de juiste wijze geactiveerd worden. Voordat u verder rijdt, dient u contact op te nemen met de Abarth-dealer om het systeem direct te laten controleren.

ATTENTIE
Bedek de rugleuning van de stoelen voor en achter niet
met hoezen of kleden die niet zijn voorbereid op het gebruik met sidebags.

ATTENTIE
Reis niet met voorwerpen op schoot of voor de borst en
houd vooral geen pijp, potlood enz. in de mond. Bij een ongeval waarbij de airbag in werking treedt, kan dit ernstig letsel veroorzaken.

ATTENTIE
Rijd altijd met beide handen op de stuurwielrand, zodat bij het in werking treden van de airbag, het systeem niet wordt gehinderd door obstakels. Rijd niet met voorover gebogen lichaam maar ga goed rechtop zitten en steun tegen de rugleuning.

ATTENTIE
Bedenk dat als de contactsleutel in stand MAR staat, ook bij uitgezette motor de airbags geactiveerd kunnen worden als de auto wordt aangereden door een andere auto. Daarom mogen, ook als de auto stilstaat, absoluut geen kinderen op de passagiersstoel voor worden geplaatst. Als de contactsleutel echter in stand STOP staat, wordt bij een ongeval geen enkel beveiligingssysteem (airbag of gordelspanners) geactiveerd; als een systeem niet in werking treedt, betekent dit niet dat het systeem niet goed werkt.

ATTENTIE
Laat bij diefstal of een poging tot diefstal, bij beschadiging of als de auto bij een overstroming onder water is geweest, het airbagsysteem door de Abarth-dealer controleren.

ATTENTIE
Als u de contactsleutel in stand MAR draait, gaat het lampje (met ingeschakelde frontairbag aan passagierszijde) enige seconden branden en vervolgens enige seconden knipperen, om aan te geven dat de airbag aan passagierszijde bij een ongeval wordt geactiveerd. Hierna moet het lampje doven.

ATTENTIE
De stoelen mogen niet met water worden afgenomen of met stoom worden gereinigd (met de hand of in een automatisch was-apparaat).

ATTENTIE
De frontairbag treedt in werking als de botsing zwaarder
is dan een botsing waarbij alleen de gordelspanners worden geactiveerd. Bij aanrijdingen die tussen die twee drempelwaarden in liggen, treden alleen de gordelspanners in werking.

ATTENTIE
Haak geen harde voorwerpen aan de kledinghaakjes le steunhandgrepen.

ATTENTIE
De airbag is geen vervanging voor de veiligheidsgordels,
maar een aanvulling. Omdat de front-airbags niet worden geactiveerd bij frontale botsingen bij lage snelheid, bij zijdelingse aanrijdingen en als de auto van achter wordt aangereden of over de kop slaat, worden in deze gevallen de inzittenden uitsluitend door de veiligheids-gordels beschermd. De gordels moeten dus altijd gedragen worden.
STARTENNENRIDDENN
MOTOR STARTEN 110
PARKEREN 112
GEBRUIK VAN DE HANDGESCHAKELDE
VERSNELLINGSBAK 113
BRANDSTOFBESPARING 114
TREKKEN VAN AANHANGERS.... 116
SNEEUWKETTINGEN 119
AUTO LANGERE TIJD STALLEN 120
MOTOR STARTEN
De auto is uitgerust met een elektronische startblokkering: zie bij startproblemen de paragraaf "Fiat CODE" in het hoofdstuk "Dashboard en bediening".
Direct na het starten van de motor, vooral als de auto langere tijd niet is gebruikt, kan de motor iets meer geluid produceren. Dit geluid, dat niet schadelijk is voor de werking van de motor, wordt veroorzaakt door de hydraulische klepstoters: het distributiesysteem van de auto dat bijdraagt aan een vermindering van de onderhoudswerkzaamheden.

Het verdient aanbeveling om gedurende de eerste kilo- meters niet de maximale prestaties van uw auto te eisen (bijv. snel accelereren, langdurig rijden met hoge toerentallen, krachtig remmen enz.).

Laat de contactsleutel niet in het contactslot zitten als de motor stilstaat, zodat de accu niet onnodig wordt ont-
laden.

ATTENTIE
Het is zeer gevaarlijk om de motor in afgesloten ruimten te laten draaien. De motor verbruikt zuurstof en produceert kooldioxide, koolmonoxide en andere giftige stoffen.

ATTENTIE
Houd er rekening mee dat de rem- en de stuurbekrachtiging niet werken als de motor stil- staat, waardoor meer kracht nodig is voor de bediening van het rempedaal en het stuur.
Ga als volgt te werk:
□ trek de handrem aan;
□ zet de versnellingspook in de vrijstand;
□ trap het koppelingspedaal geheel in, zonder het gaspedaal in te trappen;
□ draai de contactsleutel in stand AVV en laat de sleutel los zodra de motor is aangeslagen.
Als de motor bij de eerste poging niet aanslaat, moet u de sleutel terugdraaien in stand STOP voordat u opnieuw start.
Als met de contactsleutel in stand MAR het controlelampje samen met het waarschuwingslampje blijft branden, raden wij u aan de sleutel in stand STOP te draaien en vervolgens weer in stand MAR; als het lampje nog steeds blijft branden, probeer het dan met de andere geleverde sleutels.
BELANGRIJK Als het lampje 📁 op het instrumentenpaneel constant blijft branden, wendt u dan onmiddellijk tot de Abarth-dealer.
BELANGRIJK Laat de start-/contactsleutel niet in stand MAR staan als de motor is uitgezet.
Ga als volgt te werk:
□ rijd rustig weg, laat de motor niet met hoge toerentallen draaien en trap het gaspedaal niet bruusk in;
verlang de eerste kilometers geen maximale prestaties. Wij raden u aan te wachten tot de wijzernaald van de koelvloeistoftemperatuurmeter begint te bewegen.

Houd er rekening mee dat de rem- en de stuurbekrachtiging niet werken zolang de motor niet is aangeslagen, waardoor
meer kracht nodig is voor de bediening van het rempedaal en het stuur.

Probeer auto's nooit te starten door ze aan te duwen, te slepen of van een helling af te laten rijden. Op die wijze kan er onverbrande brandstof in de katalysator terechtkomen, waardoor deze onherstelbaar zal beschadigen.
MOTOR UITZETTEN
Draai de contactsleutel in stand STOP terwijl de motor stationair draait.
BELANGRIJK Het is beter om de motor na een zware rit even "op adem" te laten komen. Zet de motor niet onmiddellijk uit, maar laat hem even stationair draaien. Hierdoor kan de temperatuur in de motorruimte dalen.

Gasgeven voordat u de motor uitzet heeft geen enkel nut, verspilt brandstof en is, voor- al voor motoren met turbocompressor, schadelijk.
PARKEREN
Ga als volgt te werk:
□ zet de motor uit en trek de handrem aan;
☐ schakel een versnelling in (de Ie als de weg omhoog loopt, de achteruit als de weg omlaag loopt) en zet de voorwielen iets uitgestuurd.
Als de auto op een steile helling staat, blokkeer de wielen dan met stenen of wiggen. Laat de contactsleutel nooit in het contactslot zitten omdat hierdoor de accu ontladt. Neem bovendien de sleutel altijd uit het contactslot als u de auto verlaat.

ATTENTIE
Laat kinderen nooit alleen achter in de auto. Neem de sleutel altijd uit het contactslot als u de auto verlaat en neem de sleutel mee.

text_image
Afig. I
F0M034Ab
HANDREM fig. I
De handrem bevindt zich tussen de voorstoelen.
Om de handrem in te schakelen, moet u de hendel omhoog trekken zodat de auto blokkeert. Op een vlakke ondergrond hoort de auto geblokkeerd te zijn als de handrem vier of vijf tanden is aangetrokken. Op sterke hellingen en bij een beladen auto moet de handrem negen of tien tanden worden aangetrokken.
BELANGRIJK Als dit niet het geval is, laat dan de Abarth-dealer de handrem afstellen.
Als de handrem is aangetrokken en de contactsleutel in stand MAR staat, gaat op het instrumentenpaneel het waarschuwingslampje Ⓔ branden.
Handrem uitschakelen:
□ trek de hendel iets omhoog en druk op de ontgrendelknop A;
☐ houd de knop A ingedrukt en laat de hendel zakken. Het lampje Ⓔ op het instrumentenpaneel dooft.
Om onverwachtse bewegingen van de auto te voorkomen, moet bij het bedienen van de handrem het rempedaal worden inge-trapt.
GEBRUIK VAN DE HANDGESCHAKELDE VERSNELLINGSBAK
Om de versnellingen in te schakelen, moet u het koppelingspedaal geheel intrappen en vervolgens de versnellingspook in de gewenste stand plaatsen (het schakelschema staat op de knop van de pook fig. 2).
Voor het inschakelen van de 6° versnelling moet de pook naar rechts worden gedrukt om te voorkomen dat per ongeluk de 4° versnelling wordt ingeschakeld. Dit geldt ook voor het schakelen van de 6° naar de 5° versnelling.
BELANGRIJK De achteruit kan alleen bij een stilstaande auto worden ingeschakeld. Wacht bij een draaiende motor en een geheel ingetrapt koppelingspedaal minstens 2 seconden, voordat u de achteruit inschakelt. Hiermee wordt voorkomen dat de tandwielen beschadigen.

text_image
R 1 3 5 2 4 6 Afig. 2
Ga als volgt te werk om de achteruit R vanuit de vrijstand in te schakelen: trek de schuifring A onder de knop omhoog en verplaats de pook naar links en vervolgens naar voren fig. 2.

ATTENTIE
Om op de juiste wijze te schakelen, moet u het koppelingspedaal geheel intrappen. Daarom mag er niets onder het pedaal liggen dat dit kan verhinderen: let erop dat eventuele vloermatten niet zijn dubbelgevouwen en zo de slag van de pedalen beperken.

Laat uw hand tijdens het rijden niet op de pookknop rusten omdat door de uitgeoefende druk, ook als deze licht is, de interne onderdelen van de versnellingsbak na verloop van tijd kunnen slijten.
BRANDSTOFBESPARING
Hierna volgen enkele nuttige tips, waardoor het brandstofverbruik zo laag mogelijk blijft en de uitstoot van schadelijke uitlaatgassen zoveel mogelijk beperkt wordt.
ALGEMENE OPMERKINGEN
Onderhoud van de auto
Zorg voor een goed onderhoud van de auto door de controles en registraties die in het "Geprogrammeerd Onderhoudsschema" staan vermeld, te laten uitvoeren.
Banden
Controleer regelmatig, ten minste een keer per maand, de spanning van de banden: als de spanning te laag is, wordt de weerstand groter en neemt het verbruik toe.
Overbodige bagage
Rijd niet met een overbeladen bagageruimte. Het gewicht van de auto (vooral in stadsverkeer) en de wieluitlijning hebben grote invloed op het brandstofverbruik en de stabiliteit.
Imperiaal/skidrager
Verwijder de imperiaal of skidrager als u deze niet meer gebruikt. Ze verminderen de aerodynamica van de auto, waardoor het brandstofverbruik toeneemt. Gebruik voor het vervoer van volumineuze voorwerpen bij voorkeur een aanhanger.
Stroomverbruikers
Gebruik de elektrische installaties alleen als u ze nodig hebt. De achterruitverwarming, extra koplampen, de ruitenwissers en de aanjager van het ventilatie-/verwarmingssysteem vragen veel stroom, waardoor het brandstofverbruik toeneemt (tot aan 25% in stadsverkeer).
Airconditioning
De airconditioning gebruikt zeer veel energie, waardoor het brandstofverbruik sterk toeneemt (tot gemiddeld 20%): gebruik wanneer de buitentemperatuur het toelaat, bij voorkeur de functies van het ventilatiesysteem.
Het gebruik van niet goedgekeurde aerodynamische accessoires kan de aerodynamica negatief beïnvloeden, waardoor het brandstofverbruik zal toenemen.
RIJSTIJL
Starten
Laat de motor als de auto stilstaat, niet warmdraaien met stationair toerental en ook niet met een hoog toerental: onder deze omstandigheden warmt de motor veel langzamer op, terwijl het verbruik en de schadelijke uitlaatgasemissie toenemen. Het is beter om rustig weg te rijden en geen hoge toerentallen te gebruiken: op deze manier warmt de motor sneller op.
Overbodige handelingen
Trap het gaspedaal niet in als u stilstaat voor een stoplicht of voordat u de motor afzet. Deze handeling heeft evenals het overschakelen met tussengas, geen enkel nut. Het kost brandstof en verhoogt de uitstoot van schadelijke uitlaatgassen.
Keuze van de versnellingen
Gebruik als het verkeer en de weg het toelaten de hoogste versnelling. Het in-schakelen van een lage versnelling voor een snelle acceleratie verhoogt het brand-stofverbruik.
Bij het oneigenlijke gebruik van een hoge versnelling neemt het verbruik en de schadelijke uitlaatgasemissie toe. Boven-dien slijt de motor hierdoor sneller.
Maximum snelheid
Het brandstofverbruik neemt aanzienlijk toe bij een hogere snelheid. Rijd daarom zoveel mogelijk met een gelijkmatige snelheid, vermijd overbodig remmen en optrekken. Dit kost brandstof en verhoogt de uitstoot van schadelijke uitlaatgassen.
Acceleratie
Met vol gas optrekken kost veel brandstof en verhoogt de uitstoot van schadelijke uitlaatgassen: het is beter geleidelijk op te trekken en het toerental waarbij het maximum koppel wordt geleverd, niet te overschrijden.
GEBRUIKSOMSTANDIGHEDEN
Koude start
Bij korte ritten en regelmatig koud starten bereikt de motor niet de optimale bedrijfs-temperatuur. Hierdoor neemt niet alleen het brandstofverbruik toe (van 15 tot aan 30% in stadsverkeer), maar ook de uitstoot van uitlaatgassen.
Verkeerssituatie en conditie van het wegdek
Op een drukke weg bijvoorbeeld bij file- rijden, waarbij overwegend lage versnel- lingen worden gebruikt, of in de stad waar zich veel verkeerslichten bevinden, zal het brandstofverbruik aanzienlijk hoger zijn. Bochtige trajecten, bergwegen en een slecht wegdek verhogen eveneens het brandstofverbruik.
Stilstaan in het verkeer
Als u langere tijd stilstaat (bijv. spoorweg-overgangen), is het raadzaam de motor uit te zetten.
TREKKEN VAN AANHANGERS
BELANGRIJKE AANWIJZINGEN
Voor het trekken van aanhangwagens of caravans moet de auto uitgerust zijn met een trekhaak van een goedgekeurd type en een adequate elektrische installatie. De montage van de trekhaak moet door gespecialiseerd personeel worden uitgevoerd. Ook moet documentatie worden overhandigd m.b.t. het rijden met een aanhanger.
Monteer zo nodig speciale en/of extra achteruitkijkspiegels, waarmee u voldoet aan de geldende verkeerswetgeving.
Let er op dat het maximum klimvermogen van de auto door het gewicht van een aanhanger of caravan wordt beperkt. Ook de remweg wordt langer en u hebt langer de tijd nodig om in te halen.
Schakel een lage versnelling in tijdens het afdalen om te voorkomen dat u constant moet remmen.
Het gewicht van de aanhanger dat op de trekhaak rust, moet worden afgetrokken van het laadvermogen van de auto. Om er zeker van te zijn dat u het maximum toelaatbaar aanhangergewicht niet overschrijdt (aangegeven op de typegoedkeuring), moet u er rekening mee houden dat het maximum betrekking heeft op het totale gewicht van de aanhangwagen of caravan, inclusief accessoires en bagage.
Houdt u aan de snelheidsbeperkingen die voor auto's met aanhanger gelden. U mag in geen geval harder rijden dan 100 km/h.
Wij raden het gebruik aan van een geschikte stabilisator op de trekhaak van de aanhanger.

ATTENTIE
Het ABS waarmee de auto kan zijn uitgerust, werkt niet op het remsysteem van de aanhanger. Wees daarom extra voorzichtig op gladde wegen.

ATTENTIE
Voer in geen geval modificaties aan het remsysteem van de auto uit. Het remsysteem van de aanhanger moet geheel onafhankelijk van het hydraulisch remsysteem van de auto worden bediend.
TREKHAAK MONTEREN
De trekhaak moet door gespecialiseerd personeel aan de carrosserie worden bevestigd waarbij de richtlijnen die hierna zijn opgenomen, moeten worden aangehouden. Deze richtlijnen worden eventueel aangevuld door extra informatie van de fabrikant van de trekhaak.
De te installeren trekhaak moet voldoen aan de huidige ECE-normen 94/20 en daarop volgende wijzigingen.
Voor iedere uitvoering moet een trekhaak worden gebruikt die geschikt is voor het maximale aanhangergewicht van de auto waarop de trekhaak wordt bevestigd.
Voor de elektrische aansluiting moet een gestandaardiseerde stekkerverbinding worden gebruikt die kan worden bevestigd op de daarvoor bestemde steun op de trekhaak. Bovendien moet op de auto een regeleenheid voor de buitenverlichting van de aanhanger worden geïnstalleerd.
Voor de elektrische aansluiting moet een 7- of 13-polige 12VDC stekkerverbinding (CUNA/UNI- en ISO/DIN-normen) worden gebruikt, waarbij eventuele aanwijzingen van de fabrikant van de auto en/of van fabrikant van de trekhaak moeten worden opgevolgd.
Een eventueel elektrisch geregelde rem of een ander systeem (lier enz.) moet rechtstreeks op de accu worden aangesloten met een kabel met een diameter van minimaal 2,5 mm ^2 .
BELANGRIJK De elektrisch geregelde rem of lier mag alleen gebruikt worden als de motor is ingeschakeld.
Naast de op het schema aangegeven aan-sluitingen, is slechts een aansluiting voor een eventuele elektrisch geregelde rem toegestaan en een voor een 15W-gloeilamp voor de binnenverlichting van de caravan.
Gebruik voor de aansluitingen de daar- voor bestemde regeleenheid met een kabel met een diameter van minimaal 2,5 mm ^2 vanaf de accu.

text_image
Bestaande gat 60 105 60 425.5 851 351 254 287±5 >65 16±5 Volbeladen 385±35 Bestaande bout Bestaand gat Hart trekkogel 947 475.5 60 105 60 Bestaande bout Bestaand gat Bestaand gatfig. 3
F0M092Ab
Montageschema fig. 3
De trekhaak moet op de punten aangegeven met ♦ bevestigd worden met in totaal 6 M10-bouten.
De binnenste verstevigingsplaten aan het frame moeten een minimale dikte hebben van 6 mm.
BELANGRIJK Het is verplicht om op dezelfde hoogte als de trekkogel een (goed zichtbaar) plaatje van voldoende afmetingen en kwaliteit aan te brengen met de volgende tekst:
MAX. GEWICHT OP KOPPELING 60 kg

ATTENTIE
Na de montage van de trek-haak moeten de boutgaten
worden afgedicht om te voorkomen dat uitlaatgassen in het interieur kunnen dringen.
SNEEUWKETTINGEN
Het gebruik van sneeuwkettingen is afhankelijk van de voorschriften van het land waar wordt gereden.
De sneeuwkettingen mogen alleen op de voorwielen gemonteerd worden (aangedreven wielen). Wij raden u het gebruik aan van sneeuwkettingen uit het Abarth Lineaccessori-programma.
Controleer na enkele tientallen meters rijden of de kettingen nog goed gespannen zijn.
BELANGRIJK Geef bij gemonteerde sneeuwkettingen voorzichtig gas om het doorslippen van de aangedreven wielen te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierdoor wordt het breken van de kettingen voorkomen en daarmee beschadiging van de carrosserie en de mechanische onderdelen.
BELANGRIJK Gebruik dunne sneeuwkettingen met een beperkte dikte van 7 mm.

ATTENTIE
Op banden met banden- maat 215/45 R17 91Y kunnen geen sneeuwkettingen worden gemonteerd.

ATTENTIE
Beperk de snelheid als u sneeuwkettingen gebruikt; rijdt niet harder dan 50 km/h. Vermijd kuilen, stoepranden en andere obstakels en rijd, om de auto en het wegdek niet te beschadigen, geen lange stukken op sneeuwvrije wegen.
AUTO LANGERE TIJD STALLEN
Tref de volgende maatregelen als de auto enkele maanden niet wordt gebruikt:
□ zet de auto in een overdekte, droge en goed geventileerde ruimte;
□ schakel een versnelling in;
□ zorg ervoor dat de handrem is aangetrokken;
☐ maak de minkabel los van de accu en controleer de acculading. Gedurende het stallen moet deze controle iedere drie maanden worden herhaald. Laad de accu op als de optische meter een donkere kleur heeft zonder een groen middenstuk;
□ maak de gespoten plaatdelen schoon en behandel ze met een beschermende was;
□ reinig en conserveer de glimmende metalen delen met daarvoor geschikte middelen;
☐ smeer de wisserrubbers van de ruitenwissers en achterruitwisser in met talkpoeder en laat ze los van de ruit staan;
□ zet de ruiten een klein stukje open;
☐ dek de auto af met een stoffen of een ademende kunststof hoes. Gebruik geen dichte plastic hoes, omdat het in en op de auto aanwezige vocht dan niet kan verdampen;
□ breng de bandenspanning 0,5 bar boven de normaal voorgeschreven spanning en controleer deze regelmatig;
□ als u de accukabels niet loskoppelt, moet de lading iedere maand gecontroleerd worden; laad de accu op als de optische meter een donkere kleur heeft zonder groen middenstuk;
□ tap het koelsysteem van de motor niet af.
BELANGRIJK Als de auto is uitgerust met een diefstalalarm, schakel dan het alarm uit met de afstandsbediening.
Naast het branden van het lampje, verschijnt er bij bepaalde uitvoeringen ook een specifiek bericht en/of klinkt er een akoestisch signaal. Deze meldingen zijn kort en uit voorzorg en moeten als een aanvulling worden gezien en niet als alternatief voor de informatie in dit instructieboekje. Wij raden u daarom aan dit instructieboekje goed door te lezen. Houdt u bij een storing altijd aan de aanwijzingen die in dit hoofdstuk beschreven worden.
BELANGRIJK De storingsmeldingen die op het display verschijnen, zijn onderverdeeld in twee categorieën: ernstige storingen en minder ernstige storingen.
De ernstige storingen worden langdurig "cyclisch" herhaald.
De minder ernstige storingen worden gedurende een kortere tijd "cyclisch" herhaald.
U kunt de weergavecyclus van beide categorieën onderbreken door op de knop MENU ESC te drukken. Het lampje op het instrumentenpaneel blijft branden totdat de storing is verholpen.

TE LAAG REMVLOEISTOF- NIVEAU (rood) AANGETROKKEN HANDREM (rood)
Als u de contactsleutel in stand MAR draait, gaat het lampje branden. Na enkele seconden moet het lampje doven.
Te laag remvloeistofniveau
Het lampje gaat branden als het remvloeistofniveau in het reservoir onder het minimum niveau is gedaald, bijvoorbeeld door lekkage in het remsysteem.
Op het display verschijnt de bijbehorende melding.

ATTENTIE
Als het lampje Ⓔ tijdens het rijden gaat branden (en op
het display verschijnt ook een melding), stop dan onmiddellijk en wendt u tot de Abarth-dealer.
Aangetrokken handrem
Het lampje gaat branden als de handrem wordt aangetrokken.
Als de auto in beweging is, hoort u bij enkele uitvoeringen ook een akoestisch signaal.
BELANGRIJK Als het lampje tijdens het rijden gaat branden, controleer dan of de handrem niet is aangetrokken.

STORING AIRBAGSYSTEEM (rood)
Als u de contactsleutel in stand MAR draait, gaat het lampje branden. Na enkele seconden moet het lampje doven.
Het lampje gaat constant branden bij een storing in het airbagsysteem.
Op het display verschijnt de bijbehorende melding.

ATTENTIE
Als u de contactsleutel in stand MAR draait en het lampje gaat niet branden of blijft branden tijdens het rijden, dan is er mogelijk een storing in de veiligheidssystemen; in dat geval kunnen de airbags of gordelspanners niet geactiveerd worden bij een ongeval of, in een zeer beperkt aantal gevallen, niet op de juiste wijze geactiveerd worden. Voordat u verder rijdt, dient u contact op te nemen met de Abarth-dealer om het systeem direct te laten controleren.

ATTENTIE
Een defect lampje (lampje gedoofd) wordt aangegeven doordat het lampje voor de uitgeschakelde frontairbag aan passagierszijde langer dan de normale 4 seconden knippert.

TE HOGE KOELVLOEISTOF- TEMPERATUUR (rood)
Als u de contactsleutel in stand MAR draait, gaat het lampje branden. Na enkele seconden moet het lampje doven.
Het lampje gaat branden als de motor te warm is.
Als het lampje gaat branden, moeten de volgende maatregelen worden genomen:
□ bij normale rij-omstandigheden: stop de auto, zet de motor uit en controleer of het niveau van de koelvloeistof in het reservoir niet onder het MIN-merkteken staat. Als dit wel het geval is, wacht dan enkele minuten zodat de motor kan afkoelen, open vervolgens langzaam en voorzichtig de dop, vul koelvloeistof bij en controleer of de koelvloeistof tussen het MIN-en MAX-merkteken staat. Controleer ook of er geen vloeistof weglekt. Als bij het starten van de motor het lampje opnieuw gaat branden, wendt u dan tot de Abarth-dealer.
□ Als de auto onder zware bedrijfsomstandigheden wordt gebruikt (bijvoorbeeld het bergopwaarts trekken van een aanhanger of met volbeladen auto): verlaag de snelheid en breng, als het lampje blijft branden, de auto tot stilstand. Wacht 2 tot 3 minuten met draaiende motor en geef iets gas voor een snellere circulatie van de koelvloeistof. Zet vervolgens de motor uit. Controleer het vloeistofniveau zoals hiervoor beschreven.
BELANGRIJK Bij zware bedrijfsomstandigheden is het raadzaam de motor enkele minuten te laten draaien met iets ingetrapt gaspedaal voordat u de motor uitzet.
Op het display verschijnt de bijbehorende melding.

TE LAGE MOTOROLIEDRUK (rood)
Als u de contactsleutel in stand MAR draait, gaat het lampje branden. Het moet doven nadat de motor is gestart. Op het display verschijnt de bijbehorende melding.

ATTENTIE
Als het lampje tijdens het rijden gaat branden (en op het display verschijnt ook een melding), zet dan onmiddellijk de motor uit en wendt u tot de Abarth-dealer.

NIET OMGELEGDE VEILIGHEIDSGORDEL (rood)
Het lampje op het instrumentenpaneel gaat continu branden als bij stilstaande auto de veiligheidsgordel aan bestuurderszijde niet goed is omgelegd. Als de auto rijdt en de veiligheidsgordels voor zijn niet goed omgelegd, dan gaat het lampje knipperen en klinkt tegelijkertijd een akoestisch signaal (zoemer). Het akoestische signaal (zoemer) van het SBR-systeem (Seat Belt Reminder) kan permanent worden uitgeschakeld door de Abarth-dealer. Het systeem kan weer worden geactiveerd via het setup-menu.


STORING EBD (rood) (geel)
Als bij een draaiende motor tegelijkertijd de waarschuwingslampjes (1) en (2) gaan branden, dan is er een storing in het EBD-systeem of is het systeem niet beschikbaar; in dat geval kunnen bij hard remmen de achterwielen vroegtijdig blokkeren waardoor de auto kan slippen. Rijd direct zeer voorzichtig naar de dichtstbijzijnde Abarth-dealer om het systeem te laten controleren.
Op het display verschijnt de bijbehorende melding.

STORING EOBD- SYSTEEM (geel)
Storing
motormanagementsysteem EOBD
Als u onder normale omstandigheden de contactsleutel in stand MAR draait, gaat het lampje branden. Na het starten van de motor moet het lampje doven. Het lampje gaat eerst branden om de juiste werking ervan aan te geven. Als het lampje blijft branden of tijdens het rijden gaat branden:
□ continu branden: duidt op een defect in het inspuit-/ontstekingssysteem. Dit kan tot gevolg hebben dat schadelijke uitlaatgasemissie toeneemt, de prestaties verminderen, de auto slechter gaat rijden en het brandstofverbruik toeneemt.
Op het display verschijnt de bijbehorende melding.
U kunt onder deze omstandigheden door- rijden zonder te veel van de motor te eisen of met hoge snelheid te rijden. Als lang met een brandend waarschuwings- lampje wordt doorgereden, kunnen beschadigingen ontstaan. Wendt u zo snel mogelijk tot de Abarth-dealer. Het lampje dooft als de storing verdwijnt. De storing wordt door het systeem in het geheugen opgeslagen.
☐ knipperend: duidt op een mogelijke beschadiging van de katalysator (zie "EOBD-systeem" in het hoofdstuk "Dashboard en bediening").
Als het lampje knippert, moet het gaspedaal worden losgelaten zodat de motor met lage toerentallen draait en het lampje niet meer knippert; u kunt met matige snelheid doorrijden waarbij rij-omstandigheden moeten worden vermeden die kunnen leiden tot het opnieuw gaan knipperen van het lampje. Wendt u zo snel mogelijk tot de Abarth-dealer.

Als u de contactsleutel in stand MAR draait en het lampje 📁 gaat niet branden of het gaat branden of knipperen tijdens het rijden (en er verschijnt ook een melding op het display), wendt u dan zo snel mogelijk tot de Abarth-dealer. De werking van het lampje kan worden gecontroleerd met behulp van speciale apparatuur van de verkeerspolitie. Houdt u aan de wetgeving van het land waarin u rijdt.

AIRBAG PASSAGIERSZIJDE UITGESCHAKELD (geel)
Het lampje brandt als de frontairbag aan passagierszijde is uitgeschakeld.
Als u bij ingeschakelde frontairbag aan passagierszijde de contactsleutel in stand MAR draait, gaat het lampje ⚠ ongeveer 4 seconden branden en vervolgens 4 seconden knipperen. Hierna moet het lampje doven.

ATTENTIE
Het lampje ♗geeft bovendien eventuele storingen van het lampje ♗ aan. Dit wordt aangegeven door het langer knipperen van het lampje ♗dan de normale 4 seconden. In dit geval kan het lampje ♗ geen storingen in de airbag-/gordelspannersystemen aangeven. Voordat u verder rijdt, dient u contact op te nemen met de Abarth-dealer om het systeem direct te laten controleren.

STORING ABS (geel)
Als u de contactsleutel in stand MAR draait, gaat het lampje branden. Na enkele se- noet het lampje doven.
Het lampje gaat branden als het systeem defect of niet beschikbaar is. In dat geval blijft het remsysteem normaal werken, maar zonder de mogelijkheden van het ABS. Rijd voorzichtig verder en wendt u zo snel mogelijk tot de Abarth-dealer.
Op het display verschijnt de bijbehorende melding.

RESERVEBRANDSTOF (geel)
Als u de contactsleutel in stand
MAR draait, gaat het lampje branden. Na enkele seconden moet het lampje doven.
Het lampje gaat branden als er nog ongeveer 7 liter brandstof aanwezig is.
BELANGRIJK Als het waarschuwingslampje knippert, dan is er een storing in het systeem. Wendt u in dit geval tot de Abarth-dealer om het systeem te laten controleren.

DEFECTE BUITENVERLICHTING (geel)
Het lampje gaat branden bij een storing in de volgende verlichting:
- buitenverlichting
- mistachterlichten
- richtingaanwijzers
- kentekenplaatverlichting.
De storing kan betreffen: doorbranden van een of meer lampen, doorbranden van de bijbehorende zekering of een onderbreking in de elektrische verbinding.
Op het display verschijnt de bijbehorende melding.

Het lampje gaat branden als de mistachterlichten worden ingeschakeld.

STORING ESP (geel)
Als u de contactsleutel in stand MAR draait, gaat het lampje branden. Na enkele seconden moet het lampje doven.
Als het lampje niet dooft of tijdens het rijden blijft branden en het lampje op de knop ASR OFF gaat branden, wendt u dan tot de Abarth-dealer.
Op het display verschijnt de bijbehorende melding.
Opmerking Als het lampje knippert tijdens het rijden, dan geeft dit aan dat het ESP in werking is getreden.
Als het lampje gaat branden, is er een storing in het Hill Holder-systeem. Wendt u in dat geval zo snel mogelijk tot de Abarth-dealer.
Op het display verschijnt de bijbehorende melding.

Buitenverlichting en dimlichten
Het lampje gaat branden als de buitenverlichting of het dimlicht wordt ingeschakeld.
Follow me home
Het lampje gaat branden als dit systeem wordt gebruikt (zie "Follow me home" in het hoofdstuk "Dashboard en bediening").
Op het display verschijnt de bijbehorende melding.

RICHTINGAANWIJZER LINKS (groen - knipperend)
Het lampje gaat branden als de richtingaanwijzerhendel omlaag wordt gezet of, tegelijkertijd met het lampje van de rechter richtingaanwijzer, als de drukknop voor de waarschuwingsknipperlichten wordt ingedrukt.

RICHTINGAANWIJZER RECHTS (groen - knipperend)
Het lampje gaat branden als de richtingaanwijzerhendel omhoog wordt gezet of, tegelijkertijd met het lampje van de linker richtingaanwijzer, als de drukknop voor de waarschuwingsknipperlichten wordt ingedrukt.

MISTLAMPEN VOOR (groen)
Het lampje gaat branden als de mistlampen voor worden inge-

SPORT BOOST-FUNCTIE INGESCHAKELD (groen)
Het opschrift SPORT gaat branden als de "SPORT BOOST"-functie wordt ingeschakeld door het indrukken van de betreffende bedieningsknop. Als opnieuw op de knop wordt gedrukt, dooft het opschrift SPORT.

GROOTLICHT (blauw)
Het lampje gaat branden als het grootlicht wordt ingeschakeld.
BERICHTEN OP INSTELBAAR MULTIFUNCTIONEEL DISPLAY
Controle bandenspanning
Als twee of meer banden te zacht zijn, verschijnt er een melding op het display. Op het display wordt achtereenvolgens iedere band apart aangegeven.
In dit geval raden wij u aan om zo snel mogelijk de juiste bandenspanning te herstellen (zie de paragraaf "Bandenspanning in koude toestand" in het hoofdstuk "Technische gegevens").
Te lage bandenspanning
Als de spanning van een of meer banden onder een bepaalde drempelwaarde komt, verschijnt er een melding op het display. In dat geval waarschuwt het TPMS-systeem de bestuurder op het mogelijk leeglopen van de band(en) en dus op een mogelijke lekke band.
BELANGRIJK Rijd niet verder met een of meerdere zachte banden omdat de rijveiligheid van de auto in gevaar kan worden gebracht. Stop de auto zonder bruusk te remmen en vermijd heftige stuurbewegingen. Repareer de band onmiddellijk met de daarvoor bestemde reparatieset (zie het hoofdstuk "Noodgevallen) en wendt u zo snel mogelijk tot de Abarth-dealer.
Bandenspanning niet aangepast aan snelheid
Wanneer constant harder dan 160 km/h wordt gereden, moet de bandenspanning verhoogd worden overeenkomstig de waarde die aangegeven is in de paragraaf "Bandenspanning".
Als het TPMS-systeem (indien aanwezig) signaleert dat de spanning van een of meer banden niet is aangepast aan de snelheid van de auto, verschijnt een bericht op het display (zie de paragraaf "Te lage bandenspanning" in dit hoofdstuk).
BELANGRIJK Verlaag in dat geval onmiddellijk de snelheid, omdat door te warme banden de prestaties en de levensduur van de banden in gevaar kunnen worden gebracht, en zelfs, in een beperkt aantal gevallen, tot een klapband kunnen leiden.

ATTENTIE
Sterke straling op een radio-frequentie kunnen het TPMS-systeem ontregelen. Dit wordt aan de bestuurder aangegeven door het verschijnen van een melding (indien van toepassing). Deze melding verdwijnt automatisch zodra de storing het systeem niet meer ontregelt.
KANS OP GLADHEID
Als de buitentemperatuur gelijk is aan of lager wordt dan 3°C, dan knippert de temperatuuraanduiding om aan te geven dat er kans op gladheid bestaat.
Op het display verschijnt de bijbehorende melding.
BEPERKTE ACTIERADIUS
Op het display verschijnt een melding om de gebruiker te waarschuwen als de actieradius van de auto kleiner wordt dan 50 km.
ASR-SYSTEEM
Het ASR-systeem kan worden uitgeschakeld door het indrukken van de knop ASR OFF.
Op het display verschijnt een melding die aangeeft dat het systeem is uitgeschakeld; gelijktijdig gaat het lampje op de knop branden.
Als opnieuw op de knop ASR OFF wordt gedrukt, dooft het lampje op de knop en verschijnt op het display een melding die aangeeft dat het systeem weer is ingeschakeld.
Op het display verschijnt een bericht als de ingestelde snelheidslimiet wordt overschreden (zie "Instelbaar multifunctioneel display" in het hoofdstuk "Dashboard en bediening").
SYMBOLEN EN BERICHTEN OP HET INSTELBARE MULTIFUNCTIONELE DISPLAY

ACCU WORDT NIET VOLDOENDE OPGELADEN (rood)
Het symbool wordt samen met het bijbehorende bericht weergegeven op het display als de accu onvoldoende wordt opgeladen.
Als het symbool weergegeven blijft, wendt u dan onmiddellijk tot de Fiat-dealer.

NIET GOED GESLOTEN PORTIEREN (rood)
Als een of meer portieren of de achterklep niet goed gesloten zijn, dan verschijnt het symbool samen met het bijbehorende bericht op het display.
Als de auto in beweging is met geopende portieren, dan klinkt er een akoestisch sig- naal.

STORING ELEKTRONISCHE STARTBLOKKERING - FIAT CODE
(geel)
Het symbool wordt samen met het bijbehorende bericht weergegeven op het display bij een mogelijke storing (zie "CODE-systeem" in het hoofdstuk "Dashboard en bediening").
BELANGRIJK Als het lampje 📋 en het symbool 📁 tegelijk branden, dan is er een storing in de Fiat CODE.
Als het symbool bij draaiende motor op het display wordt weergegeven, wendt u dan tot een Abarth-dealer om alle sleutels in het geheugen te laten opslaan.

VERSLETEN REMBLOKKEN (geel)
Het symbool wordt samen met het bijbehorende bericht op het display weergegeven als de remblokken versleten zijn; laat deze zo snel mogelijk vervangen.

CRUISE-CONTROL (SNELHEIDSREGELAAR) (indien aanwezig) (groen)
Het symbool wordt samen met het bijbehorende bericht op het display weergegeven, als de draaiknop van de cruise-control in stand ON wordt gezet.

ALGEMENE STORINGSMELDING (geel)
Het symbool wordt samen met het bijbehorende bericht weergegeven op het display in de volgende gevallen:
Op het display verschijnen de bijbehorende meldingen.
Storing motoroliedruksensor
Het symbool wordt samen met het bijbehorende bericht op het display weergegeven bij een storing in de motorliedruksensor. Wendt u zo snel mogelijk tot de Abarth-dealer om de storing te laten verhelpen.
Inschakeling brandstofnoodschakelaar
Het symbool wordt samen met het bijbehorende bericht op het display weergegeven als de brandstofnoodschakelaar inschakelt.
Storing bandenspanning-controlesysteem (indien aanwezig)
Het symbool wordt samen met het bijbehorende bericht op het display weergegeven als er een storing is in het controle-systeem voor de bandenspanning TPMS (indien aanwezig).
Wendt u in dat geval zo snel mogelijk tot de Abarth-dealer.
Als er een of meer wielen zonder sensor gemonteerd zijn, gaat het symbool op het display branden totdat de oorspronkelijke situatie weer is hersteld.
NODGEVALLENN
MOTOR STARTEN 134
SNELLE BANDENREPARATIESET
FIX & GO automatic 135
GLOEILAMP VERVANGEN 139
GLOEILAMP BUITENVERLICHTING VERVANGEN . 141
Als het symbool op het display blijft weergegeven, wendt u dan onmiddellijk tot de Abarth-dealer.
STARTEN MET EEN HULPACCU fig. I
Als de accu leeg is, kan de motor worden gestart met een hulpaccu, die ten minste dezelfde capaciteit moet hebben als de lege accu.

ATTENTIE
Laat deze procedure door ge- specialiseerd personeel uit-
voeren. Onjuiste handelingen kunnen leiden tot vonken. De vloeistof in de accu is giftig en corrosief. Vermijd het contact met de huid en de ogen. Kom ook niet dicht bij een accu met open vuur of een brandende sigaret en veroorzaak geen vonken.

Ga voor het starten als volgt te werk:
□ verbind de pluspolen (+ teken nabij de pool) van de beide accu's met een start-kabel;
□ sluit een tweede startkabel aan op de minpool (-) van de hulpaccu en op de massa-aansluiting 12 op de motor of de versnellingsbak van de auto die gestart moet worden;
□ start de motor;
□ neem als de motor draait, de kabels in de omgekeerde volgorde los.
Als de motor na enkele pogingen niet aanslaat, blijf dan niet proberen maar wendt u tot de Abarth-dealer.
BELANGRIJK Verbind de minklemmen van de twee accu's niet direct met elkaar: eventuele vonken kunnen het explosieve gas ontsteken dat uit de accu kan ontsnappen. Als de hulpaccu is geïnstalleerd aan boord van een andere auto, mogen tussen deze auto en de auto met de lege accu niet per ongeluk metalen delen met elkaar in verbinding staan.
ROLLEND STARTEN
Probeer auto's nooit te starten door ze aan te duwen, te slepen of van een helling af te laten rijden. Op die wijze kan er onverbrande brandstof in de katalysator terechtkomen, waardoor deze onherstelbaar zal beschadigen.
BELANGRIJK Houd er rekening mee dat de rem- en stuurbekrachtiging niet werken zolang de motor niet is aangeslagen, waardoor meer kracht nodig is voor de bediening van het rempedaal en het stuur.
SNELLE BANDENREPARATIESET FIX & GO automatic
De snelle bandenreparatieset Fix & Go automatic bevindt zich in de bagageruimte.
De set fig. 2 bevat:
□ een spuitbus A met afdichtvloeistof, die voorzien is van:
- een vulbuis B;
- een sticker C met het opschrift "max. 80 km/h". Na het repareren van het wiel moet deze sticker op een voor de bestuurder goed zichtbare plaats worden aangebracht (op het dashboard);
□ een informatiefolder (zie fig. 3), voor een correct gebruik van de snelle reparatieset. De folder moet overhandigd worden aan het personeel dat de behandelde band repareert;
□ een compressor D-fig. 2 met mano-meter en aansluitnippels, die in het vak zijn te vinden;
□ een paar werkhandschoenen die in het zijvak van de compressor zijn te vinden;
□ adapters voor het oppompen van diverse voorwerpen.

In de houder (die zich in de bagageruimte onder de bekleding bevindt) van de bandenreparatieset zijn ook de schroevendraaier en het sleepoog te vinden.

ATTENTIE
Overhandig de informatie- folder aan het personeel dat de band repareert die behandeld is met de bandenreparatieset.

text_image
SOLD FOR REPARATION PHOENIX FOR TYPE REPAIR ON DEVELOPMENT FOR REPARATION PREV SOLD FOR REPARATION PHOENIX FOR PRESSURE REFRICING ON DEVELOPMENT FOR RESISTURE LA PHOENIX & VEGET INITIAL SOLD FOR REPARATION PHOENIX FOR PRESSURE REFRICING ON DEVELOPMENT FOR RESISTURE LA PHOENIX & VEGET INITIALfig. 3
F0M0199m

Als u een lekke band krijgt, kan de band gerepareerd worden als de diameter van het lek niet groter is dan 4 mm.

ATTENTIE
Het is niet mogelijk lekken aan de zijkanten van de band te repareren. Gebruik de reparatieset niet als de band beschadigd is geraakt door het rijden met een lege band.

ATTENTIE
Bij schade aan de velg (zo- danige vervorming van het kanaal dat er lucht wegloopt) kan de band niet gerepareerd worden. Ver- wijder de eventueel in de band binnengedrongen voorwerpen (schroeven of spijkers) niet.
HET IS NOODZAKELIJK TE WETEN DAT:
De afdichtvloeistof bij buitentemperaturen tussen -20^ en +50^ werkt.
De afdichtvloeistof een houdbaarheidsdatum heeft.

ATTENTIE
De compressor mag niet langer dan 20 minuten achter elkaar worden ingeschakeld. Gevaar voor oververhitting. De snelle reparatieset is niet geschikt voor permanente reparatie; de gerepareerde banden mogen daarom slechts tijdelijk worden gebruikt.

ATTENTIE
De spuitbus bevat ethyleen-glycol. Bevat latex: kan een allergische reactie veroorzaken. Schadelijk bij inslikken. Irriterend voor de ogen. Kan overgevoeligheid veroorzaken bij inademing en contact. Vermijd contact met ogen, huid en kleding. Spoel bij contact onmiddellijk overvloedig met water. Vermijd braken bij inslikken, spoel de mond uit, drink veel water en raadpleeg onmiddellijk een arts. Houd buiten het bereik van kinderen. Het product mag niet gebruikt worden door astmatische patiënten. Adem de dampen niet in tijdens het vullen en oppompen. Raadpleeg onmiddellijk een arts bij allergische reacties. Bewaar de spuitbus in de daarvoor bestemde ruimte, ver verwijderd van warmtebronnen. De afdichtvloeistof heeft een houdbaar-heidsdatum.

Vervang de spuitbus met de afdichtvloeistof als deze datum verstreken is. Spuitbussen en afdichtvloeistof zijn schadelijk voor het milieu. Houdt u voor het afvoeren van deze producten aan de wettelijke normen.

Doe de handschoenen aan die bij de snelle bandeneset zijn geleverd.
☐ Trek de handrem aan. Draai de ventieldop van de band los, neem de vulbuis A-fig. 4 uit en draai de ring B op het ventiel van de band;

Controleer de bandenspanning op de manometer F-fig. 5. Voor een nauwkeurige aflezing moet de compressor worden uitgeschakeld;
□ als u er niet in slaagt binnen 5 minuten de bandenspanning op ten minste 1,5 bar te krijgen, koppel dan de compressor los van het ventiel en de contactdoos en verplaats vervolgens de auto ongeveer 10 meter naar voren of naar achteren, zodat de afdichtvloeistof in de band verdeeld wordt; pomp de band vervolgens weer op;
□ als u er ook dan niet in slaagt om, binnen 5 minuten na inschakeling van de compressor, de spanning op ten minste 1,8 bar te brengen, mag niet verder worden gereden, omdat de band te erg beschadigd is en de reparatieset de vereiste wegligging niet kan garanderen; wendt u tot de Abarth-dealer;
□ als de band op de juiste spanning is gebracht (zie de paragraaf "Bandenspanning" in het hoofdstuk "Technische gegevens"), vertrek dan onmiddellijk;

ATTENTIE
Plaats de sticker op een voor de bestuurder goed zichtbare plaats om aan te geven dat de band behandeld is met de snelle banden-reparatieset. Rijd voorzichtig vooral in bochten. Rijd niet harder dan 80 km/h. Vermijd bruusk accelereren en remmen.
□ stop na ongeveer 10 minuten en controleer opnieuw de bandenspanning; vergeet niet de handrem aan te trekken;

ATTENTIE
Als de bandenspanning onder 1,8 bar is gedaald, mag niet verder worden gereden: de snelle reparatieset Fix & Go automatic kan de vereiste wegligging niet garanderen omdat de band te erg beschadigd is. Wendt u tot de Abarth-dealer.
□ als een spanning van ten minste 1,8 bar wordt gemeten, herstel dan de correcte bandenspanning (met draaiende motor en aangetrokken handrem) en rijdt verder;
□ rijd zeer voorzichtig naar de dichtstbij-zijnde Abarth-dealer.

U moet absoluut aangeven dat de band is gerepareerd met de snelle bandenreparatieset. Overhandig de informatiefolder aan het personeel dat de band repareert die behandeld is met de bandenreparatieset.
ALLEEN VOOR HET CONTROLEREN EN HERSTELLEN VAN DE SPANNING
De compressor kan ook worden gebruikt voor het herstellen van de bandenspanning. Maak de snelkoppeling los en verbind de koppeling direct met het ventiel van de band fig. 8; op deze manier wordt de spuitbus niet met de compressor verbonden en wordt de afdichtvloeistof niet in de band gespoten.
PROCEDURE VOOR HET VERVANGEN VAN DE SPUITBUS
Ga als volgt te werk voor het vervangen van de spuitbus:
□ maak de koppeling A-fig. 9 los;
□ draai de te vervangen spuitbus linksom en trek de spuitbus omhoog;
☐ plaats de nieuwe spuitbus en draai de spuitbus rechtsom;
□ sluit de koppeling A aan op de spuitbus en plaats de doorzichtige vulbuis B in het daarvoor bestemde vak.
GLOEILAMP VERVANGEN
ALGEMENE AANWIJZINGEN
Als een lamp niet brandt, controleer dan eerst of de zekering niet doorgebrand is, voordat u de lamp vervangt: zie voor de plaats van de zekeringen de paragraaf "Zekeringen vervangen" in dit hoofdstuk;
□ controleer voordat u een lamp vervangt of de contacten niet zijn geoxideerd;
□ vervang een defecte lamp door een exemplaar van hetzelfde type en vermogen;
□ als u een gloeilamp in de koplamp hebt vervangen, controleer dan om veiligheidsredenen altijd of de afstelling nog goed is.

Halogeenlampen mag u uit- sluitend aanraken op het me- talen gedeelte. Als u de bol met uw vingers aanraakt, zal de lichtopbrengst van de lamp teruglopen en kan ook de levensduur beperkt worden. Als u de bol per ongeluk toch hebt aangeraakt, moet u de bol schoonwrijven met een doekje met alcohol en daarna laten drogen.

ATTENTIE
Modificaties of reparaties aan de elektrische installatie correct worden uitgevoerd en geen rekening wordt gehou- t de technische specificaties systeem, kunnen storingen in ng en zelfs brand veroorzaken.

ATTENTIE
Halogeenlampen bevatten gas onder druk. Bij breuk er glassplinters wegschieten.
BELANGRIJK Aan de binnenzijde kan de koplamp een beetje beslagen zijn: dit duidt niet op een defect, maar is een natuurlijk ver- schijnsel dat veroorzaakt wordt door een la- ge temperatuur en de luchtvochtigheids- graad, en verdwijnt snel als de koplampen worden ingeschakeld. De aanwezigheid van druppels aan de binnenzijde van de koplamp duidt daarentegen op het binnendringen van water: wendt u tot de Abarth-dealer.
TYPEN GLOEILAMPEN
Op de auto zijn verschillende typen gloeilampen gemonteerd:
A Glasfittinglampen: deze zijn voorzien van een klemfitting. Verwijder de lamp door de lamp uit de houder te trekken.

fig. 10 F0M0207m
B Gloeilampen met bajonetfitting: verwijder de lamp uit de houder door hem iets in te drukken en linksom te draaien.
C Buislampen: verwijder de lamp door hem uit de veercontacten los te maken.
D-E Halogeenlampen: verwijder de lamp door de borgveer los te haken uit de zitting.
Lampen Figuur Type Vermogen
| Grootlicht | D | H4 | 55W |
| Dimlicht | D | H4 | 60W |
| Buitenverlichting voor | A | W5W | 5W |
| Mistlampen voor (indien aanwezig) | - | H3 | 55W |
| Richtingaanwijzers voor | B | PY21W | 21W |
| Richtingaanwijzers op flanken | A | WY5W | 5W |
| Richtingaanwijzers achter | B | P21W | 21W |
| Achterlichten | B | R5W | 5W |
| Remlichten | B | P21/5W | 5W |
| Derde remlicht | B | - | 2,3W |
| Achteruitrijlichten | - | P21W | 21W |
| Mistachterlichten | - | P21W | 21W |
| Kentekenplaatverlichting | A | W5W | 5W |
| Plafondverlichting voor met kantelbaar lampenglas | C | C10W | 10W |
| Plafondverlichting voor met spotjes | C | C10W | 10W |
| Bagageruimteverlichting | A | W5W | 5W |
GLOEILAMP BUITENVERLICHTING VERVANGEN
Zie voor het type lamp en het bijbehorende vermogen de vorige paragraaf "Gloeilamp vervangen".

In de koplampunits zijn de gloeilampen voor de buitenverlichting, het dimlicht, het grootlicht en de richtingaanwijzer opgenomen.
De lampen zijn op de volgende wijze in de lichtunit geplaatst:
A buitenverlichting
B dimlicht/grootlicht (duplolamp)
C richtingaanwijzers (pijlen)

Gloeilamp vervangen:
□ verwijder de geklemde rubber dop A in de richting van de pijl;
□ druk de lippen B naar elkaar en neem de lamphouder uit;
□ verwijder en vervang de lamp C;
☐ plaats de lamphouder, monteer de dop A en controleer of de dop goed vastzit (geborgd).

Gloeilamp vervangen:
□ verwijder de geklemde rubber dop A in de richting van de pijl;
□ trek de middelste stekker los en haak de borgveer van de lamp los;
□ verwijder en vervang de lamp B;
□ monteer de nieuwe lamp, waarbij de nokken van het metalen deel in de uit-sparingen in de reflector moeten vallen;
☐ haak de borgveer van de lamp vast en sluit vervolgens de stekker aan;
□ monteer de dop A en controleer of de dop goed vastzit.
RICHTINGAANWIJZERS
Voor fig. 14 - 15
Gloeilamp vervangen:
□ stuur het rechter/linker wiel iets naar buiten;
□ draai de blokkeerschroef A-fig. 14 zoals aangegeven door de pijl en open het toegangsklepje B;
□ verwijder deksel/lamphouder C-fig. 15 door deze linksom te draaien;
□ verwijder de lamp D (met bajonetfitting) door hem iets in te drukken en linksom te draaien en vervang de lamp;
□ monteer deksel/lamphouder C door deze rechtsom te draaien en controleer of ze goed vastzitten (geborgd);
□ sluit het toegangsklepje B-fig. 14 en draai vervolgens de blokkeerschroef A vast.

text_image
A C B Dfig. 16

Op de flanken fig. 16
Gloeilamp vervangen:
□ duw tegen het lampenglas A zodat de interne borgveer B wordt ingedrukt en trek de unit naar buiten;
□ draai de lamphouder C linksom, verwijder de geklemde lamp D en vervang hem;
☐ plaats de lamphouder C in het lam-penglas door hem rechtsom te draaien;
□ monteer de unit en controleer of de interne borgveer B goed vastzit (geborgd).
MISTLAMPEN VOOR
Wendt u voor het vervangen van de mistlampen voor A-fig. 17 tot de Abarth-dealer.
ACHTERLICHTUNITS
fig. 18-19
In de achterlichtunits zijn de gloeilampen voor de achterlichten, de remlichten en de richtingaanwijzers opgenomen.
De lampen zijn op de volgende wijze in de lichtunit geplaatst:
B richtingaanwijzers (pijlen)
C achterlichten
D achterlichten/remlichten (duplolamp).

text_image
B C D A fig. 19 F0M0185mGloeilamp vervangen:
□ open de achterklep en draai de twee schroeven A los;
□ trek de middelste stekker los en trek de lampunit naar buiten;
□ draai de schroeven E los en verwijder de lamphouder;
□ verwijder de te vervangen lamp B, C of D (met bajonetfitting) door hem iets in te drukken en linksom te draaien en vervang de lamp;
□ monteer de lamphouder en draai de schroeven E vast;
□ sluit de stekker aan, plaats de lampunit op de juiste wijze op de carrosserie van de auto en draai de schroeven A vast.

text_image
A fig. 20 F0M0208mWendt u voor het vervangen van het mist- achterlicht A tot de Abarth-dealer.

text_image
Fig. 21 F0M0209mWendt u voor het vervangen van het achteruitrijlicht A tot de Abarth-dealer.

flowchart
graph TD
A["Process A"] --> B["Process B"]
style A fill:#f9f,stroke:#333
style B fill:#bbf,stroke:#333
Gloeilamp vervangen:
□ open de achterklep;
□ verwijder de rubber doppen A-fig. 22;
□ druk op de borglippen B-fig. 22 en verwijder het lampenglas C-fig. 23;
□ maak de stekker los;
□ druk de lippen D-fig. 23 naar elkaar en neem de lamphouder uit;
□ verwijder de geklemde lamp en vervang hem.

text_image
C D fig. 23 F0M0211m
text_image
A A Fig. 24 F0M0212mKENTEKENPLAATVER- LICHTING fig. 24-25
Gloeilamp vervangen:
☐ maak het lampenglas A-fig. 24 op het door de pijl aangegeven punt los;

☐ maak de lamp fig. 25 los uit de veercontacten aan de zijkant en vervang hem; controleer of de nieuwe lamp goed vastzit in de veercontacten.
□ monteer het geklemde lampenglas.
Zie voor het type lamp en het bijbehorende vermogen de paragraaf "Gloeilamp vervangen".
Gloeilampen vervangen:
☐ maak het plafondlampje A-fig. 26 op de door de pijlen aangegeven punten los;
□ open het beschermdeksel B;

text_image
A fig. 26 F0M0213m
text_image
C B fig. 27 F0M0234m☐ maak de lampen C-fig. 27 los uit de veercontacten aan de zijkant en vervang ze; controleer of de nieuwe lampen goed vastzitten in de veercontacten;
☐ sluit het beschermdeksel B-fig. 27 en plaats het plafondlampje A-fig. 26 in de zitting; controleer of het goed geborgd is.

text_image
A B fig. 28 F0M0216mBAGAGERUIMTEVERLICHTING fig. 28
Gloeilamp vervangen:
□ open de achterklep;
☐ maak de lichtunit A op het door de pijl aangegeven punt los;
□ open het beschermkapje B en vervang de geklemde lamp;
□sluit het beschermkapje B op het lampenglas;
□ monteer de lichtunit A door hem eerst aan een zijde in de juiste stand te plaatsen en vervolgens de andere zijde aan te drukken, totdat de borging inklikt.

text_image
D A fig. 29 F0M0217mINSTAPVERLICHTING (indien aanwezig) fig. 29-30
Gloeilamp vervangen:
□ verwijder de lichtunit door met een schroevendraaier de bevestigingsveer A in te drukken;
□ druk aan de zijkant bij de twee bevestigingspennen op het lampenglas B en draai het lampenglas open;
□ vervang de geklemde lamp C;

text_image
C B fig. 30 F0M0229m□ draai het lampenglas terug in de twee bevestigingspennen;
□ monteer de lichtunit door eerst zijde D te plaatsen en vervolgens de andere zijde aan te drukken, totdat de borging inklikt.
ZEKERINGEN VERVANGEN
ALGEMEEN
Het elektrische systeem wordt door zekeringen beveiligd: de zekering brandt door bij een storing of bij oneigenlijk gebruik van het systeem.
Als een elektrisch onderdeel niet werkt, controleer dan eerst of de zekering niet is doorgebrand: de verbindingsstrip A-fig. 31 mag niet onderbroken zijn. Is dit wel het geval, dan moet u de zekering vervangen door een exemplaar met dezelf-de stroomsterkte (zelfde kleur).
B zekering in goede staat fig. 31
C zekering met doorgebrande strip fig. 31.

ATTENTIE
Als de zekering opnieuw doorbrandt, wendt u dan tot
de Abarth-dealer.

text_image
A B Cfig. 31
F0M0236m

Vervang een defecte zekering nooit door ander materiaal.

ATTENTIE
Vervang een zekering nooit door een zekering met een
hogere stroomsterkte (ampère); BRANDGEVAAR.

ATTENTIE
Als een hoofdzekering (ME-GA-FUSE, MIDI-FUSE,
MAXI-FUSE) doorbrandt, wendt u dan tot de Abarth-dealer.

ATTENTIE
Controleer, voordat u een zekering vervangt, of de con-
tactsleutel uit het contactslot is genomen en alle stroomverbruikers uit staan en/of zijn uitgeschakeld.
TOEGANG TOT DE ZEKERINGEN
De zekeringen van de auto bevinden zich in vier zekeringenkasten; op het dashboard, op de pluspool van de accu, in de motorruimte en in de bagageruimte (linkerzijde).
Zekeringenkast op het dashboard
De zekeringen in de zekeringenkast op het dashboard zijn bereikbaar nadat de schroeven A-fig. 32 zijn losgedraaid en het deksel is verwijderd.

text_image
fig. 32 A F0M0016m
text_image
07 06 05 04 03 02 01 14 13 12 11 10 09 08fig. 33
FOM0370m
Zekeringenkast in motorruimte
De zekeringen in de zekeringkast naast de accu zijn bereikbaar nadat het betreffende beschermdeksel fig. 34 is verwijderd.

Zekeringenkast in de bagageruimte
De zekeringen in de zekeringenkast links in de bagageruimte zijn bereikbaar nadat het inspectieklepje is geopend (zoals afgebeeld in fig. 36).

Zekeringenkast op dashboard
VERBRUIKERS ZEKERING AMPÈRE
| Beschikbaar | 01 | - |
| Voeding vanaf accu: instrumentenpaneel, EOBD-diagnosestekker | 02 | 10 |
| Voeding vanaf accu: autoradio, handsfreesysteem met spraakherkenning en Bluetooth®-technologie, regeleenheid hifi-audiosysteem | 03 | 15 |
| Voeding vanaf accu voor start-/contactslot | 04 | 7,5 |
| Voeding elektropomp ruitensproeiers/achterruitsproeier | 05 | 20 |
| Voeding slotactuator achterklep | 06 | 15 |
| Voeding slotmotoren portiervergrendeling, “dead lock”-actuatoren | 07 | 20 |
| Beschikbaar | 08 | - |
| Voeding plafondverlichting voor, plafondverlichting achter, bagageruimteverlichting, instapverlichting, verlichting zonneklepspiegel | 09 | 7,5 |
| Voeding via contactslot: regeleenheid elektrische stuurbekrachtiging | 10 | 7,5 |
| Voeding via contactslot: instrumentenpaneel, rempedaalschakelaar (regelcircuit remlicht), koppelingspedaalschakelaar | 11 | 7,5 |
| Voeding via contactslot: regeleenheid remsysteem, VDC-systeem, rempedaalschakelaar | 12 | 7,5 |
| Voeding via contactslot: regeleenheid airbagsysteem | 13 | 10 |
VERBRUIKERS ZEKERING AMPÈRE
| Voeding via contactslot: verlichting schakelaarpaneel aan zijkant,verlichting bedieningsorganen op stuurwiel, centraal schakelaarpaneel(verlichting en bedieningsunit ASR) | 14 | 7,5 |
| Voeding via contactslot: verlichting schakelaarpaneel op plafondverlichting,schakelaarpaneel verwarming voorstoelen (verlichting en systeembediening),regensensor | 14 | 7,5 |
| Voeding via contactslot: regeleenheid elektrisch bedienbaar opendak,regeleenheid bandenspanningcontrole,regeleenheid handsfreesysteem met spraakherkenning enBluetooth®-technologie,regeleenheid parkeersensoren | 14 | 7,5 |
Zekeringenkast in motorruimte
VERBRUIKERS ZEKERING AMPÈRE
| Voeding vanaf accu: remsysteem (magneetkleppen) | 53 | 30 |
| Voeding dimlicht in linker koplamp, koplampverstelling | 38 | 10 |
| Voeding dimlicht in rechter koplamp | 39 | 10 |
| Voeding grootlicht in linker koplamp | 40 | 10 |
| Voeding grootlicht in rechter koplamp | 41 | 10 |
| Voeding via contactslot: regeleenheid motor | 47 | 7,5 |
| Voeding via contactslot voor klimaatregeling, automatische ruitbediening bestuurderszijde, elektrisch verstelbare buitenspiegels | 48 | 7,5 |
| Beschikbaar | 46 | - |
| Voeding secundaire verbruikers motormanagementsysteem | 34 | 15 |
VERBRUIKERS ZEKERING AMPÈRE
| Voeding regeleenheid motor | 33 | 10 |
| Voeding elektrische brandstofpomp | 51 | 15 |
| Voeding mistlampen voor | 25 | 15 |
| Voeding elektropomp koplampsproeiers | 27 | 30 |
| Voeding eentonige claxon | 37 | 15 |
| Voeding aircocompressor | 42 | 7,5 |
| Voeding startmotor (solenoïde +50) | 49 | 30 |
| Voeding vanaf accu voor klimaatregeling | 54 | 7,5 |
| Voeding vanaf accu: regeleenheid motor | 32 | 7,5 |
| Voeding stekkerdoos interieur | 31 | 20 |
| Voeding via contactslot: achteruitrijlicht | 45 | 10 |
| Voeding verwarming elektrisch verstelbare buitenspiegels | 43 | 10 |
| Voeding motor ruitbediening in voorportier passagierszijde | 26 | 20 |
| Voeding motor ruitbediening in voorportier bestuurderszijde | 28 | 20 |
| Beschikbaar | 52 | - |
| Beschikbaar | 44 | - |
VERBRUIKERS ZEKERING AMPÈRE
| Beschikbaar | 01 | - |
| Beschikbaar | 02 | - |
| Beschikbaar | 03 | - |
| Voeding bedieningsmotor lendensteunverstelling op voorstoel bestuurderszijde | 04 | 10 |
| Voeding stekkerdoos bagageruimte | 05 | 15 |
| Beschikbaar | 06 | - |
| Beschikbaar | 07 | - |
| Voeding verwarmingssysteem voorstoel bestuurderszijde | 08 | 10 |
| Voeding verwarmingssysteem voorstoel passagierszijde | 09 | 10 |
| Beschikbaar | 12 | - |
| Beschikbaar | 13 | - |
| Beschikbaar | 14 | - |
| Voeding vanaf accu: regeleenheid controlesysteem voor bandenspanning | 15 | 10 |
| Voeding vanaf accu: versterker subwoofer hifi-audiosysteem | 16 | 20 |
| Voeding vanaf accu: elektrisch bedienbaar opendak | 17 | 20 |
ACCU OPLADEN
BELANGRIJK De beschrijving voor het opladen van de accu dient slechts ter informatie. Wendt u bij voorkeur tot een Abarth-dealer om deze werkzaamheden uit te laten voeren.
We raden u aan de accu langzaam en met een lage stroomsterkte (ampère) gedurende ca. 24 uur op te laden. Als u de accu snel oplaadt met een hoge stroomsterkte, kan de accu worden beschadigd.
Ga voor het opladen als volgt te werk:
☐ maak de klem los van de minpool op de accu;
□ sluit de kabels van het laadapparaat aan op de accupolen; let hierbij op de polariteit;
□ schakel de acculader in;
□ aan het einde van het opladen: schakel eerst de acculader uit en koppel dan de accu los;
□ sluit de klem weer aan op de minpool van de accu.

ATTENTIE
De vloeistof in de accu is gif- tig en corrosief. Vermijd het contact met de huid en de ogen. Het opladen van de accu moet worden uitgevoerd in een goed geventileer- de ruimte, ver verwijderd van open vuur en vonkvormende apparaten: brand- en ontploffingsgevaar.

ATTENTIE
Probeer een bevroren accu niet op te laden: eerst moet de accu ontdooid worden, anders loopt u het risico dat de accu ontploft. Als de accu bevroren is geweest, moet door deskundig personeel worden gecontroleerd of de cellen niet beschadigd zijn en of de bak geen scheuren vertoont, waardoor de gif-tige en corrosieve vloeistof kan weg-lekken.
OPKRIKKEN VAN DE AUTO
Als de auto omhoog gezet moet worden, wendt u dan tot de Abarth-dealer; deze beschikt over een garagekrik of hefbrug.

De auto mag uitsluitend worden opgekrikt door de hefarm van de garagekrik of de hefbrug te plaatsen, zoals in de figuur is afgebeeld.
BELANGRIJK Als de auto aan de zijkant opgekrikt wordt met een garagekrik, zorg dan dat de side-skirts niet beschadigd worden.
SLEPEN VAN DE AUTO
Bij de auto is een sleepoog geleverd. Het sleepoog bevindt zich in de gereedschaphouder onder de bekleding in de bagageruimte.
SLEEPOOG BEVESTIGEN fig. 39
Ga als volgt te werk:
□ verwijder de dop A;
□ pak het sleepoog B uit de houder;
□ draai het sleepoog geheel op de schroefdraadpen voor of achter.

Houd er rekening mee dat de rem- en stuurbekrachtiging niet werken zolang de motor niet is aangeslagen, waardoor meer kracht nodig is voor de bediening van het rempedaal en het stuur. Gebruik voor het slepen geen elastische kabels en rijd zo gelijkmatig mogelijk. Controleer tijdens het slepen of de sleepkabel geen carrosserieedelen kan beschadigen. Houdt u bij het slepen van een auto aan de wettelijke voorschriften. Dit geldt zowel voor het slepen zelf als voor het gedrag naar andere weggebruikers.

ATTENTIE
Start de motor niet als de auto wordt gesleept.

ATTENTIE
Maak de schroefdraad zorgvuldig schoon, voordat u het sleepoog op de schroefdraadpen draait. Controleer, voordat de auto wordt gesleept, of het sleepoog geheel in de schroefdraadboring is gedraaid.

ATTENTIE
Schakel voordat de auto gesleept wordt, het stuurslot uit
(zie de paragraaf "Start-/contactslot" in het hoofdstuk "Dashboard en bediening"). Houd er tijdens het slepen rekening mee dat de rem- en stuurbekrachtiging niet werken als de motor niet draait, waardoor meer kracht nodig is voor de bediening van het rempedaal en het stuur. Gebruik voor het slepen geen elastische kabels en rijd zo gelijkmatig mogelijk. Controleer tijdens het slepen of de sleepkabel geen carrosserieedelen kan beschadigen. Houdt u bij het slepen van een auto aan de wettelijke voorschriften. Dit geldt zowel voor het slepen zelf als voor het gedrag naar andere weggebruikers.
ONDERHOUDEENN/ORG
GEPROGRAMMEERD ONDERHOUD 162
GEPROGRAMMEERD ONDERHOUDSSCHEMA ..... 163
PERIODIEKE CONTROLES 165
ZWAAR GEBRUIK VAN DE AUTO.... 165
Doelmatig onderhoud is een beslissende factor voor een lange levensduur, de beste prestaties en een zo zuinig mogelijk gebruik van de auto.
Om dit te realiseren heeft Abarth een reeks controle- en onderhoudsbeurten samengesteld die iedere 30.000 km moeten worden uitgevoerd.
Onthoud echter dat het geprogrammeerd onderhoud niet volledig toereikend is om de auto in optimale staat te houden: zowel in de beginperiode voor de servicebeurt bij 30.000 kilometer als daarna, tussen twee servicebeurten in, moet regelmatig wat aandacht aan de auto worden geschonken. Controleer bijvoorbeeld regelmatig de bandenspanning en de vloeistofniveaus en vul deze laatste zo nodig bij.
BELANGRIJK De servicebeurten van het Geprogrammeerd Onderhoud zijn door de fabrikant voorgeschreven. Het niet uitvoeren van deze servicebeurten kan het vervallen van de garantie tot gevolg hebben.
De werkzaamheden van het geprogrammeerd onderhoud kunnen door alle Abarth-dealers tegen vaste tarieftijden worden uitgevoerd.
Eventuele reparaties die nodig blijken tijdens het uitvoeren van de diverse inspecties en controles van het geprogrammeerd onderhoud, worden uitsluitend na toestemming van de klant uitgevoerd.
BELANGRIJK Het is raadzaam eventuele kleine defecten onmiddellijk door de Abarth-dealer te laten verhelpen en daarmee niet te wachten tot de volgende servicebeurt.
Als de auto vaak wordt gebruikt voor het trekken van aanhangers, moeten er kortere intervallen worden aangehouden voor de werkzaamheden van het geprogrammeerd onderhoud.
GEPROGRAMMEERD ONDERHOUDSSCHEMA
De onderhoudsbeurten moeten iedere 30.000 km worden uitgevoerd
| x 1000 km | 30 60 | 90 120 | 150 180 | |||||
| Banden op conditie en slijtage controleren en bandenspanning eventueel herstellen | ● | ● | ● | ● | ● | ● | ● | |
| Werking verlichting (koplamp-/achterlichtunits, richtingaanw., waarschuwingsknipperlichten, bagageruimte, interieur, waarschuwings-/ controlelampjes enz.) controleren; | ● | ● | ● | ● | ● | ● | ● | |
| Werking ruitenwissers/-sproeiers voor/achter controleren | ● | ● | ● | ● | ● | ● | ● | |
| Remblokken voor en achter (schijfremmen) op conditie en slijtage controleren | ● | ● | ● | ● | ● | ● | ● | |
| Visueel de conditie controleren van: buitenzijde carrosserie, bodemplaatbescherming, uitlaat, brandstof- en remleidingen, rubber delen (stofkappen, hoezen enz.) en rubber slangen van het rem- en brandstofsysteem | ● | ● | ● | ● | ● | ● | ● | |
| Vergrendelmechanismen van de motorkap en achterklep op vervuiling controleren en mechanismen smeren | ● | ● | ● | ● | ● | ● | ● | |
| Conditie van aandrijfriem(en) voor hulporganen visueel controleren | ● | ● | ||||||
| Aandrijfriem(en) voor hulporganen vervangen | ● | |||||||
| Handrem controleren en eventueel afstellen | ● | ● | ● | ● | ● | ● | ● | |
| Uitlaatgasemissie controleren | ● | ● | ● | ● | ● | ● | ||
| Benzinedamp-opvangsysteem controleren | ● | ● | ||||||
| Luchtfilterelement vervangen | ● | ● | ● | |||||
| Vloeistofniveaus bijvullen (motorkoelsysteem, remsysteem, accu, ruitensproeiers enz.) | ● | ● | ● | ● | ● | ● | ||
| Bougies vervangen (○) | ● | ● | ● | ● | ● | ● | ||
| Conditie van distributieriem controleren | ● | ● | ||||||
| Insputing/ontsteking controleren (m.b.v. diagnosestekker) | ● | ● | ● | ● | ● | ● | ||
| Getande distributieriem vervangen (*) | ● | |||||||
| Motorolie en oliefilter vervangen (of om de 24 maanden) | ● | ● | ● | ● | ● | ● | ||
| Remvloeistof vervangen (of om de 24 maanden) | ● | ● | ● | |||||
| Pollenfilter vervangen (of om de 24 maanden) | ● | ● | ● | ● | ● | ● | ||
(*) Ongeacht de kilometerstand moet de distributieriem bij zware bedrijfsomstandigheden (koude klimaten, gebruik in stadsverkeer, langdurig stationair draaien, stoffige omgeving) om de 4 jaar of in ieder geval om de 5 jaar worden vervangen.
(○) Om de juiste werking te garanderen en om ernstige schade aan de motor te voorkomen, is het volgende van fundamenteel belang:
- gebruik uitsluitend het merk en type bougies dat specifiek voor de T-JET motor is voorgeschreven (zie hetgeen beschreven staat in de paragraaf "Motor");
- houdt u strikt aan het vervangingsinterval van de bougies dat in het Geprogrammeerd Onderhoudsschema staat aangegeven; - het is raadzaam u hiervoor tot de Abarth-dealer te wenden.

Als de auto overwegend in stadsverkeer gebruikt wordt en in elk geval als de auto jaarlijks minder dan 10.000 km rijdt, dan moet de motorolie en het oliefilter iedere 12 maanden worden vervangen.
PERIODIEKE CONTROLES
ledere 1.000 km of voor een lange reis controleren en eventueel bijvullen:
□ niveau van de motorkoelvloeistof;
□ niveau van de remvloeistof;
□ niveau van de ruitensproeiervloeistof;
□ conditie en spanning van de banden;
□ werking verlichting (koplamp-/achterlichtunits, richtingaanwijzers, waarschuwingsknipperlichten enz.);
□ werking ruitenwissers/-sproeiers en stand/slijtage wisserbladen voor en achter.
ledere 1.000 km controleren en eventueel bijvullen: motoroliepeil.
Gebruik bij voorkeur producten van FL Selenia omdat die speciaal zijn afgestemd op de Abarth-modellen (zie de "Vullings-tabel" in het hoofdstuk "Technische ge-gevens").
ZWAAR GEBRUIK VAN DE AUTO
Als de auto overwegend onder zware bedrijfsomstandigheden rijdt, zoals:
□ trekken van aanhangers of caravans;
□ rijden op stoffige wegen;
□ veel korte ritten (minder dan 7-8 km) en bij buitentemperaturen onder nul;
□ veel langdurig stationair draaiende motor of lange ritten bij lage snelheden (bijv. bij huis-aan-huis bezorging) of als de auto lang stilstaat;
□ in de stad;
is het noodzakelijk de volgende contro- les vaker uit te voeren, dan in het Onder- houdsschema staat aangegeven:
□ remblokken voor (schijfremmen) op conditie en slijtage controleren;
vergrendelmechanismen van motorkap en achterklep op vervuiling controleren en mechanismen smeren;
visueel de conditie controleren van: motor, versnellingsbak, aandrijfassen, uitlaat, brandstof- en remleidingen, rubber delen (stofkappen, hoezen enz.) en rubber slangen van rem- en brandstofsysteem;
□ acculading en niveau van het elektrolyt in de accu controleren;
□ conditie van diverse aandrijfriemen voor hulporganen visueel controle- ren;
☐ pollenfilter controleren en eventueel vervangen;
☐ luchtfilter controleren en eventueel vervangen.
NIVEAUS CONTROLEREN

ATTENTIE
Rook nooit tijdens werkzaamheden in de motorruimte: er kunnen licht ontvlambare gassen aanwezig zijn; brandgevaar.

Belangrijk; tijdens het bijvullen mogen de vloeistoffen met verschillende specificaties niet gemengd worden: als de specificaties van de vloeistoffen verschillen, kan de auto ernstig beschadigd worden.

Controleer het oliepeil als de auto op een vlakke ondergrond staat en enige minuten (circa 5) na het uitzetten van de motor.
Het oliepeil moet altijd tussen het MIN-en MAX-merkteken op de oliepeilstok B staan.
Het verschil tussen het MIN- en MAX-merkteken komt overeen met ongeveer I liter olie.
Als het olieniveau dicht bij of onder het MIN-merkteken staat, moet via de olie-vulopening A motorolie tot aan het MAX-merkteken worden bijgevuld.
Het olieniveau mag nooit het MAX-merkteken overschrijden.
MOTOROLIEVERBRUIK
Als richtlijn geldt een maximaal motor-olieverbruik van ongeveer 400 gram per 1000 km.
De motor van een nieuwe auto moet nog worden ingereden. Dit betekent dat het motorolieverbruik pas na de eerste 5.000 ÷ 6.000 km stabiliseert.
BELANGRIJK Het motorolieverbruik hangt af van de rijstijl en de gebruiksomstandigheden van de auto.
BELANGRIJK Na het bijvullen of het verversen van de olie, moet u de motor enige seconden laten draaien, vervolgens de motor uitzetten en na enige minuten het oliepeil controleren.

ATTENTIE
Wees bij het uitvoeren van werkzaamheden in de motor- ruimte extra voorzichtig als de motor nog warm is: gevaar voor verbranding. Onthoud dat bij een warme motor de elektroventilateur onverwacht kan inschakelen: kans op verwonding. Pas op als u sjaals, dassen of loszittende kle- dingstukken draagt: deze kunnen door de bewegende onderdelen worden ge- grepen.

Vul nooit olie bij met andere specificaties dan de olie waarmee de motor is gevuld.

Afgewerkte motorolie en het vervangen motoroliefilter bevatten stoffen die schadelijk zijn voor het milieu. Het is raadzaam om het verversen van de olie en het vervangen van de filters door de Abarth-dealer te laten uitvoeren. De dealer beschikt over de uitrusting voor het op milieuvriendelijke wijze en conform de wettelijke bepalingen verwerken van afgewerkte olie en oliefilters.

Het niveau van de koelvloeistof moet gecontroleerd worden bij een koude motor en moet tussen het MIN- en MAX-merkteken op het expansiereservoir staan.
Een te laag niveau bijvullen door een mengsel van gedemineraliseerd water en 50% PARAFLU UP van FL Selenia langzaam via de vulopening A van het expansiereservoir te gieten, totdat het niveau dicht bij het MAX-merkteken staat.
Een mengsel van PARAFLU UP en gedemineraliseerd water in een mengverhouding van 50% beveiligt tot een temperatuur van -35°C.
Onder extreem koude klimatologische omstandigheden raden wij een mengsel aan van 60% PARAFLU UP en 40% gede-mineraliseerd water.

Het motorkoelsysteem gebruikt PARAFLU UP-koel-vloeistof. Gebruik voor het eventueel bijvullen vloeistof met dezelfde specificaties als waarmee het motorkoelsysteem is gevuld. PARAFLU UP-koelvloeistof kan niet worden gemengd met welke andere koelvloeistof dan ook. Als dit toch gebeurt, mag de motor absoluut niet worden gestart en moet u zich tot de Abarth-dealer wenden.

ATTENTIE
Het koelsysteem staat onder druk. Vervang de dop zo een door een exemplaar van e type, anders kan de werking systeem in gevaar worden ge- Draai bij een warme motor de het expansiereservoir nooit naar voor verbranding.

Verwijder de dop A en vul vloeistof bij.
Gebruik een mengsel van water en TUTELA PROFESSIONAL SC35 in de volgende mengverhouding:
30% TUTELA PROFESSIONAL SC35 en 70% water in de zomer.
50% TUTELA PROFESSIONAL SC35 en 50% water in de winter.
Bij temperaturen onder -20^ , TUTELA PROFESSIONAL SC35 onverdund gebruiken.
Controleer visueel het niveau van de vloeistof in het reservoir.

ATTENTIE
Rijd niet met een leeg ruitensproeierreservoir: de ruitensproeiers zijn van fundamenteel belang voor een optimaal zicht.

ATTENTIE
Enkele in de handel verkrijgbare ruitensproeiervloeistofen zijn licht ontvlambaar. In de motorruimte bevinden zich warme onderdelen die bij contact de vloeistof kunnen doen ontbranden.

Draai de dop A los: controleer of het remvloeistofniveau nog op het maximum niveau staat.
Het niveau mag nooit het MAX-merkteken overschrijden.
Als vloeistof moet worden bijgevuld, dan raden wij u aan de remvloeistof te gebruiken die staat vermeld in de tabel "Vloeistoffen en smeermiddelen" (zie het hoofdstuk "Technische gegevens").
OPMERKING Maak de dop van het reservoir A en het omringende oppervlak zorgvuldig schoon.
Wees bij het openen van de dop bijzonder voorzichtig zodat er geen vuil in het reservoir komt.
Gebruik voor het bijvullen altijd een trechter met een ingebouwde filterzeef van maximaal 0,12 mm.
BELANGRIJK De remvloeistof is hygroscopisch (trekt water aan). Als de auto overwegend wordt gebruikt in gebieden met een hoge luchtvochtigheid, dan moet de vloeistof vaker worden vervangen dan in het "Onderhoudsschema" staat aangegeven.

Voorkom contact tussen de zeer corrosieve vloeistof en de lak. Als remvloeistof wordt ge- morst, moet de lak onmiddellijk met water worden afgespoeld.

ATTENTIE
De remvloeistof is giftig en zeer corrosief. Als per ongeluk remvloeistof wordt gemorst, moeten de betreffende delen onmiddellijk worden gewassen met water en neutrale zeep en daarna met veel water worden afgespoeld. Bij inslikken dient onmiddellijk een arts te worden geraadpleegd.

ATTENTIE
Het symbool op het reservoir geeft aan dat synthetische remvloeistof en geen minerale vloeistof moet worden gebruikt. Het gebruik van minerale vloeistoffen moet absoluut worden vermeden, omdat de rubbers in het remsysteem door deze vloeistoffen worden beschadigd.
LUCHTFILTER
Laat het luchtfilter vervangen door de Abarth-dealer.
POLLENFILTER
Laat het pollenfilter vervangen door de Abarth-dealer.
ACCU
De accu van de auto is "onderhoudsarm": onder normale omstandigheden hoeft het elektrolyt niet bijgevuld te worden met ge- destilleerd water.
ACCULADING EN ELEKTROLYTNIVEAU CONTROLLEREN
De controlewerkzaamheden mogen uitsluitend door gekwalificeerd personeel worden uitgevoerd bij de kilometerstanden en op de wijze die beschreven staan in dit instructieboekje. Het eventueel bijvullen mag uitsluitend worden uitgevoerd door gespecialiseerd personeel van de Abarth-dealer.

ATTENTIE
Als de accu werkt met een zeer laag vloeistofniveau, ontstaat onherstelbare schade aan de accu en kan de accu openbarsten.

Onoordeelkundige montage van elektrische en elektronische apparatuur kan ernstige schade toebrengen aan de auto. Als u na aanschaf van uw auto accessoires wilt monteren die constante voeding nodig hebben (diefstalalarm, mobiele telefoon enz.), raden wij u aan contact op te nemen met de Abarth-dealer. Deze kan u de meest geschikte installaties aanraden en controleren of het noodzakelijk is een accu met een grotere capaciteit te monteren.

Accu's bevatten zeer schadelijke stoffen voor het milieu. Het verdient aanbeveling een defecte accu door de Abarthdealer te laten vervangen, omdat deze beschikt over de uitrusting voor het op milieuvriendelijke wijze en conform de wettelijke bepalingen, verwerken van defecte accu's.

ATTENTIE
Als u de auto langere tijd stalt in extreem koude omstandigheden moet, om bevriezing te voorkomen, de accu worden verwijderd en op een verwarmde plaats worden bewaard.

ATTENTIE
Bij werkzaamheden aan de accu of in de buurt van de accu, moet u uw ogen altijd beschermen met een speciale bril.
Om het snel ontladen van de accu te voorkomen en de levensduur te verlengen, dient u de volgende aanwijzingen nauwkeurig op te volgen:
□ wanneer u de auto parkeert, controleer dan of de portieren, de motorkap en de achterklep goed gesloten zijn. Hiermee wordt voorkomen dat de interieurverlichting blijft branden;
☐ schakel de interieurverlichting uit: de auto is in ieder geval uitgerust met een systeem voor automatische uitschakeling van de interieurverlichting;
□ voorkom zoveel mogelijk het gebruik van stroomverbruikers als de motor uitstaat (autoradio, waarschuwings-knipperlichten enz.);
☐ maak voordat werkzaamheden aan de elektrische installatie van de auto worden uitgevoerd, eerst de minpool van de accu los;
□ de klemmen moeten altijd goed zijn bevestigd.
BELANGRIJK Een accu die gedurende langere tijd minder dan 50% geladen is, raakt door sulfatering beschadigd. Hierdoor loopt de capaciteit en het startvermogen terug.
Ook is de accu dan gevoeliger voor bevriezing (reeds bij temperaturen van circa -10°C). Als u de auto langere tijd niet gebruikt, zie dan "Auto langere tijd stallen" in het hoofdstuk "Starten en rijden".
Als u na aanschaf van uw auto accessoires wilt monteren die constante voeding nodig hebben (diefstalalarm enz.), of accessoires die de elektrische installatie zwaar belasten, raden wij u aan contact op te nemen met de Abarth-dealer. Deze kan u de meest geschikte installaties uit het Abarth Lineaccessori-programma aanraden en controleren of de elektrische installatie van de auto geschikt is voor het extra stroomverbruik of dat het noodzakelijk is een accu met een grotere capaciteit te monteren.
Enkele van deze stroomverbruikers blijven continu stroom verbruiken ook bij een uitgezette motor, waardoor de accu geleidelijk onlaadt.
WIELEN EN BANDEN
De spanning van de banden, inclusief het noodreservewiel, moet regelmatig, om de twee weken en voor een lange rit, worden gecontroleerd: de bandenspanning moet bij koude banden worden gecontroleerd.
Tijdens het rijden neemt de bandenspanning toe; zie voor de juiste waarde van de bandenspanning de paragraaf "Wielen" in het hoofdstuk "Technische gegevens".
Een onjuiste bandenspanning veroorzaakt een onregelmatige slijtage van de banden fig. 6:
A juiste spanning: gelijkmatige slijtage van het loopvlak.
B te lage spanning: te grote slijtage aan de zijkanten van het loopvlak.
C te hoge spanning: te grote slijtage in het midden van het loopvlak.
Banden moeten worden vervangen als de profieldiepte van het loopvlak minder is dan 1,6 mm. Houdt u echter altijd aan de bepalingen van het land waarin u rijdt.

BELANGRIJKE AANWIJZINGEN
□ Voorkom bruusk remmen, met spinnende wielen optrekken, harde contacten tussen banden en stoepranden, kuilen en andere obstakels. Het langdurig rijden op een slecht wegdek kan de banden beschadigen;
□ controleer de banden regelmatig op scheuren in de wangen en bulten of slijtplekken op het loopvlak. Wendt u in dit geval tot de Abarth-dealer;
□ rijd nooit met een te zwaar beladen auto: hierdoor kunnen de banden en de velgen ernstig beschadigd worden;
□ stop zo snel mogelijk bij een lekke band en verwissel het wiel om beschadiging van de band, de velg, de wielophanging en de stuurinrichting te voorkomen;
□ banden verouderen, ook als zij weinig of nooit gebruikt zijn. Scheurtjes in het loopvlak en op de wangen geven aan dat de band verouderd is. Banden die langer dan zes jaar onder een auto gemonteerd zijn, moeten dan ook door een specialist worden gecontroleerd. Dit geldt in het bijzonder voor het noodreservewiel;
□ monteer nooit gebruikte banden of banden, waarvan de herkomst onbekend is;
□ bij de montage van een nieuwe band moet ook het ventiel vernieuwd worden;
om een gelijke slijtage van de banden op de vooras en de achteras te verkrijgen, is het raadzaam de banden om de 10.000 / 15.000 km van as te verwisselen. Hierbij moeten de banden aan dezelfde zijde van de auto gemonteerd blijven, zodat een omkering van de draairichting wordt voorkomen.

ATTENTIE
Bedenk dat ook de weglig- ging afhankelijk is van een
juiste bandenspanning.

ATTENTIE
Door een te lage bandenspanning wordt de band te heet, waardoor er onherstelbare inwendige schade aan de band kan ontstaan.

ATTENTIE
Verwissel de banden niet kruiselings, waarbij de banden van de rechterzijde aan de linkerzijde en omgekeerd worden gemonteerd.

ATTENTIE
Voer bij lichtmetalen velgen geen spuitwerkzaamheden uit die een temperatuur vereisen boven 150°C. De mechanische eigenschappen van de wielen kunnen hierdoor in gevaar worden gebracht.
RUBBER SLANGEN
Houd voor de rubber slangen van het rem- en brandstofsysteem zeer nauwkeurig de voorschriften van het "Onderhoudsschema" in dit hoofdstuk aan.
Ozon, hoge temperaturen en het gedurende langere tijd ontbreken van vloeistof in een systeem zorgen ervoor dat de slangen uitdrogen en scheuren, waardoor het betreffende systeem kan gaan lekken. Daarom is zorgvuldige controle noodzakelijk.
RUITENWISSERS/ ACHTERRUITWISSER
WISSERBLADEN
Maak de wisserbladen regelmatig schoon met een schoonmaakmiddel; wij raden TUTELA PROFESSIONAL SC 35 aan.
Vervang de wisserbladen als het rubber vervormd of versleten is. Het verdient aanbeveling ten minste één maal per jaar de wiserbladen te vervangen.
Met enkele simpele voorzorgsmaatregelen is het mogelijk beschadigingen van het rubber te voorkomen:
wanneer de temperatuur onder 0°C is gedaald, moet gecontroleerd worden of er geen ijs tussen wisserblad en ruit zit. Maak de wissers zo nodig vrij met een anti-vriesmiddel;
verwijder eventueel opgehoopte sneeuw van de ruit: om de wisserbladen te beschermen en oververhitting van de ruitenwissermotor te voorkomen; schakel de ruitenwissers niet in op een droge ruit.

ATTENTIE
Rijden met versleten ruiten- wisserbladen is zeer gevaar-
lijk, omdat ze het zicht onder slechte weersomstandigheden aanzienlijk beperken.

text_image
Fig. 7 F0M0161mRuitenwisserbladen vervangen fig. 7
Aanwijzingen voor het losmaken van het wisserblad:
□ til de wisserarm A van de voorruit;
□ draai het wisserblad B 90° ten opzichte van de pen C, die zich aan het uiteinde van de wisserarm bevindt;
□ trek het wisserblad los van de pen C.
Aanwijzingen voor het plaatsen van het
wisserblad:
☐ plaats de pen C in het gat in het middelste deel van het wisserblad B;
☐ plaats de wisserarm met het wisserblad op de voorruit.

text_image
A B fig. 8 F0M0162mWisserblad achter vervangen fig. 8
Ga als volgt te werk:
□ kantel het dopje A omhoog, draai de moer B los, waarmee de wisserarm aan de as is bevestigd, en neem de arm van de as;
☐ plaats de nieuwe wisserarm in de juiste stand en draai de moer zorgvuldig vast;
□ kantel het dopje naar beneden.

Als de ruitensproeiers niet werken, controleer dan eerst het niveau in het ruitensproeiertankje (zie de paragraaf "Niveaus controleren" in dit hoofdstuk).
Controleer vervolgens of de ruitensproeiermonden niet verstopt zijn. Deze kunnen zonodig met een speld worden doorgeprikt.

Achterruit (achterruitsproeier) fig. 10
De sproeiermonden van de achterruit-sproeier kunnen niet worden afgesteld.
De sproeier is ingebouwd boven de achterruit.
CARROSSERIE
De belangrijkste oorzaken van roest zijn:
□ luchtverontreiniging;
□ zoutgehalte in de lucht en luchtvochtigheid (gebieden aan zee, warm en vochtig klimaat);
omgevings-/seizoensinvloeden.
Ook de invloed van schurende elementen, zoals stoffige omgeving, opwaaiend zand, modder en steenslag op de lak en de onderzijde moet niet worden onderschat.
Abarth heeft voor uw auto de beste technologische oplossingen toegepast om de carrosserie efficiënt tegen roest te beschermen.
De belangrijkste zijn:
□ de toepassing van aangepaste spuittechnieken en lakproducten die de auto de benodigde weerstand tegen roest en schurende elementen verlenen;
□ het gebruik van verzinkte (of voorbehandelde) plaatdelen met een hoge corrosiebestendigheid;
☐ het aanbrengen van een gespoten beschermende waslaag op de onderzijde, in de wielkuipen, in de motorruimte en verschillende holle ruimtes, met een hoog beschermend vermogen;
□ het aanbrengen van een beschermende kunststof laag op kwetsbare delen: onderzijde van de portieren, binnenzijde van de spatborden, naden, randen enz.;
toepassing van "open" holle ruimtes om condensvorming te voorkomen en binnendringend water af te voeren, waardoor roest van binnenuit wordt voorkomen.
CARROSSERIEGARANTIE
Bij de auto is de carrosserie tegen door-roesten van alle originele componenten van de carrosserie en van alle dragende delen gegarandeerd.
Voor de specifieke voorwaarden van deze garantie wordt verwezen naar de "Serviceen garantiehandleiding".
TIPS VOOR HET BEHOUD VAN DE CARROSSERIE
Lak
De lak heeft behalve een esthetische functie ook een beschermende functie.
Daarom moeten beschadigingen van de laklaag, zoals krassen, onmiddellijk worden bijgewerkt om roestvorming te voorkomen. Het bijwerken dient met de originele lak te worden uitgevoerd (zie "Plaatje met informatie over de carrosserielak" in het hoofdstuk "Technische gegevens").
Het normale onderhoud van de auto beperkt zich tot wassen, waarbij de frequentie afhankelijk is van het gebruik van de auto en van de omgeving. Het is raadzaam de auto vaker te wassen in gebieden met een sterke luchtverontreiniging of bij het rijden over wegen met strooizout.
□ verwijder de antenne van het dak als u de auto in een wastunnel wast, om te voorkomen dat deze beschadigt;
□ spoel de auto eerst met een waterstraal onder lage druk af;
□ was de auto met een zachte spons met een oplossing van neutrale zeep; spoel daarbij de spons regelmatig uit;
□ spoel de auto af met schoon water en droog de auto met warme lucht of een schone, zachte zeem.
De minder zichtbare delen zoals de randen van de portieren, achterklep, motorkap en de koplampranden moeten tijdens het drogen niet vergeten worden, omdat daar water kan blijven staan. Het verdient aanbeveling de auto na het wassen niet onmiddellijk binnen te zetten, maar de auto nog even buiten te laten staan, zodat waterresten buiten kunnen verdampen.
Was de auto nooit in de zon of als de motorkap nog warm is: de glans van de lak kan afnemen.
De kunststof carrosseriedelen kunnen op dezelfde wijze worden gewassen als de gespoten carrosseriedelen.
Parkeer de auto niet onder bomen, aangezien harsdruppels bij langere inwerking de lak kunnen beschadigen, waardoor de kans op roestvorming wordt vergroot.
BELANGRIJK Vogeluitwerpselen dienen zo snel en zo goed mogelijk van de lak verwijderd te worden, omdat door de agressieve bestanddelen de lak kan beschadigen.

Schoonmaakmiddelen verontreinigen het water. Daarom moet de auto bij voorkeur worden gewassen op een plaats
waar het afvalwater direct wordt opge- vangen en gezuiverd.
Ruiten
Gebruik voor het schoonmaken van de ruiten een daarvoor geschikt schoonmaakmiddel. Gebruik een schone, zachte doek om krassen en beschadigingen te voorkomen.
BELANGRIJK Let er bij het schoonmaken van de binnenzijde van de achterruit op dat de elektrische weerstandsdraden van de achterruitverwarming niet worden beschadigd. Veeg voorzichtig in de richting van de draden.
Motorruimte
Laat de motorruimte na het winterseizoen zorgvuldig uitspuiten. Hierbij mag de waterstraal niet direct op de elektronische regeleenheden worden gericht en moeten de bovenste ventilatie-openingen goed beschermd worden, om beschadiging van de ruitenwissermotor te voorkomen. Laat deze werkzaamheden verzorgen door een gespecialiseerd bedrijf.
BELANGRIJK Voor het uitspuiten van de motorruimte moet de contactsleutel in stand STOP staan en de motor koud zijn. Controleer na het reinigen of de verschillende beschermingen (rubber kappen, deksels enz.) nog op hun plaats zitten en niet beschadigd zijn.
Koplampen
BELANGRIJK Gebruik voor het reinigen van het kunststof lampenglas van de koplampen geen aromatische producten (bijv. benzine) of ketonen (bijv. aceton).
INTERIEUR
Controleer af en toe of er onder de vloerbedekking geen water is blijven staan (dooiwater van sneeuwresten aan schoenen, lekkende paraplu's enz.), waardoor roestvorming op de bodem veroorzaakt zou kunnen worden.

ATTENTIE
Gebruik nooit ontvlambare producten zoals petroleum
of wasbenzine voor het reinigen van de interieurdelen van de auto. De elektrostatische lading die tijdens het reinigen door het wrijven ontstaat, kan brand veroorzaken.

ATTENTIE
Bewaar nooit spuitbussen in de auto: ontploffingsgevaar.
Spuitbussen mogen niet worden blootgesteld aan temperaturen boven 50°C. In de zomer kan de temperatuur in het interieur ver boven deze waarde oplopen.
STOELEN EN STOFFEN BEKLEDING
Verwijder stof met een zachte borstel of een stofzuiger. Voor een nog betere reiniging van de stoffen bekleding raden wij u aan de borstel vochtig te maken.
Reinig de zittingen met een vochtige spons en een oplossing van neutrale zeep.

De stoffen bekleding van uw auto is langdurig bestand tegen slijtage die ontstaat bij een normaal gebruik van de auto. Hevig en/of langdurig wrijven met kledingaccessoires zoals metalen gespen, sierknopen en klittenbandsluitingen, moet echter absoluut worden vermeden omdat hierdoor grote druk ontstaat op een bepaalde plek op de bekleding, waardoor deze plek kan slijten en de bekleding beschadigd wordt.
KUNSTSTOF INTERIEURDELEN
Wij raden u aan om de kunststof interieurdelen op de normale manier te reinigen met een doek bevochtigd met water en een neutrale zeep zonder schuurmiddel. Voor het verwijderen van vet- of hardnekkige vlekken moeten speciale schoonmaakmiddelen zonder oplosmiddelen worden gebruikt, die geschikt zijn voor het reinigen van kunststof en die het visuele effect en de kleur van de componenten niet wijzigen.
BELANGRIJK Gebruik nooit alcohol of benzine om het glas van het instrumentenpaneel schoon te maken.
LEREN STUURWIEL / POOKKNOP
Reinig deze componenten uitsluitend met water en neutrale zeep.
Gebruik nooit alcohol of producten op basis van alcohol.
Voordat u speciale producten gebruikt voor het reinigen van de interieurdelen, moet u eerst de aanwijzingen op het etiket van het product lezen en controleren of het geen alcohol en/of substanties op basis van alcohol bevat.
Als tijdens het reinigen van de voorruit met speciaal daarvoor bestemde producten, per ongeluk druppels op het leer van het stuurwiel of de pookknop terechtkomen, moeten deze onmiddellijk worden verwijderd en het betreffende gebied met water en neutrale zeep worden afgenomen.
BELANGRIJK Wees zeer voorzichtig bij het gebruik van mechanische diefstalbeveiligingen op het stuurwiel om beschadiging van de leren bekleding te voorkomen.
TECHNISCHEEGEOVENES
IDENTIFICATIEGEGEVENS 182
MOTORCODES - CARROSSERIE-UITVOERINGEN . 184
MOTOR 184
BRANDSTOFSYSTEEM 185
TRANSMISSIE 185
REMMEN 186
WIELOPHANGING 186
STUURINRICHTING 186
WIELEN 187
AFMETINGEN 190
PRESTATIES 191
GEWICHTEN 191
VULLINGSTABEL 192
VLOEISTOFFEN EN SMEERMIDDELEN 193
BRANDSTOFVERBRUIK 195
CO _2 -EMISSIE 196
IDENTIFICATIEGEGEVENS
Wij raden u aan om nota te nemen van de identificatiegegevens. De identificatiegegevens zijn op de volgende typeplaatjes ingeslagen:
□ Typeplaatje met identificatiegegevens.
□ Chassisnummer.
☐ Plaatje met informatie over de carrosserielak.
Motorcode.

text_image
FIAT GROUP AUTOMOBILES S.p.A. B C D E Kg F Kg 1- G Kg 2- H Kg N MOTURE-ENGINE I VERSION-VERSION L N PER RICAMBI M N FOR SPAMESfig. 1
F0M047Ab
TYPEPLAATJE MET IDENTIFICATIEGEGEVENS fig. I
Het typeplaatje is links op de bodemplaat in de bagageruimte aangebracht en bevat de volgende informatie:
B Nummer typegoedkeuring.
C Identificatiecode van het autotype.
D Chassisnummer.
E Max. toelaatbaar totaalgewicht van de auto.
F Max. toelaatbaar totaalgewicht van de auto met aanhanger.
G Max. toelaatbare voorasbelasting.
H Max. toelaatbare achterasbelasting.
I Motortype.
L Code van de carrosserie-uitvoering.
M Nummer voor de onderdelen.
N Correctiewaarde voor de uitlaat-rookgasmeting (alleen bij diesel-motoren).

text_image
A B C D fig. 2 F0M0167mPLAATJE MET INFORMATIE OVER DE CARROSSERIELAK
fig. 2
Het plaatje is op de buitenstijl (linkerzijde) van de achterklep aangebracht en bevat de volgende informatie:
A Fabrikant van de lak.
B Kleurbenaming.
C Kleurcode.
D Kleurcode voor bijwerken en overspuiten.

Het chassisnummer is ingeslagen in de bodemplaat naast de rechter voorstoel.
□ type van de auto;
□ oplopend productienummer.
MOTORCODE
De motorcode is in het cilinderblok ingeslagen, en bestaat uit het motortype en een oplopend productienummer.
MOTORCODES - CARROSSERIE- UITVOERINGEN
| Uitvoeringen | 1.4 T-JET |
| Motorcode | 199A8000 |
| Code van de carrosserieuitvoering | 199AXN1B28 |
MOTOR
| UITVOERING | I.4 T-JET | |
| Typecode 199A8000 | ||
| Cyclus Otto | ||
| Aantal en opstelling cilinders 4 in lijn | ||
| Boring en slag mm 72 x 84 | ||
| Cilinderinhoud | cm^3 | 1368 |
| Compressieverhouding 9,8 ± 0,2 | ||
| Max. vermogen (EU) kW 114 | ||
| bijbehorend toerental min | -1 | pk 155 (☐)5500 |
| Max. koppel (EU) Nm 201/230 (*) | ||
| bijbehorend toerental min | kgm 20-1 | 5000/3000 (*) |
| Bougies NGK IKR9F8 | ||
| Brandstof | Loodvrije benzine95 RON of 98 RON(specificatie EN228) | |
(*) Met OVER-BOOST
(☐) Maximum vermogen van 155 pk bereikt met gebruik van loodvrije benzine van 98 RON
BRANDSTOFSYSTEEM
I.4 T-JET
Brandstofsysteem Elektronische Multipoint inspuiting

ATTENTIE
Modificaties of reparaties aan het brandstofsysteem die niet correct worden uitgevoerd en waarbij geen rekening wordt gehouden met de technische specificaties van het systeem, kunnen storingen in de werking en zelfseroorzaken.
TRANSMISSIE
I.4 T-JET
Versnellingsbak Zes gesynchroniseerde versnellingen vooruit en een versnelling achteruit
Koppeling Zelfstellend met koppelingspedaal zonder vrije slag
Aandrijving Voor
REMMEN
I.4 T-JET
Voetrem:
- voor schijfremmen
- achter schijfremmen
Handrem bediend met handremhefboom, werkend op de achterwielen
BELANGRIJK Water, ijs en strooizout op de wegen kunnen zich afzetten op de remschijven waardoor de gewenste remvertraging iets later wordt bereikt.
WIELOPHANGING
I.4 T-JET
Voor onafhankelijke wielophanging, type McPherson
Achter met via torsiebrug gekoppelde wielen
STUURINRICHTING
I.4 T-JET
Type tandheugelstuurhuis met elektrische stuurbekrachtiging
Draaicirkel
(tussen stoepranden) m II
WIELEN
VELGEN EN BANDEN
Geperst stalen of lichtmetalen velgen. Tubeless radiaalbanden. Op de typegoedkeuring zijn bovendien alle goedgekeurde banden aangegeven.
BELANGRIJK Als de gegevens in het instructieboekje afwijken van die van de typegoedkeuring, dient u zich altijd aan de gegevens van de typegoedkeuring te houden.
Voor de rijveiligheid is het noodzakelijk dat alle wielen zijn voorzien van banden van hetzelfde merk en hetzelfde type.
BELANGRIJK In tubeless banden mogen geen binnenbanden gebruikt worden.
RESERVEWIEL
Geperst stalen velg. Tubeless band.
WIELUITLIJNING
Toespoor voor totaal: -1 ± 1 mm
Toespoor achter totaal: 1,7 ± 2 mm
De waarden zijn van toepassing op een onbelaste auto in rijklare staat.

Voorbeeld: 205/45 R17 88V
205 = Nominale breedte (S, afstand in mm tussen de flanken).
45 = Hoogte/breedte-verhouding (H/S) (percentage).
R = Radiaalband.
17 = Diameter van de velg (in inch) (∅).
88 = Beladingsindex (draagvermogen).
V = Snelheidsindex.
Snelheidsindex
Q = tot 160 km/h.
R = tot 170 km/h.
S = tot 180 km/h.
T = tot 190 km/h.
U = tot 200 km/h.
H = tot 210 km/h.
V = tot240km / h
Maximum snelheid bij winterbanden
QM + S = max. 160 km/h.
TM + S = max. 190 km/h.
Beladingsindex (draagvermogen)
70 = 335 kg
71 = 345 kg
72 = 355 kg
73 = 365 kg
74 = 375 kg
75 = 387 kg
76 = 400 kg
77 = 412 kg
78 = 425 kg
79 = 437 kg
80 = 450 kg
81 = 462 kg
82 = 475 kg
83 = 487 kg
84 = 500 kg
85 = 515 kg
86 = 530 kg
87 = 545 kg
88 = 560 kg
89 = 580 kg
90 = 600 kg
91 = 615 kg
VERKLARING VAN DE CODERING
OP DE VELGEN fig. 4
Voorbeeld: 7J x 17" ET39
7 = breedte van de velg in inch 1.
J = velgbedprofiel (deel aan de zij- kanten waarop de band steunt) 2.
17 = montagediameter in inch (komt overeen met die van de band die gemonteerd moet worden) 3 = ∅.
ET39 = diepte van de velgbolling (afstand tussen het montagevlak van de velg op de naaf en het velghart).
Uitvoering Velgen (**) Standaard banden
| I.4 T-JET 6,5J × 17 ET36 205/45 R17 88V | 7J × 17 ET39 215/45 R17 91Y (*) |
(*) Niet geschikt voor sneeuwkettingen
(**) Steek van wielbouten 100 mm en wielbouten M12 x 1,5; gebruik uitsluitend wielen die voor deze auto zijn bestemd.
BANDENSPANNING IN KOUDE TOESTAND (bar)
| Banden Bij gemiddelde belading VolbeladenVoor Achter Voor Achter | |||
| 215/45 R17 91Y 2,3 2,1 2,2 2,2 | |||
| 205/45 R17 88V 2,3 2,1 2,2 2,2 | |||
Bij warme banden moet de bandenspanning 0,3 bar hoger zijn dan de voorgeschreven waarde. Controleer de spanning opnieuw bij koude banden. Bij winterbanden moet de in de tabel aangegeven waarde van de standaard gemonteerde banden met 0,2 bar verhoogd worden.
Bij rijden met snelheden boven 160 km/h moet de bandenspanning worden verhoogd tot de waarden voor volle belading. Als de auto is uitgerust met het TPMS-systeem, moet de in de tabel aangegeven waarde van de bandenspanning met 0,1 bar verhoogd worden.
AFMETINGEN
De afmetingen zijn aangegeven in mm en hebben betrekking op een auto die is uitgerust met standaard banden.
De hoogte heeft betrekking op een onbelaste auto.
Inhoud bagageruimte
Inhoud bij onbeladen auto (VDA-norm) 275 dm ^3
Inhoud bij omgeklapte rugleuning en zitting van achterbank 638 dm³

Uitvoering A B C D E F G H
1.4 - T-JET 4041 878 2510 653 1490 1476 1721 1465
BELANGRIJK Afhankelijk van de velg-/bandenmaat kunnen er kleine verschillen zijn in de maten.
PRESTATIES
Maximale snelheid na de inrijperiode in km/h.
I.4 T-JET
| 208 |
GEWICHTEN
| Gewichten (kg) 1.4 T-JET | |
| Rijklaargewicht (met alle vloeistoffen, brandstoftank voor 90 % gevuld en zonder optionals): 1185 | |
| Nuttig laadvermogen (*) inclusief de bestuurder: 480 | |
| Max. toelaatbaar gewicht (**)- vooras: 950- achteras: 850- totaalgewicht: 1665 | |
| Trekgewichten- geremde aanhanger: 500- ongeremde aanhanger: 400 | |
| Max. dakbelasting: 75 | |
| Max. gewicht op de trekhaak (geremde aanhanger): 60 | |
(*) Als er speciale accessoires zijn gemonteerd (opendak, trekhaak enz.), dan stijgt het rijklaar gewicht, waardoor het totale laadvermogen met hetzelfde gewicht daalt.
(**) Maximum waarden die niet mogen worden overschreden. Het is de verantwoordelijkheid van de gebruiker dat de auto zodanig wordt beladen dat deze limieten niet worden overschreden.
VULLINGSTABEL
| I.4 T-JET | Voorgeschreven brandstof en originele smeermiddelen | ||
| Brandstoftank: inclusief een reserve van: liter | liter | 45 5 ÷ 7 | Loodvrije benzine met octaangetal van ten minste 95 RON (specificatie EN228) |
| Motorkoelsysteem motor: liter | 6 | Mengsel van water en 50% PARAFLU UP (☐) | |
| Carter: liter | 2,4 | SELENIA K P.E. | |
| Carter en filter: liter | 2,6 | ||
| Versnellingsbak/ differentieel: kg | 2 | TUTELA CAR MATRYX | |
| Hydraul. remcircuit: kg | 0,5 | TUTELA TOP 4 | |
| Vloeistofreservoir ruitensproeiers en achterruitsproeier liter | 2,2 | Mengsel van water en TUTELA PROFESSIONAL SC 35 | |
(☐) Bij extreem koude klimatologische omstandigheden raden wij een mengsel aan van 60% PARAFLU UP en 40% gedemineraliseerd water.
VLOEISTOFFEN EN SMEERMIDDELEN
SPECIFICATIES EN AANBEVOLEN PRODUCTEN
| Gebruik | Specificaties van de vloeistoffen en smeermiddelen voor een correct functioneren van de auto smeermiddelen (originele) interval | Vloeistoffen en | Vervangings- |
| Smeermiddelen | MotorolieSAE 5W-40 ACEA C3 op synthetische basis met kwalificatie FIAT 9.55535-S2. | SELENIA K P.E.ContractualTechnical ReferenceN° F603.C07 | Volgens het Geprogrammeerde Onderhoudsschema |
Als u niet de originele SAE 5W/40-producten gebruikt, moeten de smeermiddelen minimaal voldoen aan de specificaties ACEA C3; in dit geval zijn de optimale prestaties van de motor niet gegarandeerd.
Het gebruik van producten die niet voldoen aan de specificaties ACEA C3 kan beschadigingen aan de motor veroorzaken die niet door de garantie gedekt worden.
Vraag bij extreem koude klimatologische omstandigheden de Abarth-dealer om het juiste product uit de Selenia-lijn.
| Gebruik Specificaties v/d vloeistoffen en smeermiddelen Vloeistoffen Toepassing voor een correct functioneren van de auto en (originele) smeermiddelen | |||
| Olie en vetten voor krachtoverbrengingen | Synthetische olie SAE 75W-85.Voldoet ruimschoots aan de specificaties API GL4 PLUS. | TUTELA CAR MATRYXContractual Technical Reference N° F108.F02 | Handgeschakelde versnellingsbak en differentieel |
| Vet met molybdeenbisulfide voor hoge bedrijfstemperaturen. Indringingsgetal N.L.G.I. I-2 | TUTELA ALL STARContractual Technical Reference N° F702.G07 | Homokinetische koppelingen aan wielzijde | |
| Specifiek vet met een lage wrijvingscoëfficiënt voor homokinetische koppelingen.Indringingsgetal N.L.G.I. 0-I | TUTELA STAR 325Contractual Technical Reference N° F301.D03 | Homokinetische koppelingen aan differentieelzijde | |
| Remvloeistof | Synthetische remvloeistof FMVSS nr 116 DOT 4, ISO 4925 SAE J1704, CUNA NC 956-01 | TUTELA TOP 4Contractual Technical Reference N° F001.A93 | Hydraulisch remsysteem en koppelingbediening |
| Antivries voor radiateur | Roodgekleurd beschermingsmiddel met antivries op basis van monoethyleen-glycol voor koelsysteem, corrosiewerend met organische formule. | PARAFLU UP (*)Contractual Technical Reference N° F101.M01 | Motorkoelsysteem. Mengverhouding: 50% water en 50% PA-RAFLU UP (☐) |
| Vloeistof voor ruitensproeiers/achterruitsproeier | Voldoet ruimschoots aan de specificaties CUNA NC 956-16, ASTM D 3306Mengsel van alcoholen, water en oppervlakte-actieve stoffen CUNA NC 956-II | TUTELA PROFESSIONAL SC 35Contractual Technical Reference N° F201.D02 | Onverdund of met water gebruiken |
(*) BELANGRIJK Nooit bijvullen of mengen met vloeistoffen waarvan de specificaties afwijken van hetgeen is voorgeschreven.
(☐) Bij extreem koude klimatologische omstandigheden raden wij een mengsel aan van 60% PARAFLÜ UP en 40% gedemineraliseerd water.
BRANDSTOFVERBRUIK
Het brandstofverbruik dat in de tabellen is opgenomen, is gemeten volgens een vastgestelde testmethode die in EU-normen is vastgelegd.
Het brandstofverbruik is gemeten volgens onderstaande procedure:
□ een stadsrit: opgebouwd uit een koude start gevolgd door een gesimuleerde, normale testrit in stadsverkeer;
□ een rit buiten de stad: waarbij veelvuldig wordt geaccelereerd in alle versnellingen en waarmee een normaal gebruik van de auto buiten de stad wordt gesimuleerd. De snelheid varieert tussen de 0 en 120 km/h;
□ gecombineerd: hierbij telt de waarde van de stadsrit mee voor 37% en de waarde van de testrit buiten de stad voor 63%.
BELANGRIJK Het soort wegdek, verkeerssituatie, atmosferische omstandigheden, rijstijl, algemene conditie van de auto, uitrustingsniveau, gebruik van de airconditioning, lading van de auto, imperiaal op het dak en andere situaties die de aerodynamica kunnen beïnvloeden, leveren een ander brandstofverbruik op dan hier vermeld.
Brandstofverbruik volgens EU-normen 1999/100 (liter x 100 km)
Uitvoeringen Stadsverkeer Buitenweg Gecombineerd
1.4 T-JET 9,6 5,3 6,9
CO₂-EMISSIE
De CO _2 -emissie, vermeld in de volgende tabel, is gemeten op een gecombineerd traject.
Uitvoeringen CO
^2 -emissie volgens EU 1999/100-normen (g/km)
1.4 T-JET 162
ALFABETISCHREGISTER
Aansteker....60
ABS 76
Accu
- accu opladen 157
- acculading en elektrolytniveau controleren .... 171
- starten met een hulpaccu...... 134
Achterklep.... 68
Achterruitsproeier
- bediening.... 49
- vloeistofniveau 168
Achterruitverwarming.... 38-46
Achterruitwisser
- bediening.... 49
- ruitensproeiers 175
- wisserblad 174
Afmetingen.... 190
Armsteun....59
Asbak....60
ASR....81
- in-/uitschakelen.... 82
Auto langere tijd stallen 120
Bagageruimte.... 68
- noodbediening van achterklep ..... 69
- openen en sluiten van achterklep.. 68
- vergroten 69
Bagageruimte vergroten.... 69
Bagageruimteverlichting.... 55
Banden
- bandenspanning 189
- onderhoud.... 173
- repareren.... 135
- standaard.... 189
- verklaring van bandencodering ..... 187
Banden repareren.... 135
Bandenspanning.... 189
Bedieningsknoppen.... 55
Bekerhouders
- blikjeshouders.... 60
Bescherming van het milieu.... 90
Bougies
- type 184
Brake Assist
(remregeling bij noodstops)...... 78
Brandstof
- brandstofmeter.... 15
- brandstofnoodschakelaar 57
Brandstofmeter.... 15
Brandstofnoodschakelaar...... 57
Buitenverlichting
- bediening.... 47
- gloeilamp achter vervangen ..... 143
- gloeilamp voor vervangen .... 141
Buitenverlichting 47
Carrosserie
- carrosseriecodes.... 184
- onderhoud.... 176
Chassisnummer.... 182
CO2-emissie.... 196
Code Card 9
Cruise-control (snelheidsregelaar) .. 52
Dashboard 5
Dashboard en bediening...... 4
Dashboardkastje 58
- gloeilamp vervangen 142
Display, instelbaar multifunctioneel . 16
Dop van brandstoftank.... 89
EOBD (systeem)...... 83
ESP (systeem) 78
Extra accessoires 88
Fiat CODE (startblokkering) ...... 9
Fix&Go automatic.... 135
Frontairbags 103
Gebruik van de handgeschakelde versnellingsbak.... 113
Gewichten.... 191
Gloeilamp (vervangen van een)
- algemene aanwijzingen.... 139
- lamptypen 139
Gordelspanners.... 94
Grootlicht
- bediening.... 47
- gloeilamp vervangen 142
- grootlichtsignaal.... 47
Handrem.... 112
Handschoenenvak.... 59
Hoofdsteunen.... 30
Identificatiegegevens.... 182
Imperiaal/skidrager 73
Instapverlichting 55
Instrumenten 14
Instrumentenpaneel.... 13
Interieur.... 179
Kentekenplaatverlichting.... 145
Kinderen veilig vervoeren.... 97
Klimaatregeling, automatische tweezone-regeling...... 40
Klimaatregeling, handbediend...... 34
Koelvloeistoftemperatuurmeter..... 15
Koplampen 74
Koppeling.... 185
Lak 177
Lampjes en berichten.... 121
Luchtfilter 170
Luchtroosters.... 34
- gloeilamp vervangen 143
Montagevoorbereiding voor "Isofix Universeel"-kinderzitje...... 102
Motor
- code 182
- identificatiecode 184
- specificaties.... 184
Motor starten
- motor opwarmen na het starten... III
- motor uitzetten.... III
- noodstart 134
- rollend starten 134
- start-/contactslot.... 13
- starten met een hulpaccu.... 134
- startprocedure.... 110
Motorkap....71
Motorolie
- Geprogrammeerd onderhoud ..... 162
- Geprogrammeerd onderhouds- schema.... 163
- Periodieke controles.... 165
- Zwaar gebruik van de auto...... 165
Opendak 62
Opkrikken van de auto.... 158
Parkeren.... 112
Pasjeshouder - CD-houder ...... 60
Plafondverlichting
- bediening.... 54
- gloeilampen vervangen.... 146
Plafondverlichting
- bagageruimte.... 55
- instapverlichting.... 55
- voor 54
Pollenfilter 170
Portieren 64
Prestaties 191
Radiozendapparatuur en mobiele telefoons 89
Regensensor 50
Remmen
- specificaties.... 186
- vloeistofniveau 169
Richtingaanwijzers
- bediening.... 48
- gloeilamp achter vervangen ..... 143
- gloeilamp op flanken vervangen ..... 143
- gloeilamp voor vervangen .... 142
Rokerskit 60
Rubber slangen.... 174
Ruitbediening 66
Ruiten (reinigen) 178
Ruitensproeiers
- bediening.... 49
- vloeistofniveau 168
Ruitenwissers
- bediening.... 49
- ruitensproeiers 175
- wisserbladen.... 174
Slepen van de auto.... 159
Sleutel met afstandsbediening ..... 9
Sleutels 9
Sneeuwkettingen.... 119
Snelheid (maximum).... 191
Snelheidsmeter.... 14
Spiegels
- binnenspiegel.... 31
- buitenspiegels.... 32
Start-/contactslot 12
Startblokkering Fiat CODE ...... 7
Starten en rijden 109
Stekkerdoos.... 60
Stoelverstelling.... 28-29
Stuurinrichting 186
Stuurslot 12
Stuurwiel (verstellen)...... 31
Stuurwielverstelling 31
Symbolen 7
Tanken....89
Tankklepje 89
Trekken van aanhangers
- trekhaak monteren.... 118
Trekkrachtbegrenzers 94
Trip computer.... 25
Typeplaatjes
- carrosserielak.... 183
- identificatiegegevens 182
Veiligheid....91
Veiligheidsgordels
- algemene opmerkingen.... 95
- gebruik.... 92
- onderhoud.... 97
- trekkrachtbegrenzers.... 94
Velgen.... 187
Verbruik
- brandstof.... 195
- motorolie.... 167
Versnellingsbak
- gebruik van de handgeschakelde versnellingsbak.... 113
Vloeistoffen en smeermiddelen ..... 193
Waarschuwingsknipperlichten...... 55
Wielen
- wieluitlijning.... 187
Wielophanging.... 186
Wieluitlijning.... 187
Wisserbladen voor en achter ..... 174
Zekeringen (vervangen) 148
Zij-airbags.... 106
Zitplaatsen
- instellen 28
- omklappen (zitplaatsen achter)..... 29
- reinigen.... 179
Zonnekleppen.... 61
BEPALINGEN VOOR HET VERWERKEN VAN DE AUTO AAN HET EINDE VAN ZIJN LEVENSDUUR
Al jaren werkt Fiat hard aan de bescherming van het milieu door de doorlopende verbetering van de productieprocessen en de ontwikkeling van producten die steeds milieuvriendelijker zijn. Om de cliënten de best mogelijke service te garanderen in overeenstemming met de milieunormen en conform de verplichtingen die voortvloeien uit de 2000/53/EU-richtlijn voor auto's die aan het einde van hun levensduur zijn, biedt Fiat aan haar cliënten de mogelijkheid de eigen auto* aan het einde van zijn levensduur in te leveren zonder extra kosten.
De Europese richtlijn voorziet er namelijk in dat de auto kan worden ingeleverd zonder kosten voor de laatste houder en/of eigenaar als de auto geen of een negatieve marktwaarde heeft. In bijna alle EU-landen is tot 1 januari 2007 de inname alleen kosteloos voor auto's die vanaf I juli 2002 zijn geregistreerd, terwijl vanaf 2007 de inname kosteloos is onafhankelijk van het registratiejaar op voorwaarde dat de auto nog beschikt over de essentiële onderdelen (met name motor en carrosserie) en vrij is van bijkomende afvalstoffen.
Voor de afgifte van uw auto aan het einde van zijn levensduur kunt u zich zonder aanvullende verplichtingen tot de Fiat-dealer wenden of tot een van de inzamelings- en verwerkingsbedrijven die door Fiat zijn goedgekeurd. Dergelijke bedrijven zijn zorgvuldig uitgekozen en bieden een kwaliteitservice voor de inzameling, de verwerking en het hergebruik van onderdelen van buiten gebruik gestelde auto's met respect voor het milieu.
Voor informatie over de inzamelings- en verwerkingsbedrijven kunt u terecht bij de Fiat-dealer of bel het gratis nummer 00800 3428 0000 of raadpleeg de Fiat internetsite.
(*) Auto met maximaal 9 zitplaatsen voor personenvervoer en een maximaal toelaatbaar gewicht van 3,5 t.
NOTILES
De kracht achter uw motor.

text_image
SELENIA® MOTOR OIL PERFORMER MULTIPOWER 5W-30 SELENIA® MOTOR OIL DIGITECH OWL-30 SELENIA® MOTOR OIL WR WIDE RANGE 5W-40Vraag uw dealer naar SELÈNIA®
Selenia: de perfecte keuze voor uw auto
De motor van uw nieuwe auto is ontwikkeld met Selenia; een motorolielijn die voldoet aan de meest geavanceerde internationale specificaties.
Tijdens specifieke tests blijkt dat door de hoge technische specificaties Selenia het smeermiddel is om de prestaties van uw motor optimaal en betrouwbaar te houden.
Selenia omvat een reeks technologisch geavanceerde producten:
SELENIA PERFORMER MULTIPOWER
Ideale olie voor bescherming van de nieuwe generatie benzinemotoren zelfs onder de zwaarste bedrijfssituaties en extreemste klimatologische omstandigheden. Garandeert een beperking van het brandstofverbruik (Energy conserving) en is bijzonder geschikt voor motoren op alternatieve brandstoffen.
SELENIA K
Een synthetisch smeermiddel op basis van een nieuwe technologie, dat bij benzinemotoren de koude start verbetert en maximale bescherming biedt, ook als de auto overwegend in stadsverkeer wordt gebruikt. Dankzij een viscositeit van 5W-40 en de speciale formule wordt bijzonder effectief voldaan aan de nieuwe Europese emissie-eisen en moeite-loos de zwaarste internationale specificaties overtroffen.
SELENIA WR
Specifieke olie voor common rail of Multijet dieselmotoren voor een optimale koude start, maximale bescherming tegen slijtage, optimale werking van hydraulische klep-stoters, beperking van het verbruik en stabiliteit bij hoge temperaturen.
SELENIA DIGITECH
Volledig synthetische motorolie voor benzine- en dieselmoto-ren. Geavanceerde technologie voor de motor; de garantie voor maximale bescherming, brandstofbesparing en betrouwbaarheid onder extreme klimatologische omstandigheden.
De Selenialijn wordt gecompleteerd door Selenia StAR, Selenia Racing, Selenia 20K Alfa Romeo, Selenia TD, Selenia Performer 5W-40. Bezoek voor verdere informatie over de Selenia producten de site www.flselenia.com
BANDENSPANNING IN KOUDE TOESTAND (bar)
| Banden Bij gemiddelde belading VolbeladenVoor Achter Voor Achter | |||
| 215/45 RI7 9IY 2,3 2,1 2,2 2,2 | |||
| 205/45 RI7 88V 2,3 2,1 2,2 2,2 | |||
Bij warme banden moet de bandenspanning 0,3 bar hoger zijn dan de voorgeschreven waarde. Controleer de spanning opnieuw bij koude banden. Bij winterbanden moet de in de tabel aangegeven waarde van de standaard gemonteerde banden met 0,2 bar verhoogd worden.
Bij rijden met snelheden boven 160 km/h moet de bandenspanning worden verhoogd tot de waarden voor volle belading. Als de auto is uitgerust met het TPMS-systeem, moet de in de tabel aangegeven waarde van de bandenspanning met 0,1 bar verhoogd worden.
MOTOROLIE VERVERSEN 1.4 T-JET liter kg
| Motorcarter en filter 2,6 – |
BRANDSTOFTANK (liters) 1.4 T-JET
| Tankinhoud 45 | |
| Reserve 5 ÷ 7 |
De benzinemotoren zijn uitsluitend geschikt voor loodvrije benzine met een minimum octaangetal van 98 RON (specificatie EN 228).
Importeur voor Nederland: Fiat Group Automobiles Netherlands B.V. - Singaporestraat 92-100 - 1175RA Lijnden
Druknummer 603.81.267NL 07/2007 - I ^e editie
Vervaardigd door Hoogcarspel Grafische Communicatie - Middenbeemster

De gegevens in deze publicatie zijn uitsluitend indicatief bedoeld. Fiat behoudt zich het recht voor op elk moment de in dit boekje beschreven modellen om technische of commerciële redenen te wijzigen. Voor de laatste informatie hieromtrent kunt u zich tot de Fiat-dealer wenden. Gedrukt op houtvrij milieuvriendelijk papier.