MX-5 (1992) - Automobiel MAZDA - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis MX-5 (1992) MAZDA in PDF-formaat.
| Producttype | Auto - Roadster/Cabriolet |
| Merk | Mazda |
| Model | MX-5 (1992) |
| Motortype | DOHC 16V lijnmotor, 4 cilinder |
| Cilinderinhoud | 1.597 cc |
| Compressieverhouding | 9,4:1 |
| Brandstof | Loodvrije benzine, min. 90 RON |
| Transmissie | Handgeschakeld, 5 versnellingen |
| Aandrijving | Achterwielaandrijving |
| Stuurbekrachtiging | Ja |
| Remsysteem | Schijfremmen voor, trommelremmen achter (ABS optioneel) |
| Afmetingen (L×B×H) | 3.950 × 1.675 × 1.230 mm |
| Wielbasis | 2.265 mm |
| Spoorbreedte voor/achter | 1.410 / 1.430 mm |
| Gewicht (ongeveer) | ~1.000 kg |
| Bandenmaat | 185/60 R14 82H |
| Bandenspanning voor/achter | 1,8 / 1,8 kg/cm² |
| Brandstoftankinhoud | 45 liter |
| Motoroliecapaciteit | 3,6 liter |
| Koelvloeistofcapaciteit | 6,0 liter |
| Accu | 12V - 32 Ah (onderhoudsvrij) |
| Daktype | Vouwdak (soft top), afneembare hardtop optioneel |
| Bijzondere kenmerken | Inklapbare koplampen, dag/nacht-binnenspiegel |
Veelgestelde vragen - MX-5 (1992) MAZDA
Gebruikersvragen over MX-5 (1992) MAZDA
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Automobiel in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding MX-5 (1992) - MAZDA en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. MX-5 (1992) van het merk MAZDA.
GEBRUIKSAANWIJZING MX-5 (1992) MAZDA
Hartelijk dank voor het kiezen van een Mazda.
Wij raden u aan dit instruktieboekje zorgvuldig door te lezen en de daarin opgenomen raadgevingen op te volgen zodat u zonder problemen van uw nieuwe Mazda kunt genieten.
Wanneer onderhoud noodzakelijk is, dient u niet te vergeten dat uw officiële Mazda dealer uw voertuig het beste kent en voor alle onderhoud en reparatie steeds tot uw beschikking staat.
Wij verzekeren u van onze voortduren- de belangstelling in uw rijplezier en ho- pen op uw volledige voldoening.
Mazda Motor Corporation
HIROSHIMA, JAPAN
INHOUDSOPGAVE
1 Uw voertuig in een oogopslag 1-1
Dit hoofdstuk laat de plaatsing van de diverse bedieningsorganen en overige voorzieningen zien.
2 Leren kennen van uw Mazda 2-1
Dit hoofdstuk bevat informatie welke ten doel heeft de bestuurder met het voertuig vertrouwd te maken.
3 Bescherming van uw Mazda 3-1
Dit hoofdstuk bevat informatie welke noodzakelijk is voor de juiste behandeling en voor een veilig en zuinig gebruik van het voertuig.
4. Rijden met uw Mazda 4-1
In dit hoofdstuk wordt het starten en het rijden met het voertuig nader uiteengezet, alsmede de bediening van de diverse bedieningsorganen en overige voorzieningen.
5 In noodgevalien 5-1
In dit hoofdstuk worden aanbevelingen gegeven omtrent het handelen bij de meest voorkomende noodgevallen.
Gebruik van dit instruktieboekje
- Bewaar dit instruktieboekje in het handschoenenvak. Dit is handig voor eventuele nasiag.
- Overal in dit instruktieboekje vindt u termen als WAARSCHUWING, OPGELET en OPMERKING.
De term WAARSCHUWING! dient om u er op te wijzen bijzonder voorzichtig te zijn ter voorkoming van letsel.
De term OPGELET dient om te voorkomen dat u een fout maakt waardoor het voertuig beschadigd zou raken of waardoor u letsel zou kunnen oplopen.
De term OPMERKING geeft een suggestie welke behulpzaam kan zijn voor het optimale gebruik van uw voertuig.
- De nummers welke boven elke uit-eenzetting in dit instruktieboekje aangegeven zijn (b.v. 895UP4000AD) houden geen rechtstreeks verband met de inhoud.
- De in dit instruktieboekje opgenomen specificaties en beschrijvingen gelden bij het ter perse gaan van dit boekje. Aangezien Mazda zich voortdurende verbetering ten doel stelt, behouden wij het recht voor te allen tijde zonder voorafgaande kennisgeving en zonder verdere verplichting wijzigingen in de specificaties aan te brengen. Er wordt verder op gewezen dat dit instruktieboekje van toepassing is op alle modellen in deze serie. Nadere uitieg van alle voorzieningen, inclusief de opties, zijn hierin opgenomen. Het is dan ook mogelijk dat u beschrijvingen aantreft van voorzieningen waarmee uw voertuig niet is uitgerust.
- Wanneer u uw Mazda gaat verkopen, laat dan dit instruktieboekje in het voertuig achter. De volgende eigenaar zal deze informatie eveneens nodig hebben.
- Verwijzingen in dit instruktieboekje voor wat betreft rechts en links gelden voor wanneer men in de rijrichting van het voertuig meekijkt.
- Dit instruktieboekje beschrijft voertuigen met links stuur. De beschrijvingen zijn echter in gelijke mate van toepassing op voertuigen met rechts stuur.
6 Verzorging van het uiterlijk 6-1
In dit hoofdstuk wordt aangegeven hoe men het interieur en de buitenzijde van het voertuig voor een langdurig en aange-naam gebruik in goede toestand kan houden.
7 Onderhoud 7-1
In dit hoofdstuk worden enkele gemakkelijk door de gebruiker uit te voeren onderhoudswerkzaamheden aangegeven, alsme- de de periodieke onderhoudsbeurten welke men bij voorkeur uitsluitend door een officiële Mazda dealer dient te laten uit- voeren.
8 Informatie voor de eigenaar 8-1
Dit hoofdstuk bevat informatie welke als bijdrage bedoeld is aan de volledige tevredenheid van de eigenaars van Mazda voertuigen.
Dit hoofdstuk bevat belangrijke gegevens betreffende uw nieuwe Mazda.
10 Index 10-1
1
Uw voertuig in een oogopslag
UW VOERTUIG IN EEN OOGOPSLAG 1-2
SYMBOLEN 1-6
UW VOERTUIG IN EEN OOGOPSLAG
89SEASOOBAD
Overzicht van het interieur

895EA3100AD
Overzicht van het dashboard

* Bepaalde modellen.
UW VOERTUIG IN EEN OOGOPSLAG
895EA3300AD
Kofferruimte

BASUA3206AD
Portieren

* Bepaalde modelen.
SYMBOLEN
085EA400GAD
De hieronder aangegeven symbolen worden gebruikt om bedieningsorganen en displays aan te geven.
![]() | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() |
| VERLICHTING | KOPLAMP GROOTLIGHT | KOPLAMP DIMLIGHT | PARKEERLICHTEN | REGELBARE DASHBOARD-VERLICHTING | RICHTINGAANWLIZERS | WAARSCHLWINGSKNIP-PERLICHTEN |
![]() | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() |
| MOTORKAPONTGRENDELING | KOFFERDEKSEL ONTGRENDELING | BRANDSTOF | KOELVLOEISTOFTEMPE-RATUUR | MOTOROLIE | ACCULAADSYSTEEM | MISTACHTERLAMP |
![]() | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() |
| REMSYSTEEM | AANJAGER | LUCHTRECIRCULATIE | VERSE BUITENLUCHT | GEZICHT | GEZICHT-VLOER | VLOER |
![]() | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() |
| VLOER-ONTWASEMEN | ONTWASEMEN | ACHTERRUITVER-WARMING | VOORSTE RUITEWISSE EN RUITESPROEIER | SIGARETTEAANSTEKER | CLAXON | SPROEIERVLOEISTOF |
MEMO
2
Leren kennen van uw Mazda
SLEUTELS 2-2
PORTIEREN 2-3
RAMEN 2-4
KOFFERDEKSEL 2-5
MOTORKAP 2-6
BRANDSTOFTANKDOP 2-7
ZITTINGEN 2-9
VEILIGHEIDSGORDELS 2-10
STUURWIEL 2-14
SPIEGELS 2-14
INTERIEURVERLICHTING 2-16
VOUWDAK 2-17
AFNEEMBARE KAP 2-24
SLEUTELS
885UB1000AD
Sleutels

Het voertuig wordt afgeleverd met twee hoofdsleutels en een hulpsleutel.
Gebruik van de sleutels
| Werking\Sleutel | Hooldsleutel | Hulpsleutel |
| Contactslot en stuurslot | Ja | Ja |
| Portiersloten | Ja | Ja |
| Handschoenen-vakslot | Ja | Neen |
| Middenconsoleslot | Ja | Neen |
| Koftercekselslot | Ja | Neen |
Geef altijd de hulpsleutel af, wanneer het bijvoorbeeld nodig is de sleutel af te geven op een parkeerplaats. De sloten van het handschoenenvak, de middenconsole en het kofferdeksel kunnen niet met deze sleutel geopend worden.

Het codenummer van de sleutels is inge- ponst op het plaatje dat aan de sleuteiset be- vestigd is. In het geval u uw sleutels verliest, kan een officiële Mazda dealer aan de hand van dit nummer gemakkelijker voor nieuwe sleutels zorgen. Maak het plaatje los en be- waar dit op een veilige plaats, echter nooit in het voertuig. Maak tevens een notitie van het codenummer in uw agenda.
015282000AD
Portiersloten

BRSU2210A0
VANAF DE BUITENZIJDE
Vergrendelen/ontgrendelen met sleutel
- Beide portieren kunnen met de sleutel vergrendeld of ontgrendeld worden. Draai de sleutel naar de voorzijde van het voertuig om te ontgrendelen en naar de achterzijde van het voertuig om te vergrendelen.
- Zodra een portier ontgrendeld is, kan dit geopend worden door de portierkruk omhoog te trekken.
Om te voorkomen dat u de sleutels in de afgesloten auto achterlaat, is het aan te raden om altijd de sleutel te gebruiken om het portier op slot te doen.
OPGELET
Wanneer u uw voertuig onbeheerd achterlaat, dient u steeds de contactsleutel te verwijderen, het vouwdak en de ramen te sluiten en alle portieren te vergrendelen.

09582024
VANAF DE BINNENZIJDE
- Schuif voor het vergrendelen van een van beide portieren de portiervergrendelknop naar achteren.
- Schuif voor het ontgrendelen van het portier de vergrendelknop naar voren.
- Trek voor het openen van het portier de portierkruk naar buiten.
Laat nooit kinderen of huisdieren alleen in het voertuig achter.
OPMERKING
Spuit een slot-ontdoolingsmiddel of glycerinewas in de sloten om bevriezing te voorkomen. Voor het openen van een bevroren slot kunt u de sieutel proberen te verwarmen, alvorens deze in het slot te steken.
WAARSCHUWING!
- Wees voorzichtig bij het sluiten van de ruiten. Let er op dat armen, handen, en andere obstakels veilig buiten het bereik van de ruit blijven.
- Laat kinderen niet met de elektrische ruitbediening spelen. Zij kunnen daarbij, mogelijk ernstige, verwondingen oplopen.
De contactschakelaar dient in de ON(II) stand te staan om de elektrische ruitbediening te kunnen gebruiken.
Druk voor het openen of sluiten van een van de ruiten de schakelaar in.
80SUBS800AD Kofferdeksel

ONTSPANHENDEL KOFFERDEKSEL*
De ontspanhendel voor het kofferdeksel bevindt zich in de middenconsole. Trek de slothende! omhoog om de middenconsole te openen.

Trek de ontspanhendel kofferdeksel om-hoog om het kofferdeksel te openen.

- Steek voor het openen van het kofferdeksel de hoofdsleutel in het sleuteigat en draai deze naar rechts.
Het kofferdeksel kan niet met de hulp- sleutel geopend worden. Zie pagina 2-2 voor verdere informatie. - Om het kofferdeksel te sluiten, dit met beide handen naar beneden drukken totdat het slot met een klik sluit. Nooit met kracht dichtklappen.
Controleer of het kofferdeksel goed gesloten is door het even omhoog te trekken.
MOTORKAP
085EB900CAD
Motorkapontgrendeling

- Trek aan de ontgrendeling om de motor-kap te ontgrendelen.

- Trek de veiligheidspal omhoog en til de motorkap omhoog.

- Houd de motorkap open met behulp van de steunstang.
Zet alvorens de motorkap te sluiten, de steunstang in de daarvoor bestemde klem vast, om te voorkomen dat de stang gaat rammelen.
Sluiten van de motorkap:
- Controleer de motorruimte om te zien of alle vuldoppen op hun plaats aangebracht zijn en of alle losse voorwerpen er uit verwijderd zijn.
- Sluit de motorkap stevig zodat deze goed in het slot valt. Nooit met kracht dichtkiappen.
M95ÉC:000A0
Verwijderen van de brandstoftankdop

De ontgrendeling voor de afsluitklep van de brandstoftankdop bevindt zich in het opbergvak van de middenconsole.
Trek de slothendel omhoog om de klep van de middenconsole te openen.

Trek de interieur-ontgrendeling voor de afsluitklep van de brandstoftankdop omhoog om de afsluitklep te openen.

- Om de brandstoftankdop te kunnen verwijderen, deze eerst naar links draaien.
- Draai voor het vastzetten van de brandstoftankdop deze naar rechts totdat hij vastklikt. Dit geeft aan dat de brandstoftankdop goed vastzit.
WAARSCHUWING!
- Brandstof kan onder druk staan. Verwijder de brandstoftankdop steeds langzaam en voorzichtig. Indien er brandstof uit de brandstoftankdop naar buiten komt of wanneer u een sissend geluid hoort, wacht dan met het
openen van de brandstoftankdop toto dat dit opgehouden is. Indien deze voorzorgsmaatregelen niet opgevolgd worden, kan er brand- stof naar buiten spuiten hetgeen letsel kan veroorzaken.
- Brandstofdampen kunnen uiterst gevaarlijk zijn. Zet tijdens het tanken van brandstof steeds de motor af en houd vonken of open vuur uit de buurt van de vulhals.
OPMERKING
- Indien de brandstoftankdop vervangen dient te worden, gebruik dan alleen een originele Mazda tankdop of een gelijkwaardige voor uw voertuig geschikte tankdop. Een verkeerde tankdop kan een ernstige storing in het brandstofsysteem of het uitlaatgasreinigingsysteem veroorzaken. De juiste tankdoppen voor vervanging zijn verkrijgbaar bij officiële Mazda dealers.
- Indien de afsluitklep van de brandstof-tankdop niet opengaat tijdens koude weersomstandigheden, omdat het gedeelte er rondom heen bevroren is, licht
op de afsluitklep drukken of er even op tikken.
OPGELET
Mors geen brandstof op de buitenzijde van de carrosserie. Wanneer er brandstof van enigerlei soort op de laklaag terecht komt, kan de laklaag aangetast worden of de glans er van verloren gaan.

BRUSCHROAD
HANDBEDIENDE NOOD-ONTGRENDELING
Indien de afsluitklep van de brandstottankdop niet met de interieur-ontgrendeling kan worden geopend, kan de nood- ontgrendeling in de kofferruimte gebruikt worden. Trek de hendel in de richting van de achterzijde van het voertuig.
WAARSCHUWING!
Wanneer u de afsluitklep van de brandstoftankdop met de hand probeert te openen, is het aan te raden hierbij handschoenen te dragen ter bescherming tegen mogelijk letsel
SHU3000AD
Zittingen
885UC3100AD
Afstelling van de zitting
door scherpe uitsteeksels van de carrosserie.
WAARSCHUWING!
- Nooit tijdens het rijden de bestuurdersstoel afstellen. De bestuurder kan daardoor de macht over het stuur verliezen, waardoor ongevallen en letsel veroorzaakt kunnen worden.
- Zorg er voor dat bagage of andere voorwerpen de normale positie van de rugleuning niet hinderen. Zelfs wanneer de rugleuning slechts een klein stukje naar voren gezet is, kan het zijn dat deze in geval van plotseling afremmen of een aanrijding niet voldoende vergrendeld is.

Om de zitting naar voren of naar achteren te verplaatsen, de hendel zijwaarts drukken, de zitting in de gewenste stand schuiven en de hendel loslaten.
OPGELET
Niets onder de zittingen plaatsen. Losse voorwerpen kunnen het glijmechanisme van de zitting hinderen.

Om de hoek van de rugleuning te kunnen verstellen, iets voorover leunen en de hendel omhoog trekken. Leun vervolgens achterover totdat de gewenste hoek bereikt is en laat de hendel los. Controleer na afstelling of de hendel in de oorspronkelijke positie is teruggekeerd; een niet goed vergrendelde rugleuning zou tijdens het rijden kunnen gaan schuiven waardoor de bestuurder de macht over het stuur zou kunnen verliezen.
WAARSCHUWING!
Teneinde in geval van een aanrijding het risico onder de gordel door te glijden te verminderen en daardoor letsel te voorkomen, dienen de rugleuningen niet verder achterover geplaatst te worden dan voor comfortabel zitten nodig is. De bescherming die geboden wordt door veiligheidsgordels is optimaal, wanneer de bestuurder en voorpassagier voldoende rechtop in hun stoelen zitten. Tijdens een aanrijding, vooral bij een frontale botsing, neemt de kans op letsel toe, naarmate de rugleuning meer achterover helt. De bestuurder en de voorpassagier kunnen dan onder de heuppordel schuiven, waardoor de schok van de botsing rechtstreeks op de buik overgebracht wordt. Plaats daarom indien mogelijk de rugleuning steeds voldoende rechtop.
505LC400080
Veiligheidsgordelsysteem
Om de kans op letsel of de ernst daarvan tijdens een ongeval of bij plotseling afremmen te verminderen, raden wij u en uw passagiers aan te allen tijde gebruik te maken van de in het voertuig aangebrachte veiligheidsgordels en deze op correcte wijze te dragen. De veiligheidsgordels zijn voorzien van oprolautomaten met traagheidsvergrendeling.
De oprolautomaten zorgen ervoor dat de passagiers tijdens het in- of uitstappen niet door de veiligheidsgordels gehinderd worden. De traagheidsvergrendeling maakt het mogelijk dat de gordels soepel om het lichaam van de passagiers sluiten voor optimaal comfort, totdat er door de schok van het afremmen (zoals bij een noodstop of botsing) plotseling kracht op uitgeoefend wordt. De gordels zullen dan automatisch blokkeren en voorkomen dat uzelf of uw passagier naar voren geslingerd worden.
WAARSCHUWING!
- Heup- en schoudergordels kunnen beschadigd raken wanneer er grote trekkracht op uitgeoefend wordt.
005EC4300AD
Veiligheidsgordels
Laat alle veiligheidsgordels, oprolautomaten en bijbehorende onderdelen vervangen welke ten tijde van een aanrijding in gebruik waren, tenzij het slechts een kleine aanrijding betrof.
Laat op alle plaatsen welke door de aanrijding beschadigd werden alle bevestigingssystemen vervangen en alle verankeringen op de juiste wijze repareren.
- Passagiers mogen niet in de laadruimte meerijden van welk voertuig dan ook. Passagiers die zich niet in een zitting bevinden en geen veiligheidsgordels dragen hebben tijdens een aanrijding een grotere kans op letsel.
WAARSCHUWING!
- Draag de schoudergordel nooit onder uw arm.
- Nooit rondom de nek plaatsen of om de binnenste schouder.
- Gebruik één veiligheidsgordel nooit voor meer dan één persoon tegelijk.
- Let er op dat de heupgordel nauwsluitend om de heupen past en niet om het middel.
- Gebruik de schoudergordel uitsfuitend op de buitenste schouder.
Het niet in acht nemen van deze veiligheidsmaatregelen kan de kans op, of de ernst van, het letsel tijdens een aanrijding doen toenemen.
OPMERKING
Indien de gordel blokkeert wanneer deze uitgetrokken wordt, dient u deze eerst volledig door de oprolautomaat te laten oprollen en hem vervolgens tot op de gewenste lengte uit te trekken.

Vastmaken van de veiligheidsgordels
- Pak de gesp en de tongpiaat vast.
- Trek de heup/schoudergordel langzaam uit.
- Steek de tongplaat in het open uiteinde van de gesp totdat een klikgeluid hoorbaar is. Het klikgeluid geeft aan dat de gordel goed vergrendeld is.

Leg de heupgordel op uw schoot en plaats deze ZO LAAG MOGELIJK OM DE HEUPEN om het risico te verminderen dat men tijdens een aanrijding er onder door schuift. Stel de gordei af door deze aan te trekken zodat deze NAUWSLUITEND past. De oprolautomaat is ontworpen om een teveel aan speing automatisch op te heffen en de riem de benodigde spanning te geven.

Losmaken van de veiligheidsgordel Druk de knop op de gesp in.
NEDCAPSALD
Zitbeveiliging voor baby's of kleine kinderen
Speciale kinderzitjes voor zuigelingen of kleine kinderen zijn los verkrijgbaar. Bij het aanschaffen van een kinderzitje dient u er op te letten dat het goed in uw auto gemonteerd kan worden.
Alvorens het zitje te installeren, dient u de door de fabrikant bijgeleverde gebruiksaanwijzing goed door te lezen.
In geval van twijfel over de toepasbaarheid of de montage van een kinderzitje doet u er goed aan uw dealer te raadpiegen.
Juist gebruik en onderhoud van het veiligheidsgordelsysteem
Neem voor een optimaal en effectief gebruik van het veiligheidsgordelsysteem de volgende raadgevingen in acht:
- Gebruik de veiligheidsgordels altijd, ook voor korte ritjes.
- Gebruik dezelfde veiligheidsgordel nooit voor meer dan een persoon tegelijkertijd.
- Zorg er voor dat de veiligheidsgordels niet gedraaid zitten.
- Zorg er voor dat de veiligheidsgordeis en de overige onderdelen van het systeem niet in aanraking komen met scherpe randen of met voorwerpen die beschadiging kunnen veroorzaken.
- Inspecteer regelmatig de gordels zelf, de verankeringen, gespen en alle overige onderdelen op tekenen van slijtage, beschadiging en zwakke punten. In dubieuze staat verkerende onderdelen onmiodellijk vervangen.
- Gebruik voor het reinigen van de gordels een zacht schoonmaakmiddel, zoals aanbevolen wordt voor het reinigen van bekiedingen of tapijten; volg de bij het betreffende schoonmaakmiddel geleverde gebruiksaanwijzing op. De gordels
nooit bleken of verven, aangezien ze daardoor verzwakt worden.
- De gebruiker dient zelf geen wijzigingen of toevoegingen aan te brengen.
- Controieer na het omgespen van een veiligheidsgordel of deze niet door de zittingafstelhendels of door andere obstakels gehinderd wordt.
WAARSCHUWING!
Alle veiligheidsgordels, inclusief de oproiautomaten en de bevestigingspunten, dienen na een aanrijding gecontroleerd te worden. Het wordt aanbevolen om alle veiligheidsgordels welke tijdens een aanrijding gedragen werden te vervangen, tenzij het een kleine aanrijding betrof en de veiligheidsgordels geen tekenen van beschadiging vertonen en correct blijken te funktioneren. Ook dienen de veiligheidsgordels welke niet tijdens de aanrijding gedragen werden geinspecteerd te worden en te worden vervangen indien er blijk is van
beschadiging of niet correct funktioneren.
STUURWIEL, SPIEGELS
PROJCS HEAD
Bediening van de claxon
195EC800040
Buitenspiegels

Druk voor het gebruik van de claxon op de kap waarop het claxonsymbool aangegeven is. Controleer regelmatig of de claxon correct funktioneert.
Alvorens te gaan rijden eerst de hoek van de spiegels afstellen.
WAARSCHUWING!
Indien de buitenspiegels convex zijn (dit is te zien aan het bolle oppervlak van de spiegel), zijn de objekten welke in de spiegel waargenomen worden dichterbij dan zij lijken. Men dient daarom voorzichtig te zijn bij het gebruik van de spiegel voor het inschatten van de afstand van achteropkomende voertuigen tijdens het veranderen van rijbaan. Gebruik uw binnenspiegel voor het bepalen van de grootte en de afstand van de in de spiegel waargenomen objekten.
OPGELET
Probeer nooit ijs van het spiegeloppervlak af te krabben; hierdoor kan het spiegelglas beschadigd raken. Indien de beweging van de spiegel door ijs gehinderd wordt, de spiegel niet door forceren proberen af te stellen. Gebruik voor het verwijderen van het ijs een ont-
dooingsmiddel (spray of haardroger, bijvoorbeeld), een spons of een zachte doek.
B05UC8106AD
Dag/nacht spiegel

Verplaats de buitenspiegel met de hand tot de vereiste stand verkregen is.

Stel de spiegel af op het midden van het uitzicht door de achterruit. Maak deze afstelling terwijl de dag/nacht-hendel zich in de dag-stand bevindt.
Trek de dag/nacht-hendel naar u toe om tijdens ritten in het donker verblinding door de koplampen van achteropkomende voertuigen te verminderen.
OPMERKING
Houd er rekening mee dat in de nacht-stand de duidelijkheid van het achteruitzicht verminderd wordt.
WAARSCHUWING!
Plaats nooit grote voorwerpen achter de stoelen. Bagage of overige lading mag nooit hoger dan de rugleuningen opgestapeid worden, aangezien dit het uitzicht belemmert en tijdens plotseling afremmen of een aanrijding gevaar kan opleveren.
De inteneurlampen zijn als afgebeeld aan de bestuurderszijde en bijrijderszijde in het dashboard aangebracht.

De interieurlampen hebben drie standen:
OFF —Lamp uit.
DOOR — Lamp gaat aan wanneer een portier geopend wordt.
ON —Lamp aan.
895L/02000AD
Overzicht van het vouwdak

VOUWDAK
015U02100AD
Voorzorgsmaatregelen met betrekking tot het vouwdak
- Stop en parkeer het voertuig op een veilige, vlakke plaats, zodat het vouwdak neergelaten of opgezet kan worden zonder daarbij andere verkeersdeelnemers tot last te zijn.
- Bevestig dat er zich geen voorwerpen in de opbergruimte van het vouwdak bevinden tijdens het neerlaten of opzetten van het vouwdak. Zelfs kleine voorwerpen kunnen een goede werking van het mechanisme verhinderen en eventueel het vouwdak beschadigen.
- Maak alle losse voorwerpen in het voertuig vast tijdens het rijden met neergelaten vouwdak. Dit om te voorkomen dat voorwerpen onder het rijden uit het voertuig geblazen worden.
- Er mag nooit iemand op het neergelaten vouwdak gaan zitten. Door voorwerpen op het neergelaten vouwdak te plaatsen of er op te gaan zitten, kan het vouwdak beschadigd worden of de betreffende persoon door een val gewond raken.
- Het vouwdak dient altijd volledig opgezet en de portieren dienen zorgvuldig vergrendeld te worden bij het verlaten van het voertuig, om diefstal en vandalisme
tegen te gaan en te verzekeren dat het interieur niet door regen nat wordt.
- Was dit voertuig niet in een wasstraat; het vouwdak en de achterruit kunnen beschadigd worden.
- Het vouwdak mag niet neergelaten of opgezet worden als de butentemperatuur lager dan 5°C is, daar hierdoor het doek beschadigd kan worden.
- Een nat vouwdak mag niet neergelaten worden. Opdrogen in gevouwen toestand, kan tot gevoig hebben dat het vouwdak krimpt of anderzijds de kwaliteit van het doek aantast. Verder kan het neerlaten van een nat vouwdak met zich meebrengen dat water in het interieur terechtkomt en schimmel veroorzaakt.
WAARSCHUWING!
- Sta nooit toe dat de inzittenden gaan staan zolang het voertuig in beweging is.
- Tijdens het in- en uitstappen bij neergelaten vouwdak, dient de nodige voorzichtigheid in acht genomen te worden om verwonding aan het voorruitkader te
voorkomen.
- Zorg er voor dat tijdens het neerlaten en opzetten van het vouwdak de inzittenden (vooral kinderen) hun handen niet in de buurt van het vouwmechanisme houden.
195UD2200DC Neerlaten van het vouwdak

- Trek de handrem aan en zet de contact-sleutel in de stand OFF.
- Draai de portierruiten naar beneden.
- Klap de zonnekleppen naar beneden.
- Verwijder alle aanwezige voorwerpen uit de opbergruimte, alvorens het vouwdak neer te laten.
WAARSCHUWING!
Plaats geen zware of scherpe voorwerpen in de opbergruimte van het vouwdak. Deze voorwerpen kunnen gevaarlijke projectielen worden tijdens een plotselinge stop of botsing.

- Druk op de ontgrendelknoppen en maak de daksluitingen volledig los.

- Rits de achterruit los en laat hem voorzichtig in de opbergruimte zakken.
OPGELET
Was de achterruit met schoon water al- vorens het vouwdak neer te laten, om bekrassen van een stoffige of vuile ruit te voorkomen. Voor informatie betreffende het wassen van de achterruit, wordt verwezen naar pagina 6-9.

- Hef het vouwdak op om het vrij te maken van het voorruitkader.

- Vouw de voorzijde van het dak terug en laat het vouwdak voorzichtig in de opbergruimte zakken. Vergrendel daarna de daksluitingen.
WAARSCHUWING!
Voorkom dat uw hand tijdens het neerlaten van het vouwdak ingeklemd wordt.

- Plaats de dakhoes opgeslagen in de kofferruimte over het vouwdak. Voor een goede bevestiging worden de riempjes aan de onderkant van de hoes door de beugels gestoken en met de drukknopen vastgemaakt.
OPMERKING
Om te voorkomen dat de vouwdakhoes tijdens het rijden in de wind gaat wapperen, dient u deze altijd met de riempjes vast te maken.
2015.10.2016
Opzetten van het vouwdak

- Plaats de hoes daarna over het vouwdak en maak de knipsluitingen en drukknopen vast.

- Maak de dakhoes vast door de achterrand in de groef van de carrosserielijst te steken.

- Trek de handrem aan en zet de contact-sleutel in de stand OFF.
- Maak de knipsluitingen en riempjes los; verwijder de dakhoes en berg hem als vereist in de kofferruimte op.
- Draai de portierruiten naar beneden.
- Klap de zonnekleppen naar beneden.
- Ontgrendel de daksifuitingen en maak ze volledig open.
OPGELET
Druk de knipsluitingen als afgebeeld aan om afbreken te voorkomen. Druk niet op de bovenkant van de knipsluitingen.
OPGELET
Rijd noolt met de vouwkap half neergelaten of opgezet. Breng altijd de dakhoes aan nadat het vouwdak neergelaten is.

- Pak het vouwdak bij de vouwdakgreep vast en trek het eerst naar boven en dan naar voren tot het aanzit tegen het voorruitkader.
WAARSCHUWING!
Houd handen en armen uit de buurt van het vouwmechanisme tijdens het opzetten.

- Til de achterruit op en maak de rits dicht.
OPGELET
Om te voorkomen dat er teveel druk op de rits uitgeoefend wordt, dient u bij het aanritsen van de achterruit deze met de hand in de buurt van de rits te ondersteunen.

- Haak de daksluitingen zorgvuldig om het voorruitkader, en druk de sluitingen met de handpalm naar boven tot de sloten klikken om aan te geven dat ze goed vergrendeld zijn.
WAARSCHUWING!
Pas op dat uw vingers niet ingeklemd worden in de vouwdaksluiting.
Verzorging van het uiterlijk van het vouwdak en de achterruit
Zie pagina 6-8 voor informatie over de verzorging van het vouwdak en de achterruit.
OPMERKING
Bevestig dat het vouwdak goed vergrendeld is door het naar boven te drukken. Laat een officiële Mazda dealer het vouwdak nakijken, als het onvoldoende gespannen lijkt (klappert) nadat de daksluitingen goed vergrendeld zijn.
AFNEEMBARE KAP*
195J03000AD
Overzicht van de afneembare kap

805J03100AD
Afneembare kap
WAARSCHUWING!
De afneembare kap is gemaakt van verstevigd plastic en is niet zo sterk als het stalen dak van een sedan of coupé. Te snel rijden is uiterst gevaarlijk; omslaan van het voertuig kan tot zware verwonding van de in-zittenden leiden.
095JG32008D
Verwijderen van de afneembare kap

- Trek de handrem aan en zet de contactsleutel in de stand OFF.
- Draai de portierruiten naar beneden.
- Klap de zonnekleppen naar beneden.

- Druk op de ontgrendelknoppen om de bovenste sluitingen te ontgrendelen.

- Druk op de ontgrendelknoppen om de zijsluitingen te ontgrandelen.

- *Maak de draad van de achterruitont-dooier los.
OPMERKING
Let er op, na het losmaken van de draad van de achterruitondooier, de beschermkap over de connector te plaatsen. Dit beschermt de connector en houdt het schoon.

- ① Schulf de afneembare kap naar achteren, terwijl op de achterste sluitingen gedrukt wordt om ze ontgrendelen. ② Verwijder de afneembare kap recht naar boven van de carrosserie om beschadiging van de achterste sluitingen en knoppen te voorkomen.
WAARSCHUWING!
Er zijn twee personen voor nodig om de afneembare kap te verwijderen.
OPGELET
- Voorkom dat de carrosserie door een van de uitstekende sluitingen van de

afneembare kap beschadigd wordt.
- Neem de grootst mogelijke voorzichtigheid in acht tijdens het verplaatsen om krassen en andere beschadigingen van de afneembare kap te voorkomen.
OPMERKING
Voorzorgsmaatregelen met betrekking tot het opslaan van de afneembare kap.
- Plaats de afneembare kap niet op een harde ondergrond, zoals beton of asfalt. Plaats de kap op zacht materiaal, zoals een oude deken:
• Zorg er voor dat de bovenste sluitingen
en zijsluitingen gesloten zijn.
- Plaats de afneembare kap niet rechtop tegen een muur of op een andere manier waarbij de stabiliteit niet gegarandeerd is.
- Bewaar de afneembare kap op een scho- ne, droge plaats. Bedek de afneembare kap met zacht materiaal, zoals een oude deken.
DELESHROOM
Aanbrengen van de afneembare kap

- Trek de handrem aan en zet de contact-sleutel in de stand OFF.
- Draai de portierruiten naar beneden.
- Klap de zonnekleppen naar beneden.

- Laat het vouwdak volledig zakken. (Zie pagina 2-19.)

- Ontgrendel de bovenste sluitingen en zijsluitingen van de afneembare kap.

WAARSCHUWING! Er zijn twee personen voor nodig om de afneembare kap aan te brengen.
OPGELET
Probeer niet de afneembare kap aan te brengen, als de vouwdakhoes nog aangebracht is. Om beschadiging te voorkomen, dient de hoes verwijderd te worden alvorens de afneembare kap aan te brengen.
OPMERKING
De bovenste sluitingen dienen in de vergren- delde stand geplaatst te worden.

- ① Breng de achterste sluitingen op gelijke hoogte met de achterste knoppen en laat de afneembare kap recht naar beneden zakken. ② Schuif de afneembare kap naar voren terwijl op de achterste sluitingen gedrukt wordt tot ze vergrendelen. Controleer of de sluitingen goed vergrendeld zijn door te proberen het achtereinde van de kap op te heffen.

WAARSCHUWING! Let op dat geen vingers ingeklemd worden.
OPGELET
Voorkom dat de carrosserie door een van de uitstekende sluitingen van de afneembare kap beschadigd wordt.

- Druk de bovenste sluitingen met de handpalm naar boven tot de sloten klikken om aan te geven dat ze goed vergrendeld zijn.
WAARSCHUWING!
Let op dat geen vingers ingeklemd worden.

- Druk de zijsluitingen met de handpaim aan tot de sloten klikken om aan te ge-ven dat ze goed vergrendeld zijn.

- *Herbevestig de draad van de achterruitontdocier
WAARSCHUWING!
Let op dat geen vingers ingeklemd worden.
OPGELET
Controleer na het aanbrengen van de afneembare kap of alle sluitingen goed vergrendeld zijn. Rijden met het voertuig terwijl de sluitingen niet goed vergrendeld zijn, kan tot beschadiging of verlies van de afneembare kap leiden.
895UOS400A0
Verzorging van het uiterlijk van de afneembare kap
Zie pagina 6-9 voor informatie over de verzorging van afneembare kap.
MEMO
3
Bescherming van uw Mazda
BRANDSTOF 3-2
UITLAATGASREINIGINGSYSTEEM 3-2
ALVORENS TE RIJDEN 3-4
INRIJDEN 3-4
BRANDSTOFBESPARING 3-5
BIJZONDERE RIJOMSTANDIGHEDEN 3-6
LABELINFORMATIE 3-10
BRANDSTOF, UITLAATGASREINIGINGSYSTEEM
895EG1000AD
Brandstof
Gebruik uitsluitend loodvrije benzine met een oktaangehalte van tenminste 90 (RON) of DIN 51 607.
WAARSCHUWING!
Gebruik in een motor die bestemd is voor loodvrije brandstof nooit loodhoudende benzine. In dit geval zal zich namelijk loodafzetting vormen op de zuurstofsensor en de katalysator van het uitlaatgasreinigingsysteem. Dit leidt tot storingen in het systeem, waardoor het motorrendement vermindert. Neem onmiddellijk contact op met de dichtstbijzijnde Mazda dealer, indien u vermoedt dat uw motor niet goed funktioneert.
093UQ2100AD
Waarschuwing betreffende motoruitlaatgassen (Koolmonoxide)
Motoruitlaatgassen bevatten koolmonoxide. Hoewel kleurloos en reukloos is dit gas gevaarlijk en zeils dodelijk, indien het wordt ingeademd.
- Koolmonoxide kan in alle soorten uitlaatgassen aanwezig zijn. Daarom dient u uw voertuig onmiddellijk door uw officiële Mazda dealer te laten nakijken om de eventuele afwijking te verhelpen wanneer u uitlaatgassen van enigerlei aard in het interieur ruikt. Rijd nooit bij merkbaar aanwezige uitlaatgassen. Indien het noodzakelijk is om onder dergelijke omstandigheden te rijden, doe dit dan alleen met de ramen wijd open.
- Laat de motor niet meer dan voor het naar binnen of naar buiten rijden strikt noodzakelijk is in afgesioten ruimten (zoals garages) draaien.
- Ook als het voertuig bij draaiende motor gedurende een langere tijd in een nietafgesloten ruimte stiistaat, dient het verwarmings- of koelsysteem zodanig afgesteld te worden dat er verse buitenlucht in het interieur gezogen wordt.
- Blijf nooit bij draaiende motor gedurende langere tijd in een geparkeerd of stilstaand voertuig zitten.
885UG220GAD Gebruiksvoorschriften betreffende katalysatoren
Uw voertuig is voorzien van een katalysator voor de reiniging van uitlaatgassen. De volgende gebruiksvoorschriften dienen in acht genomen te worden:
- Gebruik uitsluitend LOODVRIJE BENZINE.
- Parkeer het voertuig noot op of bij brandbare materialen zoals droog gras. Onder bepaalde omstandigheden kunnen deze materialen als gevolg van het hete uitlaatsysteem tot ontbranding komen.
- Gebruik het voertuig niet wanneer er tekenen van motorstoring zijn, zoals een verkeerd afgestelde ontsteking of een andere waarneembare vermindering van prestatie.
- Vermijd incorrecte behandeling van de motor. Voorbeelden van incorrecte behandeling zijn: freewheelen bij uitgeschakeld contact, het bij uitgeschakeld contact afrijden van steile hellingen met ingeschakelde versnelling.
- Laat de motor niet gedurende langere tijd (vijf minuten of langer) met een hoog stationair toerental draaien.
• Voer zelf geen reparaties uit aan enig mo-
toronderdeel of aan het uitlaatgasreinigingsysteem en breng ook zelf geen veranderingen aan. Alle inspekties en afstellingen moeten door een erkend vakman uitgevoerd worden.
Het niet nakomen van bovenstaande voorschriften kan leiden tot schade aan de katalysator en aan uw voertuig.
ALVORENS TE RIJDEN, INRIJDEN
B95ÉG3000AO
Alvorens te rijden
805UG400AD
Inrijden
BROG301CAD
ALVORENS IN TE STAPPEN
- Controleer of alle ruiten, buitenspiegel(s) en buitenlampen schoon zijn.
- Controleer de toestand van de banden.
- Controleer of er geen sporen van lekkage onder het voertuig te zien zijn.
- Controleer, indien u achteruit gaat rijden, of er zich geen obstakels achter u bevinden.
Noodzakelijke inspecties
De valgende vloeistofniveaus dienen naar gelang de vloeistof dagelijks, wekelijks of bij het tanken, gecontroleerd te worden: motor-oliepell, motorkoeivloeistofniveau, niveau van rem/koppelingsvioestof en sproeier-vloeistofniveau. Nadere bijzonderheden worden aangegeven in Hoofdstuk 7, Onderhoud.
893E30120AD
ALVORENS TE STARTEN
- Sluit alle portieren.
- Zet de stoel in een zodanige stand dat alle bedieningsorganen gemakkelijk kunnen worden bereikt.
- Stel de binnen- en buitenspiegels af.
- Controleer of alle inzittenden hun veiligheidsgordels vastgemaakt hebben.
• Controleer of alle lichten werken. - Controleer alle instrumenten.
- Controleer de werking van de waarschuwingslampen, wanneer de contactschakelaar in ge stand ON(II) staat.
- Ontspan de handrem en controleer of het remwaarschuwingslampje uit gaat.
Voor een veilig gebruik is het nodig dat u volledig vertrouwd bent met uw voertuig en de diverse bedieningsorganen daarvan.
Er is geen speciale inrijperiode noodzake- lijk. Echter door het opvolgen van enkele eenvoudige voorzorgsmaatregeien gedurende de eerste 1.000 km, kan dit het motorrendement, het brandstofverbruik en de levensduur van uw voertuig ten goede komen.
- Het toerental van de motor niet te hoog opvoeren.
- Rijd niet gedurende langere tijd met dezelfde snelheid, snel of iangzaam.
- Vermijd plotseling afremmen, behalve in noodgevallen, om de remmen de gelegenheid te geven in te lopen.
• Vermijd het starten bij volgas.
BISE35000AD
Suggesties voor brandstofbesparend gebruik
Het brandstofverbruik van uw voertuig is voornamelijk afhankelijk van uw rijstijl: hoe, waar en wanneer u rijdt.
Dit is van invloed op het aantal kilometers dat u met een liter brandstof kunt afleggen. Maak gebruik van de volgende suggesties om zuinig met uw voertuig te kunnen rijden en daardoor geld te besparen op zowel brandstof als reparaties:
- Laat de motor niet langdurig stationair draaien om warm te draaien. Begin te rijden - echter rustig, zodra de motor soepel draait. Denk er echter aan dat het warmdraaien bij koude weersomstandigheden enigszins langer kan duren.
- Bespaar brandstof door snel accelereren te vermijden.
- Zorg er voor dat de motor steeds goed afgesteld is en houd u aan het aanbevolen schema van periodieke onderhoudsbeurten. Dit zal de levensduur van alle onderdelen ten goede komen en bijdragen in de vermindering van onderhoudskosten.
-
Rijd langzaam tijdens het rijden op slechte wegen.
-
Zorg er voor dat de banden steeds de voorgeschreven spanning hebben, ter verlenging van de levensduur en ter vermindering van het brandstofverbruik.
- Blijf op veilige afstand van overige weggebruikers om plotseiling afremmen te voorkomen. Dit vermindert de slijtage van de remvoeringen en remblokken. Boven-dien wordt hierdoor brandstof bespaard, aangezien extra brandstof nodig is om opnieuw de normale rijsnelheid te bereiken.
- Voer geen onnodig gewicht in het voertuig mee.
- Laat uw voet tijdens het rijden niet op het rempedaal rusten. Dit kan onnodige slijtage veroorzaken, alsmede beschadiging van de remmen en leidt tot een hoger brandstofverbruik.
- Door een verkeerde wieluitlijning draaien de banden onder een te grote hoek ten opzichte van het wegdek, hetgeen de banden snel doet slijten. Om de verkeerde wieluitlijning te compenseren is er meer vermogen nodig, hetgeen resulteert in een hoger brandstofverbruik.
Het in goede staat houden van uw voertuig is van groot belang voor zowel de veiligheid als de mate van brandstofverbruik. Laat dus door een officiële Mazda dealer regelmatig inspecties en onderhoudsbeurten uitvoeren.
OPGELET
Zet de motor nooit af om bij het afdalen van hellingen te freewheelen. Wanneer de motor niet draalt, is de stuurbekrachtiging* en de rembekrachtiging buiten werking. Schakel in plaats daarvan terug naar een lagere versnelling om op de motor te kunnen afremmen.
BIJZONDERE RIJOMSTANDIGHEDEN
805ED800040
Moeilijke rijomstandigheden
Neem de volgende raadgevingen in acht, wanneer als gevolg van zware regenval, sneeuw, ijzel, modder of zand het rijden be-moeilijkt wordt.
- Rijd voorzichtig en neem een extra remafstand in acht.
- Vermijd abrupt remmen of draaien van het stuurwiel.
- Trap tijdens het remmen het rempedaal met een lichte op en neer gaande beweging in totdat het voertuig tot stilstand gebracht is.
- Indien het voertuig vast is komen te zitten in sneeuw, modder of zand, schakel dan de tweede versnelling in en accelereer langzaam. Gebruik indien nodig de laagste versnelling. Accelereer langzaam om te voorkomen dat de voorwielen gaan slippen.
- Gebruik zand, zout, sneeuwkettingen of plaats ander anti-slip materiaal onder de voorwielen om de aandrijfkracht over te brengen, wanneer het voertuig vast is komen te zitten in ijs, sneeuw of modder.
WAARSCHUWING!
Schakel op een gladde ondergrond nooit terug naar de 1ste (eerste) versnelling.
Dit kan slippen veroorzaken.
OPMERKING
Gebruik alleen sneeuwkettingen op de aangedreven (achter-) wielen..
08658100AD
Op eigen kracht lostrekken van het voertuig
Indien het noodzakelijk is het voertuig uit sneeuw, zand of modder vrij te krijgen, dient u afwisselend de 1ste (eerste) versnelling en achteruitversnelling in te schakelen, en daarbij het gaspedaal een weinig in te drukken. Het toerental van de motor niet opvoeren. Indien het voertuig na het gedurende enkele minuten opvolgen van bovenstaande procedure nog steeds vast zit, dient u het door een ander voertuig te laten lostrekken om oververhitting van de motor en mogelijke beschadiging van het aandrijfaggregaat te voorkomen.
OPGELET
Het bij hoog toerental langdurig laten doorslaan van de aangedreven wielen kan oververhitting van de motor, beschadiging van of defekten aan het aandrijfaggregaat, alsmede beschadiging van de banden veroorzaken.
895ÉG8200AE
Rijden in de winter
WAARSCHUWING!
Voorkom langdurig doorslaan van de wielen om verhoogde slijtage en beschadiging van onderdelen van de aandrijflijn te voorkomen.
- Het wordt aanbevolen een nooduitrusting mee te voeren. Handige daarvoor in aanmerking komende hulpmiddelen zijn bijvoorbeeld sneeuwkettingen, een ruitekrabber, een zakje met zand of zout, een noodlamp, een kleine spade en start-kabels.
- Controleer of de radiateur voldoende ethyleen-glycol (anti-vries) koelmiddel bevat.
- Controleer de toestand van de accu en de kabels. Lage temperaturen verminderen de capaciteit van elke accu. Daarom dient deze in topconditie te verkeren om in de winter voldende startcapaciteit te hebben.
- Controleer of de viscositeit van de motorolie geschikt is voor koude weersomstandigheden.
- Controleer het ontstekingssysteem op losse aansluitingen en beschadiging.
- Gebruik sproeiervloeistof met een antivries oplocsmiddel. (Gebruik geen antivries uit het koelsysteem.)
- Gebruik de handrem niet wanneer het gaat vriezen. Schakel bij het parkeren in stand 1 (eerste) of R (achteruit) en blokkeer de achterwielen.
E56021043
SNEEUWBANDEN
Kies, indien van toepassing, sneeuw- banden van de soort en maat aangege- ven op het bandenspanningsplaatje. Om de besturingseigenschappen van het voertuig niet nadelig te beïnvloeden, verdient het aanbeveling sneeuwbanden op de vier wielen aan te brengen. In over- eenstemming met de voorschriften moet een plaatje met de toelaatbare maximum snel- heid voor de betreffende banden binnen het gezichtsveld van de bestuurder aangebracht worden. Neem tevens de door de banden- fabrikant aanbevolen bandenspanning in acht.
WAARSCHUWING!
Sneeuwbanden dienen van dezelfde maat en type te zijn als de standaardbanden van het voertuig. Zoniet, dan kan de veiligheid en de bestuurbaarheid van het voertuig in gevaar gebracht worden.
OPMERKING
Geen winterbanden met spikes monteren zonder eerst te informeren naar de geldende voorschriften omtrent het gebruik daarvan in verband met eventuele beperkende bepalingen.
196CG520180
SNEEUWKETTINGEN
Keuze van sneeuwkettingen
De bepalingen omtrent het gebruik van sneeuwkettingen variëren naargelang het gebied of het type weg, dus dient men al-vorens deze aan te brengen eerst daarom-trent te informeren.
Aanbrengen van sneeuwkettingen
Volg bij het aanbrengen van sneeuwkettingen om de banden nauwkeurig de bijgeleverde gebruiksaanwijzing van de fabrikant. De spanringen van de sneeuwkettingen kunnen de wieldoppen beschadigen. Verwijder de wieldoppen alvorens de sneeuwkettingen aan te brengen.
Breng de sneeuwkettingen zo strak mogelijk op de achterbanden aan. Het gebruik van sneeuwkettingen op de voorbanden wordt niet aanbevolen. Na het rijden van 0,5—1,0 km de sneeuwkettingen opnieuw strak aantrekken.
OPGELET
- Het gebruik van sneeuwkettingen kan de bestuurbaarheid van het voertuig nadelig beïnvloeden.
- Rijd nooit sneller dan 50 km/h of sneller dan de door de kettingfabrikant aanbevolen snelheid, naargelang welke snelheid lager is.
- Rijd voorzichtig en vermijd oneffenheden, gaten en het maken van scherpe bochten waardoor het voertuig plotseling zou kunnen opveren.
- Vermijd het maken van scherpe bochten of het blokkeren van de wielen door te sterk afremmen.
- Probeer nooit een sneeuwketting aan te brengen op het noodreservewiel, aangezien dit beschadiging van het voertuig en de band tot gevolg kan hebben.
085UGE300A0
Doorwaden van water
Vermijd het doorwaden van water, tenzij u er zeker van bent dat het water niet hoger komt dan de onderzijde van de velgen. Rijd steeds langzaam bij het doorwaden van water. Zorg voor een voldoende remafstand, aangezien natte remmen een minder effectief remvermogen leveren. Droog de remmen na het doorwaden van water door bij lage snelheid het rempedaai enkele malen langzaam in te drukken.
LABELINFORMATIE
BISUH100MAD
Labelinformatie





MEMO
4
Rijden met uw Mazda
CONTACTSCHAKELAAR 4-2
STARTEN 4-3
Contactschakelaar en anti-diefstal stuurslot

Het stuurwiel is vergrendeld ter bescherming tegen diefstal. De contactsleutel kan uitsluitend in deze stand worden verwijderd.
ACC(I)
Het stuurwiel is ontgrendeld en bepaalde elektrische accessoires kunnen gebruikt worden.
ON(II)
De waarschuwingslampen kunnen gecontroleerd worden alvorens de motor gestart
wordt. Dit is de normale stand waarbij de motor draait nadat deze gestart is. Laat de contactschakelaar niet in de stand ON(II) staan wanneer de motor niet draait. De accu raakt dan uitgeput.
START(III)
Deze stand wordt gebruikt om de motor te starten. De startmotor blijft ingeschakeld toldat u de sleutel weer loslaat; deze springt dan terug in de stand ON(II).
OPMERKING
Indien het draaien van de contactsleutel moeilijk is, draai dan het stuurwiel naar rechts en links en draai tegelijkertijd de contactsleutel in de stand ON(II).
WAARSCHUWING!
- Draai de contactsleutel nooit tijdens het rijden in de stand LOCK(0) of ACC(I).
- Het anti-diefstal stuurslot mag niet als vervanging voor de handrem gebruikt worden. Alvorens de bestuurdersstoel te verlaten, dient u steeds te controleren of de versnellingshendel in de eerste (1) versnelling gezet is; trek de handrem volledig aan EN zet de motor af. Indien deze voorzorgsmaatregelen niet in acht genomen worden, bestaat de kans dat het voertuig plotseling in beweging raakt.
- Grijp nooit door het stuurwiel heen naar de contactsleutel; als het stuurwiel plotseling zou draaien, bestaat de kans op ernstig letsel.
825EM2003AD
Starten van de motor
- Controleer of de handrem aangetrokken is.
- Trap het koppelingspedaal volledig in en zet de versnellingshendel in de vrijstand (NEUTRAAL). Houd tijdens het starten van de motor het koppelingspedaal ingedrukt.
- Draai de contactsleutel naar de stand START(III) en houd de sleutel in deze stand vast totcat de motor start (maximaal 10 seconden). Laat vervolgens de contactsleutel los.
OPMERKING
Ongeacht of de motor warm of koud is, dient deze gestart te worden zonder daarbij het gaspedaal in te drukken.
- Wanneer de motor koud is, bestaat de kans dat de motor een overmaat aan brandstof toegevoerd gekregen heeft (waardoor er zich teveel brandstof in de cilinders bevindt). Voig de hieronder aangegeven startprocedure, indien dit het geval is.
(1) Trap het gaspedaal voliedig in en houd het ingetrapt.
(2) Draai terwijl u het gaspedaal volle-
dig ingetrapt houdt de contactschakelaar in de stand START(III) en houd de contactsleutel in deze stand (gedurende maximaal 10 seconden starten) om het teveel aan brandstof af te voeren.
Als de motor start, zal het motorto- rental plotseling toenemen; laat dan de contactsleutel en het gaspedaal onmiddellijk los. In dit geval zijn de volgende procedures niet nodig.
(3) Laat na het inschakelen van de start-motor het gaspedaal los.
(4) Schakel zonder het gaspedaal in te trappen de startmotor in totdat de motor start (maximaal 10 seconden).
Wanneer de motor warm is, mag de hierbo- ven aangegeven procedure niet opgevolgd worden, aangezien het starten dan verder bemoeilijkt wordt. Indien de motor warm is en buitengewoon moeilijk opnieuw te starten is (weigert te starten na herhaalde po- gingen zonder het intrappen van het gaspedaal), dient u voor het starten het gaspedaal ongeveer halverwege in te trappen.
- Laat de motor alvorens te gaan rijden gedurende ongeveer 10 seconden warmdraaien.
Bij buitengewoon lage buitentemperaturen (beneden -18°C) of nadat het voertuig enkele dagen niet gebruikt is, dient u de motor te laten warmdraaien zonder het gaspeedaal in te drukken.
OPGELET
Schakel de startmotor nooit langer dan 10 seconden onafgebroken in. Indien de motor niet meteen start of tussentijds afslaat, 5 tot 10 seconden wachten alvorens de startmotor opnieuw in te schakelen; zoniet, dan bestaat de kans dat de startmotor beschadigd wordt.
OPMERKING
Het is mogelijk dat de motor bijgeluiden (kleppenmechanisme) te horen geeft, indien deze gedurende een langere tijd niet gebruikt is.
Deze geluiden dienen te verdwijnen nadat de motor de normale bedrijfstemperatuur bereikt heeft. Indien de klepgeluiden niet op-
STARTEN, HANDGESCHAKELDE VERSNELLINGSBAK
8912M300GAD Bediening van de handgeschakelde versnellingsbak
houden, dient u het voertuig door een officièle Mazda dealer te laten inspecteren.

Het schakelpatroon is conventioneel, zoals hierboven is aangegeven.
Trap het koppelingspedaal tijdens het overschakelen volledig in; laat het vervolgens langzaam opkomen.
Een speciale beveiliging voorkomt dat u niet per ongeluk van de 5de (vijfde) versnelling in de stand R (achteruit) kunt schakelen. Aivorens in de stand R (achteruit) te kunnen schakelen, moet de versnellingshendel eerst in de neutraalstand teruggezet worden.

OPMERKING
Zorg er voor dat het voertuig volledig tot stilstand gebracht is, alvorens naar de stand R (achteruit) over te schakelen.
OPGELET
Laat tijdens het rijden uw voet nooit op het koppelingspedaal rusten om vroeg- tijdige slijtage en beschadiging van de koppeling te voorkomen. Gebruik de koppeling niet om het voertuig op een heiling in stilstaande positie te houden, zoals bijvoorbeeld tijdens het wachten voor een verkeerslicht.
HANDGESCHAKELDE VERSNELLINGSBAK, REMSYSTEEM
BISUM6000AO
Rembekrachtiging
803E+0010AD
AANBEVELINGEN VOOR OVERSCHAKELPUNTEN
Om het brandstofverbruik te beperken en de rijeigenschappen te verbeteren, wordt het aanbevolen bij de hieronder aangegeven snelheden over te schakelen.
EERSTE....Tot 24 km/h, daarna VERSNELLING overschakelen naar de tweede.
TWEEDE....Tot 40 km/h, daarna VERSNELLING overschakelen naar de derde.
DERDE....Tot 64 km/h, daarna VERSNELLING overschakelen naar de vierde.
VIERDE ....Tot 72 km/h, daarna VERSNELLING overschakelen naar de vijfde.
VIJFDE Van 72 km/h tot aan VERSNELLING de kruissnelheid.
OPMERKING
Wanneer het voertuig eenmaal de gewenste rijsnelheid bereikt heeft (of wanneer de snelheid van de verkeersstroom of de wettelijke maximumsnelheid bereikt is), dient men voor een zo laag mogelijk brandstofverbruik bij snelheden van ongeveer 40 km/h of hoger de transmissie zo spoedig mogelijk in de VIERDE versnelling te schakelen.
Terugschakelen vanuit de VIERDE versnel- ling is niet nodig, behalve wanneer de mo- tor rukken begint te geven (dit kan voorkomen bij snelheden van 30 km/h of minder).
Uw voertuig is uitgerust met een rembekrachtigingsysteem dat bij normaal gebruik zichzelf automatisch afstelt. In het geval de rembekrachtiging uitvalt, tengevolge van het afslaan van de motor of enige andere reden, kunt het voertuig alsnog tijdig tot stilstand brengen door het rempedaal met een grotere kracht dan normaal in te drukken. De remafstand wordt dan echter langer.
Wanneer de motor niet draait, wordt telkens wanneer u het rempedaal indrukt, het reserve-remvermogen voor een deel opgebruikt. Het rempedaal nooit pompend indrukken in het geval de rembekrachtiging uitgevallen is, behalve wanneer het nodig is op een glad wegdek de controle over het stuur te behouden.
B05LIM8100AD
Voetrem
Indien de voetrem tijdens het rijden buiten werking zou raken, kunt u met behulp van de handrem een noodstop uitvoeren. De remafstand zal in dat geval veel groter zijn dan normaal.
WAARSCHUWING!
- Laat tijdens het rijden uw voet niet op het rempedaal rusten. Dit heeft oververhitting van de remmen en overmatige slijtage van de remvoeringen en remblokken tot gevolg, hetgeen een langere remafstand veroorzaakt.
- Schakel bij het afdalen van een lange of steile helling terug naar een lagere versnelling en vermijd het bij voortduring ingedrukt houden van het rempedaal, aangezien de remmen daardoor oververhit raken. Dit kan een kortstondig verlies aan remvermogen veroorzaken.
- Het rijden door water met een zodanige diepte dat de remmen nat worden heeft een nadelige invloed op het remvermogen. Dit
kan tot gevolg hebben dat het voertuig minder snel dan gewoonlijk tot stilstand komt en bij het indrukken van het rempedaal naar een kant trekt.
Door het rempedaal licht in te drukken kunt u controleren of het remvermogen door het nat worden van de remmen is verminderd. Druk voor het drogen van de remmen het rempedaal licht in terwijl u met een veilige snelheid recht vooruit rijdt, totdat het remvermogen weer op het normale niveau teruggebracht is.

ANTI-BLOKKEER REMSYSTEEM* (ABS)
De besturingseenheid van het ABS systeem houdt de snelheid van elk wiel voortdurend in het oog. Zodra een van de wielen op het punt staat te blokkeren, zorgt het ABS systeem er voor dat de remkracht op het betreffende wiel automatisch met korte tussenpozen onderbroken wordt. Het is mogelijk dat de bestuurder dan een "kloppend" geluid in het remsysteem hoort. Dit is echter normaal en duidt er op dat het ABS systeem in werking is.
Handrem
WAARSCHUWING!
Het ABS systeem biedt geen vrijwaring tegen onveilig of roekeloos rijgedrag, buitensporig hoge snelheden, het te dicht achter een ander voertuig rijden of aquaplaning (een toestand waarbij tengevolge van een laag water op het wegdek de wrijvingskracht van de banden verminderd wordt). Het ABS systeem kan dus niet beschouwd worden als garantie voor onveilige rijtechniken.
OPGELET
Houd er rekening mee dat de remafstand langer is op wegen met een losse bovenlaag, (zoals sneeuw of grind), welke zich vaak boven op het verharde wegdek bevindt.
Onder dergelijke omstandigheden kan het voorkomen dat een voertuig met een conventioneel remsysteem sneller tot stilstand komt. Dit wordt veroorzaakt door het feit dat bij het slippen van de wielen een laag los materiaal door de banden als opgestuwd wordt (zie figuur).
OPMERKING
- Het kan voorkomen dat u tijdens de werking van het ABS systeem trillingen voelt in het stuurwiel, de carrosserie of het rempedaai. Dit is echter normaal.
- Het is mogelijk dat u tijdens het starten van de motor de pompmotor of het relais hoort werken aangezien de werking van het systeem automatisch gecontroleerd wordt.

- Trek voor het in werking stellen van de handrem de handremhendel krachtig en volledig omhoog terwijl u de voetrem indrukt.
- Trek voor het ontspannen van de handrem de handremhendel omhoog en druk de knop in.
Laat vervolgens de hendel neer tot in de ontspannen positie terwijl u de knop ingedrukt houdt.
WAARSCHUWING!
- De versnellingshendel mag nooit in plaats van de handrem gebruikt worden. Trek de handrem altijd
BISUM30CAO Remwaarschuwingslampje
BRLNIMODKO Remblokslijtage-indikator (Remblokken van voorschijfrem)
volledig aan en controleer of de versnellingshendel in de 1ste (eerste) versnelling gezet is.
- Schakel altijd de contactschakelaar uit wanneer u het voertuig verlaat, al is het maar voor even. Laat het voertuig nooit bij draaiende motor onbeheerd achter.
- Indien deze voorzorgsmaatregelen niet in acht genomen worden, bestaat de kans dat het voertuig plotseling in beweging komt.
- Nooit met aangetrokken handrem rijden. Dit veroorzaakt oververhitting van de remmen, grote slijtage van de remvoeringen en/of remblokken of beide, en grotere remafstanden.

Controleer het remwaarschuwingslampje telkens wanneer u de motor start. Dit waarschuwingslampje gaat branden wanneer de motor draait en de handrem aangetrokken is.
Controleer alvorens te gaan rijden of de handrem volledig ontspannen is en het remwaarschuwingslampje uit is.
Indien het remwaarschuwingslampje blijft branden nadat de handrem volledig ontspannen is, duidt dit op een defekt in het remsysteem. Laat dit defekt onmiddellijk verhelpen. Voor verdere informatie wordt verwezen naar "Waarschuwings- en indikatielampjes" (pagina 4-14).

Wanneer de remblokken van de schijfremmen versleten raken, komen de ingebouwde slijtage-indikators in aanraking met de schijfplaten, waardoor er een piepend geluid ontstaat dat de bestuurder er op moet attenderen dat de remblokken vernieuwd moeten worden.
Indien u tijdens het rijden een piepend of krassend geluid hoort, dient u de remblokken zo spoedig mogelijk door een officiële Mazda dealer te laten controleren en zonodig te laten vernieuwen.
BISJIMBOOCAD
Stuurbekrachtiging*
Het systeem van de stuurbekrachtiging maakt gebruik van het motorvermogen om het besturen van het voertuig te vergemakkelijken. Indien de motor niet draait of wanneer de stuurbekrachtiging buiten werking geraakt is, kan het voertuig alsnog worden bestuurd, olschoon er daarvoor dan meer stuurkracht vereist is.
Indien u tijdens normaal gebruik van het voertuig een wijziging bemerkt in de benodigde stuurkracht, dient u het stuurbekrachtigingsysteem door een officiële Mazda dealer te laten controleren.
stuurbekrachtigingspomp defekt raakt, neemt de benodigde stuurkracht aanzienlijk toe.
WAARSCHUWING!
Het niet tijdig vernieuwen van de remblokken kan beschadiging van het remsysteem tot gevolg hebben en van nadelige invloed zijn op het remvermogen.
OPGELET
- Houd het stuurwiel bij draaiende motor nooit langer dan vijf seconden tegen een van beide aanslagen (in de naar uiterst rechts of links gedraaide positie). Indien u het stuurwiel langer dan vijf seconden in een van deze posities houdt, bestaat er kans op beschadiging van de stuurbekrachtigingspomp.
- Indien de aandrijfriem van de stuurbekrachtiging breekt of indien de
INSTRUMENTENPANEEL
905EN300GAD
Instrumentenpaneel

BOSUN451DAD
SNELHEIDSMETER
De snelheidsmeter geeft de snelheid van het voertuig in voorwaartse richting aan.
895UH4020AD
KILOMETERTELLER
De kliometerteller geeft de totale door het voertuig afgelegde afstand aan.
05UN4030AD
DAGTELLER
De dagteller registreert de afstand van elke rit.
Deze kan op nul teruggezet worden door het indrukken van de terugsteltoets. De dagtelier kan ook gebruikt worden voor het controleren van het brandstofverbruik.

885UN4040AC
KOELVLOEISTOF- TEMPERATUURMETER
Deze meter geeft de temperatuur van de motorkoelvloeistof aan wanneer de contact-schakelaar in de stand ON(II) staat.
Indien de naald van de meter buiten het normale bereik komt en in de richting van stand H beweegt, geeft dit oververhitting aan waardoor de motor schade kan ondervinden.
Blijf niet doorrijden bij oververhitte motor. Raadpleeg het hoofdstuk "Oververhitting" (Pag. 5-2), indien uw voertuig oververhit raakt.

285UN4050AC
BRANDSTOFMETER
De brandstofmeter geeft bij benadering de in de brandstoftank aanwezige hoeveelheid brandstof aan.
Wanneer de naaid van de brandstofmeter een laag brandstofniveau aangeeft, is er nog ongeveer 6 liter brandstof in de tank aanwezig. Zo spoedig mogelijk bijtanken.
OPMERKING
De brandstofmeter is zodanig ontworpen dat deze de resterende hoeveelheid brandstof in de brandstoftank blijft aangeven, ook nadat de contactschakelaar in de UIT stand gezet is.

BELLUNIDAD
OLIEDRUKMETER
De oliedrukmeter geeft de oliedruk aan zo- iang de motor draait.

BB5UN4080AD
TOERENTELLER
De toerenteller geeft bij benadering het aantal motoromwentelingen per minuut (omw/min.) aan.
Gebruik deze toerenteller tijdens het rijden voor het kiezen van de juiste schakelpunten en om te voorkomen dat het motortoerental te ver terugvalt of te hoog opgevoerd wordt.
OPGELET
De toerentelier heeft een ROOD GESTREEPTE ZONE (6500—7000 omw/min.), die het maximaal toelaatbare toerental bij overschakeling aangeeft.
Zorg er voor dat het motortoerental niet binnen de RODE ZONE (7000—8000 omw/min.) op de toerenteller komt.
OPMERKING
Het is mogelijk dat de naald van de toerenteller een weinig beweegt, wanneer de contactschakeiaar bij stilstaande motor in de stand ACC(I) of ON(II) staat. Dit bewegen is normaal en is niet van invioed op de nauwkeurigheid van de toerenteller als de motor eenmaal draait.
Wanneer de parkeerlichten of de koplampen van het voertuig ingeschakeld zijn, kunt u het duimwiel draaien om de helderheid van de instrumentenpaneelverlichting af te stellen.
Waarschuwingslampjes
ISSENS018AD CONTROLE VAN DE WERKING
De waarschuwingslampjes kunnen gecontroleerd worden door de contactschakelaar in de stand ON(II) te draaien (de motor niet starten). Indien een van de lampjes niet brandt, dient dit door een officiële Mazda dealer gecontroleerd te worden.
Controleer na het starten van de motor of alle waarschuwingslampjes uit zijn. Indien een van de lampjes blijft branden, geeft dit een situatie aan welke nadere aandacht behoeft. Wanneer de handrem ontspannen wordt, dient het remwaarschuwingslampje uit te gaan.


Dit waarschuwingslampje heeft twee funkties.
Waarschuwing voor aangetrokken handrem
Het waarschuwingslampje gaat branden wanneer de handrem is aangetrokken en de contactschakelaar in de stand ON(II) staat. Het waarschuwingslampje dient uit te gaan, zodra de handrem ontspannen wordt.
Waarschuwing voor laag remvloeistofpeil
Indien het waarschuwingslampje blijft branden, kan dit er op duiden dat het niveau van de remvloeistof in het reservoir laag is.
Indien het waarschuwingslampje blijft branden:
- Controleer of de handrem ontspannen is.
Indien het lampje nog steeds blijft branden:
-
Rijd voorzichtig naar de kant van de weg en breng het voertuig op een veilige plaats tot stilstand.
-
Zet de motor af en controleer onmiddellijk het remvloeistofniveau en vul vloeistof bij naargelang vereist (pag. 7-14). Ook dienen alle onderdelen van het remsysteem onmiddellijk op vloeistoflekkage gecontroleerd te worden.
- Niet met het voertuig doorrijden, indien er lekkages gevonden worden, indien het waarschuwingsiampje blijft branden of indien de remmen niet naar behoren werken. Laat het voertuig naar een officiele Mazda dealer slepen voor inspectie van het remsysteem en voor het uitvoeren van de nodige reparaties.
WAARSCHUWING!
Het blijven doorrijden bij brandend waarschuwingslampje is gevaarlijk. Laat de remmen onmiddellijk controleren en repareren, indien het remwaarschuwingslampje blijft branden.


LAADSTROOMWAAR- SCHUWINGSLAMPJE
Dit waarschuwingslampje geeft een storing aan in de dynamo of in het systeem van de elektrische bedrading.
Indien het waarschuwingslampje tijdens het rijden gaat branden:
- Bijd voorzichtig naar de kant van de weg en stop.
- Zet de motor af en controleer of de aan- drijfriem van de dynamo loszit of gebro- ken is.
- Indien de aandrijfriem in orde blijkt, is er ergens een probleem in het elektrische laadsysteem. Laat een officiële Mazda dealer het probleem zo spoedig mogelijk opsporen en verhelpen.
OPGELET
Bij een loszittende of gebroken aandrijfriem van de dynamo mag u niet met het voertuig doorrijden; de motor kan dan door oververhitting beschadigd worden aangezien deze aandrijfriem ook de waterpomp aandrijft.

Wanneer de motor gestart wordt, gaat het waarschuwingslampje van het anti-biokkeer remsysteem branden. Indien de ABS besturinseenheid bepaalt dat alle onderdelen correct werken, schakelt de besturingseenheid het waarschuwingslampje van het ABS systeem uit.
OPGELET
- Wanneer het waarschuwingslampje van het ABS systeem tijdens het rijden blijft branden, geeft dit aan dat de ABS besturingseenheid een defekt in het systeem vastgesteld heeft. In dat geval zal het remsysteem op dezelfde wijze werken als een normaal remsysteem zonder ABS.
- Het is mogelijk dat het waarschu- wingslampje gaat branden indien tij- dens het rijden op een wegdek met een buitengewoon lage wrijving- scoëfficiënt, zoals op ijs, het rempe- daal gedurende langere tijd onafgebroken ingedrukt gehouden
wordt. In dat geval dient u het voertuig op een veilige plaats buiten de verkeersstroom tot stilstande te brengen en de motor stop te zetten. Indien het waarschuwingslampje niet meer gaat branden wanneer de motor opnieuw gestart wordt, is er geen storing in het ABS systeem. Laat uw voertuig nakijken door een officiële Mazda dealer, indien het waarschuwingslampje na het starten van de motor opnieuw gaat branden of knipperen.
OPMERKING
Wanneer de motor via hulpstartkabels gestart wordt om een uitgeputte accu op te laden, zal het motortoerental niet regelmatig zijn en zal het waarschuwingslampje van het anti-blokkeer remsysteem gaan knipperen. Dit wordt veroorzaakt door een te lage accucapaciteit en duidt in geen geval op een defekt in het ABS systeem. Onder deze omstandigheden mag u alleen dan weer met het voertuig gaan rijden nadat de accu eerst volledig opgeladen is.

WAARSCHUWINGS- LAMPJE VOOR LAAG SPROEIERVLOEISTOF- NIVEAU*
indien het waarschuwingslampje gaat branden, duidt dit op een laag niveau van de vloeistof in het reservoir van de voorruitesproeier. Controleer het niveau en vu indien nodig vloeistof bij (pag. 7-19).
WAARSCHUWINGS- EN INDIKATIELAMPJES, VERLICHTING
B05ENS100AD
Indikatielampjes
893JNS11CAD

GROOTLICHTINDIKATIE- LAMPJE
Dit indikatielampje gaat branden wanneer het grootlicht van de koplampen ingeschakeld is of wanneer de richtingaanwijzerhendel naar de lichtsignaalstand getrokken wordt.
BBSUN514GAD

Het koplampinklapindikatielampje gaat branden als de koplampmotors geaktiveerd zijn; het indikatielampje moet uitgaan nadat de koplampen volledig in- of uitgeklapt zijn. Zie pagina 4-22, als het indikatielampje blijft branden.
205EN5150AD

MISTACHTERLICHT- INDIKATIELAMPJE*
Dit indikatielampje gaat branden, wanneer het mistachterlicht ingeschakeld worden.
895ENS160AD

WAARSCHUWINGSKNIP- PERLICHTEN- INDIKATIELAMPJE
Dit indikatielampje gaat branden, als de waarschuwingsknipperlichten ingeschakeld worden.
895EN60009D
Verlichtingsregelhendel

Verdraai voor het inschakelen van de verlichting de knop aan het uiteinde van de regelhendel.
Eerste stop
Achterlichten, parkeerlichten, kentekenver- lichting en instrumentenpaneelverlichting in geschakeld.
Tweede stop
Koplampen, achterlichten, parkeerlichten, kentekenverlichting en instrumentenpaneelverlichting ingeschakeld.

OPMERKING
- Wanneer de knop vanaf de eerste stop naar de tweede stop gedraaid wordt, gaan de koplampen omhoog en gaan deze branden.
- Wanneer de knop naar de eerste stop teruggedraaid wordt, gaan de koplampen uit en worden deze ingeklapt. Indien u de koplampen omhoog wilt zetten wanneer de knop op de eerste stop ingesteld is of in de OFF stand staat, kunt u de koplampinklapschakelaar indrukken.
WAARSCHUWING!
De verlichtingsschakelaar of de koplampinklapschakelaar niet in werking stellen, wanneer iemand zijn handen in buurt van de koplampen houdt.

Druk de hendel naar voren voor het inschakelen van grootlicht. Trek voor het inschakelen van het dimlicht de hendel terug. Het grootlichtindikatielampje licht blauw op, wanneer het grootlicht van de koplampen wordt ingeschakeld.
OPMERKING
Om te voorkomen dat de accu uitgeput raakt, dient u de verlichting niet gedurende langere tijd te laten branden wanneer de motor niet draait.
Richtingaanwijzers

De contactschakelaar dient in de stand ON(II) te staan.
KOPLAMPLICHTSIGNAAL
Trek de hendel naar u toe om het grootlicht kortstondig in te schakelen. (De koplampen kunnen in de IN of UIT stand geschakeld zijn.) De grootlichtindikator op het instrumentenpaneel licht op, wanneer deze lichtsignaalfunktie in werking gesteld wordt. Indien deze funkcie gebruikt wordt wanneer de koplampen niet zijn ingeschakeld, is er een korte interval om de koplampen uit de ingeklapte positie omhoog te laten komen. Wanneer de hendel wordt losgelaten, worden de koplampen automatisch ingekiapt.
RICHTINGAANWIJZERS
Beweeg de hendel naar boven of naar beneden tot de aanslag om de richtingaanwijzers in te schakelen. Na het nemen van de bocht worden ze automatisch uitgeschakeld. Indien na een bocht het indikatielampje blijft knipperen, kunt u de hendel met de hand in de UIT stand (middenpositie) terugzetten.
SIGNALEN VOOR RIJBAANVERANDERING
Beweeg de hendel tot halverwege naar boven of naar beneden en houd deze daar vast. Wanneer u de hendel loslaat, keert deze vanzelf naar de UiT stand (middenpositie) terug.
80SEN6200AC Inklapbare koplampen

Groene indikatielampjes op het instrumentenpaneel geven aan welk van de richtingaanwijzers in werking is. Indien een indikatielampje blijft branden en niet knippert of abnormaal knippert, is het mogelijk dat één van de richtingaanwijzerlampjes doorgebrand is en vernieuwd moet worden.

Voor het gemak is er een aparte koplampinklapschakelaar (de koplampen gaan niet branden) aangebracht. Druk voor het omhoogzetten of inklappen van de koplampen de schakelaar in.
OPMERKING
De koplampen worden niet ingeklapt, indien de koplampen reeds ingeschakeld zijn.
WAARSCHUWING!
De koplampinklapschakelaar niet in werking stellen, wanneer iemand zijn handen in buurt van de koplampen houdt.
Druk de schakelaar in om de koplampen omhoog te zetten, wanneer het nodig is om
- Een lichtsignaal te geven.
- Het voertuig te wassen.
- Bevriezing van het koplampmechanisme te voorkomen.
- Een koplamp te repareren.
OPGELET
- Het is mogelijk (tijdens buitengewoon lage buitentemperaturen of bij het rijden over besneeuwde wegen), dat het inklapmechanisme van de koplampen en het gedeelte rondom de koplampkap bevroren raakt. Indien dit probleem zich voordoet, mag men niet proberen de koplampen omhoog te zetten of in te klappen, aangezien het op deze manier omhoog of omlaag forceren van de koplampen het inklapmechanisme van de koplampen
kan beschadigen.
Het kan ook tot gevoig hebben dat de accu uitgeput raakt of tot een andere storing leiden. Daarom dient men alvorens te proberen de kopiampen omhoog te zetten of in te klappen, eerst de motorkap te openen en het ijs te verwijderen.
- Tijdens buitengewoon lage buiten-temperaturen wordt het aanbevolen de koplampen tijdens het rijden en bij het parkeren van het voertuig omhoog te laten staan.
Gebruik voor het omhoogzetten van de koplampen uitsluitend de koplampinklapschakelaar; de verlichtingsschakelaar niet gebruiken.

6159821040
INDIEN EEN VAN DE INKLAPBARE KOPLAMPEN NIET WERKT
- Schakel de contactschakelaar uit.
- Open de motorkap en open de kap van het hoofdzekeringenblok door het vergrendellipje aan de ene kant los te maken en de kap schuin omnoog naar de andere kant op te tillen.

- Trek de RETRACTOR (30A) zekering recht naar buiten met behulp van de zekeringtrekker, die op de kap van de zekeringenkast aangebracht is. (Zie pag. 5-6).

- Controleer de verwijderde zekering. Vervang de zekering door een nieuwe van dezelfde capaciteit, indien de zekering is doorgesmolten. Indien echter de zekering niet doorgesmolten is of indien het probleem na het inzetten van een nieuwe zekering niet verhpipen is, de zekering verwijderen en de koplampinklapmotor met de hand bedienen.
WAARSCHUWING!
Verwijder altijd eerst de RETRAC- TOR (30A) zekering, alvorens een van de koplampinklapmotoren met de hand te bedienen; dit om te voor-
komen dat de motor plotseling in werking treedt.

- Verwijder de kap van de bovenzijde van de koplampinklapmotor; draai vervolgens de knop in de richting van de pijl (naar rechts), totdat de koplamp volledig omhoog staat of volledig ingeklapt is.
- Breng de kap weer op de juiste wijze aan.
- Breng de zekering en de kap van het hoofdzekeringenblok aan.
WAARSCHUWING!
Zorg er tijdens het aanbrengen van de zekering voor dat er zich geen voorwerpen in de buurt van het koplampinklapmechanisme bevinden. Bij het aanbrengen van de zekering bestaat het gevaar dat het mechanisme plotseling in werking treedt.
Laat het systeem zo spoedig mogelijk door een officiële Mazda dealer controlieren.

895UN622GAD
KOPLAMPINKLAPINDIKATIE- LAMPJE
Het koplampinkiapindikatielampje brandt zo- lang de koplampmotor geaktiveerd is en moet uitgaan zodra de koplampen volledig in- of uitgeklapt zijn.
Het blijven branden van het indikatie- lampje, kan wijzen op steentjes, stukken ijs of andere vreemde bestanddeien in het kop- lampmechanisme. Ga als volgt te werk om dergelijke voorwerpen te verwijderen.
WAARSCHUWING!
De koplampmotor is geaktiveerd als het indikatielampje brandt. Verwijder altijd eerst de RETRACTOR (30A) zekering, alvorens de vreemde bestanddelen uit de koplamp te verwijderen.
- Zet de contactsleute! in de stand OFF.
- Verwijder de RETRACTOR (30A) zeker- ring. (Zie pagina 4-20.)
- Verwijder het voorwerp dat het kopiampmechanisme blokkeert.
- Breng de RETRACTOR (30A) zekering aan.
WAARSCHUWING!
Zorg er tijdens het aanbrengen van de zekering voor dat er zich geen voorwerpen in de buurt van het koplampinklapmechanisme bevinden.
MISTAchterlicht*
Bij het aanbrengen van de zekering bestaat het gevaar dat het mecha-nisme plotseling in werking treedt.
- Kontroleer de werking van het koplampmechanisme en het indikatielampje door de schakelaar in te drukken.

Schakel het mistachterlicht in, wanneer het zicht slecht is tengevolge van dikke mist, om te voorkomen dat u door achteropkomen de voertuigen van achteren aangereden wordt.
Het indikatielampje gaat branden, zodra het mistachterlicht ingeschakeid worden.
Het mistachterlicht funktioneert niet wanneer de koplampschakelaar niet ingeschakeid is.
RUITEWISSERS EN RUITESPROEIERS
065UN70009D
Voorruitewissers

Bedien de hendel als afgebeeld voor het in- schakelen van de ruitewissers.
INT — Inschakelen van de intervalwerking van de ruitewissers
I — Normale ruitewissersnelheid
II — Hoge ruitewissersnelheid

Druk voor het verkrijgen van één wisbeweging de hendel naar voren en laat hem vervolgens los in de OFF stand.
OPMERKING
Aangezien door ijs en zware sneeuwval de ruitewissers geblokkeerd zouden kunnen raken, is de ruitewissermotor beveiligd door middel van een circuitonderbreker. Dit mechanisme zal de werking van de ruitewissers automatisch stoppen, echter alleen geduren- de ongeveer 5 minuten.
In een dergelijk geval dient u de ruitewisser-
schakelaar uit te schakelen en de auto op een veilige plaats tot stilstand te brengen. Na 5 minuten de ruitewisserschakelaar weer inschakelen. De ruitewissers dienen dan weer normaal te werken. Indien dit niet het geval is, zo spoedig mogelijk een officièle Mazda dealer raadplegen.
OPGELET
- Schakel de ruitewissers niet in wanneer de voorruit droog is om mogelijke beschadiging van de ruitewissers of de voorruit te voorkomen.
- Zorg dat er geen benzine, petroleum, terpentijn of andere chemische middelen op of in de buurt van de rultewisserbladen kommen om beschadiging te voorkomen.
- Probeer de ruitewissers nooit met de hand te bewegen om beschadiging van de ruitewisserarmen en overige onderdelen te voorkomen.
- Om mogelijke beschadiging van de wisserarmen en van overige onderdelen te voorkomen, eerst alle sneeuw of ijs van de ruitewissers en de voorruit verwijderen alvorens de ruitewissers in te schakelen.
885UN71008D Voorruitesproeier

Trek de hendel naar u toe en houd deze vast om sproeivloeistof te sproeien. Sproeier-vloeistof wordt gesproeid en de ruitewissers blijven geaktiveerd tot de hendel losgelaten wordt.
Controleer indien de ruitesproeier niet werkt of het niveau van de sproeiervloeistof niet te laag is (pag. 7-19). Is het niveau van de sproeiervloeistof voldoende, raadpleeg dan een officiële Mazda dealer.
WAARSCHUWING!
Gebruik de ruitesproeier niet bij temperaturen onder het vriespunt, zonder eerst de voorruit door middel van de voorruitontwaseming verwarmd te hebben; de sproeier-vloeistof kan anders op de voorruit bevriezen en uw uitzicht belemmeren.
OPGELET
De ruitesproeier niet gebruiken wanneer het ruitesproeierreservoir leeg is om mogelijke beschadiging van de ruitesproeierpomp te voorkomen.
865EN7300AD Koplampsproeier*

De koplampsproeier kan alleen gebruikt worden, wanneer de koplampen geopend zijn.
Voor het reinigen van de koplampen de schakelaar indrukken terwijl de contactschakelaar in de stand ACC(I) of ON(II) staat.
OPGELET
De koplampsproeier niet langer dan 10 seconden gebruiken.
ESOUNB10040
Sigaretteaansteker

Voor gebruik van de sigaretteaansteker deze naar binnen drukken en vervolgens losia- ten. Wanneer het element verhit is, springt het automatisch naar buiten en is klaar voor gebruik. Indien de motor niet draait, dient om de sigaretteaansteker te kunnen gebruiken de contactschakelaar in de stand ACC(I) te staan.
OPGELET
- De sigaretteaansteker niet met de hand ingedrukt houden, aangezien deze daardoor oververhit raakt.
- De stekkerbus van de sigarette-aansteker mag alleen gebruikt
worden voor het insteken van een originele Mazda aansteker. Het gebruik van de stekkerbus als stroomvoorziening voor andere accessoires (scheerapparaten en koffiezetapparaten bijvoorbeeld) kan de stekkerbus beschadigen of storingen in de elektrische installatie veroorzaken.
- Indien de aansteker niet binnen 30 seconden naar buiten springt deze verwijderen om oververhitting te voorkomen.
885UM82004D
Asbak

De asbak kan gemakkelijk verwijderd worden door het vooreinde omhoog te trekken.
WAARSCHUWING!
De asbak van het voertuig mag niet als prullebak gebruikt worden. Wanneer brandende sigaretten of lucifers samen met andere brandbare materialen in een asbak gedeponeerd worden, kan dit brand veroorzaken.
095UN230080
Handschoenenvak

Voor het openen van het handschoenenvak de vergrendeling naar u toe trekken.
WAARSCHUWING!
Zorg er voor dat de klep van het handschoenenvak tijdens het rijden steeds gesloten is om de kans op letsel in geval van een aanrijding of plotseling afremmen te verminderen.

Steek bij gebruik van de sleutel de hoofdsleutel in het slot; draai de sleutel naar rechts om te vergrendelen en naar links om te ontgrendelen. Bediening van het slot met de hulpsleutel is niet mogelijk. Voor meer informatie betreffende het sleutelbeveiligings- systeem, wordt verwezen naar pagina 2-2.
SSUNNH00AC
Middenconsole

Trek de slothendel omhoog om de boven-klep te openen.
INTERIEURVOORZIENINGEN
893UH9500A0
Zonnekleppen

De middenconsole kan met de hoofdsleutel vergrendeld en ontgrendeld worden. Draai de sleutel in de afgebeelde richting om te vergrendelen of te ontgrendelen. Bediening van het slot met de hulpsleutel is niet mogelijk. Voor meer informatie betreffende het sleutelbeveiligingssysteem, wordt verwezen naar pagina 2-2.

Trek de zonneklep voor gebruik naar beneden.

Trek voor het gebruik van een zonneklep bij één van de zijfamen de zonneklep naar beneden en klap hem vervolgens opzij.
325UN9800AC
Voetsteun

Het voertuig is voorzien van een handige voetsteun voor de linker voet van de bestuurder.
89SUP2000AD
Bedieningsorganen van het klimaatregelsysteem


208SEP2100AD
Bedieningsorganen

095UP2110AD
AANJAGERSCHAKELAAR
Door middel van deze schakelaar kunnen de verschillende aanjagersnelheden gekozen worden.
OFF — Aanjager uit
1 — Lage snelheid
2 — Gematigde snelheid
3 — Hoge snelheid
4 — Maximale sneiheid

BPSJP2120AC
Door middel van deze hendel kan de luchttemperatuur geregeeld worden. Schuif de hendel naar rechts voor een verhoging van temperatuur of naar links voor verlaging van temperatuur.

MSP2130AD
LUCHTINLAATKEUZESCHA- KELAAR
Deze keuzeschakelaar regelt de aanvoer van de lucht welke het interieur binnenkomt. Het wordt aanbevolen de hendel onder normale omstandigheden in de stand voor aanvoer van buitenlucht te laten staan.
Stand voor recirculerende lucht
De aanvoer van buitenlucht is afgesloten. De lucht binnen in het interieur wordt gerecirculeerd.
Deze stand kan worden gebruikt tijdens het rijden over stoffige wegen of onder soortgelijke omstandigheden, om te helpen voorkomen dat ongewenste buitenlucht het
interieur binnenkomt.
Dit helpt ook om het interieur sneller te verwarmen en te koelen.
Stand voor aanvoer van buitenlucht
Lucht van buiten het voertuig wordt het systeem binnengevoerd.
Deze stand wordt gebruikt voor normale ventilatie en verwarming.

BISUP2140AD
FUNKTIEKEUZESCHAKELAAR
Deze keuzeschakelaar wordt gebruikt voor het kiezen van de richting van de luchtstroom uit de diverse luchtroosters.

De lucht wordt in de richting van het gezichts gevoerd. Elk luchtrooster is voorzien van een afzonderlijke regelaar weike kan worden gebruikt voor het richten van de uit het luchtrooster stromende lucht.
Warme, koude of verse lucht kan door de luchtroosters worden aangevoerd.

Stand voor gezicht/vloer
De lucht wordt in de richting van het gezicht en de vloer gevoerd.
De lucht welke naar de vioer wordt gevoerd is warmer dan die welke naar het gezicht wordt gevoerd (behaive wanneer de temperatuurregelhendel in de uiterst linkse stand gezet is).

Het overgrote deel van de lucht wordt naar de vloer gevoerd; een kleine hoeveelheid gaat naar de voorruit- en zijluchtroosters.

Stand voor vloer/ontwaseming
Het overgrote deel van de lucht wordt naar de vloer en de voorruit gevoerd; een kleine hoeveelheid gaat naar de zijluchtroosters.
WSEP2300A0
Bediening van het systeem

Stand voor ontwaseming
Het overgrote deel van de lucht wordt naar de voorruit gevoerd; een kleine hoeveelheid gaat naar de zijluchtroosters.

015UP231040
VENTILATIE
- Zet de funktiekeuzeschakelaar in de stand 📄
- Zet de luchtinlaatkeuzeschakelaar in de stand 7.
- Zet de temperatu regelhendel in de gewenste stand.
- Stel de aanjagerschakelaar in op de gewenste snelheid.

085EP2320AD
VERWARMING
- Zet de funktieschakelaar in de vloer-stand.
- Zet de luchtinlaatkeuzeschakelaar in de stand 📋.
- Zel de temperatuurregelhendel in de rechtse stand.
- Stel de aanjagerschakelaar in op de gewenste snelheid.
- Indien verwarming met ontvochtiging gewenst is, de airconditioning inschakelen.

OPMERKING
Wanneer de voorruit beslaat, de funkciekeuzeschakelaar in de stand 📋 zetten.
Indien koelere lucht op gezichtsniveau gewenst is, de funktiekeuzeschakelaar in de stand zetten en de temperatuurregelhendel afstellen zodat een optimaal comfort gehandhaafd blijft.
De lucht die naar de vloer stroomt is warmer dan de lucht die naar het gezicht gevoerd wordt (behalve wanneer de temperatuurregelhendel in de uiterst linkse of rechtse stand gezet is).
095EP2340A0
ONTWASEMEN EN ONTDOOIEN VAN DE VOORRUIT
- Zet de funktiekeuzeschakelaar in de stand 📄.
- Zet de luchtinlaatkeuzeschakelaar in de stand 📋.
- Zet de temperatuurregelhendel in de gewenste stand.
-
Stei de aanjagerschakelaar in op de gewenste snelheid.
-
Indien verwarming met ontvochtiging gewenst is, de airconditioning inschakeien.
OPMERKING
- Zet voor maximale ontdooing de temperatuurregelhendel in de uiterst rechtse stand en zet de aanjagerschakelaar in stand 4.
- Zet indien er warme lucht op vloerniveau gewenst is de funkciekeuzeschakelaar in stand
KLIMAATREGELSYSTEEM, AUDIO*

- Verwijder alvorens te gaan rijden alle ijs en sneeuw van de voorruit, de achterruit, de buitenspiegels en alle zijruiten.
- Verwijder alle ijs en sneeuw van de motorkap en de luchtiniaat in de ventilatiegrille voor het verkrijgen van een efficiënte werking van de verwarming en de ontdooing, en om de kans op het beslaan van de binnenzijde van de voorruit te verminderen.

GROUP2060AD
Zet de luchtinlaatkeuzeschakelaar in de stand 📄.
905L/P3A00AC
Antenne

MANUAALTYPE
- Draai de antenne naar links om hem te verwijderen.
- Draai de antenne naar rechts om hem te bevestigen.
OPGELET
Om beschadiging te voorkomen, de antenne verwijderen wanneer u onder een lage doorgang gaat.
OPMERKING
Het verdient aanbeveling de antenne te verwijderen en in de koffer op te bergen wanneer u het voertuig verlaat.

De antennegaat automatisch omhoog bij het aanzetten van de radio en omlaag bij het uitzetten daarvan. De antenne behoeft niet verwijderd te worden bij het verlaten van de auto.
OPGELET
Let er voor het aanzetten van de radio op dat niemand bij de antenne staat, dit om beschadiging aan de antenne te voorkomen.
5
In noodgevallen
WAARSCHUWINGSKNIPPERLICHTEN 5-2
OVERVERHITTING 5-2
STARTEN IN NOODGEVALLEN 5-3
BEVEILIGING VAN DE ELEKTRISCHE CIRCUITS 5-6
SLEPEN 5-12
LEKKE BAND 5-14
WAARSCHUWINGSKNIPPERLICHTEN, OVERVERHITTING
995US100GAD
Waarschuwingsknipperlichten

De waarschuwingsknipperlichten dienen als waarschuwing voor de overige weggebruikers om bijzondere voorzichtigheid in acht te nemen bij het benaderen, inhalen of passeren van uw voertuig. Deze dienen te worden gebruikt bij het uitvoeren van noodreparaties of wanneer het voertuig langs de kant van de weg tot stilstand gebracht is.
Druk de waarschuwingsknipperlichtschakelaar bij elke willekeurige stand van de contactschakelaar in en alle richtingaanwijzerlampen gaan tegelijkertijd knipperen.
OPMERKING
- De richtingaanwijzers kunnen niet gebruikt worden wanneer de waarschuwingsknipperlichten zijn ingeschakeld.
- Voor wat betreft het gebruik van de waarschuwingsknipperlichten tijdens het slepen van het voertuig dient men speciaal oplettend te zijn. Het is mogelijk dat er bepalingen bestaan weike het gebruik in dergelijke gevallen verbieden.
805ÉS:10040
Oververhitting
Indien uw koelvloeistoftemperatuurmeter oververhitting aangeelt, indien u een verlies aan vermogen bemerkt of indien u een luid tikkend of pingelend geluid hoort, is de motor waarschijnlijk oververhit.
U dient de volgende maatregelen te nemen, indien u een van deze tekenen ge- waarwordt.
- Rijd naar een veilige plaats langs de kant van de weg en breng het voertuig tot stilstand, zet de versnellingshendel in de neutraalstand eh trek de handrem aan.
- Zet de motor af, indien er kokende koelvloelstof of stoom uit de radiateur komt. Draai vervolgens de contactschakelaar in de stand ON(II), echter de motor niet starten. De koelventilatoren van de radiateur treden automatisch in werking, wanneer de contactschakelaar in de stand ON(II) staat. Roep de hulp van een officiële Mazda dealer in, indien de koelventilatoren niet werken.
Indien er geen kokende koelvloeistof naar buiten komt, laat dan de motor stationair draaien en zet de motorkap open om de motor geleidelijk te laten afkoeien.
895ES2000AD Starten met een hulpaccu
Indien de temperatuur niet omlaag gaat bij het stationair draaien van de motor, dient u de motor stop te zetten en deze voldoende tijd te geven om af te koelen. 3. Vervolgens dient het niveau van de koel- vloeistof gecontroleerd te worden. Indien het niveau in het reservoir laag is, con- troleer dan de radiateurslangen en aan- sluitingen, de verwarmingsslangen en aansluitingen, de radiateur en de water- pomp op lekkages. Indien u een grote lek- kage of een ander probleem aantreft dat de oorzaak kan zijn van het oververhit- ten van de motor, de motor niet laten draaien totdat dit probleem verholpen is. Roep de hulp van een officiële Mazda dealer in, indien u geen lekkage of an- der probleem aantreft, voorzichtig koel- vloeistof in het reservoir bijvullen (pag. 7-12).
WAARSCHUWING!
De radiateurdop niet verwijderen wanneer de motor en de radiateur warm zijn. Kokend hete koelvloeistof en stoom kan dan onder druk naar buiten spuiten. Dit kan
ernstig letsel veroorzaken.
OPGELET
Laat het koelsysteem controleren en repareren, indien de motor regelmatig oververhit raakt.

De accu is ondergebracht in de kofferruimte. Verwijder eerst de moeren en maak de drukknopen los om de accubedekking te verwijderen.
Starten met een hulpaccu kan gevaarlijk zijn wanneer dit niet op de juiste wijze gebeurt. Volg daarom, ter voorkoming van letsel of beschadiging van het voertuig of de accu, de op de volgende pagina aangegeven startprocedures met een hulpaccu. Indien u niet zeker bent, raden wij u ten sterkste aan het starten van uw voertuig met een hulpaccu over te laten aan een deskundige monteur of aan de wegenwacht.
OPGELET
Gebruik uitsluitend een 12-volt hulp startsysteem. De 12-volt startmotor, het ontstekingssysteem en de overige elektrische onderdelen kunnen onherstelbaar beschadigd worden, wanneer er gebruik gemaakt wordt van een 24-volt stroomvoorziening (twee 12- volt accu's in serie of een 24-volt motorgenerator).
WAARSCHUWING!
- Zorg er voor dat er geen open vuur in de buurt van de bovenzijde van geopende accu-cellen komt en vermijd het veroorzaken van vonken in de buurt van de cellen.
Tijdens de normale werking van de accu ontstaat er gas dat door een vlam of een vonk tot ontploffing kan komen. - Probeer nooit te starten met een hulpaccu wanneer de uitgeputte accu bevroren is of wanneer het vloeistofniveau laag is; de accu kan dan scheuren of tot ontploffing komen.

895U5201080
STARTPROCEDURE MET EEN HULPACCU
- Controleer of de hulpaccu 12-volt is en of de negatieve pool daarvan met de massa verbonden is.
- Indien de hulpaccu zich in een ander voertuig bevindt, mogen beide voertui-gen elkaar niet raken.
- Schakel alle niet noodzakelijke elektrische belasting uit.
- Sluit de hulpstartkabels in precies dezelfde volgorde aan, zoals is aangegeven in de illustratie. Sluit eerst het ene uiteinde van een hulpstartkabel aan op de positieve pool van de uitgeputte accu en sluit
dan het andere uiteinde aan op de positieve pool van de hulpaccu. Sluit vervolgens het ene uiteinde van de andere hulpstartkabel aan op de negatieve pool van de huipaccu en sluit tenslotte het andere uiteinde aan op een solide en niet-bewegend metalen punt (bijvoorbeeld, de reservewielsteun) op afstand van de accu.
Sluit dit niet aan op of in de nabijheid van enig onderdeel dat beweegt wanneer de motor gestart wordt en NIET OP DE NEGATIEVE POOL (-) VAN DE ACCU. Let er bovendien op dat de klemmen van de ene kabel niet met de klemmen van de
885US2100AD
Starten door aanduwen
Het voertuig mag niet door aanduwen gestart worden, aangezien hierdoor het uitlaatgasreinigingsysteem beschadigd kan worden. Volg de aanwijzingen op de vorige pagine op voor het starten met een hulpaccu.
OPGELET
Het voertuig nooit door aanslepen pro- beren te starten, aangezien het voertuig wanneer de motor start plotseling naar voren zou kunnen schieten, hetgeen een botsing met het slepende voertuig tot gevolg kan hebben.
andere kabel in aanraking komen of met enig metalen onderdeel van een van beide voertuigen. Bij het vastzetten van de aansluitingen niet boven de accu voorover buigen.
-
Start de motor van het voertuig waarin zich de hulpaccu bevindt en laat de motor gedurende enkele minuten draaien. Start vervolgens de motor van het voertuig met de uitgeputte accu.
-
Maak de kabels voorzichtig los, in precies dezelfde volgorde als beschreven onder stap 4.
BISES3000AD
Zekeringen

Indien een van de lampen, elektrische accessoires of bedieningsorganen van uw voertuig niet funktioneert, dient u de betreffende circuitbeveiliging te controleren. Indien een zekering is doorgeslagen, is de draad er binnen in doorgesmolten.
Vervang een doorgesmolten zekering steeds door een van dezelfde capaciteit. Indien dezelfde zekering opnieuw doorslaat, het betreffende systeem niet langer gebruiken en onmiddellijk een officiële Mazda dealer raadplegen.

Vervangen van de zekeringen
OPGELET
- De zekeringen dienen uitsluitend vervangen te worden door zekeringen met dezelfde capaciteit. Een zekering met een hogere capaciteit kan beschadiging en zelfs brand veroorzaken.
- In plaats van de juiste zekering mag er nooit een draadverbinding aangebracht worden-zelfs niet bij wijze van provisorische reparatie. Dit kan uitgebreide schade toebrengen aan de elektrische bedrading en zelfs brand
veroorzaken.
- Gebruik voor het verwijderen van de zekeringen geen schroevedraaier of enig ander metalen voorwerp, aangezien dlt kortsluiting kan veroorzaken waardoor het systeem beschadigd wordt.

- Schakel de contactschakelaar en alle overige schakelaars uit.
- Trek de vermoedelijk doorgeslagen zekering recht uit met behulp van de zekeringtrekker welke op de kap van de zekeringenkast aangebracht is.
- Controleer de verwijderde zekering; vervang de zekering wanneer deze doorgeslagen blijkt.
- Druk een nieuwe zekering met dezelfde capaciteit op de plaats en controleer of deze goed in de klemmen vastzit. Indien de zekering niet goed vastklemt, dit door een officiële Mazda dealer laten repareren. Indien er geen reserve-zekering
meer beschikbaar is, kunt u een zekering van dezelfde capaciteit gebruiken van een circuit dat voor het rijden met het voertuig niet essentieel is.

De zekeringen voor de auto-antenne en de ruitontwasemer bevinden zich in de kofferruimte.
Gebruik de zekeringtrekker, welke op de kap van de zekeringenkast aan de kant van de bestuurder is aangebracht, om deze twee zekeringen te verwijderen.

1995J8301940
HOOFDZEKERING
Controleer het hoofdzekeringenblok in de motorruimte, indien de koplampen of andere elektrische onderdelen niet funktioneren en de zekeringen in orde zijn. Indien een zekering is doorgesiagen, dient deze te worden vervangen.

Vervangen van de zekering
- Schakel de contactschakelaar en alle overige schakelaars uit.
- Open de kap van het zekeringenblok door het vergrendellipje aan de ene zijde los te maken en de kap schuin naar achteren op te tilen.
- Controleer de zekeringen. Indien een zekering is doorgeslagen, dient deze vervangen te worden door een nieuwe van dezelfde capaciteit.

Indien de 80A zekering is doorgslagen, dient deze op de volgende wijze verwijderd te worden.
- Maak de negatieve kabel van de accu los.
- Verwijder de moeren Ⓐ.
- Til het zekeringenblok omhoog en verwijder de bouten Ⓑ.
- Vervang de zekering door een nieuwe van dezelfde capaciteit.
- Monteer in omgekeerde volgorde ten opzichte van het demonteren.
Circuitonderbreker

De klimaatregelsystemen werken op hoog ampère. Indien de nominale ampårecapaciteit wordt overgeschreden, treedt als beveiliging een circuitonderbreker in werking.
Indien het circuit door de circuitonderbreker onderbroken wordt, dient u alle verwarmingsschakelaars uit te schakelen en door middel van de terugstelknop het circuit te herstellen. Laat de elektrische installatie door een officiële Mazda dealer inspecteren, indien het circuit opnieuw onderbroken wordt.
Beschrijving van het zekeringenpaneel

Hoofdzekeringenblok
| BESCHRIJVING | ZEKERINGCA-PACITEIT | KLEUR | BEVEILIGD ONDERDEEL | |
| 1 | FUEL INJ | 30A | Rose | Brandstofinjectie, generator |
| 2 | HAZARD | 30A | Rose | Waarschuwingsknipperlichten |
| 3 | MAIN | 80A | Zwart | Voor de beveiliging van alle circuits |
| 4 | BTN | 30A | Rose | Zie ROOM (10A), HORN (10A) |
| 5 | ABS* | 60A | Geel | Anti-biokkeer remsysteem |
| 6 | COOLING FAN | 30A | Rose | Koelventilator |
| 7 | AD FAN* | 20A | Geel | Extra koelventilator voor airconditioning |
| 8 | STOP | 10A | Rood | Stoplichten |
| 9 | ST SIGN | 10A | Rood | Brandstofinjectie |
| 10 | RETRACTOR | 30A | Groen | Koplampinklapmotor |

Zekeringenpaneel (Kofferruimte)
| BESCHRIJVING | ZEKERINGCA-PACITEIT | KLEUR | BEVEILIGD ONDERDEEL | |
| 1 | DEFOG* | 10A | Rood | Achterontdozier |
| 2 | ANTENNA* | 10A | Rood | Auto antenne |
Zekeringenblok

Indien slepen noodzakelijk is, wordt het aanbevolen dit aan een officiële Mazda dealer of aan een erkend sleepbedrijf over te laten. Om beschadiging van het voertuig te voorkomen, is het van belang dat de juiste takelen sleepmethoden gebruikt worden. Daarbij dient men de wettelijke bepalingen omtrent het slepen van voertuigen in acht te nemen.

Als algemene regel dienen voertuigen bij het slepen met de aangedreven wielen omhoog getakeld voortgetrokken te worden.
Indien het door buitengewoon grote schade niet mogelijk is het voertuig met de aangedreven wielen omhoog getakeid te slepen, dient er in dat geval gebruikt gemaakt te worden van dollies.
- Zet de contactschakeiaar in de stand ACC(I);
- Zet de versnellingshendel in de neutraalstand;
- Ontspan de handrem.
Het voertuig mag gesleept worden met vier wielen op de grond, als de versnellingsbak, achteras en stuurinrichting niet beschadigd zijn. Maak gebruik van wieldollies als deze onderdeien beschadigd zijn.
De voigende punten zijn belangrijk wanneer het voertuig met alle vier wielen op de grond gesleept wordt.
- Zet de contactschakelaar in de stand ACC(i);
- Zet de versnellingshendel in de neutraalstand;
- Ontspan de handrem.
OPGELET
Houd er rekening mee dat de rembekrachtiging en stuurbekrachtiging niet funktioneren wanneer de motor niet draait.


025ES4015AD
Sleephaak
De sleephaak dient uitsluitend gebruikt te worden in noodsituaties, (bijvoorbeeld, bij het uit sneeuw, modder of uit een greppel trekken van het voertuig). Wanneer de sleephaak gebruikt wordt, dient men steeds in een rechte lijn ten opzicht van de sleephaak aan de kabel of ketting te trekken. Nooit trekkracht op de sleephaak uitoefenen in zijdelingse richting. Om beschadiging te voorkomen, mag de kabel of ketting niet plotseling strak aangetrokken worden.
BPS8500040
Reservewiel, krik, krikslinger en gereedschapset


Verwijderen van de krik
- Draai de bout naar links om hem te verwijderen.
- Verwijder de krik.
OPMERKING
Om te voorkomen dat de krik tijdens het rijden gaan rammelen, dient deze op de juiste wijze opgeborgen te worden.
8955 501 00AIC
Reservewiel

Verwijderen van het noodreservewiel
- Draai de vleugelbout van het reservewiel met de hand naar links en verwijder de bout.
- Verwijder het noodreservewiel.
OPMERKING
Om te voorkomen dat het reservewiel tijdens het rijden gaat rammelen, dient het op de juiste wilje opgeborgen te worden.

OPMERKING
Plaats de hoes als afgebeeld om het noodreservewiel alvorens het wiel op te bergen. Deze hoes is uitsluitend geschikt voor gebruik met het noodreservewiel. De hoes past niet op de conventionele reservewielen.
085253110AD
NOODRESERVEWIEL
Dit reservewiel dient uitsluitend gedurende ZEER korte perioden gebruikt te worden. Noodreservewielen mogen NOOIT voor lange ritten of gedurende langere perioden gebruikt worden.
Bij gebruik van het noodreservewiel dienen de volgende voorzorgsmaatregelen in acht genomen te worden:
- Het noodreservewiel mag uitsluitend gedurende korte tijd over beperkte afstand gebruikt worden.
- Een langdurig gebruik van het noodreservewiel op de weg kan het lek raken van de band tot gevolg hebben, waardoor men de macht over het stuur zou kunnen verliezen en eventueel letsel zou kunnen oplopen.
- Het maximum belastbare gewicht van het voertuig of de belastingcapaciteit van het noodreservewiel dat op de zijkant van de band is aangegeven niet overschrijden.
- Onder geen enkele omstandigheid sneller rijden dan 80 km/h; een hogere snelheid kan beschadiging van de band tot gevolg hebben.
BSES5200A0
Banden verwisselen
- Vermijd het rijden over obstakels. Rijd niet met het voertuig door een automatische autowas-installatie. Aangezien de diameter van deze band kleiner is dan die van een conventionele band, wordt de grondspeling met ongeveer 25mm verminderd.
- Gebruik geen wieldoppen, sierringen of naafdoppen op het noodreservewiel.
- Geen sneeuwkettingen op deze band gebruiken. Door de kleinere maat zullen de sneeuwkettingen niet goed passen. Dit kan beschadiging van het voertuig en verlies van de sneeuwketting tot gevolg hebben.
- Deze band mag niet op de vooras ge-
monteerd worden, wanneer men met het
voertuig over besneeuwde of bevroren
wegen gaat rijden.
Om te voorkomen dat men de macht over het stuur verliest, dient men voor het rijden over besneeuwde of bevoren wegen het noodreservewiel op de achteras te monteren en voor de vooras een conventionele band te gebruiken. - Gebruik dit noodreservewiel niet op een ander voertuig, aangezien dit speciaal voor gebruik op uw voertuig ontworpen
is.
- Gebruik altijd slechts één noodreservewiel.
MSJ85210AD
AANWIJZINGEN VOOR HET GEBRUIK VAN DE KRIK
De krik is uitsluitend bedoeld voor het in noodgevallen verwisselen van de banden. Volg de aanwijzingen voor het gebruik van de krik om de kans op letsel te verminderen.
WAARSCHUWING!
- Probeer nooit reparaties aan het voertuig uit te voeren op de rij-stroken van de openbare weg of snelweg. Parkeer het voertuig steeds volledig van de weg af in de berm, alvorens u een band gaat verwisselen. Indien u langs de kant van de weg geen stevige en vlakke ondergrond vindt, roep dan de hulp van de wegenwacht in.
- De maximum toegestane belasting van de krik niet overschrijden: 600 kg.
- Maak uitsluitend gebruik van de juiste kriksteunpunten aan de voor- en achterzijde van het voertuig; gebruik nooit de bumpers of enig ander onderdeel van het
voertuig bij wijze van kriksteunpunt.
- Nooit onder het voertuig kruipen wanneer dit opgekrikt is.
- Nooit de motor starten of laten draaien wanneer het voertuig op de krik staat.
B95E552043
VERWISSELEN VAN EEN BAND
- Parkeer op een vlakke ondergrond en trek de handrern stevig aan.
- Schakel in stand R (achteruit).
WAARSCHUWING!
Wanneer één van de achterwielen van de grond gekrikt is, bestaat de kans dat het voertuig wegrolt en van de krik glijdt, ook al is de versnelling correct ingeschakeld.
Om het van de krik glijden van het voertuig tijdens het verwisselen van een band te voorkomen, dient men de handrem steeds volledig aan te trekken en het wiel diagonaal tegenover het te verwisselen wiel te blokkeren.
- Schakel de waarschuwingsknipperlichten in.
- Verwijder de wielmoersleutel, de krik, de krikslinger en het reservewiel uit het voerluig.

- Blokkeer zowel de voorzijde als de achterzijde van het wiel dat zich diagonaal tegenover de plaats van de krik bevindt.

- Gebruik dan het platte uiteinde van de wielmoersleutel om de wieldop* van het wiel te verwijderen.
OPMERKING
Druk het platte uiteinde van de wielmoersleutel stevig tussen de wieldop en het wiel. Wanneer het uiteinde van de wielmoersleutel onvoldoende naar binnen gedrukt wordt, zal het moeilijk zijn de wieldop te verwijderen.

- Draai de wielmoeren een voor een naar links één slag los, maar verwijder geen van de moeren totdat de band van de grond af gekrikt is.

- Plaats de krik onder het voorste of achterste kriksteunpunt welke het dichtst in de buurt is van de te verwisseien band. Plaats de krik onder de zijdrempel.
WAARSCHUWING!
Gebruik om de kans op mogelijk let- sel te verminderen uitsluitend de bij het voertuig behorende krik en plaats deze onder het juiste krik- steunpunt; gebruik nooit enig ander onderdeel van het voertuig als krik- steunpunt.

- Steek de krikslinger in de krik en draai deze naar rechts, totdat de band juist van de grond af komt te staan, minder dan 30mm. Controleer alvorens de wielmoeren te verwijderen of het voertuig stabiel is en er geen kans is dat het voertuig van de krik kan glijden.
- Verwijder de wielmoeren door deze naar links te draaien en verwijder vervoigens het wiel.
- Breng het reservewiel op de plaats aan en draai de wielmoeren met de hand vast.

- Draai de krikslinger en laat het voertuig tot op de grond zakken. Draai de wielmoeren kruiselings stevig vast.
Indien u onzeker bent of de wielmoeren voldoende strak aangetrokken zijn, dient u ze te laten controleren bij het dichtstbijzijnde tankstation. Het voorgeschreven aantrekkoppel is 9,0 tot 12,0 m-kg.
- Berg de verwijderde band op. Laat de lekke band zo snel mogelijk repareren om het reservewiel te kunnen vervangen. De te volgen procedure is gelijk aan die voor het vervangen van een lekke band.
OPGELET
Controleer na het monteren van het reservewiel zo spoedig mogelijk de bandenspanning. Indien nodig, deze op de voorgeschreven spanning brengen. Zie Hoofdstuk 9.
OPMERKING
Om te voorkomen dat de krik, de krikslinger en de gereedschapset tijdens het rijden gaan rammelen, dienen deze op de juiste wijze opgeborgen te worden.
6
Verzorging van het uiterlijk
VERZORGING VAN DE CARROSSERIE 6-2
VERZORGING VAN HET INTERIEUR 6-6
VERZORGING VAN HET VOUWDAK 6-8
VERZORGING VAN DE AFNEEMBARE KAP 6-9
VERZORGING VAN DE CARROSSERIE
B25L/T1000AD
Algemene voorzorgs- maatregel betreffende carrosseriereinigings- middelen
Het is van groot belang bij gebruik van chemische reinigingsmiddelen of autowas de gebruiksaanwijzing van het betreffende produkt op te volgen. Lees alle daarin vermeide waarschuwingen en voorzorgsmaatregelen.
的SET1100AD
Onderhoud van de lak
- Beschadiging van de lak van het voerluig kan veroorzaakt worden door kleine opeenhopingen van stof, chemicalien, boomhars, uitwerpselen van insecten en vogels. Het zo snel mogelijk verwijderen van deze substanties is van belang voor het behoud van de lak. Gebruik een zacht autowasmiddel; vermijd het gebruik van krachtige wasmiddelen of chemische reinigingsmiddelen.
- Was uw Mazda met de hand en gebruik daarbij een ruime hoeveelheid water en een zacht autowasmiddel.
- Spoel het reinigingsmiddel met een ruime hoeveelheid schoon water af. Het water dat voor wassen en afspoelen gebruikt wordt, dient koud of lauw te zijn.
- Om uw voertuig te helpen beschermen tegen roest en aantasting van de lak, dient u het regelmatig grondig te wassen (tenminste eens per maand) en daarbij speciale aandacht te besteden aan het verwijderen van opeenhopingen van zout, vuil, modder of andere substanties van de onderzijde van de spatborden.
Verwijder dit vuil volledig van de onderzijde van de carrosserie door gebruik te maken van een waterstraal. Indien de modder moeilijk te verwijderen is, een zacht wasmiddei of een autoreinigingsmiddel gebruiken.
- Na het wassen, het voertuig grondig met lauw of koud water afspoelen. Laat het wasmiddei niet op de laklaag drogen. Bovendien dient u de lak en de glanzende metalen oppervlakken van de carrosserie van een laag was van hoge kwaliteit te voorzien.
OPGELET
- Het voertuig nooit in direkt zonlicht wassen of in de was zetten.
- Wanneer de carrosserie warm is, dient men met het wassen van het voertuig te wachten. Zoniet, dan kunnen er zich op de laklaag waterplekken gaan vormen.
- Gebruik geen heet water. Het is het beste koud of lauw water te gebruiken om beschadiging van de laklaag
te voorkomen.
- Het verwijderen van stof of vuil met een droge doek kan krassen op de laklaag veroorzaken.
- Bij het reinigen van kunststof wieldoppen, deze met een ruime hoeveelheid water wassen. Gebruik een spons, zeem of een zachte doek om bekrassing of beschadiging van de lakiaag te voorkomen.
- Veeg het voertuig droog met een zeem om vorming van waterplekken te voorkomen.
WAARSCHUWING!
- Test na het wassen van het voertuig bij lage snelheid de remmen om te zien of het remvermogen door binnengedrongen water verminderd is.
- Voor uw veiligheid, dient u het voertuig niet bij draaiende motor te wassen, in de was te zetten of te drogen.
- De onderzijde van het chassis, de spatborden en andere soortgelijke plaatsen niet reinigen zonder
uw handen en armen te beschermen. Er bestaat anders kans op verwonding door de scherpe randen van de metalen onderdelen.
- Controleer na het wassen of de afvoergaten van de portieren, de achterklep, de zijdrempels en van de achterspatborden niet verstopt zijn. Reinig de gaten, indien deze verstopt zijn.
803ET1800AD
- Het voertuig dient te worden gewassen en gedroogd alvorens het in de was te zetten.
- Gebruik was welke geen schuurmiddelen bevat.
Was welke grote hoeveeineden schuur-middel bevat kan de laklaag aantasten of plekken veroorzaken op de glanzende metalen onderdelen of deze anderszins beschadigen. - Gebruik een natuurlijke was van hoge kwaliteit voor metallic, mica en solide donkere kleuren.
- Bij het in de was zetten, een gelijkmatige laag aanbrengen met behulp van de bijgeleverde spons of een zachte doek.
- Poets het voertuig op door gebruik te maken van een zachte doek, bijvoorbeeld flanel.
VERZORGING VAN DE CARROSSERIE
19367170GAD
Bijwerken van beschadigingen van de lak
- Repareer beschadigingen van de laklaag veroorzaakt door steenslag, schade door parkeerfouten, enz., door gebruik te maken van Mazda bijwerklak, na eerst alle vuil en vet met een schone zachte doek te hebben verwijderd. Repareer deze beschadigingen onmiddellijk, alvorens deze door roest aangetast worden.
- Indien er zich reeds roest gevormd heeft:
(1) Verwijder alle roest met behulp van schuurpapier, enz.
(2) Veeg de plekken af met een schone, zachte doek.
(3) Breng een roestafwerende grondlaag op de plekken aan.
Nadat de plekken volledig gedroogd zijn:
(4) Breng een geschikte deklak op de plekken aan. - Het is natuurlijk ook mogelijk, dat u dergelijke werkzaamheden aan een officiële Mazda dealer overlaat.
893ET1800AD
Bescherming van holle ruimten
De holle ruimten in de carrosserie zijn in de fabriek met een beschermingsmiddei behandel. Niettemin kan de levensduur van de carrosserie nog verder worden verlengd door na in gebruikname van de auto een aanvullende behandeling toe te passen. Raadpleeg uw officiële Mazda dealer voor deze aanvullende behandeling.
BSET:300AD
Onderhoud van verchroomde en aluminium onderdelen
- Gebruik een teerreinigingsmiddel en geen messen of andere scherpe voorwerpen om teer en insecten, enz., te verwijderen.
- Breng ter bescherming van de oppervlakken van de verchroomde of aluminium onderdelen een laagje was of chroomconserveringsmiddel aan en wrijf de oppervlakken er mee in toldat er een hoge glans verkregen wordt.
- Breng voor gebruik van het voertuig in de winter of in kustgebieden een dikkere laag was of chroomconserveringsmiddel op de verchroomde of aluminium onderdelen aan. Breng indien nodig een laag roestwerende paraffine of een ander beschermend middel op deze onderdelen aan.
OPGELET
Gebruik geen staalwol, schuurmiddelen of sterke reinigingsmiddelen welke in hoge mate alkali of bijtende bestanddelen bevatten op onderdelen van chroom of geanodiseerd aluminium. Dit kan beschadiging van de beschemlaag tot gevolg hebben alsmede verkleuring of aantasting van de laklaag.
VERZORGING VAN DE CARROSSERIE
823ET1900AD
Chassiscoating
W5UT1506A5
Onderhoud van aluminium velgen
Deze speciale chassiscoating is aangebracht op de meest kritieke onderdelen van het chassis om het voertuig te beschermen tegen beschadiging door chemicaliën of steenslag.
Deze coating wordt echter bij gebruik van het voertuig na verloop van tijd aangetast. Controleer de coating dus op gezette tijden en laat deze repareren, indien er blijk is van beschadiging.
De officiële Mazda dealers zijn goed geïn- formeerd over de uitvoer van dergelijke re- paraties. Het wordt daarom aanbevolen een officiële Mazda dealer te raadplegen.
WAARSCHUWING!
Test na het wassen van het voertuig bij lage snelheid de remmen om te zien of het remvermogen door binnengedrongen water verminderd is.
De aluminium velgen zijn voorzien van een doorzichtige beschermende laag.
OPMERKING
- Gebruik voor het reinigen van aluminium velgen nooit schuur- of polijstmiddelen, chemische oplosmiddelen of staalborstels. De beschermlaag kan daardoor bekrast of beschadigd worden.
- Gebruik uitsluitend een zachte zeepoplossing of een neutraal reinigingsmiddel en spoel dit grondig met water af. Ook dienen de velgen na het rijden over met zout bestrooide wegen steeds gereinigd te worden. Dit helpt om corrosie te voorkomen.
- Vermijd het wassen van de velgen met de op hoge snelheid draaiende borstels van de auto-wasserette.
VERZORGING VAN HET INTERIEUR
B95UT2000A0
Algemene voorzorgsmaatregelen betreffende het interieur
Voorkom dat bijtende vloeistoffen, zoals parfums en cosmetica olie in aanraking komen met het dashboard, aangezien dit beschadiging of verkleuring kan veroorzaken. Indien deze stoffen met het dashboard in aanraking komen, deze onmiddelijk afvegen.
083ET2400A0
Reinigen van het interieur en de bodem
Roest begint zich niet alleen te vormen vanaf de buitenzijde, echter ook vanaf de binnenzijde.
Water, vocht, zout, modder, enz., verzamelen zich onder de mat in de kofferruimte, hetgeen het begin van roestvorming kan zijn. Laat de bodem regelmatig drogen, na eerst de zich daarop verzamelde resten modder en zout verwijderd te hebben. Deze tasten metaal het snelste aan.
Indien u strooizout, kunstmest, chemicaliën, enz., in de kofferruimte of op andere plaatsen vervoert, dient u alle mogelijke voorzorgsmaatregelen te treffen dat deze stoffen niet op de bodem terechtkomen en daarop achterblijven.
895UT2100AD
Reinigen van de zittingen en de interieurbekleding
KUNSTSTOF
Gebruik een handveger of een stofzuiger voor het verwijderen van stof en losse vuildeeltjes van kunststof bekleding. Reinig de buitenzijde van kunststof bekleding met een leer- en kunststofreinigingsmiddel.
LEER
Echt leer is niet gelijkmatig en kan schrammen, krassen en plooien bevatten. Reinig het oppervlak met een leer- en kunststofreinigingsmiddel of met een zachte zeepoplossing. Veeg het schoon met een vochtige, zachte doek en wrijf het oppervlak droog met een droge, zachte doek.
STOFFEN BEKLEDING
Gebruik een handveger of stofzuiger voor het verwijderen van stof of vuildeeltjes van stoffen bekieding. Reinig met een zachte zeepoplossing, zoals aanbevolen wordt voor het reinigen van bekledingen of tapijten. Verwijder vlekken onmiddellijk met een vlekken-pasta voor bekiedingen.
Deze stoffen bekleding is niet vlekvrij en de kleur er van kan aangetast worden. Ook kun-
VERZORGING VAN HET INTERIEUR
nen de brandwerende eigenschappen er van verminderen, indien het materiaal niet op de juiste wijze wordt onderhouden.
OPGELET
Het gebruik van enige andere dan de aanbevolen reinigingsmiddelen kan het uiterlijk van de stoffen bekleding en de brandwerende eigenschappen daarvan aantasten.
B5UT2206AC
Reinigen van de stof van de heup/schoudergordels
Gebruik voor het reinigen van het weefsel van de gordels een zacht schoonmaakmiddel, zoals aanbevolen wordt voor het reinigen van bekledingen of tapijten; volg de bij het betreffende schoonmaakmiddel geleverde gebruiksaanwijzing op. De gordels nooit bleken of verven, aangezien ze daardoor verzwakt worden.
B25UT2300AC
Reinigen van de binnenzijde van de ruiten
Indien de binnenzijden van de ruiten (behalve de achterruit van het vouwdak) van het voertuig nevelig worden (dit wil zeggen, bedekt met een olieachtig, vettig of wasachtig laagje), dienen deze gereinigd te worden met behulp van een giasreiniger. Volg de gebruiksaanwijzing op de verpakking van het reinigingsmiddei.
VERZORGING VAN HET VOUWDAK
TASUT3000AC
Verzorging en onderhoud van het vouwdak
Speciaal materiaal van hoge kwaliteit is gebruikt voor het vouwdak; een onjuiste of ontoereikende verzorging van de kap kan echter tot verharding, vlekvorming of verlies aan gians leiden. De kap moet verzorgd worden in overeenstemming met de voorschriften voor onderhoud van het voertuig.
695L/T3010A2
WASSEN VAN HET VOUWDAK
Wacht niet met wassen tot de kap erg vuil is. Vuil dat te lang op de kap achterblijft, kan de kwaliteit van de kap aantasten.
- Was de kap voorzichtig met een neutraal synthetisch wasmidde! en een ruime hoeveelheid water, en een zachte borstel.
- Spoei de kap met schoon water om de zeep te verwijderen.
- Veeg de kap droog voordat het water kans heeft op te drogen.
- Zorg dat de kap volledig droog is, alvo- rens hem terug te vouwen.
OPGELET
- Wasstraten en hogedrukwasapparaten kunnen het vouwdak beschadigen. Wassen van het voertuig met dit soort apparaten dient vermeden te worden.
- Richt de waterstraal niet rechtstreeks op het gedeelte waar de portierruit en het vouwdak samenkomen. De kans bestaat dat water het interieur binnendringt.
885UTD02040
VERZORGING VAN HET UITERLIJK Het vouwdak mag na het wassen en zorgvuldig drogen ongeveer eens per maand behandeld worden. Voor de beste resultaten moet een op water gebaseerd leer- of kunststofbehandelingsmiddel gebruikt worden. Verschilende kunststofbehandelingsmiddelen in spuitbus zijn in de handel verkrijgbaar.
OPGELET
- Bepaalde leerbehandelingsmiddelen verkrijgbaar in de handel kunnen de glans van de kap aantasten. Kies het te gebruiken behandelingsmiddel derhalve met zorg.
- Voorkom dat gewone autowas op het vouwdak terechtkomt. Verwijder op de kap terechtgekomen autowas met een leerreinigingsmiddel.
- Te vaak behandelen van het vouwdak kan even veel schade veroorzaken als te weinig. Volg de richtlijnen bij het behandelingsmiddel op, maar zeker niet vaker dan aangegeven.
- Het vouwdak mag niet meteen na het behandelen teruggevouwen worden. Laat het middel eerst volledig drogen.
VERZORGING VAN HET VOUWDAK, VERZORGING VAN DE AFNEEMBARE KAP*

BOSU TICUMO
REINIGEN VAN DE ACHTERRUIT
De achterruit is vervaardigd uit doorzichtige polyvinylchloride. De ruit moet met zorg behandeld worden om krassen te voorkomen. Verwijder stof en los vuil met stromend water.
OPGELET
- Wrijf het ruitoppervlak niet schoon met een borstel of doek.
- Spuit geen grote hoeveelheden water op de zijkanten van de ruit (A in de afbeelding).
- Was het voertuig niet in een wasstraat.
805AT400080
Verzorging en onderhoud van de afneembare kap
305L74010A0
WASSEN
Was de kap met een zachte doek of spons om beschadiging van de afwerking te voorkomen.
Insecten, teer, boomhars, uitwerpselen van vogels, industriële neerslag en gelijksoortige substanties kunnen de afwerking van de afneembare kap aantasten, als ze niet onmiddellijk verwijderd worden. Zelfs wassen met water kan soms niet voldoende zijn om dergelijke substanties afdoende te verwijderen. Een zachte autozeep, geschikt voor het wassen van de lak, mag eventueel gebruikt worden.
OPGELET
- Was het voertuig niet in een wasstraat.
- Vermijd het gebruik van krachtige wasmiddelen, chemische reinigingsmiddelen of heet water; nooit wassen in direkt zonlicht of als de afneembare kap warm is.
Spoel de afneembare kap na het wassen met zeep zorgvuldig met lauw of koud water af. Laat de zeep niet op het kapoppervlak opdrogen.
8954102080
IN DE WAS ZETTEN
(Behalve zwarte kap)
Zet de kap in de was als geen druppelvor- ming van het water meer waargenomen wordt.
De afneembare kap dient te worden gewassen en gedroogd, alvorens deze in de was te zetten.
OPMERKING
Verwijderen van clie, teer en andere vreemde bestanddelen met een vlekkenreinigingsmiddel, verwijdert meestat tevens de was van de lak. De betreffende oppervlakken dienen altijd opnieuw in de was gezet te worden, zelfs als de rest van het voertuig niet in de was gezet wordt.
OPGELET
- Het verwijderen van stof of vuil op de afneembare kap met een droge doek kan krassen op de laklaag veroorzaken.
- Gebruik geen was met schuurmiddel. Dit soort was kan de beschermende laag wegnemen en verkleuring of aantasting van de lak veroorzaken.
* Bepaalde modelen
VERZORGING VAN DE AFNEEMBARE KAP*
(Zwarte kap)
OPGELET
Gebruik geen was. Deze kan zich vastzetten in de coating en daardoor onverwijderbaar worden.
MEMO
7
Onderhoud
ONDERHOUDSWERKZAAMHEDEN 7-2
MOTORRUIMTE 7-8
MOTOROLIE EN OLIEFILTER 7-9
MOTORKOELSYSTEEM 7-11
REMMEN 7-14
KOPPELING 7-16
STUURBEKRACHTIGING 7-17
Onderhoudswerkzaamheden
Wanneer u dit instruktieboekje gebruikt als richtlijn bij onderhoud of inspectie van uw voertuig, dient u bijzonder voorzichtig te werk te gaan om persoonlijk letsel of beschadiging van het voertuig te voorkomen.
Indien u niet zeker bent van de handelwijze betreffende onderhoud of inspectie van uw voertuig, is het ten zeerste aan te raden de werkzaamheden door een betrouwbaar en deskundig garagebedrijf te laten uitvoeren, bij voorkeur een officiële Mazda dealer.
Een officiële Mazda dealer heeft in de fabriek getrainde technici in dienst en heeft de beschikking over originele Mazda onderdelen en kan daardoor het juiste onderhoud aan uw voertuig uitvoeren. Raadpleeg een officiële Mazda dealer voor deskundig advies en voor service van hoge kwaliteit.
Niet doelmatig, onvoldoende of gebrekkig onderhoud kan problemen bij het gebruik van uw voertuig veroorzaken, welke tenslotte kunnen leiden tot beschadiging van het voertuig, een ongeval of persoonlijk letsel.
REQUIDAD
Verantwoordelijkheid van de eigenaar
Het laten uitvoeren van onderhoudsbeurten en de registratie daarvan behoren tot de verantwoordelijkheid van de eigenaar.
In verband met aanspraken op garantie dient u namelijk over bewijzen te beschikken dat de voorgeschreven onderhoudsbeurten overeenkomstig de onderhoudstabel op de volgende pagina uitgevoerd zijn.
Bij uw Mazda voertuig wordt uitvoerige informatie geleverd omtrent de garantievoorwaarden.
Indien er tijdens de duur van de garantie aanspraken gemaakt worden ten aanzien van defekten, valien deze aanspraken buiten de garantebepalingen, indien de defekten veroorzaakt blijken te zijn door onvoldoende onderhoud en niet het gevoig zijn van materiaaldefekten of fabricagefouten. Het wordt dan ook aanbevolen dergelijke onderhoudswerkzaamheden door een officiële Mazda dealer te laten uitvoeren en daarbij uitsluitend onginele Mazda onderdelen te gebruiken.
906EU12009D
Periodieke onderhoudsbeurten
OPMERKING
Na 80.000 km of 48 maanden dient u de aangegeven periodieke onderhoudsbeurten op gezette tijden te blijven uitvoeren.
Uitlaatgasreiniging en daarmee verband houdende systemen:
Het ontstekingssysteem en het brandstoisysteem zijn van vilaal belang voor het op de juiste wijze funktioneren van de uitlaatgasreiniging en de daarmee verband houdende systemen, alsmede voor een efficiënte werking van de motor.
Het wordt ten zeerste aanbevolen alle met deze systemen verband houdende onderhoudswerkzaamheden door een officiële Mazda dealer te laten uitvoeren.
I: Inspecteren en indien nodig corrigeren, reinigen of vernieuwen A: Atstellen R: Vernieuwen of verwisselen T: Natrekken
| ONDERHOUDSPUNT\ONDERHOUDSFREKWENTIE | Aantal maanden of kilometers, wat zich het eerst voordoet | |||||||||
| Maanden*1 | 12 | 24 | 36 | 48 | ||||||
| km × 1000 | 1,0 | 10 | 20 | 30 | 40 | 50 | 60 | 70 | 80 | |
| Bouten en moeren van iniaal- en uitlaatspruitstuk | T. | T | T | |||||||
| Aandrijfriemen*2 | A | A | A | A | A | |||||
| Distributieriem van motor*3 | Elke 100.000 km vernieuwen | |||||||||
| Motorolie*4 | R | R | R | R | R | R | R | R | R | |
| Oliefilter*4 | R | R | R | R | R | R | R | R | ||
| Koelsysteem (inclusief afstelling van het koeivloeistofniveau) | I | I | i | I | ||||||
| Motorkoelvloeistof | Elke 2 jaar vernieuwen | |||||||||
| Stationair toerental | A | A | A | A | ||||||
| Luchtfilterelement*5 | R | R | ||||||||
| Brandstofffilter | R | R | ||||||||
| Brandstoffleidingen en slangen | I | I | ||||||||
| Basisonstekingstijdstip | I | I | ||||||||
*1: Belangrijke onderhoudsbeurt bij 12 maanden/20.000 km
Smering welke uitsluitend gebaseerd is op een afstand van 10.000 km en niet op tijd
*2: Aandrijfriem van dynamo en waterpomp en aandrijfriem van stuurbekrachtiging en airconditioning afstellen, indien voorzien.
*3: Vernieuwing van de distributieriem is noodzakelijk bij elke 100.000 km. Het niet vernieuwen van de distributieriem kan beschadiging van de motor tot gevolg hebben.
*4: Indien het voertuig onder de volgende omstandigheden gebruikt wordt, is het aan te bevelen de motorolie vaker te verversen en het oliefilter vaker te vernieuwen dan bij de normale voorgeschreven intervallen.
a) Gebruik in bijzonder stoffige gebieden.
b) Wanneer men de motor vaak langdurig stationair laat draaien of veelvuidig met lage snelheden rijdt.
c) Bij het rijden gedurende lange perioden bij lage buitentemperaturen of het regelmatig rijden van korte afstanden.
*5: Vaker inspecteren en indien nodig vaker dan bij de normaal aanbevolen intervallen vernieuwen, indien het voertuig gebruikt wordt in gebieden met veel stof of zand.
I: Inspecteren an indien nodig corrigeren, reinigen of vernieuwen
A: Afstellen R: Vernieuwen of verwisselen
| ONDERHOUDSPUNT\ONDERHOUDSFREKWENTIE | Aantal maanden of kilometers, wat zich het eerst voordoet | |||||||||
| Maanden-1 | 12 | 24 | 36 | 48 | ||||||
| km × 1000 | 1,0 | 10 | 20 | 30 | 40 | 50 | 60 | 70 | 80 | |
| Bougies | A | A | A | A | ||||||
| Gasklepsensor | A | A | A | A | ||||||
| Dampafzuigsysteem | I | I | I | I | ||||||
| Gasklepedemper | A | A | A | A | ||||||
| Gehele elektrische installatie* | I | I | I | I | I | I | I | I | ||
| Richten van de koplampen | A | A | A | A | ||||||
| Koppelingspedaal | I | I | I | I | I | I | I | I | ||
| Koppelingsvloeistof | I | I | I | I | I | I | I | I | ||
| Remleidingen, remslangen en aansluitingen | I | I | I | I | ||||||
| Rempedaal | I | I | I | I | I | I | I | I | ||
| Remvloeistof* | I | I | I | R | I | I | I | R | ||
| Handrem | A | A | A | A | ||||||
| Rembekrachtiger en slangen | I | I | I | I | ||||||
| Schijfremmen | I | I | I | I | ||||||
*1: Belangrijke onderhoudsbeurt bij 12 maanden/20.000 km
Smering welke uitsluitend gebaseerd is op een afstand van 10.000 km en niet op tijd
6. Dit omvat een volledige controle van alle funkties van de elektrische installatie, zoals alle lampen, ruitesproelers (inclusief de toestand van de wisserbladen), elektrische uitbediening, claxon, enz...
*7: Etke 2 jaar vernieuwen
De remvloeistof dient elk jaar vernieuwd te worden bij het langdurig rijden met hoge snetheden, bij het rijden in de bergen of indien de remmen veelvuldig gebruikt worden of wanneer het voertuig in een buitengewoon vochtig klimaat gebruikt wordt.
I: Inspecteren en indien nodig corrigeren, reinigen of vernieuwen A: Afstelien T: Natrekken R: Vernieuwen of verwisselen
| ONDERHOUDSFREKWENTIE ONDERHOUDSPUNT | Aantal maanden of kilometers, wat zich het eerst voordoet | |||||||||
| Maanden*1 | 12 | 24 | 36 | 48 | ||||||
| km × 1000 | 1,0 | 10 | 20 | 30 | 40 | 50 | 60 | 70 | 80 | |
| Stuurbekrachtigingsvioeistof (indien voorzien) | I | I | I | I | I | I | I | I | ||
| Stuurbekrachtigingssysteem en slangen | I | I | I | I | ||||||
| Stuurinrichting en voorwielophanging | I | I | I | I | ||||||
| Handgeschakelde versnellingsbakolie | A | R | ||||||||
| Achterasolie | A | R | ||||||||
| Kogelgewrichten van achterwielophanging | I | I | ||||||||
| Wiellagervet (indien van toepassing) | A | |||||||||
| Bouten en moeren op chassis en carrosserie | T | T | T | T | T | |||||
| Toestand carrosserie (op roest, corrosie en perforatie) | Elk jaar inspecteren | |||||||||
| Hitteschilden van uitleatsysteem | I | I | ||||||||
| Banden (inclusief reservewiel, met afstelling van de bandenspanning) | I | I | I | I | ||||||
| Scharnieren en sloten | A | A | A | A | ||||||
| Onderzijde van het voertuig | I | I | I | I | ||||||
| Veiligheidsgordeis | I | I | I | I | ||||||
| Proefrit | I | I | I | I | ||||||
*1: Belangrijke onderhoudsbeurt bij 12 maanden/20.000 km Smering welke uitsluitend gebaseerd is op een afstand van 10.000 km en niet op tijd
ONDERHOUDSWERKZAAMHEDEN
895E1500A0
Routine-onderhoud
Het wordt ten zeerste aangeraden de volgende punten dagelijks en/of wekelijks te controleren.
• Motoroliepeil (pag. 7-9)
• Koelvloeistofniveau (pag. 7-12)
• Niveau van remvloeistof (pag. 7-14)
- Niveau van koppelingsvloeistof (pag. 7-16)
- Niveau van ruitesproeiervloeistof (pag. 7-19)
• Bandenspanning (pag. 7-28)
00SEU400AD
Voorzorgsmaatregeien betreffende zelf uit te voeren onderhoudswerkzaamheden
Ga bij het zelf uitvoeren van inspecties of onderhoudswerkzaamheden aan uw voertuig steeds bijzonder voorzichtig te werk om persoonlijk letsel of beschadiging van het voertuig te voorkomen.
Hier volgen enkele algemene voorzorgsmaatregelen welke u bij het uitvoeren van enigerlei onderhoud aan uw voertuig nauwkeurig in acht dient te nemen.
- Geen werkzaamheden uitvoeren aan een warme motor. Zet de motor altijd stop en laat deze eerst afkoeien.
- Indien u aan een draaiende motor moet werken, zorg er dan voor dat er geen kle- dingstukken, ook geen stropdassen of zakdoeken, in de draaiende onderdelen verstrikt kunnen raken. Horioges, armbanden, ringen, halskettingen en dergelijke voorwerpen steeds afdoen. Houd handen, haar en gereedschap buiten het bereik van de draaiende ventilatoren en aandrijtriemen.
- Kruip nooit onder een voertuig dat op de krik staat. Gebruik veiligheidssteunen, indien het nodig is onder het voertuig te
werken.
- Houd brandende sigaretten, open vuur en vonken uit de buurt van de accu en de brandstof en de daarmee verband houdende onderdelen.
- Nooit de accu of enige andere elektronische onderdelen welke transistors bevatten aansluiten of losmaken terwijl de contactschakelaar in de stand ON(II) staat.
- Besteed bij het aansluiten van de accukabels speciale aandacht aan de polariteit er van. Sluit nooit een positieve kabel op een negatieve aansluiting aan of een negatieve kabel op een positieve aansluiting.
- Denk er aan dat de accu, de ontstekings-kabels en de bedrading van het voertuig onder hoogspanning staan. Let er op geen kortsluitingen te veroorzaken.
- Indien u controles uitvoert bij draaiende motor in een afgesloten ruimte, zoals een garage, zorg er dan voor dat er voldoende ventilatie is.
U dient er van bewust te zijn dat verkeerd of onvolledig onderhoud tot problemen kan leiden ten aanzien van het juist funktioneren van het voertuig. In dit hoofdstuk worden enkel voor die onderhoudspunten instructies aangegeven, welke relatief gemakkelijk door de eigenaar zelf uit te voeren zijn.
Het uitvoeren van doe-het-zelf onderhoud tijdens de garantieperiode, kan eventuele aanspraak op de garantie ongeidig maken. Lees de bijgeleverde Mazda-garantiebepalingen voor nadere bijzonderheden en raadgevingen. Indien u niet zeker bent van een bepaalde handelwijze ten aanzien van onderhoud, dient u dit door een officiële Mazda dealer te laten uitvoeren.
WAARSCHUWING!
- Het motorkapslot mag niet ontgrendeld worden alvorens het contact uitgeschakeld, de 1ste (eerste) versnelling ingeschakeld en de handrem volledig aangetrokken is.
- Indien het noodzakelijk is controles onder de motorkap uit te voeren terwijl de motor draait, dient
u de versnellingshendel in NEU-TRAAL te zetten en de handrem volledig aan te trekken.
Indien deze voorzorgsmaatregelen niet in acht worden genomen, bestaat de kans dat het voertuig plotseling in beweging komt.
- Om de kans op letsel te vermijden, dient u altijd de contactschakelaar uit te schakelen en de contactsleutel te verwijderen, alvorens onder de motorkap te gaan werken, tenzij de betreffende uit te voeren handeling anders vereist. Indien het bij het werken onder de motorkap vereist is dat de motor draait, zorg er dan voor dat er geen kiedingstukken, zoals stropdassen of zakdoeken, in de buurt van de motor of de koelventilator komen. Deze kunnen namelijk in de draaiende onderdelen verstrikt raken. Horloges, armbanden en ringen dienen met het oog op de veiligheid steeds verwijderd te worden.
MOTORRUIMTE
90517J2000AD
Overzicht van de motorruimte

BRSUL3000AN
Controle van het motoroliepeil

- Controleer of het voertuig op een vlakke ondergrond staat.
- Laat de motor warmdraaien totdat deze de normale bedrijfstemperatuur bereikt heeft.
- Zet de motor stop en wacht 5 minuten om de olie naar het carter te laten terugvloeien.
- Trek de peilstok naar buiten, veeg deze schoon en steek deze weer voliedig in.

- Trek de peilstok weer naar buiten en controleer het oliepeil. Het peil is correct, indien dit zich tussen F en L bevindt.
Indien het peil zich in de nabijheid van of op het L streepje bevindt, voldoende olie bijvullen om het peil op F te brengen.
Nooit teveel olie bijvullen.
OPMERKING
De afstand tussen L en F op de peilstok komt overeen met 0,8 liter.
085U310000
Motorolie verversen en oliefilter vernieuwen
Ververs de motorolie en vernieuw het oliefilter overeenkomstig de tabel voor periodiek onderhoud op de pagina 7-3.
WAARSCHUWING!
Veelvuldig contact met GEBRUIKTE motorolie heeft bij experimenten met laboratoriummuizen het veroorzaken van huidkanker aangetoond. Bescherm uw huid door deze met water en zeep te wassen. Houd alle motorolie buiten het bereik van kinderen.

- Laat de motor enkele minuten warmdraaien en zet de motor vervolgens stop. Verwijder de olievuldop.
- Laat de olie na het verwijderen van de olievuldop en de aftapplug in een geschikte vergaarbak afvloeien. Zowel de olie als de motor zijn warm. Let er op uzelf niet te branden.

- Verwijder het motroliefilter met behulp van een oliefiltersleutel.
- Gebruik een schone doek om het montageoppervlak van het oliefilter op de motor te reinigen.
- Breng een kleine hoeveeiheid motorolie aan op de rubber afdichtring van het nieuwe oliefilter.
- Monteer het oliefilter en draai dit vast. (Raadpleeg de aanhaalkoppels op het waarschuwingslabel van het oliefilter.)
- Draai de aftapplug weer stevig op vast, nadat de olie volledig afgetapt is.
- Voorzie de motor van nieuwe olie en vul bij tot aan het F merkteken op de peilstok.
Nooit teveel olie bijvullen.
- Breng de olievuldop stevig op zijn plaats aan.
- Start de motor en controleer het gedeelte rond de aldichtring van het oliefilter op iekkages.
- Zet de motor stop en wacht 5 minuten om de olie naar het carter te laten terugvloeien.
Controleer het oliepeil en vul indien nodig bij tot aan het F merkteken.
Oliecapaciteit: 3,6 liter
OPMERKING
Gebruik uitsluitend de voorgeschreven motorolie (zie de tabel op pag. 7-38).
OPGELET
- Volg deze instructies nauwkeurig op. Een verkeerde montage van het oliefilter kan olielekkage en beschadiging van de motor tot gevolg hebben.
- Alhoewel oliefilters vanaf de buitenzijde gezien hetzelfde lijken, kunnen ze voor wat betreft de interne con-
MISUJ4008D Motorkoelsysteem
structie aanzienlijk van elkaar verschillen. Deze filters zijn niet onderling uitwisselbaar.
Ter voorkoming van mogelijke motor- schade, dient men voor het betreif- fende model uitsluitend gebruik te maken van het voorgeschreven filter.

Het koelsysteem is er een van het hogedruk-type met reservoir en is in de fabriek gevuld met een anti-vries koelvloeistof voor alle seizoenen.
Controleer de anti-vries bescherming tenminste éénmaal per jaar—aan het begin van het winterseizoen—en alvorens naar koudere streken te reizen.
WAARSCHUWING!
- Probeer nooit de radiateurdop te verwijderen terwijl de motor draait. Dit kan beschadiging van het koelsysteem en de motor tot
gevolg hebben en door het ontsnappen van kokend hete koelvloeistof of stoom ernstig persoonlijk letsel veroorzaken.
Zet de motor stop en wacht totdat deze is afgekoeld. Wees ook dan nog extra voorzichtig bij het verwijderen van de radiateurdop. Wikkel er een dikke lap omheen en draai de dop langzaam naar links tot aan de eerste aanslag. Doe een stap terug, terwijl de druk uit het koelsysteem ontsnapt. Wanneer u er zeker van bent dat alle druk van het systeem weggenomen is, druk dan de dop in—gebruik hierbij nog steeds de lap—draai de dop en verwijder deze.
- Ook al draait de motor niet, mag u de radiateurdop niet verwijderen wanneer de motor nog warm is. Kokend hete koelvloeistof en stoom kan dan nog onder druk naar buiten spuiten; dit kan ernstig letsel veroorzaken.
MOTORKOELSYSTEEM
895UU4100AD
Controle van het koelvloeistofniveau

Controleer de toestand en aansluitingen van alle slangen van het koelsysteem en alle verwarmingsslangen. Vernieuw eventuele uitgezette of verouderde slangen.

De radiateur dient volledig met koelvloeistof gevuld te zijn en het koelvloeistofniveau dient zich tussen het F (vol) en L (laag) streepje op het expansietankje te bevinden wanneer de motor koud is.
Indien het niveau zich in de buurt van of bij L (laag) bevindt, dient u ter bescherming tegen bevriezing en corrosie voldoende van de voorgeschreven koelvloeistof bij te vullen en het niveau op F (vol) te brengen. Noot teveel bijvullen. Neem contact op met een officiële Mazda dealer voor een inspectie van het koelsysteem, indien regelmatig bijvullen nodig is.
525EU4200AD
Verversen van de koelvloeistof
Ververs de koeivloelstof overeenkomstig de tabel voor periodiek onderhoud op pagina 7-3.
OPGELET
- Gebruik uitsluitend zacht (gedemineraliseerd) water voor het koelvloeistofmengsel.
- Bepaalde onderdelen in uw motor zijn van aluminium. Deze dienen beschermd te worden tegen corrosie en bevriezing door een koelvloeistof op basis van ethyleenglycol.
GEBRUIK GEEN alcohol of methanol anti-vries en meng deze stoffen niet met de voorgeschreven koelvloeistof. - Om de uitwerking niet te verminderen, mag de koelvloeistof niet meer dan 60 procent antivriesmiddel bevatten.
Zie onderstaande tabel voor de mengverhouding.
| Beveliging | Mengverhouding (volume) | |
| Anti-vries oplossing | Water | |
| Boven -16°C | 35 | 65 |
| Boven -26°C | 45 | 55 |
| Boven -40°C | 55 | 45 |

WAARSCHUWING!
Om brandwonden te voorkomen, nooit de radiateurdop verwijderen of de aftapplug losdraaien wanneer de motor warm is.
- Draai de radiateurdop naar links en verwijder deze.
- Draai de aftapplug van de radiateur los en tap de koelvloeistof in een geschikte vergaarbak af.
-
Spoel het systeem door met stromend water, terwijl de aftapplug nog losge-draaid is.
-
Laat het systeem volledig leeglopen en draai de aftapplug weer vast. Vul het systeem met de nodige hoeveelheid koelvloeistof op ethyleenglycol basis en met water, zodat de vereiste bescherming tegen bevriezing en corrosie verkregen wordt.
Vul in een buitengewoon koud klimaat het systeem met de nodige hoeveelheid koelvloeistof op ethyleenglycol basis, overeenkomstig de instrukties van de fabrikant van de koelvloeistof. - Laat de motor stationair draaien bij verwijderde radiateurdop. Vul indien nodig langzaam extra koelvloeistof bij.
- Wacht vervolgens tot de motor de normale bedrijfstemperatuur bereikt. Druk het gaspedaal twee of drie maal in; vul vervolgens indien nodig extra koelvloeistof bij.
- Breng de radiateurdop aan. Inspecteer alle aansluitingen op iekkage en controleer nogmaals het niveau van de koelvioestof in het reservoir.
Let er op uzelf niet te branden.
REMMEN
BASE US000AD
Controle van het niveau van de remvloeistof

Controieer regelmatig het vloeistofniveau in het reservoir; dit dient zich te bevinden tussen de MAX en MIN streepjes op het reservoir.
Reinig alvorens vloeistof bij te vullen eerst grondig het gedeelte rond de reservoirdop, om verontreiniging van de remvloeistof te voorkomen.
Vul vloeistof bij tot aan het MAX niveau, indien het niveau te laag is. Het niveau gaat naargelang het aantal gereden kilometers toeneemt geleidelijk omlaag. Laat het remsysteem controleren door een officiële Mazda dealer, indien het vloeistofniveau buitengewoon laag is.

OPGELET
- Gebruik uitsluitend de voorgeschreven remvioeistof. (Zie de tabel op pag. 7-38.)
- Geen verschillende vloeistoftypen met elkaar vermengen.
- Laat het voertuig door een officiële Mazda dealer controleren, indien het remsysteem regelmatig van vloeistof voorzien moet worden.
ISSUAT00AO
Controle van het rempedaal

CHUUS110AC
CONTROLE VAN DE VRIJE SPELING VAN HET REMPEDAAL
Zet de motor stop en druk het rempedaal herhaalde malen in om het vacuum in de rembekrachtiger te onllasten. Druk het rempedaal langzaam met de hand in en meet de afstand waarover het pedaal ingedrukt kan worden, totdat er een lichte weerstand ondervonden wordt. Laat de remmen afstellen door een officiële Mazda dealer, indien de vrije speling meer of minder is dan de voorgeschreven afstand.
Vrije speling rempedaal: 4—7mm

BOSILUS 2014 CONTROLE VAN DE SPELING TUSSEN REMPEDAAL EN BODEMPLAAT
Start de motor en controleer of het rempedaal soepel werkt en of het pedaal de juiste speling ten opzichte van de bodemplaat heeft wanneer het volledig ingedrukt wordt (met een kracht van ongeveer 60 kg). De speling wordt gemeten vanaf het midden van de bovenzijde van het rempedaalrubber tot aan de bodemplaat (zonder vloerbedekking).
Laat de remmen afstellen door een officiële Mazda dealer, indien de speling minder bedraagt dan ongeveer 95mm.
Speling tussen rempedaal en bodemplaat: Min. ongeveer 95mm
695015200AC
Controle van de handrem

Controleer de slag van de handrem door het tellen van het aantal klikken dat u hoort, wanneer u de handremhendel vanuit de ontspannen positie volledig aantrekt. Controleer ook of het voertuig op een tamelijk steile helling bij aangetrokken handrem volledig stil blijft staan. Laat de handrem afstellen door een officiële Mazda dealer, indien het aantal klikken meer of minder is dan het voorgeschreven aantal.
Slag: 5—7 klikken bij een kracht van 10 kg
REMMEN, KOPPELING
295UJ5300A0
Controle van de rembekrachtiging
Controleer de rembekrachtiging op correcte werking.
- Trap het rempedaal enkele malen in en houd het vervolgens ingetrapt. Start de motor. Het pedaal dient dan een klein stukje naar beneden te gaan.
- Trap het rempedaal in, zet de motor stop en houd het pedaal gedurende ongeveer 30 seconden ingetrapt. Het pedaal mag dan niet omhoog en niet omlaag bewegen.
- Start de motor opnieuw, laat deze gedurende ongeveer een minuut draaien en zet de motor stop. Trap vervolgens het rempedaal enkele maien met kracht in. De pedaalslag dient telkens wanneer het pedaal ingetrapt wordt geleidelijk aan korter te worden.
Laat het remsysteem controleren door een officiële Mazda dealer, indien de remmen niet juist funktioneren.
BRSU8000BC
Controle van het niveau van de koppelingsvloeistof

Controleer regelmatig het vloeistofniveau in het reservoir; dit dient zich te bevinden tussen de MAX en MIN streepjes op het reservoir.
Reinig alvorens vloeistof bij te vullen eerst grondig het gedeelte rond de reservoirdop, om verontreiniging van de vloeistof te voorkomen.
Vul vloeistof bij, indien het niveau te laag is.

OPGELET
- Gebruik uitsluitend de voorgeschreven koppelingsvloeistof. (Zie de tabel op pag. 7-38.)
- Geen verschillende vloeistoftypen met elkaar vermengen.
- Laat het voertuig door een officiële Mazda dealer controleren, indien het koppelingssysteem regelmatig van vloeistof voorzien moet worden.
Controle van het vloeistofniveau van de stuurbekrachtiging

- Parkeer het voertuig op een vlakke ondergrond en trek de handrem stevig aan.
- Zet de motor af en laat hem voldoende afkoeien.
- Draai de vuldop naar links om hem te verwijderen.
- Veeg de vuldop/peilstok schoon en breng hem in de motor aan.
- Verwijder de vuldop nogmaais en controleer het vloeistofpeil.
- Het pell moet zich tussen H en L bevin- den. Vul indien nodig vloeistof bij. Nooit teveel vloeistof bijvullen.

Laat het voertuig door een officiële Mazda dealer controleren, indien het stuurbekrachtigingssysteem regelmatig van vloeistof voorzien moet worden.
OPGELET
Om beschadiging van de pomp van de stuurbekrachtiging te voorkomen, mag men bij een laag niveau van de stuurbekrachtigingsvloeistof niet gedurende langere perioden met het voertuig blijven doorrijden.
OPMERKING
Gebruik uitsluitend de voorgeschreven stuurbekrachtigingsvloeistof. (Zie de tabel op pag. 7-38.)
HANDGESCHAKELDE VERSNELLINGSBAK, SMEERMIDDELEN EN VLOEISTOFFEN
BPSU80000
Verversen van de olie van de handgeschakelde versnellingsbak

- Verwijder de aftapplug en controleplug.
- Maak de aftapplug schoon.
- Monteer en haal de aftapplug aan, nadat de olie volledig afgetapt is.
- Vul versnelingsbakolie bij tot het peil de onderrand van het gat van de controleplug bereikt.
- Monteer en haal de controleplug aan.
Ververs de versnellingsbakolie in overeenstemming met de tabel voor periodiek onderhoud op pagina 7-5.
OPMERKING
Gebruik uitsluitend de voorgeschreven handgeschakelde versnellingsbakolie. (Zie de tabel op pag. 7-38.)
695UV1300AD
Verversen van de achterasolie

- Plaats het voertuig op stevige bokken of een garagekrik.
- Verwijder de aftapplug en vulplug.
- Maak de aftapplug schoon.
- Monteer en haal de aftapplug aan, nadat de olie voliedig afgetapt is.
- Vul versnellingsbakolie bij tot het peil de onderrand van het gat van de vulplug bereikt.
- Monteer en haal de vulplug aan.
905UV12004C Controle van het ruitesproeiervloeistofniveau


Ververs de achterasolie in overeenstemming met de tabel voor periodiek onderhoud op pagina 7-5.
OPMERKING
Gebruik uitsluitend de voorgeschreven achterasolie. (Zie de tabel op pag. 7-38.)
Controleer het vloeistofniveau in het ruitesproeierreservoir en vul indien nodig vloeistof bij.
Indien er geen ruitesproeiervloeistof voorhanden is, kan er gewoon water worden gebruikt. Gebruik echter in een koud klimaat een sproeiervloeistofoplossing om bevriezing te voorkomen.
WAARSCHUWING!
Gebruik geen radiateurkoelvloeistof of anti-vries in het ruitesproeierreservoir. Radiateurkoelvloeistof kan het zicht ernstig belemmeren wanneer dit op de voorruit gesproeid
wordt en kan beschadiging van de laklaag en de carrosseriesierlijsten veroorzaken.
SMEERMIDDELEN EN VLOEISTOFFEN, LUCHTFILTER
905JV1A00A0
Smering van de carrosserie
BSSUV20005D
Luchtfilter
Alie bewegende punten van de carrosserie zoals de portieren, portierscharnieren, sloten e.d. moeten gesmeerd worden telkens wanneer de motorolie wordt ververst. Gebruik bij koud weer een niet-bevriezend smeermiddel op de sloten.
Bij het vrijzetten van de primaire vergrendeling van de motorkap er voor zorgen dat de secundaire vergrendeling de motorkap belet te openen.

VERNIEUWEN VAN HET ELEMENT
Er wordt gebruik gemaakt van een luchtfil- terelement van viscosepapier. Het dient, wanneer noodzakelijk, vernieuwd te worden en dient niet gereiniga en opnieuw gebruikt te worden.
- Verwijder de bevestigingsbouten van het luchtfilterdeksel.
- Veeg de binnenzijde van het luchtfilterhuis en het deksel schoon met een vochtige doek.
- Vervang het luchtfilterelement.
- Monteer in omgekeerde volgorde van de- monteren.
Vernieuw het element overeenkomstig de tabel voor periodiek onderhoud op pagina 7-3.
OPMERKING
Indien het voertuig gebruikt wordt in gebieden met veel zand of stof, dient het element vaker vernieuwd te worden dan bij de normaal aanbevolen intervallen.
OPGELET
Rijd niet met verwijderd luchtfilter: dit heeft buitengewone slijtage van de motor tot gevolg.
Het rijden zonder luchtfilter kan overslaan van de ontsteking veroorzaken, hetgeen brand in de motorruimte tot gevolg kan hebben.
B95JV3000BC
Ruitewisserbladen
MUSUOSI8AD
ONDERHOUD VAN DE RUITEWISSERBLADEN
OPGELET
Het is gebleken dat de in de handel gangbare "hot wax" behandeling, zoals gebruikt in automatische autowasserijen, het reinigen van de voorruit bemoeilijkt.
Verontreiniging van de voorruit of de ruitewisserbladen door bepaalde substanties kan het effectief funktioneren van de ruitewisserbladen verminderen. Bekende vormen van verontreiniging zijn insecten, boomhars en de "hot wax" behandeling welke door sommige auto-wasserijen gebruikt wordt. Indien de wisserbladen niet goed wissen, reinig dan zowel de voorruit als de wisserbladen met een goed schoonmaakmiddel of een zacht reinigingsmiddel en spoel ze grondig met schoon water af. Herhaal deze procedure, indien nodig.
OPGELET
Gebruik geen benzine, petroleum, terpentijn of andere chemische middelen
In de nabijheid van of op de ruitewisser- bladen om beschadiging er van te voorkomen.
BESLV302080
VERNIEUWEN VAN DE RUITEWISSERBLADEN VAN DE VOORRUIT
Wanneer de ruitewissers niet meer goed wissen, zijn de ruitewisserbladen waarschijnlijk versleten of ingescheurd, waardoor het noodzakelijk wordt deze te vernieuwen.
OPGELET
Probeer de ruitewissers niet met de hand te verplaatsen om beschadiging van de ruitewisserarmen of overige onderdelen te voorkomen.

- Zet de ruitewisserarm omhoog en draai het ruitewisserblad om de plastic vergrendelklem bereikbaar te maken. Druk de klem in en schuif het ruitewisserblad naar beneden; verwijder het ruitewisserblad vervoigens van de ruitewisserarm.
OPGELET
Laat de ruitewisserarm niet tegen de voorruit terugklappen.

- Houd het uiteinde van het wisserbladrubber stevig vast en trek het wisserbladrubber naar buiten, totdat de aanslagen uit de metalen steun los komen.

- Verwijder de metalen houders van het wisserbladrubber en bevestig deze aan een nieuw wisserbladrubber.

- Steek het nieuwe wisserbladrubber voorzichtig naar binnen en monteer het wisserblad in de omgekeerde volgorde van het verwijderen er van.
OPGELET De metalen houders niet bulgen.
MISEV4000AD
Accu
WAARSCHUWING!
- Houd brandende sigaretten en alle overige vuur of vonken uit de buurt van de accu. In de accucellen is er namelijk waterstof aanwezig, een zeer ontvlambaar gas.
- Houd accu's buiten het bereik van kinderen, aangezien accu's ZWAVELZUUR bevatten. Zorg er voor dat dit niet in aanraking komt met de huid, de ogen, kleding en de lak van het voertuig.
- Indien accu-elektroliet met uw ogen in aanraking komt, dient u uw ogen gedurende tenminste 15 minuten met schoon water uit te spoelen en onmiddellijk medische hulp in te roepen. Blijf, indien mogelijk, op weg naar de medische hulp de ogen met water bevochtigen, door middel van een spons of zakdoek.
- indien accu-elektroliet met uw huid in aanraking komt, het betreffende gedeelte van de huid grondig wassen. Indien u pijn voelt of een brandend gevoel ge-
waarwordt, dient u onmiddellijk medische hulp in te roepen.
- Draag steeds oogbescherming bij het opladen van een accu of bij het werken in de buurt er van. Zorg steeds voor voldoende ventilatie.
Bij het optillen van een accu met een behuizing van plastic, kan overmatige druk op de zijwanden van de accu het zuur door de ventlatiekapjes naar buiten doen spuiten, waardoor letsel veroorzaakt kan worden. Til de accu op met een accu-drager of door deze met uw handen diagonaal bij de hoeken vast te pakken.
- Probeer nooit de accu te laden wanneer de pool van de negatieve (—) kabel nog aangesloten is.

De accu is ondergebracht rechts in de kof- ferruimte.
Verwijder eerst de moeren en maak de drukknopen los om de accubedekking te verwijderen.
S3SLV40108D
ONDERHOUD
Voor het in optimale conditie houden van uw accu:
- Zorg er voor dat de accu steeds stevig gemonteerd is.
- Houd de bovenzijde van de accu schoon en droog.
- Houd de accupolen en de aansluitingen schoon en stevig bevestigd en voorzie de polen regelmatig van een laagje vaseline of accuvet.
- Eventueel gemorst elektrolyt onmiddellijk van de accu afspoelen met een oplossing van water en natriumbicarbonaat.
- Maak de accukabels los, indien u het voertuig voor een langere periode niet gaat gebruiken.
595JW403040
OPLADEN VAN DE ACCU
Uw voertuig is uitgerust met een onderhoudsvrije calciumaccu.
- Bij gebruik van een normale acculader (constante stroom of semi-constante spanning) wordt de accu gedurende 12 uur opgeladen met een elektrische stroom gelijk aan 1/10 van de accucapaciteit.
- Bij gebruik van een snellader zijn dezelf-de instrukties van toepassing als voor een normale accu. Lees de handleiding bij de acculader zorgvuldig door en voorkom dat de accu overladen wordt.
OPGELET
Neem bij het opladen van de accu de volgende voorzorgsmaatregelen in acht.
- De accu dient uit het voertuig verwijderd te worden en op een plaats met goede ventilatie gezet te worden.
- Zorg dat er geen open vuur, zoals brandende sigaretten, vonken of vlammen in de buurt van de accu komen.
- Maak de acculader in onderstaande volgorde los.
1) Schakel de hoofdschakelaar van de acculader uit.
2) Maak de negatieve klem los van de negatieve pool van de accu.
3) Maak de positieve klem los van de positieve pool van de accu.
OPMERKING
- Schakel alle accessoires uit en zet de motor stop, alvorens onderhoud aan de accu uit te voeren of deze op te laden.
- Indien de accu losgemaakt wordt, dient de negatieve (-) accukabel als eerste losgemaakt en als laatste aangesloten te worden.
925LV1045AD
VERVANGEN VAN DE ACCU
De in het voertuig aanwezige accu is niet in de handel verkrijgbaar. Om de accu in het voertuig te vervangen door een in de handel verkrijgbare accu, dienen tevens de onderdelen voor montage vervangen te worden. Deze onderdelen zijn verkrijgbaar bij een officiële Mazda dealer. Neem contact op met uw officiële Mazda dealer voor verdere informatie.
80.5EVS00GAC
Controle van de aandrijfriemspanningen
Oefen met uw duim een gematigde druk (ongeveer 10 kg) uit op het middelpunt tussen de poelies en controleer de doorbuiging.
WAARSCHUWING!
- Verwijder de sieutel uit de contactschakelaar, alvorens de riemspanning te controleren.
- Zorg er voor dat haar, loszitten-de kleding, stropdassen, halsket-tingen en soortgelijke voor-werpen niet in de buurt van de aandrijfriemen komen, vooral wanneer de motor draait. VER-WIJDER ALTIJD ALLE GEREED-SCHAP uit de motorruimte, alvorens de motor te starten. Indien enige van de hierboven genoemde voorwerpen verstrikt raken in de aandrijfriemen, kan dit ernstig letsel of beschadiging van het voertuig, of beide, tot gevolg hebben.
OPMERKING
Indien een van de aandrijfriemen versieten, gebarsten of gerafeld is, dient deze te worden vervangen.

SUSU5010A0
AANDRIJFRIEM VAN DYNAMO
| Doorbuiging | |
| Nieuw | Gebruikt |
| 8--9mm | 9-10mm |
Afstelling
- Draai de bevestigingsbout en de afsteibout van de dynamo los
- Verplaats de dynamo om de aandrijfriem de juiste riemspanning te geven.
- Trek de bouten aan en controleer de doorbuiging opnieuw.
AANDRIJFRIEMSPANNINGEN, BOUGIES
Bougies

AANDRIJFRIEM VAN STUURBEKRACHTIGINGSPOMP (P/S)
| Doorbuiging | |
| Nieuw | Gebruikt |
| 8—9mm | 9—10mm |
Afstelling
- Draai de bevestigingsbout en de borgmoeren los.
- Verdraai de afstelbout totdat de juiste riemspanning verkregen wordt.
- Trek de borgmoeren en de bevestigingsbout aan en controleer de riemspanning opnieuw.

Reinig de elektroden indien nodig met een fijne draadborstel en schraap de kooistofaanslag met een kleine vijl voorzichtig van de isolator.
Daarna de bougies met perslucht schoon blazen en de bovenste isolator schoon vegen.

085UV6010AD VERNIEUWEN VAN DE BOUGIES
OPMERKING
- Bij het verwijderen of losmaken van de bougiekabels steeds aan de aansluitkap trekken, nooit aan de kabel zelf.
- Breng bij het monteren van de bougies een kleine hoeveelheid kruipolie of een schroefdraadsmeermiddel op basis van molybdenum aan op de eerste paar schroefdraden.
- Verwijder alle vuil rondom het schroefdraadgedeelte van elke bougie.

- Verwijder de bougies met behulp van een bougiesleutel.
- Draai de nieuwe bougies eerst zo ver mogelijk met de hand aan. Indien nodig, kan er een bougiesleutel als verlengstuk gebruikt worden. Wannser een bougie niet soepel ingedraaid kan worden, deze verwijderen en vervolgens opnieuw proberen in te draaien om er zeker van te zijn dat de schroefdraad van de bougie op de juiste wijze in de schroefdraad van de cilinderkop grijpt.
-
Draai de bougies met behulp van een bougiesleutel vast. Niet te vast aan-draaien.
-
Let er op dat de bougiekabels in de juiste volgorde bevestigd worden. Druk de aansluitkap recht op het uiteinde van elke bougie.
WAARSCHUWING!
De bougies kunnen heet zijn. Let er op u niet te branden.
OPGELET
De bougies dienen goed vast gedraaid te worden, echter niet te vast. Een bougie welke te los zit kan bijzonder heet worden en mogelijk de motor beschadigen; een bougie die te strak is aangedraaid, kan de schroefdraad van de cilinderkop beschadigen.
MSSUW6020AD
AANBEVOLEN BOUGIES
| NGK | BKR5E11BKR6E11BKR7E11 |
| NIPPONDENSO | K16PR-U11K20PR-U11K22PR-U11 |
OPGELET
Gebruik nooit bougies met een onjuiste hittecapaciteit; deze kunnen het motorrendement en de levensduur van de motor nadelig beïnvloeden.
BANDEN
595UN7000C3
Onderhoud van de banden
Voor uw veiligheid, een minimaal brandstofverbruik en een optimaal rendement van de banden, dient u de banden steeds op de aanbevolen bandenspanning te houden en het voor uw voertuig aanbevolen belastbare gewicht en de gewichtsverdeling niet te overschrijden.

0952V701C8C
BANDENSPANNING
De spanning van alle banden (inclusief het reservewief) dient maandelijks gecontroieerd te worden wanneer de banden koud zijn. Voor de beste rijeigenschappen, optimale wegligging van het voertuig en een minimale slijtage van de banden, dient u de banden op de aanbevolen spanning te houden.
Aanbevolen bandenspanning
| TypeOnderwerp | Voor | Achter | Noodreservewiel |
| Bandenspanningkg/cm2 | 1,8 | 1,8 | 4,2 |
OPMERKING
- Bij warme banden wordt normaal de aanbevolen bandenspanning overschreden; daarom geen lucht uit warme banden aflaten om de bandenspanning af te stellen.
- Een te lage bandenspanning kan overmatige slijtage, een minder goede wegligging, een hoger brandstofverbruik en de kans op het uit elkaar springen van oververhitte banden met zich mee brengen. Een te lage bandenspanning anderzijds kan een onvoldoende afdichting van de velgrand tot gevolg hebben. Indien de bandenspanning buitengewoon laag is, bestaat de kans op vervorming en/of het uit elkaar springen van de band. Houd dus de bandenspanning steeds op het juiste niveau. Laat uw banden nakijken door een officiële Mazda dealer of een bandenspeciaalzaak, indien deze veelvuldig op spanning gebracht moeten worden.
- Door een te hoge bandenspanning wordt het rijden oncomfortabel. Bovendien brengt dit problemen met de wegligging, een overmatige slijtage van het midden
van het loopvlak en een grotere kans op beschadiging door scherpe voorwerpen op het wegdek met zich mee.
WAARSCHUWING!
Een te hoge of te lage bandenspanning kan de levensduur van de banden verminderen, de wegligging van het voertuig nadelig beïnvloeden en tot het plotseling lek raken van een band leiden. Dit kan tot gevolg hebben dat men de macht over het stuur verliest.

Voor het verkrijgen van een zo gelijkmatig mogelijke bandenslijtage wordt het aanbevolen de banden om de 6.000 km onderling te verwisselen, of eerder, wanneer er blijk is van onregelmatige slijtage. Controleer bij het onderling verwisselen of de banden correct gebalanceerd zijn.
Controleer bij het onderling verwisselen de banden op ongelijkmatige slijtage en beschadiging. Abnormale slijtage wordt doorgaans veroorzaakt door een verkeerde bandenspanning, onjuiste wieluitlijning, wie-
len welke uit balans zijn of veelvuldig te sterk afremmen.
Zorg er na het onderling verwisselen voor dat de banden op de voorgeschreven spanning gebracht worden en controleer of de wielmoeren goed aangetrokken zijn.
OPMERKING
De remblokken van de schijfremmen dienen, telkens wanneer de banden onderling verwisseld worden, op sijtage gecontroleerd te worden.

015UV700080
VERNIEUWEN VAN DE BANDEN
Indien de band gelijkmatig afgesieten is, verschijnt er een ononderbroken lijn overdwars op het profiel. De band dient in een dergelijk geval vernieuwd te worden. Het kan noodzakelijk zijn een ongelijkmatig afgesleten band te vernieuwen, alvorens de lijn van de slijtage-indikator over het gehele profiel verschijnt.
WAARSCHUWING!
- Bij het vernieuwen van banden mogen radiaalbanden, diagonaalbanden of diagonaalbanden met staaldraad niet tegelijkertijd ge-
bruikt worden. Gebruik uitsluitend de bandenmaten welke op het bandeninformatieplaatje van het voertuig op het frame van het bestuurdersportier aangegeven staan.
Let er op dat alle banden en vel- gen van dezelfde maat zijn en de- zelfde belastingcapaciteit hebben. Gebruik uitsluitend de combinaties van banden en vel- gen welke aangegeven zijn op het bandeninformatielabel of welke door een officiële Mazda dealer aanbevolen worden. Het niet in acht nemen van deze voor- zorgsmaatregelen kan de veilig- heid en de wegligging van uw voertuig nadelig beïnvloeden.
- Het gebruik van banden van een andere maat of type kan het rij-comfort, de wegligging, de grondspeling, de speling tussen band en carrosserie en de juiste werking van de snelheidsmeter nadelig beïnvloeden.
- Het rijden met versleten banden
is bijzonder gevaarlijk en kan de efficiënte werking van de remmen en de nauwkeurigheid van de besturing aanzienlijk verminderen en de wegligging nadelig beïnvloeden.
89SUV710050
Reservewiel
Controleer tenminste eens per maand of het reservewiel de juiste bandenspanning heeft en stevig op zijn plaats bevestigd is.
095UV711840
NOODRESERVEWIEL
Het noodreservewiel is vanwege zijn constructie gemakkelijk te gebruiken; het is lichter en kleiner dan een conventionele band. Dit reservewiel mag uitsluitend gebruikt worden in noodgevallen en voor korte afstanden. Gebruik het noodreservewiel uitsluitend toldat de conventionele band is gerepareerd. Controleer de bandenspanning van het noodreservewiel tenminste een maal per maand en houd het op een spanning van 4,2 kg/cm².
OPGELET
- De velg van het noodreservewiel niet gebruiken voor het monteren van een conventionele band of voor het aanbrengen van sneeuwkettingen.
- Het profiel van de band van het noodreservewiel heeft een levensduur van maximaal 4.800 km, afhankelijk van de wegen waarop het gebruikt wordt
en de rijstijl.
Wanneer de doorlopende lijn van de slijtage-indikator op het profiel zichtbaar wordt, dient de band door hetzelfde type noodreserveband vervangen te worden.
Om de levensduur van het profiel van de band te verlengen, dient het nood-reservewiel uitsluitend gebruikt te worden totdat de conventionele band gerepareerd kan worden, hetgeen zo spoedig mogelijk dient te gebeuren.
###
Velgen
2008108D
VERVANGEN VAN DE VELGEN
Wanneer u om een of andere reden de velgen wenst te vervangen, dient u er op te letten dat de nieuwe velgen gelijkwaardig zijn aan de origineel van fabriekswege gemonteerde velgen voor wat betreft diameter, velgbreedte en offset.
Wanneer de banden op de juiste wijze ge- balanceerd zijn, geeft dit het beste rijcom- fort en helpt het slijtage van het bandenprofiel te verminderen.
Banden welke uit balans zijn kunnen irriterende trilingen en ongelijkmatige bandenslijtage veroorzaken, zoals uitstulpingen en gladde plekken.
OPGELET
Een velg van een verkeerde maat kan de levensduur van de velg en het wiellager, het efficiënt remmen en stoppen, de wegligging, de grondspeling, de speling tussen band en carrosserie, de speling van sneeuwkettingen, de juiste werking van de snelheidsmeter, de richting van de lichtbundel van de koplampen en de bumperhoogte nadelig beïnvloeden.
LAMPEN
BSEVE9000AD
Koplampen
De koplampen van uw voertuig zijn voorzien van verwisselbare halogeenlampen. Een doorgebrande glosilamp kan vervangen worden zonder het koplamphuis te demonteren.

SIUHE10AD
HALOGEENLAMPEN
Halogeenlampen bevatten gas dat onder druk staat. Indien een halogeenlamp breekt, springt het glas in kleine stukjes uit elkaar. Behandel ze daarom steeds voorzichtig en zorg er voor ze niet te bekrassen en veeg ze niet af. Indien de lampen branden, mogen ze niet met vloeistof in aanraking komen. Het glas nooit met blote handen aanraken. Wanneer er huidvet op de lamp achterblijft, kan deze oververhit raken en bij het branden uit elkaar springen. Een halogeenlamp mag uitsluitend gebruikt worden, wanneer deze in een koplamp is gemonteerd. Indien een lamp beschadiging of barsten
vertoont, dient deze onmiddellijk vervangen te worden. Ruim de lamp op een veilige manier op. Houd de lampen buiten het bereik van kinderen.

ISEV9020AD
VERVANGEN VAN DE HALOGEENLAMP
WAARSCHUWING!
Draag bij het verwisselen van de lamp steeds oogbescherming. Laat de lamp afkoelen, alvorens deze aan te raken.
- Zet de koplampen omhoog met behulp van de koplampinklapschakelaar.
WAARSCHUWING!
De koplampinklapschakelaar niet in werking stellen, wanneer iemand zijn handen in buurt van de koplampen houdt.

- Trek de RETRACTOR (30A) zekering recht naar buiten met behulp van de zekeringtrekker welke op de kap van de zekeringenkast aangebracht is. (Zie pag. 5-6.)
WAARSCHUWING!
Verwijder de RETRACTOR (30A) zekering bij het vervangen van de gloeilamp van de koplamp, om persoonlijk letsel te voorkomen dat het gevolg kan zijn wanneer de koplampen per ongeluk ingeklapt zouden worden.

- Draai de schroeven los en verwijder de sierlijst.
LAMPEN

- Draai de opsluitring naar links om hem te verwijderen.

- Maak de stekker los.
OPGELET De koplampafstelschroeven Ⓑ mogen niet losgedraaid worden.

-
Verwijder de afdichtkap.
-
Maak de klemveer van de lamp los.
-
Verwijder de gloeilamp van de koplamp voorzichtig uit de houder in de reflector door deze langzaam in achterwaartse richting recht uit de houder te trekken.
De lamp tijdens het verwijderen niet draaien.
- Monteer de nieuwe koplampgloeilamp in omgekeerde volgorde ten opzichte van het verwijderen.
OPMERKING
- Het glasgedeelte van de lamp niet aanraken.
- Breng de afdichtkap op de juiste wijze aan.
- Controleer de richting van de lichtbundel van de koplampen en steil deze indien nodig af.
- Gebruik het beschermkapje en doosje om de oude lamp op een veilige manier op te ruimen.
LAMPEN
825U/9100AD
Vervangen van gloeilampen (Voor)

BPS EVS2004D
Vervangen van gloeilampen (Achter)


80SEW1000AD
Aanbevolen smeermiddelen
| Smeermiddel | Classificatie |
| Motorolie* | API Service SD, SE of SF |
| Handgeschakelde versnelingsbakolie* | API Service GL-4, GL-5 |
| Stuurbekrachtigingsvioeistof | ATF Dexron® II of M-III |
| Achterasolie* | API Service GL-5 |
| Rem/koppelingsvioeistof | SAE J1703 of FMVSS116 DOT-3 |
* Zie de aanbevolen SAE-viscositeitgetallen op de volgende pagina.
Gebruik uitsluitend smeerolie van de juiste kwaliteit voor het verkrijgen van het juiste rendement en het in goede conditie houden van motor en aandrijfaggregaat. Gebruik van de juiste soorten olie draagt ook bij tot een efficiënte werking van de motor, het- geen het brandstofverbruik laag houdt. Er is nu motorolie verkrijgbaar welke voorzien is van het label energiebesparende olie. Deze dragen onder andere bij tot vermindering van het brandstofverbruik, doordat de frictieweerstand van de motor verlaagd wordt, waardoor er minder brandstof nodig is. Vaak zijn deze verbeteringen moeilijk te meten in het dagelijks gebruik van het voertuig, hoewel dit over het gehele jaar genomen een aanzienlijke kosten- en energiebesparing met zich mee kan brengen. Deze oliesoorten worden aanbevolen voor gebruik samen met de aanbevolen API classificatie.
Aanbevolen SAE viscositeitgetallen
| Temperatuurbereik voor SAE-viscositeitgetallen | |||||||||
| Temperatuur °C | -30 | -20 | -10 | 0 | 10 | 20 | 30 | 40 | 50 |
| Motorolie | 5W-30 | 30 | |||||||
| 5W-20 | 20W-20 | 40 | |||||||
| 10W-30 | |||||||||
| 10W-40 | 10W-50 | ||||||||
| 20W-40 | 20W-50 | ||||||||
| Versnellingsbakolie | 75W-90 | ||||||||
| 80W-90 | |||||||||
| Achterasolie | 80W | 90 | |||||||
VOORZORGSMAATREGEL ALVORENS SMEERMIDDELEN TE CONTROLEREN
Zorg er voor steeds het gedeelte rondom elke vulplug, aftapplug en peilstok te reinigen, alvorens een van de smeermiddelen te controleren of af te tappen. Dit is vooral van belang in gebieden met veel stof/zand en wanneer het voertuig op onverharde wegen gebruikt wordt. Door de gedeelten rondom de pluggen en peilstokken te reinigen, wordt voorkomen dat vuit en zand de motor binnendringt en overige mechanismen beschadigd worden.
De viscositeit (dikte) van de motorolie is van invloed op het brandstofverbruik en op de werking van de motor (starten en oliecirculatie) bij lage buitentemperaturen. Motorolie-soorten met een lage viscositeit verlagen het brandstofverbruik en verbeteren de prestaties bij lage buitentemperaturen; hoge buitentemperaturen echter vereisen motorolie met een hogere viscositeit met het oog op voldoende smering. Het gebruik van oliesoorten met een andere viscositeit dan welke is aanbevolen, kan beschadiging van de motor tot gevolg hebben.
Neem bij het kiezen van olie het bereik van de buitentemperaturen in acht waarbij u uw voertuig tot aan de volgende olieverversingsbeurt gaat gebruiken. Kies vervolgens aan de hand van de tabel de aanbevolen olieviscositeit.
STORINGSTABEL
895EWS00GAD
Tabel voor het verhelpen van kleine storingen
De volgende procedures kunnen van dienst zijn, indien een van de hieronder aangegeven problemen zich voordoet. Deze suggesties zijn uitsluitend bedoeld als noodmaatregel.
Indien u er niet zeker van bent of het probleem geheel verholpen is, dient u uw officiële Mazda dealer zo spoedig mogelijk te raadplegen. Kleine problemen kunnen, indien verwaarloosd, tot ernstige defekten leiden.
MOTOR START NIET
Inspecteer de volgende punten, indien de motor niet wil ronddraaien.
- Contactschakelaar.
- Zekeringen, inclusief het zekeringenblok in de motorruimte.
- Accu en aansluitingen.
- Kabelaansluitingen aan startmotor en startrelais.
Inspecteer de volgende punten, indien de motor ronddraait:
-
Brandstofmeter, om te zien of de tank niet leeg is.
-
Ontstekingssysteem - stroomverdelerkabels en bobine.
- Bougies.
- Brandstofleidingen en luchttoevoersysteem.
MOTOR START, MAAR ...
Inspecteer de volgende punten, indien het laadstroomwaarschuwingslampje gaat branden:
- Aandrijfriem, gebroken of moet worden afgesteld, toestand van aandrijfriem en riemspanning.
- Dynamo.
- Accu en aansluitingen.
Inspecteer de volgende punten, wanneer de motor tijdens het stationair draaien afslaat:
- Bougies.
- Gaskiephuis (afstelling door een officiële Mazda dealer).
- Brandstofleidingen en luchttoevoersysteem.
Inspecteer de volgende punten, indien de motor onregelmatig stationair draait:
- Luchtfilterelement.
- Bougies.
- Gaskiephuis (afstelling door een officiële Mazda dealer).
Inspecteer de volgende punten bij onvoldoende acceleratie:
- Ontstekingssysteem, inclusief de bougies.
- Luchtfilterelement.
- Brandstofleidingen en luchttoevoersysteem.
Inspecteer de volgende punten bij oververhitting:
- Niveau van de radiateurkoelvloeistof.
- Belemmering van de luchtstroming door de radiateur.
- Spanning en toestand van aandrijfriem.
- Elektrische koelventilator van radiateur.
- Motoroliepeil.
- Thermostaat.
- Ontstekingstijdstip
Inspecteer de volgende punten, indien de motor tijdens het accelereren hapert:
- Brandstofleidingen en brandstofffilter.
- Luchfilterelement.
- Gaskiephuis (afstelling door een officiële Mazda dealer).
Inspecteer de volgende punten, indien het volle motorvermogen niet verkregen wordt:
- Luchfilterelement en brandstoifilter.
- Bougies en ontstekingssysteem.
- Brandstofleidingen en luchttoevoersysteem.
PROBLEMEN MET DE ELEKTRISCHE INSTALLATIE ...
Inspecteer de volgende punten, indien één van de lampen niet brandt:
- Gloeilamp en zekering.
- Aansluitingen en massaverbindingen.
Bij een vermindering in de coördinatie van het rem/stuursysteem...
De rem- en stuursystemen vormen een geïntegreerd systeem Laat uw voertuig onmiddellijk door uw officiele Mazda dealer inspecteren, indien u een storing in een van de onderdelen bemerkt.
8
Informatie voor de eigenaar
REGISTRATIE VAN HET VOERTUIG IN HET BUITENLAND 8-2
Registratie van het voertuig in het buitenland
Indien u van plan bent uw voertuig in het buitenland te registreren, dient u eerst na te gaan of het voertuig voldoet aan de in het betreffende land geldende bepalingen.
Ook nadat u uw voertuig in het betreffende land heeft kunnen registreren, dient u er echter rekening mee te houden dat u alsnog met enkele van de hieronder aangegeven problemen geconfronteerd kunt worden:
-
Het is mogelijk dat de voor uw voertuig voorgeschreven brandstof niet beschikbaar is, Indien andere dan de voorgeschreven brandstof wordt gebruikt, kan dit storingen veroorzaken in de motor en in overige met het brandstofsysteem verband houdende onderdelen.
-
Omdat voertuigen als het uwe in het nieuwe land van registratie misschien niet op de markt zijn, is het mogelijk dat onderdelen, onderhoudsvoorzieningen en speciale gereedschappen, welke nodig zijn voor onderhoud en reparatie van uw voertuig, niet voorhanden zijn. Zelfs wanneer voertuigen als het uwe op de markt zijn, kunnen de door de betreffende wetgeving gehanteerde bepalingen omtrent mechanische specificaties zodanig varië-
ren van het land van aankoop, dat dit als-nog problemen kan opleveren. Verder zou u om uiteenlopende redenen bij de after-sales service moeilijkheden kunnen ondervinden.
- Het is mogelijk dat er geen officielle Mazda dealer is in het gebied waar u uw voertuig wilt registreren.
Er wordt dan ook bij nadruk op gewezen dat, wanneer u het land waarin u uw nieuwe Mazda heeft aangeschaft verlaat en het in een ander land laat registreren, eventuele problemen welke het gevolg kunnen zijn van het gebruik van andere dan de voorgeschreven brandstof niet onder de garantiebepalingen van de fabrikant vallen.
Evenmin kan Mazda aansprakelijk gesteld worden voor problemen weike het resultaat zijn van onvoldoende of nalatig onderhoud dat het gevolg is van de hierboven vermelde redenen.
BUSEX5000AC
Installatie van elektrische apparatuur
De elektrische installatie van uw voertuig is ontworpen voor het funktioneren onder nauwkeurig bepaalde bedrijfsomstandigheden. Raadpleeg een officiële Mazda dealer alvorens extra elektrische apparatuur in uw voertuig te installieren. Bepaalde elektrische apparatuur, of de wijze waarop deze wordt geinstalleerd, kan het funktioneren van uw voertuig nadelig beïnvloeden. Dit geldt vooral voor systemen zoals het motorbesturing-systeem, het bestuurder-informatiesysteem, de geluidsinstallatie en de elektrische laadsystemen. Mazda kan niet aansprakelijk gesteld worden voor eventuele onkosten die kunnen ontstaan als gevolg van enigerlei defekt aan het voertuig of storing in bepaalde onderdelen of systemen daarvan welke veroorzaakt zijn door het installieren van bepaalde niet door Mazda geleverde of voor installatie aanbevoien elektrische apparatuur.
Indien een mobiele zend/ontvanger foutief geïnstalleerd wordt of wanneer er een type met buitengewoon groot vermogen gebruikt wordt, kan de werking van de elektronische brandstofinspuiting, de kruissneiheidsautomaat en andere elektronische systemen nadelig beïnvloed worden. Raadpleeg om beschadiging van uw voertuig te voorkomen eerst een officiële Mazda dealer, alvorens een mobiele zend/ontvanger te installeren.
9
Technische gegevens
De hieronder aangegeven technische gegevens zijn uitsluitend bedoeld als informatie. Zie, alvorens deze te gebruiken, de onder OPGELET aangegeven waarschuwingen en overige in dit instruk-tieboekje opgenomen instrukties. Uw officiële Mazda dealer is steeds bereid eventuele vragen te beantwoorden.
895UY1010AD
AFMETINGEN
Eenheid: mm
| Totale lengte | 3.950 |
| Totale breedte | 1.675 |
| Totale hoogte | 1.230 |
| Spoorbreedte, voor | 1.410 |
| Spoorbreedte, achter | 1.430 |
| Wielbasis | 2.265 |
025UY1030AD
MOTOR
| Type | DOHC-16V in lijn, 4 cil. |
| Boring x slag | 78mm x 83,6mm |
| Cilinderinhoud | 1.597cc |
| Compressieverhouding | 9,4:1 |
895 UY 1040AD
ELEKTRISCHE INSTALLATIE
| Accu | Onderhoudsvrij, 12V—32ah |
| Dynamo | 12V—60 amp |
| Startmotor | 12V—0,95 kw |
| Elektrodenafstand bougie | 1,1 -0,1+0,0 mm |
885UY10SOA7
CAPACITEITEN
| Onderwerp\Eenheid | Liter |
| Motorolie | 3.6 |
| Koelvloeistof | 6,0 |
| Versnelingsbakolie | 2,0 |
| Achterasolie | 0,65 |
| Brandstoftank | 45 |
BSSUY1070AD
BANDEN
| Onderwerp\Type | Voor | Achter | Noodre-servewiel |
| Bandenspanning kg/cm2 | 1,8 | 1,8 | 4,2 |
| Bandenmaat | 185/60 R14 82H | T115/70D14 | |
995E1080AD
GLOEILAMPEN
| Gloeilamp | Watt |
| Koplampen | 60/55 |
| Voorste richtingaanwijzerlampen | 21 |
| Voorste parkeerlampen | 5 |
| Zijrichtingaanwijzerlampen | 5 |
| Achterste richtingaanwijzerlampen | 21 |
| Lampen van rem/achterlichten | 21/5 |
| Achteruitrijlampen | 21 |
| Mistachterlichten* | 21 |
| Kentekenplaatlampen | 5 |
| Interieurlampen | 5 |
E9SUY1080AC
ZEKERINGEN......Zie pag. 5-9.
MEMO
10
Index
INDEX
A
Pagina
Aanbevolen SAE viscositeitgetallen.... 7-39
Aanbevolen smeermiddeien.... 7-38
Aandrijfriemspanningen....7-25
Aansteker, sigarette.... 4-26
Accu 7-23
Starten mel een hulpaccu 5-3
Achterasolie, verversen.... 7-18
Afmetingen 9-2
Afneembare kap — Bediening 2-25
Overzicht.... 2-24
Verzorging en onderhoud 6-9
Aluminium veigen, onderhoud 6-5
Alvorens te rijden 3-4
Antenne 4-36
Anti-blokkeer remsysteem (ABS) 4-6
Waarschuwingslampje 4-15
Anti-diefstal stuurslot.... 4-2
Asbak 4-26
B
Banden — Bandenspanning 7-28
Banden verwisselen 5-16
Lekke band 5-14
Pagina
Noodreservewiel 5-15.7-31
Reservewiel 5-15
Onderhoud van de banden 7-28
Ondering verwisselen 7-29
Sneeuwbanden 3-7
Sneeuwkettingen 3-8
Vernieuwen van de banden.... 7-30
Verwisselen van een band 5-17
Bijwerken van beschadigingen van de lak....6-4
Bijzondere rijomstandigheden.... 3-6
Binnenzijden van de ruiten, reinigen ..... 6-7
Bougies 7-26
Aanbevolen bougies....7-27
Brandstof 3-2
Brandstofbesparing 3-5
Brandstofmeter 4-11
Brandstoftankdop, losmaken. 2-7
Handbediende nood-ontgrendeling...... 2-8
Buitenspiegels 2-14
C
Capaciteiten....9-3
Carrosserie, smering 7-20
Carrosserie, verzorging 6-2
Chassiscoating 6-5
Circuitonderbreker 5-9
Pagina
Claxon, bediening 2-14
Contactschakelaar 4-2
Controle — Aandrijfremspanningen.... 7-25
Handrem....7-15
Koeivloeistofniveau 7-12
Motoroliepei 7-9
Niveau van de koppelingsviceistof...... 7-16
Niveau van de remvloeistof....7-14
Rembekrachtiging....7-16
Rempedaal 7-14
Ruitesproeiervloeistofniveau.... 7-19
Vloeistofniveau van de stuurbekrachtiging 7-17
D
Dag/nacht spiegel 2-15
Dagteller 4-11
Doorwaden van water 3-9
Dashboard, overzicht 1-3
E
Elektrische apparatuur, installatie.... 8-2
Elektrische circuits, beveiliging 5-6
Elektrische installatie....9-3
Gebruiksvoorschriften betreffende katalysatoran.... 3-3
Gereedschapset 5-14
Gloeslampen — Tabel....9-4 Vervangen....7-36
Grootlichtindikatielampje.... 4-16
H
Halogeenlampen 7-32
Handgeschakelde versnellingsbak, bediening....4-4 Overschakelpunten, aanbevelingen....4-5
Handrem 4-7
Handschoenenvak 4-27
Holle ruimten, bescherming 6-4
Pagina
1
Indikatielampjes — Grootlicht 4-16
Koplampinklap 4-16
Mistachterlamp 4-16 Waarschuwingsknipperlichten 4-16
informatie voor de klant.... B-1
In noodgevallen 5-1
Inrijden 3-4
Installatie van elektrische apparatuur...... 8-2
Instrumentenpaneel 4-10
Verlichting 4-13
Interleurbeklieding, reinigen....6-6 Interieur en bodem, reinigen....6-6
Interieur, overzicht.... 1-2
Interieurverlichting 2-16
Interieur, verzorging 6-6
Interieurvoorzieningen 4-26
K
Katalysator, gebruiksvoorschriften betreffende 3-3
Kentekenpiaatlamp 7-37
Kilometerteller 4-11
Klimaatregelsysteem 4-30
Pagina
Koelsysteem, motor 7-11
Koelvloeistoftemperatuurmeter 4-11
Kofferdeksel 2-5
Kofferruimte 1-4
Koplampen 7-32
Koplampen, inklapbare — Indikatielampje 4-22
Schakelaar 4-19
Koplamplichtsignaal 4-18
Koplampsproeier 4-25
Koppelingsvloeistof, niveau 7-16
Krik 5-14
Aanwijzingen voor het gebruik.... 5-16
L
Laadstroomwaarschuwingslampje.... 4-14
Labelinformatie 3-10
Lak, onderhoud....6-2
Lampen, Interieur 2-16
Lekke band 5-14
Luchtfilter 7-20
INDEX
M
Pagina
Meters —
Brandstof 4-11
Koelvioeistoftemperatuur.... 4-11
Oliedrukmeter 4-12
Snelheids 4-11
Toerenteller 4-12
Middenconsole 4-27
Mistachterlicht....4-23
Indikatielampje 4-16
Moeilijke rijomstandigheden 3-6
Motorkapontgrendeling 2-6
Motor, technische gegevens.... 9-3
Motorkoe system....7-11
Motorolie en oliefilter, verversen 7-9
Motoroliepeil, control 7-9
Motorruimte, overzicht....7-8
Motoruitlaatgassen, waarschuwing betreffende 3-2
N
Noodreservevewiel.... 5-15.7-31
Pagina
0
Olie —
Achteras 7-18
Filter 7-9
Handgeschakelde versnellingsbak.... 7-18
Motoroliepeil 7-9
Motorolie verversen 7-9
Viscositeit 7-39
Oliedrukmeter 4-12
Oliefilter, verversen....7-9
Onderhoudswerkzaamheden 7-2
Voorzorgsmaatregelen betreffende zelf uit te voeren.... 7-6
Opbergplaatsen van reservewiel, krik en gereedschapset.... 5-14
Op eigen kracht lostrekken van het voertuig.... 3-6
Overschakelpunten, aanbevelingen.... 4-5
Oververhitting 5-2
P
Parkeerlamp 7-36
Periodieke onderhoudsbeurten 7-2
Portieren 1-5,2-3
Portiersloten....2-3
Pagina
R
Ramen —
Elektrische ruitbediening.... 2-4
Reinigen van de binnenzijde van de ruiten....6-7
Registratie van het voertuig in het
buitenland 8-2
Rem/achterlicht 7-37
Remmen —
Anti-blokkeer remsysteem (ABS) 4-6
Blokslijtage-indikator 4-8
Controle van de handrem 7-15
Controle van de rembekrachtiging...... 7-16
Controle van het rempedaal....7-14
Handrem 4-7
Rembekrachtiging....4-5
Vioeistofniveau 7-14
Voetrem 4-6
Waarschuwingslampje 4-8.4-14
Rembekrachtiging 4-5
Reservewiel 5-15,7-31
Richtingaanwijzerlamp....7-36,7-37
Richtingaanwijzers 4-18
Rijbaanverandering, signalen.... 4-18
Rijden in de winter 3-7
Routine-onderhoud 7-6
Ruitewisserbladen....7-21
INDEX
| S | Pagina | T | Pagina | Olie van de handgeschakeldeversnellingsbak | 7-18 |
| SAE viscositeitgetallen | 7-39 | Technische gegevens | 9-2 | Verwarming | 4-34 |
| Sigaretteaansteker | 4-26 | Toerenteller | 4-12 | Verwisselen —Banden | 5-16 |
| Stepen | 5-12 | Verzorging van het uiterlijk | 6-1 | ||
| Sleutels | 2-2 | Vloeistof —Koppeling | 7-16 | ||
| Smeringspecificaties | 7-38 | U | Rem | 7-14 | |
| Sneeuwbanden | 3-7 | Ruitesproeier | 7-19 | ||
| Sneeuwkettingen | 3-8 | Uitlaalgasreinigingsysteem | 3-2 | Stuurbekrachtiging | 7-17 |
| Snelheidsmeter | 4-11 | Voetrem | 4-6 | ||
| Spiegels —Buitenspiegels | 2-14 | V | Voetsteun | 4-29 | |
| Dag/nacht spiegel | 2-15 | Voorruitesproeier | 4-25 | ||
| Starten door aanduwen | 5-5 | Veiligheidsgordels — | Voorruitewissers | 4-24 | |
| Starten in noodgevallen | 5-3 | Juist gebruik en onderhoud | 2-13 | Ruitewisserschakelaar met eenmaligewisbeweging | 4-24 |
| Starten met een hulpaccu | 5-3 | Reinigen | 6-7 | ||
| Starten van de motor | 4-3 | Veiligheidsgordelsysteem | 2-10 | ||
| Storingstabel | 7-40 | Zitbeveiliging voor baby's of kleine | Vouwdak — | ||
| Stuurbekrachtiging | 4-9 | kinderen | 2-12 | Beciening | 2-19 |
| Stuurwiel | 2-14 | Velgen | 7-31 | Overzicht | 2-17 |
| Suggesties voor brandstofbesparendgebruik | 3-5 | Verantwoordelijkheid van de eigenaar | 7-2 | Verzorging en onderhoud | 6-8 |
| Symbolen | 1-6 | Verchroomde en aluminium onderdelen,onderhoud | 6-4 | ||
| Verlichtingsregelhendel | 4-16 | W | |||
| Verversen — | |||||
| Achterasolie | 7-18 | Waarschuwingsknipperlichten | 5-2 | ||
| Koelvloeistof | 7-12 | Indikatielampje | 4-16 | ||
| Motorolie en oliefilter | 7-9 | Waarschuwingslampjes — | |||
| Antiphokkeer remsvysteem (ABS) | 4-15 |
INDEX
Pagina
Laadstroom 4-14
Laag sproeervloeistofniveau 4-15
Rem: 4-14
Wisser — Bladen 7-21
Schakelaar 4-24
Voorruit 4-24
Z
Zakeringen 5-6
Zitbeveiliging voor baby's of kleine kinderen.... 2-12
Ziting, afstelling — Lengteverstelling.... 2-9
Rugleuningversteller 2-10
Zittingen en interieurbekleding, reinigen ..... 6-6
Zonnekieppen 4-28
MEMO





























