Roadster - Automobiel SMART - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis Roadster SMART in PDF-formaat.
| Type product | Auto |
| Merk | Smart |
| Model | Roadster |
| Aantal zitplaatsen | 2 |
| Motortype | Benzine, achterin |
| Motorinhoud | 698 cc |
| Vermogen | 61 pk (45 kW) |
| Brandstoftype | Benzine (Euro 95) |
| Transmissie | 6-versnellingsbak, handgeschakeld |
| Gewicht (leeg) | 790 kg |
| Lengte | 3427 mm |
| Breedte | 1615 mm |
| Hoogte | 1192 mm |
| Wielbasis | 2360 mm |
| Bandenmaat voor | 175/55 R15 |
| Bandenmaat achter | 205/50 R15 |
| Brandstoftankinhoud | 35 liter |
| Topsnelheid | 175 km/u |
| Acceleratie 0-100 km/u | 10,9 seconden |
| Veiligheidssystemen | ABS, airbags (bestuurder/passagier), gordelspanners |
| Onderhoudsinterval | Elke 15.000 km of 1 jaar |
| Garantie | 2 jaar (fabrieksgarantie) |
| Milieuklasse | Euro 4 |
Veelgestelde vragen - Roadster SMART
Gebruikersvragen over Roadster SMART
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Automobiel in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding Roadster - SMART en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. Roadster van het merk SMART.
GEBRUIKSAANWIJZING Roadster SMART
Gebruikshandleiding smart roadster en smart roadster-coupé

U hebt gekozen voor de smart roadster of de smart roadster-coupé. Waarschijnlijk wilt u nu eindelijk met uw auto gaan rijden. Wij laten u zien hoe het gaat en geven u hierover nog enkele belangrijke aanwijzingen en tips.
Om uw rijplezier te verhogen en gevaren voor anderen en uzelf te signaleren en te vermijden, vragen wij u om het instructieboekje aandachtig door te lezen.
Instructieboekje, Quick Guide, serviceboekje en de verwijzing naar de Centers behoren bij de auto. Deze moeten altijd in de auto aanwezig zijn en bij doorverkoop aan de nieuwe eigenaar worden doorgegeven.

Openen en sluiten. 1-2
De stoelen instellen 1-8
De spiegel instellen 1-13
Elektrische ruitbediening ..... 1-15
Veiligheidsgordel.... 1-16
Gordelspanners en gordelkrachtbegrenzers ..... 1-20
Cockpit linkse besturing ..... 1-22
Cockpit rechtse besturing ..... 1-23
Bedieningshendel links. 1-24
Bedieningshendel rechts ..... 1-24
Boordinstrumenten.... 1-25
Bovenste centrale console ..... 1-42
Onderste centrale console.... 1-43
>>Overtuigend.
Licht 2-2
Binnenverlichting 2-4
Mistlichten 2-5
Knipperlichten 2-7
Waarschuwingstonen en lichttekens . 2-8
>>Wisselende omstandigheden.
Zonneschermen ....3-2
Verwarming/ventilatie ....3-3
Airconditioning Plus * .....3-8
Ruitenwissers....3-11
Achterruitverwarming ....3-13
Buitenspiegelverwarming* ..... 3-14
Stoelverwarming * .....3-15
Pelerine * ....3-16
Akoestisch.
Algemene informatie ....4-2
smart radio one * .....4-3
Van softtop naar open roadster ..... 5-2
Van open roadster naar softtop ..... 5-6
Van hardtop* naar open roadster ... 5-9
Van open roadster naar hardtop*...5-14
Aanwijzingen voor het afdeksysteem 5-15
Aangepast voor kinderen.
Bevestigingssystemen
voor kinderen* 6-2
Gebruik van de bevestigingssystemen
voor kinderen* 6-5
Geadviseerde bevestigingssystemen
voor kinderen 6-6
Alle met een * gemarkeerde tekstpassages beschrijven hetzij speciale uitvoeringen af fabriek of originele smart accessoires.
Inhoud
>>Dynamisch.
Voordat u gaat rijden 7-2
Rijden 7-4
Rijden in de winter 7-13
Rijden met katalysator 7-14
Rij-instructies 7-15
Tempomat* 7-17
Limiter* 7-20
Remmen 7-23
Elektronisch
stabiliteitsprogramma (esp)..... 7-27
Airbags 7-29
Parkeerhulp* 7-36
Uitnodigend.
Bergruimte en bergvakken.... 8-2
Bagageruimte voor en achter ..... 8-8
(alleen bij roadster-coupé) ..... 8-13
Bagageruimteafdekking voor
Beladingsrichtlijnen 8-17
Terugkerend.
Tanken....9-2
Motoroliepeil....9-4
Vloeistoffen controleren .....9-8
bandenspanning .....9-12
Ruitenwissers 9-15
Ruitensproeiers instellen .....9-16
Onderhoudsinstructies .....9-17
Beveiliging tegen diefstal
van de wielen* ....10-17
Banden en velgen....10-18
Accu....10-26
In beweging zetten....10-33
Wegslepen .....10-34
Brandblusser*....10-37
Infostickers
(voorbeeld linkse besturing)....11-2
Typeplaatje 11-3
Ministeriële homologatie....11-15
Inleiding
Inleiding
Het concept van deze bedrijfshandleiding
Een auto rijden is één, een auto in detail beleven opent een geheel andere kant met nieuwe mogelijkheden. Voor ieder hoofdstuk vertellen wij u gedetailleerd wat u te wachten staat en misschien zelfs nog een beetje meer. Om alles nog gemakkelijker terug te kunnen vinden, heeft ieder hoofdstuk een eigen kleur. Hier een klein overzicht:
Leerzaam. Hier krijgt u een eerste indruk. Overtuigend. Hier draait alles om licht. Akoestisch. Radio's, telefoons en andere zaken die voor uw ontspanning zorgen. Wisselende omstandigheden. Hier draait alles om het weer. Veranderende omstandigheden. Dakfuncties en nog veel meer. Aangepast voor kinderen. Kinderen veilig en correct vervoeren.
Dynamisch. Rijden en alles wat daarmee samenhangt. Uitnodigend. Hoe u uw auto het beste kunt beladen en inladen. Terugkerend. Tanken, controleren en bijvullen. Nuttig. Snel en effectief kleinere reparaties zelf uitvoeren. Gegevensoverdracht. De technische gegevens.
Inleiding
Een korte leidraad
Kort maar krachtig. Om het lezen van de tekst plezieriger te maken en u zich alleen maar op het belangrijkste te laten concentreren, hebben wij enkele vormgevingselementen ingebouwd, die u zou moeten kennen:
Opsommingen
Opsommingen zijn altijd aangegeven met een streepje:
- zodat het overzichtelijker overkomt,
- zodat u het sneller herkent en begrijpt.
Wanneer u iets moet doen
In dit geval krijgt u eerst de informatie over wat u moet doen en eventueel aanvullende informatie. Dus bijvoorbeeld
Lees absoluut deze handleiding.
Alleen dan kunt u het beste met uw auto omgaan alsmede gevaren voor uzelf en anderen herkennen en voorkomen.
Opmerkingen
>Opmerking!
Opmerkingen geven aanvullende informatie over de onderwerpen.
>Belangrijk!
Het is belangrijk om te weten wat schade aan materiële goederen kan veroorzaken.
Veiligheidsinstructies
Veiligheidsinstructies wijzen u op mogelijke gevaren voor uw gezondheid of uw leven.

Gevaar voor letsel!
Wij willen u en de andere inzittenden en verkeersdeelnemers op de best mogelijke manier beschermen. Daarom willen wij u vragen om vooral de met dit symbool aangegeven tekstpassages aandachtig door te lezen en in acht te nemen.
Inleiding
Milieubescherming
De milieupolitiek van smart gmbh is afgestemd op de milieurichtlijnen van DaimlerChrysler en wordt consequent toegepast in alle levensduurfases van het product. De bescherming van het milieu, de energiebesparing alsmede het ontzien van natuurlijke bronnen zijn essentiële bestanddelen van alle overwegingen. Dat begint bij de ontwikkeling van de auto, loopt via de productie en eindigt bij de recycling van vele onderdelen.

Milieu!
We willen het milieu beschermen. Daarom vragen wij u om vooral de met dit symbool aangegeven tekstpassages aandachtig door te lezen.
Met betrekking tot deze handleiding
Omdat de leveringsomvang afhankelijk is van de opdracht, kan de uitvoering van uw auto soms afwijken van de omschrijvingen of afbeeldingen. Om onze voertuigen continu aan de technische ontwikkelingen aan te kunnen passen, zijn wijzigingen qua model, uitvoering en techniek voorbehouden. Op alle opgaven, afbeeldingen en omschrijvingen in deze gebruikshandleiding kunt u derhalve geen aanspraken doen gelden.
Accessoires en speciale uitvoeringen
Alle met een * gemarkeerde tekstpassages hebben betrekking op speciale uitvoeringen af fabriek of op originele smart accessoires, die in een gekwalificeerde werkplaats, bijv. een smart center, kunnen worden ingebouwd. Let ook op de voor de auto en de in het desbetreffende land geldende voorschriften voor originele smart onderdelen.
Veiligheid
Lees met name de volgende hoofdstukken:
- "Airbags" in hoofdstuk >>Dynamisch.
- "Gordelspanners" en "veiligheidsgordels" in het hoofdstuk >>Leerzaam.
Juist gebruik
Houdt u rekening met de volgende aanwijzingen wanneer u het voertuig gebruikt:
- de waarschuwingen in deze handleiding,
- het hoofdstuk >>Gegevensoverdracht. (Technische gegevens) in deze handleiding,
- het verkeersreglement,
- het wegenverkeersreglement m.b.t. technische eisen en rijvaardigheidseisen.
Kinderen
Lees ook absoluut het hoofdstuk
Aangepast voor kinderen.
Doorverkopen
Geef dit instructieboekje door aan de koper wanneer u uw smart weer verkoopt.
smart - een merk van DaimlerChrysler

Maak kennis met uw auto: zo krijgt u een eerste indruk en kunt u daarna zelf voor het eerst actief worden. Open uw auto, ga erin zitten, stel de stoelen en de spiegels op uw eigen behoeften in en zorg dat u zich op uw gemak voelt. U zult verbaasd zijn over de ruimte, die u veel comfort biedt.
Openen en sluiten

De sleutels van de smart roadster
Voor uw auto zijn er, afhankelijk van de doelgroep, sleutels met afstands- of infraroodbediening.
■Autosleutel (A) met toets voor afstandsbediening.
>Opmerking!
Mochten er gebieden zijn waar uw afstandsbediening niet werkt, verzoeken wij u contact op te nemen met een gekwalificeerde werkplaats, bijv. een smart center.

■Autosleutel (B) met toets voor infraroodbediening.
>Opmerking!
U ontvangt tevens een reservebatterij voor de zender en een reservesleutel.
Heeft u de autosleutel verloren?
In een gekwalificeerde werkplaats, bijv. een smart center, kunt u na een identiteitscontrole een nieuwe sleutel verkrijgen.
Openen en sluiten
De auto van buitenaf openen en sluiten

Gevaar voor ongevallen!
Door het openen van de portieren kunnen andere verkeersdeelnemers in gevaar worden gebracht, auto's tot uitwijkmanoeuvres worden gedwongen en daardoor een ongeval veroorzaken. Kijk eerst of u bij het openen van de portieren niemand in gevaar brengt.
Open en sluit de auto als volgt:

De auto met de afstandsbediening ontgrendelen
■ Druk één keer op de zendknop (A).
De knipperlichten gaan één keer aan en uit. De portieren kunnen worden geopend.
> Opmerking!
De afstandsbediening heeft een reikwijdte van maximaal 15 meter. Al naargelang de omgeving (reflecterende of absorberende objecten) en storingen door andere radiosystemen, kan de reikwijdte van de afstandsbediening sterk schommelen. De reikwijdte hangt ook af van de plek waar u zich bevindt.
De auto met de afstandsbediening vergrendelen

Gevaar voor letsel!
Laat kinderen dan ook niet zonder toezicht in de auto achter wanneer zij in een bevestigingsvoorziening voor kinderen zijn vastgezet. Zij kunnen bijv. een afgesloten portier van binnenuit openen en daardoor andere mensen in gevaar brengen. Bij langdurige inwerking van grote hitte kunnen de kinderen ernstig en zelfs dodelijk letsel oplopen.
Openen en sluiten

■Druk één keer op de zendknop (A).
De richtingaanwijzers knipperen driemaal. Het controlelampje van de portiervergrendeling (B) knippert rood.
>Belangrijk!
Let erop dat u niet per ongeluk op de zendknop van de afstandsbediening drukt.

Wanneer de auto niet kan worden gesloten met de afstandsbediening
■Open het bestuurdersportier. ■Schakel de ontsteking in. ■Druk eenmaal op de schakelaar van de centrale portiervergrendeling (A).
De aanduiding van de portiervergrendeling (B) knippert 5 seconden rood op dubbele snelheid. De auto is afgesloten wanneer u de ontsteking binnen 5 seconden uitschakelt.
■Verwijder de sleutel en neem hem mee naar buiten de auto. ■Sluit het bestuurdersportier.
De auto is gesloten.
Openen en sluiten
Automatische sluitfuncties
auto-relock-functie
Wanneer u de portieren van de auto met de afstandsbediening heeft ontgrendeld, worden deze automatisch weer vergrendeld, wanneer u het portier aan de bestuurders- of passagierszijde niet binnen 1 minuut opent.
>Opmerking!
Laat de sleutel nooit in de auto liggen. U kunt buitengesloten worden!
drive lock-functie
Vanaf een snelheid van 14 km/h worden de portieren van de auto centraal vergrendeld. De drive lock functie is bij aflevering uitgeschakeld.
drive lock functie inschakelen
■Schakel het contact uit.
■Druk gelijktijdig de schakelaar van de centrale portiervergrendeling en de sluittoets op de afstandsbediening in.
U hoort een signaal. De drive lock functie is ingeschakeld.
drive lock functie uitschakelen
■Schakel het contact uit.
■Druk gelijktijdig de schakelaar van de centrale portiervergrendeling en de opentoets op de afstandsbediening in.
U hoort een signaal. De drive lock functie is uitgeschakeld.

De auto van binnenuit sluiten en openen
De auto van binnenuit sluiten
■Druk 2 seconden op de schakelaar van de centrale portiervergrendeling (A).
Het activeren van de centrale portiervergrendeling is duidelijk hoorbaar. De auto is van buiten afgesloten en beschermt u tegen ongewenste personen wanneer u moet wachten, bijv. bij een stoplicht. De aanduiding van de portiervergrendeling (B) knippert rood (bij ontsteking UIT). De aanduiding van de portiervergrendeling (B) brandt rood (bij ontsteking AAN).
Openen en sluiten

De auto van binnenuit openen
■U ontgrendelt de portieren door aan de portiergreep (C) te trekken.
Als het bestuurdersportier open staat, klinkt er een waarschuwingstoon:
- als de motor draait, de smart in een versnelling staat en het rempedaal en het gaspedaal niet ingetrapt zijn.
- wanneer het licht is ingeschakeld en de motor is uitgeschakeld.

Gevaar voor ongevallen!
Laat kinderen nooit zonder
toezicht in de auto achter. Ze kunnen één van de voorportieren openen, zelfs als deze vergrendeld is, en daardoor zichzelf en andere personen in gevaar brengen.

Noodontgrendelijng van het bestuurdersportier
Wanneer de auto niet meer met de afstandsbediening kan worden geopend, kan het portier met de sleutel worden geopend.
Verwijder van tevoren het afdekkapje.
Zo kunt u zien dat de zenderbatterij in de sleutel bijna leeg is:
Bij het afsluiten van de auto knipperen de knipperlichten 9 maal snel achter elkaar
Oorzaak:
De zenderbatterij van de afstandsbediening is bijna leeg. U kunt de afstandsbediening nog ca. 100 keer gebruiken.
Remedie:
Zenderbatterij vervangen of laat de zenderbatterij in een gekwalificeerde werkplaats, bijv. een smart center, vervangen.
Openen en sluiten
>Opmerking!
Wanneer u de batterij van de zender niet vervangt, kunt u nadat u de afstandsbediening ca. 100 keer heeft gebruikt
- de auto niet meer met de afstandsbediening ver- en ontgrendelen.
- de wegrijblokkering niet meer vrijgeven.
- de auto niet meer starten.
>Opmerking!
U kunt de auto echter met de noodontgrendeling openen.

De batterij van de zender vervangen

Gevaar voor vergiftiging!
Zenderbatterijen bevatten giftige en bijtende substanties. Bewaar zenderbatterijen buiten bereik van kinderen. Meteen een arts raadplegen, wanneer een zenderbatterij wordt doorgeslikt. Het doorslikken van zenderbatterijen kan tot ernstige gezondheidsklachten leiden.
■Verwijder het afdekkapje (A) van het batterijvak met een muntstuk.
>Opmerking!
Vervang de zenderbatterij van de afstandsbediening uiterlijk na twee jaar.
Anders kan de batterij gaan lekken! De afstandsbediening kan onherstelbaar worden beschadigd.

Milieu!
Geef lege zenderbatterijen af bij speciaal verzamelpunt.
>Opmerking!
Wanneer u een nieuwe batterij plaatst, moet u rekening houden met de juiste polariteit.
Anders kunnen onderdelen van de elektrische installatie onherstelbaar worden beschadigd.
Openen en sluiten

■Verwijder de zenderbatterij (B) van de printplaat. ■Plaats een nieuwe zenderbatterij en let daarbij op de juiste polariteit. > Type batterij: Lithiumcel CR 1225 ■Druk de beide helften van de sleutelbehuizing weer tegen elkaar.
Stoelen instellen
Stoelen instellen
Stel de bestuurdersstoel voor het rijden in, zodat u goed zit ten opzichte van de pedalen en het stuurwiel.

Gevaar voor ongevallen!
Stel de bestuurdersstoel alleen in wanneer de auto stilstaat. Anders wordt uw aandacht van het verkeer afgeleid en kunt u door de beweging van de stoel de controle over de auto verliezen en daardoor een ongeval veroorzaken.

Gevaar voor letsel!
Bij beschadigingen aan de zittingen dient u een gekwalificeerde werkplaats te bezoeken, bijv. een smart center.
De stoelen behoren tot het veiligheidssysteem van de auto, evenals bijv. de veiligheidsgordels en airbags. De veiligheidsfunctie is alleen gewaarborgd, als de stoelen niet beschadigd zijn.

Gevaar voor letsel!
Om gevaar voor dodelijk of ernstig lichamelijk letsel tijdens een ongeval of met grote vertraging, bijv. door een zich binnen milliseconden ontplooiende airbag te verminderen, moet u erop letten dat:
- Alle inzittenden van de auto moeten een zitpositie kiezen waarin zij de veiligheidsgordel goed om kunnen doen en zo ver mogelijk van de frontairbags af zitten. De zitpositie van de bestuurder moet daarbij zodanig zijn dat er veilig met de auto kan worden gereden. De bestuurder moet een zodanige afstand tot de pedalen aanhouden, dat deze goed kunnen worden ingetrapt. De armen van de bestuurder moeten in een lichte hoek ten opzichte van het stuur staan.
- Gebruik alleen smart babyzitjes (in combinatie met smart snelbevestiging) voor het vervoer van baby's en kleine kinderen. Baby's en kleine kinderen kunnen ernstig gewond raken door de airbag aan de passagierszijde.
- Schuif de passagiersstoel zo ver mogelijk naar achteren, in het bijzonder wanneer kinderen in bevestigingssystemen* op deze stoel zitten of wanneer er kinderen op zitten.
- Inzittenden moeten de gordels altijd op de juiste wijze dragen en tegen de vrijwel rechtopstaande rugleuning leunen. De hoofdsteunen moeten het achterhoofd op ongeveer ooghoogte ondersteunen.

Gevaar voor letsel!
Let er bij het instellen van de zitpositie op, dat niemand bekneld raakt.
Stoelen instellen
Stoelen in de lengte verstellen

Gevaar voor ongevallen!
Laat, nadat u de stoel in de lengte heeft versteld, de stoel altijd vastklikken, omdat u anders door een onverwachte beweging tijdens het rijden de controle over de auto kunt verliezen en een ongeval kunt veroorzaken.

Gevaar voor letsel!
Grijp bij het verstellen van de stoelpositie in lengterichting niet in de stoelrail. Anders bestaat er een aanzienlijk gevaar voor letsel.

■ Trek de greep (A) naar boven. ■ Verschuif de stoel. ■ Laat de hendel los.
Het verstelmechanisme moet aan beide zijden hoorbaar inklikken.
Stoelhoogte verstellen
De rail van de stoel helt. Wanneer u de stoel naar voren of naar achteren schuift, verandert ook de hoogte van de stoel.
Stoelen instellen

Stand van de rugleuning verstellen
Opmerking!
Alleen de rugleuning van de bestuurdersstoel kan versteld worden.
■ Buig uw bovenlichaam naar voren. ■ Draai de regelknop (A) naar voren of achteren.

Tussen de stoelen bevindt zich de armsteun. Deze kan zowel door de bestuurder als door de passagier worden gebruikt en zorgt voor een ontspannen rit zonder vermoeidheid.
■ Klap de armsteun in de gewenste positie omhoog of omlaag.
Stoelen instellen
Rugleuning passagiersstoel omklappen

Gevaar voor letsel!
Alleen geschikte voorwerpen in het bergvak plaatsen. Inzittenden kunnen anders bij een ongeval, een plotselinge remmanoeuvre of een snelle richtingsverandering gewond raken door de voorwerpen of de inhoud ervan.

Gevaar voor letsel!
Plaats tijdens een rit geen warme drankjes of glazen flesjes in het bergvak. Bij een ongeluk, een plotselinge remmanoeuvre of een snelle verandering van richting - kan het warme drankje uit de beker vliegen en tot brandwonden leiden. - kunnen glazen flesjes weggeslingerd worden en tot verwondingen leiden.

Als de rugleuning van de passagiersstoel omgeklapt is, kunt u hem gebruiken
- als bergvak voor kleine voorwerpen (A).
- om de bagageruimte groter te maken.
Opmerking!
Neem de richtlijnen voor het beladen (zie pagina 8-17) in deze handleiding in acht!
Stoelen instellen

Haal de veiligheidsgordel uit de gordelgeleiding (C). Schuif de passagiersstoel in de achterste stand.

Druk beide hendels (D) tegelijkertijd naar achteren.
De rugleuning klapt vanzelf een paar millimeter naar voren uit de vergrendeling. Laat de hendels los. Klap de leuning naar voren.
Voor het omhoogklappen:

Gevaar voor letsel!
Let bij het omhoogklappen van de passagiersstoel altijd op dat
- geen handen of voorwerpen in de vergrendeling zijn vastgeklemd.
- beide hendels hoorbaar vastgeklikt zijn. Bij een ongeluk of krachtig remmen kunnen voorwerpen uit de bagageruimte anders niet door de stoelleuning worden tegengehouden en kunnen de passagiers gewond raken.
■ Trek de leuning naar boven en klap deze omhoog tot de beide hendels hoorbaar vastklikken. ■ Plaats de veiligheidsgordel weer in de gordelgeleiding (C).
Spiegels instellen
Spiegels instellen

Gevaar voor ongevallen!
De buitenspiegels werken
verkleinend. De objecten zijn in werkelijkheid dichterbij dan het lijkt.
Zorg ervoor dat de binnen- en buitenspiegel voor elke rit juist zijn ingesteld. Alleen dan hebt u het beste zicht naar achteren.

■ Stel de buitenspiegel in door aan de hendel (A) te draaien.
Spiegels instellen

De kantelschakelaar bevindt zich voor de schakelhendel.
■ Verstel de buitenspiegel naar wens door aan de bedieningsknop (C) te draaien.
Instelzijde bepalen
Druk op de kantelschakelaar.
Bestuurderskant (A)
Passagierskant (B)
Opmerking!
De buitenspiegel kan alleen worden versteld als de auto op contact staat.

Stel de binnenspiegel met de hand in.
Om te voorkomen dat u tijdens ritten in het donker verblind wordt door achteropkomend verkeer:
Klap de binnenspiegel naar beneden door aan de hendel (a) te trekken. Het zicht naar achteren blijft behouden.
Zijruiten openen en sluiten
Als de ontsteking is ingeschakeld, kunnen de zijruiten geopend en gesloten worden met behulp van de elektrische ruitbediening.
De toetsen voor bestuurders- (A) en passagierszijde (B) zitten op de schakelaarstrip van de middenconsole.
Openen
Druk onderaan op de kantelschakelaar (A of B).
Sluiten
Druk bovenaan op de kantelschakelaar (A of B).
>Opmerking!
De ruiten worden niet automatisch gesloten als u de auto vergrendelt.
Gevaar voor letsel! Let er bij het sluiten van de zijruiten op, dat niemand wordt vastgeklemd. Bij gevaar voor beknelling moet u op de schakelaar drukken om het raam te openen. Laat kinderen niet alleen in de auto. Zij kunnen bijv. door het openen en sluiten van de ruiten verwondingen oplopen!
Veiligheidsgordels
Veiligheidsgordels
De veiligheidsgordels met geïntegreerde gordelspanner en gordelkrachtbegrenzer vormen samen met de airbags een veiligheidssysteem, dat u een optimale bescherming biedt wanneer het tijdens een ongeval actief wordt.

Gevaar voor letsel!
Airbags bieden slechts een aanvullende bescherming, ze zijn echter geen alternatief voor de veiligheidsgordels. Om gevaar voor dodelijk of ernstig lichamelijk letsel te verminderen, moet u er zeker van zijn dat alle inzittenden, en in het bijzonder zwangere vrouwen, de gordels altijd op de juiste wijze dragen, een normale zitpositie hebben ingenomen en de stoel vrijwel rechtop staat.

Gevaar voor letsel!
Wanneer u de veiligheidsgordels niet op de juiste wijze draagt of het slot niet goed heeft gesloten, kunnen de gordels hun veiligheidsfunctie niet op de juiste wijze vervullen. U kunt dan onder bepaalde omstandigheden zelfs ernstig of dodelijk gewond raken. Zorg er daarom altijd voor, dat alle inzittenden – in het bijzonder zwangere vrouwen – hun gordels correct hebben omgedaan. Let er op dat de gordel
- in de buurt van het bekken zo laag mogelijk over de heup loopt, d.w.z. over de heup en niet over de buik.
- strak aansluit.
- niet is verdraaid.
- over het midden van de schouder loopt.
- niet langs de hals en onder de arm doorloopt.
- in de buurt van het bekken wordt gespannen, door de gordel voor de borst naar boven te trekken.
Er mag altijd maar één persoon per gordel worden vastgemaakt.
Voorwerpen mogen nooit samen met een persoon worden vastgemaakt. Vermijd dikke kleding, bijv. een winterjas.
Leid de gordelband niet over scherpe voorwerpen of voorwerpen die snel breken, in het bijzonder wanneer deze op of in uw kleding zitten, zoals bijv. brillen, pennen, sleutels enz. De gordel zou kunnen scheuren en u of andere inzittenden kunnen gewond raken.
Laat kinderen in geen geval op de schoot van een andere inzittende meerijden. Het kind kan anders tijdens een ongeval, abrupt remmen of een snelle verandering van richting niet meer worden vastgehouden en dodelijk gewond raken of andere inzittenden dodelijk verwonden.
Veiligheidsgordels

Gevaar voor letsel!
Bij kinderen kleiner dan 1,50 m en jonger dan 12 jaar kunnen de veiligheidsgordels niet op de juiste wijze worden gedragen. Zij hebben daarom aanvullende, ter bescherming bij ongevallen geschikte bevestigingssystemen* op geschikte autostoelen (bijv. autostoeltjes of stoelverhogingen voor kinderen) nodig. Neem ook altijd de montagehandleidingen van de fabrikant van de kinderbevestigingssystemen* in acht.

Gevaar voor letsel!
De veiligheidsgordel biedt alleen de reglementaire bescherming, wanneer de rugleuning in nagenoeg verticale positie staat en de inzittenden rechtop zitten. Vermijd zitposities, die de juiste werking van de veiligheidsgordels negatief beïnvloeden. Zet daarom de rugleuning zo recht mogelijk. Rij nooit met een naar achteren gerichte stand van de rugleuning. Anders kunt u tijdens een ongeval of een noodstop ernstig, of bij een ongeval zelfs dodelijk, letsel oplopen.

Gevaar voor letsel!
De veiligheidsgordel kan niet meer goed functioneren, wanneer de gordel of het slot vuil of beschadigd zijn. Hou daarom de gordel en het slot goed schoen, omdat anders de lip van het slot niet meer goed kan vastklikken. Controleer regelmatig of de veiligheidsgordels
- niet beschadigd zijn,
- niet over scherpe randen lopen,
- niet vastgeklemd zitten.
Anders kan de gordel tijdens een ongeval scheuren. U of anderen kunnen ernstig of dodelijk letsel oplopen.
Laat beschadigde of tijdens een ongeval zwaar belaste veiligheidsgordels vervangen en de gordelverankeringen controleren.
smart gmbh adviseert om uit veiligheidsoverwegingen alleen veiligheidsgordels te gebruiken, die smart gmbh speciaal voor uw auto heeft goedgekeurd.
Veiligheidsgordels

Gevaar voor letsel!
Wijzigingen of ondeskundig uitgevoerde werkzaamheden aan het bevestigingssysteem (veiligheidsgordels en verankeringen, gordelspanners, gordelkrachtbegrenzers of airbags) of de bekabeling daarvan, alsmede ingrepen in gekoppelde elektronische systemen, kunnen er toe leiden, dat de bevestigingssystemen niet meer reglementair werken. Airbags of gordelspanners kunnen bijv. tijdens ongevallen met voldoende vertraging uitvallen of ongewild worden geactiveerd. Wijzig daarom nooit de bevestigingssystemen. Voer geen ondeskundige ingrepen aan elektronische componenten en de software daarvan uit.

Veiligheidsgordels in hoogte verstellen
De veiligheidsgordels van de auto kunnen in de hoogte worden versteld dankzij een in de stoelen geïntegreerd systeem. Er zijn drie standen:
De gordelband loopt
- door de gordelleiding (A),
- boven de gordelgeleiding,
- onder de gordelgeleiding.
>Opmerking!
Als u de gordelband boven of onder de gordelgeleiding wilt laten lopen, dient u de band uit de geleiding te halen.
Veiligheidsgordels

Veiligheidsgordel omdoen
■ Neem plaats in de auto. ■ Trek de veiligheidsgordel soepel uit de oproller. ■ Leg de gordel over uw schouder.
Uw rug moet tegen de rugleuning rusten. ■ Klik de veiligheidsgordel vast in het gordelslot (A).
Veiligheidsgordel afdoen
■ Druk op de rode knop in het gordelslot. ■ Begeleid de gordel met uw hand naar de gordelgeleiding.
De gordel rolt vanzelf op.
Gordelspanners en gordelkrachtbegrenzers
Gordelspanners en gordelkrachtbegrenzers
De veiligheidsgordels beschikken over
- gordelspanners, - gordelkrachtbegrenzers, de functies worden hieronder beschreven.
Gordelspanners
- worden tijdens het activeren van de veiligheidsgordel zo strak gespannen dat de gordel goed om uw lichaam sluit.
- worden alleen geactiveerd tijdens botsingen met een grote, in de lengterichting inwerkende vertraging-/versnelling van de auto, bijv. tijdens een frontale botsing. Als het airbag-controlelampje gaat branden, is er een storing of is uw gordelspanner in werking getreden.
>Opmerking!
Maak de gordel op de passagiersstoel niet vast wanneer hier niemand zit. Tijdens een ongeval kan de gordelspanner anders onnodig in werking treden.
>Opmerking!
Gordelspanners corrigeren geen: - onjuiste zitpositie, - onjuist gedragen veiligheidsgordels. Gordelspanners trekken de inzittenden niet terug in de richting van de rugleuning.
Gordelkrachtbegrenzers
- verminderen tijdens het activeren de gordeldruk op de inzittenden van de auto bij een ongeval.
De gordelkrachtbegrenzer is op de front airbag afgestemd, die een deel van de vertragingskrachten van de veiligheidsgordel overnemen, waardoor een verdeling van de belasting over een groot oppervlak plaatsvindt.
Wanneer het contactslot is ingeschakeld, wordt de gordelspanner geactiveerd:
- wanneer de bevestigingssystemen standby zijn.
- voor iedere driepuntsgordel, wanneer deze in het slot is vastgeklikt.
- bij een frontale botsing of een botsing van achteren, wanneer de auto tijdens het begin van de botsing in de lengterichting sterk vertraagd of versneld wordt.
- bij bepaalde situaties waarbij de auto over de kop slaat, wanneer extra veiligheidspotentieel wordt vereist.
Gordelspanners en gordelkrachtbegrenzers
Wanneer de gordelspanners worden geactiveerd, hoort u een knal, die in principe niet schadelijk is voor het gehoor. Er kan stof vrijkomen.
Gevaar voor letsel! Wanneer de gordelspanners zijn geactiveerd, moeten ze door een gekwalificeerde werkplaats worden vervangen. smart gmbh adviseert u hiertoe naar een smart center te gaan. In het bijzonder bij veiligheidsrelevante werkzaamheden en werkzaamheden aan veiligheidsrelevante systemen is de service van een gekwalificeerde garage absoluut noodzakelijk. Neem bij het als afval verwerken van de gordelspanners de veiligheidsvoorschriften in acht. De voorschriften kunt u inzien bij elke gekwalificeerde werkplaats, bijv. een smart center.
Cockpit linkse besturing

a Stuur met kantelschakelaars*
b Bedieningshendel
c Boordinstrumenten
d Bovenste centrale console
e Onderste centrale console
Cockpit rechtse besturing

Cockpit rechtse besturing
a Stuur met kantelschakelaars* b Bedieningshendel c Boordinstrumenten
d Bovenste centrale console
e Onderste centrale console
A Voorruit wissen 2 = Wissnelheid stand 2, 1 = Wissnelheid stand 1, 0 = Uit, -1 = Intervalwissen B Voorruit wissen en sproeien -1 = Voorruit wissen en sproeien, 0 = Uit C Tempomat* en Limiter* in- en uitschakelen D Tempomat- en Limiterfuncties*
Boordinstrumenten

Boordinstrumenten
A Snelheidsmeter
B Toerenteller
C Display
Controlelampjes
Oliedruk (a) Koelmiddeltemperatuur (b) ESP (c)
Controlelampje oliedruk
Brandt:
- bij het inschakelen van de ontsteking.
Het lampje dooft als de motor is gestart en er voldoende oliedruk is.
Hier moet u op letten!
- Wanneer het controlelampje dooft voordat de motor wordt gestart, werkt het lampje niet.
■Ga naar een gekwalificeerde werkplaats, bijv. een smart center.
- Wanneer het controlelampje tijdens de rit gaat branden:
■Zet uw auto onmiddellijk veilig voor het overige verkeer neer.
■Beveilig uw auto tegen wegrollen, wanneer u deze verlaat.

Controlelampje oliedruk
■Rij niet verder.
■Bel een reparatiedienst, bijv. smartmove Assistance, of een gekwalificeerde werkplaats, bijv. een smart center.
>Belangrijk!
Wanneer u verder rijdt of de motor laat draaien, hoewel het controlelampje brandt, kan dit tot aanzienlijke schade aan de motor leiden.
>Opmerking!
Het oliedruklampje is een waarschuwingslampje dat aangeeft dat de oliedruk te laag is. Controleer regelmatig het motoroliepeil (zie pagina 9-4).

Controlelampje koelmiddeltemperatuur
Brandt:
- als de ontsteking is ingeschakeld.
Het lampje dooft als de motor draait. Knippert:
- bij oververhitting van de motor.
■Zet uw auto onmiddellijk veilig voor het overige verkeer neer.
■Beveilig uw auto tegen wegrollen, wanneer u deze verlaat.
■Rij niet verder.
■Bel een reparatiedienst, bijv. smartmove Assistance, of een gekwalificeerde werkplaats, bijv. een smart center.
>Belangrijk!
Wanneer u verder rijdt of de motor laat draaien, hoewel het controlelampje brandt, kan dit tot aanzienlijke schade aan de motor leiden.
Boordinstrumenten

esp-controlelampje
Knippert:
- wanneer esp in regelwerking staat.
Brandt constant:
- wanneer esp niet beschikbaar is.
- bij het uitvallen van het systeem.
Het uitvallen van het systeem kan al verholpen zijn door opnieuw te starten.
■Gaat het controlelampje daarna niet uit, ga dan onmiddellijk naar een gekwalificeerde werkplaats, bijv. een smart center.
>Opmerking!
Het functioneren van esp en verdere aanwijzingen hierover vindt u op pagina 7-27.


Gevaar voor ongevallen!
Wanneer esp niet meer werkt, is het gevaar dat uw auto onder bepaalde omstandigheden in een slip raakt groter. Pas uw rijstijl en uw snelheid altijd aan de weg-, verkeers- en weersomstandigheden aan.

Controlelampje accu
Brandt:
- als de ontsteking is ingeschakeld.
Het controlelampje dooft als de motor draait.
Wanneer het controlelampje tijdens de rit gaat branden of na de start niet uitgaat, wordt de accu niet geladen.
■Zet uw auto onmiddellijk veilig voor het overige verkeer neer.
■Beveilig uw auto tegen wegrollen, wanneer u deze verlaat.
■Rij niet verder.
■Bel een reparatiedienst, bijv. smartmove Assistance, of een gekwalificeerde werkplaats, bijv. een smart center.
>Belangrijk!
De aandrijfriem kan gescheurd zijn. In dit geval kan de motor door door te rijden worden beschadigd.
Boordinstrumenten

abs-controlelampje
Brandt:
- bij ingeschakeld contact (zelfdiagnose).
Het lampje gaat na het starten van de motor of
uiterlijk na 10 seconden weer uit.
- bij storing in het ABS-systeem
■ Ga onmiddellijk naar een gekwalificeerde werkplaats, bijv. een smart center.


Gevaar voor ongevallen!
Wanneer de ABS een storing heeft, kunnen de wielen tijdens het remmen blokkeren. Wanneer dit gebeurt, is de bestuurbaarheid van de auto verminderd en de remweg kan langer worden. Wanneer ABS niet werkt, werkt ook ESP niet.
Het gevaar dat uw auto in een slip raakt, wordt dan in bepaalde situaties groter. Pas uw rijstijl en uw snelheid altijd aan de weg-, verkeers- en weersomstandigheden aan.

- bij uitval van het ABS-systeem, tegelijk met het controlelampje van het remsysteem.
■ Zet uw auto onmiddellijk veilig voor het overige verkeer neer. ■ Beveilig uw auto tegen wegrollen, wanneer u deze verlaat. ■ Rij niet verder. ■ Bel een reparatiedienst, bijv. smartmove Assistance, of een gekwalificeerde werkplaats, bijv. een smart center.
Boordinstrumenten

Controlelampje remsysteem
Brandt:
- als de ontsteking is ingeschakeld. Het lampje dooft nadat de motor is gestart of uiterlijk na 10 seconden.
- wanneer de auto op de handrem staat.
- wanneer het remcircuit is uitgevallen of wanneer het peil van de remvloeistof te laag is. ■Zet uw auto onmiddellijk veilig voor het overige verkeer neer. ■Beveilig uw auto tegen wegrollen, wanneer u deze verlaat. ■Rij niet verder. ■Bel een reparatiedienst, bijv. smartmove Assistance, of een gekwalificeerde werkplaats, bijv. een smart center.

Controlelampje remsysteem
Brandt:
- bij uitval van het abs-systeem, tegelijk met het abs-controlelampje.
■Zet uw auto onmiddellijk veilig voor het overige verkeer neer. ■Beveilig uw auto tegen wegrollen, wanneer u deze verlaat. ■Rij niet verder. ■Bel een reparatiedienst, bijv. smartmove Assistance, of een gekwalificeerde werkplaats, bijv. een smart center.

Controlelampje groot licht
Brandt:
- als het groot licht is ingeschakeld.
- als u de lichtclaxon gebruikt.
Boordinstrumenten

Controlelampje mistachterlicht
Brandt:
- bij ingeschakelde mistachterlichten.

Controlelampje knipperlicht
Knippert:
- als de ontsteking is ingeschakeld, wanneer
de knipperlichthendel wordt gebruikt.
de waarschuwingsknipperlichten zijn ingeschakeld.
>Opmerking!
Als er een knipperlicht uitvalt, gaat het controlelampje twee keer zo snel knipperen.
■Vervang het gloeilampje (zie pagina 10-8) of
■ga naar een gekwalificeerde werkplaats, bijv. een smart center.
Boordinstrumenten

Airbag-controlelampje
Het controlelampje van de airbag signaleert storingen in de veiligheidssystemen van de
- air bags, -gordelspanners,
- kinderzitje-herkenning.
>Opmerking!
Het functioneren van de airbag en verdere aanwijzingen hierover vindt u vanaf pagina 7-29.

Airbag-controlelampje
Brandt:
- als de ontsteking is ingeschakeld.
Daarna voeren de veiligheidssystemen een zelfdiagnose uit:
- Het airbag-controlelampje dooft na maximaal 4 seconden.
het airbagsysteem is in orde.
- Het airbag-controlelampje dooft na maximaal 4 seconden gedurende ongeveer
1 seconde, en brandt daarna continu.
Er is een storing herkend.
■Laat niemand op de passagiersstoel zitten, vooral geen kinderen. ■Ga onmiddellijk naar een gekwalificeerde werkplaats, bijv. een smart center.

Gevaar voor letsel!
Wanneer het controlelampje niet gaat branden wanneer u het contact aanzet of na enkele seconden niet uitgaat wanneer de motor draait, of opnieuw gaat branden, heeft u te maken met een storing. Afzonderlijke systemen kunnen ongewild worden geactiveerd of tijdens een ongeval met een hogere snelheid niet worden geactiveerd. Laat in dit geval uw veiligheidssysteem direct bij een gekwalificeerde werkplaats controleren en repareren. smart gmbh adviseert u hiertoe naar een smart center te gaan. In het bijzonder bij veiligheidsrelevante werkzaamheden en werkzaamheden aan veiligheidsrelevante systemen is de service van een gekwalificeerde garage absoluut noodzakelijk.
Boordinstrumenten

Airbag-controlelampje
- Het airbag-controlelampje knippert 15 seconden
speciaal smart babyzitje op de passagiersstoel herkend. Airbag voor passagier en - indien beschikbaar- de zij-airbag* zijn uitgeschakeld.

Gevaar voor letsel! Wanneer het
airbagcontrolelampje bij een gemonteerd babyzitje op de passagiersstoel niet brandt, is de passagiersairbag niet uitgeschakeld. Wanneer de passagiersairbag niet uitgeschakeld is, kan het kind door een airbag aan passagierszijde ernstig tot dodelijk gewond raken, wanneer het zich in de directe nabijheid van de airbag aan passagierszijde bevindt. De airbag aan passagierszijde wordt alleen uitgeschakeld, wanneer u een speciaal smart babyzitje op de passagiersstoel bevestigt.

Gevaar voor letsel! Zet een kind nooit n
achteren gericht bevestigingssysteem voor kinderen op de passagiersstoel wanneer de airbag aan passagierszijde niet is uitgeschakeld, d.w.z. wanneer het airbag-controlelampje niet brandt. Neem ook de betreffende waarschuwingssymbolen op het dashboard in acht. Wanneer u een speciaal smart babyzitje op de passagiersstoel heeft geïnstalleerd en het airbag- controlelampje brandt niet (bevestigingssysteem niet herkend), laat de automatische bevestigingssysteemherkenning dan onmiddellijk controleren door een gekwalificeerde werkplaats, bijv. een smart center. Vervoer in de tussentijd geen kinderen omdat ze bij een ongeval zware tot dodelijke verwondingen kunnen oplopen.
Boordinstrumenten

Controlelampje Motor-Check
Brandt:
- als de ontsteking is ingeschakeld.
Het lampje dooft na het starten van de motor of na 10 seconden, als de motorelektronica storingvrij werkt.
Wanneer het controlelampje tijdens de rit gaat branden:
■Ga naar een gekwalificeerde werkplaats, bijv. een smart center.
Boordinstrumenten

Toerenteller
De toerenteller geeft het toerental van de motor in 100 1/min aan.
Als u met een optimaal toerental rijdt,
- spaartubrandstof.
- ontziet u de motor.
>Belangrijk!
Let ook op het schakeladvies dat op het display (weergave van de versnelling) verschijnt (zie pagina 7-10).
De optimale toerentalbereiken (1/min) zijn: Benzinemotoren
Wegrijden 1000 - 2000
Normale werking bij een gelijkmatige snelheid 2000 - 3000
Kort accelereren bijv. tijdens inhalen 3000 - 6300
Boordinstrumenten

U kunt de onderstaande gegevens op het display aflezen wanneer het contact is ingeschakeld of de motor loopt:
(a) Meervoudige weergave (b) Indicatie versnelling of automaat/wegrijblokkering (c) Klok (d) Benzinemeter (e) Service-intervalaanduiding (f) Vorstwaarschuwing
Displayverlichting
De displayverlichting gaat branden:
- ingeschakeld licht.
- ingeschakelde ontsteking. De displayverlichting gaat uit 30 seconden nadat
- het licht is uitgeschakeld.
- de ontsteking is uitgeschakeld.
- de knop opnieuw indrukken voor de omschakeling van de meervoudige weergave (zie pagina 1-37).
De displayverlichting wordt gedimd wanneer het licht wordt ingeschakeld.
Boordinstrumenten

■Druk telkens één keer op de knop (A) om tussen de onderstaande functies heen en weer te schakelen:
- Kilometerteller
- dagteller (als u de knop ingedrukt houdt, springt de teller terug naar 0)
- Buitentemperatuur
- Aanduiding aantal resterende liters (wanneer er minder dan 5 liter brandstof in de tank zit)
■Druk tweemaal kort achter elkaar op knop (A). 1
De service-intervalaanduiding verschijnt op het display.
>Opmerking bij de aanduiding van de buitentemperatuur!
Bij snel stijgende of dalende temperaturen is de weergave van de temperatuur vertraagd.
Daardoor wordt gegarandeerd, dat bijv. bij stilstand of langzaam rijden geen hoge temperatuur door motorwarmte wordt weergegeven.
Boordinstrumenten

De weergave van de versnelling (A) geeft informatie over de sequentiële versnellingsbak:
123456 versnelling geschakeld geactiveerde wegrijdblokkering (zie pagina 7-5) in een hogere versnelling schakelen ↓ terugschakelen vrijstand, geen versnelling geschakeld R achteruit
□ niet in de versnelling ■ storing in het schakelsysteem automaat CAN-(databus)-uitval (symbool knippert)
Boordinstrumenten

Tijd instellen
■Druk op de knop (A) of (B) tot de dubbele punt op de klok begint te knipperen.
Twee manieren om de klok vooruit te zetten
■Houd de knop (B) zo lang ingedrukt tot de gewenste tijd op de display verschijnt.
Twee manieren om de klok terug te zetten
■Houd de knop (A) zo lang ingedrukt tot de gewenste tijd op de display verschijnt.
>Opmerking!
De verstelsnelheid neemt toe wanneer de knoppen (B) of (A) langer achtereen worden ingedrukt.
Boordinstrumenten

De inhoud van de tank wordt door 8 balksegmenten weergegeven.
Het aantal donkere segmenten geeft informatie over de tankinhoud. Wanneer alle acht segmenten worden weergegeven, is de tank vol.
Reservegebied
U bevindt zich in het reservegebied wanneer er nog 5 liter benzine in de tank zit.
In dit geval
- begint het benzinepompsymbool te knipperen
- wordt automatisch op de benzinemeter op het meervoudige display omgeschakeld.
Ga naar het dichtstbijzijnde benzinestation.
Opmerking bij de aanduiding van het aantal resterende liters!
De omschakelfunctie van de meervoudige weergave (zie pagina 1-37) blijft behouden.
Wanneer alle acht segmenten knipperen, is een fout opgetreden bij de overdracht van het niveau.
Ga naar het dichtstbijzijnde benzinestation. Vul de tank af. Rij verder nadat de kilometerteller in beeld is gekomen. Ga naar een gekwalificeerde werkplaats, bijv. een smart center.
Boordinstrumenten

Service-intervalaanduiding
De service-intervalaanduiding informeert u over het tijdstip en de omvang van de volgende servicebeurt. Wanneer een servicebeurt noodzakelijk is, wordt dit ongeveer een maand van tevoren op het display aangegeven. Na het starten van de motor verschijnt, afhankelijk van het aantal gereden kilometers, gedurende ca. 10 seconden het resterende aantal kilometers (km) of dagen vóór de volgende servicebeurt. Afhankelijk van de omvang van de noodzakelijke servicebeurt (A of B), verschijnen op het display één schroefsleutel of twee schroefsleutels.

Druk tweemaal kort achter elkaar op de knop (A) van het meervoudige display.
Boordinstrumenten

Vorstwaarschuwing
Wanneer de buitentemperatuur daalt onder 3 °C, wordt u er op het display op gewezen dat het wegdek mogelijkervwijs bevroren is.
De buitentemperatuur verschijnt op het display. Een ijskristal verschijnt op het display.
Gevaar voor ongevallen! Ook wanneer een temperatuur dicht boven het vriespunt wordt weergegeven kan de weg, in het bijzonder in bosgedeelten of op bruggen, bevroren zijn. Pas daarom uw rijstijl en snelheid altijd aan de weers-, weg- en verkeersomstandigheden aan, om het risico op ongevallen te verminderen.
Bovenste centrale console

Bovenste centrale console
a Extra instrument Turbodrukweergave* b Extra instrument Motortemperatuurweergave* c Schakelaar centrale portiervergrendeling d Waarschuwingsknipperlichten e Achterruitverwarming
f Stoelverwarming bestuurdersstoel*
g Stoelverwarming passagiersstoel*
h Airconditioning Plus*
Onderste centrale console

a Buitenlucht/circulatieluchtregelaar
b Ventilator
c L u c h t v e r d e l i n g
d Luchttemperatuur/Verwarming
B Audio-/telematica-apparatuur*
C Boordcomputer
D Schakelaarstrip
e Elektrische ruitbediening bestuurderszijde
f Achterklepontgrendeling
g Softtop openen en sluiten
h Light-on-functie uitschakelen/mistlampen
i ESP OFF
j Elektrische ruitbediening passagierszijde
rendelen

Omdat uw auto gemakkelijk te bedienen is, omdat alle bedieningselementen zich daar bevinden waar u ze verwacht, heeft u juist in het donker geen enkel probleem. Probeer desondanks de bedieningselementen eerst bij daglicht uit.
Licht

Licht

Gevaar voor ongevallen!
Ontsteek uw lichten bijtijds
- als het hard regent,
- als het begint te schemeren.
Voertuigen met ingeschakeld licht worden in het verkeer beter herkend.
Licht inschakelen
De bedieningshendel voor het licht zit links naast het stuurwiel.
Door de draaischakelaar uit de uitgangspositie 0 te draaien wordt Stand 1 - Parkeerlicht ingeschakeld. Stand 2 - Dimlicht ingeschakeld. Stand 3 - Mistachterlicht en dimlicht ingeschakeld.
Opmerking!
Wanneer u de motor uitschakelt, wordt ook het dimlicht uitgeschakeld. Nu brandt alleen nog het parkeerlicht. Het dimlicht wordt na het starten automatisch weer geactiveerd.
Coming home-functie*
De coming home-functie maakt het mogelijk om de lichten en de binnenverlichting van de auto in te schakelen wanneer u de auto in het donker verlaat of nadert. 12 seconden lang licht de auto u dus bij. De coming home-functie wordt automatisch in het donker geactiveerd wanneer u de auto vergrendeld of ontgrendeld.
Bij het verlaten van de auto
Trek de contactsleutel uit het contactslot.
Sluit de auto met de afstandsbediening af.
De verlichting wordt automatisch ingeschakeld en gaat na 12 seconden weer uit.
Wanneer u bij de auto terugkomt
■ Ontgrendel de auto met de afstandsbediening.
De buiten- en binnenverlichting van de auto wordt ingeschakeld en na 12 seconden weer uitgeschakeld.
Licht
Verlichting overdag*
Wanneer uw auto over de mogelijkheid beschikt om overdag verlichting 1 te voeren, worden het dim- en parkeerlicht automatisch ingeschakeld wanneer u wegrijdt.
> Opmerking!
Wanneer de verlichting overdag actief is, kunt u het groot licht alleen maar inschakelen wanneer de bedieningshendel in stand 2 (dimlicht) staat.
Verlichting overdag uitschakelen
■ Schakel het contact uit.
■ Geef een lichtsignaal.
■ Druk gelijktijdig de toets voor het ontgrendelen van de auto op de sleutel in.
Er klinkt een signaal ter bevestiging dat de verlichting voor overdag is uitgeschakeld.
Verlichting overdag inschakelen
■ Schakel het contact uit.
Geef een lichtsignaal.
Druk gelijktijdig de toets voor het vergrendelen van de auto op de sleutel in.
Er klinkt een signaal ter bevestiging dat de verlichting voor overdag is ingeschakeld.

De light-on-functie schakelt het dimlicht bij het invallen van de duisternis of tijdens het rijden door een tunnel automatisch in.
Light-on-functie uitschakelen
De light-on-functie kan alleen bij een stilstaande auto worden uitgeschakeld.
Druk één keer op de schakelaar (A) op de schakelaarstrip.
Het lampje in de schakelaar brandt.
De light-on-functie is uitgeschakeld.
Licht

Groot licht
Het groot licht kan alleen worden ingeschakeld wanneer
- de ontsteking is ingeschakeld.
- de draaischakeling zich minstens in stand 2 (Dimlicht) bevindt.
Groot licht inschakelen
Duw de hendel in de rijrichting (1).
De hendel klikt vast.
Groot licht uitschakelen
Trek de hendel naar het stuur toe (2). - De hendel staat nu weer in de middenstand.
Binnenverlichting

De binnenverlichting bevindt zich voor de achteruitkijkspiegel. De lamp wordt met behulp van een dimmer in- en uitgeschakeld.
De schakelaar kan in drie standen worden gezet.
UIT Permanente werking
- De lamp brandt zolang de schakelaar is ingeschakeld.
- De lamp gaat branden wanneer een van de portieren wordt geopend.
Xenon-koplampen*
Xenon-koplampen verlichten het wegdek intensiever dan normale koplampen. Hierdoor kunt u 's nachts en bij slechte verlichting beter zien.
Xenon-koplampen* reinigen
De xenon-koplampen worden bij ingeschakelde verlichting automatisch samen met de voorruit gereinigd.
Schakel de verlichting in. Trek de hendel voor de ruitensproeierinstallatie naar voren.
De voorruit en het dimlicht van de xenon-koplampen worden gereinigd.

Gevaar voor letsel!
Xenon-lampen* staan onder hoogspanning. Wanneer u in aanraking komt met elektrische contacten van de xenon-lampen*, kunt u een elektrische schok krijgen en ernstig of dodelijk letsel oplopen. Verwijder daarom niet de afdekking van de xenon-lamp*. Vervang xenon-lampen* niet zelf, maar laat de xenon-lampen* altijd vervangen in een gekwalificeerde werkplaats, waar het personeel de noodzakelijke vakkennis bezit en over het gereedschap beschikt dat voor het uitvoeren van de werkzaamheden noodzakelijk is, bijv. een smart center.
Mistlichten

De mistlichten (A) mogen alleen bij - mist, - slecht zicht door regen, - slecht zicht door sneeuw worden ingeschakeld.

De mistlampen werken alleen, als ten minste het parkeerlicht is ingeschakeld.
■ Druk één keer op de schakelaar (A).
Houdt u zich voor het gebruik van de mistlampen aan de wettelijke bepalingen van het land waarin u zich bevindt.
Mistlampen uitschakelen
■ Druk nog een keer op de schakelaar (A).
> Opmerking!
Zodra u het licht uitschakelt, doven ook de mistlampen. Als u het licht dan weer aandoet, worden de mistlampen niet vanzelf ingeschakeld.

Gevaar voor ongevallen!
Pas uw snelheid en uw rijstijl aan
het zicht aan. Auto's kunnen op korte afstand voor u rijden zonder dat u dit tijdig herkent en kunt remmen.
Mistlichten

De bedieningshendel voor het mistachterlicht (A) zit links naast het stuurwiel.

Gevaar voor ongevallen!
Schakel het mistachterlicht
alleen in bij een zicht van minder dan 50 meter. U kunt anders het achteropkomende verkeer verblinden.

■Draai de draaischakelaar op het symbool van het mistachterlicht (stand 3).
De volgende lampen gaan branden: - het mistachterlicht, - het controlelampje op het display.
Mistachterlicht uitschakelen
■Draai de draaischakelaar minstens één stand terug.
>Belangrijk!
Draai de schakelaar slechts één stand terug, als u met dimlicht wilt blijven rijden.
Knipperlichten

Knipperlichten
De bedieningshendel voor de knipperlichten zit links naast het stuurwiel.
Rechts knipperen
Duw de hendel omhoog en laat hem vastklikken.
Links knipperen
Duw de hendel omlaag en laat hem vastklikken.
Opmerking!
De hendel keert
- als de smart links of rechts afgeslagen is.
- door het automatisch afslaan van het knipperlicht
terug naar de nulstand.
U kunt de hendel ook met de hand in de nulstand terugzetten.
Knipperlicht met comfort-kantelschakelaar
Wanneer u de bedieningshendel even naar boven of naar beneden tikt, knipperen de knipperlichten aan de desbetreffende kant van de auto driemaal.
Waarschuwings- en lichtsignalen

Waarschuwings- en lichtsignalen
Claxon
Druk op de aangegeven plaatsen op het stuurwiel.
De claxon geeft een signaal.

De bedieningshendel voor de lichtclaxon zit links naast het stuurwiel.
De lichtclaxon is actief, zolang u de hendel naar u toe trekt.

Waarschuwingsknipperlichten
Druk op de rode schakelaar (A) om de waarschuwingsknipperlichten aan te zetten.
Daarna gaan de onderstaande lampen knipperen:
- de zes knipperlichten
- het knipperlicht-controlelampje, als het contact is ingeschakeld
- de rode schakelaar van het waarschuwingsknipperlicht
Druk nog een keer op de rode schakelaar om de waarschuwingsknipperlichten uit te zetten.

Door het verwisselen van kleren kunt u zich aan iedere weerssituatie aanpassen. Uw auto biedt hiervoor aanmerkelijk comfortabelere oplossingen, zoals bijv. de CFK-vrije airconditioning.
Zonnekleppen

U kunt de zonnekleppen niet opzij klappen.
Zonnekleppen
Bescherming tegen licht van voren
■Klap de zonneklep naar beneden. ■Klap de zonneklep weer naar boven, als u hem niet meer nodig hebt.
Verwarming/ventilatie

De bedieningselementen van de verwarming en ventilatie
- Buitenlucht/circulatieluchtregelaar (A)
- Ventilatie (B)
- Luchtverdeling (C)
- Luchttemperatuur/verwarming (D)

Ventilatie inschakelen
De ventilatie heeft vijf standen.
- Ventilator maximaal/Ontdooien (A) (om ruiten snel te ontdooien en te ontwasemen)
- Ventilatie snel (B)
- Ventilatie midden (C)
- Ventilatie laag (D)
- Geen ventilatie (E)

Ventilatiekogels en ventilatierooster verstellen
Ventilatiekogels
U kunt de ventilatiekogels (A) traploos verstellen met de hand.
Als u de ventilatiekogel naar voren draait, is deze gesloten.
Centraal ventilatierooster
Verstel het centrale ventilatierooster (B) op de centrale console met behulp van de regelknop.
Verwarming/ventilatie

Lucht in de auto verdelen
In de verschillende ventilatiestanden stroomt de lucht als volgt uit de kogels en het rooster:
- uit de centrale ventilatieroosters en uit de ventilatiekogels (A),
- in de beenruimte (B),
- naar voor- en achterruit (C).
Verwarming/ventilatie

Instelmogelijkheden van verwarming en ventilatie
Gevaar voor ongevallen! Wij adviseren u om zich te houden aan de geadviseerde instellingen voor de verwarmingsinstallatie, zoals die op de volgende pagina's zijn aangegeven. Anders kunnen de ruiten beslaan. Door het verminderde zicht kunt u een ongeval veroorzaken.
Temperatuur wijzigen
Hoe verder u de hendel (A) naar rechts schuift, des te warmer wordt de uitstromende lucht.

Circulatielucht of buitenlucht instellen
Gevaar voor ongevallen! Gebruik de circulatieluchtmodus slechts gedurende een korte tijd. Anders kunnen de ruiten beslaan. Het zuurstofgehalte in de lucht in de binnenruimte wordt verbruikt. De concentratie vermindert, er bestaat gevaar voor vermoeidheid.

Kies de bovenste stand voor buitenlucht (A).
De lucht wordt van buiten in het interieur gevoerd.
Verwarming/ventilatie

Kies de onderste stand voor circulatielucht (B).
De lucht circuleert, bijv. bij het rijden door tunnels, in de binnenruimte van het voertuig.

- Stel de ventilatie (A) naar wens in.
- Stel de luchtverdeling (B) op het centrale ventilatierooster, de ventilatiekogels en beenruimte in.
- Schakel de verwarming (C) uit.
- Stel de richting van de ventilatieroosters en ventilatiekogels naar eigen wens in.

- Stel de ventilatie (A) op maximaal.
- Stel de luchtverdeling (B) op het centrale ventilatierooster, de ventilatiekogels en beenruimte in.
- Stel de verwarming (C) op maximaal.
- de ventilatieroosters in de richting van de inzittenden.
Verwarming/ventilatie

Bij het ontdooien van de ruiten wordt het beste resultaat bereikt wanneer
- u voor het starten van de motor het ijs met een ijskrabber van de ruiten verwijderd.
- de ventilator (A) op maximaal/ontdooien is ingesteld.
- de luchtverdeling (B) op de voor- en achterruit is ingesteld.
- de verwarming (C) op maximaal is ingesteld.

Milieu!
Ontdooi de ruiten alvorens te starten en ontwasem beslagen ruiten. Als u de motor laat draaien terwijl de auto nog stilstaat, schaadt u het milieu en de motor.

Gevaar voor ongevallen!
Nooit met bevroren of beslagen ruiten rijden. Het zicht wordt daardoor aanmerkelijk slechter. Hierdoor bestaat de mogelijkheid dat u een ongeval veroorzaakt.
Airconditioning Plus*
Airconditioning Plus*

Gevaar voor ongevallen!
Wij adviseren u om zich te houden aan de geadviseerde instellingen voor de verwarmingsinstallatie, zoals die op de volgende pagina's zijn aangegeven. Anders kunnen de ruiten beslaan. Door het verminderde zicht kunt u een ongeval veroorzaken.
De airconditioning Plus verhoogt het rijcomfort bij hoge buitentemperaturen
- doordat de lucht in de smart wordt afgekoeld. - door het onttrekken van vocht aan de lucht.
De verwarming en de ventilatie ondersteunen de werking ervan. De bediening wordt op de achterzijde 3-3 verduidelijkt.
Een geïntegreerd combifilter* (stof-, pollen- en deeltjesfilter) reinigt bovendien de buitenlucht. Dit filter werkt ook, als de airconditioning Plus uitstaat en de ventilatie is ingeschakeld.
>Opmerking!
Wanneer de airconditioning Plus is ingeschakeld, neemt het brandstofverbruik toe.
>Opmerking!
Het ontvochtigen van de lucht door de airconditioning Plus heeft tot gevolg dat de ruiten bij een hoge luchtvochtigheid niet beslaan.
Deze functie kunt u ook gebruiken bij het ontdooien van de ruiten, wanneer u naast de airconditioning Plus ook de verwarming op maximaal zet.
Wanneer werkt de airconditioning Plus?
De airconditioning Plus werkt
- alleen als de motor draait,
- alleen als de ventilatie is ingeschakeld,
- het beste met gesloten ruiten.
Airconditioning Plus*
Neem bij het in werking stellen van de airconditioning Plus de volgende aanwijzingen in acht:
De binnenruimte van de smart koelt sneller af wanneer u
- de warme lucht uitblaast. Daarvoor
- de ruiten kort openen.
- de ventilator op maximaal instellen.
- de ruiten sluiten wanneer de warme lucht naar buiten ontsnapt is.
- bij circulatielucht de airconditioning Plus inschakelen.
- na kortstondig circulatiefunctie op buitenlucht overschakelen.
Gevaar voor ongevallen! Gebruik de circulatieluchtmodus slechts gedurende een korte tijd. Anders kunnen de ruiten beslaan. Het zuurstofgehalte in de lucht in de binnenruimte wordt verbruikt. De concentratie vermindert, er bestaat gevaar voor vermoeidheid.
Milieu! Gebruik de airconditioning Plus zo veel mogelijk bij gesloten ruiten, want zo spaart u brandstof.
Airconditioning Plus*

De airconditioning Plus heeft drie standen.
■Druk telkens één keer op de schakelaar (A) om tussen de onderstaande standen te schakelen.
- Uit
Er brandt geen controlelampje in de schakelaar.
- Half koelvermogen
Er brandt één controlelampje in de schakelaar.
- Maximaal koelvermogen
De twee controlelampjes op de schakelaar branden.
Opmerking!
Bij het opnieuw inschakelen van de ontsteking of de ventilatie wordt de opgeslagen toestand (stand 1 - 3) weer ingesteld.
De airconditioning Plus wordt automatisch uitgeschakeld
- bij een te laag motortoerental,
- bij het wegrijden,
- als de ventilatie wordt uitgeschakeld,
- bij een koelwatertemperatuur boven de 115 °C,
- bij een buitentemperatuur van lager dan 5 °C.
Ruitenwissers

De ruitenwisserhendel zit rechts naast het stuur.
U kunt de ruiten op de volgende manieren wissen en sproeien:
1 - Intervalstand voorruit: Duur interval circa 7 seconden tijdens de rit. 2 - Ruitenwisser voorruit langzaam 3 - Ruitenwissers voorruit snel

Ruitenwisser voorruit en ruitensproeierinstallatie
Hendel naar u toe trekken
1 - Ruitensproeierinstallatie voor voorruit staat aan
De ruitensproeierinstallatie werkt zolang u de hendel naar u toe trekt. De wissers gaan vervolgens drie cycli heen en weer.
>Opmerking!
Wanneer de hendel kort wordt aangeraakt, wordt slechts eenmaal gewist (tip-wissen).

Regensensor*
De regensensor zorgt voor automatisch inschakelen en de juiste wissnelheid van de ruitenwissers bij regen of vocht op de voorruit.
Regensensor inschakelen
■Duw de ruitenwisserhendel omlaag in de positie 1 (intervalwissen).
Ruitenwissers
De interval van de ruitenwissers wordt afhankelijk van de rijsnelheid aangestuurd
Voor de verschillende rijsnelheden gelden de volgende intervaltijden:
| Bij verhoging van de rijsnelheid: | ||||
| 0-20 km/h | 20-75 km/h | 75-120 km/h | sneller dan 120 km/h | |
| Snelheidsafhankelijke intervaltijden | 11 seconden | 7 seconden | 5 seconden | 3 seconden |
| Bij vermindering van de rijsnelheid: | ||||
| sneller dan 110 km/h | 110-65 km/h | 65-10 km/h | 10-0 km/h | |
| Snelheidsafhankelijke intervaltijden | 3 seconden | 5 seconden | 7 seconden | 11 seconden |
Terugschakeling wisserstand
Wanneer u de auto stopt, wordt de ruitenwissersnelheid van de voorruit één stand teruggezet:
- van snel naar langzaam
- van langzaam naar interval
Wanneer u weer gaat rijden, wordt automatisch een hogere stand gekozen.
Gevaar voor ongevallen!
Maak de achterruit vrij van ijs en sneeuw. Door het verminderde zicht kunt u een ongeval veroorzaken.
Met de achterruitverwarming
- kunt u de achterruit snel ontdooien.
- kunt u een beslagen achterruit laten drogen.

■Druk één keer op de schakelaar voor de achterruitverwarming (A).
De achterruitverwarming wordt ingeschakeld. De LED in de schakelaar gaat branden.
■Druk nog een keer op de schakelaar (A).
De achterruitverwarming wordt uitgeschakeld. De LED in de schakelaar brandt niet meer.
>Opmerking!
De achterruitverwarming wordt na 10 minuten automatisch uitgeschakeld.
Buitenspiegelverwarming*
Buitenspiegelverwarming*
Wanneer uw auto is uitgerust met elektrisch verstelbare buitenspiegels, worden deze eveneens verwarmd.
De buitenspiegelverwarming
- dient voor het automatisch ontdooien van de buitenspiegel,
- zorgt bij beslagen buitenspiegels voor vrij zicht.
Buitenspiegelverwarming inschakelen
Schakel de ontsteking in. Zet de achterruitverwarming aan.
De buitenspiegelverwarming wordt automatisch mee ingeschakeld.
Buitenspiegelverwarming uitschakelen
Zet de achterruitverwarming uit.
De buitenspiegelverwarming wordt automatisch uitgeschakeld.
Stoelverwarming*

Stoelverwarming*
Met de stoelverwarming kunt u de bestuurdersstoel (A) en de passagiersstoel (B) elektrisch verwarmen als de auto op contact staat.
Stoelverwarming in-/uitschakelen
De stoelverwarming heeft drie schakelstanden.
- Uit
Er brandt geen controlelampje in de schakelaar.
- Permanente werking
Er brandt één controlelampje in de schakelaar.
- Snelle opwarming van de stoel bij winterse temperaturen
Er branden twee controlelampjes in de schakelaar.
Opmerking!
Wanneer de auto wordt uitgeschakeld, wordt de stoelverwarming uitgeschakeld.
Storing
Bij een storing van de stoelverwarming gaat het controlelampje in de schakelaar kort branden en na het loslaten van de toets gaat het lampje weer uit.
Ga naar een gekwalificeerde werkplaats, bijv. een smart center.
Pelerine*
Pelerine*
Gebruik de automatische pelerine niet voor het afdekken van sterk verontreinigde auto's, omdat het vuil als schuurpapier de lak kan beschadigen.
Belangrijk!
Wanneer de auto langer dan een maand doorlopend is afgedekt, dan moeten dak, motorkap en bagageruimte worden geventileerd op de plaats waar de pelerine een groot oppervlak in de auto beslaat.
De lak van de auto kan vocht opnemen, die echter weer moet worden afgegeven.
Wanneer het opgenomen vocht niet weer wordt afgegeven, kan dit leiden tot vlekvorming op de lak.
Om deze vlekvorming te voorkomen, moeten er afstandsblokjes - bijv. van piepschuim - tussen pelerine en het oppervlak van de auto worden gelegd, zodat er voor de benodigde ventilatie wordt gezorgd.
Pelerine aanbrengen
De pelerine is in de fabriek zo opgevouwen, dat bij het afrollen altijd de geschuimde kant van het materiaal op de carrosserie rust.
Rol de pelerine van achter naar voren over het dak van de auto.
Klap de pelerine aan beide zijden omlaag.
Trek het trekkoord stevig aan, zodat de pelerine goed strak zit.
De pelerine kan niet door de wind worden opgetild.
Pelerine*
Pelerine verwijderen
Maak het trekkoord los. Klap de zijkanten op het dak van de auto. Rol de pelerine van voren naar achter op over het dak van de auto.
Tegen diefstal verzekerd
De pelerine is voor de duur van één jaar tegen diefstal verzekerd. Mocht hij binnen één jaar na aankoopdatum gestolen worden, dan ontvangt u na het verzenden van de volgende documenten aan de firma Eigbrecht een nieuwe pelerine:
a) Aangifte van de diefstal bij de politie, b) Aankoopbewijs, c) Garantiebon en d) administratiekosten van 16, betaling per cheque.
Adres van de fabrikant
Eigenlijk kunt u zich met uw auto voldoende vermaken. Wanneer u echter wel eens iets anders wilt, kunt u gebruik maken van uw smart radio five*, smart cd-wisselaar* of uw boordcomputer*. Daarmee wordt uw auto een echte entertainer.
Algemene informatie
Algemene informatie

Gevaar voor ongevallen!
Zorg ervoor dat u voor de rit op de hoogte bent van de verschillende functies van uw radio, zodat uw aandacht tijdens het rijden niet van het verkeer wordt afgeleid. Eventuele invoer dient uit veiligheidsoverwegingen alleen te worden gedaan wanneer u stilstaat en de auto op een veilige plaats staat.

Gevaar voor ongevallen!
Stem het volume altijd zo af, dat u geluiden uit de omgeving (bijv. claxons, ambulances, politieauto's enz.) nog kunt waarnemen. Anders bestaat de mogelijkheid dat u een ongeval veroorzaakt.
Op de volgende pagina's vindt u een korte beschrijving van uw smart radio one en smart radio five.
Hierin worden alle mogelijke uitvoeringen genoemd, waaronder radiofunctie en gebruik met de cd-wisselaar. Op uw radio is de beschrijving van de desbetreffende uitvoering van toepassing.
>Opmerking!
Details over de bediening vindt u in de gebruikshandleiding van de radio.
smart soundpakket*
Om te zorgen dat uw audio-/telematica-apparatuur goed tot haar recht komt, biedt het smart soundpakket met extra luidsprekers powersound op hifi-niveau.
smart radio one*

smart radio one*
Basisinstellingen Radiofunctie Cd-functie
- In-/Uitschakelen, Volume aanpassen (a)
- T P a a n / u i t (b)
- EXPERT-instellingen (langdurig indrukken) (i)
- Geluidsinstellingen (j) met toets (f) aan te passen
- Zender kiezen, zender opslaan (d, e, g, h)
- Zenderzoekfuncties
- Zenderopslagniveaus (AM/FM1/FM2/FM3) (c) met elk vier posities voor het opslaan van zenders die kunnen worden opgeroepen met de toetsen (d, e, g, h)
1
- Titels in willekeurige volgorde afspelen (h)
smart radio five*

smart radio five*
Basisinstellingen Radiofunctie Cd-functie
- In-/Uitschakelen, Volume aanpassen (a)
- T P a a n / u i t (b)
- EXPERT-instellingen (langdurig indrukken) (j)
- Geluidsinstellingen (k) met toets (g) aan te passen
- Zender kiezen, zender opslaan (d, e, h, i)
- Zenderzoekfunctie
- Zenderopslagniveaus (AM/FM1/FM2/FM3) (c) met elk vier posities voor het opslaan van zenders die kunnen worden opgeroepen met de toetsen (d, e, h, i)
- Intro-weergave van de titels (d)
- C d k i e (e,dn)n
- C d u i t w e r p e n (f)
- Titels kiezen (g)
- Titels in willekeurige volgorde afspelen (i)
Gevaar voor ongevallen!
Zorg ervoor dat u voor de rit op de hoogte bent van de verschillende functies van uw navigatiesysteem, zodat uw aandacht tijdens het rijden niet van het verkeer wordt afgeleid. Eventuele invoer dient uit veiligheidsoverwegingen alleen te worden gedaan wanneer u stilstaat en de auto op een veilige plaats staat.

Gevaar voor ongevallen!
Stem het volume altijd zo af, dat u geluiden uit de omgeving (bijv. claxons, ambulances, politieauto's enz.) nog kunt waarnemen. Anders bestaat de mogelijkheid dat u een ongeval veroorzaakt.
Het smart navigatiesysteem biedt
- Radiofuncties (UKW-, kortegolf-, middengolf- en langegolfontvangst)
- een cd-speler voor het afspelen van audio-cd's en
- een geïntegreerd navigatiesysteem met gelijktijdig gebruik van audio- en navigatiefuncties.
Cd-speler
Audio-cd's en de gegevensdragers voor de navigatie worden via de geïntegreerde cd-speler afgespeeld.
Het multifunctionele display
Het multifunctionele display visualiseert de besturingsfuncties met pijltjes die de richting aangeven, tekst, afstandsweergave en schematische voorstellingen van kruisingen. Gesproken informatie ondersteunt de visuele voorstellingen en helpt u snel en probleemloos uw bestemming te bereiken.
>Opmerking!
Details over de bediening vindt u in de bedieningshandleiding van uw smart radio navigator.
Bedieningselementen van de radio
| a Apparaat aan- of uitzetten | g Stationsgeheugen en autostore-functie | m Automatische zenderzoekfunctie terug |
| b Automatische zenderzoekfunctie vooruit | h Stationsgeheugen | n S c a n n e nIntro-weergave van ontvangen radiozenders |
| c M u t e - s c h a k e l i n g | i Stationsgeheugen, zoekfunctie PTY+ en handmatige zenderzoekfunctie | |
| d Keuzemogelijkheid radio of cd | j Stationsgeheugen en zoekfunctie PTY- | o Keuzemogelijkheid: bas, hoge tonen, fader, balance |
| e Handmatige zenderinstelling en instellingen van bas, hoge tonen, fader, balance | k Stationsgeheugen en regionale zenders | |
| f Menukeuze | l Stationsgeheugen en omschakeling RDS-/frequentieweergave | p Volumeregeling |
Bedieningselementen van de cd-speler
| a Apparaat aan- of uitzetten | h Contrastinstelling | m Randomfunctie van de titels |
| b Titel vooruit | i Weergave van de afgespeelde tijd van zowel de cd als van de titel en van de totale speeltijd | n Titel terug |
| c Mute-schakeling | o Scannen | |
| d Cd-ingang | Intro-weergave van de titels | |
| e Cd-uitschuiftoets | j Muziekzoeksysteem vooruit | p Keuzemogelijkheid: bas, hoge tonen, fader, balance |
| f Keuzemogelijkheid radio of cd | k Muziekzoeksysteem terug | |
| g Instelling bas, hoge tonen, fader, balance | l Herhaling van de titel van de actuele cd | q Volumeregeling |
Bedieningselementen van het navigatiesysteem
| a Apparaat aan- of uitzetten | f Menukeuze en bevestiging van de keuze | k T M C - f u n c t i e |
| b Navigatiemeldingen onderbreken of uitschakelen | g Terug naar het vorige menu | l F i l e |
| h Oproepen navigatiesysteem | m Tussenstop | |
| c C d - i n g a n g | i Wissen van de invoer of een afgelegd doel (Delete) | n Keuzemogelijkheid: bas, hoge tonen, fader, balance |
| d Cd-uitschuiftoets | ||
| e Informatietoets | j V I A - f u n c t i e | o Volumeregeling en weergave van de actuele navigatiemelding |
smart cd-wisselaar* en cd-box*
smart cd-wisselaar* en cd-box*
smart cd-wisselaar*
De smart cd-wisselaar bevindt zich onder de passagiersstoel.
>Opmerking!
Details over de bediening vindt u in de gebruikshandleiding van de smart cd-wisselaar.

De cd-box bevindt zich op de middenconsole onder de rookset. Deze is bedoeld voor het opbergen van uw cd's. U kunt twee cd-boxen boven elkaar inbouwen. De cd-laden kunnen aan de lussen naar buiten worden getrokken.
>Opmerking!
U kunt twee cd-boxen boven elkaar inbouwen als er geen boordcomputer wordt gebruikt.
Boordcomputer*

De boordcomputer wordt automatisch geactiveerd, wanneer u de ontsteking inschakelt.
Boordcomputer*

Menugeleiding
Op het LCD-display kunt u met de bedieningselementen door
- linksom draaien,
- rechtsom draaien, - drukken
de volgende informatie oproepen.
Met het menu "Instrumenten" kunnen
- motortoerental,
- snelheid,
- buitentemperatuur
worden afgelezen.
Menu "Trip" (B)
Met het menu „Trip“ kunt u tijdens het rijden belangrijke informatie aflezen.
- Dagteller
- afgelegd traject
- brandstofverbruik
- gemiddeld brandstofverbruik
- gemiddelde snelheid
- resterende tankinhoud
- reikwijdte
- Rijtijdenboekje
- begin van de rit
- duur van de rit
- afgelegd traject
- brandstofverbruik
Bovendien kunt u de betreffende gegevens van vijf ritten opslaan.
In het menu "Stopwatch" vindt u
- Stopwatch (voor het opnemen van tijden en tussentijden)
- Sectoren
sectorduur
sectortraject
gemiddelde sectorsnelheid
In het menu "Stopwatch" kunnen steeds vijf waarden worden opgeslagen.
Menu "Systeem" (D)
Met het menu "Systeem" kunt u
- taalvarianten D, GB, F, I selecteren,
- de datum en tijd worden ingesteld,
- de maateenheden vastleggen,
- display en verlichting instellen,
- het contrast op het display instellen,
- de fabrieksmatige instellingen herstellen.
Overige informatie
De boordcomputer geeft daarnaast een hele reeks waarschuwingen weer:
- niet correct afgesloten portieren,
- fout bij dak,
- te hoge motortemperatuur,
- te lage oliedruk,
- te laag remvloeistofpeil,
- tankreserve bereikt,
- auto nog op de handrem,
- licht uitschakelen,
- kleine beurt nodig,
- grote beurt nodig,
- gevaar voor vorst.
Telefoonconsole* en universele handsfree-installatie*

De telefoonconsole bevindt zich rechts naast de schakelhendel. Voor de verschillende modellen mobiele telefoons zijn bijpassende telefoonhouders* beschikbaar. Wanneer u een ander model telefoon in de universele handsfree-installatie* wilt gebruiken, kunt u gewoon de telefoonhouder verwisselen.
>Opmerking!
Details over de bediening en de montage van de telefoonhouders* vindt u in de desbetreffende bedieningshandleiding.
Gevaar voor ongevallen! Het gebruik van telefoons en radioapparatuur, waarvan de antenne zich binnen in de auto bevindt, kan leiden tot functiestoringen bij de auto-elektronica en zo de bedrijfszekerheid van de auto in gevaar brengen. Tijdens het rijden moeten telefoons en radioapparatuur zonder buitenantenne uit veiligheidsoverwegingen uitgeschakeld zijn.
Gevaar voor ongevallen! Gebruik tijdens het rijden de telefoon alleen in combinatie met de handsfree-installatie* en alleen wanneer de verkeerssituatie dit toelaat. Anders kunt u van het verkeer worden afgeleid en een ongeval veroorzaken. Het bellen zonder handsfree-installatie is in de meeste landen verboden.
Universele handsfree-installatie*
De universele handsfree-installatie is op het radio- en luidsprekersysteem aangesloten. Daardoor worden audiosignalen via de autoluidsprekers weergegeven en het volume kan m.b.v. de radio worden geregeld (uitgezonderd het navigatiesysteem).
De microfoon bevindt zich aan de bestuurderszijde naast de binnenverlichting.
Tijdens het telefoneren
- wordt de installatie automatisch geactiveerd,
- verschijnt de melding TELEFOON op het display van de radio,
- wordt het geluid van het audioprogramma automatisch uitgeschakeld.
Opmerking!
Details over de bediening vindt u in de bedieningshandleiding van de universele handsfree-installatie.
smart webmove package*
smart webmove package*
Het smart webmove package biedt u toegang tot internet en daarmee tot de mobiele portal-diensten van smart.
De volgende functies staan ter beschikking:
- Smart Portal
- Telefoon
- Adresboek
- Navigatie
- Mediaplayer
Gevaar voor ongevallen! Zorg dat u tijdens het rijden niet van het verkeer wordt afgeleid. Gebruik het smart webmove package niet tijdens het rijden. Anders kunt u door de bediening van het verkeer worden afgeleid en een ongeval veroorzaken. Voer uit veiligheidsoverwegingen alleen gegevens in wanneer de auto stilstaat, mits de verkeerssituatie dit toelaat.
Als bestuurder bent u volledig verantwoordelijk voor de verkeersveiligheid. Houd er rekening mee dat uw auto al bij een snelheid van 50 km/h per seconde 14 meter aflegt.
smart webmove package*

A Volumeregelaar B Aansluiting infraroodbediening C In-/uitschakelen en achtergrondverlichting D Contacten E Luidspreker F LED-display G Antenne met insteekvak voor de stift H Startpagina I Telefoon aan/uit J Navigatie-pad K Microfoon L Telefoonapplicatie aan/antwoordapparaat en meeluisterfunctie M Touch screen
iPod*
iPod*

Gevaar voor ongevallen!
Zorg dat u tijdens het rijden niet van het verkeer wordt afgeleid. Gebruik de Apple iPod niet tijdens het rijden.
Anders kunt u door de bediening van het verkeer worden afgeleid en een ongeval veroorzaken.
Voer uit veiligheidsoverwegingen alleen gegevens in wanneer de auto stilstaat, mits de verkeerssituatie dit toelaat.
Als bestuurder bent u volledig verantwoordelijk voor de verkeersveiligheid.
Houd er rekening mee dat uw auto al bij een snelheid van 50 km/h per seconde 14 meter aflegt.
![graph TD A["Device A"] --> B["Signal"] B --> C["Device B"] C --> D["Device C"] D --> E["Device D"] E --> F["Device E"] F --> G["Device F"] G --> H["Device G"] H --> I["Device H"] I --> J["Device I"] J --> K["Device J"]](/content/2026/05/1117783/images/e0c7b23abeb5ac773b4268e62f3029f5d6db7ae910f9f7df072b36e7e01f4960.jpg)
Bedieningselementen
A Aansluitbus voor de afstandsbediening
B Aansluitbus voor hoofdtelefoon
C Blokkeerschakelaar
D Display
E Toets Achteruit
F Toets Menu
G Toets Afspelen/Pauze
H Toets Vooruit
I Toets Keuze
J Scroll-pad
K Hoofdtelefoon
L Aansluiting dock connector

Van softtop naar open roadster Van open roadster naar softtop Van hardtop* naar open roadster Van open roadster naar hardtop* Aanwijzingen voor het afdeksysteem
>>Veranderende omstandigheden.
Uw auto kunt u uiterst snel in een open auto veranderen en de softtop ook net zo snel weer sluiten. Maak gebruik van deze variabiliteit en geniet van iedere zonnestraal.
Van softtop naar open roadster
Van softtop naar open roadster

Gevaar voor letsel!
Beide zijstangen altijd in de voorste bagageruimte in de daarvoor bestemde voorziening transporteren. Wanneer de hardtophelften los in het interieur worden meegenomen kan dit bij een ongeval, remmanoeuvre of abrupte verandering van de rijrichting zwaar lichamelijk letsel veroorzaken.

Daarom is het beter om bij het openen en sluiten van de softtop de motor te laten draaien. De accu kan leeglopen wanneer de softtop meerdere malen geopend en gesloten wordt.

■Druk op de kantelschakelaar (A) in de richting "Open" of ■Druk tweemaal kort achter elkaar op de ontgrendelingstoets van de afstandsbediening.
De softtop wordt geopend.
>Opmerking!
Wanneer u tijdens het openen op een toets van de afstandsbediening drukt, stopt de softtop in de actuele positie.
Van softtop naar open roadster

Zijstangen demonteren
Open de softtop zo ver dat deze geheel in de achterste bagageruimte ligt.
Belangrijk!
De zijstangen mogen alleen gedemonteerd worden als de softtop volledig in de achterste bagageruimte ligt.

Druk op de geïntegreerde borgstrip op de ontgrendelingshendel aan de zijkant. Draai de ontgrendelingshendel naar onder (A).
De bevestigingsnokken voor aan de zijsteunen moeten geheel ingetrokken zijn.
Til de zijsteun voor uit de aanslag (B). Haal de zijstang eruit.

Stangbevestiging plaatsen
Neem de stangbevestiging (A) uit de desbetreffende houder in de bagageruimte en steek deze zoals weergegeven op de zijsteun.
Van softtop naar open roadster

de zijstang aan de linkerkant van de auto (A) op de voorste positie in (A) van de voorste bagageruimte gemonteerd wordt.

de zijstang aan de rechterkant van de auto (B) op de achterste positie in (B) van de voorste bagageruimte gemonteerd wordt.

Geleid de dakstijl met de voorzijde in de bevestiging in de voorste bagageruimte.
Van softtop naar open roadster

Laat de zijstang incl. stangbevestiging in de daarvoor bedoelde bevestiging zakken. Ga nu met de tweede zijstang net zo te werk als met de eerste.
Van open roadster naar softtop

Van open roadster naar softtop

De zijstangen uit de bagageruimte pakken
■Open de voorste bagageruimte. ■Druk de stijlvergrendeling op de getoonde plaats in. ■Verwijder de zijstang met de stangbevestiging.

Stangbevestiging verwijderen
■Verwijder de stangbevestiging van de zijstang en plaats de stangbevestiging weer in de vergrendeling.
Van open roadster naar softtop

Let er bij de montage op dat
- de afdichtingen niet in elkaar worden gedrukt of anderszins vervormd worden.

- de zijstang in de voorste positie (A) in de bagageruimte aan de linkerkant van de auto (A) gemonteerd wordt.
- de zijstang in de achterste positie (B) in de bagageruimte aan de rechterkant van de auto (B) gemonteerd wordt.

■Geleid de beide zijstangnokken in de desbetreffende openingen (A).
Van open roadster naar softtop

Zijstangen vergrendelen
■Draai de ontgrendelingshendel voor op de zijstang zo ver naar voren (in de rijrichting), dat de bevestigingsnok helemaal teruggeschoven is. ■Laat de zijstang voorzichtig in de geleiding (A) zakken, daarna moet u de ontgrendelingshendel (B) sluiten. ■Herhaal de procedure op de tegenoverliggende zijde.

Sluit de softtop alleen bij een draaiende motor.
■ Druk op de kantelschakelaar (A) in de richting "Dicht". of ■ Druk tweemaal kort achter elkaar op de vergrendelingstoets van de afstandsbediening.
De softtop wordt gesloten.

Wanneer u tijdens het sluiten op een toets van de afstandsbediening drukt, stopt de softtop in de actuele positie.
Van hardtop* naar open roadster

Van hardtop* naar open roadster
> Opmerking!
Demonteer altijd eerst de hardtophelft aan de bestuurderszijde en vervolgens de hardtophelft aan de passagierszijde.

■ Druk op de borgknop (A). ■ Draai de middelste ontgrendelingshendel van uw hardtop helemaal naar beneden.
Van hardtop* naar open roadster

De ontgrendelingshendel aan de zijkant openen
■ Druk de geïntegreerde borgstrip tegen de ontgrendelingshendel aan de zijkant op de bestuurderszijde. ■ Draai de ontgrendelingshendel op de bestuurderszijde helemaal naar beneden.

De hardtophelften verwijderen
■ Verwijder de hardtophelft op de bestuurderszijde (A). ■ Open de ontgrendelingshendel aan de zijkant op de passagierskant. ■ Verwijder de hardtophelft op de passagierskant (B).

Van hardtop* naar open roadster
Hardtop* opbergen
De helften van de hardtop kunnen naar keuze in de speciale ruimte in de bagageruimte worden opgeslagen of apart van de auto in een speciale zak.
Voor het opslaan
■ Verwijder de hardtophelften zoals beschreven op pagina 5-9. ■ Reinig de hardtophelften.
Hardtop opslaan in de achterste bagageruimte

Gevaar voor letsel!
Transporteer de beide
hardtophelften altijd in de achterste bagageruimte in de daarvoor bedoelde voorziening.
Wanneer de hardtophelften los in het interieur worden meegenomen kan dit bij een ongeval, remmanoeuvre of abrupte verandering van de rijrichting zwaar lichamelijk letsel veroorzaken.

■ Trek de hardtop-houders voor het plaatsen zover uit elkaar dat de band tussen de houders volledig gespannen is. ■ Klap afstandhouders naar boven (A). ■ Plaats de hardtophelft op de linkerzijde (B): ■ Let er bij de plaatsing op dat
- dat de afdichtingen niet in elkaar worden gedrukt of anderszins vervormd worden.
- dat de bouten volledig ingetrokken zijn.
Van hardtop* naar open roadster

■ Klap de afstandhouders (A) naar beneden.

■ Leg de rechter hardtophelft (B) in de houder, zoals getoond. ■ Let er bij de plaatsing op dat - de afdichtingen niet in elkaar worden gedrukt of anderszins vervormd worden. - dat de bouten volledig ingetrokken zijn.

Van hardtop* naar open roadster

Hardtop voor externe opslag in hardtopzak* plaatsen. Plaats de beide hardtophelften zoals beschreven op pagina 5-11 in de hardtop-houders.

Leg de hardtop met de hardtop-houders in de hardtopzak.

Sluit de rits van de hardtopzak.
Van open roadster naar hardtop*
Van open roadster naar hardtop*
Monteer eerst de hardtophelft op de passagierszijde en vervolgens op de bestuurderskant. Let erop dat de ontgrendelingshendel in het midden en op de beide zijkanten correct vastgezet wordt.

Gevaar voor letsel!
Controleer of de beide
hardtophelften goed zijn gemonteerd voordat u gaat rijden. Rij nooit met maar één hardtophelft.
Verkeerd gemonteerde hardtophelften kunnen bij een ongeval, remmanoeuvres of abrupte veranderingen van de rijrichting losraken en zwaar lichamelijk letsel veroorzaken.
Aanwijzingen voor het afdeksysteem
Aanwijzingen voor het afdeksysteem
Neem om beschadigingen aan het vouwdak te vermijden, de volgende aanwijzingen in acht:
Bescherming van de softtop tijdens het beladen
In de achterste bagageruimte is een onder veerspanning staande kunststofstrip ter bescherming van uw softtop aangebracht.
- Plaats geen voorwerpen in de buurt van de kunststofstrip. Het vouwdak zou klem kunnen komen te zitten en beschadigd raken.
- Wanneer de kap geopend is, voorkomt deze kunststofstrip door de loodrechte positie dat geladen voorwerpen met de kap in aanraking komen.
- Bij een gesloten kap wordt de kunststofstrip door de bagage die daarop ligt horizontaal gekanteld. Het vouwdak kan in dit geval niet worden geopend.
- Bij het transport van lange voorwerpen in uw auto moet u bij gesloten softtop erop letten dat de voorwerpen niet tegen de softtop drukken.
- Let bij het laden op dat er geen scherpe delen in aanraking komen met de afdekking.
- Geen scherpe, hete, gloeiende of brandende voorwerpen boven de 80 °C op de afdekking leggen.
Bescherming bij de verzorging
- Breng geen was aan op het materiaal van de afdekking en gebruik uitsluitend het wasvrije wasprogramma in de wasstraat.
- Zorg dat het oppervlak van de softtop niet in aanraking komt met logen of zuren.
- De softtop mag niet in natte toestand worden geopend of opgeslagen. Hierbij bestaat namelijk gevaar op waterschade aan het interieur of vocht en schimmelvlekken op de kap.
Algemene bescherming van het afdeksysteem
- Zorg dat de sleutelgaten van het afdeksysteem niet verstopt raken.
- Berg de zijstangen en hardtophelften alleen in de daarvoor bestemde bergruimte in de voorste en achterste bagageruimte op.
- Let erop dat de zijstangen altijd volledig zijn vergrendeld voordat u de softtop activeert.
- Let op dat er geen kleine deeltjes of vuil in de looprails van de kap liggen (eventueel regelmatig reinigen).

Bevestigingssystemen voor kinderen* Gebruik van bevestigingssystemen voor kinderen Geadviseerde bevestigingssystemen voor kinderen
Aangepast voor kinderen.
De veiligheid van uw kind ligt ons bijzonder na aan het hart.
Daarom hebben wij voor uw kinderen een bevestigingssysteem* ontwikkeld, dat aan de hoogste veiligheidseisen voldoet. Het is volgens de nieuwste ergonomische kennis ontwikkeld, zodat uw kinderen comfortabel kunnen zitten.
Bevestigingssystemen voor kinderen*
Bevestigingssystemen voor kinderen*
Zonder geschikte bevestigingssystemen voor kinderen
- kunnen de veiligheidsgordels niet correct worden omgedaan.
- lopen uw kinderen een verhoogd gevaar voor letsel, omdat spieren en botstructuur bij kinderen nog niet volledig zijn volgroeid.
Kinderen hebben ter vermindering van dit verhoogde letselgevaar geschikte bevestigingssystemen nodig, wanneer zij
- kleiner zijn dan 1,50 m of
- jonger dan 12 jaar zijn.
Op grond daarvan adviseren wij om de door smart gmbh vrijgegeven bevestigingssystemen voor kinderen te gebruiken. Details ten aanzien van deze producten staan vermeld in de desbetreffende afzonderlijke gebruikshandleidingen. Lees deze a.u.b. zorgvuldig door.
>Opmerking!
Houd u aan de in het desbetreffende land geldende voorschriften.
Bevestigingssystemen voor kinderen*
Waar u op moet letten als u kinderen vervoert!

Gevaar voor letsel!
Laat een kind nooit alleen achter in de auto. Het zou bijv. de auto in beweging kunnen zetten, zich aan bewegende onderdelen kunnen verwonden, de portieren openen en daardoor zichzelf en anderen in gevaar kunnen brengen. Neem ook de andere waarschuwingen met betrekking tot kinderen in auto's in dit instructieboekje in acht.

Gevaar voor letsel!
Bij kinderen kleiner dan 1,50 m en jonger dan 12 jaar kunnen de veiligheidsgordels, zonder adequate ondersteuning, niet op de juiste wijze worden gedragen. Daarom heeft u ter voorkoming van ongevallen speciale bevestigingssystemen voor kinderen nodig. Laat de kinderen in geen geval op schoot van een andere inzittende meerijden. Kinderen zijn dan bij een ongeval niet beschermd en kunnen dodelijk of zwaar lichamelijk letsel oplopen. Neem tijdens het monteren van een bevestigingsvoorziening voor kinderen de montagehandleiding van de fabrikant in acht.

Gevaar voor letsel!
Om het gevaar voor dodelijk of zwaar lichamelijk letsel voor het kind bij een ongeval, remmanoeuvre of abrupte verandering van de richting te verminderen, dient u de volgende aanwijzingen in acht te nemen:
- Bij bevestigingssystemen voor kinderen zonder eigen gordelsysteem moet het schoudergordelgedeelte van de in de auto geïntegreerde driepuntsgordel altijd over het midden van de schouder - in geen geval langs de hals - van het kind lopen en stevig tegen het bovenlichaam aan liggen. Het heupgordelgedeelte van de veiligheidsgordel moet over het bekken - niet over de buik - lopen en altijd stevig tegen het bekken aan liggen. De gordel eventueel goed aantrekken.
- Bescherm een kind altijd met het bevestigingssysteem voor kinderen.
- De gordel mag niet klemmen of verdraaid zijn en mag niet tegen scherpe kanten schuren. Neem de montagehandleiding van het bevestigingssysteem voor kinderen in acht.
Bevestigingssystemen voor kinderen*

Gevaar voor letsel!
Wanneer het bevestigingssysteem voor kinderen of de bevestiging daarvan beschadigd is of bij een ongeval beschadigd is geraakt, kan het daarin zittende kind bij een ongeval, remmanoeuvres of abrupte veranderingen van de rijrichting dodelijk of ernstig lichamelijk letsel oplopen.
Laat beschadigde of bij een ongeluk belaste bevestigingssystemen of de bevestigingen daarvan daarom onmiddellijk door een gekwalificeerde werkplaats, bijv. een smart center, controleren en indien nodig vervangen.

Gevaar voor letsel!
Wanneer het airbagcontrolelampje bij een gemonteerd babyzitje op de passagiersstoel niet brandt, is de passagiersairbag niet uitgeschakeld. Wanneer de passagiersairbag niet uitgeschakeld is, kan het kind door een airbag aan passagierszijde ernstig tot dodelijk gewond raken, wanneer het zich in de directe nabijheid van de airbag aan passagierszijde bevindt. De airbag aan passagierszijde wordt alleen uitgeschakeld, wanneer u een speciaal smart babyzitje op de passagiersstoel bevestigt.

Gevaar voor letsel!
Zet een kind nooit met een naar achteren gericht bevestigingssysteem voor kinderen op de passagiersstoel wanneer de airbag aan passagierszijde niet is uitgeschakeld, d.w.z. wanneer het airbag-controlelampje niet brandt.
Neem ook de betreffende waarschuwingssymbolen op het dashboard in acht.
Wanneer u een speciaal smart babyzitje op de passagiersstoel heeft geïnstalleerd en het airbag-controlelampje brandt niet (bevestigingssysteem niet herkend), laat de automatische bevestigingssysteemherkenning dan onmiddellijk controleren door een gekwalificeerde werkplaats, bijv. een smart center.
Vervoer in de tussentijd geen kinderen, omdat ze bij een ongeval zware tot dodelijke verwondingen kunnen oplopen.
Gebruik van bevestigingssystemen voor kinderen*
Gebruik van bevestigingssystemen voor kinderen*
In de onderste tabel krijgt u een overzicht van de inbouwmogelijkheden van bevestigingssystemen voor kinderen in uw auto.
Stoelen Gewichtsgroepen en globale leeftijden
| tot 10 kg(0 tot ca. 9 maanden) | tot 13 kg(0 tot 2 jaar) | 9 tot 18 kg(ca. van 9 maanden tot4 jaar) | 15 tot 36 kg(ca. van 4 jaar tot 12 jaar) | |
| Passagiersstoel - B UV UV | ||||
UV: Geschikt voor naar voren gerichte "universele" bevestigingssystemen voor kinderen, die voor deze leeftijdsgroep zijn goedgekeurd. B: Geschikt voor speciale bevestigingssystemen voor kinderen, die in de bijgevoegde lijst zijn opgenomen. Daarbij kan het gaan om "voertuigspecifieke", "beperkte" of "half universele" en "universele" bevestigingssystemen voor kinderen.
Geadviseerde bevestigingssystemen voor kinderen
| Gewichtsgroep Fabrikant Type Goedkeuringsnr. | smartartikelnummer | Opmerking | |||
| tot 10 kg (tot 9 maanden) - - - - | |||||
| tot 13 kg (0 tot 2 jaar) | Storchenmühle | Babyzitje* | E4 03 442811 | LU 0010322 | 1), 2) |
| Storchenmühle Snelbevestiging*en Basisfix*linkse besturing | OnderdeelGoedkeuringbabyzitje | LU 14474 V001 1), 2) | |||
| Storchenmühle Snelbevestiging*en Basisfix*rechtse besturing | OnderdeelGoedkeuringbabyzitje | LU 14473 V001 1), 2) | |||
| 9 tot 36 kg(van 9 maanden tot 12 jaar) | Storchenmühle BevestigingssysteemAir-Seat*rechtse en linksebesturing | E1 03 301085 LU 15081 1) | |||
| 15 tot 36 kg(van 4 tot 12 jaar) | Klippan | Stoelverhoging*voor kinderen | E11 03 44066 LU 0002617 1) | ||
| Klippan | Rugleuning* voorstoelverhoging* | E11 03 44112 LU 0004663 1) | |||
1) Wanneer deze bevestigingssystemen voor kinderen worden gebruikt, moet de passagiersstoel in de achterste stand worden gezet. 2) Airbaguitschakeling passagiersstoel bij gebruik van de babyschaal op de passagiersstoel is beslist noodzakelijk.

Voordat u gaat rijden Rijden Rijden in de winter Rijden met katalysator Rij-instructies Tempomat* Limiter* Remmen Elektronisch stabiliteitsprogramma (esp) Airbags
>>Dynamisch.
Wanneer uit onderzoek rijplezier naar voren komt, dan ligt dat aan het feit dat uw auto voor een volledig nieuw rijgevoel zorgt. Een schakeling die ook in de Formule 1 of in sportwagens wordt gebruikt. Met de sequentiële 6-versnellingsbak softip schakelt u zonder het koppelingspedaal te gebruiken. En in de automatische modus softouch* schakelt uw auto zelfstandig. esp helpt u bovendien niet alleen veilig door de winter, maar vermindert ook de kans op slingeren!
Voordat u gaat rijden

Voordat u gaat rijden

Gevaar voor ongevallen!
Het gebruik van telefoons en radioapparatuur, waarvan de antenne zich binnen in de auto bevindt, kan leiden tot functiestoringen bij de autoelektronica en zo de bedrijfszekerheid van de auto in gevaar brengen.
Tijdens het rijden moeten telefoons en radioapparatuur zonder buitenantenne uit veiligheidsoverwegingen uitgeschakeld zijn.

Gevaar voor ongevallen!
Wanneer u vloermatten* gebruikt, moet u erop letten dat er voldoende ruimte tot de pedalen is en dat de matten veilig zijn bevestigd. Plaats nooit voorwerpen in de beenruimte van de bestuurder.
Controleer de bevestiging voordat u gaat rijden en corrigeer dit eventueel. Een niet adequaat bevestigde vloermat kan gaan glijden en daardoor de werking van de pedalen beïnvloeden. Leg niet meerdere vloermatten over elkaar heen, omdat deze samen niet correct kunnen worden bevestigd.
■Zorg er voordat u met de auto gaat rijden voor dat u weet hoe de verschillende bedieningselementen van de auto werken.

■Let vooral op de technische bijzonderheden:
- (A) Display met weergave van de versnelling
- (B) Startblokkering
- (C) Schakelhendel
- (D) Omschakelknop softip/softtouch*
- (E) Plaats van het contactslot
- Geen koppelingspedaal
Lees dit hoofdstuk aandachtig door.
Leer zo de auto en het gebruik ervan kennen.
Voordat u gaat rijden

Uw auto wordt afhankelijk van de uitvoering geschakeld:
Handmatig schakelen (softip)
U schakelt in een hogere of lagere versnelling (+ of -) door de schakelpook kort naar voren of achteren te drukken.

Geautomatiseerd schakelen (softouch)*
Er wordt automatisch tussen de versnellingen omgeschakeld, wanneer de schakelhendel in de schakelstand staat en u op knop (A) drukt.
Opmerking!
Wanneer u de auto start, wordt handmatig schakelen (softip) geselecteerd.
Uitzondering: Brabus-uitvoeringen en uitvoeringen met 60 kW.

Schakelen op het stuur*
Met het met leer beklede sportstuur met drie spaken kunt u schakelen, zonder dat u met één hand het stuur los hoeft te laten. U schakelt tussen de versnellingen door op de kantelschakelaars op het stuurwiel te drukken wanneer de schakelhendel in de schakelstand staat.
- = In een hogere versnelling schakelen
- = Terugschakelen
Rijden
Rijden
Inrijden
De eerste 1.500 km die u met de auto rijdt, hebben grote invloed op de levensduur en de prestaties van de motor.
Tijdens de inrijperiode geldt:
- Trap het gaspedaal niet geheel in.
- Schakel bijtijds als dit op het display wordt weergegeven.
- Vermijd een hoog toerental.
Na de inrijperiode geldt:
U kunt de snelheid en het toerental van de auto langzaam tot het maximum laten oplopen.
>Opmerking!
Neem de rij-instructies in deze handleiding in acht.
Rijden

De wegrijblokkering wordt automatisch geactiveerd wanneer uw auto langer dan 5 minuten onafgesloten staat.
Bij een geactiveerde wegrijblokkering
- wordt in het display een ⚫ weergegeven, wanneer u de contactsleutel in de stand 1 draait.
- klinkt driemaal een pieptoon.
Zo deactiveert u de wegrijblokkering:
■ Draai de contactsleutel terug in de stand 0. ■ Druk op de toets op de contactsleutel. Wanneer u beschikt over een infrarood-afstandsbediening, moet u daarbij op de binnenspiegel richten.
Een eenmalige pieptoon geeft aan dat de wegrijvergrendeling is gedeactiveerd. ■ Draai de contactsleutel weer in de stand 1. Op het display verschijnt 1, N of R.
Rijden
Motor starten

Gevaar voor vergiftiging!
Laat de motor nooit in afgesloten ruimten draaien. De uitlaatgassen bevatten koolmonoxide. Het inademen van uitlaatgas is schadelijk voor de gezondheid. Dit kan tot bewusteloosheid en zelfs de dood leiden.

Gevaar voor ongevallen!
Als de motor niet draait, werkt de rembekrachtiger niet. De voor het remmen benodigde kracht is daarom aanmerkelijk groter.

■ Doe de veiligheidsgordel om. ■ Trap het rempedaal in. ■ Steek de sleutel in het contactslot. ■ Draai de sleutel op stand 1. ■ Zet de schakelhendel in de stand N.
Op het display verschijnt N. ■ Druk op de starttoets op de schakelhendel. of ■ Draai de sleutel kort naar rechts. De motor start zelfstandig (tipstart).

Motor start alleen wanneer de schakelhendel in de stand N staat. Op het display verschijnt N.
Rijden

Wanneer in de digitale weergave een
wordt weergegeven, moet eerst de wegrijblokkering worden gedeactiveerd (zie pagina 7–5).
Opmerking!
Wanneer bij het starten de startblokkering geactiveerd is, of de auto in de achteruit staat, begint de aanduiding op het display te knipperen.
Auto start niet
Controleer nogmaals of
- de schakelhendel op N staat,
- het rempedaal is ingedrukt,
- op het versnellingsdisplay een N is weergegeven.
1. De motor start niet binnen 4 seconden:
■ Wacht even. ■ Probeer opnieuw te starten.
2. De motor start niet:
■ Beveilig uw auto tegen wegrollen, wanneer u deze verlaat. ■ Bel een reparatiedienst, bijv. smartmove Assistance, of een gekwalificeerde werkplaats, bijv. een smart center.
Rijden

■ Trap het rempedaal in.
■ Trek de schakelhendel vanuit de stand N naar links in het schakelvlak.
Bij de aanduiding van de versnelling wordt een 1 of A weergegeven.
■ Laat het rempedaal los.
■ Geef gelijkmatig gas.
Het voertuig rijdt vooruit.
> Opmerking!
Een 0 op het display geeft aan dat de smart niet in een versnelling staat. U heeft het rempedaal niet ingedrukt toen u in de schakelstand schakelde.
Hellingproof
Uw auto beschikt over een wegrijassistent (AAS).
Tijdens het wegrijden op een helling wordt uw auto nadat u het rempedaal loslaat nog 0,7 seconden geremd.
Hierdoor
- heeft u nog voldoende tijd om uw voet van rempedaal naar het gaspedaal te verplaatsen, om gas te kunnen geven.
- voorkomt u dat de auto achteruit rolt en wordt de koppeling beschermd.
De wegrijassistent is niet actief als u bij het wegrijden de handrem gebruikt.
>Belangrijk!
Wanneer u het bestuurdersportier voor het verstrijken van de 0,7 seconden opent,
- wordt de wegrijassistent uitgeschakeld.
- klinkt er een waarschuwingssignaal.
>Belangrijk!
0,7 seconden nadat u het rempedaal heeft losgelaten, rolt de auto weg.
Rijden

■Trap het rempedaal in. ■ Trek de schakelhendel vanuit de stand N naar achteren in de stand R.
Op het display verschijnt R. ■Laat het rempedaal los. ■Geef gelijkmatig gas. Het voertuig rijdt vooruit.

Schakel alleen in de achteruit als de auto stilstaat.
Rijden

■Trap het gaspedaal verder in om meer vaart te krijgen.
Op het versnellingsdisplay wordt de actuele versnelling aangegeven. Een pijl op het display geeft u het schakeladvies om naar een hogere versnelling (↑) of terug (↓) te schakelen. ■Houd uw voet op het gaspedaal.

kantelschakelaar* kort in de richting + om naar een hogere versnelling te schakelen of om terug te schakelen kort in de richting -.
De auto schakelt in de eerstvolgende versnelling. Op het versnellingsdisplay wordt de eerstvolgende versnelling aangegeven.
>Aanwijzingen voor het schakelen
- Wanneer u stopt, bijv. bij stoplichten, schakelt de auto automatisch naar de 1e versnelling.
- De auto schakelt automatisch één versnelling hoger, wanneer u de toerentalgrens bereikt heeft.

Milieu!
U bespaart energie en beschermt het milieu wanneer u opschakelt zodra dit in de versnellingsweergave op het display wordt aangegeven.
Rijden

Geautomatiseerd schakelen (softouch)*
■Druk in het schakelpaneel op de knop (A) voor softouch.
De auto schakelt geautomatiseerd. Op de weergave van de versnelling staat A.

Terugschakelen naar softip:
■Druk de schakelhendel of de
kantelschakelaar* aan het stuur in de richting + of -, of druk op de knop voor softouch.
>Opmerking!
Wanneer u de auto start, wordt handmatig schakelen (softip) geselecteerd.
Uitzondering: Brabus-uitvoeringen en uitvoeringen met 60 kW.
Kick-down-functie
Auto's met softouch* of auto's met Tempomat*:
Gebruik de kick-down-functie, wanneer u maximaal wilt accelereren.
■Trap het gaspedaal door het kickdown-punt heen.
De versnellingsbak schakelt terug.
■Neem gas terug wanneer u de gewenste snelheid bereikt heeft.
Wanneer u tijdens het sportief optrekken het gaspedaal door het kick-down-punt heen drukt, wordt de koppeling pas bij een hoger toerental gesloten.
Rijden
Parkeren

Gevaar voor ongevallen!
Tijdens het stoppen en het parkeren op een helling moet de auto bovendien op de handrem worden gezet. De auto kan anders vanzelf gaan rollen – ook wanneer de schakelhendel in de positie R is gezet. Daardoor kan een ongeval met lichamelijk of dodelijk letsel ontstaan.

Gevaar voor letsel!
Laat kinderen niet alleen in de auto. Zij kunnen bijv. de handrem losmaken. Daardoor kan een ongeval met lichamelijk of dodelijk letsel ontstaan!

■ Parkeer de auto. ■ Trap het rempedaal in. ■ Zet de schakelhendel in positie R. ■ Wacht tot in het display R wordt weergegeven. ■ Zet de motor af. ■ Trek de handrem aan. ■ Trek de contactsleutel uit het contactslot.

Gevaar voor ongevallen!
Parkeer de auto nooit met een draaiende motor, terwijl hij in de versnelling staat. De auto kan dan vanzelf gaan rollen en een ongeval veroorzaken.
Belangrijk!
Om ervoor te zorgen dat de turbolader na een rit onder volle belasting snel kan afkoelen, dient u de laatste kilometers langzaam te rijden of de motor kort stationair te laten draaien voordat u deze uitzet.
Opmerking!
De achteruitversnelling R is geen wegrolbeveiliging (parkeerrem), omdat de smart bij steilere hellingen nog weg kan rollen.
Alleen de handrem houdt de auto voor 100% tegen.
Rijden in de winter
Rijden in de winter
Laat uw auto aan het begin van de winter in een gekwalificeerde werkplaats, bijv. een smart center, winterklaar maken.

Gevaar voor ongevallen!
Het niet in acht nemen van de aanwijzingen voor het schakelen en rijden in de winter kan tot destabilisatie van de auto en bijv. het uitbreken van de achterkant leiden. Hierdoor bestaat de mogelijkheid dat u een ongeval veroorzaakt.

Gevaar voor ongevallen!
Vooral in bochten kunnen zelfs elektronische systemen niet voor voldoende stabiliteit zorgen. Pas uw rijstijl altijd aan de weers-, weg- en verkeersomstandigheden aan. Verminder uw snelheid daarom voor het insturen van bochten. Anders bestaat de mogelijkheid dat u een ongeval veroorzaakt.

Gevaar voor ongevallen!
zoals esp kunnen de auto alleen binnen de natuurkundige grenzen stabiliseren. Pas uw snelheid altijd aan de weers-, weg- en verkeersomstandigheden aan.
Een gekwalificeerde werkplaats, bijv. een smart center, controleert
- de staat van de winterbanden,
- de kwaliteit van de motorolie,
- de corrosie-/antvriesconcentratie in het koelwater,
- de verhouding water en ruitenwisserconcentraat in de ruitenwisserinstallatie,
- de laadtoestand van de accu. Ook elektronische systemen (zoals esp) kunnen door het weer beïnvloed worden. Pas uw rijstijl en snelheid aan de weersomstandigheden aan en accelereert en remt u voorzichtig.
Neem in het bijzonder de volgende aanwijzingen in acht m.b.t. het rijden tijdens de winter:
- Gebruik uitsluitend de door smart gmbH aanbevolen wielen en banden.
- Verwissel tijdig de banden, gebruik in de herfst al winterbanden.
- Rijd met een laag motortoerental.
- Voorkom extreme beladingswisselingen.
- Schakel zo vroeg mogelijk in de eerstvolgende versnelling (met een laag toerental rijden) en neem uw voet tijdens het schakelen van het gas.
- Vermijd extreme, plotselinge stuurbewegingen.
- Rem uw auto zo vroeg mogelijk voor een bocht af.
Rijden met katalysator
Rijden met katalysator
Houd rekening met het volgende

Gevaar voor letsel en brand!
De katalysator wordt zeer heet.
Bij aanraking kunt u brandwonden oplopen. Daarom
- de hitteschilden niet verwijderen,
- geen bodembeschermingslaag aanbrengen
- bij het parkeren erop letten dat er geen licht ontvlambare materialen (bijv. hooi of gras) met de katalysator in aanraking komen. De materialen zouden vlam kunnen vatten en brandschade of letsel veroorzaken.
- De katalysator reduceert schadelijke stoffen in de uitlaatgassen.
- De katalysator is achterin de auto gemonteerd.
- Tank alleen loodvrije benzine. Zelfs kleine hoeveelheden loodhoudende benzine kunnen de katalysator beschadigen.
Volg de onderstaande punten op om oververhitting en beschadiging van de katalysator te voorkomen.
- Houd u aan de voorgeschreven onderhoudsintervallen.
- Rijd de brandstoftank nooit helemaal leeg.
- Bij het uitschakelen van de motor worden tegelijk veiligheidsmaatregelen genomen in de motorbesturing. Rijd voorzichtig naar de dichtstbijzijnde gekwalificeerde werkplaats, bijv. een smart center.
- Probeer de motor maximaal drie keer kort achter elkaar te starten.
- Start maximaal vier seconden.
Rij-instructies
Rij-instructies
Met de volgende tips kunt u het brandstofverbruik van uw auto aanzienlijk verlagen.
Zo draagt u bij tot behoud van het milieu, en bespaart u zelf kosten.
1. Motorpauze
Bij verkeerslichten, spoorwegovergangen en files geldt: zet de motor altijd af, want al vanaf tien seconden stilstand bespaart u brandstof.
Belangrijk!
Let bij het opnieuw starten van de smart op dat
- de schakelhendel op N staat.
- de voetrem is ingedrukt.
- op het versnellingsdisplay een N is weergegeven.
2. Volle kracht vooruit
Accelereren verbruikt aanmerkelijk meer energie dan een constante snelheid. Blijf bij het wegrijden slechts twee autolengtes (ca. 5 m) in de eerste versnelling, en accelereer snel met een tenminste driekwart ingetrapt gaspedaal.
3. Schakelt u alstublieft
bijtijds als dat op het display wordt geadviseerd.
4. Een vooruitziende blik
Wanneer u vaak afremt, moet u veel accelereren, waardoor uw auto aanzienlijk meer brandstof verbruikt. Houd daarom genoeg afstand en neem, zo mogelijk, bijtijds uw voet van het gaspedaal.
5. Geregeld loslaten
Het is beter de auto in de versnelling en zonder gas te geven te laten uitlopen, dan om hem hiervoor in zijn vrij te schakelen. Als gevolg van de aanduw-uitschakeling is het verbruik nul.
6. Druk uitoefenen
Een juiste bandenspanning bespaart brandstof, verhoogt de levensduur van de banden en vergroot de remveiligheid. Op de binnenkant van het brandstofklepje staan de bandenspanningen voor verschillende beladings- en klimaatomstandigheden.
7. Ballast over boord
De beladen achterdrager verhoogt de luchtweerstand en zodoende het brandstofverbruik van de auto. Verwijder de bagage wanneer deze niet nodig is.
Rij-instructies
8. Maak uw smart "light"
Ook overbodige lading in de bagageruimte verhoogt het brandstofverbruik. Wij raden u daarom aan onnodige voorwerpen eruit te halen.
9. Een kwestie van instelling
Laat uw auto regelmatig controleren bij een gekwalificeerde werkplaats, bijv. een smart center. Houd u aan de onderhoudsintervallen.

Milieu!
U bespaart energie en ontziet het milieu als u de motor niet laat warmdraaien terwijl de auto stilstaat. Zet de motor ook af als u lang moet wachten, bijv. bij een spoorwegovergang.
Tempomat*

Met de Tempomat kunt u een snelheid vanaf 30 km/u instellen, die u bijv. bij snelheidsbegrenzingen aan wilt houden. Deze snelheid wordt automatisch door de Tempomat aangehouden. De Tempomat wordt met de rechter bedieningshendel ingeschakeld.
>Belangrijk!
Wanneer u eenmaal op de knop op de bedieningshendel drukt of het rempedaal indrukt, wordt de Tempomat-functie onmiddellijk uitgeschakeld en bevindt u zich in de Limiter-functie.
Gevaar voor ongevallen! Stel de opgeslagen snelheid alleen in wanneer deze bij de actuele situatie past. Anders kan het plotseling versnellen en afremmen u en anderen in gevaar brengen.
Gevaar voor ongevallen! De Tempomat is slechts een hulpmiddel dat u tijdens het rijden moet helpen. De verantwoordelijkheid voor de gereden snelheid en het tijdig remmen ligt bij uzelf. De Tempomat kan geen rekening houden met de weg- en verkeersomstandigheden. Zet de Tempomat bij bijv. gladheid en mist uit.
Aanduidingen op de bedieningshendel
- SET: instellen
- CONT: voortzetten
- CANCEL MODE: Modus wissen
Tempomat*

■Breng uw auto op de gewenste snelheid. ■Draai de draaischakelaar in de richting

De gewenste rijsnelheid wordt automatisch aangehouden en opgeslagen.

De ingestelde snelheid met de Tempomat wijzigen
U kunt de ingestelde rijsnelheid met de draaischakelaar veranderen. Wanneer u vertraagt met de draaischakelaar, wordt de rijsnelheid niet verder dan tot 30 km/h verlaagd.
■Draai de draaischakelaar in de richting

De snelheid wordt verhoogd.
■Draai de draaischakelaar in de richting

De snelheid wordt verlaagd.
>Opmerking!
De met de draaischakelaar ingestelde rijsnelheid kan ook worden opgeslagen door in de richting te draaien.
Tempomat*
Tempomat uitschakelen
De Tempomat wordt uitgeschakeld:
- wanneer u remt,
- bij een ESP-ingreep,
- wanneer u eenmaal tegen de bedieningshendel drukt.
De laatste rijsnelheid die u met de Tempomat hebt ingesteld, wordt opgeslagen.
>Opmerking!
De laatst opgeslagen snelheid wordt gewist, wanneer u de motor uitzet.

Terugkeren naar de opgeslagen rijsnelheid
Als u weer met de opgeslagen snelheid wilt rijden:
■Draai de draaischakelaar op het uiteinde van de hendel in de richting

De auto wordt automatisch tot de laatst opgeslagen snelheid versneld of afgeremd.
Limiter*

Met de Limiter kunt u een toegestane snelheid vanaf 30 km/h als maximumsnelheid vastleggen, de Temposet-snelheid zelf kunt u echter door zelf veranderen door gas te geven. De Limiter-functie kan alleen bij een draaiende motor worden ingesteld. De Limiter wordt met de rechter bedieningshendel ingeschakeld.
>Belangrijk!
Wanneer u eenmaal op de knop op de bedieningshendel drukt of het rempedaal indrukt, wordt de Limiter-functie onmiddellijk uitgeschakeld en bevindt u zich in de Tempomat-functie.

Limiter inschakelen
■Druk ongeveer 2 seconden tegen de bedieningshendel.
De Limiter is ingeschakeld. Op de display verschijnt "LIM" en een snelheid.
Het eerste gebruik
Bij het eerste gebruik en bij het opnieuw in gebruik nemen na het loskoppelen van de accu verschijnen op het display drie horizontaal knipperende streepjes, die samen met "LIM" knipperen.
■Draai de draaischakelaar in de richting

De Limiter-functie is ingeschakeld.
Op het display verschijnt een snelheidswaarde, die met de draaischakelaar kan worden aangepast.
Limiter*

Maximale snelheid vastleggen
■Draai de draaischakelaar in de richting
cont of om een maximum in te stellen.
De snelheid wordt in stappen van 5 km/h veranderd.
Rijden met Limiter
U kunt de auto tot het ingestelde maximum versnellen.
Wanneer de bovengrens is bereikt, wordt de motor afgeregeld.
De ingestelde maximumsnelheid overschrijden
De ingestelde maximumsnelheid kan worden overschreden, wanneer
- de auto bergaf wordt versneld, - u de ingestelde maximumsnelheid met de draaischakelaar vermindert, de daadwerkelijke snelheid daar echter nog boven ligt.
Wanneer de ingestelde maximumsnelheid met minimaal 10 km/h wordt overschreden,
- klinkt er een waarschuwingssignaal, - begint de Limiter-weergave te knipperen,
Deze waarschuwingsignalen stoppen wanneer het ingestelde maximum is bereikt.

Limiter tijdelijk uitschakelen
In bepaalde verkeerssituaties kan het nodig zijn de Limiter tijdelijk uit te schakelen.
■Druk een maal op de bedieningshendel.
De Limiter-functie wordt uitgeschakeld. Op de display staat nu alleen nog "LIM".
Limiter*

U kunt het maximum bij elke rijsnelheid weer inschakelen.
Draai de draaischakelaar in de richting

De laatst opgeslagen maximumsnelheid verschijnt weer op het display.

Wanneer u de motor uitzet, wordt de laatst gekozen Limiter-snelheid opgeslagen. Wanneer u de motor opnieuw start, kan deze snelheid onmiddellijk worden ingesteld.
Opmerking!
Wanneer u met het gaspedaal de kickdown-functie activeert, wordt de Limiterfunctie uit veiligheidsoverwegingen uitgeschakeld. Op deze manier kunt u de ingestelde limiet overschrijden, wanneer de situatie hierom vraagt.
Limiter uitschakelen
Druk 2 seconden tegen de bedieningshendel.
De Limiter is uitgeschakeld. De Tempomat is ingeschakeld.
Remmen

Als u de handrem aantrekt, kan de auto niet wegrollen. Dit kan nodig zijn als u even stilstaat of als u de auto heeft geparkeerd.

Gevaar voor ongevallen!
Tijdens het stoppen en het parkeren op een helling moet de auto bovendien op de handrem worden gezet. De auto kan anders vanzelf gaan rollen – ook wanneer de schakelhendel in de positie R is gezet – en een ongeval veroorzaken.
Handrem aantrekken
Trek de hendel omhoog.
De hendel klikt vanzelf vast.
Handrem loszetten

Gevaar voor letsel!
Laat kinderen niet alleen in de auto. Zij kunnen bijv. de handrem losmaken. Daardoor kan een ongeval met lichamelijk of dodelijk letsel ontstaan!
■ Til de hendel een beetje op. ■ Druk op de vergrendelknop (A). ■ Laat de hendel zakken.

De voetrem heeft twee gescheiden remcircuits. Tijdens het remmen wordt de pedaalkracht door een rembekrachtiging verhoogd.
Remmen

Gevaar voor letsel!
De bewegingsvrijheid van de
pedalen mag door niets worden beperkt. Plaats nooit voorwerpen in de beenruimte van de bestuurder. Let bij vloermatten of tapijt op voldoende vrije ruimte tot de pedalen.
Laat kinderen niet alleen in de auto. Zij kunnen de versnellingsbak in de neutrale stand zetten of de handrem losmaken.
De auto kan dan vanzelf gaan rollen en een ongeval veroorzaken.
Wanneer een remcircuit uitvalt (zie storingen in het remsysteem 7-26),
- moet u het rempedaal verder intrappen om een gelijk remeffect te bereiken,
- is de remweg langer.
■ Zet uw auto onmiddellijk veilig voor het overige verkeer neer. ■ Beveilig uw auto tegen wegrollen, wanneer u deze verlaat. ■ Rij niet verder. ■ Bel een reparatiedienst, bijv. smartmove Assistance, of een gekwalificeerde werkplaats, bijv. een smart center.

Gevaar voor ongevallen!
Er is aanzienlijk meer kracht bij
het remmen nodig wanneer
- de rembekrachtiger uitvalt,
- een remcircuit uitvalt,
- de motor wordt uitgezet, bijv. tijdens het wegslepen.
Bovendien wordt de remweg verlengd.
Overtuig u er zelf van dat de motor draait, wanneer de auto rijdt. Laat het remsysteem bij een gekwalificeerde werkplaats, bijv. een smart center, repareren wanneer er een storing aan het remsysteem is opgetreden.
Opmerking!
De rembekrachtiger functioneert alleen, wanneer de motor draait.

Gevaar voor ongevallen!
Wanneer de auto wordt gesleept,
is er wanneer de motor niet draait, een aanzienlijk hogere pedaaldruk nodig tijdens het remmen.
Remmen
De mechanisch-akoestische remvoeringsweergave
De auto heeft een mechanische, akoestische remvoeringsweergave. Wanneer u tijdens het remmen voortdurend geluiden hoort bij de vooras, moet u naar een gekwalificeerde werkplaats, bijv. een smart center gaan.
De hydraulische remassistent werkt in noodremsituaties. Wanneer u snel op de rem trapt, versterkt de hydraulische remassistent automatisch de remkracht en verkort zo de remweg.
■Trap in een noodsituatie net zo lang op het rempedaal tot de situatie voorbij is.
ABS voorkomt dat de wielen blokkeren als u remt. Wanneer u het rempedaal loslaat, werkt de rem daarna weer gewoon. De hydraulische remassistent wordt uitgeschakeld.
Antiblokkeersysteem (ABS)

Gevaar voor ongevallen! Het ongevalsrisico stijgt
- als u te snel rijdt (vooral in bochten),
- bij een nat en glad wegdek,
- wanneer u te weinig afstand tot het voertuig voor u houdt. ABS en ESP kunnen dit risico verminderen, maar niet uitsluiten. Pas uw rijstijl en uw snelheid altijd aan de actuele weg-, verkeers- en weersomstandigheden aan.
Het antiblokkeersysteem voorkomt dat de wielen blokkeren als u remt. U kunt blijven sturen en zodoende voor hindernissen uitwijken.
>Belangrijk!
- U merkt dat het ABS werkt doordat het rempedaal gaat trillen.
- ABS werkt alleen wanneer u tot stilstand toe remt en er ten minste één wiel wordt geblokkeerd.
Remmen met ABS
In geval van nood:
■Trap snel en met volle kracht op het rempedaal.
■Stuur langs de hindernis heen.
De auto blijft bestuurbaar.
>Opmerking!
Trap het rempedaal ook verder in wanneer het rempedaal reeds trilt. Zo bereikt u de maximale vertraging.
Remmen

Storingen in het remsysteem
Een storing in het remsysteem doet zich voor, wanneer het controlelampje van het remsysteem
- niet dooft na het losmaken van de handrem.
- gaat branden tijdens het rijden.
- samen met het abs-controlelampje gaat branden.
In alle drie gevallen
■Zet uw auto onmiddellijk veilig voor het overige verkeer neer. ■Beveilig uw auto tegen wegrollen, wanneer u deze verlaat. ■Rij niet verder. ■Bel een reparatiedienst, bijv. smartmove Assistance, of een gekwalificeerde werkplaats, bijv. een smart center.

Storingen in het abs-systeem
Er is sprake van een storing in het abs-systeem wanneer het abs-controlelampje
- niet dooft na het starten van de motor of uiterlijk na 10 seconden (geval 1).
- tijdens het rijden gaat branden (abs-noodloop) (geval 2).
- samen met het remcontrolelampje gaat branden (uitval abs-systeem) (geval 3).
In geval van 1 en 2
■ Ga onmiddellijk naar een gekwalificeerde werkplaats, bijv. een smart center.
In geval 3
■ Zet uw auto onmiddellijk veilig voor het overige verkeer neer. ■ Beveilig uw auto tegen wegrollen, wanneer u deze verlaat. ■ Rij niet verder. ■ Bel een reparatiedienst, bijv. smartmove Assistance, of een gekwalificeerde werkplaats, bijv. een smart center.
Elektronisch stabiliteitsprogramma (esp)

Elektronisch stabiliteitsprogramma (esp)

Gevaar voor ongevallen!
Tijdens gevaarlijke rijssituaties stabiliseert het esp-systeem het rijgedrag van de auto binnen de natuurkundige grenzen.
Bij nalatig gedrag of wanneer de snelheid niet wordt aangepast, kan het systeem in geen geval ongevallen voorkomen. Pas uw rijstijl en uw snelheid altijd aan de weers-, weg- en verkeersomstandigheden aan.
Uw auto beschikt standaard over het elektronische stabiliteitsprogramma (esp). esp bewaakt de rijstabiliteit en de tractie, kortom de krachtoverbrenging tussen banden en wegdek.

Gevaar voor ongevallen!
Wanneer het esp-controlelampje in de kilometerteller knippert, moet u als volgt te werk gaan:
- Tijdens het optrekken het gaspedaal slechts zover als noodzakelijk is intrappen.
- Neem tijdens het rijden gas terug.
- Pas uw rijstijl en uw snelheid altijd aan de weers-, weg- en verkeersomstandigheden aan.
Anders kan de auto in een slip terechtkomen.
Wanneer u te snel rijdt, kan ESP het risico van ongevallen niet verminderen.
ESP wordt bijv. actief in de onderstaande gevallen:
- Uitwijken bij een plotseling optredend obstakel,
- Te snel rijden door bochten,
- Slippen van de aandrijfwielen tijdens het optrekken.
>Opmerking!
Zolang ESP actief is, knippert het ESP-controlelampje in de kilometerteller.
Afhankelijk van de rijsituatie
- neemt ESP gas terug,
- remt ESP selectief afzonderlijke wielen af,
- compenseert ESP het toerental van de aandrijfwielen.
Belangrijke aanwijzingen voor auto's met ESP!
- De motor mag niet draaien wanneer
- de handrem op de remmentestbank wordt gecontroleerd.
- de auto met opgetilde vooras wordt versleept.
De actieve remingreep door de ESP veroorzaakt anders onherstelbare schade aan de reminstallatie van de achterwielen.
- ESP werkt alleen correct, wanneer u wielen met de aanbevolen bandenmaten heeft gemonteerd.
Elektronisch stabiliteitsprogramma (ESP)
Wanneer u ESP moet uitschakelen

Gevaar voor ongevallen!
Wanneer het ESP-controlelampje in de toerenteller brandt, is de ESP uitgeschakeld. Anders kan de auto bij slechte wegomstandigheden of niet-aangepaste rijstijl gaan slingeren. Pas uw rijstijl altijd aan de actuele weers-, weg- en verkeersomstandigheden aan.
In onderstaande situaties kunt u de ESP beter uitschakelen:
- wanneer met sneeuwkettingen wordt gereden,
- in diepe sneeuw,
- op zand of kiezelstenen.
Hierdoor zorgt u ervoor dat door de doordraaiende wielen een freeswerking ontstaat.
Het esp-controlelampje knippert bovendien.
>Aanwijzingen voor het uitschakelen van de esp!
esp zorgt tijdens het optrekken en vrijlopen niet voor stabilisatie van de auto.
Tijdens het remmen heeft u de beschikking over alle esp-functies.

■Druk op de schakelaar (A).
esp is uitgeschakeld. Het esp-controlelampje in de toerenteller brandt.
esp inschakelen
■Druk nog een keer op de schakelaar (A).
esp is ingeschakeld. Het esp-controlelampje in de toerenteller gaat uit.
Airbags

Airbags verminderen het letsel bij zware botsingen, bijv. bij frontale botsingen of botsingen vanaf de zijkant.
Het airbagsysteem bestaat uit
- airbag voor bestuurder (A),
- airbag voor passagier (B),
- zijairbags (C), -airbag-controlelampje
Gevaar voor letsel!
In combinatie met op de goede manier gebruikte veiligheidsgordels biedt de airbag u extra veiligheid. De airbag is echter geen vervanging voor de veiligheidsgordel.
Om gevaar voor dodelijk of ernstig lichamelijk letsel tijdens een ongeval met grote vertraging, bijv. door een zich ontplooiende airbag of bij abrupte remmanoeuvres te verminderen, dient u de volgende aanwijzingen in acht te houden:
- Alle inzittenden van de auto moeten een zitpositie kiezen waarin zij de veiligheidsgordel goed om kunnen doen en zo ver mogelijk van de airbag af zitten. De zitpositie van de bestuurder moet daarbij zodanig zijn dat er veilig met de auto kan worden gereden. De armen van de bestuurder moeten in een lichte hoek ten opzichte van het stuur staan. De bestuurder moet een zodanige afstand tot de pedalen aanhouden dat deze goed kunnen worden ingetrapt.
- Kies een zitpositie die zo ver mogelijk van de frontairbag is verwijderd, maar die toch het veilig besturen van de auto mogelijk maakt.
- De inzittenden van de auto moeten de gordels altijd op de juiste wijze dragen en tegen de vrijwel rechtopstaande rugleuning leunen. De hoofdsteunen moeten het achterhoofd op ongeveer ooghoogte ondersteunen.
- Schuif de passagiersstoel zover mogelijk naar achteren, in het bijzonder wanneer kinderen in bevestigingssystemen voor kinderen* op deze stoel zitten.
- Er mogen, afgezien van het smart babyzitje, geen achterwaarts gerichte kinderzitjes op de passagiersstoel worden bevestigd, omdat de passagiersairbag dan niet kan worden uitgeschakeld. Voorwaarts gerichte bevestigingssystemen voor kinderen mogen alleen op de passagiersstoel worden aangebracht wanneer deze in de achterste stand is gezet.
Airbags
- Buig met name tijdens het rijden nooit voorover (bijv. over de gepolsterde plaat van het stuur).
- Leg de voeten nooit op het dashboard.
- Pak het stuur alleen maar aan de buitenkant van het stuurwiel vast. Daardoor kan de airbag ongehinderd worden opgeblazen. Wanneer het stuur aan de binnenkant wordt vastgehouden, kunt u zich verwonden wanneer de airbag wordt geactiveerd.
- Leun niet van binnenuit tegen de portieren.
- Plaats geen voorwerpen op de airbags of tussen airbags en inzittenden.
- Hang geen harde voorwerpen, zoals bijv. kleerhangers, aan handgrepen of kledinghaken. Het gevaar voor verwondingen door een airbag kan door het explosieve opblazen van de airbag niet volledig worden voorkomen.
Werking van de airbag
De airbag wordt binnen milliseconden opgeblazen. Het airbag-controlelampje brandt.
>Opmerking!
Wanneer de airbags worden geactiveerd, hoort u een knal en kan er stof vrijkomen. De knal is in principe niet schadelijk voor uw gehoor en het stof is niet gevaarlijk voor de gezondheid.
De opgeblazen airbag remt en vermindert de beweging van de inzittende van de auto. Het contact van de inzittenden van de auto met de airbag zorgt ervoor dat het gas uit de opgeblazen front- en zijairbags stroomt. Hierdoor wordt de belasting op hoofd en bovenlichaam van de inzittende verminderd. Na het ongeval zit er geen gas meer in deze airbags.

Gevaar voor letsel!
Nadat de airbags zijn
geactiveerd:
- zijn airbags heet. Raak ze niet aan, omdat u dan brandwonden kunt oplopen.
- moeten de airbags in een gekwalificeerde werkplaats worden vervangen, waar het personeel de noodzakelijke vakkennis bezit en over het gereedschap beschikt dat voor het uitvoeren van de werkzaamheden noodzakelijk is. smart gmbh adviseert u hiertoe naar een smart center te gaan. In het bijzonder bij veiligheidsrelevante werkzaamheden en werkzaamheden aan veiligheidsrelevante systemen is de service van een gekwalificeerde garage absoluut noodzakelijk.
Airbags

Gevaar voor letsel!
Wanneer een airbag is
geactiveerd, komt er kortstondig een geringe hoeveelheid poederstof vrij. Het poederstof is niet gevaarlijk voor de gezondheid en duidt niet op brand in de auto. Het poederstof kan bij mensen met astma of ademhalingsmoeilijkheden kortstondig tot ademhalingsklachten leiden. Om deze klachten te voorkomen, moet u de auto onmiddellijk verlaten wanneer dit veilig is of de ramen openen voor frisse lucht.

Gevaar voor letsel!
smart gmbh adviseert uit veiligheidstechnische overwegingen om bij auto's met zijairbags stoelovertrekken te gebruiken die voor uw auto door smart gmbh zijn gekeurd en met een specifieke scheurnaad voor zijairbags zijn uitgevoerd. Anders kan een zijairbag niet correct worden opgeblazen en niet het bedoelde veiligheidspotentieel bij een ongeval bieden.
Airbag voor bestuurder/airbag voor passagier
De frontairbags moeten het beschermingspotentieel van de bestuurder en de passagiers ten aanzien van hoofd- en borstletsel verhogen. De frontairbags van bestuurder en passagier worden geactiveerd:
- bij het begin van de botsing met hoge, in de lengterichting van de auto inwerkende vertragingen of versnellingen,
- wanneer vooruitkijkend extra bescherming ten opzichte van de veiligheidsgordels kan worden geboden,
- afhankelijk van het gebruik van de veiligheidsgordels,
- onafhankelijk van andere airbags in de auto,
- in principe niet tijdens het over de kop slaan van de auto, tenzij er hoge, in de lengterichting van de auto inwerkende vertragingen worden gemeten.
Airbags
De passagiersairbag wordt alleen geactiveerd wanneer
- iemand op de passagiersplaats zit of hierop een voorwerp is geplaatst,
- de frontairbag van de passagiers niet handmatig is uitgeschakeld.

Gevaar voor letsel!
Wanneer het
airbagcontrolelampje bij een gemonteerd babyzitje op de passagiersstoel niet brandt, is de passagiersairbag niet uitgeschakeld. Wanneer de passagiersairbag niet uitgeschakeld is, kan het kind door een airbag aan passagierszijde ernstig tot dodelijk gewond raken, wanneer het zich in de directe nabijheid van de airbag aan passagierszijde bevindt. De airbag aan passagierszijde wordt alleen uitgeschakeld, wanneer u een speciaal smart babyzitje op de passagiersstoel bevestigt.
Zijairbags*

Gevaar voor letsel!
Om het letselrisico van de
inzittenden te minimaliseren, wanneer een zijairbag wordt geactiveerd, moet u er op letten dat
- er geen andere personen, dieren of voorwerpen tussen de inzittende van de auto en het inwerkingsgebied van de zijairbag zitten.
- aan de kledinghaken in de auto alleen lichte kleding wordt opgehangen.
- er in de zakken van de kledingstukken geen zware of scherpe voorwerpen zitten.

Gevaar voor letsel!
Neem de onderstaande
aanwijzingen in acht om het risico op zwaar of dodelijk letsel te verminderen, wanneer de zijairbag wordt geactiveerd.
- Inzittenden van de auto – in het bijzonder kinderen – mogen niet met hun hoofd tegen het raam leunen, wanneer de zijairbag kan worden geactiveerd.
- De inzittenden van de auto moeten de gordels altijd op de juiste wijze dragen en tegen de vrijwel rechtopstaande rugleuning leunen.
- Zet kinderen die niet langer zijn dan 150 centimeter en jonger zijn dan 12 jaar altijd in geschikte bevestigingssystemen voor kinderen.
Airbags
De zijairbags zijn geïntegreerd in de rugleuning van de bestuurders- en passagiersstoel. Deze moeten bij het activeren het beschermingspotentieel voor de borstkast (niet echter voor hoofd, nek en armen) van de inzittenden die aan de kant van de inkomende krachten zitten verhogen.
De zijairbags worden geactiveerd: - aan de kant van de botsing,
- bij het begin van de botsing met hoge, op de zijkant inwerkende vertragingen of versnellingen, bijvoorbeeld bij een zijdelingse botsing,
- wanneer vooruitkijkend extra bescherming ten opzichte van de veiligheidsgordels kan worden geboden,
- afhankelijk van het gebruik van de veiligheidsgordels,
- onafhankelijk van de frontairbags,
- onafhankelijk van de gordelspanners,
- in principe niet wanneer de auto over de kop slaat. Tenzij er hoge, in de breedterichting inwerkende vertragingen en vooruitkijkend een extra beschermingspotentieel wordt gemeten.
>Opmerking!
Bij een zijdelingse botsing worden de zijairbags alleen geactiveerd wanneer het airbag-controlelampje niet knippert of brandt.

Gevaar voor letsel!
Wanneer het
airbagcontrolelampje bij een gemonteerd babyzitje op de passagiersstoel niet brandt, is de zijairbag niet uitgeschakeld. Wanneer de zijairbag niet uitgeschakeld is, kan het kind door een zijairbag ernstig tot dodelijk gewond raken, met name wanneer het zich in de directe nabijheid van de zijairbag bevindt wanneer deze zich ontplooit. De zijairbag wordt alleen uitgeschakeld, wanneer u een speciaal smart babyzitje op de passagiersstoel bevestigt.

Airbag-controlelampje
Als het airbag-controlelampje gaat branden, is er een storing in de volgende veiligheidssystemen:
- airbags -gordelspanners,
- Kinderstoelherkenning.
Airbags
Het airbag-controlelampje brandt als de ontsteking wordt ingeschakeld.
Daarna voeren de veiligheidssystemen een zelfdiagnose uit:
- Het airbag-controlelampje dooft na maximaal vier seconden:
Geen storing.
Het airbagsysteem is in orde.
- Het airbag-controlelampje knippert 15 seconden lang.
Er is een smart babyzitje (origineel smart-accessoire) op de passagiersstoel herkend.
De airbag, de gordelspanner en de zijairbag voor de passagier zijn uitgeschakeld.
- Het airbag-controlelampje dooft na maximaal vier seconden gedurende ca. één seconde en brandt daarna continu.
Er is een storing herkend (airbagwaarschuwing).
of
Het airbag-controlelampje knippert continu.
Er is een storing bij de kinderstoelherkenning herkend (airbagwaarschuwing).
Laat niemand op de passagiersstoel zitten, vooral geen kinderen.
Ga naar een gekwalificeerde werkplaats, bijv. een smart center.

Gevaar voor letsel!
Wanneer het
airbagcontrolelampje bij een gemonteerd babyzitje op de passagiersstoel niet brandt, is de passagiersairbag niet uitgeschakeld. Wanneer de passagiersairbag niet uitgeschakeld is, kan het kind door een airbag aan passagierszijde ernstig tot dodelijk gewond raken, wanneer het zich in de directe nabijheid van de airbag aan passagierszijde bevindt. De airbag aan passagierszijde wordt alleen uitgeschakeld, wanneer u een speciaal smart babyzitje op de passagiersstoel bevestigt.
Airbags

Gevaar voor letsel!
Zet een kind nooit met een naar achteren gericht bevestigingssysteem voor kinderen op de passagiersstoel wanneer de airbag aan passagierszijde niet is uitgeschakeld, d.w.z. wanneer het airbag-controlelampje niet brandt.
Neem ook de betreffende waarschuwingssymbolen op het dashboard in acht.
Wanneer u een speciaal smart babyzitje op de passagiersstoel heeft geïnstalleerd en het airbag-controlelampje brandt niet (bevestigingssysteem niet herkend), laat de automatische bevestigingssysteemherkenning dan onmiddellijk controleren door een gekwalificeerde werkplaats, bijv. een smart center.
Vervoer in de tussentijd geen kinderen, omdat ze bij een ongeval zware tot dodelijke verwondingen kunnen oplopen.
Belangrijk!
Gaat het airbag-controlelampje tijdens het rijden branden, ga dan onmiddellijk naar een gekwalificeerde werkplaats, bijv. een smart center.
U hebt kans dat de airbags en gordelspanners ongewild worden geactiveerd of bij een ongeval niet werken.

Gevaar voor letsel!
Wanneer het controlelampje niet gaat branden wanneer u het contact aanzet of na enkele seconden niet uitgaat wanneer de motor draait, of opnieuw gaat branden, heeft u te maken met een storing. Afzonderlijke systemen kunnen ongewild worden geactiveerd of tijdens een ongeval met een hogere snelheid niet worden geactiveerd. Laat in dit geval uw veiligheidssysteem direct bij een gekwalificeerde werkplaats controleren en repareren. smart gmbh adviseert u hiertoe naar een smart center te gaan. In het bijzonder bij veiligheidsrelevante werkzaamheden en werkzaamheden aan veiligheidsrelevante systemen is de service van een gekwalificeerde garage absoluut noodzakelijk.
Parkeerhulp*
Parkeerhulp*
De parkeerhulp wordt in een gekwalificeerde werkplaats, bijv. een smart center, in uw auto ingebouwd.

Gevaar voor letsel!
De parkeerhulp is slechts een hulpmiddel en herkent mogelijk niet alle hindernissen. Het systeem kan uw oplettendheid niet vervangen. U bent steeds verantwoordelijk voor de veiligheid en dient bij het inparkeren en manoeuvreren nog altijd op uw onmiddellijke omgeving te letten. Anders kunt u zichzelf en anderen in gevaar brengen.

Gevaar voor letsel!
Zorg ervoor dat zich bij het inparkeren of manoeuvreren geen personen of dieren achter de auto bevinden. U zou ze anders kunnen verwonden.

De parkeerhulp bewaakt met behulp van twee ultrasoonsensoren (A) op de achterste kentekenplaatsteun, bij langzaam achteruitrijden (stapvoets rijden), de achterkant van de auto. De parkeerhulp wordt automatisch geactiveerd wanneer u de motor start en de auto in de achteruit schakelt. Een akoestisch signaal geeft aan dat het systeem gereed is.

Een hindernis wordt vanaf een afstand van 100 cm achter de auto herkend en door pieptonen akoestisch aangegeven. Vanaf een afstand van 30 cm klinkt een constante toon.
Parkeerhulp*
Belangrijk!
Let bij het inparkeren vooral op hindernissen met een hoogte van minder dan 30 cm of een overhang van meer dan 100 cm, bijv. bloembakken of laadplatforms. Deze kunnen niet herkend worden, en u kunt de auto of het object beschadigen.
Ultrasone bronnen, zoals bijv. luchtdrukremmen van vrachtwagens of een pneumatische boor, kunnen de parkeerhulp storen.
Opmerking!
De sensoren moeten vrij zijn van vuil, ijs of sneeuw, anders kunnen ze niet correct werken. Reinig de sensoren regelmatig met water. Zorg dat u geen krassen maakt of de sensoren anderszins beschadigt.

Bergruimte en bergvakken Bagageruimte voor en achter Rear Bag* Multifunctionele box* Bagageruimteafdekking voor roadster-coupé* Achterdrager* Richtlijnen voor het beladen
Uw auto is niet alleen mooi – maar ook praktisch!
Hoe u iets mee kunt nemen en waar u het kunt opbergen, vindt u op de volgende pagina's. Zo worden de wekelijkse boodschappen een uitje.
Bergruimte en bergvakken

Bergruimte en bergvakken
a Bergvakken in de portierbekleding b Inbouwplaats bekerhouder* en cd-boxen*
c Schakelaar voor het openen van de achterklep
d Handschoenenvak met ontgrendelingshendel voorklep
e Bagagenet
Bergruimte en bergvakken

Rookset met 12 V-stopcontact
Onder de schakelaarstrip zit de rookset met het 12 V-stopcontact.
De asbak kan voor reiniging worden uitgenomen.

Brandgevaar!
Gebruik de asbak in geen geval voor het bewaren van papier of andere brandbare materialen.
Als de ontsteking is ingeschakeld, levert het 12 V-stopcontact spanning voor
- de aansteker als onderdeel van de rookset
- de elektrische luchtpomp als onderdeel van de pech-onderwegset,
- andere verbruikers, die met 12 volt en maximaal 5 ampere (60 W) worden aangedreven en over een juiste stekker beschikken.
>Opmerking!
Gebruik de juiste stekkers, omdat u anders de behuizing van het 12 V-stopcontact beschadigt.
Let op
- dat het 12 V-stopcontact alleen voor een permanente belasting van 5 Ampere (60 Watt) bestemd is.
- De elektrische luchtpomp kan zonder problemen op het stopcontact worden aangesloten om de banden op te pompen.
- zich bij stroomafname van de accu van de auto onlaadt.
Bergruimte en bergvakken

Bekerhouder met cd-box*
De bekerhouder met cd-box bevindt zich op de middenconsole onder de rookset. Onder de bekerhouder bevinden zich drie cd-laden.
In de bekerhouder kunnen flesjes en andere geschikte voorwerpen worden gezet.
Gevaar voor letsel! Zorg dat voorwerpen in de bekerhouder tijdens het rijden altijd goed bevestigd zijn. Anders kunnen u en anderen gewond raken door rondvliegende voorwerpen uit de bekerhouder wanneer u - sterk afremt, - snel van richting verandert, - bij een ongeval betrokken raakt. Plaats alleen passende en afsluitbare bekers/flessen. De drankjes kunnen anders overlopen. Plaats geen hete drankjes. U kunt brandwonden oplopen.
Bergruimte en bergvakken

Het bagagenet (A) is alleen voor het opbergen van lichte voorwerpen bedoeld. Zware, scherpe of breekbare voorwerpen mogen er niet in worden getransporteerd. Het bagagenet kan die voorwerpen bij een ongeval niet tegenhouden.
Bagagenet vastzetten
Zet het bagagenet met het klittenband achter de passagiersstoel vast. Door de klittenbandsluiting kan het bagagenet ook op een andere plaats aan het tapijt worden bevestigd. Het mag echter niet in de beenruimte voor de bestuurder worden aangebracht.

Het bagagenet (B) is alleen bedoeld voor het opbergen van lichte voorwerpen. Zware, scherpe of breekbare voorwerpen mogen er niet in worden getransporteerd. Het bagagenet kan de voorwerpen bij een ongeval niet tegenhouden.
Bagagenet vastzetten

Gevaar voor letsel!
Het bagagenet mag alleen aan de passagierskant worden gebruikt. Anders zou het kunnen losraken, in de beenruimte voor de bestuurder vallen en de pedalen blokkeren. Hierdoor bestaat de mogelijkheid dat u een ongeval veroorzaakt.
Zet het bagagenet op de aangegeven plaats in de beenruimte voor de passagier met het klittenband vast. Door de klittenbandsluiting kan het bagagenet ook op andere plaatsen worden bevestigd. Het mag echter niet in de beenruimte van de bestuurder worden aangebracht.
Bergruimte en bergvakken

Gevaar voor letsel!
Vervoer zware en harde voorwerpen niet onbeveiligd in het interieur. Anders kunnen u en anderen gewond raken door rondvliegende voorwerpen, die in het interieur aanwezig zijn, wanneer u - sterk afremt, - snel van richting verandert, - bij een ongeval betrokken raakt. Ook wanneer de beladingsrichtlijnen volledig in acht zijn genomen, heeft de extra lading een negatieve invloed op het rem- en rijgedrag van uw auto. Hierdoor wordt het risico op letsel bij ongevallen verhoogd.
voorwerpen niet onbeveiligd in het interieur. Anders kunnen u en anderen gewond raken door rondvliegende voorwerpen, die in het interieur aanwezig zijn, wanneer u - sterk afremt, - snel van richting verandert, - bij een ongeval betrokken raakt. Ook wanneer de beladingsrichtlijnen volledig in acht zijn genomen, heeft de extra lading een negatieve invloed op het rem- en rijgedrag van uw auto. Hierdoor wordt het risico op letsel bij ongevallen verhoogd.

Bagagenet in de beenruimte aan de passagierszijde*
Het bagagenet (A) in de beenruimte aan de passagierszijde is alleen voor het opbergen van lichte voorwerpen bedoeld. Zware, scherpe of breekbare voorwerpen mogen niet in het bagagenet worden getransporteerd. Het bagagenet in de beenruimte aan de passagierszijde kan die voorwerpen bij een ongeval niet tegenhouden.
Bagagenet vastzetten

Gevaar voor letsel!
Het bagagenet mag alleen in de beenruimte aan de passagierskant worden bevestigd.
Anders zou het kunnen losraken, in de beenruimte voor de bestuurder vallen en de pedalen blokkeren. Hierdoor bestaat de mogelijkheid dat u een ongeval veroorzaakt.
Leg het bagagenet met de klittenzijde naar onder op de vloerbedekking voor de passagiersstoel. Druk het bagagenet stevig met de hand aan.
Bergruimte en bergvakken

Gevaar voor letsel!
Vervoer zware en harde voorwerpen niet onbeveiligd in het interieur. Anders kunnen u en anderen gewond raken door rondvliegende voorwerpen, die in het interieur aanwezig zijn, wanneer u
voorwerpen niet onbeveiligd in het interieur. Anders kunnen u en anderen gewond raken door rondvliegende voorwerpen, die in het interieur aanwezig zijn, wanneer u
- snel van richting verandert,
- bij een ongeval betrokken raakt.
- Ook wanneer de beladingsrichtlijnen volledig in acht zijn genomen, heeft de extra lading een negatieve invloed op het rem- en rijgedrag van uw auto. Hierdoor wordt het risico op letsel bij ongevallen verhoogd.
Ook wanneer de beladingsrichtlijnen volledig in acht zijn genomen, heeft de extra lading een negatieve invloed op het rem- en rijgedrag van uw auto. Hierdoor wordt het risico op letsel bij ongevallen verhoogd.

Met de bagagebevestiging kunt u kleine voorwerpen in de kofferruimte slipvast vervoeren.
Bagagebevestiging bevestigen
■ Bevestig de bagagebevestiging met het klittenband aan de vloer van de kofferruimte.
Bagageruimte voor en achter
Bagageruimte voor en achter

Gevaar voor letsel!
Vervoer zware en harde voorwerpen niet in het interieur of de bagageruimte zonder ze stevig vast te zetten. Anders kunnen u en anderen gewond raken door rondvliegende voorwerpen, die in de kofferruimte zitten, wanneer u
voorwerpen niet in het interieur of de bagageruimte zonder ze stevig vast te zetten. Anders kunnen u en anderen gewond raken door rondvliegende voorwerpen, die in de kofferruimte zitten, wanneer u
- snel van richting verandert,
- bij een ongeval betrokken raakt. Ook wanneer de beladingsrichtlijnen volledig in acht zijn genomen, heeft de extra lading een negatieve invloed op het rem- en rijgedrag van uw auto. Hierdoor wordt het risico op letsel bij ongevallen verhoogd.
- bij een ongeval betrokken raakt. Ook wanneer de beladingsrichtlijnen volledig in acht zijn genomen, heeft de extra lading een negatieve invloed op het rem- en rijgedrag van uw auto. Hierdoor wordt het risico op letsel bij ongevallen verhoogd.
In het voorste gedeelte van de bagageruimte zitten
In het voorste gedeelte van de bagageruimte zitten
- gevarendriehoek*,
- gevarendriehoek*,
- verbandtrommel*.

Voorklep ontgrendelen
■Trek aan de rode hendel in het handschoenenvak.
De voorklep wordt ontgrendeld en wordt iets geopend.
>Opmerking!
Wanneer het handschoenenvak is gesloten, kan de voorklep niet worden geopend.

Voorklep omhoog zwenken
■Trek de dekselontgrendeling naar boven.
U kunt de voorklep nu naar boven toe zwenken.
Bagageruimte voor en achter

Gevaar voor vergiftiging!
De achterklep moet tijdens het
rijden gesloten zijn. Anders kunnen uitlaatgassen in het interieur terechtkomen. De inzittenden kunnen daardoor vergiftigd raken.
Met de afstandsbediening openen
■Druk 2 seconden lang op toets (A) op de afstandsbediening.
De achterklep zwenkt omhoog.

Met de ontgrendelingsknop openen
■Druk op de schakelaar (B) op de schakelaarstrip.
De achterklep zwenkt omhoog.
>Opmerking!
Deze functie is alleen beschikbaar bij een ontgrendelde en stilstaande auto.
Achterklep sluiten

Gevaar voor letsel!
Let er bij het sluiten van de achterklep op, dat niemand bekneld raakt.
■Klap de achterklep naar beneden en druk hem dicht.
Bagageruimte voor en achter

Noodontgrendeling van de achterklep
De noodontgrendeling om de achterklep te openen bevindt zich achter de bestuurdersstoel.
■Schuif de passagiersstoel helemaal naar voren. ■Trek het gestanste deel van de vloerbedekking op de aangegeven plaats omhoog. ■Trek aan het draadoog dat eronder ligt tot de achterklep wordt ontgrendeld. > De achterklep zwenkt omhoog.
Rear Bag*
De Rear Bag bestaat uit
- een afgesloten bergruimte (bijv. voor cd-doosjes)
- twee open bergruimten (bijv. voor pakjes sigaretten, handschoenen of briletuis)
De Rear Bag is qua vorm exact aangepast aan de contouren van het platform achter de rugleuningen. De Rear Bag is aan de onderzijde voorzien van klittenband en kan hiermee aan het tapijt worden vastgezet.

Zet de rugleuningen (A) van de bestuurdersstoel en de passagiersstoel helemaal naar voren. Plaats de Rear Bag (B) op het platform achter de rugleuningen. Voor een juiste pasvorm van de Rear Bag dient u erop te letten dat deze precies aansluit op de contouren van het platform.

Berg geen hoge, scherpe,
breekbare of zware voorwerpen, zoals flessen, in de Rear Bag op. Deze kunnen in de Rear Bag niet worden vastgezet. Bij een ongeval of plotselinge remmanoeuvre kunnen de voorwerpen uit de Rear Bag worden geslingerd en beschadigd raken of de inzittenden verwonden.
Opmerking!
Gebruik voor het reinigen van uw Rear Bag slechts een vochtige doek.
Multifunctionele box* (alleen bij roadster coupé)

Multifunctionele box* (alleen bij roadster coupé)
De multifunctionele box biedt u de mogelijkheid om kleine voorwerpen veilig en warmte-/koudegeïsoleerd te bewaren. U kunt de multifunctionele box uit de auto nemen en gemakkelijk meenemen. Daarmee is de box ideaal voor het opbergen van boodschappen. Het deksel kan in zijn geheel worden verwijderd. Plaats de multifunctionele box in de achterste bagageruimte.

Gevaar voor letsel! Zorg dat de multifunctionele box altijd goed vastzit in de kofferruimte. Anders kan de box bij ongevallen of abrupt remmen naar voren schieten en daardoor inzittenden ernstig of zelfs dodelijk verwonden.
Bagageruimteafdekking voor roadster-coupé*
Bagageruimteafdekking voor roadster-coupé*
De afdekking van de bagageruimte wordt in de achterste bagageruimte ingebouwd.

Gevaar voor ongevallen!
De afdekking van de bagageruimte is niet geschikt om bij een ongeval zware voorwerpen tegen te houden. Zet daarom zware voorwerpen altijd goed vast.
De afdekking van de bagageruimte is niet geschikt om bij een ongeval zware voorwerpen tegen te houden. Zet daarom zware voorwerpen altijd goed vast.
Voorbereiden van de afdekking van de bagageruimte
Steek de bevestigingshaak door de kogelkoppennen op de afdekking van de bagageruimte.
Bij de smart roadster met softtop worden de achterste kogelkoppennen gebruikt (kortere variant). Bij de smart roadster zonder softtop worden de voorste kogelkoppennen gebruikt (langere variant).

Inbouw van de afdekking van de bagageruimte
Gevaar voor letsel! Transporteer geen voorwerpen op de gemonteerde afdekking van de bagageruimte. Anders kunnen u en anderen gewond raken door rondvliegende voorwerpen die op de afdekking van de bagageruimte lagen wanneer u - sterk afremt, - snel van richting verandert, - bij een ongeval betrokken raakt.

Hang de drie bevestigingshaken van de afdekking in de beugel van de afscheiding. Trek de afdekking in de richting van de achterkant van de auto.
Bagageruimteafdekking voor roadster-coupé*

Hang de uiteinden van de dwarsstang in de beugels in de bekleding van de bagageruimte.
Opmerking!
Als u voorwerpen op de gemonteerde afdekking van de bagageruimte legt, kan de afdekking beschadigen.
Achterdrager*

De achterdrager is bedoeld voor het transport van koffers of tassen op de achterste bagageruimte. De maximale belasting bedraagt 23 kg.
Opmerking!
Zorg er bij het beladen voor dat de lading niet over het frame van de achterdrager uitsteekt.
Gevaar voor letsel! Zet voorwerpen die op de achterdrager worden vervoerd altijd goed vast. Deze voorwerpen kunnen bij krachtig remmen of bij een ongeval de passagiersruimte binnendringen of losraken en zo andere weggebruikers verwonden.
Gevaar voor ongevallen! Een beladen achterdrager leidt tot een ander rij- en remgedrag van uw auto. Pas uw rijstijl en snelheid overeenkomstig aan en let op een gelijkmatige lastverdeling.
Gevaar voor ongevallen! Controleer de spanbanden vóór aanvang van de rit op beschadigingen. Vervang beschadigde spanbanden onmiddellijk, omdat de lading anders onvoldoende is beveiligd.
Gevaar voor ongevallen! Door de last die aan de achterkant van de auto is aangebracht, wordt de door de fabrikant aangegeven asbelasting veranderd. Deze verandering van de asbelasting mag niet tot een overschrijding van de toelaatbare asbelasting leiden (zie pagina 11-9), omdat er dan een verhoogde kans op ongevallen bestaat.
Richtlijnen voor het beladen
Richtlijnen voor het beladen
| Hoeveel u kunt laden roadster roadster-coupé | ||
| Bagageruimte voor (l) 59 59 | ||
| Bagageruimte achter (l) 86 189 | ||
| Bagageruimte totaal (l) 145 248 | ||
| maximale belading bagageruimte voor (kg) 35 35 | ||
| maximale belading bagageruimte achter (kg) 50 50 | ||
| Gewicht zonder bestuurder (kg) 790 810 | ||
| Nuttige last (kg) 1 | 240 220 | |
| Toegestaan totaalgewicht (kg) 1030 1030 |
1 inclusief inzittenden

Gevaar voor ongevallen!
Uw auto is door de fabrikant niet
vrijgegeven voor het gebruik met aanhanger. Een aanhanger kan de veiligheid en de duurzaamheid nadelig beïnvloeden.

Gevaar voor ongevallen!
Op het dak van de auto mogen geen
dragers of last worden bevestigd.
>Opmerking!
Verdere informatie over "Afmetingen en gewicht" vindt u vanaf 11-9.
Vermindering van het laadvermogen
Speciale uitvoeringen en accessoires vergroten het ledig gewicht; hierdoor wordt de nuttige last kleiner.
De door de autofabrikant vastgelegde aslastverdeling verandert wanneer u een achterdrager op de achterzijde van uw auto monteert.
Richtlijnen voor het beladen
Let op het volgende:
- Het rijgedrag van de auto is afhankelijk van de lastverdeling.
- De lading en inzittenden van de auto samen mogen het totale laadvermogen en de toegestane aslast niet overschrijden.
- Zorg ervoor dat de lading niet boven de hoofdsteun uitkomt.
- Zorg ervoor dat de lading niet kan gaan schuiven.
- Leg zware dingen onderaan.

Gevaar voor letsel!
Zet ingeladen voorwerpen altijd goed vast. Deze kunnen door krachtig te remmen of bij een ongeval het passagierscompartiment binnendringen.

Gevaar voor ongevallen!
Het toelaatbare totaalgewicht en de toelaatbare aslast mogen door de extra lading (in interieur en op achterdragers) inclusief het totaal gewicht van de inzittenden niet worden overschreden. Overbelading of een onjuiste belading van de auto heeft een negatieve invloed op de stabiliteit en het rijgedrag van de auto en kan tot beschadigingen aan de banden leiden! Hierdoor ontstaat gevaar voor een ongeval.

Gevaar voor letsel!
Vervoer zware en harde voorwerpen niet in het interieur van de auto, maar in de bagageruimte. U en anderen kunnen anders door rondvliegende voorwerpen gewond raken wanneer u
- sterk afremt,
- snel van richting verandert,
- bij een ongeval betrokken raakt.

Gevaar voor letsel!
Beveilig voorwerpen op de passagiersstoel steeds zo, dat deze de bestuurder tijdens het rijden niet kunnen hinderen.

Gevaar voor vergiftiging!
De achterklep moet tijdens het rijden gesloten zijn. Anders kunnen uitlaatgassen in het interieur terechtkomen. De inzittenden kunnen daardoor vergiftigd raken.

Milieu!
Haal onnodige ballast uit de auto. Zo vermindert u het totaalgewicht en dus het brandstofverbruik.
Uitsluitend loodvrije brandstof
Index Mini 98: Super loodvrije brandstof
Tanken, motoroliepeil, vloeistoffen controleren, bandenspanning, ruitenwisserbladen, ruitensproeiers instellen, onderhoudsinstructies
>>Terugkerend.
De kleine karweitjes rondom uw auto zijn een zinvolle en noodzakelijke bijzaak. U bevordert daarmee de verkeersveiligheid en de bedrijfszekerheid en uw smart behoudt bovendien zijn waarde. Veel van dit soort karweitjes kunt u tijdens het tanken uitvoeren.
Tanken

De brandstof voor uw auto
- Benzinemotor 45 kW: ongelode benzine Super EN 228, minimaal 95RON/85MON
- Benzinemotor 60 kW: ongelode benzine Super Plus, EN 228, minimaal 98RON/88MON
- Benzinemotor 74 kW: ongelode benzine Super Plus, EN 228, minimaal 98RON/88MON
>Opmerking!
Let op de aanwijzingen op het tankdopklepje.
>Opmerking!
De benzinemotoren 60 kW en 74 kW zijn ontworpen voor loodvrije brandstof met ten minste 98RON/88MON. Wanneer u niet kunt beschikken over loodvrije brandstof met 98RON, kunt u loodvrije brandstof met 95RON gebruiken.
De prestaties van de motor zijn daardoor minder en het brandstofverbruik hoger.
>Belangrijk!
Tank nooit loodhoudende benzine of diesel!
In dit geval
- onmiddellijk een gekwalificeerde werkplaats, bijv. een smart center, of een reparatiedienst, bijv. smartmove Assistance, bellen.
- af laten slepen.
Start de motor niet.
Anders wordt de katalysator onherstelbaar beschadigd.
Tanken

Benzine is licht ontvlambaar.
Daarom zijn roken, open vuur en licht in de omgang met benzine verboden. Voorkom dat benzine met uw huid of kleding in contact komt. U schaadt uw gezondheid wanneer
- uw huid rechtstreeks in contact met benzine komt.
- u benzinedampen inademt.

Gevaar voor vergiftiging!
Bewaar brandstof buiten bereik
van kinderen. Waarschuw onmiddellijk een arts als iemand brandstof heeft ingeslikt.
■Zet de motor af en schakel de ontsteking uit. ■Open de tankklep.
De tankklep bevindt zich op de rechterzijde van de auto en wordt via de centrale vergrendeling ver- en ontgrendeld.
■Draai de tankdop tegen de wijzers van de klok in tot hij los is. ■Vul brandstof bij tot het vulpistool uitschakelt. ■Draai de tankdop met de wijzers van de klok mee tot de draaigreep niet meer pakt. ■Sluit het tankdeksel.
>Opmerking!
Wanneer u de tank helemaal wilt vullen:
- wacht 30 seconden nadat het vulpistool is afgeslagen,
- vul dan nogmaals brandstof bij tot het vulpistool opnieuw afslaat.

Milieu!
Laat nooit brandstof
overstromen.
Doe nooit teveel brandstof in de tank. Gemorste brandstof is schadelijk voor het milieu.
De tankinhoud
- Brandstoftank totaal ca. 35 l
- inclusief een reservehoeveelheid van ca. 51
Motoroliepeil
Motoroliepeil

Gevaar voor vergiftiging!
Bewaar olie buiten bereik van
kinderen. Waarschuw onmiddellijk een arts als iemand olie heeft ingeslikt.
Opmerking!
Controleer regelmatig het motoroliepeil, maar alleen bij bedrijfswarme motor.

Zet de auto op een vlakke ondergrond. Zet de motor af en schakel de ontsteking uit. Trek de handrem aan.
Belangrijk!
- Neem de voorgeschreven onderhoudstermijnen in acht. De motor kan anders beschadigd raken.
- Zie ook de meldingen m.b.t. het onderhoud op het display.
- Bij een oliepeil boven de MAX-markering bestaat de kans dat de motor of de katalysator beschadigd raakt. De olie boven de MAX-markering moet worden afgezogen.
- Bij een oliepeil onder de MIN-markering bestaat het risico dat de motor wordt beschadigd.
Motoroliepeil

Motoroliepeil controleren
Wacht een paar minuten totdat de olie is bezonken. Open de achterste bagageruimte. Klap het tapijt naar boven (A). Draai de bevestigingsschroef (B) van de motorafdekking linksom eruit. Verwijder de motorafdekking (C). Trek de oliepeilstok eruit en veeg deze af met een schone doek.

Plaats de oliepeilstok weer terug. Wacht ten minste een minuut. Trek de oliepeilstok er opnieuw uit.
Het oliepeil moet aan beide kanten van de peilstok tussen de MIN- en MAX-markering liggen. Plaats de oliepeilstok weer terug.

Motoroliepeil

Het oliepeil van uw auto is te laag. U moet olie bijgieten!
Brandgevaar! Let er tijdens het vullen van olie op dat er geen motorolie op hete onderdelen zoals bijv. de uitlaat of katalysator terechtkomt. Wanneer dit toch gebeurt, moet de motor grondig worden gereinigd voordat u verder rijdt. De olie kan anders ontbranden.
Draai de afsluitdop eraf. Gebruik voor het bijvullen van de motorolie een trechter. Wanneer de MIN-oliestand is bereikt, vult u maximaal 0,5 l motorolie bij. Wacht 1 minuut tot de olie in het carter is weggelopen.
Controleer het oliepeil opnieuw. Schroef de dop weer rechtsom vast. Schuif de voorklep naar voren in de daarvoor bestemde lussen en schroef de bevestigingsschroeven weer vast. Leg het tapijt weer terug. Sluit de achterste bagageruimte.
Opmerking!
Controleer het motoroliepeil alleen bij bedrijfswarme motor.
Motoroliepeil

De juiste oliesoorten
Gebruik uitsluitend de door smart gmbh goedgekeurde motorolie (volgens MB-blad 229.5). Het MB-bladnummer is aangegeven op de verpakking van de olie. Een lijst met goedgekeurde motoroliën is bij elk smart center of elke smart service verkrijgbaar.
Belangrijk!
Gebruik geen speciale additieven (toevoegingen). Deze kunnen leiden tot verhoogde slijtage of motorschade. Een gekwalificeerde werkplaats, bijv. een smart center, voorziet u graag van informatie.
Viscositeit van de motorolie
De SAE-klasse (viscositeit) moet afhankelijk van de luchttemperatuur per jaargetijde worden gekozen. Een precieze toepassing van de SAE-klassen volgens de buitenluchttemperatuur zou leiden tot veelvuldig vervangen van de olie. De temperatuurgrenzen voor de SAE-klassen moeten daarom als een richtlijn worden beschouwd, die voor korte duur over- of onderschreden kan worden.

Milieu!
Een druppel olie verontreinigt liter water.
Let er tijdens het bijvullen op dat er geen olie wordt gemorst. De olie zou in de grond of het grondwater terecht kunnen komen en het milieu ernstige schade toebrengen.
Vloeistoffen controleren
Vloeistoffen controleren
Plaats van de vloeistofreservoirs
- Koelvloeistof: onder de achterste bagageruimte in de motorruimte.
- Remvloeistof: in de voorste bagageruimte onder de bagageruimtekuip.
- Ruitensproeiervloeistof: in de voorste bagageruimte links. Controleer de vulhoeveelheden regelmatig.
Voor controle van de vloeistoffen
Zet de auto op een vlakke ondergrond. Zet de motor af en schakel de ontsteking uit. Trek de handrem aan.
Koelvloeistofpeil controleren
Controleer het koelvloeistofpeil om ervoor te zorgen dat de motor niet te heet wordt.

Gevaar voor letsel!
Het koelsysteem staat onder druk. Schroef het deksel daarom pas los, wanneer de motor is afgekoeld. Houd een afkoelfase van minimaal 30 minuten aan. U kunt ernstige brandwonden oplopen wanneer u de dop opent terwijl de koelvloeistof nog heet is.
>Belangrijk!
Het koelsysteem vergt onder normale omstandigheden geen onderhoud. Wanneer de auto koelvloeistof verliest, duidt dit op lekkage.
Bij verlies van koelvloeistof
■Koelvloeistof bijvullen.
■Laat in een gekwalificeerde werkplaats, bijv. een smart center, de oorzaak van het koelvloeistofverlies opsporen.
Vloeistoffen controleren

Het koelvloeistofpeil controleren
■Open de achterste bagageruimte.
■Klap het tapijt naar boven (A).
■Draai de bevestigingsschroef (B) van de motorafdekking eruit.
■Verwijder de motorafdekking (C).
■Voer vanaf de zijkant een visuele controle uit.
Het vloeistofpeil moet tussen MIN en MAX liggen.

Als de koelvloeistof warm wordt, zet deze uit en kan deze tot boven de aangegeven markering stijgen.

Koelvloeistof bijvullen
■Laat de koeling ten minste 30 minuten afkoelen.
■Dek de afsluitbare dop van het expansiereservoir af met een doek.
■Draai de dop een slag zodat de overdruk kan ontsnappen.
■Schroef de dop er helemaal af.
■Vul de koelvloeistof bij tot aan de MAX-markering.
■Schroef de dop goed vast.
Vloeistoffen controleren

Brandgevaar! Geconcentreerde ruitenreiniger is licht ontvlambaar. Daarom zijn roken, open vuur en licht tijdens de omgang met concentraat verboden.
■Open de voorste bagageruimte. ■Trek het deksel van het reservoir aan de lus omhoog.
U kunt nu de ruitensproeiervloeistof bijvullen.
>Opmerking!
Gebruik smartcare ruitenwisserconcentraat voor zomer en winter, zodat de ruiten altijd optimaal worden gereinigd.
Ruitensproeierinstallatie bijvullen
Het ruitensproeierreservoir heeft een inhoud van ongeveer 3 liter. De vloeistof voor de koplamp-reinigingsinstallatie* is ook afkomstig uit het ruitensproeierreservoir.
| Dosering voor de totale inhoud van 3 liter afhankelijk van de buitentemperatuur | Boven 0 °C -10 °C -20 °C | ||
| smartcare ruitenwisserconcentraat zomer: water 1:100 | |||
| smartcare ruitenwisserconcentraat winter: water 1:2 1:1 | |||
Zie ook de gebruikshandleiding op de verpakking.
Vloeistoffen controleren

Gevaar voor ongevallen! Wanneer het kookpunt van de remvloeistof te laag is, kunnen bij extreme belasting van de remmen (bijv. tijdens het bergaf rijden) luchtbelletjes in het remsysteem worden gevormd. Hierdoor wordt de remwerking negatief beïnvloed. Laat de remvloeistof iedere twee jaar vervangen!
Voor een goede werking van de remmen moet het remvloeistofpeil absoluut constant zijn.

■ Open de voorste bagageruimte. ■ Draai de vier bevestigingsschroeven linksom los. ■ Verwijder de bagageruimtekuip. ■ Voer van boven een visuele controle uit.
Het vloeistofpeil moet tussen MIN en MAX liggen.

Laat de remvloeistof alleen bij een gekwalificeerde werkplaats, bijv. een smart center, bijvullen.
■ Wanneer het peil iets onder de MIN-markering ligt, moet u een gekwalificeerde werkplaats, bijv. een smart center, raadplegen.
■ Wanneer het peil duidelijk onder de MIN-markering ligt, moet u een reparatiedienst, bijv. smartmove Assistance of een gekwalificeerde werkplaats, bijv. een smart center, bellen.
Bandenspanning
Bandenspanning
Banden zijn uitermate belangrijk voor de bedrijfs- en verkeersveiligheid van de auto. Daarom moet u de bandenspanning, het profiel en de toestand van de banden regelmatig controleren.

Gevaar voor ongevallen!
Wanneer de bandenspanning
herhaaldelijk lager is, moet u
- de banden op vreemde voorwerpen controleren.
- controleren of de band of het ventiel eventueel lek zijn.

Gevaar voor ongevallen!
Wanneer de bandenspanning te
laag is, leidt dit tot
- een sterke verwarming van de banden,
- verhoogde bandenslijtage en daardoor tot een verhoogd risico op ongevallen als gevolg van het verlies aan bandenspanning en een gewijzigd weggedrag.
- een hoger brandstofverbruik.
Wanneer de bandenspanning te hoog is, leidt dit tot
- een langere remweg,
- een slecht contact met de weg van alle banden en
- een verhoogde, ongelijkmatige bandenslijtage.
Banden met een te hoge bandenspanning kunnen gemakkelijker beschadigd raken en verhogen daardoor het risico op ongevallen.

Gevaar voor ongevallen!
Neem altijd de voorgeschreven
bandenspanning van uw auto in acht. Tijdens het rijden worden de temperatuur en de spanning van de banden hoger. Daarom de bandenspanning nooit bij warme banden verlagen. Wanneer de banden afkoelen zou dan de bandenspanning te laag zijn. Een te lage bandenspanning kan tot beschadigingen aan de banden leiden, in het bijzonder bij een toenemende belading en snelheid. Beschadigingen aan de banden kunnen bijv. tot klapbanden leiden, waardoor u de controle over uw auto kunt verliezen en uzelf en anderen letsel toe kunt brengen.
Controleer daarom regelmatig, maar minimaal eenmaal per 14 dagen de bandenspanning.
Bandenspanning
Controleer de bandenspanning voordat u gaat rijden. Een tabel voor de bandenspanning in de tankklep van uw auto.
>Opmerking!
De bandenspanning verandert per 10 °C luchttemperatuur met ongeveer 0,1 bar. Pas de bandenspanning geregeld aan.
Bandenspanning

■Laat de banden afkoelen. ■Schroef het dopje van het ventiel (A). ■Controleer de bandenspanning (B).
De bandenspanningwaarden staan aan de binnenzijde van de tankdop en in de tabel hieronder. ■Schroef het dopje weer op het ventiel.
>Belangrijk!
Hierdoor kan de band leeglopen.
Bandenspanning
Alle auto's
Bandenspanning (zomer en winter)
Vooras leeg/volledig beladen (bar) 2,0
Achteras leeg/volledig beladen (bar) 2,0
Ruitenwisserbladen
Ruitenwisserbladen
Voor een goed zicht
- mogen de ruitenwisserbladen geen gebreken vertonen,
- dienen de ruitenwisserbladen regelmatig met een schoonmaakmiddel gereinigd te worden,
- dient hardnekkig vuil met een spons of borstel van de ruiten te worden geveegd.
>Opmerking!
Originele wisserbladen voor uw auto zijn verkrijgbaar bij een gekwalificeerde werkplaats, bijv. een smart center.
Ruitenwisserbladen vervangen

Gevaar voor letsel!
Trek voor het verwisselen van de wisserbladen de sleutel uit het contactslot. De ruitenwissers kunnen gaan wissen en u verwonden.

■ Haal de sleutel uit het contactslot. ■ Zet de ruitenwisserarm rechtop en het wisserblad horizontaal. ■ Druk op de borgveer (A). ■ Schuif het wisserblad in de richting van de wisserarm (B). ■ Verwijder van tevoren het oude wisserblad. ■ Schuif een nieuw wisserblad op de arm (C).
De borgveer moet hoorbaar in de ruitenwisserarm vastklikken.
Ruitensproeiers instellen

Ruitensproeiers instellen
De ruitensproeiers zitten aan de onderzijde van de voorruit (D en E).
■ Stel het sproeigaatje van de ruitensproeiers in met behulp van een naald.
> Opmerking!
De sproeiers zijn zodanig ingesteld, dat de straal ongeveer in het midden van de ruit terechtkomt.
Onderhoudsinstructies
Onderhoudsinstructies
Regelmatig onderhoud beschermt uw auto tegen externe invloeden. Dat geldt zowel voor het exterieur als het interieur. De waarde blijft hierdoor behouden.
> Belangrijk!
Lees de gebruiksvoorschriften op de verpakkingen van reinigingsmiddelen.
Wij adviseren het gebruik van smartcare producten, omdat
- deze over een uitstekende reinigende werking beschikken en optimale bescherming bieden,
- de producten speciaal op de smart-materialen zijn afgestemd,
- alle smartcare producten geen kleuren reukstoffen bevatten.
> Opmerking!
Alle smartcare producten zijn verkrijgbaar bij een gekwalificeerde werkplaats, bijv. een smart center.
Het onderstaande vuil onmiddellijk verwijderen:
- Vogelpoep
- Hars van bomen
- Insectenresten enz.
>Opmerking!
Wanneer dergelijk vuil niet onmiddellijk wordt verwijderd, kan de lak worden beschadigd. Dit zijn omstandigheden die niet onder de garantie vallen.
Onderhoudsinstructies
Autowasbeurt
Waarmee u voor het wassen van uw auto rekening moet houden!
■Eerst verwijdert u hardnekkig vuil zoals bijv. - Insectenresten, vogelpoep, hars van bomen, - Olie, vet, brandstof en teer.
■Richt nooit een hogedrukspuit op de afdichtingen van uw auto.
Insecten verwijderen
Verwijder insectenresten voor u de auto gaat wassen.
■Spuit smartcare insectenoplosser op de resten. ■Laat de insectenoplosser even kort inwerken. ■Wrijf de insectenoplosser uit met een zachte doek of spons. ■Daarna met veel water afspoelen. ■Zet het gereinigde oppervlak aansluitend in de was.
Teer verwijderen
Verwijder teerresten voor u de auto gaat wassen.
■ Breng de teerverwijderaar aan met een zachte doek. ■ Laat de teerverwijderaar kort inwerken. ■ Wrijf de teerverwijderaar uit met een zachte doek. ■ Spoel daarna af met veel water. ■ Zet het gereinigde oppervlak aansluitend in de was.
Onderhoudsinstructies
Auto met de hand wassen
■ Was uw auto met geconcentreerde autoshampoo en een spons. ■ Spoel daarna af met schoon water. ■ Droog uw auto af met een zeemleer.
> Belangrijk!
Was de auto niet in de volle zon. Het oppervlak van de carrosserie en de lak kan worden beschadigd.

Milieu!
Het is beter om uw auto in een daarvoor bestemde autowasserij of wasstraat te wassen, omdat door het wassen op straat bijvoorbeeld smeermiddel in de riolering terecht kan komen. Hierdoor wordt het milieu extra belast.

Auto wassen in de wasstraat
Wij adviseren om de antenne van uw auto los te schroeven en te verwijderen voordat u de auto in een autowasserij wast.
Bij het wassen in een wasstraat kunnen er waterdruppels aan de binnenzijde van het raam naar beneden lopen.

Gevaar voor ongevallen!
Na het wassen kunnen de remmen nog nat zijn en daardoor minder goed functioneren. Daarom moet u na het wegrijden een paar keer zachtjes remmen, zonder het overige verkeer te hinderen.
Onderhoudsinstructies
Frequentie van het lakonderhoud
De frequentie van het lakonderhoud is onder andere afhankelijk van
- de frequentie waarmee u het voertuig gebruikt,
- uw parkeergewoonten (in een garage of onder bomen),
- het jaargetijde,
- weers- en milieu-invloeden.
Beschadigingen aan de lak verhelpen
Verhelp kleine steenslagschade en krassen met een lakstift. De smartcare lakstiften zijn verkrijgbaar in een gekwalificeerde werkplaats, bijvoorbeeld een smart center.
Opmerking!
Bij grotere lakschade kunt u het beste contact opnemen met een gekwalificeerde werkplaats, bijvoorbeeld een smart center.
Exterieur Reparatiemogelijkheid
| Kunststofonderdelen (body panels) met doorzichtige lak Transparante stift | |
| Bodypanels met basis- en transparante lak | smartcare tweelaagse lakpenset in de betreffende kleur, bijv. star blue |
| tridion-veiligheidscel smartcare tweelaagse lakpenset in de betreffende kleur, bijv. zwart, zilver | |
Onderhoudsinstructies
Alle smartcare producten zijn verkrijgbaar bij een gekwalificeerde werkplaats, bijvoorbeeld een smart center.
| Interieur Bijzonderheden Normale vervuiling | handwas/wasstraat | Sterke vervuiling handwas/autowasserij | Dit mag u nooit doen | |
| Stoffen bekleding in de auto | Schone, pluisvrije doek gebruiken | Lichte zeepoplossing, vlekkenspray | Vlekkenspray Hard wrijven, wasbenzine gebruiken | |
| Kunststof onderdelen in de auto | Vochtige doek gebruiken | Vochtige, schone doek, cockpitspray | Vochtige, schone doek, cockpitspray | Schuren, oplosmiddelen gebruiken |
| Leren bekleding in de auto | Schone, kleurechte doek gebruiken | Schone doek met lauwwarm water, leeronderhoudsmiddel | Leeronderhoudsmiddel Agressieve middelen, vlekkenverwijderaar, enz. | |
| Glazen ruiten in de auto | Vochtige, schone doek, | microvezeldoekje, ruitenreiniger | Microvezeldoekje, ruitenreiniger | Scherpe, agressieve middelen gebruiken |
| Airbagbekleding Schone, | kleurechte doek gebruiken | Lichte zeepoplossing, vlekkenspray | Lichte zeepoplossing, vlekkenspray | Vlekverwijderaar, oplosmiddelen gebruiken |
Onderhoudsinstructies
Alle smartcare producten zijn verkrijgbaar bij een gekwalificeerde werkplaats, bijv. een smart center.
| Exterieur Bijzonderheden Normale vervuiling | handwas/wasstraat | Sterke vervuiling handwas/autowasserij | Dit mag u nooit doen | |
| Tridion-veiligheidskooi antraciet, zwart | Poedergespoten enkellaagse lak | Geconcentreerde autoshampoo, insectenverwijderingsmiddel bij insectenresten, polijstmiddel | Geconcentreerde autoshampoo, harde was, insectenverwijderingsmiddel bij insectenresten, polijstmiddel | Polish op tridion-veiligheidscel antraciet gebruiken, agressieve lakreiniger, machinepolish, schuurmiddel, zuurhoudend, sterk alkalisch middel, schuursponsje, reiniging met hogedrukreiniger c.q. heet water |
| tridion-veiligheidscel zilver | Poedergespoten enkellaagse lak + transparante lak | |||
| Glanzende kunststof onderdelen (bodypanels) | Kunststofonderdelen met basis- en kleurloze lak of alleen doorzichtige lak | |||
| Wielen en wieldoppen Tweelaags-metallic lak (hoogglanzend) | Geconcentreerde autoshampoo, velgenreiniger | Autoshampoo concentraat, dakreiniger, impregneerspray | ||
| Softtop Landmerkstof Autoshampoo | concentraat, dakreiniger, impregneerspray | Autoshampoo concentraat, dakreiniger, impregneerspray | ||

Wanneer u bij uw auto soms hulp nodig heeft, bijv. bij het vervangen van lampen of de accu, laten wij u niet in de steek. Wij laten u zien hoe u uw auto en daarmee uzelf snel kunt helpen. Maar natuurlijk kunt u ook altijd een beroep doen op gekwalificeerde werkplaatsen, bijv. een smart center, of smartmove Assistance.
De Onboard-Diagnose-box bevindt zich in de beenruimte voor de bestuurder, onder de afdekklep (A). Deze informatie is belangrijk voor uw servicemonteur.
Zekeringen

Het zekeringenkastje bevindt zich aan de linkerzijde onder het dashboard in de beenruimte.

Verbrandingsgevaar!
Gebruik in geen geval zekeringen met een hoger amperage en repareer of overbrug nooit defecte zekeringen. Dit kan leiden tot beschadiging van de elektrische installatie en brand veroorzaken.
Belangrijk!
Doorgebrande zekeringen moeten worden vervangen door gelijkwaardige zekeringen (herkenbaar aan kleur en amperage) met een amperage dat in de zekeringentabel wordt aanbevolen. Vervang zekeringen alleen bij een stilstaande auto. Schakel vooraf alle stroomverbruikers en de ontsteking uit. Brandt een nieuw geplaatste zekering opnieuw door, laat de oorzaak dan in een gekwalificeerde werkplaats, bijv. een smart center, vaststellen en verhelpen.
Zekering vervangen
Schakel voor het vervangen van de zekering alle elektrische stroomverbruikers en de ontsteking uit. Maak het zekeringkastje op de aangegeven plaats los en draai het naar beneden. Stel aan de hand van de zekeringentabel (zie pagina 10-5) vast welke zekering bij de uitgevallen stroomverbruiker hoort. Verwijder de desbetreffende zekering. Vervang de defecte zekering door een nieuwe met hetzelfde amperage. Hang het zekeringenkastje weer op zijn plaats.
Let er op dat de hendel weer wordt vergrendeld.
Zekeringen
Zekeringenkastje voorzijde Zekeringenkastje achterzijde


Bezetting van de zekeringen
| Nr. | Stroomverbruiker Stroomsterkte Kleur | ||
| 1 | Startmotor 25 A natuurlijk | ||
| 2 | Ruitenwissers voorruit, ruitensproeierpomp 20 A geel | ||
| 3 | Ventilator, stoelverwarming | 20 A | geel |
| 4 | Elektrische ruitbediening li., re. 30 A groen | ||
| 5 | Verlichtingsschakelaar 7,5 A bruin | ||
| 6 | Parkeerlicht/achterlicht re. | 7,5 A | bruin |
| 7 | Parkeerlicht/achterlicht li. | 7,5 A | bruin |
| 8 | Kl. 87/3 hoofdrelais (motor) 20 A geel | ||
| 9 | Kl. 87/2 hoofdrelais (motor) | 10 A | rood |
| 10 | Kl. 87/1 hoofdrelais (motor) | 15 A | blauw |
| 11 | Combi-instrument, veiligheidseiland, OBD | 7,5 A | bruin |
| 12 | Radio cd, binnenverlichting | 15 A | blauw |
| 13 | Mistlampen | 15 A | blauw |
| 14 | esp kleppen | 25 A natuurlijk | |
| 15 | Intercooler | 15 A | blauw |
| 16 | Elektrische brandstofpomp | 10 A | rood |
Zekeringen
| Nr. | Stroomverbruiker | Stroomsterkte | Kleur |
| 17 | Ruitenwisser achterruit 15 A blauw | ||
| 18 | Airbag-activeringsunit, esp | 7,5 A | bruin |
| 19 | Spiegelafstelling 7,5 A bruin | ||
| 20 | Radio, cd, combi-instrument, toerenteller, OBD, achteruitrijlamp | 15 A | blauw |
| 21 | Stopcontact 15 A blauw | ||
| 22 | Dimlicht re. 7,5 A bruin | ||
| 23 | Dimlicht li. 7,5 A bruin | ||
| 24 | Groot licht re. 7,5 A bruin | ||
| 25 | Groot licht li/combilicht 7,5 A bruin | ||
| 26 | Remlicht 15 A blauw | ||
| 27 | Motormanagement 7,5 A bruin | ||
| 28 | Achterruitverwarming 30 A groen | ||
| 29 | Kap | 30 A | natuurlijk |
| 30 | Versnellingsbak | 40 A oranje | |
| 31 | Claxon, centrale vergrendeling, afstandsontgrendeling achterklep | 30 A | groen |
| 32 | Secundaire luchtpomp | 30 A | groen |
| 33 | Ontsteking | 50 A | rood |
Zekeringen
Nr. Stroomverbruiker Stroomsterkte Kleur
Lampen dienen te worden vervangen in een gekwalificeerde werkplaats, bijv. een smart center.
Laat de gloeilampen alleen vervangen bij een gekwalificeerde werkplaats, bijv. een smart center:
- koplampen
- mistlampen
- binnenverlichting
- knipperlichten aan de zijkant
- Xenon - lampen *
>Opmerking!
Laat de afstelling van de koplampen regelmatig, ten minste één keer per jaar, controleren.
Gloeilampen vervangen Het volgende is van belang als u een

Verbrandingsgevaar!
Gloeilampen kunnen erg heet worden. Bij aanraking kunt u brandwonden oplopen. Laat de lamp afkoelen voordat u een gloeilamp vervangt.

Gevaar voor letsel!
Xenon-lampen* staan onder hoogspanning. Wanneer u in aanraking komt met elektrische contacten van de xenon-lampen*, kunt u een elektrische schok krijgen en ernstig of dodelijk letsel oplopen. Verwijder daarom niet de afdekking van de xenon-lamp*. Vervang xenon-lampen* niet zelf, maar laat de xenon-lampen* altijd vervangen in een gekwalificeerde werkplaats, waar het personeel de noodzakelijke vakkennis bezit en over het gereedschap beschikt dat voor het uitvoeren van de werkzaamheden noodzakelijk is, bijv. een smart center.
gloeilamp van uw auto wilt vervangen:
- Schakel de verlichting en de ontsteking uit om kortsluiting te vermijden.
- Pak nieuwe gloeilampen alleen vast met een schone, vetvrije doek.
- Pak de gloeilampen niet bij het glas vast.
- Zorg ervoor dat uw vingers droog en niet met olie besmeurd zijn.
- Gebruik alleen gloeilampen van hetzelfde type met hetzelfde aantal watt.
Lampen

Achterlichten vervangen
In de achterlichten zit een:
- Gloeilamp knipperlicht 12 V 21 W
- Achterlicht/remlicht 12 V 21/5 W
- Mistachterlamp (links) 12 V 21 W
- Achteruitrijlicht (links) 12 V 21 W
Open de achterste bagageruimte.
Schroef de bevestigingsschroef op de getoonde plaats los.
Druk het achterlampje naar de zijkant toe uit de bevestiging.

Draai de fitting tegen de wijzers van de klok in uit de behuizing.
De stekkerverbinding blijft op de fitting aangesloten.
Draai de gloeilamp tegen de wijzers van de klok in en trek hem uit de fitting.
Opmerking!
Het monteren gebeurt in omgekeerde volgorde van het demonteren.

Derde remlicht vervangen
Draai de bevestigingsschroeven (A) los. Haal het lampenglas (B) eraf. Haal de reflectors (C) eruit. Haal de defecte gloeilamp (D) uit de fitting.
Opmerking!
Het monteren gebeurt in omgekeerde volgorde van het demonteren.
Pech-onderwegset*

Met de pech-onderwegset kunt u beschadigingen tot een diameter van ca. 4 mm in het loopvlak van de band repareren.
De pech-onderwegset (A) bevindt zich onder de mat aan de passagierszijde.
Tot de reparatieset behoren:
- Fles met dichtmiddel
- Vulslang
- Ventieluitdraaier met ventielinzetstuk
- Elektrische bandenpomp met aansluitslang
- Sticker "80 km/h" en "50 mph"
- Gebruikshandleiding
Opmerkingen!
- Het bandendichtingsmiddel kan alleen worden gebruikt bij een buitentemperatuur van -20 °C tot +60 °C.
- Verwijder geen voorwerpen die in de band zitten, zoals bijv. spijkers of schroeven.
- Gebruik geen dichtmiddel wanneer banden door het rijden zonder lucht beschadigd zijn (bijv. bij builen, snijbeschadigingen, scheuren enz. aan de banden)!
- Laat uitgelopen dichtmiddel drogen en verwijder het als een folie.
- Veeg met dichtmiddel verontreinigde gelakte vlakken onmiddellijk met een vochtige doek af.
- Laat het dichtmiddel niet in contact met de ogen komen!
- Slik het dichtmiddel niet in!
- Laat het dichtmiddel in een lekke band opdrogen en voer het samen met de band af.
- Gebruik het dichtmiddel niet na het verlopen van de houdbaarheidsdatum (zie achterkant van de fles)!
Pech-onderwegset*

Gevaar voor letsel!
Het dichtmiddel is schadelijk
voor de gezondheid en mag niet in aanraking komen met huid, ogen of kleding.
- Wanneer u het dichtmiddel in de ogen heeft gekregen, moet u dit onmiddellijk met schoon water grondig uitspoelen.
- Wanneer u het dichtmiddel heeft aangeraakt, moet u het onmiddellijk met schoon water grondig afspoelen.
- Trek met dichtmiddel verontreinigde kleding onmiddellijk uit.
- Wanneer allergische reacties optreden moet u onmiddellijk een arts consulteren.
Bewaar het dichtmiddel buiten bereik van kinderen.
- Wanneer het dichtmiddel is ingeslikt, moet het slachtoffer de mond onmiddellijk grondig spoelen en veel water drinken.
- Laat het kind niet braken! Consulteer onmiddellijk een arts!
Adem de dampen niet in.

Gevaar voor ongevallen!
In onderstaande gevallen komt uw
veiligheid in gevaar en kan het dichtmiddel niet voor de reparatie worden gebruikt:
- bij snij- en steekschade aan de banden, die groter is dan 4 millimeter,
- bij snijschade aan de zijwand van de band,
- bij schade aan de velg,
- wanneer u met een te lage bandenspanning of lege banden heeft gereden.
Rij niet verder! Anders kan lucht uit de banden verdwijnen. Hierdoor bestaat de mogelijkheid dat u een ongeval veroorzaakt. Bel een gekwalificeerde werkplaats, bijv. een smart center.
Pech-onderwegset*

Banden met behulp van de reparatieset repareren ■ Schud de fles met dichtmiddel voor gebruik.

■ Draai de vulslang op de fles.
Daarbij wordt de aluminium sluiting doorgeprikt.

■ Verwijder het ventieldopje van het ventiel. ■ Draai met het bijgeleverde ventielsleuteltje het ventielelement uit het ventiel.
> Opmerking!
Bescherm het ventielelement zorgvuldig tegen verontreinigingen. Wanneer het element beschadigd is, zit onder het schroefkapje van het ventielsleuteltje een reserveventiel.
Pech-onderwegset*

■Trek de afsluitdop van de vulslang en schuif het uiteinde van de slang op het ventiel van de band. ■Houd de fles met de vulslang naar onderen en druk deze in elkaar. ■Pers de inhoud van de fles volledig in de band. ■Trek de slang van het ventiel en verwijder resten dichtmiddel van ventiel, velg en/of band.

■Het originele ventielelement (event. reserveventiel) met het ventielsleuteltje weer in het ventiel draaien.

■Plaats de luchtslang van de compressor nauwkeurig op het ventiel. ■Steek de elektrische aansluiting in de 12-volts stekkerdoos. ■De band tot minimaal 1,8 bar oppompen (max. 2,5 bar).
>Opmerking!
Gebruik de elektrische compressor niet langer dan zes minuten! Anders bestaat gevaar voor oververhitting!
Pech-onderwegset*
>Opmerking!
Wanneer de band niet tot een spanning van 1,8 bar kan worden opgepompt, haal dan de compressor weer van het wiel. Rij de auto voorzichtig 10 meter voor- of achteruit om het dichtmiddel in de band te verdelen.
Pomp de band opnieuw op.

Gevaar voor ongevallen!
Wanneer de bandenspanning van
1,8 bar niet binnen vijf minuten kan worden bereikt, is de band te zwaar beschadigd.
Rij niet verder! Anders kan lucht uit de banden verdwijnen. Hierdoor bestaat de mogelijkheid dat u een ongeval veroorzaakt. Bel een gekwalificeerde werkplaats, bijv. een smart center.

Gevaar voor ongevallen!
U mag beslist niet harder rijden
dan 80 km/h, wanneer u uw band met het dichtmiddel heeft gerepareerd. De sticker „max. 80 km/h“ moet in het zicht van de bestuurder op het dashboard zijn aangebracht.
Het rijgedrag van uw auto kan ondanks het gebruik van het dichtmiddel door de beschadigde band negatief worden beïnvloed.
■Vervolg na het ontkoppelen van de compressor de rit onmiddellijk, zodat het dichtmiddel gelijkmatig in de band kan worden verdeeld en de beschadigde plaats goed wordt afgedicht.
■Controleer nadat u ca. 10 minuten heeft gereden met de manometer van de compressor de bandenspanning.
>Belangrijk!
De compressor (gele doos) moet na gebruik absoluut weer in de voetsteun worden teruggezet, aangezien hij de voetensteun van de passagier vormt.

Gevaar voor ongevallen!
Wanneer de bandenspanning nu minder dan 1,3 bar bedraagt, is de band te zwaar beschadigd.
Rij niet verder! Anders kan lucht uit de banden verdwijnen. Hierdoor bestaat de mogelijkheid dat u een ongeval veroorzaakt. Bel een gekwalificeerde werkplaats, bijv. een smart center.
Pech-onderwegset*
>Opmerking!
Wanneer de bandenspanning lager is geworden dan 1,3 bar, mag de rit niet worden vervolgd. Wanneer de bandenspanning hoger is dan 1,3 bar, moet u met de compressor de band tot op de in de bedrijfshandleiding van de auto aangegeven waarde oppompen. Rij voorzichtig verder tot de volgende gekwalificeerde werkplaats, bijv. een smart center.
>Opmerking!
De fabrikant kan niet garanderen dat met de reparatieset alle lekken kunnen worden verholpen, in het bijzonder niet die lekkages die groter zijn dan een diameter van 4 mm en die buiten het loopvlak liggen. De fabrikant is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit een onjuist gebruik van de reparatieset.
Diefstalbeveiliging wielen*
Diefstalbeveiliging wielen*
Let op!
Gebruik geen slagschroefmachine. Berg de borgsleutel op een geschikte plaats in de auto op.
Let op!
Gebruik uit veiligheidsoverwegingen geen naafkappen en naafafdekkingen bij de montage van de diefstalbeveiliging voor stalen wielen.
Opmerking!
Bij verlies van de borgsleutel moet u met de codekaart van uw sleutel naar een smart center gaan. Berg de codekaart van uw sleutel goed op.
Montage van de diefstalbeveiliging van de wielen.

Gevaar voor ongevallen!
De diefstalbeveiliging van de wielen moet na 100 tot 500 km opnieuw met een momentsleutel worden vastgedraaid (zie aandraaimoment). De diefstalbeveiligingen kunnen anders losraken en een gevaar vormen voor u en andere verkeersdeelnemers.

Draai van elk wiel één van de wielbouten los.
Draai de diefstalbeveiligingsmoer (1) met de borgsleutel (2) en een momentsleutel vast.
Aandraaimoment: 120 Nm
Banden en velgen

smart gmbh adviseert op veiligheidstechnische gronden banden, die speciaal voor uw auto zijn vrijgegeven. Deze banden zijn afgestemd op de regelsystemen, zoals bijv. ABS of ESP. Wanneer u andere banden gebruikt, kan smart gmbh niet verantwoordelijk worden gesteld voor de daaruit voortvloeiende schade. Informatie m.b.t. banden is verkrijgbaar bij elke gekwalificeerde werkplaats, bijv. een smart center.
Wanneer u andere banden dan de door smart gmbh gekeurde en aanbevolen banden gebruikt, kunnen de eigenschappen, zoals bijv. rijgedrag, geluid, verbruik enz. nadelig worden beïnvloed.
Bovendien kunnen afwijkingen in de maatvoering en een andere vervorming van de banden tijdens het rijden onder belasting tot contact met de carrosserie en asonderdelen leiden. Beschadigingen aan de banden of de auto kunnen het gevolg zijn.
Coverbanden worden niet door smart gmbh gekeurd en niet geadviseerd. Bij coverbanden kunnen beschadigingen niet altijd worden herkend. Op grond daarvan kan smart gmbh de veiligheid met coverbanden niet garanderen.

Gevaar voor ongevallen!
Gebruik alleen het voor uw autotype vrijgegeven type banden, afmetingen van de banden en wielmaten.
Wanneer u andere wielen laat monteren: - kunnen de wielremmen of onderdelen van het chassis beschadigd worden. - is het vrij ronddraaien van de wielen en de banden niet meer gegarandeerd.
Wijzigingen aan de reminstallatie en de wielen en het gebruik van afstands- en remstofschijven is niet toegestaan. Anders verliest de auto de typegoedkeuring.
Banden en velgen
Waar u zonder meer op moet letten:
- Gebruik alleen banden en wielen van hetzelfde type en dezelfde fabrikant.
- Monteer alleen passende banden op de wielen.
- Bij een auto met dezelfde wielmaat voor en achter, mag u de banden alleen tussen de assen onderling omwisselen (RV naar RA; LV naar LA).
- Monteer nieuwe banden op de achteras.
- Rij de nieuwe banden gedurende de eerste 100 kilometer met een gematigde snelheid in.
- Controleer banden en wielen regelmatig op beschadigingen. Beschadigde wielen kunnen tot verlies van de bandenspanning en schade aan de banden leiden.
- Verslijt de banden niet helemaal. Een profieldiepte van minder dan 3 millimeter zorgt voor een sterk verminderde hechting op natte wegen. Vervang daarom zomerbanden met een profieldiepte van 3 millimeter en winterbanden van minder dan 4 millimeter absoluut door nieuwe banden.
- Vernieuw de banden, los van de mate van slijtage, uiterlijk na zes jaar. Dat geldt ook voor het reservewiel.
Opmerking!
Sla de niet gebruikte banden koel, droog en zo mogelijk in een donkere ruimte op. Bescherm de banden tegen olie, vet en benzine. Maak de banden nooit schoon met hogedrukreinigers. U kunt de banden daarmee beschadigen.
Gebruiks- en verkeersveiligheid
Banden zijn uitermate belangrijk voor de bedrijfs- en verkeersveiligheid van de auto. Daarom moet u de bandenspanning, het profiel en de toestand van de banden regelmatig controleren.
Bij bandenspecialisten of een gekwalificeerde werkplaats, bijv. een smart center, krijgt u meer informatie met betrekking tot
- belasting van de banden (LI, Load Index),
- snelheidsindex (toegestane maximum snelheid van de banden),
- ouderdom van de banden,
- oorzaken en gevolgen van bandenslijtage,
- maatregelen bij beschadigingen van de banden,
- type banden voor bepaalde regio's, toepassingsgebieden of gebruiksomstandigheden van de auto,
- mogelijkheden voor het monteren van andere banden enz.
Banden en velgen
Toestand van de banden
Controleer de banden regelmatig, bijv. op:
- uitwendige beschadigingen,
- veroudering van de banden,
- vreemde voorwerpen in het profiel,
- scheuren, bulten,
- eenzijdige of onregelmatige slijtage van het profiel.
Profiel van de banden
De minimale profieldiepte van de zomerbanden mag nooit minder bedragen dan 3 millimeter en 4 millimeter voor winterbanden.
Met een toenemende slijtage van de banden vermindert de hechting van de banden met de ondergrond en het rijgedrag van de auto, in het bijzonder op natte of besneeuwde wegen. Vervang de banden daarom, voordat de profieldiepte minder is dan de minimale profieldiepte.
U moet de profieldiepte met een profieldieptemetertje controleren, dat u kunt aanschaffen in een gekwalificeerde werkplaats, bijv. een smart center.
Aanduidingen voor de noodzakelijkheid van het vervangen van de banden herkent u ook aan de in de profielrand van het loopvlak geïntegreerde slijtage-indicatoren. Deze vormen uiteraard pas bij een resterende profieldiepte van 1,6 millimeter smalle doorlopende drempels. Wanneer u deze kunt zien, moeten de banden onmiddellijk worden vervangen.

Gevaar voor letsel!
Hou voortdurend in de gaten of er nog voldoende profiel op de banden zit. Te weinig profiel op de band vermindert de hechting met de ondergrond en verhoogt tijdens regen of natte sneeuw en een hoge snelheid het gevaar van aquaplaning. Het profiel van de banden kan het water niet meer afvoeren. U kunt de controle over uw auto verliezen, een ongeval veroorzaken en u zelf of anderen verwonden.

Gevaar voor ongevallen!
Houd er rekening mee dat scheuren, bulten of andere beschadigingen een klapband kunnen veroorzaken. Daardoor kunt u de controle over uw auto verliezen en u zelf of anderen verwonden. Vervang dergelijk beschadigde banden onmiddellijk.
Banden verouderen, ook wanneer u deze niet of slechts weinig gebruikt. De gebruiks- en verkeersveiligheid van alle banden neemt af. Laat daarom banden, die ouder zijn dan zes jaar vanaf de productiedatum, vervangen. De productiedatum herkent u aan de hand van het DOT-nummer, dat op zijkant van iedere band staat. De laatste twee cijfers geven sinds 2000 het productiejaar van de band aan, daarvoor staat de tweecijferige productieweek (WWJJ).
Banden en velgen
Schade aan de banden
Beschadigingen aan de banden ontstaan bijv. door:
- gebruiksomstandigheden van de auto,
- stoepranden,
- vreemde voorwerpen,
- te lage bandenspanning,
- weers- en milieu-invloeden, contact met olie, vet, brandstof enz.
Gevaar voor ongevallen!
Het over stoepranden of scherpe voorwerpen rijden kan leiden tot aan de buitenkant niet herkenbare schade aan het karkas van de band. Beschadigingen aan het karkas van de auto worden pas veel later opgemerkt en kunnen daardoor tot problemen met de banden leiden. Daardoor kunt u de controle over uw auto verliezen, een ongeval veroorzaken en u zelf of anderen verwonden.
Gevaar voor ongevallen!
Maak de banden nooit schoon met een hogedrukreiniger. Dit kan tot zware en onherstelbare schade aan de banden leiden. Hierdoor kunt u een ongeval veroorzaken of andere personen verwonden.
Wielen vervangen
Gevaar voor ongevallen!
Wissel de voor- en achterwielen alleen om, wanneer deze dezelfde afmetingen hebben, zoals bijv. maat, profieldiepte enz.
Bij auto's met dezelfde wielmaat kunt u afhankelijk van de mate van slijtage de wielen iedere 5.000 tot 10.000 kilometer omwisselen. Let hierbij op de draairichting van de wielen.
De voor- en achterwielen slijten in verschillende mate, afhankelijk van de gebruiksomstandigheden. Wissel de wielen om, voordat deze een karakteristiek slijtagepatroon hebben ontwikkeld.
Maak iedere keer dat wielen worden omgewisseld de contactvlakken en de remschijf/binnenkant van het wiel grondig schoon. Controleer de bandenspanning.
Banden en velgen
Verwisselen van een wiel

Gevaar voor ongevallen!
Het overschrijden van de
aangegeven belasting van de band en de toegestane maximumsnelheid kan tot beschadigingen c.q. onherstelbare beschadigingen van de band leiden. Daardoor kunt u de controle over uw auto verliezen en uzelf of anderen verwonden.
Gebruik daarom alleen het voor uw autotype vrijgegeven type banden, afmetingen van de banden en wielmaten. Let a.u.b. ook in het bijzonder op de klantspecifieke toelatingsvoorschriften voor banden.
Deze voorschriften leggen onder bepaalde omstandigheden een bepaald type band vast c.q. verbieden het gebruik van bepaalde typen banden, die in andere landen zijn toegelaten.
Bovendien kan voor bepaalde regio's en toepassingsgebieden het gebruik van een bepaald type band worden aanbevolen. Informatie m.b.t. banden is verkrijgbaar bij een gekwalificeerde werkplaats, bijv. een smart center.

Gevaar voor ongevallen!
Laat, nadat u een wiel heeft
vervangen, onmiddellijk het aandraaimoment controleren in een gekwalificeerde werkplaats. smart gmbh adviseert u hiertoe naar een smart center te gaan. In het bijzonder bij veiligheidsrelevante werkzaamheden en werkzaamheden aan veiligheidsrelevante systemen is de service van een gekwalificeerde garage absoluut noodzakelijk. De wielen kunnen losraken wanneer deze niet met een aandraaimoment van 120 Nm zijn vastgedraaid. Gebruik uit veiligheidstechnische gronden alleen de door smart gmbh vrijgegeven, passende wielbouten.
Banden en velgen

Gevaar voor ongevallen! Plaats de krik op een van de daarvoor aangebrachte aanzetpunten. Wanneer u de krik niet goed plaatst, kan de auto van de krik vallen en u of anderen letsel toebrengen.
Gevaar voor ongevallen! De krik enkel gebruiken bij het verwisselen van een wiel om de auto kortstondig op te tillen. Steunbokken onder de auto plaatsen wanneer men er onder werkt. Let er op dat de ondergrond waarop de krik wordt geplaatst stevig en vlak is. Gebruik bij een losse ondergrond voor de krik een stevige onderligger die niet weg kan glijden. Start de motor niet tijdens de gehele duur van het verwisselen van het wiel. Ga niet onder een met de krik opgetilde auto liggen. Wanneer u de auto niet zoals is beschreven op de krik zet kan deze van de krik glijden (bijv. tijdens het starten van de motor, openen en sluiten van een portier of voor- danwel achterklep).
■Zet de auto op een vlakke ondergrond. ■Trek de handrem aan. ■Trap het rempedaal in en breng de softip-schakeling in de positie R. ■Zet de motor af. ■Met een passende wielmoersleutel de wielmoeren losdraaien tegen de wijzers van de klok in, doch draai ze er nog niet volledig uit. ■Plaats een passende krik op één van de daarvoor aangebrachte aanzetpunten (A). Deze kunt u herkennen aan de markeringen in de portierdrempel.
Het oplegvlak van het standbeen van de krik moet loodrecht onder het aanzetpunt (A) liggen.
Banden en velgen
■De auto met de autokrik zo ver optillen tot het wiel geen contact meer heeft met de grond. ■Schroef de wielbouten los en verwijder het wiel.
Nieuw wiel monteren

Gevaar voor ongevallen!
Gebruik uitsluitend de
meegeleverde wielbouten.

Gevaar voor ongevallen!
Vervang de wielbouten die
beschadigd of verroest zijn.
Vet en olie de wielbouten nooit in.
Wanneer de schroefdraad van een wielbout is beschadigd, mag u in geen geval doorrijden. Bel een gekwalificeerde werkplaats, bijv. een smart center.
Gebruik alleen die wielbouten die voor het wiel en de auto zijn bedoeld.
smart gmbh adviseert uit veiligheidsoverwegingen uitsluitend de door smart gmbh goedgekeurde wielbouten te gebruiken. Andere bouten kunnen losraken.
Banden en velgen
■ Monteer het wiel en draai de kopbouten losvast met de kopboutsleutel. ■ Laat de auto zakken en verwijder de krik. ■ Draai de wielmoeren stevig vast met de wielmoersleutel (koppel: 120 Nm).
> Opmerking!
Laat de nieuwe wielen in een gekwalificeerde werkplaats, bijv. een smart center, controleren en eventueel uitbalanceren.

Gevaar voor ongevallen!
Laat nadat u een wiel heeft
vervangen onmiddellijk het aandraaimoment controleren. De wielen kunnen losraken wanneer ze niet met een aandraaimoment van 120 Nm zijn vastgedraaid.
Accu
Accu
Veiligheidsinstructies en voorzorgsmaatregelen bij de omgang met accu's in acht nemen.
Neem de volgende veiligheidsinstructies en voorzorgsmaatregelen altijd in acht bij omgang met de accu.
Gebruik originele smart accu's, om de veilige inbouw en de elektrische functie te kunnen garanderen.

Explosiegevaar!
Tijdens het opladen van accu's kan het uiterst explosieve knalgas ontstaan.

Roken en open vuur verboden! Voorkom vonkvorming!

Gevaar door bijtende stoffen! Accuzuur is een bijtende stof. Het mag niet in aanraking komen met huid, ogen of kleding!
Spoel zuurspetters onmiddellijk enkele minuten grondig met schoon water af! Wanneer accuzuur in de ogen terecht komt of wordt ingeslikt, onmiddellijk een arts waarschuwen!

Draag een veiligheidsbril!
Zorg dat geen zuur in de ogen of op de huid terecht komt.

Buiten bereik van kinderen houden!
Houd kinderen uit de buurt van accu's, zuur of opladers.

Instructieboekje in acht nemen!
Volg altijd de in het instructieboekje opgenomen aanwijzingen op.
>Belangrijk!
De auto nooit zonder accu gebruiken, daar dit elektrische apparatuur kan beschadigen.

Gevaar voor letsel!
Leg geen metalen voorwerpen op de accu. Anders bestaat de mogelijkheid dat u kortsluiting veroorzaakt.
Gebruik alleen tegen lekken beveiligde accu's, zodat bij een ongeluk de inzittenden geen bijtende accuvloeistof over zich heen krijgen.
Accu

Gevaar voor letsel!
Wanneer de plusklem van de aangesloten accu met onderdelen van de auto in aanraking komt, kan kortsluiting ontstaan, waardoor het uiterst explosieve gasmengsel dat door de accu wordt geproduceerd, kan worden ontstoken. U en anderen kunnen daarbij ernstig letsel oplopen.
- Wanneer u de accu loskoppelt altijd eerst de min- en daarna de plusklem loskoppelen.
- Wanneer u de accu aansluit altijd eerst de plus- en daarna de minklem aansluiten.
- De aansluitklemmen van de accu nooit loskoppelen of aansluiten terwijl de motor draait.

Milieu!
Accu's bevatten lood en zwavelzuur en horen niet in het huisvuil!
Lever lege, defecte of beschadigde accu's altijd in bij een gekwalificeerde werkplaats, bijv. een smart center, of bij een innamedepot voor oude accu's.

- Auto met benzinemotor 12 volt en 42 ampère-uur.
- Auto met benzinemotor (cold zone): 12 volt en 61 ampère-uur.
Accu

Accu verwijderen/plaatsen
Let er op dat
- u de aansluitklemmen niet verwisselt. De accu kan anders onherstelbaar beschadigd raken.
- een schroefsleutel of andere metalen voorwerpen niet tegelijkertijd in aanraking komen met de twee accupolen of met de pluspool en de carrosserie. Er kan kortsluiting ontstaan.

■ Zet de motor af. ■ Schakel alle stroomverbruikers uit. ■ Open de voorste bagageruimte. ■ Draai de vier bevestigingsschroeven van de bagageruimtekuip tegen de wijzers van de klok in los. ■ Verwijder de bagageruimtekuip. ■ Schroef eerst de minpoolklem en dan de pluspoolklem eraf.

■ Schakel alle stroomverbruikers uit. ■ Breng de accu op de hiervoor voorziene plaats aan. ■ Schroef de bevestiging van de accu erop (A). ■ Schroef eerst de pluspoolklem en dan de minpoolklem erop. ■ Monteer de afdekking van de pluspool.
Accu
Tips voor het onderhoud van de accu
- De accu van uw auto is onder normale omstandigheden onderhoudsvrij (DIN 43539/T2). Laat echter de laadtoestand en het zuurpeil van de accu vóór aanvang van het koude jaargetijde controleren in een gekwalificeerde werkplaats, bijv. een smart center.
- Om het zuurpeil te kunnen controleren, moeten de accudoppen op de bovenkant worden geopend. Het zuur moet tot aan de MAX-markering staan.
- Wanneer veel korte afstanden worden gereden, dient de accu ongeveer iedere drie maanden te worden opgeladen. Daarmee behoudt u de startcapaciteit van uw auto en dit verlengt de levensduur van de accu.
- Wanneer de auto gedurende langere tijd niet wordt gebruikt, moet u de accu loskoppelen en ongeveer iedere zes maanden opladen.
- Wanneer de auto gedurende langere tijd stilstaat zonder dat de accu is losgekoppeld (drie tot vier weken), moet de accu worden opgeladen.
Accu

Starthulp
Wanneer uw accu ontladen is en de auto niet wil starten, kan een andere auto als starthulp worden gebruikt.
Start de motor van uw auto met behulp van
- startkabels en
- de accu van een andere auto.
Neem daarbij de onderstaande aanwijzingen in acht:

Gevaar door bijtende stoffen!
Buig tijdens het starten met
behulp van een andere accu of tijdens het opladen nooit over de accu.

Explosiegevaar!
Voorkom vonkvorming. Hanteer in de buurt van de accu geen open vlam en rook niet.
Neem de volgende veiligheidsinstructies en voorzorgsmaatregelen in acht bij omgang met de accu!
■ Zet de motor van de andere auto uit. ■ Open de voorste bagageruimte. (zie pagina 8-8) ■ Draai de vier bevestigingsschroeven linksom los. ■ Verwijder de bagageruimtekuip. ■ Verwijder de afdekking van de pluspool. ■ Sluit allereerst de pluspolen (A) op elkaar aan met de rode startkabel. ■ Verbind de minpool (B) van de accu van de andere auto met het motorblok (massapunt/niet gelakt) van uw auto.
■Deactiveer de startblokkering (zie pagina 7-5). ■Start de motor van uw auto. ■Wanneer de motor niet onmiddellijk start, moet u ca. 30 seconden wachten tussen de startpogingen.
Wanneer de motor niet start, moet u een reparatiedienst bellen, bijv. smartmove Assistance, of een kwalificeerde werkplaats, bijv. een smart center.
Accu
Starthulp demonteren
■Schakel stroomverbruikers zoals ventilatie of achterruitverwarming pas in als de motor loopt.
Doe het licht niet aan!
Op deze manier vermindert u het risico op vonkvorming als u de startkabels losmaakt.
■Maak eerst de aansluiting van de startkabel met de minpool los, dan die met de pluspool.
Houd rekening met het volgende
- Gebruik altijd accu's met dezelfde nominale spanning (12 volt).
- Gebruik startkabels met voldoende doorsnede en geïsoleerde klemmen van een gekwalificeerde werkplaats, bijv. een smart center.
- De auto's mogen elkaar niet raken tijdens de startpoging.
- Schakel alle stroomverbruikers in beide auto's uit.
- Zet de motor van de andere auto uit.
Accu
Accu opladen - Gebruik alleen opladers met de

Gevaar voor letsel! Explosiegevaar!
Wanneer u de accu oplaadt, bestaat explosiegevaar door ontsteking van het knalgas, dat in de accu wordt geproduceerd. Voorkom vonkvorming. Hanteer in de buurt van de accu geen open vlam en rook niet. Raak de accupolen nooit aan met metalen voorwerpen en koppel de aansluitklemmen van de acculader pas los, nadat de acculader is uitgeschakeld en er geen gas meer uit de accu komt. Zorg voor een goede ventilatie, wanneer u accu's oplaadt. Buig tijdens het opladen nooit over de accu en adem geen gassen in. U kunt verwondingen oplopen.

Gevaar voor letsel!
Laad nooit een ingebouwde accu op. Tijdens het laden kunnen gassen ontsnappen en kleine explosies plaatsvinden die lakschade en aantastingen kunnen veroorzaken en u of anderen kunnen verwonden.
correcte/geschikte spanning.
- Laad nooit een bevroren accu op. Laat de accu controleren bij een gekwalificeerde werkplaats, bijv. een smart center. De bak zou beschadigd kunnen zijn.
>Opmerking!
Koppel de accu bij snelladen los voordat deze op de oplader wordt aangesloten.
In beweging zetten
In beweging zetten
Bij een defecte startmotor bestaat de mogelijkheid de auto in een aflopende straat in beweging te zetten.
Voorbereidingen
■Schakel de ontsteking in. ■Trek de handrem aan. ■Trap het rempedaal in. ■ Zet de versnellingshendel in positie + en houd deze vast.
In beweging zetten
■Laat het rempedaal los. ■Trap het gaspedaal helemaal in. ■Zet de auto op de handrem.
Met toenemende snelheid wordt de koppeling zelfstandig ingedrukt en de motor gestart. ■Laat de schakelhendel los. ■Geef gas.
Wegslepen

Gebruik het sleepoog wanneer u met uw auto een andere auto wegsleept of zelf wordt weggesleept.
Het sleepoog (A) bevindt zich onder de mat aan de passagierszijde. Het dient altijd op deze plaats in de auto te blijven, als het niet gebruikt wordt.
■Open het portier aan de kant van de passagier.

Bevestigingspunten voor het sleepoog
Het bevestigingspunt vooraan dient voor het wegslepen van de auto.

De bevestigingspunten achteraan dienen voor het wegslepen van andere auto's.
Wegslepen

■Haal het sleepoog uit de voetensteun aan de passagierszijde. ■Verwijder de afdekking van de auto. ■Schroef het sleepoog tot aan de aanslag in het gat en draai deze goed vast. ■Bevestig een sleepkabel of sleepstang aan het sleepoog.
Gevaar voor ongevallen! Laat de auto met een sleepstang afslepen, wanneer de motor niet draait. Als de motor niet draait, werkt de servo-ondersteuning niet voor de elektrische servosturing (electric power steering)*. U moet dan aanmerkelijk meer kracht uitoefenen bij het sturen en remmen. Wanneer u een andere auto aan- of wegsleept, mag het gewicht van de auto niet groter zijn dan het toegestane totale gewicht van uw auto.
Wegslepen
■Schakel de ontsteking in. ■Trap het rempedaal in. ■ Breng de schakelhendel in de stand N.
Op het display verschijnt N.

De auto kan alleen worden weggesleept wanneer
- de schakelhendel op N staat, - op het display N staat, - zodat zeker is dat er geen versnelling is voorgeschakeld.
Hier moet met name op worden gelet wanneer bijv. de accu helemaal leeg is. Nu kan de auto volgens de daarvoor hieronder gegeven richtlijnen worden weggesleept.
Wegslepen
Aanwijzingen voor het wegslepen
- De smart mag alleen weggesleept worden door iemand met ervaring.
- U kunt uw auto het beste laten wegslepen door een wagen van een gekwalificeerde werkplaats, bijv. een smart center.
- U moet rekening houden met de wettelijke bepalingen ten aanzien van het wegslepen in de desbetreffende landen.
- De sleepsnelheid mag maximaal 50 km/h bedragen.
- De afsleepsnelheid mag maximaal 50 km bedragen.
- Voor het wegslepen moet de voorkeur worden gegeven aan een sleepstang.
- De sleepogen van beide auto's moeten aan dezelfde kant zitten (links/rechts).
- De auto mag alleen aan de sleepogen zelf slepen c.q. weggesleept worden.
- De gesleepte auto mag niet zwaarder zijn dan de slepende auto.
- Het bergen van de auto mag niet met behulp van de sleepvoorzieningen worden uitgevoerd.
- De sleepvoorzieningen kunnen worden gebruikt om de auto vast te sjorren.
Brandblusser*

De brandblusser zit in de beenruimte aan de passagierszijde van uw auto.

Gevaar voor letsel!
Vergrendel de brandblusser
altijd stevig. Rondvliegende voorwerpen kunnen bij het remmen tot verwondingen leiden.
Houd rekening met de volgende punten:
■ Lees voor gebruik de gebruikshandleiding van de brandblusser door, zodat u hem in geval van nood meteen probleemloos, veilig en juist kunt toepassen.
■ Laat de brandblusser regelmatig, ten minste om de 2 jaar, controleren.
Aanwijzing!
Wanneer u een brandblusser monteert, moet u in de beenruimte speciale vloermatten* aanbrengen.

Inhoud
Infostickers Typeplaatje Technische gegevens Homologatienummer Ministeriële homologatie
>>Gegevensoverdracht.
Neem tenslotte nog een ogenblik de tijd, en laat de technische gegevens van uw auto op u inwerken. Wij wensen u daarbij veel plezier.
Infostickers (Voorbeeld stuur aan linkerkant)

Infostickers (Voorbeeld stuur aan linkerkant)
a smartmove Assistance (handschoenenvak) b Infostickers airbag (zonnenscherm/dakframe) c Typeplaatje met identificatienummer van de auto (B-kolom passagierszijde) d Tankinformatie (tankdop binnenkant) e Infosticker diefstalbeveiliging

Gevaar voor letsel!
Op uw auto zijn verschillende waarschuwingstickers aangebracht. Maak ook anderen attent op de verschillende gevaren. Verwijder daarom nooit waarschuwingsticks, tenzij dit nadrukkelijk erop is aangegeven. Als u de waarschuwingsticks verwijdert, kunnen u of anderen de eventuele gevaren niet herkennen en zich daardoor verwonden.
Typeplaatje

Identificatienummer van de auto
Het identificatienummer van de auto bevindt zich op de vloer onder het tapijt en de motorafdekking in de bagageruimte.
Typeplaatje
Technische gegevens
Technische gegevens
De technische gegevens gelden voor auto's met standaarduitrusting.
Wij raden u aan de originele smart onderdelen en accessoires te gebruiken.
Motorgegevens Benzinemotoren
| roadster/roadster-coupé | roadster/roadster-coupé | roadster/roadster-coupé | roadster BRABUS/roadster-coupéBRABUS | |
| Nominaal vermogen (kW) 45 60 74 74 | ||||
| bij toerental (omw/min) 5250 5250 5600 5600 | ||||
| Nominaal koppel (Nm) 95 110 130 130 | ||||
| bij toerental (omw/min) 2000-4000 2250-4500 2500-5300 2500-5300 | ||||
| Aantal cilinders 3 3 3 3 | ||||
| Kleppen per cilinder 2 2 2 2 | ||||
| Bougies per cilinder | 2 2 2 2 | |||
| Totale cilinderinhoud in cm3 | 698 | 698 | 698 | 698 |
| Motorgewicht DIN 70020 A in kg | 60 60 60 60 | |||
| Maximale stijgingspercentage bijtoegestane totale gewicht | 20% 20% 20% 20% |
Technische gegevens
Brandstofverbruik conform EG-richtlijn 1999/100/EG
De onderstaande gegevens werden conform de EG-richtlijnen (1999/100/EG) bepaald. Alle gegevens gelden voor auto's met katalysator in de basisuitvoering.
In de praktijk kan het brandstofverbruik hoger liggen dan de waarden die conform EG-richtlijnen (1999/100/EG) zijn vastgesteld, omdat er voor normaal gebruik afwijkende gebruiksomstandigheden van toepassing zijn, zoals rijstijl, extra uitrusting, verschillende weg- en weersomstandigheden. De conform de EG-richtlijnen (1999/100/EG) bepaalde waarden voor het brandstofverbruik
dienen slechts als uitgangspunt bij het vergelijken onder testomstandigheden. Een gekwalificeerde werkplaats, bijv. een smart center, voorziet u graag van informatie.
De desbetreffende actuele verbruikscijfers kunt u vinden in de COC-papieren (EC-CERTIFICATE OF CONFORMITY). U ontvangt deze papieren bij de aflevering van de auto.
| Brandstofverbruik volgens deEG-richtlijn 1999/100/EG | Benzinemotoren | ||||||
| 45 kW 60 kW 74 kW 74 kW | |||||||
| roadster/roadster-coupé | roadster | roadster-coupé | roadster | roadster-coupé | roadsterBRABUS | roadster-coupéBRABUS | |
| softip softouch softouch softouch | |||||||
| binnen de bebouwde kom (l/100 km) | 6,2 | 6,3 | 6,4 | 6,4 | 6,4 | 6,4 | 6,4 |
| buiten de bebouwde kom (l/100 km) | 4,2 | 4,3 | 4,3 | 4,5 | 4,5 | 4,5 | 4,5 |
| gecombineerd (l/100 km) | 4,9 | 5,1 | 5,1 | 5,2 | 5,2 | 5,2 | 5,2 |
| Actieradius (km) | 714 | 686 | 686 | 673 | 673 | 673 | 673 |
| Zuivering uitlaatgassen/normuitlaatgassen | EU4 | EU4 | EU4 | EU4 | EU4 | EU4 | EU4 |
| CO2-emissie in g/km | 117 | 122 | 122 | 122 | 122 | 122 | 122 |
Technische gegevens
Acceleratie/maximale snelheid Benzinemotoren
| 45 kw 60 kw 74 kw 74 kw | ||||||||
| roadster | roadster-coupé | roadster | roadster-coupé | roadster | roadster-coupé | roadsterBRABUS | roadster-coupéBRABUS | |
| Versnelling,souplesse in de 5e versnelling | ||||||||
| 0 - 100 km/h (s) 15,5 15,5 10,9 10,9 9,8 9,8 9,8 9,8 | ||||||||
| Maximale snelheid (km/h) 160 165 175 180 190 195 190 195 | ||||||||
Technische gegevens
Velgen en banden
Opmerking t.a.v. velgen en banden!
Gebruik uitsluitend de door smart gmbH aanbevolen wielen en banden. Alleen zo wordt een optimaal weggedrag en een optimale rijveiligheid van uw auto gegarandeerd.
- Verwissel tijdig de banden, gebruik in de herfst al winterbanden.
- De garantie verliest zijn geldigheid bij gebruik van andere velgen-/bandencombinaties.
- Laat versleten banden vroegtijdig vervangen.
Iedere gekwalificeerde werkplaats, bijv. een smart center, geeft u naast deze aanwijzingen gaarne informatie en geeft u advies over de voor uw type auto aanbevolen wielen en banden.
| Velgen* en banden* roadster roadster-coupé | Speciale uitvoering voor beide varianten | roadster BRABUS 1 | roadster-coupé BRABUS 2 | ||
| Banden voor | 185/55 R15 | 205/50 R15 | 205/45 R16 | 205/40 ZR17 | 205/40 ZR17 |
| Banden achter | 185/55 R15 | 205/50 R15 | 205/45 R16 | 225/35 ZR17 | 225/35 ZR17 |
| Velgen voor | 5J x 15 ET24 | 6J x 15 ET24 | 6,5J x 16 ET24 | 7J x 17 ET20 | 7J x 17 ET20 |
| Velgen achter | 6J x 15 ET-20 | 7J x 15 ET-15,5 | 7J x 16 ET-20 | 8J x 17 ET-15 | 8J x 17 ET-15 |
1 Geldt ook voor roadster 74 kW.
2 Geldt ook voor roadster-coupé 74 kW.
Opmerking!
Alleen met de door de fabrikant aanbevolen velgen en banden is een goed weggedrag gegarandeerd. Wielen en banden met andere afmetingen kunnen bovendien de reminstallatie beschadigen.
Technische gegevens
Sneeuwkettingen*

Gevaar voor ongevallen!
Parkeer de auto voor de montage en demontage van sneeuwkettingen op een vlakke ondergrond en zet de motor uit. Anders kan de auto wegglijden en andere verkeersdeelnemers verwonden.

Gevaar voor ongevallen!
Houd bij de montage en
demontage van de sneeuwkettingen voldoende afstand van het verkeer. U zou andere verkeersdeelnemers of uzelf in gevaar kunnen brengen.

Gevaar voor ongevallen!
Het rijgedrag van de auto met
sneeuwkettingen verandert op elke willekeurige ondergrond. Pas daarom uw rijstijl en snelheid altijd aan de weers-, weg- en verkeersomstandigheden aan, om het risico van ongevallen te verminderen.

Gevaar voor ongevallen!
Vergeet niet de sneeuwkettingen na te spannen. Anders kan de sneeuwketting van de band loskomen.

Gevaar voor ongevallen!
Gebruik alleen de originele smart sneeuwkettingen. Anders bestaat gevaar voor ongevallen!
Als sneeuwkettingen zijn alleen de kettingen met onderdeelnr. 001 4816 V001 (origineel smart accessoire) toegestaan. Sneeuwkettingen zijn alleen toegestaan voor de bandenmaat 185/55 R15. Monteer de sneeuwkettingen alleen op de achteras van uw auto.
Opmerking t.a.v. het gebruik van niet-originele smart sneeuwkettingen
Bij gebruik van andere sneeuwkettingen dan de originele smart sneeuwkettingen:
- Verliest de garantie zijn geldigheid.
- Kan de auto beschadigd worden.
- Kan het rijgedrag nadelig worden beïnvloed.
Technische gegevens
| Gewichten | roadster roadster-coupé | roadster BRABUS 2 | roadster-coupé BRABUS 3 |
| Leeggewicht 1 (kg) | 865 885 895 915 | ||
| Laadvermogen in kg 165 145 135 115 | |||
| waarvan maximale extra lading in bagageruimte voor/achter (kg) | 35/50 35/50 35/50 35/50 | ||
| Totaal gewicht beladen in kg 1030 1030 1030 1030 |
1 Leeggewicht (conform 92/21/EWG) inclusief bestuurder (75 kg) en alle vloeistoffen (brandstoftank 90 % gevuld). Speciale uitvoeringen verhogen het leeggewicht; hierdoor wordt de effectieve belasting verlaagd.
2 Geldt ook voor roadster 74 kW.
3 Geldt ook voor roadster-coupé 74 kW.
| Lasten | roadster, roadster-coupé, roadster BRABUS en roadster-coupé BRABUS |
| maximaal toegestane asbelasting vooras (kg) 465 | |
| maximaal toegestane asbelasting achteras (kg) 610 | |
| maximaal toegestane daklast geen |
Technische gegevens

Gevaar voor ongevallen!
Het dak van de auto mag niet
worden beladen en er mag geen dakdrager worden gemonteerd! Dit kan een aanmerkelijke negatieve uitwerking hebben op de rijdynamiek en tot ongelukken leiden.
| Afmetingen van de auto | roadster roadster-coupé | roadster BRABUS 1 | roadster-coupé BRABUS 2 | |
| Lengte in mm 3427 3427 3427 3427 | ||||
| Breedte in mm 1615 1615 1615 1615 | ||||
| Hoogte in mm 1207 1207 1190 1190 | ||||
| Wielbasis in mm 2360 2360 2360 2360 | ||||
| Spoorbreedte voor/achter (mm) | 1357/1392 | 1357/1392 | 1365/1382 | 1365/1382 |
| Bagageruimte voor/achter (l) | 59/86 | 59/189 | 59/86 | 59/189 |
| Draaicirkel in m 10,7 10,7 10,7 10,7 | ||||
1 Geldt ook voor roadster 74 kW. 2 Geldt ook voor roadster-coupé 74 kW.
Technische gegevens
Tanken
Brandstoftanks van alle auto's
Inhoud in 135
waarvan reserve (1) 5
Brandstof
Hoeveelheid koelvloeistof (1) 4,2
Anticorrosie-/antivries-gehalte in 12,1
Ruitensproeisysteem
Inhoud van het reservoir in 13,0
Bandenspanning (Zomer en Winter)
Vooras (bar) 2,0
Achteras (bar) 2,0
Motorolie Benzinemotoren
45 kW motor 60 kW motor 74 kW motor
Hoeveelheid vloeistof (1) 3,0 3,0 3,0
Technische gegevens
Naderhand inbouwen van elektrische/elektronische apparatuur
Naderhand ingebouwde elektrische of elektronische apparatuur, die de controle van de bestuurder over de auto kunnen beïnvloeden, moeten in het bezit zijn van een typegoedkeuring en voorzien zijn van een e-keurmerk.
Het inbouwen van mobiele telefoons en mobilofoons met het hieronder genoemde maximale zendvermogen, wordt door smart gmbh toegestaan, als de inbouw vakkundig plaatsvindt en gebruik gemaakt wordt van een reflectievrije aangepaste buitenantenne.
Opmerking!
Wanneer in de auto elektrische/ elektronische apparaten worden aangesloten, die niet overeenkomstig de genoemde inbouwvoorwaarden zijn aangesloten, kan de garantie op de auto zijn geldigheid verliezen (EU-richtlijn 95/54/EG).
| Korte golf (<50 MHz) 100 |
| Golflengte 2 m 50 |
| Golflengte 0,7 m 35 |
| Golflengte 0,25 m = D + E |
Maximaal zendvermogen (Watt)
Homologatienummer
Homologatienummer (voor afstandsbediening met radiogolven) Land Landidentificatie Homologatienummer
| Duitsland D G133416J | ||
| Oostenrijk A CEPT LPD D | ||
| België B RTT/D/X1556 | ||
| Denemarken DK CEPT/LPD/DK/9717 | ||
| Spanje E E 02 98 00 74 | ||
| Frankrijk F 97-0325-PPL0 | ||
| Italië | I | DGPGF/4/2/03/338965/FO/00171/21/01/98 |
| Luxemburg L L 2432/10325-01H | ||
| Nederland | NL CEPT LPD D | |
| Portugal | P ICP-069TC-97 | |
| Zweden | S | Approved by National Post and Telecom Agency Ue970133 |
| Zwitserland | CH BAKOM 97.0885.K.P |
Ministeriële homologatie

Ministeriële homologatie Symbolen voor de homologatie Duitsland

Aanduiding van het aantal resterende liters.... 1-40 Aanwijzingen voor het afdeksysteem 5–15 abs 7-25 abs-controlelampje 1-29, 7-26 Acceleratie 11-6 Accu 10-25 Accu opladen 10-31 Accu verwijderen.... 10-27 Accu verwijderen/plaatsen 10-27 Achterdrager 8-16 Afmetingen van de smart.... 11-10 Afstandsbediening.... 1-2, 1-3 Airbag bestuurder.... 7-29 Airbag voor passagier 7-31 Airbag-controlelampje...... 1-32, 7-33 Airconditioning inschakelen.... 3-9 Airconditioning Plus 3-8 Air-Seat 6-6 Antenne afschroeven.... 9-19 Armsteun 1-11 Automatische sluitfuncties.... 1-5 auto-relock-functie 1-5 Autowasbeurt.... 9-18, 9-19
B
Babyzitje 6-6 Bagagenet 8-5 Bagagenet in de beenruimte aan de passagierszijde ......8-6 Bagagenet 8-5 Bagageruimteafdekking voor roadster-coupé*......8-14 Banden....11-7 Banden en velgen 10-17 Bandenspanning....9-12, 11-12 Bandenspanning controleren .....9-14 Basisfix 6-6 Batterij in de sleutel....1-7 Bedieningshendel....1-25 Bekerhouder met cd-box* 8-4 Benzinemeter 1-40 Bergruimte 8-2 Bergvakken 8-2 Bevestigingssystemen voor kinderen 6-2 Bezetting van de zekeringen .....10-5 Binnenspiegel instellen....1-15 Binnenverlichting....2-5 Boordcomputer 4-10 Boordinstrumenten ....1-26 Brandblusser* 10-36 Brandstof....9-2, 11-11 Brandstofverbruik 11-5 Buitenlucht 3-5 Buitenlucht/circulatieluchtregelaar ...3-3 Buitenspiegel instellen ....1-14
C
Cd-box 4-9 Cd-lade 4-9 Cd-wisselaar 4-9 Centraal ventilatierooster 3-3 Centrale vergrendeling.... 1-5 Circulatielucht.... 3-5 Claxon 2-9 Cockpit linkse besturing 1-23 Cockpit rechtse besturing 1-24 COC-papieren (EC-CERTIFICATE OF CONFORMITY). 11-5 Coming home-functie* 2-2 Contactslot 7-2 Controlelampje accu.... 1-28 Controlelampje groot licht 1-30 Controlelampje knipperlicht ...... 1-31 Controlelampje koelmiddeltemperatuur 1-27 Controlelampje mistachterlicht ..... 1-31 Controlelampje Motor-Check 1-34 Controlelampje oliedruk.... 1-27 Controlelampje remsysteem.... 1-29, 7-26 Controlelampje van de portiervergrendeling 1-4 Controlelampjes 1-26
Trefwoordenregister
D
Dagteller 1-37
De zekering vervangen 10-3
Derde remlicht vervangen.... 10-9
Diefstalbeveiliging wielen* 10-16
Digital gear indicator.... 1-38
Dimlicht 2-2
drive-lock-functie.... 1-5
E
elektrische stuurbekrachtiging*...... 10-34
Elektrisch bedienbare ramen...... 1-16
Geadviseerde bevestigingssystemen voor kinderen 6-6
Gebruik van bevestigingssystemen voor kinderen 6-5
Gevarendriehoek * 8-8
Gewichten 11-9
Gloeilampen vervangen 10-8
Gordelgeleiding 1-13, 1-19
Gordelkrachtbegrenzers ......1–21
Gordelspanners 1-21
Groot licht 2-4
H
Handmatig verstelbare buitenspiegel ....1-14
Handrem 7-23
Hardtop 5-9
Hellingproof 7-8
Hendel 7-3
Inhoud van de tank 9-3
iPod* 4-15
K
Kick-down-functie 7-11
Kilometerteller 1-37
Klok 1-39
Knipperlicht met comfort-kantelschakelaar 2-8
Knipperlichten 2-8
Koelmiddel hoeveelheid 11-12
Koelvloeistof bijvullen 9-9
Koelvloeistof bijvullen 9-9
Koelwaterpeil controleren 9-8
L
Lampen vervangen 10-8
Licht 2-2
Lichtclaxon 2-9
Light-on-functie* 2-3
Limiter* 7-20
Luchtverdeling 3-4
M
Maximale snelheid 11-6
Met leer bekleed sportstuur met drie spaken 7-3
Mistachterlicht 2-2, 2-7
Motorolie bijvullen 9-6
Motortemperatuurweergave* 1-43
N
Navigatiesysteem * 4-5
Noodontgrendeling.... 1-6
Noodontgrendeling
van de achterklep.... 8-10
Trefwoordenregister
0
Oliehoeveelheid 11-12
Oliesoorten 9-7
Onboard-Diagnose-box (OBD) ..... 10-2
Ontdooien ruiten 3-7
P
Parkeerlicht.... 2-2
Pech-onderwegset * 10-10
Pelerine * 3-16
Profiel van de banden.... 10-19
Radio 4-2
Regensensor * 3-11
Remassistent 7-25
Remvloeistof controleren.... 9–11
Remvoeringweergave 7-25
Rijden in de winter 7-13
Rookset 8-3
Rugleuning* 6-6
Ruitensproeierinstallatie bijvullen... 9-10
Ruitensproeiers instellen 9-16
Ruitensproeisysteem.... 11-12
Ruitenwisser voorruit.... 3-11
Schade aan de banden 10-20
Schakelen op het stuur* .... 7-3
Service-intervalaanduiding .... 1-41
Sleepoog .... 10-33
Sleutel .... 1-2
Smart cd-wisselaar* ..... 4-9
Stoelhoogte verstellen .... 1-10
Stoelverhoging* ...... 6-6
Storingen in het ABS-systeem ..... 7-26
Storingen in het remsysteem ..... 7-26
T
Tanken 11-11
Telefoonconsole* 4-12
Telefoonhouders* ..... 4-12
Tempomat* 7-17
Toerenteller 1-35
Toestand van de banden.... 10-19
Turbodrukweergave* 1-43
U
Universele handsfree-installatie* .... 4-12
V
Veiligheidsgordel in hoogte
verstellen.... 1-19
Veiligheidsgordels 1-17
Ventilatie 3-3
Ventilatie inschakelen 3-3
Ventilatiekogels.... 3-3
Ventilatiekogels en ventilatierooster
verstellen.... 3-3
Verbandtrommel* 8-8
Verkeersvest* 8-8
Verlichting overdag * 2-3
Vermindering van het laadvermogen 8-17
Vervoeren van kinderen 6-3
Verwarming 3-3
Verwisselen van een wiel 10-21
Vloermatten * 7-2
Voetrem 7-23
Vorstwaarschuwing 1-42
Trefwoordenregister
W
Waarschuwingsknipperlichten 2-9
Wasstraat 9-19
webmove package* 4-13
Wegrijden 7-8
Wielen 11-7
Wielen vervangen.... 10-20
Wis- en sproefuncties .... 3-11
Xenon-koplampen* 2-5
Z
Zekeringenkastje.... 10-3
Zijairbags* 7-29
Zonnekleppen 3-2
1,2,3 ...
Uitgever en copyright
smart gmbh
Concept en projectuitvoering
cognitas GmbH
Layout en zetsel
cognitas GmbH
Vertaling
indubo
smart - een merk van DaimlerChrysler