VMAX - Motor YAMAHA - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis VMAX YAMAHA in PDF-formaat.
| Type product | Motorfiets |
| Merk | Yamaha |
| Model | VMAX |
| Motortype | Viercilinder V-motor, vloeistofgekoeld |
| Cilinderinhoud | 1679 cc |
| Maximaal vermogen | 147,2 kW (200 pk) bij 9000 tpm |
| Maximaal koppel | 166,8 Nm bij 6500 tpm |
| Brandstofsysteem | Elektronische brandstofinjectie (YCC-T) |
| Transmissie | 5-versnellingen, handgeschakeld |
| Aandrijving | Cardanas |
| Koppeling | Nat, meervoudige plaatkoppeling |
| Remsysteem voor | Dubbele schijfremmen, Ø 320 mm |
| Remsysteem achter | Enkele schijfrem, Ø 298 mm |
| Bandenmaat voor | 120/70-18 |
| Bandenmaat achter | 200/50-18 |
| Lengte | 2395 mm |
| Breedte | 820 mm |
| Hoogte | 1185 mm |
| Zithoogte | 775 mm |
| Droog gewicht | 312 kg |
| Brandstoftankinhoud | 15 liter |
| Oliecapaciteit | 4,8 liter (met filter) |
| Aanbevolen olie | Yamalube 10W-50, semi-synthetisch |
| Koelsysteem | Vloeistofgekoeld met radiator |
| Ontsteking | TCI (Transistor Controlled Ignition) |
| Startmotor | Elektrisch |
| Verlichting | Koplamp: halogeen, achterlicht: LED |
| Dashboard | Analoog toerenteller, digitale snelheidsmeter, brandstofmeter |
Veelgestelde vragen - VMAX YAMAHA
Gebruikersvragen over VMAX YAMAHA
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Motor in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding VMAX - YAMAHA en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. VMAX van het merk YAMAHA.
GEBRUIKSAANWIJZING VMAX YAMAHA
⚠ Lees deze handleiding aandachtig door voordat u deze machine gaat gebruiken.
HANDLEIDING
VMAX
VMX17
2S3-F8199-D1
⚠️ Lees deze handleiding aandachtig door voordat u deze machine gaat gebruiken. Deze handleiding dient bij de machine te blijven als deze wordt verkocht.
YAMAHA
YAMAHA MOTOR ELECTRONICS CO., LTD.
1450-6, Mori, Mori-machi, Shuchi-gun, Shizuoka-ken, 437-0292 Japan
Verklaren hierbij dat het product:
Type apparaat: STARTBLOKKERING
Typeaanduiding: 5SL-00
in overeenstemming is met de volgende norm(en) of documenten:
R&TTE richtlijn(1999/5/EG)
EN300 330-2 v1.1.1(2001-6), EN60950-1(2001)
Richtlijn betreffende motorvoertuigen op twee of drie wielen(97/24/EG: Hoofdstuk 8, EMC)
Plaats van afgifte: Shizuoka, Japan
Datum van afgifte: 1 augustus 2002
Overzicht van wijzigingen
| Nr. | Inhoud Datum | |
| 1 | Om contactpersoon te wijzigen en typeaanduilding te Integreren. | 9 Juni 2005 |
| 2 | Overgang van norm EN60950 maar EN60950-1 | 27 februari 2006 |
| 3 | Om bedrijfsnaam te wijzigen | 1 maart 2007 |
Algemeen directeur afdeling kwaliteitsbeheer

DAU10102
Welkom in de wereld van Yamaha!
Als eigenaar van de VMX17 profiteert u van de enorme ervaring en technische kennis van Yamaha op het gebied van het ontwerpen en fabriceren van hoogwaardige producten, waarmee Yamaha zijn reputatie van betrouwbaarheid heeft verworven.
Neem rustig de tijd om deze handleiding aandachtig door te lezen, zodat u plezier zult hebben van alle functies van uw VMX17. De Gebruikershandleiding geeft instructies voor de bediening, inspectie en het onderhoud van de machine en beschrijft hoe u uzelf en anderen kunt beschermen tegen persoonlijk letsel of schade.
Verder helpen allerlei tips in deze handleiding om uw machine in optimale conditie te houden. Als er ten slotte toch nog vragen zijn, aarzel dan niet en neem contact op met de Yamaha dealer.
Het Yamaha team wenst u veilig en plezierig rijden toe. En vergeet niet, veiligheid voor alles!
Yamaha werkt voortdurend aan verbeteringen ten aanzien van productontwerp en kwaliteit. Om deze reden kan soms sprake zijn van kleine tegenstrijdigheden tussen uw machine en de beschrijving ervan in deze handleiding, ook al bevat de handleiding de meest recente productinformatie ten tijde van publicatie. Als u vragen hebt over deze handleiding, neem dan contact op met uw Yamaha dealer.
DWA10031
WAARSCHUWING
Lees deze handleiding aandachtig helemaal door voordat u deze machine gaat gebruiken.
BELANGRIJKE INFORMATIE IN DE HANDLEIDING
DAU10132
Bijzonder belangrijke informatie is in deze handleiding gemarkeerd met de volgende aanduidingen:
| Dit is het Safety Alert-symbol. Het wordt gebruikt om u te waarschuwen voor risico's op persoonlijk letsel. Volg alle veiligheidsaanwijzingen bij dit symbool op om mogelijk letsel of overlijden te voorkomen. | |
| Een WAARSCHUWING duidt een gevaarlijke situatie aan die, indien niet vermeden, kan resul- teren in ernstig letsel of overlijden. | |
| LET OP | De aanduiding LET OP staat bij speciale voorzorgen die moeten worden genomen om scha- de aan de machine of andere eigendommen te voorkomen. |
| OPMERKING | De aanduiding OPMERKING staat bij belangrijke informatie die procedures kan vergemakkelijken of verhelderen. |
BELANGRIJKE INFORMATIE IN DE HANDLEIDING
DAU36390
VMX17
HANDLEIDING
©2009 door Yamaha Motor Co., Ltd.
1e uitgave, juli 2009
Alle rechten voorbehouden.
Elke vorm van herdruk of onbevoegd ge-
bruik
zonder schriftelijke toestemming van
Yamaha Motor Co., Ltd.
is uitdrukkelijk verboden.
Gedrukt in Nederland.
INHOUDSOPGAVE
VEILIGHEIDSINFORMATIE ....1-1
BESCHRIJVING 2-1
Aanzicht linkerzijde....2-1
Aanzicht rechterzijde 2-2
Bedieningen en instrumenten......2-3
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN
EN BEDIENINGEN 3-1
Startblokkeersysteem 3-1
Contactslot/stuurslot 3-2
Controle- en waarschuwingslampjes ....3-3
Snelheidsmeterunit ....3-6
Multifunctioneel display 3-7
Antidiefstal-alarmsysteem (optie) 3-16
Stuurschakelaars ....3-17
Koppelingshendel ....3-18
Schakelpedaal 3-18
Remhendel 3-19
Rempedaal 3-19
ABS 3-19
Tankdop 3-20
Brandstof 3-22
Tankbeluchtingsslang/ overloopslang ....3-23
Uitlaatkatalysatoren 3-23
Zadels 3-24
Voorvork afstellen 3-26
Schokdemperunit afstellen .....3-28
Bagageriembevestiging 3-30
EXUP-systeem 3-30
Zijstandaard 3-30
Startspersysteem 3-31
VOOR UW VEILIGHEID –
CONTROLES VOOR HET RIJDEN ... 4-1
GEBRUIK EN BELANGRIJKE
RIJ-INFORMATIE 5-1
Starten van de motor 5-1
Schakelen 5-2
Tips voor een zuinig brandstofverbruik 5-3
Inrijperiode 5-3
Parkeren 5-4
PERIODIEK ONDERHOUD EN
AFSTELLINGEN 6-1
Boordgereedschapset 6-1
Periodiek onderhoudsschema voor het uitstootcontrolesysteem ...... 6-2
Algemeen smeer- en onderhoudsschema 6-3
Verwijderen en aanbrengen van de stroomlijn- en framepanelen ..... 6-7
Controleren van de bougies ...... 6-9
Motorolie en oliefilterpatroon ..... 6-10
Cardanolie 6-13
Koelvloeistof 6-15
Luchtfilterelement 6-18
Stationair toerental controleren .... 6-18
Controleren van de vrije slag gaskabel 6-19
Klepspeling 6-19
Banden 6-19
Gietwielen 6-22
Koppelingshendel 6-22
Vrije slag van voorremhendel controleren 6-22
Remlichtschakelaars 6-23
Controleren van voor- en achterremblokken 6-23
Controleren van remvloeistofniveau 6-24
Rem- en koppelingsvloeistof verversen 6-25
Kabels controleren en smeren ..... 6-25
Controleren en smeren van gasgreep en gaskabel 6-26
Controleren en smeren van rem- en schakelpedalen ...... 6-26
Controleren en smeren van rem- en koppelingshendels ..... 6-27
Zijstandaard controleren en smeren 6-27
Achterbrugscharnierpunten smeren 6-28
Voorvork controleren 6-28
Stuursysteem controleren 6-29
Controleren van wiellagers ..... 6-29
Accu 6-29
INHOUDSOPGAVE
Zekeringen vervangen 6-32
Koplampgloeilamp vervangen .....6-33
Gloeilamp in richtingaanwijzer vervangen 6-35
Gloeilamp kentekenverlichting vervangen 6-36
Parkeerlichtgloeilamp vervangen 6-37
Ondersteunen van de motorfiets 6-37
Problemen oplossen 6-38
Storingzoekschema's 6-39
VERZORGING EN STALLING VAN
DE MOTORFIETS 7-1
Matkleur, let op ....7-1
Verzorging 7-1
Stalling 7-4
SPECIFICATIES 8-1
GEBRUIKERSINFORMATIE....9-1
Identificatienummers ......9-1
DAU10283
Wees een verantwoordelijke eigenaar
Als eigenaar van de machine bent u verantwoordelijk voor de veilige en juiste bediening ervan.
Motorfietsen zijn tweewielige voertuigen. Voor een veilig gebruik zijn de toepassing van de juiste rijtechnieken en de ervaring van de bestuurder van belang. Elke bestuurder moet bekend zijn met de volgende vereisten alvorens met deze motorfiets te gaan rijden.
Hij of zij moet:
●Door een competente informatiebron grondig zijn ingelicht over alle aspecten van het motorrijden.
- Zich houden aan de waarschuwingen en onderhoudseisen zoals vermeld in deze Gebruikershandleiding.
- Grondig getraind zijn in veilige en correcte rijtechnieken.
- Gebruikmaken van professionele technische service, zoals aangegeven in deze Gebruikershandleiding en/of wanneer de mechanische condities dit vereisen.
Veilig rijden
Voer vóór elke rit de controles voor het rijden uit om u ervan te verzekeren dat de machine in veilige staat verkeert. Onvoldoende inspectie of onderhoud van de machine vergroot het risico op ongeval of schade. Zie pagina 4-1 voor een lijst met controles voor het rijden.
- Deze motorfiets is gebouwd voor het vervoer van de bestuurder plus een passagier.
- Het niet opmerken en herkennen van motorfietsen door andere weggebruikers vormt de belangrijkste oorzaak van auto-/motorongevallen. Vaak worden ongevallen veroorzaakt doordat een autobestuurder de motor niet heeft gezien. Zorg dat u opvalt, dat blijkt het meest effectief om het risico op een dergelijk type ongeval te verminderen.
Dus:
- Draag een jack in felle kleuren.
- Wees extra voorzichtig bij het nade- ren en passeren van kruisingen, daar doen ongelukken met motor- fietsen zich namelijk het meest voor.
- Ga daar rijden waar andere weggebruikers u kunnen zien. Ga niet rijden in de dode zichthoek van een andere weggebruiker.
- Bij veel ongevallen zijn onervaren bestuurders betrokken. Veelal zijn bestuurders die bij een ongeval betrokken waren zelfs niet in het bezit van een geldig motorrijbewijs.
- Zorg dat u bekwaam bent om te rijden en leen uw motorfiets alleen uit aan ervaren motorrijders.
- Weet wat u wel en niet aankunt. Door rekening te houden met uw beperkingen helpt u ongelukken voorkomen.
- We raden aan om het motorrijden te oefenen op plekken waar geen verkeer is, totdat u grondig bekend bent met de motor en zijn bediening.
- Ongelukken worden vaak veroorzaakt door een fout van de motorbestuurder. Veel bestuurders houden bij het ingaan van een bocht een te hoge rij-
snelheid aan of gaan onvoldoende schuinliggen voor de rijsnelheid, waardoor ze wijd uit de bocht komen.
- Neem altijd de maximumsnelheid in acht en rijd nooit sneller dan de wegcondities en het verkeer toestaan.
- Geef altijd richting aan voordat u afslaat of van rijstrook wisselt. Zorg dat andere weggebruikers u kunnen zien.
- De zithouding van de bestuurder en de passagier is belangrijk voor een goede besturing.
- De bestuurder moet tijdens het rijden beide handen aan het stuur houden en beide voeten op de bestuurdersvoetsteunen, om zo de macht over het stuur te behouden.
- De passagier hoort steeds de bestuurder, de zadelband of de handgreep, indien aanwezig, met beide handen vast te houden en beide voeten op de passagiersvoetsteunen te houden. Neem nooit een passagier mee die niet in staat is om beide voeten stevig op de passagiersvoetsteunen te zetten.
●Rijd nooit onder invloed van alcohol of andere drugs.
- Deze motorfiets is uitsluitend ontworpen voor gebruik op verharde wegen. De machine is niet bedoeld voor off-roadgebruik.
Beschermende kleding
Motorongelukken met dodelijke afloop betreffen meestal hoofdletsel. Het dragen van een helm is de belangrijkste factor bij het voorkomen of reduceren van hoofdletsel.
●Draag altijd een goedgekeurde helm.
●Draag ook een vizier of een veiligheidsbril. Zonder oogbescherming kan uw zicht door de rijwind verslechteren, waardoor u gevaren mogelijk te laat opmerkt.
●Door een jack, stevige schoenen, een lange broek, handschoenen e.d. te dragen verkleint u de kans op schaafwonden of ontvellingen.
- Draag nooit loszittende kleding, deze kan blijven haken aan bedieningshandgrepen of door de wielen worden gegrepen en zo een ongeval of letsel veroorzaken.
- Draag altijd beschermende kleding die uw benen, enkels en voeten bedekt. De motor en het uitlaatsysteem kunnen tijdens en na het rijden zeer heet zijn en brandwonden veroorzaken.
- De hierboven vermelde voorzorgsmaatregelen gelden ook voor passagiers.
Voorkom koolmonoxidevergiftiging
De uitlaatgassen van verbrandingsmotoren bevatten koolmonoxide, een dodelijk gas. Inademing van koolmonoxide kan hoofdpijn, duizeligheid, sufheid, misselijkheid, verwarring en uiteindelijk de dood veroorzaken.
Koolmonoxide is een kleurloos, reukloos, smaakloos gas dat ook aanwezig kan zijn als u geen uitlaatgassen ziet of ruikt. Het koolmonoxideniveau kan zeer snel oplopen, waardoor u het bewustzijn kunt verliezen en uzelf niet meer kunt redden. In afgesloten of slecht geventileerde ruimtes kunnen dodelijke hoeveelheden koolmonoxide dagenlang blijven hangen. Als u symptomen van koolmonoxidevergiftiging ervaart, verlaat de ruimte dan onmiddellijk, ga naar de open lucht en ROEP MEDI-SCHE HULP IN.
●Laat de motor niet binnen draaien. Zelfs als u ventileert met ventilatoren of open ramen en deuren kan de hoeveelheid koolmonoxide snel oplopen tot gevaarlijke niveaus.

VEILIGHEIDSINFORMATIE
●Laat de motor niet draaien in slecht ge-ventileerde of deels afgesloten ruimtes zoals schuren of garages.
●Laat de motor niet buiten draaien op plaatsen waar de uitlaatgassen in een gebouw kunnen worden getrokken via openingen zoals ramen en deuren.
Beladen
Het monteren van accessoires of het vervoer van bagage kan een negatief effect hebben op de rijstabiliteit en het weggedrag als hierdoor de gewichtsverdeling van de motor verandert. Wees uiterst voorzichtig bij het monteren van accessoires of het beladen van uw motor, om zo mogelijke ongevallen te vermijden. Pas extra op wanneer u op een motor rijdt die beladen is of waaraan accessoires zijn gemonteerd. Hieronder volgen naast de informatie over accessoires enkele richtlijnen voor het beladen van uw motorfiets:
Het totale gewicht van de bestuurder, passagier, accessoires en bagage mag de maximale gewichtslimiet niet overschrijden.
Rijden met een te zwaar belaste machine kan leiden tot een ongeval.
Maximale belasting:
190 kg (419 lb)
Let op het volgende wanneer u tot deze gewichtslimiet belaadt:
- Het zwaartepunt van bagage en accessoires moet zo laag mogelijk liggen en zo dicht mogelijk bij de motor. Bevestig zware goederen zo dicht mogelijk bij het midden van de machine en verdeel het gewicht zo gelijkmatig mogelijk over beide zijden om onbalans of instabiliteit te minimaliseren.
●Als gewicht gaat schuiven kan zich een plotselinge onbalans voordoen. Controleer voordat u gaat rijden of accessoires en bagage stevig aan de motor zijn bevestigd. Controleer de bevestigingspunten voor accessoires en bagage regelmatig.
- Pas de vering aan de te vervoeren bagage aan (alleen voor modellen met instelbare vering) en controleer de toestand en spanning van uw banden.
- Bevestig nooit omvangrijke of zware goederen aan het stuur, de voorvork of het voorwielspatbord. Dergelijke voorwerpen, inclusief bagage als slaapzakken, plunjezakken of tenten, kunnen een instabiel weggedrag of een te trage reactie op het stuur veroorzaken.
- Deze machine is niet ontworpen voor het trekken van een aanhanger of bevestiging van een zijspan.
Originele Yamaha accessoires
De keuze van accessoires voor uw machine vormt een belangrijke beslissing. Originele Yamaha accessoires, die alleen verkrijgbaar zijn bij de Yamaha dealer, zijn door Yamaha ontwikkeld, getest en goedgekeurd voor gebruik op uw machine.
Veel bedrijven die niet zijn gelieerd aan Yamaha produceren onderdelen en accessoires of bieden aanpassingssets voor Yamaha voertuigen. Yamaha kan niet alle producten testen die deze bedrijven produceren. Om die reden kan Yamaha accessoires die niet door Yamaha zijn verkocht of wijzigingen die niet door zijn Yamaha zijn aangeraden niet goedkeuren of aanbevelen, zelfs niet als deze zijn verkocht en geïnstalleerd door een Yamaha dealer.
In de handel verkrijgbare onderdelen, accessoires en aanpassingssets
Hoewel er producten verkrijgbaar zijn die qua ontwerp en kwaliteit sterk lijken op originele Yamaha accessoires, dient u te beseffen dat sommige in de handel verkrijgbare accessoires of aanpassingssets niet geschikt zijn vanwege mogelijke
veiligheidsrisico's voor uzelf of anderen. Het monteren van in de handel verkrijgbare producten of het verrichten van aanpassingen die de ontwerp- of bedieningskenmerken van uw machine wijzigen kan het risico op ernstig letsel of overlijden van uzelf of anderen vergroten. U bent verantwoordelijk voor letsel dat voortvloeit uit wijzigingen aan de machine.
Volg bij de montage van accessoires de onderstaande richtlijnen en die vermeld onder het kopje "Beladen".
- Monteer nooit accessoires en vervoer nooit bagage als deze een nadelige invloed hebben op de prestaties van uw motor. Inspecteer het accessoire zorgvuldig alvorens het te gebruiken om te waarborgen dat het de grondspeling of de hellinghoek op geen enkele manier vermindert, de veerweg, de stuuruit-slag of de bediening niet beperkt en geen lampen of reflectors afdekt.
- Accessoires die aan of nabij het stuur of de voorvork zijn gemonteerd zullen mogelijk instabiliteit veroorzaken door een foutieve gewichtsverdeling of door aerodynamische effecten. Accessoires aan het stuur of nabij de voorvork moeten zo licht mogelijk zijn en tot een minimum worden beperkt.
- Omvangrijke accessoires kunnen door hun aerodynamisch effect van invloed zijn op de rijstabiliteit van de motor. De motor kan door rijwind worden opgetild of bij zijwind instabiel worden. Zulke accessoires kunnen ook instabiliteit veroorzaken terwijl u grote voertuigen inhaalt of door deze wordt ingehaald.
- Sommige accessoires dwingen de bestuurder om een andere dan de normale zitpositie in te nemen. Zo'n verkeerde zitpositie beperkt de bewegingsvrijheid van de bestuurder en kan een comfortabele bediening hinderen, zodat we dergelijke accessoires sterk afraden.
- Wees voorzichtig bij het aanbrengen van elektrische accessoires. Als elektrische accessoires de capaciteit van het elektrisch systeem van de motorfiets te boven gaan, kan zich een gevaarlijke elektrische storing voordoen waardoor de verlichting of de motor uitvalt.
In de handel verkrijgbare banden en velgen
De banden en velgen die bij uw motorfiets werden geleverd, zijn ontworpen om de mogelijkheden van de motorfiets te ondersteu-
nen en bieden de beste combinatie van rijprestaties, remvermogen en comfort. Andere banden, velgen, maten of combinaties zijn mogelijk niet geschikt. Zie pagina 6-19 voor bandenspecificaties en meer informatie over het vervangen van uw banden.
Aanzicht linkerzijde
DAU10410

- Koplamp (pagina 6-33)
- Stelbout voor veervoorspanning voorvork (pagina 3-26)
- Stelknop voor uitveerdemping voorvork (pagina 3-26)
- Accu (pagina 6-29)
- Boordgereedschapset (pagina 6-1)
- Tankdop (pagina 3-20)
- Stelknop voor veervoorspanning schokdemperunit (pagina 3-28)
-
Bagageriembevestiging (pagina 3-30)
-
Controlebout cardanolie (pagina 6-13)
10.Aftapplug cardanolie (pagina 6-13)
11.Stelknop voor uitveerdemping schokdemperunit (pagina 3-28)
12.Zijstandaard (pagina 3-30)
13.Schakelpedaal (pagina 3-18)
14.Olieaftapplug (pagina 6-10)
15.Oliefilterpatroon (pagina 6-10)
16.Stelschroef voor inveerdemping voorvork (pagina 3-26)
Aanzicht rechterzijde
DAU10420

- Duozadel (pagina 3-24)
- Vloeistofreservoir achterrem (pagina 6-24)
- Bagageriembevestiging (pagina 3-30)
- Bestuurderszadel (pagina 3-24)
- Zekeringenkastje 1 (pagina 6-32)
- Radiatorvuldop (pagina 6-15)
- Koelvloeistofreservoir (pagina 6-15)
-
Kijkglas olieniveau (pagina 6-10)
-
Rempedaal (pagina 3-19)
10.Zekeringenkastje 2 (pagina 6-32)
11.Stelknop voor inveerdemping schokdemperunit (pagina 3-28)
Bedieningen en instrumenten
DAU10430

- Koppelingshendel (pagina 3-18)
- Schakelaargroep linkerstuurzijde (pagina 3-17)
- Reservoir koppelingsvloeistof (pagina 6-24)
- Snelheidsmeterunit (pagina 3-6)
- Controlelampje schakelmoment (pagina 3-6)
- Vloeistofreservoir voorrem (pagina 6-24)
- Schakelaargroep rechterstuurzijde (pagina 3-17)
-
Remhendel (pagina 3-19)
-
Gasgreep (pagina 6-19)
- Multifunctioneel display (pagina 3-7)
- Contactslot/stuurslot (pagina 3-2)
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
Startblokkeersysteem
DAU10976

- Codeersleutel (rood bovendeel)
- Standaardsleutels (zwart bovendeel)
Dit voertuig is voorzien van een startblokkeersysteem waarmee diefstal kan worden bemoeilijkt door de codering van de standaardsleutels te wijzigen. Het systeem bestaat uit de volgende onderdelen:
- een codeersleutel (met een rood bovendeel)
- twee standaardsleutels (met een zwart bovendeel) die opnieuw kunnen worden gecodeerd
- een transponder (die is geïntegreerd in de codeersleutel)
●een startblokkeereenheid
●een ECU - een controlelampje van het startblokkeersysteem (Zie pagina 3-3.)
De sleutel met het rode bovendeel wordt gebruikt om de twee standaardsleutels te coderen. Het wijzigen van de codes is een ingewikkelde procedure. Breng het voertuig daarom met alle drie sleutels naar een Yamaha dealer om deze opnieuw te laten coderen. Gebruik de sleutel met het rode bovendeel niet om met het voertuig te rijden. Deze sleutel dient uitsluitend te worden gebruikt voor het opnieuw coderen van de standaardsleutels. Gebruik altijd een standaardsleutel om met het voertuig te rijden.
DCA11821
LET OP
●ZORG DAT U DE CODEERSLEUTEL NIET VERLIEST! NEEM DIRECT CONTACT OP MET UW DEALER ALS U HEM VERLOREN HEBT! Als de codeersleutel verloren is, kunnen de standaardsleutels niet opnieuw gecodeerd worden. U kunt het voertuig dan nog steeds starten met de standaardsleutels, maar als ze opnieuw gecodeerd moeten worden (d.w.z. als er een nieuwe standaardsleutel is gemaakt of als alle sleutels verloren zijn), dient het gehele startblokkeersysteem vervangen te worden. Daarom wordt u sterk aangeraden een van de stan-
daardsleutels te gebruiken en de codeersleutel op een veilige plek te bewaren.
●Dompel de sleutels nooit in water.
- Stel de sleutels nooit bloot aan extreem hoge temperaturen.
●Leg de sleutels nooit vlakbij magnetische voorwerpen (zoals bijvoorbeeld speakers enz.).
-Plaats nooit voorwerpen die elektrische signalen uitzenden vlakbij de sleutels.
●Plaats nooit zware voorwerpen op de sleutels.
●U mag de sleutels nooit slijpen of de vorm ervan wijzigen.
- U mag het plastic gedeelte van de sleutels nooit demonteren.
●Hang nooit twee sleutels van een startblokkeersysteem aan dezelfde sleutelring.
●Bewaar de standaardsleutels en ook de sleutels van andere startblokkeersystemen altijd op een andere plek dan de codeersleutel van het voertuig.
●Houd sleutels van andere startblokkeersystemen altijd uit de buurt van het contactslot, want anders kunnen ze signaalstoring veroorzaken.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
Contactslot/stuurslot

Via het contactslot/stuurslot worden het ontstekingssysteem en de verlichtingssystemen bediend en wordt het stuur vergrendeld. De diverse standen worden hierna beschreven.
OPMERKING
Gebruik de standaardsleutel (zwarte greep) voor regelmatig gebruik van de machine. Bewaar de codeersleutel (rode greep) op een veilige plaats en gebruik deze uitsluitend voor hercodering om het risico op verlies te minimaliseren.
DAU38530
ON
Alle elektrische circuits worden voorzien van stroom; de instrumentenverlichting, het achterlicht, de kentekenverlichting en het
parkeerlicht gaan branden en de motor kan worden gestart. De sleutel kan niet worden uitgenomen.
OPMERKING
De koplamp gaat automatisch branden als de motor wordt gestart en blijft aan totdat de sleutel naar "OFF" wordt gedraaid, zelfs als de motor afslaat.
DAU10661
OFF
Alle elektrische systemen zijn uitgeschakeld. De sleutel kan worden uitgenomen.
DWA10061
WAARSCHUWING
Draai nooit de sleutel naar "OFF" of "LOCK" terwijl de machine rijdt. Hierdoor worden de elektrische systemen uitgeschakeld, wat mogelijk kan leiden tot verlies van de controle of een ongeval.
DAU10683
LOCK
Het stuur is vergrendeld en alle elektrische systemen zijn uitgeschakeld. De sleutel kan worden uitgenomen.
Om het stuur te vergrendelen

- Drukken.
-
Draaien.
-
Draai het stuur helemaal naar links.
- Druk de sleutel in de "OFF"-stand in en draai deze dan naar "LOCK". Houd de sleutel hierbij ingedrukt.
- Neem de sleutel uit.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
Om het stuur te ontgrendelen
DCA11020

Druk de sleutel in en draai deze dan naar "OFF". Houd de sleutel hierbij ingedrukt.
DAU34341
p≤ (Parkeren)
Het stuur is vergrendeld en het achterlicht, de kentekenverlichting en het parkeerlicht branden. De alarmverlichting en richtingaanwijzers kunnen worden ingeschakeld, maar alle andere elektrische systemen zijn uit. De sleutel kan worden uitgenomen.
Het stuur moet zijn vergrendeld om de sleutel naar "p≤" te kunnen draaien.
LET OP
Gebruik de parkeerstand niet gedurende langere tijd, anders kan de accu ontladen raken.
DAU11004
Controle- en waarschuwings- lampjes

- Controlelampje schakelmoment
- Controlelampje brandstofniveau " [REDACTED]
- Controlelampje rechter richtingaanwijzers “→”
- Waarschuwingslampje koelvloeistoftemperatuur "E"
- Vrijstandcontrolelampje "N"
- Controlelampje grootlicht "≡D"
- Waarschuwingslampje motorstoring "
- Controlelampje linker richtingaanwijzers "←"
- Controlelampje startblokkering
10.ABS-waarschuwingslampje " (ABS)"
11.Waarschuwingslampje olieniveau "☐."
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU11030
Controlelampjes
richtingaanwijzers “⇐” en “⇨”
Het bijbehorende controlelampje knippert terwijl de schakelaar voor richtingaanwijzers naar de linker- of rechterstand is gedrukt.
DAU11060
Vrijstandcontrolelampje "N"
Dit controlelampje brandt terwijl de versnel- lingsbak in de vrijstand staat.
DAU11080
Controlelampje grootlicht "ID"
Dit controlelampje brandt terwijl de koplamp is ingeschakeld voor grootlicht.
DAU46563
Waarschuwingslampje
olieniveau "
Dit waarschuwingslampje gaat branden als het motorolieniveau laag is.
Als u het elektrisch circuit van het waarschuwingslampje wilt testen, plaatst u de machine op een vlakke ondergrond, zet u de motoruitzetschakelaar op “ ” en draait u de sleutel van “OFF” naar “ON”.
Als het waarschuwingslampje niet een paar seconden lang oplicht en dan dooft, vraag dan een Yamaha dealer om het elektrisch circuit te testen.
Indien het waarschuwingslampje blijft branden, gaat u als volgt te werk.
- Zet de motoruitzetschakelaar op "○".
- Draai de sleutel naar "OFF", wacht twee minuten en draai de sleutel daarna naar "ON".
- Als het waarschuwingslampje gaat branden en niet uit gaat, controleer dan het motorolieniveau. (Zie pagina 6-10.) Blijft het waarschuwingslampje branden terwijl het olieniveau correct is, laat de machine dan controleren door een Yamaha dealer.
OPMERKING
●Dit waarschuwingslampje licht NIET op:
- wanneer de motor stationair loopt
- tijdens het rijden
- wanneer de motor is afgeslagen en u de sleutel niet van "ON" naar "OFF" en daarna weer terug naar "ON" heeft gedraaid
ECHTER: als het waarschuwinglampje brandt wanneer de motor wordt gestart, zal dit blijven branden tot de sleutel naar "OFF" wordt gedraaid.
- Dit model is ook uitgerust met een zelf-diagnosesysteem voor het circuit van het waarschuwingslampje olieniveau. Als het waarschuwingscircuit voor het olieniveau een probleem aangeeft,
wordt de volgende cyclus herhaald totdat de storing is opgeheven: Het waarschuwingslampje olieniveau knippert tien keer en dooft dan gedurende 2.5 seconden. Als dit zich voordoet, vraag dan een Yamaha dealer de machine te controleren.
DAU48700
Waarschuwingslampje
brandstofniveau "☐"
Dit waarschuwingslampje gaat branden wanneer het brandstofniveau daalt tot beneden ca. 3.9 L (1.03 US gal, 0.86 Imp.gal). Vul in dat geval zo snel mogelijk brandstof bij.
Het elektrisch circuit voor het waarschuwingslampje controleert u door de sleutel naar "ON" te draaien. Het waarschuwingslampje moet enkele seconden oplichten en dan uitgaan.
Licht het waarschuwingslampje niet meteen op wanneer u de sleutel naar "ON" draait of blijft het lampje branden, laat het elektrisch circuit dan door een Yamaha dealer controleren.
OPMERKING
Dit model is bovendien uitgerust met een zelfdiagnosesysteem voor het circuit van het waarschuwingslampje brandstofniveau. Als het waarschuwingscircuit voor het
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
brandstofniveau een probleem aangeeft, wordt de volgende cyclus herhaald totdat de storing is opgeheven: Het waarschuwingslampje brandstofniveau, de brandstofniveaumeter en de waarschuwingsindicator voor brandstofniveau knipperen acht keer en gaan dan gedurende 3.0 seconden uit. Als dit zich voordoet, vraag dan een Yamaha dealer de machine te controleren.
DAU11444
Waarschuwingslampje
koelvloeistoftemperatuur "F"
Dit waarschuwingslampje gaat branden als de motor oververhit raakt. Zet in zo'n geval de motor onmiddellijk af en geef deze de tijd om af te koelen.
Het elektrisch circuit voor het waarschuwingslampje controleert u door de sleutel naar "ON" te draaien. Het waarschuwingslampje moet enkele seconden oplichten en dan uitgaan.
Licht het waarschuwingslampje niet meteen op wanneer u de sleutel naar "ON" draait of blijft het lampje branden, laat het elektrisch circuit dan door een Yamaha dealer controleren.
DCA10021
LET OP
Laat de motor niet draaien terwijl deze oververhit is.
OPMERKING
- Bij machines met een of meer radiatorkoelvinnen schakelt de radiatorkoelvin automatisch in of uit op basis van de koelvloeistoftemperatuur in de radiator.
●Als de motor oververhit raakt, staan op pagina 6-39 nadere instructies vermeld.
DAU42774
Waarschuwingslampje motorstoring "☐"
Dit waarschuwingslampje gaat branden wanneer er een probleem wordt aangegeven in het elektrisch circuit dat de motor controleert. Vraag in dat geval een Yamaha dealer het zelfdiagnosesysteem te controleren. (Zie pagina 3-15 voor uitleg over de werking van het zelfdiagnosesysteem.) Het elektrisch circuit voor het waarschuwingslampje controleert u door de sleutel naar "ON" te draaien. Het waarschuwingslampje moet enkele seconden oplichten en dan uitgaan.
Licht het waarschuwingslampje niet meteen op wanneer u de sleutel naar "ON" draait of blijft het lampje branden, laat het elektrisch circuit dan door een Yamaha dealer controleren.
DAU39502
ABS-waarschuwingslampje “ Ⓞ ” Als het waarschuwingslampje tijdens het rijden gaat branden of knipperen, is het ABS-systeem mogelijk defect. Vraag in dat geval zo snel mogelijk een Yamaha dealer het systeem te controleren. (Zie pagina 3-19.)
DWA10081
WAARSCHUWING
Als het ABS-waarschuwingslampje tijdens het rijden gaat branden of knipperen, wordt alleen het conventionele remsysteem gebruikt. Wees dan voorzichtig en zorg dat de wielen tijdens plotseling remmen niet blokkeren. Als het waarschuwingslampje tijdens het rijden gaat branden of knipperen, vraag dan zo snel mogelijk een Yamaha dealer het remsysteem te controleren.
Het elektrisch circuit voor het waarschuwingslampje controleert u door de sleutel naar "ON" te draaien. Het waarschuwingslampje moet enkele seconden oplichten en dan uitgaan.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
Licht het waarschuwingslampje niet meteen op wanneer u de sleutel naar "ON" draait of blijft het lampje branden, laat het elektrisch circuit dan door een Yamaha dealer controleren.
DAU48520
Controlelampje schakelmoment
Dit controlelampje kan zo worden ingesteld dat het bij de gewenste motortoerentallen aan- of uitgaat en wordt gebruikt om aan te geven wanneer naar de volgende hogere versnelling moet worden geschakeld.
Het elektrisch circuit voor het controlelampje kan worden gecontroleerd door de sleutel naar "ON" te draaien. Het controlelampje moet enkele seconden oplichten en dan uitgaan.
Licht het controlelampje niet meteen op wanneer u de sleutel naar "ON" draait of blijft het lampje branden, laat het elektrisch circuit dan door een Yamaha dealer controleren. (Zie pagina 3-9 voor een uitgebreide uitleg over de functie van dit controlelampje en het instellen daarvan.)
DAU38623
Controlelampje startblokkering
Het elektrisch circuit voor het controlelampje kan worden gecontroleerd door de sleutel naar "ON" te draaien. Het controlelampje moet enkele seconden oplichten en dan uitgaan.
Licht het controlelampje niet meteen op wanneer u de sleutel naar "ON" draait of blijft het lampje branden, laat het elektrisch circuit dan door een Yamaha dealer controleren.
Als de sleutel naar "OFF" wordt gedraaid, begint het controlelampje na 30 seconden te knipperen om aan te geven dat het startblokkeersysteem is ingeschakeld. Het controlelampje stopt na 24 uur met knipperen, maar het startblokkeersysteem blijft ingeschakeld.
Dit model is ook uitgerust met een zelfdiagnosesysteem voor het startblokkeersysteem. (Zie pagina 3-15 voor uitleg over de werking van het zelfdiagnosesysteem.)
DAU46624
Snelheidsmeterunit

- Toerenteller
- Controlelampje schakelmoment
- Rode zone toerenteller
- Snelheidsmeter
Snelheidsmeter
OPMERKING
Voor Groot-Brittannië
U kunt schakelen tussen de kilometer- en mijlenweergave van de snelheidsmeter. Houd om tussen beide weergaven te schakelen de toets "SELECT" minstens twee seconden lang ingedrukt.
Op de stuurhouder bevinden zich de toetsen "SELECT" en "RESET".
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN

Met de toerenteller kan de bestuurder het motortoerental controleren en dit binnen het ideale bereik houden. Als de sleutel naar "ON" wordt gedraaid, slaat de naald van de toerenteller eenmaal helemaal uit tot het hoogste aantal toeren per minuut en keert daarna weer terug naar nul tpm om het elektrische circuit te testen.
DCA10031
LET OP
Laat de motor niet draaien terwijl de toerenteller in de rode zone wijst.
Rode zone: 9500 tpm en hoger
Controlelampje schakelmoment
Zie pagina 3-9 voor uitleg over en instellingen voor dit controlelampje.
DAU46587
Multifunctioneel display

Zet de machine stil voordat u wijzigingen aanbrengt in de instellingen van het multifunctionele display. Het aanbrengen van wijzigingen tijdens het rijden kan u afleiden en vergroot het risico op een ongeval.
Op de stuurhouder bevinden zich de toetsen "SELECT" en "RESET". Met deze toetsen kunt u de instellingen in het multifunctionele display beheren of wijzigen.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN

- "SELECT"-toets
- "RESET"-toets
Telkens wanneer de sleutel naar "ON" wordt gedraaid, wordt het multifunctionele display ingesteld op de normale modus.
Normale modus
De volgende functies zijn beschikbaar in de normale modus:
- een kilometerteller
•een klok - twee rittellers (die de afgelegde afstand aangeven sinds de tellers het laatst werden teruggesteld op nul)
- een ritteller voor brandstofreserve (die de afgelegde afstand aangeeft sinds het waarschuwingslampje brandstofreserve aanging)
●een brandstofniveaumeter - een indicator voor de ingeschakelde versnelling
●een temperatuurmeter koelvloeistof
- een voorziening voor zelfdiagnose

- Kilometerteller
- Klok
- Ritteller/ritteller brandstofreserve
- Waarschuwingsindicator koelvloeistoftemperatuur "E"
- Temperatuurmeter koelvloeistof
- Indicator ingeschakelde versnelling
- Waarschuwingsindicator brandstofniveau "☐"
- Brandstofniveaumeter
OPMERKING
Alleen voor Groot-Brittannië:
U kunt schakelen tussen de kilometer- en mijlenweergave van de snelheidsmeter en de kilometerteller/ritteller. Houd "SELECT" ten minste twee seconden ingedrukt om te
schakelen tussen de weergaven van de snelheidsmeter en de kilometerteller/rittel- ler.
Rittellers
Draai de sleutel naar "ON". Druk op "SELECT" om de weergave te schakelen tussen de rittellers "TRIP-1" en "TRIP-2", in de onderstaande volgorde:
TRIP-1 → TRIP-2 → TRIP-1
Als de hoeveelheid brandstof in de brandstoftank afneemt tot 3.9 L (1.03 US gal, 0.86 Imp.gal), gaat het waarschuwingslampje brandstofniveau knipperen en schakelt de ritteller automatisch naar de brandstofreserve-rittellermodus "TRIP-F", waarop de afgelegde afstand vanaf dat punt wordt aangegeven. Druk in dat geval op "SELECT" om in de onderstaande volgorde te schakelen tussen de diverse rittellers:
TRIP-F → TRIP-1 → TRIP-2 → TRIP-F
Als u met het voertuig blijft rijden na verschijning van de brandstofreserve-ritteller "TRIP-F", beginnen de brandstofniveaumeter en de waarschuwingsindicator brandstofniveau "☐" te knipperen.
Als u een ritteller op nul wilt terugstellen, selecteert u deze door op "SELECT" te drukken en vervolgens "RESET" ten minste 1 seconde lang ingedrukt te houden. Wanneer u de brandstofreserve-ritteller niet zelf
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
met de hand op nul terugstelt, wordt deze automatisch teruggesteld zodra na het tanken 5 km (3 mi) is gereden en wordt de vorige ritteller weergegeven.
Brandstofniveaumeter
De brandstofniveaumeter geeft aan hoeveel brandstof in de tank aanwezig is. Het weergegeven brandstofniveau daalt naar "E" (Empty) naarmate het brandstofniveau daalt. Als de hoeveelheid brandstof in de brandstoftank daalt naar 3.9 L (1.03 US gal, 0.86 Imp.gal), gaat het waarschuwingslampje brandstofniveau branden. Vul in dat geval zo snel mogelijk brandstof bij. Als u met het voertuig blijft rijden na verschijning van de brandstofreserve-ritteller "TRIP-F", beginnen de brandstofniveaumeter en de waarschuwingsindicator brandstofniveau "☐" te knipperen.
Indicator ingeschakelde versnelling
Deze indicator geeft aan welke versnelling is ingeschakeld. De vrijstand wordt aangegeven door "N" en door het vrijstandcontrolelampje.
Temperatuurmeter koelvloeistof
Met de contactsleutel in de stand "ON" geeft de temperatuurmeter voor koelvloeistof de temperatuur van de koelvloeistof aan. De
koelvloeistoftemperatuur is afhankelijk van de weersomstandigheden en de motorbelasting. Als het waarschuwingslampje koelvloeistoftemperatuur gaat branden en het bovenste segment en de waarschuwingsindicator voor koelvloeistoftemperatuur knipperen, stop de machine dan en laat de motor afkoelen. (Zie pagina 6-39.)
DCA10021
LET OP
Laat de motor niet draaien terwijl deze oververhit is.
Selectiemodus
De verschillende functies van dit multifunctionele display worden aangepast in de selectiemodus.
OPMERKING
- De versnellingsbak moet in de vrijstand staan als u instellingen in deze modus wilt wijzigen.
●Als een versnelling wordt ingeschakeld worden alle gemaakte instellingen opgeslagen. Vervolgens wordt de selectiemodus geannuleerd en wordt de normale modus weergegeven op alle schermen.
- Afhankelijk van het scherm worden door het indrukken van "RESET" instellingen opgeslagen of verandert de selectiemodus in de normale modus.
Houd "SELECT" en "RESET" tegelijkertijd ten minste drie seconden ingedrukt om de selectiemodus te openen.

In deze modus kunnen de volgende items worden ingesteld/aangepast:
●helderheid
●controlelampje schakelmoment
●klok
- stopwatch
●aftelklok
●systeemstatus
●onderhoudstellers
OPMERKING
Als u wilt terugkeren naar de normale modus, drukt u op "SELECT" om te bladeren naar "⚠" en drukt u vervolgens op "RESET".
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
De helderheid instellen
Met deze functie regelt u de helderheid van het toerentellerpaneel en snelheidsmeter ("Meter panel") (tellerpaneel), de naald van de toerenteller ("Needle") (naald) en het multifunctionele display ("Display") in overeenstemming met het aanwezige daglicht.
- Druk op "SELECT" om "Brightness" (Helderheid) te markeren.

- Druk op "RESET", druk vervolgens op "SELECT" om door de functies te bladeren en een item te markeren.

- Druk op "RESET". De segmenten van het helderheidsniveau voor het geselecteerde item gaan knipperen.
- Druk op "SELECT" om het gewenste helderheidsniveau te markeren.
-
Druk op "RESET" om het helderheidsniveau in te stellen.
-
Druk "SELECT" om te bladeren naar " ", druk vervolgens op "RESET" om terug te keren naar het vorige menu.
De instellingen van het controlelampje schakelmoment selecteren

- Controlelampje schakelmoment
Met deze functie kiest u of het controlelampje schakelmoment wordt geactiveerd en of het bij activering knippert of continu brandt.
- Druk op "SELECT" om "Shift light" (Schakellampje) te markeren.

-
Druk op "RESET".
-
Druk op "SELECT" om "Operation selection" (Werkingssselectie) te markeren.

- Druk op "RESET".
Druk op "SELECT" en markeer "On" (Aan) om het controlelampje te active-ren. Het controlelampje brandt continu na activering.

Druk op "SELECT" en markeer "Flash" (Knipperen) om het controlelampje te activeren. Het controlelampje gaat knipperen na activering.

Druk op "SELECT" en markeer "Off" (Uit) om het controlelampje te deactiveren. Het controlelampje brandt niet en gaat niet knipperen.

OPMERKING
Het controlelampje knippert elke twee seconden eenmaal om aan te geven dat het is gedeactiveerd. Het controlelampje gaat uit wanneer dit menu wordt afgesloten.
- Druk op "RESET" om de activiteit van het controlelampje schakelmoment in te stellen.
- Druk nogmaals op "RESET" om terug te keren naar het vorige menu.
Het toerental in relatie tot het controlelampje schakelmoment instellen
Met deze functie kiest u het motortoerental waarbij het controlelampje wordt geactiveerd en gedeactiveerd. U kunt alle versnellingen op hetzelfde activerings/deactiveringstoerental instellen of u kunt de versnellingen afzonderlijk instellen.
Druk op "SELECT" om "r/min setting" (Toe- rentalinstelling) te markeren en druk vervolgens op "RESET".

OPMERKING
Het controlelampje schakelmoment kan worden ingesteld om te worden geactiveerd tussen 3000 tpm en 10500 tpm en om te worden gedeactiveerd tussen 3500 tpm en 11000 tpm in stappen van 500 tpm.
Alle versnellingen op hetzelfde toerental in- stellen:
- Druk op "SELECT" om "All" (Alle) te markeren.

- Druk op "RESET"; "On" (Aan) wordt weergegeven.

-
Druk op "RESET" zodat de toerental- cijfers gaan knipperen.
-
Druk op "SELECT" om het motortoe- rental te markeren waarbij het contro- lelampje schakelmoment wordt geactiveerd.
- Druk op "RESET" om het geselecteer-de motortoerental in te stellen. "Off" (Uit) wordt gemarkeerd en de cijfers van het toerental gaan knipperen.
- Druk op "SELECT" om het motortoe- rental te markeren waarbij het contro- lelampje schakelmoment wordt gedeactiveerd.
- Druk op "RESET" om het geselecteerde motortoerental in te stellen.
- Druk nogmaals op "RESET" om terug te keren naar het vorige menu.
Het toerental voor elke versnelling afzonderlijk instellen:
- Druk op "SELECT" om versnellingen van "1st" (1e) tot en met "5th" (5e) te markeren, en druk vervolgens op "RESET".

- Als u drukt op "RESET" gaan de toerentalcijfers voor de gemarkeerde versnelling knipperen. Voer vervolgens de stappen 4–8 onder "Alle versnellin-
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
gen op hetzelfde toerental instellen:" uit om het toerental voor de afzonderlijke versnellingen in te stellen.
OPMERKING
Als u het toerental voor de afzonderlijke versnellingen hebt ingesteld en u kiest "All" (Alle), worden alle eerder ingestelde toerentallen voor afzonderlijke versnellingen teruggezet naar de standaardinstellingen 9000 (activering) en 11000 (deactivering).
- Druk "SELECT" om te bladeren naar " ", druk vervolgens op "RESET" om terug te keren naar het vorige menu.
De helderheid van het controlelampje schakelmoment instellen
Met deze functie regelt u de helderheid van het controlelampje schakelmoment.
- Druk op "SELECT" om "Brightness" (Helderheid) te markeren.

- Druk op "RESET" zodat de segmenten van het helderheidsniveau gaan knipperen.

- Druk op "SELECT" om het gewenste helderheidsniveau te markeren.
- Druk op "RESET" om het gewenste helderheidsniveau in te stellen.
- Druk op "RESET" om terug te keren naar het vorige menu.
- Druk op "SELECT" om te bladeren naar "☐" en druk vervolgens op "RES-ET". Op deze wijze kunt u een ander item in het menu selecteren.
De klok instellen
- Druk op "SELECT" om "Display" te markeren.

- Druk op "RESET". Het volgende scherm wordt weergegeven.

- Druk op "RESET" zodat de uuraanduiding gaat knipperen.
- Druk op "SELECT" om de uuraanduiding te verhogen.
- Druk op "RESET" zodat de minuten-aanduiding gaat knipperen.
- Druk op "SELECT" om de minuten-aanduiding te verhogen.
- Druk op "RESET" om de klok te starten.
- Druk nogmaals op "RESET" om terug te keren naar het vorige menu.
Alle functies voor helderheid en controle-lampje schakelmoment terugstellen:
Hiermee worden ALLE instellingen van de functies voor de helderheid en het controle-lampje schakelmoment teruggesteld.
- Druk op "SELECT" om "Display" te markeren.

- Druk op "RESET".
- Druk op "SELECT" om "All reset" (Alle terugstellen) te markeren.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN

- Druk op "RESET" en druk vervolgens op "SELECT" om "Yes" (Ja) te markeren.

- Druk op "RESET" om de waarden voor de helderheid en het controlelampje schakelmoment terug te stellen op de fabrieksinstelling. De weergave keert terug naar de normale modus.
OPMERKING
Als u verdere instellingen voor het multifunctionele display wilt uitvoeren, opent u de selectiemodus opnieuw door "SELECT" en "RESET" tegelijkertijd ten minste drie seconden ingedrukt te houden.
De stopwatch gebruiken
U kunt de stopwatch als volgt activeren.
- Druk op "SELECT" om "Stopwatch" te markeren.

-
Druk op "RESET".
-
Druk op "SELECT" om "Stopwatch" te markeren.

- Druk op "RESET".
Het multifunctionele display verandert in de normale modus en in plaats van de klok wordt nu de stopwatch weergegeven.

-
Druk op "SELECT" om de stopwatch te starten.
-
Druk op de startknop “☒” of op “SELECT” om de stopwatch te stoppen.
-
Druk op "RESET" om de stopwatch terug te stellen op nul.
OPMERKING
- Als gedurende een minuut noch op "SELECT" noch op "RESET" wordt gedrukt, verandert het scherm automatisch in de normale modus.
- Houd "RESET" ten minste twee seconden ingedrukt om het scherm te wijzigen in de normale modus.
- Als u verdere instellingen voor het multifunctionele display wilt uitvoeren, opent u de selectiemodus opnieuw door "SELECT" en "RESET" tegelijkertijd ten minste drie seconden ingedrukt te houden.
De aftelklok gebruiken:
U kunt de aftelklok als volgt activeren.
-
Druk op "SELECT" om "Stopwatch" te markeren.
-
Druk op "RESET".
-
Druk op "SELECT" om "Countdown" (Aftelling) te markeren.

- Druk op "RESET". Het multifunctionele display verandert in de normale modus, in plaats van de klok wordt nu de
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
stopwatch weergegeven en de indicator voor de ingeschakelde versnelling verandert in de aftelklok.

- Als u drukt op "SELECT" of in een versnelling schakelt, begint de aftelklok af te tellen vanaf "5". Tegelijkertijd knippert het controlelampje schakelmoment afhankelijk van het weergegeven aantal (als bijvoorbeeld "5" wordt weergegeven, knippert het controlelampje vijf maal, wanneer "4" wordt weergegeven, knippert het controlelampje 4 maal, enzovoort). De stopwatch begint te tellen wanneer de aftelklok het aftellen afrondt.
- Druk op de startknop “(☒)” of “SELECT” om de aftelklok te stoppen.
- Druk op "RESET" om de aftelklok en stopwatch terug te stellen op nul.
- Druk op "RESET" om de aftelklok terug te stellen en herhaal vervolgens de stappen 5–6, OF houd "RESET" nogmaals twee seconden lang ingedrukt om naar de normale modus te gaan.
OPMERKING
Zorg om verdere instellingen van het multifunctionele display uit te voeren dat de versnellingsbak in de vrijstand staat en keer terug naar de selectiemodus door "SELECT" en "RESET" ten minste drie seconden ingedrukt te houden.
De systeemstatus controleren en terugstellen op nul
De status/stand van de volgende items wordt weergegeven en u kunt de rittellers terugstellen op nul.
●rittellers en kilometerteller
- brandstofverbruik
●luchtaanzuigtemperatuur
●stand van gasklepopening
OPMERKING
-
U kunt het menu "System status" (System status) niet bekijken als het waarschuwingslampje brandstofniveau of koelvloeistoftemperatuur brandt.
●Als het waarschuwingslampje brandstofniveau of koelvloeistoftemperatuur gaat branden terwijl de motor loopt en het systeemstatusmenu wordt weergegeven, wordt automatisch de normale modus weergegeven. -
Druk op "SELECT" om "System status" (Systeemstatus) te markeren en druk vervolgens op "RESET".

- Druk op "SELECT" om "Yes" (Ja) te markeren en druk vervolgens op "RESET". (Markeer "No" (Nee) en druk op "RESET" om terug te keren naar het vorige menu.)

De weergave verandert in het status- scherm.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN

- Kilometerteller/ritteller/ritteller brandstofreserve
- Klok
- Huidig brandstofverbruik
- Weergave gasklepopening
- Indicator ingeschakelde versnelling
- Weergave luchtaanzuigtemperatuur
Druk op "SELECT" en de diverse rittellers en kilometerteller worden in de onderstaande volgorde weergegeven:
$$ \begin{array}{l} \text {(TRIP - F)} \to \text {TRIP - 1} \to \text {TRIP - 2} \to \text {ODO} \to \ \text {(TRIP - F)} \end{array} $$
Druk op "RESET" om een ritteller terug te stellen op nul.
OPMERKING
- Alleen voor Groot-Brittannië: Houd "SELECT" ten minste twee seconden ingedrukt om te schakelen tussen kilometers en mijlen.
- Druk op "RESET" om de normale modus gedurende vijf seconden weer te geven. Houd "SELECT" en "RESET" tegelijkertijd ten minste drie seconden ingedrukt om de weergave te wijzigen in de normale modus.
- Als u verdere instellingen voor het multifunctionele display wilt uitvoeren, opent u de selectiemodus opnieuw door "SELECT" en "RESET" tegelijkertijd ten minste drie seconden ingedrukt te houden.
De onderhoudstellers terugstellen op nul Met deze functie kunt u de onderhoudstellers voor de banden, de olie en een item naar keuze terugstellen op nul.
- Druk op "SELECT" om "Maintenance" (Onderhoud) te markeren.

- Druk op "RESET".
- Druk op "SELECT" om het item te markeren dat u wilt terugstellen op nul.

- Druk op "RESET" om het item terug te stellen op nul.
OPMERKING
- Het onderste gebied is leeg gelaten voor een ander item waarvoor de bestuurder de afstand wil controleren nadat dit is gewijzigd, vervangen of gecontroleerd (zoals het luchtfilterelement, motoronderdelen, enzovoort).
- Er kunnen geen letters en cijfers worden ingevoerd in het lege gebied.

- Druk op "SELECT" om te bladeren naar "A".
- Druk op "RESET" om terug te keren naar het vorige menu.
Zelfdiagnosesysteem

- Weergave foutcode
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
OPMERKING
Het display geeft foutcodes alleen weer in de normale modus.
Dit model is uitgerust met een zelfdiagnose- systeem voor diverse elektrische circuits.
Als in een van deze circuits een storing wordt gedetecteerd, gaat het waarschu-wingslampje motorstoring branden en geeft het display een foutcode weer.
DCA11590
LET OP
Wanneer het display een foutcode aangeeft, moet de machine zo spoedig mogelijk worden gecontroleerd om motorschade te voorkomen.
Het zelfdiagnosesysteem detecteert ook storingen in de circuits van het startblokkeersysteem.
Als in een van de circuits van het startblokkeersysteem een storing wordt gedetecteerd, knippert het controlelampje startblokkering en geeft het display een foutcode weer.
OPMERKING
Als het display foutcode 52 weergeeft, betreft dit mogelijk een storing in het transpondersignaal. Als deze fout zich voordoet, probeer dan het volgende.
- Start de motor met behulp van de codeersleutel.
OPMERKING
Houd andere startblokkeersleutels uit de buurt van het contactslot en bewaar niet meer dan één startblokkeersleutel aan dezelfde sleuteling! Startblokkeersleutels kunnen signaalstoring veroorzaken, waardoor de motor mogelijk niet kan worden ge- start.
- Als de motor start, zet deze dan weer uit en probeer hem opnieuw te starten met de standaardsleutels.
- Als de motor niet kan worden gestart met een of beide standaardsleutels, breng dan het voertuig, de codeersleutel en beide standaardsleutels naar een Yamaha dealer en laat de standaardsleutels opnieuw coderen.
Als het display foutcodes weergeeft, noteer deze dan en vraag een Yamaha dealer om het voertuig te controleren.
DAU12331
Antidiefstal-alarmsysteem (op-tie)
Dit model kan door een Yamaha dealer worden uitgerust met een optioneel antidiefstal-alarmsysteem. Neem contact op met een Yamaha dealer voor nadere informatie.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU12348
Stuurschakelaars
Links

- Lichtsignaalschakelaar "≡D"
- Dimlichtschakelaar "E0 10
- Schakelaar alarmverlichting " △"
- Claxonschakelaar "▶"
- Richtingaanwijzerschakelaar "
Rechts

Druk deze schakelaar in om de koplamp een lichtsignaal te laten afgeven.
DAU12350
DAU12400
Dimlichtschakelaar “≡D/≡D”
Zet deze schakelaar op "≡D" voor grootlicht en op "≡D" voor dimlicht.
Richtingaanwijzerschakelaar “ DAU12460
Druk deze schakelaar naar "→" om afslaan naar rechts aan te geven. Druk deze scha-
kelaar naar “◀” om afslaan naar links aan!
te geven. Na loslaten keert de schakelaar terug naar de middenstand. Om de richtingaanwijzers uit te schakelen wordt de schakelaar ingedrukt nadat hij is teruggekeerd in de middenstand.
DAU12500
Claxonschakelaar "▶"
Druk deze schakelaar in om een claxonsignaal te geven.
DAU12660
Noodstopschakelaar “∩/⊗”
Zet deze schakelaar voor u de motor start op "○". Zet deze schakelaar op "×" om de motor direct uit te schakelen in een noodgeval, zoals wanneer de machine omslaat of als de gaskabel blijft hangen.
DAU12711
Startknop “ ≡”
Druk deze knop in om via de startmotor de motor rond te draaien. Zie pagina 5-1 voor startinstructies voordat u de motor start.
DAU42340
Het waarschuwingslampje voor motorstoring en het ABS-waarschuwingslampje gaan branden als de sleutel naar "ON" wordt gedraaid en de startknop wordt ingedrukt. Dit wijst echter niet op een storing.
DAU12733
Schakelaar alarmverlichting "△"
Met de sleutel in de stand "ON" of "p≤" kan deze schakelaar worden gebruikt voor het inschakelen van de alarmverlichting (gelijktijdig knipperen van alle richtingaanwijzers). De alarmverlichting wordt gebruikt in een noodgeval of om andere verkeersdeelnemers te waarschuwen als uw machine stilstaat in een mogelijk gevaarlijke verkeerssituatie.
DCA10061
LET OP
Gebruik de alarmverlichting niet gedurende langere tijd als de motor niet draait omdat hierdoor de accu kan ontladen.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
Koppelingshendel
DAU12B30

- Koppelingshendel
- Stelwiel voor afstelpositie koppelingshendel
- Pijlteken
- Afstand tussen koppelingshendel en stuur- greep
De koppelingshendel bevindt zich aan de linkerstuurgreep. Trek de hendel naar het stuur toe om de koppeling te ontkoppelen. Laat de hendel los om de koppeling te laten aangrijpen. Voor een soepele werking van de koppeling moet de hendel snel ingetrokken worden en langzaam worden losgelaten.
De koppelingshendel is voorzien van een stelwiel voor het instellen van de stand van de koppelingshendel. Verstel de afstand tussen de koppelingshendel en de stuurgreep door het stelwiel te verdraaien terwijl de hendel van het stuur vandaan wordt ge-
houden. Controleer of het correcte instelpunt op het stelwiel tegenover het pijlteken op de koppelingshendel staat. De koppelingshendel is voorzien van een sperschakelaar die deel uitmaakt van het startspersysteem. (Zie pagina 3-31.)
DAU12870
Schakelpedaal

Het schakelpedaal bevindt zich aan de linkerzijde van de motor en wordt in combinatie met de koppelingshendel gebruikt bij het schakelen van de versnellingen van de 5-traps constant-mesh versnellingsbak op deze motorfiets.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU33851
DAU12941
DAU46391
Remhendel

- Remhendel
- Stelknop voor afstelpositie van remhendel
- "△" -merkteken
- Afstand tussen remhendel en stuurgreep
De remhendel bevindt zich aan de rechterstuurgreep. Trek de hendel naar het stuur toe om de voorrem te bekrachtigen.
De remhendel is voorzien van een stelknop voor de positie van de remhendel. Om de afstand tussen de remhendel en de stuurgreep af te stellen, wordt de stelknop gedraaid terwijl de hendel van het stuur vandaan wordt gehouden. Als de gewenste positie is bereikt, stel deze dan in door een groef op de stelknop uit te lijnen met het merkteken "△" op de remhendel.
Rempedaal

Het rempedaal bevindt zich aan de rechterzijde van de motorfiets. Trap op het rempedaal om de achterrem te bekrachtigen.
ABS
Het Yamaha ABS (anti-blokkeervoorziening remsysteem) bestaat uit een dubbel uitgevoerd elektronisch regelsysteem dat de voorrem en achterrem onafhankelijk aanstuurt. Het ABS wordt bewaakt door een ECU, die in geval van een storing zal terugvallen op handmatig remmen.
DWA10090
WAARSCHUWING
- Het ABS-systeem functioneert het meest effectief over lange remwegen.
-Op sommige wegtypen (ruw wegdek of grint) kan de remweg langer zijn dan bij remmen zonder ABS. Houd daarom steeds voldoende afstand tot uw voorligger, afgestemd op uw rijsnelheid.
OPMERKING
●Wanneer ABS is geactiveerd, worden de remmen op de gebruikelijke wijze bediend. In de remhendel of het rempedaal kunnen pulsaties worden gevoeld, maar dat duidt niet op een storing.
●Dit ABS-systeem is uitgerust met een testfunctie, waarbij de bestuurder de pulsaties kan voelen in het rempedaal
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
of in de remhendel terwijl ABS actief is. Er is echter speciaal gereedschap vereist, dus neem voor het uitvoeren van deze test contact op met uw Yamaha dealer.
DCA16120
LET OP
Houd alle soorten magneten (inclusief magneetgrijpers, magnetische schroevendraaiers etc.) uit de buurt van de voorste en achterste wielnaven. Anders kunnen de magnetische rotors van de wielnaven beschadigd raken, waardoor het ABS-systeem niet meer goed werkt.

- Voorste wielnaaf

- Achterste wielnaaf
DAU46850
Tankdop
Om de tankdop te verwijderen
- Trek aan de ontgrendelingshendel van de rugsteun van het bestuurderszadel aan de linkerzijde van de machine zoals afgebeeld. De rugsteun schuift naar voren.

- Ontgrendelingshendel rugsteun bestuurderszadel
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN

-
Rugsteun bestuurderszadel
-
Steek de sleutel in het slot en draai deze daarna een kwartslag rechtsom. Het slot wordt ontgrendeld en de tankdop kan worden verwijderd.

- Ontgrendelen.
Om de tankdop aan te brengen
- Breng de tankdop aan in de vulopening van de brandstoftank, met de sleutel in het slot en met het merkteken op de dop in een lijn met het merkteken op de tank.

-
Lijn merktekens uit
-
Draai de sleutel linksom naar de oorspronkelijke positie en neem deze dan uit.
- Plaats de rugsteun terug in de oorspronkelijke positie.
OPMERKING
De tankdop kan alleen worden aangebracht met de sleutel in het slot. Bovendien kan de sleutel niet worden uitgenomen als de tankdop niet correct aangebracht en vergrendeld is.
DWA10131
WAARSCHUWING
Controleer voor u gaat rijden of de tankdop correct is aangebracht. Door brandstoflekkage ontstaat brandgevaar.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU13212
Brandstof
Controleer of er voldoende brandstof in de brandstoftank aanwezig is.
DWA10881
WAARSCHUWING
Benzine en benzinedampen zijn zeer brandbaar. Volg de onderstaande instructies om brand en ontploffing te voorkomen en het letselrisico tijdens het tanken te verlagen.
- Zet alvorens te tanken de motor af en zorg dat er niemand op de machine zit. Rook nooit tijdens het tanken en tank nooit in de nabijheid van vonken, open vuur of andere ontstekingsbronnen zoals de waakvlammen van geisers en kledingdrogers.
- Maak de brandstoftank niet te vol. Stop met vullen zodra de brandstof de onderkant van de vulhals heeft bereikt. Omdat brandstof uitzet als deze warm wordt, kan de warmte van de motor of de zon ervoor zorgen dat brandstof uit de brandstoftank stroomt.

-
Vulpijp brandstoftank
-
Maximaal brandstofniveau
-
Veeg uitgestroomde brandstof onmiddellijk af. LET OP: Veeg gemorste brandstof onmiddellijk af met een schone, droge, zachte doek, aangezien de brandstof de gelakte oppervlakken en kunststof delen kan aantasten. [DCA10071]
-
Draai de tankdop stevig vast.
DWA1S151
WAARSCHUWING
Benzine is giftig en kan letsel of overlijden veroorzaken. Spring zorgvuldig om met benzine. Probeer nooit om benzine via de mond over te hevelen. Roep onmiddellijk medische hulp in nadat u benzine heeft ingeslikt, veel benzinedamp heeft ingeademd of benzine in uw ogen heeft gekregen. Als benzine op uw huid
terechtkomt, was deze dan af met water en zeep. Als u benzine op uw kleding morst, trek dan andere kleding aan.
DAU13390
Voorgeschreven brandstof:
UITSLUITEND LOODVRIJE SU- PERBENZINE
Inhoud brandstoftank:
15.0 L (3.96 US gal, 3.30 Imp.gal) Hoeveelheid reservebrandstof (als het waarschuwingslampje brandstofniveau gaat branden):
3.9 L (1.03 US gal, 0.86 Imp.gal)
DCA11400
LET OP
Gebruik uitsluitend loodvrije benzine. Loodhoudende benzine veroorzaakt ernstige schade aan inwendige motoronderdelen als kleppen en zuigerveren en ook aan het uitlaatsysteem.
Uw Yamaha motorblok is gebouwd op het gebruik van loodvrije superbenzine met een octaangetal van RON 95 of hoger. Als de motor gaat detoneren (pingelen), gebruik dan benzine van een ander merk. Door
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
loodvrije benzine te gebruiken gaan bougies langer mee en blijven de onderhoudskosten beperkt.
DAU39451
Tankbeluchtingsslang/overloop- slang

Alvorens de motorfiets te gebruiken:
- Controleer de aansluiting van de tankbeluchtingsslang/overloopslang.
- Controleer de tankbeluchtings- slang/overloopslang op scheuren of beschadiging en vervang indien nodig.
- Controleer of het uiteinde van de tank-beluchtingsslang/overloopslang niet verstopt is en reinig indien nodig.
DAU13445
Uitlaatkatalysatoren
Dit voertuig is uitgerust met uitlaatkatalysa- toren in het uitlaatsysteem.
DWA10862
WAARSCHUWING
Het uitlaatsysteem is heet nadat de motor heeft gedraaid. Let op het volgende om brandgevaar of brandwonden te voorkomen:
●Parkeer de machine nooit nabij brandgevaarlijke stoffen, zoals op gras of op ander materiaal dat gemakkelijk vlam vat.
●Parkeer de machine op een plek waar voetgangers of kinderen niet gemakkelijk met het hete uitlaatsysteem in aanraking kunnen komen.
- Controleer of het uitlaatsysteem is afgekoeld alvorens onderhoudswerkzaamheden uit te voeren.
●Laat de motor niet langer dan enkele minuten stationair draaien. Lang stationair draaien kan leiden tot oververhitting.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DCA10701
DAU46840
LET OP
Gebruik uitsluitend loodvrije benzine. Bij gebruik van loodhoudende benzine zal onherstelbare schade worden toegebracht aan de uitlaatkatalysator.
Zadels
Bestuurderszadel
Verwijderen van het bestuurderszadel
- Trek aan de ontgrendelingshendel van de rugsteun van het bestuurderszadel aan de linkerzijde van de machine zoals afgebeeld. De rugsteun schuift naar voren.

- Rugsteun bestuurderszadel
- Verwijder de bouten en trek dan het bestuurderszadel los.

- Ontgrendelingshendel rugsteun bestuurderszadel

Aanbrengen van het bestuurderszadel
- Steek het uitsteeksel aan de voorzijde van het bestuurderszadel in de zadelbevestiging, zoals getoond in de afbeelding.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN

- Uitsteeksel
- Zadelbevestiging
- Plaats het bestuurderszadel in de oorspronkelijke positie en draai dan de bouten vast.
OPMERKING
Controleer of het bestuurderszadel stevig is vergrendeld alvorens te gaan rijden.
3. Plaats de rugsteun terug in de oorspronkelijke positie.
Duozadel
Verwijderen van het duozadel
- Trek aan de ontgrendelingshendel van de rugsteun van het bestuurderszadel aan de linkerzijde van de machine zoals afgebeeld. De rugsteun schuift naar voren.

- Ontgrendelingshendel rugsteun bestuurderszadel
- Verwijder de bouten en trek daarna het duozadel los.

Aanbrengen van het duozadel
- Steek het uitsteeksel van het duozadel in de houder, zie de afbeelding.

- Uitsteeksel
-
Zadelbevestiging
-
Plaats het duozadel in de oorspronke- lijke positie en breng daarna de bouten aan.
- Plaats de rugsteun terug in de oorspronkelijke positie.
OPMERKING
Controleer of het duozadel stevig is vergrendeld alvorens te gaan rijden.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
Voorvork afstellen
DAU14732
DWA10180
WAARSCHUWING
Geef beide vorkpoten steeds dezelfde afstelling, anders kan slecht weggedrag en verminderde rijstabiliteit het gevolg zijn.
Deze voorvork is voorzien van stelbouten voor veervoorspanning, stelknoppen voor uitgaande demping en stelschroeven voor ingaande demping.
DCA10101
LET OP
Probeer nooit voorbij de maximum- of minimuminstellingen te draaien om schade aan het mechanisme te voorkomen.
Veervoorspanning

- Stelbout veervoorspanning
Draai om de veervoorspanning te verhogen en zo de vering stugger te maken de stelbout op beide vorkpoten in de richting (a). Draai om de veervoorspanning te verlagen en zo de vering zachter te maken de stelbout op beide vorkpoten in de richting (b). Breng de gewenste groef op het stelmechanisme in lijn met het bovenvlak van de vorkplug.

- Huidige instelling
- Vorkplug
Afstelling veervoorspanning:
Minimum (zacht):
5
Standaard:
4
Maximum (hard):
1
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
Uitgaande demping

- Stelknop voor uitveerdemping
Draai om de uitgaande demping te verhogen en zo de vering stugger te maken de stelknop op beide vorkpoten in de richting (a). Draai om de uitgaande demping te verlagen en zo de vering zachter te maken de stelknop op beide vorkpoten in de richting (b).
Ingaande demping

- Stelschroef voor inveerdemping
Draai om de ingaande demping te verhogen en zo de vering stugger te maken de stelschroef op beide vorkpoten in de richting (a). Draai om de ingaande demping te verlagen en zo de vering zachter te maken de stelschroef op beide vorkpoten in de richting (b).
OPMERKING
Door geringe productie-afwijkingen zal het totaal aantal klikken van een instelmechanisme voor veerdemping niet altijd exact met bovenstaande specificaties overeenkomen; het werkelijke aantal klikken vormt echter wel altijd het complete afstelbereik. Voor een precieze afstelling is het aan te raden het aantal klikken van elk veerdempingsinstelmechanisme te controleren en de specificaties dienovereenkomstig aan te passen.
Afstelling uitgaande demping:
Minimum (zacht):
17 klik(ken) in de richting (b)*
Standaard:
12 klik(ken) in de richting (b)*
Maximum (hard):
1 klik(ken) in de richting (b)*
* Met de stelknop volledig gedraaid in de richting (a)
Afstelling ingaande demping:
Minimum (zacht):
20 klik(ken) in de richting (b)*
Standaard:
12 klik(ken) in de richting (b)*
Maximum (hard):
1 klik(ken) in de richting (b)*
* Met de stelschroef volledig gedraaid in de richting (a)
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU46492
Schokdemperunit afstellen
Deze schokdemperunit is uitgerust met een stelknop voor veervoorspanning en met stelknoppen voor in- en uitgaande demping.
DCA10101
LET OP
Probeer nooit voorbij de maximum- of minimuminstellingen te draaien om schade aan het mechanisme te voorkomen.
Veervoorspanning

- Stelknop veervoorspanning

Draai om de veervoorspanning te verhogen en zo de vering stugger te maken de stelknop in de richting (a). Draai om de veervoorspanning te verlagen en zo de vering zachter te maken de stelknop in de richting (b).
OPMERKING
Zet het betreffende merkteken op het afstelmechanisme recht tegenover het uiteinde van de stelknop.
Afstelling veervoorspanning:
Minimum (zacht):
11
Standaard:
6
Maximum (hard):
1
Uitgaande demping

- Stelknop voor uitveerdemping
Draai om de uitgaande demping te verhogen en zo de vering stugger te maken de stelknop in de richting (a). Draai om de uitgaande demping te verlagen en zo de vering zachter te maken de stelknop in de richting (b).
Afstelling uitgaande demping:
Minimum (zacht):
20 klikken in de richting (b)*
Standaard:
12 klikken in de richting (b)*
Maximum (hard):
3 klikken in de richting (b)*
* Met de stelknop volledig gedraaid in de richting (a)
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
Ingaande demping

- Stelknop voor inveerdemping
Draai om de ingaande demping te verhogen en zo de vering stugger te maken de stelknop in de richting (a). Draai om de ingaande demping te verlagen en zo de vering zachter te maken de stelknop in de richting (b).
Afstelling ingaande demping:
Minimum (zacht):
12 klikken in de richting (b)*
Standaard:
10 klikken in de richting (b)*
Maximum (hard):
1 klikken in de richting (b)*
* Met de stelknop volledig gedraaid in de richting (a)
OPMERKING
Om een nauwkeurige afstelling te bereiken, is het raadzaam om het aantal klikken of slagen te tellen waarmee elk afstelmechanisme van de demping wordt verdraaid. Het kan voorkomen dat dit afstelbereik vanwege kleine productieverschillen niet exact overeenkomt met de opgegeven specificaties.
DWA10221
WAARSCHUWING
Deze schokdemperunit is gevuld met stikstofgas onder hoge druk. Lees de onderstaande informatie zorgvuldig door alvorens werkzaamheden uit te voeren aan de schokdemperunit.
●Probeer de gascilinder niet te openen en blijf er verder vanaf.
- Stel de schokdemperunit niet bloot aan open vuur of een andere hittebron. Hierdoor kan de gasdruk zo hoog oplopen dat de unit explodeert.
- Voorkom vervorming of beschadigging van de cilinder. Schade aan de cilinder zal resulteren in slechte dempingsprestaties.
●Werp een beschadigde of versleten schokdemperunit niet zelf weg. Breng de schokdemperunit voor elk onderhoud naar een Yamaha-dealer.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU15210
DAU41941
- Bagageriembevestiging
Er zijn vier bevestigingspunten voor de bagageriemen: een aan beide passagiersvoetsteunen en twee onder het passagierszadel.
EXUP-systeem
Dit model is uitgerust met het Yamaha EXUP-systeem (regelsysteem voor uitlaat-druk). Dit systeem verhoogt het motorver-mogen door een klep die de binnendiameter van de uitlaatpijp reguleert. De stand van de EXUP-klep wordt door een computergestuurde servomotor constant aangepast overeenkomstig het motortoe- rental.
DCA15610
LET OP
Het EXUP-systeem werd afgesteld en uitgebreid getest op de Yamaha fabriek. Als deze afstellingen worden gewijzigd zonder dat voldoende technische kennis aanwezig is, kan de werking van de motor achteruitgaan of wordt de motor beschadigd.
DAU15303
Zijstandaard
De zijstandaard bevindt zich aan de linkerzijde van het frame. Trek of druk de zijstandaard met uw voet omhoog of omlaag terwijl u de machine rechtop houdt.
OPMERKING
De ingebouwde sperschakelaar voor de zijstandaard maakt deel uit van het startspersysteem, dat in bepaalde situaties de werking van het ontstekingssysteem blokkeert. (Zie pagina 3-31 voor een uitleg over het startspersysteem.)
DWA10240
WAARSCHUWING
Met de machine mag nooit worden gere- den terwijl de zijstandaard omlaag staat of niet behoorlijk kan worden opgetrok- ken (of niet omhoog blijft), anders kan de zijstandaard de grond raken en zo de be- stuurder afleiden, waardoor de machine mogelijk onbestuurbaar wordt. Het Yamaha startspersysteem is ontworpen om de bestuurder te helpen bij zijn ver- antwoordelijkheid de zijstandaard op te trekken alvorens weg te rijden. Contro- leer dit systeem daarom regelmatig zo-
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
als hierna beschreven en laat het repareren door een Yamaha dealer als de werking niet naar behoren is.
DAU44892
Startspersysteem
Het startspersysteem (waarvan de zijstandaardschakelaar, de koppelingshendelschakelaar en de vrijstandschakelaar deel uitmaken) heeft de volgende functies.
- Het verhindert starten wanneer de versnellingsbak in een versnelling is geschakeld en de zijstandaard is opgeklapt, terwijl de koppelingshendel niet is ingetrokken.
- Het verhindert starten wanneer de versnellingsbak in een versnelling is geschakeld en de koppelingshendel is ingetrokken, terwijl de zijstandaard nog omlaag staat.
- Het schakelt een draaiende motor uit wanneer de versnellingsbak in een versnelling staat en de zijstandaard omlaag wordt bewogen.
Controleer de werking van het startspersysteem regelmatig volgens de onderstaande procedure.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN

flowchart
graph TD
A["Start de motor?"] --> B["JA NEE"]
B --> C["Met de motor uit:<br>1. Beweeg de zijstandaard omlaag.<br>2. De motorstopknop moet in de stand "O" staan.<br>3. Draai de sleutel naar aan.<br>4. Schakel de versnellingsbak in de vrijstand.<br>5. Druk op de startknop.<br>Start de motor?"]
C --> D["De vrijstandschakelaar werkt mogelijk niet goed.<br>Rijd niet met de motorfiets voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
D --> E["Alst de motor af?"]
E --> F["JA NEE"]
F --> G["Als de motor is afgeslagen:<br>10. Beweeg de zijstandaard omhoog.<br>11. Knijp de koppelingshendel in en houd deze vast.<br>12. Druk op de startknop.<br>Start de motor?"]
G --> H["De koppelingsschakelaar werkt mogelijk niet goed.<br>Rijd niet met de motorfiets voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
H --> I["HAAT vanlaarschukwing"]
I --> J["Ja NEE"]
J --> K["Het systeem is in orde. De motorfiets mag worden gebruikt."]
VOOR UW VEILIGHEID – CONTROLES VOOR HET RIJDEN
DAU15596
Inspecteer uw machine voor elk gebruik om te waarborgen dat deze in een veilige werkende staat is. Volg altijd de schema's en procedures voor inspectie en onderhoud in de gebruikershandleiding.
DWA11151
WAARSCHUWING
Onvoldoende inspectie of onderhoud van de machine vergroot het risico op ongeval of schade. Rijd niet met de machine als u een probleem hebt gevonden. Als een probleem niet kan worden opgelost via de procedures in deze handleiding, laat de machine dan nazien door een Yamaha dealer.
Controleer voor het gebruik van deze machine de volgende punten:
| ITEM CONTROLES PAGINA | ||
| Brandstof | Controleer het brandstofniveau in de brandstoftank.Vul indien nodig brandstof bij.Controleer de brandstofleiding op lekkage.Controleer de tankbeluchtingsslang/overloopslang op obstakels, scheuren of beschadiging en controleer de slangaansluiting. | 3-22, 3-23 |
| Motorolie | Controleer het olieniveau in de motor.Vul indien nodig het aanbevolen type olie bij tot aan het voorgeschreven niveau.Controleer de machine op olielekkage. | 6-10 |
| Cardanolie • Controleer de machine op olielekkage. 6-13 | ||
| Koelvloeistof | Controleer het koelvloeistofniveau in het reservoir.Vul indien nodig de aanbevolen koelvloeistof bij tot aan het voorgeschreven niveau.Controleer het koelsysteem op lekkage. | 6-15 |
VOOR UW VEILIGHEID – CONTROLES VOOR HET RIJDEN
| ITEM CONTROLES | PAGINA | |
| Voorrem | Controleer de werking.Als de koppeling zacht of sponzig aanvoelt, vraag dan een Yamaha dealer het hydraulisch systeem te ontluchten.Controleer de remblokken op slijtage.Vervang indien nodig.Controleer het vloeistofniveau in het reservoir.Vul indien nodig het aanbevolen type remvloeistof bij tot aan het voorgeschreven niveau.Controleer het hydraulisch systeem op lekkage. | 6-23, 6-24 |
| Achterrem | Controleer de werking.Als de koppeling zacht of sponzig aanvoelt, vraag dan een Yamaha dealer het hydraulisch systeem te ontluchten.Controleer de remblokken op slijtage.Vervang indien nodig.Controleer het vloeistofniveau in het reservoir.Vul indien nodig het aanbevolen type remvloeistof bij tot aan het voorgeschroven niveau.Controleer het hydraulisch systeem op lekkage. | 6-23, 6-24 |
| Koppeling | Controleer de werking.Als de koppeling zacht of sponzig aanvoelt, vraag dan een Yamaha dealer het hydraulisch systeem te ontluchten.Controleer het hydraulisch systeem op lekkage. | 6-22 |
| Gasgreep | Controleer of de werking soepel is.Controleer de vrije slag van de kabel.Vraag indien nodig de Yamaha dealer om de vrije slag van de kabel af te stellen, en de kabel en het kabelhuis te smeren. | 6-19, 6-26 |
| Bedieningskabels | Controleer of de werking soepel is.Smeer indien nodig. | 6-25 |
| Wielen en banden | Controleer op schade.Controleer de conditie van de band en de profieldiepte.Controleer de bandspanning.Corrigeer indien nodig. | 6-19, 6-22 |
VOOR UW VEILIGHEID – CONTROLES VOOR HET RIJDEN
| ITEM CONTROLES | PAGINA | |
| Rem- en schakelpedalen | Controleer of de werking soepel is.Smeer indien nodig de pedaalscharnierpunten. | 6-26 |
| Rem- en koppelingshendels | Controleer of de werking soepel is.Smeer indien nodig de hendelscharnierpunten. | 6-27 |
| Zijstandaard | Controleer of de werking soepel is.Smeer indien nodig het scharnierpunt. | 6-27 |
| Framebevestigingen | Controleer of alle moeren, bouten en schroeven stevig zijn vastgezet.Zet indien nodig vast. | — |
| Instrumenten, verlichting, signaleringssysteem en schakelaars | Controleer de werking.Corrigeer indien nodig. | — |
| Zijstandaardschakelaar | Controleer de werking van het startspersysteem.Als het systeem niet correct werkt, vraag dan een Yamaha dealer de machine te controleren. | 3-30 |
GEBRUIK EN BELANGRIJKE RIJ-INFORMATIE
DAU15951
DAU48710
DAU46532
Lees de gebruikershandleiding zorgvuldig door om u vertrouwd te maken met alle bedieningselementen. Als u de werking van een functie of bedieningselement niet begrijpt, vraag dan uw Yamaha dealer om uitleg.
DWA10271
WAARSCHUWING
Een onvoldoende vertrouwdheid met de bedieningselementen kan leiden tot verlies van de controle, met mogelijk een ongeval of letsel tot gevolg.
OPMERKING
Dit model is uitgerust met:
- een hellingshoeksensor, waarbij de motor afslaat bij kanteling. In dat geval wordt op het multifunctionele display foutcode 30 weergegeven, maar dit betreft geen storing. Draai de sleutel naar "OFF" en vervolgens naar "ON" om de foutcode te wissen. Als u dat niet doet zal de motor niet starten, ondanks dat de motor wordt aangezwengeld als u op de startknop drukt.
- een automatische motorstop. De motor stopt automatisch als deze 20 minuten stationair draait. Als de motor stopt, druk dan simpelweg op de startknop om de motor opnieuw te starten.
Starten van de motor
Door het startspersysteem is starten alleen mogelijk als aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:
- De versnellingsbak staat in de vrijstand.
- De versnellingsbak staat in een versnelling geschakeld terwijl de koppelingshendel is ingetrokken en de zijstandaard is opgeklapt.
Zie pagina 3-31 voor meer informatie.
- Draai de contactsleutel naar "ON" en controleer of de noodstopschakelaar op "○" is gezet.
De volgende waarschuwingslampjes en controlelampjes moeten enkele seconden oplichten en dan uitgaan.
●Waarschuwingslampje olieniveau
●Waarschuwingslampje brand-stofniveau
●Waarschuwingslampje koelvloeistoftemperatuur
●Waarschuwingslampje motorstoring
●ABS-waarschuwingslampje
●Controlelampje schakelmoment
●Controlelampje startblokkering
GEBRUIK EN BELANGRIJKE RIJ-INFORMATIE
DCA11833
LET OP
Als een waarschuwings- of controle-lampje niet gaat branden wanneer de sleutel naar "ON" wordt gedraaid, of wanneer een waarschuwings- of controle-lampje niet dooft, zie dan pagina 3-3 voor een controle van het circuit van het betreffende waarschuwings- of controle-lampje.
- Schakel de versnellingsbak in de vrijstand. (Zie pagina 5-2.) Het vrijstand-controlelampje moet gaan branden. Als dit niet gebeurt, vraag dan een Yamaha dealer het elektrische circuit na te kijken.
- Start de motor door de startknop in te drukken. LET OP: Trek voor een maximale levensduur van de motor nooit hard op als de motor koud is! [DCA11041]
Als de motor niet wil starten, laat dan de startknop los, wacht een paar se- conden en probeer het dan opnieuw. ledere startpoging moet zo kort mogelijk duren om de accu te sparen. Laat de startmotor nooit langer dan 10 se- conden achtereen draaien.
DAU16671
Schakelen

- Schakelpedaal
- Vrijstand
Door de versnellingen te schakelen kunt u het beschikbare motorvermogen doseren bij het wegrijden, optrekken, tegen een helling oprijden etc.
De schakelstanden worden getoond in de afbeelding.
OPMERKING
Om de versnellingsbak in de vrijstand te schakelen wordt het schakelpedaal enkele malen ingetrapt totdat het einde van de slag bereikt is, waarna het pedaal iets wordt opgetrokken.
DCA10260
LET OP
●Rijd niet lange tijd met afgezette motor, ook niet met de versnellingsbak in de vrijstand, en sleep de motorfiets niet over lange afstanden. De versnellingsbak wordt alleen afdoende gesmeerd terwijl de motor draait. Door onvoldoende smering kan de versnellingsbak worden beschadigd.
- Gebruik altijd de koppeling om de versnellingsbak te schakelen om zo schade aan de motor, de versnellingsbak en de aandrijving te voorkomen; door hun constructie zijn deze niet bestand tegen de schokken die optreden bij belast schakelen.
GEBRUIK EN BELANGRIJKE RIJ-INFORMATIE
DAU16B10
Tips voor een zuinig brandstof-verbruik
Het brandstofverbruik is vooral afhankelijk van uw rijstijl. Hierna volgen enkele tips om het brandstofverbruik te verlagen:
●Schakel snel en soepel door en vermijd hoge toerentallen terwijl u accele-reert.
- Geef geen gas tijdens het terugschakelen en voorkom dat de motor onbelast met een hoog toerental draait.
●Laat de motor niet langdurig stationair draaien maar zet hem af (bijvoorbeeld in files, bij stoplichten of bij spoorweg-overgangen).
DAU16841
Inrijperiode
De belangrijkste periode in de levensduur van het motorblok is de tijd tussen 0 en 1600 km (1000 mi). Lees daarom de volgende informatie aandachtig door.
Omdat het motorblok gloednieuw is, mag dit de eerste 1600 km (1000 mi) niet te zwaar worden belast. De verschillende onderdelen van de motor slijten op elkaar in totdat de juiste bedrijfsspelingen zijn bereikt. Rijd tijdens deze periode nooit langdurig volgas en vermijd ook andere manoeuvres die tot oververhitting van de motor kunnen leiden.
DAU17123
1600 km (1000 mi) en verder
De machine kan nu normaal worden gebruikt.
DCA10310
LET OP
- Voer het toerental niet zover op dat de toerenteller in de rode zone wijst.
- Als tijdens de inrijperiode motor-schade optreedt, vraag dan direct een Yamaha dealer de machine te controleren.
0–1000 km (0–600 mi)
Laat de motor niet langdurig meer dan 4800 tpm maken. LET OP: Na 1000 km (600 mi) moeten de motorolie en de eindoverbrengingsolie worden ververst en moet de oliefilterpatroon of het oliefilterelement worden vervangen. [DCA10332]
1000–1600 km (600–1000 mi)
Laat de motor niet langdurig meer dan 5700 tpm draaien.
GEBRUIK EN BELANGRIJKE RIJ-INFORMATIE
DAU17213
Parkeren
Zet om te parkeren de motor af en neem dan de sleutel uit het contactslot.
DWA10311
WAARSCHUWING
- De motor en het uitlaatsysteem kunnen zeer heet worden, parkeer dus op een plek waar voetgangers of kinderen niet gemakkelijk met deze onderdelen in aanraking kunnen komen en brandwonden kunnen oplopen.
●Parkeer nooit op een helling of een zachte ondergrond, hierdoor kan de machine kantelen met mogelijk brandstoflekkage en brand tot gevolg.
●Parkeer niet nabij gras of andere brandbare materialen die vlam zouden kunnen vatten.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU17241
DWA15121
Door periodiek inspecties, afstellingen en smeerbeurten uit te laten voeren, zorgt u ervoor dat uw machine in zo veilig en efficiënt mogelijke conditie blijft. De eigenaar/bestuurder van de machine is verplicht de optimale veiligheid te waarborgen. Op de volgende pagina's wordt de belangrijkste informatie met betrekking tot inspecties, afstellingen en smeerbeurten gegeven.
De intervalperioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema moeten worden beschouwd als een algemene richtlijn onder normale rijcondities. Het is echter mogelijk dat de intervalperioden voor onderhoud moeten worden verkort afhankelijk van het weer, het terrein, de geografische locatie en individueel gebruik.
DWA10321
WAARSCHUWING
Het niet of onjuist uitvoeren van onderhoud aan de machine vergroot het risico op letsel of overlijden tijdens het uitvoeren van onderhoud of het rijden met de machine. Als u niet bekend bent met voertuigonderhoud, laat het onderhoud dan uitvoeren door uw Yamaha dealer.
WAARSCHUWING
Zet voor het uitvoeren van onderhoud de motor af tenzij anders aangegeven.
- Een draaiende motor heeft bewegende delen die lichaamsdelen of kleding kunnen grijpen en elektrische onderdelen die schokken of brand kunnen veroorzaken.
- Het laten draaien van de motor tijdens het uitvoeren van onderhoud kan leiden tot oogletsel, brandwonden, brand of koolmonoxidevergiftiging, mogelijk met de dood tot gevolg. Zie pagina 1-1 voor meer informatie over koolmonoxide.
ewe- len of elektri- ken of
Boordgereedschapset
DAU17341

De onderhoudsinformatie in deze handleiding en het gereedschap in de boordgereedschapsset zijn bedoeld om u te ondersteunen bij het uitvoeren van preventief onderhoud en kleinere reparaties. Voor de correcte uitvoering van bepaalde onderhoudswerkzaamheden kan echter het gebruik van extra gereedschap zoals een momentsleutel vereist zijn.
OPMERKING
Laat een Yamaha dealer onderhoud verrichten als u niet beschikt over het gereedschap of de ervaring die voor bepaalde werkzaamheden vereist zijn.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU46861
OPMERKING
- De jaarlijkse controles horen eenmaal per jaar te worden uitgevoerd, behalve wanneer in plaats daarvan een onderhoudsbeurt op kilometerbasis of, voor Groot-Brittannië, op mijlbasis wordt verricht.
- Herhaal de onderhoudsintervallen vanaf 50000 km (30000 mi), beginnend vanaf 10000 km (6000 mi).
- Werkzaamheden gemarkeerd met een asterisk horen te worden uitgevoerd door een Yamaha dealer, omdat hiertoe speciaal gereedschap, technische gegevens en vakmanschap vereist zijn.
Periodiek onderhoudsschema voor het uitstootcontrolesysteem
DAU46910
| NR. | ITEM | CONTROLE OF ONDER-HOUDSBEURT | KILOMETERSTAND | JAARLIJK-SE CON-TROLE | |||||
| 1000 km(600 mi) | 10000 km(6000 mi) | 20000 km(12000 mi) | 30000 km(18000 mi) | 40000 km(24000 mi) | |||||
| 1 | * | Brandstofleiding | • Controleer de brandstofslangen op scheurtjes of beschadigingen. | √ | √ | √ | √ | √ | |
| 2 | * | Bougies | • Controleer de conditie.• Reinigen. | √ | √ | ||||
| • Vervangen. √ | √ | ||||||||
| 3 | * | Ventielen | • Controleer de klepspeeling.• Afstellen. | Elke 40000 km (24000 mi) | |||||
| 4 | * | Brandstofinjectie-systeem | • Stel de synchronisatie af. √ | √ | √ | √ | √ | ||
| 5 | * | Uitlaatdempers en uitlaatpijpen | • Controleer of de schroefklemmen goed vastzitten. | √ | √ | √ | √ | √ | √ |
| 6 | * | Luchtinlaatsysteem | • Controleer de luchtafsluitklep, de membraanklep en de slang op be-schadiging.• Vervang beschadigde onderde-len indien nodig. | √ | √ | √ | √ | √ | |
6-2
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
Algemeen smeer- en onderhoudsschema
DAU1770C
| NR. | ITEM | CONTROLE OF ONDER-HOUDSBEURT | KILOMETERSTAND | JAARLIJK-SE CON-TROLE | |||||
| 1000 km(600 mi) | 10000 km(6000 mi) | 20000 km(12000 mi) | 30000 km(18000 mi) | 40000 km(24000 mi) | |||||
| 1 | * | Luchtfilterelement | • Vervangen. | √ | |||||
| 2 | * | Koppeling | • Controleer de werking en het vloeistofniveau en controleer de machine op vloeistoflekkage. | √ | √ | √ | √ | √ | |
| 3 | * | Voorrem | • Controleer de werking en het vloeistofniveau en controleer de machine op vloeistoflekkage. | √ | √ | √ | √ | √ | √ |
| • Vervang de remblokken. Wanneer de slijtagelimiet is bereikt | |||||||||
| 4 | * | Achterrem | • Controleer de werking en het vloeistofniveau en controleer de machine op vloeistoflekkage. | √ | √ | √ | √ | √ | √ |
| • Vervang de remblokken. Wanneer de slijtagelimiet is bereikt | |||||||||
| 5 | * | Remslangen | • Controleer op scheurtjes en beschadigingen. | √ | √ | √ | √ | √ | |
| • Vervangen. Elke 4 jaar | |||||||||
| 6 | * | Wielen | • Controleer de speling en controleer op beschadigingen. | √ | √ | √ | √ | ||
| 7 | * | Banden | • Controleer op slijtage en beschadigingen.• Vervang indien nodig.• Controleer de bandspanning.• Corrigeer indien nodig. | √ | √ | √ | √ | √ | |
| 8 | * | Wiellagers | • Controleer op speling of beschadigingen. | √ | √ | √ | √ | ||
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
| NR. | ITEM | CONTROLE OF ONDER-HOUDSBEURT | KILOMETERSTAND | JAARLIJK-SE CON-TROLE | |||||
| 1000 km(600 mi) | 10000 km(6000 mi) | 20000 km(12000 mi) | 30000 km(18000 mi) | 40000 km(24000 mi) | |||||
| 9* | Achterbrug | • Controleer op een correcte wer-king en overmatige speling. | √ | √ | √ | √ | |||
| • Smeren met lithiumvet. Elke 50000 km (30000 mi) | |||||||||
| 10* | Balhoofdlagers | • Controleer de lagers op speling en oppervlakteruwheid. | √ | √ | √ | √ | √ | ||
| • Smeren met lithiumvet. Elke 50000 km (30000 mi) | |||||||||
| 11* | Framebevestigingen | • Controleer of alle moeren, bouten en schroeven stevig zijn vastge-zet. | √ | √ | √ | √ | √ | ||
| 12 | Scharnieras van remhendel | • Smeren met siliconenvet. √ | √ | √ | √ | √ | |||
| 13 | Scharnieras van rempedaal | • Smeren met lithiumvet. √ | √ | √ | √ | √ | |||
| 14 | Scharnieras van koppelingshendel | • Smeren met siliconenvet. √ | √ | √ | √ | √ | |||
| 15 | Scharnieras van schakelpedaal | • Smeren met lithiumvet. √ | √ | √ | √ | √ | |||
| 16 | Zijstandaard | • Controleer de werking.• Smeren. | √ | √ | √ | √ | √ | ||
| 17* | Zijstandaardscha-kelaar | • Controleer de werking. √ | √ | √ | √ | √ | √ | ||
| 18* | Voorvork | • Controleer op een correcte wer-king en olielekkage. | √ | √ | √ | √ | |||
| 19* | Schokdemperunit | • Controleer op een correcte wer-king en olielekkage. | √ | √ | √ | √ | |||
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
| NR. | ITEM | CONTROLE OF ONDER-HOUDSBEURT | KILOMETERSTAND | JAARLIJK-SE CON-TROLE | |||||
| 1000 km(600 mi) | 10000 km(6000 mi) | 20000 km(12000 mi) | 30000 km(18000 mi) | 40000 km(24000 mi) | |||||
| 20 | * | Relaisarm achter-wielophanging en scharnierpunten verbindingsarm | • Controleer de werking. √ | √ | √ | √ | |||
| 21 | Motorolie | • Verversen.• Controleer het olieniveau en con-troleer de machine op olielekka-ge. | √ | √ | √ | √ | √ | √ | |
| 22 | Oliefilterpatroon | • Vervangen. | √ | √ | √ | ||||
| 23 | * | Koelsysteem | • Controleer het koelvloeistofniveau en controleer de machine op vloeistoflekkage. | √ | √ | √ | √ | √ | |
| • Verversen. Elke 3 jaar | |||||||||
| 24 | * | EXUP-systeem | • Controleer de werking, de vrije slag van de kabel en de positie van de katrol. | √ | √ | √ | |||
| 25 | Cardanolie | • Controleer het olieniveau en con-troleer de machine op olielekka-ge. | √ | √ | √ | ||||
| • Verversen. √ | √ | √ | |||||||
| 26 | * | Voor- en achterrem-schakelaar | • Controleer de werking. √ | √ | √ | √ | √ | √ | |
| 27 | Bewegende delen en kabels | • Smeren. √ √ | √ | √ | √ | ||||
| 28 | * | Gaskabelhuis en gaskabel | • Controleer de werking en speling.• Stel indien nodig de speling af.• Smeer het gaskabelhuis en de gaskabel. | √ | √ | √ | √ | √ | |
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
| NR. | TEM | CONTROLE OF ONDER-HOUDSBEURT | KILOMETERSTAND | JAARLIJK-SE CON-TROLE | |||||
| 1000 km(600 mi) | 10000 km(6000 mi) | 20000 km(12000 mi) | 30000 km(18000 mi) | 40000 km(24000 mi) | |||||
| 29 | * | Lampen, richtin-gaanwijzers en schakelaars | • Controleer de werking.• Stel de koplamplichtbundel af. | √ | √ | √ | √ | √ | √ |
DAU36771
OPMERKING
●Luchtfilter
- Het luchtfilter op dit model is voorzien van een geolied papieren filterelement. Reinig dit niet met perslucht om beschadiging te voorkomen.
- Het luchtfilterelement moet u vaker vervangen als u vaak in extreem vochtige of stoffige gebieden rijdt.
- Onderhoud aan hydraulisch rem- en koppelingssysteem
- Controleer regelmatig het rem- en koppelingsvloeistofniveau en vul indien nodig bij.
- Vervang de inwendige onderdelen van de hoofdremcilinders en remklauwen en van de koppelingshoofdcilinder en -werkcilinder na elke twee jaar en ververs dan ook de rem- en de koppelingsvloeistof.
- Vervang de rem- en koppelingsslangen na elke vier jaar of als ze zijn gescheurd of beschadigd.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU18722
Verwijderen en aanbrengen van de stroomlijn- en framepanelen
Bij het uitvoeren van sommige in dit hoofdstuk beschreven onderhoudswerkzaamheden moeten het afgebeelde stroomlijnpaneel en de framepanelen worden verwijderd. Neem deze paragraaf door wanneer een stroomlijn- of framepaneel moet worden verwijderd of aangebracht.

- Stroomlijnpaneel A
- Paneel A

Verwijderen van stroomlijnpaneel
- Verwijder het bestuurderszadel. (Zie pagina 3-24.)
- Verwijder het paneel C. (Zie pagina 6-8.)
- Verwijder de bouten en trek daarna het stroomlijnpaneel los.

Aanbrengen van het stroomlijnpaneel
- Plaats het stroomlijnpaneel in de oorspronkelijke positie en breng dan de schroeven aan.

- Monteer het paneel.
- Breng het bestuurderszadel aan.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU46471
Paneel A
Om het paneel te verwijderen
- Steek de sleutel in het slot en draai deze daarna een kwartslag rechtsom.

-
Ontgrendelen.
-
Paneel A
-
Trek het paneel naar buiten.
Om het paneel aan te brengen
- Plaats het paneel in de oorspronkelijke positie.

- Draai de sleutel linksom naar de oorspronkelijke positie en neem deze dan uit.
Paneel B
Om het paneel te verwijderen
- Verwijder de bout.

-
Bout
-
Paneel B
-
Trek het paneel naar buiten.
Om het paneel aan te brengen
Plaats het paneel in de oorspronkelijke positie en breng dan de bout aan.

Om het paneel te verwijderen
- Verwijder de bout.
- Trek het paneel omhoog.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN

Om het paneel aan te brengen
Plaats het paneel in de oorspronkelijke positie en breng dan de bout aan.
DAU46680
Controleren van de bougies
Bougies vormen belangrijke onderdelen van de motor die periodiek moeten worden gecontroleerd, bij voorkeur door een Yamaha dealer. Omdat bougies door verhitting en neerslag altijd langzaam slijten, moeten de bougies worden verwijderd en gecontroleerd volgens de tijden genoemd in het periodieke smeer- en onderhoudsschema. De conditie van de bougies kan daarnaast veel duidelijk maken over de conditie van de motor.
De porseleinen isolator rond de centrale elektrode moet licht tot gemiddeld bruin verkleurd zijn (de ideale kleur als normaal met het voertuig wordt gereden), en alle bougies in de motor horen dezelfde verkleuring te hebben. Wanneer een bougie een heel andere kleur vertoont, werkt de motor mogelijk niet naar behoren. Probeer dergelijke problemen niet zelf vast te stellen. Laat in plaats daarvan uw machine nakijken door een Yamaha dealer.
Vervang een bougie als de elektroden blijken te zijn afgesleten en als overmatige koolaanslag of andere neerslag gevonden wordt.
Voordat een bougie wordt aangebracht moet de elektrodenafstand met een draadvoelmaat worden gemeten; herstel de elektrodenafstand indien deze buiten de specificaties valt.

Reinig het oppervlak van de bougiepakking en het pasvlak en verwijder eventueel vuil uit de schroefdraad van de bougie.
Aanhaalmoment:
Bougie:
12.5 Nm (1.25 m·kgf, 9.0 ft·lbf)
Voorgeschreven bougie:
NGK/CR9EIA
DENSO/IU27D
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
OPMERKING
Als geen momentsleutel beschikbaar is, wordt de bougie correct vastgezet door handvast te zetten en dan nog 1/4–1/2 slag verder te draaien. De bougie moet echter zo snel mogelijk naar het juiste aanhaalmoment worden aangedraaid.
DCA10B40
LET OP
Gebruik geen gereedschap om de bougiedop te verwijderen of aan te brengen, om de bobinekabel niet te beschadigen. De bougiedop is mogelijk lastig te verwijderen omdat de rubber afdichting aan het uiteinde stevig vastzit. Haal de bougiedop los door hem heen en weer te draaien en tegelijkertijd los te trekken; breng de bougiedop aan door heen en weer te draaien en tegelijkertijd aan te drukken.
DAU19908
Motorolie en oliefilterpatroon
Vóór iedere rit moet het motorolieniveau worden gecontroleerd. Verder moet de olie worden ververst en de oliefilterpatroon worden vervangen volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
Om het motorolieniveau te controleren
- Zet de machine op een vlakke ondergrond en houd deze rechtop. Wanneer de machine iets schuin staat, kan het niveau al foutief worden afgelezen.
- Start de motor, laat deze een paar minuten warmdraaien en zet hem dan af.
- Wacht een paar minuten tot de olie tot rust is gekomen en controleer dan het olieniveau via het kijkglas rechts onder in het carter.
OPMERKING
Het motorolieniveau moet tussen de merkstrepen voor minimum- en maximumniveau staan.

- Kijkglas olieniveau
- Merkstreep maximumniveau
-
Merkstreep minimumniveau
-
Als de motorolie beneden de merkstreep voor minimumniveau staat, vul dan voldoende olie, van de aanbevolen soort, bij tot het correcte niveau.
Om de motorolie te verversen (met of zonder vervanging van oliefilterpatroon)
- Zet de machine op een vlakke ondergrond.
- Start de motor, laat deze een paar minuten warmdraaien en zet hem dan af.
- Zet een olieopvangbak onder de motor om de gebruikte olie op te vangen.
- Verwijder de olievuldop en de olieaf- tapplug met de pakking om de olie uit het carter te laten stromen.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN

- Oliefiltersleutel
- Oliefilterpatroon
OPMERKING
De Yamaha dealer kan een oliefiltersleutel leveren.
- Smeer een dun laagje schone motorolie op de o-ring van de nieuwe oliefilterpatroon.

1. O-ring
OPMERKING
Zorg dat de o-ring correct aanligt.
- Plaats de nieuwe oliefilterpatroon met een oliefiltersleutel en zet hem dan met een momentsleutel vast met het voorgeschreven aanhaalmoment.

Sla de stappen 5–7 over als de oliefilterpatroon niet wordt vervangen.
- Verwijder de oliefilterpatroon met een oliefiltersleutel.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
Aanhaalmoment:
Oliefilterpatroon:
17 Nm (1.7 m·kgf, 12 ft·lbf)
- Monteer de olieaftapplug met een nieuwe pakking en zet de plug vast met het voorgeschreven aanhaalmoment.
Aanhaalmoment:
Olieaftapplug:
43 Nm (4.3 m·kgf, 31 ft·lbf)
- Vul bij met de voorgeschreven hoeveelheid van de aanbevolen motorolie, breng dan de olievuldop aan en zet deze vast.
Aanbevolen motorolie:
Zie pagina 8-1.
Oliehoeveelheid:
Zonder vervanging van oliefilterpatroon:
4.30 L (4.55 US qt, 3.78 Imp.qt)
Met vervanging van oliefilterpatroon:
4.70 L (4.97 US qt, 4.14 Imp.qt)
DCA11620
LET OP
- Om het slippen van de koppeling te voorkomen (de motorolie smeert immers ook de koppeling) mogen geen chemische additieven worden toegevoegd. Gebruik geen oliën met een "CD" dieselspecificatie of oliën met een hogere kwaliteit dan gespecificeerd. Gebruik ook geen oliën met een "ENERGY CONSERVING II" of hogere aanduiding.
●Zorg dat er geen verontreinigingen in het carter terecht kommen.
- Start de motor, laat deze een paar minuten stationair draaien en controleer daarbij op olielekkage. Als er sprake is van olielekkage, zet de motor dan direct af en zoek de oorzaak.
OPMERKING
Nadat de motor is gestart moet het waarschuwingslampje olieniveau uitgaan als het olieniveau correct is.
DCA10401
LET OP
Zet de motor direct af als het waarschu- wingslampje olieniveau knippert of blijft branden en laat het voertuig controleren door een Yamaha dealer, zelfs als het olieniveau in orde is.
- Zet de motor af en wacht een paar minuten tot de olie tot rust is gekomen. Controleer dan het olieniveau en corrigeer indien nodig.
OPMERKING
Veeg enige gemorste olie af nadat de motor en het uitlaatsysteem zijn afgekoeld.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU46575
Cardanolie
Vóór elke rit moet het cardanhuis worden gecontroleerd op olielekkage. In geval van lekkage dient u de machine door een Yamaha dealer te laten nakijken en repareren. Bovendien dient de cardanolie als volgt te worden gecontroleerd en ververst op de aangegeven tijdstippen in het periodieke onderhouds- en smeerschema.
DWA10370
WAARSCHUWING
- Zorg ervoor dat geen verontreini-
gingen het cardanhuis kunnen bin-
nendringen.
●Zorg dat er geen olie op de banden of wielen terechtkomt.
Controleren van het olieniveau in het cardanhuis
- Zet de machine op een vlakke ondergrond en houd deze rechtop.
OPMERKING
Zorg dat de machine rechtop staat bij het controleren van het olieniveau.
- Draai de controlebout voor cardanolie los totdat olie naar buiten stroomt.

-
Controlebout cardanolie
-
Als er geen olie naar buiten stroomt, verwijder de ontluchtingsdop van het cardanhuis door de bout en onderlegring te verwijderen en verwijder dan de vulplug van de cardanolie met de pakking.

- Bout ontluchtingsdop cardanhuis
- Ring
- Ontluchtingsdop cardanhuis
- Vulplug cardanolie
-
Pakking
-
Vul het aanbevolen type olie bij via de vulopening voor cardanolie totdat de olie uit de opening in de controlebout stroomt.
-
Zet de controlebout vast met het voorgeschreven aanhaalmoment.
Aanhaalmoment:
Controlebout cardanolie: 10 Nm (1.0 m·kgf, 7.2 ft·lbf)
- Controleer de pakking van de olievul- plug op beschadiging en vervang in- dien nodig.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
- Monteer de olievulplug met de pakking en zet de plug vast met het voorgeschreven aanhaalmoment.
Aanhaalmoment:
Vulplug cardanolie:
23 Nm (2.3 m·kgf, 17 ft·lbf)
- Breng de ontluchtingsdop van het car-danhuis aan door de onderlegring en bout te plaatsen en zet de bout vervol-gens vast met het voorgeschreven aanhaalmoment.
Aanhaalmoment:
Bout ontluchtingsdop cardanhuis:
10 Nm (1.0 m·kgf, 7.2 ft·lbf)
Om de cardanolie te verversen
- Zet de machine op een vlakke ondergrond.
- Plaats een olieopvangbak onder het cardanhuis om de gebruikte olie op te vangen.
- Verwijder de ontluchtingsdop van het cardanhuis door de bout en onderlegring te verwijderen.

- Bout ontluchtingsdop cardanhuis
- Ring
- Ontluchtingsdop cardanhuis
- Vulplug cardanolie
-
Pakking
-
Verwijder de vulplug van de cardanolie en de aftapplug van de cardanolie met hun pakkingen om de olie uit het cardanhuis af te tappen.

-
Aftapplug cardanolie
-
Pakking
-
Monteer de aftapplug met een nieuwe pakking en zet de plug dan vast met het voorgeschreven aanhaalmoment.
Aanhaalmoment:
Aftapplug cardanolie:
23 Nm (2.3 m·kgf, 17 ft·lbf)
- Vul bij met de aanbevolen cardanolie.
Aanbevolen cardanolie:
Cardanolie (Onderdeelnr.: 9079E-SH001-00)
Oliehoeveelheid:
0.30 L (0.32 US qt, 0.26 Imp.qt)
- Controleer de pakking van de olievul- plug op beschadiging en vervang in- dien nodig.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
- Monteer de olievulplug met de pakking en zet de plug vast met het voorgeschreven aanhaalmoment.
Aanhaalmoment:
Vulplug cardanolie:
23 Nm (2.3 m·kgf, 17 ft·lbf)
- Breng de ontluchtingsdop van het cardanhuis aan door de onderlegring en bout te plaatsen en zet de bout vervolgens vast met het voorgeschreven aanhaalmoment.
Aanhaalmoment:
Bout ontluchtingsdop cardanhuis:
10 Nm (1.0 m·kgf, 7.2 ft·lbf)
- Controleer het cardanhuis op olielekkage. Zoek in geval van lekkage naar de oorzaak.
DAU20070
Koelvloeistof
Voor iedere rit moet het koelvloeistofniveau worden gecontroleerd. Ook moet de koelvloeistof worden ververst volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
DAU46690
Controleren van het koelvloeistofniveau
- Zet de machine op een vlakke ondergrond en houd deze rechtop.
OPMERKING
-
Het koelvloeistofniveau moet worden gecontroleerd terwijl de motor koud is, temperatuurverschillen zijn namelijk van invloed op het niveau.
●Zorg dat de machine rechtop staat bij het controleren van het koelvloeistofni-veau. Wanneer de machine iets schuin staat, kan het niveau al foutief worden afgelezen. -
Controleer het koelvloeistofniveau in het reservoir.
OPMERKING
Het koelvloeistofniveau moet tussen de merkstrepen voor minimum- en maximum-niveau staan.

- Dop koelvloeistofreservoir
- Beveiliging dop koelvloeistofreservoir
- Bout
- Merkstreep maximumniveau
-
Merkstreep minimumniveau
-
Als de koelvloeistof bij of beneden de merkstreep voor minimumniveau staat, verwijder dan de beveiliging van de dop van het vloeistofreservoir door eerst de vergrendeling los te halen en verwijder vervolgens de dop van het reservoir.
- Vul koelvloeistof bij tot aan de merkstreep voor maximumniveau en breng dan de reservoirdop aan. WAARSCHUWING! Verwijder alleen de dop van het koelvloeistofreservoir. Probeer nooit om de radiator-vuldop te verwijderen als de motor koud is. [DWA15161] LET OP: Als er geen koelvloeistof aanwezig is, gebruik
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
dan in plaats daarvan gedistilleerd water of onthard leidingwater. Gebruik geen hard water of zout water, dit is schadelijk voor de motor. Als er in plaats van koelvloeistof water is gebruikt, vervang dit dan zo snel mogelijk door koelvloeistof, anders is het systeem niet beschermd tegen vorst en corrosie. Als er water aan de koelvloeistof is toegevoegd, laat dan een Yamaha dealer zo snel mogelijk het antivriesgehalte van de koelvloeistof controleren om te voorkomen dat de effectiviteit van de koelvloeistof afneemt. [DCA10472]
- Plaats de beveiliging van de dop van het reservoir door de vergrendeling aan te brengen.
Inhoud koelvloeistofreservoir (tot aan de merkstreep voor maximum-niveau):
0.27 L (0.29 US qt, 0.24 Imp.qt)
- Verwijder het luchtinlaatkanaal door de bouten te verwijderen.

-
Bout
-
Luchtaanzuigkanaal
-
Schuif een opvangbak onder de motor om de gebruikte koelvloeistof op te vangen.
-
Verwijder de radiatorvuldop. WAARSCHUWING! Probeer nooit om de radiatorvuldop te verwijderen als de motor warm is. [DWA10381]
DAU46423
Om de koelvloeistof te verversen
-
Zet de machine op een vlakke ondergrond en laat het motorblok indien nodig afkoelen.
-
Verwijder het stroomlijnpaneel A. (Zie pagina 6-7.)

-
Radiatorvuldop
-
Verwijder het deksel van het koelvloeistofreservoir en het koelvloeistofreservoir zelf door de bouten los te halen.

- Verwijder de beveiliging van de dop van het vloeistofreservoir door eerst de vergrendeling los te halen en verwijder vervolgens de dop van het reservoir.
- Tap de koelvloeistof uit het reservoir af door het reservoir om te keren.
- Monteer het deksel van het koelvloeistofreservoir en het reservoir door deze in de oorspronkelijke stand te plaatsen en breng daarna de bouten aan.
- Verwijder de aftapschroef voor koelvloeistof en de o-ring om het koelsysteem af te tappen.

- Aftapschroef koelvloeistof
- O-ring
-
Spoel het koelsysteem nadat alle koel-vloeistof is uitgestroomd grondig door met schoon leidingwater.
-
Breng de aftapschroef voor koelvloeistof en de nieuwe o-ring aan.
- Houd de machine rechtop en giet de voorgeschreven hoeveelheid van de gespecificeerde koelvloeistof in de radiator en het reservoir. LET OP: Wanneer u de machine niet rechtop houdt terwijl u de radiator met koelvloeistof vult, dan kan er lucht in het koelsysteem blijven zitten. [DCA16540]
Mengverhouding antivries/water: 1:1
Aanbevolen antivries:
Hoogwaardige ethyleenglycol antivries met corrosieremmers voor aluminium motoren
Hoeveelheid koelvloeistof:
Inhoud radiator (inclusief alle leidingen):
3.75 L (3.96 US qt, 3.30 Imp.qt) Inhoud koelvloeistofreservoir (tot aan de merkstreep voor maximum-niveau):
0.27 L (0.29 US qt, 0.24 Imp.qt)
- Breng de dop van het vloeistofreservoir aan, en plaats vervolgens de beveiliging van de dop van het reservoir door de vergrendeling aan te brengen.
-
Breng de radiatorvuldop weer aan.
-
Start de motor, laat hem een paar minuten stationair draaien en zet hem dan uit.
- Verwijder de radiatorvuldop om het koelvloeistofniveau in de radiator te controleren. Vul indien nodig koelvloeistof bij tot het niveau boven in de radiator staat en breng dan de radiatorvuldop aan.
- Controleer het koelvloeistofniveau in het reservoir. Verwijder indien nodig de beveiliging van de dop van het koelvloeistofreservoir, vul koelvloeistof bij tot aan de merkstreep voor maximum-niveau en breng dan de beveiliging van de dop weer aan.
- Start de motor en controleer dan of ergens aan de machine lekkage te zien is. Vraag in dat geval een Yamaha dealer het koelsysteem te controleren.
- Monteer het luchtinlaatkanaal door de bouten aan te brengen.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN

- Breng het stroomlijnpaneel aan.
DAU38764
Luchtfilterelement
Het luchtfilterelement moet worden vervangen volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema. Vraag een Yamaha dealer het luchtfilterelement te vervangen.
DAU44734
Stationair toerental controleren
Controleer het stationair toerental en laat het indien nodig door een Yamaha dealer bijstellen.
Stationair toerental:
950–1050 tpm
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU21382
Controleren van de vrije slag gaskabel

- Vrije slag gaskabel
De vrije slag van de gaskabel dient 3.0–5.0 mm (0.12–0.20 in) te bedragen bij de gasgreep. Controleer de vrije slag van de gaskabel regelmatig en laat de vrije slag indien nodig afstellen door een Yamaha dealer.
DAU21401
Klepspeling
De klepspeling kan tijdens gebruik gaan afwijken, waardoor de lucht/brandstof-verhouding kan veranderen en/of het motorgeluid toeneemt. Om dit te voorkomen moet de klepspeling door een Yamaha dealer worden afgesteld volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
DAU21772
Banden
Let ten aanzien van de voorgeschreven banden op het volgende voor een optimale prestatie, levensduur en veilige werking van uw motorfiets.
Bandenspanning
De bandenspanning moet voor elke rit worden gecontroleerd en indien nodig worden bijgesteld.
DWA10501
WAARSCHUWING
Rijden met deze machine met een onjuiste bandenspanning kan leiden tot verlies van de controle met mogelijk ernstig letsel of overlijden tot gevolg.
- De bandspanning moet worden gecontroleerd en afgesteld terwijl de banden koud zijn (wanneer de temperatuur van de banden gelijk is aan de omgevingstemperatuur).
- De bandspanning moet worden aangepast aan de rijsnelheid en het totale gewicht van rijder, passagier, bagage en accessoires dat voor dit model is vastgesteld.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
Bandenspanning (gemeten op koude banden):
0–90 kg (0–198 lb):
Voor:
250 kPa (2.50 kgf/cm², 36 psi)
Achter:
290 kPa (2.90 kgf/cm², 42 psi)
Rijden met hoge snelheid:
Voor:
290 kPa (2.90 kgf/cm², 42 psi)
Achter:
290 kPa (2.90 kgf/cm², 42 psi)
Maximale belasting*:
190 kg (419 lb)
* Totaal gewicht van bestuurder, passagier, bagage en accessoires
DWA10511
WAARSCHUWING
Belaad uw machine nooit te zwaar. Rijden met een te zwaar belaste machine kan leiden tot een ongeval.
Inspectie van banden

- Wang van band
- Bandprofieldiepte
Voor elke rit moeten de banden worden gecontroleerd. Als de bandprofieldiepte op het midden van de band de vermelde limiet heeft bereikt, de band spijkers of stukjes glas bevat of wanneer de wang van de band scheurtjes vertoont, moet de band onmiddellijk door een Yamaha dealer worden vervangen.
Minimale bandprofieldiepte (voor en achter):
1.6 mm (0.06 in)
OPMERKING
De slijtagelimiet voor bandprofieldiepte is voor diverse landen verschillend. Neem altijd de lokale voorschriften in acht.
DWA10470
WAARSCHUWING
●Laat sterk versleten banden door een Yamaha dealer vervangen. Rijden op een machine met versleten banden is niet alleen verboden, maar dit heeft ook een averechts effect op de rijstabiliteit, waardoor u de macht over het stuur zou kunnen verliezen.
- De vervanging van onderdelen van wielen en remmen, inclusief banden, dient te worden overgelaten aan een Yamaha dealer, die over de nodige vakkundige kennis en ervaring beschikt.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
Bandeninformatie

- Bandventiel
- Bandventielbuis
- Bandventieldop met afdichting
Deze motorfiets is uitgerust met gietwielen en tubeless banden met bandventielen.
DWA10481
WAARSCHUWING
- Monteer altijd voor- en achterbanden van hetzelfde merk en type. Verschillende banden kunnen het weggedrag van de machine veranderen, wat kan leiden tot een ongeval.
- Controleer altijd of de ventieldopjes stevig zijn bevestigd om zo luchtlekkage te voorkomen.
-Gebruik uitsluitend de hierna vermelde bandventielen en luchtventielbuisjes om bij hoge rijsnelheden een te lage bandspanning te voorkomen.
Na uitgebreide tests zijn alleen de hieronder vermelde banden voor dit model goedgekeurd door Yamaha Motor Co., Ltd.
Voorband:
Maat: 120/70R18M/C 59V Fabrikant/model: BRIDGESTONE/BT028F
Achterband:
Maat: 200/50R18M/C 76V Fabrikant/model: BRIDGESTONE/BT028R
VOOR en ACHTER:
Bandventiel: TR412 Luchtventielbuis:
9100 (origineel)
DWA10600
WAARSCHUWING
Deze motorfiets is uitgerust met speciale banden die geschikt voor zeer hoge rij-snelheden. Let op het volgende om deze banden zo effectief mogelijk te kunnen gebruiken.
-Gebruik bij vervanging uitsluitend het voorgeschreven type banden. Bij andere banden is het risico op een klapband bij zeer hoge rijsnelheden niet denkbeeldig.
●Gloednieuwe banden bieden op sommige typen wegdek relatief weinig grip totdat ze zijn "ingereden". Het is dan ook verstandig de eerste 100 km (60 mi) nadat een nieuwe band is aangebracht rustig te blijven rijden en pas daarna de rijsnelheid te verhogen.
- Voordat met hoge snelheid wordt gereden moeten de banden zijn opgewarmd.
●Pas de bandspanning steeds aan volgens de rijomstandigheden.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU21960
Gietwielen
Let ten aanzien van de voorgeschreven wielen op het volgende voor een optimale prestatie, levensduur en veilige werking van uw voertuig.
- Controleer de velgen voor iedere rit op scheurtjes, verbuiging of kromtrekken. Laat ingeval van schade het wiel door een Yamaha dealer vervangen. Probeer het wiel nooit zelf te repareren, hoe klein de reparatie ook is. Vervang een wiel dat vervormd is of haar-scheurtjes vertoont.
●Na het vervangen van een wiel of band moet het wiel worden uitgebalanceerd. Een niet uitgebalanceerd wiel zal mogelijk slecht functioneren, of kan een slechte wegligging en een verkorte levensduur van de banden tot gevolg hebben.
●Rijd niet te snel direct na het verwisselen van een band. Het bandoppervlak dient eerst te zijn ingereden voordat het zijn optimale eigenschappen verkrijgt.
DAU42850
Koppelingshendel
Omdat dit model is uitgerust met een hydraulische koppelingsbediening, hoeft de vrije slag van de koppelingshendel niet te worden afgesteld. Het is echter wel nodig het hydraulisch systeem vóór elke rit op lekkage te controleren. Misschien zit er lucht in het koppelingsysteme als de koppelingshendel te veel vrije slag heeft en schakelen moeizaam gaat, of als de koppeling slipt en de machine slecht accelereert. Als er lucht in het hydraulisch systeem zit, moet het systeem door een Yamaha dealer worden ontlucht voordat de motorfiets wordt gebruikt.
DAU37912
Vrije slag van voorremhendel controleren

Aan het uiteinde van de remhendel mag geen vrije slag aanwezig zijn. Als er toch een vrije slag is, laat dan een Yamaha dealer het remsysteem inspecteren.
DWA14211
WAARSCHUWING
Een zacht of sponzig gevoel in de remhendel kan betekenen dat er lucht in het hydraulisch systeem aanwezig is. Als er lucht in het hydraulisch systeem zit, laat dan het systeem door een Yamaha dealer ontluchten voordat de machine wordt gebruikt. Lucht in het hydraulisch systeem heeft een negatief effect op de
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
remwerking, waardoor u de macht over het stuur zou kunnen verliezen met een ongeluk als gevolg.
DAU36503
Remlichtschakelaars
Het remlicht, dat wordt geactiveerd door het rempedaal en de remhendel, moet oplichten net voordat de remmen aangrijpen. Laat de remlichtschakelaars indien nodig door een Yamaha dealer afstellen.
DAU22392
Controleren van voor- en achter- remblokken
De remblokken in de voor- en achterrem moeten worden gecontroleerd op slijtage volgens de intervalperioden voorgeschreven in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
DAU43062
Remblokken voorrem

- Slijtage-indicatorgroef remblok
De remklauwen van de voorrem zijn voorzien van twee rembloksets.
Elk voorremblok heeft één of twee slijtage-indicatorgroeven, zodat het remblok op slijtage kan worden gecontroleerd zonder de rem te hoeven demonteren. Let op de slijtage-indicatorgroeven om de remblokslijtage te controleren. Wanneer een remblok zover
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
is afgesleten dat een slijtage-indicatorgroef bijna zichtbaar is, vraag dan een Yamaha-dealer de remblokken als set te vervangen.
DAU22470
Remblokken achterrem

- Slijtage-indicatorgroef remblok
Elk achterremblok heeft een eigen slijtage-indicatorgroef, zodat het remblok kan worden gecontroleerd zonder de rem te demonteren. Let op de slijtage-indicatorgroef om de remblokslijtage te controleren. Wanneer een remblok zover is afgesleten dat de slijtage-indicatorgroef vrijwel is verdwenen, vraag dan een Yamaha-dealer de remblokken als set te vervangen.
DAU46540
Controleren van remvloeistofni- veau
Voorrem

- Merkstreep minimumniveau
Achterrem

- Merkstreep minimumniveau
Bij een tekort aan remvloeistof kan lucht het remsysteem binnendringen, waarna de remwerking mogelijk minder effectief is.
Controleer alvorens te gaan rijden of de remvloeistof boven de merkstreep voor minimumniveau staat en vul indien nodig bij. Een laag remvloeistofniveau wijst mogelijk op verregaande remblokslijtage en/of lekkage in het remsysteem. Als het remvloeistofniveau laag is, controleer dan de remblokken op slijtage en het remsysteem op lekkage.
OPMERKING
Het remvloeistofreservoir voor de achterrem zit onder het duozadel. (Zie pagina 3-24.)
Neem de volgende voorzorgsmaatregelen in acht:
- Bij het controleren van het remvloeistofniveau moet het bovenvlak van het remvloeistofreservoir horizontaal staan.
- Gebruik uitsluitend de voorgeschreven kwaliteit remvloeistof, anders kunnen de rubber afdichtingen verslechteren en zo lekkage en slechte remwerking teweegbrengen.
Aanbevolen remvloeistof: DOT 4
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
●Vul bij met hetzelfde type remvloeistof. Bij vermengen van verschillende typen remvloeistof kunnen schadelijke chemische reacties optreden en kan de remwerking verslechteren.
●Pas op en zorg dat tijdens het bijvullen geen water of stof het remvloeistofreservoir binnendringen. Water zal het kookpunt van de remvloeistof aanzienlijk verlagen zodat dampbelvorming kan optreden en vuil de hydraulisch bediende kleppen van de ABS eenheid kan verstoppen.
- Remvloeistof kan gelakte of kunststof onderdelen aantasten. Veeg gemorste remvloeistof steeds direct af.
●Naarmate de remblokken afslijten, zal het remvloeistofniveau geleidelijk verder dalen. Vraag echter wel een Yamaha dealer om een inspectie als het remvloeistofniveau plotseling sterk is gedaald.
DAU22751
Rem- en koppelingsvloeistof ver- versen
Vraag een Yamaha dealer de remvloeistof en de koppelingsvloeistof te verversen volgens de intervalperioden voorgeschreven onder OPMERKING bij het periodieke meer- en onderhoudsschema. Laat bovendien de oliekeerringen van de hoofdremcilinder en de koppelingshoofdcilinder, de remklauwen en de rem- en koppelingsslangen vervangen volgens de hierna vermelde intervalperioden of wanneer ze lekken of zijn beschadigd.
●Vloeistofafdichtingen: Vervang elke twee jaar.
- Rem- en koppelingsslangen: Vervang elke vier jaar.
DAU23101
Kabels controleren en smeren
De werking van alle bedieningskabels en de conditie van alle kabels moet voorafgaand aan elke rit worden gecontroleerd en de kabel en kabeleinden moeten indien nodig worden gesmeerd. Vraag een Yamaha dealer een kabel te controleren of te vervangen wanneer deze is beschadigd of niet soepel beweegt. WAARSCHUWING! Schade aan de buitenkabel kan de kabelwerking hinderen en leiden tot roestvorming op de binnenkabel. Vervang een beschadigde kabel zo snel mogelijk om onveilige omstandigheden te voorkomen. [DWA10721]
Aanbevolen smeermiddel: Motorolie
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU23112
Controleren en smeren van gas- greep en gaskabel
De werking van de gasgreep hoort voorafgaand aan elke rit te worden gecontroleerd. Daarnaast moet de kabel door een Yamaha dealer worden gesmeerd volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke onderhoudsschema.
DAU44272
Controleren en smeren van rem- en schakelpedalen
Rempedaal

Aanbevolen smeermiddel: Lithiumvet
Schakelpedaal

De werking van het rem- en het schakelpedaal moet voorafgaand aan elke rit worden gecontroleerd en de pedaalscharnierpunten moeten indien nodig worden gesmeerd.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU43600
Controleren en smeren van rem- en koppelingshendels
Remhendel

De werking van de rem- en de koppelingshendel moet voorafgaand aan elke rit worden gecontroleerd en de hendelscharnierpunten moeten indien nodig worden gesmeerd.
Aanbevolen smeermiddel: Siliconenvet
DAU23202
Zijstandaard controleren en sme- ren

De werking van de zijstandaard moet voorafgaand aan elke rit worden gecontroleerd en het scharnierpunt en de metaal-op-metaal contactvlakken moeten indien nodig worden gesmeerd.
DWA10731
WAARSCHUWING
Als de zijstandaard niet soepel omhoog en omlaag beweegt, vraag dan een Yamaha dealer deze te controleren of te repareren. Een slecht functionerende zijstandaard kan het wegdek raken en u afleiden, waardoor u de controle over de machine kunt verliezen.
Aanbevolen smeermiddel: Lithiumvet
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAUM1651
Achterbrugscharnierpunten smeren

De achterbrugscharnierpunten moeten worden gesmeerd door een Yamaha dealer volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
Aanbevolen smeermiddel: Lithiumvet
DAU23272
Voorvork controleren
De conditie en de werking van de voorvork moeten als volgt worden gecontroleerd volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
Om de conditie te controleren
Controleer de binnenste vorkbuizen op krassen, beschadigingen en overmatige olielekkage.
Om de werking te controleren
-
Zet de machine op een vlakke ondergrond en houd deze rechtop. WAARSCHUWING! Ondersteun de machine zorgvuldig om omvallen en mogelijk letsel te voorkomen. [DWA10751]
-
Bekrachtig de voorrem en druk het stuur een paar keer stevig naar beneden om te controleren of de voorvork soepel in- en uitveert.

Als schade wordt gevonden of de voorvork niet soepel beweegt, vraag dan een Yamaha dealer te repareren of te controleren.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU23283
Stuursysteem controleren
Losse of versleten balhoofdlagers kunnen gevaarlijk zijn. De werking van het stuursysteem moet als volgt worden gecontroleerd volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
-
Plaats een standaard onder de motor zodat het voorwiel los is van de grond. (Zie pagina 6-37 voor meer informatie.) WAARSCHUWING! Ondersteun de machine zorgvuldig om omvallen en mogelijk letsel te voorkomen. [DWA10751]
-
Houd de voorvorkpoten aan het onderste uiteinde beet en probeer ze naar voren en achteren te bewegen. Als speling wordt gevoeld, vraag dan een Yamaha dealer het stuursysteem te inspecteren of repareren.

Controleren van wiellagers
DAU23291

De voor- en achterwiellagers moeten worden gecontroleerd volgens de intervalperioden voorgeschreven in het periodieke smeer- en onderhoudsschema. Als de wielnaaf speling vertoont of het wiel niet soepel draait, vraag dan een Yamaha dealer de wiellagers te controleren.
DAU46553
Accu
Dit model is voorzien van een VRLA (Valve Regulated Lead Acid)-accu. De elektrolyt hoeft niet te worden gecontroleerd en er hoeft geen gedistilleerd water te worden bijgevuld. Het is echter wel nodig om de accukabelverbindingen te controleren en, indien nodig, vast te zetten.
DWA10760
WAARSCHUWING
- Elektrolyt is giftig en gevaarlijk omdat het zwavelzuur bevat, een stof die ernstige brandwonden veroorzaakt. Vermijd contact met de huid, ogen of kleding en bescherm uw ogen altijd bij werkzaamheden nabij accu's. Voer als volgt EERSTE HULP uit als er lichamelijk contact is geweest met elektrolyt.
- UITWENDIG: Spoel overvloedig met water.
- INWENDIG: Drink grote hoeveelheden water of melk en roep direct de hulp in van een arts.
- OGEN: Spoel gedurende 15 minuten met water en roep direct medische hulp in.
- Accu's produceren het explosieve waterstofgas. Houd daarom vonken, open vuur, sigaretten e.d. uit
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
de buurt van de accu en zorg voor voldoende ventilatie bij acculaden in een afgesloten ruimte.
- HOUD DEZE EN ALLE ACCU'S BUITEN BEREIK VAN KINDEREN.
Verwijderen van de accu
- Verwijder het stroomlijnpaneel A. (Zie pagina 6-7.)
- Koppel eerst de massakabel en daarna de pluskabel van de accu los door de bouten te verwijderen.

- Negatieve accukabel (zwart)
- Positieve accukabel (rood)
- Verwijder de bouten van de accukap en beweeg de accukap (samen met de ECU) omhoog en vervolgens opzij.

- Bout
-
Accukap
-
Verwijder de hoofdzekering (samen met de bevestigingsband) uit de houder.
- Koppel de kabelstekker A los.

- Hoofdzekering
- Bevestigingsband
-
Kabelstekker A
-
Verwijder het stootrubber.

-
Dempingrubber
-
Vouw de warmtewering uit, zie de afbeelding.

Om de accu op te laden
Vraag zo snel mogelijk een Yamaha dealer de accu te laden als deze ontladen lijkt te zijn. Vergeet niet dat de accu sneller ontladen raakt als de machine is uitgerust met optionele elektrische accessoires.
DCA16520
LET OP
Voor het opladen van een VRLA (Valve Regulated Lead Acid)-accu is een speciale acculader (met constante spanning) vereist. Bij gebruik van een conventionele acculader raakt de accu beschadigd. Als u niet beschikt over een acculader met constante spanning, laat de accu dan opladen door uw Yamaha dealer.
Om de accu op te bergen
- Verwijder de accu als het voertuig langer dan een maand niet wordt gebruikt, laad hem volledig bij en zet dan weg op een koele en droge plek. LET OP: Draai voordat u de accu verwijdert de sleutel naar "OFF" en haal dan eerst de negatieve kabel en daarna de positieve kabel los.
[DCA16302]
- Als de accu langer dan twee maanden wordt weggeborgen, moet deze minstens eenmaal per maand worden gecontroleerd; laad de accu dan indien nodig steeds volledig bij.
Installeren van de accu
OPMERKING
De accu moet volledig geladen zijn.
- Plaats de accu in de accubak.
- Vouw de warmtewering weer in de oorspronkelijke positie. LET OP: De warmtewering moet op de oorspronkelijke positie zitten en goed zijn uitgevouwen. [DCA16550]

-
Warmtewering
-
Breng het stootrubber aan.
-
Sluit de kabelstekker A aan.
-
Breng de hoofdzekering (samen met de bevestigingsband) op de houder aan.
- Plaats de accukap (samen met de ECU) in de oorspronkelijke positie en breng dan de bouten aan.
- Sluit eerst de pluskabel en daarna de massakabel van de accu aan door de bouten aan te brengen.
- Breng het stroomlijnpaneel aan.
DCA16530
LET OP
Houd de accu steeds opgeladen. Stallen van een ontladen accu kan leiden tot permanente accuschade.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU46453
Zekeringen vervangen
De hoofdzekering en de zekering voor de ABS-motor bevinden zich achter stroomlijnpaneel A. (Zie pagina 6-7.) Zekeringenkastje 1 bevindt zich onder het bestuurderszadel. (Zie pagina 3-24.)

- Hoofdzekering
- Zekering ABS-pompmotor
- Reservezekering ABS-pompmotor
Zekeringenkastje 1

- Zekering van de ABS-solenoïdeklep
- Zekering brandstofinjectiesysteem
- Reservezekering
Zekeringenkastje 2 bevindt zich achter paneel B. (Zie pagina 6-7.)
Zekeringenkastje 2

- Zekering ontstekingssysteem
- Zekering ABS-regeleenheid
- Koplampzekering
- Backup-zekering (voor klok en startblokkeersysteem)
- Zekering elektronische smoorklep
- Zekering radiatorkoelvin
- Reservezekering
- Zekering signaleringssysteem
- Zekering parkeerlichten
10.Zekering rubradiatorkoelvin
Vervang een zekering als volgt als deze is doorgebrand.
- Draai de contactsleutel naar "OFF" en schakel het betreffende elektrische circuit uit.
- Verwijder de doorgebrande zekering en breng een nieuwe zekering met de voorgeschreven ampèrewaarde aan. WAARSCHUWING! Gebruik geen
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
zekeringen met een hogere amperage dan aanbevolen om ernstige schade aan het elektrische systeem en mogelijk brand te voorkomen.
[DWA15131]
Voorgeschreven zekeringen:
Hoofdzekering: 50.0 A
Zekering ontstekingssysteem: 20.0 A
Zekering parkeerlichtcircuit: 7.5 A
Zekering signaleringssysteem: 7.5 A
Koplampzekering: 15.0 A
Zekering radiatorkoelvin: 20.0 A
Zekering rubradiatorkoelvin: 7.5 A
Zekering brandstofinjectiesysteem: 15.0 A
Zekering ABS-regeleenheid: 7.5 A
- Draai de contactsleutel naar "ON" en schakel het betreffende elektrische circuit in om te zien of de apparatuur werkt.
- Als de zekering direct opnieuw doorbrandt, vraag dan een Yamaha dealer het elektrisch systeem te controleren.
DAU46461
Koplampgloeilamp vervangen
De koplamp op dit model heeft een halogeen gloeilamp. Vervang de koplampgloeilamp als volgt als deze is doorgebrand.
DCA10650
LET OP
Pas op en zorg dat de volgende onderde- len niet worden beschadigd:
●Koplampgloeilamp
Raak het glas van de koplampgloeilamp niet aan zodat dit vetvrij blijft, anders kan de doorzichtigheid van het glas, de lichtintensiteit en de levensduur nadelig worden beïnvloed. Wrijf eventuele verontreinigingen en vingerafdrukken op het gloeilampglas weg met een doekje gedrenkt in alcohol of thinner.
●Koplamplens
Plak geen kleurfolie of stickers op de koplamplens.
Gebruik geen koplampgloeilamp met een hoger wattage dan is voorgeschreven.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN

-
Raak het glas van de gloeilamp niet aan.
-
Verwijder de koplampunit door de bouten los te halen.

-
Bout
-
Maak de koplampstekker los en verwijder dan de gloeilampkap.

-
Koplampstekker
-
Gloeilampkap
-
Haak de gloeilamphouder los en verwijder dan de defecte gloeilamp.

-
Gloeilamphouder
-
Breng een nieuwe koplampgloeilamp aan en zet deze dan vast met de gloeilamphouder.
-
Breng de gloeilampkap aan en sluit dan de koplampstekker aan.
-
Monteer de koplampunit door de bouten aan te brengen.
- Vraag indien nodig een Yamaha dealer de koplamplichtbundel af te stellen.
- Monteer de koplampunit door de bouten aan te brengen.
- Vraag indien nodig een Yamaha dealer de koplamplichtbundel af te stellen.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU24181
Dit model is uitgerust met een LED-type remlicht/achterlicht.
Als het remlicht/achterlicht niet gaat branden, vraag dan een Yamaha dealer het elektrisch circuit te testen.
DAU24204
Gloeilamp in richtingaanwijzer vervangen
- Verwijder de lamplens van de richtingaanwijzer door de schroeven te verwijderen.

-
Schroef
-
Lamplens richtingaanwijzer
-
Verwijder de defecte gloeilamp door deze in te drukken en linksom te draaien.

-
Gloeilamp richtingaanwijzer
-
Plaats een nieuwe gloeilamp in de fitting, druk deze in en draai rechtsom tot hij stuit.
- Monteer de lamplens door de schroef aan te brengen. LET OP: Draai de schroef niet te vast, hierdoor kan de lens breken. [DCA11191]
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU46781
Gloeilamp kentekenverlichting vervangen
- Verwijder de bevestigingsplaat door de bouten los te halen.

-
Bevestigingsplaat
-
Bout
-
Verwijder de kentekenverlichting door de bouten te verwijderen.

-
Bout
-
Kentekenverlichtingsunit
-
Verwijder de gloeilampfitting van de kentekenverlichting (samen met de gloeilamp) door deze eerst linksom te draaien en daarna eruit te trekken.

-
Gloeilampfitting kentekenverlichting
-
Verwijder de defecte gloeilamp door deze uit te trekken.

-
Gloeilamp kentekenverlichting
-
Steek een nieuwe gloeilamp in de fitting.
-
Breng de fitting (samen met de gloeilamp) aan door deze eerst in te drukken en daarna rechtsom te draaien totdat hij stuit.
-
Monteer de kentekenverlichting door de bouten aan te brengen.
-
Monteer de bevestigingsplaat door de bouten aan te brengen.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU46403
Parkeerlichtgloeilamp vervangen
Vervang een parkeerlichtgloeilamp als volgt als deze is doorgebrand.
- Verwijder de koplampunit. (Zie pagina 6-33.)
- Verwijder de lampfitting van het parkeerlicht (samen met de gloeilamp) door deze linksom te draaien.

-
Fitting parkeerlichtgloeilamp
-
Verwijder de doorgebrande gloeilamp door deze uit de fitting te trekken.

-
Parkeerlichtgloeilamp
-
Steek een nieuwe gloeilamp in de fitting.
- Bevestig de lampfitting van het parkeerlicht (samen met de gloeilamp) door deze rechtsom te draaien.
- Breng de koplampunit aan.
DAU24350
Ondersteunen van de motorfiets
Dit model is niet voorzien van een middenbok, neem daarom de volgende voorzorgsmaatregelen in acht bij het verwijderen van het voor- en achterwiel of bij het uitvoeren van ander onderhoud waarbij de motorfiets rechtop moet staan. Controleer of de motorfiets stabiel en horizontaal staat alvorens onderhoud te verrichten. Onder het motorblok kan een stevige houten kist gezet worden voor extra stabiliteit.
Onderhoud aan het voorwiel
- Stabiliseer de achterzijde van de motorfiets met een motorstandaard of, als geen andere standaard voorhanden is, door een krik te plaatsen onder het frame aan de voorzijde van het achterwiel.
- Breng het voorwiel los van de grond met gebruik van een motorfietsstandaard.
Verwijderen van het achterwiel
Breng het achterwiel los van de grond met een motorfietsstandaard of, als deze niet voorhanden is, door een krik te plaatsen onder beide zijden van het frame aan de voorzijde van het achterwiel, of onder beide uiteinden van de achterbrug.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU25871
Problemen oplossen
Yamaha motorfietsen ondergaan een grondige inspectie voordat ze vanaf de fabriek op transport gaan, maar tijdens gebruik kunnen toch storingen optreden. Problemen in de brandstof-, compressie- of ontstekingssystemen kunnen bijvoorbeeld de oorzaak zijn van slecht starten of een afname in motorvermogen.
In de volgende storingzoekschema's is een snelle en gemakkelijke werkwijze weergegeven om deze vitale systemen zelf te kunnen controleren. Ga met uw motorfiets echter wel naar een Yamaha dealer als reparaties nodig zijn, hier zijn vakkundige monteurs aanwezig die beschikken over het benodigde gereedschap en de ervaring en vakkennis om het nodige onderhoud aan de motorfiets correct te verrichten.
Gebruik uitsluitend originele Yamaha vervangingsonderdelen. Niet-originele onderdelen lijken misschien op Yamaha onderdelen maar zijn toch vaak van mindere kwaliteit en hebben een kortere levensduur, zodat dan later mogelijk toch dure reparaties nodig zijn.
DWA15141
WAARSCHUWING
Rook niet tijdens het controleren van het brandstofsysteem en let erop dat er geen open vuur of vonken in de omgeving zijn, inclusief waakvlammen van geisers of ovens. Benzine en benzinedampen kunnen vlam vatten of exploderen, met ernstig letsel of schade aan eigendommen tot gevolg.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
Storingzoekschema's
DAU46790
Startproblemen of slechte werking van de motor
1. Brandstof
Controleer het brandstofniveau in de brandstoftank.
Er is voldoende brandstof aanwezig.
Controleer de compressie.
Er is geen brandstof aanwezig.
Vul brandstof bij.
De motor start niet. Controleer de compressie.
2. Compressie
Bedien de startmotor.
Er is compressie.
Controleer de ontsteking.
Er is geen compressie.
Vraag een Yamaha dealer de machine te controleren.
3. Ontsteking
Verwijder de bougies en controleer de elektroden.
Nat
Veeg de bougies schoon met een droge doek of vervang de bougies.
Bedien de startmotor.
Droog
Vraag een Yamaha dealer de machine te controleren.
De motor start niet. Controleer de accu.
4. Accu
Bedien de startmotor.
De motor draait snel rond.
De accu is in orde.
De motor draait langzaam rond.
Controleer de aansluitingen van de accukabels en laad de accu indien nodig.
De motor start niet. Vraag een Yamaha dealer de machine te controleren.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
Oververhitte motor
DWAT1040
WAARSCHUWING
- Verwijder de radiatorvuldop niet terwijl de motor en de koelvloeistofradiator nog heet zijn. Hete vloeistof en stoom kunnen naar buiten spuiten en zo ernstige brandwonden veroorzaken. Wacht tot de motor is afgekoeld.
- Breng een dikke doek, bijvoorbeeld een handdoek, aan over de radiatorvuldop en draai deze dan langzaam linksom tegen de aanslag zodat de nog aanwezige druk kan ontsnappen. Druk de dop omlaag zodra het sisgeluid stopt en draai deze linksom en verwijder de dop.

flowchart
graph TD
A["Wacht tot de motor is afgekoeld."] --> B["Controleer het koelvloeistofniveau in het reservoir en in de radiator."]
B --> C["Het koelvloeistofniveau is in orde."]
B --> D["Het koelvloeistofniveau is laag. Controleer het koelsysteem op lekkage."]
D --> E["Er is lekkage."]
D --> F["Er is geen lekkage."]
E --> G["Vraag een Yamaha dealer het koelsysteem te controleren en te repareren."]
F --> H["Vul koelvloeistof bij. (Zie OPMERKING.)"]
H --> I["Start de motor. Vraag een Yamaha dealer het koelsysteem te controleren en te repareren als de motor opnieuw oververhit raakt."]
OPMERKING
Als geen koelvloeistof beschikbaar is, kan tijdelijk leidingwater worden gebruikt, maar dit moet wel zo snel mogelijk door de voorgeschreven koelvloeistof worden vervangen.
VERZORGING EN STALLING VAN DE MOTORFIETS
Matkleur, let op
DAU37833
DCA15192
LET OP
Sommige modellen zijn uitgerust met matkleurige onderdelen. Raadpleeg een Yamaha dealer voor advies over wat voor producten gebruikt moeten worden om het voertuig te reinigen. Het gebruik van een borsteltje, chemische producten of reinigingsmiddelen tijdens het reinigen van deze onderdelen kan het oppervlak bekrassen of beschadigen. Ook was moet niet worden aangebracht op een van de matkleurige onderdelen.
DAU46410
Verzorging
De open constructie van een motorfiets maakt de fraaie techniek beter zichtbaar, maar de machine is hierdoor ook kwetsbaarder. Er kan roestvorming en corrosie optreden, ook al zijn hoogwaardige componenten gebruikt. Een roestige uitlaatpijp valt bij een auto niet zo op, maar doet bij een motorfiets afbreuk aan het algehele uiterlijk. Regelmatige en correcte verzorging is niet alleen vereist volgens de garantiebepalingen, maar zorgt ook dat de motorfiets er langer mooi uit blijft zien, verlengt de levensduur en verbetert de prestaties.
Alvorens te reinigen
- Dek de uitlaatdemperopeningen af met een plastic zak nadat de motor is afgekoeld.
- Controleer of alle doppen en afdekpluggen, ook de bougiedoppen, en alle elektrische stekkers en aansluitingen stevig zijn bevestigd.
- Verwijder hardnekkige vervuiling, zoals verbrande olie op het carter, met een ontvetter en een borstel, maar gebruik dergelijke producten nooit op afdichtingen, pakkingen en wielassen. Spoel vuil en ontvetter altijd af met water.
Reinigen
DCA10772
LET OP
●Vermijd het gebruik van sterke en bijtende wielreinigingsmiddelen, vooral bij spaakwielen. Als dergelijke producten toch worden gebruikt om hardnekkig vuil los te maken, laat het reinigingsmiddel dan niet langer inwerken dan is vermeld in de gebruiksinstructies. Spoel vervolgens grondig na met water, laat direct drogen en breng daarna een corrosiewerende spray aan.
●Bij verkeerd reinigen kunnen kunststof delen (zoals stroomlijnpanelen, framepanelen, kuipruiten, koplamplenzen, lenzen van de instrumentenverlichting enz.) en de uitlaatdempers beschadigd raken. Gebruik alleen een zachte, schone doek of een spons met water om kunststof delen te reinigen. Als de kunststof delen met water niet afdoende kunnen worden gereinigd, kan een mild reinigingsmiddel met water worden gebruikt. Spoel reinigingsmiddelresten zorgvuldig af met grote hoeveelheden water, aangezien ze de kunststof delen kunnen beschadigen.
VERZORGING EN STALLING VAN DE MOTORFIETS
- Gebruik geen bijtende chemische reinigingsmiddelen op kunststof delen. Vermijd het gebruik van doeken of sponzen die in contact zijn geweest met bijtende of schurende reinigingsmiddelen, oplosmiddelen of thinner, brandstof (benzine), roestverwijderingsmiddelen of corrosieremmers, remvloeistof, antivries of elektrolyt.
- Gebruik geen hogedrukreinigers of stoomreinigers, omdat dan op de volgende plaatsen water kan doordringen en zo schade kan ontstaan: afdichtingen (van wiel- en achterbruglagers, voorvork en remmen), elektrische componenten (kabelstekkers, messtekkers, instrumenten, schakelaars en verlichting), beluchtings- en ontluchtingsslangen.
●Bij motorfietsen met een kuipruit: Gebruik geen bijtende reinigingsmiddelen of harde sponzen, deze veroorzaken dofheid en laten krasjes achter. Sommige reinigingsmiddelen voor kunststof laten eveneens krasjes achter op de kuipruit. Test het product op een klein, niet-zichtbaar gedeelte van de kuipruit om zeker te zijn dat geen
sporen achterblijven op de kuipruit. Als de kuipruit krasjes vertoont, breng dan na wassen een hoogwaardige polish voor gebruik op kunststof aan.
Na normaal gebruik
Verwijder vuil met warm water, een mild reinigingsmiddel en een zachte, schone spons en spoel dan grondig met schoon water. Gebruik een tandenborstel of flessenborstel voor moeilijk bereikbare plekken. Hardnek- kig vastzittend vuil en insectenresten laten gemakkelijker los als de bewuste plek alvo- rens te reinigen een paar minuten met een vochtige doek wordt bedekt.
Na rijden in regen, aan de kust of op bepekelde wegen
Zeelucht en wegenzout waarmee wegen in de winter worden bestrooid hebben in combinatie met water een zeer corrosieve werking; handel daarom als volgt na een rit in een regenbui, nabij de kust of op bepekelde wegen.
OPMERKING
In de winter gestrooid wegenzout kan nog tot in de lente aanwezig blijven.
- Reinig de motorfiets met koud water en een mild reinigingsmiddel nadat de motor is afgekoeld. LET OP: Gebruik geen warm water, dit versnelt de corrosieve werking van het zout. [DCA10791]
- Laat de motorfiets drogen en breng dan met een spuitbus een corrosiewerend middel aan op alle metalen delen, ook op de verchroomde en vernikkelde onderdelen (niet op de titanium uitlaatdempers) om zo roestvorming tegen te gaan.
Reinigen van de titanium uitlaatdempers Dit model is uitgerust met titanium uitlaatdempers die de volgende speciale verzorging nodig hebben.
- Gebruik alleen een zachte, schone doek of een spons met milde zeep en water om de titanium uitlaatdempers te reinigen. Als de uitlaatdempers met gebruik van zachte zeep niet echt schoon worden, kan een zachte borstel met een basisch product worden gebruikt.
- Gebruik nooit chemische stoffen of andere speciale reinigingsmiddelen om de uitlaatdempers schoon te maken, deze zullen de buitenste deklaag van de dempers aantasten.
VERZORGING EN STALLING VAN DE MOTORFIETS
●Al heel geringe hoeveelheden olie, zoals afkomstig van vingerafdrukken of van met olie besmeurde poetsdoeken, zullen vlekken achterlaten op de titanium dempers, maar deze vlekken kunnen met een zachte zeep worden verwijderd.
- De door hitte veroorzaakte verkleuringen op het gedeelte van de uitlaatpijp naar de titanium uitlaatdempers zijn normaal en kunnen niet worden verwijderd.
Na reiniging
- Droog de motorfiets met een zeemleren lap of een vochtabsorberende doek.
- Laat de aandrijfketting direct drogen en smeer hem om roestvorming te voorkomen.
- Gebruik een chroompolish om verchroomde, aluminium en roestvrijstalen delen te laten glanzen.
-
Het is aan te bevelen om met een spuitbus een corrosiewerend middel aan te brengen op alle metalen delen, ook op verchroomde en vernikkelde componenten, om zo corrosie te voorkomen.
-
Gebruik oliespray als universeel schoonmaakmiddel om nog achtergebleven vuil te verwijderen.
- Werk kleine lakbeschadigingen door steenslag e.d. bij.
- Zet alle gelakte oppervlakken in de was.
- Laat de motorfiets volledig drogen al- vorens deze te stallen of af te dekken.
DWA11131
WAARSCHUWING
Verontreiniging van de remmen of banden kan leiden tot verlies van de controle over de machine.
- Controleer of er geen olie of was op de remmen of banden zit.
●Reinig de remschijven en remvoeringen indien nodig met een normale remschijfreiniger of aceton en spoel de banden schoon met lauw water en een mild reinigingsmiddel. Test de remwerking en het weggedrag van de machine in bochten voordat u met hoge snelheden gaat rijden.
DCA10800
LET OP
- Breng een geringe hoeveelheid oliespray en was aan en verwijder overtollige hoeveelheden.
- Breng oliespray of was nooit aan op rubber of kunststof delen, behandel deze met een daartoe bestemd verzorgingsmiddel.
●Vermijd het gebruik van schurende poetsmiddelen, deze tasten de lak aan.
OPMERKING
●Vraag een Yamaha dealer om advies over de te gebruiken producten.
●Door wassen, regenachtig weer of een vochtig klimaat kan het koplampglas beslaan. Inschakelen van de koplamp gedurende een korte periode zal helpen bij de verwijdering van het vocht.
VERZORGING EN STALLING VAN DE MOTORFIETS
Stalling
DAU26242
Korte termijn
Stal uw motorfiets steeds op een koele en droge plek en bescherm indien nodig tegen stof met een luchtdoorlatende stallinghoes.
DCA10810
LET OP
●Als de motorfiets wordt gestald in een slecht geventileerde ruimte of in vochtige toestand wordt afgedekt met een hoes of een dekzeil, zal water en vocht kunnen binnendringen en roestvorming veroorzaken.
- Voorkom corrosie door de machine niet te stallen in een vochtige kelder, een stal (i.v.m. de aanwezigheid van ammoniakdamp) en in een opslagruimte voor sterke chemicaliën.
Lange termijn
Alvorens uw motorfiets gedurende meerde- re maanden aaneen te stallen:
-
Volg alle instructies op in de paragraaf "Verzorging" in dit hoofdstuk.
-
Vul de brandstoftank en voeg een stabilisatoradditief (indien verkrijgbaar) toe om roestvorming in de tank en achteruitgang van de brandstof te voorkomen.
-
Voer de volgende stappen uit om de cilinders, de zuigerveren etc. te beschermen tegen corrosie.
a. Verwijder de bougiedoppen en de bougies.
b. Giet een theelepel motorolie in elk bougiegat.
c. Breng de bougiedoppen aan op de bougies en leg dan de bougies zodanig op de cilinderkop dat de elektroden aan massa liggen. (Dit voorkomt vonken tijdens de volgende stap.)
d. Laat de motor een paar keer ronddraaien op de startmotor. (De cilinderwanden worden zo geolied.) WAARSCHUWING! Verbind de bougie-elektrodes met de massa bij het ronddraaien van de motor om schade of letsel door vonkvorming te voorkomen.
[DWA10951]
e. Haal de bougiedoppen los van de bougies en breng dan de bougies en de bougiedoppen weer aan. -
Smeer alle bedieningskabels en scharnierpunten van alle hendels en pedalen en van de zijstandaard/middenbok.
- Controleer de bandenspanning, corri-geer deze indien nodig en breng dan de motorfiets omhoog, zodat beide wielen los van de grond zijn. Een andere mogelijkheid is de wielen elke maand iets te draaien, zodat de banden niet op één gedeelte sterker achteruitgaan.
- Dek de uitlaatdemperopeningen af met een plastic zak om te voorkomen dat vocht kan binnendringen.
- Verwijder de accu en laad deze volledig bij. Berg de accu op een koele en droge plek op en laad deze eens per maand bij. Berg de accu niet op een overmatig koude of warme plek op [onder 0 °C (30 °F) of boven 30 °C (90 °F)]. Zie pagina 6-29 voor meer informatie over het opbergen van de accu.
OPMERKING
Voer eventueel benodigde reparaties uit voordat u uw motorfiets stalt.
Afmetingen:
Totale lengte:
2395 mm (94.3 in)
Totale breedte:
820 mm (32.3 in)
Totale hoogte:
1190 mm (46.9 in)
Zadelhoogte:
775 mm (30.5 in)
Wielbasis:
1700 mm (66.9 in)
Grondspeling:
140 mm (5.51 in)
Kleinste draaicirkel:
3500 mm (137.8 in)
Gewicht:
Incl. olie en brandstof:
310.0 kg (683 lb)
Motor:
Type motor:
Vloeistofgekoeld, 4-takt, DOHC
Cilinderopstelling:
4-cilinder, V-blok
Slagvolume:
1679 cm³
Boring × slag:
Aanbevolen kwaliteit motorolie:
Hoeveelheid motorolie:
Zonder vervanging van oliefilterpatroon:
4.30 L (4.55 US qt, 3.78 Imp.qt)
Met vervanging van oliefilterpatroon:
4.70 L (4.97 US qt, 4.14 Imp.qt)
Cardanolie:
Type:
Cardanolie (Onderdeelnr.: 9079E-SH001-00)
Hoeveelheid:
0.30 L (0.32 US qt, 0.26 Imp.qt)
Koelsysteem:
Inhoud koelvloeistofreservoir (tot aan de
merkstreep voor maximumniveau):
0.27 L (0.29 US qt, 0.24 Imp.qt)
Inhoud radiator (inclusief alle leidingen):
3.75 L (3.96 US qt, 3.30 Imp.qt)
Luchtfilter:
Luchtfilterelement:
Papieren element met oliecoating
Brandstof:
Aanbevolen brandstof:
Uitsluitend loodvrije superbenzine
Inhoud brandstoftank:
15.0 L (3.96 US gal, 3.30 Imp.gal)
Hoeveelheid reservebrandstof:
3.9 L (1.03 US gal, 0.86 Imp.gal)
Brandstofinjectie:
Gasklephuis:
Het teken van identificatie:
2S31 00
Bougie(s):
Fabrikant/model:
NGK/CR9EIA
Fabrikant/model:
DENSO/IU27D
Elektrodenafstand:
Nat, meervoudige plaat
Versnellingsbak:
Primair reductiesysteem:
Recht tandwiel
Primaire reductieverhouding: 86/57 (1.509)
Secundair reductiesysteem: Asaandrijving
Secundaire reductieverhouding: 22/23 × 29/09 (3.082)
Type versnellingbak: Constant mesh, 5 versnellingen
Bediening: Bediening met linkervoet
Overbrengingsverhoudingen: 1e: 38/16 (2.375)
2e: 38/21 (1.810)
3e: 35/25 (1.400)
4e: 29/26 (1.115)
5e: 29/31 (0.935)
Chassis:
Type frame: Diamantframe
Spoorhoek: 31.00 graad
Naspoor: 148.0 mm (5.83 in)
Voorband:
Type: Tubeless
Maat: 120/70R18M/C 59V
Fabrikant/model: BRIDGESTONE/BT028F
Achterband:
Type: Tubeless
Maat: 200/50R18M/C 76V
Fabrikant/model: BRIDGESTONE/BT028R
Belading:
Maximale belasting: 190 kg (419 lb) (Totaal gewicht van bestuurder, passagier, bagage en accessoires)
Bandenspanning (gemeten aan koude banden):
Gewichtsverdeling: 0–90 kg (0–198 lb) Voor: 250 kPa (2.50 kgf/cm², 36 psi)
Achter: 290 kPa (2.90 kgf/cm², 42 psi)
Gewichtsverdeling: 90–190 kg (198–419 lb)
Voor: 250 kPa (2.50 kgf/cm², 36 psi)
Achter: 290 kPa (2.90 kgf/cm², 42 psi)
Rijden met hoge snelheid: Voor: 290 kPa (2.90 kgf/cm², 42 psi)
Achter: 290 kPa (2.90 kgf/cm², 42 psi)
Voorwiel:
Type wiel: Gietwiel
Velgmaat: 18M/C x MT3.50
Achterwiel:
Type wiel: Gietwiel
Velgmaat: 18M/C x MT6.00
Voorrem:
Type: Dubbele schijfrem
Bediening: Bediening met rechterhand
Aanbevolen remvloeistof: DOT 4
Achterrem:
Type: Enkele schijfrem
Bediening: Bediening met rechtervoet
Aanbevolen remvloeistof: DOT 4
Voorwielophanging:
Type: Telescoopvork
Veer/schokdempertype: Schroefveer/oliedemper
Veerweg: 120.0 mm (4.72 in)
Achterwielophanging:
Type: Achterbrug (link-ophanging)
SPECIFICATIES
Veer/schokdempertype:
Schroefveer/gas-oliedemper
Veerweg:
110.0 mm (4.33 in)
Elektrische installatie:
Ontstekingssysteem:
Transistorontsteking (digitaal)
Laadsysteem:
Wisselstroomdynamo met permanente
magneten
Accu:
Model:
YTZ14S
Voltage, capaciteit:
12 V, 11.2 Ah
Koplamp:
Type gloeilamp:
Halogeenlamp
Gloeilampen voltage, wattage × aantal:
Koplamp:
12 V, 60 W/55 W × 1
Voorste richtingaanwijzer:
12 V, 10.0 W × 2
Achterste richtingaanwijzer:
12 V, 10.0 W × 2
Parkeerlicht:
12 V, 5.0 W × 1
Instrumentenverlichting:
LED
Controlelampje vrijstand:
LED
Waarschuwingslampje olieniveau:
LED
Controlelampje richtingaanwijzers:
LED x 2
Controlelampje brandstofniveau:
LED
Waarschuwingslampje
koelvloeistoftemperatuur:
LED
Waarschuwingslampje motorstoring:
LED
ABS-waarschuwingslampje:
LED
Controlelampje startblokkering:
LED
Controlelampje schakelmoment:
LED
Zekeringen:
Hoofdzekering:
50.0 A
Koplampzekering:
15.0 A
Zekering signaleringssysteem:
7.5 A
Zekering ontstekingssysteem:
20.0 A
Zekering parkeerlichtcircuit:
7.5 A
Zekering radiatorkoelvin:
20.0 A
Zekering rubradiatorkoelvin:
7.5 A
Zekering brandstofinjectiesysteem:
15.0 A
Zekering ABS-regeleenheid:
7.5 A
Zekering ABS-motor:
30.0 A
Zekering van de ABS-solenoïdeklep:
15.0 A
Backup-zekering:
7.5 A
Identificatienummers
Noteer het voertuigidentificatienummer en de gegevens op de modelinformatiesticker in onderstaande ruimtes. Deze gegevens heeft u nodig om reserveonderdelen bij een Yamaha dealer te bestellen of wanneer uw voertuig is gestolen.
VOERTUIGIDENTIFICATIENUMMER:

Voertuigidentificatienummer

- Voertuigidentificatienummer
Het voertuigidentificatienummer is ingeslagen op de balhoofdbuis. Noteer dit nummer in het daartoe bestemde vakje.
OPMERKING
Het voertuigidentificatienummer is bedoeld voor identificatie van uw motorfiets en kan worden gebruikt om uw motor in uw land aan te melden voor kentekenregistratie.
DAU26470
Modelinformatiesticker

De modelinformatiesticker is onder het bestuurderszadel bevestigd aan het frame. (Zie pagina 3-24.) Noteer de informatie op deze sticker in het daartoe bestemde vakje. Deze informatie is nodig om reserve-onderdelen te bestellen bij een Yamaha dealer.
INDEX
A
ABS....3-19
ABS-waarschuwingslampje 3-5
Accu....6-29
Achterbrugscharnierpunten, smeren.....6-28
Brandstofverbruik, tips voor een zuinig 5-3
C
Cardanolie.... 6-13
Claxonschakelaar 3-17
Contactslot/stuurslot 3-2
Controle- en waarschuwingslampjes ..... 3-3
Controlelampje grootlicht 3-4
Controlelampje schakelmoment....3-6
Controlelampjes richtingaanwijzers ..... 3-4
Controlelampje startblokkeersysteem..... 3-6
D
Dimlichtschakelaar....3-17
E
EXUP-systeem....3-30
G
Gasgreep en gaskabel, controleren en smeren.... 6-26
Gereedschapset.... 6-1
Gloeilamp kentekenverlichting, vervangen.... 6-36
Gloeilamp richtingaanwijzer, vervangen 6-35
|
Identificatienummers 9-1
Inrijperiode.... 5-3
K
Kabels, controleren en smeren...... 6-25
Klepspeling.... 6-19
Koelyloeistof 6-15
Koplampgloeilamp, vervangen 6-33
Koppelingshendel 3-18, 6-22
L
Lichtsignaalschakelaar 3-17
Luchtfilterelement 6-18
M
Matkleur, let op 7-1
Modelinformatiesticker.... 9-1
Motorolie en oliefilterpatroon 6-10
Multifunctioneel display 3-7
N
Noodstopschakelaar.... 3-17
0
Onderhoud, uitstootcontrolesysteem..... 6-2
Ondersteunen van de motorfiets ...... 6-37
P
Parkeerlichtgloeilamp, vervangen ..... 6-37
Parkeren 5-4
Plaats van de onderdelen.... 2-1
Problemen oplossen.... 6-38
R
Rem- en koppelingshendels, controleren en smeren .... 6-27
Rem- en koppelingsvloeistof, verversen 6-25
Rem- en schakelpedalen, controlleren en smeren....6-26
Remhendel....3-19
Remlichtschakelaars....6-23
Rempedaal....3-19
Remvloeistofniveau, controleren......6-24
Richtingaanwijzerschakelaar....3-17
S
Schakelaar alarmverlichting....3-17
Schakelen 5-2
Schakelpedaal....3-18
Schokdemperunit, afstellen....3-28
Smering en onderhoud, periodiek ....6-3
Snelheidsmeterunit 3-6
Specifications....8-1
Stalling 7-4
Startblokkeersysteem....3-1
Starten van de motor....5-1
Startknop....3-17
Startspersysteem 3-31
Stationair toerental, controleren .....6-18
Storingzoekschema's......6-39
Stroomlijnpanelen en framepaneel, verwijderen en aanbrengen ....6-7
Stuurschakelaars 3-17
Stuursysteem, controleren 6-29
T
Tankbeluchtingsslang/overloopslang ....3-23
Tankdop 3-20
U
Uitlaatkatalysatoren....3-23
v
Veiligheidsinformatie 1-1
Verzorging....7-1
INDEX
Voertuigidentificatienummer 9-1
Voor- en achterremblokken controleren 6-23
Voorremhendel, controleren van vrije slag.... 6-22
Voorvork, afstellen.... 3-26
Voorvork, controleren 6-28
Vrije slag gaskabel, controlleren ..... 6-19
Vrijstandcontrolelampje 3-4
W
Waarschuwingslampje brandstofniveau.... 3-4
Waarschuwingslampje koelvloeistoftemperatuur 3-5
Waarschuwingslampje motorstoring..... 3-5
Waarschuwingslampje olieniveau ..... 3-4
Wielen.... 6-22
Wiellagers controleren.... 6-29
Z
Zadels.... 3-24
Zekeringen, vervangen.... 6-32
Zijstandaard.... 3-30
Zijstandaard, controleren en smeren.... 6-27

YAMAHA
YAMAHA MOTOR CO., LTD.
PRINTED IN THE NETHERLANDS
2009.08