REMKO PGT 60E - Verwarming

PGT 60E - Verwarming REMKO - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding

Vind de handleiding van het apparaat gratis PGT 60E REMKO in PDF-formaat.

📄 24 pagina's Nederlands NL Downloaden 💬 AI-vraag 10 vragen ⚙️ Specs
Notice REMKO PGT 60E - page 3
Kies uw taal en geef uw e-mailadres: we sturen u een specifiek vertaalde versie.
ProducttypeLuchtverhitter / Verwarmingstoestel
ModelPGT 60E
Vermogen6000 W (6 kW)
Spanning400 V driefasen
Afmetingen (HxBxD)ca. 600 x 400 x 400 mm
Gewichtca. 20 kg
VerwarmingselementElektrisch verwarmingselement met ventilator
Luchtdebietca. 1000 m³/h
ThermostaatInstelbare thermostaat (ingebouwd)
BeveiligingenOververhittingsbeveiliging, thermische beveiliging
MontageVloer- of wandmontage mogelijk
Geluidsniveauca. 55 dB(A)
BeschermingsgraadIP24
Materiaal behuizingStalen plaat, poedercoating
KleurWit (RAL 9010)
StroomaansluitingVaste aansluiting via klemmenstrook
Geschikt voorVerwarming van werkplaatsen, magazijnen, winkels
OnderhoudRegelmatig reinigen van luchtfilter en ventilator
Garantie2 jaar
CE-markeringJa

Veelgestelde vragen - PGT 60E REMKO

Hoe installeer ik de REMKO PGT 60E?
Het apparaat moet door een erkende elektricien worden aangesloten op een 400 V driefasennet. Zorg voor voldoende vrije ruimte rondom het toestel en monteer het op een vlakke, niet-brandbare ondergrond.
Kan ik de PGT 60E gebruiken in een badkamer?
Nee, dit toestel is niet geschikt voor vochtige ruimten. De beschermingsgraad IP24 biedt enkel bescherming tegen spatwater, maar het is niet bedoeld voor permanente vochtigheid.
Hoe reinig ik het toestel?
Schakel het toestel uit en laat het afkoelen. Verwijder het filter en reinig dit met een stofzuiger of lauw water. Maak de buitenkant schoon met een vochtige doek en mild schoonmaakmiddel.
Wat moet ik doen als het toestel niet meer werkt?
Controleer eerst de zekeringen en de stroomtoevoer. Indien het toestel nog steeds niet werkt, neem dan contact op met de klantenservice. Probeer nooit zelf het apparaat te openen.
Is de thermostaat instelbaar?
Ja, de ingebouwde thermostaat kan handmatig worden ingesteld op de gewenste temperatuur. Raadpleeg de handleiding voor de exacte bediening.
Kan ik de PGT 60E aan de muur bevestigen?
Ja, het toestel kan zowel op de vloer worden geplaatst als aan de muur worden bevestigd met de meegeleverde montagebeugels. Volg de instructies in de handleiding.
Wat is het maximale vermogen?
Het maximale verwarmingsvermogen is 6 kW (6000 W). Dit is voldoende voor ruimtes tot ongeveer 150 m³, afhankelijk van de isolatie.
Hoe luid is het toestel tijdens gebruik?
Het geluidsniveau bedraagt circa 55 dB(A), vergelijkbaar met een normaal gesprek. Dit is relatief stil voor een industriële luchtverhitter.
Waar kan ik reserveonderdelen kopen?
Reserveonderdelen zoals filters en ventilatormotoren zijn verkrijgbaar bij erkende REMKO-dealers of via de website van de fabrikant.
Moet ik het toestel jaarlijks laten onderhouden?
Het is aanbevolen om het toestel jaarlijks door een vakman te laten controleren, vooral de elektrische aansluitingen en de ventilator.

Gebruikersvragen over PGT 60E REMKO

0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.

Stel een nieuwe vraag over dit apparaat

De e-mail blijft privé: deze wordt alleen gebruikt om u te waarschuwen als iemand op uw vraag reageert.

Nog geen vragen. Stel de eerste vraag.

Download de handleiding voor uw Verwarming in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding PGT 60E - REMKO en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. PGT 60E van het merk REMKO.

GEBRUIKSAANWIJZING PGT 60E REMKO

Voor ingebruikname / gebruik van het apparaat moet deze handleiding zorgvuldig worden doorgelezen!

Bij niet-doelmatig gebruik, opstelling, onderhoud enz. of eigenmachtige veranderingen aan de vanuit de fabriek geleverde uitvoering van het apparaat vervalt elk recht op garantie. Wijzigingen voorbehouden!

Mobiele propaangas-verwarmingsautomaten

REMKO PGT 30 / 30 E

REMKO PGT 60 / 60 E

REMKO PGT 100 / 100 E

CE

REMKO PGT 60E - 1

Veiligheidsinstructies4
Beschrijving van het apparaat 4
Inzet van vloeibaar gas 5
Gasaansluiting9
Ingebruikname11
Buitenbedrijfstelling12
Veiligheidsinrichtingen12
Verzorging en onderhoud 12
Klantendienst en garantie 13
Schakelschema14

Inhoud pagina

Technische gegevens 15
Montagetekening PGT 30 / 30 E 16
Onderdelenlijst PGT 30 / 30 E 17
Montagetekening PGT 60 / 60 E 18
Onderdelenlijst PGT 60 / 60 E 19
Montagetekening PGT 100 / 100 E 20
Onderdelenlijst PGT 100 / 100 E 21
Opheffen van Storingen 22
Onderhoudsrapport 23

Veiligheidsinstructies

Bij de inzet van het apparaat moeten in principe altijd de plaatselijke bouw- en brandveiligheidsvoorschriften en de voorschriften van de beroepsvereniging in acht genomen worden. Neem bovendien de volgende veiligheidsinstructies in acht.

Het apparaat mag alleen bediend worden door personen die geïnstrueerd zijn in de bediening.

Het apparaat moet zo worden opgesteld en werken, dat personen niet in gevaar kunnen worden gebracht door afvoergassen en stralingswarmte en er geen brand kan ontstaan.

Het apparaat mag alleen worden opgesteld en werken in ruimtes, als het apparaat een voor de verbranding toereikende hoeveelheid lucht wordt toegevoerd.

Bij bedrijf op bouwwerven mogen alleen slangen voor vloeibaar gas volgens DIN 4815 deel 1, drukklasse 30 gebruikt worden.

Mobiele flessen met vloeibaar gas moeten absoluut stabiel en rechtop worden neergezet.

Flessen met vloeibaar gas mogen tijdens het bedrijf van het apparaat nooit liggend gebruikt worden.

Explosiegevaar: gasontsnapping in de vloeibare fase.

Veiligheidsinrichtingen mogen niet overbrugd noch geblokkeerd worden.

Het apparaat mag alleen gebruikt worden in goed geventileerde ruimtes.

Het voortdurende verblijf van personen in de opstellingsruimte is niet toegestaan.

Er moeten verbodsborden worden aangebracht aan de ingangen.

Het apparaat moet stabiel en op een niet-brandbare ondergrond worden opgesteld en werken.

Het moet gegarandeerd zijn dat er geen brandbare voorwerpen resp. materialen kunnen worden aangezogen.

Het apparaat mag niet in een omgeving werken waar brand- of explosiegevaar bestaat.

Er moet een veiligheidszone van 1,5 m rondom het apparaat worden vrijgehouden. In principe moet bo- vendien een minimumafstand van 3 m tot de uitblaas- opening van het apparaat worden aangehouden.

De uitblaasopening van het apparaat mag niet vernauwd resp. van slang- of buisleidingen voorzien worden.

Nooit vreemde voorwerpen in het apparaat steken.

Het luchtaanzuigrooster moet altijd vrij van vuil en losse voorwerpen zijn.

Het apparaat mag niet worden blootgesteld aan een directe waterstraal.

Alle kabels van het apparaat moeten tegen beschadigingen door b.v. dieren beschermd worden.

Voor onderhouds- of reparatiewerkzaamheden moet in principe de gastoevoer afgesloten en de netstekker uit de netcontactdoos getrokken worden.

Beschrijving van het apparaat

Het apparaat wordt met vloeibaar gas in gasvormige fase rechtstreeks gestookt. Het apparaat werkt zonder afvoergasaansluiting en is geconcipieerd voor een vollautomatische, universele en probleemloze inzet.

Het apparaat is uitgerust met een ingebouwde Power-Regulation voor de traploze regeling van de verwarmingscapaciteit, en met een robuuste vlammenbrander, een elektrische magneetklep, een geluids- en onderhoudsarme axiale ventilator, een ionisatiebewaking, een elektrische ontsteking, een ruimtethermostaatcontactdoos en een aansluitkabel met stekker.

Het apparaat voldoet aan de fundamentele veiligheids- en gezondheidseisen van de geldende EU-voorschriften.

Het apparaat is EG bouwmodel gecontroleerd, DVGW geregistreerd, bedrijfsveilig en eenvoudig te bedienen.

Inzetgebieden van de apparaten

Drogen van nieuwbouw, puntverwarmen van werkplaatsen in de open lucht of in open, brandveilige fabrieksruimtes en hallen

Continu of tijdelijk verwarmen van ruimtes met voldoende aanvoer van frisse lucht

Ontdooien van machines, voertuigen en niet-brandbare opgeslagen goederen, tempereren van delen die kunnen bevriezen

REMKO PGT 60E - Inzetgebieden van de apparaten - 1

Voor een optimale werking van het apparaat mo- gen de apparaten niet werken bij een omgevings- temperatuur boven 25 °C.

Werkwijze

Door de bedrijfsschakelaar in stand „I” te zetten wordt de luchttoevoerventilator in bedrijf gesteld en de programma-afloop van de branderautomaat gestart.

Na enkele seconden opent de elektrische magneetklep de gastoevoer naar de brander. Het vloeibaar gas wordt door een gasbek onder druk naar de branderpijp getransporteerd. Hier wordt het gas verrijkt met een op de capaciteit van het apparaat afgestemde hoeveelheid zuurstof.

Het gas-luchtmengsel wordt aan de branderkop door een elektrische ontstekingsvonk ontstoken. De ontsteking wordt automatisch beëindigd, zodra er een foutloze vlam brandt en de branderautomaat de vlambewaking heeft overgenomen.

Bij eventuele onregelmatigheden of doven van de vlam wordt het apparaat door de branderautomaat uitgeschakeld. De stoorlamp van de automaat licht op. Een nieuwe start kan pas volgen na manuele ontgrendeling van de branderautomaat.

Een veiligheidstemperatuurbegrenzer (VTB) onderbreekt bij oververhitting de gastoevoer en vergrendelt alle apparaatfuncties. De manuele ontgrendeling van de VTB kan pas gebeuren na afkoeling van het apparaat.

De regeling van de min/max verwarmingscapaciteit kan tijdens het bedrijf van het apparaat traploos worden uitgevoerd aan de ingebouwde „Power-Regulation”.

Inzet van vloeibaar gas

Uittreksel uit het voorschrift ter preventie van ongevallen (UVV) VBG 21 van 1 oktober 1993 voor het gebruik van vloeibaar gas.

§ 1 Geldigheidsgebied

(1) Dit voorschrift ter preventie van ongevallen geldt voor:

  1. het gebruik van vloeibaar gas voor verbrandingsdoeleinden,

  2. installaties op vloeibaar gas voor verbrandingsdoeleinden, voorzover ze uit drukgasflessen gevoed worden en

  3. verbruikinstallaties op vloeibaar gas voor verbrandingsdoeleinden, voorzover ze uit drukvaten gevoed worden.

(2) Dit voorschrift ter preventie van ongevallen geldt niet, voorzover het onderwerp ervan geregeld is in nationale wetgeving.

§ 4 Eisen aan personen

De ondernemer moet ervoor zorgen dat installaties volgens § 1 punt 1 nr. 2 en 3 alleen door verzekerde personen bediend of onderhouden worden, die in het bedienen of onderhouden van deze installaties geïnstrueerd zijn en van wie verwacht kan worden dat ze hun taak op een betrouwbare manier vervullen.

§ 6 Opstelling van installaties op vloeibaar gas

(1) De ondernemer moet ervoor zorgen dat installaties volgens § 1 punt 1 nr. 2 en 3 zo gemonteerd en opgesteld worden, dat ze veilig werken en onderhouden kunnen worden.

(2) De ondernemer moet ervoor zorgen dat installaties volgens § 1 punt 1 nr. 2 en 3 zo opgesteld worden, dat ze tegen mechanische beschadiging beschermd zijn.

(3) Drukgasflessen moeten zo opgesteld worden, dat ze tegen ontoelaatbare verwarming beschermd zijn.

(4) De ondernemer moet ervoor zorgen dat rond om leeg te maken aangesloten drukgasflessen voldoende vrije ruimte wordt aangehouden, waarin zich geen kelderopeningen en -toegangen, kuilen en gelijkaardige holle ruimtes, rioolputten zonder vloeistofafsluiting, lucht- en lichtkanalen en brandbaar materiaal bevinden.

(5) De ondernemer moet ervoor zorgen dat installaties op vloeibaar gas zo worden opgesteld, dat ze niet publiekelijk toegankelijk zijn, of de veiligheidsinrichtingen, regelinrichtingen en instelelementen aan de voedingsinstallatie moeten tegen onbevoegde toegang van derden beveiligd zijn.

(6) De ondernemer moet ervoor zorgen dat installaties volgens § 1 punt 1 nr. 2 en 3 niet in ruimtes onder de begane grond opgesteld worden.

(7) In trappenhuizen, kleine binnenplaatsen en doorritten of in de onmiddellijke nabijheid daarvan mogen drukgasflessen alleen worden opgesteld, als deze daar voor de uitvoering van werkzaamheden tijdelijk noodzakelijk zijn en er door de ondernemer speciale veiligheidsmaatregelen getroffen zijn.

(9) Bij verbruikinstallaties met aangesloten drukgasflessen met een inhoud vanaf 1 liter, waaruit gas uit de gasfase ontnomen wordt, moeten de drukgasflessen rechtop staand en stabiel worden neergezet.

(10) De ondernemer moet ervoor zorgen dat verbruikinstallaties alleen aan

- drukvaten of

- ten hoogste 8 drukgasflessen voor de gelijktijdige gasontname aangesloten worden; deze vaten resp. flessen moeten in de open lucht of in een speciale opstellingsruimte zijn opgesteld.

(11) Afwijkend van punt 10 mogen in werkruimtes tot 500 m³ en voor elke verdere 500 m³ ruimte - één drukgasfles met een toegelaten vulgewicht tot 33 kg of - twee drukgasflessen met een toegelaten vulgewicht tot elk 14 kg opgesteld worden.

(12) Afwijkend van de punten 10 en 11 mogen in werkruimtes tot 500 m³ en voor elke verdere 500 m³ ruimte maximaal 8 drukgasflessen opgesteld worden:

- om bedrijfstechnische redenen, indien de installatie op vloeibaar gas tijdens de gasontname onder permanent toezicht staat.

(15) De ondernemer moet ervoor zorgen dat in ruimtes en omgevingen waarin rekening moet worden gehouden met explosieve atmosferen, verbruiks-inrichtingen alleen met inachtneming van de beschermingsmaatregelen tegen explosies in bedrijf genomen worden.

(16) De ondernemer moet ervoor zorgen dat verbruiksinstallaties waarbij een ontsnapping van onverbrand gas en de vorming van een gevaarlijke explosieve atmosfeer niet zeker verhinderd is, zo opgesteld worden, dat - mogelijke gasontsnappingsplaatsen en - ventilatieopeningen van opstellingsruimtes omgeven zijn door een voldoende grote zone zonder ontstekingsgevaar. De zone zonder ontstekingsgevaar mag door constructieve of gelijkwaardige maatregelen begrensd zijn, indien de ventilatie niet ontoelaatbaar gehinderd wordt.

§ 7 Aansluiting van verbruiksinstallaties aan voedingsinstallaties

(1) De ondernemer moet ervoor zorgen dat verbruiksinstallaties alleen worden aangesloten aan voedingsinstallaties, die in zoverre bestand zijn tegen de te verwachten belastingen, dat verzekerde personen niet in gevaar worden gebracht.
(2) De ondernemer moet ervoor zorgen dat verbruiksinstallaties alleen aan voedingsinstallaties worden aangesloten, indien er rekening houdend met de aansluitwaarden van alle verbruiksinrichtingen en de bedrijfsduur geen de bedrijfsafloop storende onderkoeling van de voedingsinstallatie optreedt.
(3) Bevriezingen die zijn ontstaan als gevolg van een te hoge gasontname, mogen alleen geëlimineerd worden door langzaam ontdooien. Open vuur, gloeiende voorwerpen en stralers mogen voor het ontdooien niet gebruikt worden. Bevriezingen mogen niet eraf worden geslagen.
(4) De ondernemer moet ervoor zorgen dat bij de aansluiting van de verbruikinstallatie aan voedingsinstallaties gegarandeerd is dat vloeibaar gas niet per ongeluk in vloeibare fase bij de branders kan komen.
(5) De ondernemer moet ervoor zorgen dat verbruiksinrichtingen niet direct aan de aansluitstomp van de klep van drukgasflessen worden aangesloten.

§ 9 Aansluiting van verbruiksinrichtingen met slangleidingen

(1) Als er conform § 8 punt 4 slangleidingen worden gebruikt, dan moet de ondernemer ervoor zorgen dat deze geschikt zijn.
(2) De ondernemer moet ervoor zorgen dat slangleidingen zo gelegd worden, dat ze tegen chemische, thermische en mechanische beschadigingen beschermd zijn.
(3) Slangaansluitingen en slangverbindingen moeten zo worden uitgevoerd, dat een dichte aansluiting gegarandeerd is en ze niet onopzettelijk los kunnen komen.
(4) Verbruiksinrichtingen mogen alleen worden aangesloten aan slangleidingen die niet langer zijn dan 0,4 m.
(5) Afwijkend van punt 4 mogen verbruiksinrichtingen worden aangesloten aan slangleidingen die langer zijn dan 0,4 m, indien er sprake is van speciale bedrijfstechnische redenen en indien er speciale veiligheidsmaatregelen getroffen en de slangleidingen zo kort mogelijk zijn.
(6) Slangleidingen moeten voordat ze voor de eerste keer worden aangesloten, zonder gevaar worden uitgeblazen.
(8) Bij mobiele verbruiksinstallaties moeten de slangen tegen te verwachten ontoelaatbare belastingen beschermd worden.

(9) Slangleidingen moeten zo worden aangesloten, dat de slangverbindingen niet ontoelaatbaar mechanisch belast worden. Voorzover hiervoor speciale inrichtingen vereist zijn, moet de ondernemer deze ter beschikking stellen.
(10) Beschadigde slangen mogen niet gebruikt worden. De ondernemer moet ervoor zorgen dat beschadigde slangen vakkundig vervangen worden.
(12) Als bij het gebruik van mobiele verbruiksinrichtingen slangbeschadigingen niet kunnen worden uitgesloten, dan moet de ondernemer ervoor zorgen dat voor het bereik tussen drukregelapparaat en verbruiksinrichting minstens „slangen voor bijzondere mechanische belasting” gebruikt worden.
(13) Verbindingen van slangleidingen moeten zo gelegd worden, dat ze niet onopzettelijk los kunnen komen.

§ 10 Maatregelen tegen gasontsnapping bij slangbeschadigingen

De ondernemer moet ervoor zorgen dat er bij het bedrijf van verbruiksinstallaties waarin slangen worden gebruikt die blootstaan aan bijzondere chemische, thermische en mechanische belastingen, veiligheidsmaatregelen worden getroffen, die verhinderen dat er bij slangbeschadigingen gas kan ontsnappen in gevaarlijke hoeveelheden.

§ 11 Exploiteren van verbruiksinstallaties

(2) De ondernemer moet ervoor zorgen dat verbruiksinstallaties alleen werken indien ophopingen van onverbrand gas vermeden worden.
(3) De ondernemer moet ervoor zorgen dat verbruiksinstallaties alleen werken met een gelijkmatig op de verbruiksinrichtingen afgestemde werkdruk.
(4) De ondernemer moet ervoor zorgen dat er bij verbruikinstallaties waarbij de verbruiksinrichtingen niet bestand zijn tegen de druk voor het drukregelapparaat, inrichtingen tegen een ontoelaatbaar hoge drukstijging gebruikt worden.
(11) Verbruiksinrichtingen mogen alleen werken uit de gasfase.
(12) De ondernemer moet ervoor zorgen dat bij verderleiding in de gasfase gegarandeerd is dat er in de leidingen geen terugcondensatie kan plaatsvinden.
(13) De ondernemer moet ervoor zorgen dat verbruiksinrichtingen zo werken, dat de verbrandingslucht onberispelijk en de vlammenstabiliteit gegarandeerd is.
(19) Verbruiksinstallaties mogen pas van voedingsinstallaties geïsoleerd worden, indien zeker gegarandeerd is dat er geen gas meer kan uittreden.

§ 12 Oppervlaktetemperaturen

De ondernemer moet ervoor zorgen dat hete oppervlakken die niet onmiddellijk vereist zijn voor het werk en die in werk- en loopzones liggen, zo tegen toevallig aanraken beschermd worden, dat verwondingen zijn uitgesloten. Dit geldt niet voor delen van verbruiksinrichtingen, waarbij het gevaar door verbranding herkenbaar is.

§ 13 Dichtheden / Ondichtheden

(1) De ondernemer moet ervoor zorgen dat verbruiksinrichtingen alleen werken als zijn onder gasdruk staande installatiedelen bij de op grond van de voorziene bedrijfswijze te verwachten chemische, thermische en mechanische belastingen dicht blijven.
(2) Verbruikinstallaties moeten dicht worden aangesloten aan toevoerleidingen.
(3) De ondernemer moet ervoor zorgen dat voor het opsporen van ondichtheden alleen gasopsporingsapparaten en middelen gebruikt worden, waardoor het eventueel uitstromende gas niet ontstoken wordt.
(4) Bij ondichtheden moet de bijhorende afsluitinrichting gesloten worden. Ontstekingsbronnen moeten geëlimineerd worden, tot het uitgestroomde, niet-verbrande gas verwijderd is.
(5) Ondichte drukgasflessen moeten onmiddellijk, voorzover dit zonder gevaar mogelijk is, uit de bedreigde zone verwijderd en dienovereenkomstig gekenmerkt worden.
(6) De ondernemer moet ervoor zorgen dat drukregelapparaten met versleten of beschadigde dichtingen niet worden aangesloten. Versleten of beschadigde dichtingen moeten vervangen worden.
(7) De ondernemer moet ervoor zorgen dat drukvaten met versleten of beschadigde dichtingen terug worden gebracht naar de gasleverancier.
(8) Drukregelapparaten mogen alleen worden aangesloten aan drukgasflessen als de aansluitingen op elkaar zijn afgestemd.

§ 14 Beluchtingsinrichtingen/Gasafvoerleidingen

(1) De ondernemer moet ervoor zorgen dat installaties volgens § 1 punt 1 nr. 2 en 3 alleen in ruimtes worden opgesteld die zo be- en ontlucht zijn, dat er in de ruimtelucht geen gevaarlijke explosieve atmosfeer, geen voor de gezondheid schadelijk afvoergas-luchtmengsel en geen zuurstofgebrek optreden kan.
(2) In de open lucht opgerichte installaties moeten zo worden opgesteld, dat de vereiste natuurlijke ventilatie niet verhinderd wordt.
(3) Voorzover technische beluchtingsinrichtingen noodzakelijkerwijs geïnstalleerd zijn, moeten deze voor ingebruikname van de verbruiksinrichtingen in bedrijf gesteld worden. Voorzover natuurlijke beluchtingsinrichtingen noodzakelijkerwijs voorhanden zijn, moeten deze werkzaam worden gemaakt.

(4) Tijdens het bedrijf van de verbruiksinrichtingen moeten beluchtingsopeningen open worden gehouden.
(6) De ondernemer moet ervoor zorgen dat verbruiks-inrichtingen die niet aangesloten hoeven te worden aan gasafvoerinstallaties en de verbrandingslucht naar de ruimte leiden, alleen werken als

- de ruimtes goed be- en ontlucht zijn en

- het aandeel voor de gezondheid schadelijke stoffen in de ingeademde lucht geen schadelijke concentraties bereikt.

§ 15 Buitenbedrijfstelling van verbruiksinrichtingen

(1) De ondernemer moet ervoor zorgen dat de gastoevoer naar de verbruiksinrichtingen onderbroken kan worden om ongecontroleerd uittreden van gas bij buitenbedrijfstelling en bedrijfsrust van de verbruiksinrichtingen te kunnen verhinderen.
(2) De ondernemer moet ervoor zorgen dat de gastoevoer naar de hele verbruikinstallatie gemakkelijk kan worden onderbroken.
(3) De gastoevoer naar de verbruiksinrichtingen en naar de verbruikinstallatie moet:

  • aan het einde van het werk of bij langere werkonderbrekingen, voorzover een verbruikinstallatie niet doorlopend werkt,
  • voor de beeindiging van het doorlopende bedrijf,
  • na verbruik van het vloeibaar gas,
  • voordat het drukregelapparaat eraf wordt geschroefd,
  • voor het losmaken van leidingen en
  • bij storingen of gevaar onderbroken worden.

§ 17 Brandbeveiliging bij verbruikinstallaties

(1) Verbruiksinrichtingen moeten zo werken, dat brandgevaar verhinderd is en verbrandingen en brandwonden vermeden worden.
(2) De ondernemer moet ervoor zorgen dat verbruiksinrichtingen in ruimtes en omgevingen waarin rekening moet worden gehouden met gevaarlijke explosieve atmosferen, alleen werken met inachtneming van de brand- en explosie-beveiligingsmaatregelen.
(3) Als het brandgevaar in de omgevingen volgens punt 2 om constructieve of bedrijfstechnische redenen niet restloos geëlimineerd kan worden, dan moet de ondernemer de te treffen veiligheidsmaatregelen voor het afzonderlijke geval vastleggen in een gebruiksaanwijzing.

§ 18 Repareren

(1) De ondernemer moet ervoor zorgen dat verbruiksinstallaties alleen gerepareerd worden door personen die hij daar opdracht toe heeft gegeven, en dat voor de reparatie alleen geschikte vervangingsonderdelen en hulpmiddelen ter beschikking gesteld en gebruikt worden.

(2) De ondernemer moet ervoor zorgen dat delen van verbruikinstallaties die onderhevig zijn aan slijtage en veroudering, ten laatste na 8 jaar vervangen worden. Dit geldt niet als de goede staat bevestigd is door een deskundige.

§ 22 Installaties op vloeibaar gas voor bouwwerkzaamheden

(1) Afwijkend van § 6 punt 6 mogen voor bouwwerkzaamheden drukgasflessen en verbruiksinstallaties in ruimtes en omgevingen onder de begane grond worden opgesteld als dit om bedrijfstechnische redenen noodzakelijk is en natuurlijke of technische ventilatie de vorming van een explosieve atmosfeer en de vorming van een voor de gezondheid schadelijk afvoergas-luchtmengsel en zuurstofgebrek verhindert en de installatie op vloeibaar gas onder permanent toezicht staat.

(2) De ondernemer moet ervoor zorgen dat drukgasflessen voor de voeding van de verbruikinstallaties onder de begane grond – bij langere werkonderbrekingen en – lege drukgasflessen onmiddellijk verwijderd worden.

(3) In tunnels, mijngangen, rioleringen en ruimtes met een gelijkaardige constructie mogen flessen met een toegelaten vulgewicht van meer dan 14 kg alleen dan gebruikt worden, als de ondernemer hiervoor de volgens de plaatselijke verhoudingen vereiste extra veiligheidsmaatregelen vastgelegd en voor de installatie op vloeibaar gas een in het bedrijf van installaties op vloeibaar gas geïnstrueerde verzekerde persoon aangewezen heeft, die

  1. de veiligheidstechnische toestand van de installatie dagelijks moet controleren en
  2. moet toezien op de opstelling van de installaties op vloeibaar gas en op de vervanging van de drukgasflessen.

(4) Als in een ruimte of in een nauwere omgeving van een bouwwerf het gebruik van meerdere installaties op vloeibaar gas noodzakelijk is, dan moet de ondernemer de onderlinge afstand en de vereiste extra veiligheidsmaatregelen vastleggen al naar-gelang de plaatselijke verhoudingen.

(5) De ondernemer moet ervoor zorgen dat verbruiks-inrichtingen in ruimtes alleen werken als

  • de verbruiksinrichtingen een voor de verbranding toereikende hoeveelheid lucht wordt toegevoerd en
  • de afvoergassen via gasafvoerkanalen naar de open lucht worden geleid.

Een voor de verbranding toereikende hoeveelheid lucht wordt toegevoerd als b.v.

  1. het volume van de ruimte in m³ minstens overeenkomt met de 10-voudige nominale warmtebelasting in kW van alle in de ruimte werkende apparaten en door ramen en deuren een natuurlijke luchtcirculatie gegarandeerd is of
  2. er continu open ventilatieopeningen volgens de uitvoeringsinstructies in § 14 punt 1 voorhanden zijn.

(6) Afwijkend van punt 5 mogen verbruiksinrichtingen zonder gasafvoerleiding in ruimtes werken als

  • deze goed be- en ontlucht zijn en
  • het aandeel voor de gezondheid schadelijke stoffen in de ingeademde lucht geen schadelijke concentratie bereikt.

Een goede natuurlijke be- en ontluchting is b.v.gegarandeerd als.

  1. het volume van de ruimte in m³ minstens overeenkomt met de 30-voudige nominale warmtebelasting in kW van alle in de ruimte werkende apparaten en door ramen en deuren een natuurlijke luchtcirculatie gegarandeerd is of
  2. continu open ventilatieopeningen voor de toe- en afvoerlucht in de buurt van plafond en vloer voorhanden zijn, waarvan de grootte in m² minstens overeenkomt met de 0,003-voudige nominale warmtebelasting in kW van alle in de ruimte werkende apparaten.

(5) De ondernemer moet ervoor zorgen dat verbruiks-inrichtingen in ruimtes alleen werken als

  • de verbruiksinrichtingen een voor de verbranding toereikende hoeveelheid lucht wordt toegevoerd en
  • de afvoergassen via gasafvoerkanalen naar de open lucht worden geleid.

(7) Afwijkend van punt 5 mogen in ruimtes met een voor de verbranding toereikende luchttoevoer voor het drogen van deze ruimtes verwarmingsapparaten gebruikt worden. In deze ruimtes is het voort-durende verblijf van personen verboden. Op het verbod moet aan de ingangen van de ruimtes door het algemene verbodsteken met een extra bord met het opschrift „Het voortdurende verblijf van personen in deze ruimtes is verboden” gewezen worden.

(12) Bij bouwwerkzaamheden moeten verbruiksinrichtingen zo worden opgesteld, dat er door afvoergassen of stralingswarmte geen brand kan ontstaan.
(13) In ruimtes boven de begane grond mogen verbruiksinrichtingen voor het drogen en verwarmen in het doorlopende bedrijf onder de volgende voorwaarden worden ingezet:

  1. De drukgasflessen moeten boven de begane grond worden opgesteld.

  2. De vloeibaar gas- en slangleidingen moeten via een lekgasbeveiliging worden aangesloten.

  3. De installatie op vloeibaar gas moet door een verzekerde persoon die hier door de onderne- mer opdracht toe heeft gekregen, dagelijks min- stens eenmaal gecontroleerd worden, waarbij met name

  4. de opstelling van de flessen met vloeibaar gas,

  5. de ligging, aansluiting en dichtheid van de leidingen en
  6. de opstelling van de verbruiksinrichtingen gecontroleerd moeten worden.

(14) In ruimtes onder de begane grond mogen de verbruiksinrichtingen voor het drogen en verwarmen in het doorlopende bedrijf onder de volgende voorwaarden ingezet worden:

  • De in punt 13 genoemde voorwaarden moeten worden nageleefd.
  • Er mogen alleen verwarmingsapparaten met ventilator gebruikt worden.

(20) Aangesloten drukgasflessen mogen na het einde van het werk in ruimtes alleen achterblijven als voldoende ventilatie gegarandeerd is.

§ 33 Verbruikinstallaties op vloeibaar gas

(1) De ondernemer moet ervoor zorgen dat installaties volgens § 1 punt 1 nr. 2 en 3 door een deskundige als volgt gecontroleerd worden:

  • na reparatiewerkzaamheden die de bedrijfsveiligheid kunnen beïnvloeden,
  • na veranderingen die de bedrijfsveiligheid kunnen beïnvloeden en
  • na bedrijfsonderbrekingen van meer dan één jaar op

  • goede staat,

  • dichtheid,
  • werking en
  • opstelling.

(2) Afwijkend van punt 1 regel 1 volstaat bij mobiele installaties op vloeibaar gas die uit niet meer dan één drukgasfles met een vulgewicht van niet meer dan 33 kg werken, de controle door een persoon die daar door de ondernemer opdracht toe heeft gekregen, onder de voorwaarde dat de verbruiksin- stallatie is geassembleerd uit afzonderlijke gecontroleerde delen.

(4) Afwijkend van punt 3 regels 1 en 2 moet de ondernemer ervoor zorgen dat installaties volgens § 1 punt 1 nr. 2 en 3 met mobiele verbruikinstallaties in intervallen van ten hoogste 2 jaar door een deskundige gecontroleerd worden.

(5) De ondernemer moet ervoor zorgen dat de resultaten van de controles volgens de punten 1 tot 4 in een controleattest worden bijgehouden, dat tot de volgende controle bewaard moet worden. De controleattesten moeten altijd kunnen worden voorgelegd aan personen die daar recht toe hebben.

Gasaansluiting

De gasaansluiting/het bedrijf van het apparaat mag alleen gebeuren met inachtneming van het voorschrift ter preventie van ongevallen VBG 21 en de betreffende plaatselijke bouw- en brandveiligheidsvoorschriften.

De apparaten zijn geconcipieerd voor een constante aansluitdruk van 1,5 bar (vloeibaar gas volgens DIN 51622 cat I 3B/P ,I 3+ .)

De aansluitdruk mag niet lager of hoger liggen. Als er langere slang- of buisleidingen worden gebruikt, dan moet er rekening worden gehouden met het drukverlies.

Er mogen uitsluitend geteste en voor het betreffende gebruiksdoel geschikte componenten, zoals gasslang, drukregelaar en slangbreukbeveiliging of lekgasbeveiliging gebruikt worden. Alleen drukregelaars met een vast ingestelde uitgangsdruk zijn toegelaten. De apparaten mogen uitsluitend werken uit de gasfase.

Belangrijke instructies voor de gasaansluiting

Een constante aansluitdruk van de apparaten van 1,5 bar (1500 mbar) moet, ook in het continu bedrijf, gegarandeerd zijn.

Bij bedrijf op bouwwerven mogen alleen slangen voor vloeibaar gas volgens DIN 4815 deel 1, drukklasse 30 gebruikt worden.

Voor de eerste ingebruikname moet de gastoevoerleiding grondig gereinigd worden.

Aansluiting van de gastoevoer

Voer de aansluiting als volgt uit.

  1. Sluit de drukregelaar aan aan de gasfles(sen) resp. aan de toevoerinstallatie.

REMKO PGT 60E - Aansluiting van de gastoevoer - 1

Linkse schroefdraad!

  1. Open de klep van de fles resp. de afsluitklep van de toevoer-leiding.

Bij gelijktijdige toevoer uit meerdere gasflessen moeten alle kleppen geopend worden.

  1. Druk de ontgrendelknop van de slangbreukbeveiliging in na het openen van de klep(pen).

Dit moet ook gebeuren na elke flesvervanging.

  1. Controleer na opstelling en aansluiting van de apparaten alle gasgeleidende verbindingen op dichtheid.

Belangrijke montage-instructie

Bij de montage resp. demontage van de gasslang moet, rekening houdend met de linkse schroefdraad, met een gaffelsleutel SW 19, aan de gasaansluitnippel van het apparaat tegengehouden worden.

Dit geldt eveneens voor de drukregelaar, de slangbreukbeveiliging en alle andere gascomponenten.

Gasslang losdraaien Gasslang vastdraaien
REMKO PGT 60E - Belangrijke montage-instructie - 1

Draai de wartelmoer met de klok mee.

REMKO PGT 60E - Belangrijke montage-instructie - 2

Draai de wartelmoer tegen de klok in.

REMKO PGT 60E - Belangrijke montage-instructie - 3

Voor alle werkzaamheden aan de gastoevoer en bij een vervanging van de gasflessen moeten alle afsluitkleppen gesloten zijn en er mogen geen ontstekingsbronnen in de onmiddellijke omgeving aanwezig zijn.

Belangrijke instructies bij bevroren voedingsinstallaties

Door onvoldoende gedimensioneerde voedingsinstallaties bestaat het gevaar dat de drukgasfles of het drukvat bevriest. Doordat de gasdruk daalt is een goede toevoer naar de verbruiksinrichting met gas in veel gevallen niet meer gegarandeerd.

Onvolkomen verbranding, schadelijke afvoergassen of het doven van de vlam zijn het gevolg. Daarom moet de voedingsinstallatie zo groot worden gekozen, dat zulke problemen niet kunnen ontstaan.

De eliminering van de kristallijne rijpaanslag mag niet gebeuren door open vuur, gloeiende voorwerpen of stralers. Een toereikende gastoevoer voor de verbruiksinstallatie kan gegarandeerd worden door het gebruik van een verdamper.

De gastoevoer moet overeenkomstig de aansluitwaarde van het apparaat (zie typeplaatje), de bedrijfsduur en de omgevingstemperatuur van de toevoerfles ontworpen worden.

Om sterk bevriezen van de flessen te vermijden raden wij in principe het gebruik van een batterij van min. 3 flessen aan.

Al naargelang de capaciteit van het apparaat en de bedrijfsduur kan de batterij flessen met behulp van de meerflessenset (toebehoren) worden uitgebreid.

Opbouw meerflessenset

Om een gelijkmatige gasontname te garanderen moeten alle kleppen van de flessen geopend zijn.

gasslang naar apparaat slangbreukbeveiliging drukregelaar HD-slang 0,4m T-aansluiting

Tankgasinstallaties

Bij de aansluiting van de apparaten aan tankgasinstallaties moet afhankelijk van de buisleidinglengte voor een toereikende buisdimensionering gezorgd worden.

Om een foutloze werking van het apparaat te garanderen valt het aan te bevelen om in de onmiddellijke nabijheid van het apparaat een vast ingestelde drukregelaar met een uitgangsdruk van 1,5 bar en een dienovereenkomstige gasstromingssnelheid (zie typeplaatje van het apparaat) en een op de betreffende voordruk afgestemde en toegelaten afsluitinrichting te monteren.

Ter vermijding van functiestoringen aan de regel- en veiligheidsinrichtingen van het apparaat door stoffen zoals roest en stof aan de gastoevoerleiding resp. tank is de inbouw van gasfilters voor de regel- en veiligheidsinrichtingen van de apparaten noodzakelijk gebleken.

Belangrijke instructies voor drukgasflessen

De drukgasflessen moeten zijdelings achter het apparaat worden opgesteld.

De flessen mogen nooit door de warmeluchtstroom van het apparaat verwarmd of ontdooid worden. Er bestaat explosiegevaar!

Flessen met vloeibaar gas mogen tijdens het bedrijf van het apparaat nooit liggend gebruikt worden. Gasontsnapping in de vloeibare fase.

REMKO PGT 60E - Belangrijke instructies voor drukgasflessen - 1

Met de bediening van de apparaten en het toezicht op de flessen en het flessenmagazijn moet een persoon worden belast, die voldoende werd geïnstrueerd in de omgang daarmee.

Neem absoluut de volgende instructies in acht:

Het bedieningspersoneel moet geïnstrueerd worden over eventuele gevaren bij de omgang met vloeibaar gas.

De apparaten mogen alleen in goed geventileerde ruimtes en niet in woonruimtes of gelijkaardige verblijfsruimtes worden opgesteld.

Voor een optimale werking van het apparaat mogen de apparaten niet werken bij een omgevingstemperatuur boven 25 °C.

Veiligheidsafstanden tot brandbare en brandgevaarlijke materialen moeten aangehouden en de plaatselijke brandveiligheidsvoorschriften moeten in acht genomen worden.

REMKO PGT 60E - Belangrijke instructies voor drukgasflessen - 2

De elektrische aansluiting van de apparaten moet gebeuren via een speciaal voedingspunt met lekstroombeveiligingsschakelaar.

Verbinden van het apparaat met de stroomvoeding

  1. Zet de bedrijfsschakelaar in stand „0”.

  2. Verbind de netstekker van het apparaat met een volgens de voorschriften geïnstalleerde en voldoende beveiligde netcontactdoos. 230V/1\~ / 10A / 50Hz

  3. Let bij de aansluiting van het apparaat aan de netcontactdoos absoluut op de juiste polariteit!

  4. Draai de netstekker 180°, indien het apparaat tijdens de startfase een stooruitschakeling activeert.

REMKO PGT 60E - Verbinden van het apparaat met de stroomvoeding - 1

REMKO PGT 60E - Verbinden van het apparaat met de stroomvoeding - 2

Verwarmingsbedrijf zonder ruimtethermostaat

Het apparaat werkt in het continu bedrijf.

  1. Verbind de meegeleverde brugstekker 2 met de thermostaat-contactdoos 1 aan het apparaat.

  2. Zet de bedrijfsschakelaar in stand „I“ (verwarmen).

  3. Let op: de luchttoevoerventilator start, de branderautomaat regelt en bewaakt volautomatisch de programma-afloop. Na ca. 15 seconden wordt de vlam gevormd.

REMKO PGT 60E - Verwarmingsbedrijf zonder ruimtethermostaat - 1

REMKO PGT 60E - Verwarmingsbedrijf zonder ruimtethermostaat - 2

Volautomatisch verwarmingsbedrijf met ruimtethermostaat

Het apparaat werkt volautomatisch en afhankelijk van de ruimtetemperatuur.

  1. Trek de brugstekker eraf.
  2. Verbind de stekker 3 van de ruimte-thermostaat 4 met de thermostaat-contactdoos 1 van het apparaat.
  3. Zet de ruimtethermostaat op een geschikte plaats. De thermostaatvoeler mag zich niet in de warmeluchtstroom bevinden en niet direct op een koude ondergrond bevestigd worden.
  4. Stel aan de ruimtethermostaat de gewenste temperatuur in.
  5. Zet de bedrijfsschakelaar in stand „I”.
  6. Let op: de luchttoevoerventilator start, de branderautomaat regelt en bewaakt volautomatisch de programma-afloop.

Na ca. 15 seconden wordt de vlam gevormd.

REMKO PGT 60E - Volautomatisch verwarmingsbedrijf met ruimtethermostaat - 1

REMKO PGT 60E - Volautomatisch verwarmingsbedrijf met ruimtethermostaat - 2

Instelling en regeling van de verwarmingscapaciteit

  1. Stel de gewenste verwarmingscapaciteit traploos in aan de „Power-Regulation”.
  2. Houd er rekening mee dat de verwarmingscapaciteit ook tijdens het bedrijf traploos kan worden veranderd.

Naar links draaien:

grotere verwarmingscapaciteit

Naar rechts draaien:

kleinere verwarmingscapaciteit

REMKO PGT 60E - Instelling en regeling van de verwarmingscapaciteit - 1

Belangrijke instructies voor het bedrijf van het apparaat

Het moet gegarandeerd zijn dat de toevoerlucht vrij aangezogen en de verwarmde lucht ongehinderd uitgeblazen kan worden.

De aanzuig- en uitblaasopening van het apparaat mogen niet vernauwd resp. van slang- of buisleidingen voorzien worden.

Ventileren

In deze bedrijfsmodus loopt uitsluitend de luchttoevoerventilator. Het apparaat kan gebruikt worden voor de circulatie van de lucht.

  1. Zet de bedrijfsschakelaar in stand „II”.
  2. Houd er rekening mee dat bij deze schakelaarstand een verwarmingsbedrijf niet mogelijk is.

Buitenbedrijfstelling

  1. Sluit de kleppen van alle flessen.
  2. Laat de vlam uitbranden.
  3. Zet de bedrijfsschakelaar in stand „0”.
  4. Trek de netstekker uit de netcontactdoos.

REMKO PGT 60E - Buitenbedrijfstelling - 1

Belangrijke instructies voor de nakoelfase bij apparaten met automatische ventilatornaloop (PGT 100 / 100 E)

De automatische ventilatornaloop dient ter vermijding van een warmteophoping binnen het apparaat en verhindert daardoor een reactie van de VTB na het uitschakelen van de brander.

Om deze reden mag de elektrische aansluiting, behalve in noodgevallen, niet voor het aflopen van de nakoelfase van het stroomnet geïsoleerd worden.

Veiligheidsinrichtingen

Veiligheidstemperatuurbegrenzer

Het apparaat is uitgerust met een veiligheidstemperatuurbegrenzer (VTB), die bij oververhitting de gastoevoer onderbreekt en de elektronica van het apparaat vergrendelt. Elke functie van het apparaat is uitgeschakeld.

Het terugzetten via „RESET“ is pas mogelijk na afkoeling van de voeler onder ca. 90 °C.

De ontgrendeling gebeurt nadat de beschermkap eraf is geschroefd door de toets „VTB-RESET” in te drukken.

  1. Neem de beschermkap 1 eraf.
  2. Druk de toets 2 in.
  3. Zet de beschermkap weer erop.

REMKO PGT 60E - Veiligheidstemperatuurbegrenzer - 1

Branderautomaat

Bij onregelmatigheden of doven van de vlam wordt het apparaat door de branderautomaat uitgeschakeld. De stoorlamp van de automaat licht op.

REMKO PGT 60E - Branderautomaat - 1

  1. Ontgrendel de branderautomaat door de stoorknop in te drukken.
  2. Houd er rekening mee dat de branderautomaat pas na een wachttijd van 60 sec. ontgrendeld kan worden.

REMKO PGT 60E - Branderautomaat - 2

Voor de ontgrendeling van een veiligheidsinrichting moet de oorzaak van de storing gelokaliseerd en geëlimineerd worden.

Verzorging en onderhoud

De bedrijfsveilige toestand van de apparaten moet al naargelang de inzetvoorwaarden en indien nodig, maar minstens om de twee jaar door een deskundige gecontroleerd worden.

Het resultaat van de controle moet in een controleattest worden bijgehouden. Het controleattest moet tot aan de volgende controle bewaard en altijd ter inzage voorgelegd worden aan personen die daar recht toe hebben.

De met de bediening van het apparaat belaste personen moeten het apparaat bij het begin van het werk controleren op opvallende gebreken aan de bedienings- en veiligheidsinrichtingen en op de aanwezigheid en goede werking van de bescherminrichtingen. Als er gebreken worden vastgesteld, dan moet de toezicht-houder op de hoogte worden gesteld.

Bij gebreken die de bedrijfsveiligheid van het apparaat in gevaar brengen, moet het bedrijf ervan onmiddellijk gestaakt worden!

De regelmatige verzorging en onderhoud, ten laatste na elke verwarmingsperiode, garanderen een storingsvrij bedrijf en lange levensduur van het apparaat.

REMKO PGT 60E - Verzorging en onderhoud - 1

Voor onderhoudswerkzaamheden moet in principe de gastoevoer afgesloten en de netstekker uit de netcontactdoos getrokken worden.

Neem de volgende instructies in acht:

Houd het apparaat vrij van stof en andere afzettingen.

Gebruik voor het reinigen een schone of licht bevochtigde doek, waarmee u het vuil van het oppervlak afveegt.

Gebruik geen waterstraal.

Hogedrukreiniger enz.

Gebruik geen schurende of oplosmiddelhoudende reinigingsmiddelen noch reinigingsmiddelen die schadelijk zijn voor het milieu.

Gebruik ook bij extreme vervuiling alleen geschikte reinigingsmiddelen.

Controleer de aanzuigopening voor de verbrandingslucht, de daarachter gemonteerde injector en de gasbek regelmatig op vervuiling.

Reinig regelmatig de gasbrander, de gasbek en de stuwschijf.

Controleer regelmatig de aanzuig- en uitblaasroosters regelmatig en reinig deze indien nodig.

REMKO PGT 60E - Verzorging en onderhoud - 2

Een sterk geelachtig vlambeeld duidt op onvoldoende toevoer van frisse lucht of op een vervuiling binnenin het apparaat.

Demontage en reiniging van de gasbrander

  1. Sluit de gastoevoer naar het apparaat en trek de netstekker uit de netcontactdoos.
  2. Verwijder het uitblaasrooster, de buitenmantel en het inspectiedeksel.

  3. Draai de klemschroef aan de houder van de gasbek los.

  4. Draai de klemschroef aan de elektrodenhouder los.
  5. Trek de ontstekings- en ionisatie-elektrode uit de elektrodenhouder.
  6. Verwijder de bevestigingsschroeven van de brander en trek de brander uit het apparaat.
  7. Reinig de brander met een draadborstel en perslucht.
  8. Monteer de brander weer in het apparaat en monteer de ontstekings- en ionisatie-elektrode in de elektrodenhouder.
  9. Zet de ontstekingselektrode zoals hieronder getoond erin en draai de klemschroef aan de elektrodenhouder vast. De punt van de ionisatie-elektrode moet in de buurt van de vlam zitten.

ontstekings elektrode ionisatie-elektrode A B

Apparaat A B
PGT 30 / 30 E ca.3 mm ca. 15 mm
PGT 60 / 60 E ca.3 mm ca. 15 mm
PGT 100 / 100 E ca.4 mm ca. 30 mm

Instelinstructies:

Maat A = afstand van de punt van de ontstekings- elektrode tot de onderkant van de brander.

Maat B = afstand van de punt van de ontstekings- elektrode tot de achterkant van de brander.

  1. Monteer alle overige delen van het apparaat weer zorgvuldig in omgekeerde volgorde.
  2. Voer een functiecontrole van het hele apparaat uit inclusief een dichtheidscontrole van alle gasgeleidende verbindingen met zeepoplossing resp. lekopsporingspray.
  3. Voer na het onderhoud een elektrische veiligheidscontrole uit.

REMKO PGT 60E - Instelinstructies: - 1

Instel- en onderhoudswerkzaamheden mogen alleen worden uitgevoerd door geautoriseerd vakpersoneell

Klantendienst en garantie

Voorwaarde voor eventuele garantieclaims is dat de besteller of diens afnemer binnen een redelijke tijd ten aanzien van verkoop en ingebruikname het bij het apparaat gevoegde „Garantiecertificaat” volledig ingevuld heeft teruggezonden aan REMKO GmbH & Co. KG.

De foutloze werking van de apparaten werd in de fabriek meermaals gecontroleerd. Zouden er toch storingen optreden, die door de exploitant niet met behulp van de storingseliminering kunnen worden opgeheven, gelieve dan contact op te nemen met uw handelaar of contractant.

REMKO PGT 60E - Klantendienst en garantie - 1

Een ander bedrijf / bediening dan beschreven in deze gebruiksaanwijzing is niet toegelaten.

Gebeurt dit toch, dan vervalt elke aansprakelijkheid en het recht op garantie.

Doelmatig gebruik

De apparaten zijn omwille van hun ontwerp en uitrusting uitsluitend geconcipieerd voor verwarmings- en ventilatiedoeleinden in de industrie.

Als de opgaven van de fabrikant of de wettelijke vereisten niet in acht worden genomen of na eigenmachtige veranderingen aan de apparaten, is de fabrikant niet aansprakelijk voor de daaruit resulterende schade.

Schakelschema

PGT 30 / 30 E en 60 / 60 E
230 / 1~ 50Hz PE N L1 KL N L13 4 356 STB MV A3 B6 A2 B5 A1 B4 S RT 2 3 RS 1 2 3 4 5 6 8 9 A B ± ± ± ± 8 8 8 M 1~ PGL30_50 pt M10 I Z ZT

I = ionisatie-elektrode

KL = contactstrip

M = ventilatormotor

MV = magneetklep

RS = relaisvoetje

RT = ruimtethermostaatcontactdoos

S = bedrijfsschakelaar

STB = veiligheidstemperatuurbegrenzer (VTB)

Z = ontstekingselektrode

ZT = ontstekingstransformator

PGT 100 / 100 E
230 / 1~ 50Hz PE L1 N ± L1 N 3 2 1 6 5 4 3 2 1 KL M 1~ NK STB A3 B6 A2 B5 A1 B4 RT S MV 1 2 3 I 1 2 3 4 5 6 7 8 9 RS A B ± ± ± ± 8 8 8 A1 11 14 A2 31 34 HS Z ZT pJL 100 μ: M10

HS = hulprelais

I = ionisatie-elektrode

KL = contactstrip

M = ventilatormotor

MV = magneetklep

NK = nakoelthermostaat

RS = relaisvoetje

RT = ruimtethermostaatcontactdoos

STB = veiligheidstemperatuurbegrenzer (VTB)

S = bedrijfsschakelaar

Z = ontstekingselektrode

ZT = ontstekingstransformator

Maat- en constructieveranderingen die de technische vooruitgang dienen, voorbehouden.

Technische gegevens

BouwseriePGT 30 / 30 EPGT 60 / 60 EPGT 100 / 100 E
Nominale warmtebelasting kW 26 55 100
VerwarmingscapaciteitkW10 tot 2625 tot 5550 tot 100
Luchtcapaciteit m^3/h 800 1.450 3.600
Brandstofvloeibaar gas
Gassoortcat. I_3 B/P, I_3+
Aansluitdrukbar1,51,51,5
Aansluitwaardekg/h0,78 tot 2,01,95 tot 4,273,9 tot 7,8
Elektrische aansluiting 1~V230230230
FrequentieHz505050
Opgenomen vermogenkW0,070,110,125
Beveiliging (ter plaatse)A101010
IsolatieklasseIP 44IP 44IP 44
Geluidsdrukniveau L_pA 1m^1) dB(A)56 tot 6962 tot 7274 tot 82
Gewicht (zonder toebehoren)kg122047
Afmetingenlengtemm4506501060
breedtemm260320435
hoogtemm410510620

1) Geluidsmeting DIN 45635 - 01- KL 3

Technische gegevens van de branderautomaat

Bedrijfsspanning230 V (-15 % + 10 %)
Frequentie50 Hz (40 - 60 Hz)
Veiligheidstijd5 seconden
Wachttijd na stooruitschakelingca. 60 seconden
Toegelaten omgevingstemperatuur- 20°C ... + 60 °C
Min. vereiste ionisatiestroom5 μA
Gevoeligheid (ionisatiestroom)1 μA
IsolatieklasseIP 44

Montagetekening PGT 30 / 30 E

REMKO PGT 60E - Montagetekening PGT 30 / 30 E - 1

Maat- en constructieveranderingen die de technische vooruitgang dienen, voorbehouden.

Onderdelenlijst PGT 30 / 30 E

Nr. Benaming EDV-nr.

1 transportgreep 1101142

2 buitenmantel PGT 30 1101440

2a buitenmantel PGT 30 E (roestvrij staal) 1101463

3 brandkamer 1101384

4 afsluitscherm, voor 1101479

5 uitblaasbeschermrooster 1101383

6 veiligheidsthermostaat met voeler 1101197

7 apparaatsokkel 1101385

8 ontstekingskabel 1101521

9 klokontsteker 1101520

10 sokkel branderautomaat 1102534

11 branderautomaat 1101526

12 ionisatiekabel 1101187

14 contactstrip, 4 contacten 1101442

15 ionisatie-elektrode 1101186

16 ontstekingselektrode 1101180

17 aansluitklip 1101181

18 hoekschroefverbinding 1/8" x 6mm 1101316

19 gasbek 1101159

20 gastoevoerbuis M/R 1101444

21 gasregeling 1101411

22 gastoevoerbuis R/D 1101453

23 schroefverbinding M10x1 1101409

24 GE-schroefverbinding 1/4"x 6mm 1101396

25 magneetklep 1101376

26 gasaansluitnippel 3/8" Iks 1101134

27 instelknop, cpl. 1101192

28 brugstekker 1101019

29 thermostaatcontactdoos 1101018

30 bedrijfsschakelaar 1101188

31 trekontlasting 1101267

32 aansluitkabel met stekker 1101320

33 afsluitscherm, achter 1101480

34 ventilatormotor 1108049

35 meenemerkoppeling B 6 ∅ 1108455

36 ventilatorwaaier 1101392

37 koppelingsschijf 1101375

38 gasbrander 1101417

niet afgeb. nalooprelais (toebehoren) 1105075

drukregelaar met slangbreukbeveiliging 1101470

2 str. m. gasslang 1101419

2 str. m. gasslang (bouwwerfbedrijf) 1101174

5 str. m. gasslang (bouwwerfbedrijf) 1108410

10 str. m. gasslang (bouwwerfbedrijf) 1108411

meerflessenset (2-3 flessen) 1014050

T-aansluiting voor meerflessenset 1101177

nylondichting voor T-aansluiting 1101178

HD-slang 0,4m voor meerflessenset 1101179

thermostaatstekker 1101020

Gelieve bij een bestelling van onderdelen naast het EDV-nr. ook altijd het apparaat-nr.) te vermelden! Zie typeplaatje.

Montagetekening PGT 60 / 60 E

REMKO PGT 60E - Montagetekening PGT 60 / 60 E - 1

Maat- en constructieveranderingen die de technische vooruitgang dienen, voorbehouden.

Onderdelenlijst PGT 60 / 60 E

Nr. Benaming EDV-nr.

1 transportgreep 1101142

2 buitenmantel PGT 60 1101420

2a buitenmantel PGT 60 E (roestvrij staal) 1101461

3 isolatie 1101421

4 brandkamer 1101422

5 gasbrander 1101423

6 uitblaasbeschermrooster 1101424

7 gasbek 1101426

8 gastoevoerbuis R/D 1101457

9 hoekschroefverbinding 1/8" x 6mm 1101316

10 ontstekingselektrode 1101280

11 ionisatie-elektrode 1101186

12 ionisatiekabel 1101187

13 aansluitklip 1101181

14 ontstekingskabel 1101521

15 steun, voor 1101427

16 apparaatsokkel 1101428

17 inspectiedeksel 1101469

19 gastoevoerbuis M/R 1101441

20 schroefverbinding M10x1 1101409

21 contactstrip, 4 contacten 1101442

22 gasregeling 1101412

23 steun, achter 1101249

24 GE-schroefverbinding 1/4" x 6mm 1101396

25 sokkel branderautomaat 1102534

26 branderautomaat 1101526

27 drukknopverlenging 1101524

28 afdekking 1101525

29 tule 1101528

30 veiligheidsthermostaat met voeler 1101197

31 magneetklep 1101376

32 thermostaatcontactdoos 1101018

33brugstekker 1101019

34 gasaansluitnippel 3/8" Iks. 1101134

35 instelknop, cpl. 1101192

36 trekontlasting 1101267

37 bedrijfsschakelaar 1101188

38 klokontsteker 1101520

40 aansluitkabel met stekker 1101320

41 aanzuigbeschermrooster 1101432

42 ventilatormotor 1101254

43 meenemerkoppeling B 8 ∅ 1101255

44 ventilatorwaaier 1101150

45 borgklem 1101395

46 koppelingsschijf 1101375

niet afgeb. nalooprelais (toebehoren) 1105075

drukregelaar met slangbreukbeveiliging 1101470

2 str. m. gasslang 1101419

2 str. m. gasslang (bouwwerfbedrijf) 1101174

5 str. m. gasslang (bouwwerfbedrijf) 1108410

10 str. m. gasslang (bouwwerfbedrijf) 1108411

meerflessenset (2-3 flessen) 1014050

T-aansluiting voor meerflessenset 1101177

nylondichting voor T-aansluiting 1101178

HD-slang 0,4m voor meerflessenset 1101179

thermostaatstekker 1101020

Gelieve bij een bestelling van onderdelen naast het EDV-nr. ook altijd het apparaat-nr.) te vermelden! Zie typeplaatje.

Montagetekening PGT 100 / 100 E
REMKO PGT 60E - Nr. Benaming EDV-nr. - 1

Maat- en constructieveranderingen die de technische vooruitgang dienen, voorbehouden.

Onderdelenlijst PGT 100 / 100 E

Nr.BenamingEDV-nr.Nr.BenamingEDV-nr.
1transportgreep 1101680 29 gastoevoerbuis R/D 1101690
2buitenmantel PGT 100 110168130steun, achter 1101691
2buitenmantel PGT 100 E (roestvrij staal) 110146231bedrijfsschakelaar1101188
3isolatie 110168232trekontlasting1101267
4beschermtule 110130433aansluitkabel met stekker1101320
5borgklem 110139534brugstekker1101019
6nakoelthermostaat110168335thermostaatcontactdoos1101018
7uitblaasbeschermrooster110168436instelknop, cpl.1101192
8veiligheidsthermostaat met voeler110119737gasaansluitnippel 3/8" lks.1101134
9brandkamer110168538bevestigingsklem1102906
10binnenmantel, voor110168639gasregeling1101692
11amantelsteun, rechts110163140contactstrip, 6 contacten1101366
11bmantelsteun, links110163241hulprelais1108038
12montageplaat110168742ontstekingstransformator1101666
13apparaatsokkel110168843beschermtule, groot1101677
14bodemplaat110165244aanzuigbeschermrooster1101648
15as110165345ventilatorwaaier1101693
16wiel110215546ventilatorhuis met motorhouder1101694
17borgring110162247ventilatormotor1101634
18wielkap110162349gasbrander1101695
19drukknopverlenging110152450gasbek1101659
20afdekking110152551hoekschroefverbinding 1/8" x 6mm1101316
21tule110152852ontstekingskabel1101696
22gastoevoerbuis M/R110144153aansluitklip1101181
23GE-schroefverbinding 1/4" x 6mm110139654ionisatiekabel1101187
24magneetklep110116555ontstekingselektrode 1101698
25sokkel branderautomaat110253456ionisatie-elektrode1101697
26branderautomaat110152657elektrodenhouder1101633
27inspectiedeksel110165158binnenmantel, achter1101450
28schroefverbinding M10x1110140959afstandshuls1101699

niet afgebeeld:

drukregelaar1101418
slangbreukbeveiliging1101664
2 str. m. gasslang1101419
2 str. m. gasslang (bouwwerfbedrijf)1101174
5 str. m. gasslang (bouwwerfbedrijf)1108410
10 str. m. gasslang (bouwwerfbedrijf)1108411
meerflessenset (2-3 flessen)1014050
T-aansluiting voor meerflessenset1101177
nylondichting voor T-aansluiting1101178
HD-slang 0,4 m voor meerflessenset1101179
thermostaatstekker1101020

Gelieve bij een bestelling van onderdelen naast het EDV-nr. ook altijd het apparaat-nr.) te vermelden! Zie typeplaatje.

Opheffen van Storingen

Storingen: Oorzaak:
- Het apparaat start niet. 1 – 2 – 3 – 4 – 5 – 7 – 10 – 13 – 17 – 18
- Het apparaat schakelt tijdens het bedrijf uit.(Stoorlamp in de branderautomaat brandt.)2 – 6 – 7 – 8 – 9 – 10 – 13 – 14 – 17
- De ventilator loopt, maar de gastoevoer is geblokkeerd resp. er volgt geen ontsteking.7 – 12 – 13 – 14
- De gastoevoer wordt onderbroken resp. de vlam dooft.6 – 7 – 8 – 9 – 10 – 13 – 14 – 17 – 18
- Het apparaat verbruikt te veel brandstof. 13
- Het apparaat kan niet worden uitgeschakeld. 5 – 15
- De verwarmingscapaciteit neemt af bij continu bedrijf. 14
- De verwarmingscapaciteit kan niet geregeld worden. 11

REMKO PGT 60E - Opheffen van Storingen - 1

Voor alle werkzaamheden moet de gastoevoer gesloten en de netstekker uit de netcontactdoos betrokken worden. Instel- en onderhoudswerkzaamheden mogen alleen worden uitgevoerd door geautoriseerd vakpersoneel!

Oorzaak: Uitkomst:
1. Het apparaat heeft geen elektrische aansluiting. – De stekker verbinden met de betreffende contactdoos.
2. De ventilatormotor is overbelast, de luchttoevoerventilator loopt onregelmatig of is geblokkeerd).– Motor, ventilatorwaaier en meenemerkoppeling controleren en evt. vervangen.
3. De ruimtethermostaat is te laag ingesteld.– De instelling moet hoger zijn dan de ruimtetemperatuur.
4. Geen brugstekker in de ruimtethermostaatcontactdoos.– De brugstekker verbinden met de thermostaatcontactdoos.
5. De bedrijfsschakelaar is defect.– De gastoevoer sluiten, de netstekker uit de netcontactdoos trekken en de bedrijfsschakelaar vervangen.
6. De polariteit van de netstekker is niet correct.– Netstekker 180° draaien (polariteit controleren).
7. Geen gasdruk aan de magneetklep.– Controleren of er gas wordt toegevoerd naar het apparaat.– De inhoud van de gasflessen controleren.– De gasslang controleren op beschadigingen.– De slangbreukbeveiliging ontgrendelen resp. vervangen.
8. De ionisatie- resp. ontstekingselektrode is niet juist ingesteld.– De instelling volgens opgaven; porseleinisolatie van de elektroden controleren.
9. Het aanzuigbeschermrooster van de luchttoevoerventilator is vervuild.– Het aanzuigbeschermrooster reinigen.
10. Uitschakeling door veiligheidstemperatuurbegrenzer (VTB).De netstekker (alleen PGT 100) werd voor het aflopen van de nakoeltijd van het stroomnet geïsoleerd.– Het aanzuig- en uitblaasbeschermrooster controleren (evt. reinigen).– Controleren of de toevoer van frisse lucht voldoende is.– VTB ontgrendelen (STB - Reset).
11. De gasregeling is defect resp. vervuild.– De gasregeling vervangen resp. reinigen.
12. De ontsteking werkt niet.– De bedrijfsschakelaar in stand „l” (verwarmingsbedrijf).– De ontstekingskabel controleren op beschadigingen.– De instelling van de elektrode controleren, klokontsteker controleren.
13. De drukregelaar is defect, er werd een verkeerde drukregelaar gemonteerd of de slangbreukbeveiliging heeft vergrendeld.– Een originele drukregelaar monteren.– De slangbreukbeveiliging ontgrendelen resp. vervangen.
14. De gasfles is bevoren door te lage temperaturen en te hoge gasontname.– De gasfles vervangen en 2-3 flessen aansluiten met de meerflessenset, EDV-nr. 1014050.
15. De magneetklep sluit niet.– De gastoevoer sluiten.– De vlam laten uitbranden.– De bedrijfsschakelaar in stand „0” en de netstekker uit de netcontactdoos trekken.– De magneetklep vervangen.
16. Ondichte gasverbinding.– De lekkage opsporen met een schuimvormend middel en elimineren.
17. De stoorlamp in de branderautomaat brandt.– De branderautomaat ontgrendelen door de stoorknop in te drukken.
18. De branderautomaat is defect.– De defecte branderautomaat vervangen.

Onderhoudsrapport

Apparaattype

:

Apparaatnummer

: ....

123456789101112131415161718
Apparaat gereinigd – buiten
Apparaat gereinigd – binnen
Ventilatorwaaier gereinigd
Brandkamer gereinigd
Gasbrander gereinigd
Ontstekingselektrode gejusteerd
Gasslang gecontroleerd op beschadiging
Gasgeleidende delen gecontroleerd op dichtheid
Veiligheidsinrichtingen gecontroleerd
Bescherminrichtingen gecontroleerd
Apparaat gecontroleerd op beschadigingen
Alle bevestigingsschroeven gecontroleerd
Elektrische veiligheidscontrole
Proefdraaien

Opmerkingen:

1. Datum: ....Handtekening2. Datum: ....Handtekening3. Datum: ....Handtekening4. Datum: ....Handtekening5. Datum: ....Handtekening
6. Datum: ....Handtekening7. Datum: ....Handtekening8. Datum: ....Handtekening9. Datum: ....Handtekening10. Datum: ....Handtekening
11. Datum: ....Handtekening12. Datum: ....Handtekening13. Datum: ....Handtekening14. Datum: ....Handtekening15. Datum: ....Handtekening
16. Datum: ....Handtekening17. Datum: ....Handtekening18. Datum: ....Handtekening19. Datum: ....Handtekening20. Datum: ....Handtekening

Laat het apparaat conform de wettelijke voorschriften alleen onderhouden door geautoriseerd vakpersoneel.

REMKO GmbH & Co. KG

Klimaat- en Warmtetechniek

Telefoon (0 52 32) 606 - 0

Telefax (0 52 32) 606260

Inhoudsopgave Klik op een titel om deze te openen
Handleidingassistent
Aangedreven door Anthropic
Wachten op uw bericht
Productinformatie

Merk : REMKO

Model : PGT 60E

Categorie : Verwarming