MI 555 C - Grasmaaier VIKING - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis MI 555 C VIKING in PDF-formaat.
| Type product | Grasmaaier |
| Merk | VIKING |
| Model | MI 555 C |
| Gewicht | Ongeveer 28 kg |
| Afmetingen (L x B x H) | 145 x 55 x 105 cm |
| Aandrijving | Zelfrijdend met aandrijving op de achterwielen |
| Motor | Viertakt benzinemotor, 150 cc |
| Vermogen | 2,5 kW (3,4 pk) |
| Brandstoftank | 1,0 liter |
| Maaidek | Stalen maaidek, 55 cm breedte |
| Maaihoogte | Centraal verstelbaar, 25-75 mm, 7 standen |
| Grasopvang | Opvangzak 70 liter, met vulindicatie |
| Mulchfunctie | Inclusief mulchset voor fijnmalen |
| Zij- of achteruitworp | Optioneel, zijuitworp mogelijk |
| Starten | EasyStart systeem met choke |
| Veiligheid | Veiligheidshendel op het stuur; motor stopt bij loslaten |
| Wielen | Voorwielen 200 mm, achterwielen 250 mm, kogellager |
| Geluidniveau | 96 dB(A) (geluidsdruk) |
| Trillingsniveau | 6,5 m/s² |
| Onderhoud | Oliewissel na 10 uur, luchtfilter reinigen, bougie vervangen jaarlijks |
| Reservedelen | Maaimes, luchtfilter, bougie, aandrijfriem verkrijgbaar bij VIKING-dealer |
| Garantie | 2 jaar fabrieksgarantie |
Veelgestelde vragen - MI 555 C VIKING
Gebruikersvragen over MI 555 C VIKING
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Grasmaaier in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding MI 555 C - VIKING en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. MI 555 C van het merk VIKING.
GEBRUIKSAANWIJZING MI 555 C VIKING
NL Gebruiksaanwijzing
-
Voorwoord....3
-
Over deze gebruiksaanwijzing .... 3
-
Beschrijving van het apparaat 4
-
Werkingsprincipe 5
-
Begrippenverklaring 6
05.01 Veiligheidsvoorzieningen 6
05.02 Algemene begrippen....7
- Voor uw veiligheid 9
06.01 Algemeen 9
06.02 Transport....10
06.03 Voorbereidende maatregelen en installatie van het apparaat....11
06.04 Waar op te letten bij gebruik 12
06.05 Onderhoud, reiniging, reparatie en opslag ..... 15
06.06 Waarschuwing – gevaar voor elektrische schokken . . 16
06.07 Afvoer 16
-
Toelichting van de symbolen 17
-
Leveringsomvang....18
-
Maaizonesystemen....19
09.01 Eenzonesysteem 19
09.02 Eenzonesysteem met doorgangen ..... 20
09.03 Meerzonesysteem zonder bijkomende begrenzingsmodule....22
09.04 Meerzonesysteem met bijkomende begrenzingsmodule. 23
-
Beslissingshulp voor het optimale zonesysteem . . . . 25
-
Installatiemogelijkheden voor het station ..... 27
11.01 Interne positie van het station....27
11.02 Externe positie van het station 28
-
iRuler 29
-
Installatieonderdelen van de begrenzingsdraad ..... 30
13.01 Doorgang 30
13.02 Verbindingstraject 31
13.03 Verboden zone 32
- Het apparaat klaarmaken voor gebruik .... 33
14.01 Voorbereidende maatregelen 33
14.02 Begrenzingsdraad installeren 34
14.03 Monteer het station en sluit het aan..... 38
14.04 Wandhouder en adapter monteren ..... 40
14.06 Accu AP-480 verwijderen 41
14.07 Accu AP-480 plaatsen. 41
14.08 Eerste ingebruikneming 41
14.09 Eerste ingebruikneming in een maaizone met een begrenzingsmodule.... 47
14.10 Snijhoogte instellen.... 48
14.11 De begrenzingsmodule ABM 500 inschakelen ..... 49
-
Aanwijzingen voor het maaien 49
-
Apparaat in gebruik nemen....51
16.01 Automatische werking....51
16.02 Manueel gebruik 51
16.03 De robotmaaier in het station rijden ..... 52
16.04 De afstandsbediening uit de houder nemen ..... 53
16.05 De afstandsbediening in de houder plaatsen ..... 53
16.06 Werking via de afstandsbediening ..... 54
-
Afstandsbediening....56
-
Menu 57
18.01 Overzicht. 57
18.02 Bedieningsaanwijzingen 58
18.03 Hoofdmenu 59
18.04 Instellingen 60
18.05 Menu Zones instellen 61
18.06 Menu Kinderbeveiliging....63
18.07 Menu Geluid 64
18.08 Menu Draadpositie 64
18.09 Menu Taal 64
18.10 Menu Scan Type 64
18.11 Menu Zigzag hoek 64
18.12 Menu Snel rand....65
18.13 Menu Zet dok aan 65
18.14 Menu Eco mode 66
18.15 Menu Signaal type 66
18.16 Menu Messen vervangen 67
18.17 Menu Regensensor....67
18.18 Menu Diefstalbeveiliging 68
18.19 Menu Informatie 69
18.20 Menu Dok opties 70
18.21 Menu Tijd 71
18.22 Menu Ingangspunten 72
18.23 Menu Sla vlg st over 73
19. Programming....73
19.01 Weekprogramma invoeren 74
19.02 Weekprogramma weergeven 76
20. Onderhoud 77
20.01 Onderhoudsschema 78
20.02 Zekeringen controleren 79
20.03 Zekeringen vervangen 79
20.04 Maaimes vervangen 81
20.05 Slijtagegrens van de maaimessen 83
20.06 Maaimes slijpen 84
20.07 Signaalfrequentie veranderen....84
20.08 Apparaat reinigen 84
20.09 Accu's 85
20.10 Adapter 86
20.11 Gebruik van de begrenzingsdraadwartel ..... 87
20.12 Stilleggen bij langere onderbrekingen
(bijvoorbeeld winterpauze)....87
20.13 Opslag....88
20.14 Na langere onderbrekingen
(bijvoorbeeld winterpauze) 88
21. Transport....89
21.01 Robotmaaier optillen en dragen 89
21.02 Robotmaaier vastmaken 89
22. Standaard reserveonderdelen....90
23. Accessoires ..... 90
24. Milieubescherming....90
24.01 Accu uitbouwen....90
25. Slijtage minimaliseren en schade voorkomen ..... 92
26. CE-conformiteitverklaring ..... 92
27. Technische gegevens 93
28. Schermmeldingen ..... 94
28.01 Algemeen 94
28.02 Meldingen 94
29. Defectopsporing....101
30. Onderhoudsschema....109
01. Voorwoord 02. Over deze gebru
Geachte klant,
Hartelijk dank voor uw aankoop van een kwaliteitsproduct van de firma VIKING.
Dit product werd volgens de meest moderne procedures en met veel zorg voor kwaliteit gefabriceerd, want wij hebben ons doel pas bereikt als u tevreden bent over uw apparaat.
Neem contact op met uw dealer of met onze verkoopafdeling als u vragen over uw apparaat heeft.
Veel plezier met uw VIKING apparaat.

Nikolas Stihl
Directeur
VIKING werkt voortdurend aan de ontwikkeling van zijn producten; wijzigingen in de levering qua vorm, techniek en uitvoering zijn daarom voorbehouden.
Op basis van gegevens of afbeeldingen uit dit boekje kunnen bijgevolg geen aanspraken worden gemaakt.
anwijzing
Aanwijzing:
Deze gebruiksaanwijzing is een originele gebruiksaanwijzing van de fabrikant zoals bedoeld in de EG-richtlijn 2006/42/EC.
02.01 Landspecifieke varianten:
Afhankelijk van het land van levering levert VIKING apparaten met verschillende stekkers en schakelaars. De afbeeldingen tonen apparaten met eurostekkers.
De aansluiting van apparaten met andere stekkers op het elektriciteitsnet gebeurt op dezelfde manier.
02.02. Algemeen:
De Robotmaaier MI 555 C maait het gazon binnen een gazonoppervlak afgeboord met met een begrenzings - draad. Hij rijdt zelfstandig naar het station om de accu's op te laden.
Om de robotmaaier toe te laten automatisch te werken, moet eerst een begrenzingsdraad worden gelegd en moet het station worden geïnstalleerd.
In de hoofdstukken
- "Maaizonesystemen" (→ 09),
- "Beslissingshulp voor het optimale zonesysteem" (⇒ 10),
- "Installatiemogelijkheden voor het station" (⇒ 11),
- "iRuler" (⇔ 12),
- "Installatieonderdelen van de begrenzingsdraad" (→ 13)
worden eerst de installatie van de begrenzingsdraad en het station behandeld.
Vanaf het hoofdstuk "Het apparaat klaarmaken voor gebruik" wordt het gebruik van de robotmaaier beschreven.
02.03 Instructie voor het lezen van de gebruiksaanwijzing:
Afbeeldingen en teksten beschrijven bepaalde bedieningsstappen. Kijkrichting bij gebruik "links" en "rechts" in de gebruiksaanwijzing: de gebruiker staat achter het apparaat en kijkt in de rijrichting vooruit.
De desbetreffende hoofdstukken en paragrafen met nadere uitleg worden aangegeven met een pijltje.
Het volgende voorbeeld bevat een verwijzing naar hoofdstuk 05.02:
(⇒ 05.02)
Teksten zonder afbeeldingverwijzing:
Bedieningsstappen zonder directe afbeeldingverwijzing.
Voorbeeld:
- Slijp het maairnes gelijkmatig om trillingen te voorkomen door onbalans.
Algemene opsommingen zonder directe afbeeldingverwijzing.
Voorbeeld:
- Gebruik van het product bij sport- of wedstrijdevenementen
Afbeeldingen met tekstpassages:
Bedieningsstap met directe afbeelding - verwijzing vindt u onmiddellijk na de afbeelding met bijhorend positienummer.
Voorbeeld:

De beide gestripte begrenzingsdraden 1 rond elkaar draaien en in een begrenzings draadwartel 2 steken tot aan de aanslag.
Teksten met aanvullende betekenis:
Deze passages zijn met één van de hieronder beschreven symbolen gemar - keerd om ze in de gebruik aanwijzing extra in de verf te zetten:

OPGELET

Waarschuwt voor mogelijke letsels die door bepaalde handelingen kunnen worden voorkomen.

AANWIJZING

Informatie voor een beter apparaat - gebruik en om een mogelijk oneigenlijk gebruik te vermijden.
- Beschrijving van het apparaat

C Rubberen stootsensor voor
D Maaiwerk
E Laadcontact
F Transportgreep
G Afstandsbediening met display (⇒ 17)
H Werkingslichten
I Accu AP 480
J Rubberen stootsensor achter
K Docking Station
L Afdekking station
M Aanwijzing station
N Aanrijbeveiliging
○ Laadcontact
P Versnelling vooruit
04. Werkingsprincipe
Standaard schema

flowchart
graph TD
A["1: Car"] --> B["2: Vear"]
B --> C["3: Light Bulb"]
C --> D["4: Light Bulb"]
D --> E["5: Light Bulb"]
E --> F["6: Light Bulb"]
F --> G["7: Light Bulb"]
G --> H["8: Light Bulb"]
H --> I["9: Light Bulb"]
I --> J["10: Light Bulb"]
J --> K["11: Light Bulb"]
K --> L["12: Light Bulb"]
L --> M["13: Light Bulb"]
M --> N["14: Light Bulb"]
N --> O["15: Light Bulb"]
O --> P["16: Light Bulb"]
P --> Q["17: Light Bulb"]
Q --> R["18: Light Bulb"]
R --> S["19: Light Bulb"]
S --> T["20: Light Bulb"]
A Maaizone
1 Robotmaaier
2 Station
3 Begrenzingsdraad
Random-schema:

flowchart
graph TD
A["Device 1"] --> B["Device 2"]
C["Device 3"] --> D["Device 4"]
E["Device 5"] --> F["Device 6"]
G["Device 7"] --> H["Device 8"]
I["Device 9"] --> J["Device 10"]
K["Device 11"] --> L["Device 12"]
M["Device 13"] --> N["Device 14"]
O["Device 15"] --> P["Device 16"]
Q["Device 17"] --> R["Device 18"]
S["Device 19"] --> T["Device 20"]
U["Device 21"] --> V["Device 22"]
W["Device 23"] --> X["Device 24"]
Y["Device 25"] --> Z["Device 26"]
AA["Device 27"] --> AB["Device 28"]
AC["Device 29"] --> AD["Device 30"]
A Maaizone
1 Robotmaaier
2 Station
3 Begrenzingsdraad

AANWIJZING

Voor een schoon en gelijkmatig gemaaid gazon heeft de robotmaaier enkele dagen nodig.
04.01 Algemeen:
De robotmaaier 1 is bedoeld om gazonoppervlakken tot 2000 m² automatisch te onderhouden.
Voor de robotmaaier 1 in gebruik kan worden genomen moet een eenmalige installatie worden uitgevoerd. Hierbij wordt een begrenzingsdraad 3 rond het te maaien gazonoppervlak geplaatst (maaizone A) op een vaste afstand van de gazonrand en eventuele hindernissen.
Deze begrenzingsdraad 3 vormt na volledige plaatsing voor de robotmaaier 1 de grens waar hij niet overheen rijdt.
Deze begrenzingsdraad 3 kan in verschillende maaizonesystemen worden aangelegd.
(→ 09)
04.02 Maaischema:
Standaardschema:
De robotmaaier werkt de maaizone A gedeeltelijk systematisch af, door in de maaizone in een zigzagbeweging voorwaarts en achterwaarts te maaien.
(→ 18.10)
Random-schema:
De robotmaaier maait het gazonopper - vlak in willekeurig gekozen banen.
De hoek ten opzichte van de begren - zingsdraad wordt steeds aangepast.
(⇒ 18.10)
04.03 Functieoverzicht:
De begrenzingsdraad heeft de volgende functies:
- De begrenzingsdraad bakent het maabereik van de robotmaaier af.
- De robotmaaier rijdt bij het "kantmaaien" langs de geïnstalleerde begrenzingsdraad.
- De begrenzingsdraad geeft de robotmaaier de weg aan, wanneer hij moet worden opgeladen en naar het station moet rijden.
Het station heeft de volgende twee functies:
- Een signaal door de begrenzingsdraad zenden (zeer lage signaalsterkte).
- De robotmaaier opladen.
04.04 Korte handleiding:
Na plaatsing van de begrenzingsdraad moet het station 2 op het stroomnet worden aangesloten. Het station dient daarna als signaalgever voor de begrenzingsdraad en als laadstation voor de robotmaaier.
Zodra de robotmaaier 1 het station 2 heeft verlaten, stuurt het station een bepaald signaal (zeer geringe signaal -sterkte) door de begrenzingsdraad 3.
De robotmaaier 1 herkent dit signaal via sensoren en rijdt niet over de begren - zingsdraad. Daardoor bakent de geplaatste begrenzingsdraad 2 het gewenste maaibereik (maaizone A) van de robotmaaier 1 nauwkeurig af. Zo kunnen ook gebieden (verboden oppervlakken) via geïnstalleerde verboden zones worden afgebakend van de te maaien gazonoppervlakken. Deze verboden oppervlakken worden niet bereden.
Binnen de maaizone A beweegt de robotmaaier 1 vooruit en achteruit en maait daarbij het gazon. Wanneer de robotmaaier tijdens het maaien de begrenzingsdraad bereikt of tegen een vast en hard voorwerp (hoger dan 15 cm) botst, blijft hij kort stilstaan, wijzigt hij de rijrichting in een scherpe hoek en gaat hij door met maaien.
04.05 Aanbevolen minimale gebruikstijd:
| Gazonopper-vlak [ m^2 ] | 400 | 300 | 1 | 200 | 16 | 00 | 200 | 0 |
| Maaiuren per week | 3 | 6 | 9 | 12 | 15 |

AANWIJZING

Of de aanbevolen maaiuren in een maaisessie op een dag of in meerdere maaisessies verdeeld over meerdere dagen worden afgewerkt, hangt af van de individuele wensen van de gebruiker.
05. Begrippenverklaring
05.01 Veiligheidsvoorzieningen
Stootsensor:
sensoren in de rubberen bumpers aan de voor- en achterkant treden in werking wanneer de robotmaaier op een vaste hindernis botst.
Bij activering van de stootsensor stoppen de maaimessen onmiddellijk en blijft de robotmaaier staan.
Vervolgens verandert de robotmaaier van richting en zet hij het maaien in tegen - gestelde richting verder.
Noodstoptoets:
de rode toets bevindt zich bovenaan het toetsenveld van de afstandsbediening. Wanneer u deze toets indrukt terwijl de robotmaaier werkt, valt deze meteen stil.
Hefsensor:
wanneer de voorzijde van de robotmaaier ongeveer 2,5 cm van de grond wordt getild terwijl het mes ronddraait, wordt het mes automatisch uitgeschakeld.
Kantelsensor:
wanneer de robotmaaier te ver in verticale positie wordt gebracht, stopt het mes van de motormaaier onmiddellijk en hoort u een waarschuwing. Op het display verschijnt de melding "Voorwielprobleem".
Automatisch alarm voor het gebruik:
wanneer de robotmaaier zo is geprogrammeerd dat hij het station automatisch verlaat op een voorgepro - grammeerde tijdsaanwijzing, klinkt er voor het vertrek een waarschuwing en worden de werkingslichten ingeschakeld. Dit is voor iedereen een waarschuwing om het maalgebied te controleren en te verlaten.
Diefstalbeveiliging / beveiliging:
de diefstalbeveiliging zorgt ervoor dat niemand de robotmaaier kan aanzetten of gebruiken zonder dat hij de correcte code heeft. U moet een 4-cijferige code ingeven die als veiligheidscode wordt gebruikt.
Kinderbeveiliging / beveiliging:
dit is een veiligheidsfunctie, die ervoor zorgt dat de robotmaaier niet kan worden bediend door personen, met name kinderen, die geen kennis hebben van de veilige bediening.
Overbelastingsbeveiliging:
de mesmotoren en alle aandrijfmotoren worden tijdens de volledige gebruiksduur gecontroleerd om oververhitting te voorkomen.
Wanneer dit toch zou gebeuren, stopt de robotmaaier de motor.
Op het scherm wordt aangegeven dat de motor moet afkoelen. Hoewel dit uiterst zelden voorkomt, kan dit gebeuren wanneer de robotmaaier op te hoog gras wordt ingezet, de onderkant van de robotmaaier door slecht reinigen is verstopt, of de robotmaaier op een problematisch terrein wordt ingezet, blijft steken en niet meer kan bewegen.
Bediening met twee handen:
wanneer u de robotmaaier via de afstandsbediening bediend, moet u twee toetsen indrukken om de messen te starten. Eens geactiveerd moet een van beide toetsen ingedrukt blijven om verder te maaien.
Wanneer ook de tweede toets wordt losgelaten moet de toetsencombinatie opnieuw worden ingedrukt.
05.02 Algemene begrippen
Maaizone:
een maaizone is een gebied dat volledig door de begrenzingsdraad is omgeven en met het station of een begrenzings - module is verbonden. Daardoor wordt het te maaien gebied afgebakend en effectief bewerkt (gemaaid) door de robotmaaier.
In het afgebakende maalgebied ontstaat een zwak magnetisch veld dat de robot-maaier herkent. Zo kan de robotmaaier bepalen of hij zich binnen of buiten het maalgebied bevindt. Er zijn meerdere maaizonesystemen mogelijk om het te maaien oppervlak af te bakenen. (⇔ 09)
Wanneer meerdere maaizones met behulp van een verbindingstraject worden verbonden, dan is een manueel transport van de robotmaaier tussen de maaizones noodzakelijk. Wanneer de robotmaaier zich niet in de laadzone bevindt, dan is zelfstandig opladen na het maaien niet mogelijk.
Voor het opladen moet de robotmaaier dan manueel naar de laadzone worden gebracht.
De afzonderlijke maaizones moeten afzonderlijk in de robotmaaier worden geprogrammeerd.
Laadzone:
de laadzone is de maaizone waarin het station zich bevindt.
De robotmaaier kan zelfstandig in het station rijden.
Zo worden ook de accu's van de robotmaaier automatisch opgeladen.
Doorgangen:
een doorgang wordt voorzien op smalle doorgangen van de te maaien oppervlakken, zodat de robotmaaier ook deze smalle doorgangen automatisch en zelfstandig kan berijden, respectievelijk overbruggen. De begrenzingsdraad moet daarbij aan de smalle doorgang(en) worden gelegd met een afstand van ten minste 20 cm. Op die manier maait de robotmaaier de door de doorgang(en) verbonden maaizones automatisch.
Ingangspunt:
wanneer twee of meer grote maaioppervlakken met een doorgang zijn verbonden, moeten de programmeerbare ingangspunten (max. 4 mogelijk) op de robotmaaier worden gedefinieerd om ervoor te zorgen dat de totale oppervlakte gelijkmatig wordt gemaaid.
Voor elk groot te maaien oppervlak is minstens een ingangspunt nodig.
Verbindingstraject:
een verbindingstraject wordt geplaatst aan smalle doorgangen en naar verboden vlakken van het te maaien oppervlak, zodat de begrenzingsdraad niet moet worden onderbroken en de volledige maaizone met een doorlopende lus kan worden omrand. De begrenzingsdraden moeten op de smalle plaats parallel en zonder afstand naast elkaar liggen.
Parallel gelegde draden mogen elkaar niet kruisen.
Zo bereikt het signaal gestuurd door het station de volledige lengte van de begrenzingsdraad. Daardoor moet geen bijkomende maaizone worden gede - finieerd.
Verbindingstrajecten worden door de robotmaaier overgestoken.
(⇒ 13.02)
Verboden zone:
een verboden zone is een gebied binnen de door de begrenzingsdraad omrande maaizone dat niet mag worden gemaaid, bv. sprinklerkoppen, sommige bloemen, bloembedden.
Rond dit gebied moet de begrenzings - draad worden geplaatst met de aan de iRuler aangegeven afstand. Naar de verboden zone wordt een verbindings - traject geïnstalleerd. Zo wordt dit gebied van de maaizone afgebakend. Gebieden met meerdere dicht op elkaar staande hindernissen moeten samen in een verboden zone worden ondergebracht.
Elektronisch gestuurd laadsysteem:
de robotmaaier is voorzien van een laadsysteem. Hierdoor kan de robotmaaier altijd in het station blijven, ook wanneer de accu's zijn opgeladen. Het laadsysteem voorkomt dat de accu's worden overladen en zorgt ervoor dat ze voor het volgende gebruik steeds volgeladen zijn.
Accu's:
in de robotmaaier zitten twee accu's: een hoofdaccu AP 480 en een bufferaccu. De bufferaccu is vast ingebouwd onder de behuizing. De accu's van de robotmaaier zijn volledig dicht. Er kan nooit vloeistof uitlopen, in welke de positie de maaier ook staat. De accu's zijn onderhoudsvrij.
Station en begrenzingsdraad:
de robotmaaier kan niet automatisch worden gebruikt zonder dat een geplaatste begrenzingsdraad wordt geactiveerd door de signaalgever op het station.
Wanneer het station is uitgeschakeld of de begrenzingsdraad wordt onderbroken, gaat de robotmaaier niet aan de slag.
06. Voor uw veiligheid
06.01 Algemeen

Tijdens de werkzaamheden van deze grasmaaier moeten de ongevalpreventievoorschriften beslist in acht worden genomen.

Lees de gebruiksaanwijzing zorgvuldig en volledig door voor installatie en ingebruikneming van het apparaat. Bewaar de uiksaanwijzing goed.
- Het begrip "gebruiken" omvat alle werkzaamheden aan het apparaat, het werken met het apparaat en het houden van toezicht op het volledige maai gebeuren. Overeenkomstig hiermee is een "gebruiker" een persoon die met de robotmaaier werkt, hem reinigt, instaat voor het onderhoud of toezicht houdt op het maaien.
- Deze veiligheidsmaatregelen zijn onontbeerlijk voor uw veiligheid. De opsomming is echter niet uitputtend. Gebruik de robotmaaier steeds met verstand en verantwoordelijkheids - gevoel.
- Maak uzelf vertrouwd met de bedieningselementen, het gebruik en het gedrag van de robotmaaier.
- Let op!
De robotmaaier is alleen bedoeld om gazon te maaien. Een andere toepassing is niet toegestaan en kan gevaarlijk zijn of schade veroorzaken aan het apparaat.
Gevaar voor ongevallen!
- Voor de eerste ingebruikneming moet de verkoper of een ander vakbekwaam persoon u instructies geven.
- Na gebruik van alcohol, drugs of geneesmiddelen die de reactiesnel -heid nadelig beïnvloeden, mag de robotmaaier niet worden gebruikt.
- Kinderen of jongeren jonger dan 16 jaar mogen de robotmaaier niet gebruiken en mogen geen toezicht houden op de automatische werkende maaier.
De minimumgebruiksleeftijd is mo - gelijk vastgelegd in lokale bepalingen.
- Dit apparaat mag niet worden gebruikt door personen (waaronder kinderen) met beperkte fysieke, zintuiglijke of geestelijke vermogens of zonder ervaring en/of zonder kennis, tenzij deze personen onder toezicht staan van iemand anders die voor hun veiligheid verantwoordelijk is of van wie men instructies m.b.t. het gebruik heeft ontvangen.
Houd kinderen onder toezicht om te voorkomen dat ze met het apparaat spelen.
- Leen het apparaat alleen uit aan personen die goed vertrouwd zijn met dit model, de bediening en het gedrag ervan.
Geef altijd de gebruiksaanwijzing mee. - Gebruik alleen accessoires die door VIKING worden geleverd of die uitdrukkelijk werden goedgekeurd voor montage op dit apparaat. Verhoogd gevaar voor ongevallen! Er mogen ook geen wijzigingen aan het apparaat worden aangebracht, omdat dit een groter risico op ongevallen kan veroorzaken.
-
De robotmaaier mag niet worden gebruikt op openbare terreinen, parken, sportvelden, langs wegen en op land- en bosbouwbedrijven.
-
Denk eraan dat de gebruiker aansprakelijk is voor ongevallen met andere personen of voor materiële schade.
- Er mag bij het verticuteren niet over de begrenzingsdraad worden gereden. Indien de begrenzingsdraad niet goed meer te herkennen is, moet deze vooraf goed worden gemarkeerd.
- Omwille van de veiligheid moet de diefstalbeveiliging altijd worden geactiveerd om het gebruik door onbevoegden te verhinderen. De veiligheidscode mag niet aan onbevoegden worden doorgegeven, zeker niet aan kinderen. (→ 18.18)
-
De kinderbeveiliging wordt na de laatste toetsbediening actief na 2 minuten.
-
Om persoonlijk letsel van de gebruiker te vermijden, mag de robotmaaier onder andere niet worden ingezet voor (onvolledige opsomming):
- het korten van bosjes, heggen en struiken,
- het snoeien van rankgewassen,
- gazononderhoud op groendaken en in bloembakken,
- het schoonmaken van voetpaden (opzuigen – wegblazen – sneeuwruimen),
- het hakselen en verkleinen van boom- en struikafval,
- het egaliseren van oneffenheden in de bodem, zoals bijv. molshopen.
06.02 Transport

Gevaar voor letsel!
Voor het optillen en het transport van de robotmaaier moet de accu
AP 480 worden verwijderd.
(→ 14.06)
- De robotmaaier mag alleen met twee personen worden opgetild en gedragen.
- Voor het optillen en dragen mag alleen de handgreep worden gebruikt aan de voorkant van het toestel. Niet onder het apparaat grijpen. Aan de achterkant mag de maaier alleen worden opgetild aan de zwarte rubberen bumpers.
Gevaar voor letsel door het mes! (⇒ 21.01) - Gebruik voor het laden geschikte hulpmiddelen (hefmiddelen).
-
Wanneer de robotmaaier een lange tijd moet worden vervoerd, bijv. in een auto, dan moet vooraf steeds de accu AP 480 worden verwijderd.
Tijdens de volledige transporttijd mag de accu AP 480 niet terug worden geplaatst.
(⇒ 14.06) -
Maak de robotmaaier, het station en de accu AP 480 bij transport met geschikte bevestigingsmaterialen (gordels, kabels, enz.) vast aan het laadoppervlak.
- Houd u bij het transport van het apparaat aan de lokale wettelijke voorschriften, met name wat betreft de laadveiligheid en het transport van voorwerpen op laadoppervlakken.
- Wanneer de robotmaaier wordt verplaatst met behulp van de als accessoire verkrijgbare afstandsbediening, moet de gebruiker steeds vastzittend schoeisel en een lange broek dragen en achter het apparaat blijven staan. De veiligheidsafstand tussen de voeten en het apparaat moet minstens 0,5 m bedragen.
06.03 Voorbereidende maatregelen en installatie van het apparaat
- Personen die de gebruiksaanwijzing niet kennen, mogen het apparaat niet gebruiken.
- Plaats de begrenzingsdraad zoals aangegeven in de gebruiksaanwijzing. (⇔ 14.02)
- Controleer het terrein waarop het apparaat wordt gebruikt en verwijder alle stenen, stokken, kabels, botten en andere verontreinigingen die door het apparaat omhoog kunnen worden geslingerd.
- Kijk vóór gebruik altijd of het snijgereedschap, de bevestigings - bouten en de complete snijeenheid in perfecte staat zijn.
- Gebruik de robotmaaier nooit met beschadigde veiligheidsvoorzieningen of zonder gemonteerde beveiligings - inrichtingen, bijv. een defecte stootsensor.
- De op het apparaat geïnstalleerde schakelinrichtingen mogen niet worden verwijderd of overbrugd, zoals bijv. het overbruggen van de stootsensor.
• Gevaar voor letsel!
Zorg ervoor dat de juiste datum en het juiste uur op de robotmaaier zijn ingesteld. Corrigeer zonodig de instellingen. Verkeerde instellingen kunnen tot gevolg hebben dat de robotmaaier op een onverwacht moment vertrekt.
- Neem de gemeentelijke richtlijnen met betrekking tot het gebruik van motoraangedreven tuinapparatuur in acht.
- Controleer regelmatig of de geplaatste begrenzingsdraad en de in de grond geslagen bevestigingsnagels nog steeds goed zijn geplaatst en bevestigd.
- Controleer het te maaien oppervlak regelmatig op oneffenheden en maak ze effen.
- Let er bij het programmeren van het weekprogramma op dat dagen en tijden zo worden gekozen dat er tijdens het maaien met de robot - maaier geen kinderen, toeschouwers of dieren op het te maaien oppervlak rondlopen.
- Controleer of op een direct aanpalend stuk grond reeds een robotmaaier wordt gebruikt.
Indien dit het geval is, dan moet de begrenzingsdraad op een afstand van ten minste 2 m worden geplaatst.
Op deze manier worden mogelijke storingen uitgesloten.
Installatie van het apparaat:
- Installeer en plaats het station en de begrenzingsdraad net zoals aangegeven in de gebruiksaanwijzing.
- Vermijd om de begrenzingsdraad en de stroomdraden over randen (bijv. voetpaden, stoepranden) te leggen.
- Let er bij het plaatsen van de begrenzingsdraad op dat hij goed op de grond ligt en dat er niet over kan worden gestruikeld. De begrenzingsdraad moet steeds goed op de bodem liggen en mag niet boven de grasnerf uitkomen.
- Leg de begrenzingsdraad en de stroomdraden niet los over bodems waar de meegeleverde bevesti - gingsnagels niet kunnen worden ingeslagen (bijv. straatstenen, voetpaden). Om veiligheidsredenen (voorkomen van struikelhindernissen) moet de stroomtoevoer of de begrenzings - draad in een kabelgoot worden gelegd op dergelijke oppervlakken.
- U kunt zich mogelijk bezeren bij het inslaan van de bevestigings - nagels.
Draag daarom een geschikte veiligheidsbril, handschoenen en werkkledij.
- Bij een harde en droge ondergrond kunnen de bevestigingsnagels bij het inslaan breken.
Gevaar voor letsels!
Maai het gazon voor het installeren van de begrenzingsdraad conven - tioneel en besproei het oppervlak.
- Sla de bevestigingsnagels altijd volledig in de grond zodat men er niet kan over struikelen of zich eraan kan bezeren.
- Zorg ervoor dat er geen metalen voorwerpen liggen in de buurt van de contactpunten van het station.
- Plaats het station niet op een slecht zichtbare plaats, waar men er mogelijk kan over struikelen (bijv. achter een hoek van een huis).
- Gebruik voor de installatie van het apparaat alleen de meegeleverde onderdelen. Bij gebruik van niet-meegeleverde onderdelen kan het apparaat mogelijk niet correct werken (bijv. gebruik van verkeerde klemmen bij het verbinden van de begrenzingsdraad).
-
De robotmaaier herkent niet de staat van de ondergrond en ook geen mogelijke plekken waar deze kan omvallen. Ontoegankelijke gebieden moeten met begrenzingsdraad als zodanig worden afgezet.
-
De doorgaande lus van een begren - zingsdraad mag niet langer zijn dan 500 m.
- Alle hindernissen, zoals sprinkler - koppen of kleine planten, die niet mogen worden gemaaid, moeten door een verboden zone worden afgebakend. (⇒ 13.03)
- Alle hindernissen lager dan 15 cm moeten door een verboden zone worden afgebakend of verwijderd.
06.04 Waar op te letten bij gebruik
- Laat de robotmaaier nooit zonder toezicht werken.
- Gebruik het apparaat enkel volgens de gebruiksaanwijzing.
- De robotmaaier moet tijdens de volledige werkduur goed in de gaten worden gehouden. De maaier moet steeds binnen het gezichtsveld blijven.
- Houd andere personen, in het bijzonder kinderen, en dieren uit de gevarenzone.
• Gevaar voor letsel!
Het apparaat heeft drie scherpe, roterende messen! Gebruik het apparaat nooit zonder voldoende voorkennis.
- Werken op hellingen:

Vanwege gevaar voor letsel mag het apparaat niet worden gebruikt op hellingen die steiler zijn dan zoals gespecificeerd.
Type A – begrenzingsdraad dwars over de helling gelegd (begrenzing omlaag):
maximale helling 9° (15%); Een stijging van de helling van 9° betekent een verticale stijging van 15 cm bij een horizontale lengte van 100 cm.
Type B – geen begrenzingsdraad dwars over de helling gelegd: maximale helling 15° (27%); Een stijging van de helling van 15° betekent een verticale stijging van 27 cm bij een horizontale lengte van 100 cm.
- Ga voorzichtig te werk om andere personen niet in gevaar te brengen.
- Gebruik de robotmaaier niet wanneer het gras nat is of bij regenweer.
- Benader het apparaat in werking alleen met vastzittende schoenen en een lange broek, nooit met sandalen of blootsvoets.
- Programmeer de robotmaaier zo dat hij enkel bij daglicht werkzaam is.
- Behoud steeds voldoende afstand tot de messen en de andere bewegende delen.
- Kantel het apparaat nooit wanneer de motor draait.
- Til het apparaat nooit op wanneer de motor draait.
- Probeer de instellingen van het apparaat nooit te wijzigen wanneer de motor draait.
Houd handen of voeten nooit tegen of onder draaiende onderdelen. Raak het ronddraaiende mes nooit aan. - Het werkgebied moet tijdens de volledige werkduur schoon en in orde worden gehouden. Verwijder of verplaats struikelhindernissen zoals stenen, takken, kabels enz.
- Opgepast: gevaar voor letsel!

- Controleer het apparaat, het station en de begrenzingsdraad regelmatig op schade en andere storingen. Gebruik de robotmaaier niet zolang er een onderdeel is beschadigd of er een storing bestaat.
- Voor u het apparaat achterlaat moet u nadrukkelijk nakijken of de kinder - beveiliging of de diefstalbeveiliging is geactiveerd om te voorkomen dat kinderen of personen zonder enige kennis van de veiligheidrichtlijnen of de werking de robotmaaier kunnen starten. (⇒ 18.06), (⇒ 18.18)
- Het mes moet regelmatig worden gecontroleerd op veilige montage en op schade. (⇒ 20.04)
- Schakel de robotmaaier voorzichtig in volgens de aanwijzingen in het hoofd - stuk "Apparaat in gebruik nemen". Houd uw voeten op voldoende afstand van het snijgereedschap. (⇔ 16)
- Controleer regelmatig (voor elk gebruik) de geprogrammeerde week - dag en tijd. Indien nodig moeten deze worden aangepast.
-
Let op het omschakelen van zomernaar wintertijd. Het geprogrammeerde uur moet bij elke wissel worden aangepast.
-
Bij ingebruikneming van het apparaat mag het niet worden gekanteld.
- Houd rekening met de naloop van het werkgereedschap. Het duurt meerdere seconden voordat het helemaal tot stilstand is gekomen.
- Vervoer geen personen, met name kinderen of voorwerpen, met het apparaat.
- Sta nooit toe dat personen of kinderen meerijden op de robotmaaier of erop gaan zitten.
- Er mogen geen wijzigingen worden aangebracht aan het apparaat.
- Verander niets aan de afdekkingen, stickers, veiligheidsvoorzieningen en sensoren.
- Tracht de veiligheidsvoorzieningen niet uit te schakelen of te omzeilen.
- Gebruik de robotmaaier niet wanneer de veiligheidsvoorzieningen defect zijn of niet goed werken.
- Probeer niet om het mes te inspec - teren zolang de robotmaaier werkt.
-
De robotmaaier mag niet samen met een sproei-installatie worden gebruikt. Verander de programmering van de robotmaaier zo dat hij niet samen met de sproei-installatie wordt gebruikt.
-
Schakel de robotmaaier uit en verwijder de accu AP 480:
- voor u blokkeringen of verstoppingen verwijdert.
- wanneer het mes een vreemd voorwerp heeft geraakt. Het snijgereedschap moet op eventuele schade worden gecontroleerd.
- voor u de robotmaaier controleert, reinigt of er werkzaamheden aan uitvoert.
- wanneer de robotmaaier onge - bruikelijk sterk begint te trillen. De robotmaaier moet onmiddellijk worden gecontroleerd.
- voor u de robotmaaier optilt of draagt.
- voor u mechanische aanpassingen (wijziging van de snijhoogte, enz.) doorvoert aan het apparaat.
- Als er vreemde voorwerpen in het snijgereedschap terechtkomen, het apparaat vreemde geluiden maakt of op een vreemde manier trilt, moet u het apparaat onmiddellijk uitschakelen en wachten tot het volledig tot stilstand is gekomen. Verwijder de accu AP 480 en voer de volgende stappen uit:
- controleer het apparaat, in het bijzonder de snijeenheid (mes, messenas) op schade en laat de noodzakelijke reparaties uitvoeren door een erkend vakman voor u het apparaat opnieuw start en ermee aan de slag gaat.
-
controleer of alle onderdelen van de snijeenheid goed zijn gemonteerd.
-
Laat beschadigde onderdelen vervangen of repareren. Zorg steeds voor onderdelen van dezelfde kwaliteit.
- Om brandgevaar te voorkomen moet u gras en bladeren uit het apparaat verwijderen.
- Wanneer de robotmaaier wordt gebruikt met behulp van de afstands - bediening, moet op het volgende worden gelet:
- de gebruiker moet altijd vastzittende schoenen en een lange broek dragen.
- de gebruiker moet steeds achter het apparaat (bij de accu AP 480) staan.
- start de maaimotor volgens de richtlijnen en zorg ervoor dat uw voeten zich steeds op een voldoende afstand bevinden van het mes.
- werk alleen bij daglicht.
- let er, bij het werken op een helling dat de gebruiker steeds veilig staat. Werk op hellingen altijd in dwarsrichting en nooit naar boven of beneden. Sta hierbij steeds boven het apparaat (hogere positie dan het apparaat) om bij eventueel controleverlies over het apparaat niet door de draaiende grasmaaier te worden geraakt.
- Sproei nooit water rechtstreeks op de robotmaaier, het station of in de buurt van het station.
- Bij onweer moet(en) het station, resp. de begrenzingsmodule(s), worden uitgeschakeld en moet de stekker uit het stopcontact worden getrokken. Verwijder de accu AP 480 uit de robotmaaier.
06.05 Onderhoud, reiniging, reparatie en opslag
- Voor u werkzaamheden verricht aan het apparaat, de robotmaaier reinigt of instelt of voor u controleert of de begrenzingsdraad verstrengeld of beschadigd is, moet u het apparaat uitschakelen en de accu AP 480 verwijderen.
- Controleer de robotmaaier wekelijks op beschadigingen en herstel ze indien nodig.
- Laat het apparaat voor onderhoud, reiniging of opslag in een gesloten ruimte ongeveer 5 minuten afkoelen.
- Verricht alleen onderhoudswerkzaam - heden die in de gebruiksaanwijzing worden beschreven. Laat alle andere werkzaamheden door een vakhan - delaar uitvoeren.
VIKING raadt aan onderhouds - werkzaamheden en reparaties uitsluitend bij de VIKING-dealer te laten uitvoeren.
VIKING-vakhandelaren krijgen regelmatig opleidingen en er wordt hen regelmatig technische informatie ter beschikking gesteld.
Gebruik uitsluitend kwalitatief gereed - schap, toebehoren en kwalitatieve vervangonderdelen, anders bestaat er gevaar voor persoonlijk letsel of kan er schade aan het apparaat ontstaan.
VIKING raadt aan originele gereed - schappen, accessoires en onderdelen van VIKING te gebruiken. Deze zijn optimaal afgestemd op het apparaat en de noden van de gebruiker.
Originele VIKING-reserveonderdelen zijn herkenbaar aan het VIKING-reserveonderdeelnummer, aan het opschrift VIKING en eventueel aan het VIKING-reserveonderdeelteken.
Op kleine onderdelen kan ook alleen het teken staan.
- Gebruik nooit hogedrukreinigers en reinig de robotmaaier en het station niet onder stromend water (bijv. met een tuinslang).
Gebruik geen agressieve reinigings - middelen.
Dergelijke reinigingsmiddelen kunnen kunststoffen en metalen zodanig beschadigen dat de veiligheid van uw VIKING-apparaat wellicht in het gedrang komt.
- Na elk onderhoud door een vakhandelaar moet de geprogrammeerde weekdag en tijd voor de eerste ingebruikneming worden gecontroleerd en indien nodig aangepast.
- Draag altijd stevige handschoenen bij werkzaamheden aan de snijeenheid.
- Zorg altijd voor een veilig apparaat - gebruik door alle moeren, bouten en schroeven goed vast te schroeven.
- Onleesbaar geworden waarschuwingsaanwijzingen op het apparaat moeten worden vervangen. Ga hiervoor naar uw VIKING-dealer.
- Controleer de hele machine, het station (met stroomdraad) en de begrenzingsdraad regelmatig – vooral vóór u het apparaat voor lange perioden of tijdens de winter wegbergt – op slijtage of beschadigingen.
- Vervang versleten of beschadigde onderdelen, zodat het apparaat altijd veilig kan worden gebruikt.
- Bij langere stilstandtijden (winter - pauze) moet de zekering worden verwijderd en moet de robotmaaier volledig worden gereinigd.
- Voor elke opslag van het apparaat moet om veiligheidsredenen de diefstalbeveiliging altijd worden geactiveerd om te voorkomen dat het apparaat door onbevoegden kan worden gebruikt. De veiligheidscode mag niet aan onbevoegde personen, in het bijzonder niet aan kinderen worden doorgegeven.
(⇒ 18.18)
- Bewaar de robotmaaier en de verwijderde accu AP 480 bij langere stilstandperiodes (winterpauze) in een droge, afgesloten ruimte met kamertemperatuur buiten bereik van kinderen. Raadpleeg eveneens de informatie in het hoofdstuk "Opslag". (⇔ 20.13)
- Als onderdelen of veiligheidsvoor - zieningen voor onderhoudswerk - zaamheden moeten worden verwijderd, moeten deze weer meteen en correct worden aangebracht.
- Het station moet voor de winterpauze worden weggehaald.
- Gebruik enkel originele accu's, het originele station en originele elektrische onderdelen.
- Het foutief opladen kan leiden tot oververhitting, explosie, lekken of overmatige sleet.
- Laad de accu's van de robotmaaier enkel op met behulp van het station of de adapter. (⇔ 20.09)
- Laad de accu's nooit op met oplaadapparaten van andere fabrikanten. Dit kan leiden tot onherstelbare beschadiging van de accu's, oververhitting, elektrische schokken, lekkage van elektrolyt en uiteindelijk tot lichamelijk letsel.
- Open de accu's niet. Ze bevatten elektrolyt dat bijtend is en de huid en de ogen kan beschadigen.
- Sluit de aansluitingen van de accu's niet kort.
06.06 Waarschuwing – gevaar voor elektrische schokken
- Opgepast! Gevaar voor elektrocutie!

Voor de elektrische veiligheid zijn de voedingskabel, de stekker en het station bijzonder belangrijk.
Beschadigde kabels, koppelingen en stekkers mogen niet worden gebruikt om gevaar voor elektrische schokken te voorkomen.
Controleer de stroomkabel en het station regelmatig op tekenen van beschadigingen of slijtage (barsten).
- Gebruik de robotmaaier nooit als de kabels beschadigd of versleten zijn.
- De zekeringen mogen nooit worden overbrugd. Plaats nooit een zekering met een andere dan de voorge - schreven capaciteit (ampère).
- Defecte of versleten kabels moeten door een vakhandelaar worden vervangen.
VIKING beveelt u de VIKING-dealer aan.
- U mag het station en de adapter alleen op een voeding aansluiten die beveiligd is door een foutstroombe - veiliging met een afschakelstroom van maximaal 30 mA. Voor nadere informatie kunt u terecht bij de elektricien.
- Beschadigde kabels, koppelingen en stekkers of aansluitkabels die niet aan de voorschriften voldoen, mogen niet worden gebruikt.
Gevaar voor elektrocutie!
- Trek de stroomkabel bij de stekker uit het stopcontact. Trek hierbij niet aan de stroomkabel zelf.
- De lengte van de voedingskabel van het station mag niet worden veranderd.
- Gebruik de adapter niet wanneer de voedingskabel is beschadigd.
06.07 Afvoer
- Raadpleeg ook de informatie in het hoofdstuk "Milieubescherming". (⇒ 24)
- Zorg ervoor dat een afgeschreven robotmaaier op vakkundige wijze in de afvalverwerking terecht komt. Maak de machine hiervoor eerst onbruikbaar. Verwijder om ongevallen te voorkomen in het bijzonder de zekering, het mes, resp. de aansluitkabel van het station.
Voor uw veiligheid
- Voor het apparaat wordt gesloopt moeten de accu's worden verwijderd en op een verantwoorde wijze worden afgevoerd.
(→ 24.01) - De robotmaaier en zijn toebehoren moeten aan het einde van hun levensduur afzonderlijk worden ingezameld om de verspilling van elektrisch en elektronisch materiaal te voorkomen en hun recyclage te verzekeren.
- Sla geen defecte delen van de robotmaaier (inclusief adapter, station en begrenzingsmodule) op als niet gesorteerd afval – ze moeten apart worden ingezameld.
- Neem contact op met uw container - park of met uw dealer voor nadere informatie over het deskundig afvoeren van afvalproducten. VIKING beveelt de VIKING-dealer aan.
07. Toelichting van de symbolen

Lees vóór ingebruikneming de gebruiks - aanwijzing en de veiligheidsinstructies en volg deze op.

Let bij een draaiende motor op wegslin - gerende delen – blijf op een veilige afstand.

Verwijder de zekering vooraleer u het apparaat optilt of voor u werken uitvoert aan het snijgereedschap.

Niet op het apparaat zitten of stappen.

Kom bij een draaiende motor nooit binnen het werkbereik van het maairnes.
08. Leveringsomvang

Pos Aanduiding Aantal
Robotmaaier:
1 Robotmaaier 1
2 Begrenzingsdraad (150 m) 1
3 Begrenzingsdraad (100 m) 1
4 Bevestigingsnagels 300
5 iRuler 1
6 Adapter 1
7 Voedingskabel 1
8 Wandhouder 1
Pos Aanduiding Aantal
9 Plug 2
10 Bout 2
11 Zekering (30 A) 1
• Gebruiksaanwijzing 1
Station:
12 Middenstuk 1
13 Afdekking met printplaat 1
Pos Aanduiding Aantal
14 Wielsteun rechts 1
15 Wielsteun links 1
16 Aanrijdingsbeveiliging 1
17 Haring 5
18 Bouten 2
19 Bouten 2
20 Aansluitstekker 1
21 Begrenzingsdraadwartel 3
09. Maaizonesystemen
09.01 Eenzonesysteem

Bij een eenzonesysteem wordt het door de robotmaaier te maaien gebied volledig omrand door een doorlopende begren - zingsdraad 5, zonder dat hierbij door - gangen of verbindingstrajecten worden voorzien.
De geplaatste draden moeten daarbij overal een minimale afstand 1 van een meter hebben.
Het station 4 wordt op de begrenzings - draad 5 geplaatst.

AANWIJZING

Het eenzonesysteem is het meest comfortabele maaisysteem.
De volledige maaizone A wordt gelijkmatig, zonder ingewikkelde programmering, zonder bijkomend toebehoren of manuele transport - inspanning gemaaid.
Wanneer het te maaien oppervlak dit toelaat, moet voor dit maaisysteem worden gekozen.
Bij de installatie van een eenzone - systeem wordt aangeraden om de begrenzingsdraad enkel met hoeken te plaatsen die 90° of groter zijn.
A Maaizone 1 Minimale afstand 1 m
2 Gebouw
3 Wandelpad
4 Station
5 Begrenzingsdraad
Voordelen ten opzichte van de andere maaizonesystemen:
- De maaizone A wordt overal gelijkmatig gemaaid.
- De maaizone A is tegelijkertijd de laad - zone (automatisch opladen mogelijk).
- Het is het meest comfortabele maaisysteem omdat geen ingewikkelde programmering van de robotmaaier nodig is, er geen bijkomende accessoires moeten worden geplaatst en er geen manuele transporten moeten gebeuren tussen de verschillende maaizones.
- Programmeerbare ingangspunten zijn niet absoluut noodzakelijk.
Voorwaarden voor een eenzone - systeem:
- De begrenzingsdraad 5 kan in een doorlopende inductielus rond het volledige te maaien oppervlak worden geïnstalleerd.
- De geplaatste begrenzingsdraad 5 mag daarbij niet langer zijn dan 500 m.
- De afstand van de geplaatste draden bedraagt overal ten minste 1 m (geen doorgangen of verbindingstrajecten).
09.02 Eenzonesysteem met doorgangen

A Maaizone
B Doorgang
1 Gebouw
2 Wandelpad
3 Terras
4 Station
5 Begrenzingsdraad
Bij een eenzonesysteem met een doorgang B wordt het maalgebied van de robotmaaier volledig omrand door een doorlopende begrenzingsdraad 5.
Daarbij wordt op een of meerdere smalle plaatsen (afstand tussen de draden van de lus van de begrenzingsdraad 5 minder dan een meter) van de maaizone A een doorgang B voorzien.
(⇒ 13.01)
Het station 4 wordt op de begrenzings - draad 5 geplaatst.

AANWIJZING

Bij het eenzonesysteem met doorgang moet voor elke grotere zone een programmeerbaar ingangspunt worden bewaard.
Dit garandeert dat de volledige maaizone A gelijkmatig wordt bewerkt.
Bij de installatie van een eenzone - systeem met doorgang(en) wordt aangeraden om de begrenzingsdraad enkel met hoeken te plaatsen die 90° of groter zijn.
Voorzie de doorgangen steeds recht (zonder bochten) en in een rechte hoek op de maaizones A.
Een doorgang wordt door de robot -maaier enkel langs de geïnstalleerde begrenzingsdraad gemaaid.
Er kunnen onbeperkt doorgangen worden voorzien.
Om ervoor te zorgen dat de robotmaaier in een eenzonesysteem met doorgang de doorgang automatisch kan doorrijden om bijgevolg alle vlakken gelijkmatig te kunnen maaien, moet er met ingangs - punten worden gewerkt.
Voor elk groot te maaien oppervlak is een ingangspunt nodig.
(→ 18.22)
Voordelen ten opzichte van een meerzonesysteem:
- De maaizone A blijft gesloten en wordt niet gescheiden.
- De robotmaaier moet niet manueel worden vervoerd tussen de grote maaizones A.
- De robotmaaier rijdt via de begren - zingsdraad 5 automatisch zelf terug naar station 4 om op te laten.
- Dankzij programmeerbare ingangs - punten worden alle gebieden van de maaizone A gelijkmatig gemaaid.
Voorwaarden voor een eenzone - systeem met doorgang(en):
- De begrenzingsdraad 5 kan in een doorlopende lus rond de volledige maaizone A worden geplaatst.
- De geplaatste begrenzingsdraad 5 mag daarbij niet langer zijn dan 500 m.
- Aan de geplaatste begrenzingsdraad 5 is een smalle plek met een afstand van minder dan een meter tussen de draden.
Op deze plaats wordt een doorgang B voorzien.
- Er moet een minimale breedte worden voorzien voor een doorgang.
(→ 13.01)
09.03 Meerzonesysteem zonder bijkomende begrenzingsmodule

A Maaizone (=laadzone)
B Maaizone zonder begrenzingsmodule
C Verbindingstraject ( 13.02)
1 Gebouw
2 Wandelpad
3 Terras
4 Station
5 Begrenzingsdraad

AANWIJZING

Bij de installatie van een meerzone - systeem zonder begrenzingsmodule is het aangeraden om de begrenzingsdraad enkel te plaatsen met hoeken die 90° of groter zijn.
Het station 4 wordt op de begrenzings - draad 5 geplaatst.
Bij een meerzonesysteem zonder bijkomende begrenzingsmodule (niet meegeleverd) wordt het door de robot - maaier te maaien gebied (maaizones A, B) volledig in een doorlopende lus omrand door de begrenzingsdraad 5. De totale lengte van de begrenzingsdraad 5 mag daarbij niet langer zijn dan 500 m. Wanneer de totale lengte meer dan 500 m bedraagt, dan moet een meer - zonesysteem met begrenzingsmodule(s) worden geïnstalleerd.
(→ 09.04)
Wanneer de afzonderlijke maaizones zijn gescheiden door verboden zones (2, 3) of verbonden door gazonstroken met een breedte van minder dan een meter, dan is het nodig om meerdere maaizones te installeren.
Daarbij moet aan de betreffende smalle plaatsen tussen de maaizones A en B een verbindingstraject C worden voorzien.
(→ 13.02)
Op die manier kan de gelegde begren - zingsdraad 5 volledig worden bereikt door het signaal dat door het station 4 wordt uitgezonden.
Er is geen bijkomende begrenzings - module nodig.
Voorwaarden voor een meerzone - systeem zonder bijkomende begrenzingsmodule:
- De begrenzingsdraad 5 kan in een doorlopende lus rond de volledige maaizone (maaizones A, B) worden geplaatst.
- De geplaatste begrenzingsdraad 5 mag daarbij niet langer zijn dan 500 m.
- De verschillende maaizones moeten in de robotmaaier worden geprogram - meerd.
(⇒ 18.05) - Voor en na het maaien is het nodig de robotmaaier manueel te transporteren tussen de verschillende maaizones.
- In de laadzone A kan de robotmaaier zelfstandig terug in het station 4 rijden.
- Een verboden zone (bijv. weg), waarin de robotmaaier niet mag maaien, moet via een verbindingstraject C worden overbrugd.
- De geplaatste begrenzingsdraad heeft een smalle plaats waar de afstand tussen de draden minder dan een meter bedraagt en waar er geen doorgang kan worden voorzien.
Op deze plaats wordt een verbindings - traject C voorzien.
09.04 Meerzonesysteem met bij - komende begrenzingsmodule

A Maaizone (=laadzone)
B Maaizone met begrenzingsmodule
1 Gebouw
2 Wandelpad
3 Terras
4 Station
5 Begrenzingsdraad
6 Begrenzingsdraad
7 Begrenzingsmodule

AANWIJZING

Bij een meerzonesysteem met bijkomende begrenzingsmodule (accessoire) wordt aangeraden om de begrenzingsdraad enkel met hoeken te plaatsen van 90° of groter. De bijkomende begrenzingsmodule is niet in de leveringsomvang inbegrepen. Ze is als accessoire verkrijgbaar bij een VIKING-dealer.
Het station 4 wordt in de maaizone op de begrenzingsdraad 5 geplaatst.
Bij een meerzonesysteem met bijkomende begrenzingsmodule(s) 7 wordt het door de robotmaaier te maaien gebied door twee of meer lussen volledig omrand. Daarbij mag de lengte van de begrenzingsdraad 5 van een doorlopende lus niet langer zijn dan 500 m. Indien de begrenzingsdraad 5 langer is dan 500 m, moet een nieuwe lus met een begrenzingsmodule 7, die niet in de leveringsomvang is inbegrepen maar als accessoire verkrijgbaar is, worden geïnstalleerd.
Wanneer de afzonderlijke maaizones A, B niet met elkaar kunnen worden verbonden (bijv. een doorlopende muur, de breedte van de verboden zones), dan moet met een afzonderlijke begrenzings - draad en een bijkomende begrenzings - module (toebehoren) een nieuwe lus worden geïnstalleerd (maaizone B).
In maaizone A (=laadzone) wordt het signaal van de begrenzingsdraad 5 door het station 4 verzonden. Bij de afzonderlijke maaizone B wordt het signaal voor de begrenzingsdraad 6 door de bijkomende begrenzingsmodule 7 gegenereerd.
Gevolgen:
- Voor en na het maaien moet de robot -maaier manueel tussen de verschillende maaizones worden getransporteerd.
- De programmering van de afzonderlijke zones moet op de robotmaaier gebeuren.
Een meerzonesysteem met begren - zingsmodule(s) kan om de volgende redenen worden geïnstalleerd:
- De te plaatsen begrenzingsdraad 5 rond het te maaien oppervlak is langer dan 500 m.
- Het te maaien oppervlak is gescheiden door hindernissen, resp. een of meerdere verboden zones, waarvoor geen verbindingstraject kan worden aangelegd.
- In het te bewerken vlak bevinden zich hindernissen (bijv. een muur) die de volledige omranding met een begren - zingsdraad 5 in een doorlopende lus onmogelijk maken.
Voorwaarden voor een meerzone - systeem met begrenzingsmodule:
- De begrenzingsdraad 5 kan niet doorlopend rond de volledige maaizone A worden geïnstalleerd.
Met de begrenzingsdraad 6 wordt er een afzonderlijke lus aangelegd die door de bijkomende begrenzingsmodule 7 onder spanning wordt gezet. - De geplaatste begrenzingsdraden 5 en 6 van de afzonderlijke lussen mogen daarbij niet langer zijn dan 500 m.
- Een verboden zone (bijv. weg), waarin de robotmaaier niet mag maaien, kan via een verbindingstraject worden overbrugd.
10. Beslissingshulp voor het optimale zonesysteem
Voor de begrenzingsdraad wordt geplaatst, moet men een overzichtelijk beeld krijgen over het door de robotmaaier te bewerken oppervlak. Om het optimale zonesysteem voor het oppervlak te vinden, kan het schema op de volgende bladzijde worden gebruikt.

OPGELET
Wanneer de begrenzingsdraad langs water (vijver, beek, zwembad enz.) wordt gelegd, moet om veiligheids - redenen een afstand van ten minste 1,2 m worden bewaard tussen de begrenzingsdraad en het watervlak.
Als de begrenzingsdraad wordt gelegd op plaatsen waar de robotmaaier naar beneden kan vallen (hoogteverschil van meer dan 0,7 m), dan moet de begrenzingsdraad op een afstand van 1,2 m van deze gevaarlijke plaats worden geplaatst.
Schets opstellen:
Nadat het optimale zonesysteem werd gevonden, kunt u het best een schets van het te maaien oppervlak maken.

AANWIJZING

Bewaar de gemaakte schets met de erin getekende begrenzingsdraad omdat de begrenzingsdraad na enige dagen door de bodem wordt overgroeid en niet meer zichtbaar is.

flowchart
graph TD
A["Lengte van de begrenzingsdraad\nIs de rond het te maaien oppervlak te plaatsen begrenzingsdraad korter dan 500 m?"] --> B["✓"]
B --> C["Plaatsing van de begrenzingsdraad\nKan de begrenzingsdraad in een doorlopende lus worden gelegd?"]
C --> D["✓"]
D --> E["Afstanden van de begrenzingsdraad\nIs de afstand tussen de geplaatste draden op een bepaalde plaats kleiner dan 1 m?"]
E --> F["✓"]
F --> G["Installatie van een doorgang\nIs de installatie van een doorgang mogelijk op deze plaats?\n(⇔ 13.01)"]
G --> H["✓"]
H --> I["Eenzonesysteem\n(⇔ 09.01)"]
H --> J["Meerzonesysteem zonder bijkomende begrenzingsmodule\n(⇔ 09.03)"]
I --> K["Eenzonesysteem met doorgang\n(⇔ 09.02)"]
J --> L["Meerzonesysteem met bijkomende begrenzingsmodule\n(⇔ 09.04)"]
C --> M["Verboden zones\nBestaan er verboden zones waarover de robotmaaier niet mag rijden (bijv. een weg)?"]
M --> N["✓"]
N --> O["Installatie van een doorgang\nIs de installatie van een doorgang mogelijk op deze plaats?\n(⇔ 13.01)"]
O --> P["✓"]
P --> Q["Eenzonesysteem met doorgang\n(⇔ 09.02)"]
Q --> R["Meerzonesysteem met bijkomende begrenzingsmodule\n(⇔ 09.04)"]

Ja

Nee
11. Installatiemogelijkheden voor het station
De mogelijkheid bestaat om het station binnen de maaizone te plaatsen of erbuiten.
Bij het plaatsen van het station moet met de volgende punten rekening worden gehouden:
- Maaizonesysteem plannen. (→ 10)
- Het station mag zich niet verder dan 15 m van een stopcontact bevinden.
- De bodem moet effen zijn. In het bijzonder het inrijstuk van het laadstation mag geen bulten of kuilen vertonen.
- Het station mag niet op stijgende of dalende hellingen worden geplaatst.
- De twee laadcontacten van het station mogen niet bereikbaar zijn voor metalen delen.
- Om diefstal te voorkomen, is het best om het station zo te plaatsen dat het door derden niet of moeilijk zichtbaar is (bijv. achter het huis).

AANWIJZING

Wanneer het station wordt geïnstalleerd op een voor regen beschutte plaats, wordt de regen - sensorfunctie enigszins gehinderd waardoor de robotmaaier ook bij regen aan een maaibeurt zal beginnen. Pas wanneer hij regen detecteert zal de robotmaaier stoppen met maaien en terugkeren naar het station.
11.01 Interne positie van het station

A Maaizone (=laadzone)
B Hindernisvrij vlak met een straal van 1,5 m rond het station.
1 Minimale afstand 1 m
2 Station
3 Begrenzingsdraad
4 Aanrijbeveiliging
Het station 2 wordt precies op de begren - zingsdraad 3 van een maaizone geplaatst.
Daarbij moet de aanrijbeveiliging 4 van het station 2 zich aan de binnenkant van de maaizone A bevinden.
De bodem voor en achter het station 2 moet recht en effen zijn zodat dat de robotmaaier zelfstandig in het station 2 kan rijden.
Voor en achter het station 2 moet de begrenzingsdraad 3 ten minste 1 m (afstand 1) recht verlopen.
Om ervoor te zorgen dat het maaien van de gazonrand en rond het station 2 probleemloos verloopt moet er bij de plaatsing van het station 2 op worden gelet dat er zich binnen een afstand van 1,5 m rond het station (vlak B) geen hindernissen en geen begrenzingsdraad bevinden.

AANWIJZING

Wanneer het station op de begren - zingsdraad wordt geplaatst, moet erop worden gelet dat de begrenzingsdraad onder het station recht ligt en opgespannen is.
11.02 Externe positie van het station

A Maaizone (=laadzone)
1 20 cm (afstand A aan de iRuler)
2 30 cm (afstand B aan de iRuler)
3 45 cm (afstand C aan de iRuler)
4 Verplaatsing 15 cm - 20 cm
5 Station
6 Begrenzingsdraad
7 Aanrijbeveiliging

AANWIJZING

Het wordt aanbevolen om de doorgang steeds recht (zonder bochten) en in een rechte hoek op de maaizone A aan te leggen.
Het station 5 wordt met een afstand 4 van 15-20 cm naar buiten verplaatst ten opzichte van de begrenzingsdraad 6 van de geïnstalleerde doorgang. (⇒ 13.01)
Daarbij moet de aanrijbeveiliging 7 van het station 5 zich aan de binnenkant van de doorgang bevinden.
De afstand 3 van het station 5 ten opzichte van de maaizone A moet exact 45 cm (afstand C aan de iRuler) bedragen, zodat kan worden verzekerd dat de robotmaaier zelfstandig in het station 5 kan rijden.
Achter het station 5 moet de begrenzingsdraad 6 ten minste 30 cm (afstand 2) recht verlopen.
De bodem voor en achter het station 5 moet recht en effen zijn zodat de robotmaaier zelfstandig in het station 5 kan rijden.
Voor een externe plaatsing van het station moet rekening worden gehouden met de volgende punten:
- De weg naar de gewenste plaats moet voor de robotmaaier zonder hoogteverschil goed berijdbaar zijn.
- De bodem tussen het maavlak en het station moet hard zijn en mag niet bestaan uit te veel aarde of zand, zodat de robotmaaier niet kan wegschuiven of blijven steken.
- Het station mag niet op stijgende of dalende hellingen worden geplaatst.
- De weg tussen de maaizone en het station moet vrij zijn van hindernissen en voorwerpen.

AANWIJZING

Bij de installatie van de begrenzings - draad moet de eerste bevestigingspen aan het startpunt met een afstand van een meter tot de rand van het gazon worden geplaatst. Wanneer het station dan direct aan de bevestigingspen wordt geplaatst, resulteert dit in de afstand 3.
12. iRuler
De iRuler is nodig voor de correcte installatie van de begrenzingsdraad en het te maaien gazonvlak.
De iRuler moet worden gebruikt bij het plaatsen van de begrenzingsdraad omdat hij de juiste afstand aangeeft tot de rand van het gazon of tot hindernissen.

De weergegeven afstand A van 20 cm aan de iRuler 1 is

afhankelijk van de doorloopbreedte.
Afstand B:
De op de iRuler 1 voorgestelde afstand B van 30 cm is de

afstand die in acht moet worden genomen tussen de begrenzingsdraad en de rand van het gazon om deze precies te maaien.
Afstand C:
De op de iRuler 1 voorgestelde afstand C van 45 cm is de

afstand die in acht moet worden genomen voor hindernissen waar de robotmaaier niet tegen mag rijden.
13. Installatieonderdelen van de begrenzingsdraad
13.01 Doorgang
In de maaizone A wordt een doorgang B op smalle plaatsen geïnstalleerd waar de begrenzingsdraden met een afstand van minder dan 1 m naast elkaar liggen.
Een doorgang wordt voorzien aan smalle plaatsen in de maaizone B, zodat de robotmaaier ook deze smalle plaatsen automatisch en zelfstandig kan berijden, respectievelijk overbruggen.
Benodigde ruimte voor doorgangen:

Variant A: Het gazonniveau ligt op gelijke hoogte of hoger dan het niveau van de omgeving. Bereik van de doorgang 2 bedraagt minstens 120 cm.
Variant B: Het gazonniveau ligt onder het niveau van de omgeving (bijv. tussen muren). Bereik van de doorgang 2 bedraagt minstens 150 cm.
De draden van een doorgang B moeten parallel worden geïnstalleerd met de afstand 1 = 20 cm (afstand A aan de iRuler gebruiken).

AANWIJZING

De doorgang B moet steeds in het midden van het bereik van de doorgang 2 worden geïnstalleerd.

A Maaizone (=laadzone) B Doorgang
1 Doorgangbreedte 20 cm (afstand A aan de iRuler) ( 12)
2 Bereik van de doorgang
3 Docking Station
4 Begrenzingsdraad
5 Robotmaaier
13.02 Verbindingstraject
Een verbindingstraject A wordt aan smalle plaatsen en naar verboden zones in het te bewerken vlak geïnstalleerd, zodat de begrenzingsdraad niet wordt onderbroken. Zo bereikt het door het station uitgezonden signaal de volledige lus.
Zo kan de volledige maaizone met een doorlopende begrenzingsdraad worden omrand.

AANWIJZING

Wanneer meerdere maaizones met behulp van een verbindingstraject worden verbonden, dan is een manueel transport van de robotmaaier tussen de maaizones noodzakelijk. Wanneer de robotmaaier zich niet in de laadzone bevindt, dan is zelfstandig opladen na het maaien niet mogelijk. De robotmaaier moet dan manueel naar de laadzone worden getranspor - teerd.

OPGELET

De begrenzingsdraden mogen elkaar aan verbindingstrajecten niet kruisen. Wanneer draden elkaar kruisen komt het op de betreffende plaats tot problemen.


De beide begrenzingsdraden 1 en 2 moeten ter hoogte van verbindingstra -jecten dicht tegen elkaar worden gelegd.
Ze mogen elkaar raken, maar niet kruisen.
De begrenzingsdraden 1 en 2 moeten gezamenlijk met meerdere bevestigings - nagels 3 in de bodem worden bevestigd.
13.03 Verboden zone
Vaste hindernissen die hoger zijn dan 15 cm (bijv. bomen, elektriciteitspalen) moeten binnen de maaizone niet door een verboden zone worden afgebakend. De robotmaaier zal licht tegen zulke hindernissen opbotsen, blijven staan, van richting veranderen en weer doorrijden. Hindernissen die niet stabiel genoeg zijn, of kleiner dan 15 cm (bv. sprinklerkoppen, bloembedden, kleine en dunne planten, die niet mogen worden gemaaid), moeten door verboden zones worden afgebakend.

AANWIJZING

Wanneer de robotmaaier tegen een hindernis aanrijdt, laat hij een geluidssignaal horen (korte pieptoon). Voor een stille werking waarbij de robotmaaier zonder deze signalen werkt, moet rond elke hindernis een verboden zone worden gelegd.

OPGELET

Gevaar voor letsel!
De geluidssignalen moeten altijd worden geactiveerd om te verzekeren dat de robotmaaier wordt waarge - nomen terwijl hij werkt.

1 Minimale afstand 1 m
2 Afstand 45 cm
(afstand C aan de iRuler)
(⇒ 12)
3 Begrenzingsdraad
4 Hindernis
5 iRuler
6 Bevestigingsnagels
7 Verbindingstraject
14. Het apparaat klaarmaken voor gebruik
Verboden zone rond hindernissen:
- De afstand 1 tussen de begrenzings - draad en de verboden zone moet groter zijn dan 1 m.
- De begrenzingsdraad die het volledige maabereik omrandt, moet in de richting van de pijl naar en rond de hindernis 4 worden gelegd.
- Plaats de begrenzingsdraad 3 met behulp van de afstand 2 (45 cm) van de iRuler 5 en bevestig hem met de bevestigingsnagels 6. (⇒ 12)
- Na het volledig omranden van de hindernis leidt u de begrenzingsdraad 3 parallel weer terug naar de plaats waar u de begrenzingsdraad 3 naar de hindernis liet vertrekken en gaat u verder met het plaatsen ervan.
De plaats waarop de begrenzingsdraad 3 naar de hindernis en weer terug wordt geleid is een verbindingstraject. (⇒ 13.02)
De robotmaaier negeert het verbindingstraject 7 en rijdt bijgevolg over de parallel aangelegde draden.
14.01 Voorbereidende maatregelen
Controleer de laadtoestand van de accu's:
de robotmaaier kan enkel in gebruik worden genomen met voldoende opgeladen accu's. Raadpleeg daarvoor de informatie in het hoofdstuk "Accu's". (⇒ 20.09)
Voor het plaatsen van de begrenzings - draad moeten de volgende punten worden uitgevoerd:
- Controleer voor de installatie van de begrenzingsdraad de te maaien opper - vlakken op mogelijke hindernissen.
- Rijd de te maaien gazonoppervlakken af met een gewone grasmaaier.
- Om de bevestigingsnagels gemakke - lijker in de grond te kunnen inslaan, moet het gazonoppervlak worden gesproeid.
-
Voor installatie moet de plaatsing van de begrenzingsdraad goed worden door - dacht met behulp van het beslissing - schema. Daarbij moet ook rekening worden gehouden met eventuele gebieden waar een verboden zone moet worden voorzien.
( 10) -
Bepaal precies op welke plaats het station moet worden geplaatst. (⇒ 11)
- Ga na of er in de buurt reeds een robotmaaier wordt gebruikt. In dit geval moeten de begrenzingsdraden van de beide robotmaaiers worden aangelegd met een minimale afstand van 2 m ten opzichte van elkaar.
- Maak een schets waarop u precies kunt zien hoe de begrenzingsdraden moeten worden gelegd.
- Controleer voor de installatie of de geplaatste begrenzingsdraad niet langer is dan 500 m.
- Het plaatsen van de begrenzingsdraad moet tegen de wijzers van de klok in gebeuren.
- Begrenzingsdraad installeren. (⇒ 14.02)
14.02 Begrenzingsdraad installeren

OPGELET

Draag werkhandschoenen en een veiligheidsbril bij het in de grond slaan van de bevestigingsnagels.
Wanneer de begrenzingsdraad langs water (vijver, beek, zwembad enz.) wordt gelegd, moet om veiligheidsredenen een afstand van ten minste 1,2 m worden bewaard tussen de begrenzingsdraad en het wateropper - vlak.
Wanneer de begrenzingsdraad wordt aangelegd op plaatsen waar de robotmaaier naar beneden kan vallen (hoogteverschil van meer dan 0,7 m), dan moet de begrenzingsdraad op een afstand van 1,2 m van deze gevaar -lijke plaats worden geïnstalleerd.

AANWIJZING

De begrenzingsdraad moet tegen de wijzers van de klok in rond het te maaien oppervlak worden aangelegd.
Voorafgaand aan het plaatsen van de begrenzingsdraad moet er rekening worden gehouden met de volgende hoofdstukken:
- "Maaizonesystemen" (⇒ 09),
- "Beslissingshulp voor het optimale zonesysteem" (⇒ 10),
- "Installatiemogelijkheden voor het station" (⇒ 11),
- "iRuler" ( 12),
- "Installatieonderdelen van de begrenzingsdraad" (⇒ 13).
De begrenzingsdraad mag bij het leggen maximaal 10 cm diep worden ingegraven of onder stenen platen worden geplaatst.
Bijkomende begrenzingsdraad en bijkomende bevestigingsnagels zijn verkrijgbaar bij de VIKING-dealer.
Nadat de plaats voor het station is gekozen en de installatie is gepland kan met de plaatsing van de begrenzingsdraad worden gestart.
- Stel het station op overeenkomstig het plan (met de aanrijbeveiliging aan de binnenkant van de maaizone) maar bevestig het nog niet.
- Pak de rol met de begrenzingsdraad.

AANWIJZING

Verwijder de verpakkingsfolie van de begrenzingsdraadrol niet. Ze dient als kabelverdeler en vergemakkelijkt het afrollen van de begrenzingsdraad van de rol aanzienlijk.

Maak met een vinger een gat in het midden van de verpakkingsfolie van de begrenzingsdraadrol 1 en trek het draaduiteinde met de aansluitstekker 2 er langzaam uit.

A Maaizone als voorbeeld
B Startpunt
1 Station
2 Begrenzingsdraad

AANWIJZING

De begrenzingsdraad moet tegen de wijzers van de klok in rond het te maaien vlak (bv. maaizone A) worden geplaatst overeenkomstig het gemaakte schema waarin de plaatsing van de begrenzingsdraad inclusief alle verboden zones, doorgangen, verbin- dingstrajecten enz. goed zichtbaar is.
Begin het plaatsen steeds aan het startpunt B (steeds direct voor het station 1).
- Installatie van het startpunt B:

Sla de bevestigingsnagel 1 met een afstand C = 45 cm, die op de iRuler 2 zichtbaar is, binnen de maaizone en voor het station 3 ca. 2/3 in de grond.

Hang de begrenzingsdraad 1 met de gemonteerde aansluitstekker 4 zo aan de bevestigingsnagel 3 dat de afstand A tussen de bevestigingsnagel 3 en de binnenkant van de aansluitstekker 4 vrij blijft.
Intern station( 11.01):
A = 30 cm
Extern station ( 11.02):
A = 40 cm
- Sla de bevestigingsnagel volledig in de grond.
- Richtingsverandering bij de plaatsing van de begrenzingsdraad:

AANWIJZING

Bij de plaatsing van de begrenzingsdraad moet erop worden gelet dat alle richtingsveranderingen met behulp van een bevestigingsnagel gebeuren.
Bochten moeten met behulp van meerdere bevestigingsnagels worden aangelegd.

Gebruik bevestigingsnagels 2 voor de richtingsveranderingen van de begren - zingsdraad 1.
- Verdere plaatsing van de begrenzingsdraad:

AANWIJZING

De uiteindelijke positie van de begren - zingsdraad wordt pas na afloop van de eerste ingebruikneming vastgelegd. (⇒ 14.08)
Bevestig de begrenzingsdraad niet te veel, om bij de eerste ingebruikneming nog lichte wijzigingen te kunnen aanbrengen.
- Alle verdere bevestigingsnagels, die voor het plaatsen van de begren - zingsdraad nodig zijn, moeten met behulp van een hamer en de iRuler (voor de overeenkomende afstanden) binnen de maaizone in de grond worden geslagen, tot het startpunt B wordt bereikt.
(⇒ 12)
4. Verbinden van begrenzingsdraaduiteindes:

Trek de aan het startpunt in de grond geslagen bevestigingsnagel 1 uit de grond tot het begrenzingsdraaduiteinde 2 erbij in kan worden gehangen.
Hang het begrenzingsdraaduiteinde 2 erbij in en sla de bevestigingsnagel 1 volledig in de grond.

AANWIJZING

De beide begrenzingsdraaduiteinden zijn op dezelfde plaats met een bevestigingsnagel bevestigd en liggen naast elkaar.

Snij de begrenzingsdraad 1 met de lengte A (gemeten vanaf bevestigingsnagel 2) af.
Intern station(→ 11.01):
$$ A = 3 0 \mathrm{cm} $$
Extern station ( 11.02):
$$ A = 4 0 \mathrm{cm} $$

Strip het uiteinde van de begrenzings - draad 1 ca. 6 mm.
- Wikkel beide begrenzingsdraden om elkaar.

Steek het gestripte begrenzingsdraad - uiteinde 1 tot de aanslag in de aansluitstekker 2 en houdt het zo vast. Draai de bevestigingsschroef 3 vast.
14.03 Het station monteren en aansluiten

Wielsteun links 1 aan de linkerzijde van het middenstuk 2 bevestigen.
Bout 3 met 0,3 - 0,7 Nm vastdraaien.
- Procedure aan de rechterzijde herhalen.

Aanrijbeveiliging 1 zoals afgebeeld aan de bevestigingsgleuf 2 van het midden - stuk 3 aanbrengen tot tegen de aanslag.

Aansluitstekker 1 van de begrenzings - kabel door de middelste opening in het middenstuk 2 leiden en iets aanspannen.

AANWIJZING
Het vooraf gemonteerde station moet zo op de begrenzingsdraad worden geplaatst, dat de aanrijbeveiliging zich binnen de maaizone bevindt.
- Plaats de voedingskabel tot aan de geplande montagepositie. Leidingen nog niet verbinden en aan de voeding aansluiten.

OPGELET

Om struikelgevaar te voorkomen mag de stroomkabel niet over een ondergrond worden gelegd waarin hij niet kan worden bevestigd (bijv. stoep, voetpad, oprit).
Indien niet kan worden voorkomen dat de stroomkabel over zulke opper - vlakken wordt gelegd moeten kabel - goten worden gebruikt.

Plaats het deksel 1 voor het station 2. Let er hierbij op dat de zwarte voedingskabel 3 zich in de kabelgeleiding bevindt.

De groene aansluitstekker 1 van de begrenzingsdraad in de groene stekkerbus 2 van het moederbord steken.

Haken 1 van de afdekking 2 in de uitsparingen 3 van het station 4 schuiven. Let er hierbij op dat de voedingskabel of de begrenzingsdraad niet geklemd raakt.

Afdekking 1 naar het middenstuk 2 drukken en houden. Bouten 3 met 0,3 - 0,7 Nm vastdraaien.

Stekker 1 van de aansluitkabel (station) verbinden met de adapterstekker 2.
- Sluit de stroomkabel aan op het elektriciteitsnet.

Het groene led-lampje 1 brandt bij correcte installatie.
- Station testen.
(→ 14.05)
- Doorgaan met het hoofdstuk "Eerste ingebruikneming".
(→ 14.08)

AANWIJZING

Bevestig het station nog niet in de bodem.
Voor de uiteindelijke bevestiging van het station moet eerst het hoofdstuk
"Eerste ingebruikneming" volledig worden afgewerkt.
(→ 14.05)
14.04 Wandhouder en adapter monteren

OPGELET

Installeer de voeding beschermd tegen vocht en natheid.
Op een geschikte plaats twee gaten (6 mm) met de juiste afstanden in de muur boren.

AANWIJZING

De in de leveringsomvang inbegrepen pluggen dienen alleen voor de montage van de wandhouder aan de muur.
Wanneer de wandhouder aan een houten wand wordt bevestigd, gebruikt u alleen de schroeven.

Plug 1 plaatsen, wandhouder 2 plaatsen en de beide bouten 3 indraaien.

Voedingskabel 1 aan de adapter 2 aansluiten en de adapter in de wandhouder 3 hangen.
- Station in elkaar zetten en aansluiten. (⇒ 14.03)

Het bedieningspaneel 1 van het station bevindt zich op de afdekking.
Wanneer het groene led-lampje 2 zonder signaaltoon regelmatig knippert, wil dit zeggen dat het station met het elektriciteitsnet is verbonden en stand-by is.
Storingen:
Regelmatige pieptoon: een regelmatige pieptoon geeft aan dat de begrenzingskabel onderbroken is.

Onregelmatige pieptoon: een onregelmatige pieptoon geeft aan dat de begrenzings - draad langer is dan 500 m, of dat hij op meerdere plaatsen slecht is verbonden.

14.06 Accu AP-480 verwijderen

Accu AP 480 1 aan de handgreep 2 vasthouden, optillen en wegnemen van de robotmaaier 3.
14.07 Accu AP-480 plaatsen

Accu AP 480 1 aan de handgreep 2 vasthouden en in de robotmaaier 3 vanuit de bovenkant plaatsen.

AANWIJZING

Na het plaatsen van de accu AP 480 moet de accuspanning in het menu "Accuspanning" worden gecontroleerd. Indien de spanning lager is dan 24 V, moet de accu voor de eerste ingebruikneming volledig worden opgeladen.
(⇒ 18.19), (⇒ 20.09)
14.08 Eerste ingebruikneming

OPGELET

Gevaar voor letsel!
Neem de waarschuwingen in het hoofdstuk "Voor uw veiligheid" in acht (⇒ 04).
Zorg er in elk geval voor dat er geen personen, in het bijzonder kinderen, of dieren de maaizone betreden.

AANWIJZING

Houd bij het bedienen van de menu's rekening met de instructies in het hoofdstuk "Bedieningsinstructies" (⇒ 18.02).
Met de toetsen Omhoog en Omlaag kunnen opties en menu-items worden geselecteerd.

Met de toets GO bevestigt u een selectie of opent u een submenu.
GO
Met de toets C kunt u het menu op elk gewenst moment verlaten.

- Het gazon voorbereiden (⇒ 14.01)
- Plaats de robotmaaier in de maaizone.

AANWIJZING

Plaats de robotmaaier niet in het station.
- Snijhoogte instellen (⇒ 14.10)
- Plaats de hoofdzekering (⇒ 20.03.01)
- Plaats de accu AP 480 (⇒ 14.07)
- Neem de afstandsbediening uit de houder. (⇒ 16.04)
Stap 1:
Taal instellen:

flowchart
graph TD
A["Manual User options"] --> B["GO"]
B --> C["Settings Press GO"]
C --> D["GO"]
D --> E["Zones setup Press GO"]
E --> F["✓"]
F --> G["Child guard off Press GO"]
G --> H["✓"]
H --> I["Sound on Press GO"]
I --> J["✓"]
J --> K["Wire position Press GO"]
K --> L["✓"]
L --> M["Language Press GO"]
M --> N["GO"]
N --> O["English Confirm"]
O --> P["..."]
P --> Q["Nederlands Confirm"]
Q --> R["GO"]
R --> S["Handmatig Uw opties"]
Druk de toets GO in,
Open menu "Settings" en blader de toets Ab tot de eerste optie "Language". Open het menu "Language", kies de gewenste taal en bevestig met de toets GO.
Stap 2:
Station plaatsen:
Interne positie:

De begrenzingsdraad 1 moet precies onder het station 2 door worden geleid en aan de voor- en achterkant precies in het midden onder de markeringen A (voorkant) en B (achterkant) doorlopen.
Externe positie:

De begrenzingsdraad 1 moet precies onder het station 2 door lopen. De verplaatsing C van 15 tot 20 cm ten opzichte van de markeringen A (voorkant) en B (achterkant) moet gelijk zijn aan de voor- en achterkant.

Stap 3:
Robotmaaier kalibreren:
- Plaats de robotmaaier in de maaizone in het midden van het gazonopper - vlak.
Voor de kalibratie van de robotmaaier is een effen, hindernisvrij oppervlak met een diameter van circa 2 meter vereist. - Plaats de afstandsbediening in de houder.
(→ 16.05)

flowchart
graph TD
A["Dok zone MAX\nDruk GO"] --> B["Stel land in\nDruk GO"]
B --> C["Not set!\nScrollen"]
C --> D["Austria (AUS)\nBevestig"]
D --> E["DK Kalibratie\nDruk GO"]
E --> F["Activeer motoren\nDruk GO"]
F --> G["wait..."]
G --> H["Test geslaagd\nDruk C"]
G --> I["Prob ergns anders"]
H --> J["✓"]
I --> K["×"]
Start de kalibratie met de toets GO.
Open het menu "Land instellen" en blader met behulp van de toets Ab tot het gewenste land.

AANWIJZING

Het land waar de robotmaaier staat moet worden ingesteld. Elke andere keuze verhindert een succesvolle kalibratie van het kompas in het apparaat.
Indien de robotmaaier later in een ander land moet worden gebruikt, moet de elektronica worden gereset om de kalibratie te herhalen. Voor nadere informatie hierover verwijzen wij u naar uw VIKING-dealer.
Zet de kalibratie met behulp van de toets GO verder en activeer de aandrijfmotoren eveneens met de toets GO.
De robotmaaier draait nu enkele keren om zijn eigen as, op het display wordt ondertussen "wait.." weergegeven.

Test succesvol:
kalibratie succesvol, druk op de toets C en ga verder met Stap 4.

Probeer elders:
kalibratie kon niet worden uitgevoerd en moet op een andere plaats in de maaizone worden herhaald.
- Druk op toets C, breng de robot - maaier daarna naar een andere plaats in de maaizone en voer de kalibratie (Stap 3) nogmaals uit.
Stap 4:
Station testen:

Plaats de robotmaaier 1 zoals afgebeeld in de laadzone voor het station 2. Houd het station 2 aan de afdekking 3 vast.
Bovenste afbeelding:
interne positie van het station.
Onderste afbeelding:
externe positie van het station.

AANWIJZING

Het station is nog niet aan de bodem bevestigd en moet daarom bij het inrijden van de robotmaaier worden vastgehouden.
Gebruik de optie "Ga naar basis" ook wanneer het station al een keer werd ingesteld en opnieuw wordt opgesteld (bijv. na de winterpauze). (→ 16.03)
- Steek de afstandsbediening in de houder.
(⇒ 16.05)
- Druk op de toets Open. Activeer de optie "Ga naar basis" met behulp van de toets GO.

De robotmaaier rijdt zelfstandig in het station en laadt de accu's op. (⇒ 20.09)
Mogelijke activiteiten van de robotmaaier:
- De robotmaaier zoekt het station niet ⇒ verder met A
- De robotmaaier rijdt in het station en verlaat het station weer ⇒ verder met B
- De robotmaaier rijdt zelfstandig in het station en de accu's worden opgeladen.
→ verder met Stap 5
A: De robotmaaier zoekt het station niet:
Mogelijke foutmeldingen op het display :
"Geen signaal":
steek de stekker van het station in het stopcontact en druk opnieuw op de toets GO.
"Start inside" of "Signaal testen":
begrenzingsdraad is foutief aangesloten.
Begrenzingsdraad juist aansluiten:
- Maak de stroomkabel los van het elektriciteitsnet.
- Neem het afdekking van het station en trek de groene stekker uit.

Draai de schroeven 1 los en wissel de beide uiteindes van de begrenzingsdraad 2. Steek de gestripte uiteindes terug tot de aanslag in de aansluitstekker 3 en draai de schroeven 1 vast.
- Steek de groene aansluitstekker op zijn plaats en sluit de afdekking van het station aan en schroef ze vast.
- Sluit de stroomkabel aan op het elektriciteitsnet.
• Test van het station herhalen.
(→ Stap 4)
B: De robotmaaier rijdt zelfstandig in het station en verlaat het station weer.
Wanneer het correct binnenrijden mislukt en geen foutmeldingen worden weergegeven, rijdt de robotmaaier opnieuw langs het begrenzingsdraad en zoekt verder naar het station.
Beëindig het zoeken door op de toets STOP te drukken.

Plaats het station nogmaals op de begrenzingsdraad en let in het bijzonder op de correcte draadpositie voor, onder en achter het station.
• Test van het station herhalen.
(→ Stap 4)
Stap 5:
Station aan de bodem bevestigen
- De robotmaaier met behulp van de afstandsbediening uit het station rijden.
(⇒ 16.06)

Bevestig het station 1 met vijf haringen 2 in de grond.
- Wandhouder en adapter monteren.
(⇒ 14.04)
Stap 6:
Begrenzingsdraad testen:
- Plaats de robotmaaier met behulp van de optie "Ga naar basis" in het station. (⇒ 16.03)
- Neem de afstandsbediening uit de houder. (⇒ 16.04)
-
Open de optie "Draadpositie" in het menu "Instellingen" met behulp van de toets GO.
(⇒ 18.04) -
Plaats de afstandsbediening in de houder. (⇒ 16.05)
- Na het indrukken van de toets GO test de robotmaaier de geïnstalleerde begrenzingsdraad. Loop achter de robotmaaier en let erop dat hij de begrenzingsdraad correct volgt. Wanneer de robotmaaier bij de rondrit rond de laadzone tegen een hindernis rijdt, stopt hij, rijdt hij om het hindernis heen en gaat verder met het testen van de begrenzingsdraad.
- Corrigeer de positie van de begrenzingsdraad of verwijder hindernissen.
- Herhaal de test van de begrenzingsdraad (Stap 6), tot de robotmaaier zonder problemen langs het begrenzingsdraad rijdt.

AANWIJZING

De optie "Draadpositie" in het menu "Instellingen" moet ook worden gebruikt, wanneer de begrenzingsdraad opnieuw is aangelegd.
(⇒ 18.04)
Stap 7: Afsluiten van de initiële installatie:
De robotmaaier rijdt zelfstandig in het station en laadt de accu's op.
Stap 8: De bevestigingsnagels controleren en volledig in de grond slaan:
Na het afsluiten van de eerste ingebruik - neming moet u de bevestigingsnagels nog een keer controleren en eventueel gelijk met het gazonoppervlak in de grond slaan.
De begrenzingsdraad moet op alle plaatsen goed op de grond liggen en minstens om de meter worden bevestigd.

AANWIJZING

De begrenzingsdraad moet overal goed op de bodem liggen.
Wanneer de bodem kuilen vertoont, moet erop worden gelet dat de begrenzingsdraad met behulp van een bevestigingsnagel op het diepste punt tegen de grond wordt gedrukt.

Zet de bevestigingsnagel 1 op het diepste punt en span de begrenzingsdraad 2 tegen de grond door de bevestigings - nagel helemaal in de grond te slaan.

AANWIJZING

Wanneer de meegeleverde bevesti - gingsnagels niet volstaan, kunnen bij een VIKING-dealer extra bevesti - gingsnagels worden gekocht.
14.09 Eerste ingebruikneming in een maaizone met een begrenzingsmodule

AANWIJZING

De bijkomende begrenzingsmodule is niet in de leveringsomvang inbegrepen. Ze is als speciaal accessoire verkrijgbaar bij een VIKING-dealer.
- Bereid het gazon voor. (⇒ 14.01)
- Installeer de begrenzingsdraad in de maaizone en sluit deze aan op de begrenzingsmodule. Lees hoofdstuk "Begrenzingsdraad installeren" (⇔ 14.02) en de aanwijzingen in de gebruiksaanwijzing van de begrenzingsmodule.
- Plaats de robotmaaier in de maaizone. Lees de informatie in het hoofdstuk "Transport". (⇒ 21)
- Schakel de begrenzingsmodule in. (⇒ 14.11)
-
Stel de snijhoogte in. (⇒ 14.10)
-
Plaats accu AP 480. (⇒ 14.07)
- Kalibreer de robotmaaier wanneer deze nog nooit eerder werd gebruikt (⇒ 14.08 Stap 3)
- Test de begrenzingsdraad:
Selecteer de optie "Draadpositie" in het menu "Instellingen".
(⇒ 18.04)
Wanneer op het scherm de fout - melding "Start inside" of "Signaal testen" verschijnt, is de begrenzings - draad verkeerd aangesloten.
(⇒ 14.02)
• Stel maaizone B, C of D in. (⇒ 18.05) - Afsluiten van de eerste ingebruik - neming: de bevestigingsnagels nog een keer controleren en eventueel gelijk met het gazonoppervlak in de grond slaan. Let erop dat de begrenzingsdraad op alle plaatsen goed op de grond ligt en minstens om de meter is bevestigd. De robotmaaier is nu klaar voor de manuele start. (⇒ 16.02)

AANWIJZING

Raadpleeg de informatie in het hoofdstuk "Eerste ingebruikneming". (⇒ 14.08)
De begrenzingsdraad moet overal goed op de bodem liggen.
Als de bodem kuilen vertoont, moet erop worden gelet dat de begrenzings - draad met behulp van een bevesti - gingsnagel op het diepste punt tegen de grond wordt geduwd.
Wanneer de meegeleverde bevesti - gingsnagels niet volstaan, kunnen bij een VIKING-dealer bijkomende bevestigingsnagels worden gekocht.
De robotmaaier maait 1,5 tot 2 rondes langs de begrenzingsdraad voordat hij met het maaien van het gazon begint. Wanneer de robotmaaier slechts een ronde langs de begrenzingsdraad moet rijden, kan dit worden ingesteld in het menu "Leer rand". (⇒ 18.05)
14.10 Snijhoogte instellen
14.10.01 Snijhoogte-instelling aan de voorkant
De snijhoogte-instelling aan de voorkant kan in zeven standen worden ingesteld.
• Verwijder accu AP 480.
(→ 14.06)
- Zet de robotmaaier in de reinigingsstand.
(→ 20.08)

Stelschroef 1 met de klok mee of tegen de klok in draaien totdat ze na een volledige omwenteling vastklikt. De pijl op de stelschroef 2 moet bij een juist ingestelde snijhoogte steeds naar voren wijzen.
Stelschroef met de klok mee draaien: snijhoogte wordt lager.
Op het gemaaide oppervlak blijft het gazon met lagere gazonhoogte staan.
Stelschroef tegen de klok in draaien: snijhoogte wordt hoger.
Op het gemaaide oppervlak blijft het gazon hoger staan.

AANWIJZING
Een volledige omwenteling van de stelschroef is afhankelijk van de draairichting ca. +/- 7 mm.

14.10.02 Snijhoogte-instelling aan de achterkant

AANWIJZING
Het wordt aanbevolen om eerst de snijhoogte aan de voorkant in te stellen op de gewenste gazonhoogte. Pas nadat de snijhoogte aan de voorkant juist is ingesteld kan de snijhoogte aan de achterkant worden aangepast.
(⇒ 14.10.02)
De snijhoogte-instelling aan de achter - kant kan in twee standen worden ingesteld. Hierbij dient de snijhoogte-instelling aan de achterkant alleen ter compensatie, om een erg schuine ligging van de robotmaaier te voorkomen.
• Verwijder accu AP 480.
(⇒ 14.06)

Hendel 1 voor de snijhoogte in pijlrichting trekken en vasthouden.
Om de snijhoogte in te stellen moet de hendel 1 naar beneden of naar boven worden gebracht.
Hendel omhoog:
snijhoogte wordt verminderd.
Hendel omlaag:
snijhoogte wordt vergroot.
14.10.03 Snijhoogte controleren

De robotmaaier 1 moet na instelling van de snijhoogte aan de voor- en achterkant bijna parallel staan ten opzichte van de ondergrond.
Vermijd een extreem schuine ligging van het apparaat.
14.11 De begrenzingsmodule ABM 500 inschakelen

Schakel de begrenzingsmodule in met toets 1.
Wanneer het groene led-lampje 2 knippert, wil dit zeggen dat de begrenzingsmodule klaar is.
De begrenzingsmodule schakelt zichzelf uit na 12 uur, maar kan ook manueel worden uitgeschakeld door 3 seconden lang op toets 1 te drukken.
Storingen:
Wanneer het led-lampje 3 rood oplicht terwijl er een regelmatige pieptoon weerklinkt, betekent dit dat de begrenzingsdraad onderbroken is.
Wanneer het led-lampje 4 rood oplicht terwijl er een onregelmatige pieptoon weerklinkt, betekent dit dat de begrenzingsdraad langer is dan 500 m, of dat hij op meerdere plaatsen slecht is verbonden.
15. Aanwijzingen voor het maaien
Gebruik:
De robotmaaier mag niet worden gebruikt zoals een gewone grasmaaier.
Dit apparaat is zo ontwikkeld dat het gazon door een continue bewerking kort wordt gehouden.
Hoe groter het gazonoppervlak, hoe vaker de robotmaaier moet maaien. De programmering moet dus zodanig worden aangepast dat het gazon tussen de maaibeurten in niet te lang wordt.
Goed maairesultaat:
Bij oppervlakken met hoger gras dat vooraf niet door een gewone grasmaaier is gemaaid heeft de robotmaaier meerdere maaibeurten nodig om het totale vlak te bewerken (afhankelijk van de oppervlakgrootte en de complexiteit van het gazonperk). Pas daarna zal het maairesultaat goed zijn.
Bij het programmeren kunnen hiervoor meerdere instellingen worden uitgevoerd. (⇒ 19)
Wanneer de robotmaaier wordt ingezet op een gazonperk met kort gazon blijft het gazon altijd kort.
Er zal altijd een mooi maairesultaat zichtbaar zijn.
Het apparaat kan beter niet worden gebruikt op een nat of vochtig gazon.
Let op de programmering van de regensensor.
(⇒ 18.17)
Voor een goed maairesultaat moeten de maaimessen voldoende scherp zijn.
Mulchen:
De robotmaaier is een mulchmaaier.
Bij het mulchen worden de grassprieten na het maaien verder in het maaihuis klein gehakt en vervolgens opnieuw op het gazon verstrooid. Daar blijven ze liggen en verrotten ze.
Opdat het mulchen correct zou werken moet het gazonoppervlak voldoende vaak en regelmatig worden gemaid. Het gazon mag daarbij niet hoog zijn.
Aanwijzing:
het rotten van afgemaaid gras en de vorming van mos hebben niets met elkaar te maken.
- Doel:
fijngesneden maaigoed dat goed in de grasnerf kan verrotten, geeft organische voedingsstoffen aan het gazon terug en dient zo als natuurlijke mest.
- Voordeel:
mulchen is een tijdbesparende (de grasopvangbox moet niet worden leeggemaakt) en comfortabele manier van gazononderhoud die bij correct gebruik de bemestingsbehoefte vermindert met ongeveer 1/4 van de jaarlijkse behoefte.
Aanbevolen werktijden:
Aangenomen dat er voldoende daglicht is, wordt aanbevolen om het gazon te maaien wanneer het droog is. In geen geval mag het gazon worden gemaid wanneer het erg heet is omdat het dan kan verbranden en lelijk wordt.
Verhoogd maaivermogen:
Wanneer het vermogen van de accu AP 480 voor het te maaien oppervlak niet voldoet, is het mogelijk een aanvullende accu AP 480 met een externe oplader aan te kopen bij de VIKING-dealer. Zo kan het maaivermogen van de robotmaaier worden verhoogd.
Maai-intervallen:
Het wordt aanbevolen het gazonopper - vlak overeenkomstig de grootte en complexiteit ervan vaak genoeg te laten bewerken door de robotmaaier.
Op die manier wordt het gazon kort gehouden en wordt het mulchresultaat verbeterd. Let erop gelet dat de pauzes tussen de maaibeurten eventueel worden ingekort in de maanden waarin het gazon hard groeit.
Wanneer door het draaien van de robotmaaier kleine aardeplekken ontstaan in het gazonoppervlak wordt aanbevolen de pauzes tussen de maaibeurten iets langer te maken en de programmering dienovereenkomstig aan te passen (aanwijzing: het gazon niet onnodig elke dag maaien).
Zie "Aanbeveling minimale gebruikstijd" (⇒ 04.05)
Accubesparend werken:
Om de levensduur van de accu's te verlengen wordt aanbevolen om de robotmaaier zo te programmeren dat hij in kortere afstanden, maar niet met de volledige werktijd (waarbij de accu volledig wordt ontladen) maait. Daarbij is maximaal 1 maaibeurt per dag mogelijk. Zo worden de accu's niet constant opgeladen.
16. Apparaat in gebruik nemen

OPGELET

Gevaar voor letsel!
De robotmaaier mag alleen onder toezicht worden gebruikt. Tijdens het maaien mag het gazon niet worden betreden door personen, met name kinderen, en dieren.
16.01 Automatische werking
- De robotmaaier gebruiksklaar maken. (⇒ 14)
- De programmering vastleggen. (⇒ 19)
- De maaibeurten starten automatisch op de vastgelegde tijden. Er is maximaal 1 automatische maaibeurt mogelijk per dag.
- Een maaibeurt beëindigen: Automatisch: de robotmaaier rijdt na het verstrijken van de vastgelegde werktijd terug naar het station en de accu's worden automatisch opnieuw opgeladen.
Manueel:
druk op de toets STOP.
De robotmaaier blijft op het gazonoppervlak staan.
Om de accu's op te laden selecteert u de optie "Ga naar basis" en bevestigt u met de toets GO.
(⇒ 16.03)

16.02 Manueel gebruik

AANWIJZING

Wanneer meerdere maaibeurten moeten gebeuren binnen 24 uur moet erop worden gelet dat de accu voldoende tijd krijgt om op te laden.
Gebruik indien nodig een bijkomende accu AP 480, die als accessoire verkrijgbaar is
Om een korte werktijd te voorkomen moeten de accu's voor het begin van het manuele gebruik volledig worden opgeladen.
(⇒ 20.09).
Robotmaaier staat in het station:
- Plaats de afstandsbediening in de houder.
(⇒ 16.05)
Op het display wordt of de tijd en de volgende automatische maaibeurt of de melding "Manueel wegr." weergegeven.
- Start het manuele maaien door de
toets GO in te drukken. De robotmaaier verlaat het station en blijft weer staan.

- Selecteer het ingangspunt :

AANWIJZING

Ingangspunten kunnen alleen worden bepaald wanneer ze zijn geactiveerd. (⇒ 18.22)
De ingangspunten 1 tot 4 moeten worden geprogrammeerd.
(⇒ 18.22)
Selecteer het gewenste ingangspunt (hier begint de robotmaaier met maaien) en bevestig met de toets GO.
- Cyclisch: de robotmaaier begint het maaien afwisselend bij de drie standaard ingangspunten of – indien geprogrammeerd – bij de ingangspunten 1 tot 4.
- Ingangspunten 1 tot 4: de robotmaaier begint het maaien bij een van de geprogrammeerde ingangspunten, waarbij ingangspunt 1 altijd het station is.
- Op het display wordt de melding "GO opnieuw drukken voor geen rand" weergegeven.
- Op GO drukken: de robotmaaier maait direct het gazonoppervlak.
- Op geen toets drukken: de robotmaaier maait eerst langs de rand van het gazon en daarna het gazonoppervlak.
De robotmaaier staat in de maaizone
- Plaats de afstandsbediening in de houder.
(⇒ 16.05)
• Maaien in maaizone B, C of D:
Druk op de toets Omlaag en selecteer de maaizone.
Om te kunnen maaien in de maaizones B, C en D moet eerst de werktijd worden vastgelegd. (⇒ 18.05)

- Start het manuele maaien door de toets GO in te drukken.
GO
- Op het display wordt de melding "GO opnieuw drukken voor geen rand" weergegeven.
- Op GO drukken: de robotmaaier maait direct het gazonoppervlak.
- Op geen toets drukken: de robotmaaier maait eerst langs de rand van het gazon en daarna het gazonoppervlak.
Beëindigen van het maaien:
Automatisch:
In de laadzone rijdt de robotmaaier na het verstrijken van de vastgelegde werktijd terug naar het station en de accu's worden automatisch opnieuw opgeladen.
In de maaizones B, C en D blijft de robotmaaier na afloop van de werktijd staan. Op het scherm verschijnt de melding "Accu opladen" of "Tijd over -belast".
Tot slot van de maaibeurt de accu's opladen.
( 20.09).

AANWIJZING

Het scherm wordt na 15 minuten uitgeschakeld, de laatste melding wordt door het drukken op de toets GO terug opgeroepen.
Manueel:
Druk op de toets STOP.
De robotmaaier blijft op het gazonoppervlak staan.
Selecteer in de laadzone de optie "Ga naar basis" om de accu's op te laden en bevestig met de toets GO.
(⇒ 16.03)
Laad in de maaizones B, C en D na het beëindigen van de maaibeurt de accu's terug op.
(⇒ 20.09).

16.03 De robotmaaier in het station rijden
De robotmaaier kan in de laadzone zelfstandig het station inrijden. Het is echter ook mogelijk om de robotmaaier in het station te zetten of hem er met behulp van de afstands - bediening (speciaal accessoire) in te rijden.
Automatisch in het station rijden:
- Plaats de robotmaaier in de laadzone en plaats de accu AP 480.
(⇒ 14.07)
- Plaats de afstandsbediening in de houder.
(⇒ 16.05)
- Selecteer de optie "Ga naar basis" met de toets Omhoog en bevestig met de toets GO. De robotmaaier zoekt de begrenzingsdraad en rijdt dan zelfstandig in het station.


AANWIJZING

De optie "Ga naar basis" wordt ook gebruikt om te testen of de robotmaaier correct terug naar het station rijdt.
Raadpleeg in dit geval de informatie in het hoofdstuk "Eerste ingebruik - neming".
(⇒ 14.08)
Manueel in het station rijden:
- Neem de afstandsbediening uit de houder.
(⇒ 16.04)
- Rijd de robotmaaier in het station. (⇒ 16.03)
Op het display verschijnt de melding "Basis". Na een paar seconden wordt op het display of de tijd en de volgende automatische maaibeurt of de melding "Manueel wegr." weergegeven.
- Controleer afsluitend of de accu's van de robotmaaier worden opgeladen (het oplaadsymbool wordt continu gevuld).
(⇒ 20.09)
16.04 De afstandsbediening uit de houder nemen

Houder 1 met geplaatste afstandsbediening 2 omhoogklappen.

16.05 De afstandsbediening in de houder plaatsen

Afstandsbediening 1 tot de aanslag in de omhooggeklapte houder 2 schuiven en de spiraalkabel 3 opbergen.

AANWIJZING
Voor het starten van het maaien met de toets GO moet de houder met de ingeschoven afstandsbediening volledig worden opgeklapt.
Berg bij het opklappen de spiraalkabel van de afstandbediening correct in de opening van de behuizing op.

Houder 1 met geplaatste afstands - bediening 2 tot de aanslag opklappen.
16.06 Werking via de afstandsbediening
16.06.01 Bedieningsbereik:

OPGELET

Gevaar voor letsel!
Wanneer de robotmaaier via de afstandsbediening wordt bediend, moet de gebruiker om veiligheidsredenen continu buiten de gevarenzone (0,5 m rond de robotmaaier) blijven. Bovendien moet de gebruiker steeds binnen het bedieningsbereik blijven.

De robotmaaier 1 mag alleen met behulp van de afstandsbediening worden bediend wanneer de gebruiker in het bedieningsbereik A staat.
16.06.02 Rijden:

OPGELET

Gevaar voor letsel!
Bij het werken op een helling moet er op worden gelet dat de gebruiker steeds stevig staat. Werk op hellingen altijd in dwarsrichting en nooit naar boven of beneden. Sta hierbij steeds boven het apparaat (in een hogere positie dan het apparaat) om bij eventueel controleverlies niet door de draaiende grasmaaier te worden geraakt.
- Neem de afstandsbediening uit de houder.
(⇒ 16.04) - Controleer het bedieningsbereik. (⇒ 16.06.01)

Door het stuurkruis 1 in te drukken en vast te houden beweegt de robotmaaier in de desbetreffende richting.

Tijdens het rijden of het maaien, met andere woorden, wanneer het stuurkruis is 1 ingedrukt, kunt u de snelheid in twee standen instellen door eenmaal op de snelheidstoets 2 te drukken.
Langzaam: 1,0 km/uur
Snel: 2,0 km/uur

AANWIJZING

De gekozen snelheidsstand blijft net zo lang actief tot de snelheidstoets opnieuw wordt ingedrukt.

Laat het stuurkruis 1 los om de robotmaaier te stoppen.
16.06.03 Maaien:

OPGELET

Gevaar voor letsel!
Bij het werken op een helling moet er op worden gelet dat de gebruiker steeds stevig staat. Werk op hellingen altijd in dwarsrichting en nooit naar boven of beneden. Sta hierbij steeds boven het apparaat (in een hogere positie dan het apparaat) om bij eventueel controleverlies niet door de draaiende grasmaaier te worden geraakt.
- Neem de afstandsbediening uit de houder.
(⇒ 16.04) - Controleer het bedieningsbereik.
(→ 16.06.01)

Druk voor het starten van de maaimessen eerst op de toets C 1 en houd deze ingedrukt. Druk daarna op de toets Maaien 2 en houd de toets ingedrukt.

AANWIJZING

Wanneer de maaimessen zijn ingeschakeld kan de toets C weer worden losgelaten.
• Rijden met de robotmaaier. (⇒ 16.06.02)

Laat de toets Maaien 1 los om de maaimessen te doen stoppen.
17. Afstandsbediening

2-regelig scherm voor het weergeven van werkingsinformatie
B C-toets
Navigeren in het menu: menu verlaten
(⇒ 18.02)
Manueel maaien toelaten
(→ 16.06.03)
C GO-toets
Navigeren in het menu:
Menu openen resp. geselecteerde instelling bevestigen
(⇒ 18.02)
Afstandsbediening in de houder:
Maaibeurt starten
(⇒ 16.06.03)
D STOP-toets
Maaimotor en aandrijving stoppen
E Toets Omlaag
Navigeren in het menu: wisselen naar het volgende menu-item
(⇒ 18.02)
F Toets Omhoog
Navigeren in het menu: wisselen naar het vorige menu-item
(⇒ 18.02)
G Weergave van de laadniveau van de accu's
(→ 20.09)
H Stuurkruis
Sturen van de robotmaaier bij gebruik van de afstandsbediening
(⇒ 16.06.02)
I Toets snelheid
Het instellen van de snelheid van de robotmaaier bij gebruik van de afstandsbediening
(⇒ 16.06.02)
J Toets Maaien
Inschakelen van de maaimotoren voor manueel maaien
(⇒ 16.06.03)
K Regensensor
Wanneer de regensensor actief is, worden de automatische maaibeurten bij regen onderbroken of uitgesteld
(⇒ 18.17)
18. Menu
18.01 Overzicht

flowchart
graph TD
A["Uw opties\n⇒ 18.03"] --> B["Instellingen\n⇒ 18.04"]
A --> C["Informatie\n⇒ 18.19"]
A --> D["Dok opties\n⇒ 18.20"]
A --> E["Service\n⇒ 18.03"]
B --> F["Zones instellen\n⇒ 18.05\nKind beveil\n⇒ 18.06\nGeluid\n⇒ 18.07\nDraadpositie\n⇒ 18.08\nTaal\n⇒ 18.09\nScan type\n⇒ 18.10\nZigzag hoek\n⇒ 18.11\nSnel rand\n⇒ 18.12\nZet dok aan\n⇒ 18.13\nEco mode\n⇒ 18.14\nSignaal type\n⇒ 18.15\nMessen vervangen\n⇒ 18.16\nRegensensor\n⇒ 18.17\nAnti dief\n⇒ 18.18"]
C --> G["Totale tijd\n⇒ 18.19\nAccu\n⇒ 18.19\nTemperatuur\n⇒ 18.19\nConfiguratie\n⇒ 18.19\nLaadspanning\n⇒ 18.19\nReden gestopt\n⇒ 18.19"]
D --> H["Week programma\n⇒ 18.20\nTijd\n⇒ 18.21\nIngangspunten\n⇒ 18.22\nProgramma Aan/uit\n⇒ 18.20\nSla vlg st over\n⇒ 18.23"]
E --> I["Password nodig"]
12
18.02 Bedieningsaanwijzingen

AANWIJZING

Neem de afstandsbediening uit de houder om instellingen te wijzigen, de motormaaier te programmeren en informatie op te vragen. Een aantal menu's kunnen alleen worden opge - vraagd wanneer de afstandbediening uit de houder wordt genomen. (⇒ 16.04)

Om menu's te openen drukt u op de toets GO, om menu's te verlaten drukt u op de toets C.
In een geactiveerd menu kan worden gebladerd met de pijltjestoetsen 1, 2. De toets STOP dient om de robotmaaier te stoppen of om de maaibeurt te beëindigen.
Voorbeelden ter verduidelijking:
Voorbeeld A:
menu "Kinderbeveiliging" openen en terug verlaten

flowchart
graph TD
A["Instellingen Druk GO"] --> B["1 go"]
B --> C["Zones instellen Druk GO"]
C --> D["2 ▼ ▲"]
D --> E["Kind beveil Uit Druk GO"]
E --> F["1 go"]
F --> G["Kind beveil Uit Bevestig"]
G --> H["3 c"]
H --> I["Kind beveil Uit Druk GO"]
I --> J["3 c"]
J --> K["Instellingen Druk GO"]
- Open het Hoofdmenu (→ 18.03) en daarna het menu "Instellingen" met behulp van de toets GO.
- Open het gemarkeerde submenu met de toets GO.
- Met de toetsen Omlaag of Omhoog wordt in het menu gebladerd.
- Met de toets C verlaat u het gekozen item om terug te keren naar het bovenliggende menu.
Voorbeeld B:
kinderbeveiliging in- resp. uitschakelen

flowchart
graph TD
A["Kind beveil Uit Druk GO"] -->|1 go| B["Kind beveil Bevestig"]
B -->|2 ▼| C["Kind beveil Bevestig"]
C -->|3 go| D["Handmatig Uw opties"]
B -->|Uit ↑| E["Upward arrow"]
C -->|Aan ↓| F["Downward arrow"]
- Met de toets GO wordt het gewenste submenu geactiveerd.
- Met de toetsen Omlaag of Omhoog kan in dit geval tussen "off" (uitge - schakeld) en "on" (ingeschakeld) worden gewisseld.
- Met de toets GO moet vervolgens elke verandering worden bevestigd.

AANWIJZING

Wanneer de instellingen niet met de toets GO worden bevestigd, neemt de robotmaaier de wijzigingen niet over.
Menu

AANWIJZING

De toetsen boven het display worden gebruikt om de robotmaaier te bedienen bij het manuele maaien of om de robotmaaier te sturen wanneer hij wordt verplaatst (bijv. naar een andere maaizone).
De toets maaien, het stuurkruis en de toets snelheid (⇔ 17) blijven verborgen wanneer de afstandsbediening in de houder zit. Ze zijn niet nodig voor de menubediening.

flowchart
graph TD
A["Handmatig Uw opties"] --> B["GO"]
B --> C["Instellingen Druk GO"]
C --> D["▼"]
C --> E["▲"]
D --> F["Informatie Druk GO"]
F --> G["▼"]
F --> H["▲"]
G --> I["Dok opties Druk GO"]
I --> J["▼"]
I --> K["▲"]
J --> L["Service Druk GO"]
K --> M["▼"]
Vanuit het hoofdmenu "Instelling" kunnen vier submenu's worden opgeroepen:
1. Instellingen
Vastleggen van de afzonderlijke apparaatinstellingen. (⇒ 18.04)
2. Informatie
Overzicht huidige status van de robotmaaier. (⇒ 18.19)
3. Dok opties
Programmering van de automatische maaibeurt. (⇒ 19)
4. Service
Onderhoudsmenu voor de VIKING- dealer.

AANWIJZING

Voorkom schade aan het apparaat! Voer alleen de service- en onderhoudswerkzaamheden uit die in het hoofdstuk "Onderhoud" (⇒ 20) worden beschreven.
Hoofdmenu oproepen:
- Neem de afstandsbediening uit de houder.
(→ 16.04)
• Vraag het hoofdmenu op door op de toets GO te drukken.


flowchart
graph TD
A["18.04 Instellingen"] --> B["Instellingen Druk GO"]
B --> C["GO"]
C --> D["Zone instellen Druk GO"]
D --> E["1"]
D --> F["2"]
D --> G["3"]
D --> H["4"]
D --> I["5"]
D --> J["6"]
D --> K["7"]
D --> L["8"]
D --> M["9"]
D --> N["10"]
D --> O["11"]
D --> P["12"]
D --> Q["13"]
D --> R["14"]
D --> S["Anti dief Druk GO"]
S --> T["14"]
S --> U["2"]
S --> V["3"]
S --> W["4"]
S --> X["5"]
S --> Y["6"]
S --> Z["7"]
S --> AA["8"]
S --> AB["9"]
S --> AC["10"]
S --> AD["11"]
S --> AE["12"]
S --> AF["13"]
S --> AG["14"]
S --> AH["15"]
S --> AI["16"]
S --> AJ["17"]
S --> AK["18"]
S --> AL["19"]
S --> AM["20"]
S --> AN["21"]
S --> AO["22"]
S --> AP["23"]
S --> AQ["24"]
S --> AR["25"]
S --> AS["26"]
S --> AT["27"]
S --> AU["28"]
S --> AV["29"]
S --> AW["30"]
S --> AX["31"]
S --> AY["32"]
S --> AZ["33"]
S --> BA["34"]
S --> BB["35"]
S --> BC["36"]
S --> BD["37"]
S --> BE["38"]
S --> BF["39"]
S --> BG["40"]
S --> BH["41"]
S --> BI["42"]
S --> BJ["43"]
S --> BK["44"]
S --> BL["45"]
S --> BM["46"]
S --> BN["47"]
S --> BO["48"]
S --> BP["49"]
S --> BQ["50"]
S --> BR["51"]
S --> BS["52"]
S --> BT["53"]
S --> BU["54"]
S --> BV["55"]
S --> BW["56"]
S --> BX["57"]
S --> BY["58"]
S --> BZ["Snel rand Druk GO"]
In het menu "Instellingen" geeft u alle afzonderlijke apparaatinstellingen op.
1. Zones instellen
Stel de werktijd voor elke maaizone en de randwerking in maaizones met begrenzingsmodule in (⇒ 18.05)
2. Kinderbeveiliging
Toetsbeveiliging in-/uitschakelen (⇒ 18.06)
3. Geluid
Geluidseffecten in-/uitschakelen (⇒ 18.07)
4. Draadpositie
Controleer de plaatsing van de begrenzingsdraad (⇒ 18.08)
5. Taal
Displaytaal instellen (⇒ 18.09)
6. Scan type
Werkwijze bij het maaien instellen (⇒ 18.10)
7. Zigzag hoek
Werkwijze bij contact met de begrenzingsdraad instellen (⇒ 18.11)
Menu
8. Snel rand
Snelheid van het langs de begrenzingsdraad rijden instellen ( 18.12)
9. Zet dok aan
Gebruik van het station in-/uitschakelen (⇒ 18.13)
10. Eco mode
Energiespaarstand in-/uitschakelen (⇒ 18.14)
11. Signaal type
Signaalfrequentie wijzigen (→ 18.15)
12. Messen vervangen
Vervanging van mes registreren (⇒ 18.16)
13. Regensensor
Regensensor instellen (⇒ 18.17)
14. Anti dief
Diefstalbeveiliging in-/uitschakelen (⇒ 18.18)
18.05 Menu Zones instellen

AANWIJZING

De robotmaaier kan zo worden geprogrammeerd dat hij in vier verschillende maaizones kan worden gebruikt.
Wanneer het gebruik van het station is geactiveerd ( 18.13), kunnen in het menu “Zones instellen” de Laadzone en drie andere zones (B, C, D) worden geprogrammeerd.
Om de maaizone in de laadzone te programmeren moeten de volgende stappen worden uitgevoerd:
- Open het hoofdmenu. (⇒ 18.03)
- Open het menu "Zones instellen".
- Selecteer "Dok zone" en open het menu met de toets GO.

flowchart
graph TD
A["Zones instellen\nDruk GO"] --> B["GO"]
B --> C["Dok zone\nDruk GO"]
C --> D["GO"]
D --> E["Werktijd\nDruk GO"]
E --> F["GO"]
F --> G["Dok zone MAX\nDruk GO"]
G --> H["GO"]
H --> I["Dok zone MAX\nBevestig"]
I --> J["↓:▲"]
J --> K["Dok zone 1:20\nBevestig"]
K --> L["GO"]
L --> M["Handmatig\nUw opties"]
- Open het menu "Werktijd" met behulp van de toets GO, druk de toets GO nogmaals in, om de vooraf ingestelde waarde te wijzigen.
- Stel een waarde tussen de 20 minuten en "MAX" (fabrieksinstelling) in en bevestig met de toets GO.

AANWIJZING

Als de ingestelde werktijd is bereikt, stopt de robot met maaien en rijdt hij terug naar het station om de accu op te laden.
Bij de instelling MAX kan de robot - maaier afhankelijk van de laadtoestand van de accu en de te maaien oppervlakte 2 tot 3 uur maaien.
Wanneer u bij het programmeren een andere instelling dan MAX kiest en de accuspanning niet voldoende is voor de geprogrammeerde werktijd, wordt de maaibeurt beëindigd voor de ingestelde tijd.
Zone A kan alleen worden ingesteld wanneer het gebruik van het station is gedeactiveerd. (⇒ 18.13)
Om de maaiduur te programmeren of de rand aan te leren, moeten telkens de volgende stappen worden uitgevoerd:
- Open het hoofdmenu. (⇒ 18.03)
- Open het menu "Zones instellen".
- Selecteer zone A, B, C of D en open het betreffende menu met de toets GO.
1. Werktijd instellen:

flowchart
graph TD
A["Zone B\nDruk GO"] -->|GO| B["Werktijd\nDruk GO"]
B -->|GO| C["Zone B Niets\nDruk GO"]
C -->|GO| D["Zone B Niets\nBevestig"]
D -->|↓ :▲| E["Zone B 1:20\nBevestig"]
E -->|GO| F["dmatig\nopties"]
- Open het menu "Werktijd" met behulp van de toets GO, druk de toets GO nogmaals in, om de eerder ingestelde waarde te wijzigen.
- Stel een waarde tussen "Niets" – niet maaien – (fabrieksinstelling) en "MAX" in en bevestig met de toets GO.

AANWIJZING

Als de ingestelde werktijd is bereikt, stopt de robot met maaien en blijft hij staan in de betreffende maaizone (A, B, C of D). Plaats de robotmaaier na het maaien in het station om de accu's op te laden
( 20.09)
of sluit de adapter aan
( 20.10).
Bij de instelling MAX kan de robot - maaier afhankelijk van de laadtoestand van de accu en de te maaien oppervlakte 2 tot 3 uur maaien.
Wanneer u bij het programmeren een andere instelling dan MAX kiest en de accuspanning niet voldoende is voor de geprogrammeerde werktijd, wordt het maaien beëindigd voor de ingestelde tijd.
Menu
2. Leer rand:
- Plaats de robotmaaier in de maaizone vlakbij de begrenzingsdraad.

AANWIJZING

De robotmaaier maait 1,5 tot 2 rondes langs de begrenzingsdraad voordat hij het gazonoppervlak begint te maaien. Wanneer de robotmaaier exact een ronde langs de begrenzingsdraad moet rijden kan dit worden ingesteld in het menu "Leer rand".

flowchart
graph TD
A["Zone B\nDruk GO"] -->|GO| B["Werktijd\nDruk GO"]
B --> C["Leer rand\nLeren: druk GO"]
C -->|GO| D["Warmt op..."]
D --> E["Leert rand\nSTOP=instellen"]
E --> F["Zone B\nDruk MAX GO"]
F --> G["End"]
- Selecteer het menu "Leer rand" en bevestig met behulp van de toets GO, druk de toets GO nogmaals in, om het leren te starten.
- Plaats de afstandsbediening in de houder (⇔ 16.05) en druk op de toets GO. De maaier zoekt de begrenzingsdraad op en volgt deze. Zodra de maaier iets meer dan één ronde langs de rand van het gazon heeft gereden, drukt u op STOP om het leerproces te voltooien. De robotmaaier blijft meteen staan en is klaar voor gebruik. Als u niet op STOP drukt, blijft de fabrieksinstelling behouden.
3. Fabrieksinstelling rand:
Hiermee zet u het traject voor het maaien langs de begrenzingsdraad terug op de fabrieksinstelling (1,5 tot 2 rondes).
18.06 Menu Kinderbeveiliging

OPGELET

Gevaar voor letsel!
De kinderbeveiliging moet altijd worden geactiveerd om te verhinderen dat kinderen of onbevoegden de robot -maaier kunnen starten.
Deze optie activeert de toetsenblokkering van de robotmaaier.
Als de kinderbeveiliging is geactiveerd, kunnen de toetsen alleen worden bediend nadat eerst op de toets Omhoog en
vervolgens op C is gedrukt.
Na twee minuten zonder invoer worden de toetsen weer vergrendeld. Op het display verschijnt de melding "Toetsen geblokkeerd".
- Open het menu "Kind beveil".
- Kies de optie "Kind beveil off" (uitgeschakeld) of "Kind beveil on" (ingeschakeld) en bevestig uw keuze.

AANWIJZING

De kinderbeveiliging wordt na de laatste bediening van de toetsen actief na 2 minuten.
18.07 Menu Geluid
Met deze optie kunnen geluidssignalen worden in- en uitgeschakeld.
- Open het menu "Geluid".
- Kies de optie "Geluid off" (uitgeschakeld) of "Geluid on" (ingeschakeld) en bevestig uw keuze.

OPGELET

Gevaar voor letsel!
De geluidssignalen moeten altijd worden geactiveerd om te verzekeren dat de robotmaaier wordt waargenomen terwijl deze werkt.
18.08 Menu Draadpositie
Open het menu "Draadpositie" om de begrenzingsdraad te testen en bevestig met GO.
De robotmaaier rijdt langs de begrenzingsdraad met uitgeschakelde maaimessen. Bij een hindernis stopt de robotmaaier en rijdt hij om de hindernis heen en zet de test voort.
- Pas eventueel de positie van de begrenzingsdraad aan en test de begrenzingsdraad daarna opnieuw.

AANWIJZING

Bij de eerste ingebruikneming en telkens wanneer de begrenzingsdraad wordt aangepast (bijvoorbeeld naar een andere plaats), moet deze opnieuw worden getest.
18.09 Menu Taal
In het menu "Taal" wordt de taal voor het display vastgelegd.
18.10 Menu Scan Type
In het menu "Scan Type" wordt het bewegingspatroon van de robotmaaier bepaald.

flowchart
graph TD
A["Scan type\nDruk"] --> B["GO"]
B --> C["Parallel\nBevestig"]
C --> D["Random\nBevestig"]
D --> E["Go"]
E --> A
Parallel:
Standaardinstelling: De robotmaaier maait het gazonoppervlak gedeeltelijk systematisch in een zigzag beweging.
Random:
De robotmaaier maait het gazonopper - vlak in willekeurig gekozen banen. De hoek ten opzichte van de begrenzings - draad wordt steeds gewisseld.

AANWIJZING

Het beste maairesultaat wordt bereikt met de instelling "Parallel". De robot -maaier berekent in dit geval de rijrichting met behulp van een ingebouwd kompas.
Op "Random" moet alleen worden omgeschakeld indien het kompas door plaatselijke interferenties wordt gestoord en het maairesultaat niet naar tevredenheid is (bijv. wanneer de robotmaaier steeds weer dezelfde baan maait).
( 04)
18.11 Menu Zigzag hoek
In het menu "Zigzag hoek" wordt de werkwijze van de robotmaaier na contact met de begrenzingsdraad of een hindernis bepaald.
Er kan een smaller of breder zigzagpa - troon worden ingesteld.
(⇒ 18.11)
Menu

flowchart
graph TD
A["Zigzag hoek\nDruk GO"] --> B["GO"]
B --> C["300\nBevestig"]
C --> D["..."]
D --> E["130\nBevestig"]
E --> F["..."]
F --> G["50\nBevestig"]
Het beste maairesultaat wordt bereikt met de standaardinstelling 130.
Kies een waarde tussen 50 en 300 en bevestig met de toets GO.

AANWIJZING

Wijzig de waarde in de volgende gevallen:
Instelwaarde verminderen:
Tussen hindernissen die dichter bij elkaar staan (bijv. tussen de begrenzingsdraad en een boom) blijven vaak ongemaaide stukken achter.
Wanneer er een lagere waarde wordt ingesteld dan 130, overlappen de afzonderlijke banen elkaar meer en wordt het gazon sterker belast.
Instelwaarde verhogen:
De robotmaaier maait tussen dichter bij elkaar staande hindernissen (bijv. tussen de begrenzingsdraad en een boom) vaker dezelfde baan.
Wanneer het kompas door plaatselijke interferenties wordt gestoord en de robotmaaier steeds weer dezelfde baan maait, moet u 200 of meer instellen.
Wanneer door het wijzigen van de waarde geen beter maairesultaat kan worden bereikt, moet worden gewisseld naar het scantype "Random".
(⇒ 18.10)
18.12 Menu Snel rand
Met deze optie kan de snelheid tijdens het rijden langs de begrenzingsdraad (zoeken van het station resp. van een ingangspunt) worden verhoogd.
- Open menu "Snel rand".
- Kies optie "Snel rand off" (langzaam) resp. "Snel rand on" (snel) en bevestig met toets GO.

AANWIJZING

De optie "Snel rand" is alleen mogelijk in de laadzone.
18.13 Menu Zet dok aan
In het menu "Zet dok aan" kan het gebruik van het station worden in- resp. uitgeschakeld.
- Open menu "Zet dok aan".
- Kies de optie "Zet dok aan off" (uitgeschakeld) resp. "Zet dok aan on" (ingeschakeld) en bevestig met de toets GO.

AANWIJZING

De standaardinstelling is "Zet dok aan on".
Wanneer er een station is geïnstalleerd, activeer het gebruik in het menu "Zet dok aan" zodat de robotmaaier automatisch maait en de accu's automatisch worden opgeladen.
Wanneer het gebruik van het station wordt gedeactiveerd kunnen alle menu's, die verband houden met het aansturen van het station, niet meer worden opgeroepen (bijv. menu Dockopties).
18.14 Menu Eco mode
In het menu "Eco mode" kunnen energiebesparende maatregelen worden ingesteld.
Het werken in de eco mode staat langere werktijden toe en verlaagt het geprodu - ceerde volume.
Kies deze modus als het gazon in de maaizone vaak wordt gemaaid. Als de motor zwaarder wordt belast, zoals bij het maaien van langer gras, gaat de robotmaaier automatisch over naar de normale stand.
- Open het menu "Eco mode".
- Kies de optie “Eco mode on” (ingeschakeld) resp. “Eco mode off” (uitgeschakeld) en bevestig met de toets GO.
18.15 Menu Signaal type
Met het menu "Signaal type" kunt u de frequentie van het draadsignaal wijzigen.
De robotmaaier werkt standaard met het signaal A. Wijzig dit in Signaal B in de volgende gevallen:
- de robotmaaier slingert bij het volgen van de begrenzingsdraad.
- de robotmaaier wordt door een andere maaier uit de buurt gestoord.
- de robotmaaier verandert van rijrichting zonder de begrenzingsdraad te bereiken.
- de robotmaaier rijdt over de begrenzingsdraad heen.
- in het display ziet u de melding "Start binnen", hoewel de robotmaaier binnen de begrenzingsdraad staat en deze correct is geplaatst.

AANWIJZING

Alle gegevens gelden ook voor het werken met de begrenzingsmodule (accessoire). In het station, de begrenzingsmodule en het menu van de robotmaaier moet hetzelfde signaaltype zijn ingesteld.
Station:

- Trek de stekker uit het netstroomstopcontact.
Draai de bouten 1 los en verwijder het deksel 2 van het station 3.
Signaal A: Schuif stekker 4 bij het moederbord 5 over de beide pennen.
Signaal B: Verwijder stekker 4 van het moederbord 5 en berg deze weg.
- Monteer het deksel van het station en bevestig het weer met twee bouten (0,3 - 0,7 Nm).
- Sluit de stroomkabel aan op het elektriciteitsnet.
Menu
Robotmaaier:

flowchart
graph TD
A["Signaal type\nDruk"] -->|GO| B["Type A\nBevestig"]
B --> C["▼"]
B --> D["▲"]
B --> E["Type B\nBevestig"]
Z
- Open het menu "Signaal type".
- Kies Type A of Type B en bevestig met GO.
18.16 Menu Messen vervangen
Bij het plaatsen van nieuwe maaimessen, opent u het menu "Messen vervangen" en bevestigt u de optie met de toets GO.

AANWIJZING

Raadpleeg ook de aanwijzingen in het hoofdstuk "Onderhoud" (⇔ 20).
Herinnering voor het vervangen van het mes:
wanneer de messen 200 uur zijn gebruikt, verschijnt in het display de melding "Maaimessen om de 200 uur vervangen". U kunt het maaien pas starten, nadat u op GO hebt gedrukt. Vervang het maairnes meteen.
18.17 Menu Regensensor
De robotmaaier is voorzien van een regensensor (⇒ 18.17).
Standaard is de regensensor ingeschakeld, wat betekent dat de robotmaaier het maaien bij regen onderbreekt of een automatische maaironde niet uitvoert.

AANWIJZING

Gebruik de robotmaaier niet bij regen en een vochtige of te natte bodem.
Het gazon wordt in dit geval beschadigd door de doordraaiende aandrijfwielen en het vochtige maaigoed zet zich af in de machine.
Om de regensensor goed te gebruiken moet het station zo worden opgesteld, dat er regen op de sensor (boven het display) kan vallen.

flowchart
graph TD
A["Regensensor\nDruk GO"] --> B["GO"]
B --> C["Regensensor Aan\nDruk GO"]
C --> D["GO"]
C --> E["Regensensor Aan\nBevestig"]
E --> F["GO"]
F --> G["Vochtigheidgraad\nDruk GO"]
G --> H["GO"]
G --> I["Vochtigheidgraad\n10"]
I --> J["GO"]
I --> K["Regel gevoelighd\nDruk GO"]
K --> L["GO"]
K --> M["09\nBevestig"]
M --> N["GO"]
N --> O["N"]
Regensensor uit- en inschakelen:
- Open het menu "Regensensor".
- Kies de optie "Regensensor Aan" (ingeschakeld) resp. "Regensensor Uit" (uitgeschakeld) en bevestig met de toets GO.
Gevoeligheid van de regensensor bepalen:
- Open het menu "Regensensor".
- Open het submenu "Vochtigheid - graad". Op het display wordt de momenteel opgevraagde waarde weergegeven. Wanneer de regensensor nat is (regen), wordt de Waarde 00 weergegeven, bij droog weer de Waarde 11.
Verlaat het menu met de toets C.

- Open het submenu "Regel gevoelighd". Er wordt een waarde weergegeven die standaard op 09 is ingesteld.
Dit betekent dat de maaibeurt wordt afgebroken, wanneer aan de sensor een waarde wordt gemeten die lager is dan 09 (drempelwaarde).
Kies de nieuwe drempelwaarde met de pijltjesoetsen en bevestig de instelling met GO.

AANWIJZING

Wijzig de drempelwaarde in de volgende gevallen:
Instelwaarde verlagen: de robotmaaier stopt met maaien, hoewel het niet regent (zoals bij zeer hoge luchtvochtigheid).
Instelwaarde verhogen: de robotmaaier maait verder, terwijl het regent (zoals bij lichte motregen).
18.18 Menu Diefstalbeveiliging
Als u de diefstalbeveiliging hebt geactiveerd, moet u een 4-cijferige code invoeren voor de manuele ingebruiks -neming en voor het bedienen van de toetsen.
Bij het optillen van de robotmaaier klinkt bovendien een geluidsalarm en worden de werkingslichten ingeschakeld.

AANWIJZING

De robotmaaier kan eenvoudig uit het station worden gehaald en worden vervoerd.
VIKING raadt u daarom aan om de diefstalbeveiliging te activeren wanneer de robotmaaier niet onder toezicht staat. Daarmee verhindert u dat onbevoegden het apparaat gebruiken en wordt het transport bemoeilijkt.
Noteer de code in het hoofdstuk "Onderhoudsschema" ( 30).
Wanneer in het display de code moet worden ingevoerd en u de beveili - gingscode niet meer weet, neemt u contact op met een VIKING-dealer.

flowchart
graph TD
A["Anti dief\nDruk GO"] --> B["GO"]
B --> C["Anti dief Uit\nDruk GO"]
C --> D["GO"]
D --> E["Anti dief Uit\nBevestig"]
E --> F["✓ ▲"]
F --> G["Anti dief Aan\nBevestig"]
G --> H["GO"]
H --> I["Geef nieuw pasw.\nDruk GO"]
I --> J["GO"]
J --> K["0000 [ 00"]\nvolgend nr]
K --> L["..."]
L --> M["1234 [ 00"]\nvolgend nr]
M --> N["GO"]
N --> O["Key 1234\nBevestig"]
O --> P["GO"]
P --> Q["Handmatig\nUw opties"]
Diefstalbeveiliging inschakelen:
- Open het menu "Anti dief".
- Open het menu "Anti dief Uit".
- Kies de optie "Anti dief Aan" en bevestig uw keuze.
Menu
• Voer de 4-cijferige code in:
kies de cijfers (tussen 0 en 9) en ga
met de toets GO naar het volgende
cijfer.
- Bevestig de 4-cijferige code met de toets GO.
Diefstalbeveiliging uitschakelen:
- Open het menu "Anti dief".
- Open het menu "Anti dief Aan".
- Kies de optie "Anti dief Uit" en bevestig uw keuze.
De 4-cijferige code wijzigen:

flowchart
graph TD
A["Anti dief Druk GO"] --> B["GO"]
C["Anti dief Aan Druk GO"] --> D["GO"]
E["Verander paswrd Druk GO"] --> F["GO"]
style A fill:#f9f,stroke:#333
style C fill:#f9f,stroke:#333
style E fill:#f9f,stroke:#333
- Open het menu "Anti dief".
- Kies het submenu "Verander paswrd", voer de oude code in, en voer vervolgens een nieuwe 4-cijferige code in en bevestig via de toets GO.

flowchart
graph TD
A["Informatie Druk GO"] --> B["GO"]
B --> C["Totale tijd Druk GO"]
C --> D["Accu Druk GO"]
D --> E["Temperatuur Druk GO"]
E --> F["Configuratie Druk GO"]
F --> G["Laadspanning Druk GO"]
G --> H["Reden gestopt Druk GO"]
De elektronica van de robotmaaier slaat gegevens op over de gebruiksduur, het laadniveau van de accu, de temperatuur van de motor en de laatste tien redenen voor het onderbreken van het maaien. Verder kan informatie over de software en de elektronica worden weergegeven.
- Selecteer het menu "Informatie"
- Selecteer het gewenste submenu met de pijltoetsen en druk op GO.
1. Totale tijd:
Bedrijfsurenteller (kan niet worden teruggezet)
2. Accu:
- Acculooptijd: duur van de laatste automatische maairondes en accuspanning in Volt aan het begin van het maaien De acculooptijd wordt vastgelegd, op voorwaarde dat de werktijd "MAX" is ingesteld. (⇒ 18.05)
- Accuspanning: huidige accuspanning van beide accu's

A Spanning hoofdaccu AP 480 in volt
B Spanning 9 Volt-accu (inwendige back-upaccu) in Volt
3. Temperaturen:
- Moederbord: reële temperatuur van het hoofd - moederbord in graden Celsius en graden Fahrenheit
- Aandrijfmotoren: reële temperatuur van de linker- en rechteraandrijfmotor in graden Celsius en graden Fahrenheit
- Maaimotoren: reële temperatuur van de linker- midden- en rechtermesmotor in graden Celsius en graden Fahrenheit
4. Configuratie:
- Moederbord: onderdeelnummer van het hoofd - moederbord
- Softwareversie: versienummer van de software met fabricagedatum
5. Laadspanning:
Als de robotmaaier in het station staat, kan de reële laadspanning worden aangegeven.
6. Reden gestopt:
U kunt de laatste tien redenen voor het onderbreken van het maaien weergeven samen met een 3-cijferige code.

AANWIJZING

Wanneer de robotmaaier stopt met maaien, wordt de reden vastgelegd.
Indien het maaien vaak wordt beëindigd voor de geplande eindtijd, kunnen uit deze code mogelijke storingen worden afgeleid.
Neem in dat geval contact op met een VIKING-dealer.
18.20 Menu Dok opties

AANWIJZING

Het menu "Dok opties" kan alleen worden opgeroepen wanneer in het menu "Docken aan" het gebruik van het station is geactiveerd.
(→ 18.13)

flowchart
graph TD
A["Dok opties\nDruk GO"] --> B["go"]
B --> C["Week programma\nDruk GO"]
C --> D["Tijd: Tu 11:02\nDruk GO"]
D --> E["Ingangspunten\nDruk GO"]
E --> F["Programma Aan\nDruk GO"]
F --> G["Sla vlg st over\nDruk GO"]
G --> H["?"]
H --> I["?"]
I --> J["?"]
J --> K["?"]
K --> L["?"]
L --> M["?"]
M --> N["?"]
N --> O["?"]
O --> P["?"]
P --> Q["?"]
Q --> R["?"]
R --> S["?"]
S --> T["?"]
T --> U["?"]
U --> V["?"]
V --> W["?"]
W --> X["?"]
X --> Y["?"]
Y --> Z["?"]
Z --> AA["?"]
Menu
De automatische maaibeurt wordt geprogrammeerd in het menu "Dok opties".
1. Week programma
Programmering van de automatische maaibeurt in de laadzone. maaidagen, maaitijden, ingangspun - ten en maaimodus kunnen worden gewijzigd. De verschillende program - meerstappen worden beschreven in het hoofdstuk "Programmering". (⇒ 19)
2. Tijd
Tijdstip en weekdag instellen (⇒ 18.21)
3. Ingangspunten
Ingangspunten programmeren (⇒ 18.22)
4. Programma
Kies de optie "Docken aan off" (uitgeschakeld) resp. "Docken aan on" (ingeschakeld) in het menu "Programma", en bevestig twee maal met de toets GO om het weekpro -gramma in of uit te schakelen.
5. Volgende start overslaan
De eerstvolgend geprogrammeerde maaibeurt overslaan (⇒ 18.23)
18.21 Menu Tijd

AANWIJZING
De tijd wordt in de 24-uurs modus weergegeven.


flowchart
graph TD
A["Tijd : -- --:-- Druk GO"] --> B["GO"]
B --> C["M D W D V Z Z Druk GO ↑"]
C --> D["GO"]
D --> E["Maandag 00:00 volgend nr ↑"]
E --> F["▲"]
F --> G["Maandag 10:00 volgend nr ↑"]
G --> H["..."]
H --> I["Maandag 14:37 volgend nr ↑"]
I --> J["GO"]
J --> K["Handmatig Uw opties"]
In het menu Tijd kunt u de huidige tijd en de huidige weekdag instellen.
- Open het menu Tijd.
- Dag en Uur bepalen: stel de weekdag en het uur in met de pijltjestoetsen en ga met de toets GO naar de uren. Leg met de pijltestoetsen steeds de onderstreepte waarde vast.
- Als u de tijd en de weekdag hebt ingesteld, kunt u deze bevestigen met de toets GO.

OPGELET

Gevaar voor letsel!
De tijd en de weekdag moeten correct zijn ingesteld om een ongewenste start van de robotmaaier te voorkomen. Controleer daarom regelmatig de weergegeven tijd en de opgeslagen weekdag.
18.22 Menu Ingangspunten

flowchart
graph TD
A["Ingangspunten Druk GO"] --> B["GO"]
B --> C["Stel ingspunt in Leren: druk GO"]
C --> D["Reset ingangpunt Druk GO"]
D --> E["Ingangspunten Uit Druk GO"]
E --> F["Output"]
Ingangspunten zijn posities op de begrenzingsdraad, vanaf waar de robotmaaier kan starten met het maaien van het gazonoppervlak.
Standaard werden drie ingangspunten vastgelegd:
- Station
- op 1/3 van de afstand van de begrenzingsdraad
- op 2/3 van de afstand van de begrenzingsdraad
De ingangspunten kunnen indien nodig ook vrij worden geprogrammeerd op eender welke plaats op de begrenzings - draad.
Indien er ingangspunten werden geprogrammeerd, moet bij elk gebruik (bij manueel maaien) of bij de programmering een startpunt worden vastgelegd.

AANWIJZING

Als de robotmaaier gedeelten alleen af en toe maait of als de resultaten niet afdoende zijn, kunt u het maaien het beste afwisselend op verschillende ingangspunten laten starten.
Eenzonesysteem met doorgang
(⇒ 09.02): als de maaizone alleen via een doorgang kan worden bereikt, moet ten minste één ingangspunt worden geprogrammeerd zodat de robotmaaier alle maaizones afwerkt.
Ingangspunten activeren:
In het menu "Ingangspunten" opent u het submenu "Ingangspunten Uit". Kies "Ingangspunten Aan" (ingeschakeld) en bevestig dit.
Fabrieksinstellingen opnieuw instellen:
In het menu "Ingangspunten" kiest u voor het submenu "terug nr. standaard". Bevestig dit met de toets GO.

AANWIJZING

Wanneer de begrenzingsdraad wordt aangepast, moet de standaardinstelling opnieuw worden ingesteld.
Ingangspunten programmeren:
open het menu "Ingangsp. vastl" met behulp van de toets GO.

flowchart
graph TD
A["Stel ingspunt in Druk GO"] --> B["Stel ingspunt in Leren: druk GO"]
B --> C["Ingang 1: dok Druk GO v. volg."]
C --> D["Ingave 2 van 4 'GO'=instellen"]
D --> E["Ingave 3 van 4 'GO'=instellen"]
E --> F["Ingave 4 van 4 'GO'=instellen"]
F --> G["Leren gedaan"]
Menu
Bevestig de optie "Stel Ingspunt In" met behulp van de toets GO.
1e ingangspunt:
Het station moet als eerste ingangspunt worden geprogrammeerd via de toets GO.
2e tot 4e ingangspunt:
De robotmaaier verlaat het station en rijdt langs de begrenzingsdraad. Druk terwijl de maaier rijdt op de toets GO om het punt te markeren dat als ingangspunt moet worden gebruikt. Er kunnen tot drie ingangspunten worden vastgelegd op de begrenzingsdraad.
De robotmaaier slaat ze permanent op, eerder geprogrammeerde ingangspunten worden overschreven.
Na het programmeren keert de robotmaaier automatisch terug naar het station en de robotmaaier is dan klaar om in gebruik te worden genomen.
Indien minder dan 4 ingangspunten moeten worden geprogrammeerd kan het programmeren steeds worden beëindigd door op de toets STOP te drukken.
De robotmaaier blijft meteen staan en is bedrijfsklaar.
18.23 Menu Sla vlg st over
Als de robotmaaier de volgende geprogrammeerde maaironde moet overslaan, stelt u dat in via het menu "Sla vlg st over".
Kies deze optie wanneer de volgende geplande maaironde niet moet worden uitgevoerd (bijvoorbeeld bij een tuinfeestje of wanneer de stroom tijdelijk wordt afgesloten).

OPGELET

Gevaar voor letsel!
De robotmaaier mag alleen onder toezicht worden gebruikt. Tijdens het maaien mag het gazon niet worden betreden door personen, met name kinderen, en dieren.
19. Programming
De robotmaaier kan in de laadzone automatisch maaien. Daarbij wordt het gazon gemaid op de dagen die in het weekprogramma zijn vastgelegd. De accu's van de robotmaaier worden na het maaien automatisch opgeladen.

OPGELET

Gevaar voor letsel!
De programmering moet zorgvuldig worden gepland, met name om ongevallen bij het automatisch maaien te voorkomen.
De robotmaaier mag alleen onder toezicht worden gebruikt. Tijdens het maaien mag het gazon niet worden betreden door personen, met name kinderen, en dieren.

AANWIJZING

Houd bij het programmeren van de robotmaaier rekening met de instructies in het hoofdstuk "Bedieningsinstructies" (⇒ 18.02).
Met de toetsen Omhoog en Omlaag kunnen opties en menu-items worden geselect


Met de toets GO bevestigt u een selectie of opent u een submenu.

Met de toets C kunt u het menu op elk gewenst moment verlaten.

Voor het programmeren van het automa - tische maaien moeten de volgende stappen worden uitgevoerd:
- Neem de afstandsbediening uit de houder. (⇒ 16.04)
- Open het hoofdmenu. (⇒ 18.03)
- Kies de optie "Dok opties" en open dit.
- Open het menu "Week programma".

flowchart
graph TD
A["Week programma\nDruk GO"] --> B["GO"]
B --> C["Program. ingeven\nDruk GO"]
C --> D["✓"]
D --> E["Scherm programma\nDruk GO"]
E --> F["✓"]
F --> G["①"]
E --> H["②"]
NL
1. Program. Ingeven
Programmeren van automatische maaibeurten in de laadzone of wijzigen van een eerder gevolgde programmering. (⇒ 19.01)
2. Scherm programma
Controleer de programmering. (⇒ 19.02)
19.01 Weekprogramma invoeren
Voor de programmering:
- Sluit het station aan op het elektriciteitsnet. (⇒ 14.03)
- Plaats de robotmaaier in het station.
- Schakel de robotmaaier in door de accu AP 480 te plaatsen. (⇒ 14.07)
- Stel tijd en weekdag in.
(⇒ 18.21)
• Schakel het programma in. (⇒ 18.20)

AANWIJZING

Neem bij het programmeren de gemeentelijk voorgeschreven tijden voor het gebruik van tuinapparatuur met motoraandrijving in acht.
U verkrijgt een fraai resultaat als de robotmaaier het gazon meerdere malen per week bewerkt. Verhoog het aantal actieve dagen of verleng de werktijd als u een beter maairesultaat wenst. (⇔ 18.05)

flowchart
graph TD
A["Program. ingeven\nDruk GO"] --> B["GO"]
B --> C["M D W D V Z Z\nDruk GO"]
C --> D["GO"]
D --> E["Cycl ingangspunt\nBevestig"]
E --> F["✓:▲"]
F --> G["Ingangspunt: 4\nBevestig"]
G --> H["GO"]
H --> I["Werktijd: MAX\nBevestig"]
I --> J["GO"]
J --> K["Starttijd 00:00\nvolgend nr"]
K --> L["..."]
L --> M["Starttijd 10:30\nvolgend nr"]
M --> N["GO"]
N --> O["Mode: Rand+Maa\nBevestig"]
O --> P["GO"]
P --> Q["M D W D V Z Z\nDruk GO"]
Q --> R["GO"]
R --> S["Cycl ingangspunt\nBevestig"]
Programmering
- Open het menu "Program. Ingeven".
- Stap 1:
Actieve dag vastleggen:
Selecteer de gewenste dag met de pijltjesoetsen (dag wordt onderstreept weergegeven) en open deze met de toets GO.
- Stap 2:
Ingangspunt bepalen:

AANWIJZING

Ingangspunten kunnen alleen worden bepaald, op voorwaarde dat ze zijn geactiveerd.
(⇔ 18.22)
De ingangspunten 1 tot 4 moeten worden geprogrammeerd.
(⇒ 18.22)
Selecteer het gewenste ingangspunt (hier begint de robotmaaier met maaien) en bevestig met de toets GO.
- Cyclisch:
de robotmaaier begint het maaien afwisselend bij de drie standaard ingangspunten of – indien geprogrammeerd – bij de ingangspunten 1 tot 4.
- Ingangspunten 1 tot 4:
de robotmaaier begint het maaien bij een van de geprogrammeerde ingangspunten, waarbij ingangspunt 1 altijd het station is.
- Stap 3:
Werktijd bepalen:
Kies de maaiduur met de pijltoetsen. Dit is een waarde tussen 20 minuten en MAX ( 18.05) en bevestig met de toets GO.
- Stap 4:
Startuur bepalen:
Leg de eerste uurpositie vast en druk op GO om naar de tweede positie te gaan. Zodra het startuur volledig is ingegeven, bevestigt u dit met de toets GO.
- Stap 5:
Maaimodus bepalen:
selecteer de gewenste modus en bevestig met de toets GO.
- Rand+Maai:
de robotmaaier maait eerst langs de begrenzingsdraad en daarna het gazonoppervlak.
- Maai:
de robotmaaier maait alleen het gazonoppervlak.
- Geen:
de robotmaaier maait niets.

AANWIJZING

Wanneer de robotmaaier op bepaalde dagen niet moet maaien, selecteert u de optie "Geen".
U verkrijgt een optimaal maairesultaat als één tot maximaal twee keer per week de instelling "Rand+Maai" wordt gekozen.
- Stap 6:
Programmering afsluiten:
De programmering is klaar zodra de instellingen voor de zondag zijn bevestigd.
De programmering kan ook eerder worden beeindigd door op de toets C te drukken.

19.02 Weekprogramma weergeven

flowchart
graph TD
A["Instellingen\nDruk GO"] --> B["Dok opties\nDruk GO"]
B --> C["Week programma\nDruk GO"]
C --> D["Program. ingeven\nDruk GO"]
D --> E["Scherm programma\nDruk GO"]
C --> F["GO"]
F --> C
- Open het hoofdmenu (→ 18.03)
- Kies de optie "Dok opties" en open dit.
- Open het menu "Week programma".
- Kies de optie "Scherm programma" en open dit.

AANWIJZING
Wanneer de robotmaaier in het station staat en op het display de tijd en weekdag en het tijdsaanwijzing van de volgende geplande maaironde worden aangegeven, kunt u het menu "Scherm programma" openen met de toets
Omhoog.


In het display wordt op de eerste regel de huidige week aangegeven. Actieve dagen worden aangeduid met “+” en inactieve dagen met “−”.
Dagen actief of inactief maken of andere programmadetails wijzigen:
- Open het menu "Program. Ingeven" (⇒ 19.01)
Aanvullende symbolen onder elke dag geven de afwijkingen van het weekprogramma aan en vervangen het symbool “+”.
Alle mogelijke symbolen worden in de volgende tabel vermeld.
Bij het weergegeven voorbeeld:
- Dinsdag, zaterdag en zondag zijn inactief, dat wil zeggen dat ze door de gebruiker zijn uitgeschakeld in het betreffende weekprogramma.
b Op maandag is de robotmaaier vóór de gewenste tijd naar het station teruggereden om de accu op te laden.
R Op donderdag heeft de robotmaaier vanwege regen het station niet verlaten.
U Op vrijdag heeft de gebruiker een geplande maaironde geannuleerd.
Problemen bij het opladen van de accu's of met de stroomtoevoer moeten onmiddellijk worden verholpen.
- Spoor de defecten op (⇒ 29)

AANWIJZING

Voorkom schade aan het apparaat! Voer alleen de service- en onderhoudswerkzaamheden uit die in het hoofdstuk "Onderhoud" (⇒ 20) worden beschreven.
20. Onderhoud
| Symbool | Betekenis |
| - Inactieve | dag |
| + Actieve | dag |
| B | Geplande start is nietuitgevoerdReden: accuspanning te laag |
| b | Maaironde voortijdigbeëindigdReden: accuspanning te laagtijdens het maaien |
| D | Geplande start is nietuitgevoerdReden: de robotmaaier wasop starttijd niet in het stationof de stroomvoorziening vanhet station was op starttijdonderbroken. |
| C | Geplande start is nietuitgevoerdReden: robotmaaier was opde starttijd niet opgeladen |
| R | Geplande start is nietuitgevoerdReden: regenval op starttijd |
| r | Maaironde voortijdigbeëindigdReden: regen tijdens hetmaaien |
| U | Geplande start is nietuitgevoerdReden: gebruiker heeftweekprogramma onderbroken |

OPGELET

Gevaar voor letsel!
Verwijder voor elk onderhoud en reinigingswerken en voor elk transport de accu AP 480 om te voorkomen dat de motor onbedoeld aanslaat.
Gevaar voor letsel!

Draag altijd handschoenen wanneer u aan de maaimessen werkt.
Raak de maaimessen nooit aan voor ze volledig stil staan.
Voer onderhouds- en reinigingswerken alleen uit wanneer de motor volledig is afgekoeld.
Lees voor alle onderhouds- en reparatiewerken eerst het hoofdstuk "Voor uw veiligheid" (⇔ 06), met name de paragraaf "Onderhoud en reparaties" (⇔ 06.05), zorgvuldig door en volg de instructies op.
Algemeen:
In dit hoofdstuk worden mogelijke onderhoudswerken aan de robotmaaier beschreven.
Voer alleen de onderhouds- en reparatie - werken uit die in de gebruiksaanwijzing worden beschreven.

Opgelet

Om veiligheidsredenen zijn onderhoudswerken aan de elektronica verboden.
Laat afstel- en onderhoudswerken aan de elektronica door een vakman uitvoeren.
VIKING beveelt u de VIKING-dealer aan.
Laat alle overige werkzaamheden die niet in deze gebruiksaanwijzing worden beschreven, uitvoeren door een vakman. VIKING raadt aan onderhoudswerken en reparaties uitsluitend bij de VIKING-dealer te laten uitvoeren.
De volgende punten moeten worden opgevolgd voor de start van onderhouds-, reparatie- en reinigingswerken:
• Verwijder de accu AP 480.
(⇒ 14.06)
- Laat de motoren afkoelen.
- Lees het hoofdstuk "Voor uw veiligheid" (⇔ 06) zorgvuldig door en volg de instructies op.
20.01 Onderhoudsschema

AANWIJZING

Bij een zware belasting, met name bij een oneffen, met aarde bedekte of zanderige ondergrond, moet de maaier mogelijk regelmatiger worden onderhouden dan hier vermeld.
Melding gebruikstijd (totale tijd):
Om de verschillende onderhoudsinter - vallen precies te kunnen aanhouden, is de robotmaaier voorzien van een bedrijfsurenteller.
De gebruikstijd wordt in volle uren vermeld en kan als volgt worden opgevraagd.
- Zie het hoofdstuk "Menu Informatie". (⇒ 18.19)

AANWIJZING

De totale tijd kan niet worden teruggezet. Voor het controleren van de onderhoudsintervallen moet de vermelde tijd steeds worden genoteerd.
Onderhoudswerken vóór elk gebruik:
Voor een krachtige en veilige werking en om storingen te voorkomen moet de toestand van de status van de robotmaaier en het station gekend zijn.
Daarvoor zijn de volgende inspecties nodig voor elke start (visuele inspectie):
- Voer een visuele inspectie uit van de algemene toestand van het apparaat en het station.
- Controleer het display – Controleer de huidige tijd en de volgende start in het maaiprogramma.
- Controleer het te maaien oppervlak en verwijder eventuele obstakels.
Onderhoudswerken na elk gebruik:
- Controleer of de accu's van de robotmaaier worden opgeladen.
Wekelijkse onderhoudswerken:
- De maaimessen van de robotmaaier moeten wekelijks visueel worden gecontroleerd op beschadigingen (kerven, scheuren, breuken enzovoort). Verder moet de slijtage van de messen worden gecontroleerd. (⇔ 20.05)
- Maak het apparaat schoon. (⇒ 20.08)
Onderhoudswerkzaamheden om de 200 bedrijfsuren:
- In het display verschijnt de melding "Maaiimes om de 200 uur vervangen". U moet de maaimessen vervangen. Nadat u de maaimessen hebt vervangen, moet u dat bevestigen in het menu "Maaiimes vervangen", zodat de teller weer op nul wordt ingesteld.
(⇒ 18.16)
Jaarlijkse onderhoudswerkzaamheden:
- Eenmaal per jaar moet u een inspectie laten uitvoeren door een vakman. VIKING beveelt u de VIKING-dealer aan.
20.02 Zekeringen controleren
De robotmaaier is uitgerust met drie steekzekeringen met een verschillende capaciteit.
Verwijder deze eerst om ze te controleren.
- Verwijder de zekeringen
Defecte zekeringen herkennen:

Inspecteer visueel of de draad achter de kunststofkap 1 is beschadigd (doorgebrand).
Bij een beschadigde draad moet de zekering worden vervangen.
( 20.03)
20.03 Zekeringen vervangen

VOORZICHTIG

Brandgevaar!
De zekeringen mogen nooit met een draad of folie worden afgedekt. Plaats nooit een zekering met een andere dan de voorgeschreven capaciteit (ampère).

AANWIJZING

Als er binnen korte tijd weer een zekering doorbrandt, is een defect (bijvoorbeeld kortsluiting) de mogelijke oorzaak.
Neem contact op met een vakman. VIKING beveelt u de VIKING-dealer aan.
De robotmaaier is gezekerd met de volgende drie zekeringen.
- Hoofdzekering
(⇒ 20.03.01)
- Zekering voor de afstandsbediening
(→ 20.03.02)
- Laadstroom zekering
(⇒ 20.03.03)
20.03.01 Hoofdzekering:
Zekering:
30 ampère steekzekering (groen)
• Verwijder de accu AP 480. (⇒ 14.06)

Zekering verwijderen:
zekering 1 in pijlrichting van de accu AP 480 2 lostrekken.
Plaatsen zekering:
zekering 1 tot de aanslag tegen de pijlrichting plaatsen.
- Plaats de accu AP 480.
(⇒ 14.07)

OPGELET

Na het terugplaatsen van de accu AP 480 moet u de tijd en de opgeslagen weekdag in de robotmaaier controleren en eventueel corrigeren.
20.03.02 Zekering voor de afstandsbediening:
Zekering:
1 ampère steekzekering (zwart)
• Verwijder de accu AP 480.
(→ 14.06)
- Neem de afstandsbediening uit de houder.
(→ 16.04)

Greep 1 van de afdekkap 2 bij elkaar drukken en vasthouden. Afdekkap 2 lostrekken.

Zekering verwijderen:
zekering 1 in pijlrichting lostrekken.
Plaatsen zekering:
zekering1 tot de aanslag tegen de pijlrichting plaatsen.
- Breng de afdekkap tot aan de aanslag aan. Afdekkap klikt vast.

AANWIJZING
Let bij het plaatsen van de afdekkap op dat er geen kabels worden geklemd.
- Plaats de afstandsbediening. (⇒ 16.05)
- Plaats de accu AP 480. (⇒ 14.07)


OPGELET

Na het plaatsen van de accu AP 480 moet u de tijd en de opgeslagen weekdag in de robotmaaier controleren en eventueel corrigeren.
20.03.03 Laadstroom zekering:
Zekering:
5 ampère mini vlakzekering (oranje)
• Verwijder de accu AP 480.
(→ 14.06)
- Neem de afstandsbediening uit de houder.
(⇒ 16.04)

Greep 1 van de afdekkap 2 bij elkaar drukken en vasthouden. Afdekkap 2 lostrekken.

Zekering verwijderen:
zekering 1 in pijlrichting lostrekken.
Plaatsen zekering:
zekering1 tot de aanslag tegen de pijlrichting plaatsen.
- Breng de afdekkap tot aan de aanslag aan. Afdekkap klikt vast.

AANWIJZING
Let bij het plaatsen van de afdekkap op dat er geen kabels worden geklemd.
- Plaats de afstandsbediening. (⇒ 16.05)
- Plaats de accu AP 480. (→ 14.07)

OPGELET
Na het plaatsen van de accu AP 480 moet u de tijd en de opgeslagen weekdag in de robotmaaier controleren en eventueel corrigeren.

20.04 Maaiimes vervangen

OPGELET

Gevaar voor letsel!

Draag altijd handschoenen wanneer u aan de maai - messen werkt.
Raak de maaimessen nooit aan voor ze volledig tot stilstand zijn gekomen. Om veiligheidsredenen wordt aanbevolen om de drie maaimessen steeds tegelijk te vervangen.

AANWIJZING

De drie maaimessen hebben hetzelfde sluitmechanisme en moeten bijgevolg op dezelfde manier worden vervangen.
Het maaiimes verwijderen:
• Verwijder de accu AP 480.
(⇒ 14.06)
- Zet de robotmaaier in de reinigingsstand.
(⇒ 20.08)

Houd de bevestigingslippen 1 van het maairnes 2 ingedrukt.
Trek het maaiimes 2 los.
- Herhaal de procedure bij de twee andere maaimessen.
Maaiimes monteren:
• Verwijder de accu AP 480.
(⇒ 14.06)
- Zet de robotmaaier in de reinigingsstand.
(⇒ 20.08)

Houd de bevestigingslippen 1 van het maairnes 2 ingedrukt.
Schuif het maairnes 2 tot de aanslag op de messenas 3. Laat de bevestigings - lippen 1 los.
Het maaimes klikt vast in de messenas 3 en kan niet meer worden losgetrokken.
- Herhaal de procedure bij de twee andere maaimessen.

OPGELET

Controleer na het monteren of de drie messen goed vastzitten door eraan te trekken en te wrikken.
- Plaats de accu AP 480 terug. (⇒ 14.07)
- Bevestig het vervangen van het mes in het menu "Mes vervangen". (⇒ 18.16)
20.05 Slijtagegrens van de maaimessen

Een versleten mes kan afbreken en ernstig letsel veroorzaken. Volg daarom de onderhoudsinstructies voor het mes. Afhankelijk van de toepassing en de gebruiksduur zijn de messen in meer of mindere mate slijtagegevoelig. Als u het apparaat op een zandige ondergrond in droge omstandigheden gebruikt, slijten de messen door een sterkere belasting sneller dan gemiddeld.

OPGELET

Aangezien de slijtage het grootste is aan de mespunten, moet u zich daar zeer nauwkeurig aan de procedure houden.
De slijtagegrenzen van de messen moeten steeds aan de drie messen worden gecontroleerd.
Meetprocedure voor de slijtagegrens van de maaimessen:
• Verwijder de accu AP 480. (⇒ 14.06)
- Zet de robotmaaier in de reinigingsstand.
(⇒ 20.08)
Minimale afstand A = 5 mm:
Meet de afstand A aan de punten van de messen met behulp van een schuifmaat. Wanneer de afstand A de minimale afstand van 5 mm bereikt of daaronder komt, moet het mes worden vervangen.
Minimale dikte B = 1,8 mm:
Meet met een schuifmaat de dikte B van de messen op meerdere plaatsen (minimaal 5). Let daarbij met name op de punten van de messen.
Wanneer de dikte op een meetplaats het minimum van B = 1,8 mm bereikt of nog dunner is, moet het mes worden vervangen.

AANWIJZING

Vervang de drie maaimessen steeds gelijktijdig.
20.06 Maaimes slijpen

OPGELET

Gevaar voor letsel!
Draag bij het slijpen van de maai - messen altijd handschoenen en een veiligheidsbril!
Let bij het slijpen van de maaimessen op de volgende punten:
- Koel het maairnes tijdens het slijpen, bijvoorbeeld met water. Het mes mag niet blauw worden, omdat anders de snijresultaten minder worden.
- Slijp het mes gelijkmatig om vibraties door onbalans te voorkomen.
- Houd de slijphoek van 30^ aan.
- Houd de slijtagegrenzen aan.

OPGELET

Gevaar voor letsel!
Bij het slijpen van de maaimessen moeten de slijtagegrenzen en de snijhoek van 30° te allen tijde worden aangehouden. De messen moeten worden vervangen zodra inkepingen of scheuren te zien zijn, als ze tot 5 mm zijn afgesleten of als de messen ergens dunner zijn dan 1,8 mm (slijtagegrenzen). (⇒ 20.05)
20.07 Signaalfrequentie veranderen
Als twee of meer robotmaaiers met dezelfde of een vergelijkbare frequentie in elkaars nabijheid werken, kunt u door het omzetten van een jumper in het station de frequentie veranderen.
(→ 20.07)
Als gebruik wordt gemaakt van verschillende signaalfrequenties, storen de beide apparaten elkaar niet.
20.08 Apparaat reinigen

OPGELET

Gevaar voor letsel!
Plaats de maaier op een vaste, horizontale, effen en slipvaste ondergrond voordat u de maaier tegen een muur zet.

Draag altijd handschoenen bij werkzaamheden aan het maaiwerk en de maaimessen.
Voorkom schade aan het apparaat!
Richt de waterstraal nooit
(hogedrukreinigers) op motoronderdelen, pakkingen, elektrische onderdelen (accu, kabelboom, moederbord enzovoort) en lagers. Het gevolg hiervan kunnen beschadigingen of dure reparaties zijn.
Gebruik geen agressieve reinigings - middelen. Dergelijke reinigingsmiddelen kunnen kunststoffen en metalen zodanig beschadigen dat de veiligheid van uw VIKING-apparaat wellicht in het gedrang komt.
Als u vuil niet met een vochtige doek, een borstel of een doek kunt verwijderen, raadt VIKING aan een speciaal reini - gingsmiddel te gebruiken (bijvoorbeeld STIHL speciale reiniger).
Reinigingspositie:
- Verwijder de accu AP 480. (⇒ 14.06)

Zet de robotmaaier 1 zoals afgebeeld tegen een muur en let op dat de robotmaaier veilig staat.
Reinigingswerkzaamheden:
- Verwijder eerst de aangekoekte resten gras in de maaiwerkbehuizing met een houten staaf.
- Reinig de onderkant van het maaiwerk met een borstel en water.
- Reinig de maaimessen met een borstel en een vochtige doek.
- Reinig het station met een borstel en een vochtige doek.
- Reinig de aansluitingen met een vochtige doek.
20.09 Accu's

OPGELET

Gevaar voor letsel!
U kunt geen onderhoud uitvoeren aan de accu's, dus open deze niet. De accu's kunnen alleen via het station resp. de adapter worden opgeladen. Om de accu's op te laden is een externe acculader verkrijgbaar als speciaal accessoire. Als u een andere lader gebruikt, kan de accu beschadigd raken.

AANWIJZING

Voorkom schade aan het apparaat! Neem de instructies voor het werken met oplaadbare accu's in acht om een afdoende levensduur te garanderen.
Levensduur van de accu:
De accu's van de robotmaaier hebben een levensduur van 1 tot 3 jaar, afhanke - lijk van het gebruik van het apparaat.
Bij een zuinig gebruik van de accu wordt de levensduur ook verlengd.
(→ 15)
Accu's opladen:

AANWIJZING

Houd er bij het programmeren rekening mee dat de accu's tussen de diverse maairondes in steeds volledig worden opgeladen.
De accu wordt automatisch opgeladen wanneer de robotmaaier in het station staat en deze op het elektriciteitsnet is aangesloten. Het opladen kan al naar gelang de omgevingstemperatuur en het laadniveau maximaal 20 uur duren.
De accu's van de robotmaaier moeten na elk gebruik worden opgeladen.
Na het maaien van de laadzone rijdt de robotmaaier zelfstandig terug naar het station om te worden opgeladen.
Na gebruik in andere maaizones moet de robotmaaier meteen in het station worden geplaatst, wanneer de melding
"Accu opladen" verschijnt op het display.

AANWIJZING

De accu AP 480 kan ook worden opgeladen met de als accessoire verkrijgbare externe acculader.
Wanneer het niet mogelijk is om de accu in het station op te laden moeten de accu's met behulp van de adapter worden opgeladen.
(→ 20.10)

AANWIJZING

De accu's zijn bij het opladen beveiligd tegen oververhitting en overladen.
Om te voorkomen dat de accu wordt ontladen moet de robotmaaier steeds in het op het elektriciteitsnet aangesloten station blijven of moet de adapter aan het elektriciteitsnet zijn aangesloten. (⇔ 20.10)
De 9 Volt accu wordt ook automatisch opgeladen. De accu wordt bij de jaarlijkse servicebeurt door de vakman gecontroleerd.

AANWIJZING

Als de geprogrammeerde maaiduur niet helemaal wordt voltooid, is het mogelijk dat de accu's defect zijn of dat deze door een te korte pauze in het station niet volledig zijn opgeladen.
Laadniveau van de accu:
Via onderstaande symbolen in het display kunt u het laadniveau vaststellen:
- Accu's zijn volledig geladen: gevuld batterijsymbool wordt ononderbroken weergegeven

- Accu's worden opgeladen: batterijsymbool dat steeds wordt gevuld

- Accu's zijn ontladen: leeg batterijsymbool wordt ononderbroken weergegeven


AANWIJZING

Terwijl de accu's in het station worden opgeladen brandt het groene led lampje op het station continu. Hierbij zendt het station geen signaal door de begrenzingsdraad.
20.10 Adapter
De accu's van de robotmaaier kunnen ook met behulp van de adapter worden opgeladen.
Adapter aansluiten:

Houder 1 met geplaatste afstandsbediening 2 omhoogklappen.

Afdekking 1 lostrekken. De stekker 2 van de voedingskabel in de laadbus 3 steken.
- Sluit de adapter aan op het elektriciteitsnet.
Onderhoud

AANWIJZING

Als de accu's volledig zijn opgeladen, wordt automatisch overgeschakeld naar druppelladen.
20.11 Gebruik van de begrenzingsdraadwartel
Wanneer de begrenzingsdraad moet worden aangesloten (bijvoorbeeld als de draad is doorgesneden, moet worden verlengd), wordt aanbevolen om de verbindingsplek te isoleren met een begrenzingsdraadwartel.

Strip de beide uiteinden van de begrenzingsdraad 1 ca. 15 mm.

Draai de beide gestripte begren - zingsdraden 1 rond elkaar en steek ze zo diep mogelijk in een begrenzings - draadwartel 2.
Draai de begrenzingsdraadwartel 2 tot de weerstand bij het verdraaien groter wordt.
20.12 Stilleggen bij langere onderbrekingen (bijvoorbeeld winterpauze)

AANWIJZING

Materiële schade!
Bewaar de robotmaaier en het station altijd in een koele, droge ruimte.
• Haal het station los.
• Laad de accu's op.
(⇒ 20.09)
• Verwijder de accu AP-480.
(⇒ 14.06)
- Reinig het apparaat en het station. (⇒ 20.08)
Accu's voor en tijdens langere pauzes opladen:
Als de robotmaaier langere tijd niet wordt gebruikt, moeten de accu's eerst volledig worden opgeladen om hun levensduur te verlengen. Verwijder daarna de accu AP 480 en berg de accu veilig los van de robotmaaier op.

AANWIJZING

Laad de accu's tijdens een langdurige bedrijfsonderbreking om de 3 maanden met behulp van de adapter weer volledig op.
(→ 20.10)
Hiervoor is een externe acculader als speciaal accessoire verkrijgbaar.
20.13 Opslag
Lees voor u de robotmaaier wegbergt eerst het hoofdstuk "Voor uw veiligheid" (⇔ 06), met name de paragraaf "Onderhoud, reiniging, reparatie en opslag" (⇔ 06.05) zorgvuldig door en volg de instructies op.
De bergplaats moet droog en stofvrij zijn. Bovendien moet de robotmaaier buiten bereik van kinderen worden opgeborgen.
Eventuele storingen aan de robotmaaier moeten in de regel voor het opbergen worden verholpen, zodat het apparaat altijd veilig kan worden gebruikt.
Tijdens de opslag moeten de accu's van de robotmaaier om de 3 maanden weer volledig worden opgeladen met behulp van de adapter.

OPGELET

Gevaar voor letsel!
Voordat de robotmaaier wordt opgeslagen, moet de diefstalbeveiliging worden geactiveerd om het gebruik door kinderen of onbevoegde personen te verhinderen.
(⇒ 18.18)
20.14 Na langere onderbrekingen (bijvoorbeeld winterpauze)

AANWIJZING

De accu's van de robotmaaier moeten volledig worden opgeladen voor het apparaat weer in bedrijf wordt genomen.
Controleer bij een langere stilstand de volgende punten:
- Voer voorbereidende maatregelen uit op het te maaien oppervlak.
(⇒ 14.01)
- Monteer het station en sluit het aan.
(⇒ 14.03)
- Plaats de accu AP 480 en laad hem volledig op.
(⇒ 14.07), (⇒ 20.09)
- Controleer de tijd en de opgeslagen weekdag op de robotmaaier.
(⇒ 18.21)
- Controleer de programmering van de robotmaaier en wijzig deze indien nodig.
(⇒ 19)

AANWIJZING

Het wordt aanbevolen om na langere pauzes de laadcontacten aan de robotmaaier en aan het station met schuurpapier (korrelgrootte 200 of hoger) of staalwol te reinigen voor u beide weer in gebruik neemt.
21. Transport

OPGELET

Gevaar voor letsel!
Lees het hoofdstuk "Voor uw veiligheid" (⇔ 06.) zorgvuldig door en volg de instructies op.
Om veiligheidsredenen moet de accu AP 480 worden verwijderd voor u de robotmaaier optilt.
Gebruik bij het optillen of transporteren van de robotmaaier uitsluitend de transportgreep aan de voorkant.
De robotmaaier mag alleen door twee personen worden opgetild en gedragen.
(→ 21.01)
Bij een langer transport van de robotmaaier (bijvoorbeeld in de auto) verwijdert u eerst de accu AP 480.
Plaats de zekering na het transport terug.
Bij het transport in een voertuig moet u de robotmaaier vastzetten zoals wordt beschreven in het gedeelte
"Robotmaaier bevestigen" ( 21.02).
21.01 Robotmaaier optillen en dragen

OPGELET

Gevaar voor letsel!
Door het gewicht (24 kg zonder accu) moet de robotmaaier door twee personen worden opgetild.
• Verwijder de accu AP-480. (⇒ 14.06)

Til en draag de robotmaaier 1 zoals afgebeeld met twee personen.
Gebruik aan de voorkant alleen de handgreep 2 en grijp niet onder het apparaat.
21.02 Robotmaaier vastmaken

AANWIJZING

Let er bij de montage op dat er geen onderdelen van de robotmaaier verbogen of beschadigd raken.
• Verwijder de accu AP-480. (⇒ 14.06)

Bevestig de robotmaaier 1 met een spangordel aan de handgreep 2.

OPGELET

Gevaar voor letsel!
Bij het transport van het apparaat moeten het station en de accu eveneens worden vergrendeld.
22. Standaard reserveonderdelen
Maaiimes:
6300 702 0100
Bevestigingsnagels:
6909 400 8700
Begrenzingsdraad:
6909 400 8600
Begrenzingsdraadwartel:
6300 007 1010
23. Accessoires
Voor de robotmaaier zijn nog meer accessoires verkrijgbaar.
Voor nadere informatie verwijzen wij u naar uw VIKING-dealer, Internet (www.viking-garden.com) of de VIKING-catalogus.

AANWIJZING

Om veiligheidsredenen mogen uitsluitend door VIKING goedgekeurde accessoires worden gebruikt voor de robotmaaier.
De verpakkingen, het apparaat en de accessoires zijn met recyclebaar materiaal gefabriceerd en moeten
overeenkomstig worden verwerkt.
Door materiaalresten afzonderlijk en milieubewust te verwerken, ondersteunt u de recycling van waardevolle stoffen. Daarom moet het apparaat na afloop van de gebruikelijke levensduur als bijzonder afval worden verwerkt.
Voer afvalproducten als accu's altijd op de juiste wijze af.
Neem de plaatselijke voorschriften in acht!

Verwijder of demonteer de accu's voor het afvoeren uit de robotmaaier.
(⇒ 14.06), (⇒ 24.01)
Bied de accu's niet via het huisvuil aan, maar lever deze bij de dealer of het afvalpunt voor gevaarlijke stoffen in.
Neem contact op met het Recycling Center of uw vakhandel voor nadere informatie over het deskundig afvoeren van afvalproducten.
24.01 Accu uitbouwen

AANWIJZING

Materiële schade!
De accu mag alleen voor het afvoeren van het apparaat worden uitgebouwd. Het openen van de behuizing kan tot schade aan het apparaat leiden en dure reparaties tot gevolg hebben.
- Verwijder de accu AP-480. (⇒ 14.06)
- Verwijder de zekeringen. (⇒ 20.03.02), (⇒ 20.03.03)
- Haal de afstandsbediening uit de houder. (⇒ 16.04)
Milieubescherming

Draai de robotmaaier 1 om en verwijder de tien steekklemmen 2 met behulp van een schroevendraaier.

Til behuizing 1 van de robotmaaier naar boven.


Verwijder de accu 1.
25. Slijtage minimaliseren en schade voorkomen
Belangrijke aanwijzingen voor het onderhoud voor de productgroep robotmaaiers
Neem de volgende belangrijke aanwijzingen in acht om schade of overmatige slijtage aan uw VIKING apparaat te vermijden:
1. Slijtageonderdelen
Sommige onderdelen van het VIKING-apparaat zijn ook bij reglementair gebruik aan normale slijtage onderhevig en moeten afhankelijk van de gebruikswijze en gebruiksduur tijdig worden vervangen.
Hiertoe behoren onder andere:
- maaimes
- accu's
2. Naleven van de voorschriften vermeld in deze gebruiksaanwijzing
Het VIKING-apparaat moet zo zorgvuldig mogelijk worden gebruikt, onderhouden en opgeslagen, zoals omschreven in deze gebruiksaanwijzing. Voor alle beschadigingen ontstaan door inbreuken op de veiligheids-, bedienings- en onderhoudsaanwijzingen, is de gebruiker zelf verantwoordelijk.
Dit geldt met name voor:
- niet reglementair gebruik van het product,
-
het gebruik van niet door VIKING toegestane brandstoffen (smeermiddelen).
-
niet door VIKING toegelaten product - wijzigingen,
- het gebruik van gereedschappen of accessoires die niet voor het apparaat zijn goedgekeurd, niet geschikt zijn of van een minder goede kwaliteit zijn,
- productgebruik bij sport- of wedstrijdevenementen,
- gevolgschade door een product met defecte onderdelen verder te gebruiken.
3. Onderhoudswerkzaamheden
Alle in het hoofdstuk "Onderhoud" vermelde werkzaamheden moeten regelmatig worden uitgevoerd. Voor zover deze onderhoudswerkzaamheden niet door de gebruiker zelf kunnen worden uitgevoerd, moeten deze aan een dealer worden overgedragen.
VIKING raadt aan onderhoudswerkzaam - heden en reparaties uitsluitend bij de VIKING-dealer te laten uitvoeren.
VIKING-dealers volgen regelmatig cursussen en krijgen voortdurend technische informatie. Worden deze werkzaamheden niet uitgevoerd, dan kan er schade ontstaan waarvoor de gebruiker verantwoordelijk is.
Hiertoe behoren onder andere:
- corrosie en andere gevolgschade door ondeskundige opslag,
- beschadigingen en gevolgschade door het gebruik van onderdelen die geen originele onderdelen van VIKING zijn,
- beschadigingen door onderhouds- en reparatiewerkzaamheden die niet in werkplaatsen van erkende dealers werden uitgevoerd.
26. CE-conformiteitverklaring
Wij,
VIKING GmbH
automatische, door accu's aangedreven grasmaaier,
Fabrieksmerk: VIKING
type: MI 555.0 C
Productiecode: 6385
overeenstemt met de volgende
EG-richtlijnen:
Het product is in overeenstemming met de volgende normen ontwikkeld en vervaardigd:
EN 50338:2006,
EN 60335-1:2002 + A11:2004 + A1:2004,
EN 55014-1:2006,
EN 55014-2:1997 + A1:2001,
EN 55022:1998 + A1:2000 + A2:2003,
EN 55024:98 + A1:2001 + A2:2003
Naam en adres van de bevoegde instantie:
SGS UNITED KINGDOM LIMITED
Samenstelling en klassement van de technische documentatie:
Johann Weiglhofer
VIKING GmbH
Gemeten geluidsniveau:
MI 555.0 C 76,6 dB(A)
Gegarandeerd geluidsniveau:
MI 555.0 C 80 dB(A)
Het bouwjaar en het serienummer staan vermeld op het typeplaatje van het apparaat.
Langkampfen, 04. 01. 2010
VIKING GmbH

Weiglhofer
Hoofd Onderzoek en Productontwikkeling
Eenheid MI 555.0 C
Robotmaaier:
| Aanbevolen voor oppervlakken tot: m ^2 | 2000 | |
| Maaisysteem Mulchmaaiwerk | ||
| Snijbreedte cm 53 | ||
| Toerental snijvoorziening omw/min. 5800 | ||
| Type accu gesloten onderhoudsvrije | loodzuur-accumulatoren | |
| Accuspanning U_DC | V 2 x 12 =24 | |
| Accucapaciteit Ah | 20 | |
| Conform richtlijn 2000/14/EC: | ||
| Gegarandeerd | ||
| geluidsniveau L_WA | dB | 80 |
| Snijhoogte | mm | 26 - 63 |
| L/B/H | cm 89/ 67/ 32 | |
| Gewicht (incl. accu’s) | kg | 38 |
| Beschermingsklasse | II | |
| Classificatie | IPX4 | |
| Station: | ||
| Spanning U_DC | V | 34 |
| Beschermingsklasse | II | |
| Classificatie | IPX4 | |
28. Schermmeldingen
28.01 Algemeen Meldingen
In het display van de robotmaaier worden gebruiksgegevens en eventuele proble - men aangegeven.
Bevat het display geen
gegevens, dan drukt u op GO
GO
om de laatste melding weer te geven.
Als een probleem zich vaker voordoet of het opgetreden probleem niet volgens de beschrijving kan worden opgelost, neemt u contact op met een dealer. VIKING beveelt u de VIKING-dealer aan.
Open in dat geval in het menu "Informatie" en het submenu "Ltste reden stop" en noteer de weergegeven foutcodes
(⇒ 18.19).

OPGELET

Gevaar voor letsel!
Verwijder de accu voor alle werkzaam - heden aan de robotmaaier, in het bijzonder voor het optillen en reinigen.
(⇒ 14.06)
1
Pad probleem
②
Kalibratie nodig
③
Laad probleem
4
Contr maaihoogte
5
Kijk voeding na
6
Contr. signaal
7
Dok probleem
8
Aandr overbelast koelt af. wacht
⑨
Rij probleem
10
Geef code in
11
Voor bumper los
12
Achter bumpr los
13
Voor bump ingedr
14
Acht bmp ingedr
15
Voorwiel problem
16
Temp te hoog Ontkop. lader
17
Temp te hoog Ik wacht...
18
Temp te hoog Druk GO
19
Blijf opladen bij stalling
20
Toetsen vast
21
Accu zwak
22
Temp te laag Ontkop. lader
23
Temp te laag Ik wacht...
24
Temp te laag Druk GO
25
Links maaiproblm
26
Midden maaiprblm
27
Rechts maaiprblm
28
Maaim overbelast koelt af. wacht
29
Geen signaal
30
Regen ontdekt GO=negeren
31
Gereed Blijf opladen
32
Accu opladen
33
Vervang messen elke 200 uur
34
Prob ergns anders
35
Stel land in
36
Tijd instellen
37
In dok accu zwak
38
In dok: regen
39
Start erg. anders
40
Thermistors
41
Tijd bereikt
42
Start binnen
43
Ik wacht op draadsignaal
44
Druk 'C' dan mow voor maaien
45
Druk op '^' en daarna op 'C'
46
now press 'C'
z
1. Pad probleem
Reden van de melding:
- De stootsensor aan de voor- of achterkant is geactiveerd. (⇒ 03)
Oplossing:
- Haal de robotmaaier bij de hindernis vandaan.
2. Kalibratie nodig
Reden van de melding:
- Het kompas in het apparaat moet worden gekalibreerd. (⇒ 14.08 Stap 3)
Oplossing:
- Voer de kalibratie uit. (⇒ 14.08 Stap 3)
3. Laad probleem
Reden van de melding:
- Interne storing bij het opladen van de accu's.
Oplossing:
- Verwijder de accu en plaats deze na 10 seconden weer terug. (⇒ 14.06)
4. Contr maalhoogte
Reden van de melding:
- De maaimotoren zijn overbelast door te hoog gras. - De messen kunnen niet vrij draaien.
Oplossing:
- Pas de snijhoogte aan. (⇔ 14.10) - Maak het maaiwerk schoon. (⇔ 20.08)
5. Kijk voeding na
Reden van de melding:
- De adapter is niet correct aangesloten op het station.
- De adapter is niet correct aangesloten op de robotmaaier.
- De adapter is niet correct aangesloten op het elektriciteitsnet.
- Het opladen van de accu's is onderbroken door een stroomstoring.
- Er is een slecht contact tussen het station en de robotmaaier.
- Aandrijfwielen staan na het aandokken niet op de wielsteunen.
- Laadstroom zekering defect.
- Robotmaaier kan niet naar het station terugkeren.
Oplossing:
- Sluit de stekker van de adapter aan op het elektriciteitsnet en vervang indien nodig het stopcontact. (⇒ 14.04)
- Reinig de aansluitingen van het station met schuurpapier of staalwol. (⇒ 20.08)
- Controleer de plaatsing van het station. (⇒ 14.08 Stap 2)
- Controleer de kabel en de stekker van het station. (⇒ 14.03)
- Controleer de steekverbinding aan de laadbus van de robotmaaier. (⇒ 20.10)
- Controleer de laadstroom zekering. (⇒ 20.03.03)
- In de laadzone: stel een zone met station in. (⇒ 16.02)
- Verhelp oneffenheden (gaten, kuilen) in de maaizone.
6. Contr. signaal
Reden van de melding:
- Het door het station uitgezonden signaal komt niet overeen met het ingestelde signaaltype. (⇒ 18.15)
- De robotmaaier wordt gestoord door een magneetveld in de buurt.
- Start van de maaibeurt buiten de begrenzingsdraad.
- Begrenzingsdraad is foutief aangesloten.
Oplossing:
- Stel het signaaltype in. (⇒ 18.15)
- Wijzig de signaalfrequentie. (⇒ 18.15)
- Plaats de robotmaaier in de maaizone en start de maaibeurt met de toets GO.
- Sluit de draaduiteinden in de groene stekker andersom aan. (⇒ 14.08 Stap 4)
7. Dok probleem
Reden van de melding:
- Er is een slecht contact tussen het station en de robotmaaier.
- De robotmaaier is in het station gereden, het opladen is niet begonnen.
- Aandrijfwielen staan na het aandokken niet op de wielsteunen.
- Robotmaaier kan niet naar het station terugkeren.
Oplossing:
- Reinig de aansluitingen van het station met schuurpapier of staalwol. (⇒ 20.08)
- Controleer de plaatsing van het station. (⇒ 14.08 Stap 2)
- Controleer de laadstroom zekering. (⇒ 20.03.03)
- Controleer de kabel en de stekker van het station. (⇒ 14.03)
- In de laadzone: stel een zone met station in. (⇒ 16.02)
- Verhelp oneffenheden (gaten, kuilen) in de maaizone.
8. Aandr overbelast koelt af. wacht
Reden van de melding:
- De aandrijfmotoren zijn overbelast.
Oplossing:
- Wacht de afkoelingsfase af. Daarna gaat de robotmaaier verder met maaien. Druk indien nodig op de toets GO.
9. Rij probleem
Reden van de melding:
- Interne storing bij het activeren van de aandrijfmotoren.
Oplossing:
- Bezoek de VIKING-dealer.
10. Geef code in
Reden van de melding:
- Diefstalbeveiliging is geactiveerd. (⇒ 18.18)
Oplossing:
- Voer de code in. (⇒ 18.18)
11. Voor bumper los
Reden van de melding:
- De elektronica heeft tijdens het werken een interne storing bij de stootsensor aan de voorkant vastgesteld.
Oplossing:
- Bezoek de VIKING-dealer.
12. Achter bumpr los
Reden van de melding:
- De elektronica heeft tijdens het werken een interne storing bij de stootsensor aan de achterkant vastgesteld.
Oplossing:
- Bezoek de VIKING-dealer.
13. Voor bumper ingedr
Reden van de melding:
- De stootsensor aan de voorkant wordt continu geactiveerd. (⇒ 03)
Oplossing:
- Haal de robotmaaier bij het obstakel vandaan.
14. Acht bmp ingedr
Reden van de melding:
- De stootsensor aan de achterkant wordt continue geactiveerd. (⇒ 03)
Oplossing:
- Haal de robotmaaier bij het obstakel vandaan.
15. Voorwiel problem
Reden van de melding:
- Het voorwiel heeft langer dan 8 tot 10 seconden geen contact met de bodem, zoals bij het nemen van een verhoging, bij het maaien van hoog gras, bij een oneffen bodem of bij het rijden tegen een obstakel.
Oplossing:
- Vermijd gebieden met een te grote stijging door het verleggen van de begrenzingsdraad.
- Pas de snijhoogte aan. (⇒ 14.10)
- Verhelp oneffenheden (gaten, kuilen) in de maaizone.
- Scherm obstakels af met een verboden zone. (→ 13.03)
16. Temp te hoog Ontkop. lader
Reden van de melding:
- De omgevingstemperatuur is te hoog voor het opladen van de accu's in de adapter.
Oplossing:
- Koppel de adapter van de robotmaaier af en zet het opladen in een koelere omgeving voort. (⇔ 20.09)
17. Temp te hoog Ik wacht...
Reden van de melding:
- De accu's worden in het station door een te hoge omgevingstemperatuur niet opgeladen.
Oplossing:
- Wacht tot de omgevingstemperatuur daalt.
- Plaats de robotmaaier in een koelere omgeving en laad de accu's met de adapter op.
(→ 20.09)
18. Temp te hoog Druk GO
Reden van de melding:
- De accu's werden in het station door een te hoge omgevingstemperatuur langer dan 12 uur niet opgeladen.
Oplossing:
- Bevestig de melding met de toets GO. Plaats de robotmaaier in een koelere omgeving en laad de accu's met de adapter op. (⇒ 20.09)
19. Blijf opladen bij stalling
Reden van de melding:
- Adapter werd van het elektriciteitsnet of de laadbus losgekoppeld.
- De robotmaaier werd gedurende langere tijd niet in gebruik genomen en was niet in het station of met de adapter verbonden.
Oplossing:
- Druk op GO om de melding te bevestigen. Laad de accu's op. (⇒ 20.09)
20. Toetsen vast
Reden van de melding:
- Kinderbeveiliging is geactiveerd. (⇒ 18.06)
Oplossing:
- Druk op de toets Omhoog en vervolgens op de toets C om de vergrendeling op te heffen.
21. Accu zwak
Reden van de melding:
- De robotmaaier kan omwille van te geringe accuspanning het station niet verder zoeken.
Oplossing:
- Rijd de robotmaaier manueel in het station. (⇒ 16.03)
22. Temp te laag Ontkop. lader
Reden van de melding:
- De omgevingstemperatuur is te laag voor het opladen van de accu's in de adapter.
Oplossing:
- Koppel de adapter van de robotmaaier af en zet het opladen in een warmere omgeving voort. (⇒ 20.09)
23. Temp. te laag Ik wacht...
Reden van de melding:
- De accu's worden in het station door een te lage omgevingstemperatuur niet opgeladen.
Oplossing:
- Wacht tot de omgevingstemperatuur stijgt. - Plaats de robotmaaier in een warmere omgeving en laad de accu's met de adapter op. (⇔ 20.09)
24. Temp. te laag Druk GO
Reden van de melding:
- De accu's werden in het station door een te lage omgevingstemperatuur langer dan 12 uur niet opgeladen.
Oplossing:
- Bevestig de melding met de toets GO. Plaats de robotmaaier in een warmere omgeving en laad de accu's met de adapter op. (⇒ 20.09)
25. Links maaiproblm
Reden van de melding:
- De elektronica heeft tijdens het werken een interne storing bij de linker maaimotor vastgesteld.
Oplossing:
- Bezoek de VIKING-dealer.
26. Midden maaiprblm
Reden van de melding:
- De elektronica heeft tijdens het werken een interne storing bij de stootsensor bij de maaimotor in het midden vastgesteld.
Oplossing:
- Bezoek de VIKING-dealer.
Reden van de melding:
- De elektronica heeft tijdens het werken een interne storing bij de rechter maaimotor vastgesteld.
Oplossing:
- Bezoek de VIKING-dealer.
28. Maaim overbelast koelt af. wacht
Reden van de melding:
- De maaimotoren zijn overbelast.
Oplossing:
- Wacht de afkoelingsfase af. Daarna gaat de robotmaaier verder met maaien. Druk indien nodig op de toets GO.
29. Geen signaal
Reden van de melding:
- Station of begrenzingsmodule is uitgeschakeld.
- De begrenzingsdraad is niet op het station of de begrenzingsmodule aangesloten.
- Begrenzingsdraad is doorgesneden.
Oplossing:
- Gebruik in laadzone: Sluit de stekker aan op het station.
(→ 14.04) - Gebruik in zone B, C of D: Schakel de begrenzingsmodule in. (⇒ 14.05)
- Sluit de begrenzingsdraad aan op het station of de begrenzingsmodule. (⇒ 14.03)
- Controleer de begrenzingsdraad en repareer breuken.
(⇒ 14.02, ⇔ 20.11)
30. Regen ontdekt GO=negeren
Reden van de melding:
- De robotmaaier heeft regen ontdekt nadat op GO is gedrukt.
Oplossing:
- Druk op GO om het maaien te starten.
- Druk op STOP om het maaien te beëindigen.
31. Gereed Blijf opladen
Reden van de melding:
- De accu's in de robotmaaier zijn met de adapter volledig opgeladen.
Oplossing:
- De melding verdwijnt wanneer de adapter niet meer aan het elektriciteitsnet of de laadbus is aangesloten.
(→ 20.10)
32. Accu opladen
Reden van de melding:
- De accu's moeten worden opgeladen. (⇒ 20.09)
Oplossing:
- Plaats de robotmaaier in het station of sluit de robotmaaier op de adapter aan om de accu weer op te laden. (⇔ 20.09)
33. Vervang messen elke 200 uur
Reden van de melding:
- Het maairmes is meer dan 200 uur in gebruik geweest.
Oplossing:
- Vervang de messen ( 20.04) en zet de teller weer op nul ( 18.16).
34. Prob ergns andrs
Reden van de melding:
- Kalibreren van het kompas in het apparaat mislukt.
Oplossing:
- Start de kalibratie op een andere plaats in de maaizone opnieuw. (⇒ 14.08 Stap 3)
35. Stel land in
Reden van de melding:
- Land waar de robotmaaier wordt gebruikt is niet ingesteld.
Oplossing:
- Kies het land en bevestig met de toets GO.
(⇒ 14.08 Stap 3)
36. Tijd instellen
Reden van de melding:
- Accu AP-480 werd geplaatst.
- Weekprogramma werd geactiveerd.
Oplossing:
- Tijd en weekdag instellen (⇒ 18.21)
- Plaats de robotmaaier in het station of sluit de robotmaaier op de adapter aan om de 9 Volt accu weer op te laden.
(→ 20.09)
37. In dok accu zwak
Reden van de melding:
- Geplande start is niet uitgevoerd, omdat de accuspanning te gering was.
Oplossing:
- Accu's opladen. Let op voldoende oplaadtijd tussen de maaibeurten.
( 20.09)
38. In dok: regen
Reden van de melding:
- De robotmaaier heeft voor de automatische start van het maaien regen ontdekt en daarom een geplande start niet voltooid.
Oplossing:
- Druk op GO om de melding te bevestigen. (⇒ 18.17)
39. Start erg. anders
Reden van de melding:
- De elektronica heeft tijdens het werken een interne storing vastgesteld. - De aandrijfmotoren waren overbelast.
Oplossing:
- Plaats de robotmaaier ergens anders in de maaizone en ga verder met maaien. - Verhelp oneffenheden (gaten, kuilen) in de maaizone.
40. Thermistors
Reden van de melding:
- De elektronica heeft tijdens het werken een interne storing bij de temperatuurvoelers vastgesteld.
Oplossing:
- Bezoek de VIKING-dealer.
41. Tijd bereikt
Reden van de melding:
- De ingestelde werktijd is bereikt. (⇒ 18.05)
Oplossing:
- Druk op GO om de melding te bevestigen.
42. Start binnen
Reden van de melding:
- Start van de maaibeurt buiten de begrenzingsdraad.
- Begrenzingsdraad is foutief aangesloten.
- De robotmaaier is uit de maaizone gegleden.
Oplossing:
- Plaats de robotmaaier in de maaizone en start de maaibeurt met de toets GO.
- Sluit de draaduiteinden in de groene stekker andersom aan. (⇒ 14.08 Stap 4)
43. Ik wacht op draadsignaal
Reden van de melding:
- De automatische maaironde is onderbroken, omdat de robotmaaier geen draadsignaal ontvangt.
Oplossing:
- Controleer de stroomvoorziening van het station of de begrenzingsmodule en herstel deze eventueel.
44. Druk 'C' dan mow voor maaien
Reden van de melding:
- De toets Maaien werd ingedrukt.
Oplossing:
- Druk eerst op de toets C en dan op de toets Maaien, om de maaimotoren in te schakelen. (⇒ 16.06.03)
45. Druk op ^ en daarna op 'C'
Reden van de melding:
- Kinderbeveiliging is geactiveerd.
Oplossing:
- Druk eerst op de toets Open en dan op de toets C, om de vergrendeling op te heffen. (⇒ 18.06)
46. now press 'C'
Reden van de melding:
- kinderbeveiliging is geactiveerd en de toets Open werd reeds ingedrukt.
Oplossing:
- Druk op de toets C om de vergrendeling op te heffen. (⇒ 18.06)
- Defectopsporing
| Storing Mogelijke oorzaak Oplossing Hoofdstuk | |||
| Robotmaaier: | |||
| - De robotmaaier werkt op de verkeerde tijdsaanwijzing. | - Tijd en weekdag op robot - maaier zijn niet juist ingesteld.- Er is per ongeluk op GO gedrukt. | - Corrigeer de tijd en de weekdag.- Schakel de kinder- of diefstalbeveiliging in. | 18.2118.06, 18.18 |
| - De robotmaaier heeft een geprogrammeerde actie niet uitgevoerd. | - Accuspanning te laag.- Regen ontdekt op tijdsaanwijzing van starten.- Maaimes blokkeren.- Probleem met begrenzingsdraadsignaal.- Gebruiker wil de volgende actie overslaan.- Het programma is uitgeschakeld. | - Laad de accu's op.- Test de regensensor.- Verwijder accu AP 480 en hef de blokkade op.- Controleer het draadsignaal aan het station of de begrenzingsmodule.- Geen ingreep nodig.- Test het programma en schakel het eventueel in.- Lees de schermmelding. | 20.0918.1714.0614.0528 |
| - De robotmaaier werkt niet en er staat geen melding in het display. | - De robotmaaier staat in de ruststand.- De accu's zijn helemaal ontladen. | - Druk op de toets GO.- Verwijder de accu AP 480 en plaats deze na 10 seconden weer terug.- Laad de accu's volledig op. | 1714.0620.09 |
* neem eventueel contact op met een dealer, VIKING beveelt u de VIKING-dealer aan.
Defectopsporing
| Storing Mogelijke oorzaak Oplossing Hoofdstuk | |||
| Robotmaaier:- De robotmaaier maakt veel geluid en trilt. | - Een of meerdere maaimessen zijn beschadigd of in onbalans.- Het maaiwerk is sterk bevuild met afgemaaid gras. | - Vervang de messen en controleer het gazon op obstakels (stenen, andere voorwerpen). Verwijder de obstakels.- Verwijder accu AP 480 en reinig het maaiwerk. | × , 20.0414.06, 20.08 |
| - Slechte mulch- of maairesultaten | - De grashoogte is in verhouding tot de snijhoogte te hoog.- Het gazon is erg nat.- Maimes is bot of versleten.- De robotmaaier is niet optimaal geprogrammeerd. De maaionderbrekingen zijn te lang in verhouding tot de maairondes.- Het te maaien oppervlak (maaizone) is te groot.- Bij gebruik op een gazon met lang gras.- Geprogrammeerde werktijd is onvoldoende voor de grootte van het gazonoppervlak. | - Stel de juiste snijhoogte in.- Wijzig het weekprogramma en verkort de pauzes.- Programmeer de robotmaaier zo dat het maaien van nat gras wordt voorkomen- Slijp of vervang het maimes.- Programmeer de robotmaaier opnieuw.- Verklein de maaizone door het instellen van een tweede maaizone en pas de programmering aan.- Voor een goed maairesultaat heeft de robotmaaier afhankelijk van de grootte van het te maaien oppervlak meerdere dagen nodig.- Verleng de werktijd of stel op MAX in. | 14.101920.06, 20.041909.0418.05 |
Defectopsporing
| Storing Mogelijke oorzaak Oplossing Hoofdstuk | |||
| Robotmaaier: | |||
| - In de maaizone ontstaan door de bewerking met de robotmaaier bruine (aarde) plekken in het gazon. | - De robotmaaier wordt in verhouding tot de grootte van het gazon te lang ingezet. | - Programmeer de robotmaaier met langere pauzes en kortere werktijden. | 19 |
| - Display wordt weergegeven in een vreemde taal. | - De taalinstelling is gewijzigd of verkeerd ingesteld. | - Wijzig de taalinstelling. 18.09 | |
| - De robotmaaier werkt duidelijk korter dan gewoonlijk (te korte werktijd). | - Er is een kortere werktijd geprogrammeerd.- De accu’s zijn aan het begin van het gebruik niet vol geladen.- Het gras is erg lang of te nat.- Het maaiwerk is sterk bevuild met afgemaaid gras.- Accu is defect of de levensduur is verstreken. | - Wijzig zo nodig de werktijd.- Controleer voor gebruik het laadniveau van de accu’s en stel eventueel langere pauzes in zodat de accu’s volledig kunnen worden opgeladen.- Verhoog de snijhoogte.- Wijzig de programmering. Langere werktijden en kortere pauzes.- Verwijder de accu AP 480 en controleer of de maaimessen niet geblokkeerd zijn.- Verwijder accu AP 480 en reinig het maaiwerk.- Vervang de accu. | 18.0518.1914.101914.0614.06 × |
Defectopsporing
| Storing Mogelijke oorzaak Oplossing Hoofdstuk | |||
| Robotmaaier:- Onjuiste bedrijfstoestandwordt aangegeven in hetdisplay. | - Storing in programma. - Schakel de robotmaaier uit enverwijder de accu AP 480.Plaats de accu AP 480 na10 seconden weer terug enschakel de robotmaaier in.Stem de displaymelding af opde bedrijfstoestand.Neem contact op met eenvakman als de storing blijftbestaan.VIKING beveelt u de VIKING-dealer aan. | 14.06, ✗ | |
| - Het apparaat staat in hetstation en wordt nietopgeladen. | - Het station is niet op thetelektriciteitsnet aangesloten.- Geen stroom op het net.- Het station of de robotmaaierhebben brandplekken op delaadcontacten.- Laadcontacten zijngecorrodeerd.- Kabel (rood en zwart) van deprintplaat naar delaadcontacten niet bevestigd. | - Test alle steekverbindingen encontroleer of de adapter op hetelektriciteitsnet is aangesloten.- Test het net met behulp vaneen ander toestel (bv.haardroger).- Schakel de hoofdstroom weerin.- De laadcontacten moetenworden vervangen.- Reinig de laadcontacten meteen vochtige doek en schuurdeze eventueel met fijnschuurpapier.- Koppel het station los endemonteer de afdekking.Controleer de steekverbindingvan de beide kabels enbevestig deze eventueel. | 14.03, ✗ ✗ |
* neem eventueel contact op met een vakman, VIKING beveelt u de VIKING-dealer aan.
Defectopsporing
| Storing Mogelijke oorzaak Oplossing Hoofdstuk | |||
| Robotmaaier:- Robotmaaier staat in het station: hierbij bevinden de twee laadcontacten van het apparaat zich niet op de laadcontacten van het station. | - Het station staat niet recht. Er is een hoogteverschil van de ingang van het station naar het einde van het station. | - Verwijder het hoogteverschil. | |
| - De robotmaaier rijdt niet langs de begrenzingsdraad. | - Langs de begrenzingsdraad zijn er magnetische stoorvelden die ervoor zorgen dat de robotmaaier de begrenzingsdraad verlaat. | - Signaaltype wijzigen- Neem contact op met de VIKING-dealer. | 18.15 ✗ |
| - De robotmaaier staat in de laadzone en op het scherm verschijnt de melding “Accu opladen” of “Tijd bereikt”. | - Aan de robotmaaier is een andere maaizone ingesteld (zone B, C of D). | - Wijzig de maaizone naar “Zone met station” | 18.05 |
| - De robotmaaier zoekt een station in een maaizone waarin geen station voorhanden is. | - De robotmaaier bevindt zich niet in de laadzone. | - De “Zone met station” van de robotmaaier moet worden gewijzigd naar “Zone B”, “Zone C” of “Zone D”. | 18.05 |
* neem eventueel contact op met een dealer, VIKING beveelt u de VIKING-dealer aan.
Defectopsporing
| Storing Mogelijke oorzaak Oplossing Hoofdstuk | |||
| Robotmaaier:- De begrenzingsmodule wordt na het inschakelen niet actief. | - Adapter niet aangesloten.- Aansluitkabel niet correct met het moederbord verbonden.- Adapter defect. | - Controleer of de begrenzings - module is aangesloten op het stroomnet.- Stekkerverbindingen controleren.- De begrenzingsmodule openen door beide haken in te drukken en de insteekverbinding aan het moederbord controleren.- Neem contact op met de VIKING-dealer. | × |
| - De robotmaaier is over de begrenzingsdraad heengereden. | - Bij het plaatsen van de begrenzingsdraad werden de afstanden niet aangehouden.- Op het buurgrondstuk wordt eveneens een robotmaaier gebruikt.- De stoorvelden beïnvloeden de robotmaaier. | - Loop langs de geplaatste begrenzingsdraad en con - troleer alle afstanden met behulp van de gebruiksaan - wijzing. De installatie indien nodig aanpassen.- De begrenzingsdraad op een grotere afstand (minstens 2 m) plaatsen van het buurgrondstuk.- Neem contact op met de VIKING-dealer. | 14.0214.02 × |
| - De robotmaaier rijdt zich dikwijls vast. | - De robotmaaier heeft een beperkte bewegingsvrijheid.- De snijhoogte is te laag.- De kwaliteit van het gazonoppervlak is niet goed. | - De snijhoogte-instelling achterwiel zo hoog mogelijk instellen.- De snijhoogte hoger instellen- Eventuele gaten opvullen, vrijliggende wortels afbakenen als verboden zone. | 14.10.0214.10 |
* neem eventueel contact op met een vakman, VIKING beveelt u de VIKING-dealer aan.
Defectopsporing
| Storing Mogelijke oorzaak Oplossing Hoofdstuk | |||
| Robotmaaier: | |||
| - De robotmaaier maait de randen in een bijkomende maaizone (niet de laadzone) niet volledig. | - Ingewikkelde geometrie van de maaizone.- “Leer rand” niet correct uitgevoerd. | - “Leer rand” uitvoeren.- “Leer rand” uitvoeren. | 18.0518.05 |
| - De werkingslichten aan de robotmaaier werken niet, hoewel de maaimessen ingeschakeld zijn. | - De lamp van het werkinglicht is defect. | - Lamp vervangen. | ✕ |
| - Bij het plaatsen van de accu AP 480 knipperen de werkingslichten een keer, op het display verschijnt er echter niets. | - Geen hoofdzekering geplaatst aan de AP 480-accu of hoofdzekering defect. | - Plaats een (nieuwe) hoofdzekering in de AP 480-accu. | 20.03.01 |
| - De bumper wordt niet geactiveerd wanneer de robotmaaier een hindernis raakt. | - De hindernis is niet hoger dan 15 cm.- De hindernis ligt niet vast op de grond of de bumper raakt de hindernis niet correct. | - Plaats een verboden zone rond de hindernis.- Plaats een verboden zone rond de hindernis. | 13.0313.03 |
* neem eventueel contact op met een vakman, VIKING beveelt u de VIKING-dealer aan.
Defectopsporing
| Storing Mogelijke oorzaak Oplossing Hoofdstuk | |||
| Station,Begrenzingsdraad,Begrenzingsmodule(accessoire):- Een regelmatige pieptoon op het station of de begrenzingsmodule geeft een doorgesneden draad aan. Op de begrenzingsmodule brandt een rode LED. | - De begrenzingsdraad werd van het station of van de begrenzingsmodule losgemaakt.- Begrenzingsdraad werd doorgesneden.- Onjuiste draadverbinding. | - Controleer de aansluiting van de begrenzingsdraad.- Controleer de verplaatste begrenzingsdraad en test op breuken.Verhelp breuken met een originele draadwartel.- Test alle begrenzingsdraad - verbindingen en repareer deze eventueel. | 14.03 × 14.03, 20.11 |
| - Een onregelmatige pieptoon op het station of de begrenzingsmodule geeft een slechte draadverbinding aan.Op de begrenzingsmodule brandt een rode LED. | - Verbindingen met de begrenzingsdraad zijn niet correct en zijn verroest (bijvoorbeeld verdraaide kabel, klem).- Lus aan begrenzingsdraad is langer dan 500 m. | - Gebruik alleen de originele begrenzingsdraadwartel.- U kunt een tweede maaizone instellen met een begrenzingsmodule (accessoire). | 20.1109.04 |
neem eventueel contact op met een dealer, VIKING beveelt u de VIKING-dealer aan.
30. Onderhoudsschema
Overhandig deze gebruiksaan - wijzing aan uw VIKING-dealer wanneer u onderhoudswerkzaam - heden aan uw VIKING product laat uitvoeren.
Uw VIKING-dealer bevestigt in het hoofdstuk "Onderhoudsschema" dat de voorgeschreven onderhoudswerkzaamheden correct zijn uitgevoerd.
Model: MI 555 C
Serienummer:

Beveiligingscode:

Overhandigd op
Datum: ____ ____ ____ ____ ____
Stempel van de VIKING-dealer
Volgende onderhoudsbeurt
Datum: ____ ____ ____ ____
Datum: ____ ____ ____ ____
Stempel van de VIKING-dealer
Volgende onderhoudsbeurt
Datum: ____ ____ ____ ____
Datum: ____ ____ ____ ____
Stempel van de VIKING-dealer
Volgende onderhoudsbeurt
Datum: ____ ____ ____ ____
Datum: ____ ____ ____ ____
Stempel van de VIKING-dealer
Volgende onderhoudsbeurt
Datum: ____ ____ ____ ____
Datum: ____ ____ ____ ____
Stempel van de VIKING-dealer
Volgende onderhoudsbeurt
Datum: ____ ____ ____ ____ ____
Datum: ____ ____ ____ ____
Stempel van de VIKING-dealer
Volgende onderhoudsbeurt
Datum: ____ ____ ____ ____ ____
Datum: ____ ____ ____ ____
Stempel van de VIKING-dealer
Volgende onderhoudsbeurt
Datum: ____ ____ ____ ____ ____